Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
17 JULI 2020. - Decreten over het Vlaamse woonbeleid, gecodificeerd op 17 juli 2020.Citeertitel: "Vlaamse Codex Wonen van 2021" (NOTA : artikelen gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR 2021-07-09/37, art. 158, 159, 161-195, 005; Inwerkingtreding : onbepaald )(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 13-11-2020 en tekstbijwerking tot 30-12-2025)
Titre
17 JUILLET 2020. - Décrets sur la politique flamande du logement, codifiés le 17 juillet 2020.Cités sous le titre suivant : Code flamand du Logement de 2021 (NOTE : articles modifiés avec effet à une date indéterminée par DCFL2021-07-09/37, art. 158, 159, 161-195, 005; En vigueur : indéterminée )(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 13-11-2020 et mise à jour au 30-12-2025)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
Boek 1. Inleidende bepalingen Deel 1. Algemene bepalingen en definities Deel 2. Missie van het woonbeleid Deel 3. [1 Implementatie kaderdecreet Bestuurli... Boek 2. Organisatie van het woonbeleid Deel 1. Proactieve betrokkenheid van stakeholders Deel 2. Lokaal woonbeleid Titel 1. Gemeente als regisseur van het lokaal ... Titel 2. Verwezenlijking van het sociaal woonaa... Titel 3. Leegstandsregister Titel 4. Register van verwaarloosde woningen en... Deel 3. Planning en monitoring Titel 1. Algemene bepalingen Titel 2. Gewestelijke objectieven Titel 3. Verwezenlijking van het sociaal woonaa... Hoofdstuk 1. Nulmeting Hoofdstuk 2. Bindend sociaal objectief Afdeling 1. Begrip Afdeling 2. Gemeentelijk objectief voor sociale... Hoofdstuk 3. Impact van een vrijwillige samenvo... Titel 4. Standplaatsen voor woonwagens Deel 4. Territoriale planning Deel 5. Wetenschappelijk onderzoek Titel 1. Datawarehouse Wonen Titel 2. Onderzoekscel Titel 3. Steekproefonderzoek Boek 3. Woningkwaliteitsbewaking Deel 1. Veiligheids- gezondheids- en woningkwal... Deel 2. Conformiteitsonderzoek Deel 3. Conformiteitsattest Deel 4. Waarschuwing Deel 5. Ongeschikt- en onbewoonbaarverklaring Titel 1. Procedure tot ongeschikt- en onbewoonb... Titel 2. Inventaris van ongeschikte en onbewoon... Deel 6. Overbewoondverklaring Deel 7. Herstel en sloop Deel 8. Herhuisvesting Deel 9. Strafrechtelijke handhaving Titel 1. Straffen Titel 2. Herstel Titel 3. Procedurele bepalingen Titel 4. Verzegeling Deel 10. [1 Privacy]1 Deel 11. [1 Kotlabel en melding van studentenhu... Boek 4. Woonactoren Deel 1. Sociale woonorganisaties Titel 1. Gemeenschappelijke bepalingen Titel 2. Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen Hoofdstuk 1. Oprichting en organisatie Hoofdstuk 2. Opdrachten Hoofdstuk 3. Bevoegdheden Hoofdstuk 4. Financiering Titel 3.[1 Woonmaatschappijen]1 Hoofdstuk 1.[1 Erkenning en werkingsgebieden]1 Hoofdstuk 2. Hoofdstuk 2. [1 Rechtsvorm en statuten]1 Hoofdstuk 3. Hoofdstuk 3. [1 Aandelen, aandeelhouders en alg... Hoofdstuk 4. [1 Bestuur]1 Hoofdstuk 5. [1 Doel, voorwerp, opdrachten en b... Hoofdstuk 4. Hoofdstuk 5. Hoofdstuk 6. [1 Vermogen van de woonmaatschappi... Hoofdstuk 7. [1 Interne en externe controle, to... Hoofdstuk 8. [1 Financiering]1 Hoofdstuk 6. Hoofdstuk 9. [1 Sancties]1 Hoofdstuk 10. [1 Diverse bepalingen]1 Titel 4. Hoofdstuk 1. Hoofdstuk 2. Hoofdstuk 3. Hoofdstuk 4. Hoofdstuk 5. Hoofdstuk 6. Titel 5. Vlaams Woningfonds Titel 6. Huurdersbonden Hoofdstuk 1. Erkenning Hoofdstuk 2. Opdrachten Hoofdstuk 3. Subsidie Hoofdstuk 4. Sancties Hoofdstuk 5. Ondersteuningsstructuur Deel 2. Andere woonactoren Titel 1. Verhuurdersorganisaties Hoofdstuk 1. Erkenning Hoofdstuk 2. Opdrachten Hoofdstuk 3. Subsidie Hoofdstuk 4. Sancties Titel 2. Voorbehouden voor toekomstig gebruik Deel 3. Toezicht Titel 1. Toezicht op woonactoren Titel 2. Profiel, statuut en ambtsgebied van de... Titel 3. Uitoefening van het toezicht Titel 4. Sancties en maatregelen Hoofdstuk 1. Schorsing en vernietiging Hoofdstuk 2. Administratieve geldboete Boek 5. Instrumenten van het woonbeleid Deel 1. Fondsen Titel 1. Fonds voor de Huisvesting Titel 2. Titel 3. Titel 4. Fonds ter bestrijding van de uithuisze... Titel 5. [1 Fonds voor de Wooninspectie]1 Deel 2. Financiering van woonprojecten Titel 1. Sociale woonprojecten Titel 2. Bevordering van rationeel energieverbruik Titel 3.Aanleg en aanpassing van wooninfrastruc... Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Hoofdstuk 2. Bijzondere bepalingen voor de priv... Titel 4. Huurverminderingen Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Hoofdstuk 2.Bijzondere bepalingen voor [1 woonm... Titel 5. Verhuring, verbetering en aanpassing v... Titel 6. Verwerving van bebouwde en onbebouwde ... Titel 7. Activeringsprojecten Titel 8. Sociaal woonbeleidsconvenant Titel 9. [1 Huurwoningen gerealiseerd door een ... Deel 3. Subsidie voor woonwagenterreinen Deel 4. Leningen en waarborgen Titel 1. Sociale lening met gewestwaarborg Titel 2. Bijzondere sociale leningen Titel 3. Huurwaarborglening Titel 4. Verzekering gewaarborgd wonen Titel 5. [1 Verbouwlening]1 Deel 5. Tegemoetkomingen Titel 1. Algemene bepalingen Titel 2. Tegemoetkoming in de huurprijs voor wo... Titel 3. Tegemoetkoming voor kandidaat-huurders Titel 4. Tegemoetkoming voor te bouwen, te reno... Deel 6. Recht van voorkoop Deel 7. Sociaal beheer van woningen Deel 8. Overdracht van onroerende goederen aan ... Deel 9. Bescheiden woonaanbod Titel 1. Normen en lasten Hoofdstuk 1. Gewestelijke en gemeentelijke normen Hoofdstuk 2. Normen in plangebieden Hoofdstuk 3. Uitzondering Hoofdstuk 4. Lasten Titel 2.Indicatieve streefprijzen [1 ...]1 Deel 10. Activeringstoezicht Deel 11. Huurschatter Boek 6. Sociale huur Deel 1. Algemene bepalingen Deel 2. Woningregister Deel 3. Inschrijvingsregister en inschrijvingsv... Titel 1. Inschrijvingsregister Titel 2. Inschrijvingsvoorwaarden Deel 4. Toelatingsvoorwaarden en toewijzing Titel 1. Toelatingsvoorwaarden Titel 2. Toewijzing Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Hoofdstuk 2.[1 Toewijzingsreglement]1 Deel 5. Verhaal Deel 6. Huurovereenkomst Titel 1. Vereiste van een geschrift Titel 2. Plaatsbeschrijving Deel 7. Verplichtingen van de verhuurder Deel 8. Verplichtingen van de huurder Deel 9. Financiële aspecten van de huurovereenk... Titel 1. Huurprijs Titel 2.[1 Kosten, lasten en vergoedingen]1 Titel 3. Huurwaarborg Deel 10. [1 Duur en einde van het woonrecht en ... Titel 1. [1 Het woonrecht en de huurovereenkomst]1 Hoofdstuk 1. Hoofdstuk 2. Titel 2. Opzegging door de verhuurder Titel 3. Opzegging door de huurder Titel 4. [1 Beëindiging van rechtswege]1 Deel 11. Verhuring buiten het sociale huurstelsel Deel 12. Toezicht, maatregelen en sancties Titel 1. Algemene bepalingen Titel 2. Administratieve maatregelen Titel 3. Administratieve geldboete Titel 4. Strafsancties Boek 7. Slotbepalingen
Table des matières
Livre 1. Dispositions introductives Partie 1. Dispositions générales et définitions Partie 2. Mission de la politique du logement Partie 3. [1 Mise en oeuvre du décret-cadre rel... Livre 2. Organisation de la politique du logement Partie 1. Participation proactive des parties p... Partie 2. Politique locale du logement Titre 1. La commune dirigeant la politique loca... Titre 2. Réalisation de l'offre de logement social Titre 3. Registre des immeubles inoccupés Titre 4. Registre des bâtiments et logements ab... Partie 3. Planning et monitoring Titre 1. Dispositions générales Titre 2. Objectifs régionaux Titre 3. Réalisation de l'offre de logement social Chapitre 1. Mesure de référence Chapitre 2. Objectif social contraignant Section 1. Concept Section 2. Objectif communal pour les logements... Chapitre 3. Impact de la fusion volontaire de c... Titre 4. Emplacements pour roulottes Partie 4. Planning territorial Partie S. Recherche scientifique Titre 1. Datawarehouse Logement Titre 2. Comité scientifique Titre 3. Enquête par sondage Livre 3. Contrôle de la qualité du logement Partie 1. Normes de sécurité, de santé et de qu... Partie 2. Enquête de conformité Partie 3. Certificat de conformité Partie 4. Avertissement Partie 5. Déclaration d'inadéquation et d'inhab... Titre 1. Procédure de déclaration d'inadéquatio... Titre 2. Inventaire des logements inadéquats et... Partie 6. Déclaration de suroccupation Partie 7. Réparation et démolition Partie 8. Relogement Partie 9. Maintien pénal Titre 1. Peines Titre 2. Réparation Titre 3. Dispositions procédurales Titre 4. Scellé Partie 10. [1 Vie privée]1 Partie 11. [1 Label kot et notification de loge... Livre 4. Acteurs du logement Partie 1. Organisations de logement social Titre 1. Dispositions communes Titre 2. Société flamande du Logement social Chapitre 1. Création et organisation Chapitre 2. Missions Chapitre 3. Compétences Chapitre 4. Financement Titre 3.[1 Sociétés de logement]1 Chapitre 1.[1 Agrément et zones d'activité]1 Chapitre 2. Chapitre 2. [1 Forme juridique et statuts]1 Chapitre 3. Chapitre 3. [1 Actions, actionnaires et assembl... Chapitre 4. [1 Administration]1 Chapitre 5. [1 But, objet, missions et compéten... Chapitre 4. Chapitre 5. Chapitre 6. [1 Patrimoine et maintien de la soc... Chapitre 7. [1 Contrôle interne et externe, sur... Chapitre 8. [1 Financement]1 Chapitre 6. Chapitre 9. [1 Sanctions]1 Chapitre 10. [1 Dispositions diverses]1 Titre 4. Chapitre 1. Chapitre 2. Chapitre 3. Chapitre 4. Chapitre 5. Chapitre 6. Titre 5. Vlaams Woningfonds (Fonds flamand du l... Titre 6. Unions des locataires Chapitre 1. Agrément Chapitre 2. Missions Chapitre 3. Subvention Chapitre 4. Sanctions Chapitre S. Structure de soutien Partie 2. Autres acteurs résidentiels Titre 1. Organisations des bailleurs Chapitre 1. Agrément Chapitre 2. Missions Chapitre 3. Subvention Chapitre 4. Sanctions Titre 2. Réservé à un usage ultérieur Partie 3. Contrôle Titre 1. Contrôle des acteurs du logement Titre 2. Profil, statut et ressort du contrôleur Titre 3. Exercice du contrôle Titre 4. Sanctions et mesures Chapitre 1. Suspension et annulation Chapitre 2. Amende administrative Livre 5. Instruments de la politique du logement Partie 1. Fonds Titre 1. Fonds du logement Titre 2. Titre 3. Titre 4. Fonds de lutte contre les expulsions Titre 5. [1 Fonds de l'inspection du logement]1 Partie 2. Financement des projets de logement Titre 1. Projets de logement social Titre 2. Promotion de l'utilisation rationnelle... Titre 3.Aménagement et adaptation de l'infrastr... Chapitre 1. Dispositions générales Chapitre 2. Dispositions particulières pour le ... Titre 4. Réductions de loyer Chapitre 1. Dispositions générales Chapitre 2.Dispositions particulières pour les ... Titre 5. Mise en location, amélioration et adap... Titre 6. Acquisition de biens immeubles bâtis o... Titre 7. Projets d'activation Titre 8. Convention de politique du logement so... Titre 9. [1 Logements locatifs réalisés par un ... Partie 3. Subvention pour les terrains pour nom... Partie 4. Prêts et garanties Titre 1. Prêt social avec garantie régionale Titre 2. Prêts sociaux spéciaux Titre 3. Prêt de garantie locative Titre 4. Assurance logement garanti Titre 5. [1 Prêt rénovation]1 Partie 5. Interventions Titre 1. Dispositions générales Titre 2. Intervention dans le loyer pour les lo... Titre 3. Intervention pour les candidats locata... Titre 4. Intervention pour les logements à cons... Partie 6. Droit de préemption Partie 7. Gestion sociale des logements Partie 8. Transfert de biens immeubles aux part... Partie 9.Offre de logement modeste Titre 1. Normes et charges Chapitre 1. Normes régionales et communales Chapitre 2. Normes dans les zones de plan Chapitre 3. Exception Chapitre 4. Charges Titre 2. Prix indicatifs cibles et règles d'att... Partie 10. Surveillance de l'activation Partie 11. Estimateur de loyer Livre 6. Location sociale Partie 1. Dispositions générales Partie 2. Registre des logements Partie 3. Registre d'inscription et conditions ... Titre 1. Registre d'inscription Titre 2. Conditions d'inscription Partie 4. Conditions d'admission et attribution Titre 1. Conditions d'admission Titre 2. Attribution Chapitre 1. Dispositions générales Chapitre 2.[1 Règlement d'attribution]1 Partie 5. Recours Partie 6. Contrat de location Titre 1. Exigence d'un écrit Titre 2. État des lieux Partie 7. Obligations du bailleur Partie 8. Obligations du locataire Partie 9. Aspects financiers du contrat de loca... Titre 1. Loyer Titre 2.[1 Frais, charges et indemnités]1 Titre 3. Garantie locative Partie 10. [1 Durée et fin du droit à l'habitat... Titre 1. [1 Le droit à l'habitation et le contr... Chapitre 1. Chapitre 2. Titre 2. Résiliation par le bailleur Titre 3. Résiliation par le locataire Titre 4. [1 Résiliation de plein droit]1 Partie 11. Location en dehors du régime locatif... Partie 12. Contrôle, mesures et sanctions Titre 1. Dispositions générales Titre 2. Mesures administratives Titre 3. Amende administrative Titre 4. Sanctions pénales Livre 7. Dispositions finales
Tekst (594)
Texte (593)
Boek 1. Inleidende bepalingen
Livre 1. Dispositions introductives
Deel 1. Algemene bepalingen en definities
Partie 1. Dispositions générales et définitions
Artikel 1.1. Deze codex regelt een gewestaangelegenheid.
Article 1.1. Le présent code règle une matière régionale.
Art. 1.2. Deze codex wordt aangehaald als: de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
Art. 1.2. Le présent code est cité sous le titre de Code flamand du Logement de 2021.
Art. 1.3. § 1. In deze codex en de besluiten genomen ter uitvoering ervan wordt verstaan onder:
  1° aanpassing: de uitvoering van specifieke werkzaamheden om een woning te doen beantwoorden aan de woningbezetting, de gezinssamenstelling of aan de fysieke mogelijkheden van bejaarden en personen met een handicap;
  [1 1° /1 algemene verordening gegevensbescherming: verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG;]1
  [4 1° /2 arbeidskracht: een persoon die:
   a) ofwel uitsluitend gedurende en wegens zijn effectieve tewerkstelling in het Vlaamse Gewest verblijft en er gehuisvest is;
   b) ofwel gewoonlijk zijn inschrijving in de bevolkingsregisters in het Vlaamse Gewest heeft, maar gedurende en wegens zijn tewerkstelling in het Vlaamse Gewest dermate ver van zijn domicilie gehuisvest is, dat hij onmogelijk dagelijks naar zijn domicilie kan terugkeren;]4

  2° [6 ...]6;
  3° bescheiden woonaanbod: het aanbod aan huurwoningen, koopwoningen en kavels, met uitsluiting van het sociaal woonaanbod, dat met behoud van de toepassing van artikel 5.94, § 1, tweede lid en artikel 5.96, tweede lid, bestaat uit:
  a) kavels met een oppervlakte van ten hoogste 500 m2;
  b) eengezinswoningen met een bouwvolume van ten hoogste 550 m3;
  c) overige woningen met een bouwvolume van ten hoogste 240 m3, te verhogen met 50 m3 voor woningen met drie of meer slaapkamers;
  4° bestaande woonkern: een gebied met dichte bebouwing, bestemd voor bewoning, waar gemakkelijk een aansluiting op bestaande infrastructuur kan worden gerealiseerd en dat gekarakteriseerd wordt door de effectieve beschikbaarheid van primaire voorzieningen van dagelijkse, commerciële, dienstverlenende en socio-culturele aard;
  [5 4° /1 betaalbare studentenkamer: een kamer die gerealiseerd wordt door een woonmaatschappij en die wordt verhuurd door een hogeronderwijsinstelling of een lokaal bestuur volgens de voorwaarden, vermeld in artikel 4.42/2;]5
  5° beveiligde zending: één van de hiernavolgende betekeningswijzen:
  a) een aangetekend schrijven;
  b) een afgifte tegen ontvangstbewijs;
  c) elke andere door de Vlaamse Regering toegelaten betekeningswijze waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld;
  6° bouwgronden: gronden, met uitsluiting van kavels, die palen aan een voldoende uitgeruste weg in de zin van artikel 4.3.5, § 2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en gelegen zijn in een woongebied of in een [14 woonreserve-gebied dat al voor bebouwing in aanmerking komt op grond van een vrijgavebesluit als vermeld in artikel 5.6.12 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening of op grond van een nog geldig principieel akkoord dat afgegeven werd overeenkomstig artikel 5.6.6, Ї 2, of gevat was door artikel 5.6.6, Ї 3, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals deze bepalingen golden tot 7 juli 2023]14;
  7° conforme woning: een woning die geen enkel gebrek als vermeld in artikel 3.1, § 1, derde lid, 2° en 3°, vertoont;
  8° conformiteit: het vertonen van geen enkel gebrek als vermeld in artikel 3.1, § 1, derde lid, 2° en 3°;
  9° decreet Grond- en Pandenbeleid: het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid;
  10° distributienetbeheerders: de natuurlijke personen of rechtspersonen, vermeld in artikel 2, 8°, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, en artikel 1, 31°, van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen;
  11° doortrekkersterrein: een terrein dat bestemd en ingericht is voor het tijdelijk plaatsen van verkeerswaardige woonwagens;
  12° eengezinswoning: elk bebouwd onroerend goed dat hoofdzakelijk bestemd is voor de huisvesting van één gezin of één alleenstaande, waarin zich geen andere woningen bevinden;
  13° [13 ...]13;
  14° gebouw: elk bebouwd onroerend goed, dat zowel het hoofdgebouw als de bijgebouwen omvat, met uitsluiting van bedrijfsruimten, vermeld in artikel 2, 1°, van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten;
  [6 14° /1 geconventioneerde huurwoning: een woning die gerealiseerd wordt door een private initiatiefnemer of een woonmaatschappij en die wordt verhuurd aan een afgebakende doelgroep van woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden die wordt bepaald door de Vlaamse Regering krachtens artikel 4.42 en 5.52/1;]6
  15° Geïntegreerd Beheers- en Controlesysteem: het registratiesysteem in de zin van titel II, hoofdstuk 4, van de verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en houdende wijziging van de verordeningen (EEG) nr. 2019/93, (EG) nr. 1452/2001, (EG) 1453/2001, (EG) nr. 1454/2001, (EG) nr. 1868/94, (EG) nr. 1251/1999, (EG) nr. 1254/1999, (EG) nr. 1673/2000, (EEG) nr. 2358/71 en (EG) nr. 2529/2001;
  16° gemeenschappelijk wonen: een woonvorm in een gebouw of gebouwencomplex dat wonen als hoofdfunctie heeft en uit verschillende woongelegenheden bestaat, waarbij minimaal twee huishoudens op vrijwillige basis minimaal één leefruimte delen en daarnaast elk over minimaal één private leefruimte beschikken en waarbij de bewoners samen instaan voor het beheer;
  17° gemeenschapsvoorzieningen: de installaties of gebouwen van collectieve aard en van sociaal of cultureel belang, met inbegrip van voorzieningen die bijdragen tot een verwevenheid van functies op buurtniveau;
  18° gewestelijk ambtenaar: de ambtenaar die met toepassing van de regels, vastgesteld door de Vlaamse Regering wordt aangewezen en die binnen zijn ambtsgebied belast is met opdrachten inzake kwaliteitsbewaking, zoals bedoeld in boek 3;
  19° gezin: meerdere personen die op duurzame wijze in dezelfde woning samenwonen en daar hun hoofdverblijfplaats hebben;
  20° groepswoningbouw: het gemeenschappelijk oprichten van woningen die een gemeenschappelijke werf hebben en fysisch of stedenbouwkundig met elkaar verbonden zijn;
  [5 20° /1 hogeronderwijsinstelling: universiteit en hogeschool als vermeld in artikel II.2 en II.3 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013;]5
  21° hoofdverblijfplaats: de woning waar een gezin of een alleenstaande effectief en gewoonlijk verblijft;
  22° houder van het zakelijk recht: de persoon of de personen met een recht van volle eigendom, opstal, erfpacht of vruchtgebruik met betrekking tot een gebouw of een woning;
  23° inventaris: de inventaris, vermeld in artikel 3.19;
  24° inventarisbeheerder: de gewestelijke entiteit die met toepassing van artikel 3.19, § 1, tweede lid, door de Vlaamse Regering belast wordt met het beheer van de inventaris;
  25° kamer: een woning waarin een toilet, een bad of douche of een kookgelegenheid ontbreken en waarvan de bewoners voor een of meer van die voorzieningen aangewezen zijn op de gemeenschappelijke ruimten in of aansluitend bij het gebouw waarvan de woning deel uitmaakt;
  26° kavels: de in een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden van een niet vervallen verkaveling afgebakende percelen;
  27° landmeter-expert: de landmeter-expert, ingeschreven op het tableau van de beoefenaars van het beroep als bedoeld in de wet van 11 mei 2003 tot bescherming van de titel en van het beroep van landmeter-expert en op wie het koninklijk besluit van 15 december 2005 tot vaststelling van de voorschriften inzake de plichtenleer van de landmeter-expert van toepassing is;
  [16 27° /1 mobiele woonunit: woonvorm die gekenmerkt wordt door flexibiliteit en verplaatsbaarheid, bestemd voor tijdelijke bewoning;]16
  28° NBN EN 14604: Belgische norm inzake rookmelders, waarvan de registratie door het Belgisch Instituut voor Normalisatie werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 22 februari 2006, en de later bekendgemaakte wijzigingen ervan. Het is de omzetting van de Europese geharmoniseerde norm CE EN 14604;
  29° niet-residentiële ruimte: elk onroerend goed of deel ervan dat niet bestemd is voor de huisvesting van een gezin of een alleenstaande en dat geen gemeenschapsvoorziening is noch een specifieke voorziening zoals bedoeld in artikel 5.40;
  30° nutsbedrijven: de instanties die in het kader van de openbare nutsvoorziening instaan voor de levering van water;
  31° onaangepaste woning: een woning die niet aangepast is aan de fysieke mogelijkheden van bejaarden of personen met een handicap;
  32° onbebouwd: beantwoordend aan de criteria voor opname in het register van onbebouwde percelen, gesteld bij en krachtens artikel 5.6.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
  33° onbewoonbare woning: een woning met minstens één gebrek van categorie III als vermeld in artikel 3.1, § 1, derde lid, 3°;
  34° ongeschikt gebouw: een gebouw dat niet meer geschikt is voor een gebruik waarvoor het oorspronkelijk bestemd was;
  35° ongeschikte woning: een woning met minstens één gebrek van categorie II als vermeld in artikel 3.1, § 1, derde lid, 2°, of van categorie III als vermeld in artikel 3.1, § 1, derde lid, 3°;
  36° opvulbouw: de realisatie van één of meer woningen binnen een bestaande woonkern, die in verhouding tot het aantal bestaande woningen een klein deel ervan uitmaken;
  37° overbewoonde woning: een woning waar een overschrijding van de bezettingsnorm, vastgesteld met toepassing van artikel 3.1, § 1, vierde lid, een veiligheids- of gezondheidsrisico of mensonwaardige levensomstandigheden veroorzaakt;
  38° personen met een handicap: personen die voldoen aan de criteria om een attest te bekomen volgens het besluit van de Vlaamse Regering tot bepaling van de attesten die in aanmerking worden genomen om een ernstige handicap vast te stellen;
  39° plan van aanleg: een gewestplan, een algemeen plan van aanleg of een bijzonder plan van aanleg;
  40° register van onbebouwde percelen: het register, vermeld in artikel 5.6.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
  41° renovatie: de uitvoering van structurele ingrepen die vooral betrekking hebben op de stabiliteit, de bouwfysica of de veiligheid, aan een woning of gebouw dat bestemd is om te worden bewoond;
  42° renovatie- of opvulbouwproject: een sociaal woonproject dat omvangrijke structurele ingrepen inhoudt, met name renovatie, vervangingsbouw en/of opvulbouw, met betrekking tot één of meer woningen, gebouwen of percelen die gelegen zijn in een bestaande woonkern;
  43° residentieel woonwagenterrein: een terrein dat bestemd en ingericht is voor het sedentaire wonen in een woonwagen en waarop een beperkte ambachtelijke en/of commerciële activiteit kan plaatsvinden in overeenstemming met de heersende wetgeving;
  44° rookmelder: een apparaat conform NBN EN 14604 dat reageert op de rookontwikkeling bij brand door het produceren van een scherp geluidssignaal, en dat niet van het ionische type is;
  45° schattingsprijs: de raming van de waarde van een onroerend goed door een van de volgende personen of instanties, op voorwaarde dat een raming van een persoon of instantie als vermeld in punt a) en b), primeert op een raming van een persoon of instantie als vermeld in punt c), d) en e):
  a) [3 een [7 schatter-onderhandelaar]7 van de Vlaamse Belastingdienst die bevoegd is voor schattingen]3;
  b) [3 ...]3
  c) een notaris;
  d) een landmeter-expert, na gezamenlijk akkoord over de schatter;
  e) [3 een ambtenaar die gemachtigd is door de dienst die door de Vlaamse Regering belast is met het woonbeleid, als die dienst zelf geen partij is bij de onroerende transactie waarvoor het schattingsverslag wordt opgemaakt]3;
  46° sociaal woonaanbod: het aanbod aan huurwoningen, koopwoningen en kavels dat voldoet aan beide hiernavolgende voorwaarden:
  a) zij zijn volledig onderhevig aan de reglementering aangaande het sociale huurstelsel of de overdracht van onroerende goederen door de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen (VMSW) en de [1 woonmaatschappijen]1 ter uitvoering van deze codex;
  b) zij worden bestemd tot hoofdverblijfplaats, respectievelijk tot oprichting van een woning die tot hoofdverblijfplaats zal worden bestemd;
  47° sociale contextfactoren: gemeentelijke karakteristieken met een potentiële impact op de nood aan een sociaal woonaanbod, zoals:
  a) het bestaande en geplande aanbod aan woonvoorzieningen die opvang en hulp aanbieden;
  b) het bestaande en geplande aanbod aan huurwoningen die gehuurd worden middels een gewestelijke of gemeentelijke huursubsidie of tegemoetkoming in de huurprijs;
  c) het desgevallend door de gemeente geïnventariseerde bescheiden woonaanbod;
  48° [1 ...]1
  49° sociale huurwoning: een woning die niet behoort tot het bescheiden woonaanbod, vermeld in punt 3°[8 die geen geconventioneerde huurwoning is en]8, die als hoofdverblijfplaats verhuurd of onderverhuurd wordt door:
  a) de VMSW of een [1 woonmaatschappij]1;
  b) [1 ...]1
  c) het Vlaams Woningfonds, een gemeente, een intergemeentelijk samenwerkingsverband, een OCMW of een welzijnsvereniging, voor zover er voor die woning een van de volgende subsidies werd verleend:
  1) een subsidie met toepassing van artikel 38, tweede lid, 5°, van de Huisvestingscode, gevoegd bij het koninklijk besluit van 10 december 1970, bekrachtigd bij de wet van 2 juli 1971;
  2) een subsidie als vermeld in artikel 49 van het decreet van 25 juni 1992 houdende diverse bepalingen tot begeleiding van de begroting 1992,[9 artikel 4.16, eerste lid,]9 of in boek 5, deel 2, titel 1, 2, 3, 4, 5 of 6;
  d) een gemeente, een OCMW of een sociale woonorganisatie, met uitzondering van de huurdersorganisaties, voor zover op de woning het sociaal beheersrecht, vermeld in artikel 5.82, wordt uitgeoefend of voor zover het een woning als vermeld in artikel 3.30, § 2, betreft;
  e) een gemeente of een OCMW, voor zover de woning verworven werd met toepassing van het recht van voorkoop, vermeld in artikel 5.76;
  f) een gemeente of een intergemeentelijk samenwerkingsverband, voor zover er toepassing gemaakt wordt van artikel 2.8;
  50° sociale kavel: een in een goedgekeurde en niet-vervallen verkaveling gelegen afgebakend perceel, voorzien van de nodige infrastructuur en nutsvoorzieningen, dat wordt bestemd om verkocht te worden aan woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden door:
  a) de VMSW of een [1 woonmaatschappij]1;
  b) een gemeente of een intergemeentelijk samenwerkingsverband, voor zover er met betrekking tot dat perceel een van de volgende gevallen zich voordoet:
  1) er werd een subsidie verleend als vermeld in punt 50°, c);
  2) er wordt toepassing gemaakt van artikel 2.8;
  c) een gemeente, voor zover het perceel verworven werd met toepassing van het recht van voorkoop;
  51° sociale koopwoning: een woning die wordt bestemd om verkocht te worden aan woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden door:
  a) de VMSW of een [1 woonmaatschappij]1;
  b) een gemeente of een intergemeentelijk samenwerkingsverband, voor zover er toepassing gemaakt wordt van artikel 2.8;
  c) het Vlaams Woningfonds, een gemeente of een intergemeentelijk samenwerkingsverband, voor zover er voor die woning een subsidie verleend werd als vermeld in artikel 49 van het decreet van 25 juni 1992 houdende diverse bepalingen tot begeleiding van de begroting 1992, in boek 5, deel 2, titel 1, 2, 3, 4, 5 of 6;
  d) een gemeente, voor zover de woning verworven werd met toepassing van het recht van voorkoop;
  52° sociale lening: een lening die overeenkomstig de bepalingen van boek 5, deel 4, titel 1 en 2, aan een gezin of alleenstaande wordt toegekend voor de bouw, de verwerving, de renovatie, de verbetering of de aanpassing van een woning en die gedekt is door een hypotheek op die woning;
  53° sociale woonorganisaties: de VMSW, een [1 woonmaatschappij]1, het Vlaams Woningfonds [1 ...]1 of een huurdersbond;
  54° subsidiabel bedrag: de kostprijs van de gesubsidieerde verrichting of het bedrag dat de Vlaamse Regering vaststelt en waarop de subsidie of de tegemoetkoming wordt berekend;
  55° subsidie: een voordeel dat betrekking heeft op een woonproject en krachtens deze codex wordt verleend aan andere initiatiefnemers dan gezinnen of alleenstaanden;
  56° tegemoetkoming: een voordeel dat krachtens deze codex wordt verleend aan gezinnen of alleenstaanden;
  57° venale waarde: de prijs die de meestbiedende kandidaat-koper bereid zou zijn te betalen als een onroerend goed te koop gesteld zou worden onder de meest gunstige voorwaarden en na een degelijke voorbereiding;
  58° verbetering: de uitvoering van beperkte ingrepen aan een woning, vooral met betrekking tot het comfort, de toegankelijkheid, de energie-efficiëntie of de privacy ten aanzien van de onmiddellijke woonomgeving;
  59° vervangingsbouw: een gebouw of woning volledig afbreken en op hetzelfde perceel een of meer nieuwe woningen oprichten;
  [12 59° /1 verwerkingsverantwoordelijke: de persoon, vermeld in artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming;]12
  60° Vlaamse besturen:
  a) de Vlaamse ministeries, agentschappen en openbare instellingen;
  b) de Vlaamse provincies, gemeenten en districten;
  c) de Vlaamse gemeentelijke en provinciale extern verzelfstandigde agentschappen;
  d) de Vlaamse verenigingen van provincies en gemeenten, vermeld in de wet van 22 december 1986 betreffende de intercommunales, en de samenwerkingsvormen, vermeld in het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking;
  e) de Vlaamse openbare centra voor maatschappelijk welzijn en de verenigingen, vermeld in hoofdstuk 12 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn;
  f) de polders, vermeld in de wet van 3 juni 1957 betreffende de polders, en de wateringen, vermeld in de wet van 5 juli 1956 betreffende de wateringen;
  g) de Vlaamse kerkfabrieken en de instellingen die belast zijn met het beheer van de temporaliën van de erkende erediensten;
  61° Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009;
  [10 61° /1 Vlaamse Dienstenintegrator: de Vlaamse dienstenintegrator, vermeld in artikel 3 van het decreet van 13 juli 2012 houdende oprichting en organisatie van een Vlaamse Dienstenintegrator;]10
  62° Vlaamse semipublieke rechtspersonen: rechtspersonen die niet behoren tot de Vlaamse besturen, doch met één of meer Vlaamse besturen een bijzondere band vertonen, doordat zij voldoen aan beide hiernavolgende voorwaarden:
  a) hun werkzaamheden worden in hoofdzaak gefinancierd of gesubsidieerd door één of meer Vlaamse besturen;
  b) hun werking is rechtstreeks of onrechtstreeks onderworpen aan enig toezicht in hoofde van een Vlaams bestuur middels één van de hiernavolgende regimes:
  1) een administratief toezicht;
  2) een toezicht op de aanwending van de werkingsmiddelen;
  3) de aanwijzing, door een Vlaams bestuur, van ten minste de helft van de leden van de directie, van de raad van bestuur, of van de raad van toezicht;
  63° Vlabinvest apb: het Agentschap voor Woon- en Zorginfrastructuurbeleid voor Vlaams-Brabant, opgericht als het Agentschap voor Grond- en Woonbeleid voor Vlaams-Brabant bij artikel 1 van het besluit van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 22 oktober 2013, en omgevormd tot het Agentschap voor Woon- en Zorginfrastructuurbeleid voor Vlaams-Brabant bij besluit van de provincieraad van Vlaams-Brabant;
  64° welzijnsvereniging: een vereniging als vermeld in deel 3, titel 4, hoofdstuk 2, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur;
  65° werkdag: elke kalenderdag, behalve een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag;
  [1 65° /1 werkingsgebied: een werkingsgebied als vermeld in artikel 4.37;]1
  66° woning: elk onroerend goed of het deel ervan dat hoofdzakelijk bestemd is voor de huisvesting van een gezin of alleenstaande;
  67° woonbehoeftig: verkerend in een feitelijke economische en maatschappelijke situatie waarin een behoorlijke huisvesting slechts kan worden verworven of behouden met extra of omvattende steun;
  68° woongebied: de gebieden die:
  a) ofwel geordend worden door een ruimtelijk uitvoeringsplan en sorteren onder de categorie van gebiedsaanduiding wonen;
  b) ofwel geordend worden door een plan van aanleg en aangewezen zijn als woongebied in de zin van artikel 5.1.0 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen;
  69° [2 wooninspecteur: [11 het personeelslid van de dienst die door de Vlaamse Regering belast is met het woonbeleid en]11 die belast is met de handhaving van de woningkwaliteitsbewaking, vermeld in boek 3, deel 9, die met toepassing van artikel 1.8, § 2, eerste lid, door de Vlaamse Regering aangewezen wordt als wooninspecteur;]2
  70° woonproject: een sociaal woonproject of een ander woonproject dat wordt opgezet om te voorzien in de huisvesting van gezinnen of alleenstaanden of om hun woonsituatie te verbeteren.
  Een woonproject is sociaal wanneer het de realisatie van sociale huurwoningen, sociale koopwoningen of sociale kavels, met inbegrip van de eventuele gemeenschappelijke voorzieningen en bescheiden huurwoningen betreft.
  Een sociaal woonproject is gemengd wanneer aan minstens één van de volgende voorwaarden is voldaan:
  a) het woonproject omvat of realiseert een menging van sociale huurwoningen met sociale koopwoningen en/of bescheiden huurwoningen;
  b) de sociale huurwoningen en/of sociale koopwoningen worden zodanig geïntegreerd in de bestaande woonstructuur dat er een menging ontstaat met woningen van de privésector;
  71° woonreservegebied: de als dusdanig op een plan van aanleg aangewezen gebieden;
  72° woonuitbreidingsgebied: de gebieden, aangewezen in een plan van aanleg op grond van artikel 5.1.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen;
  73° woonwagen: een woongelegenheid, gekenmerkt door flexibiliteit en verplaatsbaarheid, bestemd voor permanente en niet-recreatieve bewoning;
  74° [15 ...]15;
  75° zorgvoorziening: een voorziening van een door de Vlaamse Gemeenschap erkende organisatie die activiteiten uitoefent op het domein van de zorgverstrekking, de gezondheidsopvoeding, de preventieve gezondheidszorg, het gezin, het maatschappelijk welzijn, het onthaal en de integratie van inwijkelingen, de personen met een handicap, de ouderen, de jeugdbescherming of de sociale hulpverlening aan gedetineerden met het oog op hun sociale reintegratie, vermeld in artikel 5, § 1, I en II, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, met uitzondering van organisaties die activiteiten uitoefenen op het domein van het medisch verantwoord sporten en centra voor leerlingenbegeleiding.
  De Vlaamse Regering kan de betekenis van bovengenoemde begrippen nader omschrijven, met uitzondering van de punten 3°, 6°, 11°, 12°, 14°, 15°, 20°, 26°, 32°, 39°, 40°, 43°, 45°, 46°, 47°, 60°, 61°, 62°, 68°, 71°, 72°, 74° en 75°.
  § 2. De Vlaamse Regering bepaalt per vorm van steunverlening de criteria voor de evaluatie van de feitelijke situatie, bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 67°, waarbij de inkomensgrenzen telkens worden vastgesteld in verhouding tot de gezinssamenstelling.
  De Vlaamse Regering kan een bijzondere regeling treffen ten aanzien van de huurder, die niet onder de toepassing valt van boek 6 en wiens recht op wonen wordt uitgeoefend met toepassing van woonbehoeftigheidsvoorwaarden die niet werden bepaald volgens het eerste lid, wanneer de betrokken woning een sociale huurwoning wordt.
  § 3. De Vlaamse Regering kan andere dan de in paragraaf 1, eerste lid, 38°, bedoelde criteria vaststellen op grond waarvan personen, voor de toepassing van deze codex, kunnen worden erkend als personen met een handicap.
  § 4. De Vlaamse Regering kan een niet-limitatieve lijst opstellen van de Vlaamse semipublieke rechtspersonen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 62°.
  § 5. Voor de toepassing van deze codex en zijn uitvoeringsbesluiten wordt het aanbod aan huur- en koopwoningen en kavels die gefinancierd worden door het Investeringsfonds voor Grond- en Woonbeleid voor Vlaams-Brabant, opgericht bij artikel 16 van het decreet van 25 juni 1992 houdende diverse bepalingen tot begeleiding van de begroting 1992, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van deze codex, of door Vlabinvest apb, beschouwd als sociaal woonaanbod in de zin van paragraaf 1, eerste lid, 46°.
  
Art. 1.3. § 1. Dans le présent code et ses arrêtés d'exécution, on entend par :
  1° adaptation : l'exécution de travaux spécifiques pour qu'un logement soit conforme à son occupation, à la composition du ménage ou aux possibilités physiques de personnes âgées et de personnes handicapées ;
  [1 1° /1 règlement général sur la protection des données : le règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE ;]1
  [4 1° /2 main-d'oeuvre : une personne qui :
   a) réside et est logée en Région flamande uniquement pendant et en raison de son emploi effectif ;
   b) ou normalement inscrite dans les registres de la population de la Région flamande, mais qui, pendant et en raison de son emploi dans la Région flamande, est logée si loin de son domicile qu'il lui est impossible d'y retourner chaque jour ;]4

  2°[6 ...]6
  3° offre de logement modeste : l'offre de logements locatifs, de logements acquisitifs et de lots, à l'exclusion de l'offre de logement social, qui, sans préjudice de l'application de l'article 5.94, § 1, deuxième alinéa et de l'article 5.96, deuxième alinéa, se compose de :
  a) lots d'une superficie maximale de 500 m2 ;
  b) logements unifamiliaux d'un volume de construction maximal de 550 m3 ;
  c) autres logements d'un volume de construction maximal de 240 m3, à augmenter de 50 m3 pour les logements de trois chambres à coucher ou plus ;
  4° noyau résidentiel existant : une zone à haute densité de construction, destinée à l'habitat, pouvant être aisément raccordée aux infrastructures existantes et caractérisée par la disponibilité effective d'équipements primaires de nature quotidienne, commerciale, de service et socio-culturelle ;
  [5 4° /1 chambre d'étudiant abordable : une pièce aménagée par une société de logement et louée par un établissement d'enseignement supérieur ou une administration locale dans les conditions visées à l'article 4.42/2 ;]5
  5° envoi sécurisé : un des modes de signification suivants :
  a) lettre recommandée ;
  b) remise contre récépissé ;
  c) tout autre mode de signification autorisé par le Gouvernement flamand permettant de déterminer avec certitude la date de notification ;
  6° terrains à bâtir : les terrains, à l'exclusion de lots, confinant à une route dûment équipée au sens de l'article 4.3.5, § 2 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire et situés dans une zone résidentielle ou dans une [15 zone de réserve d'habitat qui entre déjà en considération pour la construction en vertu d'une décision de libération comme mentionné à l'article 5.6.12 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire ou en vertu d'un accord de principe encore valable qui a été délivré conformément à l'article 5.6.6., § 2 ou qui était intégré dans l'article 5.6.6., § 3 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, tel que ces dispositions étaient d'application jusqu'au 7 juillet 2023]15 ;
  7° logement conforme : un logement qui ne présente aucun des défauts visés à l'article 3.1, § 1, troisième alinéa, 2° et 3°;
  8° conformité : le fait de ne présenter aucun des défauts visés à l'article 3.1, § 1, troisième alinéa, 2° et 3° ;
  9° décret sur la Politique foncière et immobilière : le décret du 27 mars 2009 relatif à la politique foncière et immobilière ;
  10° gestionnaires de réseau de distribution : les personnes physiques ou morales visées à l'article 2, 8° de la loi du 29 avril 1999 relative à l'organisation du marché de l'électricité, et à l'article 1, 31° de la loi du 12 avril 1965 relative au transport de produits gazeux et autres par canalisations ;
  11° terrain de transit : un terrain destiné à, et aménagé pour l'installation temporaire de roulottes adaptées à la circulation ;
  12° logement unifamilial : tout bien immeuble bâti qui est principalement destiné au logement d'une seule famille ou d'une personne seule et dans lequel ne se trouve aucun autre logement ;
  13° [7 ...]7
  14° bâtiment : tout bien immeuble bâti, comprenant aussi bien le bâtiment principal que les annexes, à l'exception des sites d'activité économique visés à l'article 2, 1° du décret du 19 avril 1995 portant des mesures visant à lutter contre et à prévenir la désaffectation et l'abandon de sites d'activité économique ;
  [8 14° /1 logement locatif conventionné : un logement réalisé par un initiateur privé ou une société de logement et loué à un groupe cible délimité de ménages et d'isolés nécessitant un logement qui est défini par le Gouvernement flamand en vertu des articles 4.42 et 5.52/1 ; ]8
  15° Système intégré de gestion et de contrôle : le système d'enregistrement au sens du titre II, chapitre 4 du règlement (CE) n° 1782/2003 du Conseil du 29 septembre 2003 établissant des règles communes pour les régimes de soutien direct dans le cadre de la politique agricole commune et établissant certains régimes de soutien en faveur des agriculteurs et modifiant les règlements (CEE) n° 2019/93, (CE) n° 1452/2001,(CE) n° 1453/2001, (CE) n° 1454/2001, (CE) n° 1868/94, (CE) n° 1251/1999,(CE) n° 1254/1999,(CE) n° 1673/2000,(CEE) n° 2358/71 et (CE) n° 2529/2001 ;
  16° habitat communautaire : une forme d'habitat dans un bâtiment ou complexe de bâtiments ayant l'habitat comme fonction principale et comprenant plusieurs logements, dans lequel au moins deux ménages partagent au moins un lieu de vie sur une base volontaire et disposent en outre chacun d'au moins un lieu de vie privé, et dont les occupants assurent conjointement la gestion ;
  17° équipements communautaires : les installations ou bâtiments de nature collective et d'intérêt social ou culturel, y compris les équipements contribuant à l'interdépendance des fonctions au niveau du quartier;
  18° agent régional : l'agent désigné en application des règles, fixées par le Gouvernement flamand et chargé dans son ressort de missions en matière de contrôle de la qualité, visées au livre 3 ;
  19° ménage : plusieurs personnes habitant de manière durable dans un même logement et y ayant leur résidence principale ;
  20° construction de logements groupés : construction conjointe de logements sur un site commun et physiquement ou urbanistiquement interconnectés ;
  [5 20° /1 établissement d'enseignement supérieur : une université et une haute école telles que visées aux articles II.2 et II.3 du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013 ;]5
  21° résidence principale : le logement où réside effectivement et habituellement un ménage ou un isolé ;
  22° titulaire du droit réel : la ou les personnes titulaires d'un droit de pleine propriété, de superficie, emphytéotique ou d'usufruit relatif à un bâtiment ou à un logement ;
  23° inventaire : l'inventaire visé à l'article 3.19 ;
  24° gestionnaire de l'inventaire : l'entité régionale chargée par le Gouvernement flamand de la gestion de l'inventaire en application de l'article 3.19, § 1, deuxième alinéa ;
  25° chambre : un logement sans toilettes, bain ou douche ou équipement de cuisine et dont les occupants dépendent pour une ou plusieurs de ces installations des parties communes dans ou à côté du bâtiment dont le logement fait partie ;
  26° lots : les parcelles délimitées dans un permis d'environnement pour lotir les terrains d'un lotissement non expiré ;
  27° géomètre-expert : le géomètre-expert, inscrit au tableau des praticiens de la profession tel que visé à la loi du 11 mai 2003 sur la protection du titre et de la profession de géomètre-expert et régi par l'arrêté royal du 15 décembre 2005 fixant les règles de déontologie du géomètre-expert ;
  [17 27° /1 unité mobile de logement : forme de logement caractérisée par la flexibi-lité et la mobilité, destinée au logement temporaire ; ]17
  28° NBN EN 14604 : norme belge concernant les détecteurs de fumée, dont l'enregistrement a été publié au Moniteur belge du 22 février 2006 par l'Institut belge de Normalisation, et ses modifications publiées ultérieurement. Il s'agit de la transposition de la norme européenne harmonisée CE EN 14604 ;
  29° espace non résidentiel : tout bien immeuble ou une partie dudit bien qui n'est pas destiné au logement d'un ménage ou d'un isolé et qui n'est ni un équipement communautaire, ni un équipement spécifique tel que visé à l'article 5.40 ;
  30° entreprises d'utilité publique : les instances qui, dans le cadre de la mission d'utilité publique, assurent l'alimentation en eau ;
  31° logement inadapté : un logement qui n'est pas adapté aux capacités physiques des personnes âgées ou handicapées ;
  32° non bâti : répondant aux critères d'inscription au registre des parcelles non bâties fixés par et en vertu de l'article 5.6.1 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire ;
  33° logement inhabitable : un logement présentant au moins un des défauts de catégorie III, visés à l'article 3.1, § 1, troisième alinéa, 3°;
  34° bâtiment inadéquat : un bâtiment qui n'est plus approprié à l'usage auquel il était destiné initialement ;
  35° logement inadéquat : un logement présentant au moins un des défauts de catégorie II, visés à l'article 3.1, § 1, troisième alinéa, 2°, ou de catégorie III, visés à l'article 3.1, § 1, troisième alinéa, 3° ;
  36° construction de comblement : la réalisation d'un ou plusieurs logements dans un noyau résidentiel existant, qui ne représentent qu'une faible partie du nombre de logements existants ;
  37° logement sur-occupé : un logement où un dépassement de la norme d'occupation, fixée en application de l'article 3.1, § 1, quatrième alinéa, entraîne un risque pour la santé ou la sécurité ou des conditions de vie inhumaines ;
  38° personne handicapée : les personnes qui remplissent les critères permettant d'obtenir une attestation aux termes de l'arrêté du Gouvernement flamand déterminant les attestations prises en compte pour l'établissement d'un handicap lourd ;
  39° plan d'aménagement : un plan régional, un plan général d'aménagement ou un plan particulier d'aménagement ;
  40° registre des parcelles non bâties : le registre visé à l'article 5.6.5 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire ;
  41° rénovation : réalisation d'interventions structurelles portant principalement sur la stabilité, la physique du bâtiment ou la sécurité, sur une maison ou un bâtiment destiné à être occupé ;
  42° projet de rénovation ou de comblement : un projet de logement social impliquant des aménagements structurels substantiels, notamment la rénovation ou la construction de remplacement ou de comblement, relatifs à un ou plusieurs logements, bâtiments ou parcelles situés dans un noyau résidentiel existant ;
  43° terrain résidentiel pour roulottes : un terrain destiné à et aménagé pour l'habitation sédentaire en roulottes, et sur lequel une activité artisanale et/ou commerciale restreinte peut avoir lieu conformément à la législation en vigueur ;
  44° détecteur de fumée : un appareil conforme à la norme NBN EN 14604 qui réagit à la production de fumée en cas d'incendie en produisant un signal sonore aigu et qui n'appartient pas au type ionique ;
  45° prix estimé : estimation de la valeur d'un bien immeuble par l'une des personnes ou instances suivantes, étant entendu que l'estimation d'une personne ou instance telle que visée aux points a) et b) prime sur l'estimation d'une personne ou instance telle que visée aux points c), d) et e) :
  a) [3 un [9 taxateur-négociateur]9 du Service flamand des Impôts qui est compétent pour les estimations]3 ;
  b) [3 ]3
  c) un notaire ;
  d) un géomètre-expert, après accord commun sur l'estimateur ;
  e) [3 un fonctionnaire autorisé par le service chargé par le Gouvernement flamand de la politique du logement, si ce service n'est pas lui-même partie à la transaction immobilière pour laquelle le rapport d'estimation est établi]3 ;
  46° offre de logement social : l'offre de logements locatifs, de logements acquisitifs et de lots qui remplissent les deux conditions suivantes :
  a) ils sont pleinement soumis aux réglementations concernant le système locatif social ou le transfert de biens immeubles par la Société flamande de Logement social (VMSW) et les [1 sociétés de logement]1 en exécution du présent code ;
  b) ils sont destinés à être utilisés comme résidence principale ou pour la construction d'un logement à utiliser comme résidence principale ;
  47° les facteurs liés au contexte social : les caractéristiques des communes, ayant un impact potentiel sur le besoin d'une offre de logement social, telles que :
  a) l'offre existante et prévue de structures résidentielles offrant accueil et assistance ;
  b) l'offre existante et prévue de logements locatifs loués au moyen d'une subvention loyer ou d'une intervention dans le loyer régionales ou communales ;
  c) l'offre de logement modeste inventoriée par la commune, le cas échéant ;
  48° [1 ...]1
  49° logement locatif social : un logement ne faisant pas partie de l'offre de logement modeste visée au point 3°,[10 qui n'est pas un logement locatif conventionné et ]10 qui est loué ou sous-loué comme résidence principale par :
  a) la VMSW ou une [1 société de logement]1 ;
  b) [1 ...]1
  c) le Fonds flamand du Logement, une commune, une structure de coopération intercommunale, un CPAS ou une association d'aide sociale pour autant qu'une des subventions suivantes ait été accordée pour ce logement :
  1) une subvention en application de l'article 38, alinéa deux, 5°, du Code du Logement, joint à l'arrêté royal du 10 décembre 1970, sanctionné par la loi du 2 juillet 1971 ;
  2) une subvention telle que visée à l'article 49 du décret du 25 juin 1992 contenant diverses dispositions d'accompagnement du budget 1992,[11 à l'article 4.16, alinéa 1er,]11 ou au livre 5, partie 2, titres 1, 2, 3, 4, 5 ou 6 ;
  d) une commune, un CPAS ou une organisation de logement social, à l'exception des organisations de locataires, pour autant que le droit de gestion sociale, visé à l'article 5.82, soit exercé sur le logement ou qu'il s'agisse d'un logement tel que visé à l'article 3.30, § 2 ;
  e) une commune ou un CPAS, pour autant que le logement ait été acquis en application du droit de préemption, visé à l'article 5. 76 ;
  f) une commune ou une structure de coopération intercommunale, pour autant que l'article 2.8 soit appliqué ;
  50° lot social : une parcelle délimitée, située dans un lotissement approuvé et non échu, disposant de l'infrastructure et des équipements utilitaires nécessaires, qui est destinée à être vendue à des ménages et isolés mal logés, par :
  a) la VMSW ou une [1 société de logement]1 ;
  b) une commune ou une structure de coopération intercommunale, pour autant qu'un des cas suivants s'applique à cette parcelle :
  1) une subvention telle que visée au point 50°, c) a été accordée ;
  2) l'article 2.8 est d'application ;
  c) une commune, pour autant que la parcelle ait été acquise en application du droit de préemption ;
  51° logement acquisitif social : un logement destiné à être vendu à des ménages et isolés mal logés, par :
  a) la VMSW ou une [1 société de logement]1 ;
  b) une commune ou une structure de coopération intercommunale, pour autant que l'article 2.8 soit appliqué ;
  c) le Fonds flamand du Logement, une commune ou une structure de coopération intercommunale, pour autant qu'une subvention visée à l'article 49 du décret du 25 juin 1992 contenant diverses dispositions d'accompagnement du budget 1992, ou au livre 5, partie 2, titres 1, 2, 3, 4, 5 ou 6 ait été accordée pour ce logement ;
  d) une commune, pour autant que le logement ait été acquis en application du droit de préemption ;
  52° prêt social : un prêt accordé conformément aux dispositions du livre 5, partie 4, titres 1 et 2 à un ménage ou à un isolé pour la construction, l'acquisition, la rénovation, l'amélioration ou l'adaptation d'un logement, et couvert par une hypothèque sur ce logement;
  53° organisations de logement social : la VMSW, une [1 société de logement]1, le Fonds flamand du Logement [1 ...]1 ou une union de locataires ;
  54° montant subventionnable : le coût de l'opération subventionnée ou le montant fixé par le Gouvernement flamand sur la base duquel est calculée la subvention ou l'intervention ;
  55° subvention : un avantage relatif à un projet de logement, accordé en vertu du présent code à des initiateurs autres que des ménages ou des isolés ;
  56° intervention : un avantage accordé à des ménages ou à des isolés en vertu du présent code ;
  57° valeur vénale : le prix que le candidat acheteur le plus offrant serait disposé à payer si un bien immeuble était mis en vente aux conditions les plus favorables et après une préparation adéquate ;
  58° amélioration : l'exécution d'aménagements limités dans un logement, notamment en ce qui concerne le confort, l'accessibilité, l'efficacité énergétique ou la vie privée par rapport à l'environnement immédiat ;
  59° construction de remplacement : la démolition intégrale d'un bâtiment ou d'un logement suivie de la construction d'un ou plusieurs nouveaux logements sur la même parcelle ;
  [12 59° /1 responsable du traitement : la personne visée à l'article 4, 7), du règlement général sur la protection des données ;]12
  60° administrations flamandes :
  a) les ministères, agences et organismes publics flamands ;
  b) les provinces, communes et districts flamands ;
  c) les agences autonomisées externes communales et provinciales flamandes ;
  d) les associations flamandes de provinces et de communes, visées à la loi du 22 décembre 1986 relative aux intercommunales, et les partenariats visés au décret du 6 juillet 2001 portant réglementation de la coopération intercommunale ;
  d) les centres publics d'action sociale flamands et les associations mentionnées au chapitre 12 de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'action sociale ;
  f) les polders, visés à la loi du 3 juin 1957 relative aux polders, et les wateringues, visés à la loi du 5 juillet 1956 relative aux wateringues ;
  g) les fabriques d'églises et les institutions chargées de la gestion du temporel des cultes agréés ;
  61° Code flamand de l'Aménagement du Territoire : le Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 ;
  [13 61° /1 Intégrateur de services flamand : l'intégrateur de services flamand visé à l'article 3 du décret du 13 juillet 2012 portant création et organisation d'un intégrateur de services flamand ;]13
  62° personnes morales semi-publiques flamandes : les personnes morales qui n'appartiennent pas aux administrations flamandes, mais qui ont une relation particulière avec une ou plusieurs administrations flamandes vu qu'elles remplissent les deux conditions suivantes :
  a) leurs activités sont principalement financées ou subventionnées par une ou plusieurs administrations flamandes ;
  b) leur fonctionnement est directement ou indirectement contrôlé de manière plus ou moins importante par une administration flamande dans l'un des régimes suivants :
  1) la tutelle administrative ;
  2) le contrôle de l'affectation des moyens de fonctionnement ;
  3) la désignation par une administration flamande de la moitié au moins des membres de la direction, du conseil d'administration ou du conseil de surveillance ;
  63° Vlabinvest apb : l'Agence pour la Politique du Logement et de l'Infrastructure des Soins pour le Brabant flamand, créée comme l'Agence pour la Politique foncière et du Logement pour le Brabant flamand par l'article 1 de l'arrêté du Conseil provincial du Brabant flamand du 22 octobre 2013, et transformée en l'Agence pour la Politique du logement et de l'Infrastructure des Soins pour le Brabant flamand par arrêté du Conseil provincial du Brabant flamand ;
  64° association d'aide sociale : une association visée à la partie 3, titre 4, chapitre 2 du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale ;
  65° jour ouvrable : tout jour civil, sauf un samedi, dimanche ou jour férié légal ;
  [1 65° /1 zone d'activité : une zone visée à l'article 4.37 ;]1
  66° logement : tout bien immeuble ou partie d'immeuble destinés principalement au logement d'un ménage ou d'un isolé ;
  67° mal logé : se trouvant dans une situation économique et sociale de fait dans laquelle un logement décent ne peut être acquis ou maintenu qu'avec une aide supplémentaire ou globale;
  68° zone résidentielle : les zones qui sont :
  a) soit classées par un plan d'exécution spatiale et relèvent de la catégorie de zone " habitat " ;
  b) soit classées par un plan d'aménagement et désignées comme zone résidentielle au sens de l'article 5.1.0 de l'arrêté royal du 28 décembre 1972 relatif à la présentation et à la mise en uvre des projets de plans et des plans de secteur ;
  69° [2 inspecteur du logement : [14 le membre du personnel du service chargé par le Gouvernement flamand de la politique du logement et ]14 chargé du respect de la surveillance de la qualité du logement, visée au livre 3, partie 9, désigné par le Gouvernement flamand comme inspecteur du logement, en application de l'article 1.8, § 2, alinéa 1 ;]2
  70° projet de logement : un projet de logement social ou autre projet de logement mis en uvre en vue du logement de ménages ou d'isolés ou de l'amélioration de leur situation de logement.
  Un projet de logement est qualifié de social lorsqu'il concerne la réalisation de logements locatifs sociaux, de logements acquisitifs sociaux ou de lotissements sociaux, y compris les éventuelles infrastructures communes, et de logements locatifs modestes.
  Un projet de logement social est qualifié de mixte lorsqu'il remplit au moins l'une des conditions suivantes :
  a) le projet de logement comprend ou réalise un maillage de logements locatifs sociaux et de logements acquisitifs sociaux ou de logements locatifs modestes ;
  b) les logements locatifs ou acquisitifs sociaux sont intégrés de manière à ce que dans la structure résidentielle existante il y ait un maillage avec les logements du secteur privé ;
  71° zone de réserve résidentielle : les zones désignées comme telles sur un plan d'aménagement ;
  72° zone d'extension résidentielle : les zones désignées dans un plan d'aménagement en vertu de l'article 5.1.1 de l'arrêté royal du 28 décembre 1972 relatif à la présentation et à la mise en uvre des projets de plans et des plans de secteur ;
  73° roulotte : un logement flexible et mobile, destiné à l'occupation permanente et non récréative ;
  74° [16 ...]16;
  75° structure de soins : une structure d'une organisation agréée par la Communauté flamande, qui exerce des activités dans le domaine de la dispensation de soins, de l'éducation à la santé, des soins de santé préventifs, de la famille, de l'aide sociale, de l'accueil et de l'intégration des immigrés, des personnes handicapées, des personnes âgées, de la protection des jeunes ou de l'aide sociale aux détenus en vue de leur réintégration sociale, visée à l'article 5, § 1, I et II de la loi spéciale de réformes institutionnelles du 8 août 1980, à l'exception des organisations qui exercent des activités dans le domaine du sport dans le respect des impératifs de santé et des centres d'encadrement des élèves.
  Le Gouvernement flamand peut préciser la signification des termes ci-dessus, à l'exception des points 3°, 6°, 11°, 12°, 14°, 15°, 20°, 26°, 32°, 39°, 40°, 43°, 45°, 46°, 47°, 60°, 61°, 62°, 68°, 71°, 72°, 74° et 75°.
  § 2. Le Gouvernement flamand détermine les critères d'évaluation de la situation de fait, visée au paragraphe 1, premier alinéa, 67°, pour chaque forme de soutien, les limites de revenus étant chaque fois déterminées en fonction de la composition du ménage.
  Le Gouvernement flamand peut prévoir un régime spécial pour le locataire qui ne relève pas de l'application du livre 6 et dont le droit au logement est exercé en application des conditions de nécessité de logement qui n'ont pas été déterminées conformément au premier alinéa, lorsque le logement concerné devient un logement locatif social.
  § 3. Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres critères que ceux visés à l'alinéa 1, premier alinéa, 38°, sur la base desquels des personnes peuvent être reconnues comme personnes handicapées aux fins du présent code.
  § 4. Le Gouvernement flamand peut établir une liste non exhaustive des personnes morales semi-publiques flamandes, visées au paragraphe 1, premier alinéa, 62°.
  § 5. Aux fins du présent code et de ses arrêtés d'exécution, l'offre de logements locatifs en acquisitifs et de lots, financés par le Fonds d'investissement pour la politique foncière et du logement du Brabant flamand, créé par l'article 16 du décret du 25 juin 1992 contenant diverses dispositions d'accompagnement du budget 1992, tel qu'en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent code, ou par Vlabinvest apb, est considérée comme une offre de logement social au sens du paragraphe 1, premier alinéa, 46°.
  
Art. 1.4. Gemeenten kunnen de verrichtingen die zij krachtens boek 5 en 6 kunnen uitvoeren, geheel of gedeeltelijk laten uitvoeren door een autonoom gemeentebedrijf als vermeld in [1 deel 2, titel 3, hoofdstuk 2, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur]1. In dat geval worden, voor de toepassing van deze codex en de besluiten die genomen zijn ter uitvoering ervan, de woorden de gemeente gelezen als het autonoom gemeentebedrijf.
  
Art. 1.4. Les communes peuvent faire réaliser tout ou partie des opérations qu'elles peuvent effectuer en vertu des livres 5 et 6 par une régie communale autonome visée au [1 partie 2, titre 3, chapitre 2, du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale]1. Dans ce cas, aux fins du présent code et de ses arrêtés d'exécution, les mots " la commune " sont lus comme " la régie communale autonome ".
  
Deel 2. Missie van het woonbeleid
Partie 2. Mission de la politique du logement
Art. 1.5. Iedereen heeft recht op menswaardig wonen.
  Daartoe moet de beschikking over een aangepaste woning, van goede kwaliteit, in een behoorlijke woonomgeving, tegen een betaalbare prijs en met woonzekerheid worden bevorderd.
Art. 1.5. Toute personne a droit à un logement conforme à la dignité humaine.
  À cette fin, il faut promouvoir la disposition d'un logement adapté, de bonne qualité, dans un environnement résidentiel décent, à un prix abordable et avec sécurité de logement.
Art. 1.6. § 1. Het Vlaamse woonbeleid schept, binnen de perken van de kredieten die daartoe op de begroting van het Vlaamse Gewest worden ingeschreven, de voorwaarden voor de verwezenlijking van het recht op menswaardig wonen door
  1° huur- en koopwoningen beschikbaar te stellen tegen sociale voorwaarden;
  2° de renovatie, verbetering of aanpassing van het woningbestand te bevorderen en zo nodig over te gaan tot vervanging ervan;
  3° huisvestingsondersteuning te bieden aan woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden;
  4° initiatieven te ontwikkelen om
  a) de prijzen te beheersen van gronden, bestemd voor woningbouw, en van panden, bestemd voor bewoning;
  b) groepen van woningen functioneel in te richten;
  c) de woonsituatie te verbeteren van bewoners die gehuisvest zijn in een woonwagen.
  5° een gerichte ondersteuning te bieden om een kwalitatief en betaalbaar aanbod aan huurwoningen te stimuleren op de private huurmarkt, waarbij een evenwicht wordt nagestreefd tussen de belangen van huurders en verhuurders.
  Het Vlaams woonbeleid heeft in het bijzonder aandacht voor de meest behoeftige gezinnen en alleenstaanden.
  § 2. Het woonbeleid is gericht op:
  1° de realisatie van optimale ontwikkelingskansen voor iedereen;
  2° een optimale leefbaarheid van de wijken;
  3° het bevorderen van de integratie van bewoners in de samenleving;
  4° het bevorderen van gelijke kansen voor iedereen.
  § 3. Ter uitvoering van de doelstellingen, bepaald in § 2, kan de Vlaamse Regering bij de concretisering van de haar bij andere bepalingen uit dit decreet toegestane delegaties, maatregelen nemen die gericht zijn op:
  1° de kwaliteit van de woningen;
  2° de kwaliteit van de woonomgeving;
  3° het samenleven van de bewoners in de wijk;
  4° de betaalbaarheid;
  5° de participatie van de betrokken bewonersgroepen;
  6° de woonzekerheid.
  Bij projecten van nieuwbouw of renovatie wordt gestreefd naar een vermenging van soorten woningen en woningtypes en naar een goede integratie van nieuwe projecten in de bestaande omgeving.
  § 4. Het Vlaams woonbeleid moedigt bij de bouw, aanpassing, verbetering of renovatie van woningen, waarvoor krachtens deze codex subsidies of tegemoetkomingen worden verleend, het prijsbewuste gebruik van ecologisch verantwoorde bouwmaterialen en bouwwijzen aan.
Art. 1.6. § 1. La politique flamande du logement crée, dans les limites des crédits inscrits à cet effet au budget de la Région flamande, les conditions de réalisation du droit à un logement conforme à la dignité humaine, en :
  1° mettant à disposition des logements locatifs et acquisitifs à des conditions sociales ;
  2° promouvant la rénovation, l'amélioration ou l'adaptation du parc de logements et, le cas échéant, en procédant à son remplacement ;
  3° fournissant une aide au logement pour les ménages et isolés mal logés ;
  4° développant des initiatives visant à
  (a) contrôler les prix des terrains destinés à la construction de logements, et des bâtiments destinés au logement ;
  b) aménager de manière fonctionnelle des groupes de logements ;
  c) améliorer les conditions de logement des habitants de roulottes ;
  5° fournissant un soutien ciblé afin de stimuler une offre de qualité et abordable de logements locatifs sur le marché locatif privé, qui concilie les intérêts des locataires et des bailleurs.
  La politique flamande du logement accorde une attention particulière aux ménages et aux isolés les plus démunis.
  § 2. La politique du logement est axée sur :
  1° la réalisation de possibilités de développement optimales pour tous ;
  2° une qualité de vie optimale des quartiers ;
  3° la promotion de l'intégration des habitants dans la société ;
  4° la promotion de l'égalité des chances pour tous.
  § 3. Pour réaliser les objectifs énoncés au § 2, le Gouvernement flamand peut, lors de la mise en pratique des délégations lui conférées en vertu d'autres dispositions du présent décret, prendre des mesures axées sur :
  1° la qualité des logements ;
  2° la qualité de l'environnement résidentiel ;
  3° le vivre ensemble des habitants du quartier ;
  4° le caractère abordable des logements ;
  5° la participation des groupes d'habitants concernés ;
  6° la sécurité de logement.
  Les projets de nouvelles constructions ou de rénovation poursuivent l'objectif de mélanger les différents types de logements et d'intégrer les nouveaux projets dans l'environnement existant.
  § 4. La politique flamande du logement encourage l'utilisation attentive au coût, de matériaux et de méthodes de construction écologiques pour la construction, l'adaptation, l'amélioration ou la rénovation des logements éligibles aux subventions ou aux interventions en vertu du présent code.
Art. 1.7. § 1. De Vlaamse Regering stelt in 2017 een Woonbeleidsplan Vlaanderen vast.
  Het Woonbeleidsplan Vlaanderen bevat:
  1° een informatief gedeelte;
  2° een gedeelte met de langetermijnvisie en langetermijndoelstellingen voor het Vlaamse woonbeleid met tijdshorizon 2050.
  Het Woonbeleidsplan Vlaanderen moet de realisatie van de doelstellingen, vermeld in artikel 1.5 en 1.6, garanderen op de lange termijn. De langetermijnvisie en -doelstellingen worden vijftienjaarlijks herzien door de Vlaamse Regering. Ze kunnen worden herzien naar aanleiding van maatschappelijke evoluties of nieuwe inzichten uit wetenschappelijk onderzoek.
  § 2. In het eerste jaar van iedere legislatuur wordt door de Vlaamse Regering een actieprogramma vastgesteld dat een selectie van initiatieven bevat die op korte termijn kunnen worden opgestart of voortgezet en die bijdragen aan de realisatie van de langetermijndoelstellingen. Tegelijkertijd wordt een actualisatie van het informatieve gedeelte vastgesteld.
Art. 1.7. § 1. Le Gouvernement flamand a arrêté en 2017 un Plan de politique du logement pour la Flandre.
  Le plan de politique du logement pour la Flandre contient :
  1° une partie informative ;
  2° une partie avec la vision et les objectifs à long terme de la politique flamande du logement à l'horizon 2050.
  Le Plan de politique du logement pour la Flandre doit assurer la réalisation à long terme des objectifs visés aux articles 1.5 et 1.6. La vision et les objectifs à long terme sont revus tous les quinze ans par le Gouvernement flamand. Ils peuvent être revus en fonction des évolutions sociétales ou des nouvelles connaissances issues de la recherche scientifique.
  § 2. Au cours de la première année de chaque législature, le Gouvernement flamand établit un programme d'action contenant une sélection d'initiatives qui peuvent être lancées ou poursuivies à court terme et qui contribuent à la réalisation des objectifs à long terme. Dans le même temps, la partie informative sera mise à jour.
Deel 3. [1 Implementatie kaderdecreet Bestuurlijke Handhaving]1
Partie 3. [1 Mise en oeuvre du décret-cadre relatif au maintien administratif]1
Art. 1.8. [1 § 1. Het kaderdecreet Bestuurlijke Handhaving van 22 maart 2019 is, met uitzondering van artikel 22, § 2, van dit kaderdecreet, van toepassing op de handhaving van de woningkwaliteitsbewaking, vermeld in boek 3.
   § 2. De door de Vlaamse Regering als wooninspecteurs aangewezen [2 personeelsleden]2 zijn van rechtswege officier van gerechtelijke politie - hulpofficier van de procureur des Konings, bestuurlijke opsporingsagent en toezichthouder in de zin van het kaderdecreet Bestuurlijke Handhaving van 22 maart 2019. In hun hoedanigheid van bestuurlijk opsporingsagent beschikken ze over de bevoegdheid, vermeld in artikel 30, § 1 en § 2, van voormeld decreet.
   De personeelsleden van de politiediensten, vermeld in artikel 26, § 3, van het kaderdecreet Bestuurlijke Handhaving van 22 maart 2019, zijn bevoegd voor de bestuurlijke opsporing van de inbreuken, vermeld in artikel 3.55 van deze codex, volgens de bepalingen van hoofdstuk 4 van hetzelfde kaderdecreet. Personeelsleden van de politiediensten die officier van bestuurlijke politie zijn, beschikken daarvoor van rechtswege over de bevoegdheden, vermeld in artikel 30, § 1 en § 2, van voormeld decreet.
   Voor de toepassing van artikel 20, § 5, tweede lid, van het kaderdecreet Bestuurlijke Handhaving van 22 maart 2019 worden sociale verhuurders gelijkgesteld met de overheden die afschriften van processen-verbaal of verslagen van vaststelling mogen ontvangen voor de daar bepaalde doeleinden.]1

  
Art. 1.8. [1 § 1. Le décret-cadre relatif au maintien administratif du 22 mars 2019 s'applique, à l'exception de l'article 22, § 2, du présent décret-cadre, au respect de la surveillance de la qualité du logement, visé au livre 3.
   § 2. Les [2 membres du personnel ]2 désignés par le Gouvernement flamand en tant qu'inspecteurs du logement ont de plein droit la qualité d'officier de police judiciaire auxiliaire du procureur du Roi, agent de recherche administratif et superviseur au sens du décret-cadre relatif au maintien administratif du 22 mars 2019. Ils disposent en leur qualité d'agent de recherche administratif de la compétence visée à l'article 30, §§ 1 et 2, du décret précité.
   Les membres du personnel des services de police visés à l'article 26, § 3, du décret-cadre relatif au maintien administratif du 22 mars 2019, sont compétents pour la recherche administrative des délits visés à l'article 3.55 du présent Code, selon les dispositions du chapitre 4 du même décret-cadre. Les membres du personnel des services de police qui sont officiers de police administrative disposent pour cela de plein droit des compétences visées à l'article 30, §§ 1 et 2, du décret précité.
   Pour l'application de l'article 20, § 5, alinéa 2, du décret-cadre relatif au maintien administratif du 22 mars 2019, les bailleurs sociaux sont assimilés aux autorités autorisées à recevoir des copies de procès-verbaux ou des rapports de constatation pour les objectifs qui y sont déterminés.]1

  
Boek 2. Organisatie van het woonbeleid
Livre 2. Organisation de la politique du logement
Deel 1. Proactieve betrokkenheid van stakeholders
Partie 1. Participation proactive des parties prenantes
Art. 2.1. De Vlaamse Regering waakt erover dat in het beleidsveld Wonen de proactieve betrokkenheid van stakeholders wordt opgenomen om de volgende doelen te realiseren:
  1° maatschappelijke tendensen capteren en wijzigingen in het werkveld signaleren die het Vlaamse woonbeleid aanbelangen, alsook de gevolgen ervan voor het Vlaamse woonbeleid duiden;
  2° reflecteren over initiatieven met betrekking tot het beleidsveld Wonen of tot belendende beleidsvelden die een impact op het beleidsveld Wonen hebben;
  3° verbetervoorstellen aangeven die het beleidsveld Wonen ten goede komen.
  Met het oog op de realisatie van de doelen, vermeld in het eerste lid, kan de Vlaamse Regering een proactief stakeholdersplatform oprichten.
Art. 2.1. Le Gouvernement flamand veille à intégrer la participation proactive des parties prenantes dans le domaine politique du logement, afin d'atteindre les objectifs suivants
  1° identifier les tendances sociétales et signaler les changements sur le terrain qui concernent la politique flamande du logement, ainsi que leurs conséquences pour la politique flamande du logement ;
  2° réfléchir sur des initiatives relatives au domaine politique du logement ou aux domaines politiques connexes qui ont un impact sur le domaine politique du logement;
  3° faire des propositions d'amélioration qui bénéficient au domaine politique du logement.
  En vue d'atteindre les objectifs visés au premier alinéa, le Gouvernement flamand peut mettre en place une plate-forme proactive des parties prenantes.
Deel 2. Lokaal woonbeleid
Partie 2. Politique locale du logement
Titel 1. Gemeente als regisseur van het lokaal woonbeleid
Titre 1. La commune dirigeant la politique locale du logement
Art. 2.2. § 1. De gemeente is verantwoordelijk voor het uitwerken van haar woonbeleid op lokaal vlak waarbij aandacht uitgaat naar het stimuleren van sociale woonprojecten, het ondersteunen van woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden en het uitwerken van een bewaking van de kwaliteit van het woonpatrimonium en de woonomgeving.
  § 2. De gemeente stimuleert de realisatie van sociale woonprojecten op haar grondgebied, ongeacht de initiatiefnemer. De gemeente gaat, volgens de procedure en in de gevallen die door de Vlaamse Regering worden bepaald, na of sociale woonprojecten op haar grondgebied door een [1 woonmaatschappij]1 kunnen worden gerealiseerd.
  De gemeente draagt er zorg voor dat de woonprojecten en individuele verrichtingen van de sociale woonorganisaties, het OCMW of haarzelf in het belang van de bewoners op elkaar worden afgestemd. Daartoe ziet de gemeente erop toe dat de sociale woonorganisaties zoveel mogelijk onderling overleg plegen. Ze kan de sociale woonorganisaties, het OCMW en de lokale welzijnsorganisaties voor overleg samenroepen. De sociale woonorganisaties zijn verplicht in te gaan op de vraag tot overleg vanwege de gemeente.
  
Art. 2.2. § 1. La commune est responsable de l'élaboration de sa politique de logement sur le plan local, avec une attention particulière à l'encouragement des projets de logement social, au soutien aux ménages et aux isolés mal logés, et de l'élaboration du contrôle de qualité du patrimoine des logements et du milieu d'habitat.
  § 2. La commune encourage la réalisation de projets de logement social sur son territoire, quel qu'en soit l'initiateur. La commune vérifie, selon la procédure et dans les cas fixés par le Gouvernement flamand, la possibilité de la réalisation de projets de logement social sur son territoire par une [1 société de logement]1.
  La commune veille à ce que les projets de logement et opérations individuelles des organisations de logement social, du CPAS ou de la commune soient coordonnés dans l'intérêt des habitants. À cet effet, la commune veille à ce que les organisations de logement social se concertent autant que possible. Elle peut convoquer les organisations de logement social, le CPAS et les organisations locales d'aide sociale à une concertation. Les organisations de logement social sont tenues d'accéder à la demande de concertation de la commune.
  
Art. 2.3. De Vlaamse Regering begeleidt en ondersteunt de gemeenten bij het uitwerken van hun woonbeleid en in het bijzonder bij het toezien op de coördinatie met het Vlaamse woonbeleid. De entiteit die door de Vlaamse Regering belast wordt met de ondersteuning van het lokale woonbeleid kan deelnemen aan de overlegvergaderingen, die door de gemeente met toepassing van artikel 2.2, § 2, worden samengeroepen. Ze kan ook op eigen initiatief een dergelijke overlegvergadering samenroepen.
Art. 2.3. Le Gouvernement flamand accompagne et soutient les communes dans l'élaboration de leur politique du logement et, en particulier, dans la supervision de la coordination avec la politique flamande du logement. L'entité chargée par le Gouvernement flamand du soutien de la politique locale du logement peut participer aux réunions de concertation convoquées par la commune en application de l'article 2.2, § 2. Elle peut également convoquer une telle réunion de concertation de sa propre initiative.
Art. 2.4. De Vlaamse Regering kan, binnen de perken van de kredieten die daartoe op de begroting van het Vlaamse Gewest worden ingeschreven en onder de voorwaarden die ze heeft bepaald, de gemeentelijke en intergemeentelijke werking met het oog op het realiseren van de opdrachten vermeld in artikel 2.2 en het verbeteren van de dienstverlening aan woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden, subsidiëren.
  De Vlaamse Regering stelt de bijzondere regels vast voor de toekenning en de verdeling van de subsidies
Art. 2.4. Le Gouvernement flamand peut, dans les limites des crédits inscrits à cet effet au budget de la Région flamande, et dans les conditions fixées par lui, subventionner les activités communales et intercommunales visant à réaliser les missions définies à l'article 2.2 et à améliorer les services aux ménages et isolés mal logés.
  Le Gouvernement flamand fixe les modalités d'octroi et de répartition des subventions.
Art. 2.5. De Vlaamse Regering waakt erover dat de uitvoering van het gemeentelijk woonbeleid wordt gevolgd.
Art. 2.5. Le Gouvernement flamand assure le suivi de la mise en uvre de la politique communale du logement.
Titel 2. Verwezenlijking van het sociaal woonaanbod
Titre 2. Réalisation de l'offre de logement social
Art. 2.6. Bij de organisatie van een grootschalig steekproefonderzoek als vermeld in artikel 2.40, berekent elke gemeente, voor haar grondgebied, de gezamenlijke oppervlakte van de onbebouwde bouwgronden en kavels in eigendom van Vlaamse besturen en Vlaamse semipublieke rechtspersonen, met uitzondering van de gronden die voldoen aan één of meer van de bijzondere karakteristieken, vermeld in artikel 5.107, 1°.
  Door middel van haar regiefunctie, vermeld in artikel 2.2, waakt de gemeente er over dat de diverse Vlaamse besturen en Vlaamse semipublieke rechtspersonen geconcerteerde acties ondernemen opdat, binnen een periode van tien jaar naar aanleiding van de organisatie van een grootschalig steekproefonderzoek als vermeld in artikel 2.40, de gezamenlijke oppervlakte aangewend wordt om het bindend sociaal objectief, vermeld in artikel 2.27, te behalen. De gemeenteraad stelt ter zake een actieprogramma vast.
Art. 2.6. Lors d'une enquête par sondage à grande échelle telle que visée à l'article 2.40, chaque commune calcule, pour son territoire, la superficie combinée des terrains à bâtir et des lots non bâtis en propriété des administrations flamandes et des personnes morales semi-publiques flamandes, à l'exception des terrains qui répondent à une ou plusieurs des caractéristiques particulières visées à l'article 5.107, 1°.
  Par le biais de sa fonction de direction visée à l'article 2.2, la commune veille à ce que les différentes administrations flamandes et personnes morales semi-publiques flamandes entreprennent des actions concertées afin que, dans un délai de dix ans à la suite de l'enquête par sondage à grande échelle visée à l'article 2.40, la superficie combinée soit utilisée pour atteindre l'objectif social contraignant visé à l'article 2.27. Le conseil communal adopte un programme d'action à cet égard.
Art. 2.7. De eerste gemeentelijke berekening van de gezamenlijke oppervlakte van onbebouwde bouwgronden en kavels in eigendom van Vlaamse besturen gebeurt in afwijking van artikel 2.6, eerste lid, uiterlijk op 31 oktober 2010. De resultaten van die berekening gelden tot en met 31 december 2025.
  In afwijking van artikel 2.6, eerste lid, kan elke gemeente in de periode 2009-2025, voor haar grondgebied, de gezamenlijke oppervlakte van de onbebouwde bouwgronden en kavels in eigendom van Vlaamse semipublieke rechtspersonen berekenen. De resultaten van die berekening gelden tot en met 31 december 2025.
  In afwijking van artikel 2.6, tweede lid, waakt de gemeente erover dat gezamenlijke oppervlakte, berekend conform het eerste lid, aangewend wordt om het bindend sociaal objectief, vermeld in artikel 2.27, te behalen. Als de gemeente toepassing gemaakt heeft van het tweede lid, geldt die verplichting ten aanzien van de gezamenlijke oppervlakte, berekend conform het eerste en het tweede lid.
  In afwijking van het derde lid is een gemeente die kennelijk onvoldoende inspanningen levert om het bindend sociaal objectief, vermeld in artikel 2.23, § 2, eerste lid, te bereiken, ertoe gehouden ten minste een kwart van de gezamenlijke oppervlakte, vermeld in artikel 2.6, eerste lid, aan te wenden voor een sociaal woonaanbod. De gronden die eigendom zijn van sociale woonorganisaties, respectievelijk van het Vlabinvest apb, tellen niet mee voor de berekening van het minimale aandeel.
  Aan de verplichting, vermeld in het derde lid, is voldaan als het bindend sociaal objectief, vermeld in artikel 2.27, in een gemeente wordt behaald in de periode van 1 september 2009 tot en met 31 december 2025.
Art. 2.7. Contrairement à l'article 2.6, alinéa premier, le premier calcul communal de la superficie combinée des terrains à bâtir et lots non bâtis en propriété des administrations flamandes se fait au plus tard le 31 octobre 2010. Les résultats de ce calcul sont valables jusqu'au 31 décembre 2025.
  Contrairement à l'article 2.6, alinéa premier, chaque commune peut calculer pendant la période 2009-2025, pour son propre territoire, la superficie combinée des terrains à bâtir et des lots non bâtis en propriété des personnes morales semi-publiques flamandes. Les résultats de ce calcul sont valables jusqu'au 31 décembre 2025.
  Contrairement à l'article 2.6, alinéa deux, la commune veille à ce que la superficie combinée, calculée conformément au premier alinéa, soit utilisée pour atteindre l'objectif social contraignant visé à l'article 2.27. Si la commune a appliqué l'alinéa deux, cette obligation est valable pour la superficie combinée, calculée conformément aux alinéas premier et deux.
  Contrairement au troisième alinéa, une commune qui fait manifestement insuffisamment d'efforts pour atteindre l'objectif social contraignant visé à l'article 2.23, § 2, premier alinéa, est tenue d'utiliser au moins un quart de la superficie combinée visée à l'article 2.6, premier alinéa, pour une offre de logement social. Les terrains en propriété des organisations de logement social, respectivement de Vlabinvest apb, ne sont pas pris en compte dans le calcul de la part minimale.
  L'obligation visée à l'alinéa trois est remplie dès lors que l'objectif social contraignant visé à l'article 2.27 est réalisé dans une commune pendant la période du 1 septembre 2009 au 31 décembre 2025.
Art. 2.8. Indien gemeenten en intergemeentelijke samenwerkingsverbanden op grond van het actieprogramma, vermeld in artikel 2.6, eigenstandig een sociaal woonaanbod verwezenlijken, wordt dat aanbod geacht door een [1 woonmaatschappij]1 te zijn gerealiseerd, in zoverre alle voorwaarden die gelden in hoofde van de [1 woonmaatschappijen]1 in acht genomen worden, en het aanbod verwezenlijkt wordt op gronden die de gemeente of het intergemeentelijk samenwerkingsverband op 31 december 2008 in eigendom heeft.
  
Art. 2.8. Si les communes et les structures de coopération intercommunale réalisent de manière indépendante une offre de logement social sur la base du programme d'action visé à l'article 2.6, cette offre est considérée comme ayant été réalisée par une [1 société de logement]1, pour autant que toutes les conditions applicables aux [1 sociétés de logement]1 soient respectées et que l'offre soit réalisée sur des terrains en propriété de la commune ou du partenariat intercommunal au 31 décembre 2008.
  
Titel 3. Leegstandsregister
Titre 3. Registre des immeubles inoccupés
Art. 2.9. Gemeenten kunnen een register van leegstaande gebouwen en woningen bijhouden, hierna leegstandsregister te noemen. Een gemeentelijke verordening kan nadere materiële en procedurele regelen bepalen. [1 Het gemeentelijke leegstandsregister is de enige mogelijke grondslag van een belasting op leegstaande woningen en gebouwen.]1
  De opmaak, de opbouw, het beheer en de actualisering van het leegstandsregister kunnen ook toevertrouwd worden aan een [1 intergemeentelijk samenwerkingsverband]1 met rechtspersoonlijkheid of, met uitzondering van de beroepsprocedure, aan een [1 intergemeentelijk samenwerkingsverband]1 zonder rechtspersoonlijkheid.
  
Art. 2.9. Les communes peuvent tenir un registre des bâtiments et logements inoccupés, ci-après dénommé registre des immeubles inoccupés. Un règlement communal peut définir les modalités matérielles et procédurales. [1 Le registre communal des immeubles inoccupés est la seule base d'imposition possible sur les immeubles et logements inoccupés.]1
  L'établissement, la structure, la gestion et l'actualisation du registre des immeubles inoccupés peuvent également être confiés à une [1 partenariat intercommunal]1 dotée de la personnalité juridique ou, sauf pour la procédure de recours, à une [1 partenariat intercommunal]1 sans personnalité juridique.
  
Art. 2.10. § 1. Een gebouw wordt als leegstaand beschouwd indien meer dan de helft van de totale vloeroppervlakte niet overeenkomstig de functie van het gebouw wordt aangewend gedurende een termijn van ten minste twaalf opeenvolgende maanden [1 of gedurende een kortere termijn die bepaald wordt met toepassing van het vierde lid]1. Daarbij wordt geen rekening gehouden met woningen die deel uitmaken van het gebouw.
  De functie van het gebouw is deze die overeenkomt met een voor het gebouw of voor gedeelten daarvan uitgereikte omgevingsvergunning of meldingsakte als vermeld in artikel 6 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning. Bij een gebouw waarvoor geen vergunning of melding voorhanden is, of waarvan de functie niet duidelijk uit een vergunning of melding blijkt, wordt deze functie afgeleid uit het gewoonlijk gebruik van het gebouw voorafgaand aan het vermoeden van leegstand, zoals dat blijkt uit aangiften, akten of bescheiden.
  Een gebouw dat in hoofdzaak gediend heeft voor een economische activiteit, vermeld in artikel 2, 2°, van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten, wordt niet beschouwd als leegstaand zolang de oorspronkelijke beoefenaar van deze activiteit een gedeelte van het gebouw bewoont en dat gedeelte niet afsplitsbaar is. Een gedeelte is eerst afsplitsbaar indien het na sloping van de overige gedeelten kan worden beschouwd als een afzonderlijke woning die voldoet aan de bouwfysische vereisten.
  [1 Een gemeente kan bij verordening een kortere termijn als vermeld in het eerste lid bepalen voor gebouwen die in hoofdzaak gediend hebben voor een economische activiteit als vermeld in artikel 2, 2°, van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten. Die kortere termijn kan, op voorwaarde van een zorgvuldige motivering, gelden voor het volledige grondgebied van de gemeente of voor afgebakende zones waarin de gemeente economische bedrijvigheid wil stimuleren.]1
  § 2. Een woning wordt als leegstaand beschouwd wanneer zij gedurende een termijn van ten minste twaalf opeenvolgende maanden niet aangewend wordt in overeenstemming met:
  1°[2 hetzij de woonfunctie die blijkt uit een omgevingsvergunning of meldingsakte als vermeld in artikel 6 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning die voor die woning is uitgereikt. Bij een woning waarvoor er geen vergunning of melding is, of waarvan de functie niet duidelijk blijkt uit een vergunning of melding, wordt de functie afgeleid uit het gewoonlijk gebruik van de woning dat voorafging aan het vermoeden van leegstand, zoals dat blijkt uit aangiften, akten of bescheiden]2;
  2° hetzij elke andere bij gemeentelijke verordening omschreven functie die een effectief en niet-occasioneel gebruik van de woning met zich mee brengt.
  § 3. In afwijking van paragraaf 1 en 2, wordt een nieuw gebouw of een nieuwe woning als leegstaand beschouwd indien dat gebouw of die woning binnen zeven jaar na de afgifte van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen in laatste administratieve aanleg niet aangewend wordt overeenkomstig paragraaf 1, eerste en tweede lid, respectievelijk paragraaf 2.
  
Art. 2.10. § 1. Un bâtiment est considéré comme inoccupé si plus de la moitié de sa surface au sol totale n'est pas utilisée conformément à sa fonction pendant une période d'au moins douze mois consécutifs [1 ou pendant une période plus courte qui est fixée en application de l'alinéa quatre]1. Aux fins de cette définition, les logements qui font partie du bâtiment ne sont pas pris en compte.
  La fonction du bâtiment est celle qui correspond au permis d'environnement ou à l'acte de notification, visé à l'article 6 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, délivré pour le bâtiment ou des parties de celui-ci. Dans le cas d'un bâtiment pour lequel aucun permis ou notification n'est disponible ou pour lequel le permis ou la notification n'indique pas clairement la fonction, celle-ci est déduite de l'utilisation normale du bâtiment avant la présomption d'inoccupation, telle qu'elle ressort de déclarations, actes ou documents.
  Un bâtiment ayant servi principalement à une activité économique mentionnée à l'article 2, 2°, du décret du 19 avril 1995 portant des mesures visant à lutter contre et à prévenir la désaffectation et l'abandon de sites d'activité économique n'est pas considéré comme inoccupé tant que celui qui exerçait initialement cette activité occupe une partie du bâtiment et que cette partie ne peut être séparée du reste du bâtiment. Une partie ne peut être séparée du reste du bâtiment que si, après démolition des autres parties, elle peut être considérée comme un logement distinct qui répond aux normes physiques de la construction.
  [1 Par le biais d'une ordonnance, une commune peut fixer une période plus courte telle que visée à l'alinéa premier pour les immeubles ayant servi principalement à une activité économique tels que visés à l'article 2, 2°, du décret du 19 avril 1995 portant des mesures visant à lutter contre et à prévenir la désaffectation et l'abandon de sites d'activité économique. Cette période plus courte peut s'appliquer, moyennant une motivation soigneuse, à l'ensemble du territoire de la commune ou à des zones délimitées dans lesquelles la commune veut stimuler l'activité économique.]1
  § 2. Un logement est considéré comme inoccupé s'il n'a pas été utilisé pendant une période d'au moins douze mois consécutifs pour une des fonctions suivantes :
  1° [2 soit la fonction résidentielle indiquée par un permis d'environnement ou un acte de notification, visé à l'article 6 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, délivré pour ce logement. Dans le cas d'un logement aucun permis ou notification n'est disponible ou pour lequel un permis ou une notification n'indique pas clairement la fonction, celle-ci est déduite de l'utilisation normale du logement avant la présomption d'inoccupation, telle qu'elle ressort de déclarations, actes ou documents ;]2;
  2° soit toute autre fonction, définie par règlement communal, qui implique l'utilisation effective et non occasionnelle du logement.
  § 3. Contrairement aux paragraphes 1 et 2, un nouveau bâtiment ou un nouveau logement est considéré comme inoccupé si ce bâtiment ou ce logement n'est pas utilisé, en dernière instance administrative, conformément au paragraphe 1, alinéas premier et deux, et au paragraphe 2, respectivement, dans les sept ans suivant la délivrance d'un permis d'environnement pour des actes urbanistiques.
  
Art. 2.11. Een gebouw wordt uit het leegstandsregister geschrapt als de houder van het zakelijk recht bewijst dat meer dan de helft van de totale vloeroppervlakte overeenkomstig de functie, vermeld in artikel 2.10, § 1, eerste en tweede lid, aangewend wordt gedurende een termijn van ten minste zes opeenvolgende maanden. [1 Als een gemeente met toepassing van artikel 2.10, § 1, vierde lid, een kortere termijn bepaalt, wordt een gebouw uit het leegstandsregister geschrapt binnen een termijn die hoogstens de helft van die kortere termijn bedraagt.]1
  Een woning wordt uit het leegstandsregister geschrapt als de houder van het zakelijk recht bewijst dat de woning gedurende een termijn van ten minste zes opeenvolgende maanden aangewend wordt in overeenstemming met de functie, vermeld in artikel 2.10, § 2.
  
Art. 2.11. Un bâtiment est radié du registre des immeubles inoccupés si le titulaire du droit réel prouve que plus de la moitié de la surface au sol totale est utilisée conformément à la fonction visée à l'article 2.10, § 1, alinéas premier et deux, pendant une période d'au moins six mois consécutifs. [1 Si une commune fixe une période plus courte en application de l'article 2.10, § 1, alinéa quatre, un bâtiment est radié du registre des immeubles inoccupés dans un délai qui ne dépasse pas la moitié de cette période plus courte.]1
  Un logement est radié du registre des immeubles inoccupés si le titulaire du droit réel prouve que le logement a été utilisé pendant une période d'au moins six mois consécutifs conformément à la fonction visée à l'article 2.10 § 2.
  
Art. 2.12. Een gebouw dat of een woning die in aanmerking komt voor inventarisatie in de zin van hoofdstuk II van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten, wordt nooit als een leegstaand gebouw of als een leegstaande woning beschouwd.
  De bedrijfsruimten die op grond van artikel 2, 1°, van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten worden uitgesloten van de toepassing van voormeld decreet, worden onder de aldaar vermelde voorwaarden evenmin als leegstaande gebouwen of woningen in de zin van deze titel beschouwd.
Art. 2.12. Un bâtiment ou un logement entrant en ligne de compte pour inventaire au sens du chapitre II du décret du 19 avril 1995 portant des mesures visant à lutter contre et à prévenir la désaffectation et l'abandon de sites d'activité économique n'est jamais considéré comme un bâtiment ou logement inoccupé.
  Les sites d'activité économique qui, en vertu de l'article 2, 1° du décret du 19 avril 1995 portant des mesures visant à lutter contre et à prévenir la désaffectation et l'abandon de sites d'activité économique, sont exclus de l'application du décret précité, ne sont pas non plus considérés, dans les conditions y visées, comme des bâtiments ou logements inoccupés au sens du présent titre.
Art. 2.13. Woningen die door het Vlaamse Gewest geïnventariseerd zijn als ongeschikt en/of onbewoonbaar, worden niet opgenomen in het leegstandsregister.
Art. 2.13. Les logements inventoriés par la Région flamande comme étant inadéquats ou inhabitables ne sont pas repris au registre des immeubles inoccupés.
Art. 2.14. De door het college van burgemeester en schepenen of het beslissingsorgaan van [1 het intergemeentelijk samenwerkingsverband]1 met de opsporing van leegstaande gebouwen en woningen belaste personeelsleden bezitten de onderzoeks-, controle- en vaststellingsbevoegdheden, vermeld in artikel 6 van het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.
  
Art. 2.14. Les agents chargés par le collège des bourgmestre et échevins ou l'organe de décision de [1 le partenariat intercommunal]1 de repérer les bâtiments et logements inoccupés disposent des compétences d'examen, de contrôle et de constatation visées à l'article 6 du décret du 30 mai 2008 relatif à l'établissement, au recouvrement et à la procédure contentieuse des taxes provinciales et communales.
  
Titel 4. Register van verwaarloosde woningen en gebouwen
Titre 4. Registre des bâtiments et logements abandonnés
Art. 2.15. Gemeenten kunnen een register van verwaarloosde gebouwen en woningen bijhouden. Een gemeentelijke verordening kan nadere materiële en procedurele regelen bepalen.
  De opmaak, de opbouw, het beheer en de actualisering van het register van verwaarloosde gebouwen en woningen kunnen ook toevertrouwd worden aan een [1 intergemeentelijk samenwerkingsverband]1 met rechtspersoonlijkheid of, met uitzondering van de beroepsprocedure, aan een [1 intergemeentelijk samenwerkingsverband]1 zonder rechtspersoonlijkheid.
  
Art. 2.15. Les communes peuvent tenir un registre des bâtiments et logements abandonnés. Un règlement communal peut définir les modalités matérielles et procédurales.
  L'établissement, la structure, la gestion et l'actualisation du registre des bâtiments et logements abandonnés peuvent également être confiés à un [1 partenariat intercommunal]1 dotée de la personnalité juridique ou, sauf pour la procédure de recours, à une entité administrative intercommunale sans personnalité juridique.
  
Art. 2.16. Een gebouw, ongeacht of het dienst doet als woning, wordt beschouwd als verwaarloosd, wanneer het ernstige zichtbare en storende gebreken of tekenen van verval vertoont aan buitenmuren, voegwerk, schoorstenen, dakbedekking, dakgebinte, buitenschrijnwerk, kroonlijst of dakgoten.
Art. 2.16. Un bâtiment, qu'il serve ou non de logement, est considéré comme abandonné lorsqu'il présente des vices apparents et incommodants graves ou des marques de délabrement aux murs extérieurs, joints, cheminées, couverture ou charpente de toiture, menuiseries extérieures, corniches ou gouttières.
Art. 2.17. Een gebouw of een woning wordt geschrapt uit het register van verwaarloosde gebouwen en woningen als de houder van het zakelijk recht bewijst dat de zichtbare en storende gebreken en de tekenen van verval, vermeld in artikel 2.16, werden hersteld of verwijderd.
  De zichtbare en storende gebreken en de tekenen van verval, vermeld in het eerste lid, zijn in geval van sloop pas verwijderd als alle puin geruimd is.
Art. 2.17. Un bâtiment ou un logement est radié du registre des bâtiments et logements abandonnés si le détenteur du droit réel apporte la preuve que les vices apparents et incommodants et les marques de délabrement visés à l'article 2.16 ont été réparés ou éliminés.
  Les vices apparents et incommodants et les marques de délabrement visés à l'alinéa premier ne sont éliminés en cas de démolition que lorsque tous les gravats ont été évacués.
Art. 2.18. Een gebouw dat of een woning die in aanmerking komt voor inventarisatie in de zin van hoofdstuk II van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten, wordt nooit als een verwaarloosd gebouw of als een verwaarloosde woning beschouwd.
  De bedrijfsruimten die op grond van artikel 2, 1°, van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten worden uitgesloten van de toepassing van voormeld decreet, worden onder de aldaar vermelde voorwaarden evenmin als verwaarloosde gebouwen of woningen in de zin van deze titel beschouwd.
Art. 2.18. Un bâtiment ou un logement entrant en ligne de compte pour inventaire au sens du chapitre II du décret du 19 avril 1995 portant des mesures visant à lutter contre et à prévenir la désaffectation et l'abandon de sites d'activité économique n'est jamais considéré comme un bâtiment ou logement abandonné.
  Les sites d'activité économique qui, en vertu de l'article 2, 1° du décret du 19 avril 1995 portant des mesures visant à lutter contre et à prévenir la désaffectation et l'abandon de sites d'activité économique, sont exclus de l'application du décret précité, ne sont pas non plus considérés, dans les conditions y visées, comme des bâtiments ou logements abandonnés au sens du présent titre.
Art. 2.19. Een gebouw dat of een woning die door de gemeente geïnventariseerd is als leegstaand, kan eveneens opgenomen worden in het register van verwaarloosde gebouwen en woningen, en omgekeerd.
  Woningen die door het Vlaamse Gewest geïnventariseerd zijn als ongeschikt of onbewoonbaar, kunnen eveneens worden opgenomen in het register van verwaarloosde gebouwen en woningen, en omgekeerd.
Art. 2.19. Un bâtiment ou un logement inventorié par la commune comme étant inoccupé peut également être repris au registre des bâtiments et logements abandonnés, et vice versa.
  Les logements inventoriés par la Région Flamande comme inadéquats ou inhabitables peuvent également être repris au registre des bâtiments et logements abandonnés, et vice versa.
Art. 2.20. De door het college van burgemeester en schepenen of het beslissingsorgaan van [1 het intergemeentelijk samenwerkingsverband]1 met de opsporing van verwaarloosde gebouwen en woningen belaste personeelsleden bezitten de onderzoeks-, controle- en vaststellingsbevoegdheden, vermeld in artikel 6 van het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.
  
Art. 2.20. Les agents chargés par le collège des bourgmestre et échevins ou l'organe de décision de [1 le partenariat intercommunal]1 de repérer les bâtiments et logements abandonnés disposent des compétences d'examen, de contrôle et de constatation visées à l'article 6 du décret du 30 mai 2008 relatif à l'établissement, au recouvrement et à la procédure contentieuse des taxes provinciales et communales.
  
Deel 3. Planning en monitoring
Partie 3. Planning et monitoring
Titel 1. Algemene bepalingen
Titre 1. Dispositions générales
Art. 2.21. De Vlaamse Regering plant de investeringen voor de sociale huisvesting op basis van de resultaten van het wetenschappelijke onderzoek, vermeld in deel 5, en van het overleg, vermeld in artikel 2.2.
  Bij de planning van de investeringen wordt tevens rekening gehouden met:
  1° de resultaten van de nulmeting, vermeld in artikel 2.26, en de beginselen van artikelen 2.31 tot 2.34;
  2° artikel 2.23 en 2.24.
Art. 2.21. Le Gouvernement flamand planifie les investissements de logement social sur la base des résultats de la recherche scientifique visée au chapitre 5, et de la concertation visée à l'article 2.2.
  Lors du planning des investissements, il est tenu compte des éléments suivants :
  1° les résultats de la mesure de référence visée à l'article 2.26 et les principes énoncés aux articles 2.31 à 2.34 ;
  2° les articles 2.23 et 2.24.
Art. 2.22. § 1. De Vlaamse Regering stelt periodiek een beleidsmatig investeringsprogramma voor woonprojecten vast, dat wordt opgesteld door de entiteit die door de Vlaamse Regering belast wordt met de ondersteuning van het lokale woonbeleid.
  Dat investeringsprogramma heeft betrekking op vijf jaar. Het houdt een verdeling in van de middelen over de nieuwbouw en vervangingsbouw van sociale huurwoningen, de renovatie, verbetering of aanpassing van sociale huurwoningen, gemengde sociale woonprojecten als vermeld in artikel 1.3, § 1, eerste lid, 70°, a), en de bijzondere sociale leningen als vermeld in artikel 5.65, en een regionale spreiding tot op het niveau van gemeenten of groepen van gemeenten, waarbij het bindend sociaal objectief, vermeld in artikel 2.27, in rekening gebracht wordt. Zowel de verdeling van de middelen als de regionale spreiding beantwoordt aan de reële woonbehoeften.
  Het investeringsprogramma kan jaarlijks worden geactualiseerd door de Vlaamse Regering op voorstel van de entiteit, vermeld in het eerste lid[1 ...]1.
  Het investeringsprogramma bevat de nodige middelen:
  1° voor de verrichtingen die bedoeld zijn om sociale huurwoningen ter beschikking te stellen, overeenstemmend met een investeringsvolume van ten minste 428.000.000 euro op jaarbasis;
  2° voor de verrichtingen die bedoeld zijn om bijzondere sociale leningen toe te staan als vermeld in artikel 5.65, overeenstemmend met een investeringsvolume van ten minste 174.000.000 euro op jaarbasis;
  3° voor de aanleg van wooninfrastructuur als vermeld in artikel 5.23, die nodig zijn met het oog op de verrichtingen, vermeld in 1°[2 en 4°]2 en voor de realisatie van een gemengd sociale woonproject als vermeld in artikel 1.3, § 1, eerste lid, 70°, a) (overeenstemmend met een investeringsvolume van ten minste 36.516.000 euro op jaarbasis).
  [2 4° voor de verrichtingen die bedoeld zijn om betaalbare studentenkamers ter beschikking te stellen.]2
  De som van de bedragen, vermeld in het vierde lid, 1° en 2°, wordt met ingang van het begrotingsjaar 2012 jaarlijks minstens aangepast met de aanpassingsfactor voor investeringssubsidies die de Vlaamse Regering hanteert bij de opmaak van de begroting van het Vlaamse Gewest. Het surplus wordt in het investeringsprogramma bestemd voor verrichtingen als vermeld in het vierde lid, op basis van de reële woonbehoeften.
  [1 § 2. Ter uitvoering van het investeringsprogramma, vermeld in paragraaf 1, stelt de entiteit die door de Vlaamse Regering belast wordt met de ondersteuning van het lokale woonbeleid, periodiek een meerjarenplanning en een korteter- mijnplanning op. De kortetermijnplanning heeft voor ten minste 30% betrekking op de renovatie of vervangingsbouw van sociale huurwoningen, of op de verbetering of aanpassing van sociale huurwoningen. Uit de kortermijnplanning moet ook blijken dat er bijzondere aandacht wordt besteed aan gemengde projecten.
   De Vlaamse Regering stelt een procedure vast voor de goedkeuring van de meerjarenplanning en de kortetermijnplanning, vermeld in het eerste lid. Daarbij geldt de betrokkenheid van de sociale woonorganisaties en de gemeenten als uitgangspunt.
   Er wordt een beoordelingscommissie opgericht. De beoordelingscommissie neemt beslissingen over de opname van verrichtingen in de meerjarenplanning en in de kortetermijnplanning, over de schrapping van verrichtingen uit de voormelde planningen, en over het minimale budget voor de lancering van een oproep als vermeld in paragraaf 3. De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast voor de samenstelling, organisatie en werking van de beoordelings- commissie.
   § 3. De entiteit die door de Vlaamse Regering belast wordt met de ondersteuning van het lokale woonbeleid lanceert periodiek oproepen bij private actoren om projectvoorstellen in te dienen voor de verwezenlijking van sociale huurwoningen of sociale koopwoningen overeenkomstig de prijs- en kwaliteitsnormen die gelden voor de woonmaatschappijen.]1

  
Art. 2.22. § 1. Le Gouvernement flamand fixe périodiquement un programme de politique d'investissement pour les projets de logement, qui est élaboré par l'entité chargée par le Gouvernement flamand du soutien de la politique locale de logement.
  Le programme d'investissement couvre une période de cinq ans. Il prévoit une répartition des moyens entre la construction neuve et de remplacement de logements locatifs sociaux, la rénovation, l'amélioration ou l'adaptation de logements sociaux, les projets de logement social mixtes visés à l'article 1.3, § 1, premier alinéa, 70°, a), et les prêts sociaux spéciaux visés à l'article 5.65, ainsi qu'une répartition régionale jusqu'au niveau des communes ou groupes de communes, en tenant compte de l'objectif social contraignant visé à l'article 2.27. Tant la répartition des moyens que la répartition régionale répondent aux besoins de logement réels.
  Le programme d'investissement peut être actualisé annuellement par le Gouvernement flamand sur proposition de l'entité visée au premier alinéa[1 ...]1.
  Le programme d'investissement contient les moyens nécessaires :
  1° pour les opérations visant à rendre disponibles des logements locatifs sociaux, soit un volume d'investissement d'au moins 428 000 000 euros par an ;
  2° pour les opérations visant à accorder des prêts sociaux spéciaux tels que visés à l'article 5.65, soit un volume d'investissement d'au moins 174 000 000 euros par an ;
  3° pour la construction des infrastructures de logement visées à l'article 5.23, nécessaires aux opérations visées au 1° et pour la réalisation d'un projet de logement social mixte visé à l'article 1.3, § 1, premier alinéa, 70°, a) (soit un volume d'investissement d'au moins 36 516 000 euros par an).
  [2 4° pour les opérations visant à fournir des chambres d'étudiant abordables.]2
  La somme des montants visés au quatrième alinéa, 1° et 2°, est adaptée à partir de l'année budgétaire 2012 par au moins le facteur d'adaptation pour les subventions d'investissement, utilisé par le Gouvernement flamand lors de l'établissement du budget de la Région flamande. Le surplus est destiné dans le programme d'investissement aux opérations visées au quatrième alinéa, sur la base des besoins de logement réels.
  [1 § 2. En exécution du programme d'investissement visé au paragraphe 1, l'entité chargée par le Gouvernement flamand de soutenir la politique locale du logement établit périodiquement une planification pluriannuelle et une planification à court terme. Au moins 30% de la planification à court terme concerne la rénovation ou la construction de remplacement de logements locatifs sociaux, ou l'amélioration ou l'adaptation de logements locatifs sociaux. La planification à court terme doit notamment porter une attention particulière aux projets mixtes.
   Le Gouvernement flamand fixe une procédure pour l'approbation de la planification à long terme et à court terme visée à l'alinéa 1. L'engagement des organisations de logement social et des communes est le point de départ.
   Une commission d'évaluation est créée. La commission d'évaluation statue sur l'inclusion d'opérations dans la planification pluriannuelle et la planification à court terme, sur la suppression d'opérations des planifications précitées et sur le budget minimum pour le lancement d'un appel tel que visé au paragraphe 3. Le Gouvernement flamand précise les modalités pour la composition, l'organisation et le fonctionnement de la commission d'évaluation.
   § 3. L'entité chargée par le Gouvernement flamand de soutenir la politique locale du logement lance périodiquement des appels aux acteurs privés pour qu'ils soumettent des propositions de projet pour la réalisation de logements locatifs sociaux ou de logements acquisitifs sociaux conformément aux normes de prix et de qualité qui s'appliquent aux sociétés de logement.]1

  
Titel 2. Gewestelijke objectieven
Titre 2. Objectifs régionaux
Art. 2.23. § 1. In de periode van 1 september 2009 tot en met 31 december 2025 breidt de Vlaamse overheid het bestaande sociaal woonaanbod, zoals dat blijkt uit de nulmeting, vermeld in artikel 2.26, uit met 50.000 sociale huurwoningen.
  De uitbreiding, vermeld in het eerste lid, wordt verwezenlijkt:
  1° op initiatief van de initiatiefnemers, vermeld in artikel 2.8 en 4.13 [1 ...]1;
  2° op grond van:
  a) de reguliere investeringen voor sociale huisvesting, in de zin van artikel 2.21;
  b) een op grond van specifieke begrotingskredieten georganiseerde inhaalbeweging, bijzondere inhaalbeweging 2009-2020 genoemd.
  § 2. Met het oog op de bewaking van de verwezenlijking van de gewestelijke objectieven, vermeld in § 1, voert de Vlaamse Regering voor het eerst in 2012 en daarna periodiek om de twee jaar, een voortgangstoets uit over de implementatie van het bindend sociaal objectief, vermeld in artikel 2.27.
  Indien de Vlaamse Regering vaststelt dat een gemeente kennelijk onvoldoende inspanningen levert om het bindend sociaal objectief tijdig te bereiken, sluit zij een overeenkomst met sociale woonorganisaties die bereid worden gevonden om het vereiste sociaal woonaanbod op het grondgebied van de gemeente te verwezenlijken.
  De Vlaamse Regering bepaalt de methodologie en de criteria aan de hand waarvan de voortgangstoets, vermeld in het eerste lid, wordt uitgevoerd. Zij legt een nadere omschrijving vast van het begrip kennelijk onvoldoende inspanningen om het bindend sociaal objectief te bereiken.
  De Vlaamse Regering waakt over de medewerking van de gemeenten aan de implementatie van de overeenkomsten met sociale woonorganisaties, vermeld in het tweede lid. Onverminderd gevallen van overmacht kan zij daartoe elk financieel mechanisme aanwenden dat in rechte is voorgeschreven ter sanctionering van de niet-uitvoering van gemeentelijke verplichtingen.
  
Art. 2.23. § 1. Dans la période du 1 septembre 2009 au 31 décembre 2025, l'autorité flamande augmente de 50 000 logements locatifs sociaux l'offre de logement social existante, telle qu'elle ressort de la mesure de référence visée à l'article 2.26.
  L'augmentation visée à l'alinéa premier est réalisée :
  1° à l'initiative des initiateurs visés aux articles 2.8 et 4.13 [1 ...]1 ;
  2° sur la base :
  a) des investissements réguliers dans le logement social au sens de l'article 2.21 ;
  b) d'un rattrapage organisé sur la base de crédits budgétaires spécifiques, appelé mouvement de rattrapage spécial 2009-2020.
  § 2. Afin de surveiller la réalisation des objectifs régionaux visés au § 1, le Gouvernement flamand procède, pour la première fois en 2012 et ensuite périodiquement tous les deux ans, à une évaluation de l'avancement de la mise en uvre de l'objectif social contraignant visé à l'article 2.27.
  Si le Gouvernement flamand constate qu'une commune fait manifestement insuffisamment d'efforts pour atteindre l'objectif social contraignant en temps voulu, il conclut un accord avec des organisations de logement social qui se déclarent prêtes à réaliser l'offre de logement social requise sur le territoire de la commune.
  Le Gouvernement flamand fixe la méthodologie et les critères de l'évaluation de l'avancement visée au premier alinéa. Il clarifie la notion de " manifestement insuffisamment d'efforts pour atteindre l'objectif social contraignant ".
  Le Gouvernement flamand surveille la collaboration des communes à la mise en uvre des accords avec les organisations de logement social, visés au deuxième alinéa. À cette fin, et sans préjudice des cas de force majeure, elle peut recourir à tout mécanisme financier prévu par la loi pour sanctionner la non-exécution des obligations communales.
  
Art. 2.24. In de periode 2012-2023 breidt de Vlaamse overheid het bescheiden woonaanbod uit met 6 000 eenheden.
  De uitbreiding, vermeld in het eerste lid, wordt verwezenlijkt op initiatief van:
  1° de [1 woonmaatschappijen]1, voor zover voldaan wordt aan alle voorwaarden, vermeld in artikel 4.42;
  2° de private actoren, voor zover voldaan wordt aan alle voorwaarden, vermeld in artikel 5.101.
  
Art. 2.24. Dans la période 2012-2023, l'autorité flamande augmente l'offre de logement modeste de 6 000 unités.
  L'augmentation visée à l'alinéa premier est réalisée à l'initiative des acteurs suivants :
  1° les [1 sociétés de logement]1, dans la mesure où il est satisfait à toutes les conditions énoncées à l'article 4.42 ;
  2° les acteurs privés, dans la mesure où il est satisfait à toutes les conditions énoncées à l'article 5.101.
  
Art. 2.25. In de periode 2015-2020 staat de Vlaamse overheid ten minste 17.000 bijzondere sociale leningen voor de aankoop van een in het Vlaamse Gewest gelegen woning als vermeld in artikel 5.66, eerste lid, 1°, toe aan woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden.
  Het gewestelijk objectief, vermeld in het eerste lid, wordt als volgt verdeeld over de provincies:
  1° provincie Antwerpen: 27,53%;
  2° provincie Limburg: 15,00%;
  3° provincie Oost-Vlaanderen: 22,51%;
  4° provincie Vlaams-Brabant: 16,64%;
  5° provincie West-Vlaanderen: 18,32%.
Art. 2.25. Dans la période 2015-2020, l'autorité flamande accorde aux ménages et isolés mal logés au moins 17 000 prêts sociaux spéciaux pour l'achat d'un logement situé en Région flamande, visés à l'article 5.66, premier alinéa, 1°.
  L'objectif régional énoncé à l'alinéa premier est réparti comme suit entre les provinces :
  1° province d'Anvers : 27,53 % ;
  2° province de Limbourg : 15,00 % ;
  3° province de Flandre orientale : 22,51 % ;
  4° province du Brabant flamand : 16,64 % ;
  5° province de Flandre occidentale : 18,32 %.
Titel 3. Verwezenlijking van het sociaal woonaanbod
Titre 3. Réalisation de l'offre de logement social
Hoofdstuk 1. Nulmeting
Chapitre 1. Mesure de référence
Art. 2.26. § 1. De Vlaamse Regering gelast periodiek een nulmeting op het vlak van het bestaande sociaal woonaanbod binnen elke Vlaamse gemeente.
  Een nulmeting wordt georganiseerd naar aanleiding van de organisatie van een grootschalig steekproefonderzoek als vermeld in artikel 2.40.
  De Vlaamse Regering kan nadere materiële, methodologische en procedurele regelen voor de nulmeting bepalen.
  § 2. De resultaten van de nulmeting op het vlak van het bestaande sociaal woonaanbod, opgenomen in de bijlage bij deze codex, die zijn bekrachtigd bij artikel 7.3.6 decreet grond- en pandenbeleid, voor het werd opgeheven bij artikel 61 van het decreet van 14 oktober 2016 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot wonen, gelden voor de periode vanaf 1 januari 2008 tot en met 31 december 2025.
Art. 2.26. § 1. Le Gouvernement flamand ordonne périodiquement une mesure de référence de l'offre de logement social existante dans chaque commune flamande.
  La mesure de référence est organisée à la suite de l'organisation d'une enquête par sondage à grande échelle telle que visée à l'article 2.40.
  Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités matérielles, méthodologiques et procédurales de la mesure de référence.
  § 2. Les résultats de la mesure de référence de l'offre de logement social existante, figurant en annexe du présent code, sanctionnés par l'article 7.3.6 du décret relatif à la politique foncière et immobilière, avant son abrogation par l'article 61 du décret du 14 octobre 2016 modifiant divers décrets relatifs au logement, sont valables pour la période allant du 1 janvier 2008 au 31 décembre 2025.
Hoofdstuk 2. Bindend sociaal objectief
Chapitre 2. Objectif social contraignant
Afdeling 1. Begrip
Section 1. Concept
Art. 2.27. Een bindend sociaal objectief is een gemeentelijke omschrijving van het sociaal woonaanbod dat binnen een periode van tien jaar naar aanleiding van de organisatie van een grootschalig steekproefonderzoek als vermeld in artikel 2.40, ten minste moet worden verwezenlijkt.
  Het bindend sociaal objectief wordt bekendgemaakt op de wijze, vermeld in [1 artikel 286 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur]1.
  
Art. 2.27. L'objectif social contraignant est une description communale de l'offre de logement social qui doit au moins être réalisée dans une période de dix ans suivant l'organisation d'une enquête par sondage à grande échelle, telle que visée à l'article 2.40.
  L'objectif social contraignant est publié de la manière visée à l'[1 article 286 du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale]1.
  
Art. 2.28. Met behoud van de mogelijkheid tot bijstelling met toepassing van artikel 2.31, tweede en derde lid, en artikel 2.32, gelden de eerste bindende sociale objectieven voor de periode vanaf 1 september 2009 tot en met 31 december 2025.
  Of een bindend sociaal objectief als vermeld in het eerste lid, al dan niet tijdig bereikt is, wordt beoordeeld op basis van het sociaal woonaanbod dat verwezenlijkt is in de periode vanaf 1 januari 2008 tot en met 31 december 2025.
Art. 2.28. Sans préjudice de la possibilité d'ajustement prévue à l'article 2.31, deuxième et troisième alinéas, et à l'article 2.32, les premiers objectifs sociaux contraignants s'appliquent pour la période du 1 septembre 2009 au 31 décembre 2025.
  La réalisation ou non dans les délais d'un objectif social contraignant tel que visé au premier alinéa est évaluée sur la base de l'offre de logement social réalisée au cours de la période allant du 1 janvier 2008 au 31 décembre 2025.
Art. 2.29. Het bindend sociaal objectief houdt voor de gemeentelijke overheid een rechtsplicht in om:
  1° bestaande gemeentelijke plannen en reglementen met een invloed op de verwezenlijking van het sociaal woonaanbod waar nodig af te stemmen op het vooropgestelde percentage;
  2° de normen, vermeld in deel 2, titel 2, vast te stellen in lijn met het vooropgestelde percentage.
  Een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan dat zich niet verdraagt met het bindend sociaal objectief, en dat nog niet is aangepast overeenkomstig het eerste lid, 1°, kan niet worden ingeroepen om de maatregelen af te wijzen die voor de verwezenlijking van het bindend sociaal objectief zijn vereist.
Art. 2.29. L'objectif social contraignant implique de la part de l'autorité communale les obligations légales suivantes :
  1° adapter au pourcentage prédéfini les plans et règlements communaux existants ayant un impact sur la réalisation de l'offre de logement social, si nécessaire ;
  2° fixer les normes visées à la partie 2, titre 2, en fonction du pourcentage prédéfini.
  Un schéma communal de structure d'aménagement qui n'est pas compatible avec l'objectif social contraignant et qui n'a pas encore été adapté conformément au premier alinéa, 1°, ne peut être invoqué pour rejeter les mesures nécessaires à la réalisation de l'objectif social contraignant.
Art. 2.30. Het bindend sociaal objectief van een gemeente is samengesteld uit het gemeentelijk objectief voor sociale huurwoningen, vastgesteld op de wijze, vermeld in afdeling 2.
Art. 2.30. L'objectif social contraignant de la commune est composé de l'objectif communal pour les logements locatifs sociaux, déterminé de la manière indiquée à la section 2.
Afdeling 2. Gemeentelijk objectief voor sociale huurwoningen
Section 2. Objectif communal pour les logements locatifs sociaux
Art. 2.31. Het gemeentelijk objectief voor sociale huurwoningen dat binnen een periode van tien jaar naar aanleiding van de organisatie van een grootschalig steekproefonderzoek als vermeld in artikel 2.40, ten minste moet worden verwezenlijkt, is gelijk aan het resultaat van volgende formule: MACRO Huurw prov x (HH Gem / HH Prov), waarbij:
  1° MACRO Huurw prov gelijk is aan het in deze codex vastgelegde gewestelijke macro-objectief op het vlak van de verwezenlijking van sociale huurwoningen, dat op basis van de nulmeting wordt vertaald naar het niveau van de betrokken provincie door middel van de vermenigvuldiging met de breuk aantal huishoudens op het niveau van de provincie/aantal huishoudens op het niveau van het Vlaamse Gewest, met dien verstande dat voor de periode 2009-2025 volgende cijfers gelden:
  a) voor de provincie West-Vlaanderen: 8125;
  b) voor de provincie Oost-Vlaanderen: 9918;
  c) voor de provincie Vlaams-Brabant: 7684;
  d) voor de provincie Antwerpen: 12123;
  e) voor de provincie Limburg: 5590;
  2° HH Gem gelijk is aan het aantal huishoudens op het niveau van de gemeente, zoals opgenomen in de nulmeting;
  3° HH Prov gelijk is aan het aantal huishoudens op het niveau van de provincie, zoals afgeleid uit de nulmeting.
  De factor MACRO Huurw prov, vermeld in het eerste lid, 1°, kan worden verhoogd met een door de provincieraad van de betrokken provincie vastgesteld aantal eenheden, op voorwaarde dat het Vlaamse Gewest en de provincie een protocolakkoord sluiten over de financiële inspanningen ter dekking van de aldus gegenereerde meerkosten.
  Indien een gemeente op grond van een wetenschappelijk onderbouwd dossier aantoont dat het gemeentelijk objectief voor sociale huurwoningen omwille van manifeste ruimtelijke beperkingen, vastgesteld op basis van het gemeentelijk actieprogramma, vermeld in artikel 2.6, niet volledig kan worden verwezenlijkt binnen de periode waarvoor het objectief geldt, kan de Vlaamse Regering een uitstel van ten hoogste vijf jaar verlenen.
Art. 2.31. L'objectif communal pour les logements locatifs sociaux, à atteindre dans un délai de dix ans à la suite de l'organisation d'une enquête par sondage à grande échelle telle que visée à l'article 2.40, est le résultat de la formule suivante : " MACRO Huurw prov x (HH Gem / HH Prov) ", où :
  1° " MACRO Huurw prov " est égal au macro-objectif régional fixé dans le présent code pour la réalisation de logements locatifs sociaux, qui, sur la base de la mesure de référence, est traduit au niveau de la province concernée en le multipliant par la fraction " nombre de ménages au niveau de la province/nombre de ménages au niveau de la Région flamande ", étant entendu que les chiffres suivants s'appliquent pour la période 2009-2025 :
  a) pour la province de Flandre occidentale : 8 125 ;
  b) pour la province de Flandre orientale : 9 918 ;
  c) pour la province du Brabant flamand : 7 684 ;
  d) pour la province d'Anvers : 12 123 ;
  e) pour la province du Limbourg : 5 590 ;
  2° " HH Gem " est égal au nombre de ménages au niveau de la commune, tel qu'il est inclus dans la mesure de référence ;
  3° " HH Prov " est égal au nombre de ménages au niveau de la province, tel qu'il est déduit de la mesure de référence.
  Le facteur " MACRO Huurw prov ", visé au premier alinéa, 1°, peut être augmenté d'un nombre d'unités déterminé par le conseil provincial de la province concernée, à condition que la Région flamande et la province concluent un protocole d'accord sur les efforts financiers pour couvrir les coûts supplémentaires ainsi générés.
  Si, sur la base d'un dossier scientifiquement étayé, la commune démontre que l'objectif communal pour les logements locatifs sociaux ne peut être pleinement atteint dans la période à laquelle il s'applique, en raison de restrictions spatiales manifestes, établies sur la base du programme d'action communal visé à l'article 2.6, le Gouvernement flamand peut accorder un sursis de cinq ans au maximum.
Art. 2.32. § 1. Indien de procentuele verhouding van het sociaal huuraanbod ten opzichte van het aantal huishoudens in een gemeente blijkens de nulmeting, toegevoegd als bijlage bij deze codex, lager is dan drie procent, dan wordt de inspanning ten behoeve van het gemeentelijk objectief voor sociale huurwoningen aangevuld met een specifieke inhaalbeweging in de periode 2013-2025.
  De specifieke inhaalbeweging, vermeld in het eerste lid, heeft betrekking op de bijkomende verwezenlijking van een sociaal huuraanbod overeenkomstig volgende tabel:
Art. 2.32. § 1. Si, selon la mesure de référence jointe en annexe au présent code, le rapport entre l'offre locative sociale et le nombre de ménages dans une commune est inférieur à trois pour cent, l'effort en faveur de l'objectif communal pour les logements locatifs sociaux est accru par un rattrapage spécifique au cours de la période 2013-2025.
  Le rattrapage spécifique visé au premier alinéa concerne la réalisation supplémentaire d'une offre locative sociale selon le tableau suivant :
Procentuele verhouding tussen het aantal sociale huurwoningen
  en het aantal huishoudens binnen de gemeente, telkens zoals
  vermeld in de nulmeting
Procentuele omvang van het bijkomend sociaal huuraanbod in het kader
  van de specifieke inhaalbeweging ten opzichte van het aantal
  huishoudens, zoals vermeld in de nulmeting
0,00 - 0,09 %0,83 %
0,10 - 0,19 %0,80 %
0,20 - 0,29 %0,77 %
0,30 - 0,39 %0,75 %
0,40 - 0,49 %0,72 %
0,50 - 0,59 %0,69 %
0,60 - 0,69 %0,66 %
0,70 - 0,79 %0,64 %
0,80 - 0,89 %0,61 %
0,90 - 0,99 %0,58 %
1,00 - 1,09 %0,55 %
1,10 - 1,19 %0,53 %
1,20 - 1,29 %0,50 %
1,30 - 1,39 %0,47 %
1,40 - 1,49 %0,44 %
1,50 - 1,59 %0,42 %
1,60 - 1,69 %0,39 %
1,70 - 1,79 %0,36 %
1,80 - 1,89 %0,33 %
1,90 - 1,99 %0,30 %
2,00 - 2,09 %0,28 %
2,10 - 2,19 %0,25 %
2,20 - 2,29 %0,22 %
2,30 - 2,39 %0,19 %
2,40 - 2,49 %0,17 %
2,50 - 2,59 %0,14 %
2,60 - 2,69 %0,11 %
2,70 - 2,79 %0,08 %
2,80 - 2,89 %0,06 %
2,90 - 2,99 %0,03 %
Procentuele verhouding tussen het aantal sociale huurwoningen
  en het aantal huishoudens binnen de gemeente, telkens zoals
  vermeld in de nulmetingProcentuele omvang van het bijkomend sociaal huuraanbod in het kader
  van de specifieke inhaalbeweging ten opzichte van het aantal
  huishoudens, zoals vermeld in de nulmeting0,00 - 0,09 %0,83 %0,10 - 0,19 %0,80 %0,20 - 0,29 %0,77 %0,30 - 0,39 %0,75 %0,40 - 0,49 %0,72 %0,50 - 0,59 %0,69 %0,60 - 0,69 %0,66 %0,70 - 0,79 %0,64 %0,80 - 0,89 %0,61 %0,90 - 0,99 %0,58 %1,00 - 1,09 %0,55 %1,10 - 1,19 %0,53 %1,20 - 1,29 %0,50 %1,30 - 1,39 %0,47 %1,40 - 1,49 %0,44 %1,50 - 1,59 %0,42 %1,60 - 1,69 %0,39 %1,70 - 1,79 %0,36 %1,80 - 1,89 %0,33 %1,90 - 1,99 %0,30 %2,00 - 2,09 %0,28 %2,10 - 2,19 %0,25 %2,20 - 2,29 %0,22 %2,30 - 2,39 %0,19 %2,40 - 2,49 %0,17 %2,50 - 2,59 %0,14 %2,60 - 2,69 %0,11 %2,70 - 2,79 %0,08 %2,80 - 2,89 %0,06 %2,90 - 2,99 %0,03 %
Rapport en pourcentage entre le nombre
  de logements locatifs sociaux et le nombre
  de ménages dans la commune, comme
  indiqués dans la mesure de référence
Pourcentage de l'offre locative sociale
  supplémentaire dans le cadre du
  rattrapage spécifique par rapport au
  nombre de ménages, comme indiqué dans
  la mesure de référence
0,00 - 0,09 %0,83 %
0,10 - 0,19 %0,80 %
0,20 - 0,29 %0,77 %
0,30 - 0,39 %0,75 %
0,40 - 0,49 %0,72 %
0,50 - 0,59 %0,69 %
0,60 - 0,69 %0,66 %
0,70 - 0,79 %0,64 %
0,80 - 0,89 %0,61 %
0,90 - 0,99 %0,58 %
1,00 - 1,09 %0,55 %
1,10 - 1,19 %0,53 %
1,20 - 1,29 %0,50 %
1,30 - 1,39 %0,47 %
1,40 - 1,49 %0,44 %
1,50 - 1,59 %0,42 %
1,60 - 1,69 %0,39 %
1,70 - 1,79 %0,36 %
1,80 - 1,89 %0,33 %
1,90 - 1,99 %0,30 %
2,00 - 2,09 %0,28 %
2,10 - 2,19 %0,25 %
2,20 - 2,29 %0,22 %
2,30 - 2,39 %0,19 %
2,40 - 2,49 %0,17 %
2,50 - 2,59 %0,14 %
2,60 - 2,69 %0,11 %
2,70 - 2,79 %0,08 %
2,80 - 2,89 %0,06 %
2,90 - 2,99 %0,03 %
Rapport en pourcentage entre le nombre
  de logements locatifs sociaux et le nombre
  de ménages dans la commune, comme
  indiqués dans la mesure de référencePourcentage de l'offre locative sociale
  supplémentaire dans le cadre du
  rattrapage spécifique par rapport au
  nombre de ménages, comme indiqué dans
  la mesure de référence0,00 - 0,09 %0,83 %0,10 - 0,19 %0,80 %0,20 - 0,29 %0,77 %0,30 - 0,39 %0,75 %0,40 - 0,49 %0,72 %0,50 - 0,59 %0,69 %0,60 - 0,69 %0,66 %0,70 - 0,79 %0,64 %0,80 - 0,89 %0,61 %0,90 - 0,99 %0,58 %1,00 - 1,09 %0,55 %1,10 - 1,19 %0,53 %1,20 - 1,29 %0,50 %1,30 - 1,39 %0,47 %1,40 - 1,49 %0,44 %1,50 - 1,59 %0,42 %1,60 - 1,69 %0,39 %1,70 - 1,79 %0,36 %1,80 - 1,89 %0,33 %1,90 - 1,99 %0,30 %2,00 - 2,09 %0,28 %2,10 - 2,19 %0,25 %2,20 - 2,29 %0,22 %2,30 - 2,39 %0,19 %2,40 - 2,49 %0,17 %2,50 - 2,59 %0,14 %2,60 - 2,69 %0,11 %2,70 - 2,79 %0,08 %2,80 - 2,89 %0,06 %2,90 - 2,99 %0,03 %
  § 2. De Vlaamse Regering kan een gemeente geheel of gedeeltelijk vrijstellen van de specifieke inhaalbeweging, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, indien de gemeente in een wetenschappelijk onderbouwd dossier aantoont dat voldaan is aan ten minste één van volgende criteria:
  1° de specifieke inhaalbeweging kan niet of niet volledig worden gerealiseerd omwille van manifeste ruimtelijke beperkingen, vastgesteld op basis van het gemeentelijk actieprogramma, vermeld in artikel 2.6, en deze beperkingen kunnen niet of onvoldoende worden opgevangen door middel van de verhuring van private woningen via [1 woonmaatschappijen]1;
  2° de cumulatie van de inspanning ten behoeve van het gemeentelijk objectief voor sociale huurwoningen en de specifieke inhaalbeweging leidt ertoe dat jaarlijks een aantal nieuwe sociale huurwoningen moet worden vergund dat hoger is dan 25 procent van het gemiddeld aantal vergunde woningen op jaarbasis, berekend op grond van de afgifte van omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen in de voorbije vijf jaar, met dien verstande dat een vrijstellingsverzoek op basis van dit criterium eerst kan worden ingediend:
  a) in 2016, op voorwaarde dat 30 procent van de reguliere inspanning, vermeld in artikel 2.31, verwezenlijkt is;
  b) in 2019, op voorwaarde dat 60 procent van de reguliere inspanning, vermeld in artikel 2.31, verwezenlijkt is;
  c) in 2022, op voorwaarde dat 90 procent van de reguliere inspanning, vermeld in artikel 2.31, verwezenlijkt is;
  3° de gemeente levert al belangrijke inspanningen op het vlak van de opvang van woonbehoeftige doelgroepen door middel van de aanwezigheid van een of meer van de volgende voorzieningen:
  a) woningen en voorzieningen die bestemd zijn voor het begeleid wonen van jongeren en opvangtehuizen voor daklozen, ex-gedetineerden en ex-psychiatrische patiënten, meer in het bijzonder:
  1) voorzieningen als vermeld in artikel 2, 18°, van het decreet van 7 maart 2008 inzake bijzondere jeugdbijstand;
  2) voorzieningen en woningen voor de opvang van daklozen, ex-gedetineerden of ex-psychiatrische patiënten, waarbij de opvang altijd gecombineerd wordt met begeleiding vanuit het beleidsveld Welzijn
  3) voorzieningen en woningen voor crisisopvang die in eigendom of in beheer zijn van de gemeente, het OCMW, een CAW of een intergemeentelijke administratieve entiteit;
  4) nood- en transitwoningen die in eigendom of in beheer zijn van de gemeente, het OCMW, een CAW of een intergemeentelijke administratieve entiteit;
  b) open en gesloten asielcentra;
  c) doortrekkersterreinen en residentiële terreinen voor woonwagenbewoners;
  4° de gemeente beschikt over huurwoningen die middels een betoelaging door het Vlaamse Gewest zijn verwezenlijkt door initiatiefnemers, vermeld in artikel 4.13 [2 ...]2 met uitzondering van [1 woonmaatschappijen]1, op voorwaarde dat deze woningen onder de marktprijs worden aangeboden aan woonbehoeftigen, en met dien verstande dat zij niet in rekening worden gebracht voor het bereiken van het bindend sociaal objectief.
  De Vlaamse Regering bepaalt wegingsfactoren voor de voorzieningen en huurwoningen, vermeld in het eerste lid, 3° en 4°. De aanwezigheid van deze voorzieningen en huurwoningen kan nooit leiden tot een vermindering van de specifieke inhaalbeweging met meer dan de helft van het toepasselijke percentage. De aanwezigheid van een open asielcentrum kan echter leiden tot een vermindering van de specifieke inhaalbeweging met meer dan de helft van het toepasselijke percentage, indien die voorziening ten minste tweehonderd opvangplaatsen omvat.
  
  § 2. Le Gouvernement flamand peut exempter une commune en tout ou en partie du rattrapage spécifique visé au paragraphe 1, premier alinéa, si la commune démontre dans un dossier scientifiquement étayé qu'au moins un des critères suivants est rempli :
  1° le rattrapage spécifique ne peut pas ou pas entièrement être réalisé en raison de restrictions spatiales manifestes, établies sur la base du programme d'action communal visé à l'article 2.6, et ces restrictions ne peuvent pas ou pas suffisamment être absorbées par la location de logements privés par l'intermédiaire [1 de sociétés de logement]1 ;
  2° le cumul de l'effort en faveur de l'objectif communal pour les logements locatifs sociaux et du rattrapage spécifique conduit à ce que doit être autorisé chaque année un nombre de nouveaux logements locatifs sociaux supérieur à 25 % du nombre moyen de logements autorisés sur une base annuelle, calculé sur la base de l'octroi des permis d'environnement pour actes urbanistiques des cinq dernières années, étant entendu qu'une demande d'exemption basée sur ce critère ne peut être introduite qu'aux conditions suivantes :
  a) en 2016, à condition que 30 % de l'effort régulier visé à l'article 2.31 ait été réalisé ;
  b) en 2019, à condition que 60 % de l'effort régulier visé à l'article 2.31 ait été réalisé;
  c) en 2022, à condition que 90 % de l'effort régulier visé à l'article 2.31 ait été réalisé ;
  3° la commune fait déjà des efforts importants en matière d'accueil des groupes cibles mal logés grâce à la présence d'une ou plusieurs des structures suivantes :
  a) logements et structures destinées au logement assisté de jeunes, et maisons d'accueil pour sans-abri, anciens détenus et anciens patients psychiatriques, et en particulier :
  1) structures telles que visées à l'article 2, 18° du décret du 7 mars 2008 relatif à l'assistance spéciale à la jeunesse ;
  2) structures et logements pour l'accueil des sans-abri, des anciens détenus ou des anciens patients psychiatriques, l'accueil étant toujours combiné avec un accompagnement par le domaine politique du bien-être ;
  3) structures et logements pour l'accueil de crise détenus ou gérés par la commune, le CPAS, un CAW ou une entité administrative intercommunale ;
  4) logements d'urgence ou de transit détenus ou gérés par la commune, le CPAS, un CAW ou une entité administrative intercommunale ;
  b) centres d'asile ouverts et fermés ;
  c) terrains de transit et terrains résidentiels pour nomades ;
  4° la commune dispose de logements locatifs réalisés grâce à une allocation de la Région flamande par les initiateurs visés à l'article 4.13 [2 ...]2 à l'exception des [1 sociétés de logement]1, à condition que ces logements soient proposés aux mal logés à un prix inférieur à celui du marché, et étant entendu qu'ils ne sont pas pris en compte pour l'objectif social contraignant.
  Le Gouvernement flamand arrête les facteurs de pondération pour les structures et les logements locatifs visés à l'alinéa premier, 3° et 4°. La présence de ces structures et de ces logements locatifs ne peut jamais entraîner une réduction du rattrapage spécifique de plus de la moitié du pourcentage applicable. Toutefois, la présence d'un centre d'asile ouvert peut entraîner une réduction du rattrapage spécifique de plus de la moitié du pourcentage applicable si cette structure dispose d'au moins deux cents places d'accueil.
  
Art. 2.33. Indien binnen de betrokken gemeente reeds een sociaal huuraanbod van ten minste negen procent van het in de nulmeting vermelde aantal huishoudens voorhanden is, dan geldt de verplichte toenameregeling, vermeld in artikel 2.31, niet. De verplichte toenameregeling geldt daarenboven slechts totdat de procentuele verhouding tussen het aantal sociale huurwoningen en het in de nulmeting vermelde aantal huishoudens binnen de gemeente de drempel van negen procent bereikt.
Art. 2.33. Si la commune concernée dispose déjà d'une offre locative sociale d'au moins neuf pour cent du nombre de ménages indiqué dans la mesure de référence, la règle d'augmentation obligatoire visée à l'article 2.31, ne s'applique pas. En outre, la règle d'augmentation obligatoire ne s'applique que jusqu'à ce que le rapport en pourcentage entre le nombre de logements locatifs sociaux et le nombre de ménages indiqué dans la mesure de référence au sein de la commune atteigne le seuil de neuf pour cent.
Hoofdstuk 3. Impact van een vrijwillige samenvoeging van gemeenten
Chapitre 3. Impact de la fusion volontaire de communes
Art. 2.34. § 1. [1 Dit artikel is van toepassing in geval van een samenvoeging van gemeenten als vermeld in deel 2, titel 8 en 9, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, waarbij de samenvoegingsdatum vastgesteld wordt op een latere datum dan 1 januari 2019]1.
  In dit artikel wordt verstaan onder:
  1° nieuwe gemeente: de nieuwe gemeente, vermeld in [1 artikel 343, 2°]1, van het voormelde decreet;
  2° samengevoegde gemeenten: de samengevoegde gemeenten, vermeld in [1 artikel 343, 4°]1, van het voormelde decreet;
  3° samenvoegingsdatum: de samenvoegingsdatum, vermeld in artikel [1 artikel 343, 8° ]1°, van het voormelde decreet.
  § 2. Het bestaande sociaal woonaanbod in de nulmeting, vermeld in artikel 2.26, wordt voor een nieuwe gemeente vanaf de samenvoegingsdatum geacht gelijk te zijn aan de som van het bestaande sociaal woonaanbod in de nulmeting binnen de samengevoegde gemeenten.
  § 3. Voor een nieuwe gemeente is het bindend sociaal objectief, vermeld in artikel 2.27, vanaf de samenvoegingsdatum gelijk aan de som van de bindende sociale objectieven van de samengevoegde gemeenten, inclusief de specifieke inhaalbeweging, vermeld in artikel 2.32, die in voorkomend geval aan een of meer van de samengevoegde gemeenten is opgelegd.
  Een vrijstelling of vermindering van de specifieke inhaalbeweging, vermeld in artikel 2.32, die voor de samenvoegingsdatum is toegekend aan een of meer van de samengevoegde gemeenten, blijft behouden.
  
Art. 2.34. § 1.[1 Le présent article s'applique dans le cas d'une fusion de communes visée à la partie 2, titres 8 et 9, du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale, dont la date de la fusion est postérieure au 1er janvier 2019.]1.
  Dans le présent article, on entend par :
  1° nouvelle commune : la nouvelle commune, visée à [1 l'article 343, 2°]1, du décret précité ;
  2° communes fusionnées : les communes fusionnées, visées à[1 l'article 343, 4°]1, du décret précité ;
  3° date de la fusion : la date de la fusion, visée à [1 l'article 5, 2°]1, du décret précité.
  § 2. L'offre de logement social existante dans la mesure de référence visée à l'article 2.26 pour une nouvelle commune est considérée, à partir de la date de fusion, comme égale à la somme de l'offre de logement social existante dans la mesure de référence pour les communes fusionnées.
  § 3. Pour une nouvelle commune, l'objectif social contraignant visé à l'article 2.27 est, à la date de fusion, égal à la somme des objectifs sociaux contraignants des communes fusionnées, y compris le rattrapage spécifique visé à l'article 2.32, qui a été imposé, le cas échéant, à une ou plusieurs des communes fusionnées.
  L'exemption ou la réduction du rattrapage spécifique visé à l'article 2.32 qui a été accordée avant la date de fusion à une ou plusieurs des communes fusionnées, est maintenue.
  
Titel 4. Standplaatsen voor woonwagens
Titre 4. Emplacements pour roulottes
Art. 2.35. De Vlaamse Regering gelast periodiek een meting van het bestaande aanbod van standplaatsen voor woonwagens op residentiële woonwagenterreinen en doortrekkersterreinen.
  De Vlaamse Regering kan de nadere materiële, methodologische en procedurele regels voor de meting bepalen.
Art. 2.35. Le Gouvernement flamand ordonne périodiquement un mesurage de l'offre existante d'emplacements pour roulottes sur des terrains résidentiels pour roulottes et sur des terrains de transit.
  Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités matérielles, méthodologiques et procédurales de ce mesurage.
Deel 4. Territoriale planning
Partie 4. Planning territorial
Art. 2.36. De Vlaamse Regering bakent de volgende gebieden af:
  1° de gebieden waarbinnen grote inspanningen noodzakelijk zijn om de woonkwaliteit te verbeteren, hierna woonvernieuwingsgebieden te noemen;
  2° gebieden waarin het Vlaams Gewest de bouw van nieuwe woningen stimuleert via de uitkering van subsidies en tegemoetkomingen, hierna woningbouwgebieden te noemen.
  De woonvernieuwingsgebieden worden afgebakend op basis van door de Vlaamse Regering nader vast te stellen criteria waarmee concentraties van woningen met zware gebreken kunnen worden gemeten. Onder woningen met zware gebreken dient te worden verstaan de woningen die hetzij onverbeterbaar zijn, hetzij verschillende en/of uitgebreide zware gebreken vertonen die slechts door een uitgebreide renovatie kunnen worden verholpen.
  De woningbouwgebieden zijn de gebieden waar de bouw van woningen is toegestaan volgens de geldende bepalingen inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw en die bovendien, volgens door de Vlaamse Regering nader vast te stellen criteria, deel uitmaken van de bebouwing in een bestaande woonkern, er nauw op aansluiten of binnen een redelijke afstand liggen ten opzichte van de aanwezige voorzieningen in een bestaande woonkern.
Art. 2.36. Le Gouvernement flamand délimite les zones suivantes :
  1° les zones dans lesquelles des efforts importants sont nécessaires pour améliorer la qualité de l'habitat, ci-après dénommées zones de rénovation résidentielle ;
  2° les zones dans lesquelles la Région flamande stimule la construction de nouveaux logements par le biais de subventions et d'interventions, ci-après dénommées zones de construction résidentielle.
  Les zones de rénovation résidentielle sont délimitées sur la base de critères à déterminer par le Gouvernement flamand, permettant de mesurer les concentrations de logements présentant des défauts graves. Par logements présentant des défauts graves, on entend ceux qui ne peuvent pas être améliorés ou qui présentent des défauts multiples ou importants auxquels il ne peut être remédié que par une rénovation importante.
  Les zones de construction résidentielle sont les zones où la construction de logements est autorisée conformément aux dispositions applicables en matière d'aménagement du territoire et d'urbanisme et qui, en outre, selon des critères à déterminer par le Gouvernement flamand, font partie des constructions d'un noyau résidentiel existant, sont étroitement liées à celui-ci ou se trouvent à une distance raisonnable des installations présentes dans un noyau résidentiel existant.
Art. 2.37. Bij de vaststelling van de subsidies en tegemoetkomingen die krachtens deze codex worden toegekend, wordt rekening gehouden met de lokalisatie van de woning of het woonproject hetzij binnen, hetzij buiten een woonvernieuwings- of woningbouwgebied.
  In afwijking van het eerste lid en onverminderd andersluidende bepalingen in deze codex, kan de Vlaamse Regering de sociale woonprojecten van de VMSW en de [1 woonmaatschappijen]1 subsidiëren zonder onderscheid te maken naargelang de lokalisatie ervan hetzij binnen, hetzij buiten een woningbouwgebied.
  
Art. 2.37. La localisation du logement ou du projet de logement dans ou en dehors d'une zone de rénovation ou de construction résidentielle sera prise en compte lors de la détermination des subventions et des interventions accordées au titre du présent code.
  Contrairement au premier alinéa et sans préjudice des dispositions contraires du présent code, le Gouvernement flamand peut subventionner les projets de logement social de la VMSW et des [1 sociétés de logement]1 sans faire de distinction en fonction de leur localisation, à savoir dans ou en dehors d'une zone de construction résidentielle.
  
Deel 5. Wetenschappelijk onderzoek
Partie S. Recherche scientifique
Titel 1. Datawarehouse Wonen
Titre 1. Datawarehouse Logement
Art. 2.38. De Vlaamse Regering regelt de uitbouw en het beheer van een gecentraliseerde databank, het Datawarehouse Wonen, met informatie rond wonen en woonbeleid in Vlaanderen. Die databank heeft de volgende doelstellingen:
  1° het ondersteunen van de voorbereiding en evaluatie van het Vlaamse woonbeleid;
  2° het aanleveren van data voor beleidsmatig wetenschappelijk onderzoek rond wonen;
  3° het beantwoorden van informatievragen van derden rond wonen.
  Om de doelstellingen, vermeld in het eerste lid, te bereiken, worden in het Datawarehouse Wonen de gegevens verzameld over het Vlaamse woonbeleid, vermeld in artikel 1.5 en 1.6.
  De entiteit die door de Vlaamse Regering wordt belast met de ondersteuning van het lokale woonbeleid en de sociale woonorganisaties verstrekken daarvoor de voor het Vlaamse woonbeleid noodzakelijke gegevens waarover ze beschikken, met toepassing van de regelgeving inzake de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens die van toepassing is bij de mededeling van persoonsgegevens, zoals ze in voorkomend geval op federaal of Vlaams niveau verder is of wordt gespecificeerd. De voormelde entiteit is verantwoordelijk voor de verwerking van de gegevens.
  De geanonimiseerde individuele gegevens kunnen onder contractuele voorwaarden ook doorgegeven worden aan wetenschappelijke instellingen met het oog op beleidsrelevant onderzoek waarvan de output eigendom blijft van de Vlaamse Gemeenschap. Met het oog op statistische verwerkingen die de tijdsevolutie van het wonen in Vlaanderen weergeven, worden de gegevens gedurende een periode van vijftig jaar bewaard.
  De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden voor de raadpleging, het gebruik en de verkrijging van de verwerkte gegevens. Ze bepaalt tevens de algemene organisatorische en technische maatregelen die genomen moeten worden om de kwaliteit, de vertrouwelijkheid en de veiligheid van de gegevens te garanderen.
Art. 2.38. Le Gouvernement flamand règle le développement et la gestion d'un Datawarehouse Logement, qui contient des informations relatives au logement et à la politique du logement en Flandre. Cette banque de données a pour but de :
  1° soutenir la préparation et l'évaluation de la politique flamande du logement ;
  2° fournir des données pour la recherche scientifique en matière de politique du logement;
  3° répondre à des demandes d'information de tiers en matière de logement.
  Afin d'atteindre les objectifs énoncés à l'alinéa premier, les données concernant la politique flamande du logement, visées aux articles 1.5 et 1.6, sont collectées dans le Datawarehouse Logement.
  L'entité chargée par le Gouvernement flamand du soutien à la politique locale du logement et les organisations de logement social fournissent à cet effet les données nécessaires à la politique flamande du logement dont elles disposent, en application de la réglementation sur la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel applicable à la communication des données à caractère personnel, telle que précisée au niveau fédéral ou flamand, le cas échéant. L'entité précitée est responsable du traitement des données.
  Les données individuelles anonymisées peuvent, à des conditions contractuelles, également être transmises à des établissements scientifiques en vue de recherches pertinentes pour la politique dont les résultats restent la propriété de la Communauté flamande. En vue de traitements statistiques reflétant l'évolution du logement en Flandre dans le temps, les données sont conservées pendant une période de cinquante ans.
  Le Gouvernement flamand fixe les conditions de consultation, d'utilisation et d'obtention des données traitées. Il fixe également les mesures organisationnelles et techniques générales à prendre afin de garantir la qualité, la confidentialité et la sécurité des données.
Titel 2. Onderzoekscel
Titre 2. Comité scientifique
Art. 2.39. De Vlaamse Regering richt een onderzoekscel in die verantwoordelijk is voor de organisatie van het wetenschappelijk onderzoek inzake wonen en woonbeleid. De Vlaamse Regering bepaalt de aanstellingsvoorwaarden van de wetenschappelijke onderzoekers en draagt daarbij zorg voor de deskundigheid en onafhankelijkheid van de wetenschappelijke onderzoekers van deze cel.
  De onderzoekscel publiceert tweejaarlijks een wetenschappelijk woonrapport, waarin de Vlaamse woonsituatie wordt geëvalueerd.
Art. 2.39. Le Gouvernement flamand crée une cellule d'enquête responsable de l'organisation de la recherche scientifique en matière de logement et de politique du logement. Le Gouvernement flamand fixe les conditions de désignation des chercheurs scientifiques et garantit l'expertise et l'indépendance des chercheurs scientifiques de cette cellule.
  Tous les deux ans, la cellule d'enquête publie un rapport scientifique évaluant la situation du logement en Flandre.
Titel 3. Steekproefonderzoek
Titre 3. Enquête par sondage
Art. 2.40. De Vlaamse Regering regelt de organisatie van structurele, wetenschappelijke dataverzameling over de woningen en hun bewoners in Vlaanderen. Dat steekproefonderzoek wordt tienjaarlijks herhaald.
Art. 2.40. Le Gouvernement flamand règle l'organisation de la collecte structurelle et scientifique de données sur les logements et leurs occupants en Flandre. Cette enquête par sondage est répétée tous les dix ans.
Boek 3. Woningkwaliteitsbewaking
Livre 3. Contrôle de la qualité du logement
Deel 1. Veiligheids- gezondheids- en woningkwaliteitsnormen
Partie 1. Normes de sécurité, de santé et de qualité du logement
Art. 3.1. § 1. Elke woning moet op de volgende vlakken voldoen aan de elementaire veiligheids-, gezondheids- en woonkwaliteitsvereisten, die door de Vlaamse Regering nader bepaald worden:
  1° de oppervlakte van de woongedeelten, rekening houdend met het type van woning en de functie van het woongedeelte;
  2° de sanitaire voorzieningen, vooral de aanwezigheid van een goed functionerend toilet in of aansluitend bij de woning en een wasgelegenheid met stromend water, beide aangesloten op een afvoerkanaal zonder geurhinder;
  3° de winddichtheid, de thermische isolatie en de verwarmingsmogelijkheden, vooral de aanwezigheid van voldoende veilige verwarmingsmiddelen om de woongedeelten met een woonfunctie tot een normale temperatuur te kunnen verwarmen en, indien nodig, te kunnen koelen tegen redelijke energiekosten of de mogelijkheid om die middelen op een veilige manier aan te sluiten;
  4° de ventilatie-, verluchtings- en verlichtingsmogelijkheden, waarbij de verlichtingsmogelijkheid van de woongedeelten wordt vastgesteld in relatie tot de functie, de ligging en de vloeroppervlakte ervan, en de ventilatie- en verluchtingsmogelijkheid in relatie tot de functie en de ligging van het woongedeelte en tot de aanwezigheid van kook-, verwarmings- of warmwaterinstallaties die verbrandingsgassen produceren;
  5° de aanwezigheid van voldoende en veilige elektrische installaties voor de verlichting van de woning en voor het veilige gebruik van elektrische apparaten;
  6° de gasinstallaties, waarbij zowel de toestellen als de plaatsing en de aansluiting ervan de nodige veiligheidsgaranties bieden;
  7° de stabiliteit en de bouwfysica met betrekking tot de fundering, de daken, de buiten-en binnenmuren, de draagvloeren en het timmerwerk;
  8° de toegankelijkheid en het respect voor de persoonlijke levenssfeer;
  9° de minimale energetische prestaties;
  10° de aanwezigheid van drinkbaar water.
  Elke woning moet voldoen aan de vereisten van brandveiligheid, met inbegrip van de specifieke en aanvullende veiligheidsnormen die de Vlaamse Regering vaststelt. Een woning moet uitgerust zijn met één of meer rookmelders geplaatst op de wijze bepaald door de Vlaamse Regering of moet beschikken over een branddetectiesysteem dat gekeurd en gecertificeerd is door een daartoe erkend organisme.
  Bij de nadere bepaling van de vereisten, vermeld in het eerste lid, en de vaststelling van de specifieke en aanvullende veiligheidsnormen, vermeld in het tweede lid, hanteert de Vlaamse Regering een of meer lijsten van mogelijke gebreken die onderverdeeld zijn in de volgende drie categorieën:
  1° gebreken van categorie I: kleine gebreken die de levensomstandigheden van de bewoners negatief beïnvloeden of die potentieel kunnen uitgroeien tot ernstige gebreken;
  2° gebreken van categorie II: ernstige gebreken die de levensomstandigheden van de bewoners negatief beïnvloeden maar die geen direct gevaar vormen voor hun veiligheid of gezondheid, waardoor de woning niet in aanmerking zou komen voor bewoning;
  3° gebreken van categorie III: ernstige gebreken die mensonwaardige levensomstandigheden veroorzaken of die een direct gevaar vormen voor de veiligheid of de gezondheid van de bewoners, waardoor de woning niet in aanmerking komt voor bewoning.
  De omvang van de woning moet minstens beantwoorden aan de woningbezetting. De Vlaamse Regering stelt de normen voor de vereiste minimale omvang van de woning vast in relatie tot de gezinssamenstelling.
  § 2. Met behoud van de toepassing van paragraaf 1 stelt de Vlaamse Regering aanvullende vereisten en normen vast voor kamers. De bepalingen van dit boek zijn van toepassing op de kamers.
  § 3. De Vlaamse Regering houdt rekening met specifieke woonvormen en met de situatie van woonwagenbewoners en andere kwetsbare bewonersgroepen en kan het toepassingsgebied van de paragrafen 1 en 2 uitbreiden tot roerende woonwagens.
  De Vlaamse Regering kan voor de tijdelijke huisvesting van gezinnen of alleenstaanden die dakloos zijn of dreigen te worden en voor de huisvesting van bewoners van sociale huurwoningen, die tijdelijk ontruimd moeten worden voor renovatiewerkzaamheden, beperkte afwijkingen toestaan van de vereisten en normen die ze vaststelt met toepassing van paragraaf 1 of 2. De Vlaamse Regering bepaalt de aard van die afwijkingen. Ze bepaalt ook een termijn, die niet langer mag zijn dan zes maanden, waarbinnen die afwijkingen gelden.
  Tenzij de Vlaamse Regering anders bepaalt zijn artikel 3.4, 3.6, 3.7, 3.8 en 3.9 niet van toepassing als de uitvoering van het eerste of het tweede lid aanleiding geeft tot specifieke of afwijkende vereisten of normen.
Art. 3.1. § 1. Chaque logement doit satisfaire aux exigences de base en matière de sécurité, de santé et de qualité du logement, qui sont spécifiées par le Gouvernement flamand, sur les points suivants :
  1° la superficie des parties du logement, en tenant compte du type de logement et de la fonction de la partie en question ;
  2° les installations sanitaires, en particulier la présence d'une toilette en bon état de fonctionnement dans la maison ou à proximité, et d'une installation de lavage avec eau courante, toutes deux raccordées à un canal d'évacuation sans nuisance olfactive ;
  3° l'étanchéité au vent, l'isolation thermique et les possibilités de chauffage, en particulier la présence de moyens de chauffage suffisamment sûrs permettant de chauffer à une température normale les parties du logement destinées l'habitation, et de les réfrigérer, si nécessaire, à un coût d'énergie abordable ou la possibilité de raccorder ces moyens de manière sûre ;
  4° les possibilités de ventilation, d'aération et d'éclairage, la possibilité d'éclairage des parties du logement étant déterminée par leur fonction, leur emplacement et leur surface au sol, et la possibilité d'aération et de ventilation par la fonction et l'emplacement de la partie du logement et la présence d'installations de cuisson, de chauffage ou d'eau chaude qui produisent des gaz de combustion ;
  5° la présence d'installations électriques suffisantes et sûres pour l'éclairage du logement et pour l'utilisation sûre des appareils électriques ;
  6° les installations de gaz. Tant les appareils que leur installation et leur raccordement doivent offrir des garanties de sécurité ;
  7° la stabilité et la physique de la construction en ce qui concerne les fondations, les toits, les murs extérieurs et intérieurs, les planchers porteurs et la charpenterie ;
  8° l'accessibilité et le respect de la vie privée ;
  9° la performance énergétique minimale ;
  10° la présence d'eau potable.
  Tout logement doit répondre aux exigences de sécurité incendie, y compris aux normes de sécurité spécifiques et complémentaires fixées par le Gouvernement flamand. Le logement doit être équipé d'un ou plusieurs détecteurs de fumée, installés de la manière définie par le Gouvernement flamand ou doit disposer d'un système de détection d'incendie, contrôlé et certifié par un organisme agréé.
  Lors de la détermination des exigences visées au premier alinéa et des normes de sécurité spécifiques et complémentaires visées au deuxième alinéa, le Gouvernement flamand utilise une ou plusieurs listes de défauts possibles qui sont subdivisés en trois catégories, à savoir :
  1° défauts de catégorie I : défauts mineurs qui ont un impact négatif sur les conditions de vie des occupants ou qui pourraient potentiellement se transformer en défauts graves
  2° défauts de catégorie II : défauts graves qui ont un impact négatif sur les conditions de vie des occupants mais qui ne constituent pas un danger immédiat pour leur sécurité ou leur santé, en conséquence de quoi le logement ne serait pas admissible à l'occupation ;
  3° défauts de catégorie III : défauts graves qui entraînent des conditions de vie inhumaines ou qui constituent un danger immédiat pour la sécurité ou la santé des occupants, en conséquence de quoi le logement n'est pas admissible à l'occupation.
  La taille du logement doit au moins correspondre à l'occupation. Le Gouvernement flamand fixe les normes relatives à la taille minimale du logement en fonction de la composition du ménage.
  § 2. Sans préjudice de l'application du paragraphe 1, le Gouvernement flamand fixe des exigences et des normes complémentaires pour les chambres. Les dispositions du présent livre s'appliquent aux chambres.
  § 3. Le Gouvernement flamand tient compte des formes spécifiques de logement et de la situation des habitants de roulottes et d'autres groupes d'habitants vulnérables et peut étendre le champ d'application des paragraphes 1 et 2 aux roulottes mobiles.
  Pour le logement temporaire de ménages ou isolés qui sont sans abri ou risquent de le devenir, ainsi que pour le logement des occupants de logements locatifs sociaux qui doivent être temporairement évacués pour des travaux de rénovation, le Gouvernement flamand peut accorder des dérogations limitées aux exigences et normes qu'il fixe en application des paragraphes 1 ou 2. Le Gouvernement flamand arrête la nature de ces dérogations. Il fixe également un délai, qui ne peut excéder six mois, dans lequel ces dérogations s'appliquent.
  Sauf disposition contraire du Gouvernement flamand, les articles 3.4, 3.6, 3. 7, 3.8 et 3.9 ne sont pas applicables si l'application du premier ou du deuxième alinéa donne lieu à des exigences ou normes spécifiques ou dérogatoires.
Art. 3.2. De gemeenteraad [3 kan, bij verordening, na over de definitieve ontwerptekst een voorafgaand, niet-bindend advies te hebben ingewonnen bij de dienst die door de Vlaamse Regering belast is met het woonbeleid]3:
  1° het conformiteitsattest, vermeld in artikel 3.6, verplicht stellen [1 en bepalen dat zolang niet aan die verplichting is voldaan, een jaarlijks terugkerende verplichting wordt opgelegd om dat attest aan te vragen]1;
  2° strengere veiligheids- en kwaliteitsnormen voor kamers opleggen dan vastgesteld door de Vlaamse Regering met toepassing van artikel 3.1, § 2;
  3° het verhuren of ter beschikking of te huur stellen van kamers aan een voorafgaande vergunning onderwerpen met het oog op de naleving van de normen, vermeld in punt 2°;
  4° [2 opleggen dat kamers in hetzelfde gebouw verhuurd, ter beschikking gesteld of te huur gesteld worden voor de huisvesting van hetzij studenten, hetzij niet-studenten. De gemeenteraad kan eveneens opleggen dat kamers in hetzelfde gebouw exclusief verhuurd, ter beschikking gesteld of te huur gesteld mogen worden voor de huisvesting van arbeidskrachten;]2
  [2 5° bepalen dat er een voorafgaande vergunning afgeleverd kan worden voor het verhuren, ter beschikking stellen of te huur stellen van een kamerwoning voor de huisvesting van arbeidskrachten waardoor de specifieke vereisten en normen voor kamers voor arbeidskrachten gelden, zoals vastgesteld door de Vlaamse Regering met toepassing van artikel 3.1, § 3.]2
  [3 De gemeenteraad kan een verordening als vermeld in het eerste lid wijzigen of herzien nadat hij een advies heeft ingewonnen als vermeld in het eerste lid. Als de verordening opgeheven wordt, brengt de gemeente de dienst, vermeld in het eerste lid, daarvan op de hoogte.]3.
  [3 De gemeente mag voorbijgaan aan de adviesverplichting, vermeld in het eerste en tweede lid, als de dienst, vermeld in het eerste lid, het gevraagde advies niet verstrekt binnen zestig dagen na ontvangst van de adviesvraag.]3
  [3 De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de gemeentelijke verordeningen, vermeld in het eerste lid, voor de adviesverplichting, vermeld in het eerste en tweede lid, en voor het voorbijgaan aan de adviesverplichting, vermeld in het derde lid.]3
  [2 Een vergunning voor de huisvesting van arbeidskrachten als vermeld in het eerste lid, 5°, voldoet aan de volgende voorwaarden:
   1° ze kan pas worden afgeleverd als voor alle kamers in de kamerwoning een conformiteitsattest werd afgegeven dat maximaal één jaar oud is;
   2° ze is maximaal vijf jaar geldig;
   3° ze kan vernieuwd worden als voldaan is aan de voowaarden voor het verkrijgen van de vergunning.
   In dit artikel wordt verstaan onder kamerwoning: elk gebouw of deel ervan dat bestaat uit een of meer kamers en gemeenschappelijke ruimten.]2

  
Art. 3.2. [3 Le conseil communal peut, par voie d'ordonnance, après avoir recueilli un avis préalable non contraignant au sujet du projet de texte définitif auprès du service chargé par le Gouvernement flamand de la politique du logement:]3
  1° rendre obligatoire le certificat de conformité visé à l'article 3.6 [1 et peut prévoir que, tant que cette obligation n'est pas remplie, une obligation annuelle de demander ce certificat est imposée]1;
  2° imposer aux chambres des normes de sécurité et de qualité plus strictes que celles fixées par le Gouvernement flamand en application de l'article 3.1, § 2;
  3° soumettre la location, la mise à disposition ou la mise à la location de chambres à une autorisation préalable en vue de respecter les normes mentionnées au point 2° ;
  4° [2 imposer que les chambres d'un même bâtiment soient louées, mises à disposition ou mises à la location pour le logement d'étudiants ou de non-étudiants. Le conseil communal peut également imposer que les chambres d'un même bâtiment soient loués, mises à disposition ou mises à la location exclusivement pour le logement de main-d'oeuvre ;]2
  [2 5° prévoir qu'une autorisation préalable peut être délivrée pour la mise à la location, la mise à disposition ou la location d'une maison à chambres pour le logement de main-d'oeuvre, de sorte que les exigences et normes spécifiques des chambres pour main-d'oeuvre, déterminées par le Gouvernement flamand en application de l'article 3.1, § 3, s'appliquent.]2
  [3 Après avoir recueilli un avis tel que visé à l'alinéa 1er, le conseil communal peut modifier ou revoir une ordonnance telle que visée à l'alinéa 1er. Si l'ordonnance est abrogée, la commune en informe le service visé à l'alinéa 1er.]3
  [3 Si le service visé à l'alinéa 1er ne rend pas l'avis demandé dans les soixante jours de la réception de la demande d'avis, la commune peut ignorer l'obligation en matière d'avis visée aux alinéas 1er et 2.]3
  [3 Le Gouvernement flamand peut préciser les règles concernant les ordonnances communales visées à l'alinéa 1er, l'obligation en matière d'avis visée aux alinéas 1er et 2, et l'omission de l'obligation en matière d'avis visée à l'alinéa 3]3.
  [2 Une autorisation pour le logement de main-d'oeuvre telle que visée à l'alinéa 1er, 5°, remplit les conditions suivantes :
   1° elle ne peut être délivrée qu'après délivrance d'une attestation de conformité pour toutes les chambres de la maison de chambres ne datant pas de plus d'un an ;
   2° elle est valable pour une durée de cinq ans maximum ;
   3° elle peut être renouvelée si les conditions d'obtention de l'autorisation sont remplies.
   Dans le présent article, on entend par maison de chambres : tout bâtiment ou partie de bâtiment comprenant une ou plusieurs chambres ainsi que des espaces communs.]2

  
Deel 2. Conformiteitsonderzoek
Partie 2. Enquête de conformité
Art. 3.3. De Vlaamse Regering bepaalt de criteria en de procedure om vast stellen of een woning voldoet aan de vereisten en normen, vastgesteld met toepassing van artikel 3.1, § 1, § 2 en § 3, eerste en tweede lid. Ze kan ook de wijze bepalen waarop de mogelijkheid om eventuele tekortkomingen via renovatie-, verbeterings- of aanpassings-werkzaamheden te verhelpen, beoordeeld wordt.
Art. 3.3. Le Gouvernement flamand détermine les critères et la procédure pour déterminer si un logement est conforme aux exigences et normes fixées en vertu de l'article 3.1, §§ 1, 2 et 3, premier et deuxième alinéas. Il peut également déterminer la manière d'évaluer les possibilités de remédier à d'éventuelles non-conformités par des travaux de rénovation, d'amélioration ou d'adaptation.
Art. 3.3 /1. [1 Art. 3.3/1. De gemeente kan bij verordening de gevallen bepalen waarin ze een vergoeding vraagt voor de uitvoering, op verzoek, van een conformiteitsonderzoek dat verloopt volgens de procedure, vermeld in artikel 3.3.
   De vergoeding, vermeld in het eerste lid, kan alleen gevraagd worden aan de natuurlijke persoon of de rechtspersoon, vermeld in artikel 3.7, Ї 1.
   De volgende gevallen zijn altijd een verzoek als vermeld in het eerste lid:
   1А een melding van herstel als vermeld in artikel 3.10, derde lid;
   2А het verzoek tot afgifte van een conformiteitsattest, vermeld in artikel 3.7, Ї 1, eerste lid;
   3А een melding van herstel van eerder vastgestelde gebreken in de loop van een procedure om een woning ongeschikt of onbewoonbaar te verklaren, met toepassing van artikel 3.12.
   Om de volgende conformiteitsonderzoeken uit te voeren kan de gemeente geen vergoeding vragen:
   1А het conformiteitsonderzoek na een melding als vermeld in artikel 3.10, eerste lid;
   2А het conformiteitsonderzoek na een verzoek om een woning ongeschikt of onbewoonbaar te verklaren met toepassing van artikel 3.13.
   De Vlaamse Regering kan voor de vergoeding, vermeld in het eerste lid, een maximumbedrag bepalen. De vergoeding die de gemeente aanrekent, is in ieder geval beperkt tot de werkelijke kosten.]1

  
Art. 3.3 /1. [1 La commune peut déterminer, par voie d'ordonnance, les cas dans lesquels elle demande une indemnité pour réaliser, sur demande, une enquête de conformité, qui se déroule suivant la procédure visée à l'article 3.3.
   L'indemnité visée à l'alinéa 1er ne peut être demandée qu'à la personne physique ou morale visée à l'article 3.7, § 1er.
   Les cas suivants constituent toujours une demande telle que visée à l'alinéa 1er :
   1° une notification de réparation, telle que visée à l'article 3.10, alinéa 3 ;
   2° la demande de délivrance d'un certificat de conformité visée à l'article 3.7, § 1er, alinéa 1er ;
   3° une notification de réparation de vices constatés antérieurement au cours d'une procédure visant à déclarer un logement inadéquat ou inhabitable en application de l'article 3.12.
   La commune ne peut pas demander d'indemnité pour réaliser les enquêtes de conformité suivantes :
   1° l'enquête de conformité après une notification telle que visée à l'article 3.10, alinéa 1er ;
   2° l'enquête de conformité après une demande de déclaration d'inadéquation ou d'inhabitabilité d'un logement en application de l'article 3.13.
   Le Gouvernement flamand peut fixer un montant maximum pour l'indemnité visée à l'alinéa 1er. L'indemnité portée en compte par la commune est, en tout état de cause, limitée aux frais réels. ]1

  
Art. 3.4. [1 ...]1
  
Art. 3.4. [1 ...]1
  
Art. 3.5. De Vlaamse Regering kan voorwaarden vastleggen waaraan kandidaat-controleurs van de kwaliteit van woningen moeten voldoen. Die voorwaarden hebben in ieder geval betrekking op:
  1° diploma's en opleiding;
  2° beroepskennis en -ervaring;
  3° de onafhankelijke wijze van handelen van de controleur ten aanzien van opdrachtgevers en commerciële belangen.
  De Vlaamse Regering kan:
  1° categorieën van controleurs bepalen;
  2° de procedure [1 en de voorwaarden]1 voor de erkenning van de controleurs bepalen;
  3° de procedure en voorwaarden voor de schorsing en intrekking van die erkenning vaststellen;
  4° voorwaarden koppelen aan de opheffing van een schorsing;
  5° kwaliteitseisen vastleggen en de instantie aanwijzen die belast is met de controle op de werkzaamheden van controleurs.
  De Vlaamse Regering kan voorwaarden vastleggen waaraan de opleidingsinstellingen voor de controleurs dienen te voldoen en kan ook voorwaarden vastleggen waaraan de lesgevers van een opleidingsinstelling moeten voldoen.
  De Vlaamse Regering kan de procedure voor de erkenning van de opleidingsinstellingen en de procedure en voorwaarden voor de schorsing en intrekking van die erkenning vastleggen. De Vlaamse Regering kan ook kwaliteitseisen vastleggen voor de opleiding en de lesgevers en wijst de instantie aan die belast is met de controle op hun werkzaamheden.
  De Vlaamse Regering kan tevens de inhoud van de door de erkende opleidingsinstellingen aan de controleurs te verstrekken opleidingen bepalen.
  
Art. 3.5. Le Gouvernement flamand peut fixer les conditions que doivent remplir les candidats contrôleurs de la qualité des logements. Ces conditions portent en tout cas sur
  1° les diplômes et la formation ;
  2° la connaissance et l'expérience professionnelles ;
  3° l'impartialité des actions du contrôleur à l'égard des donneurs d'ordre et des intérêts commerciaux.
  Le Gouvernement flamand peut :
  1° déterminer des catégories de contrôleurs ;
  2° déterminer la procédure [1 et les conditions]1 d'agrément des contrôleurs ;
  3° déterminer la procédure et les conditions de suspension et de retrait de l'agrément ;
  4° assortir de conditions l'annulation d'une suspension ;
  5° fixer des exigences de qualité et désigner l'instance chargée de superviser le travail des contrôleurs.
  Le Gouvernement flamand peut fixer les conditions que doivent remplir les instituts de formation des contrôleurs ainsi que leur personnel enseignant.
  Le Gouvernement flamand peut fixer la procédure d'agrément des instituts de formation ainsi que la procédure et les conditions de suspension et d'annulation de cet agrément. Le Gouvernement flamand peut fixer les exigences de qualité de la formation et du personnel enseignant et désigne l'instance chargée du contrôle de leurs activités.
  Le Gouvernement flamand peut déterminer le contenu des formations à dispenser aux contrôleurs par les instituts de formation agréés.
  
Deel 3. Conformiteitsattest
Partie 3. Certificat de conformité
Art. 3.6. § 1. De conformiteit van een woning die verhuurd wordt of te huur of ter beschikking gesteld wordt [2 , of van een woning die behoort tot een specifieke categorie van woningen die de Vlaamse Regering nader kan bepalen]2, kan blijken uit het conformiteitsattest dat de burgemeester afgeeft op eigen initiatief of op verzoek. Het conformiteitsattest vermeldt de aanwezigheid van eventuele gebreken als vermeld in artikel 3.1, § 1, derde lid, 1°, en de toegestane maximale woningbezetting volgens de normen die worden vastgesteld met toepassing van artikel 3.1, § 1, vierde lid.
  De Vlaamse Regering stelt het model[2 ...]2 en de regels voor de bekendmaking van het conformiteitsattest vast.
  [2 De burgemeester die bij de toepassing van de procedure, vermeld in artikel 3.12, vaststelt dat een woning conform is, levert ambtshalve een conformiteitsattest af aan de verhuurder en de houder van het zakelijk recht.]2
  § 2. In afwijking van paragraaf 1 geldt het proces-verbaal van uitvoering, vermeld in artikel 3.46, derde lid, als conformiteitsattest, op voorwaarde dat uit het proces-verbaal blijkt dat de woning opnieuw conform is.
  [1 In afwijking van paragraaf 1 [2 geeft de gewestelijk ambtenaar, nadat de conformiteit van een woning is vastgesteld, een conformiteitsattest af]2 aan de verhuurder of de houder van het zakelijk recht, in een van de volgende gevallen:
   1° voor een woning die voor verhuring aangeboden wordt aan een woonmaatschappij;
   2° na een conformiteitsonderzoek voor de tegemoetkoming in de huurprijs, vermeld in artikel 5.73 en 5.74.[2 , dat verloopt conform de procedure, vermeld in artikel 3.3]2]1

  

Modifications

[2][2 3° na een besluit bij de behandeling van een beroep, vermeld in artikel 3.14 en 3.15;
4° na een conformiteitsonderzoek, uitgevoerd op eigen initiatief.
In afwijking van paragraaf 1 kan de wooninspecteur, naar aanleiding van een vraag tot hercontrole als vermeld in artikel 3.46, voor een conforme woning een conformiteitsattest afgeven, als het herstel dat met toepassing van artikel 3.43 is gevorderd voor meerdere woningen in een pand, nog niet volledig is uitgevoerd, op voorwaarde dat hij alle woningen waarvan het herstel is gevorderd onderzoekt en het niet-afgeven van het conformiteitsattest zou leiden tot het verschuldigd zijn van een nakende heffing of een ander ernstig nadeel zou berokkenen aan de aanvrager.
[2][2 Na de melding, vermeld in artikel 3.37, kunnen de burgemeester of de gewestelijk ambtenaar geen conformiteitsattest afleveren zonder toestemming van de wooninspecteur. Dat kan evenmin na de opname van de herstelvordering, vermeld in artikel 3.43, op het register van herstelvorderingen, vermeld in artikel 3.44, Ї 1, derde lid, zolang uit het proces-verbaal van uitvoering, vermeld in artikel 3.46, derde lid, niet blijkt dat de herstelmaatregel volledig is uitgevoerd.
[1][1 § 3. Als een bewoner van een kamer op het adres van het pand waarin de kamer zich bevindt, is ingeschreven in de bevolkingsregisters of het wachtregister, vermeld in artikel 1, § 1, eerste lid, 1° en 2°, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten, en er een aanmaning, een proces-verbaal of een verslag van vaststelling voorligt waaruit blijkt dat voor die kamer niet voldaan is aan de verplichting van artikel 4.2.1, 6° of 7°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, wordt de afgifte van een conformiteitsattest als vermeld in paragraaf 1 en 2 geweigerd.
Het eerste lid is niet van toepassing op kamers die uiterlijk op 31 december 2021 in de inventaris zijn opgenomen.
----------
Art. 3.6. § 1. La conformité d'un logement loué ou mis à disposition [2 ou d'un logement qui appartient à une catégorie spécifique de logements que Gouvernement flamand peut préciser ]2 peut être attestée par le certificat de conformité délivré par le bourgmestre de sa propre initiative ou sur demande. Le certificat de conformité mentionne la présence des défauts éventuels visés à l'article 3.1, § 1, troisième alinéa, 1°, et l'occupation maximale autorisée selon les normes établies en application de l'article 3.1, § 1, quatrième alinéa.
  Le Gouvernement flamand arrête le modèle[2 ...]2 et les règles de publication du certificat de conformité.
  [2 Le bourgmestre qui établit qu'un logement est conforme lors de l'application de la procédure visée à l'article 3.12, délivre d'office un certificat de conformité au bailleur et au titulaire du droit réel.]2
  § 2. Contrairement au paragraphe 1, le procès-verbal d'exécution visé à l'article 3.46, troisième alinéa, vaut comme certificat de conformité, à condition que le procès-verbal indique que le logement est à nouveau conforme.
  [1 Par dérogation au paragraphe 1,[2 l'agent régional délivre, après que la conformité d'un logement a été établie, un certificat de conformité ]2au bailleur ou au détenteur du droit réel, dans l'un des cas suivants :
   1° pour un logement proposé en location à une société de logement ;
   2° à la suite d'une enquête de conformité pour l'intervention dans le loyer, visée aux articles 5.73 et 5.74[2 , qui se déroule conformément à la procédure visée à l'article 3.3]2.]1

  Contrairement au paragraphe 1, l'inspecteur du logement peut, à l'occasion d'une demande de nouveau contrôle visée à l'article 3.46, délivrer un certificat de conformité pour un logement conforme si la réparation demandée en application de l'article 3.43 pour plusieurs logements d'un même bâtiment n'ont pas encore été entièrement effectuées, à condition qu'il examine tous les logements dont la réparation a été demandée et que la non-délivrance du certificat de conformité entraînerait l'exigibilité d'une taxe imminente ou causerait un autre désavantage grave au demandeur.
  [2 3° à la suite d'une décision lors de l'examen d'un recours visé aux articles 3.14 et 3.15 ;
  4° à la suite d'une enquête de conformité effectuée d'initiative. ]2

  

Modifications

[2][2 Après la notification visée à l'article 3.37, le bourgmestre ou l'agent régional ne peut pas délivrer de certificat de conformité sans l'autorisation de l'inspecteur du logement. Ils ne peuvent pas non plus le faire après l'inscription de la requête de réparation visée à l'article 3.43 au registre des requêtes de réparation visé à l'article 3.44, § 1er, alinéa 3, tant que le procès-verbal d'exécution visé à l'article 3.46, alinéa 3, ne montre pas que la mesure de réparation a été intégralement mise en oeuvre.
[1][1 § 3. Si l'occupant d'une chambre à l'adresse de l'immeuble dans lequel se trouve la chambre est inscrit aux registres de la population ou au registre d'attente, visés à l'article 1, § 1, alinéa 1, 1° et 2°, de la Loi du 19 juillet 1991 relative aux registres de la population, aux cartes d'identité, aux cartes des étrangers et aux documents de séjour, et s'il ressort d'une mise en demeure, d'un procès-verbal ou d'un rapport de constatation que cette chambre ne satisfait pas à l'obligation de l'article 4.2.1, 6° ou 7°, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, la délivrance d'une attestation de conformité visée aux paragraphes 1 et 2 est refusée.
L'alinéa 1 ne s'applique pas aux chambres reprises dans l'inventaire au plus tard le 31 décembre 2021.
----------
Art. 3.7. § 1. Het verzoek, vermeld in artikel 3.6, § 1, eerste lid, wordt ingediend bij de burgemeester van de gemeente waarin de woning ligt, door de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die als [1 ouder van het zakelijk recht of onderverhuurder een woning]1 verhuurt of te huur of ter beschikking stelt.
  De burgemeester neemt binnen zestig dagen na de datum van het verzoek een beslissing over de afgifte van het conformiteitsattest, na een conformiteitsonderzoek dat verloopt volgens de procedure, vermeld in artikel 3.3.
  § 2. Als de burgemeester de afgifte van het conformiteitsattest weigert of geen beslissing neemt, kan de verzoeker binnen dertig dagen na de ontvangst van de weigering of na het verstrijken van de termijn, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, een conformiteitsonderzoek aanvragen bij de gewestelijk ambtenaar, die in dat geval [1 binnen zestig dagen na het indienen van de aanvraag]1 zelf het conformiteitsattest kan afgeven.
  De Vlaamse Regering stelt de vergoeding voor de behandeling van een aanvraag tot afgifte van het conformiteitsattest door de gewestelijk ambtenaar vast.
  
Art. 3.7. § 1. La demande visée à l'article 3.6, § 1, premier alinéa est introduite auprès du bourgmestre de la commune dans laquelle se trouve le logement par la personne physique ou morale qui, en tant que [1 titulaire du droit réel ou sous-bailleur, met un logement en location ou à disposition]1.
  Le bourgmestre prend une décision sur la délivrance du certificat de conformité dans les soixante jours à compter de la date de la demande, à la suite d'une enquête de conformité effectuée conformément à la procédure visée à l'article 3.3.
  § 2. Si le bourgmestre refuse de délivrer le certificat de conformité ou ne prend pas de décision, le demandeur peut, dans les trente jours suivant la réception du refus ou après l'expiration du délai mentionné au paragraphe 1, deuxième alinéa, demander une enquête de conformité à l'agent régional qui, dans ce cas, peut délivrer lui-même le certificat de conformité[1 dans les soixante jours de l'introduction de la demande]1.
  Le Gouvernement flamand arrête le montant des frais de traitement d'une demande de délivrance du certificat de conformité par l'agent régional.
  
Art. 3.8. Het verzoek tot opheffing van het besluit waarbij een woning ongeschikt of onbewoonbaar verklaard is met toepassing van deel 5, titel 1, wordt behandeld als een verzoek als vermeld in artikel 3.7, § 1, ongeacht door wie dat verzoek ingediend wordt.
  Als het verzoek ingewilligd wordt, geeft de burgemeester ambtshalve het conformiteitsattest af aan de [1 houder van het zakelijk recht]1, ongeacht of de woning al dan niet verhuurd of te huur of ter beschikking gesteld wordt. Als het verzoek betrekking heeft op een woning die na de ongeschikt- of onbewoonbaarverklaring een andere bestemming gekregen heeft of gesloopt is, heft de burgemeester het besluit op zonder afgifte van een conformiteitsattest.
  Met behoud van de toepassing van artikel 3.17, tweede lid, wordt een besluit als vermeld in het eerste lid, dat dateert van voor de afgifte van het conformiteitsattest door de burgemeester of door de gewestelijk ambtenaar, geacht opgeheven te zijn met ingang van de datum van het conformiteitsattest. Hetzelfde geldt voor het besluit dat dateert van voor het proces-verbaal van uitvoering, vermeld in artikel 3.46, derde lid, met ingang van de datum van het proces-verbaal.
  
Art. 3.8. La demande d'annulation de la décision déclarant un logement inadéquat ou inhabitable en vertu de la partie 5, titre 1, est traitée comme une demande visée à l'article 3.7, § 1, quel que soit le demandeur.
  Si la demande est acceptée, le bourgmestre délivre d'office le certificat de conformité au [1 titulaire du droit réel]1, que le logement soit loué, mis en location ou à disposition, ou non. Si la demande concerne un logement qui, après avoir été déclaré inadéquat ou inhabitable, a reçu une autre affectation ou a été démoli, le bourgmestre abroge la décision sans délivrer de certificat de conformité.
  Sans préjudice de l'application de l'article 3.17, deuxième alinéa, une décision telle que mentionnée au premier alinéa, datant d'avant la délivrance du certificat de conformité par le bourgmestre ou par l'agent régional, est réputée abrogée à partir de la date du certificat de conformité. Il en va de même pour la décision antérieure au procès¬verbal d'exécution visé à l'article 3.46, troisième alinéa, à partir de la date du procès¬verbal.
  
Art. 3.9. Het conformiteitsattest vervalt van rechtswege vanaf het ogenblik dat:
  1° aan de woning werkzaamheden uitgevoerd worden als vermeld in artikel 18 van het Vlaams Woninghuurdecreet;
  2° de woning ongeschikt of onbewoonbaar verklaard wordt met toepassing van deel 5, titel 1;
  3° de woning onbewoonbaar verklaard wordt met toepassing van artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet;
  4° er voor de woning een proces-verbaal [2 wordt opgesteld voor de misdrijven, vermeld in artikel 3.34 tot en met 3.36]2;
  5° er een termijn van tien jaar of een termijn die vastgesteld wordt door de gemeenteraad, met een maximum van tien jaar, verstreken is na de afgifte van het conformiteitsattest;
  [1 6° in een aanmaning, proces-verbaal of een verslag van vaststelling wordt vastgesteld dat de kamer waarvoor het conformiteitsattest is afgegeven, gecreëerd is zonder te voldoen aan de verplichting van artikel 4.2.1, 6° of 7°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, en de kamer na de afgifte van het conformiteitsattest bewoond werd door een persoon die op het adres van het pand waarin de kamer zich bevindt ingeschreven was in de bevolkingsregisters of het wachtregister, vermeld in artikel 1, § 1, eerste lid, 1° en 2°, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten;]1
  [3 7° de geldigheidstermijn van een vergunning als vermeld in artikel 3.2, eerste lid, 5°, verstreken is of er geen vergunning als vermeld in artikel 3.2, eerste lid, 5°, wordt afgeleverd binnen een jaar na de afgifte van een conformiteitsattest voor kamerwoningen bestemd voor de huisvesting van arbeidskrachten.]3
  De Vlaamse Regering kan de termijn van tien jaar, vermeld in het eerste lid, 5°, beperken voor conformiteitsattesten die afgegeven worden nadat beperkte gebreken vastgesteld zijn bij het conformiteitsonderzoek[4 dat verloopt volgens de procedure, vermeld in artikel 3.3]4.
  Met behoud van de toepassing van het tweede lid geldt de termijn, vermeld in het eerste lid, 5°, ook voor de conformiteitsattesten die de gewestelijke ambtenaar afgeeft met toepassing van artikel 3.6, § 2, 2°, en artikel 3.7, § 2.
  
Art. 3.9. Le certificat de conformité est caduc de plein droit dès que :
  1° des travaux sur le logement sont effectués, tels que visés à l'article 18 du Décret flamand sur la location d'habitations ;
  2° le logement est déclaré inadéquat ou inhabitable en vertu de la partie 5, titre 1 ;
  3° le logement est déclaré inhabitable en vertu de l'article 135 de la Nouvelle loi communale;
  4° un procès-verbal [2 est établi pour les délits visés aux articles 3.34 à 3.36]2 ;
  5° un délai de dix ans ou un délai fixé par le conseil communal, avec un maximum de dix ans, s'est écoulé depuis la délivrance du certificat de conformité;
  [1 6° il est constaté dans une sommation, un procès-verbal ou un rapport de constatation que la chambre pour laquelle l'attestation de conformité a été délivrée a été créée sans qu'il ne soit satisfait à l'obligation de l'article 4.2.1, 6° ou 7°, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, et que la chambre a été occupée après la délivrance de l'attestation de conformité par une personne qui était inscrite à l'adresse de l'immeuble dans lequel se trouve la chambre aux registres de la population ou au registre d'attente, visés à l'article 1, § 1, alinéa 1, 1° et 2°, de la Loi du 19 juillet 1991 relative aux registres de la population, aux cartes d'identité, aux cartes des étrangers et aux documents de séjour;]1
  [3 7° la période de validité d'une autorisation telle que visée à l'article 3.2, alinéa 1er, 5°, a expiré ou aucune autorisation telle que visée à l'article 3.2, alinéa 1er, 5°, n'est délivrée dans un délai d'un an suivant la délivrance d'une attestation de conformité pour les maisons de chambres destinées au logement de main-d'oeuvre.]3
  Le Gouvernement flamand peut limiter le délai de dix ans, visé à l'alinéa premier, 5°, pour les certificats de conformité délivrés après que des défauts limités ont été constatés lors de l'enquête de conformité [4 , qui se déroule suivant la procédure visée à l'article 3.3]4.
  Sans préjudice de l'application du deuxième alinéa, le délai mentionné au premier alinéa, 5°, s'applique également aux certificats de conformité délivrés par l'agent régional en application des articles 3.6, § 2, 2°, et 3.7, § 2.
  
Art. 3.9 /1. [1 De Vlaamse Regering kan nadere formele en procedurele regels bepalen voor de toepassing van dit deel.]1
  
Art. 3.9 /1. [1 Le Gouvernement flamand peut arrêter des règles formelles et de procédure plus précises pour l'application de la présente partie.]1
  
Deel 4. Waarschuwing
Partie 4. Avertissement
Art. 3.10. Een gemeente die een melding ontvangt over de mogelijk gebrekkige kwaliteit van een woning geeft een ontvangstbewijs aan de melder, verstrekt hem informatie over de procedures, vermeld in dit deel en in deel 5, titel 1, en kan binnen een korte termijn, die de Vlaamse Regering nader bepaalt, een conformiteitsonderzoek uitvoeren, dat verloopt volgens de procedure, vermeld in artikel 3.3.[1 Als de melding de vorm heeft van een mededeling van een dergelijk conformiteitsonderzoek, kan de gemeente zich op dit conformiteitsonderzoek baseren om vast te stellen of de woning al dan niet conform is.]1
  Als [1 is]1 vastgesteld dat de woning niet conform is, kan de gemeente, in de gevallen die de Vlaamse Regering nader bepaalt, aan de houder van het zakelijk recht een termijn geven om de woning conform te maken. De gemeente doet dit binnen de maand na de melding, vermeld in het eerste lid. De gegeven hersteltermijn eindigt in ieder geval binnen de drie maanden na deze melding. Tegelijkertijd waarschuwt de gemeente de houder van het zakelijk recht voor de mogelijke gevolgen bij gebrek aan herstel en brengt ze de bewoners van de toegekende hersteltermijn op de hoogte.
  Bij melding van herstel en uiterlijk binnen drie maanden na de melding, vermeld in het eerste lid, onderzoekt de gemeente de woning een tweede keer conform de procedure, vermeld in artikel 3.3.[1 Als wordt vastgesteld dat de woning conform is, geeft de burgemeester een conformiteitsattest af aan de houder van het zakelijk recht en aan de verhuurder die bij de gemeente bekend is.]1[1 De gemeente brengt de bewoners met een beveiligde zending op de hoogte van deze afgifte en bezorgt hun daarbij een afschrift van het conformiteitsattest en het technisch verslag.]1
  Het ontbreken van een melding van herstel binnen de toegekende hersteltermijn als vermeld in het derde lid, of het ontbreken van een vaststelling van conformiteit binnen [1 honderdenvijf dagen na de melding]1, vermeld in het eerste lid, geldt als de indiening van een verzoek om de woning ongeschikt of onbewoonbaar te verklaren, vermeld in artikel 3.13, eerste lid. In dat geval kan de gemeente de procedure, vermeld in het eerste, tweede en derde lid, niet meer herhalen.
  [1 Bij de afgifte van een conformiteitsattest, vermeld in het derde lid, kan de bewoner binnen dertig dagen na de dag waarop hij de beveiligde zending, vermeld in het derde lid, heeft ontvangen, een conformiteitsonderzoek aanvragen bij de gewestelijk ambtenaar. In dat geval bevestigt de gewestelijk ambtenaar binnen zestig dagen na de ontvangst van de beveiligde zending met een brief aan de aanvrager en de burgemeester dat de woning conform is, ofwel bezorgt hij een advies aan de burgemeester, met afschrift aan de aanvrager, om de woning ongeschikt of onbewoonbaar te verklaren, samen met een uitdrukkelijk verzoek als vermeld in artikel 3.12, Ї 1, derde lid, om geen toepassing te maken van de procedure, vermeld in dit artikel en in artikel 3.11.]1
  
Art. 3.10. La commune qui est mise au courant de l'éventuelle mauvaise qualité d'un logement délivre un récépissé au notificateur, lui fournit des informations sur les procédures visées dans la présente partie et dans la partie 5, titre 1, et peut, dans un court délai à fixer par le Gouvernement flamand, procéder à une enquête de conformité, qui se déroule conformément à la procédure visée à l'article 3.3.[1 Si la notification revêt la forme d'une communication d'une telle enquête de conformité, la commune peut se baser sur cette enquête de conformité pour établir si le logement est ou non conforme. ]1
  S'il [1 a été établi]1 que la maison n'est pas conforme, la commune peut, dans les cas spécifiés par le Gouvernement flamand, accorder au titulaire du droit réel un délai pour rendre la maison conforme. La commune doit le faire dans le mois qui suit la notification visée au premier alinéa. Le délai de réparation accordé prend fin en tout état de cause dans les trois mois suivant cette notification. En même temps, la commune avertit le titulaire du droit réel des conséquences possibles en cas d'absence de réparation et informe les occupants du délai de réparation accordé.
  Après notification de la réparation et au plus tard trois mois après la notification visée au premier alinéa, la commune examine le logement une seconde fois conformément à la procédure visée à l'article 3.3. [1 S'il est établi que le logement est conforme, le bourgmestre délivre un certificat de conformité au titulaire du droit réel et au bailleur qui est connu de la commune.]1[1 La commune informe les occupants de cette délivrance par envoi sécurisé et leur transmet une copie du certificat de conformité et du rapport technique.]1
  L'absence de notification de réparation dans le délai de réparation accordé, visé au troisième alinéa, ou l'absence d'établissement de la conformité dans les [1 cent cinq jours de la notification]1 visée au premier alinéa, vaut comme présentation d'une demande de déclarer le logement inadéquat ou inhabitable, telle que visée à l'article 3.13, premier alinéa. Dans ce cas, la commune ne peut plus répéter la procédure visée aux premier, deuxième et troisième alinéas.
  [1 Lors de la délivrance d'un certificat de conformité, visée à l'alinéa 3, l'occupant peut demander une enquête de conformité auprès de l'agent régional dans les trente jours de la réception de l'envoi sécurisé visé à l'alinéa 3. Dans ce cas, dans les soixante jours de la réception de l'envoi sécurisé, l'agent régional certifie la conformité du logement, par lettre adressée au demandeur et au bourgmestre ou transmet un avis au bourgmestre, avec copie au demandeur, afin de déclarer le logement inadéquat ou inhabitable, accompagné d'une demande expresse, telle que visée à l'article 3.12, § 1er, alinéa 3, de ne pas appliquer la procédure visée dans le présent article et à l'article 3.11.]1
  
Art. 3.11. De Vlaamse Regering kan nadere formele en procedurele regels bepalen voor de toepassing van dit deel.
Art. 3.11. Le Gouvernement flamand peut arrêter des modalités formelles et procédurales pour l'application de la présente partie.
Deel 5. Ongeschikt- en onbewoonbaarverklaring
Partie 5. Déclaration d'inadéquation et d'inhabitabilité
Titel 1. Procedure tot ongeschikt- en onbewoonbaarverklaring
Titre 1. Procédure de déclaration d'inadéquation et d'inhabitabilité
Art. 3.12. § 1. Met behoud van de toepassing van artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet kan de burgemeester, op eigen initiatief of op verzoek, een woning die niet conform is, bij besluit ongeschikt of onbewoonbaar verklaren, op voorwaarde dat de gewestelijk ambtenaar de ongeschikt- of onbewoonbaarverklaring geadviseerd heeft en na de [1 houder van het zakelijk recht]1 en de bewoner gehoord te hebben. De burgemeester neemt in dat geval alle maatregelen die hij noodzakelijk acht ter uitvoering van zijn besluit.
  Als na het horen van de betrokkenen blijkt dat de gebreken die aanleiding gegeven hebben tot het advies van de gewestelijk ambtenaar, vermeld in het eerste lid, geheel of gedeeltelijk hersteld zijn, [2 al dan niet na toepassing van de procedure, vermeld in deel 4,]2 kan de burgemeester, die vaststelt dat de woning nog niet conform is, toch een besluit nemen als vermeld in het eerste lid.
  [2 De gewestelijk ambtenaar geeft het advies, vermeld in het eerste lid, op verzoek van de burgemeester of op eigen initiatief. Als de gewestelijk ambtenaar daar uitdrukkelijk om verzoekt, maakt de burgemeester geen toepassing van de procedure, vermeld in deel 4.]2
  § 2. De burgemeester kan, voor een of meer gebreken van categorie III als vermeld in artikel 3.1, § 1, derde lid, 3°, die vastgesteld zijn bij het conformiteitsonderzoek,[2 dat verloopt volgens de procedure, vermeld in artikel 3.3,]2 de uitvoering binnen een termijn van maximaal vijftien dagen, van de dringende renovatie-, verbeterings- of aanpassingswerkzaamheden opleggen.
  Als de dringende werkzaamheden niet uitgevoerd worden binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, kan de burgemeester ze zelf laten uitvoeren. Op vertoon van een staat kunnen de kosten van de uitgevoerde werkzaamheden in dat geval verhaald worden op de [2 houder van het zakelijk recht]2.
  § 3. [3 De Vlaamse Regering kan de burgemeester vrijstellen van de verplichting om het advies van de gewestelijk ambtenaar, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, te vragen, onder de voorwaarden die ze bepaalt. De Vlaamse Regering kan de vrijstelling op elk moment intrekken als blijkt dat niet meer voldaan is aan de voorwaarden waaronder ze verleend is.]3.
  
Art. 3.12. § 1. Sans préjudice de l'application de l'article 135 de la Nouvelle loi communale, le bourgmestre peut, de sa propre initiative ou sur demande, déclarer par décision inadéquat ou inhabitable un logement non conforme, à condition que l'agent régional ait conseillé la déclaration d'inadéquation ou d'inhabitabilité et après avoir entendu le [1 après application ou non de la procédure mentionnée dans la partie 4, détenteur du droit réel]1 et l'occupant. Dans ce cas, le bourgmestre prend toutes les mesures qu'il jugera nécessaires pour mettre en uvre sa décision.
  Si, après avoir entendu les parties intéressées, il apparaît que les défauts qui ont donné lieu à l'avis de l'agent régional mentionné au premier alinéa ont été totalement ou partiellement réparés,[2 ]2 le bourgmestre qui établit que la maison n'est toujours pas conforme peut néanmoins prendre une décision telle que visée au premier alinéa.
  [2 L'agent régional émet l'avis visé à l'alinéa 1er, à la demande du bourgmestre ou d'initiative. Si l'agent régional en fait la demande expresse, le bourgmestre n'applique pas la procédure mentionnée dans la partie 4.]2
  § 2. Le bourgmestre peut, pour un ou plusieurs défauts de catégorie III visés à l'article 3.1, § 1, troisième alinéa, 3°, constatés lors de l'enquête de conformité,[2 qui se déroule suivant la procédure visée à l'article 3.3,]2 imposer l'exécution des travaux urgents de rénovation, d'amélioration ou d'adaptation dans un délai maximum de quinze jours.
  En cas d'inexécution des travaux urgents dans le délai visé à l'alinéa premier, le bourgmestre peut les faire exécuter lui-même. Dans ce cas les frais des travaux exécutés peuvent être récupérés à charge du [2 titulaire du droit réel]2 sur présentation d'un état.
  § 3. [3 Le Gouvernement flamand peut dispenser le bourgmestre de l'obligation de demander l'avis de l'agent régional visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, aux conditions qu'il fixe. Le Gouvernement flamand peut retirer la dispense à tout moment s'il apparaît que les conditions auxquelles elle a été accordée ne sont plus remplies.]3.
  
Art. 3.13. Het verzoek om een woning ongeschikt of onbewoonbaar te verklaren, kan ingediend worden door het gemeentebestuur, de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn, de gewestelijk ambtenaar, een sociale woonorganisatie, de wooninspecteur of iedereen die blijk geeft van een belang.
  De burgemeester neemt een beslissing binnen drie maanden na de ontvangst van het verzoek, vermeld in het eerste lid. Als een gemeente heeft gekozen voor de toepassing van de procedure, vermeld in deel 4 van dit boek, geldt alleen de termijn die loopt na de toepassing van artikel 3.10, vierde lid, op voorwaarde dat de gemeente een conformiteitsonderzoek als vermeld in artikel 3.10, eerste lid, heeft uitgevoerd binnen de daar vermelde korte termijn, en een hersteltermijn heeft toegekend als vermeld in artikel 3.10, tweede lid, binnen de daar vermelde termijn van een maand.
  De burgemeester mag voorbijgaan aan de adviesvereiste, vermeld in artikel 3.12, § 1, eerste lid, als de gewestelijk ambtenaar geen advies uitgebracht heeft binnen 75 dagen na de ontvangst van de adviesvraag en zolang hij niet op de hoogte gebracht is van een advies dat uitgebracht is na die termijn.
Art. 3.13. La demande de déclaration d'inadéquation ou d'inhabitabilité d'un logement peut être présentée par l'administration communale, le président du conseil de l'aide sociale, l'agent régional, une organisation de logement social, l'inspecteur du logement ou toute personne manifestant un intérêt.
  Le bourgmestre prend une décision dans les trois mois de la réception de la demande visée à l'alinéa premier. Si une commune a opté pour l'application de la procédure visée à la partie 4 du présent livre, seul le délai qui court après l'application de l'article 3.10, quatrième alinéa, s'applique, à condition que la commune ait effectué une enquête de conformité telle que visée à l'article 3.10, premier alinéa, dans le court délai qui y est mentionné, et ait accordé un délai de réparation tel que visé à l'article 3.10, deuxième alinéa, dans le délai d'un mois qui y est mentionné.
  Le bourgmestre peut passer outre à l'exigence en matière d'avis, mentionnée à l'article 3.12, § 1, premier alinéa, si l'agent régional n'a pas émis d'avis dans les 75 jours suivant la réception de la demande d'avis et tant qu'il n'a pas été informé d'un avis émis après ce délai.
Art. 3.14. Tegen de beslissing van de burgemeester, vermeld in artikel 3.13, tweede lid, kan binnen dertig dagen na de betekening van de beslissing beroep aangetekend worden bij de Vlaamse Regering. [1 ...]1 Bij de kennisgeving van de ontvankelijkheid van het beroep nodigt de Vlaamse Regering de [1 houder van het zakelijk recht]1, de bewoner en[2 , de verzoeker]2 de burgemeester uit om hun argumenten schriftelijk kenbaar te maken.
  De Vlaamse Regering voegt alle tijdig ingestelde beroepen tegen dezelfde beslissing verplicht samen. Alle betrokken partijen worden onverwijld in kennis gesteld van de samenvoeging.
  De Vlaamse Regering neemt een beslissing binnen drie maanden na de ontvangst van het laatst ingestelde beroep.[2 , of binnen vier maanden na de ontvangst van het laatste ingestelde beroep, als er voor de beoordeling van het beroep een nieuw conformiteitsonderzoek, dat verloopt volgens de procedure, vermeld in artikel 3.3, noodzakelijk is]2 [1 ...]1 [2 Als er geen beslissing genomen wordt binnen de termijn van drie respectievelijk vier maanden bij een nieuw conformiteitsonderzoek]2, wordt het beroep geacht afgewezen te zijn.
  
Art. 3.14. La décision du bourgmestre, visée à l'article 3.13, deuxième alinéa, peut faire l'objet d'un recours auprès du Gouvernement flamand [2 qui, le cas échéant, en informe le bourgmestre,]2 dans les trente jours suivant la notification de la décision. [1 ...]1 Lors de la notification de recevabilité du recours, le Gouvernement flamand invite le [1 détenteur du droit réel]1, l'occupant [2 , le demandeur]2 et le bourgmestre à présenter leurs arguments par écrit.
  Le Gouvernement flamand regroupe obligatoirement tous les recours introduits en temps utile contre la même décision. Toutes les parties concernées sont informées sans délai de ce regroupement.
  Le Gouvernement flamand prend une décision dans les trois mois de la réception du dernier recours introduit. [1 ...]1 [2 ou dans les quatre mois de la réception du dernier recours introduit si l'appréciation du recours nécessite une nouvelle enquête de conformité, qui se déroule suivant la procédure visée à l'article 3.3.]2 [2 Si aucune décision n'est prise dans le délai de trois ou quatre mois dans le cas d'une nouvelle enquête de conformité ]2, le recours est réputé rejeté.
  
Art. 3.15. [2 Als de burgemeester geen beslissing neemt over het verzoek, vermeld in artikel 3.13, eerste lid, kan binnen twaalf maanden nadat de termijn van drie maanden, vermeld in artikel 3.13, tweede lid, is verstreken, beroep aangetekend worden bij de Vlaamse Regering, die de burgemeester daarvan in voorkomend geval op de hoogte brengt. Bij de kennisgeving van de ontvankelijkheid van het beroep nodigt de Vlaamse Regering de houder van het zakelijk recht, de burgemeester, de verzoeker en de bewoner uit om hun argumenten schriftelijk bekend te maken en brengt ze de burgemeester op de hoogte van het beroep en van het verval van zijn beslissingsbevoegdheid.]2.
  De Vlaamse Regering neemt een beslissing binnen drie maanden na de ontvangst van het beroep tegen het stilzitten van de burgemeester. [1 ...]1 [2 , of binnen vier maanden na de ontvangst van het beroep, als er voor de beoordeling van het beroep een nieuw conformiteitsonderzoek, dat verloopt volgens de procedure, vermeld in artikel 3.3, noodzakelijk is]2 [2 Als er geen beslissing genomen wordt binnen de termijn van drie respectievelijk vier maanden bij een nieuw conformiteitsonderzoek]2, wordt het beroep geacht afgewezen te zijn.
  
Art. 3.15. [2 Si le bourgmestre ne prend pas de décision au sujet de la demande visée à l'article 3.13, alinéa 1er, un recours peut être introduit auprès du Gouvernement flamand, qui, le cas échéant, en informe le bourgmestre, dans les douze mois suivant l'expiration du délai de trois mois visé à l'article 3.13, alinéa 2. Lors de la notification de la recevabilité du recours, le Gouvernement flamand invite le titulaire du droit réel, le bourgmestre, le demandeur et l'occupant à présenter leurs arguments par écrit et informe le bourgmestre du recours et de la déchéance de son pouvoir de décision.]2
  Le Gouvernement flamand prend une décision dans les trois mois de la réception du recours contre l'inaction du bourgmestre. [1 ...]1 [2 ou dans les quatre mois de la réception du recours si l'appréciation du recours nécessite une nouvelle enquête de conformité, qui se déroule suivant la procédure visée à l'article 3.3.]2 [2 Si aucune décision n'est prise dans le délai de trois ou quatre mois dans le cas d'une nouvelle enquête de conformité ]2, le recours est réputé rejeté.
  
Art. 3.16. De Vlaamse Regering kan in beroep het besluit nemen om de woning ongeschikt of onbewoonbaar te verklaren en de nodige maatregelen bevelen. Ze kan onder meer de burgemeester gelasten het gebouw te doen ontruimen en de toegang ertoe te verbieden. Ze bepaalt eventueel de termijn die in acht genomen moet worden voordat die maatregel uitgevoerd wordt.
  Als de burgemeester de maatregelen, bevolen met toepassing van het eerste lid, niet uitvoert, [1 is artikel 335 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur]1 van toepassing.
  
Art. 3.16. Le ministre peut décider en appel de déclarer le logement inadéquat ou inhabitable et prendre les mesures nécessaires. Il peut notamment charger le bourgmestre d'évacuer le bâtiment et d'en interdire l'accès. Le cas échéant, il détermine le délai à observer avant l'exécution d'une telle mesure.
  Si le bourgmestre n'applique pas les mesures ordonnées en vertu du premier alinéa, [1 l'article 335 du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale s'applique.]1
  
Art. 3.17. De instantie die het besluit tot ongeschikt- of onbewoonbaarverklaring genomen heeft, deelt onmiddellijk aan de gewestelijk ambtenaar en aan de wooninspecteur mee welke woningen door het besluit gevat zijn.
  Als een ongeschikt of onbewoonbaar verklaarde woning wordt samengevoegd met een of meer andere woningen of wordt opgesplitst in twee of meer woningen, kan het besluit tot ongeschikt- of onbewoonbaarverklaring alleen opgeheven worden met toepassing van artikel 3.8 als deze wijziging stedenbouwkundig vergund is en als de conformiteit van alle woningen waarop de herindeling van toepassing is, vastgesteld is.
Art. 3.17. L'instance ayant pris la décision de déclarer le logement inadéquat ou inhabitable informe immédiatement l'inspecteur du logement et l'agent régional des logements visés par la décision.
  Si un logement déclaré inadéquat ou inhabitable est fusionné avec un ou plusieurs autres logements ou scindé en deux ou plusieurs logements, la décision de le déclarer inadéquat ou inhabitable ne peut être abrogée en application de l'article 3.8 que si cette modification fait l'objet d'un permis urbanistique et si la conformité de tous les logements faisant l'objet de la nouvelle configuration a été établie.
Art. 3.18. De Vlaamse Regering kan nadere formele en procedurele regels bepalen voor de toepassing van deze titel.
Art. 3.18. Le Gouvernement flamand peut arrêter des modalités formelles et procédurales pour l'application du présent titre.
Titel 2. Inventaris van ongeschikte en onbewoonbare woningen
Titre 2. Inventaire des logements inadéquats et inhabitables
Art. 3.19. § 1. De inventarisbeheerder maakt een inventaris met afzonderlijke lijsten van:
  1° woningen die ongeschikt of onbewoonbaar zijn verklaard conform artikel 3.12 tot en met 3.18;
  2° woningen die onbewoonbaar zijn verklaard conform artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet.
  De Vlaamse Regering wijst de inventarisbeheerder, vermeld in het eerste lid, aan en bepaalt de nadere regels voor de vorm en de wijze waarop de inventaris wordt bijgehouden en beheerd.
  § 2. Elke gemeente ontvangt een uittreksel van de in de inventaris geregistreerde woningen die zich op haar grondgebied bevinden.
  De gemeente verleent aan iedereen die erom verzoekt inzage in de lijst met de woningen die geregistreerd zijn in de inventaris [1 ...]1.
  
Art. 3.19. § 1. Le gestionnaire d'inventaire crée un inventaire avec des listes séparées reprenant :
  1° les logements déclarés inadéquats ou inhabitables conformément aux articles 3.12 à 3.18;
  2° les logements déclarés inhabitables conformément à l'article 135 de la Nouvelle loi communale.
  Le Gouvernement flamand désigne le gestionnaire d'inventaire visé au premier alinéa et détermine les modalités de la forme et de la manière dont l'inventaire est tenu et géré.
  § 2. Chaque commune reçoit un extrait reprenant les logements enregistrés dans l'inventaire et situés sur son territoire.
  La commune donne accès, à quiconque en fait la demande, à la liste des logements enregistrés dans l'inventaire [1 ...]1.
  
Art. 3.20. [1 De woningen, vermeld in artikel 3.19, § 1, 1°, worden ingeschreven op de inventarislijst op de datum van het besluit van de burgemeester, vermeld in artikel 3.12, § 1. In geval van een beslissing tot [2 ongeschiktverklaring of ongeschikt- en onbewoonbaarverklaring]2 in beroep als vermeld in artikel 3.16, eerste lid, worden de woningen ook ingeschreven op de inventarislijst op de datum van het besluit, vermeld in artikel 3.12, § 1, tenzij:
   1° het besluit, vermeld in artikel 3.12, § 1, niet tot stand gekomen is volgens de procedure, vermeld in artikel 3.12 en 3.13;
   2° het een beslissing betreft als vermeld in artikel 3.15, tweede lid.
  [2 3° de burgemeester met toepassing van artikel 3.13, tweede lid, een andere beslissing heeft genomen dan een besluit als vermeld in artikel 3.12, Ї 1.]2
   In deze gevallen worden de woningen ingeschreven op de inventarislijst op de datum van het besluit, vermeld in [2 artikel 3.16, eerste lid]2.]1

  De woningen, vermeld in artikel 3.19, § 1, 2°, worden ingeschreven op de inventarislijst op de datum van het besluit van de burgemeester[2 op voorwaarde dat dit besluit binnen drie maanden nadat het is genomen, meegedeeld is aan de inventarisbeheerder]2.
  Dit artikel geldt ook voor de afsplitsbare woningen en voor de bedrijfsruimten waarvan de woning van de eigenaar als verblijfplaats wordt benut en een niet-afsplitsbaar onderdeel uitmaakt als vermeld in artikel 2, 1°, van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten.
  
Art. 3.20. [1 Les logements visés à l'article 3.19, § 1er, 1° sont inscrits sur la liste d'inventaire à la date de la décision du bourgmestre visée à l'article 3.12, § 1er. En cas de décision de [2 déclaration d'inadéquation ou de déclaration d'inadéquation et d'inhabitabilité ]2 en appel, telle que visée à l'article 3.16, alinéa premier, les logements sont également inscrits sur la liste d'inventaire à la date de la décision visée à l'article 3.12, § 1er, sauf si :
   1° la décision visée à l'article 3.12, § 1er, n'a pas été adoptée selon la procédure visée aux articles 3.12 et 3.13 ;
   2° il s'agit d'une décision telle que visée à l'article 3.15, deuxième alinéa.
  [2 3° le bourgmestre a pris, en application de l'article 3.13, alinéa 2, une décision autre que celle visée à l'article 3.12, § 1er.]2
   Dans de tels cas, les logements sont inscrits sur la liste d'inventaire à la date de la décision, visée à [2 l'article 3.16, alinéa 1er ]2.]1

  Les logements visés à l'article 3.19, § 1, 2° sont inscrits sur la liste d'inventaire à la date de la décision du bourgmestre [2 à condition que cette décision soit communiquée au gestionnaire de l'inventaire dans les trois mois après avoir été prise " sont ajoutés.]2.
  Le présent article s'applique également aux logements dissociables et aux sites d'activité économique dont l'habitation du propriétaire est affectée à la résidence et en fait une partie indissociable, tels que visés à l'article 2, 1° du décret du 19 avril 1995 portant des mesures visant à lutter contre et à prévenir la désaffectation et l'abandon des sites d'activité économique.
  
Art. 3.21. § 1. De inventarisbeheerder betekent de opname in de inventaris met een registratieattest aan de houders van het zakelijk recht, zoals bekend bij de Federale Overheidsdienst Financiën, dienst Patrimoniumdocumentatie, van het geïnventariseerde goed. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot de vorm, de inhoud en het gebruik van het registratieattest.
  § 2. Voor de woningen, vermeld in artikel 3.19, § 1, 1°, geldt een besluit als vermeld in artikel 3.20, eerste lid, als registratieattest. Het voormelde besluit vermeldt de opname in de inventaris. Tegen dat besluit en de registratie kan bij de Vlaamse Regering beroep aangetekend worden conform artikel 3.14.
  § 3. Voor de woningen, vermeld in artikel 3.19, § 1, 2°, bezorgt de inventarisbeheerder het registratieattest aan de houder van het zakelijk recht binnen dertig dagen na de ontvangst van het besluit tot onbewoonbaarverklaring.
  Als de houder van het zakelijk recht aantoont dat hij tegen het besluit tot onbewoonbaarverklaring een klacht heeft ingediend bij de toezichthoudende overheid conform artikel 331 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, dan wordt de opname op de lijst, vermeld in artikel 3.19, geschorst tot de procedure conform artikel 332 tot en met 334 van het decreet over het lokaal bestuur volledig is afgerond.
  De gemeenteoverheid brengt de inventarisbeheerder op de hoogte van het besluit of van het definitieve antwoord van de toezichthoudende overheid, vermeld in artikel 333 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur.
  Binnen dertig dagen nadat de indiener van de klacht het definitieve antwoord van de toezichthoudende overheid heeft ontvangen conform artikel 333 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, kan hij tegen de registratie beroep indienen bij de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering neemt een beslissing binnen drie maanden na de ontvangst van het beroepschrift. Als er binnen die termijn geen beslissing wordt genomen, wordt het beroep geacht te zijn afgewezen.
Art. 3.21. § 1. Le gestionnaire d'inventaire signifie l'inscription à l'inventaire par un certificat d'enregistrement envoyé aux titulaires du droit réel du bien inventorié, tels qu'ils sont connus du Service public fédéral Finances, service de la Documentation patrimoniale. Le Gouvernement fixe les modalités relatives à la forme, au contenu et à l'utilisation du certificat d'enregistrement.
  § 2. Pour les logements visés à l'article 3.19, § 1, 1°, une décision telle que visée à l'article 3.20, alinéa premier, vaut comme certificat d'enregistrement. La décision précitée mentionne l'inscription à l'inventaire. Un recours peut être formé auprès du Gouvernement flamand conformément à l'article 3.14 contre cette décision et l'enregistrement.
  § 3. Pour les logements visés à l'article 3.19, § 1, 2° le gestionnaire d'inventaire délivre le certificat d'enregistrement au titulaire du droit réel dans les trente jours suivant la réception de la décision de déclaration d'inhabitabilité.
  Si le titulaire du droit réel démontre qu'il a déposé une plainte contre la décision de déclaration d'inhabitabilité auprès de l'autorité de tutelle conformément à l'article 331 du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale, l'inscription à la liste, visée à l'article 3.19, est suspendue jusqu'à ce que la procédure soit entièrement achevée conformément aux articles 332 à 334 du décret sur l'administration locale.
  L'autorité communale informe le gestionnaire d'inventaire de la décision ou de la réponse définitive de l'autorité de tutelle, visée à l'article 333 du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale.
  Dans les trente jours de la réception de la réponse définitive de l'autorité de tutelle conformément à l'article 333 du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale, le plaignant peut former un recours contre l'enregistrement auprès du Gouvernement flamand. Le Gouvernement flamand prend une décision dans les trois mois de la réception du recours. Si aucune décision n'est prise dans ce délai, le recours est réputé rejeté.
Art. 3.22. De instrumenterende ambtenaar die belast is met de overdracht van een zakelijk recht als vermeld in artikel 2.5.2.0.1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, brengt de verkrijger van het zakelijk recht uiterlijk op het ogenblik van de overdracht van het zakelijk recht op de hoogte van de kennisgeving van de vaststelling tot ongeschiktheid of onbewoonbaarheid ervan of van de opname van de woning in de inventaris.
  Een door beide partijen ingevuld en ondertekend formulier wordt door de notaris of een partij uiterlijk dertig dagen na de overdracht van het zakelijk recht naar de inventarisbeheerder verstuurd.
Art. 3.22. L'agent instrumentant, chargé du transfert du droit réel visé à l'article 2.5.2.0.1, alinéa premier du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013, informe le cessionnaire du droit réel, au plus tard au moment du transfert du droit réel, de la notification de la constatation d'inadéquation ou d'inhabitabilité du logement ou de son inscription à l'inventaire.
  Un formulaire rempli et signé par les deux parties est envoyé par le notaire ou par une des parties, au plus tard trente jours après le transfert du droit réel, au gestionnaire d'inventaire.
Art. 3.23. § 1. De inventarisbeheerder schrapt een woning uit de lijst, vermeld in artikel 3.19, § 1, 1°, op aangetekend verzoek van de houder van het zakelijk recht of zijn rechtsopvolger zodra hij bewijst dat de woning weer conform is.
  Als de woning gesloopt is of een andere bestemming heeft gekregen, schrapt de inventarisbeheerder de woning op basis van het besluit van de burgemeester tot opheffing van de ongeschikt- of onbewoonbaarverklaring of op basis van het in artikel 3.46, derde lid, vermelde proces-verbaal van uitvoering waarin de sloop of herbestemming wordt vastgesteld.
  Met behoud van de toepassing van artikel 3.46, derde lid, wordt het bewijs, vermeld in het eerste lid, geleverd conform artikel 3.6.
  § 2. De inventarisbeheerder schrapt een woning uit de lijst, vermeld in artikel 3.19, § 1, 2°, op verzoek per beveiligde zending, van de houder van het zakelijk recht of zijn rechtsopvolger, zodra hij bewijst dat de burgemeester het onbewoonbaarheidsbesluit heeft opgeheven of het bewijs, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, levert.
  § 3. De inventarisbeheerder brengt de houder van het zakelijk recht, of in voorkomend geval zijn rechtsopvolger, binnen drie maanden na het verzoek tot schrapping op de hoogte van de beslissing daarover.
  Als de kennisgeving, vermeld in het eerste lid, niet is gebeurd binnen de vastgestelde termijn, wordt het verzoek tot schrapping geacht te zijn ingewilligd.
  § 4. In de gevallen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, vermeldt de inventarisbeheerder als datum van schrapping de eerste dag waarop de woning weer conform is.
  In de gevallen, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, vermeldt de inventarisbeheerder als datum van schrapping de eerste dag van de sloop of herbestemming.
  In de gevallen, vermeld in paragraaf 2, vermeldt de inventarisbeheerder als datum van schrapping de datum van het opheffingsbesluit van de burgemeester of de eerste dag waarop de woning conform is.
  Als de kennisgeving, vermeld in paragraaf 3, niet is gebeurd binnen de vastgestelde termijn, wordt de datum van herstel die de houder van het zakelijk recht in het verzoek tot schrapping aangeeft, als datum van schrapping vermeld.
Art. 3.23. § 1. Le gestionnaire d'inventaire radie un logement de la liste visée à l'article 26, § 1, 1° à la demande, par lettre recommandée, du titulaire du droit réel ou de son successeur légal dès que celui-ci apporte la preuve que le logement est à nouveau conforme.
  Si le logement a été démoli ou a reçu une autre affectation, le gestionnaire d'inventaire radie le logement sur la base de la décision du bourgmestre d'abroger la déclaration d'inadéquation ou d'inhabitabilité ou sur la base du procès-verbal d'exécution, visé à l'article 3.46, troisième alinéa, établissant la démolition ou la réaffectation.
  Sans préjudice de l'application de l'article 3.46, alinéa trois, la preuve visée à l'alinéa premier est apportée conformément à l'article 3.6.
  § 2. Le gestionnaire d'inventaire radie un logement de la liste visée à l'article 3.19, § 1, 2° à la demande, par envoi sécurisé, du titulaire du droit réel ou de son successeur légal dès que celui-ci apporte la preuve que le bourgmestre a abrogé la décision d'inhabitabilité ou la preuve visée au paragraphe 1, alinéa premier.
  § 3. Dans les trois mois suivant la demande de radiation, le gestionnaire d'inventaire informe le titulaire du droit réel ou, le cas échéant, son successeur légal de la décision à ce sujet.
  En l'absence de notification, visée à l'alinéa premier, dans le délai imparti, la demande de radiation est réputée acceptée.
  § 4. Dans les cas visés au paragraphe 1, alinéa premier, le gestionnaire d'inventaire mentionne comme date de radiation le premier jour de conformité du logement.
  Dans les cas visés au paragraphe 1, alinéa deux, le gestionnaire d'inventaire mentionne comme date de radiation le premier jour de la démolition ou de la réaffectation.
  Dans les cas visés au paragraphe 2, le gestionnaire d'inventaire mentionne comme date de radiation la date de décision d'abrogation prise par le bourgmestre ou le premier jour de conformité du logement.
  En l'absence de notification visée au paragraphe 3 dans le délai imparti, la date de réparation que le titulaire du droit réel mentionne dans la demande de radiation est mentionnée comme date de radiation.
Deel 6. Overbewoondverklaring
Partie 6. Déclaration de suroccupation
Art. 3.24. Als een woning na een conformiteitsonderzoek [1 dat verloopt volgens de procedure, vermeld in artikel 3.3,]1 overbewoond blijkt te zijn, kan de burgemeester ze, op eigen initiatief of op verzoek van de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn, van de gewestelijk ambtenaar of van de wooninspecteur, bij besluit overbewoond verklaren, op voorwaarde dat de gewestelijk ambtenaar de overbewoondverklaring heeft geadviseerd.
  De burgemeester neemt de nodige maatregelen om de overbewoning ongedaan te maken door één of meer bewoners te herhuisvesten zoals bepaald in deel 8 van dit boek.
  
Art. 3.24. Si un logement est jugé suroccupé à l'issue d'une enquête de conformité,[1 qui se déroule suivant la procédure visée à l'article 3.3,]1 le bourgmestre peut, de sa propre initiative ou à la demande du président du conseil de l'aide sociale, de l'agent régional ou de l'inspecteur du logement, le déclarer suroccupé par décision, à condition que l'agent régional ait conseillé la déclaration de suroccupation.
  Le bourgmestre prend les mesures nécessaires pour remédier à la suroccupation en relogeant un ou plusieurs occupants, comme prévu à la partie 8 du présent livre.
  
Art. 3.25. De burgemeester neemt een beslissing binnen drie maanden na de ontvangst van het verzoek, vermeld in artikel 3.24, eerste lid. Hij mag voorbijgaan aan de adviesvereiste, vermeld in artikel 3.24, eerste lid, als de gewestelijk ambtenaar geen advies uitgebracht heeft binnen 75 dagen na de ontvangst van de adviesvraag en zolang hij niet in kennis gesteld is van een advies dat uitgebracht is na die termijn.
Art. 3.25. Le bourgmestre prend une décision dans les trois mois de la réception de la demande visée à l'article 3.24, alinéa premier. Il peut passer outre à l'exigence en matière d'avis, mentionnée à l'article 3.24, § 1, premier alinéa, si l'agent régional n'a pas émis d'avis dans les 75 jours suivant la réception de la demande d'avis et tant qu'il n'a pas été informé d'un avis émis après ce délai.
Art. 3.26. Tegen de beslissing van de burgemeester, vermeld in artikel 3.25, kan binnen dertig dagen na de betekening van de beslissing beroep aangetekend worden bij de Vlaamse Regering. [1 ...]1 [2 die de burgemeester daarvan in voorkomend geval op de hoogte brengt]2 Bij de kennisgeving van de ontvankelijkheid van het beroep nodigt de Vlaamse Regering de [1 houder van het zakelijk recht]1, de bewoner[2 , de verzoeker]2 en de burgemeester uit om hun argumenten schriftelijk kenbaar te maken.
  De Vlaamse Regering voegt alle tijdig ingestelde beroepen tegen dezelfde beslissing verplicht samen. Alle betrokken partijen worden onverwijld in kennis gesteld van de samenvoeging.
  De Vlaamse Regering neemt een beslissing binnen drie maanden na de ontvangst van het laatst ingestelde beroep. [1 ...]1 [2 , of binnen vier maanden na de ontvangst van het laatst ingestelde beroep, als er voor de beoordeling van het beroep een nieuw conformiteitsonderzoek, dat verloopt volgens de procedure, vermeld in artikel 3.3, noodzakelijk is]2 [2 Als er geen beslissing genomen wordt binnen de termijn van drie respectievelijk vier maanden bij een nieuw conformiteitsonderzoek]2, wordt het beroep geacht afgewezen te zijn.
  
Art. 3.26. La décision du bourgmestre, visée à l'article 3.25, peut faire l'objet d'un recours auprès du Gouvernement flamand [2 qui, le cas échéant, en informe le bourgmestre,]2 dans les trente jours suivant la notification de la décision. [1 ...]1 Lors de la notification de recevabilité du recours, le Gouvernement flamand invite le [1 détenteur du droit réel]1, l'occupant [2 , le demandeur]2 et le bourgmestre à présenter leurs arguments par écrit.
  Le Gouvernement flamand regroupe obligatoirement tous les recours introduits en temps utile contre la même décision. Toutes les parties concernées sont informées sans délai de ce regroupement.
  Le Gouvernement flamand prend une décision dans les trois mois de la réception du dernier recours introduit. [1 ...]1 [2 ou dans les quatre mois de la réception du dernier recours introduit si l'appréciation du recours nécessite une nouvelle enquête de conformité, qui se déroule suivant la procédure visée à l'article 3.3.]2 [2 Si aucune décision n'est prise dans le délai de trois ou quatre mois dans le cas d'une nouvelle enquête de conformité ]2, le recours est réputé rejeté.
  
Art. 3.27. [2 Als de burgemeester geen beslissing neemt, kan binnen twaalf maanden nadat de termijn van drie maanden, vermeld in artikel 3.25, is verstreken, beroep aangetekend worden bij de Vlaamse Regering, die de burgemeester daarvan in voorkomend geval op de hoogte brengt. Bij de kennisgeving van de ontvankelijkheid van het beroep nodigt de Vlaamse Regering de houder van het zakelijk recht, de burgemeester, de verzoeker en de bewoner uit om hun argumenten schriftelijk bekend te maken en brengt ze de burgemeester op de hoogte van het beroep en van het verval van zijn beslissingsbevoegdheid.]2.
  De Vlaamse Regering neemt een beslissing binnen drie maanden na de ontvangst van het beroep tegen het stilzitten van de burgemeester [2 , of binnen vier maanden na ontvangst van het beroep, als er voor de beoordeling van het beroep een nieuw conformiteitsonderzoek, dat verloopt volgens de procedure, vermeld in artikel 3.3, noodzakelijk is]2. [1 ...]1[2 Als er geen beslissing genomen wordt binnen de termijn van drie respectievelijk vier maanden bij een nieuw conformiteitsonderzoek]2.
  
Art. 3.27. [2 Si le bourgmestre ne prend pas de décision, un recours peut être introduit auprès du Gouvernement flamand, qui, le cas échéant, en informe le bourgmestre, dans les douze mois suivant l'expiration du délai de trois mois visé à l'article 3.25. Lors de la notification de la recevabilité du recours, le Gouvernement flamand invite le titulaire du droit réel, le bourgmestre, le demandeur et l'occupant à présenter leurs arguments par écrit et informe le bourgmestre du recours et de la déchéance de son pouvoir de décision.]2
  Le Gouvernement flamand prend une décision dans les trois mois de la réception du recours contre l'inaction du bourgmestre. [1 ...]1 [2 ou dans les quatre mois de la réception du recours si l'appréciation du recours nécessite une nouvelle enquête de conformité, qui se déroule suivant la procédure visée à l'article 3.3.]2 [2 Si aucune décision n'est prise dans le délai de trois ou quatre mois dans le cas d'une nouvelle enquête de conformité]2, le recours est réputé rejeté.
  
Art. 3.28. De Vlaamse Regering kan in beroep zelf het besluit nemen om de woning overbewoond te verklaren en de nodige maatregelen bevelen. In dat geval zijn de bepalingen van artikel 3.16, tweede lid, van toepassing.
Art. 3.28. Le ministre peut décider en appel de déclarer le logement suroccupé et prendre les mesures nécessaires. Dans ce cas, les dispositions de l'article 3.16, alinéa deux s'appliquent.
Art. 3.29. De Vlaamse Regering kan nadere formele en procedurele regels bepalen voor de toepassing van dit deel. Ze kan de vrijstelling, vermeld in artikel 3.12, § 3 uitbreiden tot het advies van de gewestelijk ambtenaar over de overbewoondverklaring.
Art. 3.29. Le Gouvernement flamand peut arrêter des modalités formelles et procédurales pour l'application de la présente partie. Il peut étendre la dispense visée à l'article 3.12, § 3 à l'avis de l'agent régional sur la déclaration de suroccupation.
Deel 7. Herstel en sloop
Partie 7. Réparation et démolition
Art. 3.30. § 1. Als de woning, die ongeschikt of onbewoonbaar werd verklaard of waarvoor de afgifte van een conformiteitsattest werd geweigerd, volgens de bevindingen van het conformiteitsonderzoek dat verloopt volgens de procedure, vermeld in artikel 3.3, in aanmerking komt voor renovatie-, verbeterings- of aanpassingswerkzaamheden, dan moeten die door de houder van het zakelijk recht worden uitgevoerd.
  Voor de renovatie-, verbeterings- of aanpassingswerkzaamheden kan onder de gestelde voorwaarden een tegemoetkoming worden verleend zoals bedoeld in artikel 5.75.
  § 2. De gemeente, het OCMW of een sociale woonorganisatie, uitgezonderd een huurdersbond, kunnen de werkzaamheden uitvoeren, voor zover ze contractueel een zakelijk recht op de woning verkrijgen of ze de woning voor minstens negen jaar huren. In dat laatste geval mag de huurprijs van de woning niet hoger zijn dan een bedrag dat wordt berekend op grond van de objectieve criteria, vastgesteld door de Vlaamse Regering, waarbij er rekening wordt gehouden met de slechte staat van de woning.
  De initiatiefnemer moet de bewoners van de woning, die voldoen aan de door de Vlaamse Regering vastgestelde voorwaarden, herhuisvesten.
Art. 3.30. § 1. Si, selon les résultats de l'enquête de conformité effectuée conformément à la procédure visée à l'article 3.3, le logement déclaré inadéquat ou inhabitable ou pour lequel la délivrance d'un certificat de conformité a été refusée, entre en ligne de compte pour des travaux de rénovation, d'amélioration ou d'adaptation, ceux-ci doivent être effectués par le titulaire du droit réel.
  Une intervention telle que visée à l'article 5. 75 peut être accordée pour les travaux de rénovation, d'amélioration ou d'adaptation, dans les conditions prévues.
  § 2. La commune, le CPAS ou une organisation de logement social, à l'exception d'une union de locataires, peuvent effectuer les travaux, à condition d'acquérir contractuellement un droit réel sur le logement ou de louer le logement pendant au moins neuf ans. Dans ce dernier cas, le loyer du logement ne peut pas dépasser un montant calculé sur la base de critères objectifs établis par le Gouvernement flamand, compte tenu du mauvais état du logement.
  L'initiateur doit reloger les occupants du logement qui remplissent les conditions fixées par le Gouvernement flamand.
Art. 3.31. Als de woning die ongeschikt of onbewoonbaar werd verklaard of waarvoor de afgifte van een conformiteitsattest werd geweigerd, volgens de bevindingen van het conformiteitsonderzoek dat verloopt volgens de procedure, vermeld in artikel 3.3, niet in aanmerking komt voor renovatie-, verbeterings- of aanpassingswerkzaamheden, dan moet de [1 houder van het zakelijk recht]1 hetzij aan de woning een andere bestemming geven volgens de bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 hetzij de woning slopen, tenzij de sloop verboden is op grond van wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen.
  
Art. 3.31. Si, selon les résultats de l'enquête de conformité effectuée conformément à la procédure visée à l'article 3.3, le logement déclaré inadéquat ou inhabitable ou pour lequel la délivrance d'un certificat de conformité a été refusée n'entre pas en ligne de compte pour des travaux de rénovation, d'amélioration ou d'adaptation, [1 le titulaire du droit réel doit ]1 soit donner au logement une autre affectation conformément aux dispositions du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009, soit démolir le logement, sauf si la démolition est interdite en vertu de dispositions légales, décrétales ou réglementaires.
  
Deel 8. Herhuisvesting
Partie 8. Relogement
Art. 3.32. Als de bewoners van een onbewoonbare of overbewoonde woning of van een goed als vermeld in artikel 3.35, geherhuisvest moeten worden omdat dit noodzakelijk is wegens mensonwaardige levensomstandigheden ernstige risico's voor hun veiligheid en gezondheid en de bepalingen van artikel 3.30, § 2, niet toegepast kunnen worden, neemt de burgemeester de nodige maatregelen voor de bewoners die voldoen aan de voorwaarden die de Vlaamse Regering vaststelt. Hij kan daarbij onder meer de gemeentelijke huisvestingsmogelijkheden benutten of een beroep doen op de medewerking van het OCMW of van de sociale woonorganisaties, waarvan het werkingsgebied zich uitstrekt tot het grondgebied van de gemeente.
  De Vlaamse Regering kan, binnen de kredieten die daartoe ingeschreven worden op de begroting van het Vlaamse Gewest en onder de voorwaarden die ze bepaalt, initiatieven nemen om de ontwikkeling van gemeentelijke herhuisvestingsmogelijkheden aan te moedigen of te ondersteunen.
Art. 3.32. Si les occupants d'un logement inhabitable ou suroccupé ou d'un bien visé à l'article 3.35 doivent être relogés en raison des conditions de vie inhumaines et des risques graves pour leur santé et leur sécurité, et que les dispositions de l'article 3.30, § 2 ne peuvent être appliquées, le bourgmestre prend les mesures nécessaires pour les occupants qui remplissent les conditions fixées par le Gouvernement flamand. Il peut notamment utiliser les facilités de logement communales ou faire appel à la collaboration du CPAS ou des organisations de logement social, dont la zone d'activité s'étend au territoire de la commune.
  Le Gouvernement flamand peut, dans les limites des crédits inscrits à cet effet au budget de la Région flamande et dans les conditions qu'il fixe, prendre des initiatives pour encourager ou soutenir le développement des possibilités de relogement communales.
Art. 3.33. Als de burgemeester overgaat tot herhuisvesting van de bewoners van een [1 onbewoonbare of overbewoonde woning of van een goed als vermeld in artikel 3.35]1, kan de gemeente onder meer de volgende kosten terugvorderen van de verhuurder of de persoon die de woning [2 of het goed, vermeld in artikel 3.35,]2 ter beschikking heeft gesteld:
  1° de kosten om de woning te ontruimen;
  2° de kosten voor het vervoer en de opslag van het meubilair en de goederen van de bewoners;
  3° de installatiekosten met betrekking tot de nieuw te betrekken woning;
  4° het verschil tussen de kosten per maand van de woning, vermeld in punt 3°, of van het verblijf in een daartoe uitgeruste voorziening, en 20% van het maandelijkse beschikbare inkomen van de bewoner.
  Het verschil, vermeld in het eerste lid, 4°, kan teruggevorderd worden voor een periode van maximaal een jaar.
  Als de gemeente daartoe een samenwerkingsovereenkomst sluit met de Vlaamse Regering, kan de Vlaamse Regering de kosten, vermeld in het eerste lid, laten prefinancieren door het Vlaamse Gewest. In dat geval treedt het Vlaamse Gewest voor de geprefinancierde kosten in alle rechten die de gemeente heeft ten aanzien van de schuldenaar. De eventuele invordering gebeurt met een dwangbevel dat opgesteld, geviseerd en uitvoerbaar verklaard wordt door de ambtenaren die aangewezen zijn met toepassing van artikel 5.4.
  
Art. 3.33. Si le bourgmestre procède au relogement des occupants d'un [1 logement inhabitable ou suroccupé ou d'un bien visé à l'article 3.35]1, la commune peut récupérer entre autres les frais suivants auprès du bailleur ou de la personne qui a mis le logement [2 ou le bien visé à l'article 3.35]2 à disposition :
  1° les frais d'évacuation du logement ;
  2° les frais de transport et d'entreposage du mobilier et des biens des occupants ;
  3° les frais d'installation dans le nouveau logement ;
  4° la différence entre les frais mensuels du logement visé au point 3°, ou du séjour dans un établissement équipé à cet effet, et 20 % du revenu mensuel disponible de l'occupant.
  La différence mentionnée au premier alinéa, 4° peut être récupérée pour une période d'un an au maximum.
  Lorsqu'une commune conclut un accord de coopération avec le Gouvernement flamand à cet effet, le Gouvernement flamand peut faire préfinancer les frais visés au premier alinéa par la Région flamande. Dans ce cas la Région flamande est subrogée dans tous les droits de la commune à l'égard du débiteur pour les coûts préfinancés. Le recouvrement éventuel se fait au moyen d'une contrainte établie, visée et rendue exécutoire par les agents désignés en application de l'article 5.4.
  
Deel 9. Strafrechtelijke handhaving
Partie 9. Maintien pénal
Titel 1. Straffen
Titre 1. Peines
Art. 3.34. Als een niet-conforme of overbewoonde woning rechtstreeks of via tussenpersoon wordt verhuurd, te huur gesteld of ter beschikking gesteld met het oog op bewoning, wordt de verhuurder, de eventuele onderverhuurder of diegene die de woning ter beschikking stelt, gestraft met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een geldboete van 500 tot 25.000 euro of met een van die straffen alleen.
Art. 3.34. Lorsqu'un logement non conforme ou suroccupé est loué, mis en location ou mis à disposition, directement ou par personne interposée, en vue de son occupation, le bailleur, l'éventuel sous-bailleur ou celui qui a mis le logement à disposition, est puni d'un emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende de 500 à 25.000 euros, ou d'une seule de ces peines.
Art. 3.35. Wanneer een roerend of een onroerend goed dat niet hoofdzakelijk voor wonen bestemd is, rechtstreeks of via een tussenpersoon wordt verhuurd, te huur gesteld of ter beschikking gesteld met het oog op bewoning terwijl dit goed gebreken vertoont die een veiligheids- of gezondheidsrisico inhouden of terwijl in dit goed de basisnutsvoorzieningén zoals elektriciteit, sanitair, kookgelegenheid en verwarmingsmogelijkheid ontbreken of niet behoorlijk functioneren, wordt de verhuurder, de eventuele onderverhuurder of diegene die dat roerend of onroerend goed ter beschikking stelt, gestraft met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een geldboete van 500 tot 25.000 euro of met een van die straffen alleen.
Art. 3.35. Lorsqu'un bien meuble ou immeuble qui n'est pas principalement destiné à l'habitation est loué, mis en location ou mis à disposition, directement ou par personne interposée, en vue de son occupation alors qu'il présente des défauts impliquant un risque de sécurité ou de santé ou que l'infrastructure de base telle que l'électricité, le sanitaire, la cuisine et le chauffage fait défaut ou ne fonctionne pas proprement, le bailleur, l'éventuel sous-bailleur ou celui qui a mis le logement à disposition, est puni d'un emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende de 500 à 25.000 euros, ou d'une seule de ces peines.
Art. 3.36. Het misdrijf, bedoeld in artikel 3.34 of 3.35, wordt gestraft met een geldboete van 1000 tot 100.000 euro en met een gevangenisstraf van één jaar tot vijf jaar of met een van die straffen alleen in volgende gevallen:
  1° als van de betrokken activiteit een gewoonte wordt gemaakt,
  2° als het een daad van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging betreft, ongeacht of de schuldige de hoedanigheid van leidend persoon heeft.
Art. 3.36. Le délit visé aux articles 3.34 ou 3.35 est puni d'une amende de 1 000 à 100 000 euros et d'un emprisonnement d'un à cinq ans ou d'une seule de ces peines dans les cas suivants :
  1° si l'activité en question est devenue une habitude,
  2° s'il s'agit d'un acte de participation à l'activité principale ou secondaire d'une association, que le coupable revête ou non la qualité de personne dirigeante.
Art. 3.37. [1 De wooninspecteur deelt, na de controle ter plaatse, aan de burgemeester en de gewestelijk ambtenaar mee voor welke woningen hij een aanvankelijk proces-verbaal zal opstellen.]1
  
Art. 3.37. [1 . Après le contrôle sur place, l'inspecteur du logement communique au bourgmestre et à l'agent régional les logements pour lesquels il rédigera un procès-verbal initial.]1
  
Art. 3.38. [1 ...]1
  
Art. 3.38. [1 ...]1
  
Art. 3.39. Met behoud van de toepassing van de regelgeving inzake de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens die van toepassing is bij de mededeling van persoonsgegevens, zoals ze in voorkomend geval op federaal of Vlaams niveau verder is of wordt gespecificeerd, kan de wooninspecteur [1 ...]1 in het kader van een onderzoek naar effectieve bewoning met het oog op de vaststelling van de misdrijven, vermeld in deze titel, de verbruiksgegevens van water, elektriciteit en gas opvragen bij de nutsbedrijven of de distributienetbeheerders.
  De nutsbedrijven of de distributienetbeheerders moeten de verbruiksgegevens binnen een termijn van 14 dagen na ontvangst van de aanvraag aan de wooninspecteur bezorgen.
  De Vlaamse Regering kan de wijze bepalen waarop de wooninspecteur de verbruiksgegevens kan opvragen en de manier waarop de gegevens moeten worden bezorgd.
  
Art. 3.39. Sans préjudice de l'application de la réglementation sur la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel applicable à la communication des données à caractère personnel, telle que précisée, le cas échéant, au niveau fédéral ou flamand, l'inspecteur du logement [1 ...]1, peut demander, dans le cadre d'une enquête concernant l'occupation effective en vue du constat des délits visés au présent titre, les données de consommation d'eau, d'électricité et de gaz auprès des entreprises d'utilité publique ou des gestionnaires des réseaux de distribution.
  Les entreprises d'utilité publique et les gestionnaires des réseaux de distribution sont tenus de transmettre les données de consommation à l'inspecteur du logement dans les 14 jours suivant la réception de la demande.
  Le Gouvernement flamand peut arrêter la manière dont l'inspecteur du logement demande les données de consommation ainsi que leur mode de transmission.
  
Art. 3.40. Als ze het noodzakelijk achten, delen de wooninspecteurs, vermeld in artikel 3.37, de informatie die ze tijdens hun onderzoek hebben verkregen, mee aan alle ambtenaren die belast zijn met het toezicht op een andere wetgeving of met de toepassing van een andere wetgeving, als die informatie hen kan aanbelangen bij de uitoefening van het toezicht waarmee ze belast zijn of voor de toepassing van een andere wetgeving. De wooninspecteurs [1 ...]1 kunnen die informatie ook meedelen aan de sociale verhuurders, vermeld in artikel 1.3, § 1, eerste lid, 49°, als ze dat noodzakelijk achten.
  De informatie die werd verkregen tijdens de uitoefening van plichten, voorgeschreven door de rechterlijke overheid, mag alleen worden meegedeeld met de uitdrukkelijke machtiging van de rechterlijke overheid.
  De ambtenaren die belast zijn met het toezicht op een andere wetgeving of met de toepassing van een andere wetgeving, en de sociale verhuurders, vermeld in artikel 1.3, § 1, eerste lid, 49°, mogen de informatie, verkregen op grond van dit artikel, alleen gebruiken voor de uitoefening van alle opdrachten waarmee ze belast zijn.
  
Art. 3.40. S'ils l'estiment nécessaire, les inspecteurs du logement [1 ...]1 communiquent les informations obtenues au cours de leur enquête à tous les agents chargés du contrôle ou de l'application d'une autre législation, si ces informations peuvent les concerner dans l'exercice du contrôle dont ils sont chargés ou l'application d'une autre législation. Les inspecteurs du logement [1 ...]1 peuvent également communiquer ces informations aux bailleurs sociaux visés à l'article 1.3, § 1, premier alinéa, 49°, s'ils l'estiment nécessaire.
  Les informations obtenues dans l'exercice des obligations prescrites par l'autorité judiciaire ne peuvent être communiquées qu'avec l'autorisation expresse de celle-ci.
  Les agents chargés du contrôle ou de l'application d'une autre législation, et les bailleurs sociaux visés à l'article 1.3, § 1, premier alinéa, 49°, ne peuvent utiliser les informations obtenues en vertu du présent article que pour l'exercice de toutes les missions qui leur sont confiées.
  
Art. 3.41. [1 ...]1
  
Art. 3.41. [1 ...]1
  
Art. 3.42. Met toepassing van artikel 23, lid 1, e) en h), van de [1 algemene verordening gegevensbescherming kan de wooninspecteur of een door de Vlaamse Regering voor de handhaving van boek 3, deel 9, aangewezen agent van gerechtelijke politie]1 beslissen om de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet toe te passen bij de verwerkingen van persoonsgegevens in het kader van een onderzoek dat betrekking heeft op een welbepaalde natuurlijke persoon, als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in het tweede tot en met het tiende lid.
  De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, geldt alleen gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een controle, een onderzoek of de voorbereidende werkzaamheden die daarmee verband houden, in het kader van de decretale en reglementaire opdrachten van de [1 wooninspecteur of een door de Vlaamse Regering voor de handhaving van boek 3, deel 9, aangewezen agent van gerechtelijke politie]1 op voorwaarde dat het voor het goede verloop van het onderzoek noodzakelijk is of kan zijn dat de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet worden toegepast. De duur van de voorbereidende werkzaamheden mag in voorkomend geval niet meer bedragen dan een jaar vanaf de ontvangst van een verzoek tot uitoefening van een van de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening.
  De persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, worden niet langer bewaard dan nodig is voor de doeleinden waarvoor ze worden verwerkt.
  De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, heeft geen betrekking op de gegevens die losstaan van het voorwerp van het onderzoek dat of van de controle die de weigering of beperking van de rechten, vermeld in het eerste lid, rechtvaardigt.
  Als de betrokkene in het geval, vermeld in het eerste lid, tijdens de periode, vermeld in het tweede lid, een verzoek indient op basis van artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, bevestigt de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming de ontvangst daarvan.
  De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming brengt de betrokkene schriftelijk, zo snel mogelijk en in elk geval binnen een maand vanaf de dag die volgt op de dag waarop hij het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van elke weigering of beperking van de rechten, vermeld in het eerste lid. De verdere informatie over de nadere redenen voor die weigering of die beperking hoeft niet te worden verstrekt als dat de decretale en reglementaire opdrachten van de [1 wooninspecteur of een door de Vlaamse Regering voor de handhaving van boek 3, deel 9, aangewezen agent van gerechtelijke politie]1 zou ondermijnen, met behoud van de toepassing van het achtste lid. Als het nodig is, kan de voormelde termijn met twee maanden worden verlengd, rekening houdend met het aantal aanvragen en de complexiteit ervan. De verwerkingsverantwoordelijke brengt de betrokkene binnen een maand vanaf de dag die volgt op de dag waarop hij het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van die verlenging en van de redenen voor het uitstel.
  De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming informeert de betrokkene ook over de mogelijkheid om een verzoek in te dienen bij de Vlaamse toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens conform artikel 10/5 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer en om een beroep in rechte in te stellen.
  De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming noteert de feitelijke of juridische gronden waarop de beslissing is gebaseerd. Die informatie houdt hij ter beschikking van de voormelde Vlaamse toezichtcommissie.
  Nadat het onderzoek afgesloten is, worden de rechten, vermeld in artikel 13 tot en met 22 van de voormelde verordening, in voorkomend geval, conform artikel 12 van de voormelde verordening opnieuw toegepast.
  Als een dossier dat persoonsgegevens als vermeld in het eerste lid, bevat, naar het Openbaar Ministerie is gestuurd en kan leiden tot activiteiten onder leiding van het Openbaar Ministerie of een onderzoeksrechter, en er onduidelijkheid is over het geheim van het onderzoek onder leiding van het Openbaar Ministerie of een onderzoeksrechter, mag de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming op verzoek van de betrokkene overeenkomstig artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening pas antwoorden nadat het Openbaar Ministerie of, in voorkomend geval, de onderzoeksrechter heeft bevestigd dat een antwoord het onderzoek niet in het gedrang brengt of kan brengen.
  
Art. 3.42. En application de l'article 23, paragraphe 1, e) et h), du [1 règlement général sur la protection des données, l'inspecteur du logement ou un agent de police judiciaire désigné par le Gouvernement flamand pour le maintien du livre 3, partie 9, peut]1 décider de ne pas appliquer les obligations et droits visés aux articles 12 à 22 du règlement précité aux traitements de données à caractère personnel dans le cadre d'une enquête concernant une personne physique spécifique si les conditions énoncées aux alinéas deux à dix sont remplies.
  La possibilité de dérogation visée à l'alinéa premier ne s'applique que pendant la période au cours de laquelle l'intéressé fait l'objet d'un contrôle, d'une enquête ou des travaux préparatoires y afférents, dans le cadre des missions décrétales et réglementaires [1 de l'inspecteur du logement ou d'un agent de police judiciaire désigné par le Gouvernement flamand pour le maintien du livre 3, partie 9]1 à condition qu'il soit ou puisse être nécessaire pour le bon déroulement de l'enquête que les obligations et droits visés aux articles 12 à 22 du règlement précité ne soient pas appliqués. Le cas échéant, la durée des travaux préparatoires ne peut pas dépasser un an à compter de la réception d'une demande d'exercice de l'un des droits visés aux articles 12 à 22 du règlement précité.
  Les données à caractère personnel visées à l'alinéa premier ne sont pas conservées plus longtemps qu'il n'est nécessaire aux fins pour lesquelles elles sont traitées.
  La possibilité de dérogation visée à l'alinéa premier ne concerne pas les données qui sont étrangères à l'objet de l'enquête ou du contrôle qui justifie le refus ou la limitation des droits visés à l'alinéa premier.
  Si, dans le cas visé à l'alinéa premier, l'intéressé soumet durant la période visée à l'alinéa deux une demande sur la base des articles 12 à 22 du règlement précité, le fonctionnaire compétent en matière de protection des données en confirme la réception.
  Le fonctionnaire compétent en matière de protection des données informe l'intéressé par écrit, dans les plus brefs délais et en tout cas dans le mois à compter du jour suivant la réception de la demande, de tout refus ou limitation des droits visés à l'alinéa premier. Aucun motif de refus ou de limitation ne doit être fourni si cela porterait atteinte aux missions décrétales et réglementaires [1 de l'inspecteur du logement ou d'un agent de police judiciaire désigné par le Gouvernement flamand pour le maintien du livre 3, partie 9]1 sans préjudice de l'application de l'alinéa huit. Si nécessaire, le délai précité peut être prolongé de deux mois compte tenu du nombre de demandes et de leur complexité. Le responsable du traitement informe l'intéressé de la prolongation et des motifs du report dans un délai d'un mois à compter du jour suivant la réception de la demande.
  Le fonctionnaire compétent en matière de protection des données informe l'intéressé également sur la possibilité d'introduire une demande auprès de la Commission de contrôle flamande pour le traitement des données à caractère personnel conformément à l'article 10/5 du décret du 18 juillet 2008 relatif à l'échange électronique de données administratives, et de former un recours en justice.
  Le fonctionnaire compétent en matière de protection des données consigne les motifs de fait ou de droit sur lesquels se fonde la décision. Il tient ces informations à la disposition de la Commission de contrôle flamande.
  Une fois l'enquête terminée, les droits énoncés aux articles 13 à 22 du règlement précité sont, le cas échéant, appliqués à nouveau, conformément à l'article 12 du règlement précité.
  Si un dossier contenant des données à caractère personnel visées à l'alinéa premier a été transmis au ministère public et peut conduire à des activités sous la direction du ministère public ou d'un juge d'instruction, et qu'il existe une incertitude quant au secret de l'enquête sous la direction du ministère public ou d'un juge d'instruction, le fonctionnaire compétent en matière de protection des données ne peut répondre à la demande de la personne concernée conformément aux articles 12 à 22 du règlement précité, qu'après que le ministère public ou, le cas échéant, le juge d'instruction a confirmé qu'une réponse ne compromet pas ou ne peut pas compromettre l'enquête.
  
Titel 2. Herstel
Titre 2. Réparation
Art. 3.43. Naast de straf kan de rechtbank de overtreder bevelen om werken uit te voeren om de woning of het pand dat het gebouw met de aanwezige woningen omvat, conform te maken en om de overbewoning te beëindigen. Als de rechtbank vaststelt dat de woning niet in aanmerking komt voor werkzaamheden, of dat het gaat om een goed als vermeld in artikel 3.35, beveelt ze de overtreder om er een andere bestemming aan te geven overeenkomstig de bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 of om de woning of het goed te slopen, tenzij de sloop ervan verboden is op grond van wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen. Dat gebeurt ambtshalve of op vordering van de wooninspecteur of het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar de woning, het pand of het goed ligt.
  De rechtbank bepaalt de termijn voor de uitvoering van de herstelmaatregelen en kan, op vordering van de wooninspecteur of het college van burgemeester en schepenen, eveneens een dwangsom bepalen per dag vertraging in de tenuitvoerlegging van de herstelmaatregelen. De termijn voor de uitvoering van de herstelmaatregelen bedraagt maximaal twee jaar.
Art. 3.43. En plus de la peine, le tribunal peut ordonner au contrevenant d'effectuer des travaux pour mettre en conformité le logement ou le bâtiment avec ses logements et de mettre fin à la suroccupation. Lorsque le tribunal constate que le logement n'entre pas en ligne de compte pour des travaux ou qu'il s'agit d'un bien visé à l'article 3.35, il ordonne au contrevenant d'y donner une autre affectation, conformément aux dispositions du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 ou de démolir le logement ou le bien, à moins que sa démolition ne soit interdite sur la base de dispositions légales, décrétales ou réglementaires. Cela se fait d'office ou sur réquisition de l'inspecteur du logement ou du collège des bourgmestre et échevins de la commune où se trouve le logement, le bâtiment ou le bien.
  Le tribunal fixe le délai d'exécution des mesures réparatrices et peut, sur réquisition de l'inspecteur du logement ou du collège des bourgmestre et échevins imposer également une astreinte par jour de retard dans l'exécution des mesures réparatrices. Le délai d'exécution des mesures réparatrices est de deux ans au maximum.
Art. 3.44. § 1. De vorderingen bedoeld in artikel 3.43, worden bij het parket ingeleid bij gewone brief in naam van het Vlaamse Gewest of het college van burgemeester en schepenen, door de wooninspecteurs en de aangestelden van het college van burgemeester en schepenen.
  De wooninspecteur of het college van burgemeester en schepenen stuurt een afschrift van de vordering, vermeld in artikel 3.43, naar de overtreder en naar de [1 houder van het zakelijk recht op]1 de woning, het pand of het goed waarvoor de vordering werd ingeleid.
  De wooninspecteur neemt de woningen, panden en goederen waarop een vordering als vermeld in artikel 3.43, rust, op in een register dat actief openbaar wordt gemaakt. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de vorm, inhoud, beheer en gebruik van dat register. Als een vordering als vermeld in artikel 3.43, wordt ingeleid in naam van het college van burgemeester en schepenen, wordt daarvan een afschrift bezorgd aan de wooninspecteur met het oog op de opname van die vordering in het register, vermeld in het derde lid.
  § 2. De vordering wordt uitdrukkelijk gemotiveerd vanuit het oogpunt van de conformiteit van de woning en het beëindigen van de overbewoning.
  § 3. De vordering vermeldt minstens de gebreken op basis waarvan het herstel wordt gevorderd.
  § 4. De wooninspecteur en het college van burgemeester en schepenen kunnen ook voor de rechtbank van eerste aanleg, zetelend in burgerlijke aangelegenheden, in het gerechtelijk arrondissement waar de woning, het pand of het goed, vermeld in artikel 3.34, 3.35 en 3.36, zich bevindt, de uitvoering van herstelmaatregelen vorderen zoals omschreven in artikel 3.43.
  
Art. 3.44. § 1. Les réquisitions mentionnées à l'article 3.43 sont introduites au parquet par lettre ordinaire, au nom de la Région flamande ou du collège des bourgmestre et échevins, par les inspecteurs du logement et les préposés du collège des bourgmestre et échevins.
  L'inspecteur du logement ou le collège des bourgmestre et échevins envoie une copie de la réquisition visée à l'article 3.43, au contrevenant et au [1 titulaire du droit réel sur le logement, le bâtiment ou le bien]1 faisant l'objet de la demande.
  L'inspecteur du logement enregistre les logements, les bâtiments et les biens faisant l'objet d'une réquisition visée à l'article 3.43 dans un registre, qui est publié de manière active. Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités de forme, de contenu, de gestion et d'utilisation de ce registre. Si une réquisition visée à l'article 3.43 est introduite au nom du collège des bourgmestre et échevins, une copie en est transmise à l'inspecteur du logement en vue de son inscription au registre visé au troisième alinéa.
  § 2. La réquisition est explicitement motivée du point de vue de la conformité du logement et de la cessation de la suroccupation.
  § 3. La réquisition mentionne au moins les défauts sur la base desquels la réparation est réclamée.
  § 4. L'inspecteur du logement et le collège des bourgmestre et échevins peuvent également réclamer l'exécution des mesures réparatrices au sens de l'article 3.43, devant le tribunal de première instance, siégeant en matières civiles, dans l'arrondissement judiciaire où se trouvent le logement, le bâtiment ou le bien, visés aux articles 3.34, 3.35 et 3.36.
  
Art. 3.45. De hoven en rechtbanken die uitspraak doen over de vorderingen, vermeld in artikel 3.43, bezorgen een afschrift aan de herstelvorderende overheid binnen de termijn om rechtsmiddelen tegen de uitspraak aan te wenden.
Art. 3.45. Les cours et tribunaux qui statuent sur les réquisitions visées à l'article 3.43 transmettent, dans le délai de recours contre la décision, une copie à l'autorité réclamant la réparation.
Art. 3.46. Als de overtreder de gevorderde of de door de rechtbank opgelegde herstelmaatregelen vrijwillig heeft uitgevoerd, brengt hij de wooninspecteur en het college van burgemeester en schepenen daarvan onmiddellijk op de hoogte. De kennisgeving wordt aangetekend verstuurd of wordt afgegeven tegen ontvangstbewijs.[2 De wooninspecteur kan stukken en bewijselementen opvragen die het gemelde herstel aannemelijk maken. Als de overtreder de gevraagde stukken niet bezorgt, voert de wooninspecteur geen controle ter plaatse uit.]2 Na ontvangst van de vergoeding, vermeld in het tweede lid, doet [1 de wooninspecteur of een door de Vlaamse Regering voor de handhaving van boek 3, deel 9, aangewezen agent van gerechtelijke politie,]1 een controle ter plaatse en stelt hij een proces-verbaal van vaststelling op.
  De controle ter plaatse, vermeld in het eerste lid, wordt pas uitgevoerd na de betaling van een vergoeding. De Vlaamse Regering bepaalt het bedrag van de vergoeding en de nadere regelen voor de inning ervan. De opbrengst van de vergoeding wordt toegewezen aan het Fonds voor de Wooninspectie, [1 vermeld in artikel 5.19/1]1.
  De wooninspecteur stelt een proces-verbaal van uitvoering op. Behoudens bewijs van het tegendeel geldt alleen het proces-verbaal van uitvoering als bewijs van het herstel en van de datum van het herstel. De wooninspecteur zendt een afschrift van het proces-verbaal van uitvoering aan het college van burgemeester en schepenen en aan de overtreder en de [2 houder van het zakelijk recht op]2 de woning, het pand of het goed, vermeld in artikel 3.34, 3.35 en 3.36. [2 ...]2.
  
Art. 3.46. Lorsque le contrevenant a volontairement effectué les mesures réparatrices réclamées ou imposées par le tribunal, il le notifie sans délai à l'inspecteur du logement et au collège des bourgmestre et échevins. La notification est envoyée par lettre recommandée ou remise contre récépissé. [2 L'inspecteur du logement peut demander des pièces et éléments de preuve qui démontrent la réparation notifiée. Si le contrevenant ne transmet pas les pièces demandées, l'inspecteur du logement n'effectue pas de contrôle sur place.]2 Après réception de l'indemnité visée à l'alinéa deux, [1 l'inspecteur du logement ou un agent de police judiciaire désigné par le Gouvernement flamand pour le maintien du livre 3, partie 9]1 effectue un contrôle sur place et dresse un procès-verbal de constatation.
  Le contrôle sur place visé à l'alinéa premier n'est effectué qu'après paiement d'une indemnité. Le Gouvernement flamand fixe le montant de l'indemnité et les modalités de son recouvrement. Les recettes de l'indemnité reviennent au Fonds de l'inspection du logement, [1 visé à l'article 5.19/1]1.
  L'inspecteur du logement dresse un procès-verbal d'exécution. Sauf preuve du contraire, seul le procès-verbal d'exécution fait office de preuve de la réparation et de la date de la réparation. L'inspecteur du logement envoie une copie du procès-verbal au collège des bourgmestre et échevins ainsi qu'au contrevenant et au [2 titulaire du droit réel sur le logement, le bâtiment ou le bien]2 visés aux articles 3.34, 3.35 et 3.36. [2 ...]2
  
Art. 3.47. Voor het geval dat de herstelmaatregelen door de overtreder niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn worden uitgevoerd, beveelt het vonnis van de rechter, bedoeld in artikel 3.43 en 3.44, dat de wooninspecteur, het college van burgemeester en schepenen en eventueel de burgerlijke partij, ambtshalve in de uitvoering ervan kan voorzien.
  Wanneer de overtreder in gebreke blijft is hij verplicht alle uitvoeringskosten te vergoeden op vertoon van een staat, opgesteld door de overheid, bedoeld in het eerste lid, of begroot en uitvoerbaar verklaard door de beslagrechter in de burgerlijke rechtbank.
  De verjaringstermijn van de maatregel, bedoeld in artikel 3.43 en 3.44, neemt een aanvang vanaf het verstrijken van de termijn die de rechtbank bepaald heeft voor de tenuitvoerlegging ervan
Art. 3.47. Au cas où les mesures réparatrices ne sont pas exécutées par le contrevenant dans le délai imposé par le tribunal, le jugement du juge, visé aux articles 3.43 et 3.44, ordonne que l'inspecteur du logement, le collège des bourgmestre et échevins et éventuellement la partie civile puissent pourvoir d'office à leur exécution.
  Si le contrevenant demeure en défaut, il est obligé d'indemniser tous les frais d'exécution sur présentation d'un état établi par l'autorité visée à l'alinéa premier, ou estimé et déclaré exécutoire par le juge des saisies auprès du tribunal civil.
  Le délai de prescription de la mesure visée aux articles 3.43 et 3.44 prend cours à partir de l'expiration du délai que le tribunal a fixé pour son exécution.
Art. 3.48. In geval van veroordeling wegens één van de misdrijven, bepaald in artikel 3.34, 3.35 en 3.36, machtigt het vonnis van de rechter, bedoeld in artikel 3.43 en 3.44, de wooninspecteur en het college van burgemeester en schepenen om de kosten, vermeld in artikel 3.33, te verhalen op de overtreder.
  De overtreder is verplicht alle kosten te vergoeden op vertoon van een staat opgesteld door de overheid, bedoeld in het eerste lid, of begroot en uitvoerbaar verklaard door de beslagrechter in de burgerlijke rechtbank.
Art. 3.48. En cas de condamnation pour l'un des délits énoncés aux articles 3.34, 3.35 et 3.36, le jugement du juge, visé aux articles 3.43 et 3.44, habilite l'inspecteur du logement et le collège des bourgmestre et échevins à récupérer à charge du contrevenant les frais visés à l'article 3.33.
  Le contrevenant est obligé d'indemniser tous les frais sur présentation d'un état établi par l'autorité visée à l'alinéa premier, ou estimé et déclaré exécutoire par le juge des saisies auprès du tribunal civil.
Titel 3. Procedurele bepalingen
Titre 3. Dispositions procédurales
Art. 3.49. § 1. De dagvaarding voor de correctionele rechtbank op grond van artikel 3.34, 3.35 en 3.36, of het exploot tot inleiding van het geding, bedoeld in artikel 3.44, § 4, is pas ontvankelijk na overschrijving in het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie van het gebied waar de goederen gelegen zijn.
  Elke eindbeslissing die in de zaak gewezen is, wordt op de kant van de overgeschreven dagvaarding of van het overgeschreven exploot ingeschreven op de wijze, bepaald in artikel 84 van de hypotheekwet. Bij gebrek aan een overschrijving, bedoeld in het eerste lid, wordt de eindbeslissing ingeschreven op de kant van de overschrijving van de titel van verkrijging.
  Hetzelfde geldt voor het proces-verbaal waarbij wordt vastgesteld dat het vonnis of arrest is uitgevoerd en voor het proces-verbaal waarbij wordt vastgesteld dat de in artikel 3.43 vermelde herstelvordering werd uitgevoerd nadat het exploot tot inleiding van het geding, bedoeld in artikel 3.44, § 4, is overgeschreven.
  § 2. De dagvaarding of het exploot vermeldt de kadastrale omschrijving van het onroerend goed dat het voorwerp uitmaakt van het misdrijf en identificeert de[1 houder van het zakelijk recht op dat goed]1, in de vorm en onder de sanctie voorgeschreven door de wetgeving inzake hypotheken.
  § 3. De uitvoering door of in de plaats van de veroordeelde, van de publieke herstelmaatregel die is opgelegd met toepassing van artikel 3.43 tot en met 3.48, moet door iedereen worden gedoogd.
  Met behoud van de toepassing van het eerste lid kunnen derden-verkrijgers die niet in het geding zijn tussengekomen en van wie de titel al was overgeschreven vóór de hypothecaire publiciteit, vermeld in paragraaf 1, derdenverzet instellen tegen de eindbeslissing waarin de herstelmaatregel, vermeld in het eerste lid, is opgelegd.
  § 4. Als openbare besturen of derden wegens het in gebreke blijven van de veroordeelde of van de nieuwe houder van het zakelijk recht, vermeld in artikel 3.50, gedwongen zijn om het vonnis uit te voeren, wordt de daaruit te hunnen bate voortvloeiende schuldvordering gewaarborgd door een wettelijke hypotheek, die ingeschreven, vernieuwd, verminderd of gedeeltelijk doorgehaald wordt overeenkomstig de bepalingen in de hoofdstukken IV en V van de hypotheekwet.
  Die waarborg dekt ook de schuldvordering ten gevolge van de kosten van de hypothecaire formaliteiten die door hen zijn voorgeschoten en die ten laste komen van de veroordeelde of van de nieuwe houder van het zakelijk recht, vermeld in artikel 3.50.
  
Art. 3.49. § 1. La citation devant le tribunal correctionnel en vertu des articles 3.34, 3.35 et 3.36, ou l'exploit introductif d'instance, visé à l'article 3.44, § 4, n'est recevable qu'après transcription au bureau compétent de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale dans le ressort duquel les biens sont situés.
  Toute décision finale rendue dans la cause, est inscrite en marge de la citation transcrite ou de l'exploit transcrit suivant les modalités prévues à l'article 84 de la loi hypothécaire. Faute de transcription, visée à l'alinéa premier, la décision finale est inscrite en marge de la transcription du titre d'acquisition.
  Il en va de même pour le procès-verbal constatant l'exécution du jugement ou de l'arrêt et pour le procès-verbal constatant que la réquisition de réparation visée à l'article 3.43 a été exécutée après la transcription de l'exploit introductif d'instance visé à l'article 3.44, § 4.
  § 2. La citation ou l'exploit mentionne la description cadastrale du bien immeuble faisant l'objet du délit et identifie [1 le titulaire du droit réel sur ce bien]1, sous la forme et la sanction prescrites par la législation en matière d'hypothèques.
  § 3. L'exécution par la personne condamnée ou à sa place de la mesure réparatrice publique imposée en vertu des articles 3.43 à 3.48 doit être tolérée par tous.
  Sans préjudice de l'application du premier alinéa, les tiers acquéreurs qui ne sont pas intervenus dans la cause et dont le titre avait déjà été transcrit avant la publicité hypothécaire visée au paragraphe 1 peuvent former un recours en tierce opposition contre la décision finale imposant la mesure réparatrice visée au premier alinéa.
  § 4. Si les administrations publiques ou des tiers sont contraints d'exécuter le jugement en raison de la défaillance du condamné ou du nouveau titulaire du droit réel visé à l'article 3.50, la créance qui en découle en leur faveur est garantie par une hypothèque légale, qui est inscrite, renouvelée, réduite ou en partie annulée conformément aux dispositions des chapitres IV et V de la loi hypothécaire.
  Cette garantie couvre également la créance par suite des frais des formalités hypothécaires qu'ils ont avancés et qui sont à charge du condamné ou du nouveau titulaire du droit réel visé à l'article 3.50.
  
Art. 3.50. Als er op een roerend of onroerend goed ten gevolge van een definitieve rechterlijke beslissing een verplichting rust om herstelmaatregelen uit te voeren als vermeld in deel 9, titel 2, wordt die verplichting op het ogenblik dat een authentieke akte wordt opgesteld voor de overdracht van een zakelijk recht op het goed, in een afzonderlijke akte vermeld. In die akte wordt ook vermeld dat de nieuwe houder van het zakelijk recht de verbintenis aangaat om, met behoud van de toepassing van de verplichting voor de overtreder, de opgelegde herstelmaatregelen uit te voeren en de eventuele uitvoeringskosten te vergoeden overeenkomstig artikel 3.47, tweede lid.
  De instrumenterende ambtenaar bezorgt een afschrift van de afzonderlijke akte, vermeld in het eerste lid, aan de wooninspecteur en is ertoe gehouden de grosse af te leveren op zijn verzoek.
  De kosten voor het opstellen van de afzonderlijke akte zijn ten laste van de overdrager van het zakelijk recht.
Art. 3.50. Lorsque, par suite d'une décision judiciaire finale, un bien meuble ou immeuble fait l'objet d'une obligation d'effectuer des mesures réparatrices, telles que visées dans la partie 9, titre 2, cette obligation est mentionnée dans un acte séparé au moment de l'établissement d'un acte authentique pour le transfert d'un droit réel sur le bien. Cet acte mentionne également que le nouveau titulaire du droit réel s'engage à effectuer les mesures réparatrices imposées et à prendre en charge les frais éventuels de leur exécution conformément à l'article 3.47, alinéa deux, sans préjudice de l'application de l'obligation du contrevenant.
  L'agent instrumentant envoie une copie de l'acte séparé mentionné à l'alinéa premier à l'inspecteur du logement et est tenu de fournir la grosse à la demande de celui-ci.
  Les frais d'établissement de l'acte séparé sont à la charge du cédant du droit réel.
Art. 3.51. De overtreder brengt voor het afsluiten van de overeenkomst tot overdracht van een zakelijk recht, de kandidaat-overnemer op de hoogte dat op het goed een vordering of veroordeling als vermeld in artikel 3.43, rust. In de overeenkomst tot overdracht van het zakelijk recht wordt vermeld dat op het goed een bovenvermelde vordering of veroordeling rust.
  Met behoud van het recht om een schadevergoeding te eisen, vernietigt de rechtbank, op vordering van de overnemer, de titel van overdracht van zakelijk recht als de overtreder niet voldaan heeft aan de verplichting, vermeld in het eerste lid.
  In afwijking van het tweede lid kan de overnemer de vordering tot vernietiging niet inroepen als de informatie, vermeld in het eerste lid, wordt meegedeeld bij het verlijden van de authentieke akte en als de nieuwe houder van het zakelijk recht verzaakt aan de vordering tot vernietiging.
  Als een zakelijk recht op een roerend of onroerend goed wordt overgedragen, consulteert de instrumenterend ambtenaar het register van herstelvorderingen, vermeld in artikel 3.44, § 1, derde lid, en neemt hij de daarin opgenomen informatie op in de akte van overdracht. Als het register over dat goed geen informatie bevat, wordt dat ook vermeld in de akte.
Art. 3.51. Avant la conclusion du contrat de transfert d'un droit réel, le contrevenant informe le candidat cessionnaire du fait qu'une réquisition ou une condamnation, telle que visée à l'article 3.43, repose sur le bien. Le contrat de transfert du droit réel mentionne qu'une réquisition ou une condamnation, telle que mentionnée ci-dessus, repose sur le bien.
  Sans préjudice du droit aux dommages-intérêts, le tribunal annule sur requête du cessionnaire le titre de transfert d'un droit réel si le contrevenant n'a pas satisfait à l'obligation visée à l'alinéa premier.
  Par dérogation à l'alinéa deux, le cessionnaire ne peut pas invoquer l'action en annulation lorsque l'information visée à l'alinéa premier est communiquée lors du passage de l'acte authentique et lorsque le nouveau titulaire du droit réel renonce à l'action en annulation.
  En cas de transfert d'un droit réel portant sur un bien meuble ou immeuble, l'agent instrumentant consulte le registre des actions en réparation visé à l'article 3.44, § 1, alinéa trois et inclut les informations qui y figurent dans l'acte de transfert. Si le registre ne contient aucune information sur ce bien, l'acte en fait également mention.
Titel 4. Verzegeling
Titre 4. Scellé
Art. 3.52. [1 ...]1
  
Art. 3.52. [1 ...]1
  
Art. 3.53. De burgemeester [1 , de wooninspecteur of een door de Vlaamse Regering voor de handhaving van boek 3, deel 9, aangewezen agent van gerechtelijke politie]1, kunnen de verhuurde of te huur of ter beschikking gestelde woningen die niet conform of overbewoond zijn, en goederen als vermeld in artikel 3.35, verzegelen.
  Een goed als vermeld in het eerste lid, kan ook verzegeld worden als er al een misdrijf als vermeld in artikel 3.34, 3.35 of 3.36, is vastgesteld en het goed niet langer verhuurd, te huur of ter beschikking gesteld wordt.
  Als de verzegeling gepaard gaat met gedwongen uitdrijving, neemt de burgemeester de nodige initiatieven voor de herhuisvesting van de bewoners in kwestie, vermeld in artikel 3.32 en 3.33.
  [1 ...]1
  
Art. 3.53. Le bourgmestre [1 , l'inspecteur du logement ou un agent de police judiciaire désigné par le Gouvernement flamand pour le maintien du livre 3, partie 9 peut]1 sceller les logements loués, mis en location ou à disposition qui sont non conformes ou suroccupés, ainsi que les biens mentionnés à l'article 3.35.
  Un bien visé au premier alinéa peut également être scellé si un délit tel que visé aux articles 3.34, 3.35 ou 3.36 a déjà été établi et que le bien n'est plus loué, mis en location ou à disposition.
  Si le scellé s'accompagne d'une expulsion forcée, le bourgmestre prend les initiatives nécessaires pour le relogement des occupants concernés, visé aux articles 3.32 et 3.33.
  [1 ...]1
  
Art. 3.54. De verhuurder, de houder van het zakelijk recht en de bewoner kunnen tegen de verzegeling beroep instellen bij de Vlaamse Regering binnen tien dagen nadat ze op de hoogte zijn gebracht van de verzegeling. Het beroep werkt niet opschortend. De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor het instellen en het behandelen van het beroep.
  De verhuurder, de houder van het zakelijk recht en de bewoner kunnen een verzoek tot opheffing van de verzegeling indienen bij de instantie die heeft verzegeld, als het verzoek betrekking heeft op het uitvoeren van herstelwerkzaamheden of dient om eventuele schade te beperken of te vermijden. [1 Het verzoek wordt verstuurd met een beveiligde zending. De instantie aan wie het verzoek is gericht, beslist binnen 30 dagen nadat ze het verzoek tot opheffing van de verzegeling heeft ontvangen. Die termijn is eenmalig verlengbaar met 30 dagen. Als er geen tijdige beslissing wordt genomen, wordt het verzoek geacht afgewezen te zijn.]1 Tegen een weigering om de verzegeling op te heffen, is beroep mogelijk bij de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor het instellen en het behandelen van het beroep.
  
Art. 3.54. Le bailleur, le titulaire du droit réel et l'occupant peuvent introduire un recours contre le scellé auprès du Gouvernement flamand dans les dix jours suivant la connaissance du scellé. Le recours n'est pas suspensif. Le Gouvernement flamand arrête la procédure d'introduction et de traitement du recours.
  Le bailleur, le titulaire du droit réel et l'occupant peuvent soumettre une demande de levée du scellé à l'instance qui l'a apposé, si cette demande concerne l'exécution de réparations ou vise à limiter ou à éviter d'éventuels dommages. [1 La demande est introduite par envoi sécurisé. L'instance à laquelle la demande est adressée prend une décision dans les 30 jours suivant la réception de la demande de levée du scellé. Ce délai est renouvelable une seule fois de 30 jours. Si aucune décision n'est prise dans le délai, la demande est réputée rejetée.]1 Un recours peut être introduit auprès du Gouvernement flamand contre un refus de lever le scellé. Le Gouvernement flamand arrête la procédure d'introduction et de traitement du recours.
  
Art. 3.55. [1 Het schenden van een verzegeling of het niet-naleven van de voorwaarden die gekoppeld zijn aan de opheffing van de verzegeling, is strafbaar met een bestuurlijke geldboete van 500 euro tot 5000 euro.]1
  
Art. 3.55. [1 La violation d'un scellé ou le non-respect des conditions liées à la levée du scellé est passible d'une amende administrative comprise entre 500 et 5 000 euros.]1
  
Deel 10. [1 Privacy]1
Partie 10. [1 Vie privée]1
Art. 3.56. [1 § 1. Voor de toepassing van de bepalingen van dit boek worden persoonsgegevens verwerkt om de minimale woningkwaliteit, vermeld in deel 1, na te streven.
  [3 In afwijking van het eerste lid worden persoonsgegevens verwerkt om de voorwaarden en vereisten, vermeld in artikel 3.58 tot en met 3.60, toe te passen.]3
   § 2. De verantwoordelijken voor de verwerking van persoonsgegevens met toepassing van de bepalingen in deel 2 tot en met 7 van dit boek zijn:
   1° de steden en gemeenten, met inbegrip van de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, voor wat betreft de verwerkingen die zij voor hun rekening nemen;
   2° het agentschap dat door de Vlaamse Regering belast wordt met de uitvoering van het woonbeleid, voor wat betreft de verwerkingen die het voor zijn rekening neemt;
   3° de Vlaamse Belastingdienst, voor wat betreft het raadplegen van persoonsgegevens met het oog op de uitvoering van diens opdrachten.
   De verantwoordelijken voor de verwerking van persoonsgegevens met toepassing van deel 8 van dit boek zijn, ieder voor wat betreft de verwerkingen die zij voor hun rekening nemen:
   1° de steden en gemeenten;
   2° de OCMW's;
   3° de sociale woonorganisaties.
  [3 De verwerkingsverantwoordelijke in het kader van de toepassing van artikel 3.58 en 3.59 zijn, ieder wat betreft de verwerkingen die zij voor hun rekening nemen:
   1А de steden of gemeenten;
   2А de dienst die door de Vlaamse Regering belast is met het woonbeleid.
   De dienst die door de Vlaamse Regering belast is met het woonbeleid, is de verwerkingsverantwoordelijke in het kader van de toepassing van artikel 3.60.]3

   De verantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens met toepassing van de bepalingen van deel 9 van dit boek is het agentschap dat door de Vlaamse Regering belast wordt met de uitvoering van het woonbeleid.
   De verwerkingsverantwoordelijken, vermeld in deze paragraaf, verduidelijken in hun respectieve privacyverklaringen welke verwerkingen zij voor hun rekening nemen. Zij nemen met het oog op transparantie en de garantie van de rechten van betrokkenen in hun communicatie met deze betrokkenen een verwijzing op naar de vindplaats van hun respectieve privacyverklaringen.
   § 3. De categorieën van persoonsgegevens die kunnen worden verwerkt met toepassing van paragraaf 1 zijn:
   1° persoonlijke identificatiegegevens, waaronder contactgegevens;
   2° rijksregisternummer;
   3° woningkenmerken;
   4° strafrechtelijke gegevens;
   5° gegevens inzake bestuurlijke vervolging en sanctionering.
  [2 6° gegevens die noodzakelijk zijn om na te gaan of de bepalingen die de Vlaamse Regering met toepassing van artikel 3.5 oplegt, worden nageleefd.]2
   De Vlaamse Regering kan de categorieën van persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, nader omschrijven.
   § 4. Voor de verwerking van persoonsgegevens met toepassing van paragraaf 1 geldt een bewaartermijn:
   1° van 10 jaar na het afsluiten van een administratief dossier als vermeld in deel 2 tot en met 8 van dit boek;
   2° van 30 jaar na het afsluiten van een strafrechtelijk dossier als vermeld in deel 9 van dit boek;
   3° zoals bepaald in het Kaderdecreet betreffende de bestuurlijke handhaving van 22 maart 2019 voor wat betreft de bestuurlijke vervolging en beboeting.
  [3 4°van tien jaar nadat het kotlabel, vermeld in artikel 3.59, Ї 2, van deze codex, is vervallen of tien jaar na de beslissing om geen kotlabel toe te kennen;
   5° van een jaar nadat een melding als vermeld in artikel 3.60 van deze codex is geschrapt ]3

   Binnen een jaar na het verstrijken van de termijn, vermeld in het [2 eerste en derde lid]2, worden persoonsgegevens in digitale vorm definitief gewist en papieren documenten die persoonsgegevens bevatten vernietigd.
  [2 De persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, 6А, kunnen bewaard worden tot tien jaar na de stopzetting van de erkenning van een woningcontroleur. De Vlaamse Regering kan voor specifieke persoonsgegevens een kortere bewaartermijn bepalen.]2
   § 5. De betrokkenen bij de verwerking van persoonsgegevens met toepassing van paragraaf 1 zijn:
   1° de houder van het zakelijk recht op de woning;
   2° de huurder;
   3° de verhuurder;
   4° de bewoner;
   5° de personen die betrokken zijn bij het misdrijf, vermeld in boek 3, deel 9, titel 1;
   6° de contactpersonen die zichzelf als dusdanig kenbaar gemaakt hebben.]1

  [2 7° de controleurs, vermeld in artikel 3.5.]2
  
Art. 3.56. [1 § 1. Pour l'application des dispositions du présent livre, des données à caractère personnel sont traitées afin de poursuivre la qualité minimale des logements visée dans la partie 1.
  [3 Par dérogation à l'alinéa 1er, les données à caractère personnel sont traitées afin d'appliquer les conditions et exigences énoncées aux articles 3.58 à 3.60.]3
   § 2. Les responsables du traitement des données à caractère personnel, en application des dispositions visées dans la partie 2 à 7 du présent livre sont :
   1° les villes et les communes, en ce compris les structures de coopération intercommunale, en ce qui concerne les traitements dont elles ont la charge ;
   2° l'agence chargée par le Gouvernement flamand de l'exécution de la politique du logement, en ce qui concerne les traitements dont elle a la charge ;
   3° le Service flamand des Impôts, en ce qui concerne la consultation des données à caractère personnel en vue de l'exécution de ses missions.
   Les responsables du traitement des données à caractère personnel en application de la partie 8 du présent livre, sont, chacun en ce qui concerne les traitements dont ils sont chargés :
   1° les villes et communes ;
   2° les CPAS ;
   3° les organisations de logement social.
   Le responsable du traitement des données à caractère personnel en application des dispositions de la partie 9 du présent livre est l'agence chargée par le Gouvernement flamand de l'exécution de la politique du logement.
  [3 Les responsables du traitement dans le cadre de l'application des articles 3.58 et 3.59 sont, chacun pour ce qui concerne les traitements dont ils ont la charge :
   1° les villes et communes ;
   2° le service chargé par le Gouvernement flamand de la politique du logement.
   Le service chargé par le Gouvernement flamand de la politique du logement est le responsable du traitement dans le cadre de l'application de l'article 3.60.]3

   Les responsables du traitement, visés dans le présent paragraphe, précisent dans leurs déclarations de vie privée respectives les traitements qu'ils prennent en charge. Dans un souci de transparence et de garantie des droits des personnes concernées, ils incluent dans leurs communications avec ces dernières une référence à l'emplacement de leurs déclarations de vie privée respectives.
   § 3. Les catégories de données à caractère personnel qui peuvent être traitées en application du paragraphe 1 sont :
   1° les données d'identification personnelles, dont les coordonnées ;
   2° le numéro de registre national ;
   3° les caractéristiques du logement ;
   4° les données pénales ;
   5° les données en matière de poursuite et de sanction administrative.
  [2 6° les données nécessaires pour vérifier si les dispositions que le Gouvernement flamand impose en application de l'article 3.5 sont respectées. ]2
   Le Gouvernement flamand peut préciser les catégories de données à caractère personnel, visées [2 aux alinéas 1er et 3]2.
   § 4. Le traitement des données à caractère personnel en application du paragraphe 1 est soumis à un délai de conservation :
   1° de 10 ans suivant la clôture d'un dossier administratif visé aux parties 2 à 8 du présent livre ;
   2° de 30 ans suivant la clôture d'un dossier pénal visé à la partie 9 du présent livre ;
   3° selon les dispositions énoncées dans le décret-cadre relatif au maintien administratif du 22 mars 2019 en ce qui concerne la poursuite et la verbalisation administrative.
  [3 4° de dix ans suivant l'expiration du label kot mentionné à l'article 3.59, § 2, du présent code, ou de dix ans suivant la décision de ne pas attribuer de label kot ;
   5° d'un an suivant la suppression d'une notification telle que mentionnée à l'article 3.60 du présent code ]3

   Dans l'année suivant l'expiration du délai visé à l'alinéa 1, les données à caractère personnel électroniques sont définitivement effacées et les documents papier contenant des données à caractère personnel sont détruits.
  [2 Les données à caractère personnel mentionnées dans le paragraphe 3, alinéa 1er, 6°, peuvent être conservées pendant une période maximale de dix ans à compter de la fin de l'agrément d'un contrôleur du logement. Le Gouvernement flamand peut fixer une durée de conservation plus courte pour des données à caractère personnel spécifiques.]2
   § 5. Les personnes impliquées dans le traitement de données à caractère personnel en application du paragraphe 1 sont :
   1° le détenteur du droit réel sur le logement ;
   2° le locataire ;
   3° le bailleur ;
   4° l'occupant ;
   5° les personnes impliquées dans le délit, visé au livre 3, partie 9, titre 1 ;
   6° les personnes de contact qui se sont identifiées comme telles.]1

  [2 7° les contrôleurs visés à l'article 3.5. ]2
  
Art. 3.57. [1 § 1. [2 oor de volgende woningen kan het agentschap dat door de Vlaamse Regering belast is met de uitvoering van het woonbeleid de volgende gegevens publiek ter beschikking stellen:
   1° voor woningen waarvoor een conformiteitsattest als vermeld in artikel 3.6 is aangevraagd of afgegeven;
   2° voor woningen waarvoor een waarschuwingsprocedure als vermeld in artikel 3.10 loopt;
   3° voor woningen waarvoor een procedure tot ongeschikt- en onbewoonbaarverklaring als vermeld in artikel 3.12 loopt, met inbegrip van een beroepsprocedure als vermeld in artikel 3.14 en 3.15;
   4° voor woningen die in de inventaris zijn opgenomen;
   5° voor woningen waarvoor de opname in de inventaris geschorst is conform artikel 3.21, Ї 3.
  [3 6° voor woningen waarvoor een procedure voor de toekenning van een Vlaams kotlabel wordt gevolgd conform artikel 3.59, of die gemeld zijn als studentenhuisvesting conform artikel 3.60.]3
   De gegevens, vermeld in het eerste lid, kunnen digitaal of op een andere wijze aan het publiek ter beschikking worden gesteld. De voormelde terbeschikkingstelling kan de volgende informatie bevatten:
   1° de identificatiegegevens van die woningen, met uitsluiting van identiteitsgegevens van personen;
   2° informatie over het bestaan van een niet-vervallen conformiteitsattest of over het bestaan van een verzoek tot afgifte van een conformiteitsattest;
   3° informatie over het bestaan van een waarschuwing als vermeld in artikel 3.10;
   4° informatie over het bestaan van een actueel besluit om een woning ongeschikt of onbewoonbaar te verklaren of over het bestaan van een procedure tot ongeschikt- en onbewoonbaarverklaring, met inbegrip van een beroepsprocedure als vermeld in artikel 3.14 en artikel 3.15;
   5° informatie over het bestaan van een schorsing van een opname in de inventaris als vermeld in artikel 3.21, Ї 3.
  [3 6А informatie over de aanduiding als studentenhuisvesting;
   7А informatie over het bestaan van het Vlaamse kotlabel met vermelding van de voorwaarden die zijn vervuld en in voorkomend geval informatie over de gemeentelijke voorwaarden met vermelding of die zijn vervuld;
   8А informatie over de weigering om een Vlaams kotlabel toe te kennen met vermelding van de voorwaarden die wel of niet zijn vervuld en in voorkomend geval informatie over de gemeentelijke voorwaarden;
   9А informatie dat de procedure voor de toekenning van een Vlaams kotlabel en in voorkomend geval de procedure voor de gemeentelijke voorwaarden, lopende is.]3

   De terbeschikkingstelling, vermeld in het eerste en tweede lid, is mogelijk voor alle geïnteresseerde of belanghebbende natuurlijke personen, rechtspersonen, organisaties, overheidsinstanties, diensten of andere organen, voor commercieel en niet-commercieel gebruik. Het agentschap, vermeld in het eerste lid, kan voor de terbeschikkingstelling, vermeld in het eerste en tweede lid, een beroep doen op een publieke of private dienstverlener. In dat geval is het voormelde agentschap de verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming, voor de overdracht van de gegevens en is de dienstverlener de verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming, voor het bijhouden en ter beschikking stellen ervan.]2

   § 2. [2 De dienst die door de Vlaamse Regering belast is met het woonbeleid, of een gemeente kan voor de woningen, vermeld in paragraaf 1, ook de volgende documenten ter beschikking stellen van de VMSW en van notarissen en vastgoedmakelaars die betrokken zijn bij de verkoop of de verhuur van een woning:
   1° de besluiten van de burgemeester of de minister om een woning ongeschikt of onbewoonbaar te verklaren;
   2° de resultaten van het conformiteitsonderzoek dat verloopt volgens de procedure, vermeld in artikel 3.3;
   3° een afschrift van een afgegeven conformiteitsattest.
   De terbeschikkingstelling, vermeld in het eerste lid, kan gebeuren via een representatieve beroepsorganisatie, met het oog op de integratie van de gegevens in een digitale omgeving die ze ter beschikking stelt van haar leden.
   De dienst, vermeld in het eerste lid, is verwerkingsverantwoordelijke voor de overdracht van de gegevens. De VMSW, de representatieve beroepsorganisaties, vermeld in het tweede lid, en de ontvangende notarissen en vastgoedmakelaars, zijn verwerkingsverantwoordelijke voor de verdere verwerking ervan. Notarissen en vastgoedmakelaars kunnen de documenten die conform het eerste of tweede lid ter beschikking worden gesteld, op hun beurt ter beschikking stellen van de betrokkenen bij het dossier waarvoor deze notarissen of vastgoedmakelaars de voormelde gegevens opvragen.]2
.
   § 3. Voor de woningen, vermeld in paragraaf 1, kunnen de resultaten van de recentste technische vaststellingen, vermeld in artikel 3.3, door steden en gemeenten of door het agentschap dat door de Vlaamse Regering belast wordt met de uitvoering van het woonbeleid, die als verwerkingsverantwoordelijke optreden, ter beschikking gesteld worden van de houder van het zakelijk recht die niet betrokken was bij de procedure die tot de inventarisatie of tot afgifte van een conformiteitsattest heeft geleid [2 en van iedere persoon die aantoont dat de technische toestand van de woning hem rechtstreeks en persoonlijk in zijn rechtssituatie kan raken]2.]1

  [3 Ї 4. De dienst die door de Vlaamse Regering belast is met het woonbeleid, kan persoonsgegevens die noodzakelijk zijn voor de goede organisatie en opvolging van conformiteitsonderzoeken die verlopen volgens de procedure, vermeld in artikel 3.3, en die worden uitgevoerd door controleurs die erkend zijn conform de bepalingen die de Vlaamse Regering krachtens artikel 3.5, tweede lid, vaststelt, ter beschikking stellen aan private rechtspersonen die de diensten van die controleurs aanbieden. De voormelde private rechtspersonen zijn de verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van de persoonsgegevens die ze ontvangen.
   Ї 5. De dienst die door de Vlaamse Regering belast is met het woonbeleid, kan de persoonsgegevens die ze verwerkt in het kader van de toepassing van artikel 3.60, doorgeven aan de steden en gemeenten voor het opvolgen van het aanbod van studentenhuisvesting. De dienst die door de Vlaamse Regering belast is met het woonbeleid, kan die persoonsgegevens gebruiken voor statistische verwerking en kan ze ter beschikking stellen van andere entiteiten van het beleidsdomein Omgeving voor statistische verwerking. De dienst die door de Vlaamse Regering belast is met het woonbeleid, kan die persoonsgegevens verder verwerken voor doeleinden als vermeld in artikel 1.5 die verenigbaar zijn met de oorspronkelijke doeleinden.]3

  
Art. 3.57. [1 § 1.[2 § 1er. Pour les logements suivants, l'agence chargée par le Gouvernement flamand de l'exécution de la politique du logement peut rendre accessible au public les données suivantes :
   1° pour les logements pour lesquels une attestation de conformité telle que visée à l'article 3.6 a été demandée ou délivrée ;
   2° pour les logements pour lesquels une procédure d'avertissement telle que visée à l'article 3.10 est en cours ;
   3° pour les logements pour lesquels une procédure de déclaration d'inadéquation et d'inhabitabilité, telle que visée à l'article 3.12, est en cours, y compris une procédure de recours telle que visée aux articles 3.14 et 3.15 ;
   4° pour les logements repris dans l'inventaire ;
   5° pour les logements dont l'inscription à l'inventaire est suspendue conformément à l'article 3.21, § 3.
  [3 6° pour les logements pour lesquels une procédure d'octroi d'un label kot flamand est suivie conformément à l'article 3.59, ou qui sont déclarés comme logements pour étudiants conformément à l'article 3.60.]3
   Les données visées à l'alinéa 1er peuvent être mises à disposition du public par voie numérique ou autre. La mise à disposition précitée peut contenir les informations suivantes :
   1° les données d'identification de ces logements, à l'exclusion des données d'identification de personnes ;
   2° des informations relatives à l'existence d'une attestation de conformité non échue ou à l'existence d'une demande de délivrance d'une attestation de conformité ;
   3° des informations relatives à l'existence d'un avertissement tel que visé à l'article 3.10 ;
   4° des informations relatives à l'existence d'une décision en cours déclarant une habitation inadaptée ou inhabitable, ou à l'existence d'une procédure de déclaration d'inadéquation et d'inhabitabilité, y compris une procédure de recours telle que visée aux articles 3.14 et 3.15 ;
   5° des informations relatives à l'existence d'une suspension d'une inscription à l'inventaire, telle que visée à l'article 3.21, § 3.
  [3 6° des informations relatives à la désignation en tant que logement pour étudiants ;
   7° des informations relatives à l'existence du label kot flamand avec mention des conditions qui ont été remplies et, le cas échéant, des informations relatives aux conditions communales en indiquant si elles ont été remplies ;
   8° des informations relatives au refus d'octroyer le label kot flamand avec mention des conditions qui ont été remplies ou non et, le cas échéant, des informations relatives aux conditions communales ;
   9° des informations indiquant que la procédure d'octroi d'un label kot flamand et, le cas échéant, la procédure des conditions communales, est en cours.]3

   La mise à disposition, visée aux alinéas 1er et 2, est possible au profit de toutes les personnes physiques ou morales, organisations, instances publiques, services ou autres organismes intéressés ou en tant que parties prenantes, tant à des fins commerciales que non commerciales. Pour la mise à disposition visée aux alinéas 1er et 2, l'agence visée à l'alinéa 1er peut faire appel à un prestataire de services public ou privé. Dans ce cas, l'agence précitée est le responsable du traitement visé à l'article 4, 7), du règlement général sur la protection des données, en ce qui concerne le transfert des données, et le prestataire de services est le responsable du traitement visé à l'article 4, 7), du règlement général sur la protection des données, en ce qui concerne la conservation et la publication.]2

   § 2.[2 § 2. Pour les logements visés au paragraphe 1er, le service chargé par le Gouvernement flamand de la politique du logement ou une commune peut également mettre les documents suivants à la disposition de la VMSW et des notaires et agents immobiliers impliqués dans la vente ou la location d'un logement :
   1° les décisions du bourgmestre ou du ministre de déclarer un logement inadéquat ou inhabitable ;
   2° les résultats de l'enquête de conformité, qui se déroule suivant la procédure visée à l'article 3.3 ;
   3° une copie du certificat de conformité délivré.
   La mise à disposition visée à l'alinéa 1er peut se faire par le biais d'une organisation professionnelle représentative, en vue de l'intégration des données dans un environnement numérique qu'elle met à la disposition de ses membres.
   Le service visé à l'alinéa 1er est le responsable du traitement pour ce qui est du transfert des données. La VMSW, les organisations professionnelles représentatives visées à l'alinéa 2, et les notaires et agents immobiliers requis sont le responsable du traitement pour ce qui est de leur traitement ultérieur. Les notaires et agents immobiliers peuvent à leur tour mettre les documents mis à disposition conformément à l'alinéa 1er ou 2 à la disposition des personnes impliquées dans le dossier pour lequel ces notaires ou agents immobiliers demandent les données précitées. ]4
   § 3. Pour les logements visés au paragraphe 1 les résultats des constatations techniques les plus récentes, visées à l'article 3.3, peuvent être mis à disposition par les villes et les communes ou par l'agence chargée par le Gouvernement flamand de l'exécution de la politique du logement, agissant en tant que responsable du traitement, du détenteur du droit réel qui n'était pas impliqué dans la procédure d'inventaire ou de délivrance d'une attestation de conformité [2 et de toute personne qui démontre que l'état technique du logement peut l'affecter directement et personnellement dans sa situation juridique]2
.]1

  [3 § 4. Le service chargé par le Gouvernement flamand de la politique du logement peut mettre à la disposition de personnes morales privées qui proposent les services de ces contrôleurs les données à caractère personnel nécessaires à la bonne organisation et au suivi des enquêtes de conformité effectuées conformément à la procédure visée à l'article 3.3 et réalisées par des contrôleurs agréés conformément aux dispositions fixées par le Gouvernement flamand en vertu de l'article 3.5, alinéa 2. Les personnes morales privées susmentionnées sont les responsables du traitement des données à caractère personnel qu'elles reçoivent.
   § 5. Le service chargé par le Gouvernement flamand de la politique du logement peut transmettre les données à caractère personnel qu'il traite dans le cadre de l'application de l'article 3.60 aux villes et communes pour le suivi de l'offre de logements pour étudiants. Le service chargé par le Gouvernement flamand de la politique du logement peut utiliser ces données à caractère personnel pour traitement statistique et les mettre à la disposition d'autres entités du domaine politique de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire. Le service chargé par le Gouvernement flamand de la politique du logement peut effectuer un traitement ultérieur de ces données à caractère personnel aux fins visées à l'article 1.5 qui sont compatibles avec les finalités initiales.]3

  
Deel 11. [1 Kotlabel en melding van studentenhuisvesting]1
Partie 11. [1 Label kot et notification de logement pour étudiants ]1
Art. 3.58. [1 In dit deel wordt verstaan onder:
   1А student: iedere persoon die ingeschreven is bij een instelling die voltijds onderwijs aanbiedt;
   2А studentenhuisvesting: elke woning die verhuurd wordt of te huur of ter beschikking gesteld wordt met het oog op de huisvesting van een of meer studenten.]1

  
Art. 3.58. [1 Dans la présente partie, on entend par :
   1° étudiant : toute personne inscrite dans un établissement d'enseignement à temps plein ;
   2° logement pour étudiants : tout logement loué, mis en location ou mis à disposition dans le but de loger un ou plusieurs étudiants. ]1

  
Art. 3.59. [1 Ї 1. De gemeenteraad kan bij verordening:
   1А bepalen dat een studentenhuisvesting het kotlabel, vermeld in paragraaf 2, kan krijgen;
   2А het kotlabel, vermeld in paragraaf 2, verplichten om een studentenhuisvesting te verhuren of ter beschikking te stellen.
   De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de gemeentelijke verordeningen, vermeld in het eerste lid.
   Ї 2. Een kotlabel toont aan dat een studentenhuisvesting aan al de volgende voorwaarden voldoet:
   1А de elementaire veiligheids-, gezondheids- en woonkwaliteitsvereisten, vermeld in artikel 3.1 van deze codex, en, in voorkomend geval, de strengere veiligheids- en kwaliteitsnormen die de gemeenteraad kan opleggen conform artikel 3.2, eerste lid, 2А, van deze codex;
   2А de vereisten van brandveiligheid van woningen;
   3А het aantal woongelegenheden is vergund of vergund geacht conform de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009.
   De Vlaamse Regering bepaalt de procedure om een kotlabel als vermeld in het eerste lid, aan te vragen, te behandelen en toe te kennen. De Vlaamse Regering bepaalt de geldigheidsduur van het kotlabel, vermeld in het eerste lid, het uitzicht ervan, en op welke wijze het wordt bekendgemaakt. De gemeente kan nadere regels bepalen.
   Ї 3. Als de gemeenteraad een verordening als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, heeft, kan ze bijkomende voorwaarden opleggen, die geen afbreuk doen aan het kotlabel, vermeld in paragraaf 2, eerste lid. ]1

  
Art. 3.59. [1 § 1er. Par voie d'ordonnance, le conseil communal peut :
   1° déterminer qu'un logement pour étudiants peut recevoir le label kot visé au paragraphe 2 ;
   2° imposer le label kot, visé au paragraphe 2, pour mettre en location ou à disposition un logement pour étudiants.
   Le Gouvernement flamand peut arrêter des modalités relatives aux ordonnances communales visées à l'alinéa 1er.
   § 2. Un label kot atteste que le logement pour étudiants remplit toutes les conditions suivantes :
   1° les exigences élémentaires en matière de sécurité, de santé et de qualité de l'habitat mentionnées à l'article 3.1 du présent code et, le cas échéant, les normes de sécurité et de qualité plus strictes que le conseil communal peut imposer conformément à l'article 3.2, alinéa 1er, 2°, du présent code ;
   2° les exigences de sécurité incendie dans les habitations ;
   3° le nombre de logements est autorisé ou réputé autorisé conformément au Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009.
   Le Gouvernement flamand détermine la procédure de demande, de traitement et d'octroi du label kot visé à l'alinéa 1er. Le Gouvernement flamand détermine la durée de validité du label kot visé à l'alinéa 1er, son aspect et les modalités de sa publication. La commune peut fixer des modalités plus précises.
   § 3. Si le conseil communal dispose d'une ordonnance telle que mentionnée au paragraphe 1er, alinéa 1er, il peut imposer des conditions supplémentaires, qui ne portent pas atteinte au label kot visé au paragraphe 2, alinéa 1er.]1

  
Art. 3.60. [1 Elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een studentenhuisvesting verhuurt of te huur of ter beschikking stelt, meldt dat. De voormelde persoon kan melden dat de studentenhuisvesting niet langer wordt verhuurd of ter beschikking wordt gesteld. De Vlaamse Regering werkt de voormelde meldingsplicht verder uit.]1
  
Art. 3.60. [1 Toute personne physique ou morale qui met en location ou à disposition un logement pour étudiants doit le notifier. La personne susmentionnée peut notifier que le logement pour étudiants n'est plus mis en location ou à disposition. Le Gouvernement flamand élabore plus avant l'obligation de notification susmentionnée.]1
  
Boek 4. Woonactoren
Livre 4. Acteurs du logement
Deel 1. Sociale woonorganisaties
Partie 1. Organisations de logement social
Titel 1. Gemeenschappelijke bepalingen
Titre 1. Dispositions communes
Art. 4.1. De sociale woonorganisaties streven de realisatie van het recht op wonen na door hun activiteiten in te passen in de bijzondere doelstellingen, opgenomen in artikel 1.6.
  Ze voeren alle verrichtingen uit die uitdrukkelijk verband houden met hun opdracht en met de andere aspecten van het sociale woonbeleid, waaraan ze krachtens een decreet of een besluit van de Vlaamse Regering moeten of kunnen meewerken.
Art. 4.1. Les organisations de logement social poursuivent la réalisation du droit au logement en inscrivant leurs activités dans les objectifs spéciaux énoncés à l'article 1.6.
  Ils exécutent toutes les opérations explicitement liées à leur mission et aux autres aspects de la politique du logement social, auxquels ils doivent ou peuvent contribuer en vertu d'un décret ou d'un arrêté du Gouvernement flamand.
Art. 4.1 /1.[1 [3 [4 Als een initiatiefnemer als vermeld in artikel 4.13 zakelijke rechten afstaat op een sociale huurwoning of een geconventioneerde huurwoning, herinvesteert hij de venale waarde van de sociale huurwoning of de geconventioneerde huurwoning in de sociale huisvestingssector. Als een initiatiefnemer als vermeld in artikel 4.13 een sociale huurwoning, met uitzondering van de ingehuurde woningen, vermeld in artikel 4.40, 4А, niet langer verhuurt volgens boek 6, herinvesteert hij de venale waarde van de sociale huurwoning in de sociale huisvestingssector, tenzij de woning leegstaat in afwachting van renovatie of sloop.]4.]3
   De initiatiefnemer komt de herinvesteringsverplichting, vermeld in het eerste lid, na binnen een termijn van maximaal vijf jaar,[4 vanaf de dag waarop hij de sociale huurwoning niet langer verhuurt volgens de bepalingen van boek 6]4[3 of vanaf de dag waarop hij de geconventioneerde huurwoning of de betaalbare studentenkamer niet langer verhuurt volgens dit decreet]3. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop aan de herinvesteringsverplichting wordt voldaan.
   De initiatiefnemer die beslist om een sociale huurwoning die gefinancierd is met subsidies of gesubsidieerde leningen niet langer te verhuren volgens de bepalingen van boek 6, op een ogenblik dat de verbintenissentermijn nog niet is verstreken, is, in afwijking van de geldende subsidieregelingen, niet gehouden tot terugbetaling van de subsidies die werden verleend voor die woning als aan de herinvesteringsverplichting, vermeld in het eerste lid, is voldaan.[4 De woonmaatschappij die beslist om een betaalbare studentenkamer die gefinancierd is met subsidies of gesubsidieerde leningen niet langer te verhuren volgens dit decreet, op een ogenblik dat de verbintenissentermijn nog niet is verstreken, is, in afwijking van de geldende subsidieregelingen, niet gehouden tot terugbetaling van de subsidies die werden verleend voor die studentenkamer als aan de herinvesteringsverplichting, vermeld in het eerste lid, is voldaan.]4 De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de initiatiefnemer aantoont dat aan de herinvesteringsverplichting, vermeld in het eerste lid, is voldaan teneinde niet tot terugbetaling van de subsidie te zijn gehouden.
   Tegen de oplegging van een administratieve geldboete overeenkomstig artikel 4.89 en 4.90 wegens de niet-naleving van de herinvesteringsverplichting, staat beroep open op de wijze door de Vlaamse Regering bepaald, binnen een termijn van dertig dagen na kennisgeving door de toezichthouder.]1

  
Art. 4.1 /1.[1 [3 [4 Si un initiateur tel que visé à l'article 4.13 cède des droits réels sur un logement locatif social ou un logement locatif conventionné, il réinvestit la valeur vénale du logement locatif social ou du logement locatif conventionné dans le secteur du logement social. Si un initiateur tel que visé à l'article 4.13 ne loue plus un logement locatif social, à l'exception des logements loués visés à l'article 4.40, 4°, selon le livre 6, il réinvestit la valeur vénale du logement locatif social dans le secteur du logement social, à moins que le logement ne soit inoccupé dans l'attente de sa rénovation ou de sa démolition.]4.]3
   L'initiateur satisfait à l'obligation de réinvestissement visée à l'alinéa 1 dans un délai maximum de cinq ans,[4 à compter du jour où il ne loue plus le logement locatif social selon les dispositions du livre 6]4 Le Gouvernement flamand arrête les modalités selon lesquelles il doit être satisfait à l'obligation de réinvestissement.
   L'initiateur qui prend la décision de ne plus louer, selon les dispositions du livre 6, un logement locatif social financé avec des subventions ou des prêts subventionnés durant la période d'engagement, par dérogation aux régimes de subvention en vigueur, n'est pas tenu au remboursement des subventions octroyées pour ce logement s'il satisfait à l'obligation de réinvestissement visée à l'alinéa 1.[3 La société de logement qui décide de ne plus louer une chambre d'étudiant abordable financée par des subventions ou des prêts subventionnés en vertu du présent décret, alors que la période d'engagement n'a pas encore expiré, n'est pas tenue, par dérogation aux régimes de subventionnement en vigueur, de rembourser les subventions qui ont été accordées pour cette chambre d'étudiant si l'obligation de réinvestissement visée à l'alinéa 1er, a été respectée.]3 Le Gouvernement flamand fixe les modalités selon lesquelles l'initiateur démontre qu'il satisfait à l'obligation de réinvestissement visée à l'alinéa 1 afin de ne pas être tenu au remboursement de la subvention.
   La décision d'infliger une amende administrative conformément aux articles 4.89 et 4.90 pour non-respect de l'obligation de réinvestissement peut faire l'objet d'un recours introduit selon les modalités arrêtées par le Gouvernement flamand dans un délai de trente jours suivant la notification du contrôleur.]1

  
Art. 4.1 /2. [1 In afwijking van artikel 4.1/1, eerste lid, geldt de herinvesteringsplicht niet als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
   1° de sociale huurwoning voldoet niet aan de vereisten, vermeld in artikel 3.1;
   2° de initiatiefnemer als vermeld in artikel 4.13 geeft de sociale huurwoning in erfpacht;
   3° de erfpachtovereenkomst bevat geen aankooprecht of aankoopoptie;
   4° de erfpachtnemer verbindt zich ertoe om de woning te renoveren zodat ze voldoet aan de vereisten, vermeld in artikel 3.1;
   5° de erfpachtnemer verbindt zich ertoe om de gerenoveerde woning, vermeld in punt 4А, te verhuren aan de woonmaatschappij van het werkingsgebied waarin de woning ligt;
   6° de woonmaatschappij, vermeld in punt 5А, verbindt zich ertoe de gerenoveerde woning, vermeld in punt 4А, in te huren en te verhuren overeenkomstig haar opdracht, vermeld in artikel 4.40, 4А ;
   7° de aanvullende voorwaarden die de Vlaamse Regering kan bepalen.
   Aan de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 4А, is ook voldaan als de woning wordt afgebroken en op hetzelfde perceel een nieuwe woning wordt opgericht.]1

  
Art. 4.1 /2. [1 Par dérogation à l'article 4.1/1, alinéa 1er, l'obligation de réinvestissement ne s'applique pas si toutes les conditions suivantes sont remplies :
   1° le logement locatif social ne satisfait aux exigences énoncées à l'article 3.1 ;
   2° l'initiateur tel que visé à l'article 4.13 cède le logement locatif social en emphytéose ;
   3° le bail emphytéotique ne comporte pas de droit d'achat ou d'option d'achat ;
   4° l'emphytéote s'engage à rénover le logement te pour qu'il satisfasse aux exigences énoncées à l'article 3.1 ;
   5° l'emphytéote s'engage à louer le logement rénové visé au point 4° à la société de logement de la zone d'activité dans laquelle le logement se trouve ;
   6° la société de logement visée au point 5° s'engage à louer et mettre en location le logement rénové visé au point 4° conformément à sa mission visée à l'article 4.40, 4° ;
   7° les conditions complémentaires que le Gouvernement flamand peut fixer.
   Il est également satisfait à la condition visée à l'alinéa 1er, 4°, si le logement est démoli et qu'un nouveau logement est construit sur la même parcelle.]1

  
Art. 4.2. § 1. Op voorstel van [1 de dienst die door de Vlaamse Regering belast is met het woonbeleid]1 en na overleg met vertegenwoordigers van de sociale woonorganisaties en van de steden en gemeenten stelt de Vlaamse Regering normen en bouwtechnische en conceptuele richtlijnen vast voor de bouw, de renovatie, de verbetering en de aanpassing van sociale woningen [2 ...]2 en de aanleg of aanpassing van wooninfrastructuur voor sociale woonprojecten.
  Op verzoek van een initiatiefnemer of op eigen initiatief brengt [1 de dienst die door de Vlaamse Regering belast is met het woonbeleid]1 een advies uit over het al dan niet overeenstemmen van verrichtingen die deel uitmaken van sociale woonprojecten met de normen en richtlijnen, vermeld in het eerste lid. Onder de voorwaarden en volgens de procedure die de Vlaamse Regering bepaalt, kan [1 de dienst die door de Vlaamse Regering belast is met het woonbeleid]1 op dossierniveau afwijkingen van de richtlijnen toestaan.
  § 2. Er wordt een kwaliteitskamer opgericht. De kwaliteitskamer neemt beslissingen over verzoeken om los van een concreet project afwijkingen toe te staan van de richtlijnen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, en over beroepen tegen ongunstige adviezen van [1 de dienst die door de Vlaamse Regering belast is met het woonbeleid]1, overeenkomstig paragraaf 1, tweede lid. De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast voor de samenstelling, organisatie en werking van de kwaliteitskamer.
  [1 § 3. De dienst die door de Vlaamse Regering belast is met het woonbeleid beoordeelt de conformiteit met de voor de woonmaatschappijen geldende prijs- en kwaliteitsnormen van woningen die door private actoren worden opgericht in het kader van een koop-verkoopovereenkomst met een woonmaatschappij, die de woningen na de overname zal verhuren als sociale huurwoningen of overdragen als sociale koopwoningen.]1
  
Art. 4.2. § 1. Sur proposition de [1 le service chargé par le Gouvernement flamand de la politique du logement]1 et après consultation des représentants des organisations de logement social et des villes et communes, le Gouvernement flamand fixe des normes et des directives techniques et conceptuelles pour la construction, la rénovation, l'amélioration et l'adaptation des logements sociaux [2 ...]2 et l'aménagement ou l'adaptation de l'infrastructure de logement pour les projets de logement social.
  À la demande d'un initiateur ou de sa propre initiative, [1 le service chargé par le Gouvernement flamand de la politique du logement]1 émet un avis sur la conformité ou non des opérations dans le cadre de projets de logement social aux normes et aux directives visées au premier alinéa. Dans les conditions et selon la procédure déterminées par le Gouvernement flamand, [1 le service chargé par le Gouvernement flamand de la politique du logement]1 peut accorder, par dossier, des dérogations aux directives.
  § 2. Il est créé une chambre de qualité. La chambre de qualité statue sur les demandes d'accorder, indépendamment d'un projet concret, des dérogations aux lignes directives visées au paragraphe 1, premier alinéa, et sur les recours contre les avis défavorables de [1 le service chargé par le Gouvernement flamand de la politique du logement]1, conformément au paragraphe 1, alinéa deux. Le Gouvernement flamand précise les modalités de la composition, de l'organisation et du fonctionnement de la chambre de qualité.
  [1 § 3. Le service chargé par le Gouvernement flamand de la politique du logement évalue la conformité aux normes de prix et de qualité applicables aux sociétés de logement social des logements créés par des acteurs privés dans le cadre d'un contrat de vente-achat avec une société de logement social qui, après leur reprise, louera les logements comme logements locatifs sociaux ou les cédera comme logements acquisitifs sociaux.]1
  
Art. 4.3. Wanneer de uitvoering van een verrichting, bedoeld in dit deel, de ontruiming van woningen vereist, is de initiatiefnemer verplicht de bewoners die voldoen aan de voorwaarden die worden vastgesteld op grond van boek 6, deel 4, en de bewoners van een woning die toebehoort aan een sociale woonorganisatie of de initiatiefnemer te herhuisvesten onder de door de Vlaamse Regering gestelde voorwaarden.
Art. 4.3. Lorsque l'exécution d'une opération, telle que visée dans la présente partie, nécessite l'évacuation de logements, l'initiateur est tenu de reloger, dans les conditions fixées par le Gouvernement flamand, les occupants qui remplissent les conditions fixées sur la base du livre 6, partie 4, et les occupants d'un logement appartenant à une organisation de logement social ou à l'initiateur.
Art. 4.4. De sociale woonorganisaties verstrekken op eigen initiatief of op verzoek alle nuttige informatie aan de Vlaamse Regering.
  De sociale woonorganisaties zijn onderworpen aan de decretale bepalingen inzake passieve openbaarheid die in uitvoering van artikel 32 van de Grondwet in het Vlaamse Gewest van toepassing zijn. De sociale woonorganisaties behandelen klachten overeenkomstig de bepalingen van titel II, hoofdstuk 5, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018. Ze zijn eveneens onderworpen aan de bepalingen van het decreet van 7 juli 1998 houdende instelling van de Vlaamse Ombudsdienst.
Art. 4.4. Les organisations de logement social fournissent de leur propre initiative ou sur demande toute information utile au Gouvernement flamand.
  Les organisations de logement social sont soumises aux dispositions décrétales en matière de publicité passive applicable en Région flamande en vertu de l'article 32 de la Constitution. Les organisations de logement social traitent les plaintes conformément aux dispositions du titre II, chapitre 5 du Décret de Gouvernance du 7 décembre 2018. Elles sont également soumises aux dispositions du décret du 7 juillet 1998 instaurant le service de médiation flamand.
Art. 4.5. Voor de opmaak van schattingsverslagen, in het kader van onroerende transacties krachtens deze codex, doen sociale woonorganisaties een beroep op een van de hierna volgende personen of instanties:
  1° [3 een schatter-onderhandelaar]3 van de Vlaamse Belastingdienst die bevoegd is voor schattingen;
  2° een notaris;
  3° een landmeter-expert, na gezamenlijk akkoord over de schatter;
  4° [2 een ambtenaar die gemachtigd is door de dienst die door de Vlaamse Regering belast is met het woonbeleid, als die dienst zelf geen partij is bij de onroerende transactie waarvoor het schattingsverslag wordt opgemaakt]2.
  De raming van de waarde van een onroerend goed door een persoon of instantie als vermeld in het eerste lid, 1° [1 , primeert op de raming van een onroerend goed door een persoon of instantie als vermeld in het eerste lid, 2°, 3° en 4°]1.
  
Art. 4.5. Pour l'établissement de rapports d'expertise, dans le cadre de transactions immobilières en vertu du présent code, les organisations de logement social font appel à une des personnes ou instances suivantes :
  1° [3 un estimateur-négociateur]3 du Service flamand des Impôts qui est compétent pour les estimations ;
  2° un notaire ;
  3° un géomètre-expert, après accord commun sur l'estimateur ;
  4° [2 un fonctionnaire autorisé par le service chargé par le Gouvernement flamand de la politique du logement, lorsque ce service n'est pas lui-même partie à la transaction immobilière pour laquelle le rapport d'expertise est établi]2.
  L'estimation de la valeur d'un bien immeuble par une personne ou instance visée à l'alinéa premier, 1° [1 , prime sur l'estimation d'un bien immeuble par une personne ou instance visée à l'alinéa 1, 2°, 3° et 4°]1.
  
Art. 4.6. De Vlaamse Regering waakt erover dat:
  1° de verrichtingen van de sociale woonorganisaties worden gecoördineerd met en geïntegreerd in het Vlaamse en gemeentelijke woonbeleid;
  2° de sociale woonorganisaties in hun werking rekening houden met de bijzondere doelstellingen van het woonbeleid, vermeld in artikel 1.6, en samenwerken, zowel onderling als met andere instanties die lokaal actief zijn inzake wonen;
  3° de sociale woonorganisaties hun opdrachten uitvoeren.
  [1 Er wordt een databank met informatie over de prestaties van de sociale woonorganisaties en andere door de Vlaamse Regering erkende instanties opgebouwd. De Vlaamse Regering bepaalt de opzet, de inhoud, de raadpleging, het gebruik en de verkrijging van de verwerkte gegevens van de databank.]1
  
Art. 4.6. Le Gouvernement flamand veille à ce que :
  1° les opérations des organisations de logement social soient coordonnées avec et intégrées dans la politique du logement flamande et communale ;
  2° les organisations de logement social tiennent compte dans leur fonctionnement des objectifs spécifiques de la politique du logement, visés à l'article 1.6, et coopèrent, tant mutuellement qu'avec d'autres instances qui sont actives au niveau local dans le domaine du logement ;
  3° les organisations de logement social exécutent leurs missions.
  [1 Il est créé une base de données contenant des informations sur les prestations des organisations de logement social et d'autres instances agréées par le Gouvernement flamand. Le Gouvernement flamand définit le but, le contenu, la consultation, l'utilisation et l'obtention des données traitées de la base de données.]1
  
Titel 2. Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen
Titre 2. Société flamande du Logement social
Hoofdstuk 1. Oprichting en organisatie
Chapitre 1. Création et organisation
Art. 4.7. Een Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen, hierna VMSW te noemen, wordt opgericht als een publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap als vermeld in artikel III.7, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018, hierna het Bestuursdecreet te noemen.
  De VMSW heeft rechtspersoonlijkheid en zal, zonder haar burgerlijk karakter te verliezen, in de vorm van een naamloze vennootschap worden opgericht. De VMSW is de rechtsopvolger van de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij, opgericht bij het decreet van 21 december 1988 houdende oprichting van de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij.
  De rechtspositie van de VMSW wordt geregeld door het Bestuursdecreet, deze codex en haar statuten. De bepalingen van [1 het Wetboek van vennootschappen en verenigingen]1 met betrekking tot de naamloze vennootschappen zijn van toepassing op de VMSW voor alles wat niet geregeld is door het Bestuursdecreet, door deze codex, door de wetten en decreten die voor het Vlaamse Gewest en de eronder ressorterende instellingen een regeling inzake begroting, boekhouding, organisatie van de controle en controle op subsidies invoeren, of door haar statuten, en dit voorzover die bepalingen met betrekking tot de naamloze vennootschappen niet in strijd zijn met voormelde decretale of wettelijke regelingen.
  [1 Het Vlaamse Gewest beschikt op elk moment over het gehele kapitaal van de VMSW.]1
  De statuten van de VMSW worden vastgesteld in een authentieke akte houdende omvorming van de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij tot het extern verzelfstandigd agentschap Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen. De statuten worden ter goedkeuring aan de Vlaamse Regering voorgelegd. Ze kunnen alleen worden gewijzigd met goedkeuring van de Vlaamse Regering.
  
Art. 4.7. Une Société flamande de Logement social, ci-après appelée VMSW, est créée en tant qu'agence autonomisée externe de droit public telle que visée à l'article III. 7 du Décret de gouvernance du 7 décembre 2018, ci-après appelé le Décret de gouvernance.
  La VSMW est dotée de la personnalité juridique et sera créée sous forme d'une société anonyme, sans perdre son caractère civil. La VMSW est successeur légal de la Société flamande du Logement, créée par décret du 21 décembre 1988 portant création de la Société flamande du Logement.
  Le statut juridique de la VMSW est réglé par le Décret de gouvernance, par le présent code et par ses statuts. Les dispositions [1 du Code des sociétés et associations]1 relatives aux société anonymes s'appliquent à la VMSW pour tout ce qui n'est pas réglé par le Décret de gouvernance, le présent code, les lois et décrets instaurant pour la Région flamande et les institutions qui en relèvent un règlement en matière de budget, de comptabilité, d'organisation du contrôle et de contrôle des subventions, ou par ses statuts, et ce pour autant que ces dispositions relatives aux sociétés anonymes ne soient pas contradictoires aux règlements décrétaux ou légaux précités.
  [1 La Région flamande dispose à tout moment de l'intégralité du capital de la VMSW]1.
  Les statuts de la VMSW sont fixés dans un acte authentique portant conversion de la Société flamande du Logement en l'agence autonomisée externe Société flamande du Logement social. Les statuts sont soumis à l'approbation du Gouvernement flamand. Ils ne peuvent être modifiés qu'avec l'approbation du Gouvernement flamand.
  
Art. 4.8. [1 De VMSW wordt bestuurd door een raad van bestuur. De raad van bestuur telt drie leden, waaronder een voorzitter. In afwijking van artikel III.10 en III.44 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 bestaat de raad van bestuur van rechtswege en voor onbepaalde duur uit de volgende leden:
   1° de leidend ambtenaar van de dienst die door de Vlaamse Regering belast is met het woonbeleid. Hij is de voorzitter;
   2° twee personeelsleden van de dienst die door de Vlaamse Regering belast is met het woonbeleid. De Vlaamse Regering bepaalt het functieprofiel van die personeelsleden.
   De leden van de raad van bestuur ontvangen geen vergoeding voor hun mandaat als lid van de raad van bestuur.
   In afwijking van artikel III.40 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 worden in de raad van bestuur van de VMSW geen onafhankelijke bestuurders aangesteld.
   Met behoud van de toepassing van artikel III.12 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 is het mandaat van bestuurder onverenigbaar met de hoedanigheid van voorzitter, bestuurder of titularis van een leidinggevende functie in een andere sociale woonorganisatie.
   Behoudens indien dit bij wet, decreet of in de statuten wordt uitgesloten, kan de raad van bestuur zijn bevoegdheden delegeren aan één of meer van zijn leden of aan de personeelsleden van de dienst die door de Vlaamse Regering belast is met het woonbeleid, die de opdrachten van de VMSW uitvoeren conform artikel 4.9 van deze codex.
   In afwijking van artikel III.9 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 wordt geen gedelegeerd bestuurder of een hoofd van het agentschap aangesteld.]1

  
Art. 4.8. [1 La VMSW est administrée par un conseil d'administration Le conseil d'administration compte au trois membres dont un président. Par dérogation aux articles III.10 et III.44 du décret de gouvernance du 7 décembre 2018, le conseil d'administration est composé, de droit et pour une durée indéterminée, des membres suivants :
   1° le fonctionnaire dirigeant du service chargé par le Gouvernement flamand de la politique du logement. Il est le président ;
   2° deux membres du personnel du service chargé par le Gouvernement flamand de la politique du logement. Le Gouvernement flamand définit le profil de fonction de ces membre du personnel.
   Les membres du conseil d'administration ne reçoivent aucune rémunération pour leurs mandats de membres du conseil d'administration.
   Par dérogation à l'article III.40 du décret gouvernance du 7 décembre 2018, aucun administrateur indépendant ne sera nommé au conseil d'administration de la VMSW.
   Sans préjudice de l'application de l'article III.12 du Décret de gouvernance du 7 décembre 2018, le mandat d'administrateur est incompatible avec la qualité de président, d'administrateur ou de titulaire d'une fonction de direction dans une autre organisation de logement social.
   Sauf si la loi, le décret ou les statuts l'excluent, le conseil d'administration peut déléguer ses pouvoirs à un ou plusieurs de ses membres ou aux membres du personnel du service chargé par le Gouvernement flamand de la politique du logement, qui exécuteront les missions de la VMSW conformément à l'article 4.9 du présent code.
   Par dérogation à l'article III.9 du Décret de gouvernance du 7 décembre 2018, il n'est pas procédé à la nomination d'un administrateur délégué ou d'un chef de l'agence.]1

  
Art. 4.9. [1 De dienst die door de Vlaamse Regering belast is met het woonbeleid voert de opdrachten uit die door of ter uitvoering van deze codex of andere decreten worden toevertrouwd aan de VMSW.
   In afwijking van artikel III.61, § 1, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 stelt de Vlaamse Regering, op voorstel van het hoofd van de dienst die door de Vlaamse Regering is belast met het woonbeleid, een gezamenlijk ondernemingsplan vast voor die dienst en de VMSW.
   In afwijking van artikel III.62, eerste lid, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 wordt jaarlijks een rapport opgesteld over de uitvoering van het ondernemingsplan conform het tweede lid.]1

  
Art. 4.9. [1 Le service chargé par le Gouvernement flamand de la politique du logement exécute les missions confiées à la VMSW par ou en exécution du présent Code ou d'autres décrets.
   Par dérogation à l'article III.61, § 1, du décret de gouvernance du 7 décembre 2018, le Gouvernement flamand adopte, sur proposition du chef du service chargé par le Gouvernement flamand de la politique du logement, un plan d'entreprise commun à ce service et à la VMSW.
   Par dérogation à l'article III.62, alinéa 1, du décret de gouvernance du 7 décembre 2018, un rapport annuel sur la mise en oeuvre du plan d'entreprise est établi conformément à l'alinéa 2.]1

  
Art. 4.10. De Vlaamse Regering bepaalt tot welk homogeen beleidsdomein de VMSW behoort.
Art. 4.10. Le Gouvernement flamand détermine le domaine politique homogène dont relève la VMSW.
Art. 4.11. De duur van de VMSW is onbepaald. Tot de ontbinding van de VMSW kan alleen bij decreet worden besloten. Dat decreet bepaalt tevens de wijze en de voorwaarden van vereffening.
Art. 4.11. La durée de la VMSW est indéterminée. La VMSW ne peut être dissoute que par un décret. Ce décret fixe également le mode et les conditions de liquidation.
Art. 4.12. De VMSW is ertoe gemachtigd deel te nemen aan de pensioenregeling, ingesteld bij de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut, alsmede van hun rechthebbenden.
Art. 4.12. La VMSW est autorisée à participer au régime de pensions instauré par la loi du 28 avril 1958 relative à la pension des membres du personnel de certains organismes d'intérêt public et de leurs ayants droit.
Hoofdstuk 2. Opdrachten
Chapitre 2. Missions
Art. 4.13. [1 De VMSW wordt belast met de uitvoering van het investeringsprogramma, vermeld in artikel 2.22, § 1. Hiertoe ondersteunt ze de sociale woonorganisaties, gemeenten, intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, OCMW's en welzijnsverenigingen op financieel en ICT-vlak bij de realisatie van woonprojecten en bij het kwaliteitsgerichte en kostprijsbewuste beheer van hun woningpatrimonium, voor zover die actoren in hun werking rekening houden met de bijzondere doelstellingen van het woonbeleid, vermeld in artikel 1.6.]1
  
Art. 4.13. [1 La VMSW est chargée de l'exécution du programme d'investissement visé à l'article 2.22, § . 1. A cette fin, elle soutient les organisations de logement social, les communes, les partenariats intercommunaux, les CPAS et les associations d'aide sociale, dans la réalisation des projets de logement social et dans la gestion de leur patrimoine de logement, axée sur la qualité et les coûts, pour autant que les acteurs précités tiennent compte dans leur fonctionnement des objectifs particuliers de la politique du logement mentionnés à l'article 1.6.]1
  
Art. 4.14. De VMSW wordt belast met de uitvoering van een of meer opdrachten als vermeld in artikel 49, § 3, 3°, van het decreet van 25 juni 1992 houdende diverse bepalingen tot begeleiding van de begroting 1992. Daartoe kan de Vlaamse Regering een overeenkomst met de VMSW sluiten waarin de voorwaarden worden bepaald. De VMSW kan voor de uitvoering van deze opdrachten jaarlijks een kostenvergoeding ontvangen lastens de begroting van het Vlaamse Gewest.
Art. 4.14. La VMSW est chargée de l'exécution d'une ou plusieurs missions visées à l'article 49, § 3, 3° du décret du 25 juin 1992 contenant diverses dispositions d'accompagnement du budget 1992. À cette fin, le Gouvernement flamand peut conclure un accord avec la VMSW pour en définir les conditions. La VMSW peut recevoir, à charge du budget de la Région flamande, une indemnisation annuelle pour l'exécution de ces missions.
Art. 4.15. [1 § 1. De VMSW heeft de opdracht om voor de realisatie van het grond- en woonbeleid in Vlaams-Brabant renteloze leningen toe te staan aan Vlabinvest apb, opgericht bij artikel 1 van het besluit van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 22 oktober 2013.
   Vlabinvest apb wendt de leningen, vermeld in het eerste lid, uitsluitend aan voor de realisatie van zijn opdracht als vermeld in artikel 3 van het besluit van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 22 oktober 2013 op de volgende wijzen:
   1° voor de financiering van bouwverrichtingen die door Vlabinvest apb zelf worden gerealiseerd;
   2° voor het toestaan van leningen voor de financiering van bouwverrichtingen aan initiatiefnemers, waaronder:
   a) een woonmaatschappij;
   b) een gemeente of een intergemeentelijk samenwerkingsverband;
   c) een OCMW en een vereniging als vermeld in deel 3, titel 4, hoofdstuk 2, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur;
   d) het VWF;
   e) de provincie Vlaams-Brabant.
   De Vlaamse Regering bepaalt de verdere algemene voorwaarden waaronder de leningen, vermeld in het eerste lid, worden toegestaan aan Vlabinvest apb.
   De VMSW keert de ontvangen intresten op leningen die vóór 1 januari 2014 zijn verstrekt door het Investeringsfonds voor Grond- en Woonbeleid voor Vlaams- Brabant en die ze in de loop van een kalenderjaar ontvangt, op 31 december van hetzelfde kalenderjaar uit als subsidie aan Vlabinvest apb.
   De VMSW kan Vlabinvest apb ondersteunen bij de beoordeling van de te financieren bouwverrichtingen, vermeld in het tweede lid, en kan in ruil daarvoor een vergoeding overeenkomen. Die vergoeding kan de VMSW aanwenden voor haar werkingskosten.
   § 2. Voor het toestaan van renteloze leningen aan Vlabinvest apb, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, wordt jaarlijks een verbintenissenmachtiging in de algemene uitgavenbegroting ingeschreven die beperkt is tot de som van:
   1° de jaarlijkse en forfaitaire verbintenissenmachtiging van 3.856.000 euro, met ingang van begrotingsjaar 2021 jaarlijks minstens aan te passen met de indexatieparameters die in de begroting van het Vlaamse Gewest worden gehanteerd;
   2° een variabele verbintenissenmachtiging ten belope van de som van de ontvangen terugbetalingen van de leningen:
   a) verstrekt aan initiatiefnemers vóór 1 januari 2014 door het Investeringsfonds voor Grond- en Woonbeleid voor Vlaams-Brabant, met uitzondering van de verschuldigde intresten op die leningen;
   b) verstrekt aan Vlabinvest apb vanaf 1 januari 2014 door het Vlaams Financieringsfonds voor Grond- en Woonbeleid voor Vlaams-Brabant;
   c) verstrekt aan Vlabinvest apb door de VMSW ter uitvoering van dit artikel;
   3° het op 31 december van het vorige begrotingsjaar resterend gedeelte van het naar een verbintenissenmachtiging omgezette niet-belaste saldo van niet-aangewende middelen door het Vlaams Financieringsfonds voor Grond- en Woonbeleid voor Vlaams-Brabant op 31 december 2022. Het niet-belaste saldo van de niet-aangewende middelen omvat de liquide middelen en de nog te vorderen dotaties, en de ander werkelijke ontvangsten en uitgaven die op de begrotingsuitvoering van het begrotingsjaar 2022 werden aangerekend, maar die eind 2022 nog moeten worden betaald, verminderd met het nog niet opgenomen gedeelte van de leningen die voor 1 januari 2023 bij overeenkomst werden toegezegd;
   4° het niet-aangewende saldo van de verbintenissenmachtigingen van het voorgaande begrotingsjaar, vermeld in punt 1° en 2°.]1

  
Art. 4.15. [1 § 1. La VMSW a pour mission d'accorder, en vue de la réalisation de la politique foncière et du logement dans le Brabant flamand, des prêts sans intérêts à Vlabinvest apb, créé par l'article 1 de l'arrêté du conseil provincial du Brabant flamand du 22 octobre 2013.
   Vlabinvest apb utilise les prêts visés à l'alinéa 1 exclusivement pour la réalisation de sa mission, telle que visée à l'article 3 de l'arrêté du conseil provincial du Brabant flamand du 22 octobre 2013, et ce, des manières suivantes :
   1° pour le financement des opérations de construction réalisées par Vlabinvest apb de sa propre initiative.
   2° pour l'octroi de prêts destinés au financement d'opérations de construction aux initiateurs, notamment :
   a) une société de logement ;
   b) une commune ou un partenariat intercommunal ;
   c) un CPAS ou une association telle que visée à la partie 3, titre 4, chapitre 2, du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale ;
   d) le VWF ;
   e) la province du Brabant flamand.
   Le Gouvernement flamand fixe les autres conditions générales dans lesquelles les prêts visés à l'alinéa 1 sont octroyés à Vlabinvest apb.
   La VMSW verse les intérêts reçus des prêts accordés, avant le 1 janvier 2014, par le Fonds d'Investissement pour la Politique foncière et du Logement au Brabant flamand, et qu'elle reçoit dans la courant d'une année civile, en tant que subvention à Vlabinvest apb le 31 décembre de la même année civile.
   La VMSW peut soutenir Vlabinvest apb dans l'évaluation des opérations de construction à financer visées à l'alinéa 2, et peut en échange convenir d'une indemnité. Le VMSW peut utiliser cette indemnité pour ses frais de fonctionnement.
   § 2. Pour l'octroi de prêts sans intérêt à Vlabinvest apb, visé au paragraphe 1, alinéa 1, une autorisation d'engagement est inscrite chaque année au budget général des dépenses, qui est limitée à la somme de :
   1° l'autorisation d'engagement annuel et forfaitaire de 3.856.000 euros, à partir de l'année budgétaire 2021, à adapter annuellement au moins avec les paramètres d'indexation appliqués dans le budget de la Région flamande ;
   2° une autorisation d'engagement variable à concurrence de la somme des remboursements reçus des prêts :
   a) accordée aux initiateurs avant le 1 janvier 2014 par le Fonds d'investissement pour la Politique foncière et du logement du Brabant flamand, à l'exception des intérêts dus sur ces prêts ;
   b) accordée à Vlabinvest apb à partir du 1 janvier 2014 par le Fonds flamand de Financement de la Politique foncière et du Logement pour le Brabant flamand ;
   c) accordée à Vlabinvest apb par la VMSW en application du présent article ;
   3° la partie restante, au 31 décembre de l'année budgétaire précédente, du solde non imposé converti en autorisation d'engagement des moyens non utilisés par le Fonds flamand de Financement de la Politique foncière et du Logement pour le Brabant flamand au 31 décembre 2022. Le solde non imposé des moyens non utilisés comprend les moyens liquides et les dotations encore exigibles, ainsi que les autres recettes et dépenses réelles imputées à l'exécution budgétaire pour l'exercice 2022, mais qui, à la fin 2022, doivent encore être payées, moins la partie non encore prélevée des prêts octroyés par contrat avant le 1 janvier 2023 ;
   4° le solde non utilisé des autorisations d'engagement de l'exercice précédent visé aux points 1° et 2°.]1

  
Art. 4.16. De subsidie, vermeld in artikel 5.20 en 5.21, en de subsidies, vermeld in artikel 80, 94, 95 of 96 van de Huisvestingscode, gevoegd bij het koninklijk besluit van 10 december 1970 en bekrachtigd door de wet van 2 juli 1971, of in titel 3, hoofdstuk 1, titel 4, hoofdstuk 1, titel 5 en titel 6 van boek 5, deel 2, kunnen ter beschikking worden gesteld van de VMSW, die in dat geval instaat voor de verdeling ervan aan de initiatiefnemers. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaronder de subsidie ter beschikking gesteld wordt van de VMSW.
  [1 De vergoeding, vermeld in artikel 6.3/2, tweede lid, kan ter beschikking worden gesteld van de VMSW, die in dat geval instaat voor de verdeling ervan aan de verhuurders van een sociale huurwoning. De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen waaronder de vergoeding ter beschikking gesteld wordt van de VMSW.]1
  
Art. 4.16. La subvention visée aux articles 5.20 et 5.21 et les subventions visées aux articles 80, g4, g5 ou g5 du Code du Logement, annexé à l'arrêté royal du 10 décembre 1g70 et ratifié par la loi du 2 juillet 1g71, ou au titre 3, chapitre 1, titre 4, chapitre 1, titres 5 et 6 du livre 5, partie 2, peuvent être mises à la disposition de la VMSW qui, dans ce cas, est chargée de leur distribution aux initiateurs. Le Gouvernement flamand détermine les conditions dans lesquelles la subvention est mise à la disposition de la VMSW.
  [1 L'indemnité, visée à l'article 6.3/2, alinéa 2, peut être mise à disposition de la VMSW, laquelle est chargée dans ce cas de sa redistribution aux bailleurs de logements locatifs sociaux. Le Gouvernement flamand peut arrêter les conditions dans lesquelles cette indemnité est mise à disposition de la VMSW.]1
  
Art. 4.17. [1 De VMSW heeft de volgende opdrachten:
   1° de ICT-activiteiten die verband houden met de taken van de VMSW, op zich nemen;
   2° zorgen voor het beheer van de financiële middelen van de woonmaatschappijen die niet noodzakelijk zijn voor hun dagelijkse werking, overeenkomstig een regeling die de Vlaamse Regering vaststelt na overleg met de VMSW en de woonmaatschappijen;
   3° wooninfrastructuur aanleggen als vermeld in artikel 5.23;
   4° zelf woonprojecten realiseren die ofwel vernieuwend of experimenteel zijn, ofwel noodzakelijk zijn ter uitvoering van het investeringsprogramma, vermeld in artikel 2.22, § 1, bij gebrek aan initiatieven van actoren als vermeld in artikel 4.13, of van initiatiefnemers als vermeld in artikel 5.29;
   5° grondbeleidsmaatregelen uitvoeren die noodzakelijk worden geacht om in de door de Vlaamse Regering te bepalen gebieden een hoogwaardige woonkwaliteit te behouden of te bevorderen.
   De Vlaamse Regering legt een nadere omschrijving vast van het begrip "grondbeleidsmaatregelen die noodzakelijk worden geacht om een hoogwaardige woonkwaliteit te behouden of te bevorderen", vermeld in het eerste lid, 5°.]1

  [3 6° de subsidies, vermeld in artikel 4.42, Ї 4, en in artikel 5.52/1, tweede lid, uitbetalen.]3
  [2 7° het solidariseringsfonds, vermeld in artikel 4.46/1/1, beheren;]2
  [2 8° de toekenning van renteloze leningen aan hogeronderwijsinstellingen voor de realisatie van betaalbare studentenhuisvesting, onder de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt.]2
  
Art. 4.17. [1 La VMSW a les tâches suivantes :
   1° prendre en charge les activités TIC liées aux tâches de la VMSW ;
   2° assurer la gestion des moyens financiers des sociétés de logement qui ne sont pas nécessaires à leur fonctionnement quotidien, conformément à un règlement fixé par le Gouvernement flamand après concertation avec la VMSW et les sociétés de logement ;
   3° aménager des infrastructures de logement tel que visé à l'article 5.23 ;
   4° réaliser elle-même des projets de logement qui soit son innovateurs ou expérimentaux, soit, nécessaires à l'exécution du programme d'investissement visé à l'article 2.22, § 1, à défaut d'initiatives d'acteurs tels que visés à l'article 4.13 ou d'initiateurs tels que visés à l'article 5.29 ;
   5° mettre en oeuvre des mesures de politique foncière jugées nécessaires pour maintenir ou promouvoir un logement de haute qualité dans les zones à déterminer par le Gouvernement flamand ;
   Le Gouvernement flamand définit la notion de " mesures de politique foncière jugées nécessaires pour maintenir ou promouvoir un logement de haute qualité ", mentionnée à l'alinéa 1, 5°.]1

  [3 6° payer les subventions, visées à l'article 4.42, § 4, et à l'article 5.52/1, alinéa 2.]3
  [2 7° gérer le fonds de solidarité visé à l'article 4.46/1/1 ]2
  [2 8° octroyer des prêts sans intérêt aux établissements d'enseignement supérieur pour la réalisation de logements étudiants abordables, dans les conditions déterminées par le Gouvernement flamand.]2
  
Art. 4.18. De VMSW houdt een woningregister bij van alle sociale huurwoningen van de erkende [1 woonmaatschappijen]1. Dat register wordt periodiek bijgewerkt op basis van de gegevens die de erkende sociale verhuurkantoren bezorgen.
  
Art. 4.18. La VMSW tient un registre de tous les logements locatifs sociaux des agences locatives sociales agréées. Ce registre est périodiquement mis à jour sur la base des informations fournies par les [1 sociétés de logement]1 agréées.
  
Art. 4.19. [1 De VMSW beheert de projecten die voor 1 januari 2020 door het Garantiefonds voor Huisvesting zijn opgestart. In dat kader heeft de VMSW de volgende opdrachten:
   1° de huurachterstallen betalen voor woningen onder de door de Vlaamse Regering te bepalen voorwaarden;
   2° de huurgelden betalen bij leegstand voor woningen onder de door de Vlaamse Regering te bepalen voorwaarden;
   3° werken, onder meer infrastructuurwerken, financieren, percelen bouwrijp maken, gemeenschapsvoorzieningen en wijkcentra oprichten, met inbegrip van alle handelingen die daarmee verband houden, voor zover ze kaderen binnen een woonproject onder de door de Vlaamse Regering te bepalen voorwaarden;
   4° zakelijke rechten nemen op gronden of ander vastgoed waarop een initiatiefnemer woningen bouwt, die geheel of gedeeltelijk bestemd zijn als woonproject in zoverre dat niet door een derde gebeurt, of dergelijke zakelijke rechten financieren, onder de door de Vlaamse Regering te bepalen voorwaarden;
   5° eigenaar worden van woningen onder de door de Vlaamse Regering te bepalen voorwaarden;
   6° de actuele waarde financieren van de woningen bij het einde van de zakelijke rechten, vermeld in punt 4°, onder de door de Vlaamse Regering te bepalen voorwaarden;
   7° tussenkomsten betalen voor woningen onder de door de Vlaamse Regering te bepalen voorwaarden.
   In het eerste lid wordt onder initiatiefnemer verstaan de initiatiefnemers, vermeld in artikel 5.26, § 1, en de initiatiefnemers, vermeld in artikel 5.29.]1

  
Art. 4.19. [1 La VMSW gère les projets lancés par le Fonds de Garantie du Logement avant le 1 janvier 2020. Dans ce cadre, la VMSW a les missions suivantes :
   1° payer les arriérés de loyer pour des logements aux conditions à déterminer par le Gouvernement flamand ;
   2° payer les loyers en cas d'inoccupation pour des logements aux conditions à déterminer par le Gouvernement flamand ;
   3° le financement des travaux, notamment des travaux d'infrastructure, la viabilisation de parcelles, la création de structures communautaires et de centres de quartier, y compris tous les actes y afférents, pour autant qu'ils s'inscrivent dans le cadre d'un projet de logement aux conditions à déterminer par le Gouvernement flamand ;
   4° l'acquisition de droits réels sur des terrains ou autres biens immeubles sur lesquels un initiateur construit des logements, qui sont entièrement ou partiellement destinés à des projets de logement dans la mesure où cela n'est pas fait par un tiers, ou le financement de tels droits réels, aux conditions à déterminer par le Gouvernement flamand ;
   5° acquérir des logements aux conditions à déterminer par le Gouvernement flamand ;
   6° le financement de la valeur actuelle des logements à la fin des droits réels, visés au point 4°, dans les conditions à fixer par le Gouvernement flamand ;
   7° le paiement d'indemnités pour des logements aux conditions à déterminer par le Gouvernement flamand.
   A l'alinéa 1, on entend par initiateur les initiateurs visés à l'article 5.26, § 1, et les initiateurs visés à l'article 5.29.]1

  
Art. 4.20. § 1. Op verzoek van de verhuurder op de private huurmarkt die een huurovereenkomst heeft gesloten met een [1 woonmaatschappij, neemt de VMSW de verplichting tot betaling van de huurprijs over als wordt vastgesteld dat de woonmaatschappij]1 de huurprijs niet heeft betaald op de dag die in de huurovereenkomst overeengekomen is en als de bedongen huurprijs niet hoger is dan de door de Vlaamse Regering vastgestelde huurprijsgrens voor het bekomen van een tegemoetkoming verleend met toepassing van artikel 5.73.
  De VMSW neemt de verplichting tot betaling van de huurprijs maximaal gedurende negen opeenvolgende maanden over.
  De VMSW wordt van rechtswege in de plaats gesteld in de rechten van de verhuurder.
  § 2. De verhuurder richt met een beveiligde zending een verzoek aan de VMSW, waarbij het bewijs gevoegd is dat [1 de woonmaatschappij]1 een vervallen vordering van een huurvergoeding die volgens de huurovereenkomst in kwestie verschuldigd is en die niet betwist is, niet heeft betaald.
  Uiterlijk binnen een maand na het verzoek tot betaling meldt de VMSW aan de verhuurder of het verzoek wordt ingewilligd en kan worden overgegaan tot de betaalbaarstelling. De beslissing om het verzoek niet in te willigen, kan alleen worden genomen als een of meer van de volgende omstandigheden zich hebben voorgedaan:
  1° de verhuurder heeft onjuiste verklaringen afgelegd of onjuiste documenten overhandigd;
  2° de verhuurder heeft gehandeld in strijd met deze bepaling of de bepalingen in het besluit ter uitvoering ervan;
  3° de verhuurder blijft in gebreke om het bewijs, vermeld in het eerste lid, voor te leggen.
  De bepalingen van het decreet van 7 mei 2004 houdende bepalingen inzake kas-, schuld, en waarborgbeheer van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest zijn niet van toepassing op deze bepaling.
  De Vlaamse Regering bepaalt de aanvullende voorwaarden en de procedurele regels voor de overname van de verplichting tot betaling van de huurprijs.
  § 3. Als [1 de woonmaatschappij]1 de bedragen die de VMSW met toepassing van paragraaf 1, eerste lid aan de verhuurder heeft betaald, niet op eenvoudig verzoek van de VMSW terugbetaalt, worden ze ingevorderd met een dwangbevel dat opgesteld, geviseerd en uitvoerbaar verklaard is door de ambtenaren die aangewezen zijn met toepassing van artikel 5.4.
  
Art. 4.20. § 1. À la demande du bailleur sur le marché locatif privé qui a conclu un contrat de location avec une [1 société de logement, la VMSW prend en charge l'obligation de payer le loyer s'il est établi que la société de logement]1 n'a pas payé le loyer au jour convenu dans le contrat de location et si le loyer convenu ne dépasse pas la limite de loyer fixée par le Gouvernement flamand en vue d'obtenir une intervention en vertu de l'article 5.73.
  La VMSW prend en charge l'obligation de payer le loyer pendant un maximum de neuf mois consécutifs.
  La VMSW se substitue de plein droit aux droits du bailleur.
  § 2. Le bailleur adresse par envoi sécurisé à la VMSW une demande accompagnée de la preuve que [1 la société de logement]1 n'a pas payé la créance d'une indemnité locative qui, selon le contrat de location en question, est due et qui n'a pas été contestée.
  Au plus tard un mois après la demande de paiement, la VMSW notifie au bailleur si la demande est acceptée et si le paiement peut être ordonnancé. La décision de ne pas donner suite à la demande ne peut être prise que si une ou plusieurs des circonstances suivantes se sont produites :
  1° le bailleur a fait des déclarations incorrectes ou a fourni des documents incorrects ;
  2° le bailleur a agi contrairement à la présente disposition ou aux dispositions de l'arrêté portant exécution de la présente disposition ;
  3° le bailleur n'apporte pas la preuve visée au premier alinéa.
  Les dispositions du décret du 7 mai 2004 contenant des dispositions relatives à la gestion de la trésorerie, de la dette et de la garantie de la Communauté flamande et de la Région flamande, ne s'appliquent pas à la présente disposition.
  Le Gouvernement flamand détermine les conditions supplémentaires et les règles de procédure pour la prise en charge de l'obligation de payer le loyer.
  § 3. Si [1 la société de logement]1 ne rembourse pas les sommes versées au bailleur par la VMSW en application du paragraphe 1, premier alinéa sur simple demande de la VMSW, elles seront recouvrées au moyen d'une contrainte établie, visée et déclarée exécutoire par les agents désignés en application de l'article 5.4.
  
Art. 4.21. § 1. Op verzoek van de verhuurder op de private huurmarkt die een huurovereenkomst heeft gesloten met [1 een woonmaatschappij,]1, neemt de VMSW de verplichting over tot betaling van een vergoeding van huurschade die voortvloeit uit een rechterlijke uitspraak die in kracht van gewijsde is gegaan wanneer wordt vastgesteld dat [1 de woonmaatschappij]1 de vergoeding niet op de in de rechterlijke uitspraak voorziene dag heeft betaald.
  De VMSW wordt van rechtswege in de rechten van de verhuurder gesteld.
  § 2. De verhuurder richt met een beveiligde zending een verzoek aan de VMSW, waarbij een afschrift gevoegd is van de rechterlijke uitspraak, vermeld in paragraaf 1, eerste lid.
  Uiterlijk binnen een maand na het verzoek tot betaling meldt de VMSW aan de verhuurder of het verzoek wordt ingewilligd en kan worden overgegaan tot de betaalbaarstelling. De beslissing om het verzoek niet in te willigen, kan alleen worden genomen als een of meer van de volgende omstandigheden zich hebben voorgedaan:
  1° de verhuurder heeft onjuiste verklaringen afgelegd of onjuiste documenten overhandigd;
  2° de verhuurder heeft gehandeld in strijd met deze bepaling of de bepalingen in het besluit ter uitvoering daarvan;
  3° de verhuurder blijft in gebreke om het afschrift van de rechterlijke uitspraak, vermeld in het eerste lid, voor te leggen.
  De bepalingen van het decreet van 7 mei 2004 houdende bepalingen inzake kas-, schuld-, en waarborgbeheer van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest zijn niet van toepassing op deze bepaling.
  De Vlaamse Regering bepaalt de aanvullende voorwaarden en procedurele regels voor de overname van de verplichting tot betaling van de vergoeding van de huurschade.
  § 3. Als [1 de woonmaatschappij]1 de bedragen die de VMSW met toepassing van paragraaf 1, eerste lid aan de verhuurder heeft betaald, niet op eenvoudig verzoek van de VMSW terugbetaalt, worden ze ingevorderd met een dwangbevel dat opgesteld, geviseerd en uitvoerbaar verklaard wordt door de ambtenaren die aangewezen zijn met toepassing van artikel 5.4.
  
Art. 4.21. § 1. À la demande du bailleur sur le marché locatif privé qui a conclu un contrat de location avec une [1 société de logement]1, la VMSW prend en charge l'obligation de verser une indemnisation pour les dommages locatifs découlant d'une décision de justice passée en force de chose jugée, lorsqu'il est établi que [1 la société de logement]1 n'a pas versé l'indemnisation au jour stipulé dans la décision de justice.
  La VMSW se substitue de plein droit aux droits du bailleur.
  § 2. Le bailleur adresse une demande par envoi sécurisé à la VMSW, en joignant une copie de la décision de justice visée au paragraphe 1, premier alinéa.
  Au plus tard un mois après la demande de paiement, la VMSW notifie au bailleur si la demande est acceptée et si le paiement peut être ordonnancé. La décision de ne pas donner suite à la demande ne peut être prise que si une ou plusieurs des circonstances suivantes se sont produites :
  1° le bailleur a fait des déclarations incorrectes ou a fourni des documents incorrects ;
  2° le bailleur a agi contrairement à la présente disposition ou aux dispositions de l'arrêté portant exécution de la présente disposition ;
  3° le bailleur ne joint pas la copie de la décision de justice visée au premier alinéa.
  Les dispositions du décret du 7 mai 2004 contenant des dispositions relatives à la gestion de la trésorerie, de la dette et de la garantie de la Communauté flamande et de la Région flamande, ne s'appliquent pas à la présente disposition.
  Le Gouvernement flamand détermine les conditions supplémentaires et les règles de procédure pour la prise en charge de l'obligation de payer l'indemnisation des dommages locatifs.
  § 3. Si [1 la société de logement]1 ne rembourse pas les sommes versées au bailleur par la VMSW en application du paragraphe 1, premier alinéa sur simple demande de la VMSW, elles seront recouvrées au moyen d'une contrainte établie, visée et déclarée exécutoire par les agents désignés en application de l'article 5.4.
  
Art. 4.22. § 1. [2 De VMSW kan in onderlinge overeenstemming met de betrokken partijen de volgende verrichtingen doen:
   1° een huurovereenkomst overnemen die gesloten is tussen een woonmaatschappij die erkend is conform artikel 4.36 van deze codex of artikel 206 van het decreet van 9 juli 2021 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot wonen en een of meer verhuurders op de private huurmarkt. Enkel de huurovereenkomsten met een bedongen huurprijs die niet hoger is dan de door de Vlaamse Regering vastgestelde huurprijsgrens voor het bekomen van een tegemoetkoming verleend met toepassing van artikel 5.73 kunnen overgenomen worden;
   2° een huurovereenkomst die de VMSW heeft overgenomen conform punt 1А, overdragen aan een woonmaatschappij die erkend is conform artikel 4.36 van deze codex of artikel 206 van het decreet van 9 juli 2021 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot wonen.]2
:
  1° een huurovereenkomst overnemen die gesloten is tussen een [1 woonmaatschappij]1 dat conform artikel 4.54 erkend is en een of meer verhuurders op de private huurmarkt. Enkel de huurovereenkomsten met een bedongen huurprijs die niet hoger is dan de door de Vlaamse Regering vastgestelde huurprijsgrens voor het bekomen van een tegemoetkoming verleend met toepassing van artikel 5.73 kunnen overgenomen worden;
  2° een huurovereenkomst die gesloten is tussen een sociaal verhuurkantoor dat conform artikel 4.54 erkend is en een of meer verhuurders op de private huurmarkt, en die de VMSW heeft overgenomen conform punt 1°, overdragen aan een sociaal verhuurkantoor dat conform artikel 4.54 erkend is.
  § 2. Met behoud van de toepassing van paragraaf 1, 2°, treedt de VMSW onder de voorwaarden, vermeld in artikel 4.58, in de rechten en verplichtingen van [1 de woonmaatschappij]1 die voortvloeien uit een overeenkomst die gesloten is tussen [1 de woonmaatschappij]1 en een of meer verhuurders op de private huurmarkt.
  § 3. In het geval, vermeld in paragraaf 1, 1°, neemt de VMSW de onderhuurovereenkomsten die gesloten zijn tussen [1 de woonmaatschappij]1 en een of meer onderhuurders van een sociale huurwoning over.
  De VMSW kan in de gevallen, vermeld in paragraaf 1, 1°, en in paragraaf 2, de woningen die het voorwerp uitmaken van de overgenomen overeenkomst opnieuw onderverhuren aan een of meer huurders die het goed gebruiken als hoofdverblijfplaats. De VMSW doet voor de toewijzing aan nieuwe onderhuurders een beroep op het [4 centraal inschrijvingsregister, vermeld in artikel 6.5]4]1. Bij de toewijzing van de sociale huurwoning past ze de methodiek toe die de [1 woonmaatschappijen]1 hanteren.
  [1 In het geval, vermeld in paragraaf 1, 2°, neemt de woonmaatschappij die de huurovereenkomsten van de VMSW heeft overgenomen, de onderhuurovereenkomsten over die de VMSW had overgenomen of heeft gesloten. [3 ...]3.]1
  
Art. 4.22. § 1. [2 § 1er. La VMSW peut effectuer les opérations suivantes d'un commun accord avec les parties concernées :
   1° reprendre un contrat de bail conclu entre une société de logement qui a été agréée conformément à l'article 4.36 du présent Code ou à l'article 206 du décret du 9 juillet 2021 portant modification de divers décrets relatifs au logement et un ou plusieurs bailleurs sur le marché locatif privé. Seuls les contrats de bail dont le loyer convenu ne dépasse pas la limite de loyer fixée par le Gouvernement flamand pour l'obtention d'une intervention accordée en vertu de l'article 5.73 peuvent être repris ;
   2° céder un contrat de bail repris par la VMSW conformément au point 1° à une société de logement qui a été agréée conformément à l'article 4.36 du présent Code ou à l'article 206 du décret du 9 juillet 2021 portant modification de divers décrets relatifs au logement.]2
.
  

Modifications

----------
[1]§ 2. Sans préjudice de l'application du paragraphe 1, 2° et dans les conditions visées à l'article 4.58, la VMSW est subrogée dans les droits et obligations de [1 la société de logement découlant d'un contrat conclu entre [1 la société de logement et un ou plusieurs bailleurs sur le marché locatif privé.
[1]§ 3. Dans le cas visé au paragraphe 1, 1°, la VMSW reprend les contrats de sous-location conclus entre [1 la société de logement et un ou plusieurs sous-locataires d'un logement locatif social.
[4]La VMSW peut, dans les cas visés au paragraphe 1, 1°, et au paragraphe 2, sous¬louer les logements faisant l'objet du contrat repris à un ou plusieurs locataires qui utilisent le bien comme résidence principale. La VMSW fait appel au [4 registre d'inscription central visé à l'article 6.5 pour l'attribution aux nouveaux sous-locataires. Lors de l'attribution du logement locatif social, elle applique la méthodologie utilisée par les [1 sociétés de logement.
[1][1 Dans le cas visé au paragraphe 1, 2°, la société de logement qui a repris les contrats de location de la VMSW reprend les contrats de sous-location que la VMSW avait repris ou conclu. [3 ...
----------
Art. 4.23. De VMSW kan voor de uitvoering van de opdrachten van de [1 woonmaatschappijen]1, vermeld in [2 ...]2 artikel 4.20 en artikel 4.22, jaarlijks een toelage ontvangen ten laste van de begroting van het Vlaamse Gewest.
  
Art. 4.23. La VMSW peut recevoir une allocation annuelle à charge du budget de la Région flamande pour l'exécution des missions des [1 sociétés de logement]1 visées aux articles [2 ...]2 4. 20 et 4. 22.
  
Hoofdstuk 3. Bevoegdheden
Chapitre 3. Compétences
Art. 4.24. Om doeleinden die te maken hebben met het sociaal woonaanbod, het [4 aanbod van geconventioneerde huurwoningen]4,[3 of betaalbare studentenkamers of -huisvesting]3 of de realisatie van gemeenschapsvoorzieningen die een identificeerbare band hebben met nabijgelegen reeds bestaande of nog te realiseren sociale woningen, bedoeld in artikel [2 2.22, § 2]2, te realiseren kan de VMSW:
  1° zakelijke rechten verwerven op alle onroerende goederen die nodig zijn voor de sociale huisvesting [4 of betaalbare studentenkamers en -huisvesting, of die]4, of onroerende goederen huren;
  2° aan de initiatiefnemers, vermeld in artikel 4.13 [2 ]2 financiële middelen voorschieten;
  3° gebouwen slopen en oprichten;
  4° gebouwen waarop ze een zakelijk of persoonlijk recht bezit, renoveren, verbeteren, aanpassen en inrichten en ze verhuren;
  5° de bouwverplichting opleggen aan woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden aan wie ze zakelijke rechten op onroerende goederen afstaat en aan hen erfdienstbaarheden opleggen om het uitzicht en de functionele inrichting van groepen van woningen te behouden;
  6° [2 ...]2
  7° overeenkomsten sluiten met betrekking tot onroerende goederen waarop of waarin woonprojecten in de privé-sector worden gerealiseerd, zoals vermeld in artikel 5.29;
  8° zakelijke rechten op onroerende goederen afstaan aan de entiteiten, vermeld in artikel 4.27, eerste lid [1 ...]1[4 , en in het kader van de realisatie van betaalbare studentenhuisvesting, aan hogeronderwijsinstellingen.]4.
  
Art. 4.24. Afin de réaliser des objectifs liés à l'offre de logement social, à [3 l'offre de logements locatifs conventionnés]3 ou à la réalisation d'équipements communautaires qui ont un lien identifiable avec des logements sociaux voisins déjà existants ou à réaliser, visés à l'article [2 2.22, § 2]2 la VMSW peut :
  1° acquérir des droits réels sur tous les biens immeubles nécessaires au logement social et à l'acquisition de biens immeubles, ou louer des biens immeubles ;
  2° avancer des ressources financières aux initiateurs visés à l'article 4.13[2 ...]2 ;
  3° démolir et ériger des bâtiments ;
  4° rénover, améliorer, adapter, aménager et mettre en location les bâtiments sur lesquels elle a un droit réel ou personnel ;
  5° imposer l'obligation de bâtir aux ménages et isolés mal logés auxquels elle transfère des droits réels sur des biens immeubles et leur imposer des servitudes afin de préserver l'apparence et l'aménagement fonctionnel de groupes de logements ;
  6° [2 ...]2
  7° conclure des contrats relatifs à des biens immeubles sur lesquels ou dans lesquels sont réalisés des projets de logement dans le secteur privé, tels que visés à l'article 5.29
  8° céder des droits réels immobiliers aux entités visées à l'article 4.27, premier alinéa [1 ...]1t dans le cadre de la réalisation de logements étudiants abordables, aux établissements d'enseignement supérieur .
  
Art. 4.25. Onder de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt, kan de VMSW in het kader van haar opdracht, vermeld in artikel [2 4.17, eerste lid, 5°]2:
  1° zakelijke rechten vestigen op alle onroerende goederen die nodig zijn om projecten te verwezenlijken waarbij een vermenging wordt gerealiseerd van enerzijds sociale huurwoningen, sociale koopwoningen of sociale kavels, en anderzijds:
  a) huurwoningen, koopwoningen of kavels die gefinancierd worden door Vlabinvest apb;
  b) een [3 aanbod van geconventioneerde huurwoningen]3;
  c) studentenkamers;
  d) zorgvoorzieningen als vermeld in artikel 1.3, § 1, eerste lid, 75°;
  e) woningen van de privésector;
  f) functiegebonden gebouwen van publieke en semipublieke rechtspersonen;
  2° de onroerende goederen, vermeld in 1°, huren;
  3° de onroerende goederen die ze zelf heeft verworven met toepassing van 1°, aan de [1 woonmaatschappijen]1, aan Vlabinvest apb, of functiegebonden aan de initiatiefnemers van projecten als vermeld in 1° verkopen, er zakelijke rechten op afstaan of verhuren;
  4° leningen met rentevermindering toestaan aan de initiatiefnemers, vermeld in artikel 4.13 [2 ...]2 en aan Vlabinvest apb voor de verwerving van onroerende goederen, vermeld in 1°, voor de realisatie van sociale huurwoningen.
  
Art. 4.25. Dans les conditions déterminées par le Gouvernement flamand, la VMSW, dans le cadre de sa mission telle que visée à l'article [2 4.17, premier alinéa, 5°]2, peut :
  1° établir des droits réels sur tous les biens immeubles nécessaires à la réalisation de projets offrant un mélange, d'une part, de logements locatifs sociaux, de logements acquisitifs sociaux ou de lots sociaux et, d'autre part :
  a) de logements locatifs, de logements acquisitifs ou de lots, financés par Vlabinvest apb
  b) d'une [3 offre de logements locatifs conventionnés]3 ;
  c) de chambres d'étudiants ;
  d) de structures de soins telles que visées à l'article 1.3, § 1, alinéa premier, 75° ;
  e) de logements du secteur privé ;
  f) de bâtiments à fonction spécifique des personnes morales publiques et semi-publiques
  2° louer les biens immeubles énumérés au 1° ;
  3° vendre ou mettre en location les biens immeubles qu'elle a acquis par application du 1°, aux [1 sociétés de logement]1, à Vlabinvest apb ou, pour une fonction spécifique, aux initiateurs des projets visés au 1°, ou en céder les droits réels ;
  4° octroyer des prêts à taux d'intérêt réduit aux initiateurs visés à l'article 4.13,[2 ...]2 et à Vlabinvest apb pour l'acquisition des biens immeubles visés au 1°, pour la réalisation de logements locatifs sociaux.
  
Art. 4.26. De Vlaamse Regering kan de VMSW en de [1 woonmaatschappijen]1 machtigen om onroerende goederen te onteigenen in de gevallen waarin zij oordeelt dat de verkrijging van de betrokken goederen noodzakelijk is in het algemeen belang.
  Bij onteigening van onbebouwde terreinen wordt deze machtiging bij voorkeur verleend voor terreinen binnen een woonvernieuwings- of woningbouwgebied.
  
Art. 4.26. Le Gouvernement flamand peut autoriser la VMSW et les [1 sociétés de logement]1 à exproprier des biens immeubles lorsqu'il estime que l'acquisition des biens en question est nécessaire dans l'intérêt public.
  En cas d'expropriation de terrains non bâtis, cette autorisation est accordée de préférence pour des terrains situés dans une zone de rénovation ou de construction résidentielle.
  
Art. 4.27. De VMSW verkoopt haar onroerende goederen openbaar. Ze kan ze enkel uit de hand verkopen aan:
  1° de [1 woonmaatschappijen]1;
  2° gemeenten, autonome gemeentebedrijven als vermeld in titel VII, hoofdstuk II, afdeling II, van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005, intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, het Vlaams Woningfonds, openbare centra voor maatschappelijk welzijn of welzijnsverenigingen, voor doeleinden die te maken hebben met sociaal woonaanbod, [2 aanbod van geconventioneerde huurwoningen]2 of de realisatie van gemeenschapsvoorzieningen die een identificeerbare band hebben met nabijgelegen reeds bestaande of nog te realiseren sociale woningen;
  3° initiatiefnemers van en partners in projecten als vermeld in artikel 4.25, 1°, onder de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt;
  4° andere personen, voor zover de onroerende goederen in kwestie niet meer van nut zijn voor huisvesting, en een openbare verkoop niet de venale waarde oplevert of de kosten van een openbare verkoop niet in verhouding staan tot de venale waarde en voor zover voldaan is aan de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt;
  5° Vlabinvest apb.
  De VMSW kan haar administratieve gebouwen uit de hand verkopen, mits passende publiciteitsmaatregelen.
  
Art. 4.27. La VMSW vend ses biens immeubles publiquement. Elles ne peut les vendre de gré à gré qu'aux parties suivantes :
  1° les [1 sociétés de logement]1 ;
  2° les communes, les régies communales autonomes visées au titre VII, chapitre II, section II du Décret communal du 15 juillet 2005, les partenariats intercommunaux, le Fonds flamand du Logement, les centres publics d'aide sociale ou les associations d'aide sociale, à des fins liées à l'offre de logement social, à l'offre locative modeste ou à la réalisation d'équipements communautaires ayant un lien identifiable avec des logements sociaux voisins déjà existants ou à réaliser ;
  3° les initiateurs et partenaires des projets visés à l'article 4.25, 1°, dans les conditions fixées par le Gouvernement flamand ;
  4° d'autres personnes, pour autant que les biens immeubles en question ne sont plus utiles à l'habitation, et qu'une vente publique ne rapporte pas la valeur vénale ou que les frais d'une vente publique ne sont pas proportionnels à la valeur vénale et pour autant qu'il soit satisfait aux conditions fixées par le Gouvernement flamand ;
  5° Vlabinvest apb.
  La VMSW peut vendre ses bâtiments administratifs de gré à gré avec des mesures de publicité appropriées.
  
Art. 4.28. De VMSW en de [1 woonmaatschappijen]1 kunnen voor het uitvoeren van hun vermogensrechtelijke verrichtingen een beroep doen op de Vlaamse commissarissen van de Vlaamse Belastingdienst. Wanneer op hen een beroep wordt gedaan, oefenen deze ambtenaren in naam en voor rekening van de VMSW of de betrokken [1 woonmaatschappijen]1 alle bevoegdheden uit die voor de verrichtingen nodig zijn volgens de richtlijnen van de VMSW of de betrokken [1 woonmaatschappijen]1. Ze zijn bevoegd om de akten te verlijden.
  
Art. 4.28. La VMSW et les [1 sociétés de logement]1 peuvent faire appel aux commissaires flamands du Service flamand des Impôts pour leurs opérations patrimoniales. Lorsqu'ils sont sollicités, ces agents exercent au nom et pour le compte de la VMSW ou de la société de logement social concernée toutes les compétences nécessaires aux opérations selon les directives de la VMSW ou de la [1 société de logement]1 concernée. Ils sont compétents pour passer des actes.
  
Art. 4.30. De VMSW kan voor de uitvoering van haar opdrachten onder de voorwaarden die de Vlaamse Regering vaststelt, onroerende goederen van andere sociale woonorganisaties, gemeenten en OCMW's in beheer nemen.
Art. 4.30. La VMSW peut, pour la réalisation de ses missions et dans les conditions définies par le Gouvernement flamand, prendre en gestion des biens immeubles d'autres organisations de logement social, de communes et de CPAS.
Hoofdstuk 4. Financiering
Chapitre 4. Financement
Art. 4.31. Behalve met eigen inkomsten wordt de werking van de VMSW gefinancierd door bijdragen van de [1 woonmaatschappijen]1, die haar in staat moeten stellen haar opdracht behoorlijk te vervullen.
  De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de betaling van de bijdragen van de [1 woonmaatschappijen]1 na een overlegprocedure die de inbreng van de [1 woonmaatschappijen]1 en van de VMSW waarborgt. De Vlaamse Regering kan ook nadere regels vaststellen voor de bijdragen van andere actoren als vermeld in art. 4.13 [2 ...]2.
  
Art. 4.31. En plus de ses propres revenus, le fonctionnement de la VMSW est financé par les contributions des [1 sociétés de logement]1, qui doivent lui permettre de réaliser dûment sa mission.
  Le Gouvernement flamand fixe les modalités du paiement des contributions des [1 sociétés de logement]1, après une procédure de concertation garantissant l'apport des [1 sociétés de logement]1 et de la VMSW. Le Gouvernement flamand peut également fixer les modalités des contributions des autres acteurs tels que visés à l'article 4.13[2 ]2.
  
Art. 4.32. De VMSW kan leningen aangaan en kredieten opnemen onder de voorwaarden die de Vlaamse Regering stelt. De Vlaamse Regering kan ook de waarborg van het Vlaamse Gewest hechten aan deze leningen en kredieten, zowel voor het geheel als voor een gedeelte ervan.
  Het Vlaamse Gewest kan leningen met rentevermindering toestaan aan de VMSW.
Art. 4.32. La VMSW peut contracter des emprunts et des crédits dans les conditions fixées par le Gouvernement flamand. Le Gouvernement flamand peut également assortir ces prêts et crédits de la garantie de la Région flamande, tant en tout qu'en partie.
  La Région flamande peut accorder des prêts à taux d'intérêt réduit à la VMSW.
Art. 4.33. Binnen de kredieten die daartoe op de begroting van het Vlaamse Gewest zijn ingeschreven, kan het Vlaamse Gewest een toelage aan de VMSW verlenen ter financiering van haar activiteiten. De Vlaamse Regering stelt de toekenningsvoorwaarden van de toelage vast.
Art. 4.33. Dans les limites des crédits inscrits à cette fin dans le budget de la Région flamande, celle-ci peut octroyer une allocation à la VMSW en vue du financement de ses activités. Le Gouvernement flamand arrête les conditions d'octroi de l'allocation.
Art. 4.34. De Vlaamse Regering kan de VMSW machtigen om roerende en onroerende giften en legaten te aanvaarden.
Art. 4.34. Le Gouvernement flamand peut autoriser la VMSW à accepter des dons et des legs meubles et immeubles.
Art. 4.35. De Vlaamse Regering kan aan de VMSW subsidie verlenen om:
  1° [1 ...]1
  2° grondbeleidsmaatregelen als vermeld in artikel [1 4.17, eerste lid, 5°]1, uit te voeren.
  De Vlaamse Regering stelt de voorwaarden vast waaronder de subsidie, vermeld in het eerste lid, wordt verleend.
  
Art. 4.35. Le Gouvernement flamand peut octroyer des subventions à la VMSW pour :
  1° [1 ...]1
  2° mettre en uvre les mesures de politique foncière visées à l'article [1 4.17, premier alinéa, 5°]1.
  Le Gouvernement flamand arrête les conditions d'octroi de la subvention visée à l'alinéa premier.
  
Titel 3.[1 Woonmaatschappijen]1
Titre 3.[1 Sociétés de logement]1
Hoofdstuk 1.[1 Erkenning en werkingsgebieden]1
Chapitre 1.[1 Agrément et zones d'activité]1
Art. 4.36. [1 § 1. De woonmaatschappijen zijn autonome vennootschappen die door de Vlaamse Regering worden erkend en die verantwoordelijk zijn voor de behoorlijke uitvoering van het sociale woonbeleid, zoals dat hun wordt opgedragen door deze codex en zijn uitvoeringsbesluiten, en door elk ander decreet of besluit, voor zover dat betrekking heeft op aspecten van het sociale woonbeleid.
   § 2. Een vennootschap kan erkend worden en erkend blijven als woonmaatschappij als ze ten minste beantwoordt aan de bepalingen van hoofdstuk 1 tot en met 7. De Vlaamse Regering kan aanvullende voorwaarden opleggen voor de erkenning als woonmaatschappij.
   § 3. De Vlaamse Regering stelt de procedure voor de erkenning en de intrekking van de erkenning vast.
   Erkende woonmaatschappijen kunnen vrijwillig afstand doen van hun erkenning. De Vlaamse Regering kan de procedure voor de afstand van een erkenning vaststellen. De afstand heeft dezelfde gevolgen als bepaald in artikel 4.53.]1

  
Art. 4.36. [1 § 1. Les sociétés de logement sont des sociétés autonomes agréées par le Gouvernement flamand et responsables de l'exécution correcte de la politique du logement social, telle qu'elle leur est confiée par le présent Code et ses arrêtés d'exécution, ainsi que par tout autre décret ou arrêté, dans la mesure où il concerne les aspects de la politique du logement social.
   § 2. Pour être agréée et rester agréée en tant que société de logement, une société doit répondre au minimum aux dispositions des chapitres 1 à 7. Le Gouvernement flamand peut imposer des conditions supplémentaires pour l'agrément en tant que société de logement.
   § 3. Le Gouvernement flamand fixe la procédure de l'agrément et du retrait de l'agrément.
   Les sociétés de logement agréées peuvent volontairement renoncer à leur agrément. Le Gouvernement flamand peut fixer la procédure de renonciation à un agrément. La renonciation entraîne des conséquences identiques à celles fixées à l'article 4.53.]1

  
Hoofdstuk 2.
Chapitre 2.
Art. 4.37. [1 De Vlaamse Regering stelt de werkingsgebieden vast.
   De Vlaamse Regering erkent één woonmaatschappij per werkingsgebied, dat uit één gemeente of geografisch aaneensluitende gemeenten moet bestaan. De Vlaamse Regering kan uitzonderingen op het geografisch aaneensluiten van de gemeenten toestaan.]1

  
Art. 4.37. [1 Le Gouvernement flamand fixe les zones d'activité.
   Le Gouvernement flamand agrée une société de logement par zone d'activité, qui doit être constituée d'une commune ou de communes géographiquement contiguës. Le Gouvernement flamand peut accorder des exceptions à la contiguïté géographique des communes.]1

  
Art. 4.38. [1 § 1. Zowel de statutaire als de werkelijke zetel van de woonmaatschappij is gevestigd in het werkingsgebied waarvoor ze erkend is.
   De Vlaamse Regering kan een uitzondering toestaan op het bepaalde in het eerste lid, ingeval van een gemotiveerd verzoek hiertoe bij de erkenningsaanvraag of bij wijziging van de statuten.
   § 2. Een woonmaatschappij is uitsluitend actief binnen het werkingsgebied waarvoor ze erkend is.
   § 3. In afwijking van paragraaf 2 zijn werkingsgebiedoverschrijdende activiteiten toegelaten in geval van samenwerking met een andere woonmaatschappij of voor zover de activiteiten een subsidiair en accessoir karakter hebben ten dienste van de activiteiten binnen het eigen werkingsgebied.
   De Vlaamse Regering kan nadere voorwaarden vaststellen voor werkingsgebiedoverschrijdende activiteiten.
   § 4. De woonmaatschappij verwerft zo snel mogelijk en uiterlijk tegen de datum die door de Vlaamse Regering wordt bepaald, alle rechten van de onroerende goederen die geschikt zijn voor de sociale huisvesting die binnen haar werkingsgebied liggen van sociale huisvestingsmaatschappijen, sociale verhuurkantoren, het Vlaams Woningfonds en van andere woonmaatschappijen.
   § 5. Een woonmaatschappij neemt de rechten over met betrekking tot de onroerende goederen die in haar werkingsgebied liggen en die geschikt zijn voor de sociale huisvesting, en die aan de woonmaatschappij door een gemeente of een OCMW worden aangeboden.
   § 6. Bij een overdracht van rechten als vermeld in paragraaf 4 en 5 draagt de overdrager in voorkomend geval de nog openstaande leningen bij de VMSW, het Vlaams Financieringsfonds voor Gronden Woonbeleid voor Vlaams-Brabant of Vlabinvest apb die betrekking hebben op dat onroerend goed of die rechten over aan de overnemer.
   § 7. Als de overdracht niet kan plaatsvinden tegen vergoeding in aandelen en de partijen het niet eens geraken over de prijs voor de overdracht van de rechten, vermeld in paragraaf 4 en 5, bedraagt de prijs de venale waarde van die rechten, rekening houdend met de bijzondere kenmerken van de sociale huisvestingsmaatschappijen respectievelijk woonmaatschappijen, waarop de leningen, vermeld in paragraaf 6, en subsidies met uitzondering van de subsidies die op geen enkele wijze hebben bijgedragen tot de marktwaarde van het betrokken onroerend goed in mindering worden gebracht. De Vlaamse Regering stelt de overdrachtsprijs vast.
   In elk geval wendt de overdrager, behalve indien het een gemeente of een OCMW is, de opbrengst van de overdracht aan voor de terugbetaling van openstaande leningen van de overdrager bij het Vlaamse Gewest of de VMSW. De overdrager, behalve indien het een gemeente of een OCMW is, wendt de overblijvende middelen aan overeenkomstig artikel 4.1/1. De Vlaamse Regering kan daarover de nadere regels vaststellen.
   De Vlaamse Regering kan, binnen de perken van de kredieten die daarvoor op de begroting van het Vlaamse Gewest worden ingeschreven, aan een woonmaatschappij, onder de voorwaarden die ze bepaalt, leningen en subsidies verlenen voor de verwerving van de rechten met betrekking tot de onroerende goederen, vermeld in paragraaf 4 en 5.]1

  
Art. 4.38. [1 § 1. Tant le siège statutaire qu'effectif de la société de logement est sis dans la zone d'activité pour laquelle elle est agréée.
   Le Gouvernement flamand peut accorder une exception aux dispositions de l'alinéa 1, en cas de demande motivée à cet effet dans la demande d'agrément ou de modification des statuts.
   § 2. Une société de logement est exclusivement active au sein de la zone d'activité pour laquelle elle est agréée.
   § 3. Par dérogation au paragraphe 2, les activités s'étendant au-delà de la zone d'activité sont autorisées en cas de coopération avec une autre société de logement ou pour autant que les activités revêtent un caractère subsidiaire et accessoire au service des activités au sein de la propre zone d'activité.
   Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités relatives aux activités s'étendant au-delà de la zone d'activité.
   § 4. La société de logement acquiert, dans les plus brefs délais et au plus tard à la date fixée par le Gouvernement flamand, tous les droits sur les biens immobiliers adaptés au logement social situés dans sa zone d'activité auprès des sociétés de logement social, des offices de location sociale, du Fonds flamand du logement et d'autres sociétés de logement.
   § 5. Une société de logement reprend les droits relatifs aux biens immobiliers situés dans sa zone d'activité qui sont adaptés au logement social et qui sont proposés à la société de logement par une commune ou un CPAS.
   § 6. En cas de transfert des droits visés aux paragraphes 4 et 5, le cédant transfère le cas échéant au cessionnaire les prêts en cours auprès de la VMSW, du Fonds flamand de financement de la politique foncière et du logement pour le Brabant flamand ou de Vlabinvest apb relatifs à ces biens immobiliers ou à ces droits.
   § 7. Si le transfert ne peut avoir lieu contre une indemnité en actions et si les parties ne parviennent pas à un accord sur le prix du transfert des droits visés aux paragraphes 4 et 5, le prix s'élève à la valeur vénale de ces droits, compte tenu des caractéristiques particulières des sociétés de logement social ou des sociétés de logement, de laquelle sont déduits les prêts visés au paragraphe 6 et les subventions, à l'exception de celles qui n'ont d'aucune manière contribué à la valeur marchande du bien immobilier concerné. Le Gouvernement flamand fixe le prix de transfert.
   Dans tous les cas, le cédant utilise, sauf s'il s'agit d'une commune ou d'un CPAS, les recettes du transfert pour rembourser les prêts en cours du cédant auprès de la Région flamande ou de la VMSW. Sauf s'il s'agit d'une commune ou d'un CPAS, le cédant utilise les moyens restants conformément à l'article 4.1/1. Le Gouvernement flamand peut arrêter des modalités plus détaillées à ce sujet.
   Le Gouvernement flamand peut, dans les limites des crédits inscrits à cet effet au budget de la Région flamande, accorder des prêts et des subventions à une société de logement, sous ses conditions, pour l'acquisition des droits relatifs aux biens immobiliers visés aux paragraphes 4 et 5.]1

  
Hoofdstuk 2. [1 Rechtsvorm en statuten]1
Chapitre 2. [1 Forme juridique et statuts]1
Art. 4.39. [1 De woonmaatschappij neemt de rechtsvorm aan van een besloten vennootschap. Het Wetboek van vennootschappen en verenigingen is van toepassing op de woonmaatschappijen voor zover daarvan niet wordt afgeweken door of krachtens deze codex.
   Conform artikel I.22, 8°, van het Wetboek van economisch recht zijn de woonmaatschappijen voor de toepassing van boek XX van het Wetboek van economisch recht geen schuldenaars in de zin van dat boek XX.]1

  
Art. 4.39. [1 La société de logement prend la forme juridique d'une société à responsabilité limitée. Le Code des sociétés et des associations s'applique aux sociétés de logement pour autant qu'il n'y soit pas dérogé par ou en vertu du présent Code.
   Conformément à l'article I.22, 8°, du Code de droit économique, pour l'application du livre XX du Code de droit économique, les sociétés de logement ne sont pas considérées comme des débiteurs au sens du livre XX.]1

  
Hoofdstuk 3.
Chapitre 3.
Art. 4.39 /1. [1 § 1. De Vlaamse Regering stelt de modelstatuten voor woonmaatschappijen vast.
   § 2. De woonmaatschappij neemt de modelstatuten aan, en verbindt zich ertoe haar statuten onmiddellijk aan te passen aan elke latere wijziging die de Vlaamse Regering aan die modelstatuten zou aanbrengen.
   Elke statutenwijziging van een woonmaatschappij vergt de voorafgaande goedkeuring van de Vlaamse Regering, tenzij in de gevallen die de Vlaamse Regering bepaalt.
   § 3. De Vlaamse Regering bepaalt in welke gevallen van die modelstatuten kan worden afgeweken.]1

  
Art. 4.39 /1. [1 § 1. Le Gouvernement flamand arrête les statuts modèles des sociétés de logement.
   § 2. La société de logement adopte les statuts modèles et s'engage à adapter immédiatement ses statuts à toute modification ultérieure apportée par le Gouvernement flamand à ces statuts modèles.
   Toute modification de statut d'une société de logement doit être préalablement approuvée par le Gouvernement flamand, hormis dans les cas fixés par le Gouvernement flamand.
   § 3. Le Gouvernement flamand détermine les cas dans lesquels il peut être dérogé à ces statuts modèles.]1

  
Hoofdstuk 3. [1 Aandelen, aandeelhouders en algemene vergadering van aandeelhouders]1
Chapitre 3. [1 Actions, actionnaires et assemblée générale des actionnaires]1
Art. 4.39 /2. [1 § 1. Alleen het Vlaamse Gewest en de provincies, gemeenten en OCMW's die in het werkingsgebied van de woonmaatschappij liggen, kunnen aandelen houden van een woonmaatschappij.
   De gemeenten en OCMW's die in het werkingsgebied van de woonmaatschappij liggen maar nog geen aandeelhouder zijn, hebben bij de erkenning van de woonmaatschappij of de wijziging van het werkingsgebied het recht in te tekenen op minstens één aandeel van de woonmaatschappij, dat door die laatste op eerste verzoek zal worden uitgegeven. Deze uitgifte geeft geen aanleiding tot de toepassing van artikel 5:102 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen.
   De woonmaatschappij kan geen andere effecten dan aandelen met stemrecht uitgeven.
   § 2. De gemeenten en OCMW's die in het werkingsgebied van de woonmaatschappij liggen en aandeelhouder zijn van die woonmaatschappij, beschikken samen altijd over meer dan 50% van het totale aantal stemrechten die verbonden zijn aan de aandelen.
   De Vlaamse Regering stelt de verhouding van de stemrechten tussen de gemeenten en OCMW's, vermeld in het eerste lid, vast aan de hand van objectieve criteria die verband houden met het woonbeleid. Noch de vaststelling, noch de wijziging van die verhouding geeft aanleiding tot de toepassing van artikel 5:102 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen.]1

  
Art. 4.39 /2. [1 § 1. Seuls la Région flamande et les provinces, les communes et les CPAS situés dans la zone d'activité de la société de logement peuvent détenir des actions d'une société de logement.
   Les communes et les CPAS situés dans la zone d'activité de la société de logement, mais qui ne sont pas encore actionnaires, ont le droit, au moment de l'agrément de la société de logement ou de la modification de la zone d'activité, de souscrire au minimum une action de la société de logement, laquelle sera émise par cette dernière à la première demande. Cette émission n'entraîne pas l'application de l'article 5:102 du Code des sociétés et des associations.
   La société de logement ne peut émettre d'autres titres que des actions avec droit de vote.
   § 2. Les communes et les CPAS situés dans la zone d'activité de la société de logement et qui sont actionnaires de cette société de logement disposent toujours conjointement de plus de 50% du total des droits de vote liés aux actions.
   Le Gouvernement flamand détermine le rapport des droits de vote entre les communes et les CPAS visés à l'alinéa 1 sur la base de critères objectifs liés à la politique du logement. La détermination ou la modification de ce rapport n'entraîne pas l'application de l'article 5:102 du Code des sociétés et des associations.]1

  
Art. 4.39 /3. [1 De aanwezigheidsen meerderheidsvereisten die het Wetboek van vennootschappen en verenigingen voorschrijft voor bepaalde beslissingen van de algemene vergadering kunnen nooit worden verstrengd. Afspraken die tot doel of tot gevolg hebben dat van deze bepaling wordt afgeweken, zijn nietig.]1
  
Art. 4.39 /3. [1 Les conditions de quorum et de majorité fixées par le Code des sociétés et des associations pour certaines décisions prises par l'assemblée générale ne peuvent jamais être durcies. Les accords qui ont pour objet ou pour effet de déroger à cette disposition sont nuls et non avenus.]1
  
Art. 4.39 /4. [1 De Vlaamse Regering heeft het recht om bij de erkenning of fusie van een woonmaatschappij namens het Vlaamse Gewest in te tekenen op ten hoogste een aantal aandelen die maximaal recht geven op een vierde van het totale aantal stemmen in de algemene vergadering.]1
  
Art. 4.39 /4. [1 Lors de l'agrément ou de la fusion d'une société de logement au nom du Gouvernement flamand, ce dernier a le droit de souscrire au maximum un nombre d'actions donnant droit au maximum à un quart du nombre total des voix à l'assemblée générale.]1
  
Hoofdstuk 4. [1 Bestuur]1
Chapitre 4. [1 Administration]1
Art. 4.39 /5. [1 § 1. De woonmaatschappij wordt bestuurd door een collegiaal bestuursorgaan. De leden van het bestuursorgaan worden benoemd voor ten hoogste zes jaar, maar hun mandaat is onbeperkt hernieuwbaar.
   § 2. Het bestuursorgaan bestaat uit ten hoogste vijftien leden waarvan ten hoogste twee derde van hetzelfde geslacht.
   § 3. Het bestuursorgaan is zodanig samengesteld dat voldoende expertise aanwezig is voor de verschillende activiteiten van de woonmaatschappij, alsook een voldoende diversiteit in competenties en achtergrond. De Vlaamse Regering kan bekwaamheidsvereisten opleggen aan de leden van het bestuursorgaan.
   Maximaal twee van het aantal leden van het bestuursorgaan is een onafhankelijke bestuurder in de zin van het Bestuursdecreet. De algemene vergadering kan in geval van ernstige redenen de onafhankelijke bestuurders op elk moment ontslaan. Artikel III.41 tot en met III.43 van het Bestuursdecreet zijn van toepassing voor zover er in dit decreet niet van wordt afgeweken.
   § 4. Boven op het maximumaantal bestuursmandaten, bepaald in paragraaf 2, kunnen woonmaatschappijen op voordracht van het bestuursorgaan na bindend advies van de sociale huurders één bestuurder benoemen. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen over de wijze waarop het bestuursorgaan het bindend advies van de sociale huurders bekomt.
   § 5. Het bestuursorgaan kan het dagelijks bestuur van de woonmaatschappij, alsook de vertegenwoordiging van de vennootschap wat dat bestuur aangaat, opdragen aan een door het bestuursorgaan aangestelde directeur of aan een orgaan van dagelijks bestuur dat uit meerdere personen bestaat, waaronder de door het bestuursorgaan aangestelde directeur. In het orgaan van dagelijks bestuur zetelen naast de directeur ten hoogste twee leden van het bestuursorgaan. In afwijking hiervan zetelen naast de directeur ten hoogste vier leden van het bestuursorgaan in het orgaan van dagelijks bestuur, als de woonmaatschappij minstens 5000 sociale huurwoningen in beheer heeft of een werkingsgebied heeft dat minstens het grondgebied van vijftien gemeenten omvat.
   Het orgaan van dagelijks bestuur handelt als college. De vertegenwoordiging wat het dagelijks bestuur aangaat, kan in dat geval worden opgedragen aan een of meerdere leden van het dagelijks bestuur.
   Het bestuursorgaan kan onder zijn verantwoordelijkheid aan de directeur of aan het orgaan van dagelijks bestuur bijzondere volmachten toekennen voor aangelegenheden die verder strekken dan het dagelijks bestuur.
   § 6. Het bestuursorgaan, de met het dagelijks bestuur belaste directeur of het orgaan van dagelijks bestuur kunnen onder hun verantwoordelijkheid een of meer adviserende comités oprichten. Daarnaast kunnen het bestuursorgaan en het orgaan van dagelijks bestuur onder hun verantwoordelijkheid comités oprichten waaraan het een of meer bijzondere volmachten verleent. Het bestuursorgaan of het orgaan van dagelijks bestuur omschrijven hun samenstelling, hun duidelijk afgebakende opdracht en de wijze van besluitvorming.
   § 7. Mandaten in het orgaan van dagelijks bestuur en in de door het bestuursorgaan, door het orgaan van dagelijks bestuur of door de directeur opgerichte comités, opgenomen door andere dan de leden van het bestuursorgaan, zijn onbezoldigd.
   De Vlaamse Regering kan de financiële voorwaarden van het mandaat van een lid van het bestuursorgaan vaststellen, met inbegrip van diens eventuele functies in het orgaan van dagelijks bestuur of in een door het bestuursorgaan, door de directeur of door het orgaan van dagelijks bestuur opgericht comité.
   De Vlaamse Regering kan de bevoegdheden en samenstelling van de comités, vermeld in paragraaf 6, regelen.
   § 8. Na de fusie van twee of meer sociale huisvestingsmaatschappijen met het oog op de oprichting van een woonmaatschappij, bij oprichting van de woonmaatschappij door meerdere erkende woonactoren, of na de herstructurering van twee of meer woonmaatschappijen onderling, kan een hoger aantal bestuursleden aangesteld blijven dan vermeld in paragraaf 2. In dat geval mogen na de aanstelling van het eerste bestuursorgaan van de gefuseerde maatschappij geen nieuwe raadsleden worden aangesteld of mandaten van raadsleden worden verlengd zolang hun aantal te hoog is. Uiterlijk na de vervanging of verlenging van alle mandaten van de leden van het bestuursorgaan na de samenstelling van de eerste raad van bestuur van de gefuseerde maatschappij moet aan alle voorwaarden worden voldaan.]1

  
Art. 4.39 /5. [1 § 1. La société de logement est administrée par un organe d'administration collégial. Les membres de l'organe d'administration sont nommés pour six ans maximum, mais leur mandat est renouvelable de manière illimitée.
   § 2. L'organe d'administration se compose de quinze membres maximum, dont au maximum deux tiers sont du même sexe.
   § 3. L'organe d'administration est composé de manière à disposer d'une expertise suffisante pour les différentes activités de la société de logement, ainsi que d'une diversité suffisante en termes de compétences et de parcours. Le Gouvernement flamand peut imposer des exigences de compétences aux membres de l'organe d'administration.
   Au maximum deux membres de l'organe d'administration sont des administrateurs indépendants au sens du Décret de gouvernance. En cas de motif grave, l'assemblée générale peut révoquer à tout moment les administrateurs indépendants. L'article III.41 à III.43 du Décret de gouvernance s'applique dans la mesure où il n'y est pas dérogé dans le présent décret.
   § 4. Outre le nombre maximum de mandats d'administrateur déterminé au paragraphe 2, les sociétés de logement peuvent nommer un administrateur sur proposition de l'organe d'administration après avis contraignant des locataires sociaux. Le Gouvernement flamand peut fixer les modalités relatives à la manière dont l'organe d'administration obtient l'avis contraignant des locataires sociaux.
   § 5. L'organe d'administration peut confier la gestion quotidienne de la société de logement, ainsi que la représentation de la société en ce qui concerne cette administration, à un directeur désigné par l'organe d'administration ou à un organe d'administration quotidienne composé de plusieurs personnes, dont le directeur désigné par l'organe d'administration. Au maximum deux membres de l'organe d'administration siègent, en plus du directeur, au sein de l'organe d'administration quotidienne. Par dérogation à ce qui précède quatre membres au maximum de l'organe d'administration siègent au sein de l'organe d'administration quotidienne en plus du directeur, si la société de logement gère au moins 5 000 logements sociaux ou si sa zone d'exploitation couvre au moins le territoire de quinze communes.
   L'organe d'administration quotidienne agit en collège. Dans ce cas, la représentation de l'administration quotidienne peut être confiée à un ou plusieurs de ses membres.
   Sous sa responsabilité, l'organe d'administration peut octroyer des procurations spéciales au directeur ou à l'organe d'administration quotidienne pour toutes les questions qui sortent du champ d'action de l'administration quotidienne.
   § 6. L'organe d'administration, le directeur chargé de l'administration quotidienne ou l'organe d'administration quotidienne peut, sous sa responsabilité, créer un ou plusieurs comités consultatifs. En outre, l'organe d'administration et l'organe d'administration quotidienne peuvent, sous leur responsabilité, créer des comités auxquels ils accordent une ou plusieurs procurations spéciales. L'organe d'administration ou l'organe d'administration quotidienne détermine sa composition, sa mission nettement définie et le processus décisionnel.
   § 7. Les mandats au sein de l'organe d'administration quotidienne et des comités créés par l'organe d'administration, l'organe d'administration quotidienne ou le directeur, exercés par des personnes autres que les membres de l'organe d'administration, ne sont pas rémunérés.
   Le Gouvernement flamand peut déterminer les conditions financières du mandat d'un membre de l'organe d'administration, y compris ses fonctions éventuelles dans l'organe d'administration quotidienne ou dans un comité créé par l'organe d'administration, par le directeur ou par l'organe d'administration quotidienne.
   Le Gouvernement flamand peut régler les compétences et la composition des comités, visés au paragraphe 6.
   § 8. A la suite de la fusion de deux ou plusieurs sociétés de logement social en vue de former une société de logement, lors de la formation de la société de logement par plusieurs acteurs du logement agréés, ou à la suite de la restructuration de deux ou plusieurs sociétés de logement entre elles, un nombre plus élevé d'administrateurs peut continuer à être nommé que celui visé au paragraphe 2. Dans ce cas, après la nomination du premier organe d'administration de la société fusionnée, plus aucun nouvel administrateur ne peut être nommé ou plus aucun mandat ne peut être renouvelé tant que leur nombre est trop élevé. Il doit être satisfait à toutes les conditions au plus tard après le remplacement ou la prolongation de l'ensemble des mandats des membres de l'organe d'administration après la composition du premier conseil d'administration de la société fusionnée.]1

  
Art. 4.39 /6. [1 De Vlaamse Regering kan bijkomende voorwaarden vaststellen voor het interne beheer van de woonmaatschappij.]1
  
Art. 4.39 /6. [1 Le Gouvernement flamand peut imposer des conditions supplémentaires pour la gestion interne de la société de logement.]1
  
Hoofdstuk 5. [1 Doel, voorwerp, opdrachten en bevoegdheden]1
Chapitre 5. [1 But, objet, missions et compétences]1
Art. 4.39 /7. [1 De woonmaatschappij heeft als hoofdzakelijk doel in het algemeen belang bij te dragen aan het recht op menswaardig wonen en de uitvoering van het Vlaamse woonbeleid, vermeld in artikel 1.5 en 1.6.
   De woonmaatschappijen zijn de bevoorrechte uitvoerders van de missie van het Vlaams woonbeleid inzake de realisatie van een sociaal woonaanbod.]1

  
Art. 4.39 /7. [1 La société de logement a pour but principal de contribuer au droit général à un logement conforme à la dignité humaine et à l'exécution de la politique du logement flamande, visée aux articles 1.5 et 1.6.
   Les sociétés de logement sont les exécutants privilégiés de la mission de la politique du logement flamande en ce qui concerne la réalisation d'une offre de logement social.]1

  
Art. 4.40. [1 De woonmaatschappij voert binnen haar werkingsgebied de volgende opdrachten uit:
   1° het verbeteren van de woonvoorwaarden van de woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden, vooral de meest behoeftige onder hen, door te zorgen voor een voldoende aanbod van sociale huurwoningen of sociale koopwoningen, eventueel met inbegrip van gemeenschappelijke voorzieningen, met aandacht voor hun integratie in de lokale woonstructuur;
   2° het bijdragen tot de herwaardering van het woningbestand, door ongeschikte woningen of ongeschikte gebouwen te renoveren, te verbeteren en aan te passen of ze zo nodig te slopen en te vervangen;
   3° het verwerven van gronden en panden voor de realisatie van sociale woonprojecten en het ter beschikking stellen van sociale kavels;
   4° het huren of in erfpacht nemen van woningen of kamers op de private huurmarkt om kwaliteitsvolle woningen of kamers te verhuren aan woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden tegen een redelijke huurprijs en met aandacht voor het bieden van woonzekerheid;
   5° het begeleiden van sociale huurders om hen vertrouwd te maken met hun rechten en plichten als huurder;
   6° het verruimen van het sociaal woonaanbod door de kandidaat-verhuurders en de verhuurders te begeleiden en te ondersteunen om de woningkwaliteit te verzekeren conform de normen, vermeld in artikel 3.1;
   7° het samenwerken en overleggen met lokale besturen en woonen welzijnsactoren, en, indien wenselijk, het nemen van initiatieven om samenwerkingsverbanden op te zetten.]1

  
Art. 4.40. [1 La société de logement exécute au sein de sa zone d'activité les missions suivantes :
   1° améliorer les conditions de logement des ménages et isolés mal logés, en particulier des plus nécessiteux d'entre eux, en assurant une offre suffisante de logements locatifs ou acquisitifs sociaux, éventuellement y compris les équipements communautaires, en portant une attention particulière à leur intégration dans la structure de logement locale ;
   2° contribuer à la revalorisation du patrimoine de logements en rénovant, en améliorant et en adaptant ou, si nécessaire, en démolissant et en remplaçant les logements ou bâtiments inadéquats ;
   3° acquérir des terrains et des bâtiments afin de réaliser des projets de logement social et d'assurer la disponibilité de lots sociaux ;
   4° louer ou prendre en emphytéose des logements ou des chambres sur le marché locatif privé en vue de donner en location des logements ou des chambres de qualité à des ménages et isolés mal logés, à un loyer raisonnable et avec une attention particulière à la sécurité de logement ;
   5° accompagner les locataires sociaux afin de les familiariser avec leurs droits et obligations en tant que locataire ;
   6° élargir l'offre de logements sociaux en accompagnant et en soutenant les candidats bailleurs et les bailleurs afin d'assurer la qualité du logement conformément aux normes visées à l'article 3.1 ;
   7° collaborer et se concerter avec les administrations locales et les acteurs du domaine du logement et du bien-être et, si cela est souhaitable, prendre des initiatives pour mettre en place des partenariats.]1

  
Art. 4.40 /1. [1 De woonmaatschappij draagt in voldoende mate bij aan het bereiken van het bindend sociaal objectief, vermeld in artikel 2.27, van de gemeenten in de werkingsgebieden waarvoor ze erkend is, tenzij ze aantoont dat er externe factoren zijn die verantwoorden waarom het objectief niet wordt bereikt. De Vlaamse Regering bepaalt de methodologie en de criteria aan de hand waarvan wordt beoordeeld of de woonmaatschappij in voldoende mate bijdraagt aan het bereiken van het bindend sociaal objectief van de gemeenten in haar werkingsgebied.]1
  
Art. 4.40 /1. [1 La société de logement contribue dans une mesure suffisante à atteindre l'objectif social contraignant, visé à l'article 2.27, des communes au sein des zones d'activité pour lesquelles elle est agréée, sauf si elle démontre l'existence de facteurs externes justifiant la raison pour laquelle l'objectif n'est pas atteint. Le Gouvernement flamand arrête la méthodologie et les critères servant à évaluer si la société de logement contribue suffisamment à atteindre l'objectif social contraignant des communes au sein de sa zone d'activité.]1
  
Art. 4.40 /2. [1 Een gedeelte van de sociale huurwoningen is aangepast aan de behoeften van grote gezinnen, bejaarden en personen met een handicap.]1
  
Art. 4.40 /2. [1 Une partie des logements locatifs sociaux est adaptée aux besoins des familles nombreuses, des personnes âgées et des personnes handicapées.]1
  
Art. 4.41. [1 De woonmaatschappij is voldoende actief in alle gemeenten die behoren tot haar werkingsgebied.]1
  
Art. 4.41. [1 La société de logement est suffisamment active dans toutes les communes appartenant à sa zone d'activité.]1
  
Hoofdstuk 4.
Chapitre 4.
Art. 4.42. [1 § 1. De woonmaatschappij kan een aanbod van geconventioneerde huurwoningen inhuren en verwerven van private initiatiefnemers als vermeld in artikel 5.52/1.
   De woonmaatschappij kan ook zelf ten belope van ten hoogste 20 procent van haar jaarlijkse investeringsvolume een aanbod van geconventioneerde huurwoningen realiseren. De Vlaamse Regering bepaalt de berekeningswijze. De woonmaatschappij hanteert gescheiden boekhoudingen voor haar taken met betrekking tot het aanbod van geconventioneerde huurwoningen en haar taken met betrekking tot het sociaal woonaanbod.
   § 2. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden over de maximale huurprijs, de korting op de huurprijs, de inkomens- en eigendomsvoorwaarde waaraan de huurder voldoet, de wijze waarop gecontroleerd wordt of een huurder in aanmerking komt voor een geconventioneerde huurwoning en de voorwaarden waaronder een geconventioneerde huurwoning wordt verhuurd.
  [2 De Vlaamse Regering kan binnen de afgebakende doelgroep van woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden, vermeld in artikel 1.3, Ї 1, eerste lid, 14А /1, bijzondere doelgroepen bepalen tot wie de projectgebonden oproep tot kandidaatstelling, vermeld in het vierde lid, zich kan richten.]2
   [2 ...]2 De [2 geconventioneerde huurwoningen worden toegewezen door]2 het beslissingsorgaan van de woonmaatschappij of de persoon of personen die hij daartoe aanstelt, rekening houdend met:
   1° de interesse van de [2 aanvrager van een geconventioneerde huurwoning]2 in een of meerdere woningen in het project;
   2° de toewijzingsregels die de Vlaamse Regering vaststelt, waarbij ze rekening houdt met de bijzondere doelstellingen van het woonbeleid, vermeld in artikel 1.6, Ї 2.
  [2 3А de voorrangsregel die de Vlaamse Regering vaststelt over de lokale binding van de aanvrager van een geconventioneerde huurwoning met de gemeente waar de geconventioneerde huurwoning ligt, als de gemeente beslist om die voorrangsregel toe te passen;
   4А in voorkomend geval, het reglement, vermeld in artikel 5.52/3, eerste lid, dat de gemeente of het intergemeentelijk samenwerkingsverband heeft opgemaakt onder de voorwaarden die de Vlaamse Regering vaststelt.]2

  [2 De kandidaatstelling voor een geconventioneerde huurwoning gebeurt na een projectgebonden oproep of in voorkomend geval, volgens de wijze die opgenomen is in het reglement, vermeld in het derde lid, 4А.]2
   § 3. De Vlaamse Regering stelt voor de verhuur van de geconventioneerde huurwoningen een typeovereenkomst vast voor de huurders die in aanmerking komen voor een geconventioneerde huurwoning. Van de typehuurovereenkomsten kan alleen worden afgeweken in de gevallen die de Vlaamse Regering bepaalt.
   De typehuurovereenkomst, vermeld in het eerste lid, bevat minstens de volgende regelingen:
   1° een regeling voor de duurtijd van de huurovereenkomst;
   2° een regeling voor de opzegmogelijkheden van de huurder en de verhuurder.
   § 4. De Vlaamse Regering kan, afhankelijk van de kredieten die daartoe op de begroting van het Vlaamse Gewest worden ingeschreven, een subsidie verlenen voor de realisatie van geconventioneerde huurwoningen en de aanleg of de aanpassing van infrastructuur, vermeld in artikel 5.23. De Vlaamse Regering legt de voorwaarden vast waaronder ze de subsidie verleent.]1

  
Art. 4.42. [1 La société de logement peut prendre en location et acquérir une offre de logements locatifs conventionnés d'initiateurs privés tels que visés à l'article 5.52/1.
   La société de logement peut également réaliser elle-même une offre de logements locatifs conventionnés à concurrence de 20 pour cent maximum de son volume d'investissement annuel. Le Gouvernement flamand arrête le mode de calcul. La société de logement tient des comptabilités séparées pour ses tâchées liées à l'offre de logements locatifs conventionnés et ses tâches liées à l'offre de logement social.
   § 2. Le Gouvernement flamand arrête les conditions relatives au loyer maximal, la réduction sur le loyer, la condition de revenu et de propriété à laquelle le locataire doit satisfaire, le mode de vérification de l'éligibilité d'un locataire à un logement locatif conventionné et les conditions auxquelles un logement locatif conventionné est donné en location.
  [2 Le Gouvernement flamand peut déterminer, au sein du groupe cible délimité de ménages et d'isolés nécessitant un logement, tel que visé à l'article 1.3, § 1er, alinéa 1er, 14° /1, des groupes cibles particuliers auxquels l'appel à candidatures lié à un projet, tel que visé à l'alinéa 4, peut s'adresser.]2
  [2 ...]2 [2 Les logements locatifs conventionnés sont attribués par]2 l'organe décisionnel de la société de logement ou la ou les personnes qu'il désigne à cet effet sur la base des éléments suivants :
   1° l'intérêt du [2 demandeur d'un logement locatif conventionné]2pour un ou plusieurs logements du projet ;
   2° les règles d'attribution que fixe le Gouvernement flamand en tenant compte des objectifs particuliers de la politique du logement énoncés à l'article 1.6, § 2.
  [2 3° la règle de priorité établie par le Gouvernement flamand concernant l'enracinement local du demandeur d'un logement locatif conventionné avec la commune où se trouve le logement locatif conventionné, si la commune décide d'appliquer cette règle de priorité ;
   4° le cas échéant, le règlement visé à l'article 5.52/3, alinéa 1er, établi par la commune ou la structure de coopération intercommunale dans les conditions fixées par le Gouvernement flamand.]2

  [2 La candidature à un logement locatif conventionné se fait à la suite d'un appel lié à un projet ou, le cas échéant, selon les modalités précisées dans le règlement visé à l'alinéa 3, 4°.]2
   § 3. Le Gouvernement flamand établit, pour la mise en location des logements locatifs conventionnés, un contrat type à l'attention des locataires éligibles à un logement locatif conventionné. Il ne peut être dérogé au contrat de location type que dans les cas arrêtés par le Gouvernement flamand.
   Le contrat de bail type visé à l'alinéa 1er règle au moins :
   1° la durée du contrat de bail ;
   2° les possibilités de résiliation du locataire et du bailleur.
   § 4. Le Gouvernement flamand peut accorder, en fonction des crédits inscrits à cet effet au budget de la Région flamande, une subvention pour la réalisation de logements locatifs conventionnés et l'aménagement ou l'adaptation de l'infrastructure visée à l'article 5.23. Le Gouvernement flamand arrête les conditions auxquelles il accorde la subvention.]1

  
Art. 4.42 /1.[1 § 1. Voor de verhuring van de geconventioneerde woningen, vermeld in artikel 4.42, worden persoonsgegevens verwerkt met als doel:
   1° na te gaan of voldaan is aan de voorwaarden die de Vlaamse Regering vaststelt conform artikel 4.42;
   2° de juridische afwikkeling van de huurovereenkomst verzekeren.
   § 2. De verwerkingsverantwoordelijken zijn:
   1° de dienst die door de Vlaamse Regering belast is met de uitvoering van het woonbeleid;
   2А de woonmaatschappij.
   § 3. Met toepassing van paragraaf 1 kunnen de volgende categorieën van persoonsgegevens verwerkt worden:
   1° persoonlijke identificatiegegevens;
   2° het rijksregisternummer en de identificatienummers van de sociale zekerheid;
   3° persoonlijke kenmerken;
   4° gezinssamenstelling;
   5° gegevens over de lichamelijke of psychische gezondheid;
   6° financiële bijzonderheden;
   7° gegevens over onroerende rechten;
   8° woningkenmerken.
   [2 Alleen het statuut van de persoon kan worden opgevraagd en verwerkt met betrekking tot de gegevens over de lichamelijke of psychische gezondheid, vermeld in het eerste lid, 5А]2
   De Vlaamse Regering kan de categorieën van persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, nader omschrijven.
   § 4. De betrokkenen bij de verwerking van persoonsgegevens zijn:
   1° de aanvrager van een geconventioneerde huurwoning[2 of zijn vertegenwoordiger]2;
   2° de gezinsleden van de aanvrager van een geconventioneerde huurwoning;
   3° de huurder en zijn gezinsleden[2 of zijn vertegenwoordiger]2;
   4° de ex-huurder[2 of zijn vertegenwoordiger]2.
  [2 5° de gezinsleden van de huurder.]2
   § 5. De verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in paragraaf 2, 1А, past op de verwerkte persoonsgegevens een bewaartermijn van [2 maximaal щщn jaar toe na de definitieve beыindiging van de administratieve, gerechtelijke en buitengerechtelijke procedures en uiterlijk maximaal tien jaar]2 na de behandeling van het aanvraagdossier. De verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in paragraaf 2, 2А, past op de verwerkte persoonsgegevens een bewaartermijn van tien jaar toe na het einde van de huurovereenkomst.
   Ї 6. De verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in paragraaf 2, 1А, kan de persoonsgegevens doorgeven aan de woonmaatschappijen en de private initiatiefnemer, vermeld in artikel 5.52/1, voor het sluiten van de huurovereenkomst. De verwerkingsverantwoordelijken kunnen de persoonsgegevens gebruiken voor statistische verwerking en kunnen ze ter beschikking stellen van andere entiteiten van het beleidsdomein Omgeving voor statistische verwerking. De verwerkingsverantwoordelijken kunnen de persoonsgegevens ook doorgeven aan de toezichthouder, vermeld in artikel 4.79 van deze codex, om hem in staat te stellen het toezicht uit te oefenen.
   De Vlaamse Regering kan aanvullende entiteiten aanduiden waaraan persoonsgegevens voor specifiek omschreven doeleinden kunnen worden doorgegeven.
   § 7. De verwerkingsverantwoordelijken verduidelijken in een privacyverklaring welke verwerkingen er gebeuren. Ze nemen met het oog op transparantie en de garantie van de rechten van betrokkenen in hun communicatie met de betrokkenen een verwijzing op naar de vindplaats van de privacyverklaring.
   § 8. De dienst die door de Vlaamse Regering belast is met het woonbeleid, coördineert de elektronische gegevensstromen en elektronische informatie-uitwisseling tussen de diverse actoren, vermeld in dit artikel. Alle elektronische gegevens mogen in dat kader via de dienst die door de Vlaamse Regering belast is met het woonbeleid, uitgewisseld worden en kunnen door die dienst, die in dat geval verwerkingsverantwoordelijke is voor de opvraging en doorgifte, opgevraagd worden bij die gegevensbronnen. De dienst die door de Vlaamse Regering belast is met het woonbeleid, mag de gegevens ook gebruiken voor statistische verwerking en mag ze ter beschikking stellen van de andere entiteiten van het beleidsdomein Omgeving voor statistische verwerking. De dienst die door de Vlaamse Regering belast is met het woonbeleid, kan de persoonsgegevens verder verwerken voor doeleinden als vermeld in artikel 1.5 die verenigbaar zijn met de oorspronkelijke doeleinden.]1

  
Art. 4.42 /1.[1 § 1er. En vue de la mise en location des logements conventionnés visés à l'article 4.42, des données à caractère personnel sont traitées dans le but :
   1° de vérifier si les conditions arrêtées par le Gouvernement flamand conformément à l'article 4.42 sont remplies ;
   2° d'assurer le règlement juridique du contrat de bail.
   § 2. Les responsables du traitement sont :
   1° le service chargé par le Gouvernement flamand de la mise en oeuvre de la politique du logement ;
   2° la société de logement.
   § 3. En application du paragraphe 1er, les catégories suivantes de données à caractère personnel peuvent être traitées :
   1° les données d'identification personnelles ;
   2° le numéro de registre national et les numéros d'identification à la sécurité sociale ;
   3° les caractéristiques personnelles ;
   4° la composition du ménage ;
   5° les données relatives à la santé physique ou mentale ;
   6° les particularités financières ;
   7° les données relatives aux droits immobiliers ;
   8° les caractéristiques du logement.
  [2 Seul le statut de la personne peut être demandé et traité en ce qui concerne les données relatives à la santé physique ou mentale visée à l'alinéa 1er, 5°.]2
   Le Gouvernement flamand peut préciser les catégories de données à caractère personnel visées à l'alinéa 1er.
   § 4. Les personnes concernées par le traitement de données à caractère personnel sont :
   1° le demandeur d'un logement locatif conventionné [2 ou son représentant ]2;
   2° les membres du ménage du demandeur d'un logement locatif conventionné ;
   3° le locataire [2 et les membres de son ménage]2 ;
   4° l'ex-locataire[2 ou son membres de son ménage]2.
  [2 5° les membres de la famille du locataire.]2
   § 5. Le responsable du traitement mentionné dans le paragraphe 2, 1°, applique aux données à caractère personnel traitées une durée de conservation [2 de maximum un an suivant la fin définitive des procédures administratives, judiciaires et extrajudiciaires et jusqu'à dix ans maximum]2 après le traitement du dossier de demande. Le responsable du traitement mentionné dans le paragraphe 2, 2°, applique aux données à caractère personnel traitées une durée de conservation de dix ans après la fin du contrat de bail.
   § 6. Le responsable du traitement mentionné dans le paragraphe 2, 1°, peut transférer les données à caractère personnel aux sociétés de logement et à l'initiateur privé visé à l'article 5.52/1, pour la conclusion du contrat de bail. Les responsables du traitement peuvent utiliser les données à caractère personnel pour traitement statistique et les mettre à la disposition d'autres entités du domaine politique de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire pour traitement statistique. Les responsables du traitement peuvent également transférer les données à caractère personnel au contrôleur visé à l'article 4.79 du présent Code afin de lui permettre d'exercer son contrôle.
   Le Gouvernement flamand peut désigner des entités additionnelles auxquelles des données à caractère personnel peuvent être transférées à des fins spécifiquement définies.
   § 7. Les responsables du traitement précisent les traitements effectués dans une déclaration de confidentialité. Dans un souci de transparence et de garantie des droits des personnes concernées, ils incluent dans leurs communications avec ces dernières une référence à l'emplacement de leur déclaration de vie privée.
   § 8. Le service chargé par le Gouvernement flamand de la politique du logement coordonne les flux de données électroniques et l'échange d'informations électroniques entre les différents acteurs mentionnés dans le présent article. Toutes les données électroniques peuvent être échangées dans ce cadre par le biais du service chargé par le Gouvernement flamand de la politique du logement et peuvent être recueillies auprès de ces sources de données par ce service qui, dans ce cas, est le responsable du traitement pour ce qui est du recueil et du transfert. Le service chargé par le Gouvernement flamand de la politique du logement peut également utiliser les données pour traitement statistique et les mettre à la disposition des autres entités du domaine politique de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire. Le service chargé par le Gouvernement flamand de la politique du logement peut effectuer un traitement ultérieur des données à caractère personnel aux fins visées à l'article 1.5 qui sont compatibles avec les finalités initiales.]1

  
Art. 4.42 /2. [1 De woonmaatschappij kan ten belope van ten hoogste 5 procent van haar jaarlijkse investeringsvolume een aanbod van betaalbare studentenkamers realiseren. De Vlaamse Regering bepaalt de berekeningswijze.
   De Vlaamse Regering kan inschrijvingsvoorwaarden bepalen. Een betaalbare studentenkamer wordt toegewezen door het beslissingsorgaan van de hogeronderwijsinstelling of een lokaal bestuur volgens de voorrangs- en toewijzingsregels die de Vlaamse Regering vaststelt.
   De Vlaamse Regering kan de wijze van huurprijsberekening van zowel hoofd- als onderhuurovereenkomst vaststellen.
   De Vlaamse Regering kan typehuurovereenkomsten vaststellen voor de hoofd- en onderhuurovereenkomst. Van de typehuurovereenkomsten kan alleen worden afgeweken in de gevallen die de Vlaamse Regering bepaalt.
   Binnen de perken van de kredieten die daarvoor op de begroting van het Vlaamse Gewest worden ingeschreven, kan de Vlaamse Regering, onder de voorwaarden die ze bepaalt, subsidies verlenen aan woonmaatschappijen voor de opdracht, vermeld in dit artikel.
   De Vlaamse Regering kan, afhankelijk van de kredieten die daartoe op de begroting van het Vlaamse Gewest worden ingeschreven, een subsidie verlenen voor de aanleg of de aanpassing van infrastructuur, vermeld in artikel 5.23, in het kader van de realisatie van betaalbare studentenkamers. De Vlaamse Regering legt de voorwaarden vast waaronder ze de subsidie verleent.]1

  
Art. 4.42 /2. [1 La société de logement peut réaliser une offre de chambres d'étudiant abordables à concurrence de 5 pour cent maximum de son volume d'investissement annuel. Le Gouvernement flamand arrête le mode de calcul.
  Le Gouvernement flamand peut arrêter des conditions d'inscription. Une chambre d'étudiant abordable est attribuée par l'organe de décision de l'établissement d'enseignement supérieur ou par une administration locale selon les règles de priorité et d'attribution fixées par le Gouvernement flamand.
  Le Gouvernement flamand peut déterminer la méthode de calcul du loyer pour le contrat de location principal et de sous-location.
  Le Gouvernement flamand peut établir des contrats de location types pour le contrat de location principal et de sous-location. Il ne peut être dérogé au contrat de location type que dans les cas arrêtés par le Gouvernement flamand.
  Dans les limites des crédits inscrits à cet effet au budget de la Région flamande, le Gouvernement flamand peut, dans les conditions qu'il fixe, accorder des subventions aux sociétés de logement pour la mission visée dans le présent article.
  Le Gouvernement flamand peut accorder, en fonction des crédits inscrits à cet effet au budget de la Région flamande, une subvention pour l'aménagement ou l'adaptation de l'infrastructure visée à l'article 5.23, dans le cadre de la réalisation de chambres d'étudiants abordables. Le Gouvernement flamand arrête les conditions auxquelles il accorde la subvention.]1

  
Art. 4.43. [1 De woonmaatschappij kan alleen niet-residentiële ruimten verwerven, realiseren, verhuren en verkopen als dat aangewezen is in het kader van de realisatie van sociale woonprojecten, en als de noodzaak ervan wordt verantwoord aan de hand van ruimere omgevingsfactoren die van invloed zijn op collectieve woonbehoeften of aan de hand van stedenbouwkundige voorschriften of van de architectonische en ruimtelijke aspecten die de voorziening minder geschikt maken voor de uitoefening van het recht op wonen in al haar subcomponenten, vermeld in artikel 1.5. De verrichtingen in dat verband hebben altijd een subsidiair en accessoir karakter ten opzichte van de algemene en bijzondere doelstellingen van het sociale woonbeleid en kaderen in de ruimere integratie van het woonbeleid in andere beleidsvelden. Die verrichtingen komen niet in aanmerking voor subsidies die worden verstrekt in het kader van het sociale woonbeleid.
   De inkomsten en uitgaven worden op een transparante wijze afgezonderd van de andere financiële stromen van de woonmaatschappij.
   De woonmaatschappij wendt de netto-opbrengst van verkoop of verhuring aan in het kader van haar opdrachten, vermeld in artikel 4.40, 4.42, 4.44, en het eerste lid van dit artikel. De Vlaamse Regering kan daarover nadere regels bepalen.
   De Vlaamse Regering kan de voorwaarden waaronder woonmaatschappijen niet-residentiële ruimten kunnen verwerven, realiseren, verhuren en verkopen, nader regelen.]1

  
Art. 4.43. [1 La société de logement social ne peut acquérir, réaliser, mettre en location et vendre des espaces non résidentiels que si cela est utile à la réalisation de projets de logement social et que la nécessité en est justifiée par des facteurs environnementaux plus larges qui influent sur les besoins collectifs en matière de logement ou par des prescriptions urbanistiques ou des aspects architectoniques et spatiaux qui rendent l'équipement moins approprié à l'exercice du droit au logement dans tous ses sous-composants, visé à l'article 1.5. Ces opérations sont toujours subsidiaires et accessoires aux objectifs généraux et spécifiques de la politique du logement social et font partie de l'intégration plus large de la politique du logement dans d'autres domaines politiques. Ces opérations ne sont pas éligibles aux subventions accordées dans le cadre de la politique du logement social.
   Les revenus et dépenses sont séparés de manière transparente des autres flux financiers de la société de logement.
   La société de logement affecte le produit net de la vente ou de la location à ses missions visées aux articles 4.40, 4.42, 4.43 et 4.44. et à l'alinéa 1 du présent article. Le Gouvernement flamand peut fixer des règles en la matière.
   Le Gouvernement flamand peut arrêter les conditions dans lesquelles les sociétés de logement peuvent acquérir, réaliser, mettre en location et vendre des espaces non résidentiels.]1

  
Art. 4.44. [1 § 1. De Vlaamse Regering kan woonmaatschappijen erkennen om op te treden als kredietbemiddelaar van het Vlaams Woningfonds bij het verstrekken van de bijzondere sociale leningen, vermeld in artikel 5.65.
   Een woonmaatschappij kan erkend worden en blijven als kredietbemiddelaar als ze financieel gezond is en beschikt over personeel dat voldoet aan de vereisten van beroepskennis, geschiktheid en professionele betrouwbaarheid. De Vlaamse Regering kan aanvullende voorwaarden opleggen om erkend te worden.
   De Vlaamse Regering kan de erkenning van de woonmaatschappij als kredietbemiddelaar, vermeld in het eerste lid, opheffen.
   De Vlaamse Regering stelt de procedure vast voor de erkenning en de opheffing van de erkenning als kredietbemiddelaar.
   De woonmaatschappij die conform het eerste lid als kredietbemiddelaar erkend is, wordt toegelaten om op te treden als kredietbemiddelaar inzake hypothecair krediet als vermeld in artikel VII.177, eerste lid, 1°, en tweede lid, van het Wetboek van economisch recht. Ze is vrijgesteld van de registratieplicht, vermeld in artikel VII.180 van het Wetboek van economisch recht.
  [2 De richtlijn 2014/17/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en verordening (EU) nr. 1093/2010 is niet van toepassing op de kredietbemiddelaars, vermeld in het eerste lid.]2
   § 2. Binnen de perken van de kredieten die daarvoor op de begroting van het Vlaamse Gewest ingeschreven worden, kan de Vlaamse Regering, onder de voorwaarden die ze bepaalt, subsidies verlenen voor de werking van de woonmaatschappijen die erkend zijn als kredietbemiddelaar. De subsidiëring ten laste van de uitgavenbegroting van het Vlaamse Gewest bedraagt nooit meer dan 100% van de totale kosten.]1

  
Art. 4.44. [1 § 1. Le Gouvernement flamand peut agréer des sociétés de logement pour agir en tant qu'intermédiaires de crédit du Fonds flamand du Logement lors de l'octroi des prêts sociaux spéciaux visés à l'article 5.65.
   Pour être et rester agréée en tant qu'intermédiaire de crédit, une société de logement doit être financièrement saine et disposer de personnel qui répond aux exigences en matière de connaissances professionnelles, d'aptitude et de fiabilité professionnelle. Le Gouvernement flamand peut imposer des conditions supplémentaires pour l'agrément.
   Le Gouvernement flamand peut abroger l'agrément de la société de logement en tant qu'intermédiaire de crédit visé à l'alinéa 1.
   Le Gouvernement flamand fixe la procédure de l'agrément et de l'abrogation de l'agrément en tant qu'intermédiaire de crédit.
   La société de logement social qui est agréée comme intermédiaire de crédit conformément à l'alinéa 1, est autorisée à agir en tant qu'intermédiaire en crédit hypothécaire visé à l'article VII.177, alinéa 1, 1°, et alinéa 2, du Code de droit économique. Elle est exemptée de l'obligation d'enregistrement visée à l'article VII.180 du Code de droit économique.
  [2 La directive 2014/17/UE du Parlement européen et du Conseil du 4 février 2014 sur les contrats de crédit aux consommateurs relatifs aux biens immobiliers à usage résidentiel et modifiant les directives 2008/48/CE et 2013/36/UE et le règlement (UE) n° 1093/2010 ne s'applique pas aux intermédiaires de crédit visés au premier alinéa.]2
   § 2. Dans les limites des crédits inscrits à cet effet au budget de la Région flamande, le Gouvernement flamand peut, dans les conditions qu'il fixe, accorder des subventions au fonctionnement des sociétés de logement qui sont agréées comme intermédiaire de crédit. Le subventionnement à charge du budget des dépenses de la Région flamande ne peut dépasser 100 % des frais totaux.]1

  
Art. 4.45. [1 § 1. Om de doeleinden te realiseren die te maken hebben met het sociaal woonaanbod, het [3 aanbod van geconventioneerde huurwoningen]3, of de realisatie van gemeenschapsvoorzieningen die een identificeerbare band hebben met nabijgelegen reeds bestaande of nog te realiseren sociale woningen, kan de woonmaatschappij:
   1° zakelijke rechten verwerven op alle onroerende goederen die nodig zijn voor de sociale huisvesting en voor de verwerving van onroerende goederen, of onroerende goederen huren;
   2° gebouwen slopen en oprichten;
   3° gebouwen waarop ze een zakelijk of persoonlijk recht bezit, renoveren, verbeteren, aanpassen en inrichten en ze verhuren;
   4° de bouwverplichting opleggen aan woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden aan wie ze zakelijke rechten op onroerende goederen afstaat en aan hen erfdienstbaarheden opleggen om het uitzicht en de functionele inrichting van groepen van woningen te behouden;
   5° overeenkomsten sluiten met betrekking tot onroerende goederen waarop of waarin woonprojecten in de privésector worden gerealiseerd;
   6° zakelijke rechten op onroerende goederen afstaan aan de entiteiten, vermeld in artikel 4.27, eerste lid.
  [3 7° opstal- en erfpachtrechten op onroerende goederen verlenen aan private initiatiefnemers als vermeld in artikel 5.52/1 met het oog op de realisatie van huurwoningen door private initiatiefnemers als vermeld in boek 5, deel 2, titel 9.]3
   § 2. Onder de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt, kan de woonmaatschappij in het kader van de uitvoering van grondbeleidsmaatregelen die noodzakelijk worden geacht om in de door de Vlaamse Regering te bepalen gebieden een hoogwaardige woonkwaliteit te behouden of te bevorderen:
   1° zakelijke rechten vestigen op alle onroerende goederen die nodig zijn om projecten te verwezenlijken waarbij een vermenging wordt gerealiseerd van enerzijds sociale huurwoningen, sociale koopwoningen of sociale kavels, en anderzijds:
   a) huurwoningen, koopwoningen of kavels die gefinancierd worden door Vlabinvest apb;
   b) een [3 aanbod van geconventioneerde huurwoningen]3;
   c) studentenkamers;
   d) zorgvoorzieningen als vermeld in artikel 1.3, § 1, eerste lid, 75° ;
   e) woningen van de privésector;
   f) functiegebonden gebouwen van publieke en semipublieke rechtspersonen;
   2° de onroerende goederen, vermeld in punt 1°, huren;
   3° de onroerende goederen die ze zelf heeft verworven met toepassing van punt 1°, aan de sociale huisvestingsmaatschappijen, aan Vlabinvest apb, of functiegebonden aan de initiatiefnemers van projecten als vermeld in punt 1° verkopen, er zakelijke rechten op afstaan of verhuren.
   § 3. De woonmaatschappij verkoopt haar onroerende goederen openbaar. Ze kan ze enkel uit de hand verkopen aan:
   1° de woonmaatschappijen;
   2° gezinnen of alleenstaanden, overeenkomstig artikel 5.91;
   3° gemeenten, autonome gemeentebedrijven, intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, het Vlaams Woningfonds, OCMW's of welzijnsverenigingen, voor doeleinden die te maken hebben met sociaal woonaanbod[3 ...]3 of de realisatie van gemeenschapsvoorzieningen die een identificeerbare band hebben met nabijgelegen reeds bestaande of nog te realiseren sociale woningen;
   4° initiatiefnemers van en partners in projecten als vermeld in paragraaf 2, 1°, onder de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt;
   5° andere personen, voor zover de onroerende goederen in kwestie niet meer van nut zijn voor huisvesting, en een openbare verkoop niet de venale waarde oplevert of de kosten van een openbare verkoop niet in verhouding staan tot de venale waarde en voor zover voldaan is aan de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt;
   6° Vlabinvest apb.
   § 4. De woonmaatschappij kan voor de uitvoering van haar opdrachten onder de voorwaarden die de Vlaamse Regering vaststelt, onroerende goederen van andere sociale woonorganisaties, gemeenten en OCMW's in beheer nemen.
   § 5. De Vlaamse Regering kan de woonmaatschappij machtigen om roerende en onroerende giften en legaten te aanvaarden.
   § 6. De woonmaatschappij kan eveneens haar onroerende goederen uit de hand verkopen aan derden, en haar rechten op grondreserves onder bezwarende titel afstaan aan derden, telkens om woonprojecten te verwezenlijken door middel van publiek-private samenwerking of om woonprojecten te verwezenlijken waarbij enerzijds sociale koopwoningen, sociale huurwoningen of sociale kavels, en anderzijds woningen van de privésector worden gemengd.
   § 7. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de onroerende transacties, inbegrepen de vrijwillige verkoop van sociale huurwoningen, door woonmaatschappijen.
   Voor de toepassing van deze paragraaf:
   1° worden persoonsgegevens verwerkt met als doel na te gaan of voldaan is aan de voorwaarden en de verplichtingen die de Vlaamse Regering vaststelt conform het eerste lid;
   2° is de woonmaatschappij de verwerkingsverantwoordelijke, [5 ...]5, van de algemene verordening gegevensbescherming;
   3° kunnen de volgende categorieën van persoonsgegevens worden verwerkt:
   a) identificatiegegevens;
   b) persoonlijke kenmerken;
   c) woningkenmerken;
   d) het rijksregisternummer en de identificatienummers van de sociale zekerheid;
   e) gezinssamenstelling;
   f) gegevens over onroerende rechten;
   g) gegevens over de lichamelijke of psychische gezondheid;
   4° zijn de betrokkenen bij de verwerking van persoonsgegevens:
   a) de kandidaat-koper of zijn vertegenwoordiger;
   b) de gezinsleden van de kandidaat-koper;
   5° geldt een bewaartermijn van tien jaar te rekenen vanaf de ondertekening van de verkoopakte;
   6° kan de verwerkingsverantwoordelijke de persoonsgegevens gebruiken voor statistische verwerking en ter beschikking stellen van andere entiteiten van het beleidsdomein Omgeving voor statistische verwerking. De verwerkingsverantwoordelijke kan de persoonsgegevens ook doorgeven aan de toezichthouder, vermeld in artikel 4.79 van deze codex, om hem in staat te stellen het toezicht uit te oefenen.
   De Vlaamse Regering kan de categorieën van persoonsgegevens, vermeld in het tweede lid, 3°, nader omschrijven.
   De verwerkingsverantwoordelijke verduidelijkt in een privacyverklaring welke verwerkingen er gebeuren. Hij neemt met het oog op transparantie en de garantie van de rechten van betrokkenen in zijn communicatie met de betrokkenen een verwijzing op naar de vindplaats van de privacyverklaring.
   [2 [3 De dienst die door de Vlaamse Regering belast is met het woonbeleid, coördineert de elektronische gegevensstromen en elektronische informatie-uitwisseling tussen de diverse actoren, vermeld in deze paragraaf. Alle elektronische gegevens mogen in dat kader via de dienst die door de Vlaamse Regering belast is met het woonbeleid, uitgewisseld worden en kunnen door die dienst, die in dat geval verwerkingsverantwoordelijke is voor de opvraging en doorgifte, opgevraagd worden bij de gegevensbronnen. De dienst die door de Vlaamse Regering belast is met het woonbeleid, mag de gegevens ook gebruiken voor statistische verwerking en mag ze ter beschikking stellen van de andere entiteiten van het beleidsdomein Omgeving voor statistische verwerking. De dienst die door de Vlaamse Regering belast is met het woonbeleid, kan de persoonsgegevens verder verwerken voor doeleinden als vermeld in artikel 1.5 die verenigbaar zijn met de oorspronkelijke doeleinden]3.]1

  
Art. 4.45. [1 § 1. Afin de réaliser les objectifs liés à [3 l'offre de logements locatifs conventionnés ]3 social, à[3 l'offre de logements locatifs conventionnés]3 ou à la réalisation d'équipements communautaires qui ont un lien identifiable avec des logements sociaux voisins déjà existants ou à réaliser, la société de logement peut :
   1° acquérir des droits réels sur tous les biens immeubles nécessaires au logement social et à l'acquisition de biens immeubles, ou louer des biens immeubles ;
   2° démolir et ériger des bâtiments ;
   3° rénover, améliorer, adapter, aménager et mettre en location les bâtiments sur lesquels elle a un droit réel ou personnel ;
   4° imposer l'obligation de bâtir aux ménages et isolés mal logés auxquels elle transfère des droits réels sur des biens immeubles et leur imposer des servitudes afin de préserver l'apparence et l'aménagement fonctionnel de groupes de logements ;
   5° conclure des contrats relatifs à des biens immeubles sur lesquels ou dans lesquels sont réalisés des projets de logement dans le secteur privé ;
   6° céder des droits réels immobiliers aux entités visées à l'article 4.27, alinéa 1.
  [3 7° accorder des droits de superficie et d'emphytéose sur des biens immeubles à des initiateurs privés tels que visés à l'article 5.52/1 en vue de la réalisation de logements locatifs par des initiateurs privés tels que visés dans le livre 5, partie 2, titre 9. ]3
   § 2. Aux conditions déterminées par le Gouvernement flamand, la société de logement peut dans le cadre de l'exécution de mesures de politique foncière jugées nécessaires pour maintenir ou promouvoir un logement de qualité dans les régions à déterminer par le Gouvernement flamand :
   1° établir des droits réels sur tous les biens immeubles nécessaires à la réalisation de projets offrant un mélange, d'une part, de logements locatifs sociaux, de logements acquisitifs sociaux ou de lots sociaux et, d'autre part :
   a) de logements locatifs, de logements acquisitifs ou de lots, financés par Vlabinvest apb ;
   b) d'une offre locative modeste ;
   c) de chambres d'étudiants ;
   d) de structures de soins telles que visées à l'article 1.3, § 1, alinéa 1, 75° ;
   e) de logements du secteur privé ;
   f) de bâtiments à fonction spécifique des personnes morales publiques et semi-publiques ;
   2° louer les biens immeubles énumérés au point 1° ;
   3° vendre ou mettre en location les biens immeubles qu'elle a acquis par application du 1°, aux sociétés de logement social, à Vlabinvest apb ou, pour une fonction spécifique, aux initiateurs des projets visés au point 1°, ou en céder les droits réels.
   § 3. La société de logement vend ses biens immeubles publiquement. Elle ne peut les vendre de gré à gré qu'aux parties suivantes :
   1° les sociétés de logement ;
   2° les ménages ou personnes isolées, conformément à l'article 5.91 ;
   3° les communes, les régies communales autonomes, les partenariats intercommunaux, le Fonds flamand du Logement, les centres publics d'aide sociale ou les associations d'aide sociale, à des fins liées à l'offre de logement social,[3 ...]3 à la réalisation d'équipements communautaires ayant un lien identifiable avec des logements sociaux voisins déjà existants ou à réaliser ;
   4° les initiateurs et partenaires des projets visés au paragraphe 2, 1°, dans les conditions fixées par le Gouvernement flamand ;
   5° d'autres personnes, pour autant que les biens immeubles en question ne soient plus utiles à l'habitation, et qu'une vente publique ne rapporte pas la valeur vénale ou que les frais d'une vente publique ne soient pas proportionnels à la valeur vénale et pour autant qu'il soit satisfait aux conditions fixées par le Gouvernement flamand ;
   6° Vlabinvest apb.
   § 4. La société de logement peut, pour la réalisation de ses missions et dans les conditions définies par le Gouvernement flamand, prendre en gestion des biens immobiliers d'autres organisations de logement social, de communes et de CPAS.
   § 5. Le Gouvernement flamand peut autoriser la société de logement à accepter des dons et des legs meubles et immeubles.
   § 6. La société de logement peut également vendre ses biens immeubles de gré à gré à des tiers et céder ses droits sur les réserves foncières à des tiers à titre onéreux, chaque fois dans le but de réaliser des projets de logement par le biais de partenariats public-privé ou des projets de logement impliquant un mélange de logements locatifs sociaux, de logements acquisitifs sociaux ou de lots sociaux d'une part, et de logements du secteur privé d'autre part.
   § 7. Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités des transactions immobilières, en ce compris la vente volontaire de logements locatifs sociaux, par les sociétés de logement.
   Pour l'application de ce paragraphe :
   1° des données à caractère personnel sont traitées dans le but de vérifier s'il est satisfait aux conditions et aux obligations fixées par le Gouvernement flamand conformément à l'alinéa 1 ;
   2° la société de logement est le responsable du traitement[5 ...]5 ;
   3° les catégories suivantes de données à caractère personnel peuvent être traitées :
   a) les données d'identification ;
   b) les caractéristiques personnelles ;
   c) les caractéristiques du logement ;
   d) le numéro de registre national et les numéros d'identification de la Sécurité sociale ;
   e) la composition de ménage ;
   f) les données relatives aux droits immobiliers ;
   g) les données relatives à la santé physique ou mentale ;
   4° les parties impliquées dans le traitement des données à caractère personnel sont :
   a) le candidat acquéreur ou son représentant ;
   b) les membres de la famille du candidat acquéreur ;
   5° un délai de conservation de 10 ans s'applique à compter de la signature de l'acte de vente ;
   6° le responsable du traitement peut utiliser les données à caractère personnel à des fins statistiques et les mettre à la disposition d'autres entités du domaine politique de l'Environnement à des fins statistiques. Le responsable du traitement peut également transmettre les données à caractère personnel au contrôleur visé à l'article 4.79 du présent Code afin de lui permettre d'exercer son contrôle.
   Le Gouvernement flamand peut préciser les catégories de données à caractère personnel, visées à l'alinéa 2, 3°.
   Le responsable du traitement précise les traitements effectués dans une déclaration de vie privée. Dans un souci de transparence et de garantie des droits des personnes concernées, il inclut dans ses communications avec ces dernières une référence à l'emplacement de sa déclaration de vie privée.
  [4 Le service chargé par le Gouvernement flamand de la politique du logement, coordonne les flux de données électroniques et l'échange d'informations électroniques entre les différents acteurs mentionnés dans le présent paragraphe. Toutes les données électroniques peuvent être échangées dans ce cadre par le biais du service chargé par le Gouvernement flamand de la politique du logement et peuvent être recueillies auprès des sources de données par ce service qui, dans ce cas, est le responsable du traitement pour ce qui est du recueil et du transfert. Le service chargé par le Gouvernement flamand de la politique du logement peut également utiliser les données pour traitement statistique et les mettre à la disposition des autres entités du domaine politique de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire. Le service chargé par le Gouvernement flamand de la politique du logement peut effectuer un traitement ultérieur des données à caractère personnel aux fins visées à l'article 1.5 qui sont compatibles avec les finalités initiales.]4
  
Art. 4.46. [1 De Vlaamse Regering kan de nadere regels vaststellen voor samenwerkingsverbanden tussen een woonmaatschappij en andere instanties en tussen woonmaatschappijen onderling.]1
  
Art. 4.46. [1 Le Gouvernement flamand peut fixer les modalités des partenariats entre une société de logement et d'autres instances et les sociétés de logement entre elles.]1
  
Hoofdstuk 5.
Chapitre 5.
Art. 4.46 /1. [1 § 1. Met behoud van de toepassing van artikel 5.61, kan de woonmaatschappij na goedkeuring door of krachtens de Vlaamse Regering rechtstreeks of onrechtstreeks belangen nemen in rechtspersonen waarvan de activiteiten in overeenstemming zijn met hun doel en voorwerp.
   § 2. Het bestuursorgaan van de woonmaatschappij rapporteert in het jaarverslag over de rechtstreekse of onrechtstreekse participaties van de woonmaatschappij en over de bijdrage van die participaties aan de verwezenlijking van haar voorwerp.
   § 3. De woonmaatschappij wendt de netto-opbrengst van de participatie, vermeld in paragraaf 1, aan in het kader van haar opdrachten, vermeld in artikel 4.40, 4.42, 4.43 en 4.44.]1

  
Art. 4.46 /1. [1 § 1. Sans préjudice de l'application de l'article 5.61, la société de logement peut, après approbation ou en vertu du Gouvernement flamand, prendre des intérêts directs ou indirects dans des personnes morales dont les activités correspondent à son but et son objet.
   § 2. L'organe d'administration de la société de logement mentionne dans le rapport annuel les participations directes ou indirectes de la société de logement et la contribution de ces participations à la réalisation de son objet.
   § 3. La société de logement affecte le produit net de la participation, visée au paragraphe 1, à ses missions visées aux articles 4.40, 4.42, 4.43 et 4.44.]1

  
Art. 4.46 /1/1. [1 De Vlaamse Regering bepaalt onder welke voorwaarden een woonmaatschappij die woningen inhuurt en verhuurt overeenkomstig haar opdracht, vermeld in artikel 4.40, 4А, een toelage kan ontvangen van het Solidariseringsfonds.
   Het Solidariseringsfonds, vermeld in het eerste lid, wordt gefinancierd door bijdragen van de woonmaatschappij gebaseerd op de huurinkomsten van sociale huurwoningen die de woonmaatschappij verhuurt overeenkomstig haar opdracht, vermeld in artikel 4.40, 1А.
   De Vlaamse Regering bepaalt de berekeningswijze van de bijdragen van de woonmaatschappij aan het Solidariseringsfonds, de manier waarop de financiыle middelen uit het Solidariseringsfonds omgezet worden in een toelage aan de woonmaatschappijen en regelt de werkwijze van het Solidariseringsfonds.]1

  
Art. 4.46 /1/1. [1 Le Gouvernement flamand détermine les conditions dans lesquelles une société de logement qui prend et met en location des logements conformément à sa mission visée à l'article 4.40, 4°, peut recevoir une allocation du fonds de solidarité.
  Le fonds de solidarité visé à l'alinéa 1er, est alimenté par des contributions de la société de logement basées sur les revenus de location des logements locatifs sociaux que la société de logement loue conformément à sa mission, visée à l'article 4.40, 1°.
  Le Gouvernement flamand détermine la méthode de calcul des contributions de la société de logement au fonds de solidarité, la manière dont les ressources financières du fonds de solidarité sont converties en une allocation aux sociétés de logement et réglemente le fonctionnement du fonds de solidarité]1

  
Hoofdstuk 6. [1 Vermogen van de woonmaatschappij en instandhouding ervan]1
Chapitre 6. [1 Patrimoine et maintien de la société de logement]1
Art. 4.46 /2.[1 De woonmaatschappij beschikt uiterlijk vanaf 1 januari 2024 over een patrimonium van ten minste 1000 sociale huurwoningen in beheer. Voor de berekening van het aantal sociale huurwoningen in beheer wordt rekening gehouden met de door de woonmaatschappij gerealiseerde en geplande sociale huurwoningen op 1 januari 2024, dan wel op de datum van de indiening van de aanvraag tot erkenning, als die later valt. Voor de berekening van het aantal woningen in beheer wordt geen rekening gehouden met de woningen die in huur genomen zijn op de private huurmarkt met het oog op onderverhuring conform de reglementering inzake het sociaal huurstelsel. Een sociale huurwoning is gepland als ze nog niet is gerealiseerd, maar de uitvoering of de gunningsprocedure voor de realisatie van de woning kan worden opgestart binnen een termijn van drie jaar. De realisatie van de geplande sociale huurwoningen is ten minste opgenomen in de meerjarenplanning, vermeld in artikel [2 2.22, § 2]2.]1
  
Art. 4 ,46/2.[1 La société de logement dispose au plus tard à compter du 1 janvier 2024 d'un patrimoine d'au moins 1000 logements locatifs sociaux en gestion. Pour le calcul du nombre de logements locatifs sociaux en gestion il est tenu compte des logements locatifs sociaux que la société de logement a réalisés et planifiés au 1 janvier 2024, ou à la date d'introduction de la demande d'agrément si cette date est postérieure. Pour le calcul du nombre de logements en gestion il n'est pas tenu compte des logements pris en location sur le marché locatif privé en vue de la sous-location conformément à la réglementation relative au régime de location sociale. Un logement locatif social est planifié s'il n'a pas encore été réalisé, mais l'exécution ou la procédure d'adjudication pour la réalisation du logement peut être lancée dans un délai de trois ans. La réalisation des logements locatifs sociaux planifiés doit au moins figurer dans le planning pluriannuel, visé à l'article [2 2.22, § 2]2.]1
  
Art. 4.46 /3. [1 De woonmaatschappij is niet in hoofdzaak gericht op het uitkeren of bezorgen van een rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel aan haar aandeelhouders en houdt zich dus aan de volgende uitkeringsbeperkingen:
   1° een vermogensvoordeel dat de woonmaatschappij aan haar aandeelhouders uitkeert, in welke vorm ook, mag op straffe van nietigheid niet hoger zijn dan de rentevoet die vastgesteld wordt door de Koning ter uitvoering van de wet van 20 juli 1955 houdende instelling van een Nationale Raad voor de Coöperatie, het Sociaal Ondernemerschap en de Landbouwonderneming, toegepast op de nominale waarde van de door de aandeelhouders werkelijk gestorte en nog niet terugbetaalde inbreng in het vermogen van de woonmaatschappij zoals geboekt op het ogenblik van de inbreng;
   2° winstuitkering is alleen mogelijk op voorwaarde dat, boven op de voorwaarde, vermeld in punt 1°, is voldaan aan de voorwaarde dat het bedrag van het maximaal uit te keren dividend aan de aandeelhouders alleen kan worden bepaald nadat een bedrag is bepaald dat de woonmaatschappij voorbehoudt aan projecten of bestemmingen die nodig of geschikt zijn om haar voorwerp te verwezenlijken; het bestuursorgaan brengt daarover jaarlijks een verslag uit, dat wordt opgenomen in het jaarverslag;
   3° bij uittreding of uitsluiting, zowel ten laste van het vennootschapsvermogen als ten gevolge van de toepassing van de geschillenregeling, vermeld in boek 2, titel 7, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, ontvangt de uittredende of uitgesloten aandeelhouder maximum de nominale waarde van zijn werkelijke gestorte en nog niet terugbetaalde inbreng in het vermogen van de woonmaatschappij zoals geboekt op het ogenblik van de inbreng;
   4° bij vereffening van de woonmaatschappij gaat het vermogen dat overblijft na de aanzuivering van het passief en de terugbetaling aan de aandeelhouders van de nominale waarde van hun werkelijke gestorte en nog niet terugbetaalde inbreng in het vermogen van de woonmaatschappij zoals geboekt op het ogenblik van de inbreng, over op een door de Vlaamse Regering aangewezen woonmaatschappij.]1

  
Art. 4 ,46/3. [1 La société de logement n'a pas pour vocation principale de distribuer ou de procurer un avantage patrimonial direct ou indirect à ses actionnaires et respecte donc les limites de distribution suivantes :
   1° un avantage patrimonial distribué sous quelque forme que ce soit par la société de logement à ses actionnaires ne peut, sous peine de nullité, excéder le taux d'intérêt fixé par le Roi en exécution de la loi du 20 juillet 1955 portant institution d'un Conseil national de la Coopération, de l'Entrepreunariat social et de l'entreprise Agricole, appliqué à la valeur nominale de l'apport au patrimoine de la société de logement réellement versé par les actionnaires et pas encore remboursé telle qu'enregistrée au moment de l'apport ;
   2° une distribution des bénéfices est possible uniquement à la condition que, outre celle visée au point 1°, il soit satisfait à la condition selon laquelle le montant du dividende maximum à distribuer aux actionnaires puisse uniquement être déterminé après la détermination d'un montant réservé par la société de logement à des projets ou affectations nécessaires ou adaptés à la réalisation de son objet ; l'organe d'administration rédige un rapport à ce sujet chaque année, lequel figure au rapport annuel ;
   3° en cas de démission ou d'exclusion, tant à la charge du patrimoine social qu'à la suite de l'application de la procédure de résolution des conflits internes visée au livre 2, titre 7 du Code des sociétés et des associations, l'actionnaire démissionnaire ou exclu reçoit au maximum la valeur nominale de son apport à l'actif de la société de logement réellement versé et pas encore remboursé telle qu'enregistrée au moment de l'apport ;
   4° en cas de liquidation de la société de logement, le patrimoine subsistant après apurement du passif et remboursement aux actionnaires de la valeur nominale de leur apport réellement versé et pas encore remboursé à l'actif de la société de logement telle qu'enregistrée au moment de l'apport, est transféré à une société de logement désignée par le Gouvernement flamand.]1

  
Art. 4.46 /4. [1 De woonmaatschappij verbindt zich ertoe haar financiële middelen die niet noodzakelijk zijn voor de dagelijkse werking te laten beheren door de VMSW. De Vlaamse Regering stelt de regeling voor het beheer van de middelen vast.]1
  
Art. 4 ,46/4. [1 La société de logement s'engage à ce que ses ressources financières, qui ne sont pas nécessaires à son fonctionnement quotidien, soient gérées par la VMSW. Le Gouvernement flamand arrête le règlement relatif à la gestion des ressources financières.]1
  
Hoofdstuk 7. [1 Interne en externe controle, toezicht, rekeningstelsel en rapportering]1
Chapitre 7. [1 Contrôle interne et externe, surveillance, plan comptable et rapport]1
Art. 4.46 /5. [1 De woonmaatschappij stelt een commissaris aan die wordt belast met de controles, vermeld in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen.]1
  
Art. 4.46 /5. [1 La société de logement nomme un commissaire chargé des contrôles visés dans le Code des sociétés et des associations.]1
  
Art. 4.46 /6. [1 De woonmaatschappij zorgt voor een behoorlijk werkend systeem van interne controle. De Vlaamse Regering kan de modaliteiten van de interne controle bepalen.]1
  
Art. 4.46 /6. [1 La société de logement prévoit un système de contrôle interne fonctionnant correctement. Le Gouvernement flamand peut fixer les modalités relatives au contrôle interne.]1
  
Art. 4.46 /7. [1 Het bestuursorgaan van de woonmaatschappij stelt een jaarverslag op waarin al de volgende gegevens worden opgenomen:
   1° de wijze van toezicht op de naleving van de erkenningsvoorwaarden;
   2° de activiteiten ter verwezenlijking van haar voorwerp en de daarvoor ingezette middelen;
   3° de verzoeken tot uittreding gedurende het voorgaande boekjaar. Daarbij worden ten minste de volgende gegevens vermeld:
   a) het aantal uitgetreden aandeelhouders en de soort aandelen waarmee ze zijn uitgetreden;
   b) het betaalde scheidingsaandeel en de eventuele andere modaliteiten;
   c) het aantal geweigerde verzoeken en de reden daarvoor;
   4° de door de Vlaamse Regering bepaalde rubrieken die ten minste moeten worden opgenomen.]1

  
Art. 4.46 /7. [1 L'organe d'administration de la société de logement rédige un rapport annuel dans lequel figurent toutes les données suivantes :
   1° la méthode de contrôle du respect des conditions d'agrément ;
   2° les activités menées afin de réaliser son objet et les moyens mis en oeuvre à cet effet ;
   3° les demandes de démission intervenues au cours de l'exercice comptable précédent. Les données suivantes doivent au minimum être mentionnées :
   a) le nombre d'actionnaires démissionnaires et la classe d'actions pour lesquelles ils ont démissionné ;
   b) la part de retrait versée ainsi que les autres modalités éventuelles ;
   c) le nombre de demandes refusées et le motif de refus ;
   4° les rubriques arrêtées par le Gouvernement flamand devant y figurer au minimum.]1

  
Art. 4.46 /8. [1 De woonmaatschappij en haar aandeelhouders verbinden zich ertoe om het toezicht zoals geregeld door deze codex en de besluiten ter uitvoering ervan te aanvaarden. De modelstatuten bepalen dat de aandeelhouders en bestuurders van de woonmaatschappij verplicht zijn het toezicht zoals dat geregeld is in deze codex te eerbiedigen en te doen eerbiedigen.]1
  
Art. 4.46 /8. [1 La société de logement et ses actionnaires s'engagent à accepter la surveillance telle que réglementée par le présent Code et ses arrêtés d'exécution. Les statuts modèles disposent que les actionnaires et les administrateurs de la société de logement sont contraints de respecter et de faire respecter la surveillance telle que réglementée dans le présent Code.]1
  
Art. 4.46 /9. [1 De woonmaatschappij bezorgt de door de Vlaamse Regering gevraagde informatie aan het Vlaamse Gewest of zijn organen, op eerste verzoek.]1
  
Art. 4.46 /9. [1 La société de logement fournit à la Région flamande ou ses organes, à la première demande, l'information demandée par le Gouvernement flamand.]1
  
Art. 4.46 /10. [1 De woonmaatschappij verleent haar actieve en volledige medewerking aan de procedure voor de prestatiebeoordeling van woonmaatschappijen. De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor de prestatiebeoordeling.]1
  
Art. 4.46 /10. [1 La société de logement apporte sa collaboration active et entière à la procédure d'évaluation des performances des sociétés de logement. Le Gouvernement flamand arrête la procédure d'évaluation des performances.]1
  
Art. 4.46 /11. [1 De Vlaamse Regering kan bijkomende voorwaarden vaststellen voor het rekeningstelsel dat de woonmaatschappijen hanteren.]1
  
Art. 4.46 /11. [1 Le Gouvernement flamand peut imposer des conditions supplémentaires pour le plan comptable appliqué par les sociétés de logement.]1
  
Art. 4.47. [1 De woonmaatschappij neemt, op eigen initiatief of op verzoek van de Vlaamse Regering, de nodige maatregelen om haar prestaties te verbeteren, onder meer door verbeterplannen op te maken en naar behoren uit te voeren.]1
  
Art. 4.47. [1 La société de logement prend, de sa propre initiative ou à la demande du Gouvernement flamand, les mesures nécessaires pour améliorer ses performances, notamment par l'établissement et la bonne exécution de plans d'amélioration.]1
  
Hoofdstuk 8. [1 Financiering]1
Chapitre 8. [1 Financement]1
Art. 4.48. [1 Met behoud van de mogelijkheid om de eigen middelen aan te wenden of om een projectsubsidie aan te vragen conform boek 5, deel 2, titel 3, hoofdstuk 1, titel 4, hoofdstuk 1, titel 5 en titel 6, financieren de woonmaatschappijen de verrichtingen die uitdrukkelijk verband houden met hun opdrachten, vermeld in artikel 4.40, 1° tot en met 3°,[3 4.42/2,]3 [4 ...]4, 4.43 en 4.44, met leningen die aangegaan zijn bij de VMSW of, onder de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt, bij derden. [2 De Vlaamse Regering legt]2 de voorwaarden voor het aangaan van leningen bij de VMSW vast in een algemeen reglement.[4 Voor de verrichtingen die uitdrukkelijk verband houden met hun opdrachten, vermeld in artikel 4.42, kunnen de woonmaatschappijen zowel de eigen middelen aanwenden als leningen aangaan bij de VMSW of, onder de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt, bij derden. De Vlaamse Regering legt de voorwaarden voor het aangaan van leningen bij de VMSW vast in een algemeen reglement.]4
   Als een woonmaatschappij een subsidie als vermeld in boek 5, deel 2, titel 3, hoofdstuk 1, titel 4, hoofdstuk 1, titel 5 en titel 6, ontvangt, kan de Vlaamse Regering bijzondere regels vaststellen om die subsidie geheel of gedeeltelijk te verrekenen in de kostprijs van de woningen of percelen die beschikbaar worden gesteld voor gezinnen. Die regeling kan zowel betrekking hebben op het woonproject of de wijk in kwestie, als op een deel of het geheel van het woningpatrimonium van de woonmaatschappij.
   Binnen de perken van de kredieten die daarvoor op de begroting van het Vlaamse Gewest worden ingeschreven, kan de Vlaamse Regering, onder de voorwaarden die ze bepaalt, subsidies verlenen voor de opdrachten, vermeld in artikel 4.40, 4°, 5° en 6°. De subsidiëring ten laste van de uitgavenbegroting van het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap bedraagt nooit meer dan 100% van de totale kosten.]1

  
Art. 4.48. [1 Sans préjudice de la possibilité d'utiliser leurs propres moyens ou de demander une subvention de projet conformément au livre 5, partie 2, titre 3, chapitre 1, titre 4, chapitre 1, titre 5 et titre 6, les sociétés de logement financent les opérations expressément liées à leurs missions telles que visées aux articles 4.40, 1° à 3°,[3 4.42/2,]3 4[4 ...]4, 4.43 et 4.44, par des emprunts contractés auprès de la VMSW ou, dans les conditions fixées par le Gouvernement flamand, auprès de tiers. [2 Le Gouvernement flamand fixe]2 dans un règlement général les conditions pour contracter des emprunts auprès de la VMSW.[4 Pour les opérations expressément liées à leurs missions visées à l'article 4.42, les sociétés de logement peuvent tant utiliser leurs propres moyens que contracter des emprunts auprès de la VMSW ou, aux conditions fixées par le Gouvernement flamand, auprès de tiers. Le Gouvernement flamand fixe dans un règlement général les conditions pour contracter des emprunts auprès de la VMSW.]4
   Lorsqu'une société de logement reçoit une subvention visée au livre 5, partie 2, titre 3, chapitre 1, titre 4, chapitre 1, titre 5 et titre 6, le Gouvernement flamand peut arrêter des modalités pour déduire cette subvention en tout ou en partie du coût des logements ou des parcelles mis à la disposition des ménages. Ce règlement peut s'appliquer tant au projet de logement ou au quartier en question qu'à une partie ou à l'ensemble du patrimoine de logements de la société de logement.
   Dans les limites des crédits inscrits à cet effet au budget de la Région flamande, le Gouvernement flamand peut, dans les conditions qu'il fixe, accorder des subventions pour les missions visées à l'article 4.40, 4°, 5° et 6°. Le subventionnement à charge du budget des dépenses de la Région flamande ou de la Communauté flamande ne peut dépasser 100 % des frais totaux.]1

  
Art. 4.49. [1 De Vlaamse Regering kan binnen de perken van de kredieten die daarvoor op de begroting van het Vlaamse Gewest ingeschreven worden, subsidies verlenen om woonmaatschappijen in staat te stellen op eigen initiatief hun prestaties te verbeteren. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden en de procedure om die subsidie te verkrijgen.]1
  
Art. 4.49. [1 Dans les limites des crédits inscrits à cet effet au budget de la Région flamande, le Gouvernement flamand peut accorder des subventions afin de permettre aux sociétés de logement d'améliorer leurs performances de leur propre initiative. Le Gouvernement flamand arrête les conditions et la procédure d'obtention de ces subventions.]1
  
Art. 4.50. [1 De Vlaamse Regering kan binnen de perken van de kredieten die daarvoor op de begroting van het Vlaamse Gewest ingeschreven worden, de eventuele nadelige financiële gevolgen voor een woonmaatschappij, ten gevolge van een herstructurering in de zin van boek 12 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, geheel of gedeeltelijk compenseren door een subsidie te verlenen. De kosten verbonden aan de herstructurering en de bijkomende lasten ten gevolge van de herstructurering kunnen worden gesubsidieerd. De Vlaamse Regering stelt daarvoor de nadere regels vast.]1
  
Art. 4.50. [1 Dans les limites des crédits inscrits à cet effet au budget de la Région flamande, le Gouvernement flamand peut compenser l'ensemble ou une partie des éventuelles conséquences financières défavorables pour une société de logement d'une restructuration au sens du livre 12 du Code des sociétés et des associations en accordant une subvention. Les frais liés à la restructuration et les charges supplémentaires qui en découlent peuvent donner lieu à une subvention. Le Gouvernement flamand arrête les modalités à cet effet.]1
  
Hoofdstuk 6.
Chapitre 6.
Hoofdstuk 9. [1 Sancties]1
Chapitre 9. [1 Sanctions]1
Art. 4.51. [1 Op eigen initiatief of op verzoek van de toezichthouder kan de Vlaamse Regering een woonmaatschappij die niet aan de erkenningsvoorwaarden voldoet, die de opdrachten, opgelegd bij decreet of bij besluit van de Vlaamse Regering, niet behoorlijk uitvoert, die de verbintenissen die ze is aangegaan niet nakomt, of waarvan de werking in gebreke blijft, de volgende sancties opleggen:
   1° de vervroeging van de eerstvolgende prestatiebeoordeling, conform de door de Vlaamse Regering vastgestelde procedure voor de beoordeling van de prestaties van woonmaatschappijen;
   2° de verplichting om een beroep te doen op externe bijstand. De kosten die verbonden zijn aan de externe bijstand kunnen worden gesubsidieerd, binnen de perken van de kredieten die daarvoor op de begroting van het Vlaamse Gewest ingeschreven worden. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden en de procedure om die aanvullende subsidie te verkrijgen;
   3° de aanstelling van een mandataris ad hoc die geheel of gedeeltelijk in de plaats treedt van het bestuursorgaan van de woonmaatschappij en die door de woonmaatschappij zal worden vergoed voor de prestaties die in het kader van die opdracht worden verricht;
   4° de tijdelijke uitbesteding van activiteiten van de woonmaatschappij;
   5° de verplichting tot samenwerking met een andere woonmaatschappij;
   6° de opschorting van de projectfinanciering voor toekomstige nieuwbouwprojecten, als niet voldaan is aan de erkenningsvoorwaarde, vermeld in artikel 4.46/2;
   7° de oplegging aan de woonmaatschappij van een groeipad dat aan een termijn gebonden is, in dat werkingsgebied waarvan het aantal ingehuurde woningen niet toeneemt conform de voorwaarde, vermeld in artikel 4.41;
   8° als de woonmaatschappij het opgelegde groeipad, vermeld in punt 7°, niet realiseert, de intrekking van de erkenning van de in gebreke blijvende woonmaatschappij.
   Met behoud van de persoonlijke en hoofdelijke aansprakelijkheid van de oprichters, de aandeelhouders en de bestuurders kan de Vlaamse Regering, op eigen initiatief of op verzoek van de toezichthouder, een woonmaatschappij die niet aan de erkenningsvoorwaarden voldoet, die de opdrachten, opgelegd bij decreet of bij besluit van de Vlaamse Regering, niet behoorlijk uitvoert, die de verbintenissen die ze is aangegaan niet nakomt of waarvan de werking in gebreke blijft, de volgende sancties opleggen:
   1° verplichting tot fusie met een andere woonmaatschappij;
   2° intrekking van de erkenning van de woonmaatschappij.
   Voorafgaand aan de beslissing om een van de sancties, vermeld in het eerste en het tweede lid, op te leggen, stuurt de Vlaamse Regering de betrokken woonmaatschappij een ingebrekestelling. In de ingebrekestelling motiveert de Vlaamse Regering waarom de woonmaatschappij de erkenningsvoorwaarden niet nakomt, de opdrachten, opgelegd bij decreet of krachtens een besluit van de Vlaamse Regering, niet behoorlijk uitvoert, de verbintenissen die ze is aangegaan, niet nakomt, of haar werking in gebreke blijft. De ingebrekestelling wordt met een beveiligde zending verstuurd. De in gebreke gestelde woonmaatschappij wordt uitgenodigd om te worden gehoord. Ze kan zich daarbij laten bijstaan.
   Met behoud van de toepassing van artikel 4.52 en 4.53 kan de Vlaamse Regering de nadere regels en de procedure vaststellen voor het opleggen van de sancties, vermeld in het eerste en het tweede lid.]1

  
Art. 4.51. [1 De sa propre initiative ou à la demande du contrôleur, le Gouvernement flamand peut imposer les sanctions suivantes à une société de logement qui ne satisfait pas aux conditions d'agrément, qui n'exécute pas dûment les missions qui lui sont confiées par décret ou par arrêté du Gouvernement flamand, qui ne respecte pas ses engagements ou dont le fonctionnement reste en défaut :
   1° anticiper la prochaine évaluation des performances, conformément à la procédure d'évaluation des performances des sociétés de logement fixée par le Gouvernement flamand ;
   2° l'obligation de faire appel à un accompagnement externe. Les frais liés à l'accompagnement externe peuvent faire l'objet d'une subvention, dans les limites des crédits inscrits à cet effet au budget de la Région flamande. Le Gouvernement flamand arrête les conditions et la procédure d'obtention de cette subvention supplémentaire ;
   3° la désignation d'un mandataire ad hoc qui remplace en tout ou en partie l'organe d'administration de la société de logement et qui sera rémunéré par la société de logement pour les prestations effectuées dans le cadre de cette mission ;
   4° la sous-traitance temporaire des activités de la société de logement ;
   5° l'obligation de coopérer avec une autre société de logement ;
   6° la suspension du financement de futurs projets de construction nouvelle, s'il n'a pas été satisfait à la condition d'agrément visée à l'article 4.46/2 ;
   7° l'imposition à la société de logement d'une trajectoire de croissance limitée dans le temps, dans la zone d'activité dont le nombre de logements loués ne s'accroît pas conformément à la condition visée à l'article 4.41 ;
   8° si l'agence de logement ne réalise pas la trajectoire de croissance imposée visée au point 7, le retrait de l'agrément de l'agence de logement demeurant en défaut.
   Sans préjudice de la responsabilité personnelle et solidaire des fondateurs, des actionnaires et des administrateurs, le Gouvernement flamand peut, de sa propre initiative et à la demande du contrôleur, imposer les sanctions suivantes à une société de logement qui ne satisfait pas aux conditions d'agrément, qui n'exécute pas dûment les missions qui lui sont confiées par décret ou par arrêté du Gouvernement flamand, qui ne respecte pas ses engagements ou dont le fonctionnement reste en défaut :
   1° l'obligation de fusionner avec une autre société de logement ;
   2° le retrait de l'agrément de société de logement.
   Préalablement à la décision d'imposer une des sanctions visées aux alinéas 1 et 2, le Gouvernement flamand envoie une mise en demeure à la société de logement en question. Dans la mise en demeure, le Gouvernement flamand explique pourquoi la société de logement ne satisfait pas aux conditions d'agrément, n'exécute pas dûment les missions qui lui sont confiées par décret ou par arrêté du Gouvernement flamand, ne respecte pas ses engagements ou ne fonctionne pas correctement. La mise en demeure est envoyée par envoi sécurisé. La société de logement qui a été mise en demeure est invitée à une audition. Elle peut s'y faire assister.
   Sans préjudice de l'application des articles 4.52 et 4.53, le Gouvernement flamand peut arrêter les règles et la procédure d'imposition des sanctions visées aux alinéas 1 et 2.]1

  
Art. 4.52. [1 De uittredende vennoten van de woonmaatschappij die verplicht wordt tot fusie met een andere woonmaatschappij, hetzij door overneming, hetzij door oprichting van een nieuwe woonmaatschappij, krijgen tot uiterlijk drie maanden na de beslissing van de Vlaamse Regering tot verplichte fusie, hun deelbewijzen en aandelen terugbetaald, tegen de waarde die ze op grond van de statuten zouden hebben als hun vennootschap ontbonden was.]1
  
Art. 4.52. [1 Les associés sortants de la société de logement qui est contrainte à la fusion avec une autre société de logement, soit par reprise, soit par la création d'une nouvelle société de logement, reçoivent, au plus tard trois mois après la décision de fusion obligatoire du Gouvernement flamand, le remboursement de leurs titres et actions à la valeur qu'ils auraient sur la base des statuts si leur société avait été dissoute.]1
  
Art. 4.53. [1 De intrekking van de erkenning van een woonmaatschappij heeft van rechtswege haar ontbinding tot gevolg.
   De beslissing tot intrekking van de erkenning heeft uitwerking vanaf de dag dat de beslissing wordt betekend aan de woonmaatschappij. Van dan af worden alle bevoegdheden om de woonmaatschappij te besturen en te verbinden toegewezen aan een of meer door de Vlaamse Regering aangestelde vereffenaars. Die vereffenaars zijn bevoegd om alle maatregelen te nemen en alle daden van bestuur en beschikking te stellen die noodzakelijk zijn voor de overgang van het vermogen van de ontbonden vennootschap op de door de Vlaamse Regering aangewezen woonmaatschappij of woonmaatschappijen. De Vlaamse Regering is uitdrukkelijk en met uitsluiting van elk vennootschapsorgaan bevoegd om de wijze van vereffening vast te stellen, het verslag van de door haar aangestelde vereffenaars te aanhoren en de vereffening af te sluiten. Alleen de Vlaamse Regering is bevoegd om de vereffenaars te machtigen tot het stellen van alle daden die in de vereffeningsprocedure vereist zijn.]1

  
Art. 4.53. [1 Le retrait de l'agrément d'une société de logement entraîne de plein droit sa dissolution.
   La décision de retrait de l'agrément produit ses effets à partir de la date de sa notification à la société de logement. A partir de ce moment, toutes les compétences d'administration et d'engagement de la société de logement sont attribuées à un ou plusieurs liquidateurs désignés par le Gouvernement flamand. Ces derniers sont compétents pour prendre toute mesure et assurer tout acte d'administration et de disposition qui sont nécessaires au transfert du patrimoine de la société dissoute à la/aux société(s) de logement désignée(s) par le Gouvernement flamand. Le Gouvernement flamand est explicitement compétent, avec exclusion de tout organe social, pour fixer le mode de liquidation, entendre le rapport des liquidateurs qu'il a désignés et prononcer la clôture de la liquidation. Le Gouvernement flamand est seul compétent pour autoriser les liquidateurs à effectuer tout acte nécessaire à la procédure de liquidation.]1

  
Hoofdstuk 10. [1 Diverse bepalingen]1
Chapitre 10. [1 Dispositions diverses]1
Art. 4.53 /1.[1 Voor de toepassing van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, het Wetboek der registratie-, hypotheeken griffierechten en van de regelgeving inzake de belasting over de toegevoegde waarde worden de woningen die deel uitmaken van een woonproject met sociaal karakter, waarbij een woonmaatschappij optreedt als initiatiefnemer, erkend als sociale woningen die gerealiseerd zijn door die woonmaatschappij.
   In dit artikel wordt verstaan onder woonproject met sociaal karakter: een woonproject dat geheel of gedeeltelijk gefinancierd wordt met middelen van Vlabinvest apb of dat geheel of gedeeltelijk gefinancierd is met middelen van het Vlaams Financieringsfonds voor Gronden Woonbeleid voor Vlaams-Brabant [2 of dat geheel of gedeeltelijk gefinancierd wordt met middelen van de VMSW in het kader van haar opdracht, vermeld in artikel 4.15]2.]1

  
Art. 4.53 /1.[1 Pour l'application du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013, du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe et de la règlementation de la taxe sur la valeur ajoutée, les logements faisant partie de projets de logement à caractère social pour lesquels une société de logement agit en tant qu'initiatrice, sont agréés comme des logements sociaux réalisés par cette société de logement.
   Dans le présent article, on entend par projet de logement à caractère social : un projet de logement qui est financé en tout ou en partie par des moyens de Vlabinvest apb ou qui était financé en tout ou en partie par des moyens du Fonds d'investissement pour la politique foncière et du logement du Brabant flamand, [2 ou financé en tout ou en partie par des ressources de la VMSW dans le cadre de sa mission visée à l'article 4.15]2.]1

  
Art. 4.53 /2. [1 De Vlaamse Regering stelt voor de opdracht, vermeld in artikel 4.40, 1° en 4°, typehuurovereenkomsten vast. Van de typehuurovereenkomsten kan alleen worden afgeweken in de gevallen die de Vlaamse Regering bepaalt.
   De typehuurovereenkomst, vermeld in het eerste lid, bevat minstens de volgende regelingen:
   1° een regeling voor de duurtijd van de huurovereenkomst;
   2° een regeling voor de opzegmogelijkheden van de huurder en de verhuurder;
   3° een regeling als wordt geopteerd voor de mogelijkheid, vermeld in artikel 4.53/3;
   4° de verplichtingen van de verhuurder en de hoofdhuurder.]1

  
Art. 4.53 /2. [1 Le Gouvernement flamand fixe des contrats de location type pour la mission visée à l'article 4.40, 1° et 4°. Il ne peut être dérogé aux contrats de location type que dans les cas arrêtés par le Gouvernement flamand.
   Le contrat de location type visé à l'alinéa 1, règle au moins :
   1° la durée du contrat de location ;
   2° les possibilités de résiliation du locataire et du bailleur ;
   3° les cas où l'option visée à l'article 4.53/3 est retenue ;
   4° les obligations du bailleur et du locataire principal.]1

  
Art. 4.53 /3. [1 § 1. Met behoud van de toepassing van artikel 4.51 treedt de VMSW van rechtswege in de rechten en de verplichtingen van de woonmaatschappij die voortvloeien uit een overeenkomst die gesloten is tussen de woonmaatschappij en een of meer verhuurders op de private huurmarkt, onder de voorwaarden, vermeld in het tweede lid.
   De indeplaatsstelling, vermeld in het eerste lid, vindt plaats zodra de VMSW op eigen initiatief of na melding van een belanghebbende vaststelt dat de volgende voorwaarden cumulatief vervuld zijn:
   1° de verhuurder heeft toestemming verleend om de huurovereenkomst over te dragen;
   2° de woonmaatschappij bevindt zich in een van de volgende gevallen:
   a) een procedure tot vereffening is opgestart, of een vordering tot gerechtelijke ontbinding is ingeleid, of een beslissing tot vrijwillige ontbinding van de woonmaatschappij is genomen;
   b) de woonmaatschappij slaagt er niet in om, na afloop van een periode van negen maanden waarin de VMSW met toepassing van artikel 4.20 de verplichting tot betaling van de huurprijs heeft overgenomen, haar huurbetalingsverplichtingen opnieuw na te komen;
   3° de huurovereenkomst is gesloten tussen een verhuurder en een woonmaatschappij, en bevat geen bedingen die onverenigbaar zijn met de bepalingen van deze codex en de uitvoeringsbesluiten ervan. De in de huurovereenkomst bedongen huurprijs is niet hoger dan de door de Vlaamse Regering vastgestelde huurprijsgrens voor het verkrijgen van een tegemoetkoming, verleend met toepassing van artikel 5.73.
   De melding van een belanghebbende, vermeld in het tweede lid, bevat minstens een gedocumenteerde aanduiding van het toepassingsgeval, vermeld in het tweede lid, 2°, waarop ze gebaseerd is.
   § 2. De Vlaamse Regering kan de nadere regels en de procedure vastleggen voor de indeplaatsstelling, vermeld in paragraaf 1, eerste lid.]1

  
Art. 4.53 /3. [1 § 1. Sans préjudice de l'application de l'article 4.51, et dans les conditions visées à l'alinéa 2, la VMSW est subrogée de plein droit dans les droits et obligations de la société de logement découlant d'un contrat conclu entre la société de logement et un ou plusieurs bailleurs sur le marché locatif privé.
   La subrogation visée à l'alinéa 1 a lieu dès que la VMSW, de sa propre initiative ou après notification par une partie intéressée, établit que les conditions suivantes sont cumulativement remplies :
   1° le bailleur a donné son accord pour la cession du contrat de location ;
   2° la société de logement se trouve dans un des cas suivants :
   a) soit une procédure de liquidation est engagée, soit une demande de liquidation judiciaire a été déposée, soit une décision de dissolution volontaire de la société de logement a été prise ;
   b) après une période de neuf mois au cours de laquelle la VMSW a repris l'obligation de payer le loyer en application de l'article 4.20, la société de logement n'est toujours pas en mesure de remplir ses obligations de payer le loyer ;
   3° le contrat de location est conclu entre un bailleur et une société de logement, et ne contient aucune clause incompatible avec les dispositions du présent Code et de ses arrêtés d'exécution. Le loyer convenu dans le contrat de location ne peut dépasser la limite de loyer fixée par le Gouvernement flamand pour l'obtention d'une intervention accordée en vertu de l'article 5. 73.
   La notification d'une partie intéressée, visée à l'alinéa 2, contient au moins une indication documentée du cas d'application, visé à l'alinéa 2, 2°, sur lequel elle est fondée.
   § 2. Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités et la procédure de la subrogation visée au paragraphe 1, alinéa 1.]1

  
Art. 4.53 /4.[1 De Vlaamse Regering kan een ondersteuningsstructuur voor de woonmaatschappijen erkennen die de woonmaatschappijen ondersteunt en begeleidt.
   De ondersteuningsstructuur heeft de volgende opdrachten:
   1° de woonmaatschappijen ondersteunen bij de uitvoering van hun opdrachten, vermeld in artikel 4.40, 4°, door de volgende taken op te nemen:
   a) in samenspraak met de entiteit die door de Vlaamse Regering belast wordt met het woonbeleid het overleg en de ervaringsuitwisseling tussen de woonmaatschappijen voorbereiden, organiseren en coördineren;
   b) vorming en intervisie uitwerken en aanbieden, en tools aanreiken, behalve over regelgeving, financieel beheer, ICT en databeheer;
   c) de woonmaatschappijen die ondersteuning bij hun administratieve werking vragen, proactief begeleiden;
   2° op basis van de jaarrapportgegevens een jaarlijkse analyse opmaken van de werking van de woonmaatschappijen met betrekking tot hun opdrachten, vermeld in artikel 4.40, 4°, 5° en 6° ;
   3° de werking van de woonmaatschappijen in het kader van de opdrachten, vermeld in artikel 4.40, 4°, promoten bij private investeerders en projectontwikkelaars;
   4° specifieke projecten uitvoeren ten behoeve van de woonmaatschappijen in het kader van de uitvoering van hun opdrachten, vermeld in artikel 4.40, 4°, 5° en 6°.
   De Vlaamse Regering stelt de bijzondere voorwaarden en de procedure vast voor de erkenning van de ondersteuningsstructuur voor de woonmaatschappijen. De Vlaamse Regering kan aanvullende voorwaarden voor de erkenning opleggen. De Vlaamse Regering kan de erkenning op elk moment intrekken als de ondersteuningsstructuur voor de woonmaatschappijen de gestelde voorwaarden niet naleeft.
   De Vlaamse Regering kan, binnen de perken van de kredieten die daarvoor op de begroting van het Vlaamse Gewest ingeschreven worden, een subsidie verlenen aan de erkende ondersteuningsstructuur voor de woonmaatschappijen als tegemoetkoming in de personeels- en werkingskosten die verbonden zijn aan de uitvoering van de opdrachten, vermeld in het tweede lid. De Vlaamse Regering stelt de toekenningsvoorwaarden, de verantwoording van de subsidiabele kosten en de betalingsmodaliteiten van de subsidie vast.]1

  
Art. 4.53 /4.[1 Le Gouvernement flamand peut reconnaître une structure d'appui aux sociétés de logement qui soutient et accompagne les sociétés de logement.
   La structure d'appui a les missions suivantes :
   1° soutenir les sociétés de logement dans l'exécution de leurs missions visées à l'article 4.40, 4°, en assument les tâches suivantes :
   a) en concertation avec l'entité chargée par le Gouvernement flamand de la politique du logement, préparer, organiser et coordonner la concertation et l'échange d'expériences entre les sociétés de logement ;
   b) élaborer et offrir des formations et une intervision, et fournir des outils, sauf en matière de réglementation, de gestion financière, de TIC et de gestion des données ;
   c) accompagner les sociétés de logement qui ont besoin d'un soutien dans leur fonctionnement administratif, de manière proactive ;
   2° sur la base des données du rapport annuel, établir une analyse annuelle du fonctionnement des sociétés de logement relatif à leurs missions visées à l'article 4.40, 4°, 5° et 6° ;
   3° promouvoir le fonctionnement des sociétés de logement, dans le cadre des missions visées à l'article 4.40, 4°, auprès des investisseurs privés et des promoteurs de projets ;
   4° mettre en oeuvre des projets spécifiques au profit des sociétés de logement dans le cadre de l'exécution de leurs missions visées à l'article 4.40, 4°, 5° et 6°.
   Le Gouvernement flamand fixe les conditions particulières et la procédure de l'agrément de la structure d'appui pour les sociétés de logement. Le Gouvernement flamand peut imposer des conditions supplémentaires pour l'agrément. Le Gouvernement flamand peut à tout moment retirer l'agrément si la structure de soutien pour les sociétés de logement ne respecte pas les conditions fixées.
   Le Gouvernement flamand peut, dans les limites des crédits inscrits à cet effet au budget de la Région flamande, octroyer une subvention à la structure agréée d'appui aux sociétés de logement à titre d'intervention dans les frais de personnel et de fonctionnement liés à l'exécution des tâches visées à l'alinéa 2. Le Gouvernement flamand fixe les conditions d'octroi de la subvention, la justification des coûts éligibles et les modalités de paiement de la subvention.]1

  
Titel 4.
Titre 4.
Hoofdstuk 1.
Chapitre 1.
Hoofdstuk 2.
Chapitre 2.
Hoofdstuk 3.
Chapitre 3.
Hoofdstuk 4.
Chapitre 4.
Hoofdstuk 5.
Chapitre 5.
Hoofdstuk 6.
Chapitre 6.
Titel 5. Vlaams Woningfonds
Titre 5. Vlaams Woningfonds (Fonds flamand du logement)
Art. 4.60. De [1 ...]1 vennootschap "Vlaams Woningfonds", hierna VWF te noemen, wordt erkend als sociale woonorganisatie.
  
Art. 4.60. La société [1 ...]1 " Vlaams Woningfonds ", ci-après dénommée VWF, est agréée comme organisation de logement social.
  
Art. 4.61. Het VWF heeft de volgende opdrachten:
  1° de woonvoorwaarden van woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden verbeteren door aangepaste woningen beschikbaar te stellen en door woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden te helpen een eigen woning te verwerven of in goede staat te behouden;
  2° mee te werken aan de strijd tegen verkrotting en leegstand;
  3° bij te dragen tot de aanpassing van woningen;
  4° bij te dragen tot de uitvoering van de specifieke maatregelen inzake het stedelijk beleid van de Vlaamse Regering;
  5° [2 ...]2.
  [1 [2 Het VWF treedt vanaf 1 januari 2023 tot en met 31 december 2025 in de rechten, verplichtingen en bevoegdheden van het Vlaamse Gewest met betrekking tot de tenlasteneming, vermeld in artikel 5.71]2.
   De rechten, verplichtingen en lasten, vermeld in het tweede lid, omvatten ook de rechten, verplichtingen en lasten die voortvloeien uit hangende en toekomstige rechtsgedingen over de daarin bedoelde beslissingen en verbintenissen.
   Het Vlaamse Gewest draagt de elektronische dossiers die betrekking hebben op [2 de tenlasteneming, vermeld in artikel 5.71]2, over naar het VWF. Het VWF heeft kosteloos toegang tot de papieren dossiers die betrekking hebben op de opdracht, vermeld in het eerste lid, 5°, die worden beheerd en bewaard door het Vlaamse Gewest of door de instantie die het hiertoe aanduidt.
  [2 ...]2.]1

  
Art. 4.61. Le VWF accomplit les missions suivantes :
  1° améliorer les conditions de vie des ménages et isolés mal logés en mettant à leur disposition des logements adaptés et en les aidant à acquérir ou à maintenir en bon état leur propre logement ;
  2° coopérer dans la lutte contre le délabrement et l'inoccupation ;
  3° contribuer à l'adaptation des logements ;
  4° contribuer à la mise en uvre des mesures spécifiques concernant la politique des villes du Gouvernement flamand ;
  5° [2 ...]2.
  [1 [2 Le VWF assume, à partir du 1er janvier 2023 jusqu'au 31 décembre 2025, les droits, obligations et pouvoirs de la Région flamande en ce qui concerne la prise en charge visée à l'alinéa 5.71]2.
   Les droits, obligations et charges visés à l'alinéa 2 comprennent également les droits, obligations et charges découlant des procédures judiciaires pendantes et futures concernant les décisions et engagements qui y sont visés.
   La Région flamande transfère les dossiers électroniques relatifs à la mission visée à l'alinéa 1, 5°, au VWF. Le VWF a libre accès aux dossiers papier relatifs à [2 la prise en charge visée à l'article 5.71]2, qui sont gérés et conservés par la Région flamande ou par l'organisme qu'elle désigne à cet effet.
  [2 ...]2.]1

  
Art. 4.62. Om zijn opdrachten uit te voeren kan het VWF alle onroerende en roerende verrichtingen realiseren die daartoe rechtstreeks of onrechtstreeks bijdragen. Bedoeld worden onder meer:
  1° onroerende goederen huren, kopen of ruilen of er andere zakelijke rechten op verwerven;
  2° deze onroerende goederen renoveren, vervangen of bebouwen en ze vervolgens verhuren, onderverhuren of er zakelijke rechten op afstaan;
  3° bijzondere sociale leningen toestaan;
  [1 4° na goedkeuring door de Vlaamse Regering, het verder afhandelen van aanvullende woonleningen die de provincies hebben toegekend voor het kopen, bouwen en verbouwen van woningen in het Vlaamse Gewest;]1
  5° [3 ...]3.
  [2 Het VWF, dat als kredietgever optreedt van de bijzondere sociale leningen, vermeld in het eerste lid, 3°, is vrijgesteld van de vergunnings- of registratieplicht en wordt toegelaten om op te treden als kredietgever inzake hypothecair krediet als vermeld in artikel VII.159, § 1 en § 2, van het Wetboek van Economisch Recht.]2
  [1 Het VWF dat volgens het eerste lid, 4°, optreedt als kredietgever [2 is vrijgesteld van de vergunnings- of registratieplicht en]2 wordt toegelaten om op te treden als kredietgever inzake consumentenkrediet als vermeld in artikel VII.159, § 1 en § 2, van het Wetboek van Economisch Recht.]1
  [2 De richtlijn 2014/17/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de richt- lijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en verordening (EU) nr. 1093/2010 is niet van toepassing op het VWF, dat als kredietgever optreedt van de bijzondere sociale leningen, vermeld in het eerste lid, 3° en 4°.]2
  
Art. 4.62. Afin de remplir ses missions, VWF peut effectuer toutes les opérations immobilières et mobilières qui y contribuent directement ou indirectement. Ces opérations peuvent comprendre, entre autres :
  1° louer, acheter ou échanger des biens immeubles ou acquérir d'autres droits réels sur ceux-ci ;
  2° rénover, remplacer ou bâtir ces biens immeubles et ensuite les mettre en location, les sous-louer ou céder des droits réels sur ceux-ci ;
  3° accorder des prêts sociaux spéciaux;
  [1 4° après approbation par le Gouvernement flamand, la poursuite du traitement des prêts au logement supplémentaires accordés par les provinces pour l'achat, la construction et la rénovation de logements en Région flamande ;]1
  5° [3 ...]3.
  [2 Le Fonds flamand du Logement agissant en tant que prêteur des prêts sociaux spéciaux visés à l'alinéa 1, 3°, est exempté de l'obligation d'autorisation ou d'enregistrement et est autorisé à agir en tant que prêteur en crédit hypothécaire tel que visé à l'article VII.159, § 1 et § 2, du Code de droit économique.]2
  [1 Le Fonds flamand du Logement agissant en tant que prêteur conformément à l'alinéa premier, 4°, [2 est exempté de l'obligation d'autorisation ou d'enregistrement et]2 est autorisé à agir en tant que prêteur en crédit à la consommation visé à l'article VII.159, § 1 et 2 du Code de droit économique.]1
  [2 La directive 2014/17/UE du Parlement européen et du Conseil du 4 février 2014 sur les contrats de crédit aux consommateurs relatifs aux biens immobiliers à usage résidentiel et modifiant les directives 2008/48/CE et 2013/36/UE et le règlement (UE) n° 1093/2010 ne s'applique pas au VWF, qui agit en tant que prêteur des prêts sociaux spéciaux visé à l'alinéa 1, 3° et 4°.]2
  
Art. 4.63. Binnen de kredieten die daartoe op de begroting van het Vlaamse Gewest zijn ingeschreven kan het Vlaamse Gewest een toelage aan het VWF verlenen ter financiering van haar activiteiten. De Vlaamse Regering stelt de toekenningsvoorwaarden van de toelage vast.
Art. 4.63. Dans les limites des crédits inscrits à cette fin dans le budget de la Région flamande, celle-ci peut octroyer une allocation au VWF en vue du financement de ses activités. Le Gouvernement flamand arrête les conditions d'octroi de l'allocation.
Art. 4.64. De Vlaamse Regering kan het VWF binnen het plafond, vermeld in de begrotingsdecreten, machtigen om leningen uit te schrijven of aan te gaan of kredieten op te nemen onder waarborg van het Vlaamse Gewest. Ze stelt het bedrag en de voorwaarden van deze leningen en kredieten vast, bepaalt de hoogte van de eventuele waarborg en van het interestgedeelte dat het Vlaamse Gewest voor zijn rekening neemt en de wijze waarop ze deze ten laste neemt. Ze bepaalt tevens de duur van die tenlasteneming en behoudt zich daarbij het recht voor om op welk moment ook de resterende interestgedeelten geheel of gedeeltelijk te actualiseren en eventueel vervroegd aan het VWF te betalen.
  Het Vlaamse Gewest kan leningen met rentevermindering toestaan aan het VWF.
  Het VWF besteedt de opbrengst van deze leningen en kredieten, overeenkomstig de voorwaarden die de Vlaamse Regering stelt, aan de hierna vermelde verrichtingen:
  1° toestaan van bijzondere sociale leningen, zoals bedoeld in artikel 5.66;
  2° zakelijke rechten verwerven op gebouwen of die gebouwen voor minstens negen jaar huren, om ze na renovatie of vervanging als woningen beschikbaar te stellen voor woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden;
  3° binnen het kader van een renovatie- of opvulbouwproject dat de Vlaamse Regering heeft goedgekeurd, woningen voor woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden bouwen, en zakelijke rechten verwerven op de daartoe noodzakelijke gronden of te slopen gebouwen;
  4° verbeteren of aanpassen van woningen;
  5° andere verrichtingen waartoe de Vlaamse Regering opdracht geeft en die passen in het Vlaamse woonbeleid en in de specifieke opdracht van het VWF ten aanzien van woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden.
  Het VWF kan sociale koopwoningen ter beschikking stellen van woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden, voor zover ze samen met huurwoningen in een gemengd sociaal woonproject worden gerealiseerd, dat gelegen is in een woonvernieuwingsgebied.
  Een huurwoning, waarvan het VWF eigenaar is en die werd gerealiseerd met een projectsubsidie krachtens boek 5, deel 2, titel 3, titel 4, hoofdstuk 1, titel 5 en titel 6, mag worden verkocht aan de zittende huurder onder de voorwaarden die de Vlaamse Regering oplegt.
Art. 4.64. Le Gouvernement flamand peut autoriser le VWF, dans les limites du plafond fixé par les décrets budgétaires, à émettre ou à contracter des emprunts ou à prélever des crédits sous la garantie de la Région flamande. Il détermine le montant et les conditions de ces emprunts et crédits, le montant de toute garantie, la part d'intérêt prise à charge par la Région flamande et la manière de prise en charge. Il détermine également la durée de cette prise en charge et se réserve le droit d'actualiser à tout moment tout ou partie des parts d'intérêt restantes et, le cas échéant, de les verser de manière anticipée au VWF.
  La Région flamande peut accorder des prêts à taux d'intérêt réduit au VWF.
  Le VWF affecte le produit de ces emprunts et crédits, conformément aux conditions fixées par le Gouvernement flamand, aux opérations énumérées ci-dessous :
  1° accorder des prêts sociaux spéciaux tels que visés à l'article 5.66 ;
  2° acquérir des droits réels sur des bâtiments ou louer ces bâtiments pendant au moins neuf ans en vue de les mettre à la disposition des ménages et isolés mal logés comme logement après rénovation ou remplacement ;
  3° dans le cadre d'un projet de rénovation ou de comblement approuvé par le Gouvernement flamand, construire des logements pour les ménages et isolés mal logés, et acquérir des droits réels sur les terrains ou les bâtiments à démolir, nécessaires à cet effet ;
  4° améliorer ou adapter des logements ;
  5° autres opérations ordonnées par le Gouvernement flamand dans la cadre de la politique flamande du logement et de la mission spécifique du VWF à l'égard des ménages et isolés mal logés.
  Le VWF peut mettre à la disposition des ménages et isolés mal logés des logements acquisitifs sociaux, pour autant que ces logements soient réalisés conjointement avec des logements locatifs dans le cadre d'un projet de logement social mixte situé dans une zone de rénovation résidentielle.
  Un logement locatif dont le VWF est propriétaire et qui a été réalisé avec une subvention de projet conformément au livre 5, partie 2, titre 3, titre 4, chapitre 1, titre 5 et titre 6, peut être vendue au locataire en place aux conditions imposées par le Gouvernement flamand.
Art. 4.65. Het VWF boekt elk jaar de noodzakelijke reservering voor de dekking van de lasten die het zelf moet dragen met betrekking tot de leningen en kredieten bedoeld in artikel 4.64. De manier van boeking en berekening van die reservering wordt ter goedkeuring aan de Vlaamse Regering voorgelegd. De winsten die voortvloeien uit de besteding van die leningen en kredieten komen aan het Vlaamse Gewest ten goede. Ze worden geboekt in een onbeschikbare reserve waarvan de Vlaamse Regering het gebruik regelt.
Art. 4.65. Le VWF comptabilise annuellement les réserves nécessaires pour couvrir les charges des emprunts et crédits visés à l'article 4.64 qu'il doit lui-même supporter. Le mode de comptabiliser et de calculer ces réserves est soumis à l'approbation du Gouvernement flamand. Les bénéfices résultant de l'utilisation de ces emprunts et crédits reviennent à la Région flamande. Ils sont comptabilisés dans une réserve indisponible, dont l'utilisation est réglementée par le Gouvernement flamand.
Art. 4.66. Het VWF verbindt er zich toe om een gedeelte van de leningen of kredieten in kwestie te besteden aan de verwerving en/of de renovatie, en zo nodig de sloping en vervanging van ongeschikte woningen of ongeschikte gebouwen, aan de verbetering of aanpassing van woningen en/of het toestaan van leningen voor dergelijke verrichtingen aan woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden.
  De Vlaamse Regering stelt jaarlijks dat gedeelte vast, maar het mag niet minder dan 30% bedragen van de leningen of kredieten in kwestie.
Art. 4.66. Le VWF s'engage à affecter une partie des emprunts ou crédits en question à l'acquisition ou à la rénovation, et si nécessaire à la démolition et au remplacement de logements ou de bâtiments inadaptés, à l'amélioration ou à l'adaptation de logements ou à l'octroi de prêts aux ménages et isolés mal logés pour de telles opérations.
  Le Gouvernement flamand détermine cette partie chaque année, mais elle ne peut être inférieure à 30 % des emprunts ou crédits en question.
Art. 4.67. Voor de naleving van de bepalingen van deze titel staat het VWF onder het toezicht van twee regeringsafgevaardigden die door de Vlaamse Regering worden benoemd met een bevoegdheid conform artikel III.13 van het Bestuursdecreet.
  In het bijzonder zien de regeringsafgevaardigden erop toe dat het beleid van het VWF wordt afgestemd op en geïntegreerd in het Vlaamse woonbeleid. De regeringsafgevaardigden waken erover dat het VWF deelneemt aan het overleg, vermeld in artikel 2.2, telkens als het daarvoor wordt uitgenodigd.
  De toezichthouder ziet in het bijzonder toe op de beslissingen van de raad van bestuur over de aanwending van de leningen of de kredieten, vermeld in artikel 4.64.
Art. 4.67. En vue du respect des dispositions du présent titre, le VWF est placé sous le contrôle de deux représentants du gouvernement nommés par le Gouvernement flamand et dotés de compétences conformément à l'article 111.13 du Décret de gouvernance.
  Les représentants du gouvernement veillent en particulier à ce que la politique du VWF soit coordonnée avec et intégrée dans la politique flamande du logement. Les représentants du gouvernement veillent à ce que le VWF participe à la concertation visée à l'article 2.2, chaque fois qu'il y est invité.
  Le contrôleur vérifie en particulier aux décisions du conseil d'administration sur l'affectation des emprunts ou des crédits visés à l'article 4.64.
Titel 6. Huurdersbonden
Titre 6. Unions des locataires
Hoofdstuk 1. Erkenning
Chapitre 1. Agrément
Art. 4.68. De Vlaamse Regering kan, rekening houdend met artikel 4.6, [1 eerste lid,]1 huurdersbonden erkennen [2 ...]2 waarvan de werking wordt gesubsidieerd conform artikel 4.70.
  Om erkend te kunnen worden en te blijven [2 ...]2 moet ten minste aan volgende voorwaarden zijn voldaan:
  1° de [2 huurdersbond]2 is werkzaam en gevestigd in het Vlaamse Gewest;
  2° de [2 huurdersbond]2 verbindt er zich toe de opdrachten uit te voeren die hen worden opgelegd door:
  a) deze codex en zijn uitvoeringsbesluiten;
  b) elk ander decreet of besluit, als dat betrekking heeft op aspecten van het sociale woonbeleid;
  3° de [2 huurdersbond]2 aanvaardt het toezicht van de Vlaamse Regering en van de toezichthouder voor de sociale huisvesting in het bijzonder.
  De Vlaamse Regering stelt de procedure vast voor de erkenning van [2 huurdersbonden]2 en de intrekking van de erkenning. De Vlaamse Regering kan aanvullende voorwaarden opleggen om erkend te worden als [2 huurdersbond]2, onder meer wat representativiteit, schaalgrootte en regionale spreiding betreft.
  
Art. 4.68. Le Gouvernement flamand peut, en tenant compte de l'article 4.6,[1 alinéa 1,]1 agréer des unions des locataires [2 ...]2 dont le fonctionnement est subventionné conformément à l'article 4.70.
  Pour obtenir et maintenir l'agrément [2 ...]2, au moins les conditions suivantes doivent être remplies :
  1° [2 l'union des locataires est active et établie]2 en Région flamande ;
  2° [2 l'union des locataires ]2 s'engage à réaliser les missions qui lui sont imposées par :
  a) le présent code et de ses arrêtés d'exécution ;
  b) tout autre décret ou arrêté, dans la mesure où il concerne la politique du logement social ;
  3° le [2 l'union des locataires ]2 accepte la tutelle du Gouvernement flamand et du contrôleur du logement social en particulier.
  Le Gouvernement flamand fixe la procédure d'agrément et de retrait de l'agrément des [2 unions des locataires]2. Le Gouvernement flamand peut imposer des conditions supplémentaires pour être agréé [2 ...]2 notamment en matière de représentativité, d'échelle et de distribution régionale.
  
Hoofdstuk 2. Opdrachten
Chapitre 2. Missions
Art. 4.69. De [1 huurdersbonden]1 dragen bij tot het helpen realiseren van het recht op wonen en behartigen de belangen van de meest behoeftige gezinnen en alleenstaanden op de privéhuurwoningmarkt.
  De huurdersbonden verstrekken op individuele of collectieve basis informatie en advies over alle aangelegenheden met betrekking tot het wonen in huurwoningen, onder meer bevattelijke huurinformatie en huuradvies. Ze kunnen juridische bijstand verlenen aan huurders en aanstaande huurders in het algemeen en aan de meest behoeftige huurders in het bijzonder.
  
Art. 4.69. Les [1 unions des locataires]1 contribuent à la réalisation du droit au logement et défendent les intérêts des ménages et isolés les plus nécessiteux sur le marché locatif privé.
  Les unions des locataires fournissent informations et conseils, sur une base individuelle ou collective, concernant toutes les matières relatives à l'habitation dans des logements locatifs, notamment des informations et conseils compréhensibles au sujet de la location. Elles peuvent prêter assistance juridique aux locataires et futurs locataires en général et aux locataires les plus nécessiteux en particulier.
  
Hoofdstuk 3. Subsidie
Chapitre 3. Subvention
Art. 4.70. Binnen de perken van de kredieten die daarvoor op de begroting van het Vlaamse Gewest ingeschreven worden, kan de Vlaamse Regering, onder de voorwaarden die ze bepaalt, subsidies verlenen voor de werking van de [1 huurdersbonden ]1, vermeld in artikel 4.68. De subsidiëring ten laste van de uitgavenbegroting van het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap mag nooit meer bedragen dan 100% van de totale kosten.
  
Art. 4.70. Dans les limites des crédits inscrits à cet effet au budget de la Région flamande, le Gouvernement flamand peut, dans les conditions qu'il fixe, accorder des subventions au fonctionnement des [1 unions des locataires visées]1 à l'article 4.68. Le subventionnement à charge du budget des dépenses de la Région flamande ou de la Communauté flamande ne peut dépasser 100 % des frais totaux.
  
Hoofdstuk 4. Sancties
Chapitre 4. Sanctions
Art. 4.71. Op eigen initiatief of op verzoek van de toezichthouder kan de Vlaamse Regering de erkenning intrekken van een huurdersbond die niet aan de erkenningsvoorwaarden voldoet, de opdrachten, opgelegd bij deze codex of bij besluit van de Vlaamse Regering, niet behoorlijk uitvoert, of waarvan de werking in gebreke blijft.
  Voorafgaand aan de beslissing om de sanctie, vermeld in het eerste lid, op te leggen, stuurt de Vlaamse Regering de betrokken [1 huurdersbond]1 een ingebrekestelling. In de ingebrekestelling motiveert de Vlaamse Regering dat de [1 huurdersbond]1 de erkenningsvoorwaarden niet nakomt, de opdrachten, opgelegd bij deze codex of bij besluit van de Vlaamse Regering, niet behoorlijk uitvoert, de verbintenissen die ze is aangegaan niet nakomt, of haar werking in gebreke blijft. De ingebrekestelling wordt met een beveiligde zending verstuurd. De in gebreke gestelde [1 huurdersbond ]1 wordt uitgenodigd om te worden gehoord. Zij kan zich daarbij laten bijstaan.
  De Vlaamse Regering kan de nadere regelen en procedure vastleggen voor het opleggen van de sanctie vermeld in het eerste lid.
  
Art. 4.71. Le Gouvernement flamand peut de sa propre initiative ou à la demande du contrôleur retirer l'agrément d'une union des locataires qui ne répond pas aux conditions d'agrément, ne réalise pas dûment les missions imposées par le présent code ou par arrêté du Gouvernement flamand ou dont le fonctionnement est en défaut.
  Préalablement à la décision d'imposer la sanction visée au premier alinéa, le Gouvernement flamand envoie une mise en demeure [1 à l'union des locataires concernée ]1. Dans la mise en demeure le Gouvernement flamand explique pourquoi [1 l'union des locataires ]1 ne satisfait pas aux conditions d'agrément, n'exécute pas dûment les missions lui confiées par le présent code ou par arrêté du Gouvernement flamand, ne respecte pas ses engagements ou ne fonctionne pas correctement. La mise en demeure est transmise par envoi sécurisé. [1 L'union des locataires qui a été mise en demeure est invitée à une audition. Elle peut s'y faire assister]1.
  Le Gouvernement flamand peut préciser les modalités et la procédure d'imposition de la sanction visée au premier alinéa.
  
Hoofdstuk 5. Ondersteuningsstructuur
Chapitre S. Structure de soutien
Art. 4.72. De Vlaamse Regering erkent een ondersteuningsstructuur voor initiatieven ter bevordering van de positie van kandidaat-huurders en huurders op de private huurmarkt en in de sociale huisvesting, met bijzondere aandacht voor de meest kwetsbare gezinnen en alleenstaanden.
  De Vlaamse Regering stelt de bijzondere voorwaarden vast waaronder de erkenning van de ondersteuningsstructuur wordt verleend. De erkenning kan op elk moment worden ingetrokken als de gestelde voorwaarden niet worden nageleefd.
Art. 4.72. Le Gouvernement flamand agrée une structure de soutien aux initiatives visant à promouvoir la position des candidats locataires et des locataires sur le marché locatif privé et dans le logement social, avec une attention particulière portée aux ménages et isolés les plus vulnérables.
  Le Gouvernement flamand arrête les conditions d'agrément de la structure de soutien. L'agrément peut être retiré à tout moment si les conditions fixées ne sont pas respectées.
Art. 4.73. De ondersteuningsstructuur heeft de volgende taken:
  1° het ondersteunen van de erkende huurdersbonden bij het uitvoeren van de taken, vermeld in artikel 4.69, en hen vertegenwoordigen in advies- en overlegorganen inzake Wonen;
  2° het ondersteunen van bewonersgroepen in de sociale huisvesting;
  3° het nemen van initiatieven ten aanzien van andere organisaties of instanties, ter bevordering van de positie van kandidaat-huurders en huurders op de private huurmarkt en in de sociale huisvesting, met bijzondere aandacht voor de meest kwetsbare gezinnen en alleenstaanden.
Art. 4.73. La structure de soutien est chargée des tâches suivantes :
  1° soutenir les unions des locataires agréées dans l'accomplissement des tâches visées à l'article 4.69 et les représenter dans les organes consultatifs et de concertation en matière de logement ;
  2° soutenir les groupes de résidents dans le logement social ;
  3° prendre des initiatives à l'égard d'autres organisations ou instances en vue de promouvoir la position des candidats locataires et des locataires sur le marché locatif privé et dans le logement social, avec une attention particulière portée aux ménages et isolés les plus vulnérables.
Art. 4.74. Binnen de perken van de kredieten die daarvoor op de begroting van het Vlaamse Gewest ingeschreven worden, kan de Vlaamse Regering, onder de voorwaarden die ze bepaalt, subsidies verlenen voor de werking van de ondersteuningsstructuur, vermeld in artikel 4.72. De subsidiëring ten laste van de uitgavenbegroting van het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap mag nooit meer bedragen dan 100% van de totale kosten.
Art. 4.74. Dans les limites des crédits inscrits à cet effet au budget de la Région flamande, le Gouvernement flamand peut, dans les conditions qu'il fixe, accorder des subventions au fonctionnement de la structure de soutien visée à l'article 4. 72. Le subventionnement à charge du budget des dépenses de la Région flamande ou de la Communauté flamande ne peut dépasser 100 % des frais totaux.
Deel 2. Andere woonactoren
Partie 2. Autres acteurs résidentiels
Titel 1. Verhuurdersorganisaties
Titre 1. Organisations des bailleurs
Hoofdstuk 1. Erkenning
Chapitre 1. Agrément
Art. 4.75. De Vlaamse Regering kan verhuurdersorganisaties erkennen waarvan de werking of een deelactiviteit wordt gesubsidieerd conform artikel 4.77.
  Om erkend te kunnen worden moet ten minste aan al de volgende voorwaarden voldaan zijn:
  1° de verhuurdersorganisatie vertegenwoordigt private verhuurders of vastgoedmakelaars;
  2° de verhuurdersorganisatie is werkzaam in het Vlaamse Gewest;
  3° de verhuurdersorganisatie verbindt er zich toe de opdrachten uit te voeren die haar worden opgelegd door deze codex en de besluiten ter uitvoering ervan;
  4° de verhuurdersorganisatie verbindt er zich toe het toezicht van de Vlaamse Regering te aanvaarden.
  De Vlaamse Regering stelt de procedure vast voor de erkenning en de intrekking van de erkenning. De Vlaamse Regering kan aanvullende voorwaarden opleggen om erkend te worden, onder meer wat representativiteit, schaalgrootte en regionale spreiding betreft.
Art. 4.75. Le Gouvernement flamand peut agréer des organisations des bailleurs dont le fonctionnement ou une partie de l'activité est subventionnée conformément à l'article 4.77.
  Pour obtenir l'agrément, au moins les conditions suivantes doivent être remplies :
  1° l'organisation des bailleurs représente les bailleurs privés ou les agents immobiliers ;
  2° l'organisation des bailleurs est active en Région flamande ;
  3° l'organisation des bailleurs s'engage à exécuter les missions qui lui sont imposées par le présent code et ses arrêtés d'exécution ;
  4° l'organisation des bailleurs s'engage à accepter la tutelle du Gouvernement flamand.
  Le Gouvernement flamand fixe la procédure d'octroi et de retrait de l'agrément. Le Gouvernement flamand peut imposer des conditions d'agrément supplémentaires, notamment en matière de représentativité, d'échelle et de distribution régionale.
Hoofdstuk 2. Opdrachten
Chapitre 2. Missions
Art. 4.76. De erkende verhuurdersorganisaties dragen bij tot het helpen realiseren van het recht op wonen voor iedereen en behartigen de belangen van de verhuurders of vastgoedmakelaars op de privéhuurwoningmarkt.
  De erkende verhuurdersorganisaties verstrekken op individuele of collectieve basis informatie en advies over alle aangelegenheden in verband met het verhuren van woningen. Ze kunnen juridische bijstand verlenen aan verhuurders.
Art. 4.76. Les organisations de bailleurs agréées contribuent à la réalisation du droit au logement pour tous et défendent les intérêts des bailleurs ou des agents immobiliers sur le marché locatif privé.
  Les organisations de bailleurs agréées fournissent des informations et des conseils, à titre individuel ou collectif, sur toutes les questions relatives à la mise en location de logements. Elles peuvent fournir une assistance juridique aux bailleurs.
Hoofdstuk 3. Subsidie
Chapitre 3. Subvention
Art. 4.77. Binnen de perken van de kredieten die daarvoor op de begroting van het Vlaamse Gewest ingeschreven worden, kan de Vlaamse Regering, onder de voorwaarden die ze bepaalt, subsidies verlenen voor de werking of deelactiviteiten van de erkende verhuurdersorganisaties, vermeld in artikel 4.75, of voor projecten met een aanvullend en/of vernieuwend karakter, uitgevoerd door erkende verhuurdersorganisaties of door andere actoren. De subsidiëring ten laste van de uitgavenbegroting van het Vlaamse Gewest mag nooit meer bedragen dan 100% van de totale kosten.
Art. 4.77. Dans les limites des crédits inscrits à cet effet au budget de la Région flamande, le Gouvernement flamand peut, dans les conditions qu'il fixe, accorder des subventions au fonctionnement ou pour des parties d'activités des organisations des bailleurs agréées visées à l'article 4. 75, ou pour des projets complémentaires ou novateurs, mis en uvre par des organisations des bailleurs agréées ou par d'autres acteurs. Le subventionnement à charge du budget des dépenses de la Région flamande ne peut dépasser 100 % des frais totaux.
Hoofdstuk 4. Sancties
Chapitre 4. Sanctions
Art. 4.78. De Vlaamse Regering kan de erkenning van een verhuurdersorganisatie intrekken.
Art. 4.78. Le Gouvernement flamand peut retirer l'agrément de l'organisation des bailleurs.
Titel 2. Voorbehouden voor toekomstig gebruik
Titre 2. Réservé à un usage ultérieur
Deel 3. Toezicht
Partie 3. Contrôle
Titel 1. Toezicht op woonactoren
Titre 1. Contrôle des acteurs du logement
Art. 4.79. Een toezichthouder voor de sociale huisvesting, hierna de toezichthouder te noemen, oefent, binnen het ambtsgebied dat hem wordt toegewezen, het toezicht uit op de volgende verrichtingen:
  1° de verrichtingen van de sociale woonorganisaties, met uitzondering van de VMSW, krachtens boek 4, 5 en 6. De verrichtingen gesteld vanaf de intrekking van de erkenning van een sociale woonorganisatie, overeenkomstig artikel 4.51, 4.53 en 4.71, eerste lid, tot aan de afsluiting van de vereffening, worden gelijkgesteld met de voormelde verrichtingen;
  2° [3 ...]3
  3° de volgende verrichtingen van het OCMW, een welzijnsvereniging, de gemeente en een intergemeentelijk samenwerkingsverband:
  a) de verrichtingen krachtens [1 artikel 4.1/1 en]1 boek 5 en 6;
  b) de verhuring van andere woningen dan sociale woningen krachtens boek 6, met het oog op het bereiken van het bindend sociaal objectief, vermeld in artikel 2.28;
  c) de verkoop van andere woningen en kavels dan sociale woningen en kavels met toepassing van artikel 5.91, met het oog op het bereiken van het bindend sociaal objectief, vermeld in artikel 2.27;
  4° de verrichtingen van de erkende ondersteuningsstructuur, vermeld in artikel 4.72, krachtens dit boek;
  5° de verrichtingen van de erkende kredietmaatschappijen, vermeld in artikel 5.58 [2 ...]2;
  6° de volgende verrichtingen van Vlabinvest apb:
  a) de beslissingen tot beschikbaarstelling, inclusief bewijsstukken, voor verhuring, erfpacht of verkoop van woningen en kavels binnen een woonproject met sociaal karakter;
  b) de beoordeling, inclusief bewijsstukken, van de kandidaat-huurders, -erfpachtnemers of -kopers door het beoordelingscomité.
  7° de verrichtingen van de erkende verhuurdersorganisaties, vermeld in artikel 4.75, die krachtens artikel 4.77 worden gesubsidieerd.
  
Art. 4.79. Un contrôleur du logement social, ci-après appelé contrôleur, exerce dans le ressort qui lui est attribué le contrôle des opérations suivantes :
  1° les opérations des organisations de logement social, à l'exception de la VMSW, en vertu des livres 4, 5 et 6 ; Les opérations effectuées à partir du retrait de l'agrément d'une organisation de logement social, conformément aux articles 4.51, 4.53 et 4. 71, alinéa premier, jusqu'à la clôture de la liquidation, sont assimilées aux opérations précitées ;
  2° [3 ...]3
  3° les opérations suivantes des CPAS, des associations d'aide sociale, des communes et des structures de coopération intercommunale :
  a) les opérations en vertu des [1 article 4.1/1 et]1 livres 5 et 6 ;
  b) la mise en location de logements autres que sociaux en vertu du livre 6, en vue d'atteindre l'objectif social contraignant visé à l'article 2.28 ;
  c) la vente de logements et de lots autres que sociaux en application de l'article 5.91, en vue d'atteindre l'objectif social contraignant visé à l'article 2.27 ;
  4° les opérations la structure de soutien agréée, visée à l'article 4. 72, en vertu du présent livre ;
  5° les opérations des sociétés de crédits agréées, visées à l'article 5.58, [2 ...]2;
  6° les opérations suivantes de Vlabinvest apb :
  a) les décisions de mise à disposition, y compris les pièces justificatives, en vue de la mise en location, du bail emphytéotique ou de la vente de logements et de lots dans le cadre d'un projet de logement à caractère social ;
  b) l'évaluation, y compris les pièces justificatives, des candidats locataires, emphytéotes ou acheteurs par le comité d'évaluation ;
  7° les opérations des organisations des bailleurs agréées, visées à l'article 4. 75, subventionnées en vertu de l'article 4. 77.
  
Titel 2. Profiel, statuut en ambtsgebied van de toezichthouder
Titre 2. Profil, statut et ressort du contrôleur
Art. 4.80. De Vlaamse Regering bepaalt:
  1° het profiel en het statuut van de toezichthouder;
  2° de nadere regelen voor de aanstelling van de toezichthouders;
  3° de nadere regelen voor de toewijzing van de ambtsgebieden.
Art. 4.80. Le Gouvernement flamand détermine :
  1° le profil et le statut du contrôleur ;
  2° les modalités de désignation des contrôleurs ;
  3° les modalités d'attribution des ressorts.
Titel 3. Uitoefening van het toezicht
Titre 3. Exercice du contrôle
Art. 4.81. De toezichthouder beschikt over de bevoegdheid om alle informatie te verkrijgen die noodzakelijk of nuttig is voor de uitoefening van zijn toezichtsfunctie. Hij kan de vergaderingen bijwonen met betrekking tot de verrichtingen, vermeld in artikel 4.79, van de beheersorganen van de instanties, vermeld in artikel 4.79, die tot zijn ambtsgebied behoren. Als het algemeen belang of de naleving van de wetten, decreten, reglementen of statuten het vereisen, kan de toezichthouder de aangelegenheid bepalen waarover het beheersorgaan van de instanties, vermeld in artikel 4.79, moet beraadslagen en de termijn bepalen waarbinnen die beraadslaging moet plaatsvinden.
  In het kader van de uitoefening van het toezicht heeft de toezichthouder het recht om plaatsbezoeken af te leggen en ter plaatse inzage te nemen in alle stukken en bescheiden en op een elektronische toegang om digitale databanken en digitale beheersapplicaties in gebruik door de sociale woonorganisaties te raadplegen, zowel ter plaatse als vanop afstand. De toezichthouder kan voor de uitvoering van zijn taken een beroep doen op externe bijstand.
Art. 4.81. Le contrôleur dispose de la compétence d'obtenir toute information nécessaire ou utile à l'exercice de sa fonction de contrôle. Il peut assister aux réunions relatives aux opérations visées à l'article 4. 79, des organes de gestion des instances visées à l'article 4. 79, relevant de son ressort. Lorsque l'intérêt général ou le respect des lois, décrets, règlements ou statuts l'exigent, le contrôleur peut déterminer la matière dont l'organe de gestion des instances visées à l'article 4. 79, doit délibérer ainsi que le délai dans lequel cette délibération doit avoir lieu.
  Dans le cadre de l'exercice du contrôle, le contrôleur a le droit d'effectuer des visites sur place et d'y inspecter tous les documents et pièces et d'avoir un accès électronique pour consulter les bases de données et applications de gestion numériques, utilisées par les organisations de logement social, tant sur place qu'à distance. Le contrôleur peut faire appel à une assistance externe pour l'exécution de ses tâches.
Art. 4.82. Als ze het noodzakelijk achten, delen de toezichthouders de informatie die ze tijdens hun onderzoek hebben verkregen, mee aan alle ambtenaren die belast zijn met het toezicht op een andere wetgeving of met de toepassing van een andere wetgeving, als die informatie hen kan aanbelangen bij de uitoefening van het toezicht waarmee ze belast zijn of voor de toepassing van een andere wetgeving. De toezichthouders kunnen die informatie ook meedelen aan de sociale verhuurders, vermeld in artikel 1.3, § 1, eerste lid, 49°, als ze dat noodzakelijk achten.
  De informatie die werd verkregen tijdens de uitoefening van plichten, voorgeschreven door de rechterlijke overheid, mag alleen worden meegedeeld met de uitdrukkelijke machtiging van de rechterlijke overheid.
  De ambtenaren die belast zijn met het toezicht op een andere wetgeving of met de toepassing van een andere wetgeving, en de sociale verhuurders, vermeld in artikel 1.3, § 1, eerste lid, 49°, mogen de informatie, verkregen op grond van deze paragraaf, alleen gebruiken voor de uitoefening van alle opdrachten waarmee ze belast zijn.
Art. 4.82. S'ils l'estiment nécessaire, les contrôleurs communiquent les informations obtenues au cours de leur enquête à tous les agents chargés du contrôle ou de l'application d'une autre législation, si ces informations peuvent les concerner dans l'exercice du contrôle dont ils sont chargés ou l'application d'une autre législation. Les contrôleurs peuvent également communiquer ces informations aux bailleurs sociaux visés à l'article 1.3, § 1, premier alinéa, 49°, s'ils l'estiment nécessaire.
  Les informations obtenues dans l'exercice des obligations prescrites par l'autorité judiciaire ne peuvent être communiquées qu'avec l'autorisation expresse de celle-ci.
  Les agents chargés du contrôle ou de l'application d'une autre législation, et les bailleurs sociaux visés à l'article 1.3, § 1, premier alinéa, 49°, ne peuvent utiliser les informations obtenues en vertu du présent paragraphe que pour l'exercice de toutes les missions qui leur sont confiées.
Art. 4.83. Met behoud van de toepassing van artikel 44/1 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt verstrekken alle diensten van het Vlaamse Gewest, de Vlaamse Gemeenschap, de provincies, de gemeenten, de verenigingen waartoe ze behoren, en de sociale verhuurders, vermeld in artikel 1.3, § 1, eerste lid, 49°, aan de toezichthouders op hun verzoek, alle informatie die de laatstgenoemden nuttig achten voor het toezicht op de naleving van de wetgeving waarmee ze belast zijn. Ze geven inzage in alle informatiedragers en verstrekken kopieën ervan in om het even welke vorm. De inlichtingen en kopieën worden kosteloos verstrekt.
  De inlichtingen en informatiedragers, verzameld tijdens de uitvoering van de taken die door de rechterlijke overheid zijn opgelegd, mogen alleen worden meegedeeld met de uitdrukkelijke machtiging van de rechterlijke overheid.
  De toezichthouders mogen de inlichtingen, verkregen op grond van dit artikel, alleen gebruiken voor de uitoefening van alle opdrachten met betrekking tot het toezicht waarmee ze belast zijn.
Art. 4.83. Sans préjudice de l'application de l'article 44/1 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police, tous les services de la Région flamande, de la Communauté flamande, des provinces, des communes, des associations auxquelles ils appartiennent, et les bailleurs sociaux visés à l'article 1.3, § 1, premier alinéa, 49°, fournissent à la demande des contrôleurs toutes les informations que ceux-ci jugent utiles pour le contrôle du respect de la législation dont ils sont chargés. Ils donnent accès à tous les supports d'information et en fournissent des copies sous quelque forme que ce soit. Les informations et les copies sont fournies gratuitement.
  Les informations et les supports d'information recueillis dans le cadre de l'exécution des missions imposées par l'autorité judiciaire ne peuvent être communiqués qu'avec l'autorisation expresse de celle-ci.
  Les contrôleurs ne peuvent utiliser les informations obtenues en vertu du présent article que pour l'exercice de toutes les missions de contrôle dont ils sont chargés.
Art. 4.84. Met toepassing van artikel 23, lid 1, e) en h), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) kunnen de toezichthouders beslissen om de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet toe te passen bij de verwerkingen van persoonsgegevens in het kader van een onderzoek dat betrekking heeft op een welbepaalde natuurlijke persoon, als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in het tweede tot en met het tiende lid.
  De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, geldt alleen gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een controle, een onderzoek of de voorbereidende werkzaamheden die daarmee verband houden, in het kader van de decretale en reglementaire opdrachten van de toezichthouders, op voorwaarde dat het voor het goede verloop van het onderzoek noodzakelijk is of kan zijn dat de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet worden toegepast. De duur van de voorbereidende werkzaamheden mag in voorkomend geval niet meer bedragen dan een jaar vanaf de ontvangst van een verzoek tot uitoefening van een van de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening.
  De persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, worden niet langer bewaard dan nodig is voor de doeleinden waarvoor ze worden verwerkt.
  De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, heeft geen betrekking op de gegevens die losstaan van het voorwerp van het onderzoek dat of van de controle die de weigering of beperking van de rechten, vermeld in het eerste lid, rechtvaardigt.
  Als de betrokkene in het geval, vermeld in het eerste lid, tijdens de periode, vermeld in het tweede lid, een verzoek indient op basis van artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, bevestigt de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming de ontvangst daarvan.
  De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming brengt de betrokkene schriftelijk, zo snel mogelijk en in elk geval binnen een maand vanaf de dag die volgt op de dag waarop hij het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van elke weigering of beperking van de rechten, vermeld in het eerste lid. De verdere informatie over de nadere redenen voor die weigering of die beperking hoeft niet te worden verstrekt als dat de decretale en reglementaire opdrachten van de toezichthouders zou ondermijnen, met behoud van de toepassing van het achtste lid. Als het nodig is, kan de voormelde termijn met twee maanden worden verlengd, rekening houdend met het aantal aanvragen en de complexiteit ervan. De verwerkingsverantwoordelijke brengt de betrokkene binnen een maand vanaf de dag die volgt op de dag waarop hij het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van die verlenging en van de redenen voor het uitstel.
  De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming informeert de betrokkene ook over de mogelijkheid om een verzoek in te dienen bij de Vlaamse toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens conform artikel 10/5 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer en om een beroep in rechte in te stellen.
  De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming noteert de feitelijke of juridische gronden waarop de beslissing is gebaseerd. Die informatie houdt hij ter beschikking van de voormelde Vlaamse toezichtcommissie.
  Nadat het onderzoek afgesloten is, worden de rechten, vermeld in artikel 13 tot en met 22 van de voormelde verordening, in voorkomend geval, conform artikel 12 van de voormelde verordening opnieuw toegepast.
  Als een dossier dat persoonsgegevens als vermeld in het eerste lid, bevat, naar het Openbaar Ministerie is gestuurd en kan leiden tot activiteiten onder leiding van het Openbaar Ministerie of een onderzoeksrechter, en er onduidelijkheid is over het geheim van het onderzoek onder leiding van het Openbaar Ministerie of een onderzoeksrechter, mag de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming op verzoek van de betrokkene overeenkomstig artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening pas antwoorden nadat het Openbaar Ministerie of, in voorkomend geval, de onderzoeksrechter heeft bevestigd dat een antwoord het onderzoek niet in het gedrang brengt of kan brengen.
Art. 4.84. En application de l'article 23, paragraphe 1, e) et h) du règlement (UE) n° 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données), les contrôleurs peuvent décider de ne pas appliquer les obligations et les droits visés aux articles 12 à 22 du règlement précité, au traitement de données à caractère personnel dans le cadre d'une enquête concernant une personne physique déterminée, si les conditions énoncées aux alinéas deux à dix sont remplies.
  La possibilité de dérogation visée à l'alinéa premier ne s'applique que pendant la période au cours de laquelle l'intéressé fait l'objet d'un contrôle, d'une enquête ou des travaux préparatoires à ces fins, dans le cadre des missions décrétales et réglementaires des contrôleurs, et à condition qu'il soit ou puisse être nécessaire pour le bon déroulement de l'enquête que les obligations et droits visés aux articles 12 à 22 du règlement précité ne soient pas appliqués. Le cas échéant, la durée des travaux préparatoires ne peut pas dépasser un an à compter de la réception d'une demande d'exercice de l'un des droits visés aux articles 12 à 22 du règlement précité.
  Les données à caractère personnel visées à l'alinéa premier ne sont pas conservées plus longtemps qu'il n'est nécessaire aux fins pour lesquelles elles sont traitées.
  La possibilité de dérogation visée à l'alinéa premier ne concerne pas les données qui sont étrangères à l'objet de l'enquête ou du contrôle qui justifie le refus ou la limitation des droits visés à l'alinéa premier.
  Si, dans le cas visé à l'alinéa premier, l'intéressé soumet durant la période visée à l'alinéa deux une demande sur la base des articles 12 à 22 du règlement précité, le fonctionnaire compétent en matière de protection des données en confirme la réception.
  Le fonctionnaire compétent en matière de protection des données informe l'intéressé par écrit, dans les plus brefs délais et en tout cas dans le mois à compter du jour suivant la réception de la demande, de tout refus ou limitation des droits visés à l'alinéa premier. Aucun motif de refus ou de limitation ne doit être fourni si cela porterait atteinte aux missions décrétales et réglementaires des contrôleurs, sans préjudice de l'application de l'alinéa huit. Si nécessaire, le délai précité peut être prolongé de deux mois compte tenu du nombre de demandes et de leur complexité. Le responsable du traitement informe l'intéressé de la prolongation et des motifs du report dans un délai d'un mois à compter du jour suivant la réception de la demande.
  Le fonctionnaire compétent en matière de protection des données informe l'intéressé également sur la possibilité d'introduire une demande auprès de la Commission de contrôle flamande pour le traitement des données à caractère personnel conformément à l'article 10/5 du décret du 18 juillet 2008 relatif à l'échange électronique de données administratives, et de former un recours en justice.
  Le fonctionnaire compétent en matière de protection des données consigne les motifs de fait ou de droit sur lesquels se fonde la décision. Il tient ces informations à la disposition de la Commission de contrôle flamande.
  Une fois l'enquête terminée, les droits énoncés aux articles 13 à 22 du règlement précité sont, le cas échéant, appliqués à nouveau, conformément à l'article 12 du règlement précité.
  Si un dossier contenant des données à caractère personnel visées à l'alinéa premier a été transmis au ministère public et peut conduire à des activités sous la direction du ministère public ou d'un juge d'instruction, et qu'il existe une incertitude quant au secret de l'enquête sous la direction du ministère public ou d'un juge d'instruction, le fonctionnaire compétent en matière de protection des données ne peut répondre à la demande de la personne concernée conformément aux articles 12 à 22 du règlement précité, qu'après que le ministère public ou, le cas échéant, le juge d'instruction a confirmé qu'une réponse ne compromet pas ou ne peut pas compromettre l'enquête.
Titel 4. Sancties en maatregelen
Titre 4. Sanctions et mesures
Hoofdstuk 1. Schorsing en vernietiging
Chapitre 1. Suspension et annulation
Art. 4.85. § 1. De toezichthouder beschikt bij de uitoefening van zijn toezicht op de instanties, vermeld in artikel 4.79, over twee werkdagen om een beslissing te schorsen als hij die beslissing in strijd acht met de wetten, decreten, statuten of het algemeen belang. De toezichthouder kan zijn schorsing intrekken en geeft daarvan kennis aan de betrokken instantie.
  § 2. In geval van schorsing beschikt de toezichthouder over twintig kalenderdagen om tot een vernietiging over te gaan. In geval er geen schorsing is uitgesproken, beschikt de toezichthouder over vier werkdagen om tot een vernietiging over te gaan.
  De termijn om een beslissing te schorsen of te vernietigen gaat in op de dag die volgt op de dag waarop de toezichthouder kennis kreeg van de beslissing. Voor de berekening van die termijn is de vervaldag in de termijn begrepen. Als de vervaldag een zaterdag, een zondag, een wettelijke of decretale feestdag is, wordt die verplaatst naar de eerstvolgende werkdag.
  Bij gebrek aan vernietiging binnen een termijn van twintig kalenderdagen, is de schorsing opgeheven en wordt de beslissing opnieuw uitvoerbaar.
  § 3. Een schorsing of vernietiging van een beslissing op grond van een inbreuk op het algemeen belang kan uitsluitend als de beslissing manifest onverenigbaar is met de goede werking van de instanties, vermeld in artikel 4.79, of als de impact van die beslissing resulteert in een negatief beeld voor de instanties, vermeld in artikel 4.79.
Art. 4.85. § 1. Lors de l'exercice du contrôle sur les instances visées à l'article 4. 79, le contrôleur dispose de deux jours ouvrables pour suspendre une décision qu'il estime contraire aux lois, décrets ou statuts ou à l'intérêt général. Le contrôleur peut retirer cette suspension, auquel cas il en informe l'instance concernée.
  § 2. Dans le cas d'une suspension, le contrôleur dispose de vingt jours civils pour procéder à une annulation. Lorsqu'aucune suspension n'a été prononcée, le contrôleur dispose de quatre jours ouvrables pour procéder à une annulation.
  Le délai de suspension ou d'annulation d'une décision prend cours le jour suivant le jour où le contrôleur a pris connaissance de la décision. La date d'échéance est comprise dans le calcul de ce délai. Si la date d'échéance est un samedi, un dimanche, un jour férié légal ou décrétai, elle est reportée au premier jour ouvrable suivant.
  À défaut d'une annulation dans un délai de vingt jours civils, la suspension est levée, rendant la décision à nouveau exécutoire.
  § 3. La suspension ou l'annulation d'une décision sur la base d'une enfreinte à l'intérêt général n'est possible que si la décision est manifestement incompatible avec le bon fonctionnement des instances visées à l'article 4. 79 ou que l'impact de cette décision ternit l'image des instances visées à l'article 4. 79.
Art. 4.86. In afwijking van artikel 4.85, § 1 en § 2, kan de toezichthouder uitsluitend beslissingen schorsen of vernietigen van de instanties, vermeld in artikel 4.79, 5°, die betrekking hebben op de toekenning van sociale leningen, en beschikt hij over vier werkdagen om dergelijke beslissingen te schorsen of te vernietigen.
  De termijn om een dergelijke beslissing te schorsen of vernietigen gaat in op de dag die volgt op de dag waarop hij kennis kreeg van de beslissing. Voor de berekening van de termijn om te schorsen of te vernietigen, is de vervaldag in de termijn begrepen.
  In afwijking van artikel 4.85, kan de Vlaamse Regering een aangepaste procedure bepalen voor het schorsen en vernietigen van de andere beslissingen dan de beslissingen, vermeld in het eerste lid, van de instanties, vermeld in artikel 4.79, 5°.
Art. 4.86. Par dérogation à l'article 4.85, §§ 1 et 2, le contrôleur peut uniquement suspendre ou annuler des décisions prises par les instances visées à l'article 4. 79, 5° relatives à l'octroi de prêts sociaux, et dispose de quatre jours ouvrables pour cette suspension ou annulation.
  Le délai de suspension ou d'annulation d'une telle décision prend cours le jour suivant le jour où il a pris connaissance de la décision. La date d'échéance est comprise dans le calcul du délai de suspension ou d'annulation.
  Par dérogation à l'article 4.85, le Gouvernement flamand peut définir une procédure adaptée pour la suspension et l'annulation des décisions autres que celles, visées au premier alinéa, prises par les instances visées à l'article 4. 79, 5°.
Art. 4.87. De instanties, vermeld in artikel 4.79, kunnen tegen de vernietiging binnen dertig kalenderdagen beroep aantekenen bij de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering moet een uitspraak doen over het beroep binnen vijfenveertig kalenderdagen vanaf de betekening van het beroep. De vernietiging is definitief als binnen dertig kalenderdagen geen beroep is ingesteld, bij een negatieve uitspraak over het beroep of bij gebrek aan een uitspraak binnen de gestelde termijn.
Art. 4.87. Les instances visées à l'article 4. 79 peuvent former un recours auprès du Gouvernement flamand contre l'annulation dans un délai de trente jours civils. Le Gouvernement flamand doit statuer sur le recours dans un délai de quarante-cinq jours civils à compter de sa notification. L'annulation est définitive à défaut de recours dans les trente jours civils, en cas de rejet du recours ou à défaut de décision dans le délai imparti.
Art. 4.88. Als een beslissing overeenkomstig artikel 4.87 definitief werd vernietigd, kan de toezichthouder de aangelegenheid bepalen waarover het beheersorgaan van de instanties, vermeld in artikel 4.79, een beslissing moet nemen en aan hem ter goedkeuring moet voorleggen, en kan hij de termijn bepalen waarbinnen het beheersorgaan die beslissing moet nemen. Als binnen de gestelde termijn geen beslissing werd genomen, of als de toezichthouder de genomen beslissing niet goedkeurt, kan hij, na kennisgeving aan de Vlaamse Regering, de plaats innemen van het beheersorgaan. Hij kan daarvoor een beroep doen op externe bijstand.
Art. 4.88. Lorsqu'une décision a été annulée à titre définitif conformément à l'article 4.87, le contrôleur peut définir la matière sur laquelle l'organe de gestion des instances visées à l'article 4. 79 doit prendre une décision et la lui soumettre, ainsi que le délai de décision. À défaut de décision dans le délai imparti ou d'approbation de la décision par le contrôleur, celui-ci peut prendre la place de l'organe de gestion après notification au Gouvernement flamand à cette fin il peut faire appel à une assistance externe.
Hoofdstuk 2. Administratieve geldboete
Chapitre 2. Amende administrative
Art. 4.89. De toezichthouder kan een administratieve geldboete opleggen aan de sociale woonorganisaties met uitzondering van de VMSW, aan de erkende ondersteuningsstructuur, vermeld in artikel 4.72, en aan de erkende kredietmaatschappijen, vermeld in artikel 5.58, [2 ...]2 die, na schriftelijk in gebreke te zijn gesteld, een overtreding handhaven van de bepalingen van deze codex of van de uitvoeringsbesluiten ervan die betrekking hebben op de voorwaarden om erkend te kunnen worden en te blijven, of die een overtreding plegen tegen dezelfde reglementaire bepalingen als vermeld in de ingebrekestelling of die een beslissing uitvoeren die geschorst of vernietigd werd.
  De toezichthouder kan een administratieve geldboete opleggen aan [3 ...]3 het OCMW, een welzijnsvereniging, de gemeente en een intergemeentelijk samenwerkingsverband die, na schriftelijk in gebreke te zijn gesteld, de uitoefening van het toezicht, vermeld in artikel 4.79 en 4.81, tweede lid, verhindert, of die de door de Vlaamse Regering bepaalde termijnen om het toezicht mogelijk te maken niet respecteert. [1 De toezichthouder kan een administratieve geldboete opleggen aan de gemeente, het OCMW, de welzijnsvereniging en het intergemeentelijk samenwerkingsverband die, na schriftelijk in gebreke te zijn gesteld, de herinvesteringsverplichting, vermeld in artikel 4.1/1, niet naleeft.]1
  Tegen de ingebrekestelling, vermeld in het eerste en het tweede lid, kan een schriftelijk verweerschrift worden ingediend. De Vlaamse Regering bepaalt de termijn waarbinnen het verweerschrift moet worden ingediend.
  
Art. 4.89. Le contrôleur peut imposer une amende administrative aux sociétés de logement social, à l'exception de la VMSW, à la structure de soutien agréée, visée à l'article 4. 72, et aux sociétés de crédit agréées, visées à l'article 5.58, [2 ...]2, qui, après être mises en demeure par écrit, continuent d'enfreindre les dispositions du présent code ou de ses arrêtés d'exécution portant sur les conditions d'obtention ou de maintien de l'agrément ou qui enfreignent les mêmes dispositions réglementaires que celles mentionnées dans la mise en demeure ou qui mettent en uvre une décision qui a été suspendue ou annulée.
  Le contrôleur peut imposer une amende administrative [3 ...]3 au CPAS, à une association d'aide sociale, à la commune ou à une structure de coopération intercommunale qui, après être mises en demeure par écrit, entravent l'exercice du contrôle visé aux articles 4.79 et 4.81, alinéa deux, ou qui ne respectent pas les délais définis par le Gouvernement flamand pour rendre le contrôle possible. [1 Le contrôleur peut imposer une amende administrative à la commune, au CPAS, à l'association d'aide sociale et au partenariat intercommunal qui, après mise en demeure par écrit, ne respectent pas l'obligation de réinvestissement visée à l'article 4.1/1.]1
  Une défense écrite peut être introduite contre la mise en demeure visée aux alinéas premier et deux. Le Gouvernement flamand définit le délai d'introduction de la défense.
  
Art. 4.90. Bij het opleggen van de administratieve geldboete mag er geen kennelijke wanverhouding bestaan tussen de feiten die aan de administratieve geldboete ten grondslag liggen en de boete die op grond van de feiten wordt opgelegd. De administratieve geldboete kan in geen geval meer dan 50.000 euro bedragen.
Art. 4.90. L'amende administrative doit être proportionnelle à la gravité des faits. L'amende ne peut en aucun cas dépasser 50 000 euros.
Art. 4.91. Bij wanbetaling van de administratieve geldboete vaardigt de toezichthouder een dwangbevel uit dat wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de leidend ambtenaar van de entiteit waartoe de toezichthouders behoren. Het dwangbevel wordt betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot.
Art. 4.91. En cas de défaut de paiement de l'amende administrative, le contrôleur émet une contrainte, visée et déclarée exécutoire par l'agent dirigeant de l'entité à laquelle appartiennent les contrôleurs. La contrainte est signifiée par exploit d'huissier.
Boek 5. Instrumenten van het woonbeleid
Livre 5. Instruments de la politique du logement
Deel 1. Fondsen
Partie 1. Fonds
Titel 1. Fonds voor de Huisvesting
Titre 1. Fonds du logement
Art. 5.1. Het Fonds voor de huisvesting wordt opgericht als een begrotingsfonds als vermeld in artikel 15, § 2, van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019.
Art. 5.1. Le Fonds du logement est créé comme fonds budgétaire tel que visé à l'article 15, § 2 des lois du Code flamand des Finances publiques du 29 mars 2019.
Art. 5.2. Onverminderd andersluidende bepalingen worden de terugbetalingen van subsidie of van tegemoetkomingen die krachtens deze codex verleend werden en die teruggevorderd worden omdat de begunstigden de aangegane verbintenissen of gestelde voorwaarden niet naleven, toegewezen aan het Fonds voor de Huisvesting.
  Aan het Fonds voor de huisvesting worden eveneens de netto-ontvangsten toegewezen die voortvloeien uit de toepassing van het Heffingsdecreet met ingang van het heffingsjaar 2005 en de ontvangsten voortvloeiend uit Europese cofinanciering.
Art. 5.2. Sans préjudice de toute autre disposition contraire, les remboursements des subventions ou des interventions accordées au titre du présent code et recouvrées à la suite du non-respect par les bénéficiaires des engagements pris ou des conditions fixées sont attribués au Fonds du logement.
  Les recettes nettes résultant de l'application du Décret sur la redevance à partir de l'année de redevance 2005 sont également attribuées au Fonds du logement, ainsi que les recettes découlant du cofinancement européen.
Art. 5.3. De middelen van dit Fonds moeten rechtstreeks bijdragen tot wat het woonbeleid ten goede kan komen, onder meer tot het wetenschappelijk onderzoek en tot vernieuwende of experimentele woonprojecten die aansluiten bij de doelstellingen van artikel 1.5 en 1.6 of die bijdragen tot de ontwikkeling van het woonbeleid in internationaal verband.
Art. 5.3. Les ressources de ce Fonds doivent contribuer directement à ce qui peut bénéficier à la politique du logement, y compris la recherche scientifique, et aux projets de logement novateurs ou expérimentaux qui sont conformes aux objectifs des articles 1.5 et 1.6 ou qui contribuent au développement de la politique du logement dans un contexte international.
Art. 5.4. De Vlaamse Regering wijst de ambtenaren aan die belast zijn met de invordering van de subsidies en tegemoetkomingen, evenals de ambtenaren die bevoegd zijn om hiervoor een dwangbevel op te stellen, te viseren en uitvoerbaar te verklaren. De Vlaamse Regering kan haar bevoegdheid ter zake delegeren tot op het meest functionele niveau.
Art. S.4. Le Gouvernement flamand désigne les agents chargés du recouvrement des subventions et interventions, ainsi que les agents compétents pour émettre, viser et rendre exécutoire une contrainte à cet effet. Le Gouvernement flamand peut déléguer sa compétence en la matière au niveau le plus fonctionnel.
Titel 2.
Titre 2.
Art. 5.10.
Titre 3.
Titel 3.
Art. 5.11.
Art. 5.15.
Titre 4. Fonds de lutte contre les expulsions
Titel 4. Fonds ter bestrijding van de uithuiszettingen
Art. 5.16. Dans le domaine politique de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire, un Service à gestion séparée est créé sous le nom de Fonds de lutte contre les expulsions, ci-après dénommé le Fonds.
Art. 5.16. Bij het beleidsdomein Omgeving wordt een Dienst met Afzonderlijk Beheer opgericht met als naam Fonds ter bestrijding van de uithuiszettingen, hierna het Fonds genoemd.
Art. 5.17. En application de l'article 109 du Code flamand des Finances publiques du 29 mars 2019, le Gouvernement flamand règle le fonctionnement et la gestion du Fonds.
Art. 5.17. De Vlaamse Regering regelt, in toepassing van artikel 109 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019, de werking en het beheer van het Fonds.
Art. 5.18. Le Fonds dispose des ressources suivantes :
  1° une dotation à charge du budget général des dépenses ;
  2° toutes les recettes résultant des activités et placements du Fonds ;
  3° le solde éventuel du Fonds au terme de l'exercice budgétaire précédent ;
  4° le recouvrement de paiements indus ;
  5° les contributions de tiers.
Art. 5.18. De middelen van het Fonds zijn:
  1° een dotatie ten laste van de algemene uitgavenbegroting;
  2° alle inkomsten voortvloeiend uit activiteiten en beleggingen van het Fonds;
  3° het gebeurlijke saldo op het einde van het voorgaande begrotingsjaar op het Fonds;
  4° de terugvorderingen voortvloeiend uit ten onrechte gedane betalingen;
  5° de bijdragen van derden.
Art. 5.19. Les ressources du Fonds peuvent être affectées au financement de dépenses portant sur :
   1° l'octroi de subventions aux bailleurs ou aux locataires et aux intermédiaires qui remplissent les conditions d'obtention de l'intervention, telles que fixées par le Gouvernement flamand ;
   2° les frais de fonctionnement propres au Fonds.
Art. 5.19. De middelen van het Fonds kunnen aangewend worden om uitgaven te financieren verbonden aan:
Titre 5. [1 Fonds de l'inspection du logement]1
Titel 5. [1 Fonds voor de Wooninspectie]1
Art. 5.19/1. [1 Le Fonds de l'inspection du logement est créé comme fonds budgétaire visé à l'article 15, § 2, du Code flamand des Finances publiques du 29 mars 2019.
Art. 5.19/1.[1 Er wordt een begrotingsfonds als vermeld in artikel 15, § 2, van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019 opgericht, genaamd Fonds voor de Wooninspectie.
Partie 2. Financement des projets de logement
Deel 2. Financiering van woonprojecten
Titre 1. Projets de logement social
Titel 1. Sociale woonprojecten
Art. 5.20. Le Gouvernement flamand peut octroyer des subventions permettant aux initiateurs de projets de logement social de mettre des logements locatifs sociaux à la disposition des ménages et isolés mal logés.
Art. 5.20.De Vlaamse Regering kan subsidie verlenen om initiatiefnemers van sociale woonprojecten in staat te stellen sociale huurwoningen beschikbaar te stellen van woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden.
Titre 2. Promotion de l'utilisation rationnelle de l'énergie
Titel 2. Bevordering van rationeel energieverbruik
Art. 5.21.Le Gouvernement flamand peut octroyer des subventions permettant aux bailleurs de logements locatifs sociaux [1 et de chambres d'étudiant abordables]1 de prendre des mesures visant à promouvoir l'utilisation rationnelle de l'énergie au sens de l'article 1.1.3, 106°, du Décret sur l'énergie du 8 mai 2009.
Art. 5.21.De Vlaamse Regering kan subsidie verlenen om verhuurders van sociale huurwoningen[1 en betaalbare studentenkamers]1 in staat te stellen maatregelen ter bevordering van rationeel energiegebruik in de zin van artikel 1.1.3, 106°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 te nemen.
Titre 3.Aménagement et adaptation de l'infrastructure du logement [1 en stockage, transport et installation d'unités mobiles de logement et les travaux d'infrastructure nécessaires à leur utilisation]1
Titel 3.Aanleg en aanpassing van wooninfrastructuur [1 en stockage, transport en installatie van mobiele woonunits en de daarvoor noodzakelijke infrastructuurwerken]1
Chapitre 1. Dispositions générales
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Art. 5.22.Afin de promouvoir le droit au logement, le Gouvernement flamand peut, en fonction des crédits inscrits à cet effet au budget de la Région flamande, accorder des subventions pour un certain nombre d'opérations relatives aux logements locatifs sociaux, qui s'inscrivent dans le cadre de l'aménagement ou de l'adaptation de l'infrastructure du logement.
Art. 5.22. Om het recht op wonen te bevorderen, kan de Vlaamse Regering, afhankelijk van de kredieten die daartoe op de begroting van het Vlaamse Gewest worden ingeschreven, subsidie verlenen voor een aantal verrichtingen die betrekking hebben op sociale huurwoningen en die passen in de aanleg of de aanpassing van wooninfrastructuur.
  De Vlaamse Regering kan, afhankelijk van de kredieten die daartoe op de begroting van het Vlaamse Gewest worden ingeschreven, een subsidie verlenen voor de aanleg of de aanpassing van wooninfrastructuur die nodig is voor de realisatie van een gemengd sociaal woonproject als vermeld in artikel 1.3, § 1, eerste lid, 70°, a). De Vlaamse Regering bepaalt het minimum aandeel sociale huurwoningen dat binnen het voornoemde gemengd sociaal woonproject moet worden gerealiseerd om in aanmerking te komen voor een subsidie voor de aanleg of de aanpassing van wooninfrastructuur.
  [1 De Vlaamse Regering kan, afhankelijk van de kredieten die daartoe op de begroting van het Vlaamse Gewest worden ingeschreven, een subsidie verlenen voor stockage, transport en installatie van mobiele woonunits die dienen voor de tijdelijke huisvesting van huurders van sociale huurwoningen en voor de daarvoor noodzakelijke infrastructuurwerken.]1
  Rekening houdend met de bepalingen van dit hoofdstuk stelt de Vlaamse Regering de bijzondere voorwaarden vast waaronder ze subsidie verleent.
  
Art. 5.23. Le Gouvernement flamand peut accorder des subventions pour permettre aux initiateurs de :
  1° viabiliser des terrains, le cas échéant, en démolissant les constructions existantes ;
  2° exécuter ou adapter des travaux d'infrastructure, à savoir l'équipement des routes, les travaux d'environnement, l'éclairage public, le réseau public de distribution d'eau et les installations d'évacuation et d'épuration des eaux usées nécessaires aux logements [1 ou les unités mobiles de logement]1 en question;
  3° aménager les équipements communautaires;
  [1 4° de stocker, transporter, installer les unités mobiles de logement visées à l'article 5.22, alinéa 3, et d'aménager la parcelle sur laquelle les unités mobiles de logement sont placées.]1
  
Art. 5.23. De Vlaamse Regering kan subsidie verlenen om initiatiefnemers in staat te stellen:
  1° gronden bouwrijp te maken, in voorkomend geval door sloping van de aanwezige constructies;
  2° infrastructuurwerken uit te voeren of aan te passen, namelijk de wegenuitrusting, de omgevingswerken, de openbare verlichting, het openbare watervoorzieningsnet en de inrichtingen voor afvoer en zuivering van afvalwater die voor de woningen [1 of de mobiele woonunits]1 in kwestie noodzakelijk zijn;
  3° gemeenschapsvoorzieningen op te richten.
  [1 4° mobiele woonunits als vermeld in artikel 5.22, derde lid, te stockeren, te transporteren, te installeren en het perceel waarop de mobiele woonunits geplaatst worden, aan te leggen.]1
  
Art. 5.24. [1 Les travaux d'infrastructure, visés à l'article 5.23, 2°, [2 à l'exception des travaux d'infrastructure ayant trait aux unités mobiles de logement temporaire]2 ne peuvent être subventionnés que si, tout comme le terrain sur lequel ou dans lequel ils sont réalisés, ils sont transférés à la commune dans le délai fixé par le Gouvernement flamand, afin d'être inclus dans le domaine public communal ou à un gestionnaire des égouts désigné par la commune en charge de la gestion et de l'entretien des égouts communaux. L'initiateur joint à la demande de subvention le contrat ou l'accord entre la commune et le gestionnaire des égouts. La commune et l'initiateur déclarent leur accord de principe avec ce transfert au plus tard au moment de la présentation de la demande de subvention.]1
  L'initiateur peut transférer à la commune les équipements communautaires qui ne sont pas exclusivement destinés aux occupants des logements du projet de logement social, afin d'être inclus dans le domaine public communal.
  Pour le transfert à la commune visé au présent article, l'initiateur peut demander une indemnisation qui ne peut pas dépasser la partie non subventionnée du prix de revient des travaux, opérations et structures.
  Le transfert s'effectue selon une procédure élaborée par le Gouvernement flamand, qui offre les garanties nécessaires à la commune en termes de consultation lors de la conception et de la réalisation des opérations.
  La commune entretient l'infrastructure résidentielle visée au premier alinéa à partir de sa réception provisoire, ou de sa mise en service si celle-ci précède la réception provisoire. Le propriétaire entretient les équipements communautaires à partir de leur réception provisoire, ou de leur mise en service si celle-ci précède la réception provisoire.
  
Art. 5.24. [1 De infrastructuurwerken, vermeld in artikel 5.23, 2°, [2 met uitzondering van de infrastructuurwerken die betrekking hebben op tijdelijke voorzieningen voor mobiele woonunits]2 kunnen alleen gesubsidieerd worden als ze samen met de grond waarin of waarop ze worden uitgevoerd, binnen de termijn die door de Vlaams Regering wordt bepaald, overgedragen worden aan de gemeente om in het gemeentelijk openbaar domein te worden opgenomen, of aan een door de gemeente aangewezen rioolbeheerder die instaat voor het beheer en onderhoud van de rioleringen in de gemeente. De initiatiefnemer voegt de overeenkomst of het akkoord tussen de gemeente en rioolbeheerder bij de subsidieaanvraag. De gemeente en initiatiefnemer verklaren zich uiterlijk bij de indiening van de subsidieaanvraag principieel bereid tot die overdracht.]1
  De initiatiefnemer kan de gemeenschapsvoorzieningen die niet uitsluitend bedoeld zijn voor de bewoners van de woningen van het sociaal woonproject, aan de gemeente overdragen om in het gemeentelijke openbare domein te worden opgenomen.
  De initiatiefnemer mag voor de overdracht aan de gemeente, bedoeld in dit artikel, een vergoeding vragen die niet meer mag bedragen dan het niet-gesubsidieerde deel van de kostprijs van de werkzaamheden, verrichtingen en voorzieningen.
  De overdracht gebeurt overeenkomstig een procedure die de Vlaamse Regering uitwerkt en die voor de gemeente de nodige waarborgen biedt inzake overleg bij het ontwerp en de uitvoering van de verrichtingen.
  De gemeente onderhoudt de wooninfrastructuur, vermeld in het eerste lid, vanaf de voorlopige oplevering ervan, of vanaf de ingebruikname ervan als die aan de voorlopige oplevering voorafgaat. De eigenaar onderhoudt de gemeenschapsvoorzieningen vanaf de voorlopige oplevering ervan, of vanaf de ingebruikname ervan als die aan de voorlopige oplevering voorafgaat.
  
Art. 5.25. Lorsque l'exécution d'une opération, telle que visée dans le présent titre, nécessite l'évacuation de logements, l'initiateur est tenu de reloger, dans les conditions fixées par le Gouvernement flamand, les occupants qui remplissent les conditions fixées sur la base du livre 6, partie 4, et les occupants d'un logement appartenant à une organisation de logement social ou à l'initiateur.
Art. 5.25. Wanneer de uitvoering van een verrichting, bedoeld in deze titel, de ontruiming van woningen vereist, is de initiatiefnemer verplicht de bewoners die voldoen aan de voorwaarden die worden vastgesteld op grond van boek 6, deel 4, en de bewoners van een woning die toebehoort aan een sociale woonorganisatie of de initiatiefnemer, te herhuisvesten onder de door de Vlaamse Regering gestelde voorwaarden.
Art. 5.26. § 1. Sans préjudice des exceptions prévues au présent chapitre et à l'article 2.8 et compte tenu des dispositions de l'article 4.6,[2 alinéa 1]2 la subvention visée à l'article 5.22 peut être accordée aux initiateurs suivants :
  1° la VMSW et les [1 sociétés de logement]1 ;
  2° le VWF;
  3° les communes ;
  4° les structures de coopération intercommunale, cependant limitée à la subvention pour l'infrastructure du logement ;
  5° les centres publics d'aide sociale et les associations d'aide sociale.
  § 2. Dans le présent paragraphe, on entend par :
  1° Contrat général : le Contrat général entre la Communauté flamande et la Région flamande, représentées par le Gouvernement flamand, et Serviceflats Invest nv, conclu le 18 octobre 1995 et modifié par un addenda des 3 décembre 1996 et 22 juillet 2008 ;
  2° résidences-services : des unités de logement individuelles dans un bâtiment de résidences-services tel que visé à l'article 2, 5° des décrets coordonnés du 18 décembre 1991 relatifs aux structures destinées aux personnes âgées ;
  3° Serviceflats Invest nv : la société d'investissement immobilière à capital fixe agréée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 octobre 1995.
  Par dérogation au paragraphe 1, tant que Serviceflats Invest nv n'a pas atteint l'objectif prévu dans le Contrat général de réaliser 2 000 résidences-services, la subvention pour les opérations visées à l'article 5.23 peut également être accordée à un CPAS ou à une association sans but lucratif lorsque des résidences-services sont créées dans le cadre d'un contrat de leasing immobilier entre Serviceflats Invest nv et le CPAS ou l'association sans but lucratif.
  § 3. Par dérogation au paragraphe 1, les subventions visées à l'article 5.23 peuvent également être accordées à des initiateurs constitués sous la forme d'une association sans but lucratif conformément à la loi du 27 juin 1921, qui accorde la personnalité juridique aux associations sans but lucratif et aux établissements d'utilité publique.
  
Art. 5.26. § 1. Onverminderd de uitzonderingen die in dit hoofdstuk en in artikel 2.8 zijn bepaald en rekening houdend met de bepalingen van artikel 4.6,[2 eerste lid,]2 kan subsidie, zoals bedoeld in artikel 5.22, worden verleend aan de volgende initiatiefnemers:
  1° de VMSW en de [1 woonmaatschappijen]1;
  2° het VWF;
  3° de gemeenten;
  4° de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, evenwel beperkt tot de subsidie voor wooninfrastructuur;
  5° de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en welzijnsverenigingen.
  § 2. In deze paragraaf wordt verstaan onder:
  1° Algemene Overeenkomst: de Algemene Overeenkomst tussen de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, en Serviceflats Invest nv, gesloten op 18 oktober 1995 en gewijzigd door een addendum van 3 december 1996 en 22 juli 2008;
  2° serviceflats: individuele wooneenheden in een serviceflatgebouw als vermeld in artikel 2, 5°, van de gecoördineerde decreten van 18 december 1991 inzake voorzieningen voor bejaarden;
  3° Serviceflats Invest nv: de bij besluit van de Vlaamse Regering van 18 oktober 1995 erkende vastgoedbeleggingsvennootschap met vast kapitaal.
  Zolang Serviceflats Invest nv de in de Algemene Overeenkomst opgenomen doelstelling om 2 000 serviceflats te realiseren niet heeft bereikt, kan in afwijking van paragraaf 1 de subsidie voor verrichtingen als vermeld in artikel 5.23, ook worden verleend aan een OCMW of een vereniging zonder winstoogmerk als er serviceflats worden opgericht in het kader van een onroerende leasingovereenkomst tussen Serviceflats Invest nv en het OCMW of de vereniging zonder winstoogmerk.
  § 3. In afwijking van paragraaf 1, kunnen subsidies, vermeld in artikel 5.23, ook worden verleend aan initiatiefnemers, opgericht in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk, overeenkomstig de wet van 27 juni 1921, waarbij aan verenigingen zonder winstgevend doel en aan instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid wordt verleend.
  
Art. 5.27. Le Gouvernement flamand détermine le montant des subventions visées au présent chapitre. La subvention accordée conformément au présent chapitre peut atteindre 100 % du montant éligible.
  En l'absence de disposition décrétale contraire, tout autre avantage que le Gouvernement flamand peut accorder pour la même opération sur la base de ses compétences régionales ou communautaires est inclus dans ces pourcentages.
  Par dérogation à l'alinéa deux, la subvention prévue au présent chapitre peut être combinée, pour la partie non subventionnée, avec les autres moyens que les initiateurs visés à l'article 5.26, § 1 peuvent obtenir sur la base du présent code en vue du financement de leurs opérations d'investissement.
Art. 5.27. De Vlaamse Regering bepaalt het bedrag van de subsidies, vermeld in dit hoofdstuk. De subsidie die overeenkomstig dit hoofdstuk wordt verleend, kan tot 100% bedragen van het subsidiabele bedrag.
  Behoudens andersluidende decretale bepaling, is elk ander voordeel dat de Vlaamse Regering eventueel voor dezelfde verrichting toekent op grond van haar gewest- of gemeenschapsbevoegdheden in deze percentages begrepen.
  In afwijking van het tweede lid kan de subsidie, vermeld in dit hoofdstuk, voor het niet-gesubsidieerde gedeelte gecombineerd worden met de andere middelen die de initiatiefnemers, vermeld in artikel 5.26, § 1, op grond van deze codex kunnen verkrijgen voor de financiering van hun investeringsverrichtingen.
Art. 5.28. Le Gouvernement flamand fixe les règles particulières pour le remboursement éventuel de la subvention reçue dans les cas où, au cours de la réalisation du projet de logement social, un ou plusieurs éléments ont été modifiés, en particulier l'affectation des terrains ou des bâtiments.
Art. 5.28.De Vlaamse Regering stelt de bijzondere regels vast voor de eventuele terugbetaling van de ontvangen subsidie in de gevallen waarin, bij de realisatie van het sociaal woonproject, één of meer elementen werden gewijzigd, in het bijzonder de bestemming van gronden of gebouwen.
Chapitre 2. Dispositions particulières pour le secteur privé
Hoofdstuk 2. Bijzondere bepalingen voor de privésector
Art. 5.29.§ 1. En fonction des crédits inscrits à cet effet dans le budget de la Région flamande et compte tenu des dispositions des articles 5.24 et 5.27, le Gouvernement flamand peut également accorder la subvention visée à l'article 5.23 à des initiateurs autres que ceux visés aux articles 5.26, §§ 1 et 3.
Art. 5.29. § 1. Afhankelijk van de kredieten die daartoe op de begroting van het Vlaamse Gewest worden ingeschreven en rekening houdend met de bepalingen van de artikel 5.24 en 5.27, kan de Vlaamse Regering de subsidie, zoals bedoeld in de artikel 5.23, ook verlenen aan andere initiatiefnemers dan die vermeld in artikel 5.26, § 1 en § 3.
  De subsidie wordt op grond van dit hoofdstuk enkel verleend als de geplande verrichtingen bedoeld zijn om in een woonvernieuwings- of woningbouwgebied sociale huurwoningen te realiseren.
  § 2. De woningen worden door een initiatiefnemer, vermeld in artikel 5.26, § 1, verhuurd of onderverhuurd aan woonbehoeftige gezinnen of alleenstaanden.
  § 3. Behoudens toepassing van artikel 5.26, § 3, engageert de begunstigde van de subsidie zich met betrekking tot de woningen tot een eenzijdige verkoopbelofte ten voordele van de initiatiefnemer, bedoeld in § 2, waarmee wordt samengewerkt. Voor het geval de koopoptie niet wordt gelicht, verleent hij aan de VMSW en aan de [1 woonmaatschappij of woonmaatschappijen]1 met een werkgebied waarin het woonproject gelegen is, een recht van voorkoop op deze woningen.
  De voorwaarden van de verkoopbelofte en van het recht van voorkoop, onder meer de termijn voor de lichting van de koopoptie en de berekening van de koopprijs, worden geregeld in een overeenkomst die de begunstigde van de subsidie sluit:
  - hetzij met de VMSW of met een [1 woonmaatschappij]1, wanneer met een van hen wordt samengewerkt;
  - hetzij, in de andere gevallen, met het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering.
  De overeenkomst bevat verder alle regelingen inzake de beschikbaarstelling van de woningen aan de initiatiefnemer, bedoeld in § 2. Voor de verhuring of onderverhuring aan woonbehoeftige gezinnen of alleenstaanden gelden de bepalingen van boek 6.
  De overeenkomst met de VMSW of met een [1 woonmaatschappij]1 wordt ter goedkeuring aan de Vlaamse Regering voorgelegd.
  § 4. De Vlaamse Regering stelt de bijzondere voorwaarden vast voor de subsidie vermeld in dit artikel.
  
Art. 5.30. Sous réserve de l'application de l'article 5.26, § 3, les ouvrages qu'il a effectués sont grevés, au profit de la Région flamande, d'une hypothèque de premier rang à concurrence de la subvention, majorée des intérêts au taux légal, en garantie de l'exécution des prestations que le bénéficiaire de la subvention s'est engagé à fournir dans la convention visée à l'article 5.29, § 3.
  L'hypothèque est radiée au moment de l'aliénation des logements, comme déterminé par le Gouvernement flamand.
  Sous réserve de l'accord du bénéficiaire de la subvention, l'hypothèque visée au premier alinéa peut être constituée sur d'autres biens immeubles lui appartenant. Elle peut également être remplacée, avec l'accord du Gouvernement flamand, par une garantie bancaire du même montant.
  Les dispositions du premier alinéa ne s'appliquent pas si les ouvrages deviennent, dès leur construction, la propriété de la Région flamande ou de l'initiateur impliqué, visé à l'article 5.29, § 2.
Art. 5.30. Behoudens toepassing van artikel 5.26, § 3, worden de bouwwerken die hij gerealiseerd heeft, ten voordele van het Vlaamse Gewest bezwaard met een hypotheek van de eerste rang ten belope van de subsidie, vermeerderd met de interesten tegen de wettelijke interestvoet, als waarborg voor de uitvoering van de prestaties waartoe de begunstigde van de subsidie zich verbonden heeft in de overeenkomst, vermeld in artikel 5.29, § 3.
  De hypotheek wordt bij de vervreemding van de woningen doorgehaald, zoals door de Vlaamse Regering bepaald.
  Als de begunstigde van de subsidie erin toestemt, kan de hypotheek, vermeld in het eerste lid, gevestigd worden op andere onroerende goederen die hij in eigendom bezit. Ze kan, met instemming van de Vlaamse Regering, ook vervangen worden door een bankgarantie ten belope van hetzelfde bedrag.
  De bepalingen van het eerste lid zijn niet van toepassing als de bouwwerken vanaf de oprichting eigendom worden van het Vlaamse Gewest of van de initiatiefnemer, bedoeld in artikel 5.29, § 2, waarmee wordt samengewerkt.
Art. 5.31. Le Gouvernement flamand peut assortir de la garantie de la Région flamande les emprunts ou les crédits contractés par le bénéficiaire de la subvention pour l'exécution des prestations auxquelles il s'est engagé. La garantie ne dépasse jamais 90 % du montant initial de l'emprunt ou du crédit. Elle ne concerne que le remboursement du capital.
Art. 5.31.De Vlaamse Regering kan de waarborg van het Vlaamse Gewest hechten aan de leningen die de begunstigde van de subsidie aangaat of aan de kredieten die hij opneemt om de prestaties uit te voeren waartoe hij zich heeft verbonden. De waarborg bedraagt nooit meer dan 90% van het oorspronkelijke bedrag van de lening of het krediet. Hij heeft enkel betrekking op de terugbetaling van het kapitaal.
Titre 4. Réductions de loyer
Titel 4. Huurverminderingen
Chapitre 1. Dispositions générales
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Art. 5.32.Afin de promouvoir le droit au logement, le Gouvernement flamand peut, en fonction des crédits inscrits à cet effet au budget de la Région flamande, accorder des subventions pour un certain nombre d'opérations relatives aux logements locatifs sociaux, [1 et aux chambres d'étudiant abordables]1.
Art. 5.32. Om het recht op wonen te bevorderen, kan de Vlaamse Regering, afhankelijk van de kredieten die daartoe op de begroting van het Vlaamse Gewest worden ingeschreven, subsidie verlenen voor een aantal verrichtingen die betrekking hebben op sociale huurwoningen en [1 betaalbare studentenkamers]1.
  Rekening houdend met de bepalingen van dit hoofdstuk stelt de Vlaamse Regering de bijzondere voorwaarden vast waaronder ze subsidie verleent.
  
Art. 5.33. Le Gouvernement flamand peut accorder des subventions aux bailleurs de logements locatifs sociaux [1 et de chambres d'étudiant abordables]1 leur permettant d'accorder des réductions de loyer dans les conditions fixées par le Gouvernement flamand.
  
Art. 5.33. De Vlaamse Regering kan subsidie verlenen om de verhuurder van sociale huurwoningen [1 en betaalbare studentenkamers]1 in staat te stellen huurverminderingen toe te kennen, volgens de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt.
  
Art. 5.34. Sans préjudice des exceptions prévues au présent chapitre et à l'article 2.8 et compte tenu des dispositions de l'article 4.6, [2 alinéa 1,]2 la subvention visée à l'Article 5.32 peut être accordée aux initiateurs suivants :
  1° la VMSW et les [1 sociétés de logement]1 ;
  2° le VWF;
  3° les communes ;
  4° les structures de coopération intercommunale, cependant limitée à la subvention pour l'infrastructure du logement ;
  5° les centres publics d'aide sociale et les associations d'aide sociale.
  
Art. 5.34. Onverminderd de uitzonderingen die in dit hoofdstuk en in artikel 2.8 zijn bepaald en rekening houdend met de bepalingen van artikel 4.6, [2 eerste lid,]2 kan subsidie, zoals bedoeld in artikel 5.32, worden verleend aan de volgende initiatiefnemers:
  1° de VMSW en de [1 woonmaatschappijen]1;
  2° het VWF;
  3° de gemeenten;
  4° de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, evenwel beperkt tot de subsidie voor wooninfrastructuur;
  5° de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en welzijnsverenigingen.
  
Art. 5.35. Lorsque l'exécution d'une opération, telle que visée dans le présent titre, nécessite l'évacuation de logements, l'initiateur est tenu de reloger, dans les conditions fixées par le Gouvernement flamand, les occupants qui remplissent les conditions fixées sur la base du livre 6, partie 4, et les occupants d'un logement appartenant à une organisation de logement social ou à l'initiateur.
Art. 5.35. Wanneer de uitvoering van een verrichting, bedoeld in deze titel, de ontruiming van woningen vereist, is de initiatiefnemer verplicht de bewoners die voldoen aan de voorwaarden die worden vastgesteld op grond van boek 6, deel 4, en de bewoners van een woning die toebehoort aan een sociale woonorganisatie of de initiatiefnemer, te herhuisvesten onder de door de Vlaamse Regering gestelde voorwaarden.
Art. 5.36. Le Gouvernement flamand détermine le montant des subventions visées au présent chapitre. En l'absence de disposition décrétale contraire, ce montant ne peut jamais dépasser 85 % du montant éligible.
  En l'absence de disposition décrétale contraire, tout autre avantage que le Gouvernement flamand peut accorder pour la même opération sur la base de ses compétences régionales ou communautaires est inclus dans ces pourcentages.
  Par dérogation à l'alinéa deux, la subvention prévue au présent chapitre peut être combinée, pour la partie non subventionnée, avec les autres moyens que les initiateurs visés à l'article 5.34 peuvent obtenir sur la base du présent code en vue du financement de leurs opérations d'investissement.
Art. 5.36. De Vlaamse Regering bepaalt het bedrag van de subsidies, vermeld in dit hoofdstuk. Behoudens een andersluidende decretale bepaling, mag dit bedrag nooit hoger zijn dan 85% van het subsidiabele bedrag.
  Behoudens andersluidende decretale bepaling, is elk ander voordeel dat de Vlaamse Regering eventueel voor dezelfde verrichting toekent op grond van haar gewest- of gemeenschapsbevoegdheden in deze percentages begrepen.
  In afwijking van het tweede lid kan de subsidie, vermeld in dit hoofdstuk, voor het niet-gesubsidieerde gedeelte gecombineerd worden met de andere middelen die de initiatiefnemers, vermeld in artikel 5.34, op grond van deze codex kunnen verkrijgen voor de financiering van hun investeringsverrichtingen.
Art. 5.37. Le Gouvernement flamand fixe les règles particulières pour le remboursement éventuel de la subvention reçue dans les cas où, au cours de la réalisation du projet de logement social, un ou plusieurs éléments ont été modifiés, en particulier l'affectation des terrains ou des bâtiments.
Art. 5.37. De Vlaamse Regering stelt de bijzondere regels vast voor de eventuele terugbetaling van de ontvangen subsidie in de gevallen waarin, bij de realisatie van het sociaal woonproject, één of meer elementen werden gewijzigd, in het bijzonder de bestemming van gronden of gebouwen.
Chapitre 2.Dispositions particulières pour les [1 sociétés de logement]1
Hoofdstuk 2.Bijzondere bepalingen voor [1 woonmaatschappijen]1
Art. 5.38.Le Gouvernement flamand peut, dans les limites des crédits inscrits à cet effet au budget de la Région flamande et dans les conditions particulières qu'il détermine, accorder la subvention visée à l'article 5.33 aux [1 sociétés de logement agréées]1.
Art. 5.38.De Vlaamse Regering kan, binnen de perken van de kredieten die daartoe op de begroting van het Vlaamse Gewest worden ingeschreven en onder de bijzondere voorwaarden die ze bepaalt, de subsidie, vermeld in artikel 5.33, verlenen aan [1 erkende woonmaatschappijen]1.
Titre 5. Mise en location, amélioration et adaptation des logements pour les personnes handicapées
Titel 5. Verhuring, verbetering en aanpassing van woningen voor personen met een handicap
Art. 5.39. Afin de promouvoir le droit au logement, le Gouvernement flamand peut, en fonction des crédits inscrits à cet effet au budget de la Région flamande, accorder des subventions pour un certain nombre d'opérations relatives aux logements locatifs sociaux, qui s'inscrivent dans le cadre de la mise en location de logements locatifs sociaux.
Art. 5.39. Om het recht op wonen te bevorderen, kan de Vlaamse Regering, afhankelijk van de kredieten die daartoe op de begroting van het Vlaamse Gewest worden ingeschreven, subsidie verlenen voor een aantal verrichtingen die betrekking hebben op sociale huurwoningen en die passen in de verhuring van sociale huurwoningen.
  Rekening houdend met de bepalingen van deze titel stelt de Vlaamse Regering de bijzondere voorwaarden vast waaronder ze subsidie verleent.
Art. 5.40. Le Gouvernement flamand peut accorder des subventions en vue d'équiper pour les activités de la vie quotidienne des personnes handicapées des logements locatifs sociaux intégrés dans un quartier résidentiel social, y compris la construction ou l'aménagement d'installations spécifiques nécessaires à cet effet.
Art. 5.40. De Vlaamse Regering kan subsidie verlenen om sociale huurwoningen die in een sociale woonwijk gentegreerd zijn uit te rusten voor de activiteiten van het dagelijkse leven van personen met een handicap, met inbegrip van de bouw en/of de inrichting van specifieke voorzieningen die daarvoor noodzakelijk zijn.
Art. 5.41. Lorsque l'exécution d'une opération, telle que visée dans le présent titre, nécessite l'évacuation de logements, l'initiateur est tenu de reloger, dans les conditions fixées par le Gouvernement flamand, les occupants qui remplissent les conditions fixées sur la base du livre 6, partie 4, et les occupants d'un logement appartenant à une organisation de logement social ou à l'initiateur.
Art. 5.41. Wanneer de uitvoering van een verrichting, bedoeld in deze titel, de ontruiming van woningen vereist, is de initiatiefnemer verplicht de bewoners die voldoen aan de voorwaarden die worden vastgesteld op grond van boek 6, deel 4, en de bewoners van een woning die toebehoort aan een sociale woonorganisatie of de initiatiefnemer, te herhuisvesten onder de door de Vlaamse Regering gestelde voorwaarden.
Art. 5.42. Sans préjudice des exceptions prévues au présent titre et à l'article 2.8 et compte tenu des dispositions de l'article 4.6, [2 alinéa 1,]2 la subvention visée à l'article 5.39 peut être accordée aux initiateurs suivants :
  1° la VMSW et les [1 sociétés de logement]1 ;
  2° le VWF;
  3° les communes ;
  4° les structures de coopération intercommunale, cependant limitée à la subvention pour l'infrastructure du logement ;
  5° les centres publics d'aide sociale et les associations d'aide sociale.
  
Art. 5.42. Onverminderd de uitzonderingen die in deze titel en in artikel 2.8 zijn bepaald en rekening houdend met de bepalingen van artikel 4.6, [2 eerste lid,]2 kan subsidie, zoals bedoeld in artikel 5.39, worden verleend aan de volgende initiatiefnemers:
  1° de VMSW en de [1 woonmaatschappijen]1;
  2° het VWF;
  3° de gemeenten;
  4° de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, evenwel beperkt tot de subsidie voor wooninfrastructuur;
  5° de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en welzijnsverenigingen.
  
Art. 5.43. Le Gouvernement flamand détermine le montant des subventions visées au présent titre. La subvention pour les opérations peut dépasser 85 % du montant éligible.
  En l'absence de disposition décrétale contraire, tout autre avantage que le Gouvernement flamand peut accorder pour la même opération sur la base de ses compétences régionales ou communautaires est inclus dans ces pourcentages.
  Par dérogation à l'alinéa deux, la subvention prévue au présent titre peut être combinée, pour la partie non subventionnée, avec les autres moyens que les initiateurs visés à l'article 5.42 peuvent obtenir sur la base du présent code en vue du financement de leurs opérations d'investissement.
Art. 5.43. De Vlaamse Regering bepaalt het bedrag van de subsidies, vermeld in deze titel. De subsidie voor de verrichtingen kan meer dan 85% bedragen van het subsidiabele bedrag.
  Behoudens andersluidende decretale bepaling, is elk ander voordeel dat de Vlaamse Regering eventueel voor dezelfde verrichting toekent op grond van haar gewest- of gemeenschapsbevoegdheden in deze percentages begrepen.
  In afwijking van het tweede lid kan de subsidie, vermeld in deze titel, voor het niet-gesubsidieerde gedeelte gecombineerd worden met de andere middelen die de initiatiefnemers, vermeld in artikel 5.42, op grond van deze codex kunnen verkrijgen voor de financiering van hun investeringsverrichtingen.
Art. 5.44. Le Gouvernement flamand fixe les règles particulières pour le remboursement éventuel de la subvention reçue dans les cas où, au cours de la réalisation du projet de logement social, un ou plusieurs éléments ont été modifiés, en particulier l'affectation des terrains ou des bâtiments.
Art. 5.44.De Vlaamse Regering stelt de bijzondere regels vast voor de eventuele terugbetaling van de ontvangen subsidie in de gevallen waarin, bij de realisatie van het sociaal woonproject, één of meer elementen werden gewijzigd, in het bijzonder de bestemming van gronden of gebouwen.
Titre 6. Acquisition de biens immeubles bâtis ou non bâtis
Titel 6. Verwerving van bebouwde en onbebouwde onroerende goederen
Art. 5.45. Afin de promouvoir le droit au logement, le Gouvernement flamand peut, en fonction des crédits inscrits à cet effet au budget de la Région flamande, accorder des subventions pour un certain nombre d'opérations relatives aux logements locatifs sociaux, qui s'inscrivent dans le cadre de l'acquisition de biens immeubles bâtis ou non bâtis.
Art. 5.45. Om het recht op wonen te bevorderen, kan de Vlaamse Regering, afhankelijk van de kredieten die daartoe op de begroting van het Vlaamse Gewest worden ingeschreven, subsidie verlenen voor een aantal verrichtingen die betrekking hebben op sociale huurwoningen en die passen in de verwerving van bebouwde of onbebouwde onroerende goederen.
  Rekening houdend met de bepalingen van deze titel stelt de Vlaamse Regering de bijzondere voorwaarden vast waaronder ze subsidie verleent.
Art. 5.46. Lorsque l'exécution d'une opération, telle que visée dans le présent titre, nécessite l'évacuation de logements, l'initiateur est tenu de reloger, dans les conditions fixées par le Gouvernement flamand, les occupants qui remplissent les conditions fixées sur la base du livre 6, partie 4, et les occupants d'un logement appartenant à une organisation de logement social ou à l'initiateur.
Art. 5.46. Wanneer de uitvoering van een verrichting, bedoeld in deze titel, de ontruiming van woningen vereist, is de initiatiefnemer verplicht de bewoners die voldoen aan de voorwaarden die worden vastgesteld op grond van boek 6, deel 4, en de bewoners van een woning die toebehoort aan een sociale woonorganisatie of de initiatiefnemer, te herhuisvesten onder de door de Vlaamse Regering gestelde voorwaarden.
Art. 5.47. Sans préjudice des exceptions prévues au présent titre et à l'article 2.8 et compte tenu des dispositions de l'article 4.6, [2 alinéa 1,]2 la subvention visée à l'article 5:45 peut être accordée aux initiateurs suivants :
  1° la VMSW et les [1 sociétés de logement]1 ;
  2° le VWF;
  3° les communes ;
  4° les structures de coopération intercommunale, cependant limitée à la subvention pour l'infrastructure du logement ;
  5° les centres publics d'aide sociale et les associations d'aide sociale.
  
Art. 5.47. Onverminderd de uitzonderingen die in deze titel en in artikel 2.8 zijn bepaald en rekening houdend met de bepalingen van artikel 4.6, [2 eerste lid,]2 kan subsidie, zoals bedoeld in artikel 5.45, worden verleend aan de volgende initiatiefnemers:
  1° de VMSW en de [1 woonmaatschappijen]1;
  2° het VWF;
  3° de gemeenten;
  4° de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, evenwel beperkt tot de subsidie voor wooninfrastructuur;
  5° de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en welzijnsverenigingen.
  
Art. 5.48. Le Gouvernement flamand détermine le montant des subventions visées au présent titre. En l'absence de disposition décrétale contraire, ce montant ne peut jamais dépasser 85 % du montant éligible.
  En l'absence de disposition décrétale contraire, tout autre avantage que le Gouvernement flamand peut accorder pour la même opération sur la base de ses compétences régionales ou communautaires est inclus dans ces pourcentages.
  Par dérogation à l'alinéa deux, la subvention prévue au présent titre peut être combinée, pour la partie non subventionnée, avec les autres moyens que les initiateurs visés à l'article 5.47 peuvent obtenir sur la base du présent code en vue du financement de leurs opérations d'investissement.
Art. 5.48. De Vlaamse Regering bepaalt het bedrag van de subsidies, vermeld in deze titel. Behoudens een andersluidende decretale bepaling, mag dit bedrag nooit hoger zijn dan 85% van het subsidiabele bedrag.
  Behoudens andersluidende decretale bepaling, is elk ander voordeel dat de Vlaamse Regering eventueel voor dezelfde verrichting toekent op grond van haar gewest- of gemeenschapsbevoegdheden in deze percentages begrepen.
  In afwijking van het tweede lid kan de subsidie, vermeld in deze titel, voor het niet-gesubsidieerde gedeelte gecombineerd worden met de andere middelen die de initiatiefnemers, vermeld in artikel 5.47, op grond van dit decreet kunnen verkrijgen voor de financiering van hun investeringsverrichtingen.
Art. 5.49. Le Gouvernement flamand fixe les règles particulières pour le remboursement éventuel de la subvention reçue dans les cas où, au cours de la réalisation du projet de logement social, un ou plusieurs éléments ont été modifiés, en particulier l'affectation des terrains ou des bâtiments.
Art. 5.49. De Vlaamse Regering stelt de bijzondere regels vast voor de eventuele terugbetaling van de ontvangen subsidie in de gevallen waarin, bij de realisatie van het sociaal woonproject, één of meer elementen werden gewijzigd, in het bijzonder de bestemming van gronden of gebouwen.
Titre 7. Projets d'activation
Titel 7. Activeringsprojecten
Art. 5.50. § 1. Les projets d'activation s'inscrivent dans les objectifs de la politique flamande du logement, interviennent de manière structurelle dans le fonctionnement social, économique, culturel et spatial d'un quartier, d'un district urbain ou d'une zone, et servent de levier pour de nouveaux développements dans le domaine de la politique locale du logement.
Art. 5.50. § 1. Activeringsprojecten zijn projecten die aansluiten bij de doelstellingen van het Vlaamse woonbeleid, structureel ingrijpen op het sociaal, economisch, cultureel en ruimtelijk functioneren van een buurt, een wijk, een stadsdeel of een gebied, en de hefboom vormen voor nieuwe ontwikkelingen op het vlak van het lokaal woonbeleid.
  Zij worden georganiseerd op initiatief van publieke, publiek-private of private initiatiefnemers.
  Zij vertrekken vanuit een visie en een plan van aanpak, vastgelegd op grond van een overleg tussen de projectleiding, planners, deskundigen, betrokken gebiedsoverheden en vertegenwoordigers van de lokale bevolking.
  § 2. Activeringsprojecten zijn in hoofdzaak gericht op:
  1° enerzijds de renovatie of sloopwerkzaamheden gevolgd door vervangingsbouw van onroerende goederen die ten hoogste vier opeenvolgende jaren zijn opgenomen in een of meer van de volgende inventarissen of lijsten, gelijktijdig of consecutief:
  a) het leegstandsregister van de gemeente;
  b) de inventaris van leegstaande of verwaarloosde bedrijfsruimten, vermeld in artikel 3, § 1, van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten;
  c) het register van verwaarloosde gebouwen en woningen, vermeld in artikel 2.15;
  d) de inventaris van ongeschikte en onbewoonbare woningen, vermeld in artikel 3.19, § 1;
  2° anderzijds de terbeschikkingstelling van de gerenoveerde onroerende goederen voor de realisatie van een sociaal of bescheiden woonaanbod.
  In de subsidieaanvragen moet worden aangetoond dat de projectorganisatoren niet aan de oorzaak liggen van de opname van de onroerende goederen in het register, vermeld in het eerste lid, 1°, a), of in de inventarissen, vermeld in het eerste lid, 1°, b). Daarvoor wordt ten minste een verklaring op erewoord opgenomen, waarin wordt gesteld dat geen van de projectorganisatoren langer dan een maximumtermijn die de Vlaamse Regering bepaalt, eigenaar is van de onroerende goederen in kwestie.
  Voor de toepassing van deze bepaling worden de volgende natuurlijke of rechtspersonen niet als nieuwe eigenaar beschouwd:
  1° een vennootschap waarover de vroegere eigenaar de controle, vermeld in artikel 5 van het Wetboek van Vennootschappen, uitoefent;
  2° bloed- en aanverwanten van de vroegere eigenaar tot en met de derde graad, tenzij in geval van overdracht door erfopvolging of testament.
  § 3. De Vlaamse Regering kan de aard, de doelstelling, de omvang en de organisatorische voorwaarden van activeringsprojecten nader omschrijven.
  Zij kan tevens bepalen dat een prioriteitsrecht toegekend wordt aan activeringsprojecten in de schoot van gemeenten die significante inspanningen leveren op het vlak van het grond- en pandenbeleid, of die belangrijke planschade lijden.
Art. 5.51. § 1. Dans les conditions du Règlement (UE) n° 360/2012 de la Commission du 25 avril 2012 relatif à l'application des articles 107 et 108 du Traité sur le fonctionnement de l'Union européenne aux aides de minimis accordées à des entreprises fournissant des services d'intérêt économique général, le Gouvernement flamand peut accorder des enveloppes subventionnelles aux projets d'activation.
  [1 Les enveloppes subventionnelles sont à charge du Fonds BRV, visé à l'article 1.6.1 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire]1.
  § 2. La direction du projet peut demander une enveloppe subventionnelle au Gouvernement flamand au moyen d'un formulaire de demande type.
  Le Gouvernement flamand peut disposer que les formulaires de demande type sont introduits sur la base d'un système d'appel. Il peut inclure dans les appels des caractéristiques spécifiques du projet en ce qui concerne les objectifs du projet d'activation, la nature des groupes sociaux dont les besoins spatiaux sont pris en charge, la nature des objectifs spatiaux promus ou les caractéristiques spatiales de la zone du projet.
  § 3. Le Gouvernement flamand définit les coûts éligibles et le pourcentage de l'aide.
  Il détermine les modalités matérielles et formelles de l'aide, les possibilités de cumul d'une enveloppe subventionnelle avec d'autres fonds publics, ainsi que la méthodologie de sélection des propositions de projets et d'octroi de l'aide. Les critères de sélection fixés tiennent compte de la mission de la politique foncière et immobilière visée aux articles 2.1.1 et 2.1.2 du décret sur la politique foncière et immobilière.
  
Art. 5.51.§ 1. De Vlaamse Regering kan onder de voorwaarden, vermeld in verordening (EU) nr. 360/2012 van de Commissie van 25 april 2012 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun verleend aan diensten van algemeen economisch belang verrichtende ondernemingen subsidie-enveloppen toekennen aan activeringsprojecten.
Titre 8. Convention de politique du logement social
Titel 8. Sociaal woonbeleidsconvenant
Art. 5.52.La partie du macro-objectif régional dans le domaine de la réalisation de logements locatifs sociaux qui ne peut être réalisée avec le règlement de croissance obligatoire, tel que visé à l'article 2.31, ou avec le mouvement de rattrapage spécifique, tel que visé à l'article 2.32, est réalisée avec des conventions de politique de logement social, conclues entre le Gouvernement flamand et une ou plusieurs communes. Dans une convention de politique du logement social la commune s'engage à réaliser un certain nombre de logements locatifs sociaux et le Gouvernement flamand fait des concessions concernant le financement de cette offre de logement social.
Art. 5.52.Het gedeelte van het gewestelijke macro-objectief op het vlak van de verwezenlijking van sociale huurwoningen dat niet kan worden gerealiseerd met de verplichte toenameregeling, vermeld in artikel 2.31, of met de specifieke inhaalbeweging, vermeld in artikel 2.32, wordt verwezenlijkt met sociaal woonbeleidsconvenanten, gesloten tussen de Vlaamse Regering en een of meer gemeenten. In een sociaal woonbeleidsconvenant verbindt een gemeente zich tot de verwezenlijking van een bepaald aantal sociale huurwoningen en doet de Vlaamse Regering toezeggingen over de bekostiging van dat sociaal woonaanbod.
Titre 9. [1 Logements locatifs réalisés par un initiateur privé]1
Titel 9. [1 Huurwoningen gerealiseerd door een private initiatiefnemer ]1
Art. 5.52/1.[1Dans le présent article, on entend par " initiateur privé " : toute personne morale ou physique, à l'exclusion d'une organisation de logement social.
Art. 5.52 /1.[1 In dit artikel wordt verstaan onder private initiatiefnemer: elke rechtspersoon of natuurlijke persoon met uitsluiting van een sociale woonorganisatie.
   Om het recht op wonen te bevorderen, kan de Vlaamse Regering, afhankelijk van de kredieten die daartoe op de begroting van het Vlaamse Gewest worden ingeschreven, een subsidie verstrekken aan private initiatiefnemers die kwaliteitsvolle en betaalbare huurwoningen realiseren die worden verhuurd als sociale huurwoning of als geconventioneerde huurwoning. Die subsidie kan zowel worden toegekend voor de realisatie van de huurwoningen als voor eventuele werken als vermeld in artikel 5.23 die gekoppeld zijn aan de realisatie van de woningen die worden verhuurd als sociale of als geconventioneerde huurwoning.
   De Vlaamse Regering stelt de subsidievoorwaarden vast en bepaalt minstens de volgende voorwaarden:
   1А de termijn waarvoor de private initiatiefnemer zich verbindt om de woning te verhuren en de korting, vermeld in punt 3А, toe te passen;
   2А de minimale grootte van het project dat door de private initiatiefnemer wordt gerealiseerd;
   3А de maximale huurprijs en een korting op de huurprijs;
   4А de voorwaarden waaraan de private initiatiefnemer voldoet;
   5А de voorwaarden waaronder de geconventioneerde huurwoning wordt verhuurd.
   De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop gecontroleerd wordt of een huurder in aanmerking komt voor een geconventioneerde huurwoning.
  [2 De Vlaamse Regering kan binnen de afgebakende doelgroep van woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden, vermeld in artikel 1.3, Ї 1, eerste lid, 14А /1, bijzondere doelgroepen bepalen tot wie de projectgebonden oproep tot kandidaatstelling, vermeld in het zevende lid, zich kan richten. Alleen een gemeente, een Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn, een vereniging zonder winstoogmerk of een instelling van openbaar nut waarop het Wetboek van vennootschappen en verenigingen van 23 maart 2019 van toepassing is, of een sociale onderneming voor zover ze erkend is volgens het Wetboek van vennootschappen en verenigingen van 23 maart 2019, of een autonoom gemeentebedrijf als vermeld in deel 2, titel 3, hoofdstuk 2, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur kunnen onder de voor- waarden die de Vlaamse Regering bepaalt, geconventioneerde huurwoningen verhuren aan de bijzondere doelgroepen.]2
  [2 ...]2 De [2 geconventioneerde huurwoningen worden toegewezen door]2 het beslissingsorgaan van de private initiatiefnemer of de persoon of personen die hij daartoe aanstelt, of een gemeente, een Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn, een vereniging zonder winstoogmerk of een instelling van openbaar nut waarop het Wetboek van vennootschappen en verenigingen van 23 maart 2019 van toepassing is, of een sociale onderneming voor zover ze erkend is volgens het Wetboek van vennoot- schappen en verenigingen van 23 maart 2019, of een autonoom gemeentebedrijf als vermeld in deel 2, titel 3, hoofdstuk 2, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, rekening houdend met:
   1А de interesse van de [2 aanvrager van een geconventioneerde huurwoning]2 in een of meerdere woningen in het project;
   2А de toewijzingsregels die de Vlaamse Regering vaststelt, waarbij ze rekening houdt met de bijzondere doelstellingen van het woonbeleid, vermeld in artikel 1.6, Ї 2.
  [2 А de voorrangsregel die de Vlaamse Regering vaststelt over de lokale binding van de aanvrager van een geconventioneerde huurwoning met de gemeente waar de geconventioneerde woning ligt, als de gemeente beslist om die voorrangsregel toe te passen;
   4А in voorkomend geval, het reglement, vermeld in artikel 5.52/3, eerste lid, dat de gemeente of het intergemeentelijk samenwerkingsverband heeft opgemaakt onder de voorwaarden die de Vlaamse Regering vaststelt.]2

  [2 De kandidaatstelling voor een geconventioneerde huurwoning gebeurt na een projectgebonden oproep of in voorkomend geval, volgens de wijze die opgenomen is in het reglement, vermeld in zesde lid, 4А.]2
   De private initiatiefnemer, een gemeente, een Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn, een vereniging zonder winstoogmerk of een instelling van openbaar nut waarop het Wetboek van vennootschappen en verenigingen van 23 maart 2019 van toepassing is, of een sociale onderneming voor zover ze erkend is volgens het Wetboek van vennootschappen en verenigingen van 23 maart 2019, of een autonoom gemeentebedrijf als vermeld in deel 2, titel 3, hoofdstuk 2, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur gebruikt de typehuurovereenkomst, vermeld in 4.42, Ї 3, als hij een geconventioneerde huurwoning verhuurt aan een huurder die in aanmerking komt voor een geconventioneerde huurwoning. De voorwaarden waaraan de huurder voldoet om in aanmerking te komen voor een geconventioneerde huurwoning zijn dezelfde als de voorwaarden die de Vlaamse Regering krachtens artikel 4.42, Ї 2, bepaalt.
   De Vlaamse Regering bepaalt de typehuurovereenkomsten die worden gebruikt voor de verhuur van de geconventioneerde huurwoningen aan woonmaatschappijen, een gemeente, een Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn, een vereniging zonder winstoogmerk of een instelling van openbaar nut waarop het Wetboek van vennootschappen en verenigingen van 23 maart 2019 van toepassing is, of een sociale onderneming voor zover ze erkend is volgens het Wetboek van vennootschappen en verenigingen van 23 maart 2019, of een autonoom gemeentebedrijf als vermeld in deel 2, titel 3, hoofdstuk 2, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, waarbij minstens de volgende voorwaarden worden opgenomen:
   1А een regeling voor de duurtijd van de huurovereenkomst;
   2А een regeling voor de opzegmogelijkheden van de huurder en de verhuurder.
   De Vlaamse Regering bepaalt de sancties op de niet-naleving van de subsidievoorwaarden.]1

  
Art. 5.52 /2.[1 § 1er. En vue de la mise en location des logements conventionnés visés à l'article 5.52/1, des données à caractère personnel sont traitées dans le but :
   1° de vérifier si les conditions arrêtées par le Gouvernement flamand conformément à l'article 5.52 sont remplies/1 ;
   2° d'assurer le règlement juridique du contrat de bail.
   § 2. Les responsables du traitement sont :
   1° le service chargé par le Gouvernement flamand de la mise en oeuvre de la politique du logement ;
   2° l'initiateur privé visé à l'article 5.52/1 ;
   3° une commune, un Centre Public d'Action Sociale, une association sans but lucratif ou un organisme d'intérêt public auquel s'applique le Code des sociétés et des associations du 23 mars 2019, ou une entreprise sociale dans la mesure où elle a été agréée en vertu du Code des sociétés et des associations du 23 mars 2019, ou une régie communale autonome, telle que visée dans la partie 2, titre 3, chapitre 2, du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale.
   § 3. En application du paragraphe 1er, les catégories suivantes de données à caractère personnel peuvent être traitées :
   1° les données d'identification personnelles ;
   2° le numéro de registre national et les numéros d'identification à la sécurité sociale ;
   3° les caractéristiques personnelles ;
   4° la composition du ménage ;
   5° les données relatives à la santé physique ou mentale ;
   6° les particularités financières ;
   7° les données relatives aux droits immobiliers ;
   8° les caractéristiques du logement.
  [2 Seul le statut de la personne peut être demandé et traité en ce qui concerne les données relatives à la santé physique ou mentale visée à l'alinéa 1er, 5°.]2.
   Le Gouvernement flamand peut préciser les catégories de données à caractère personnel visées à l'alinéa 1er.
   § 4. Les personnes concernées par le traitement de données à caractère personnel sont :
   1° le demandeur d'un logement locatif conventionné [2 ou son représentant ]2;
   2° les membres du ménage du demandeur d'un logement locatif conventionné ;
   3° le locataire [2 ou son représentant]2 ;
   4° l'ex-locataire[2 ou son représentant]2.
  [2 5° les membres de la famille du locataire ;
   6° l'initiateur privé qui est une personne physique]2

   § 5.[2 Le responsable du traitement visé au paragraphe 2, 1° applique aux données à caractère personnel un délai de conservation de maximum un an suivant la fin définitive des procédures administratives, judiciaires et extrajudiciaires, et jusqu'à dix ans maximum après le traitement du dossier de demande de la subvention visée à l'article 5.52/1, alinéa 2. Le responsable du traitement visé au paragraphe 2, 1° applique aux données à caractère personnel un délai de conservation de maximum un an suivant la fin définitive des procédures administratives, judiciaires et extrajudiciaires, et jusqu'à dix ans maximum après le traitement du dossier de demande. Les responsables du traitement visés au paragraphe 2, 2° et 3° appliquent aux données à caractère personnel traitées un délai de conservation de dix ans après la fin du contrat de bail.]2.
   § 6. Le responsable du traitement mentionné dans le paragraphe 2, 1°, transférer les données à caractère personnel à l'initiateur privé, visé à l'article 5.52/1, à la de société de logement ou à une commune, un Centre Public d'Action Sociale, une association sans but lucratif ou un organisme d'intérêt public auquel s'applique le Code des sociétés et des associations du 23 mars 2019, ou à une entreprise sociale dans la mesure où elle a été agréée en vertu du Code des sociétés et des associations du 23 mars 2019, ou à une régie communale autonome, telle que visée dans la partie 2, titre 3, chapitre 2, du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale, pour la conclusion du contrat de bail. Le responsable du traitement mentionné dans le paragraphe 2, 1°, peut utiliser les données à caractère personnel pour traitement statistique et les mettre à la disposition d'autres entités du domaine politique de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire pour traitement statistique.
   Le Gouvernement flamand peut désigner des entités additionnelles auxquelles des données à caractère personnel peuvent être transférées à des fins spécifiquement définies.
   § 7. Les responsables du traitement précisent les traitements effectués dans une déclaration de confidentialité. Dans un souci de transparence et de garantie des droits des personnes concernées, ils incluent dans leurs communications avec ces dernières une référence à l'emplacement de leur déclaration de vie privée.
   § 8. Le service chargé par le Gouvernement flamand de la politique du logement coordonne les flux de données électroniques et l'échange d'informations électroniques entre les différents acteurs mentionnés dans le présent article. Toutes les données électroniques peuvent être échangées dans ce cadre par le biais du service chargé par le Gouvernement flamand de la politique du logement et peuvent être recueillies auprès de ces sources de données par ce service qui, dans ce cas, est le responsable du traitement pour ce qui est du recueil et du transfert. Le service chargé par le Gouvernement flamand de la politique du logement peut également utiliser les données pour traitement statistique et les mettre à la disposition des autres entités du domaine politique de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire. Le service chargé par le Gouvernement flamand de la politique du logement peut effectuer un traitement ultérieur des données à caractère personnel aux fins visées à l'article 1.5 qui sont compatibles avec les finalités initiales.]1

  
Art. 5.52 /2.[1 Voor de verhuring van de geconventioneerde woningen, vermeld in artikel 5.52/1, worden persoonsgegevens verwerkt met als doel:
   1А na te gaan of voldaan is aan de voorwaarden die de Vlaamse Regering vaststelt conform artikel 5.52/1;
   2А de juridische afwikkeling van de huurovereenkomst verzekeren.
   Ї 2. De verwerkingsverantwoordelijken zijn:
   1А de dienst die door de Vlaamse Regering belast is met de uitvoering van het woonbeleid;
   2А de private initiatiefnemer, vermeld in artikel 5.52/1;
   3А een gemeente, een Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn, een vereniging zonder winstoogmerk of een instelling van openbaar nut waarop het Wetboek van vennootschappen en verenigingen van 23 maart 2019 van toepassing[2 is]2, of een sociale onderneming voor zover ze erkend is volgens het Wetboek van vennootschappen en verenigingen van 23 maart 2019, of een autonoom gemeentebedrijf als vermeld in deel 2, titel 3, hoofdstuk 2, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur.
   Ї 3. Met toepassing van paragraaf 1 kunnen de volgende categorieыn van persoonsgegevens verwerkt worden:
   1А persoonlijke identificatiegegevens;
   2А het rijksregisternummer en de identificatienummers van de sociale zekerheid;
   3А persoonlijke kenmerken;
   4А gezinssamenstelling;
   5А gegevens over de lichamelijke of psychische gezondheid;
   6А financiыle bijzonderheden;
   7А gegevens over onroerende rechten;
   8А woningkenmerken.
  [2 Alleen het statuut van de persoon kan worden opgevraagd en verwerkt met betrekking tot de gegevens over de lichamelijke of psychische gezondheid, vermeld in het eerste lid, 5А.]2.
   De Vlaamse Regering kan de categorieыn van persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, nader omschrijven.
   Ї 4. De betrokkenen bij de verwerking van persoonsgegevens zijn:
   1А de aanvrager van een geconventioneerde huurwoning[2 of zijn vertegenwoordiger]2;
   2А de gezinsleden van de aanvrager van een geconventioneerde huurwoning;
   3А de huurder [2 of zijn vertegenwoordiger]2;
   4А de ex-huurder[2 of zijn vertegenwoordiger]2
  [2 5А de gezinsleden van de huurder;
   6А de private initiatiefnemer die een natuurlijke persoon is.]2

  Ї 5.[2 De verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in paragraaf 2, 1А, past op de verwerkte persoonsgegevens een bewaartermijn van maximaal щщn jaar toe na de definitieve beыindiging van de administratieve, gerechtelijke en buitengerechtelijke procedures en uiterlijk maximaal tien jaar na de behandeling van het aanvraagdossier voor de subsidie, vermeld in artikel 5.52/1, tweede lid. De verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in paragraaf 2, 1А, past op de verwerkte persoonsgegevens een bewaartermijn van maximaal щщn jaar toe na de definitieve beыindiging van de administratieve, gerechtelijke en buitengerechtelijke procedures en uiterlijk maximaal tien jaar na de behandeling van het aanvraagdossier. De verwerkingsverantwoordelijken, vermeld in paragraaf 2, 2А en 3А, passen op de verwerkte persoonsgegevens een bewaartermijn van tien jaar toe na het einde van de huurovereenkomst.]2.
   Ї 6. De verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in paragraaf 2, 1А, kan de persoonsgegevens doorgeven aan de private initiatiefnemer, vermeld in artikel 5.52/1, de woonmaatschappij of een gemeente, een Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn, een vereniging zonder winstoogmerk of een instelling van openbaar nut waarop het Wetboek van vennootschappen en verenigingen van 23 maart 2019 van toepassing, of een sociale onderneming voor zover ze erkend is volgens het Wetboek van vennootschappen en verenigingen van 23 maart 2019, of een autonoom gemeentebedrijf als vermeld in deel 2, titel 3, hoofdstuk 2, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur voor het sluiten van de huurovereenkomst. De verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in paragraaf 2, 1А, kan de persoonsgegevens gebruiken voor statistische verwerking en kan ze ter beschikking stellen van andere entiteiten van het beleidsdomein Omgeving voor statistische verwerking.
   De Vlaamse Regering kan aanvullende entiteiten aanduiden waaraan persoonsgegevens voor specifiek omschreven doeleinden kunnen worden doorgegeven.
   Ї 7. De verwerkingsverantwoordelijken verduidelijken in een privacyverklaring welke verwerkingen er gebeuren. Ze nemen met het oog op transparantie en de garantie van de rechten van betrokkenen in hun communicatie met de betrokkenen een verwijzing op naar de vindplaats van de privacyverklaring.
   Ї 8. De dienst die door de Vlaamse Regering belast is met het woonbeleid, coördineert de elektronische gegevensstromen en elektronische informatie-uitwisseling tussen de diverse actoren, vermeld in dit artikel. Alle elektronische gegevens mogen in dat kader via de dienst die door de Vlaamse Regering belast is met het woonbeleid, uitgewisseld worden en kunnen door die dienst, die in dat geval verwerkingsverantwoordelijke is voor de opvraging en doorgifte, opgevraagd worden bij die gegevensbronnen. De dienst die door de Vlaamse Regering belast is met het woonbeleid, mag de gegevens ook gebruiken voor statistische verwerking en mag ze ter beschikking stellen van de andere entiteiten van het beleidsdomein Omgeving voor statistische verwerking. De dienst die door de Vlaamse Regering belast is met het woonbeleid, kan de persoonsgegevens verder verwerken voor doeleinden, vermeld in artikel 1.5, die verenigbaar zijn met de oorspronkelijke doeleinden.]1

  
Art. 5.52 /3. [1 Lors de l'établissement du règlement visé à l'article 4.42, § 2, alinéa 2, 4°, et à l'article 5.52/1, alinéa 5, 4°, la commune ou la structure de coopération intercommunale associe les bailleurs et les acteurs locaux du logement et de l'aide sociale pertinents.
   La commune ou la structure de coopération intercommunale transmet le règlement visé à l'alinéa 1er et le dossier administratif au Gouvernement flamand par envoi sécurisé.
   Le Gouvernement flamand dispose d'un délai de quarante-cinq jours civils suivant la date de notification du règlement visé à l'alinéa 1er et du dossier administratif pour annuler tout ou partie du règlement s'il l'estime contraire aux lois, aux décrets et à leurs arrêtés d'exécution ou à l'intérêt public. Si le règlement est transmis par lettre recommandée, le délai commence à courir le troisième jour ouvrable suivant la date à laquelle le règlement est remis à la poste.
   Le Gouvernement flamand peut prolonger une seule fois de quinze jours civils le délai visé à l'alinéa 3. Il en informe la commune ou la structure de coopération intercommunale avant l'expiration du délai initial.
   Pour le calcul du délai visé aux alinéas 3 et 4, l'échéance est comprise dans le délai. Si la date d'échéance tombe un samedi, un dimanche, un jour férié légal ou décrétal, celle-ci est reportée au premier jour ouvrable suivant.
   Le Gouvernement flamand transmet la décision d'annulation par envoi sécurisé à la commune ou à la structure de coopération intercommunale.]1

  
Art. 5.52/3. [1 Bij de opmaak van het reglement, vermeld in artikel 4.42, Ї 2, tweede lid, 4А, en artikel 5.52/1, vijfde lid, 4А, betrekt de gemeente of het intergemeentelijk samenwerkingsverband de relevante huisvestings- en welzijnsactoren.
Partie 3. Subvention pour les terrains pour nomades
Deel 3. Subsidie voor woonwagenterreinen
Art. 5.53. Dans les limites du budget approuvé, le Gouvernement flamand peut accorder aux personnes morales spécifiées dans la présente partie une subvention pour l'investissement dans des terrains pour nomades.
Art. 5.53. Binnen de perken van de goedgekeurde begroting kan de Vlaamse Regering een subsidie verlenen voor de investeringen aan woonwagenterreinen, aan de rechtspersonen, vermeld in dit deel.
Art. 5.54. La subvention pour les terrains résidentiels pour nomades et pour les terrains de transit peut être accordée pour :
  1° l'acquisition ;
  2° l'aménagement ;
  3° la rénovation ;
  4° l'extension.
Art. 5.54. De subsidie voor residentiële woonwagenterreinen en voor doortrekkersterreinen kan worden toegekend voor:
  1° de verwerving;
  2° de inrichting;
  3° de renovatie;
  4° de uitbreiding.
Art. 5.55. La subvention pour les investissements visés à l'article 5.56 peut être demandée par :
  1° une commune, une agence autonomisée externe communale ou une structure de coopération intercommunale ;
  2° une province ou une agence autonomisée externe provinciale ;
  3° un CPAS;
  4° la VMSW;
  5° une [1 société de logement]1.
  
Art. 5.55. De subsidie voor de investeringen, vermeld in artikel 5.56, kan worden aangevraagd door:
  1° een gemeente, een gemeentelijk extern verzelfstandigd agentschap of een intergemeentelijk samenwerkingsverband;
  2° een provincie of een provinciaal extern verzelfstandigd agentschap;
  3° een OCMW;
  4° de VMSW;
  5° een [1 woonmaatschappij]1.
  
Art. 5.56. La subvention accordée ne dépasse pas 100 % du prix de revient tel que fixé lors du décompte final, mais se limite au montant d'adjudication initialement approuvé. La base du subventionnement est majorée de 7 % en guise d'intervention dans les frais généraux.
  Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités et fixer des priorités pour l'octroi de la subvention.
Art. 5.56. De toegekende subsidie bedraagt maximaal 100% van de kostprijs zoals die bij de eindafrekening wordt vastgesteld, maar is beperkt tot het initieel goedgekeurde aanbestedingsbedrag. De subsidiebasis wordt verhoogd met 7% als tegemoetkoming in de algemene kosten.
  De Vlaamse Regering kan de nadere voorwaarden vaststellen en prioriteiten bepalen voor de toekenning van de subsidie.
Art. 5.57. Le Gouvernement flamand peut fixer les règles de procédure détaillées pour la demande, l'octroi et le paiement de la subvention.
Art. 5.57.De Vlaamse Regering kan de nadere procedureregels bepalen voor de aanvraag, de toekenning en de uitbetaling van de subsidie.
Partie 4. Prêts et garanties
Deel 4. Leningen en waarborgen
Titre 1. Prêt social avec garantie régionale
Titel 1. Sociale lening met gewestwaarborg
Art. 5.58.[1 Pour conserver l'agrément qu'elles ont obtenu en application de l'article 5.58, alinéa premier, 1°, tel qu'il était appliqué avant le 1er janvier 2022, les sociétés de crédit doivent remplir les conditions suivantes :
Art. 5.58. [1 Om de erkenning te behouden die ze verkregen met toepassing van artikel 5.58, eerste lid, 1°, zoals dit vóór 1 januari 2022 gold, dienen de kredietmaatschappijen aan de volgende voorwaarden te voldoen:
   1° de kredietmaatschappij heeft als hoofdzakelijk maatschappelijk doel het toekennen en beheren van sociale leningen voor het bouwen, kopen, verbouwen, behouden of het energetische renoveren van een bescheiden woning ten behoeve van natuurlijke personen die geen andere woning in volle eigendom bezitten en die woning zelf bewonen of zullen bewonen;
   2° de kredietmaatschappij beschikt over een vergunning als kredietgever verkregen bij de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten (FSMA), vermeld in artikel VII.159, § 1, van het Wetboek van Economisch Recht;
   3° de kredietmaatschappij verbindt zich in haar statuten, de voorwaarden, bepalingen en verplichtingen, vermeld in dit hoofdstuk, na te leven en het toezicht van de toezichthouder daarop te aanvaarden;
   4° de maatschappelijke zetel of exploitatiezetel van de kredietmaatschappij ligt in het Vlaamse Gewest;
   5° de kredietmaatschappij keert een dividend uit dat niet hoger is dan de rentevoet, vastgesteld door de Koning ter uitvoering van de wet van 20 juli 1955 houdende instelling van een Nationale Raad voor de Coöperatie, toegepast op het gestorte kapitaal, zonder dat dat dividend hoger is dan 25% van de te bestemmen winst van het boekjaar.
   De Vlaamse Regering stelt aanvullende voorwaarden voor het behoud van de erkenning vast met betrekking tot:
   1° de interne en externe controle;
   2° het liquiditeitsbeheer en de beleggingen;
   3° het minimaal eigen vermogen;
   4° de solvabiliteit.
   Een bescheiden woning, vermeld in het eerste lid, 1°, is hetzij een woning die door de VMSW, een sociale huisvestingsmaatschappij of het VWF wordt bestemd om verkocht te worden aan woonbehoeftige gezinnen of alleenstaanden, hetzij een te bouwen, te kopen, te verbouwen of te behouden woning waarvan de verkoopwaarde maximaal 225.000 euro bedraagt. Dat bedrag wordt verhoogd met 15% als de woning gelegen is in een gemeente die is opgenomen in cluster 1 of cluster 2 van de lijst die is opgenomen in bijlage 19 bij het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021 en wordt cumulatief verhoogd met 5%:
   1° voor elke persoon ten laste;
   2° voor ieder van de ascendenten van de ontlener die op de datum van de leningsaanvraag sedert ten minste zes maanden met hem samenwoont.
   De maximale verkoopwaarde wordt op 1 januari aangepast aan de gezondheidsindex van de maand november die aan de aanpassing voorafgaat met als basisindex die van de maand november 2012. Het resultaat wordt afgerond naar het eerstvolgende veelvoud van 1000 euro.]1

  
Art. 5.59. § 1. [1 ...]1
  [1 Au Fonds de Garantie des Prêts sociaux, créé en tant que fonds budgétaire visé à l'article 15, § 2, du Code flamand des finances publiques du 29 mars 2019, sont affectés les revenus provenant de recouvrements, les revenus de la revente de biens immobiliers acquis et les intérêts des sommes placées.]1
  § 2. Les moyens du fonds ne peuvent être affectés qu'au précompte immobilier sur le produit des intérêts, aux frais bancaires, aux interventions pour les sociétés et établissements de crédit en exécution de la garantie régionale, ainsi qu'à l'acquisition de biens immeubles.
  § 3. Le Gouvernement flamand détermine les cas dans lesquels, pour des raisons sociales particulières, les sommes versées aux sociétés et établissements de crédit dans le cadre de l'exécution de la garantie, visée au paragraphe 2, ne sont pas récupérées auprès des emprunteurs.
  § 4. Tous les avoirs, dettes et créances du Fonds de garantie pour le logement, visé aux articles 28 et 32 du décret du 21 décembre 1990 contenant des dispositions budgétaires techniques ainsi que les dispositions accompagnant le budget 1991, sont repris par le Fonds de garantie des emprunts sociaux. Le comptable qui a perçu les recettes peut disposer de manière directe du fonds.
  § 5. Le Gouvernement flamand règle la gestion du fonds [1 ...]1.
  § 6. [1 ...]1
  § 7. [1 ...]1
  
Art. 5.59. § 1. [1 ...]1
  [1 Aan het Waarborgfonds sociale leningen, dat werd opgericht als een begrotingsfonds als vermeld in artikel 15, § 2, van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019, worden de ontvangsten die voortvloeien uit terugwinningen, de inkomsten uit de wederverkoop van ingekochte onroerende goederen en de intresten op belegde sommen toegewezen.]1
  § 2. De middelen van het fonds kunnen enkel aangewend worden voor de roerende voorheffing op intrestenopbrengsten, bankkosten, tegemoetkomingen aan de kredietmaatschappijen en -instellingen ter uitvoering van de gewestwaarborg, alsook voor de aankoop van onroerende goederen.
  § 3. De Vlaamse Regering stelt de gevallen vast waarbij, om bijzondere sociale redenen, de sommen die in het kader van de uitvoering van de waarborg, vermeld in paragraaf 2, aan de kredietmaatschappijen en -instellingen werden betaald, niet worden teruggevorderd bij de kredietnemers.
  § 4. Alle schulden, vorderingen en tegoeden van het Fonds voor de waarborgstelling met betrekking tot huisvesting, vermeld in artikel 28 en 32 van het decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen alsmede bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991, worden overgenomen door het Waarborgfonds sociale leningen. Op het fonds kan rechtstreeks worden beschikt door de rekenplichtige die de ontvangsten heeft gedaan.
  § 5. De Vlaamse Regering regelt het beheer van het fonds [1 ...]1.
  § 6. [1 ...]1
  § 7. [1 ...]1
  
Art. 5.61. Le Gouvernement flamand définit les conditions dans lesquelles les sociétés de crédit, visées à l'article 5.58, [1 ...]1 peuvent souscrire au capital social des organisations de logement social, des sociétés agréées par ou en vertu du présent code et des intermédiaires d'assurances visés à l'article 1, 3° de la loi du 27 mars 1995 relative à l'intermédiation en assurances et en réassurances et à la distribution d'assurances.
  Le Gouvernement flamand fixe les conditions dans lesquelles les organisations de logement social, les sociétés agréées par ou en vertu du présent code, à l'exception des sociétés de crédit visées à l'article 5.58, [1 ...]1 et les intermédiaires d'assurances visés à l'article 1, 3° de la loi du 27 mars 1995 relative à l'intermédiation en assurances et en réassurances et à la distribution d'assurances peuvent souscrire au capital social d'une société de crédit visée à l'article 5.58, alinéa premier, 1°, leur souscription conjointe ne dépassant pas le quart du capital social de la société de logement social.
  La société de crédit affecte le produit net de la participation, visée à l'alinéa premier, au financement des prêts sociaux, visés au présent code.
  
Art. 5.61. De Vlaamse Regering stelt de voorwaarden vast waaronder de kredietmaatschappijen, vermeld in artikel 5.58, [1 ...]1 kunnen intekenen op het maatschappelijk kapitaal van sociale woonorganisaties, van vennootschappen die erkend zijn bij of krachtens deze codex, en van verzekeringstussenpersonen als vermeld in artikel 1, 3°, van de wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekerings- en herverzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen.
  De Vlaamse Regering stelt de voorwaarden vast waaronder sociale woonorganisaties, vennootschappen die erkend zijn bij of krachtens deze codex, kredietmaatschappijen als vermeld in artikel 5.58, [1 ...]1 uitgezonderd, en verzekeringstussenpersonen als vermeld in artikel 1, 3°, van de wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekerings- en herverzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen, kunnen intekenen op het maatschappelijk kapitaal van een kredietmaatschappij als vermeld in artikel 5.58, eerste lid, 1°, gezamenlijk voor ten hoogste een vierde van het maatschappelijk kapitaal van de kredietmaatschappij.
  De kredietmaatschappij wendt de netto-opbrengst van de participatie, vermeld in het eerste lid, aan voor de financiering van de sociale leningen, vermeld in deze codex.
  
Art. 5.62. Le Gouvernement flamand fixe les conditions pour la gestion interne et le plan comptable adoptés par les sociétés de crédit, visées à l'article 5.58 [1 ...]1.
  
Art. 5.62. De Vlaamse Regering legt de voorwaarden vast voor het interne beheer en het rekeningstelsel dat de kredietmaatschappijen, vermeld in artikel 5.58, [1 ...]1 hanteren.
  
Art. 5.63. En cas d'éviction ou en vue d'éviter une éviction de la garantie visée à l'article 5.60,[2 tel qu'en vigueur au 31 janvier 2021,]2 le Gouvernement flamand peut charger le VWF de reprendre les actifs et passifs des sociétés de crédit mentionnées à l'article 5.58 [1 ...]1.
  
Art. 5.63. Bij uitwinning of ter voorkoming van een uitwinning van de waarborg vermeld in artikel 5.60,[2 zoals van kracht op 31 januari 2021,]2 kan de Vlaamse Regering het VWF opdracht geven tot overname van de activa en passiva van de in artikel 5.58, [1 ...]1 vermelde kredietmaatschappijen.
  
Art. 5.64. Les aspects non couverts par le présent titre ou ses arrêtés d'exécution sont régis par les dispositions du livre VII, titre 4, chapitre 2 et titre 5 du Code de droit économique.
Art. 5.64. Voor de aspecten die niet geregeld zijn in deze titel of in de uitvoeringsbesluiten ervan, gelden de bepalingen van boek VII, titel 4, hoofdstuk 2, en titel 5, van het Wetboek van Economisch Recht.
Titre 2. Prêts sociaux spéciaux
Titel 2. Bijzondere sociale leningen
Art. 5.65.Pour chacune des opérations visées à l'article 5.66, le Gouvernement flamand fixe les conditions dans lesquelles les ménages et isolés mal logés peuvent souscrire un prêt social spécial [1 ...]1 du VWF. Il détermine notamment la méthode de calcul des taux d'intérêt sociaux et les conditions de révision périodique de ces taux. Le taux d'intérêt et sa révision sont liés au revenu.
Art. 5.65. De Vlaamse Regering stelt voor elk van de verrichtingen, vermeld in artikel 5.66, de voorwaarden vast waaronder woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden een bijzondere sociale lening kunnen aangaan [1 ...]1 bij het VWF. Ze bepaalt onder meer de berekeningswijze van de sociale interestvoeten en de voorwaarden voor de periodieke herziening van die interestvoet. De interestvoet en de herziening ervan zijn gekoppeld aan het inkomen.
  
Art. 5.66. [1 Le VWF est autorisé]1 à accorder aux ménages et isolés mal logés des prêts tels que visés à l'article 5.65 pour le financement d'une ou plusieurs des opérations suivantes :
  1° l'achat ou le maintien d'un logement situé en Région flamande ;
  2° la rénovation, l'amélioration ou l'adaptation d'un logement situé en Région flamande.
  [1 Le VWF peut]1 accorder en fonction de la taille de la famille une réduction d'intérêt supplémentaire fixée par le Gouvernement flamand.
  
Art. 5.66. [1 Het VWF is]1 ertoe gemachtigd om aan woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden leningen als vermeld in artikel 5.65 toe te staan die bestemd zijn voor de financiering van een of meer van de volgende verrichtingen:
  1° de aankoop of het behoud van een in het Vlaamse Gewest gelegen woning;
  2° de renovatie, de verbetering of de aanpassing van een in het Vlaamse Gewest gelegen woning.
  [1 Het VWF kan]1 in verhouding tot de gezinsgrootte een extra interestvermindering toekennen die de Vlaamse Regering bepaalt.
  
Art. 5.66 /1.[1 § 1. Pour l'application du présent titre, des données à caractère personnel sont traitées dans le but de vérifier les conditions et les obligations fixées par le Gouvernement flamand conformément aux articles 5.65 et 5.66.
   § 2. L'entité qui, conformément à l'article 5.65, accorde des prêts sociaux spéciaux est le responsable du traitement [2 ...]2.
   § 3. En application du paragraphe 1, les catégories suivantes de données peuvent être traitées :
   1° les données d'identification ;
   2° les caractéristiques personnelles ;
   3° les caractéristiques du logement ;
   4° la profession et l'emploi ;
   5° le numéro de registre national et le numéro d'identification de la Sécurité sociale ;
   6° les particularités financières ;
   7° les données relatives aux droits immobiliers ;
   8° la composition de ménage ;
   9° les données relatives à la santé physique ou mentale.
   Le Gouvernement flamand peut préciser les catégories de données à caractère personnel, visées à l'alinéa 1.
   § 4. Les parties impliquées dans le traitement des données à caractère personnel sont :
   1° le demandeur ou son représentant et les personnes à charge ;
   2° l'emprunteur ou son représentant et les personnes à charge.
   § 5. Le traitement des données à caractère personnel est soumis à un délai de conservation de dix ans suivant l'expiration du contrat de prêt.
   § 6. Le responsable du traitement peut utiliser les données à des fins statistiques et les mettre à la disposition des autres entités du domaine politique de l'Environnement à des fins statistiques. Le responsable du traitement peut transmettre les données à caractère personnel aux intermédiaires de crédit visés à l'article 4.44 du présent Code, ainsi qu'au contrôleur visé à l'article 4.79 du présent Code, afin de leur permettre d'exercer le contrôle.
   § 7. Le responsable du traitement précise les traitements effectués dans une déclaration de vie privée. Dans un souci de transparence et de garantie des droits des personnes concernées, il inclut dans ses communications avec ces dernières une référence à l'emplacement de sa déclaration de vie privée.
   § 8. L'entité qui, conformément à l'article 5.65, accorde des prêts sociaux spéciaux, coordonne les flux de données électroniques et l'échange d'informations électroniques entre les différents acteurs visés dans le présent article. Toutes les données électroniques peuvent, dans ce cadre, être échangées via l'entité [3 et peuvent être recueillies auprès des sources de données par l'entité]3. Cette dernière peut également utiliser les données à des fins statistiques et les mettre à la disposition des autres entités du domaine politique de l'Environnement à des fins statistiques. L'entité peut traiter les données à caractère personnel à des fins, visées à l'article 1.5, compatibles avec les objectifs finaux originaux.]1

  
Art. 5.66 /1.[1 § 1. Voor de toepassing van deze titel worden persoonsgegevens verwerkt met als doel de voorwaarden en de verplichtingen na te gaan die de Vlaamse Regering vaststelt conform artikel 5.65 en 5.66.
   § 2. De entiteit die conform artikel 5.65 bijzondere sociale leningen toestaat, is de verwerkingsverantwoordelijke [2 ...]2.
   § 3. Met toepassing van paragraaf 1 kunnen de volgende categorieën van gegevens worden verwerkt:
   1° identificatiegegevens;
   2° persoonlijke kenmerken;
   3° woningkenmerken;
   4° beroep en betrekking;
   5° rijksregisternummer en identificatienummer van de sociale zekerheid;
   6° financiële bijzonderheden;
   7° gegevens van onroerende rechten;
   8° gezinssamenstelling;
   9° gegevens over de lichamelijke of psychische gezondheid.
   De Vlaamse Regering kan de categorieën van persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, nader omschrijven.
   § 4. De betrokkenen bij de verwerking van de persoonsgegevens zijn:
   1° de aanvrager of zijn vertegenwoordiger en de personen ten laste;
   2° de ontlener of zijn vertegenwoordiger en de personen ten laste.
   § 5. Voor de verwerking van persoonsgegevens geldt een bewaartermijn van tien jaar na afloop van de leningsovereenkomst.
   § 6. De verwerkingsverantwoordelijke kan de gegevens gebruiken voor statistische verwerking en kan ze ter beschikking stellen van andere entiteiten van het beleidsdomein Omgeving voor statistische verwerking. De verwerkingsverantwoordelijke kan de persoonsgegevens doorgeven aan de kredietbemiddelaars, vermeld in artikel 4.44 van deze codex, en aan de toezichthouder, vermeld in artikel 4.79 van deze codex, om hem in staat te stellen het toezicht uit te oefenen.
   § 7. De verwerkingsverantwoordelijke verduidelijkt in een privacyverklaring welke verwerkingen er gebeuren. Hij neemt met het oog op transparantie en de garantie van de rechten van betrokkenen in zijn communicatie met de betrokkenen een verwijzing op naar de vindplaats van de privacyverklaring.
   § 8. De entiteit die conform artikel 5.65 bijzonder sociale leningen toestaat, coördineert de elektronische gegevensstromen en elektronische informatie-uitwisseling tussen de diverse actoren, vermeld in dit artikel. Alle elektronische gegevens mogen in dat kader via de entiteit uitgewisseld worden[3 en kunnen door de entiteit opgevraagd worden bij de gegevensbronnen]3. De entiteit mag de gegevens ook gebruiken voor statistische verwerking en mag ze ter beschikking stellen van de andere entiteiten van het beleidsdomein Omgeving voor statistische verwerking. De entiteit kan de persoonsgegevens verder verwerken voor doeleinden, vermeld in artikel 1.5, die verenigbaar zijn met de oorspronkelijke doeleinden.]1

  
Art. 5.67. Les aspects non couverts par [1 le présent Code]1 ou ses arrêtés d'exécution sont régis par les dispositions du livre VII, titre 4, [1 chapitre 2]1 et titre 5 du Code de droit économique.
  [1 La directive 2014/17/UE du Parlement européen et du Conseil du 4 février 2014 sur les contrats de crédit aux consommateurs relatifs aux biens immobiliers à usage résidentiel et modifiant les directives 2008/48/CE et 2013/36/UE et le règlement (UE) n° 1093/2010 ne s'applique pas aux prêts sociaux spéciaux visés à ce titre.]1
  
Art. 5.67.Voor de aspecten die niet geregeld zijn in [1 deze codex]1 of in de uitvoeringsbesluiten ervan, gelden de bepalingen van boek VII, titel 4, hoofdstuk 2 [1 ...]1, en titel 5, van het Wetboek van Economisch Recht.
Titre 3. Prêt de garantie locative
Titel 3. Huurwaarborglening
Art. 5.68. Le Gouvernement flamand fixe les conditions dans lesquelles les ménages et isolés mal logés peuvent souscrire un prêt de garantie locative sans intérêt et désigne un ou plusieurs organismes chargés d'accorder ce prêt au nom de la Région flamande.
Art. 5.68. De Vlaamse Regering stelt de voorwaarden vast waaronder woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden een renteloze huurwaarborglening kunnen aangaan en duidt een of meerdere instanties aan die instaan voor het verstrekken van die lening namens het Vlaamse Gewest.
Art. 5.68 /1.[1 § 1er. Pour l'application du présent titre, des données à caractère personnel sont traitées dans le but de vérifier les conditions et les obligations fixées par le Gouvernement flamand conformément à l'article 5.68.
   § 2. L'entité qui, conformément à l'article 5.68, est chargée d'octroyer le prêt de garantie locative est le responsable du traitement.
   § 3. En application du paragraphe 1er, les catégories suivantes de données à caractère personnel peuvent être traitées :
   1° les données d'identification ;
   2° le numéro de registre national ;
   3° les caractéristiques personnelles ;
   4° les particularités financières ;
   5° la composition du ménage ;
   6° les données relatives au contrat de location ;
   7° les données relatives aux droits immobiliers ;
   8° les données relatives à la santé physique ou mentale.
   Le Gouvernement flamand peut préciser les catégories de données à caractère personnel visées à l'alinéa 1er.
   § 4. Les personnes concernées par le traitement de données à caractère personnel sont :
   1° le demandeur ou son représentant et les personnes à charge ;
   2° l'emprunteur ou son représentant et les personnes à charge ;
   3° le bailleur.
   § 5. Les données à caractère personnel traitées sont soumises à un délai de conservation de maximum un an suivant la fin définitive des procédures administratives, judiciaires et extrajudiciaires, et jusqu'à dix ans maximum suivant le remboursement intégral du prêt de garantie locative ou suivant l'estimation que les conditions d'octroi n'ont pas été remplies.
   § 6. Le responsable du traitement peut utiliser les données à caractère personnel pour traitement statistique et les mettre à la disposition d'autres entités du domaine politique de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire pour traitement statistique. Le responsable du traitement peut également transférer les données à caractère personnel au contrôleur visé à l'article 4.79 afin de lui permettre d'exercer son contrôle.
   § 7. Le responsable du traitement précise les traitements qui sont exécutés dans une déclaration de vie privée. Dans un souci de transparence et de garantie des droits des personnes concernées, il inclut dans ses communications avec ces dernières une référence à l'emplacement de sa déclaration de vie privée.]1

  
Art. 5.68 /1.[1 Ї 1. Voor de toepassing van deze titel worden persoonsgegevens verwerkt met als doel de voorwaarden en de verplichtingen na te gaan die de Vlaamse Regering vaststelt conform artikel 5.68.
   Ї 2. De entiteit die conform artikel 5.68 belast is met het verstrekken van de huurwaarborglening, is de verwerkingsverantwoordelijke.
   Ї 3. Met toepassing van paragraaf 1 kunnen de volgende categorieыn van persoonsgegevens worden verwerkt:
   1А identificatiegegevens;
   2А het rijksregisternummer;
   3А persoonlijke kenmerken;
   4А financiыle bijzonderheden;
   5А de gezinssamenstelling;
   6А gegevens van de huurovereenkomst;
   7А gegevens over onroerende rechten;
   8А gegevens over de lichamelijke of psychische gezondheid.
   De Vlaamse Regering kan de categorieыn van persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, nader omschrijven.
   Ї 4. De betrokkenen bij de verwerking van de persoonsgegevens zijn:
   1А de aanvrager of zijn vertegenwoordiger en de personen ten laste;
   2А de ontlener of zijn vertegenwoordiger en de personen ten laste;
   3А de verhuurder.
   Ї 5. Voor de verwerkte persoonsgegevens geldt een bewaartermijn van maximaal щщn jaar na de definitieve beыindiging van de administratieve, gerechtelijke en buitengerechtelijke procedures en uiterlijk maximaal tien jaar na de volledige terugbetaling van de huurwaarborglening of na de beoordeling dat de toekenningsvoorwaarden niet zijn vervuld.
   Ї 6. De verwerkingsverantwoordelijke kan de persoonsgegevens gebruiken voor statistische verwerking en kan ze ter beschikking stellen van andere entiteiten van het beleidsdomein Omgeving voor statistische verwerking. De verwerkingsverantwoordelijke kan de persoonsgegevens ook doorgeven aan de toezichthouder, vermeld in artikel 4.79, om hem in staat te stellen het toezicht uit te oefenen.
   Ї 7. De verwerkingsverantwoordelijke verduidelijkt in een privacyverklaring welke verwerkingen er worden uitgevoerd. Hij neemt met het oog op transparantie en de garantie van de rechten van de betrokkenen in zijn communicatie met de betrokkenen een verwijzing op naar de vindplaats van de privacyverklaring.]1

  
Art. 5.69. Dans les limites des crédits inscrits au budget de la Région flamande à cet effet, la Région flamande peut accorder une allocation à l'organisme ou aux organismes visés à l'article 5.68 pour financer la distribution et la gestion des prêts de garantie locative visés à l'article 5.68. Le Gouvernement flamand arrête les conditions d'octroi de l'allocation précitée.
Art. 5.69. Binnen de kredieten die daarvoor op de begroting van het Vlaamse Gewest ingeschreven zijn, kan het Vlaamse Gewest een toelage verlenen aan de instantie of instanties, vermeld in artikel 5.68, ter financiering van de distributie en beheer van de huurwaarborgleningen, vermeld in artikel 5.68. De Vlaamse Regering stelt de toekenningsvoorwaarden van de voormelde toelage vast.
Art. 5.70. Les aspects non couverts par le présent titre ou ses arrêtés d'exécution sont régis par les dispositions du livre VII, titre 4, chapitres 1 et 4 et titre 5 du Code de droit économique.
Art. 5.70.Voor de aspecten die niet geregeld zijn in deze titel of in de besluiten genomen ter uitvoering ervan, gelden de bepalingen van boek VII, titel 4, hoofdstuk 1 en 4, en titel 5, van het Wetboek van Economisch Recht.
Titre 4. Assurance logement garanti
Titel 4. Verzekering gewaarborgd wonen
Art. 5.71.[1 § 1. Dans les conditions déterminées par le Gouvernement flamand, le remboursement du principal et le paiement des intérêts des prêts hypothécaires peuvent être mis à charge, en tout ou en partie, si l'emprunteur n'est pas en mesure de remplir ses obligations contractuelles découlant d'un prêt pour la construction, l'achat, l'achat avec rénovation, ou la rénovation de son habitation unique en raison d'une incapacité de travail, d'un chômage involontaire ou d'une cessation involontaire d'une activité indépendante.
Art. 5.71. [1 § 1. Onder de voorwaarden, bepaald door de Vlaamse Regering, kunnen de terugbetaling van de hoofdsom en de betaling van de interesten van hypothecaire leningen geheel of gedeeltelijk ten laste worden genomen als de lener niet in staat is zijn contractuele verplichtingen na te komen die voortvloeien uit een lening voor de bouw, de koop, de koop met renovatie of de renovatie van zijn enige woning ten gevolge van arbeidsongeschiktheid, onvrijwillige werkloosheid of onvrijwillige stopzetting van een zelfstandige activiteit.
   Het ten laste nemen, vermeld in het eerste lid, kan gerealiseerd worden door het gunnen van een overheidsopdracht voor diensten aan een verzekeraar waarbij de verzekeringspremies ten laste worden genomen door [2 het Vlaamse Gewest]2.
  [2 Als er geen overheidsopdracht als vermeld in het tweede lid, gegund kan worden, kan een dienst die door de Vlaamse Regering wordt aangewezen, belast worden met de opdracht, vermeld in het eerste lid.]2
   § 2. Om voor de gehele of gedeeltelijke tenlasteneming, vermeld in paragraaf 1, in aanmerking te komen, gelden de volgende voorwaarden:
   1° de lening heeft betrekking op een woning die de aanvrager bouwt, koopt, koopt en renoveert of renoveert, met de bestemming om er zijn hoofdverblijfplaats te vestigen;
   2° de verkoopwaarde van de woning ligt, eventueel na de uitvoering van de geplande werkzaamheden, niet hoger dan het bedrag dat de Vlaamse Regering bepaalt;
   3° de lener bezit geen andere woning in volle eigendom, tenzij de woning ongeschikt is;
   4° de lener is niet arbeidsongeschikt op de aanvraagdatum en in de periode die voorafgaat aan de aanvraagdatum, die de Vlaamse Regering bepaalt;
   5° de lener oefent op de aanvraagdatum en gedurende twaalf volledige maanden die voorafgaan aan de aanvraagdatum een beroepsactiviteit uit.
   De Vlaamse Regering kan aanvullende voorwaarden voor de tenlasteneming vaststellen.
   § 3. [2 De Vlaamse Regering duidt de entiteit aan die instaat voor de behandeling van de aanvragen om in aanmerking te komen voor de gehele of gedeeltelijke tenlasteneming van de terugbetaling van de hoofdsom en de betaling van de interesten van hypothecaire leningen. De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor die behandeling.
   De Vlaamse Regering bepaalt een interne beroepsprocedure bij de entiteit, vermeld in het eerste lid, en een verhaalprocedure bij de toezichthouder, vermeld in artikel 4.79. Het verhaal bij de toezichthouder is alleen ontvankelijk als voorafgaandelijk de interne beroepsprocedure is gevolgd]2
.]1

  
Art. 5.71 /0.[1 § 1er. Pour l'application de ce titre, des données à caractère personnel sont traitées dans le but de vérifier le respect des conditions et obligations de l'article 5,71 et qui sont fixées par le Gouvernement flamand conformément à l'article 5.71.
   § 2. L'entité qui [2 est chargée du traitement des demandes, conformément à l'article 5.71, § 3,]2 est le responsable du traitement.
   Si la prise en charge est effectuée par une assurance telle que mentionnée à l'article 5.71, § 1er, alinéa 2, le responsable du traitement mentionné à l'alinéa 1er peut mettre les données à caractère personnel à la disposition de l'assureur qui est lui-même le responsable du traitement pour ce qui est du traitement ultérieur.
   § 3. En application de l'alinéa 1er, les catégories suivantes de données personnelles peuvent être traitées :
   1° les données d'identification personnelles ;
   2° le numéro de registre national ;
   3° les particularités financières ;
   4° la composition du ménage ;
   5° les caractéristiques du logement ;
   6° les données relatives à la profession et l'emploi ;
   7° les données relatives aux droits immobiliers ;
   8° les données relatives à la santé physique ou mentale.
   Le Gouvernement flamand peut préciser les catégories de données à caractère personnel visées à l'alinéa 1er.
   Pour traiter les catégories de données à caractère personnel énoncées à l'alinéa 1er, le responsable du traitement fait appel, conformément à l'article 6, paragraphe 1er, c), et à l'article 9, 2, g), du règlement général sur la protection des données, aux services compétents du Service public fédéral Finances, au Registre national, à la Banque Carrefour de la Sécurité sociale et à l'Agence flamande pour l'Energie et le Climat (Vlaams Energie- en Klimaatagentschap) afin d'obtenir un accès numérique aux données nécessaires en application de la réglementation relative à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel qui s'applique à la communication de données à caractère personnel, telle qu'elle est ou a été, le cas échéant, précisée au niveau fédéral ou au niveau flamand.
   L'intégrateur de services flamand et la Banque Carrefour de la Sécurité sociale sont coresponsables de l'organisation et de la coordination des flux de données. Seuls les membres du personnel du service du responsable du traitement qui sont chargés de l'évaluation des demandes d'intervention peuvent recueillir et traiter les données mentionnées à l'alinéa 1er. Le responsable du traitement tient une liste des membres du personnel à disposition et veille à ce que les personnes désignées soient tenues, par une obligation légale ou statutaire ou par une disposition contractuelle équivalente, de respecter le caractère confidentiel des données concernées.
   Lors du traitement des données à caractère personnel des personnes concernées, des mesures techniques et organisationnelles appropriées sont appliquées de manière à ce que le traitement réponde aux exigences du règlement général sur la protection des données et garantisse la protection des droits des personnes concernées. A cet égard, les mesures techniques et organisationnelles appropriées sont mises en oeuvre afin de garantir un niveau de sécurité adapté au risque, conformément à l'article 32 du règlement général sur la protection des données.
   Pour les traitements de données à caractère personnel visés à l'alinéa 1er, les mesures techniques et organisationnelles appropriées contre le traitement non autorisé ou illicite sont mises en oeuvre. Ces mesures de sécurité font l'objet d'une évaluation régulière quant à leur adéquation et sont, au besoin, adaptées. Par ailleurs, les mesures techniques et organisationnelles appropriées sont prises afin de s'assurer que les données à caractère personnel recueillies et traitées sont exactes et tenues à jour.
   § 4. Les personnes concernées par le traitement de données à caractère personnel sont :
   1° le demandeur ;
   2° l'emprunteur.
   § 5. Les données seront conservées pendant 60 ans maximum. Le Gouvernement flamand peut fixer une durée de conservation plus courte.
   § 6. Le responsable du traitement précise les traitements effectués dans une déclaration de vie privée. Dans un souci de transparence et de garantie des droits des personnes concernées, il inclut dans ses communications avec ces dernières une référence à l'emplacement de sa déclaration de vie privée.
   § 7. Le responsable du traitement peut utiliser les données à caractère personnel pour traitement statistique et les mettre à la disposition d'autres entités du domaine politique de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire pour traitement statistique. Le responsable du traitement peut également transférer les données à caractère personnel au contrôleur visé à l'article 4.79 afin de lui permettre d'exercer son contrôle. ]1

  
Art. 5.71 /0.[1 § 1. Voor de toepassing van deze titel worden persoonsgegevens verwerkt met als doel na te gaan of voldaan is aan de voorwaarden en de verplichtingen uit artikel 5.71 en die de Vlaamse Regering vaststelt conform artikel 5.71.
   §2. De entiteit die [2 conform artikel 5.71, § 3, belast is met de behandeling van de aanvragen]2, is de verwerkingsverantwoordelijke.
   Als de tenlasteneming gebeurt via een verzekering als vermeld in artikel 5.71, Ї 1, tweede lid, kan de verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in het eerste lid, de persoonsgegevens ter beschikking stellen van de verzekeraar die zelf verwerkingsverantwoordelijke is voor de verdere verwerking.
   § 3. Met toepassing van het eerste lid kunnen de volgende categorieыn van persoonsgegevens worden verwerkt:
   1° persoonlijke identificatiegegevens;
   2° rijksregisternummer;
   3° financiыle bijzonderheden;
   4° gezinssamenstelling;
   5° woningkenmerken;
   6° gegevens over beroep en betrekking;
   7° gegevens over onroerende rechten;
   8° gegevens over de lichamelijke of psychische gezondheid.
   De Vlaamse Regering kan de categorieën van persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, nader omschrijven.
   Om de categorieën van persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, te verwerken, doet de verwerkingsverantwoordelijke, conform artikel 6, lid 1, c), en artikel 9, 2, g), van de algemene verordening gegevensbescherming een beroep op de bevoegde diensten van de federale overheidsdienst Financiën, op het Rijksregister, op de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid en op het Vlaams Energie- en Klimaatagentschap, om digitaal toegang te krijgen tot de noodzakelijke gegevens met toepassing van de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens die van toepassing is bij de mededeling van persoonsgegevens, zoals ze, in voorkomend geval, op federaal of Vlaams niveau verder is of wordt gespecificeerd.
   De Vlaamse Dienstenintegrator en de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid staan mee in voor de organisatie en coіrdinatie van de gegevensstromen. Alleen de personeelsleden van de dienst van de verwerkingsverantwoordelijke die belast zijn met de beoordeling van de aanvragen van een tegemoetkoming, kunnen de gegevens, vermeld in het eerste lid, opvragen en verwerken. De verwerkingsverantwoordelijke houdt een lijst van de personeelsleden ter beschikking en zorgt ervoor dat de aangewezen personen door een wettelijke of statutaire verplichting, of door een evenwaardige contractuele bepaling ertoe gehouden zijn het vertrouwelijk karakter van de betrokken gegevens in acht te nemen.
   Bij de verwerking van de persoonsgegevens van de betrokkenen worden passende technische en organisatorische maatregelen gehandhaafd zodat de verwerking voldoet aan de vereisten van de algemene verordening gegevensbescherming en de bescherming van de rechten van de betrokkenen wordt gewaarborgd. Daarbij worden de passende technische en organisatorische maatregelen genomen om een overeenkomstig het risico afgestemd beveiligingsniveau te waarborgen conform artikel 32 van de algemene verordening gegevensbescherming.
   Voor de verwerkingen van persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, worden de gepaste technische en organisatorische maatregelen tegen onbevoegde of onrechtmatige verwerking genomen en wordt op regelmatige basis de geschiktheid van die veiligheidsmaatregelen geëvalueerd en waar nodig aangepast. Daarnaast worden de gepaste technische en organisatorische maatregelen genomen om erop toe te zien dat de opgevraagde en verwerkte persoonsgegevens juist zijn en geactualiseerd worden.
   § 4. De betrokkenen bij de verwerking van de persoonsgegevens zijn:
   1° de aanvrager;
   2° de lener.
   § 5. De gegevens blijven maximaal bewaard voor 60 jaar. De Vlaamse Regering kan een kortere bewaringstermijn bepalen.
   § 6. De verwerkingsverantwoordelijke verduidelijkt in een privacyverklaring welke verwerkingen er gebeuren. Hij neemt met het oog op transparantie en de garantie van de rechten van betrokkenen in zijn communicatie met de betrokkenen een verwijzing op naar de vindplaats van de privacyverklaring.
   § 7. De verwerkingsverantwoordelijke kan de persoonsgegevens gebruiken voor statistische verwerking en kan ze ter beschikking stellen van andere entiteiten van het beleidsdomein Omgeving voor statistische verwerking. De verwerkingsverantwoordelijke kan de persoonsgegevens ook doorgeven aan de toezichthouder, vermeld in artikel 4.79, om hem in staat te stellen het toezicht uit te oefenen.]1

  
Art. 5.71 /1.[1 § 1. Le Gouvernement flamand fixe les conditions dans lesquelles les familles et les personnes isolées qui ont besoin d'un logement peuvent contracter un prêt rénovation pour la rénovation, l'amélioration ou l'adaptation d'un logement situé en Région flamande, qu'elles occupent elles-mêmes et dont elles sont propriétaires, et détermine, entre autres, les modalités et les caractéristiques du prêt rénovation.
   Le Gouvernement flamand peut déterminer que le prêt rénovation visé à l'alinéa 1 est également accordé au propriétaire qui loue son logement. Le Gouvernement flamand peut alors fixer le loyer maximal, le délai minimal pendant lequel le bailleur s'engage à louer le logement et les conditions auxquelles le bailleur, le locataire et le logement doivent satisfaire.[2 Le Gouvernement flamand peut alors fixer le loyer maximal, le délai minimal pendant lequel le bailleur s'engage à louer le logement et les conditions auxquelles le bailleur, le locataire et le logement doivent satisfaire. " est remplacée par la phrase " Le Gouvernement flamand peut alors fixer le loyer maximal, une réduction sur le loyer, la durée minimale pour laquelle le bailleur s'engage à louer le logement et à appliquer la réduction et les conditions auxquelles le bailleur, le locataire et le logement doivent satisfaire.]2
   § 2. Le Gouvernement flamand peut autoriser les maisons de l'énergie visées au titre IX du Décret sur l'Energie du 8 mai 2009, à accorder le prêt rénovation visé au paragraphe 1.]1

  
Art. 5.71/1.[1 § 1. De Vlaamse Regering stelt de voorwaarden vast waaronder woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden een verbouwlening kunnen aangaan voor de renovatie, de verbetering of de aanpassing van een woning die in het Vlaamse Gewest ligt, die ze zelf bewonen en waarvan ze eigenaar zijn, en bepaalt onder meer de modaliteiten en eigenschappen van de verbouwlening.
Titre 5. [1 Prêt rénovation]1
Titel 5. [1 Verbouwlening]1
Art. 5.71/2. [1 1er. Pour l'application du présent titre, les données à caractère personnel sont traitées dans le but de vérifier si le propriétaire, qui a obtenu un prêt rénovation conformément à l'article 5.71/1, § 1er, alinéa 2, satisfait aux obligations.
Art. 5.71/2. [1 § 1. Voor de toepassing van deze titel worden persoonsgegevens verwerkt met als doel na te gaan of de eigenaar die overeenkomstig artikel 5.71/1, Ї 1, tweede lid, een verbouwlening heeft verkregen, voldoet aan de verplichtingen.
Partie 5. Interventions
Deel 5. Tegemoetkomingen
Titre 1. Dispositions générales
Titel 1. Algemene bepalingen
Art. 5.72.§ 1. En fonction des crédits inscrits à cet effet au budget de la Région flamande, le Gouvernement flamand peut accorder des interventions, visées aux titres 2, 3 et 4 de la présente partie, pour permettre aux ménages et isolés mal logés de construire, de louer ou d'acheter un logement ou de rénover, d'améliorer ou d'adapter leur logement.
Art. 5.72.§ 1. De Vlaamse Regering kan, afhankelijk van de kredieten die daartoe op de begroting van het Vlaamse Gewest worden ingeschreven, tegemoetkomingen verlenen, zoals bedoeld in titel 2, 3 en 4 van dit deel, om woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden in staat te stellen een woning te bouwen, te huren of te kopen of hun woning te renoveren, te verbeteren of aan te passen.
Titre 2. Intervention dans le loyer pour les locataires mal logés
Titel 2. Tegemoetkoming in de huurprijs voor woonbehoeftige huurders
Art. 5.73.Afin d'inciter des personnes à quitter un logement inadapté, inapproprié ou surpeuplé, une intervention dans les frais d'installation et dans le loyer peut être accordée, en application de l'article 5. 72, au profit des ménages et isolés mal logés pour la location d'un logement qui remplit les trois conditions suivantes :
Art. 5.73.Om het verlaten van een ongeschikte, onaangepaste of overbewoonde woning aan te moedigen kan er, met toepassing van artikel 5.72, een tegemoetkoming in de installatiekosten en in de huurprijs worden verleend ten behoeve van woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden om een woning te huren die voldoet aan de volgende drie voorwaarden:
Titre 3. Intervention pour les candidats locataires
Titel 3. Tegemoetkoming voor kandidaat-huurders
Art. 5.74. Sans avoir quitté un logement inadapté, inapproprié ou surpeuplé, les ménages et isolés mal logés louant un logement approprié et adapté peuvent bénéficier d'une intervention dans le loyer, à condition qu'il ne s'agisse pas d'un logement locatif social tel que visé à l'article 1.3, § 1, premier alinéa, 49°, a) etc). Le Gouvernement flamand détermine les conditions et les modalités de cette intervention.
Art. 5.74. Zonder een ongeschikte, onaangepaste of overbewoonde woning te hebben verlaten kan aan de woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden die een geschikte en aangepaste woning huren een tegemoetkoming in de huurprijs worden verleend, voorzover geen sociale huurwoning als vermeld in artikel 1.3, § 1, eerste lid, 49°, a) en c), wordt betrokken. De Vlaamse Regering bepaalt nader de voorwaarden en de bepalingen terzake.
Titre 4. Intervention pour les logements à construire, à rénover, à améliorer ou à adapter
Titel 4. Tegemoetkoming voor te bouwen, te renoveren, te verbeteren of aan te passen woningen
Art. 5.75. Afin d'encourager l'acquisition, la rénovation, l'amélioration ou l'adaptation des logements, une intervention dans les frais peut être accordée, conformément à l'article 5. 72, aux personnes suivantes :
Art. 5.75. Om de verwerving en/of de renovatie, de verbetering en de aanpassing van woningen aan te moedigen, kan er, met toepassing van artikel 5.72, een tegemoetkoming in de kosten worden verleend ten behoeve van:
  1° woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden die een ongeschikte woning of een ongeschikt gebouw renoveren, of kopen en renoveren;
  2° woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden die een sociale koopwoning, of een woning die beantwoordt aan de woonkwaliteitsnorm, kopen van een initiatiefnemer, vermeld in artikel 5.26, § 1, of die een woning bouwen dan wel een nieuwe woning in de privé-sector kopen;
  3° woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden die verbeteringswerkzaamheden of aanpassingswerkzaamheden, andere dan bedoeld in 4°, uitvoeren aan hun woning;
  4° woonbehoeftige bejaarden en personen met een handicap die hetzij zelf hun woning aanpassen aan hun fysieke mogelijkheden, hetzij inwonen bij een bloed- of aanverwant tot de tweede graad die de woning aanpast aan hun fysieke mogelijkheden.
  De tegemoetkoming in de kosten van verbeterings- of aanpassingswerkzaamheden en de tegemoetkoming in de kosten van de aanpassing van woningen aan de fysieke mogelijkheden van bejaarden of van personen met een handicap, kunnen zowel aan de eigenaar als aan de huurder van de woning worden verleend. Met het inkomen van de bloed- of aanverwant, vermeld in het eerste lid, 4°, wordt geen rekening gehouden, behalve als deze de echtgenoot is van de persoon aan wiens fysieke mogelijkheden de woning wordt aangepast. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaronder deze tegemoetkoming wordt verstrekt.
  Als de Vlaamse Regering een tegemoetkoming verleent voor het bouwen van een woning of voor het kopen van een nieuwe woning in de privé-sector, dan maakt ze onderscheid naargelang de woning al dan niet gelegen is in een woonvernieuwings- of woningbouwgebied.
Art. 5.75 /1.[1 § 1. Le Gouvernement flamand crée un guichet unique pour faciliter la demande, l'examen, le traitement et le paiement de demandes d'interventions instaurées par le Gouvernement flamand en vertu du présent code, pour des travaux aux bâtiments.
   § 2. Les services de l'Autorité flamande désignés par le Gouvernement flamand sont chargés du traitement des demandes dans le cadre du guichet unique visé au paragraphe 1er. Le Gouvernement flamand détermine les interventions qui relèvent de ce guichet unique.
   Dans le cadre du guichet unique, visé au paragraphe 1er, le Gouvernement flamand peut attribuer au gestionnaire de réseau de distribution ou à sa société d'exploitation certaines tâches ayant trait à l'examen et au traitement des demandes d'interventions, et ayant trait au paiement d'interventions pour des travaux aux bâtiments. Le Gouvernement flamand détermine les interventions qui en relèvent et désigne les services de l'Autorité flamande qui y sont associés. Le gestionnaire de réseau de distribution ou sa société d'exploitation peut bénéficier d'une indemnité payée par le Gouvernement flamand pour ses tâches dans le cadre du guichet unique.
   Le Gouvernement flamand peut arrêter des modalités relatives à l'échange de données entre les services de l'Autorité flamande, visés à l'alinéa premier, et le gestionnaire de réseau de distribution ou sa société d'exploitation, visés à l'alinéa deux.
   § 3. Dans le cadre du guichet unique, visé au paragraphe 1er, les données à caractère personnel ou les catégories de données à caractère personnel suivantes peuvent être demandées et traitées :
   1° les données suivantes relatives au demandeur :
   a) l'adresse actuelle, les anciennes adresses et les coordonnées;
   b) la composition du ménage, les personnes à charge et les personnes cohabitant avec le demandeur;
   c) le handicap du demandeur ou des personnes cohabitant avec le demandeur;
   d) l'état civil;
   2° les données suivantes relatives au revenu du demandeur ou au revenu des personnes cohabitant avec le demandeur, pour les interventions auxquelles s'applique un seuil de revenu :
   a) le revenu imposable globalement;
   b) le revenu imposable distinctement;
   c) le revenu d'intégration sociale;
   d) l'allocation de remplacement de revenus aux personnes handicapées;
   e) les revenus professionnels exonérés de taxes, acquis à l'étranger ou dans une institution européenne ou internationale;
   3° les droits réels dont le demandeur est titulaire;
   4° les données suivantes relatives au bâtiment faisant l'objet de la demande d'intervention :
   a) la nature;
   b) l'emplacement;
   c) l'âge;
   d) la propriété ou les droits réels qui y sont établis;
   5° les données relatives aux travaux exécutés pour lesquels une intervention est demandée, y compris les factures;
   6° toutes les données autres que celles visées aux points 1° à 5°, relatives aux conditions d'octroi de l'intervention instaurée par le Gouvernement flamand en vertu du présent code ou en vertu du Décret sur l'Energie du 8 mai 2009, qui sont nécessaires pour accorder l'intervention.
   Pour vérifier si le demandeur a droit à l'intervention, le service désigné par le Gouvernement flamand conformément au paragraphe 2, alinéa premier, le gestionnaire de réseau de distribution ou la société d'exploitation conformément à l'article 6, paragraphe 1, c), et l'article 9, paragraphe 2, g), du règlement général sur la protection des données, fait un appel aux services compétents du Service public fédéral Finances, au Registre national, à la Banque Carrefour de la Sécurité sociale, aux administrations locales et au registre d'accès, visé à l'article 1.1.3, 123°, du Décret sur l'Energie du 8 mai 2009, afin d'obtenir un accès numérique aux données nécessaires en application de la réglementation relative à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel applicable à la communication des données à caractère personnel, telle que précisée, le cas échéant, au niveau fédéral ou flamand.
   Le handicap constaté du demandeur ou de ses membres de famille cohabitants, est demandé et traité conformément à l'article 9, paragraphe 2, g), du règlement général sur la protection des données. Les données relatives à un handicap sont demandées et traitées afin de déterminer si le demandeur est éligible à une augmentation spécifique de la prime. Seul le statut de la personne peut être demandé et traité.
   Pour l'identification unique de l'intéressé, le numéro d'entreprise, le numéro de registre national ou le numéro d'étranger peut être demandé et traité dans le cadre du traitement automatique des données, visé à l'alinéa premier.
   L'intégrateur de services flamand et la Banque Carrefour de la Sécurité sociale sont coresponsables de l'organisation et de la coordination des flux de données. Seuls les membres du personnel du service désigné par le Gouvernement flamand conformément au paragraphe 2, alinéa premier, du gestionnaire de réseau de distribution ou de la société d'exploitation qui sont chargés de l'évaluation des demandes d'une intervention, peuvent demander et traiter les données visées à l'alinéa premier. Le service désigné par le Gouvernement flamand conformément au paragraphe 2, alinéa premier, le gestionnaire de réseau de distribution ou la société d'exploitation tient une liste des membres du personnel à disposition et veille à ce que les personnes désignées soient tenues, par une obligation légale ou statutaire, ou par une disposition contractuelle équivalente, de respecter le caractère confidentiel des données concernées.
   Lors du traitement des données à caractère personnel des personnes concernées, des mesures techniques et organisationnelles appropriées sont prises pour que le traitement satisfasse aux exigences visées au règlement général sur la protection des données et que la protection des droits des personnes concernées soit garantie. A cet effet, les mesures techniques et organisationnelles appropriées sont prises afin de garantir un niveau de sécurité adapté au risque, conformément à l'article 32 du règlement général sur la protection des données.
   Pour les traitements de données à caractère personnel dans le cadre de l'utilisation et de la gestion du guichet unique, les mesures techniques et organisationnelles appropriées contre tout traitement non autorisé ou illicite sont prises, et le caractère approprié de ces mesures de sécurité est évalué régulièrement et adapté si nécessaire.
   Pour les traitements de données à caractère personnel dans le cadre de l'utilisation et de la gestion du guichet unique, le service désigné par le Gouvernement flamand conformément au paragraphe 2, alinéa premier, est le responsable du traitement [2 ...]2 pour les tâches attribuées à ce service conformément au paragraphe 2, alinéa premier.
   Pour les traitements de données à caractère personnel dans le cadre de l'utilisation et de la gestion du guichet unique, le gestionnaire du réseau de distribution ou sa société d'exploitation est le responsable du traitement visé à l'article 4, 7), du règlement général sur la protection des données, pour les tâches attribuées au gestionnaire du réseau de distribution ou à sa société d'exploitation conformément au paragraphe 2, alinéa deux.
   § 4. Les données traitées concernant les demandes d'intervention sont conservées pendant quinze ans après la décision de refus ou de paiement de l'intervention.
   § 5. Le Gouvernement flamand établit la méthode à appliquer par les services de l'Autorité flamande désignés par le Gouvernement flamand, visés au paragraphe 2, alinéa premier, ou par le gestionnaire du réseau de distribution ou sa société d'exploitation, visés au paragraphe 2, alinéa deux, afin de veiller à ce que les données à caractère personnel demandées et traitées soient correctes et actualisées.]1

  
Art. 5.75 /1.[1 § 1. De Vlaamse Regering creëert een uniek loket om de aanvraag, de behandeling, de verwerking en de uitbetaling van aanvragen voor tegemoetkomingen die krachtens deze codex door de Vlaamse Regering worden ingesteld op het vlak van werkzaamheden aan gebouwen, te faciliteren.
   § 2. De diensten van de Vlaamse overheid die de Vlaamse Regering aanwijst, worden belast met de behandeling van aanvragen in het kader van het unieke loket, vermeld in het paragraaf 1. De Vlaamse Regering bepaalt welke tegemoetkomingen onder dat unieke loket vallen.
   In het kader van het unieke loket, vermeld in paragraaf 1, kan de Vlaamse Regering de distributienetbeheerder of zijn werkmaatschappij bepaalde taken toekennen die verband houden met de behandeling en de verwerking van aanvragen voor tegemoetkomingen en die verband houden met de uitbetaling van tegemoetkomingen voor werkzaamheden aan gebouwen. De Vlaamse Regering bepaalt voor welke tegemoetkomingen dat van toepassing is en wijst de diensten van de Vlaamse overheid aan die daarbij worden betrokken. De distributienetbeheerder of zijn werkmaatschappij kan voor zijn of haar taken in het kader van het unieke loket een vergoeding krijgen die de Vlaamse Regering bepaalt.
   De Vlaamse Regering kan nadere voorwaarden en modaliteiten vastleggen voor de gegevensuitwisseling tussen de diensten van de Vlaamse overheid, vermeld in het eerste lid, en de distributienetbeheerder of zijn werkmaatschappij, vermeld in het tweede lid.
   § 3. In het kader van het unieke loket, vermeld in paragraaf 1, kunnen de volgende persoonsgegevens of categorieën van persoonsgegevens opgevraagd en verwerkt worden:
   1° de volgende gegevens over de aanvrager:
   a) het huidige adres en de vorige adressen en de contactgegevens;
   b) de gezinssamenstelling, de personen ten laste en de personen die met de aanvrager samenwonen;
   c) de handicap van de aanvrager of van de personen die met de aanvrager samenwonen;
   d) de burgerlijke staat;
   2° de volgende gegevens over het inkomen van de aanvrager of het inkomen van personen met wie de aanvrager samenwoont, voor de tegemoetkomingen waar een inkomensgrens van toepassing is:
   a) het gezamenlijk belastbaar inkomen;
   b) het afzonderlijk belastbaar inkomen;
   c) het leefloon;
   d) de inkomensvervangende tegemoetkoming aan personen met een handicap;
   e) de beroepsinkomsten die van belasting vrijgesteld zijn, uit het buitenland of verworven bij een Europese of internationale instelling;
   3° de zakelijke rechten waarvan de aanvrager houder is;
   4° de volgende gegevens over het gebouw waarvoor een tegemoetkoming wordt aangevraagd:
   a) de aard;
   b) de ligging;
   c) de ouderdom;
   d) de eigendom of zakelijke rechten die erop zijn gevestigd;
   5° de gegevens over de uitgevoerde werken waarvoor een tegemoetkoming wordt aangevraagd, met inbegrip van facturen;
   6° alle andere gegevens dan de gegevens, vermeld in punt 1° tot en met 5°, die verband houden met de voorwaarden om de tegemoetkoming te bekomen die de Vlaamse Regering krachtens deze codex of krachtens het Energiedecreet van 8 mei 2009 vaststelt en die noodzakelijk zijn om de tegemoetkoming toe te kennen.
   Om na te gaan of de aanvrager recht heeft op de tegemoetkoming, doet de dienst die de Vlaamse Regering conform paragraaf 2, eerste lid, aanwijst, de distributienetbeheerder of de werkmaatschappij conform artikel 6, lid 1, c), en artikel 9, lid 2, g), van de algemene verordening gegevensbescherming een beroep op de bevoegde diensten van de Federale Overheidsdienst Financiën, op het Rijksregister, op de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, op de lokale besturen en op het toegangsregister, vermeld in artikel 1.1.3, 123°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, om digitaal toegang te krijgen tot de noodzakelijke gegevens met toepassing van de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens die van toepassing is bij de mededeling van persoonsgegevens, zoals ze, in voorkomend geval, op federaal of Vlaams niveau verder is of wordt gespecificeerd.
   De vastgestelde handicap van de aanvrager of zijn inwonende gezinsleden wordt opgevraagd en verwerkt conform artikel 9, lid 2, g), van de algemene verordening gegevensbescherming. De gegevens met betrekking tot een handicap worden opgevraagd en verwerkt om te bepalen of de aanvrager in aanmerking komt voor een specifieke premieverhoging. Enkel het statuut van de persoon kan worden opgevraagd en verwerkt.
   Voor de unieke identificatie van de betrokkene kan het ondernemingsnummer, het rijksregisternummer of het vreemdelingennummer opgevraagd en verwerkt worden in het kader van de automatische verwerking van de gegevens, vermeld in het eerste lid.
   De Vlaamse Dienstenintegrator en de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid staan mee in voor de organisatie en coördinatie van de gegevensstromen. Alleen de personeelsleden van de dienst die de Vlaamse Regering conform paragraaf 2, eerste lid, aanwijst, de distributienetbeheerder of de werkmaatschappij die belast zijn met de beoordeling van de aanvragen van een tegemoetkoming, kunnen de gegevens, vermeld in het eerste lid, opvragen en verwerken. De dienst die de Vlaamse Regering conform paragraaf 2, eerste lid, aanwijst, de distributienetbeheerder of de werkmaatschappij houdt een lijst van de personeelsleden ter beschikking en zorgt ervoor dat de aangewezen personen door een wettelijke of statutaire verplichting, of door een evenwaardige contractuele bepaling ertoe gehouden zijn het vertrouwelijke karakter van de betrokken gegevens in acht te nemen.
   Bij de verwerking van de persoonsgegevens van de betrokkenen worden passende technische en organisatorische maatregelen gehandhaafd zodat de verwerking voldoet aan de vereisten van de algemene verordening gegevensbescherming en de bescherming van de rechten van de betrokkenen wordt gewaarborgd. Daarbij worden de passende technische en organisatorische maatregelen genomen om een overeenkomstig het risico afgestemd beveiligingsniveau te waarborgen conform artikel 32 van de algemene verordening gegevensbescherming.
   Voor de verwerkingen van persoonsgegevens in het kader van het gebruik en het beheer van het unieke loket worden de gepaste technische en organisatorische maatregelen tegen onbevoegde of onrechtmatige verwerking genomen en wordt op regelmatige basis de geschiktheid van die veiligheidsmaatregelen geëvalueerd en waar nodig aangepast.
   Voor de verwerkingen van persoonsgegevens in het kader van het gebruik en het beheer van het unieke loket is de dienst die de Vlaamse Regering, conform paragraaf 2, eerste lid, aanwijst, de verwerkingsverantwoordelijke,[2 ...]2 voor de taken die conform paragraaf 2, eerste lid, aan die dienst worden toegekend.
   Voor de verwerkingen van persoonsgegevens in het kader van het gebruik en het beheer van het unieke loket is de distributienetbeheerder of zijn werkmaatschappij de verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming, voor de taken die aan de distributienetbeheerder of zijn werkmaatschappij conform paragraaf 2, tweede lid, worden toegekend.
   § 4. De verwerkte gegevens over de aanvragen voor tegemoetkoming worden tot vijftien jaar na de beslissing tot weigering of tot uitbetaling van de tegemoetkoming bewaard.
   § 5. De Vlaamse Regering stelt de werkwijze vast die de diensten van de Vlaamse overheid die de Vlaamse Regering aanwijst, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, of de distributienetbeheerder of zijn werkmaatschappij, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, dienen toe te passen om erop toe te zien dat de opgevraagde en verwerkte persoonsgegevens juist zijn en geactualiseerd worden.]1

  
Art. 5.75 /2. [1 § 1er. Pour vérifier si le demandeur a droit aux interventions visées à l'article 5.75 du présent Code, dont le Gouvernement flamand n'a pas déterminé si elles relèvent du guichet unique visé à l'article 5.75/1 du présent Code, le service chargé par le Gouvernement flamand de la mise en oeuvre de la politique du logement fait appel, conformément à l'article 6, paragraphe 1er, c), et à l'article 9, paragraphe 2, g), du règlement général sur la protection des données, aux services compétents du Service public fédéral Finances, au Registre national, à la Banque Carrefour de la Sécurité sociale, à l'agence Grandir (" agentschap Opgroeien) et aux administrations locales afin d'obtenir un accès numérique aux données nécessaires en application de la réglementation relative à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel qui s'applique à la communication de données à caractère personnel, telle qu'elle est ou a été, le cas échéant, précisée au niveau fédéral ou au niveau flamand. Le service chargé par le Gouvernement flamand de la mise en oeuvre de la politique du logement est le responsable du traitement.
   Le responsable du traitement mentionné à l'alinéa 1er, peut recueillir et traiter les données à caractère personnel suivantes ou les catégories suivantes de données à caractère personnel :
   1° les données suivantes au sujet du demandeur :
   a) l'adresse actuelle, l'adresse à la date de la demande et les coordonnées ;
   b) la composition du ménage, les personnes à charge et les personnes cohabitant avec le demandeur ;
   c) le handicap du demandeur ou des personnes cohabitant avec le demandeur ;
   d) l'état civil ;
   2° les données suivantes relatives au revenu du demandeur ou au revenu des personnes avec lesquelles le demandeur cohabite, pour les interventions auxquelles s'applique un seuil de revenu :
   a) le revenu imposable globalement ;
   b) le revenu imposable distinctement ;
   c) le revenu d'intégration ;
   d) l'allocation de remplacement de revenus octroyée aux personnes handicapées ;
   e) les revenus professionnels exonérés d'impôts, provenant de l'étranger ou acquis auprès d'une institution européenne ou internationale ;
   3° les droits réels dont le demandeur est titulaire ;
   4° les données suivantes relatives au bâtiment pour lequel une intervention est demandée :
   a) la nature ;
   b) l'emplacement ;
   c) l'âge ;
   d) la propriété ou les droits réels constitués ce bâtiment ;
   5° les données relatives aux travaux réalisés pour lesquels une intervention est demandée, y compris les factures.
   § 2. Le handicap constaté du demandeur ou des membres de son ménage vivant sous le même toit est demandé et traité conformément à l'article 9, paragraphe 2, g), du règlement général sur la protection des données. Les données relatives à un handicap sont recueillies et traitées afin d'établir si le demandeur est éligible à un majoration de prime spécifique. Seul le statut de la personne peut être demandé et traité.
   Pour l'identification unique de la personne concernée mentionnée dans le paragraphe 3, le numéro d'entreprise, le numéro de registre national ou le numéro d'étranger peut être demandé et traité dans le cadre du traitement automatisé des données mentionnées à l'alinéa 1er.
   § 3. Les personnes concernées par le traitement de données à caractère personnel sont : 1° le demandeur ;
   2° les personnes cohabitant avec le demandeur.
   § 4. Il est fait appel à l'intégrateur de services flamand et à la Banque Carrefour de la Sécurité sociale pour disposer des données à caractère personnel mentionnées dans le paragraphe 1er, alinéa 2. Seuls les membres du personnel du responsable du traitement mentionné dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, qui sont chargés de l'évaluation des demandes d'intervention peuvent recueillir et traiter les données mentionnées dans le paragraphe 1er, alinéa 2. Le responsable du traitement précité tient une liste des membres du personnel à disposition et veille à ce que les personnes désignées soient tenues, par une obligation légale ou statutaire ou par une disposition contractuelle équivalente, de respecter le caractère confidentiel des données concernées.
   Lors du traitement des données à caractère personnel des personnes concernées mentionnées dans le paragraphe 3, des mesures techniques et organisationnelles appropriées sont appliquées de manière à ce que le traitement réponde aux exigences énoncées dans le règlement général sur la protection des données et garantisse la protection des droits des personnes concernées précitées. A cet égard, les mesures techniques et organisationnelles appropriées sont mises en oeuvre afin de garantir un niveau de sécurité adapté au risque, conformément à l'article 32 du règlement général sur la protection des données. Le responsable du traitement précité prend les mesures techniques et organisationnelles appropriées contre le traitement non autorisé ou illicite, évalue régulièrement l'adéquation de ces mesures de sécurité et, au besoin, les adapte.
   § 5. Les données traitées sont conservées pendant une période maximale de dix ans à compter de la décision de refus ou de paiement de l'intervention.
   § 6. Le Gouvernement flamand arrête la marche à suivre qu'applique le responsable du traitement mentionné dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, afin de s'assurer que les données à caractère personnel recueillies et traitées sont exactes et tenues à jour.]1

  
Art. 5.75/2. [1 § 1. Om na te gaan of de aanvrager recht heeft op de tegemoetkomingen, vermeld in artikel 5.75 van deze codex, waarvan de Vlaamse Regering niet heeft bepaald dat ze onder het unieke loket, vermeld in artikel 5.75/1 van deze codex, vallen, doet de dienst die door de Vlaamse Regering belast is met de uitvoering van het woonbeleid, conform artikel 6, lid 1, c), en artikel 9, lid 2, g), van de algemene verordening gegevensbescherming, een beroep op de bevoegde diensten van de federale overheidsdienst Financiën, op het Rijksregister, op de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, het agentschap Opgroeien en op de lokale besturen om digitaal toegang te krijgen tot de noodzakelijke gegevens met toepassing van de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens die van toepassing is bij de mededeling van persoonsgegevens, zoals ze, in voorkomend geval, op federaal of Vlaams niveau verder is of wordt gespecificeerd. De dienst die door de Vlaamse Regering belast is met de uitvoering van het woonbeleid, is de verwerkingsverantwoordelijke.
Partie 6. Droit de préemption
Deel 6. Recht van voorkoop
Art. 5.76.[1§ 1er. Les sociétés de logement, Vlabinvest apb et les communes disposent, dans leur zone d'activité, d'un droit de préemption sur des catégories de parcelles et des bâtiments situés dans des zones destinées à l'habitat, que la commune délimite par un arrêté du conseil communal.
Art. 5.76. [1 § 1. De woonmaatschappijen, Vlabinvest apb en gemeenten hebben binnen hun werkingsgebied een recht van voorkoop op categorieën van percelen en gebouwen die in zones bestemd voor wonen liggen, die de gemeente afbakent via een gemeenteraadsbesluit.
   De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen over de wijze waarop de zones afgebakend worden en de afbakening bekendgemaakt wordt.
   § 2. Het perceel of het gebouw dat is verworven door de uitoefening van het recht van voorkoop conform paragraaf 1, wordt, eventueel na werkzaamheden, aangewend met het oog op een verruiming of voor de ondersteuning van het woonaanbod in eigendom of het beheer van de woonmaatschappijen.
   De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de bestemming van de woning of het perceel, vermeld in paragraaf 1.
   § 3. Van het recht van voorkoop zijn uitgesloten:
   1° de woningen die deel uitmaken van een gebouw met meerdere woningen, waarbij de verkoop mede-eigendom doet ontstaan;
   2° afzonderlijke loten van een goedgekeurde verkaveling die niet in zijn geheel wordt verkocht;
   3° afzonderlijke garages en staanplaatsen voor fietsen en motorvoertuigen;
   4° de aankoop van een perceel of een gebouw dat door een of meer natuurlijke personen bestemd zal worden als enige en eigen woning, op voorwaarde dat al die verkrijgers samen geen andere woning of ander perceel, bestemd voor woningbouw, volledig in eigendom of volledig in vruchtgebruik hebben op de dag waarop de overeenkomst tot koop wordt gesloten;
   5° de woningen die verkocht worden door de woonmaatschappijen;
   6° de gronden die ter uitvoering van het gemeentelijk actieprogramma, vermeld in artikel 2.6, tweede lid, verkocht worden met het oog op de verwezenlijking van een sociaal woonaanbod.]1

  
Art. 5.77. [1 Les dispositions du titre IV, chapitres Ier, II et VI, du décret du 16 juin 2006 portant création d'une " Vlaamse Grondenbank " (Banque foncière flamande) et portant modification de diverses dispositions et le décret du 25 mai 2007 portant harmonisation des procédures relatives aux droits de préemption s'appliquent au droit de préemption visé à l'article 5.76.]1
  
Art. 5.77. [1 De bepalingen van titel IV, hoofdstuk I, II en VI, van het decreet van 16 juni 2006 betreffende het oprichten van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen en het decreet van 25 mei 2007 houdende de harmonisering van de procedures van voorkooprechten zijn van toepassing op het recht van voorkoop, vermeld in artikel 5.76.]1
  
Art. 5.78. [1 En cas d'exercice du droit de préemption par deux bénéficiaires ou plus, le bien est attribué dans l'ordre suivant :
   1° la société de logement ;
   2° Vlabinvest apb ;
   3° la commune.]1

  
Art. 5.78. [1 Als twee of meer begunstigden hun recht van voorkoop uitoefenen, wordt het goed in de hierna vermelde volgorde toegewezen:
   1А de woonmaatschappij;
   2А Vlabinvest apb;
   3А de gemeente. ]1

  
Art. 5.81.
Partie 7. Gestion sociale des logements
Deel 7. Sociaal beheer van woningen
Art. 5.82. Dans les conditions énoncées dans la présente partie, la commune obtient un droit de gestion sociale sur le logement qui a été inscrit depuis au moins deux ans au registre des immeubles inoccupés mentionné au livre 2, partie 2, titre 3, à l'inventaire ou, si le titulaire du droit réel ne l'occupe pas lui-même, au registre des bâtiments et logements abandonnés mentionné à l'article 2.15.
Art. 5.82. De gemeente verkrijgt onder de voorwaarden, vermeld in dit deel, een sociaal beheersrecht over de woning die minstens twee jaar opgenomen is in het leegstandsregister, vermeld in boek 2, deel 2, titel 3, in de inventaris, of, als de houder van het zakelijk recht ze niet zelf bewoont, in het register van verwaarloosde gebouwen en woningen, vermeld in artikel 2.15.
Art. 5.83. La commune qui envisage d'établir sur un logement un droit de gestion sociale, tel que visé à l'article 5.82, alinéa premier peut demander par envoi sécurisé au titulaire du droit réel d'accorder l'accès au logement dans un délai maximum d'un mois. Si l'accès est refusé ou après l'expiration du délai d'un mois, le bourgmestre peut, sans préjudice de l'application de l'alinéa deux, émettre un ordre autorisant à visiter le logement sans consentement entre huit et vingt heures.
  Si le logement est occupé la demande visée à l'alinéa premier est adressée à l'occupant. Dans ce cas, l'ordre du bourgmestre visé au même alinéa ne peut être exécuté que si le juge de police l'a autorisé.
Art. 5.83. De gemeente die overweegt om een sociaal beheersrecht te vestigen op een woning als vermeld in artikel 5.82, eerste lid, kan met een beveiligde zending het verzoek richten tot de houder van het zakelijk recht om binnen een termijn van maximaal een maand toegang te verlenen tot de woning. Als de toegang geweigerd wordt of na het verstrijken van de termijn van een maand kan de burgemeester, met behoud van de toepassing van het tweede lid, bij bevel machtiging verlenen om de woning zonder toestemming te bezoeken tussen acht uur en twintig uur.
  Als de woning bewoond is, wordt het verzoek, vermeld in het eerste lid, gericht aan de bewoner. Het bevel van de burgemeester, vermeld in hetzelfde lid, kan in dat geval maar worden uitgevoerd als de politierechter daartoe een machtiging heeft verstrekt.
Art. 5.84. La commune qui souhaite établir sur un logement un droit de gestion sociale, tel que visée à l'article 5.82, alinéa premier, informe le titulaire du droit réel par envoi sécurisé de son intention et l'invite à transmettre ses observations à la commune dans un délai d'un mois.
  Si le titulaire du droit réel transmet ses observations, il peut demander à être entendu oralement.
  La commune prend une décision en tenant compte des observations reçues et des éventuels éléments fournis lors de l'audience ou, en l'absence d'observations ou d'audience, après l'expiration du délai d'un mois.
  La commune informe le titulaire du droit réel par envoi sécurisé de sa décision dans les six mois suivant la notification de l'intention.
Art. 5.84. De gemeente die een sociaal beheersrecht wil vestigen op een woning als vermeld in artikel 5.82, eerste lid, maakt met een beveiligde zending haar voornemen bekend aan de houder van het zakelijk recht en nodigt hem uit zijn opmerkingen aan de gemeente te bezorgen binnen een termijn van een maand.
  Als de houder van het zakelijk recht zijn opmerkingen bezorgt, kan hij vragen om mondeling gehoord te worden.
  De gemeente neemt een beslissing, waarbij ze rekening houdt met de opmerkingen die ze ontvangen heeft, en met de elementen die eventueel op de hoorzitting aangebracht zijn, of, bij gebrek aan opmerkingen of een hoorzitting, na het verstrijken van de termijn van een maand.
  De gemeente brengt de houder van het zakelijk recht binnen zes maanden na de bekendmaking van het voornemen met een beveiligde zending op de hoogte van haar beslissing.
Art. 5.85. § 1. À partir de la date de notification écrite de la décision visée à l'article 5.84, la commune dispose de la compétence de gérer le logement pendant une période de neuf ans, y compris le droit de le mettre en location en tant que logement locatif social en application des dispositions du livre 6.
  En vue de la mise en location, la commune veille à ce que le logement réponde au moins aux exigences et aux normes fixées en vertu des articles 3.1 et 3.3. La commune peut effectuer les travaux de rénovation nécessaires à cette fin.
  Tant qu'aucun travail n'est effectué, la commune peut décider de mettre fin au droit de gestion sociale.
  § 2. Si le délai visé au paragraphe 1 est insuffisant pour récupérer les frais des travaux visés au paragraphe 1, alinéa deux, l'indemnité annuelle visée à l'article 5.86 et les frais d'administration normaux, il est prolongé du délai que la commune juge nécessaire pour récupérer les frais susmentionnés. Le Gouvernement flamand détermine les travaux dont les frais sont éligibles à une éventuelle prolongation du délai et peut définir la notion de " frais d'administration normaux ".
  En revanche, s'il existe un solde positif à la fin du délai visé au paragraphe 1, alinéa premier, ce solde est versé au titulaire du droit réel.
Art. 5.85. § 1. Vanaf de datum van de schriftelijke kennisgeving van de beslissing, vermeld in artikel 5.84, beschikt de gemeente gedurende een termijn van negen jaar over de bevoegdheid om de woning te beheren, met inbegrip van het recht om ze te verhuren als sociale huurwoning met toepassing van de bepalingen van boek 6.
  Met het oog op de verhuring zorgt de gemeente ervoor dat de woning minstens voldoet aan de vereisten en normen, vastgesteld krachtens artikel 3.1 en 3.3. De gemeente kan daarvoor de nodige renovatiewerkzaamheden uitvoeren.
  Zolang er geen werkzaamheden worden uitgevoerd, kan de gemeente een beslissing nemen om het sociaal beheersrecht te beëindigen.
  § 2. Als de termijn, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, niet volstaat om de kosten van de werkzaamheden, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, de jaarlijkse vergoeding, vermeld in artikel 5.86, en de normale beheerskosten te recupereren, wordt hij verlengd met de termijn die de gemeente nodig acht om de voormelde kosten te recupereren. De Vlaamse Regering stelt de werkzaamheden vast waarvan de kosten in aanmerking komen voor de eventuele verlenging van de termijn en kan een nadere omschrijving vaststellen van het begrip "normale beheerskosten".
  Als er daarentegen op het einde van de termijn, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, een batig saldo is, wordt dat saldo uitgekeerd aan de houder van het zakelijk recht.
Art. 5.86. À partir de la notification écrite visée à l'article 5.85, § 1, alinéa premier, le titulaire du droit réel reçoit une indemnité annuelle correspondant au précompte immobilier visé à l'article 1.1.0.0.2, alinéa premier, 14° du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013.
  L'indemnité mentionnée à l'alinéa premier est versée annuellement à la date anniversaire de la notification écrite visée au paragraphe 5.85, § 1, alinéa premier.
Art. 5.86. De houder van het zakelijk recht ontvangt vanaf de schriftelijke kennisgeving, vermeld in artikel 5.85, § 1, eerste lid, een jaarlijkse vergoeding die overeenkomt met de onroerende voorheffing, vermeld in artikel 1.1.0.0.2, eerste lid, 14°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013.
  De vergoeding, vermeld in het eerste lid, wordt jaarlijks uitgekeerd op de verjaardag van de schriftelijke kennisgeving, vermeld in artikel 5.85, § 1, eerste lid.
Art. 5.87. Le titulaire du droit réel peut introduire un recours auprès du Gouvernement flamand contre la décision d'établir un droit de gestion sociale et contre l'exercice de ce droit. Le recours ne suspend pas l'exercice du droit de gestion sociale.
  Le Gouvernement flamand fixe la procédure d'introduction et de traitement des recours.
Art. 5.87. De houder van het zakelijk recht kan tegen de beslissing tot vestiging van het sociaal beheersrecht en tegen de uitoefening ervan beroep instellen bij de Vlaamse Regering. Het beroep schort de uitoefening van het sociaal beheersrecht niet op.
  De Vlaamse Regering regelt de procedure om het beroep in te stellen en te behandelen.
Art. 5.88. Le titulaire du droit réel est tenu de respecter les contrats de location conclus par la commune.
  S'il remplit les conditions fixées par le Gouvernement flamand, le dernier occupant du logement en question avant la décision d'établir un droit de gestion sociale a la priorité absolue lors de l'attribution du logement.
Art. 5.88. De houder van het zakelijk recht is verplicht de huurovereenkomsten na te leven die de gemeente heeft gesloten.
  De bewoner die de woning in kwestie als laatste bewoonde voor de beslissing tot vestiging van het sociaal beheersrecht, en die voldoet aan de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt, krijgt een absolute prioriteit bij de toewijzing van de woning.
Art. 5.89. Le titulaire du droit réel peut mettre fin au droit de gestion sociale avant l'expiration du délai visé à l'article 5.85, § 1, alinéa premier, ou § 2, alinéa premier, s'il a payé tous les frais recouvrables par la commune et a proposé au locataire en place un contrat de location tel que visé à [1 l'article 16 du décret flamand sur la location d'habitations du 9 novembre 2018]1, moyennant un loyer n'excédant pas 120 % du dernier loyer payé.
  Si le locataire en place refuse la proposition, le logement peut être mis en location librement.
  
Art. 5.89. De houder van het zakelijk recht kan het sociaal beheersrecht voor het verstrijken van de termijn, vermeld in artikel 5.85, § 1, eerste lid, of § 2, eerste lid, beëindigen als hij alle kosten die door de gemeente terugvorderbaar zijn, betaald heeft en hij aan de zittende huurder een huurovereenkomst als vermeld in [1 artikel 16 van het Vlaams Woninghuurdecreet van 9 november 2018]1 aangeboden heeft, met een huurprijs die hoogstens 120% van de laatst betaalde huurprijs bedraagt.
  Als de zittende huurder het aanbod weigert, kan de woning vrij te huur aangeboden worden.
  
Art. 5.90. Tant la décision d'établir un droit de gestion sociale que la cessation du droit de gestion sociale sont inscrites aux registres de la publicité hypothécaire. Cette inscription se fait au moyen d'un acte auquel le bourgmestre accorde l'authenticité. Le Gouvernement flamand arrête le modèle de l'acte.
Art. 5.90. Zowel de beslissing tot vestiging van het sociaal beheersrecht als de beëindiging van het sociaal beheersrecht wordt overgeschreven in de registers van de hypothecaire openbaarmaking. De overschrijving gebeurt met een akte waaraan de burgemeester authenticiteit verleent. De Vlaamse Regering stelt het model van die akte vast.
Partie 8. Transfert de biens immeubles aux particuliers
Deel 8. Overdracht van onroerende goederen aan particulieren
Art. 5.91.La VMSW et les [1 sociétés de logement]1 peuvent vendre leurs biens immeubles de gré à gré à des ménages ou isolés, en exécution des missions visées aux articles 4.13, 4.14, [2 ...]2 4.17, [2 ...]2 4.20, 4.21, 4.22 [1 , 4.23 et 4.45,]1 en tenant compte des normes de prix, de la chronologie des demandes et des priorités et autres conditions fixées par le Gouvernement flamand à cet égard.
Art. 5.91. De VMSW en de [1 woonmaatschappijen]1 kunnen hun onroerende goederen uit de hand verkopen aan gezinnen of alleenstaanden ter uitvoering van de opdrachten, vermeld in artikel 4.13, 4.14, [2 ...]2 4.17, [2 ...]2 4.20, 4.21, 4.22 [1 , 4.23 en 4.45, waarbij ze rekening houden]1 met de prijsnormen, met de chronologie van de aanvragen en met de prioriteiten en andere voorwaarden die de Vlaamse Regering dienaangaande vaststelt.
  
Art. 5.92. Si, dans un délai de vingt ans après l'achat, les ménages ou isolés visés à l'article 5.91 mettent en location ou cèdent un droit réel sur le logement acquisitif social ou n'occupent pas eux-mêmes le logement acquisitif social pendant cette période, ils paient une indemnité fixée par le Gouvernement flamand et proportionnelle à l'investissement public. L'indemnité est attribuée au Fonds du logement.
  Si, dans un délai de vingt ans après l'achat, les ménages ou isolés visés à l'article 5.91 mettent en location ou cèdent un droit réel sur le logement locatif social ou n'occupent pas eux-mêmes le logement locatif social pendant cette période, et que l'organisation de logement social a accordé une remise sur le prix de vente, l'organisation de logement social réclame, dans les conditions fixées par le Gouvernement flamand, une indemnité proportionnelle à la remise accordée et fixée par le Gouvernement flamand. L'indemnité revient à l'organisation de logement social.
  Si, conformément au livre III, titre VI, chapitre VI, section I du Code civil, une faculté de rachat est incluse dans l'acte de vente et que le vendeur exerce cette faculté, le règlement prévu aux alinéas premier et deux n'est pas d'application.
Art. 5.92. Als de gezinnen of alleenstaanden, vermeld in artikel 5.91, de sociale koopwoning, binnen een termijn van twintig jaar die volgt op de aankoop, verhuren of er een zakelijk recht op afstaan of de sociale koopwoning gedurende die termijn niet zelf bewonen, betalen ze een vergoeding die de Vlaamse Regering bepaalt en die in verhouding is met de overheidsinvesteringen. De vergoeding wordt toegewezen aan het Fonds voor de Huisvesting.
  Als de gezinnen of alleenstaanden, vermeld in artikel 5.91, de sociale koopwoning, binnen een termijn van twintig jaar die volgt op de aankoop, verhuren of er een zakelijk recht op afstaan of de sociale koopwoning gedurende die termijn niet zelf bewonen en als de sociale woonorganisatie een korting op de verkoopprijs heeft toegestaan, vordert de sociale woonorganisatie, onder de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt, een vergoeding die in verhouding is met de toegestane korting en die de Vlaamse Regering vaststelt. De vergoeding komt toe aan de sociale woonorganisatie.
  Als overeenkomstig boek III, titel VI, hoofdstuk VI, afdeling I, van het Burgerlijk Wetboek, een recht van wederinkoop in de verkoopakte is opgenomen en de verkoper dat recht uitoefent, is de regeling, vermeld in het eerste en tweede lid, niet van toepassing.
Art. 5.92 /1.[1 § 1. Pour l'application de la présente partie, des données à caractère personnel sont traitées dans le but de vérifier le respect des conditions énumérées dans la présente partie et fixées par le Gouvernement flamand conformément à l'article 5.91.
   § 2. [3 Le service chargé par le Gouvernement flamand de la politique du logement ]3 et la société de logement sont responsables du traitement[4 ...]4.
   § 3. En application du paragraphe 1, les catégories suivantes de données à caractère personnel peuvent être traitées :
   1° les données d'identification ;
   2° les caractéristiques personnelles ;
   3° les caractéristiques du logement ;
   4° le numéro de registre national et les numéros d'identification de la Sécurité sociale ;
   5° les particularités financières ;
   6° la composition de ménage ;
   7° les données relatives aux droits immobiliers ;
   8° la profession et l'emploi ;
   9° les modes de vie ;
   10° les données relatives à la santé physique ou mentale.
   Le Gouvernement flamand peut préciser les catégories de données à caractère personnel, visées à l'alinéa 1.
   § 4. Les parties impliquées dans le traitement des données à caractère personnel sont :
   1° le candidat acquéreur ou son représentant ;
   2° les membres de la famille du candidat acquéreur ;
   3° l'acquéreur ou son représentant.
   § 5. Le traitement des données à caractère personnel est soumis à un délai de conservation de :
   1° vingt ans à compter de la signature de l'acte de vente d'un logement social acquisitif ;
   2° dix ans à compter de la réception provisoire du logement construit sur le lot social.
   § 6. Le responsable du traitement peut utiliser les données à caractère personnel à des fins statistiques et les mettre à la disposition des autres entités du domaine politique de l'Environnement à des fins statistiques. Le responsable du traitement peut également transmettre les données à caractère personnel au contrôleur visé à l'article 4.79 afin de lui permettre d'exercer son contrôle.
   Le Gouvernement flamand peut désigner d'autres entités auxquelles des données à caractère personnel peuvent être transmises pour des objectifs spécifiquement décrits.
   § 7. Le responsable du traitement précise les traitements effectués dans une déclaration de vie privée. Dans un souci de transparence et de garantie des droits des personnes concernées, il inclut dans ses communications avec ces dernières une référence à l'emplacement de sa déclaration de vie privée.
   § 8. [5 § 8. Le service chargé par le Gouvernement flamand de la politique du logement coordonne les flux de données électroniques et l'échange d'informations électroniques entre les différents acteurs mentionnés dans la présente partie. Toutes les données électroniques peuvent être échangées dans ce cadre par le biais du service chargé par le Gouvernement flamand de la politique du logement et peuvent être recueillies auprès de ces sources de données par ce service qui, dans ce cas, est le responsable du traitement pour ce qui est du recueil et du transfert. Le service chargé par le Gouvernement flamand de la politique du logement peut également utiliser les données pour traitement statistique et les mettre à la disposition des autres entités du domaine politique de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire. Le service chargé par le Gouvernement flamand de la politique du logement peut effectuer un traitement ultérieur des données à caractère personnel aux fins visées à l'article 1.5 qui sont compatibles avec les finalités initiales.]5
  
Art. 5.92/1.[1 § 1. Voor de toepassing van dit deel worden persoonsgegevens verwerkt met als doel na te gaan of voldaan is aan de voorwaarden uit dit deel en die de Vlaamse Regering vaststelt conform artikel 5.91.
Partie 9.Offre de logement modeste
Deel 9. Bescheiden woonaanbod
Titre 1. Normes et charges
Titel 1. Normen en lasten
Chapitre 1. Normes régionales et communales
Hoofdstuk 1. Gewestelijke en gemeentelijke normen
Art. 5.93.Les dispositions du présent chapitre s'appliquent :
Art. 5.93. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op:
  1° verkavelingen van ten minste tien loten bestemd voor woningbouw, of met een grondoppervlakte groter dan een halve hectare, ongeacht het aantal loten;
  2° groepswoningbouwprojecten waarbij ten minste tien woongelegenheden ontwikkeld worden;
  3° de bouw of de herbouw van appartementsgebouwen waarbij ten minste vijftig appartementen gecreëerd worden;
  4° verkavelingen, groepswoningbouwprojecten en projecten voor de bouw of de herbouw van appartementsgebouwen die niet voldoen aan de voorwaarden, vermeld in 1°, 2° of 3°, en waarvoor een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden of een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen wordt aangevraagd door een verkavelaar of een bouwheer wiens project aansluit op andere, door dezelfde verkavelaar of bouwheer te ontwikkelen gronden, die samen met de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft, een oppervlakte van meer dan een halve hectare beslaan.
  In elk van de verkavelingsprojecten en bouwprojecten, vermeld in het eerste lid, wordt een bescheiden woonaanbod verwezenlijkt dat gelijk is aan:
  1° voor wat betreft gronden die eigendom zijn van Vlaamse besturen of Vlaamse semipublieke rechtspersonen: veertig procent;
  2° voor wat betreft gronden die eigendom zijn van overige natuurlijke of rechtspersonen: twintig procent.
  Vanaf de bekendmaking van een gemeentelijk bericht waaruit blijkt dat het bindend sociaal objectief, vermeld in artikel 2.27, verwezenlijkt is, kan de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening Bescheiden Wonen, vermeld in artikel 5.94, afzien van het opleggen van een percentage bescheiden woonaanbod, of een percentage bescheiden woonaanbod hanteren dat lager is dan de normering, vermeld in het tweede lid. Voormelde bekendmaking geschiedt op de wijze, vermeld in [1 artikel 286 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur]1.
  
Art. 5.94. § 1. Les conseils communaux peuvent adopter un règlement urbanistique communal Logement modeste.
  Ce règlement urbanistique communal peut limiter davantage les normes de superficie et de volume maximum visées à l'article 1.3, § 1, premier alinéa, 3°. Ces normes peuvent être modulées en fonction de la composition du ménage.
  En outre, il peut décrire les motifs objectifs et pertinents sur la base desquels l'organe administratif délivrant le permis peut, lors de la délivrance d'un permis, autoriser des dérogations en moins aux normes visées à l'article 5.93, deuxième alinéa, par exemple en ce qui concerne la taille, la forme, l'emplacement ou la situation du lotissement ou du projet de construction ou l'offre de logement modeste ou social déjà existante dans les environs. Cette dérogation ne doit jamais impliquer une obligation de réaliser un pourcentage inférieur à la moitié du pourcentage applicable en vertu de l'article 5.93, alinéa deux.
  § 2. Si une commune ne dispose pas d'un règlement urbanistique communal Logement modeste, l'organe administratif délivrant le permis impose les charges en vue de la réalisation d'une offre de logement modeste, visées à l'article 5.100, sous réserve des conditions et des marges visées à l'article 1.3, § 1, premier alinéa, 3°, et à l'article 5.93, premier et deuxième alinéas.
Art. 5.94. § 1. De gemeenteraden kunnen een gemeentelijke stedenbouwkundige verordening Bescheiden Wonen vaststellen.
  Die gemeentelijke stedenbouwkundige verordening kan de maximale oppervlakte- en volumenormen, vermeld in artikel 1.3, § 1, eerste lid, 3°, verder beperken. Deze normen kunnen worden gemoduleerd in functie van de gezinssamenstelling.
  Zij kan daarenboven de objectieve en pertinente motieven omschrijven op grond waarvan het vergunningverlenende bestuursorgaan bij het afleveren van een vergunning afwijkingen in min kan toestaan op de normering van artikel 5.93, tweede lid, zoals onder meer de omvang, de vorm, de ligging of de inplanting van de verkaveling of het bouwproject of het in de omgeving reeds bestaande bescheiden of sociaal woonaanbod. Deze afwijkingsregeling heeft nooit voor gevolg dat een percentage moet worden verwezenlijkt dat lager is dan de helft van het overeenkomstig artikel 5.93, tweede lid, toepasselijke percentage.
  § 2. Indien een gemeente niet beschikt over een gemeentelijke stedenbouwkundige verordening Bescheiden Wonen, legt het vergunningverlenende bestuursorgaan de lasten met het oog op de verwezenlijking van een bescheiden woonaanbod, vermeld in artikel 5.100, op met inachtneming van de voorwaarden en marges, vermeld in artikel 1.3, § 1, eerste lid, 3°, en artikel 5.93, eerste en tweede lid.
Art. 5.95. Les normes régionales et communales visées dans le présent chapitre ne s'appliquent pas aux zones de plan dans lesquelles des objectifs et prescriptions en pourcentage fixés en vertu des articles 5.96 et 5.97 s'appliquent.
Art. 5.95.De gewestelijke en gemeentelijke normen, vermeld in dit hoofdstuk, zijn niet van toepassing in plangebieden waarin krachtens artikel 5.96 en 5.97 vastgestelde procentuele objectieven en voorschriften gelden.
Chapitre 2. Normes dans les zones de plan
Hoofdstuk 2. Normen in plangebieden
Art. 5.96. Les plans d'exécution spatiale et les plans d'aménagement peuvent établir de manière indépendante des objectifs et des prescriptions en pourcentage concernant la réalisation d'une offre de logement modeste au sein des lotissements, des logement groupés et de la construction d'immeubles d'appartements, visés à l'article 5.93, premier alinéa.
Art. 5.96. Ruimtelijke uitvoeringsplannen en plannen van aanleg kunnen eigenstandig procentuele objectieven en voorschriften vaststellen met betrekking tot de verwezenlijking van een bescheiden woonaanbod in de schoot van verkavelingen, groepswoningen en appartementsbouw, vermeld in artikel 5.93, eerste lid.
  Zij kunnen de maximale oppervlakte- en volumenormen, vermeld in artikel 1.3, § 1, eerste lid, 3°, verder beperken. Deze normen kunnen worden gemoduleerd in functie van de gezinssamenstelling.
Art. 5.97. Les plans d'exécution spatiale qui convertissent des zones d'extension résidentielle ou des zones de réserve résidentielle en zones résidentielles d'une superficie d'au moins un demi-hectare [2 et les décisions du conseil communal libérant une zone de réserve d'habitat ou une partie de celle-ci à concurrence d'au moins un demi-hectare à des fins d'habitat]2, fixent un objectif de quarante pour cent d'offre de logement modeste dans les lotissements, les logements groupés et les immeubles d'appartements, visés à l'article 5.93, premier alinéa.
  L'objectif en pourcentage visé au premier alinéa peut être réduit au maximum à dix pour cent, dans la mesure où cela est motivé par l'offre existante et prévue de logement modeste et social, les facteurs liés au contexte social et les caractéristiques spatiales de la zone résidentielle ordonnée. L'objectif en pourcentage ne peut être ramené à zéro qu'à partir de la publication d'un avis communal montrant que l'objectif social contraignant visé à l'article 2.27 a été atteint. La publication précitée est effectuée conformément à [1 l'article 286 du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale]1.
  Le présent article ne peut être appliqué qu'aux plans d'exécution spatiale établis à titre provisoire à partir du 25 avril 2014.
  
Art. 5.97.Ruimtelijke uitvoeringsplannen die woonuitbreidingsgebied of woonreservegebied omzetten naar woongebied met een oppervlakte van ten minste een halve hectare [2 en gemeenteraadsbesluiten die een woonreservegebied of een deel ervan ten belope van minstens een halve hectare vrijgeven voor wonen]2, bepalen voor het bescheiden woonaanbod bij verkavelingen, groepswoningen en appartementsbouw, vermeld in artikel 5.93, eerste lid, een procentueel objectief dat gelijk is aan veertig procent.
Chapitre 3. Exception
Hoofdstuk 3. Uitzondering
Art. 5.98.Les chapitres 1 et 2 ne s'appliquent pas dans les cas suivants :
Art. 5.98. Hoofdstuk 1 en 2 zijn niet van toepassing:
  1° als de bouwheer of verkavelaar een sociale woonorganisatie is, of een openbaar bestuur als vermeld in artikel 4.13, § 1 [1 ...]1;
  2° als Vlabinvest apb optreedt als bouwheer of verkavelaar;
  3° als de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen uitvoering geeft aan een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden voor een verkavelingsproject dat reeds onderworpen is aan een norm als bepaald krachtens hoofdstuk 1 of 2.
  
Art. 5.99. Le présent titre ne s'applique pas aux catégories suivantes de projets :
  1° les projets de construction dans lesquels seules des structures de soins sont créées, à l'exception des projets de construction dans lesquels une ou plusieurs des structures suivantes sont créées :
  a) les résidence-services au sens des décrets coordonnés du 18 décembre 1991 relatifs aux structures destinées aux personnes âgées dont le contrat avec Serviceflats Invest NV n'a pas été conclu ou dont les travaux n'ont pas commencé au 6 février 2012 ;
  b) les logements à assistance au sens du décret sur les soins résidentiels du 15 février 2019;
  c) les logements AVJ au sens de l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 juin 1998 visant à encourager les projets en faveur des personnes ayant un handicap physique habitant de manière autonome dans les quartiers d'habitations sociales ;
  d) les logements mis à disposition par un service au sens de l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 décembre 1998 relatif à l'agrément et au subventionnement de services d'habitations protégées pour handicapés ;
  e) les logements mis à disposition par une structure au sens de l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 novembre 2006 relatif à l'approbation et au subventionnement de projets de logement intégrés pour des personnes handicapées ;
  f) les logements mis à disposition par une initiative d'habitation protégée au sens de l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 février 1997 fixant la procédure d'agrément et de fermeture des maisons de repos et de soins, des maisons de soins psychiatriques, des initiatives d'habitations protégées et des associations d'institutions et de services psychiatriques;
  2° les projets de construction qui combinent des structures de soins, d'une part, et des résidences privées, d'autre part, en ce qui concerne la part de structures de soins, à l'exception des projets de construction dans lesquels une ou plusieurs structures visées au 1°, a) à f), sont créées ;
  3° les projets de construction dans lesquels seules des chambres d'étudiants sont créées et qui sont détenus en propriété ou gérés par un établissement d'enseignement supérieur enregistré d'office tel que visé à l'article 7 du décret du 4 avril 2003 relatif à la restructuration de l'enseignement supérieur en Flandre ou par une ASBL créée conformément à l'article 208 du décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande pour la gestion des services sociaux destinés aux étudiants des instituts supérieurs.
  Les projets visés au premier alinéa, 3°, sont assimilés aux projets de construction dans lesquels ne sont créées que des chambres d'étudiants pour lesquelles un accord de coopération a été conclu entre le maître d'ouvrage et un établissement d'enseignement supérieur enregistré d'office, qui y est mentionné, étant entendu que chacune des conditions suivantes doit en outre être remplie :
  1° l'organe d'administration compétent de l'établissement d'enseignement supérieur enregistré d'office a formellement donné son assentiment à l'accord de coopération ;
  2° l'accord de coopération a été conclu pour une période d'au moins 27 ans, et ne peut être résilié unilatéralement avant l'expiration de cette période ;
  3° l'accord de coopération comprend des accords sur le loyer des chambres d'étudiants individuelles.
Art. 5.99. Deze titel is niet van toepassing op de volgende categorieën van projecten:
Chapitre 4. Charges
Hoofdstuk 4. Lasten
Art. 5.100.§ 1. Si un projet de construction ou de lotissement est soumis à une norme telle que fixée en vertu des chapitres 1 ou 2, le permis d'environnement pour le lotissement de terrains et le permis d'environnement pour des actes urbanistiques sont liés de plein droit à une charge au sens de l'article 75 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement. Cette charge oblige le lotisseur ou le maître d'ouvrage à entreprendre des actes afin de réaliser une offre de logement modeste qui soit conforme au pourcentage applicable au projet de lotissement ou de construction.
Art. 5.100. § 1. Indien een bouw- of verkavelingsproject onderworpen is aan een norm als bepaald krachtens hoofdstuk 1 of 2, wordt aan de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, respectievelijk de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen, van rechtswege een last verbonden in de zin van artikel 75 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning. Deze last verplicht de verkavelaar of de bouwheer ertoe handelingen te stellen opdat een bescheiden woonaanbod zou worden verwezenlijkt dat in lijn is met het op het verkavelingsproject of het bouwproject toepasselijke percentage.
  De verkavelaar of de bouwheer kan de last uitvoeren in natura, door verkoop van de voor het vooropgestelde bescheiden woonaanbod vereiste gronden aan een sociale woonorganisatie of aan een openbaar bestuur, vermeld in artikel 4.13 [1 ...]1 en/of door de storting van een bijdrage aan de gemeente waarbinnen het verkavelingsproject of het bouwproject ontwikkeld wordt.
  § 2. Het vergunningverlenende bestuursorgaan rondt de met toepassing van hoofdstuk 1 en 2 verkregen getallen af naar het dichtstbijzijnde natuurlijk getal.
  § 3. In een verkaveling die minder dan vijf loten bestemd voor woningbouw telt en die een grondoppervlakte groter dan een halve hectare heeft of die overeenkomstig artikel 5.93, eerste lid, 4°, aansluit op andere, door dezelfde verkavelaar te ontwikkelen gronden, die samen met de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft, een oppervlakte van meer dan een halve hectare beslaan, wordt geen last inzake de verwezenlijking van een bescheiden woonaanbod opgelegd.
  
Art. 5.101. § 1. Si le lotisseur ou le maître d'ouvrage choisit d'exécuter la charge en nature, il réalise l'offre de logement modeste prédéfinie dans un délai de huit ans après la délivrance du permis en dernier recours administratif ou, si le permis mentionne explicitement différentes phases du projet de lotissement ou de construction, dans un délai de huit ans après le début de la phase du permis au cours de laquelle l'offre de logement modeste doit être réalisée.
  § 2. Le lotisseur ou le maître d'ouvrage garantit l'exécution de la charge en accordant une option d'achat au profit d'une organisation de logement social ou d'une administration publique telle que visée à l'article 4.13[1 ...]1. Par dérogation aux règles de droit commun du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, le permis ne peut être utilisé qu'à partir de la passation de l'acte sous seing privé dans lequel l'option d'achat est accordée.
  En vertu de l'option d'achat, le lotisseur ou le maître d'ouvrage accepte la vente, au bénéficiaire de l'option, des terrains affectés dans le plan de lotissement ou de construction à l'offre de logement modeste. Le bénéficiaire ne peut exercer l'option que si l'offre de logement modeste prédéfinie n'a pas été réalisée dans le délai mentionné au § 1. Le droit d'option devient caduc s'il n'est pas exercé dans les trois ans suivant l'expiration du délai mentionné au § 1.
  Si l'option d'achat est exercée, le bénéficiaire paie pour les terrains vendus le prix estimé, qui est égal à la valeur vénale des terrains au moment de la délivrance du permis d'environnement pour le lotissement de terrains ou du permis d'environnement pour des actes urbanistiques. Dans l'estimation de cette valeur vénale, il n'est pas tenu compte des conséquences de la charge et, le cas échéant, les frais suivants sont au moins déduits :
  1° les frais de traitement et d'assainissement des sols contaminés en cas de déblaiement
  2° les frais supplémentaires pour l'installation d'une fondation plus lourde en cas de stabilité insuffisante du sol pour les logements à construire ;
  3° les frais d'élimination des débris restants.
  Les terrains vendus en vertu de l'option d'achat sont utilisés au profit de la politique communale du logement.
  § 3. Par dérogation au paragraphe 2, le lotisseur ou le maître d'ouvrage peut assurer l'exécution de la charge par le dépôt d'une garantie financière adéquate ou par une garantie financière adéquate irrévocablement accordée par un établissement bancaire.
  § 4. L'aménagement spatial adéquat de la partie modeste d'un projet de lotissement ou d'un projet de construction qui est soumis à une norme telle que fixée en vertu des chapitres 1 ou 2, est à tout temps évalué sur la base des densités suivantes des logements:
  1° entre 35 et 100 logements par hectare, en zone urbaine ;
  2° entre 25 et 35 logements par hectare, en zone rurale.
  
Art. 5.101. § 1. Indien de verkavelaar of de bouwheer ervoor opteert om de last in natura uit te voeren, verwezenlijkt hij het vooropgestelde bescheiden woonaanbod binnen een termijn van acht jaar na de afgifte van de vergunning in laatste administratieve aanleg of, indien de vergunning uitdrukkelijk melding maakt van verschillende fasen van het verkavelingsproject of het bouwproject, binnen de acht jaar na de aanvang van de vergunningsfase waarin het bescheiden woonaanbod moet worden verwezenlijkt.
  § 2. De verkavelaar of de bouwheer waarborgt de uitvoering van de last door middel van het verlenen van een aankoopoptie ten bate van een sociale woonorganisatie of een openbaar bestuur, vermeld in artikel 4.13[1 ...]1. In afwijking van de gemeenrechtelijke regelen van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, mag van de vergunning eerst gebruik worden gemaakt vanaf het verlijden van de onderhandse akte waarin de aankoopoptie wordt verleend.
  Op grond van de aankoopoptie stemt de verkavelaar of de bouwheer toe in de verkoop, aan de beneficiaris van de optie, van de op het verkavelings- of bouwplan voor een bescheiden woonaanbod aangewezen gronden. De beneficiaris kan de optie eerst lichten indien het vooropgestelde bescheiden woonaanbod niet is verwezenlijkt binnen de termijn, vermeld in § 1. Het optierecht vervalt indien het niet wordt uitgeoefend binnen de drie jaar na het verstrijken van de termijn, vermeld in § 1.
  Als de aankoopoptie wordt gelicht, betaalt de beneficiaris voor de verkochte gronden de schattingsprijs, die gelijk is aan de venale waarde van de gronden ten tijde van de afgifte van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden of de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen. Bij de raming van deze venale waarde wordt geen rekening gehouden met de gevolgen van de last, en worden in voorkomend geval minstens de volgende kosten in mindering gebracht:
  1° de kosten voor de verwerking en de sanering van vervuilde grond bij grondverzet;
  2° de extra kosten voor de plaatsing van een zwaardere fundering bij onvoldoende stabiliteit van de grond voor de daarop op te richten woningen;
  3° de kosten voor de verwijdering van het nog aanwezige puin.
  De op grond van de aankoopoptie verkochte gronden worden ingezet ten bate van het gemeentelijk woonbeleid.
  § 3. In afwijking van paragraaf 2 kan de verkavelaar of bouwheer de uitvoering van de last waarborgen door de storting van een afdoende financiële waarborg of door een door een bankinstelling op onherroepelijke wijze verleende afdoende financiële waarborg.
  § 4. Bij de toetsing aan de goede ruimtelijke ordening van het bescheiden gedeelte van een verkavelingsproject of een bouwproject dat onderworpen is aan een norm als bepaald krachtens hoofdstuk 1 of 2, wordt te allen tijde uitgegaan van volgende woningdichtheden:
  1° ten minste 35 en ten hoogste 100 woningen per hectare, in stedelijke gebieden;
  2° ten minste 25 en ten hoogste 35 woningen per hectare, in het buitengebied.
  
Art. 5.102. Le lotisseur ou le maître d'ouvrage peut choisir d'exécuter la charge en vendant les terrains nécessaires à l'offre de logement modeste prédéfinie à une organisation de logement social ou à une administration publique telle que visée à l'article 4.13 [1 ]1 le cas échéant sous la condition suspensive ou résolutoire de la délivrance du permis. Le prix de vente est fixé au prix estimé. Le prix estimé est égal à la valeur vénale du bien, sans tenir compte des conséquences de la charge, réduite, le cas échéant, d'au moins les frais suivants :
  1° les frais de traitement et d'assainissement des sols contaminés en cas de déblaiement
  2° les frais supplémentaires pour l'installation d'une fondation plus lourde en cas de stabilité insuffisante du sol pour les logements à construire ;
  3° les frais d'élimination des débris restants.
  Les terrains vendus sont utilisés au profit de la politique communale du logement.
  
Art. 5.102. De verkavelaar of de bouwheer kan ervoor opteren om de last uit te voeren door middel van de verkoop van de voor het vooropgestelde bescheiden woonaanbod vereiste gronden aan een sociale woonorganisatie of een openbaar bestuur, vermeld in artikel 4.13 [1 ...]1 desgevallend onder de opschortende of ontbindende voorwaarde dat de vergunning zal worden afgeleverd. De verkoopprijs wordt vastgesteld op het bedrag van de schattingsprijs. De schattingsprijs is gelijk aan de venale waarde van het goed, zonder rekening te houden met de gevolgen van de last, in voorkomend geval minstens verminderd met:
  1° de kosten voor de verwerking en de sanering van vervuilde grond bij grondverzet;
  2° de extra kosten voor de plaatsing van een zwaardere fundering bij onvoldoende stabiliteit van de grond voor de daarop op te richten woningen;
  3° de kosten voor de verwijdering van het nog aanwezige puin.
  De verkochte gronden worden ingezet ten bate van het gemeentelijk woonbeleid.
  
Art. 5.103. Le lotisseur ou le maître d'ouvrage peut exécuter tout ou partie de la charge en versant une contribution à la commune dans laquelle le projet de lotissement ou de construction est développé. La contribution est calculée en multipliant le nombre de logements ou de lots correspondant à la partie de la charge qui n'est pas exécutée d'une des manières visées aux articles 5.101 et 5.102, par le montant forfaitaire indexé de la part de terrain lors de l'achat d'un logement existant pour lequel il faut procéder à des investissements tout au plus limités avant de pouvoir le mettre à disposition en tant que logement locatif social.
  La faculté visée au premier alinéa ne s'applique que si l'organe d'administration délivrant le permis y consent et dans la mesure où le projet de lotissement ou de construction n'est pas situé dans une zone d'extension résidentielle ou de réserve résidentielle ou dans une ancienne zone d'extension résidentielle ou de réserve résidentielle.
  La contribution est utilisée au profit de l'offre communale de logement social ou modeste.
Art. 5.103. De verkavelaar of de bouwheer kan de last geheel of gedeeltelijk uitvoeren door middel van de storting van een bijdrage aan de gemeente waarbinnen het verkavelingsproject of het bouwproject ontwikkeld wordt. De bijdrage wordt berekend door het aantal woningen of kavels dat overeenstemt met het gedeelte van de last dat niet wordt uitgevoerd op één van de wijzen, vermeld in artikel 5.101 en 5.102, te vermenigvuldigen met het geïndexeerde forfaitair bedrag voor het grondaandeel bij de aankoop van een bestaande woning waaraan hoogstens beperkte investeringen moeten worden gedaan voor ze ter beschikking kan worden gesteld als sociale huurwoning.
  De mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, geldt slechts indien het vergunningverlenende bestuursorgaan daarmee instemt en in zoverre het verkavelingsproject of het bouwproject niet gelegen is in een woonuitbreidings- of woonreservegebied of een voormalig woonuitbreidings- of woonreservegebied.
  De bijdrage wordt ingezet ten bate van het gemeentelijk sociaal of bescheiden woonaanbod.
Art. 5.104. Le lotisseur ou le maître d'ouvrage peut, d'une des manières, visées à l'article 5.100, § 1, alinéa deux, déplacer l'exécution de la charge pour la réalisation d'une offre de logement modeste vers d'autres terrains que ceux qui sont situés dans le lotissement ou le projet de construction.
  La possibilité énoncée à l'alinéa premier ne s'applique que si l'organe administratif délivrant le permis marque son accord et à condition que toutes les exigences suivantes soient remplies :
  1° les terrains accueillants sont équivalents en termes économiques et spatiaux aux terrains situés dans le lotissement ou le projet de construction ;
  2° les terrains accueillants sont situés dans la commune concernée ;
  3° le déplacement de l'exécution de la charge est compatible avec la politique spatiale de la commune;
  4° le lotisseur ou le maître d'ouvrage est propriétaire des terrains accueillants ou est explicitement habilité par le propriétaire des terrains accueillants à appliquer le présent article.
  Les obligations transférées ne sont pas déduites des obligations qui s'appliquent aux terrains accueillants, au cas où ceux-ci sont également soumis à une norme fixée en vertu des chapitres 1 et 2.
Art. 5.104. De verkavelaar of de bouwheer kan de uitvoering van de last inzake de verwezenlijking van een bescheiden woonaanbod op één van de wijzen, vermeld in artikel 5.100, § 1, tweede lid, verleggen naar andere terreinen dan deze die gelegen zijn binnen de verkaveling of het bouwproject.
Titre 2. Prix indicatifs cibles et règles d'attribution
Titel 2.Indicatieve streefprijzen [1 ...]1
Art. 5.105. Le Gouvernement flamand fixe des prix indicatifs cibles pour la vente ou la location de logements et la vente de lots qui font partie de l'offre de logement modeste. Les prix indicatifs cibles visent à augmenter la transparence du marché foncier et immobilier. Ils ne peuvent être appliqués de manière contraignante.
Art. 5.105. De Vlaamse Regering stelt indicatieve streefprijzen op voor de verkoop of verhuur van woningen en de verkoop van kavels die deel uitmaken van het bescheiden woonaanbod. De indicatieve streefprijzen dienen de transparantie van de grond- en pandenmarkt. Zij kunnen niet op bindende wijze worden afgedwongen.
  De indicatieve streefprijzen worden vastgesteld na een marktconsultatie naar aanleiding van de op- en uitbouw van de kruispuntdatabank Betaalbaar Wonen, vermeld in artikel 4.3.1 van het decreet grond- en pandenbeleid.
  Zij houden in het bijzonder rekening met de typologie, de kwaliteit, de oppervlakte of het volume, en de locatie van de woningen of kavels.
Art. 5.106. § 1. [2 ...]2
  § 2. Les conseils communaux peuvent fixer un règlement communal Logement modeste, ayant les mêmes force juridique et valeur contraignante qu'un règlement urbanistique. Ce règlement communal comprend des normes qualitatives de l'offre de logement modeste et de l'environnement résidentiel.
  Le règlement communal peut fixer des pourcentages distincts en matière d'offre de logement modeste pour la réalisation de diverses typologies de lots et de logements appartenant à l'offre de logement modeste.
  [2 ...]2
  
Art. 5.106. § 1. [2 ...]2
  § 2. De gemeenteraden kunnen een gemeentelijk reglement Bescheiden Wonen vaststellen, met dezelfde rechtskracht en bindende waarde als een stedenbouwkundige verordening. Dat gemeentelijk reglement omvat kwaliteitsnormen voor het bescheiden woonaanbod en de woonomgeving.
  Het gemeentelijk reglement kan onderscheiden percentages bescheiden woonaanbod vastleggen voor de verwezenlijking van diverse typologieën van kavels en woningen die deel uitmaken van het bescheiden woonaanbod.
  [2 ...]2.
  
Art. 5.106 /1.[1 § 1. Pour l'application du présent titre, des données à caractère personnel sont traitées dans le but :
   1° de vérifier s'il est satisfait aux conditions et aux obligations fixées par le Gouvernement flamand conformément à l'article 5.106, § 1 ;
   2° d'assurer le règlement juridique du contrat de location.
   § 2. La société de logement est le responsable du traitement[3 ...]3.
   § 3. En application du paragraphe 1, les catégories suivantes de données à caractère personnel peuvent être traitées :
   1° les données d'identification ;
   2° les caractéristiques personnelles ;
   3° les caractéristiques du logement ;
   4° le numéro de registre national et le numéro d'identification de la Sécurité sociale ;
   5° la composition de ménage ;
   6° les particularités financières ;
   7° les données relatives aux droits immobiliers ;
   8° les modes de vie ;
   9° les données relatives à la santé physique ou mentale.
   Le Gouvernement flamand peut préciser les catégories de données à caractère personnel, visées à l'alinéa 1.
   § 4. Les parties impliquées dans le traitement des données à caractère personnel sont :
   1° le candidat locataire ou son représentant ;
   2° les membres de la famille du candidat locataire ;
   3° le locataire ou son représentant ;
   4° les occupants ;
   5° l'ancien locataire ou son représentant.
   § 5. Le traitement des données à caractère personnel est soumis à un délai de conservation de dix ans suivant la suppression du dossier d'inscription du candidat locataire ou suivant la fin du contrat de location.
   § 6. Le responsable du traitement peut utiliser les données à caractère personnel à des fins statistiques et les mettre à la disposition des autres entités du domaine politique de l'Environnement à des fins statistiques. Le responsable du traitement peut également transmettre les données à caractère personnel au contrôleur visé à l'article 4.79 du présent Code afin de lui permettre d'exercer son contrôle.
   § 7. Le responsable du traitement précise les traitements effectués dans une déclaration de vie privée. Dans un souci de transparence et de garantie des droits des personnes concernées, il inclut dans ses communications avec ces dernières une référence à l'emplacement de sa déclaration de vie privée.
   § 8.[4 Le service chargé par le Gouvernement flamand de la politique du logement coordonne les flux de données électroniques et l'échange d'informations électroniques entre les différents acteurs mentionnés dans le présent article. Toutes les données électroniques peuvent être échangées dans ce cadre par le biais du service chargé par le Gouvernement flamand de la politique du logement et peuvent être recueillies auprès de ces sources de données par ce service qui, dans ce cas, est le responsable du traitement pour ce qui est du recueil et du transfert. Le service chargé par le Gouvernement flamand de la politique du logement peut également utiliser les données pour traitement statistique et les mettre à la disposition des autres entités du domaine politique de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire. Le service chargé par le Gouvernement flamand de la politique du logement peut effectuer un traitement ultérieur des données à caractère personnel aux fins visées à l'article 1.5 qui sont compatibles avec les finalités initiales.]4
  
Art. 5.106/1.[1 § 1. Voor de toepassing van deze titel worden persoonsgegevens verwerkt met als doel:
Partie 10. Surveillance de l'activation
Deel 10. Activeringstoezicht
Art. 5.107. Si dans une commune l'objectif social contraignant, tel que visé à l'article 2.27, n'a pas été atteint dans le délai prévu à cet effet, le Gouvernement flamand peut prendre des mesures de surveillance d'activation à l'égard des administrations flamandes qui remplissent les deux conditions suivantes :
Art. 5.107. Indien het bindend sociaal objectief, vermeld in artikel 2.27, in een gemeente niet is verwezenlijkt binnen de daartoe voorziene termijn, kan de Vlaamse Regering maatregelen van activeringstoezicht treffen ten aanzien van Vlaamse besturen die voldoen aan beide hiernavolgende voorwaarden:
  1° zij zijn op het grondgebied van die gemeente eigenaar van onbebouwde bouwgronden of kavels die niet beantwoorden aan één of meer van volgende bijzondere karakteristieken:
  a) zij zijn kennelijk rechtstreeks dienstig voor de uitoefening van de taak van de betrokken rechtspersoon;
  b) zij zijn ingericht als collectieve voorzieningen, met inbegrip van hun aanhorigheden;
  c) zij zijn het voorwerp van een recht van erfpacht, van opstal, van vruchtgebruik of van gebruik;
  d) zij worden verpacht ingevolge de Pachtwet van 4 november 1969, waarbij het bewijs van de pacht door alle middelen rechtens mag worden geleverd;
  e) zij zijn in het kalenderjaar voorafgaand aan het heffingsjaar geregistreerd in het Geïntegreerd Beheers- en Controlesysteem;
  f) zij zijn onderworpen aan een bouwverbod of aan enige andere erfdienstbaarheid tot openbaar nut die woningbouw onmogelijk maakt;
  g) de onmogelijkheid om woningen op te richten vloeit voort uit een vreemde oorzaak die het Vlaamse bestuur niet kan worden toegerekend, zoals de beperkte omvang van de bouwgronden of kavels, of hun ligging, vorm of fysieke toestand;
  h) zij zullen blijkens een ten minste reeds voorlopig vastgesteld of voorlopig aangenomen ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg een met wonen onverenigbare bestemming krijgen;
  2° zij geven geen of slechts gedeeltelijk uitvoering aan het gemeentelijke actieprogramma, vermeld in artikel 2.6.
Art. 5.108. § 1. L'exercice de la surveillance d'activation commence par un rappel de l'administration flamande visée à l'article 5.107. Par ce rappel, le Gouvernement flamand somme l'administration flamande à prendre les mesures nécessaires pour que ses terrains à bâtir non bâtis ou ses lots non bâtis qui ne répondent pas à une ou plusieurs des caractéristiques particulières visées à l'article 5.107, 1° puissent être radiés du registre des parcelles non bâties.
  § 2. L'administration flamande sommée peut soumettre un acte justificatif au Gouvernement flamand.
  § 3. En l'absence d'une justification, le Gouvernement flamand impose une obligation d'activation à l'administration flamande concernée.
  L'obligation d'activation implique l'obligation de prendre les mesures mentionnées au § 1 à l'égard des terrains à bâtir non bâtis et des lots non bâtis qui ne sont pas couverts par un acte justificatif. Le Gouvernement flamand fixe le délai dans lequel ces mesures doivent être prises. Ce délai ne peut excéder cinq ans à compter de la signification de l'ordonnance imposant l'obligation d'activation.
Art. 5.108. § 1. De uitoefening van het activeringstoezicht vangt aan door middel van een aanmaning van het Vlaams bestuur, vermeld in artikel 5.107. De Vlaamse Regering sommeert het Vlaams bestuur middels die aanmaning om de nodige maatregelen te nemen opdat zijn onbebouwde bouwgronden of kavels die niet beantwoorden aan één of meer van de bijzondere karakteristieken, vermeld in artikel 5.107, 1°, geschrapt kunnen worden uit het register van onbebouwde percelen.
  § 2. Het aangemaande Vlaams bestuur kan aan de Vlaamse Regering een rechtvaardigingsbesluit overmaken.
  § 3. Bij ontstentenis van een gegronde rechtvaardiging, legt de Vlaamse Regering aan het betrokken Vlaams bestuur een activeringsplicht op.
  De activeringsplicht houdt de verplichting in om de maatregelen, vermeld in § 1, te nemen ten aanzien van de onbebouwde bouwgronden en kavels die niet door een rechtvaardigingsbesluit worden gedekt. De Vlaamse Regering bepaalt de termijn waarbinnen deze maatregelen worden genomen. Deze termijn bedraagt ten hoogste vijf jaar vanaf de betekening van de beschikking waarbij de activeringsplicht wordt opgelegd.
Art. 5.109. En cas de manquement à l'obligation d'activation, l'autorité supérieure peut utiliser tout moyen prévu par la réglementation organique applicable à l'administration concernée pour sanctionner le défaut d'exécution des mesures légalement prescrites.
Art. 5.109. Bij niet-naleving van de activeringsplicht kan de hogere overheid elk middel aanwenden dat in de organieke regelgeving op het betrokken bestuur is voorgeschreven ter sanctionering van de niet-uitvoering van maatregelen die in rechte zijn voorgeschreven.
Art. 5.110. Le Gouvernement flamand peut arrêter des modalités formelles et procédurales pour l'application de la présente partie.
Art. 5.110.De Vlaamse Regering kan nadere formele en procedurele regelen bepalen voor de toepassing van dit deel.
Partie 11. Estimateur de loyer
Deel 11. Huurschatter
Art. 5.111. Le Gouvernement flamand met à la disposition des locataires et des bailleurs une application web qui permet d'estimer le loyer sur le marché d'un logement sur la base de ses caractéristiques, de sa localisation et de son adresse. L'application web tient notamment compte de la qualité d'habitat, de la taille et de la situation du logement, de la distinction entre chambres et autres logements et des éventuelles formes d'habitat spécifiques, telles que visées à l'article 3.1, § 3, alinéa premier.
Art. 5.111.De Vlaamse Regering stelt een webtoepassing ter beschikking van huurders en verhuurders, die toelaat een inschatting te maken van de markthuurprijs van een woning op basis van de woningkenmerken, de ligging en het adres. Daarbij houdt ze rekening met de woonkwaliteit, met de omvang en de ligging van de woning, met het onderscheid tussen kamers en andere woningen en met eventuele specifieke woonvormen als vermeld in artikel 3.1, § 3, eerste lid.
Livre 6. Location sociale
Boek 6. Sociale huur
Partie 1. Dispositions générales
Deel 1. Algemene bepalingen
Art. 6.1.Dans [3 le présent livre ]3 et ses arrêtés d'exécution, on entend par :
Art. 6.1. In dit [3 boek]3 en de besluiten die genomen worden ter uitvoering ervan, wordt verstaan onder:
  1° [2 huurder:
   a) de persoon of de personen die bij aanvang van de huurovereenkomst als huurder worden vermeld in de huurovereenkomst;
   b) de persoon die met toepassing van artikel 6.11, derde of vierde lid, van rechtswege huurder wordt;]2

  [2 1° /1 kandidaat-huurder: de persoon of de personen die ingeschreven zijn in het centraal inschrijvingsregister, vermeld in artikel 6.5, en die de huurovereenkomst zullen ondertekenen als huurder;
   1° /2 potentiële kandidaat-huurder: de persoon of de personen die zich willen inschrijven in het centraal inschrijvingsregister, vermeld in artikel 6.5;]2

  2° rationele bezetting: de passende bezetting van een woning, waarbij [1 de verhuurder rekening houdt]1 met het aantal personen die de sociale huurwoning op duurzame wijze bewonen of gaan bewonen en de fysieke toestand van die personen;
  [2 2° /1 VDAB: de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding, opgericht bij het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding";]2
  3° welzijns- of gezondheidsvoorziening: een voorziening die werkzaam is in het kader van de aangelegenheden die vallen onder het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. Een OCMW wordt gelijkgesteld met een welzijns- of gezondheidsvoorziening.
  [1 De Vlaamse Regering kan in de gevallen die ze bepaalt, afwijken van de vereiste van duurzame bewoning voor de rationele bezetting, vermeld in het eerste lid, 2°.]1
  
Art. 6.2. Le Gouvernement flamand fixe, dans le respect des dispositions du présent livre, les conditions de location des logements locatifs sociaux. [1 ...]1
  Aux aspects non réglementés par le présent livre ou ses arrêtés d'exécution s'appliquent les dispositions du livre III, titre VIII, chapitre II, section I du Code civil et le Décret flamand sur la location d'habitations.
  
Art. 6.2. De Vlaamse Regering stelt de voorwaarden vast voor de verhuring van sociale huurwoningen, met inachtneming van de bepalingen van dit boek. [1 ...]1
  Voor de aspecten die niet geregeld zijn in dit boek of in de besluiten die genomen zijn ter uitvoering van dit boek, gelden de bepalingen van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, afdeling I, van het Burgerlijk Wetboek en het Vlaams Woninghuurdecreet.
  
Art. 6.3. Les dispositions du présent livre s'appliquent aux logements locatifs sociaux, à l'exception des logements qui :
  1° sont mis à disposition comme résidences-services dans le cadre de la politique flamande du bien-être ;
  2° [1 sont financés par des moyens de Vlabinvest apb, financés par des moyens du Fonds d'investissement pour la Politique foncière et du Logement du Brabant flamand, ou financés par des moyens de la VMSW dans le cadre de sa mission visée à l'article 4.15]1.
  
Art. 6.3. De bepalingen van dit boek zijn van toepassing op de sociale huurwoningen, met uitzondering van de woningen die:
  1° als serviceflats beschikbaar worden gesteld in het kader van het Vlaams Welzijnsbeleid;
  2° [1 gefinancierd zijn met middelen van Vlabinvest apb, gefinancierd zijn met middelen van het Investeringsfonds voor Grond- en Woonbeleid voor Vlaams-Brabant of gefinancierd zijn met middelen van de VMSW in het kader van haar opdracht, vermeld in artikel 4.15]1.
  
Art. 6.3 /1.[1 § 1er. Pour l'application du présent livre, des données à caractère personnel sont traitées aux fins suivantes :
   1° vérifier s'il satisfait aux conditions et aux obligations du présent livre et fixées par le Gouvernement flamand conformément au présent livre ;
   2° assurer le règlement juridique du contrat de location ;
   3° permettre l'exercice du contrôle, visé à la partie 12 ;
   4° tenir le registre central des habitations, visé à l'article 6.4, visant à soutenir l'entité désignée conformément à l'article 6.4 pour tenir le registre central des habitations, lors de l'exécution de ses missions.
   § 2. Les responsables du traitement sont :
   1° le bailleur, pour les traitements dont il a la charge ;
   2° pour le registre d'inscription central, l'entité désignée conformément à l'article 6.5, alinéa 1er, pour tenir le registre d'inscription central ;
   3° le contrôleur, visé à l'article 4.79, pour les traitements effectués dans le cadre de sa compétence de contrôle ;
   4° pour le registre central des habitations, l'entité désignée conformément à l'article 6.4 pour tenir le registre central des habitations.
   § 3. En application du paragraphe 1er, les catégories suivantes de données à caractère personnel peuvent être traitées :
   1° les données d'identification, dont les coordonnées ;
   2° le numéro de registre national et les numéros d'identification à la sécurité sociale ;
   3° les caractéristiques personnelles ;
   4° la composition du ménage ;
   5° les particularités financières ;
   6° les données relatives aux droits immobiliers ;
   7° les données d'apprenants du néerlandais deuxième langue (NT2) ;
   8° les caractéristiques du logement ;
   9° la profession et l'emploi ;
   10° les données de l'enquête sociale dans le cadre de l'enquête sur l'éventuelle propriété immobilière à l'étranger, visée à l'article 6.3/2 ;
   11° les modes de vie dans le cadre de la conclusion d'un contrat d'accompagnementou d'un refus tels que visés à l'article 6.13 ;
   12° les données judiciaires relatives à la résiliation du contrat de location pour avoir causé de graves dégradations ou pour négligence grave du logement locatif social ;
   13° les données relatives à la santé physique ou mentale ;
   14° l'éducation et la formation ;
   15° les données relatives au contrat de location résilié par le bailleur ;
   16° la consommation d'eau, de gaz et d'électricité.
   Le Gouvernement flamand peut préciser les catégories de données à caractère personnel visées à l'alinéa 1er.
   § 4. Le responsable du traitement, visé au paragraphe 2, 1° et 2°, applique aux données à caractère personnel un délai de conservation de maximum un an suivant la fin définitive des procédures administratives, judiciaires et extrajudiciaires, et jusqu'à dix ans maximum suivant l'estimation que le candidat locataire n'a pas rempli les conditions d'inscription ou suivant la suppression du dossier d'inscription du candidat locataire ou suivant la fin du contrat de location.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, les données à caractère personnel qui sont traitées pour la conclusion du contrat d'accompagnement, visé à l'article 6.13, sont conservées jusqu'à la fin du parcours d'accompagnement.
   Le responsable du traitement, visé au paragraphe 2, 3°, applique aux données à caractère personnel qu'il traite dans le cadre de son contrôle, un délai de conservation de maximum un an suivant la fin définitive des procédures administratives, judiciaires et extrajudiciaires, et jusqu'à dix ans maximum à compter de la fin de ses actes d'enquête.
   § 5. Les parties impliquées dans le traitement des données à caractère personnel sont :
   1° le candidat locataire potentiel ou son représentant ;
   2° le candidat locataire ou son représentant ;
   3° les membres de la famille du candidat locataire ;
   4° le locataire ou son représentant ;
   5° les membres de la famille du locataire ;
   6° l'ancien locataire ou son représentant.
   § 6. Le responsable du traitement, visé au paragraphe 2, 1° et 2°, peut transmettre les données à caractère personnel aux conditions suivantes :
   1° les données à caractère personnel, visées au paragraphe 3, alinéa 1er, aux entités du domaine politique de l'Environnement à des fins statistiques ;
   2° les données à caractère personnel, visées au paragraphe 3, alinéa 1er, 1°, 2°, 3°, 8° et 10°, aux partenaires privés désignés par le Gouvernement flamand conformément à l'article 6.3/2, alinéa 2, pour la recherche de biens immobiliers à l'étranger ;
   3° les données à caractère personnel, visées au paragraphe 3, alinéa 1er, 1°, 2° et 11°, à un autre bailleur pour la conclusion d'une convention d'encadrement visée à l'article 6.13 ;
   4° les données à caractère personnel, visées au paragraphe 3, alinéa 1er, 1° et 2°, aux organisations chargées de l'exécution de la politique flamande d'intégration et d'intégration civique pour la réalisation de l'obligation visée à l'article 6.20, alinéa 1, 5° et 6° ;
   5° les données à caractère personnel, visées au paragraphe 3, alinéa 1er, 1° à 6°, 13° et 15°, l'inscription au registre d'inscription et sa suppression, l'attribution d'un logement social, les refus d'une offre et la durée des inscriptions consécutives auprès d'une société de domicile à l'agence désignée par le Gouvernement flamand afin de vérifier s'il satisfait aux conditions et obligations du livre 5, partie 5, titres 2 et 3, et aux conditions et obligations fixées par le Gouvernement flamand conformément aux mêmes titres ;
   6° les données à caractère personnel, visées au paragraphe 3, alinéa 1er, au contrôleur visé à l'article 4.79, en vue d'exercer le contrôle ;
   7° les données à caractère personnel, visées au paragraphe 3, alinéa 1er, 16°, à un partenaire privé pour le calcul de l'indemnité visée à l'article 6.25, alinéa 1er ;
   8° les données à caractère personnel mentionnées dans le paragraphe 3, alinéa 1er, 1° et 2°, au VDAB en vue d'un service spécifique et de politiques appropriées pour les locataires sociaux au titre de l'obligation visée à l'article 6.20, alinéa 1er, 12°.
   Le Gouvernement flamand peut désigner des entités additionnelles auxquelles des données à caractère personnel peuvent être transférées à des fins spécifiquement définies.
   § 7. Les responsables du traitement, visés au paragraphe 2, 1°, 2° et 4°, précisent les traitements qui sont exécutés dans une déclaration de vie privée. Dans un souci de transparence et de garantie des droits des personnes concernées, ils incluent dans leur communication avec ces dernières une référence à l'emplacement de leur déclaration de confidentialité respective.
   § 8. Le service chargé par le Gouvernement flamand de la politique du logement coordonne les flux de données électroniques et l'échange d'informations électroniques entre les différents acteurs mentionnés dans le présent livre. Toutes les données électroniques peuvent être échangées dans ce cadre par le biais du service chargé par le Gouvernement flamand de la politique du logement et peuvent être recueillies auprès des sources de données par ce service qui, dans ce cas, est le responsable du traitement de ces données pour ce qui est du recueil et du transfert. Le service chargé par le Gouvernement flamand de la politique du logement peut également utiliser les données pour traitement statistique et les mettre à la disposition des autres entités du domaine politique de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire. Le service chargé par le Gouvernement flamand de la politique du logement peut effectuer un traitement ultérieur des données à caractère personnel aux fins visées à l'article 1.5 qui sont compatibles avec les finalités initiales.
   § 9. Les responsables du traitement, visés au paragraphe 2, 1° et 2°, prennent les mesures nécessaires pour garantir l'exactitude des données à caractère personnel visées au paragraphe 3.]1

  
Art. 6.3 /1.[1 Ї 1. Voor de toepassing van dit boek worden persoonsgegevens verwerkt voor de volgende doeleinden:
   1А nagaan of voldaan is aan de voorwaarden en verplichtingen van dit boek en diede Vlaamse Regering vaststelt conform dit boek;
   2А de juridische afwikkeling van de huurovereenkomst verzekeren;
   3А de uitoefening van het toezicht, vermeld in deel 12, mogelijk maken;
   4А het centraal woningregister, vermeld in artikel 6.4, bijhouden, ter ondersteuning van de entiteit die conform artikel 6.4 wordt aangewezen om het centraal woningregister bij te houden, bij de uitvoering van haar opdrachten.
   Ї 2. De verwerkingsverantwoordelijken zijn:
   1А de verhuurder, voor de verwerkingen die hij voor zijn rekening neemt;
   2А voor het centraal inschrijvingsregister, de entiteit die conform artikel 6.5, eerste lid, wordt aangewezen om het centraal inschrijvingsregister bij te houden;
   3А de toezichthouder, vermeld in artikel 4.79, voor de verwerkingen in het kader van zijn toezichtsbevoegdheid;
   4А voor het centraal woningregister, de entiteit die conform artikel 6.4 wordt aangewezen om het centraal woningregister bij te houden.
   Ї 3. Met toepassing van paragraaf 1 kunnen de volgende categorieыn van persoonsgegevens worden verwerkt:
   1А identificatiegegevens, waaronder contactgegevens;
   2А het rijksregisternummer en de identificatienummers van de sociale zekerheid;
   3А persoonlijke kenmerken;
   4А de gezinssamenstelling;
   5А financiыle bijzonderheden;
   6А gegevens over onroerende rechten;
   7А gegevens van cursisten Nederlands als tweede taal (NT2);
   8А woningkenmerken;
   9А het beroep en de betrekking;
   10А gegevens uit sociaal onderzoek in het kader van het onderzoek naar het onroerend bezit in het buitenland, vermeld in artikel 6.3/2;
   11А leefgewoonten in het kader van het sluiten van een begeleidingsovereenkomst of een weigering als vermeld in artikel 6.13;
   12А gerechtelijke gegevens over het beыindigen van de huurovereenkomst wegens het veroorzaken van ernstige overlast of ernstige verwaarlozing van de sociale huurwoning;
   13А gegevens over de lichamelijke of psychische gezondheid;
   14А de opleiding en vorming;
   15А gegevens van de huurovereenkomst die is opgezegd door de verhuurder;
   16А verbruik van water, gas en elektriciteit.
   De Vlaamse Regering kan de categorieыn van persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, nader omschrijven.
   Ї 4. De verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in paragraaf 2, 1А en 2А, past op de verwerkte persoonsgegevens een bewaartermijn van maximaal щщn jaar toe na de definitieve beыindiging van de administratieve, gerechtelijke en buitengerechtelijke procedures en uiterlijk maximaal tien jaar na de beoordeling dat de potentiыle kandidaat-huurder de inschrijvingsvoorwaarden niet heeft vervuld of na de schrapping van het inschrijvingsdossier van de kandidaat-huurder of na het einde van de huurovereenkomst.
   In afwijking van het eerste lid worden de persoonsgegevens die verwerkt worden voor het sluiten van de begeleidingsovereenkomst, vermeld in artikel 6.13, bewaard tot het begeleidingstraject is beыindigd.
   De verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in paragraaf 2, 3А, past op de persoonsgegevens die hij verwerkt in het kader van zijn toezicht, een bewaartermijn van maximaal щщn jaar toe na de definitieve beыindiging van de administratieve, gerechtelijke en buitengerechtelijke procedures en uiterlijk maximaal tien jaar te rekenen vanaf de beыindiging van zijn onderzoeksdaden.
   Ї 5. De betrokkenen bij de verwerking van persoonsgegevens zijn:
   1А de potentiыle kandidaat-huurder of zijn vertegenwoordiger;
   2А de kandidaat-huurder of zijn vertegenwoordiger;
   3А de gezinsleden van de kandidaat-huurder;
   4А de huurder of zijn vertegenwoordiger;
   5А de gezinsleden van de huurder;
   6А de ex-huurder of zijn vertegenwoordiger.
   Ї 6. De verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in paragraaf 2, 1А en 2А, kan persoonsgegevens doorgeven onder de volgende voorwaarden:
   1А de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, aan de entiteiten vanhet beleidsdomein Omgeving voor statistische verwerking;
   2А de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, 1А, 2А, 3А, 8А en 10А, aan de private partners die de Vlaamse Regering conform artikel 6.3/2, tweede lid, aanwijst voor het onderzoek naar het onroerend bezit in het buitenland;
   3А de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, 1А, 2А en 11А, aan een andere verhuurder voor het sluiten van een begeleidingsovereenkomst als vermeld in artikel 6.13;
   4А de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, 1А en 2А, aan de organisaties die belast zijn met de uitvoering van het Vlaamse integratie- en inburgeringsbeleid voor de realisatie van de verplichting, vermeld in artikel 6.20, eerste lid, 5А en 6А ;
   5А de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, 1А tot en met 6А, 13А en 15А, de inschrijving en schrapping in het inschrijvingsregister, de toewijzing van een sociale woning, de weigeringen van een aanbod en de duurtijd van de aaneengesloten inschrijvingen bij een domiciliemaatschappij aan het agentschap dat de Vlaamse Regering aanwijst om na te gaan of voldaan is aan de voorwaarden en verplichtingen van boek 5, deel 5, titel 2 en 3, en de voorwaarden en verplichtingen die de Vlaamse Regering vaststelt conform dezelfde titels;
   6А de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, aan de toezichthouder, vermeld in artikel 4.79, met het oog op het uitoefenen van het toezicht;
   7А de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, 16А, aan een private partner voor de berekening van de vergoeding, vermeld in artikel 6.25, eerste lid;
   8А de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, 1А en 2А, aan VDAB met het oog op een specifieke dienstverlening en aangepaste beleidsmaatregelen voor sociale huurders in het kader van de verplichting, vermeld in artikel 6.20, eerste lid, 12А.
   De Vlaamse Regering kan aanvullende entiteiten aanwijzen waaraan persoonsgegevens voor specifiek omschreven doeleinden kunnen worden doorgegeven.
   Ї 7. De verwerkingsverantwoordelijken, vermeld in paragraaf 2, 1А, 2А en 4А, verduidelijken in een privacyverklaring welke verwerkingen er worden uitgevoerd. Ze nemen met het oog op transparantie en de garantie van de rechten van de betrokkenen in hun communicatie met de betrokkenen een verwijzing op naar de vindplaats van hun respectieve privacyverklaring.
   Ї 8. De dienst die door de Vlaamse Regering belast is met het woonbeleid, coіrdineert de elektronische gegevensstromen en elektronische informatie-uitwisseling tussen de diverse actoren, vermeld in dit boek. Alle elektronische gegevens mogen in dat kader via de dienst die door de Vlaamse Regering belast is met het woonbeleid, uitgewisseld worden en kunnen door die dienst, die in dat geval verwerkingsverantwoordelijke is voor de opvraging en doorgifte van die gegevens, opgevraagd worden bij de gegevensbronnen. De dienst die door de Vlaamse Regering belast is met het woonbeleid, mag de gegevens ook gebruiken voor statistische verwerking en mag ze ter beschikking stellen van de andere entiteiten van het beleidsdomein Omgeving voor statistische verwerking. De dienst die door de Vlaamse Regering belast is met het woonbeleid, kan de persoonsgegevens verder verwerken voor de doeleinden, vermeld in artikel 1.5, die verenigbaar zijn met de oorspronkelijke doeleinden.
   Ї 9. De verwerkingsverantwoordelijken, vermeld in paragraaf 2, 1А en 2А, nemen de nodige maatregelen om de juistheid van de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 3, te garanderen.]1

  
Art. 6.3 /2.. [1 Le bailleur qui vérifie s'il est satisfait aux conditions relatives à la possession de biens immobiliers, visées à l'article 6.8, alinéa 1, 2°, articles 6.11 et 6.21, alinéa 1, peut faire appel à des partenaires publics ou privés pour la possession de biens immobiliers à l'étranger. Le Gouvernement flamand peut désigner l'entité qui conclut un contrat-cadre relatif à la désignation des partenaires privés.
   Dans les limites des crédits inscrits à cet effet au budget de la Région flamande, le Gouvernement flamand peut, dans les conditions qu'il fixe, verser une indemnisation au bailleur qui fait appel aux partenaires privés désignés dans le contrat-cadre, visé au premier alinéa.]1

  
Art. 6.3/2.. [1 De verhuurder die nagaat of voldaan is aan de voorwaarden inzake onroerend bezit, vermeld in artikel 6.8, eerste lid, 2°, artikel 6.11 en 6.21, eerste lid, kan voor het onroerend bezit in het buitenland, een beroep doen op private of publieke partners. De Vlaamse Regering kan de entiteit aanduiden die een raamovereenkomst sluit waarin de private partners worden aangeduid.
Partie 2. Registre des logements
Deel 2. Woningregister
Art. 6.4. [1 Le Gouvernement flamand instaure un registre central des habitations relatif aux logements locatifs sociaux.
Art. 6.4.[1 De Vlaamse Regering voert een centraal woningregister in met betrekking tot de sociale huurwoningen.
Partie 3. Registre d'inscription et conditions d'inscription
Deel 3. Inschrijvingsregister en inschrijvingsvoorwaarden
Titre 1. Registre d'inscription
Titel 1. Inschrijvingsregister
Art. 6.5. [1 Le Gouvernement flamand instaure un registre d'inscription central pour les candidats locataires et désigne l'entité chargée de la tenue du registre d'inscription central.
Art. 6.5. [1 De Vlaamse Regering voert een centraal inschrijvingsregister in voor kandidaat-huurders en duidt de entiteit aan die het centraal inschrijvingsregister bijhoudt.
   De verhuurder wijst een woning toe aan een kandidaat-huurder op basis van de gegevens uit het centraal inschrijvingsregister. De verhuurder kan de gegevens uit het centraal inschrijvingsregister gebruiken voor de eigen werking.
   Voor de werking van het centraal inschrijvingsregister legt de Vlaamse Regering de volgende regels vast:
   1° regels over de vorm en de inhoud van het centraal inschrijvingsregister;
   2° regels over de verantwoordelijkheid om gegevens aan te vullen, aan te passen, te verwijderen, bij te houden en te verwerken in het centraal inschrijvingsregister;
   3° regels over het formaat en de techniek van data-uitwisseling met het centraal inschrijvingsregister;
   4° regels over de toegang tot het centraal inschrijvingsregister en de identificatie daarvoor;
   5° regels over de actualisering van het centraal inschrijvingsregister;
   6° regels over de wijze waarop het toezicht op de werking van het centraal inschrijvingsregister wordt georganiseerd.]1

  
Art. 6.6. [1 ...]1
  
Art. 6.6. [1 ...]1
  
Art. 6.7. [1 ...]1
  
Art. 6.7.[1 ...]1
Titre 2. Conditions d'inscription
Titel 2. Inschrijvingsvoorwaarden
Art. 6.8.[1 § 1. Le candidat locataire répond aux conditions suivantes :
Art. 6.8. [1 § 1. De kandidaat-huurder voldoet aan de volgende voorwaarden:
   1° minstens 18 jaar zijn;
   2° voldoen aan de voorwaarden over het onroerend bezit en het inkomen die de Vlaamse Regering vaststelt;
  [2 2° /1 niet beschikken over saldi op betaal-, spaar-, termijn- en effectenrekeningen die de door de Vlaamse Regering bepaalde grens overschrijden;]2
   3° ingeschreven zijn in de bevolkingsregisters, vermeld in artikel 1, § 1, eerste lid, 1°, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten, of ingeschreven zijn op een referentieadres als vermeld in artikel 1, § 2, van de voormelde wet;
   4° geen huurovereenkomst hebben gehad met een verhuurder van een sociale huurwoning die tijdens de drie jaar die voorafgaan aan de datum waarop de kandidaat-huurder zich wil inschrijven, beëindigd is door rechterlijke tussenkomst wegens het veroorzaken van ernstige overlast of ernstige verwaarlozing van de sociale huurwoning. De beëindiging van de huurovereenkomst hoeft niet uitsluitend te wijten te zijn aan die wanprestatie.
   Echtgenoten, wettelijke samenwoners of feitelijke partners die samen de sociale huurwoning willen gaan bewonen, zijn verplicht zich samen in te schrijven als kandidaat-huurder. Als meer personen, andere dan echtgenoten, wettelijke samenwoners of feitelijke partners, samen de sociale huurwoning willen gaan bewonen, kan maar één persoon zich inschrijven als kandidaat-huurder.
   De Vlaamse Regering kan uitzonderingen bepalen op de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 1°.
   De verhuurder kan om billijkheidsredenen beslissen om de inschrijvingsvoorwaarde, vermeld in het eerste lid, 4°, buiten toepassing te stellen. In dat geval kan de verhuurder de inschrijving afhankelijk maken van een begeleidingsovereenkomst tussen de kandidaat-huurder en een welzijnsof gezondheidsvoorziening.
   § 2. Als de sociale huurwoning een sociale assistentiewoning is als bepaald door de Vlaamse Regering, is de kandidaat-huurder minstens 65 jaar. Als de kandidaat-huurder twee personen zijn, volstaat het dat een van die personen minstens 65 jaar is.
   Als de sociale huurwoning een woning als vermeld in artikel 5.40 is, sluit de kandidaat-huurder een zorgen dienstverleningsovereenkomst met de zorgaanbieder van de nabijgelegen voorziening onder de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt. Als de kandidaat-huurder twee personen zijn, volstaat het dat een van die personen de bovenvermelde zorgen dienstverleningsovereenkomst sluit.
   § 3. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, hoeft de kandidaat-huurder niet te voldoen aan de inschrijvingsvoorwaarden als hij op het moment van de kandidaatstelling al huurder is van een andere sociale huurwoning.]1

  
Art. 6.9. [1 ...]1
  Le bailleur informe expressément le candidat locataire de l'obligation du locataire visée à l'article 6.20, premier alinéa, 5° et 6°.
  
Art. 6.9. [1 ...]1
  De verhuurder brengt de kandidaat-huurder uitdrukkelijk op de hoogte van de huurdersverplichting, vermeld in artikel 6.20, eerste lid, 5° en 6°.
  
Art. 6.10. [1 Sans préjudice de l'application de l'article 6.12, alinéa 2, le candidat locataire indique dans son inscription la localisation, le type, le loyer maximal et les charges locatives fixes des logements locatifs sociaux pour lesquels il souhaite entrer en ligne de compte.]1
  
Art. 6.10.[1 Met behoud van de toepassing van artikel 6.12, tweede lid, duidt de kandidaat-huurder bij zijn inschrijving de ligging, het type, de maximale huurprijs en vaste huurlasten aan van de sociale huurwoningen waarvoor hij in aanmerking wil komen.]1
Partie 4. Conditions d'admission et attribution
Deel 4. Toelatingsvoorwaarden en toewijzing
Titre 1. Conditions d'admission
Titel 1. Toelatingsvoorwaarden
Art. 6.11.Le candidat locataire ne peut être admis à un logement locatif social que s'il remplit les conditions visées à l'article 6.8 [1 , § 1, [2 alinéa 1er, 1°, 2°, 2° /1 et 3°]2]1.
Art. 6.11.De kandidaat-huurder kan alleen worden toegelaten tot een sociale huurwoning als hij voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6.8 [1 , § 1, eerste lid, 1°, [2 , 2° /1,]2 2° en 3°]1.
Titre 2. Attribution
Titel 2. Toewijzing
Chapitre 1. Dispositions générales
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Art. 6.12.[1 Les logements locatifs sociaux sont attribués par l'organe de décision du bailleur ou par la ou les personnes qu'il désigne à cet effet, en tenant compte des éléments suivants :
Art. 6.12. [1 De sociale huurwoningen worden toegewezen door het beslissingsorgaan van de verhuurder of door de persoon of de personen die de verhuurder daartoe aanstelt, rekening houdend met:
   1° de keuze van de kandidaat-huurder van een sociale huurwoning qua type, ligging, maximale huurprijs en vaste huurlasten van de woning;
   2° de rationele bezetting;
   3° de toewijzingsregels die de Vlaamse Regering vaststelt, waarbij ze rekening houdt met de bijzondere doelstellingen van het woonbeleid, vermeld in artikel 1.6, § 2;
   4° in voorkomend geval het toewijzingsreglement, vermeld in artikel 6.14, dat een lokale invulling geeft aan de toewijzingsregels die de Vlaamse Regering vaststelt.
   De voorkeur van de kandidaat-huurder, vermeld in het eerste lid, 1°, mag niet leiden tot een te beperkte keuze, tenzij de kandidaat-huurder daarvoor gegronde redenen aanvoert.
   Als een sociale huurwoning die ingehuurd wordt door de verhuurder, wordt toegewezen, kan de verhuurder de toewijzing weigeren als die vaststelt dat het inkomen van de kandidaat-huurder niet in verhouding staat tot de huurprijs. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de wijze waarop de verhuurder die weigering kan toepassen.
   De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de uitvoering van het eerste lid en besteedt bij de vaststelling van de toewijzingsregels extra aandacht aan de kandidaat-huurder die behoort tot de meest behoeftige gezinnen of alleenstaanden, en aan bewoners van een sociale huurwoning die willen of moeten verhuizen naar een aangepaste woning.
   Er wordt een toewijzingsraad per werkingsgebied van de woonmaatschappij opgericht. Onder de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt, kan het werkingsgebied opgedeeld worden in deelgebieden waarin telkens een eigen toewijzingsraad werkzaam is. De toewijzingsraad is samengesteld uit vertegenwoordigers van de verhuurders, de lokale besturen en de relevante huisvestingsen welzijnsactoren uit het werkingsgebied van de woonmaatschappij. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de opdrachten, de samenstelling, de werking en de besluitvormingsprocedure van de toewijzingsraad. Het mandaat van de leden van de toewijzingsraad is onbezoldigd.
   De entiteit, vermeld in artikel 6.5, eerste lid, zorgt ervoor dat de verhuurder actuele toewijzingslijsten kan genereren uit het centraal inschrijvingsregister, vermeld in artikel 6.5. De Vlaamse Regering legt de regels vast over het genereren van die lijsten.]1

  
Art. 6.13. [1 § 1.]1 Dans les cas déterminés par le Gouvernement flamand, le bailleur [1 ou un conseil d'attribution]1 peut subordonner l'attribution à une convention d'encadrement entre le locataire et une structure de bien-être ou de santé, s'il le juge nécessaire après concertation avec ladite structure, et sur la base des données personnelles fournies par ladite structure. Les données personnelles concernent les caractéristiques comportementales du candidat locataire qui suggèrent qu'un soutien ou un encadrement sont nécessaires pour permettre au locataire d'occuper le logement avec succès. L'objectif de la convention d'encadrement est de guider le locataire vers le logement autonome. L'encadrement concerne au moins les aspects liés au maintien du logement, tels que le soutien et éventuellement l'apprentissage et la formation des aptitudes de logement. Notamment la nature, les moments, la durée et l'intensité de l'encadrement sont adaptés aux besoins et aux possibilités du locataire en fonction.
  Si un candidat locataire est, ou a été jusqu'à il y a moins d'un an, locataire d'un autre bailleur d'un logement locatif social et que, selon cet autre bailleur, il a besoin d'un encadrement tel que visé au premier alinéa, le bailleur peut subordonner l'attribution à une convention d'encadrement telle que visée au premier alinéa, si les conditions suivantes sont remplies :
  1° l'autre bailleur démontre les données personnelles visées au premier alinéa au moyen de pièces justificatives ;
  2° le bailleur donne au candidat locataire la possibilité d'être entendu oralement ou par écrit ;
  3° la structure de bien-être ou de santé est d'avis qu'un encadrement et un soutien sont nécessaires.
  [1 ...]1
  La structure de bien-être ou de santé avec laquelle la convention d'encadrement a été conclue, informe le bailleur lorsque ladite convention avec le locataire est cessée.
  [1 § 2. Un bailleur peut refuser une attribution sur la base de motifs graves et s'il estime que l'accompagnement et le soutien visés au paragraphe 1 ne sont pas suffisants. Le Gouvernement flamand en précise les règles.]1
  
Art. 6.13. [1 § 1.]1 Een verhuurder [1 of een toewijzingsraad]1 kan een toewijzing afhankelijk maken van een begeleidingsovereenkomst tussen de huurder en een welzijns- of gezondheidsvoorziening in de door de Vlaamse Regering bepaalde gevallen als hij in overleg met de welzijns- of gezondheidsvoorziening op basis van persoonsgegevens, verstrekt door de welzijns- of gezondheidsvoorziening, dat noodzakelijk acht. De persoonsgegevens hebben betrekking op gedragskenmerken van de kandidaat-huurder die doen vermoeden dat ondersteuning of begeleiding noodzakelijk is om het wonen succesvol te laten verlopen. De begeleidingsovereenkomst heeft als doel de huurder te begeleiden naar het zelfstandig kunnen wonen. De begeleiding richt zich minimaal tot aspecten die met het behoud van de woning te maken hebben, zoals het ondersteunen en eventueel trainen en aanleren van woonvaardigheden. De begeleiding is onder meer naar aard, tijdstip, duur en intensiteit aangepast aan de noden en mogelijkheden van de huurder.
Chapitre 2.[1 Règlement d'attribution]1
Hoofdstuk 2.[1 Toewijzingsreglement]1
Art. 6.14.[1 § 1. Le conseil d'attribution visé à l'article 6.12, alinéa 5, établit, selon les conditions fixées par le Gouvernement flamand, une ébauche de règlement d'attribution visé à l'article 6.12, alinéa 1, 4°. La commune qui fait partie du conseil d'attribution peut amender l'ébauche en ce qui concerne les règles d'attribution des logements locatifs sociaux sur son territoire.
Art. 6.14.[1 § 1. De toewijzingsraad, vermeld in artikel 6.12, vijfde lid, stelt onder de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt, een ontwerp van het toewijzingsreglement, vermeld in artikel 6.12, eerste lid, 4°, op. De gemeente die deel uitmaakt van de toewijzingsraad kan het ontwerp amenderen wat betreft de toewijzingsregels voor de sociale huurwoningen op haar grondgebied.
Partie 5. Recours
Deel 5. Verhaal
Art. 6.15.[1 Le Gouvernement flamand prévoit une procédure de recours pour le candidat locataire potentiel et le candidat locataire qui s'estiment lésés par une décision du bailleur. Cette procédure fixe le délai et la forme pour l'introduction d'une réclamation par les personnes mentionnées, ainsi que la possibilité d'être entendu et le traitement de la réclamation.]1
Art. 6.15. [1 De Vlaamse Regering stelt een verhaalprocedure vast voor de potentiële kandidaat-huurder en de kandidaat-huurder die menen dat ze benadeeld zijn door een beslissing van de verhuurder. Die procedure bepaalt de termijn en de vorm waarin de vermelde personen het verhaal moeten indienen, alsook de mogelijkheid om gehoord te worden en de behandeling van het verhaal.]1
Partie 6. Contrat de location
Deel 6. Huurovereenkomst
Titre 1. Exigence d'un écrit
Titel 1. Vereiste van een geschrift
Art. 6.16. Un logement locatif social est loué en vertu d'un contrat de location écrit comportant au minimum les informations suivantes :
Art. 6.16. Een sociale huurwoning wordt verhuurd op grond van een schriftelijke huurovereenkomst die minstens de hierna vermelde gegevens bevat:
  1° de datum waarop de huurovereenkomst ingaat;
  2° de identiteit van de huurder [1 , van de personen die op duurzame wijze de sociale huurwoning mee gaan bewonen]1 en van de verhuurder;
  3° het adres van de sociale huurwoning en de aanwijzing van alle ruimtes en gedeelten van het gebouw die het voorwerp van de verhuur zijn;
  4° de duur van de huurovereenkomst;
  5° de basishuurprijs en in voorkomend geval de huurprijs die overeenkomstig artikel 6.23 berekend wordt bij de aanvang van de huurovereenkomst, en de manier waarop de huurprijs betaald wordt;
  6° het bedrag van de kosten [2 , lasten]2 en vergoedingen die betrekking hebben op diensten of leveringen aan de huurder bij de aanvang van de huurovereenkomst;
  7° het bedrag van de waarborg;
  8° in voorkomend geval de vermelding van het reglement van inwendige orde;
  9° een verwijzing naar de toelichting, vermeld in artikel 6.17, eerste lid.
  De Vlaamse Regering stelt een typehuurovereenkomst vast. Van de typehuurovereenkomst kan enkel worden afgeweken in de gevallen die de Vlaamse Regering bepaalt.
  
Art. 6.17. Une note explicative est rédigée sur mesure du locataire sur les dispositions réglementaires applicables à la relation entre le locataire et le bailleur Le bailleur remet la note explicative au locataire lors de la signature du contrat de location. Cette note explicative reprend au moins des informations sur les éléments suivants :
  1° les obligations du bailleur et du locataire ;
  2° l'état des lieux ;
  3° la durée du contrat de location ;
  4° le calcul et la révision du loyer ;
  5° les frais [2 , charges]2 et indemnités relatifs aux services ou fournitures au locataire ;
  6° les possibilités de réduction du précompte immobilier pour les locataires ;
  7° la [1 libération de la]1 garantie ;
  8° l'assurance incendie ;
  9° le règlement en matière de réparations locatives ;
  10° la cessation du contrat de location ;
  11° les possibilités pour le locataire de protéger ses droits vis-à-vis du bailleur.
  La note explicative visée à l'alinéa premier est adaptée à toute modification de la réglementation. Le bailleur veille à ce que le locataire puisse prendre connaissance de manière accessible de la note explicative modifiée.
  
Art. 6.17. Er wordt een toelichting op maat van de huurder gemaakt over de regelgevende bepalingen die van toepassing zijn op de verhouding tussen de huurder en de verhuurder. De verhuurder bezorgt de toelichting aan de huurder bij de ondertekening van de huurovereenkomst. De toelichting bevat minstens informatie over de volgende elementen:
Titre 2. État des lieux
Titel 2. Plaatsbeschrijving
Art. 6.18. [1 ...]1
Art. 6.18. [1 ...]1
Partie 7. Obligations du bailleur
Deel 7. Verplichtingen van de verhuurder
Art. 6.19.Outre les obligations du bailleur prévues par le Décret flamand sur la location d'habitations, le bailleur d'un logement locatif social respecte les obligations suivantes :
Art. 6.19.Naast de verplichtingen van de verhuurder, vermeld in het Vlaams Woninghuurdecreet, leeft de verhuurder van een sociale huurwoning de volgende verplichtingen na:
Partie 8. Obligations du locataire
Deel 8. Verplichtingen van de huurder
Art. 6.20. Outre les obligations du locataire prévues par le Décret flamand sur la location d'habitations, le locataire respecte les obligations suivantes :
Art. 6.20. Naast de verplichtingen van de huurder, vermeld in het Vlaams Woninghuurdecreet, leeft de huurder de volgende verplichtingen na:
  1° in de sociale huurwoning zijn hoofdverblijfplaats hebben en er gedomicilieerd zijn;
  2° alleen toestaan dat een persoon in de sociale huurwoning zijn hoofdverblijfplaats vestigt als dat niet leidt tot een onaangepaste woning of een woning die niet voldoet aan de normen, vermeld in artikel 3.1, § 1, vierde lid, en die bijwoonst melden aan de verhuurder;
  3° alleen toestaan dat de persoon, vermeld in artikel 6.11, derde of vierde lid, in de sociale huurwoning bijwoont als dat in overeenstemming is met de voorwaarden, vermeld in artikel 6.11, derde of vierde lid;
  4° de elementen die nodig zijn voor de huurprijsberekening meedelen als de verhuurder hierom verzoekt;
  5° voor zover de huurder een sociale woning betrekt, die niet gelegen is in een rand- of taalgrensgemeente als vermeld in de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, over een taalvaardigheid van het Nederlands beschikken die overeenstemt met niveau [1 A2]1 van het Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen. De Vlaamse Regering bepaalt vanaf wanneer de huurder aan de verplichting moet voldoen en de wijze waarop de taalvaardigheid wordt vastgesteld;
  6° voor zover de huurder een sociale woning betrekt, gelegen in een rand- of taalgrensgemeente als vermeld in de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, zonder afbreuk te doen aan de taalfaciliteiten, over een taalvaardigheid van het Nederlands beschikken die overeenstemt met niveau [1 A2]1 van het Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen. De Vlaamse Regering bepaalt vanaf wanneer de huurder aan de verplichting moet voldoen en de wijze waarop de taalvaardigheid wordt vastgesteld;
  7° de sociale huurwoning op zodanige wijze bewonen dat de leefbaarheid niet in het gedrang komt en dat geen overmatige hinder wordt veroorzaakt voor de buren en de naaste omgeving;
  8° voor zover de huurder een begeleidingsovereenkomst met een welzijns- of gezondheidsvoorziening heeft ondertekend, de afspraken naleven die opgenomen zijn in die overeenkomst;
  9° instemmen met een verhuizing naar een andere sociale huurwoning in de volgende gevallen:
  a) als de verhuurder dat wegens renovatie-, aanpassings- of sloopwerkzaamheden aan de bewoonde sociale huurwoning noodzakelijk acht of als de sociale huurwoning wordt verkocht;
  b) als de huurder een onaangepaste woning of een woning die niet voldoet aan de normen, vermeld in artikel 3.1, § 1, vierde lid, bewoont;
  c) als de sociale huurwoning die aangepast is aan de fysieke mogelijkheden van personen met een handicap, niet langer wordt bewoond door een persoon die daar nood aan heeft, tenzij de verhuurder een gemotiveerde afwijking toestaat;
  d) als de sociale huurwoning een sociale assistentiewoning is als bepaald door de Vlaamse Regering, en niet langer wordt bewoond door een persoon die minstens 65 jaar oud is, tenzij de verhuurder een gemotiveerde afwijking toestaat;
  10° voor zover de huurder een huurder is van een sociale assistentiewoning, instemmen met een verhuizing naar een meer passende zorgvoorziening als naar het oordeel van de behandelende arts, na overleg met de huurder, de familie van de huurder en andere betrokken zorgverleners, de lichamelijke of geestelijke gezondheidstoestand van de huurder van die aard is dat een opname in een meer passende zorgvoorziening noodzakelijk is, op voorwaarde dat de beheersinstantie als bepaald door de Vlaamse Regering, in overleg met de huurder en zijn familie of mantelzorgers, dat passend verblijf voorziet;
  11° voor zover de huurder een huurder is van een sociale assistentiewoning, of een woning als vermeld in artikel 5.40, de afspraken naleven die opgenomen zijn in de zorg- en dienstverleningsovereenkomst, bepaald door de Vlaamse Regering;
  [1 12° voor zover de huurder een niet-beroepsactieve burger is met arbeidspotentieel, zich inschrijven bij de VDAB.]1
  Als de huurder aantoont dat hij blijvend niet kan voldoen aan de verplichting, vermeld in het eerste lid, [1 5° en 6°]1, omdat hij ernstig ziek is of een mentale of fysieke handicap heeft of over beperkte cognitieve vaardigheden beschikt, wordt hij vrijgesteld van die verplichting. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de huurder dat kan aantonen. De Vlaamse Regering bepaalt een uitstelregeling voor de huurder die om beroepsmatige, medische of persoonlijke redenen tijdelijk niet kan voldoen aan de verplichting.
  [1 De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaronder de verhuizing, vermeld in het eerste lid, 9° en 10°, gebeurt.
   De Vlaamse Regering bepaalt wie wordt verstaan onder een niet-beroepsactieve burger met arbeidspotentieel als vermeld in het eerste lid, 12°, en op welke manier de verhuurder de huurdersverplichting, vermeld in het eerste lid, 12°, controleert.]1

  
Art. 6.21. Le locataire d'un logement locatif social doit respecter pendant toute la durée du contrat de location les conditions en matière de propriété immeuble énoncées dans la partie 4 du présent livre. Toutefois, le Gouvernement flamand peut accorder des exceptions générales pour des situations particulières et temporaires.
  Le Gouvernement flamand fixe les autres conditions auxquelles le locataire d'un logement locatif social doit répondre à tout moment.
Art. 6.21. De huurder van een sociale huurwoning moet tijdens de hele duur van de huurovereenkomst voldoen aan de voorwaarden inzake onroerend bezit, bedoeld in deel 4 van dit boek. De Vlaamse Regering kan daarop evenwel algemene uitzonderingen toestaan voor bijzondere en tijdelijke situaties.
  De Vlaamse Regering bepaalt de overige voorwaarden waaraan de huurder van een sociale huurwoning blijvend moet voldoen.
Art. 6.22. Le locataire ne peut pas transférer le bail ni sous-louer tout ou partie de son logement.
Art. 6.22.De huurder mag de huur niet overdragen, noch zijn woning geheel of gedeeltelijk onderverhuren.
Partie 9. Aspects financiers du contrat de location
Deel 9. Financiële aspecten van de huurovereenkomst
Titre 1. Loyer
Titel 1. Huurprijs
Art. 6.23. Le Gouvernement flamand arrêté le mode de calcul et d'adaptation du loyer à payer, compte tenu du revenu et de la composition familiaux et de la qualité du logement locatif social [1 ...]1.
Art. 6.23. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van berekening en aanpassing van de te betalen huurprijs, rekening houdend met het gezinsinkomen, gezinssamenstelling en de kwaliteit van de sociale huurwoning [1 ...]1.
Titre 2.[1 Frais, charges et indemnités]1
Titel 2.[1 Kosten, lasten en vergoedingen]1
Art. 6.24.Le Gouvernement flamand détermine les frais et [1 charges]1 qui peuvent être mis à la charge du bailleur et du locataire ainsi que les règles applicables à leur perception et contrôle.
Art. 6.24. De Vlaamse Regering bepaalt welke kosten en [1 lasten]1 ten laste van de verhuurder en de huurder kunnen worden gelegd en welke regels gelden voor de inning en de controle erop.
  
Art. 6.25. [1 Le bailleur récupère au moyen d'une indemnité périodique une part équitable de l'avantage financier dont bénéficie le locataire grâce à l'utilisation de sources d'énergie renouvelables visées à l'article 1.1.3, 65°, du Décret sur l'Energie. Cette indemnité ne peut être perçue qu'après la mise en service de l'installation.
   L'indemnité périodique visée à l'alinéa 1er n'excède jamais l'avantage financier dont a bénéficié le locataire pendant la période concernée et est calculée sur la base de la consommation réelle des sources d'énergie renouvelables par ce locataire.
   L'indemnité périodique visée à l'alinéa 1er, est limitée à la somme de l'amortissement linéaire annuel de l'investissement sur la durée de vie prévue de l'installation, et des frais annuels de financement, de gestion, d'entretien et de réparation, y compris les provisions pour grosses réparations et gros entretiens, et diminuée d'autres produits découlant de l'investissement au prorata de la période facturée. Les pertes survenues au cours des périodes précédentes suite à l'application de la limitation visée aux alinéas 2 et 7 sont compensées par celle-ci.
   Si le locataire paie une indemnité périodique dépassant le montant maximal visé aux alinéas 2 et 3, le bailleur rembourse le trop-perçu.
   Le bailleur veille à l'installation d'un compteur de production conforme aux normes mentionnées dans le règlement technique de la distribution d'électricité, visé à l'article 1.1.3, 117°, du Décret sur l'Energie, pour faire le suivi du rendement de production de l'installation.
   Le Gouvernement flamand détermine le mode de calcul de l'indemnité périodique, la manière dont le bailleur peut demander les données de consommation du locataire et les cas où l'indemnité est diminuée ou n'est pas facturée.
   Par dérogation à l'alinéa 2, le Gouvernement flamand détermine les cas et les conditions où l'indemnité peut être calculée de manière forfaitaire sur la base d'une installation adaptée à une consommation normale. Le Gouvernement flamand détermine le mode de calcul de cette indemnité forfaitaire.
   Le présent article ne s'applique pas aux agences immobilières sociales.]1

  
Art. 6.25. [1 De verhuurder recupereert via een periodieke vergoeding een billijk deel van het financiële voordeel dat de huurder geniet door het gebruik van hernieuwbare energiebronnen als vermeld in artikel 1.1.3, 65°, van het Energiedecreet. Die vergoeding kan pas worden aangerekend nadat de installatie in gebruik is genomen.
   De periodieke vergoeding, vermeld in het eerste lid, bedraagt nooit meer dan het financiële voordeel dat de huurder in de desbetreffende periode heeft genoten en wordt berekend op basis van het werkelijke verbruik van de hernieuwbare energiebronnen door die huurder.
   De periodieke vergoeding, vermeld in het eerste lid, is maximaal de som van de jaarlijkse lineaire afschrijving van de investering over de verwachte levensduur van de installatie, en de jaarlijkse financierings-, beheers-, onderhouds- en herstellingskosten, met inbegrip van de aangelegde en aangewende voorzieningen voor grote onderhouds- en herstellingswerken, en verminderd met andere opbrengsten uit de investering naar verhouding van de periode die wordt aangerekend. Verliezen die in vorige periodes zijn ontstaan als gevolg van de toepassing van de beperking, vermeld in het tweede en zevende lid, worden daarbij verrekend.
   Als de huurder een periodieke vergoeding betaalt die hoger is dan het maximale bedrag, vermeld in het tweede en derde lid, wordt het te veel geïnde bedrag door de verhuurder teruggestort.
   De verhuurder zorgt voor de plaatsing van een productiemeter die voldoet aan de normen, vermeld in het technisch reglement voor de distributie van elektriciteit, vermeld in artikel 1.1.3, 117°, van het Energiedecreet, om de productieopbrengst van de installatie te volgen.
   De Vlaamse Regering bepaalt de berekeningswijze van de periodieke vergoeding, de wijze waarop de verhuurder de verbruiksgegevens van de huurder kan opvragen en de gevallen waarin de vergoeding verminderd of niet aangerekend wordt.
   In afwijking van het tweede lid bepaalt de Vlaamse Regering de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder de vergoeding forfaitair kan worden berekend op basis van een installatie die afgestemd is op een normaal verbruik. De Vlaamse Regering bepaalt de berekeningswijze van die forfaitaire vergoeding.
   Dit artikel is niet van toepassing op sociale verhuurkantoren.]1

  
Art. 6.25 DROIT FUTUR.    [1 Le bailleur récupère au moyen d'une indemnité périodique une part équitable de l'avantage financier dont bénéficie le locataire grâce à l'utilisation de sources d'énergie renouvelables visées à l'article 1.1.3, 65°, du Décret sur l'Energie. Cette indemnité ne peut être perçue qu'après la mise en service de l'installation.
   L'indemnité périodique visée à l'alinéa 1er n'excède jamais l'avantage financier dont a bénéficié le locataire pendant la période concernée et est calculée sur la base de la consommation réelle des sources d'énergie renouvelables par ce locataire.
   L'indemnité périodique visée à l'alinéa 1er, est limitée à la somme de l'amortissement linéaire annuel de l'investissement sur la durée de vie prévue de l'installation, et des frais annuels de financement, de gestion, d'entretien et de réparation, y compris les provisions pour grosses réparations et gros entretiens, et diminuée d'autres produits découlant de l'investissement au prorata de la période facturée. Les pertes survenues au cours des périodes précédentes suite à l'application de la limitation visée aux alinéas 2 et 7 sont compensées par celle-ci.
   Si le locataire paie une indemnité périodique dépassant le montant maximal visé aux alinéas 2 et 3, le bailleur rembourse le trop-perçu.
   Le bailleur veille à l'installation d'un compteur de production conforme aux normes mentionnées dans le règlement technique de la distribution d'électricité, visé à l'article 1.1.3, 117°, du Décret sur l'Energie, pour faire le suivi du rendement de production de l'installation.
   Le Gouvernement flamand détermine le mode de calcul de l'indemnité périodique, la manière dont le bailleur peut demander les données de consommation du locataire et les cas où l'indemnité est diminuée ou n'est pas facturée.
   Par dérogation à l'alinéa 2, le Gouvernement flamand détermine les cas et les conditions où l'indemnité peut être calculée de manière forfaitaire sur la base d'une installation adaptée à une consommation normale. Le Gouvernement flamand détermine le mode de calcul de cette indemnité forfaitaire.
   Le présent article ne s'applique pas aux [2 logements locatifs sociaux loués]2.]1
Art. 6.25 TOEKOMSTIG RECHT.
Titre 3. Garantie locative
Titel 3. Huurwaarborg
Art. 6.26. Lors de l'attribution du logement locatif social, le locataire fournit une garantie en vue du respect de ses engagements. Le Gouvernement flamand arrête les modalités à cet effet.
Art. 6.26.De huurder stelt bij de toewijzing van de sociale huurwoning een waarborg ter nakoming van zijn verbintenissen. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden dienaangaande.
Partie 10. [1 Durée et fin du droit à l'habitation et du contrat de location]1
Deel 10. [1 Duur en einde van het woonrecht en de huurovereenkomst]1
Titre 1. [1 Le droit à l'habitation et le contrat de location]1
Titel 1. [1 Het woonrecht en de huurovereenkomst]1
Chapitre 1.
Hoofdstuk 1.
Art. 6.27. [1 § 1. Sans préjudice de l'application de l'article 6.28, le locataire dispose d'un droit à l'habitation pendant une période de neuf ans suivant son attribution d'un logement.
Art. 6.27. [1 § 1. Met behoud van de toepassing van artikel 6.28, beschikt de huurder over een woonrecht gedurende negen jaar nadat hem een woning is toegewezen.
   Op basis van dat woonrecht kan hij gedurende negen jaar een sociale huurwoning huren via een of meer opeenvolgende huurovereenkomsten. De verhuurder heeft in voorkomend geval een herhuisvestingsplicht zodat het woonrecht kan worden uitgeoefend.
   De huurovereenkomsten hebben een duur van negen jaar. Als de huurovereenkomst betrekking heeft op een woning waarover de verhuurder minder dan negen jaar beschikt, bedraagt de duur van de huurovereenkomst de periode waarover de verhuurder beschikt.
   § 2. Als de huurder op het einde van zijn woonrecht van negen jaar of op het einde van een verlengde periode als vermeld in het tweede lid, niet voldoet aan de voorwaarden van woonbehoeftigheid of van passendheid van de woning, vermeld in artikel 6.29 en 6.30, zegt de verhuurder de lopende huurovereenkomst op met een opzeggingstermijn van zes maanden en eindigt het woonrecht op de vervaldag van de huurovereenkomst.
   Als de huurder op het einde van zijn woonrecht van negen jaar aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, voldoet, wordt zijn woonrecht verlengd met drie jaar. Het woonrecht wordt vervolgens telkens met drie jaar verlengd als de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, vervuld zijn.]1

  
Art. 6.28. [1 Si un locataire déménage dans un autre logement locatif social, la durée du contrat de location est égale à la durée restante à laquelle le locataire avait encore droit en vertu du droit à l'habitation visé à l'article 6.27.
   Le Gouvernement flamand peut réduire la durée du droit à l'habitation, visé à l'article 6.27, dans les cas qu'il arrête, notamment pour l'hébergement provisoire de ménages en situation d'urgence.
   Un locataire jouit d'un droit à l'habitation à durée indéterminée s'il a conclu avec le bailleur un contrat de location à durée indéterminée avant le 1 mars 2017. Ce locataire conserve son droit à l'habitation à durée indéterminée s'il déménage dans un autre logement locatif social appartenant au même bailleur, ou, dans le cadre d'un relogement forcé pour cause de rénovation, d'adaptation, de démolition ou de vente, d'un autre bailleur.]1

  
Art. 6.28. [1 Als een huurder verhuist naar een andere sociale huurwoning is de duur van de huurovereenkomst gelijk aan de resterende duur waarop de huurder nog recht had op grond van het woonrecht, vermeld in artikel 6.27.
   De Vlaamse Regering kan de duurtijd van het woonrecht, vermeld in artikel 6.27, verkorten voor de gevallen die ze vaststelt, onder meer voor de tijdelijke opvang van gezinnen die in een noodsituatie verkeren.
   Een huurder heeft een woonrecht van onbepaalde duur als hij met de verhuurder een huurovereenkomst van onbepaalde duur heeft gesloten vóór 1 maart 2017. Die huurder behoudt het woonrecht van onbepaalde duur als hij verhuist naar een andere sociale huurwoning van dezelfde verhuurder, of, in het kader van gedwongen herhuisvesting wegens renovatie, aanpassing, sloop of verkoop, van een andere verhuurder.]1

  
Art. 6.29. [1 Le locataire est nécessiteux d'un logement si la moyenne arithmétique des revenus du locataire pris en compte lors des trois dernières révisions annuelles du loyer est inférieure à 125% du plafond de revenus applicable aux trois dernières révisions annuelles du loyer. En cas d'absence de révision annuelle du loyer, il est tenu compte de la date d'anniversaire du contrat de location.
   Le locataire peut demander au bailleur de révoquer la résiliation, visée à l'article 6.27, § 2, alinéa 1, dans les cas suivants :
   1° il démontre que son revenu actuel, calculé sur trois mois consécutifs et extrapolé à douze mois avant le début du délai de préavis, est inférieur au plafond de 125 % ;
   2° il démontre qu'il a demandé sa pension ou qu'il atteindra l'âge légal de la retraite au plus tard trois ans après la date d'échéance du contrat de location et que, du fait de sa retraite, il aura un revenu inférieur au plafond de 125 % ;
   3° il considère que la révocation de la résiliation est équitable en raison des circonstances spécifiques dans lesquelles il se trouve.]1

  
Art. 6.29. [1 De huurder is woonbehoeftig als het rekenkundig gemiddelde van het inkomen van de huurder bij de drie laatste jaarlijkse huurprijsaanpassingen minder dan 125% bedraagt van de inkomensgrens die van toepassing is bij de drie laatste jaarlijkse huurprijsaanpassingen. Als er geen jaarlijkse huurprijsaanpassing is, wordt de datum van de verjaardag van de huurovereenkomst genomen.
   De huurder kan de verhuurder vragen om de opzegging, vermeld in artikel 6.27, § 2, eerste lid, in te trekken als:
   1° hij aantoont dat zijn huidige inkomen, berekend over drie opeenvolgende maanden en geëxtrapoleerd naar twaalf maanden, die voorafgaan aan het moment van het ingaan van de opzeggingstermijn, onder het plafond van 125 % ligt;
   2° hij aantoont dat hij zijn pensioen heeft aangevraagd of de wettelijke pensioenleeftijd zal bereiken uiterlijk drie jaar na de vervaldag van de huurovereenkomst en dat hij ten gevolge van de pensionering een inkomen zal hebben dat onder het plafond van 125% ligt;
   3° hij van oordeel is dat de intrekking van de opzegging billijk is wegens de specifieke omstandigheden waarin hij zich bevindt.]1

  
Art. 6.30. [1 Le locataire ne répond pas à la condition d'adéquation du logement s'il occupe un logement sous-occupé et refuse ou a refusé au moins deux offres de logement adapté à sa nouvelle composition familiale dans les mêmes environs. Le Gouvernement flamand détermine ce qu'il faut entendre par logement sous-occupé et mêmes environs, et quelles sont les conditions auxquelles le logement offert doit répondre.
   Le locataire peut demander au bailleur de révoquer la résiliation, visée à l'article 6.27, § 2, alinéa 1, s'il considère que le retrait de la résiliation est équitable en raison des circonstances spécifiques dans lesquelles il se trouve.]1

  
Art. 6.30. [1 De huurder voldoet niet aan de voorwaarde van passendheid van de woning als hij een onderbezette woning bewoont en minstens twee aanbiedingen van een woning die aangepast is aan zijn nieuwe gezinssamenstelling in dezelfde omgeving weigert of geweigerd heeft. De Vlaamse Regering bepaalt wat wordt verstaan onder onderbezette woning en onder dezelfde omgeving en aan welke voorwaarden de aangeboden woning moet voldoen.
   De huurder kan de verhuurder vragen om de opzegging, vermeld in artikel 6.27, § 2, eerste lid, in te trekken als hij van oordeel is dat de intrekking van de opzegging billijk is wegens de specifieke omstandigheden waarin hij zich bevindt.]1

  
Art. 6.31. [1 Si le bailleur ne donne pas suite à la demande visée à l'article 6.29, alinéa 2, et à l'article 6.30, alinéa 2, le locataire peut introduire un recours auprès du contrôleur. Le Gouvernement flamand fixe les délais et la procédure pour l'introduction de la demande de révocation de la résiliation et du recours.]1
  
Art. 6.31. [1 Als de verhuurder niet ingaat op de vraag, vermeld in artikel 6.29, tweede lid, en artikel 6.30, tweede lid, kan de huurder beroep instellen bij de toezichthouder. De Vlaamse Regering bepaalt de termijnen en de procedure voor het instellen van de vraag tot intrekking van de opzegging en van het beroep.]1
  
Art. 6.31 DROIT FUTUR.
Art. 6.31. TOEKOMSTIG RECHT
Chapitre 2.
Hoofdstuk 2.
Art. 6.32. [1 ...]1
Art. 6.32. [1 ...]1
Titre 2. Résiliation par le bailleur
Titel 2. Opzegging door de verhuurder
Art. 6.33. Sans préjudice de l'application des articles [1 6.27, § 2, alinéa 1,]1, le bailleur peut résilier le contrat de location dans les cas énumérés ci-dessous :
Art. 6.33. Met behoud van de toepassing van artikel [1 6.27, § 2, eerste lid,]1 kan de verhuurder de huurovereenkomst opzeggen in de hierna vermelde gevallen:
Titre 3. Résiliation par le locataire
Titel 3. Opzegging door de huurder
Art. 6.34. § 1. Le locataire peut à tout moment résilier le contrat de location par lettre recommandée. La résiliation ne porte que sur le locataire. [2 Le droit à l'habitation, visé à l'article 6.27, exercé à ce moment par le locataire s'éteint s'il résilie le contrat de location.]2
Art. 6.34. § 1. Een huurder kan de huurovereenkomst op elk moment opzeggen met een aangetekende brief. De opzegging geldt enkel voor de huurder. [2 Voor de huurder die de huurovereenkomst opzegt, eindigt het woonrecht, vermeld in artikel 6.27, dat hij op dat ogenblik uitoefent.]2
Titre 4. [1 Résiliation de plein droit]1
Titel 4. [1 Beëindiging van rechtswege]1
Art. 6.35. Le contrat de location est résilié de plein droit :
Art. 6.35. De huurovereenkomst wordt van rechtswege beëindigd:
Partie 11. Location en dehors du régime locatif social
Deel 11. Verhuring buiten het sociale huurstelsel
Art. 6.36. [1 § 1. Sans préjudice de l'application du paragraphe 2, les dispositions du présent livre s'appliquent aux logements locatifs sociaux, à l'exception des logements qui, dans les conditions fixées par le Gouvernement flamand :
Art. 6.36. [1 § 1. Met behoud van de toepassing van paragraaf 2 zijn de bepalingen van dit boek van toepassing op de sociale huurwoningen, met uitzondering van de woningen die onder de voorwaarden, gesteld door de Vlaamse Regering:
Partie 12. Contrôle, mesures et sanctions
Deel 12. Toezicht, maatregelen en sancties
Titre 1. Dispositions générales
Titel 1. Algemene bepalingen
Art. 6.37. Les contrôleurs visés à l'article 4. 79 sont habilités à contrôler le respect des obligations imposées en vertu du présent livre et de ses arrêtés d'exécution [1 ...]1.
Art. 6.37. De toezichthouders, vermeld in artikel 4.79, zijn bevoegd voor de controle op de naleving van de verplichtingen, opgelegd op basis van dit boek en op basis van de uitvoeringsbesluiten die genomen zijn ter uitvoering van dit boek [1 ...]1.
Titre 2. Mesures administratives
Titel 2. Administratieve maatregelen
Art. 6.38. Sans préjudice de l'application des sanctions mentionnées ci-après, les mesures administratives suivantes peuvent être imposées au bailleur et au locataire d'un logement locatif social qui ne respectent pas les conditions prévues par ou conformément au présent livre ou leurs obligations :
Art. 6.38. Met behoud van de toepassing van de hierna vermelde sancties, kunnen de volgende administratieve maatregelen worden opgelegd aan de verhuurder en de huurder van een sociale huurwoning die de voorwaarden, gesteld in dit boek of overeenkomstig dit boek, niet naleven of die hun verplichtingen niet nakomen:
  1° de stopzetting of de uitvoering of het opleggen van werken, handelingen of activiteiten;
  2° het verbod opleggen op het gebruik van installaties, toestellen of houden van dieren, als die overmatige hinder veroorzaken.
Art. 6.39. Les mesures administratives prévoient une date butoir d'exécution. Cette date tient compte du temps raisonnablement nécessaire à l'exécution des mesures.
Art. 6.39. De administratieve maatregelen bevatten de einddatum om er uitvoering aan te geven. Bij de bepaling van die uitvoeringstermijn wordt rekening gehouden met de tijd die redelijkerwijs is vereist om er uitvoering aan te geven.
Art. 6.40. Les contrôleurs visés à l'article 4. 79 sont habilités à imposer des mesures administratives.
Art. 6.40. De toezichthouders, vermeld in artikel 4.79, zijn bevoegd voor het opleggen van administratieve maatregelen.
Art. 6.41. Les mesures administratives peuvent prendre la forme d'un ordre ou d'un acte effectif au frais du contrevenant présumé, afin de mettre fin à l'infraction, d'éliminer entièrement ou partiellement ses conséquences ou d'éviter sa répétition.
Art. 6.41. De administratieve maatregelen kunnen de vorm aannemen van een bevel of een feitelijk handelen, op kosten van de vermoedelijke overtreder, om ofwel de inbreuk te beëindigen, ofwel zijn gevolgen geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken ofwel herhaling ervan te voorkomen.
Art. 6.42. Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités de forme et de contenu des mesures administratives.
Art. 6.42.De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen inzake de vorm en de inhoud van de administratieve maatregelen.
Titre 3. Amende administrative
Titel 3. Administratieve geldboete
Art. 6.43. § 1. [1 Les contrôleurs visés à l'article 4.79 sont habilités à imposer des amendes administratives.]1
Art. 6.43. § 1. [1 De toezichthouders, vermeld in artikel 4.79, zijn bevoegd voor het opleggen van administratieve geldboetes.]1
  Een administratieve geldboete kan worden opgelegd aan de huurder van een sociale huurwoning die een verplichting als vermeld in artikel 6.20, niet naleeft.
  De administratieve geldboete kan alleen worden opgelegd als de huurder na ingebrekestelling en aanmaning om zijn verplichtingen binnen de opgelegde termijn na te komen, verzuimt om dat te doen.
  In afwijking daarvan kan voor een inbreuk op de verplichtingen, vermeld in artikel 6.20, eerste lid, 1°, 2°, 3° en 7°, ook nog een administratieve geldboete worden opgelegd, ook al is de inbreuk al beëindigd.
  Als de toezichthouder een administratieve geldboete heeft opgelegd, zal hij als dat nodig is een nieuwe redelijke termijn bepalen waarbinnen de huurdersverplichting alsnog moet zijn nagekomen. De Vlaamse Regering kan de maximale termijn bepalen.
  § 2. Een administratieve geldboete kan niet worden opgelegd als:
  1° voor het betrokken feit reeds eerder een administratieve geldboete werd opgelegd;
  2° de strafrechter voor het betrokken feit reeds een uitspraak in eerste aanleg heeft gedaan;
  3° voor het feit in kwestie de verhuurder de opzegging, vermeld in artikel 6.33, § 3, eerste lid, betekend heeft.
  
Art. 6.44. L'amende administrative est comprise entre 25 et 5 000 euros. L'amende administrative doit être proportionnelle à la gravité des faits.
Art. 6.44. De administratieve geldboete mag niet lager zijn dan 25 euro en niet hoger dan 5000 euro. Bij het opleggen van de administratieve geldboete mag er geen kennelijke wanverhouding bestaan tussen de feiten die aan de administratieve geldboete ten grondslag liggen, en de boete die op grond van die feiten wordt opgelegd.
Art. 6.45. Tant le locataire que le bailleur social sont informés de la décision d'imposer l'amende administrative par lettre recommandée contre récépissé. Cette notification indique le montant de l'amende administrative et, à peine de nullité, les modalités de la procédure de requête visée à l'article 6.46.
Art. 6.45. Zowel de huurder als de verhuurder wordt van de beslissing tot het opleggen van de administratieve geldboete op de hoogte gebracht met een aangetekende brief met ontvangstbewijs. De kennisgeving vermeldt het bedrag van de administratieve geldboete en, op straffe van nietigheid, de modaliteiten van de verzoekschriftprocedure, vermeld in artikel 6.46.
Art. 6.46. Le locataire peut, dans un délai de soixante jours à compter du troisième jour ouvrable suivant la date de remise à la poste de la lettre recommandée visée à l'article 6.45, contester l'amende administrative par une requête motivée et demander une remise, une réduction ou un report du paiement de l'amende administrative. Passé ce délai, la décision devient définitive. La date de remise à la poste pour l'envoi de la requête est assimilée à la date d'envoi.
  La requête est introduite, à peine d'irrecevabilité, par lettre recommandée et suspend la décision contestée. Dans sa requête le locataire peut demander à être entendu oralement.
  Le contrôleur statue sur la requête et envoie sa décision au locataire par lettre recommandée dans un délai de trente jours à compter du troisième jour ouvrable suivant la date de remise à la poste de la requête visée au premier alinéa. Ce délai est prolongé à soixante jours si une audition est tenue à la demande du locataire.
  Le contrôleur peut prolonger une seule fois de trente jours les délais précités par lettre recommandée adressée à l'intéressé.
  Si la décision n'a pas été pas envoyée dans le délai imparti, la requête est réputée avoir été acceptée. La date de remise à la poste pour l'envoi de la décision est assimilée à la date d'envoi.
Art. 6.46. De huurder kan binnen een vervaltermijn van zestig dagen vanaf de derde werkdag die volgt op de datum van de afgifte op de post van de aangetekende brief, vermeld in artikel 6.45, met een gemotiveerd verzoekschrift de administratieve geldboete betwisten en om kwijtschelding, vermindering of uitstel van betaling van de administratieve geldboete vragen. Na het verstrijken van die termijn is de beslissing definitief. De datum van de afgifte op de post voor de verzending van het verzoekschrift geldt als datum van verzending.
  Het verzoekschrift wordt op straffe van onontvankelijkheid ingediend met een aangetekende brief en schorst de bestreden beslissing. In het verzoekschrift kan de huurder vragen om mondeling gehoord te worden.
  De toezichthouder beslist over het verzoekschrift en verzendt zijn beslissing met een aangetekende brief aan de huurder binnen een vervaltermijn van dertig dagen vanaf de derde werkdag die volgt op de datum van de afgifte op de post van het verzoekschrift, vermeld in het eerste lid. Die termijn wordt verlengd tot zestig dagen als er op verzoek van de huurder een hoorzitting gehouden wordt.
  De toezichthouder kan de voormelde termijnen eenmalig verlengen met dertig dagen met een aangetekende brief die gericht is aan de betrokkene.
  Als de beslissing niet is verzonden binnen de gestelde termijn, wordt het verzoek geacht te zijn ingewilligd. De datum van de afgifte op de post voor de verzending van de beslissing geldt als datum van verzending.
Art. 6.47. Le locataire peut former un recours contre la décision du contrôleur visée à l'article 6.46, troisième alinéa, devant le tribunal civil dans un délai de soixante jours à compter du troisième jour ouvrable suivant la date de remise à la poste de la lettre recommandée visée à l'article 6.46, troisième alinéa. Ce recours est suspensif.
Art. 6.47. Tegen de beslissing van de toezichthouder, vermeld in artikel 6.46, derde lid, kan de huurder binnen een vervaltermijn van zestig dagen vanaf de derde werkdag die volgt op de datum van de afgifte op de post van de aangetekende brief, vermeld in artikel 6.46, derde lid, beroep aantekenen bij de burgerlijke rechtbank. Dat beroep werkt schorsend.
Art. 6.48. L'amende administrative doit être payée dans les soixante jours suivant la date à laquelle la décision est devenue définitive.
  Le contrôleur peut accorder un sursis de paiement pour un délai qu'il fixe.
Art. 6.48. De administratieve geldboete moet worden betaald binnen zestig dagen nadat de beslissing definitief is geworden.
  De toezichthouder kan uitstel van betaling verlenen voor een door hem bepaalde termijn.
Art. 6.49. La demande en paiement de l'amende administrative se prescrit après cinq ans à compter de la date à laquelle elle est née. La prescription est interrompue de la manière et dans les conditions prévues par les articles 2244 et suivants du Code civil.
Art. 6.49. De vordering tot betaling van de administratieve geldboete verjaart na verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf de dag waarop ze is ontstaan. De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden, bepaald in artikel 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.
Art. 6.50. Les recettes de l'amende administrative reviennent au Fonds de l'inspection du logement, visé à l'article 19 du décret du 29 juin 2007 contenant des mesures d'accompagnement du budget 2007.
Art. 6.50. De opbrengst van de administratieve geldboeten wordt toegewezen aan het Fonds voor de Wooninspectie, vermeld in artikel 19 van het decreet van 29 juni 2007 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2007.
Art. 6.51. En cas de non-paiement de l'amende administrative et des accessoires, l'agent chargé du recouvrement délivre une contrainte. Cette contrainte est visée et déclarée exécutoire par l'agent désigné à cet effet par le Gouvernement flamand.
  La contrainte est signifiée par exploit d'huissier de justice ou lettre recommandée.
  Les dispositions de la partie cinq du Code judiciaire portant saisie conservatoire et moyens d'exécution s'appliquent à la contrainte.
Art. 6.51. Bij wanbetaling van de administratieve geldboete en toebehoren wordt een dwangbevel uitgevaardigd door de ambtenaar die belast is met de invordering. Dat dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de ambtenaar die daartoe is aangewezen door de Vlaamse Regering.
Titre 4. Sanctions pénales
Titel 4. Strafsancties
Art. 6.52. Sans préjudice de l'application des dispositions des articles 269 à 274 du Code pénal, les peines suivantes s'appliquent :
Art. 6.52. Met behoud van de toepassing van de strafbepalingen van artikelen 269 tot 274 van het Strafwetboek wordt een persoon gestraft met:
  1° een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden of een werkstraf met een maximale duur van 250 uren of met een geldboete van 26 tot 500 euro als hij de verplichtingen, vermeld in artikel 6.20, eerste lid, 1°, 2° of 3°, niet nakomt;
  2° een gevangenisstraf van acht dagen tot één jaar of een werkstraf met een maximale duur van 250 uren of met een geldboete van 1.000 tot 5.000 euro, als hij, het krachtens titel 1, 2 en 3 van dit deel en de uitvoeringsbesluiten ervan geregelde toezicht verhindert.
Art. 6.53. Sans préjudice de l'application de la réglementation sur la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel applicable à la communication des données à caractère personnel, telle que précisée, le cas échéant, au niveau fédéral ou flamand, le contrôleur visé à l'article 4. 79 peut demander, dans le cadre d'une enquête concernant l'habitation effective en vue du constat des délits visés à l'article 6.52, les données de consommation d'eau, d'électricité et de gaz auprès des entreprises d'utilité publique ou des gestionnaires des réseaux de distribution.
  Les entreprises d'utilité publique et les gestionnaires des réseaux de distribution sont tenus de transmettre les données de consommation au contrôleur dans les 14 jours suivant la réception de la demande.
  Le Gouvernement flamand peut arrêter la manière dont le contrôleur demande les données de consommation ainsi que leur mode de transmission.
Art. 6.53. Met behoud van de toepassing van de regelgeving inzake de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens die van toepassing is bij de mededeling van persoonsgegevens, zoals ze in voorkomend geval op federaal of Vlaams niveau verder is of wordt gespecificeerd, kan de toezichthouder, vermeld in artikel 4.79, in het kader van een onderzoek naar effectieve bewoning met het oog op de vaststelling van de misdrijven, vermeld in artikel 6.52, de verbruiksgegevens van water, elektriciteit en gas opvragen bij de nutsbedrijven of de distributienetbeheerders.
Livre 7. Dispositions finales
Boek 7. Slotbepalingen
Art. 7.1. L'obligation prévue dans le présent code d'assortir les charges liées à la réalisation d'une offre de logement modeste de permis spécifiques d'urbanisme et de lotir, de permis d'environnement pour des actes d'urbanisme et de permis d'environnement pour le lotissement de terrains s'applique à toutes les demandes de permis concernées qui sont introduites en première instance administrative à partir du 1 septembre 2009. La date de dépôt est la date à laquelle la demande est régulièrement signifiée à l'organe administratif délivrant les permis. La réintroduction d'un dossier précédemment déclaré irrecevable et/ou incomplet est considérée comme une nouvelle demande.
Art. 7.1. De bij deze codex bepaalde verplichting om lasten inzake de verwezenlijking van een bescheiden woonaanbod te verbinden aan specifieke stedenbouwkundige en verkavelingsvergunningen, omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen en omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden, geldt ten aanzien van alle betrokken vergunningsaanvragen die vanaf 1 september 2009 in eerste administratieve aanleg worden ingediend. De datum van indiening is de datum waarop de aanvraag regelmatig bij het vergunningverlenende bestuursorgaan wordt betekend. De herindiening van een eerder niet ontvankelijk en /of niet volledig verklaard dossier wordt beschouwd als een nieuwe aanvraag.
  Ten aanzien van aanvragen voor verkavelingswijzigingen of bijstellingen van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden die vanaf 1 september 2009 in eerste administratieve aanleg worden ingediend, geldt het eerste lid enkel indien de verkavelingswijziging of bijstelling van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden leidt tot een uitbreiding van het project, wat betreft het aantal loten en/of de grondoppervlakte, die voor gevolg heeft dat het nog niet bebouwde, verkochte, verhuurde of aan een erfpacht of opstalrecht onderworpen gedeelte van de verkaveling aan de voorwaarden, vermeld in artikel 5.93, eerste lid, voldoet. De omvang van de last wordt berekend op basis van dat nog niet bebouwde, verkochte, verhuurde of aan een erfpacht of opstalrecht onderworpen gedeelte.
Art. 7.2. Lors de la fixation d'une norme pour une offre de logement modeste et lors de l'imposition d'une charge en vue de la réalisation d'une offre de logement modeste, il n'est pas tenu compte des terrains répondant à toutes les conditions suivantes :
  1° l'acte sous seing privé relatif à l'achat des terrains a été établi à une date fixe dans la période du 1 janvier 2003 au 16 décembre 2008 ;
  2° les terrains sont situé dans une zone résidentielle au moment de la signature de l'acte sous seing privé ;
  3° au plus tard le 16 décembre 2008, une transaction financière entre l'acheteur et le vendeur a eu lieu, notamment le versement d'une avance.
  Dans le cas d'un achat soumis à une condition suspensive, outre les conditions mentionnées au premier alinéa, l'exigence supplémentaire est que la période entre la signature de l'acte et la date finale de réalisation de la condition n'excède pas deux ans.
  La charge de la preuve incombe au demandeur du permis d'environnement pour des actes urbanistiques ou du permis d'environnement pour le lotissement de terrains.
Art. 7.2. Bij het vaststellen van een norm inzake bescheiden woonaanbod en bij het opleggen van een last met het oog op de verwezenlijking van een bescheiden woonaanbod wordt geen rekening gehouden met gronden waarbij voldaan is aan alle volgende voorwaarden:
  1° de onderhandse akte betreffende de aankoop van de gronden heeft vaste datum gekregen in de periode vanaf 1 januari 2003 tot en met 16 december 2008;
  2° de gronden zijn op het ogenblik van de ondertekening van de onderhandse akte gelegen in woongebied;
  3° uiterlijk op 16 december 2008 heeft een financiële transactie tussen koper en verkoper plaatsgevonden, inzonderheid de betaling van een voorschot.
  Indien het gaat om een aankoop onder opschortende voorwaarde geldt naast de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, de bijkomende eis dat de termijn tussen de ondertekening van de akte en de uiterste realisatiedatum van de voorwaarde ten hoogste twee jaar bedraagt.
  De bewijslast rust op de aanvrager van de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden.
Art. 7.3. Par dérogation à l'article 5.99, 1° et 2°, les projets de construction dans lesquels seules des structures de soins sont créées et les projets de construction qui réalisent un mélange de structures de soins et de logements privés ne sont pas soumis, en ce qui concerne la part des structures de soins, à une norme pour l'offre de logement modeste telle que visée aux chapitres 1, 2 ou 3 du titre 1 du livre 5, partie 9, pour autant que les demandes de permis en première instance correspondantes soient introduites au plus tard à la date à laquelle le Gouvernement flamand approuve l'arrêté fixant les conditions d'agrément supplémentaires pour les groupes de logements à assistance au sens du Décret sur les soins résidentiels du 13 mars 2009. La date de dépôt est la date à laquelle la demande est régulièrement signifiée à l'organe administratif délivrant les permis. La réintroduction d'un dossier précédemment déclaré irrecevable et/ou incomplet est considérée comme une nouvelle demande.
  L'alinéa premier ne peut être appliqué qu'à partir du 6 février 2012.
Art. 7.3. In afwijking van artikel 5.99, 1° en 2°, zijn bouwprojecten waarbij uitsluitend zorgvoorzieningen worden opgericht en bouwprojecten die een vermenging realiseren van zorgvoorzieningen enerzijds en privéwoningen anderzijds, voor wat het aandeel zorgvoorzieningen betreft, niet onderworpen aan een norm bescheiden woonaanbod als vermeld in hoofdstuk 1, 2 of 3 van titel 1 van boek 5, deel 9, voor zover de betrokken vergunningsaanvragen in eerste administratieve aanleg worden ingediend uiterlijk op de datum waarop de Vlaamse Regering haar goedkeuring hecht aan het besluit dat de aanvullende erkenningsvoorwaarden vastlegt voor groepen van assistentiewoningen in de zin van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009. De datum van indiening is de datum waarop de aanvraag regelmatig bij het vergunningverlenende bestuursorgaan wordt betekend. De herindiening van een eerder niet ontvankelijk en/of niet volledig verklaard dossier wordt beschouwd als een nieuwe aanvraag.
  Het eerste lid kan slechts worden toegepast vanaf 6 februari 2012.
Art. 7.4. § 1. Sans préjudice du § 3, les dispositions suivantes du Code du logement, annexé à l'arrêté royal du 10 décembre 1970, ratifié par la loi du 2 juillet 1971 et modifié par la loi du 18 mai 1973, modifié pour la Région flamande par la loi du 1 août 1978 et par les décrets des 16 novembre 1983, 30 octobre 1984, 30 novembre 1988, 5 juillet 1989, 4 avril 1990, 23 octobre 1991, 22 décembre 1995 et 8 juillet 1996, sont abrogées pour la Région flamande :
  1° les chapitres 1 à 4 du titre 1, à l'exception des articles 9, deuxième alinéa, 20, deuxième alinéa, 21 et 23, ainsi que des articles 71, 79, 80bis, 81 à 82bis, 90, 92, 93 et 96bis, §§ 1 à 5 et § 8 ;
  2° les articles 67, 68 et 94bis ;
  3° les articles 80ter et 96bis, § 7 ;
  4° le chapitre 5 du titre 1, le chapitre 5 du titre III et les articles 91 et 96, §§ 1 et 2 ;
  5° le chapitre 6 du titre I et l'article 96ter ;
  6° les articles 80, 94, 95 et 96, § 3.
  § 2. Tant qu'elles ne sont pas abrogées, les dispositions suivantes du Code du logement restent applicables en Région flamande, compte tenu de leurs modifications ultérieures :
  1° l'article 9, deuxième alinéa, en ce qui concerne les logements construits dans le cadre des projets de logement innovants et expérimentaux visés à l'article 5.3 du présent code, par la Région flamande en qualité de successeur légal de l'Institut national du logement, supprimé par la loi du 28 décembre 1984 ;
  2° les articles 20, deuxième alinéa, et 21 en ce qui concerne les opérations immobilières de la VHM ou de son successeur légal et des [1 sociétés de logement]1 ;
  3° l'article 23, en ce qui concerne les actes relatifs à la VHM ou à son successeur légal et aux [1 sociétés de logement]1 ;
  4° l'article 89, en ce qui concerne les actes relatifs aux sociétés de crédit visées à l'article 5.58 [2 ...]2.
  § 3. Par dérogation au § 1, les dispositions suivantes du Code du logement continuent à s'appliquer aux opérations énumérées après ces dispositions, dans la mesure où ces opérations sont antérieures à l'entrée en vigueur des dispositions abrogatoires du § 1 les concernant :
  1° les articles 38, deuxième alinéa, 1°, a) et b), 41, 79, 80bis et 81 à 82bis, en ce qui concerne les charges à supporter par l'État et la Région flamande en matière de prêts garantis contractés par la VHM, le VWF ou leurs prédécesseurs légaux ;
  2° l'article 83, en ce qui concerne les prêts sociaux garantis, et l'article 87, en ce qui concerne les prêts garantis pour les logements de taille moyenne ;
  3° les articles 57 à 60, en ce qui concerne les prêts contractés par les mineurs ;
  4° les articles 80, 94, 95 et 96, § 3, en ce qui concerne les dossiers de subvention pour lesquels des crédits ont déjà été engagés, ou pour lesquels des opérations et des travaux ont été inclus dans un programme adopté par le Gouvernement flamand ;
  5° les articles 84 et 96, §§ 1 et 2, en ce qui concerne les demandes de primes et d'interventions dans les frais, présentées par des ménages ou des isolés.
  
Art. 7.4. § 1. Onverminderd § 3, worden de hierna vermelde bepalingen van de Huisvestingscode, gevoegd bij het koninklijk besluit van 10 december 1970, bekrachtigd door de wet van 2 juli 1971 en gewijzigd bij de wet van 18 mei 1973, voor het Vlaamse Gewest gewijzigd bij de wet van 1 augustus 1978 en bij de decreten van 16 november 1983, 30 oktober 1984, 30 november 1988, 5 juli 1989, 4 april 1990, 23 oktober 1991 en 22 december 1995 en 8 juli 1996 opgeheven voor het Vlaamse Gewest:
  1° hoofdstuk 1 tot en met 4 van titel I, met uitzondering van artikel 9, tweede lid, 20, tweede lid, 21 en 23, alsook artikel 71, 79, 80bis, 81 tot en met 82bis, 90, 92, 93 en 96bis, § 1 tot en met § 5 en § 8;
  2° artikel 67, 68 en 94bis;
  3° artikel 80ter en 96bis, § 7;
  4° hoofdstuk 5 van titel I, hoofdstuk 5 van titel III en artikel 91 en 96, § § 1 en 2;
  5° hoofdstuk 6 van titel I en artikel 96ter;
  6° artikel 80, 94, 95 en 96, § 3.
  § 2. Zolang ze niet worden opgeheven, blijven de hierna vermelde bepalingen van de Huisvestingscode in het Vlaamse Gewest van toepassing, waarbij er rekening wordt gehouden met de latere wijzigingen ervan,
  1° artikel 9, tweede lid, wat de woningen betreft die het Vlaamse Gewest, als rechtsopvolger van het Nationaal Instituut voor de Huisvesting, afgeschaft bij de wet van 28 december 1984, bouwt in het kader van vernieuwende en experimentele woonprojecten zoals bedoeld in artikel 5.3 van deze codex;
  2° artikel 20, tweede lid, en 21 wat de onroerende verrichtingen van de VHM of haar rechtsopvolger en de [1 woonmaatschappijen]1 betreft;
  3° artikel 23, wat de akten betreffende de VHM of haar rechtsopvolger en de [1 woonmaatschappijen]1 betreft;
  4° artikel 89 wat de akten betreffende de in artikel 5.58, [2 ...]2 vermelde kredietmaatschappijen betreft.
  § 3. In afwijking van § 1 blijven de hierna vermelde bepalingen van de Huisvestingscode gelden voor de ernaast vermelde verrichtingen, voor zover die verrichtingen dateren van vóór de inwerkingtreding van de opheffingsbepalingen van § 1 die er betrekking op hebben:
  1° artikel 38, tweede lid, 1°, a) en b), 41, 79, 80bis en 81 tot en met 82bis, wat de door de Staat en het Vlaamse Gewest te dragen lasten betreft inzake gewaarborgde leningen, aangegaan door de VHM, het VWF of hun rechtsvoorgangers;
  2° artikel 83, wat de gewaarborgde sociale leningen betreft en artikel 87, wat de gewaarborgde leningen voor middelgrote woningen betreft;
  3° artikel 57 tot en met 60, wat de leningen aangegaan door mijnwerkers betreft;
  4° artikel 80, 94, 95 en 96, § 3, wat de subsidiedossiers betreft waarvoor reeds een vastlegging van kredieten werd genomen, of waarvan operaties en werkzaamheden zijn opgenomen op een door de Vlaamse Regering goedgekeurd programma;
  5° artikel 84 en 96, § 1 en § 2, wat betreft de door gezinnen of alleenstaanden ingediende aanvragen voor premies en tegemoetkomingen in de kosten.
  
Art. 7.5. L'agrément accordé avant le 1 juillet 2006 par la Société flamande du Logement aux sociétés visées à l'article 4.36, § 1, premier alinéa, soit en vertu du décret du 21 décembre 1998 portant création d'une Société flamande du Logement, soit en vertu du présent code, est valable à l'égard du Gouvernement flamand jusqu'à la date de décision de l'agrément ou de refus de l'agrément en vertu de l'article 4.36, § 1, troisième alinéa, cependant au plus tard jusqu'à une date à fixer par le Gouvernement flamand.
Art. 7.5. De erkenning die voor 1 juli 2006, door de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij is verleend aan in artikel 4.36, § 1, eerste lid, vermelde vennootschappen, hetzij overeenkomstig het decreet van 21 december 1988 houdende oprichting van een Vlaamse Huisvestingsmaatschappij, hetzij overeenkomstig deze codex, geldt ten opzichte van de Vlaamse Regering tot op de datum van de beslissing tot erkenning of tot weigering van de erkenning overeenkomstig artikel 4.36, § 1, derde lid, maar uiterlijk tot op een door de Vlaamse Regering te bepalen datum.
Art. 7.6. Tant qu'ils ne sont pas modifiés, remplacés ou abrogés, les arrêtés et autres règlements adoptés ou fixés en exécution des dispositions légales et décrétales qui sont abrogées par les articles 103, § 1, 104 et 105 du décret du 15 juillet 1997 contenant le Code flamand du Logement, tels qu'applicables avant l'entrée en vigueur du présent code, restent en vigueur, dans la mesure où ils ne sont pas sans objet ou contraires aux dispositions dudit décret.
Art. 7.6. Zolang ze niet worden gewijzigd, vervangen of opgeheven blijven de besluiten en andere regelingen, genomen of vastgesteld ter uitvoering van de wettelijke en decretale bepalingen die worden opgeheven bij artikel 103, § 1, 104 en 105 van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, zoals van toepassing voor de inwerkingtreding van deze codex, gelden, voor zover ze niet zonder voorwerp zijn, noch in tegenstrijd zijn met de bepalingen van het voormelde decreet.
Art. 7.7. Le présent code entre en vigueur le 1 janvier 2021.
Art. 7.7. Deze codex treedt in werking op 1 januari 2021.
-