Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
1 DECEMBER 2020. - Besluit van de Waalse Regering van bijzondere machten nr. 58 betreffende verschillende bepalingen die in het kader van "de plan rebond" COVID-19 zijn genomen inzake werkgelegenheid en socioprofessionele inschakeling, sociale economie inbegrepen(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 10-12-2020 en tekstbijwerking tot 02-08-2024)
Titre
1 DECEMBRE 2020. - Arrêté du Gouvernement wallon de pouvoirs spéciaux n° 58 relatif aux diverses dispositions prises, dans le cadre du plan rebond COVID-19, en matière d'emploi et d'insertion socioprofessionnelle, en ce compris dans le champ de l'économie sociale(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 10-12-2020 et mise à jour au 02-08-2024)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
HOOFDSTUK II. - Maatregelen betreffende sociale...
Afdeling 1.-. Inschalingsbedrijf
Afdeling 2.-. Initiatieven tot ontwikkeling van...
Afdeling 3.-. Adviesverlenende agentschappen in...
HOOFDSTUK III. - Maatregelen betreffende de buu...
Afdeling 1.-. Plaatselijke werkgelegenheidsagen...
Afdeling 2. - Dienstencheques
HOOFDSTUK IV. - Maatregelen met betrekking tot ...
HOOFDSTUK V. - Maatregelen met betrekking tot d...
Afdeling 1.-. Begeleidingsstructuren voor zelft...
Afdeling 2.-. Maatregelen betreffende steunverl...
HOOFDSTUK VI. - Maatregelen betreffende de steu...
Afdeling 1. - Steunregeling ter bevordering van...
Afdeling 2. - Maatregelen betreffende de "SESAM...
Afdeling 3. - Maatregelen betreffende de steun ...
Afdeling 4. - Subsidie voor de tewerkstelling v...
Afdeling 5. - Maatregelen betreffende de "verho...
HOOFDSTUK VII. - Maatregelen betreffende de vri...
HOOFDSTUK VIII. - Maatregelen betreffende betaa...
HOOFDSTUK IX. - Slotbepalingen
Table des matières
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales
CHAPITRE II. - Mesures relatives à l'économie s...
Section 1. - Entreprises d'insertion
Section 2. - Initiatives de développement de l'...
Section 3. - Agences-conseil en économie sociale
CHAPITRE III. - Mesures relatives aux services ...
Section 1. - Agence locale pour l'emploi
Section 2. - Titres-services
CHAPITRE IV. - Mesures relatives à l'accompagne...
CHAPITRE V. - Mesures relatives à l'accompagnem...
Section 1. - Structure d'accompagnement à l'aut...
Section 2. - Mesures relatives au soutien à la ...
CHAPITRE VI. - Mesures relatives aux aides à l'...
Section 1. - Aide à la promotion de l'emploi (APE)
Section 2. - Mesures relatives au dispositif " ...
Section 3. - Mesures relatives aux aides à dest...
Section 4. - Subvention pour la mise à l'emploi...
Section 5. - Mesure relative aux "subventions m...
CHAPITRE VII. - Mesures relatives aux dispenses...
CHAPITRE VIII. - Mesures relatives au congé-édu...
CHAPITRE IX. - Dispositions finales
Tekst (64)
Texte (64)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales
Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit en voor elke van de bepalingen die met betrekking tot de subsidiëring zijn vastgesteld, mag het bedrag van de subsidie niet hoger zijn dan de kosten die daadwerkelijk door de begunstigde worden gedragen, voor wat gesubsidieerd wordt.
Article 1er. Pour l'application du présent arrêté et pour chacune des dispositions prises en matière de subventionnement, le montant de la subvention ne peut pas être supérieur au coût effectivement supporté par le bénéficiaire, pour ce qui est subventionné.
HOOFDSTUK II. - Maatregelen betreffende sociale economie
CHAPITRE II. - Mesures relatives à l'économie sociale
Afdeling 1.-. Inschalingsbedrijf
Section 1. - Entreprises d'insertion
Art. 2. In afwijking van artikel 20 van het decreet van 20 oktober 2016 betreffende de erkenning van de initiatieven van sociale economie en de erkenning en de subsidiëring van de inschakelingsbedrijven en van artikel 18, § 1 van het besluit van de Waalse Regering van 24 mei 2017 tot uitvoering van het decreet van 20 oktober 2016 betreffende de erkenning van de initiatieven van sociale economie en de erkenning en de subsidiëring van de inschakelingsbedrijven, kan de maximumtermijn vanaf de datum van indienstneming van een kwetsbare werknemer of een uiterst kwetsbare werknemer, waarvoor de intensiteit van de steun niet meer dan 50 % van de loonkosten mag bedragen, tussen 19 oktober en 31 maart 2021 worden verlengd met perioden van opschorting van de arbeidsovereenkomst van de kwetsbare werknemer of de uiterst kwetsbare werknemer.
Art. 2. Par dérogation à l'article 20 du décret du 20 octobre 2016 relatif à l'agrément des initiatives d'économie sociale et à l'agrément et au subventionnement des entreprises d'insertion et à l'article 18, §§ 1er et 2, de l'arrêté du Gouvernement wallon du 24 mai 2017 portant exécution du décret du 20 octobre 2016 relatif à l'agrément des initiatives d'économie sociale et à l'agrément et au subventionnement des entreprises d'insertion, la période maximale, à compter de l'embauche d'un travailleur défavorisé ou d'un travailleur gravement défavorisé, pour laquelle l'intensité de l'aide ne peut pas excéder cinquante pour cent des coûts salariaux, peut être prolongée, entre le 19 octobre et 31 mars 2021, des périodes de suspension du contrat de travail du travailleur défavorisé ou du travailleur gravement défavorisé.
Art. 3. In afwijking van artikel 15, § 1, 3°, van het decreet van 20 oktober 2016 betreffende de erkenning van de initiatieven van sociale economie en de erkenning en de subsidiëring van de inschakelingsbedrijven, kunnen de subsidies bedoeld in hoofdstuk 5 van datzelfde decreet tot 30 juni 2021 worden toegekend aan ondernemingen in moeilijkheden in de zin van artikel 2, 18), van Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, die op 31 december 2019 niet in moeilijkheden verkeerden, maar die in de periode van 1 januari 2020 tot en met [1 31 december 2021]1 ondernemingen in moeilijkheden zijn geworden".
Modifications
Art. 3. Par dérogation à l'article 15, § 1er, 3°, du décret du 20 octobre 2016 relatif à l'agrément des initiatives d'économie sociale et à l'agrément et au subventionnement des entreprises d'insertion, les subventions visées au chapitre 5 du même décret peuvent être octroyées, jusqu'au 30 juin 2021, aux entreprises en difficultés, au sens de l'article 2, 18), du Règlement (UE) n° 651/2014 de la Commission du 17 juin 2014 déclarant certaines catégories d'aide compatibles avec le marché intérieur en application des articles 107 et 108 du Traité, qui n'étaient pas en difficultés au 31 décembre 2019, mais qui sont devenues des entreprises en difficultés au cours de la période comprise entre le 1er janvier 2020 et le [1 31 décembre 2021]1 ".
Modifications
Afdeling 2.-. Initiatieven tot ontwikkeling van de werkgelegenheid in de sector van de buurtdiensten met een maatschappelijk doel
Section 2. - Initiatives de développement de l'emploi dans le secteur des services de proximité à finalité sociale "
Art. 4. Voor de toepassing van artikel 2 van het decreet van 14 december 2006 betreffende de erkenning en de subsidiëring van de "Initiatives de développement de l'emploi dans le secteur des services de proximité à finalité sociale" (initiatieven tot ontwikkeling van de werkgelegenheid in de sector van de buurtdiensten met een maatschappelijk doel), afgekort : `I.D.E.S.S., omvat het sociaal vervoer, tot 31 maart 2021, het vervoer van goederen ten behoeve van de begunstigden bedoeld in artikel 1, eerste lid, 4°, van hetzelfde decreet.
Het in het eerste lid bedoelde vervoer van goederen omvat het vervoer, ten behoeve van de begunstigden, van levensmiddelen en basisbenodigdheden, alsmede het vervoer van wasgoed.
Het in het eerste lid bedoelde vervoer van goederen omvat het vervoer, ten behoeve van de begunstigden, van levensmiddelen en basisbenodigdheden, alsmede het vervoer van wasgoed.
Art. 4. Pour l'application de l'article 2 du décret 14 décembre 2006 relatif à l'agrément et au subventionnement des "Initiatives de développement de l'emploi dans le secteur des services de proximité à finalité sociale", en abrégé : " I.D.E.S.S.", le transport social comprend jusqu'au 31 mars 2021, le transport de biens au profit des bénéficiaires visés à l'article 1er, alinéa 1er, 4°, du même décret.
Le transport de biens, visé à l'alinéa 1er, comprend le transport, au profit des bénéficiaires, de biens alimentaires et de première nécessité, ainsi que le transport du linge.
Le transport de biens, visé à l'alinéa 1er, comprend le transport, au profit des bénéficiaires, de biens alimentaires et de première nécessité, ainsi que le transport du linge.
Art. 5. In afwijking van artikel 11, § 1, lid 1, 3 en 4 van het besluit van de Waalse Regering van 21 juni 2007 tot uitvoering van het decreet van 14 december 2006 betreffende de erkenning en de subsidiëring van de "Initiatives de développement de l'emploi dans le secteur des services de proximité à finalité sociale" (Initiatieven tot ontwikkeling van de werkgelegenheid in de sector van de buurtdiensten met een maatschappelijk doel), is het bedrag van de subsidie, bedoeld in artikel 11, § 1, leden 1, 3 en 4, van hetzelfde decreet, van het I.D.E.S.S., met betrekking tot het jaar 2020, gelijk aan het bedrag van zijn subsidie voor 2019, indien het aldus verkregen bedrag hoger is dan het voor het jaar 2020 berekende bedrag.
Art. 5. Par dérogation à l'article 11, § 1er, alinéas 1er, 3 et 4, de l'arrêté du Gouvernement wallon du 21 juin 2007 portant exécution du décret du 14 décembre 2006 relatif à l'agrément et au subventionnement des initiatives de développement de l'emploi dans le secteur des services de proximité à finalité sociale, le montant de la subvention, visée à l'article 11, § 1er, alinéas 1er, 3 et 4, du même arrêté, de l'I.D.E.S.S., relative à l'année 2020, est égal au montant de sa subvention 2019, si le montant ainsi obtenu est supérieur au montant calculé pour l'année 2020.
Afdeling 3.-. Adviesverlenende agentschappen inzake sociale economie
Section 3. - Agences-conseil en économie sociale
Art. 6. In afwijking van artikel 13, lid 2, van besluit van de Waalse Regering van 26 januari 2006 tot uitvoering van het decreet van 27 mei 2004 betreffende de adviesverlenende agentschappen inzake sociale economie, is het bedrag van de subsidie, bedoeld in artikel 23 van het decreet van 27 mei 2004 betreffende de adviesverlenende agentschappen inzake sociale economie, van het adviesverlenende agentschap, met betrekking tot het jaar 2020, gelijk aan het bedrag van zijn subsidie voor 2019, indien het aldus verkregen bedrag hoger is dan het voor het jaar 2020 berekende bedrag.
Art. 6. Par dérogation à l'article 13, § 2, de l'arrêté du Gouvernement wallon du 26 janvier 2006 portant exécution du décret du 27 mai 2004 relatif aux agences-conseil en économie sociale, le montant de la subvention, visée à l'article 23 du décret du 27 mai 2004 relatif aux agences-conseil en économie sociale, de l'agence-conseil, relative à l'année 2020, est égal au montant de sa subvention 2019, si le montant ainsi obtenu est supérieur au montant calculé pour l'année 2020.
HOOFDSTUK III. - Maatregelen betreffende de buurtdiensten
CHAPITRE III. - Mesures relatives aux services de proximité
Afdeling 1.-. Plaatselijke werkgelegenheidsagentschap
Section 1. - Agence locale pour l'emploi
Art. 7. In afwijking van artikel 8, § 2, vijfde lid, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, kan het Plaatselijke werkgelegenheidsagentschap, hierna PWA genoemd, geen vergoeding eisen bij de inschrijving van de kandidaat-gebruiker bedoeld in artikel 8, lid 2, voor de activiteiten bedoeld in artikel 8, eerste lid.
Art. 7. Par dérogation à l'article 8, § 2, alinéa 5, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, aucune indemnité ne peut être réclamée par l'Agence locale pour l'Emploi, ci-après dénommée ALE, lors de l'inscription du candidat-utilisateur visé à l'article 8, alinéa 2, pour les activités visées à l'article 8, alinéa 1er.
Art. 8. Voor de toepassing van artikel 79 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering mogen tussen 1 november 2020 en 30 juni 2021 de volgende activiteiten worden uitgeoefend ten behoeve van de in het tweede lid bedoelde personen:
1° het bijstaan van de onderhoudsploegen bij het beheer van de hygiëne en de ontsmetting van de lokalen;
2° de bijstand aan (para)medische ploegen bij de voorbereiding van uitrusting;
3° de logistieke bijstand in verband met de inrichting van de ruimte en het voorraadbeheer;
4° de bijstand bij het toezicht op of de begeleiding van de bewoners, onder meer met het oog op het creëren van sociale banden;
5° de hulp bij het bereiden en uitdelen van maaltijden aan de bewoners;
6° de bijstand en ondersteuning van de ploegen in het kader van diensten aan de bewoners.
De in lid 1 bedoelde activiteiten kunnen worden uitgevoerd ten behoeve van de volgende, door het "Agence wallonne pour une Vie de Qualité" (Waalse Agentschap voor de Kwaliteit van het Leven), kortweg AViQ, goedgekeurde structuren:
1° de volgende instellingen voor ouderen: rustoorden, rust- en verzorgingstehuizen, serviceflats, centra voor avond- en/of nachtopvang en kortstondig verblijf, zoals bedoeld in artikel 334, 2°, van het Waalse Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid;
2° de residentiële diensten voor jongeren (S.R.J.), bedoeld in artikel 1314/98 van het Reglementair deel van het Waals Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid;
3° de residentiële nachtdiensten voor volwassenen (S.R.N.A.), bedoeld in artikel 1199 van het Reglementair deel van het Waals Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid;
4° de dagonthaaldienst voor volwassenen (S.R.A.), bedoeld in artikel 1198 van het Reglementair deel van het Waals Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid;
5° de diensten voor huisvesting onder toezicht (S.L.S.), bedoeld in artikel 1200 van het Reglementair deel van het Waals Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid;
De in lid 1 bedoelde activiteiten beantwoorden aan behoeften waarin niet wordt voorzien door regelmatige arbeidscircuits, rekening houdend met de uitzonderlijke aard van de behoeften die worden veroorzaakt door de gevolgen van de COVID-19-pandemie. Deze activiteiten kunnen worden uitgevoerd zonder dat het PWA heeft vastgesteld dat zij in de betrokken gemeente niet door de reguliere arbeidscircuits worden opgevangen.
1° het bijstaan van de onderhoudsploegen bij het beheer van de hygiëne en de ontsmetting van de lokalen;
2° de bijstand aan (para)medische ploegen bij de voorbereiding van uitrusting;
3° de logistieke bijstand in verband met de inrichting van de ruimte en het voorraadbeheer;
4° de bijstand bij het toezicht op of de begeleiding van de bewoners, onder meer met het oog op het creëren van sociale banden;
5° de hulp bij het bereiden en uitdelen van maaltijden aan de bewoners;
6° de bijstand en ondersteuning van de ploegen in het kader van diensten aan de bewoners.
De in lid 1 bedoelde activiteiten kunnen worden uitgevoerd ten behoeve van de volgende, door het "Agence wallonne pour une Vie de Qualité" (Waalse Agentschap voor de Kwaliteit van het Leven), kortweg AViQ, goedgekeurde structuren:
1° de volgende instellingen voor ouderen: rustoorden, rust- en verzorgingstehuizen, serviceflats, centra voor avond- en/of nachtopvang en kortstondig verblijf, zoals bedoeld in artikel 334, 2°, van het Waalse Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid;
2° de residentiële diensten voor jongeren (S.R.J.), bedoeld in artikel 1314/98 van het Reglementair deel van het Waals Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid;
3° de residentiële nachtdiensten voor volwassenen (S.R.N.A.), bedoeld in artikel 1199 van het Reglementair deel van het Waals Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid;
4° de dagonthaaldienst voor volwassenen (S.R.A.), bedoeld in artikel 1198 van het Reglementair deel van het Waals Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid;
5° de diensten voor huisvesting onder toezicht (S.L.S.), bedoeld in artikel 1200 van het Reglementair deel van het Waals Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid;
De in lid 1 bedoelde activiteiten beantwoorden aan behoeften waarin niet wordt voorzien door regelmatige arbeidscircuits, rekening houdend met de uitzonderlijke aard van de behoeften die worden veroorzaakt door de gevolgen van de COVID-19-pandemie. Deze activiteiten kunnen worden uitgevoerd zonder dat het PWA heeft vastgesteld dat zij in de betrokken gemeente niet door de reguliere arbeidscircuits worden opgevangen.
Art. 8. Peuvent être effectuées, pour l'application de l'article 79 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage, entre le 1er novembre 2020 et le 30 juin 2021, au profit des personnes visées à l'alinéa 2, les activités suivantes :
1° l'aide aux équipes d'entretien dans l'administration des actes d'hygiène et de désinfection des lieux ;
2° l'aide aux équipes (para)médicales dans la préparation du matériel ;
3° l'aide logistique liée à l'aménagement des lieux et à la gestion des stocks ;
4° l'aide à la surveillance ou à l'accompagnement des résidents, en ce compris dans un objectif de création de liens sociaux ;
5° l'aide à la préparation et à la distribution des repas aux résidents ;
6° l'aide et le soutien des équipes dans le cadre des services aux résidents.
Les activités visées à l'alinéa 1er peuvent être effectuées au profit des structures suivantes agréées par l'Agence wallonne pour une Vie de Qualité, en abrégé l'AViQ :
1° des établissements pour aînés suivants : maisons de repos, maisons de repos et de soins, résidences-services, centres d'accueil de soirée et/ou de nuit et courts séjours, visés par l'article 334, 2°, du Code wallon de l'Action sociale et de la Santé ;
2° des services résidentiels pour jeunes (S.R.J.), visés à l'article 1314/98 du Code réglementaire wallon de l'Action sociale et de la Santé ;
3° des services résidentiels de nuit pour adultes (S.R.N.A.), visés par l'article 1199 du Code réglementaire wallon de l'Action sociale et de la Santé ;
4° des services résidentiels pour adultes (S.R.A.), visés par l'article 1198 du Code réglementaire wallon de l'Action sociale et de la Santé ;
5° des services de logements supervisés (S.L.S.), visés par l'article 1200 du Code réglementaire wallon de l'Action sociale et de la Santé.
Les activités visées à l'alinéa 1er répondent à des besoins non rencontrés par les circuits de travail réguliers compte tenu du caractère exceptionnel des besoins provoqués par les conséquences de la pandémie COVID-19. Ces activités peuvent être effectuées sans que l'ALE ait constaté qu'elles ne sont, dans la commune concernée, pas rencontrées par les circuits de travail réguliers.
1° l'aide aux équipes d'entretien dans l'administration des actes d'hygiène et de désinfection des lieux ;
2° l'aide aux équipes (para)médicales dans la préparation du matériel ;
3° l'aide logistique liée à l'aménagement des lieux et à la gestion des stocks ;
4° l'aide à la surveillance ou à l'accompagnement des résidents, en ce compris dans un objectif de création de liens sociaux ;
5° l'aide à la préparation et à la distribution des repas aux résidents ;
6° l'aide et le soutien des équipes dans le cadre des services aux résidents.
Les activités visées à l'alinéa 1er peuvent être effectuées au profit des structures suivantes agréées par l'Agence wallonne pour une Vie de Qualité, en abrégé l'AViQ :
1° des établissements pour aînés suivants : maisons de repos, maisons de repos et de soins, résidences-services, centres d'accueil de soirée et/ou de nuit et courts séjours, visés par l'article 334, 2°, du Code wallon de l'Action sociale et de la Santé ;
2° des services résidentiels pour jeunes (S.R.J.), visés à l'article 1314/98 du Code réglementaire wallon de l'Action sociale et de la Santé ;
3° des services résidentiels de nuit pour adultes (S.R.N.A.), visés par l'article 1199 du Code réglementaire wallon de l'Action sociale et de la Santé ;
4° des services résidentiels pour adultes (S.R.A.), visés par l'article 1198 du Code réglementaire wallon de l'Action sociale et de la Santé ;
5° des services de logements supervisés (S.L.S.), visés par l'article 1200 du Code réglementaire wallon de l'Action sociale et de la Santé.
Les activités visées à l'alinéa 1er répondent à des besoins non rencontrés par les circuits de travail réguliers compte tenu du caractère exceptionnel des besoins provoqués par les conséquences de la pandémie COVID-19. Ces activités peuvent être effectuées sans que l'ALE ait constaté qu'elles ne sont, dans la commune concernée, pas rencontrées par les circuits de travail réguliers.
Art. 9. § 1. In afwijking van artikel 79, § 4, eerste lid, van hetzelfde koninklijk besluit wordt tussen 1 november 2020 en 30 juni 2021 een persoon die is ingeschreven bij een PWA en die voldoet aan de volgende cumulatieve voorwaarden, beschouwd als langdurig werkloos en die werkzaamheden mag verrichten in het kader van een PWA:
1° sinds ten minste twaalf maanden ingeschreven zijn als niet-werkende werkzoekende bij de "Office wallon de la formation professionnelle et de l'emploi" (Waalse dienst voor beroepsopleiding en arbeidsbemiddeling), afgekort "FOREm" ;
2° genieten van een werkloosheids-, inschakelings- of beschermingsuitkering of genieten van een leefloon of financiële sociale hulp
§ 2. In afwijking van artikel 79, § 9, eerste lid, 2°, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, mag maximaal vijftig procent van het bedrag dat bestemd is voor de financiering van de vormingen van de werklozen die zijn ingeschreven bij het Plaatselijk Werkgelegenheidsagentschap worden gebruikt voor de aankoop van materiaal en producten voor de sanitaire veiligheid van het PWA-personeel, met inbegrip van personeel dat door FOREm is gedetacheerd en werknemers die werkzaamheden verrichten in het kader van een PWA arbeidsovereenkomst, alsmede voor de extra kosten voor het schoonmaken van de lokalen van het PWA en de aankoop van apparatuur waarmee het personeel op afstand kan werken om de continuïteit van de dienstverlening te waarborgen.
Het eerste lid is uitsluitend van toepassing op de inkomsten van de jaren 2019 en 2020 waarvoor het PWA uiterlijk op 31 december 2021 aan de verplichting van artikel 79, § 9, eerste lid, 2°, van hetzelfde koninklijk besluit moet hebben voldaan, en op voorwaarde dat de in lid 1 bedoelde werkzaamheden worden verricht in de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2021 voor de ontvangsten in verband met het jaar 2019 en in de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021 voor de ontvangsten in verband met het jaar 2020.
In afwijking van artikel 79, § 9, derde lid, van hetzelfde koninklijk besluit wordt de verplichting om ten minste vijfentwintig procent van het in artikel 79, § 9, eerste lid, 2°, van hetzelfde koninklijk besluit bedoelde bedrag met betrekking tot de inkomsten voor het jaar 2019 te gebruiken voor de financiering van de opleidingskosten van de in het PWA ingeschreven werklozen, uitgesteld tot uiterlijk 31 december 2021.
In afwijking van artikel 79, § 9, derde lid, van hetzelfde koninklijk besluit wordt het ongebruikte saldo van de vijfentwintig procent van het in artikel 79, § 9, eerste lid, 2°, van hetzelfde koninklijk besluit bedoelde bedrag, dat betrekking heeft op de ontvangsten van het jaar 2019, bedoeld in het derde lid, en het saldo met betrekking tot de ontvangsten van het jaar 2020 en waarvoor het PWA uiterlijk op 31 december 2021 aan zijn verplichting, bedoeld in artikel 79, § 9, eerste lid, 2°, moet hebben voldaan, gestort aan FOREm.
De FOREm wijdt de bedragen, gevormd door de som van de niet-gebruikte saldi, bedoeld in het vierde lid, aan de financiering van de opleidingsuitgaven voor de werklozen die zijn ingeschreven in het kader van het PWA, boven vijfentwintig procent van het bedrag bedoeld in artikel 79, § 9, eerste lid, 2°, van hetzelfde koninklijk besluit dat betrekking heeft op de inkomsten voor het jaar 2019 en het bedrag dat betrekking heeft op de inkomsten voor het jaar 2020, onverminderd het eerste lid.
Het PWA dat in aanmerking wenst te komen voor de in lid 5 bedoelde financiering, dient vóór 1 juli 2022 een aanvraag in bij FOREm, samen met een kopie van de bewijsstukken voor de extra opleidingsuitgaven in de jaren 2020 en 2021, voor inkomsten met betrekking tot het jaar 2019, en in het jaar 2021, voor inkomsten met betrekking tot het jaar 2020.
Naar gelang van het aantal PWA's die een verzoek hebben ingediend, overeenkomstig lid 6, en in verhouding tot het bedrag van hun extra uitgaven, verdeelt FOREm de financiering gelijkelijk over de agentschappen die hun uitgaven binnen de in lid 6 genoemde termijn verantwoorden.
De aan het Agentschap overeenkomstig lid 7 toegekende financiering mag in geen geval meer bedragen dan de werkelijk gemaakte vormingskosten.
1° sinds ten minste twaalf maanden ingeschreven zijn als niet-werkende werkzoekende bij de "Office wallon de la formation professionnelle et de l'emploi" (Waalse dienst voor beroepsopleiding en arbeidsbemiddeling), afgekort "FOREm" ;
2° genieten van een werkloosheids-, inschakelings- of beschermingsuitkering of genieten van een leefloon of financiële sociale hulp
§ 2. In afwijking van artikel 79, § 9, eerste lid, 2°, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, mag maximaal vijftig procent van het bedrag dat bestemd is voor de financiering van de vormingen van de werklozen die zijn ingeschreven bij het Plaatselijk Werkgelegenheidsagentschap worden gebruikt voor de aankoop van materiaal en producten voor de sanitaire veiligheid van het PWA-personeel, met inbegrip van personeel dat door FOREm is gedetacheerd en werknemers die werkzaamheden verrichten in het kader van een PWA arbeidsovereenkomst, alsmede voor de extra kosten voor het schoonmaken van de lokalen van het PWA en de aankoop van apparatuur waarmee het personeel op afstand kan werken om de continuïteit van de dienstverlening te waarborgen.
Het eerste lid is uitsluitend van toepassing op de inkomsten van de jaren 2019 en 2020 waarvoor het PWA uiterlijk op 31 december 2021 aan de verplichting van artikel 79, § 9, eerste lid, 2°, van hetzelfde koninklijk besluit moet hebben voldaan, en op voorwaarde dat de in lid 1 bedoelde werkzaamheden worden verricht in de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2021 voor de ontvangsten in verband met het jaar 2019 en in de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021 voor de ontvangsten in verband met het jaar 2020.
In afwijking van artikel 79, § 9, derde lid, van hetzelfde koninklijk besluit wordt de verplichting om ten minste vijfentwintig procent van het in artikel 79, § 9, eerste lid, 2°, van hetzelfde koninklijk besluit bedoelde bedrag met betrekking tot de inkomsten voor het jaar 2019 te gebruiken voor de financiering van de opleidingskosten van de in het PWA ingeschreven werklozen, uitgesteld tot uiterlijk 31 december 2021.
In afwijking van artikel 79, § 9, derde lid, van hetzelfde koninklijk besluit wordt het ongebruikte saldo van de vijfentwintig procent van het in artikel 79, § 9, eerste lid, 2°, van hetzelfde koninklijk besluit bedoelde bedrag, dat betrekking heeft op de ontvangsten van het jaar 2019, bedoeld in het derde lid, en het saldo met betrekking tot de ontvangsten van het jaar 2020 en waarvoor het PWA uiterlijk op 31 december 2021 aan zijn verplichting, bedoeld in artikel 79, § 9, eerste lid, 2°, moet hebben voldaan, gestort aan FOREm.
De FOREm wijdt de bedragen, gevormd door de som van de niet-gebruikte saldi, bedoeld in het vierde lid, aan de financiering van de opleidingsuitgaven voor de werklozen die zijn ingeschreven in het kader van het PWA, boven vijfentwintig procent van het bedrag bedoeld in artikel 79, § 9, eerste lid, 2°, van hetzelfde koninklijk besluit dat betrekking heeft op de inkomsten voor het jaar 2019 en het bedrag dat betrekking heeft op de inkomsten voor het jaar 2020, onverminderd het eerste lid.
Het PWA dat in aanmerking wenst te komen voor de in lid 5 bedoelde financiering, dient vóór 1 juli 2022 een aanvraag in bij FOREm, samen met een kopie van de bewijsstukken voor de extra opleidingsuitgaven in de jaren 2020 en 2021, voor inkomsten met betrekking tot het jaar 2019, en in het jaar 2021, voor inkomsten met betrekking tot het jaar 2020.
Naar gelang van het aantal PWA's die een verzoek hebben ingediend, overeenkomstig lid 6, en in verhouding tot het bedrag van hun extra uitgaven, verdeelt FOREm de financiering gelijkelijk over de agentschappen die hun uitgaven binnen de in lid 6 genoemde termijn verantwoorden.
De aan het Agentschap overeenkomstig lid 7 toegekende financiering mag in geen geval meer bedragen dan de werkelijk gemaakte vormingskosten.
Art. 9. § 1er. Par dérogation à l'article 79, § 4, alinéa 1er, du même arrêté royal, entre le 1er novembre 2020 et le 30 juin 2021, est considérée comme chômeur de longue durée qui peut effectuer des activités dans le cadre d'une ALE, la personne inscrite auprès d'une ALE et répondant aux conditions cumulatives suivantes :
1° être inscrite depuis au moins douze mois en tant que demandeur d'emploi inoccupé auprès de l'Office wallon de la Formation professionnelle et de l'Emploi, ci-après dénommé FOREm ;
2° bénéficier d'allocations de chômage, d'insertion ou de sauvegarde ou bénéficier du revenu d'intégration sociale ou de l'aide sociale financière.
§ 2. Par dérogation à l'article 79, § 9, alinéa 1er, 2°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage, cinquante pour cent maximum du montant devant servir à financer les formations au profit des chômeurs inscrits à l'ALE peuvent être utilisés pour l'achat d'équipements et de produits visant à assurer la sécurité sanitaire du personnel de l'ALE, en ce compris des agents détachés du FOREm et des travailleurs effectuant des prestations de travail dans le cadre d'un contrat de travail ALE, ainsi que pour les frais supplémentaires de nettoyage des locaux de l'ALE et les achats de matériel permettant au personnel de travailler à distance pour assurer la continuité du service.
L'alinéa 1er s'applique exclusivement aux recettes des années 2019 et 2020 pour lesquelles l'ALE doit avoir rempli son obligation, fixée à l'article 79, § 9, alinéa 1er, 2°, du même arrêté royal, au 31 décembre 2021 au plus tard, et à condition que les achats, visés à l'alinéa 1er, soient effectués durant la période qui s'étend du 1er janvier 2020 au 31 décembre 2021, pour les recettes ayant trait à l'année 2019, et durant la période qui s'étend au 1er janvier 2021 au 31 décembre 2021, pour les recettes ayant trait à l'année 2020.
Par dérogation à l'article 79, § 9, alinéa 3, du même arrêté royal, l'obligation d'utiliser, au financement des dépenses de formation des chômeurs inscrits à l'ALE, au moins vingt-cinq pour cent du montant visé à l'article 79, § 9, alinéa 1er, 2°, du même arrêté royal, relatif aux recettes ayant trait à l'année 2019, est reportée, au plus tard, au 31 décembre 2021.
Par dérogation à l'article 79, § 9, alinéa 3, du même arrêté royal, le solde non utilisé des vingt-cinq pour cent du montant visé à l'article 79, § 9, alinéa 1er, 2°, du même arrêté royal précité, qui a trait aux recettes de l'année 2019, visé à alinéa 3 et celui qui a trait aux recettes de l'année 2020 et pour lequel l'ALE doit avoir rempli son obligation, fixée à l'article 79, § 9, alinéa 1er, 2°, au plus tard le 31 décembre 2021, est versé au FOREm.
Le FOREM consacre les montants constitués par la somme des soldes non utilisés visés à l'alinéa 4, au financement des dépenses de formation des chômeurs inscrits à l'ALE, supérieures à vingt-cinq pour cent du montant visé à l'article 79, § 9, alinéa 1er, 2°, du même arrêté royal qui a trait aux recettes de l'année 2019 et de celui qui a trait aux recettes de l'année 2020, sans préjudice de l'alinéa 1er.
L'ALE qui souhaite bénéficier du financement, visé à l'alinéa 5, adresse une demande au FOREm avant le 1er juillet 2022, et y joint une copie des pièces justificatives des dépenses supplémentaires de formation exposées pendant les années 2020 et 2021, pour les recettes ayant trait à l'année 2019, et pendant l'année 2021, pour les recettes ayant trait à l'année 2020.
En fonction du nombre d'ALE ayant introduit une demande, conformément à l'alinéa 6, et proportionnellement au montant de leurs dépenses supplémentaires, le FOREm répartit de manière égale le financement entre les agences qui justifient leurs dépenses dans le délai imparti visé à l'alinéa 6.
Le financement attribué à l'ALE, conformément à l'alinéa 7 ne peut en aucun cas dépasser les coûts de formation effectivement supportés.
1° être inscrite depuis au moins douze mois en tant que demandeur d'emploi inoccupé auprès de l'Office wallon de la Formation professionnelle et de l'Emploi, ci-après dénommé FOREm ;
2° bénéficier d'allocations de chômage, d'insertion ou de sauvegarde ou bénéficier du revenu d'intégration sociale ou de l'aide sociale financière.
§ 2. Par dérogation à l'article 79, § 9, alinéa 1er, 2°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage, cinquante pour cent maximum du montant devant servir à financer les formations au profit des chômeurs inscrits à l'ALE peuvent être utilisés pour l'achat d'équipements et de produits visant à assurer la sécurité sanitaire du personnel de l'ALE, en ce compris des agents détachés du FOREm et des travailleurs effectuant des prestations de travail dans le cadre d'un contrat de travail ALE, ainsi que pour les frais supplémentaires de nettoyage des locaux de l'ALE et les achats de matériel permettant au personnel de travailler à distance pour assurer la continuité du service.
L'alinéa 1er s'applique exclusivement aux recettes des années 2019 et 2020 pour lesquelles l'ALE doit avoir rempli son obligation, fixée à l'article 79, § 9, alinéa 1er, 2°, du même arrêté royal, au 31 décembre 2021 au plus tard, et à condition que les achats, visés à l'alinéa 1er, soient effectués durant la période qui s'étend du 1er janvier 2020 au 31 décembre 2021, pour les recettes ayant trait à l'année 2019, et durant la période qui s'étend au 1er janvier 2021 au 31 décembre 2021, pour les recettes ayant trait à l'année 2020.
Par dérogation à l'article 79, § 9, alinéa 3, du même arrêté royal, l'obligation d'utiliser, au financement des dépenses de formation des chômeurs inscrits à l'ALE, au moins vingt-cinq pour cent du montant visé à l'article 79, § 9, alinéa 1er, 2°, du même arrêté royal, relatif aux recettes ayant trait à l'année 2019, est reportée, au plus tard, au 31 décembre 2021.
Par dérogation à l'article 79, § 9, alinéa 3, du même arrêté royal, le solde non utilisé des vingt-cinq pour cent du montant visé à l'article 79, § 9, alinéa 1er, 2°, du même arrêté royal précité, qui a trait aux recettes de l'année 2019, visé à alinéa 3 et celui qui a trait aux recettes de l'année 2020 et pour lequel l'ALE doit avoir rempli son obligation, fixée à l'article 79, § 9, alinéa 1er, 2°, au plus tard le 31 décembre 2021, est versé au FOREm.
Le FOREM consacre les montants constitués par la somme des soldes non utilisés visés à l'alinéa 4, au financement des dépenses de formation des chômeurs inscrits à l'ALE, supérieures à vingt-cinq pour cent du montant visé à l'article 79, § 9, alinéa 1er, 2°, du même arrêté royal qui a trait aux recettes de l'année 2019 et de celui qui a trait aux recettes de l'année 2020, sans préjudice de l'alinéa 1er.
L'ALE qui souhaite bénéficier du financement, visé à l'alinéa 5, adresse une demande au FOREm avant le 1er juillet 2022, et y joint une copie des pièces justificatives des dépenses supplémentaires de formation exposées pendant les années 2020 et 2021, pour les recettes ayant trait à l'année 2019, et pendant l'année 2021, pour les recettes ayant trait à l'année 2020.
En fonction du nombre d'ALE ayant introduit une demande, conformément à l'alinéa 6, et proportionnellement au montant de leurs dépenses supplémentaires, le FOREm répartit de manière égale le financement entre les agences qui justifient leurs dépenses dans le délai imparti visé à l'alinéa 6.
Le financement attribué à l'ALE, conformément à l'alinéa 7 ne peut en aucun cas dépasser les coûts de formation effectivement supportés.
Art. 10. § 1. In afwijking van artikel 79bis, § 2, lid 1, van hetzelfde koninklijk besluit wordt de aankoopprijs van de PWA-cheques voor de activiteiten bedoeld in artikel 8, lid 1, vastgesteld op 7,45 euro.
§ 2 In afwijking van artikel 79bis, § 4, lid 2, van hetzelfde koninklijk besluit wordt tussen 30 november 2020 en 30 juni 2021 het maximumaantal uren activiteit dat door de PWA-werknemer kan worden uitgeoefend, vastgesteld op 70 uur per kalendermaand.
§ 2 In afwijking van artikel 79bis, § 4, lid 2, van hetzelfde koninklijk besluit wordt tussen 30 november 2020 en 30 juni 2021 het maximumaantal uren activiteit dat door de PWA-werknemer kan worden uitgeoefend, vastgesteld op 70 uur per kalendermaand.
Art. 10. § 1er. Par dérogation à l'article 79bis, § 2, alinéa 1er, du même arrêté royal, le prix d'acquisition des chèques-ALE pour les activités visées à l'article 8, alinéa 1er est fixé à 7,45 euros.
§ 2. Par dérogation à l'article 79bis, § 4, alinéa 2, du même arrêté royal, entre le 30 novembre 2020 et le 30 juin 2021, le nombre maximum d'heures d'activités qui peuvent être effectuées par le travailleur ALE est fixé à 70 heures par mois calendrier.
§ 2. Par dérogation à l'article 79bis, § 4, alinéa 2, du même arrêté royal, entre le 30 novembre 2020 et le 30 juin 2021, le nombre maximum d'heures d'activités qui peuvent être effectuées par le travailleur ALE est fixé à 70 heures par mois calendrier.
Art. 11. Op basis van de door de AViQ vastgestelde verdeling van het aantal PWA-cheques dat voor elke in artikel 8, lid 2, bedoelde persoon is gereserveerd, financiert FOREm ten behoeve van de in artikel 8, lid 2, bedoelde personen in totaal 5.000 PWA-cheques voor de uitvoering van de in artikel 8, lid 1, bedoelde activiteiten. De verdeling van de 5.000 PWA-cheques over de verschillende personen bedoeld in artikel 8, lid 2, wordt door AViQ vastgesteld en vóór 15 december 2020 aan FOREm meegedeeld.
De FOREm betaalt een bedrag dat gelijk is aan de aankoopwaarde van het aantal PWA-cheques dat volgens de door de AViQ vastgestelde verdeling wordt toegekend aan de in artikel 8, lid 2, bedoelde personen op het grondgebied van het betrokken PWA. Het door de FOREm betaalde bedrag wordt door het PWA gebruikt om niet-nominatieve cheques voor de in artikel 8, lid 1, bedoelde activiteiten te bestellen.
Indien de aan de in artikel 8, lid 2, bedoelde structuren toegekende cheques niet worden gebruikt, wisselt de PWA deze in en gebruikt zij de bedragen voor de opleiding van de bij haar geregistreerde werkzoekenden.
Mits en zodra de in lid 1 bedoelde structuren bij het betrokken PWA zijn geregistreerd, verdeelt het PWA, in overeenstemming met de door de AViQ vastgestelde verdeling, PWA-cheques onder de PWA-dienstverleners voor de gepresteerde uren die zij aan de in lid 1 bedoelde structuren verstrekken.
De FOREm betaalt een bedrag dat gelijk is aan de aankoopwaarde van het aantal PWA-cheques dat volgens de door de AViQ vastgestelde verdeling wordt toegekend aan de in artikel 8, lid 2, bedoelde personen op het grondgebied van het betrokken PWA. Het door de FOREm betaalde bedrag wordt door het PWA gebruikt om niet-nominatieve cheques voor de in artikel 8, lid 1, bedoelde activiteiten te bestellen.
Indien de aan de in artikel 8, lid 2, bedoelde structuren toegekende cheques niet worden gebruikt, wisselt de PWA deze in en gebruikt zij de bedragen voor de opleiding van de bij haar geregistreerde werkzoekenden.
Mits en zodra de in lid 1 bedoelde structuren bij het betrokken PWA zijn geregistreerd, verdeelt het PWA, in overeenstemming met de door de AViQ vastgestelde verdeling, PWA-cheques onder de PWA-dienstverleners voor de gepresteerde uren die zij aan de in lid 1 bedoelde structuren verstrekken.
Art. 11. Sur la base de la répartition, fixée par l'AViQ, du nombre de chèques ALE réservés à chaque personne visée à l'article 8, alinéa 2, le FOREm finance, au bénéfice des personnes visées à l'article 8, alinéa 2, un total de 5 000 chèques-ALE pour la réalisation des activités visées à l'article 8, alinéa 1er. La répartition des 5 000 chèques-ALE entre les différentes personnes visées à l'article 8, alinéa 2, est décidée par l'AViQ et communiquée au FOREM avant le 15 décembre 2020.
Le FOREm verse, à chaque ALE, un montant équivalant à la valeur d'achat du nombre de chèques-ALE attribués, selon la répartition décidée par l'AViQ, aux personnes visées à l'article 8, alinéa 2, relevant du territoire de l'ALE concernée. Le montant versé par le FOREm est utilisé par l'ALE pour commander des chèques non-nominatifs pour les activités visées à l'article 8, alinéa 1er.
Si les chèques octroyés aux structures visées à l'article 8, alinéa 2 ne sont pas utilisés, l'ALE les échange et utilise les montants pour la formation des demandeurs d'emploi inscrits chez elle.
A condition et dès que les structures visées à l'alinéa 1er sont inscrites auprès de l'ALE concernée, cette dernière distribue, conformément à la répartition décidée par l'AViQ, les chèques-ALE aux prestataires ALE pour les heures de prestations qu'ils effectuent au bénéfice des structures visées à l'alinéa 1er.
Le FOREm verse, à chaque ALE, un montant équivalant à la valeur d'achat du nombre de chèques-ALE attribués, selon la répartition décidée par l'AViQ, aux personnes visées à l'article 8, alinéa 2, relevant du territoire de l'ALE concernée. Le montant versé par le FOREm est utilisé par l'ALE pour commander des chèques non-nominatifs pour les activités visées à l'article 8, alinéa 1er.
Si les chèques octroyés aux structures visées à l'article 8, alinéa 2 ne sont pas utilisés, l'ALE les échange et utilise les montants pour la formation des demandeurs d'emploi inscrits chez elle.
A condition et dès que les structures visées à l'alinéa 1er sont inscrites auprès de l'ALE concernée, cette dernière distribue, conformément à la répartition décidée par l'AViQ, les chèques-ALE aux prestataires ALE pour les heures de prestations qu'ils effectuent au bénéfice des structures visées à l'alinéa 1er.
Art. 12. Artikel 11 van het besluit van de Waalse Regering van bijzondere machten nr. 51 van 16 juni 2020 betreffende de afbouwmaatregelen COVID-19 inzake werkgelegenheid en socio professionele inschakeling, sociale economie inbegrepen, wordt opgeheven.
Art. 12. L'article 11 de l'arrêté du Gouvernement wallon de pouvoirs spéciaux n° 51 du 16 juin 2020 relatif au déconfinement COVID-19, en matière d'emploi et d'insertion socioprofessionnelle, en ce compris dans le secteur de l'économie sociale est abrogé.
Afdeling 2. - Dienstencheques
Section 2. - Titres-services
Art. 13. Het Waalse Gewest kent voor de maanden november en december 2020 een toelage toe aan de erkende onderneming bedoeld in artikel 2, § 1, 6°, van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen, teneinde de bezoldiging, met inbegrip van de desbetreffende bijdragen, van de dienstencheque-werknemers van de onderneming erkend door het Waals Gewest, die in de betrokken maanden daadwerkelijk door het Waalse Gewest is gedragen, alsmede de overige uitgaven die voortvloeien uit de dienstencheque-activiteit, geheel of gedeeltelijk te dekken.
Het maandelijkse bedrag van de in het eerste lid bedoelde toelage is gelijk aan (a - b) X c
waar:
- "a" is gelijk aan het aantal uren dat de erkende onderneming gedurende de betrokken maand voor al haar dienstencheque-werknemers heeft betaald;
- "b" is gelijk aan het aantal dienstencheques dat overeenkomt met de prestaties die de werknemers van de erkende onderneming gedurende de betrokken maand hebben verleend;
- "c" is gelijk aan 18 euro.
Het aantal uren waarvoor de erkende onderneming gedurende de betreffende maand, voor elke dienstencheque-werknemer, een toelage zal ontvangen, mag niet groter zijn dan het aantal daadwerkelijk betaalde uren of het hoogste van de volgende aantallen :
1° het aantal uren voorzien in de arbeidsovereenkomst van de dienstencheque-werknemer, met inbegrip van de aanhangsels, van toepassing in de maand oktober 2020;
2° of het aantal betaalde uren van de dienstencheque-werknemer tijdens dezelfde maand van 2019.
Om in aanmerking te komen voor de in lid 1 bedoelde toelage deelt de erkende onderneming aan de maatschappij die dienstencheques voor het Waalse Gewest uitgeeft, uiterlijk binnen 30 dagen na het einde van de betrokken maand, het aantal betaalde uren voor elke dienstencheque-werknemer in de betrokken maand mee, zoals bedoeld in het eerste lid.
De toelage bedoeld in het eerste lid en berekend overeenkomstig het tweede lid wordt door de onderneming die dienstencheques voor het Waalse Gewest uitgeeft binnen 7 werkdagen na de in het lid 4 bedoelde kennisgeving uitbetaald.
Indien het aantal betaalde uren dat door de erkende onderneming overeenkomstig het vierde lid is meegedeeld, hoger is dan de in het tweede en derde lid vastgestelde maxima, wordt het daaruit voortvloeiende verschil in de berekening van de toelage, overeenkomstig lid 2, door de FOREm met alle wettelijke middelen teruggevorderd.
In de zin van dit artikel wordt onder een dienstencheque-werknemer verstaan, de werknemer met een arbeidsovereenkomst dienstencheques in de zin van artikel 1, eerste lid, 9°, van het koninklijk besluit van 12 december 2001 betreffende de dienstencheques, en voor de prestaties die hij verleent aan een gebruiker die zijn hoofdverblijfplaats in het Waals Gewest heeft.
Het maandelijkse bedrag van de in het eerste lid bedoelde toelage is gelijk aan (a - b) X c
waar:
- "a" is gelijk aan het aantal uren dat de erkende onderneming gedurende de betrokken maand voor al haar dienstencheque-werknemers heeft betaald;
- "b" is gelijk aan het aantal dienstencheques dat overeenkomt met de prestaties die de werknemers van de erkende onderneming gedurende de betrokken maand hebben verleend;
- "c" is gelijk aan 18 euro.
Het aantal uren waarvoor de erkende onderneming gedurende de betreffende maand, voor elke dienstencheque-werknemer, een toelage zal ontvangen, mag niet groter zijn dan het aantal daadwerkelijk betaalde uren of het hoogste van de volgende aantallen :
1° het aantal uren voorzien in de arbeidsovereenkomst van de dienstencheque-werknemer, met inbegrip van de aanhangsels, van toepassing in de maand oktober 2020;
2° of het aantal betaalde uren van de dienstencheque-werknemer tijdens dezelfde maand van 2019.
Om in aanmerking te komen voor de in lid 1 bedoelde toelage deelt de erkende onderneming aan de maatschappij die dienstencheques voor het Waalse Gewest uitgeeft, uiterlijk binnen 30 dagen na het einde van de betrokken maand, het aantal betaalde uren voor elke dienstencheque-werknemer in de betrokken maand mee, zoals bedoeld in het eerste lid.
De toelage bedoeld in het eerste lid en berekend overeenkomstig het tweede lid wordt door de onderneming die dienstencheques voor het Waalse Gewest uitgeeft binnen 7 werkdagen na de in het lid 4 bedoelde kennisgeving uitbetaald.
Indien het aantal betaalde uren dat door de erkende onderneming overeenkomstig het vierde lid is meegedeeld, hoger is dan de in het tweede en derde lid vastgestelde maxima, wordt het daaruit voortvloeiende verschil in de berekening van de toelage, overeenkomstig lid 2, door de FOREm met alle wettelijke middelen teruggevorderd.
In de zin van dit artikel wordt onder een dienstencheque-werknemer verstaan, de werknemer met een arbeidsovereenkomst dienstencheques in de zin van artikel 1, eerste lid, 9°, van het koninklijk besluit van 12 december 2001 betreffende de dienstencheques, en voor de prestaties die hij verleent aan een gebruiker die zijn hoofdverblijfplaats in het Waals Gewest heeft.
Art. 13. La Région wallonne octroie une subvention à l'entreprise agréée, visée à l'article 2, § 1er, 6°, de la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité, pour les mois de novembre et décembre 2020, afin de couvrir, en tout ou en partie, la rémunération, en ce compris les cotisations y relatives, des travailleurs titres-services, de l'entreprise agréée par la Région wallonne, qui a été effectivement supportée par cette dernière au cours des mois concernés, ainsi que les autres dépenses résultant de l'activité titres-services.
Le montant mensuel de la subvention, visée à l'alinéa 1er, est égal à (a - b) X c
où :
- " a " est égal au nombre d'heures rémunérées par l'entreprise agréée, au cours du mois concerné, pour l'ensemble de ses travailleurs titres-services ;
- " b " est égal au nombre de titres-services correspondant à des prestations titres-services réalisées par les travailleurs de l'entreprise agréée, au cours du mois concerné ;
- " c " est égal à 18 euros.
Le nombre d'heures pour lesquelles l'entreprise agréée percevra une subvention, au cours du mois concerné, pour chaque travailleur titres-services, ne peut être supérieur au nombre d'heures effectivement rémunérées ni au plus élevé des nombres suivants :
1° le nombre d'heures prévues par le contrat de travail du travailleur titres-services, en ce compris les avenants, d'application au cours du mois d'octobre 2020 ;
2° ou le nombre d'heures rémunérées du travailleur titres-services au cours du même mois de l'année 2019.
Pour bénéficier de la subvention visée à l'alinéa 1er, l'entreprise agréée communique à la société émettrice de titres-services pour la Région wallonne, au plus tard dans les 30 jours qui suivent la fin du mois concerné, le nombre d'heures rémunérées pour chaque travailleur titres-services, au cours du mois concerné, tel que visé à l'alinéa 1er.
La subvention, visée à l'alinéa 1er et calculée conformément à l'alinéa 2, est versée, par la société émettrice de titres-services pour la Région wallonne, dans les sept jours ouvrables après la communication visée à l'alinéa 4.
Si le nombre d'heures rémunérées, communiqué par l'entreprise agréée conformément à l'alinéa 4, est supérieur aux limites fixées par les alinéas 2 et 3, la différence qui en résulte dans le calcul de la subvention, conformément à l'alinéa 2, est récupérée par le FOREm par toute voie de droit.
Par travailleur titres-services, au sens du présent article, on entend le travailleur sous contrat de travail titres-services, au sens de l'article 1, alinéa 1er, 9°, de l'arrêté royal du 12 décembre 2001 concernant les titres-services, et pour les prestations qu'il effectue en faveur d'un utilisateur ayant sa résidence principale en Région wallonne.
Le montant mensuel de la subvention, visée à l'alinéa 1er, est égal à (a - b) X c
où :
- " a " est égal au nombre d'heures rémunérées par l'entreprise agréée, au cours du mois concerné, pour l'ensemble de ses travailleurs titres-services ;
- " b " est égal au nombre de titres-services correspondant à des prestations titres-services réalisées par les travailleurs de l'entreprise agréée, au cours du mois concerné ;
- " c " est égal à 18 euros.
Le nombre d'heures pour lesquelles l'entreprise agréée percevra une subvention, au cours du mois concerné, pour chaque travailleur titres-services, ne peut être supérieur au nombre d'heures effectivement rémunérées ni au plus élevé des nombres suivants :
1° le nombre d'heures prévues par le contrat de travail du travailleur titres-services, en ce compris les avenants, d'application au cours du mois d'octobre 2020 ;
2° ou le nombre d'heures rémunérées du travailleur titres-services au cours du même mois de l'année 2019.
Pour bénéficier de la subvention visée à l'alinéa 1er, l'entreprise agréée communique à la société émettrice de titres-services pour la Région wallonne, au plus tard dans les 30 jours qui suivent la fin du mois concerné, le nombre d'heures rémunérées pour chaque travailleur titres-services, au cours du mois concerné, tel que visé à l'alinéa 1er.
La subvention, visée à l'alinéa 1er et calculée conformément à l'alinéa 2, est versée, par la société émettrice de titres-services pour la Région wallonne, dans les sept jours ouvrables après la communication visée à l'alinéa 4.
Si le nombre d'heures rémunérées, communiqué par l'entreprise agréée conformément à l'alinéa 4, est supérieur aux limites fixées par les alinéas 2 et 3, la différence qui en résulte dans le calcul de la subvention, conformément à l'alinéa 2, est récupérée par le FOREm par toute voie de droit.
Par travailleur titres-services, au sens du présent article, on entend le travailleur sous contrat de travail titres-services, au sens de l'article 1, alinéa 1er, 9°, de l'arrêté royal du 12 décembre 2001 concernant les titres-services, et pour les prestations qu'il effectue en faveur d'un utilisateur ayant sa résidence principale en Région wallonne.
Art. 14. In afwijking van artikel 3, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 12 december 2001 betreffende de dienstencheques wordt de geldigheidsduur van de dienstencheques, waarvan de geldigheidsdatum de periode tussen 1 oktober 2020 en 31 maart 2021 bestrijkt, met 6 maanden verlengd.
In afwijking van artikel 3, § 3, lid 2, van hetzelfde besluit wordt voor dienstencheques waarvan de geldigheidsdatum de periode tussen 1 oktober 2020 en 31 maart 2021 bestrijkt, de periode waarin deze dienstencheques door de gebruiker of de erkende onderneming kunnen worden ingewisseld, met zes maanden verlengd.
In afwijking van artikel 3, § 3, lid 2, van hetzelfde besluit wordt voor dienstencheques waarvan de geldigheidsdatum de periode tussen 1 oktober 2020 en 31 maart 2021 bestrijkt, de periode waarin deze dienstencheques door de gebruiker of de erkende onderneming kunnen worden ingewisseld, met zes maanden verlengd.
Art. 14. Par dérogation à l'article 3, § 2, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 12 décembre 2001 concernant les titres-services, la durée de validité des titres-services, dont la date de validité couvre la période située entre le 1er octobre 2020 et 31 mars 2021, est prolongée d'une durée de six mois.
Par dérogation à l'article 3, § 3, alinéa 2, du même arrêté, pour les titres-services dont la date de validité couvre la période située entre le 1er octobre 2020 et le 31 mars 2021, la période pendant laquelle ces titres-services peuvent être échangés, par l'utilisateur ou l'entreprise agréée, est prolongée de six mois
Par dérogation à l'article 3, § 3, alinéa 2, du même arrêté, pour les titres-services dont la date de validité couvre la période située entre le 1er octobre 2020 et le 31 mars 2021, la période pendant laquelle ces titres-services peuvent être échangés, par l'utilisateur ou l'entreprise agréée, est prolongée de six mois
HOOFDSTUK IV. - Maatregelen met betrekking tot het begeleiden van niet-werkende werkzoekenden naar en in het werk
CHAPITRE IV. - Mesures relatives à l'accompagnement des demandeurs d'emploi inoccupés vers et dans l'emploi
Art. 15. In afwijking van artikel 16, leden 6 en 7, van het besluit van de Waalse Regering van 27 mei 2009 tot uitvoering van het decreet van 11 maart 2004 betreffende de erkenning en de subsidiëring van de gewestelijke zendingen voor arbeidsbemiddeling wordt elke gewestelijke zending voor arbeidsbemiddeling onweerlegbaar geacht de doelstellingen van haar jaarlijkse actieplan voor het jaar 2020 te hebben bereikt.
Art. 15. Par dérogation à l'article 16, alinéas 6 et 7, de l'arrêté du 27 mai 2009 portant exécution du décret du 11 mars 2004 relatif à l'agrément et au subventionnement des Missions régionales pour l'Emploi, chaque Mission régionale pour l'Emploi est irréfragablement réputée avoir atteint les objectifs de son plan d'action annuel pour l'année 2020.
Art. 16. Voor de toepassing van artikel 8, § 1, lid 2 en 3, b) van het besluit van de Waalse Regering van 27 mei 2009 tot uitvoering van het decreet van 11 maart 2004 betreffende de erkenning en de subsidiëring van de gewestelijke zendingen voor arbeidsbemiddeling wordt de telling van de maximumperiodes van driehonderdvijfenzestig dagen en honderdtachtig dagen voor de begeleidingen tussen 1 november 2020 en 31 maart 2021 opgeschort.
Art. 16. Pour l'application de l'article 8, § 1er, alinéas 2 et 3, b), de l'arrêté du 27 mai 2009 portant exécution du décret du 11 mars 2004 relatif à l'agrément et au subventionnement des missions régionales pour l'emploi, la comptabilisation des durées maximales de trois cent soixante-cinq jours et cent quatre-vingts jours, pour les accompagnements, est suspendue entre le 1er novembre 2020 et le 31 mars 2021.
Art. 17. De FOREm kent de gewestelijke zending voor arbeidsbemiddeling een financiële bijdrage toe van 500 euro per niet-werkende werkzoekende die hij aan de gewestelijke zending voor arbeidsbemiddeling toestuurt met het oog op een "jobcoaching" naar en in het werk bij de in artikel 8, lid 2, bedoelde structuren.
In afwijking van het eerste lid verleent FOREm aan de niet-werkende werkzoekende die het leefloon of de financiële sociale hulp ontvangen, een financiële bijdrage van 500 EUR per werkzoekende die hij naar het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn stuurt met het oog op de begeleiding van deze werkzoekenden naar en in het kader van de in artikel 8, tweede alinea, bedoelde structuren.
De in de leden 1 en 2 bedoelde steun wordt verleend aan de gewestelijke zendingen voor arbeidsbemiddeling en aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn voor "jobcoachings" en begeleidingen die uiterlijk op 31 december 2020 van start zijn gegaan.
In afwijking van het eerste lid verleent FOREm aan de niet-werkende werkzoekende die het leefloon of de financiële sociale hulp ontvangen, een financiële bijdrage van 500 EUR per werkzoekende die hij naar het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn stuurt met het oog op de begeleiding van deze werkzoekenden naar en in het kader van de in artikel 8, tweede alinea, bedoelde structuren.
De in de leden 1 en 2 bedoelde steun wordt verleend aan de gewestelijke zendingen voor arbeidsbemiddeling en aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn voor "jobcoachings" en begeleidingen die uiterlijk op 31 december 2020 van start zijn gegaan.
Art. 17. Le FOREm octroie, à la Mission régionale pour l'Emploi, une intervention financière de 500 euros par demandeur d'emploi inoccupé qu'il lui adresse en vue d'un jobcoaching vers et dans l'emploi auprès des structures visées à l'article 8, alinéa 2.
Par dérogation à l'alinéa 1er, lorsqu'il s'agit d'un demandeur d'emploi inoccupé qui bénéficie du revenu d'intégration sociale ou de l'aide sociale financière, le FOREm octroie, au centre public d'action sociale, une intervention financière de 500 euros par demandeur d'emploi qu'il lui adresse en vue d'un accompagnement vers et dans l'emploi auprès des structures visées à l'article 8, alinéa 2.
L'intervention visée aux alinéas 1er et 2 est octroyée aux Missions régionales pour l'Emploi et aux centres publics d'action sociale pour les jobcoachings et accompagnements qui ont commencé le 31 décembre 2020 au plus tard.
Par dérogation à l'alinéa 1er, lorsqu'il s'agit d'un demandeur d'emploi inoccupé qui bénéficie du revenu d'intégration sociale ou de l'aide sociale financière, le FOREm octroie, au centre public d'action sociale, une intervention financière de 500 euros par demandeur d'emploi qu'il lui adresse en vue d'un accompagnement vers et dans l'emploi auprès des structures visées à l'article 8, alinéa 2.
L'intervention visée aux alinéas 1er et 2 est octroyée aux Missions régionales pour l'Emploi et aux centres publics d'action sociale pour les jobcoachings et accompagnements qui ont commencé le 31 décembre 2020 au plus tard.
HOOFDSTUK V. - Maatregelen met betrekking tot de begeleiding en de steun voor zelftewerkstelling
CHAPITRE V. - Mesures relatives à l'accompagnement et à l'aide à l'autocréation d'emploi
Afdeling 1.-. Begeleidingsstructuren voor zelftewerkstelling
Section 1. - Structure d'accompagnement à l'autocréation d'emploi
Art. 18. In afwijking van artikel 3 van het decreet van 15 juli 2008 betreffende de "structures d'accompagnement à l'autocréation d'emploi" (begeleidingsstructuren voor zelftewerkstelling) kan de maximale duur van de begeleiding verlengd worden met een periode van 3 maanden voor begunstigden wier begeleiding in de periode van 1 november 2020 tot en met 31 maart 2021 liep of is begonnen.
Art. 18. Par dérogation à l'article 3 du décret du 15 juillet 2008 relatif aux structures d'accompagnement à l'autocréation d'emploi, les durées maximales de l'accompagnement peuvent être prolongées pour une période de 3 mois pour les bénéficiaires dont l'accompagnement était en cours ou a démarré durant la période allant du 1er novembre au 31 mars 2021.
Afdeling 2.-. Maatregelen betreffende steunverlening voor banencreatie via de bevordering van overgang naar het statuut van zelfstandige als hoofdactiviteit
Section 2. - Mesures relatives au soutien à la création d'emploi favorisant la transition vers le statut d'indépendant à titre principal
Art. 19. In afwijking van artikel 3, eerste lid, 1°, c), van het decreet van 27 oktober 2011 betreffende steunverlening voor banencreatie via de bevordering van beroepsovergang naar het statuut van zelfstandige als hoofdactiviteit, kan de financiële incentive worden toegekend aan de persoon die de incentive aanvraagt en wiens uitoefening van de zelfstandige activiteit tijdelijk wordt onderbroken tussen 1 juni 2020 en 31 maart 2021 als gevolg van de COVID-19-epidemie.
In afwijking van artikel 3, eerste lid, 1°, d) en 2°, c), van hetzelfde decreet kan de financiële incentive worden gecumuleerd met beroepsinkomens, werkloosheidsuitkeringen, wachtuitkeringen, leefloon, vervangingsinkomens, financiële sociale hulp of overbruggingsrecht, op voorwaarde dat de persoon die de financiële incentive aanvraagt, in de periode tussen 1 juni 2020 en 31 maart 2021 tijdelijk is gestopt of niet is begonnen met het uitoefenen van een zelfstandige activiteit als gevolg van de COVID-19-epidemie.
In afwijking van artikel 3, tweede lid, van hetzelfde decreet, worden de verplichting om zich als zelfstandige als hoofdactiviteit bij een erkend sociale verzekeringskas voor zelfstandigen aan te sluiten, uiterlijk binnen drie maanden na de toekenningsbeslissing bedoeld in artikel 5, § 2, van hetzelfde decreet en de verplichting om te voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1°, d), en 2°, a) en c), uiterlijk binnen drie maanden na de beslissing bedoeld in artikel 5, § 2, van hetzelfde decreet, uitgesteld voor een periode die gelijk is aan de periode waarin de begunstigde bedoeld in artikel 3, eerste lid, de uitoefening van zijn zelfstandige activiteiten heeft onderbroken tussen 1 juni 2020 en 31 maart 2021 als gevolg van de COVID-19 epidemie.
In afwijking van artikel 3, eerste lid, 1°, d) en 2°, c), van hetzelfde decreet kan de financiële incentive worden gecumuleerd met beroepsinkomens, werkloosheidsuitkeringen, wachtuitkeringen, leefloon, vervangingsinkomens, financiële sociale hulp of overbruggingsrecht, op voorwaarde dat de persoon die de financiële incentive aanvraagt, in de periode tussen 1 juni 2020 en 31 maart 2021 tijdelijk is gestopt of niet is begonnen met het uitoefenen van een zelfstandige activiteit als gevolg van de COVID-19-epidemie.
In afwijking van artikel 3, tweede lid, van hetzelfde decreet, worden de verplichting om zich als zelfstandige als hoofdactiviteit bij een erkend sociale verzekeringskas voor zelfstandigen aan te sluiten, uiterlijk binnen drie maanden na de toekenningsbeslissing bedoeld in artikel 5, § 2, van hetzelfde decreet en de verplichting om te voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1°, d), en 2°, a) en c), uiterlijk binnen drie maanden na de beslissing bedoeld in artikel 5, § 2, van hetzelfde decreet, uitgesteld voor een periode die gelijk is aan de periode waarin de begunstigde bedoeld in artikel 3, eerste lid, de uitoefening van zijn zelfstandige activiteiten heeft onderbroken tussen 1 juni 2020 en 31 maart 2021 als gevolg van de COVID-19 epidemie.
Art. 19. Par dérogation à l'article 3, alinéa 1er, 1°, c), du décret du 27 octobre 2011 relatif au soutien à la création d'emploi en favorisant les transitions professionnelles vers le statut d'indépendant à titre principal, l'incitant financier peut être octroyé à la personne qui en sollicite le bénéfice, dont l'exercice des activités d'indépendant est temporairement interrompu, entre le 1er juin 2020 et le 31 mars 2021, en raison de l'épidémie de COVID-19.
Par dérogation à l'article 3, alinéa 1er, 1°, d), et, 2°, c), du même décret, l'incitant financier peut être cumulé avec le bénéfice de revenus professionnels, d'allocations de chômage, d'allocations d'attente, de revenus d'intégration, de revenus de remplacement, de l'aide sociale financière ou du droit passerelle, à condition que la personne qui sollicite le bénéfice de l'incitant financier, durant la période située entre le 1er juin 2020 et le 31 mars 2021, ait temporairement interrompu ou n'ait pas entamé l'exercice de ses activités d'indépendant en raison de l'épidémie de COVID-19.
Par dérogation à l'article 3, alinéa 2, du même décret, l'obligation de s'affilier en qualité d'indépendant à titre principal à une caisse d'assurances sociales agréée pour travailleurs indépendants, au plus tard dans les trois mois à dater de la décision d'octroi visée à l'article 5, § 2, du même décret, et l'obligation de réaliser les conditions visées à l'article 3, alinéa 1er, 1°, d), et 2°, a) et c), au plus tard dans les trois mois à dater de la décision visée à l'article 5, § 2, du même décret, sont reportées pour une durée équivalente à la durée pendant laquelle le bénéficiaire visé à l'article 3, alinéa 1er, a interrompu l'exercice de ses activités d'indépendant, entre le 1er juin 2020 et le 31 mars 2021, en raison de l'épidémie de COVID-19
Par dérogation à l'article 3, alinéa 1er, 1°, d), et, 2°, c), du même décret, l'incitant financier peut être cumulé avec le bénéfice de revenus professionnels, d'allocations de chômage, d'allocations d'attente, de revenus d'intégration, de revenus de remplacement, de l'aide sociale financière ou du droit passerelle, à condition que la personne qui sollicite le bénéfice de l'incitant financier, durant la période située entre le 1er juin 2020 et le 31 mars 2021, ait temporairement interrompu ou n'ait pas entamé l'exercice de ses activités d'indépendant en raison de l'épidémie de COVID-19.
Par dérogation à l'article 3, alinéa 2, du même décret, l'obligation de s'affilier en qualité d'indépendant à titre principal à une caisse d'assurances sociales agréée pour travailleurs indépendants, au plus tard dans les trois mois à dater de la décision d'octroi visée à l'article 5, § 2, du même décret, et l'obligation de réaliser les conditions visées à l'article 3, alinéa 1er, 1°, d), et 2°, a) et c), au plus tard dans les trois mois à dater de la décision visée à l'article 5, § 2, du même décret, sont reportées pour une durée équivalente à la durée pendant laquelle le bénéficiaire visé à l'article 3, alinéa 1er, a interrompu l'exercice de ses activités d'indépendant, entre le 1er juin 2020 et le 31 mars 2021, en raison de l'épidémie de COVID-19
Art. 20. § 1. In afwijking van artikel 8, § 2, lid 2, van hetzelfde decreet, wordt de maximumtermijn van twee jaar waarbinnen de financiële incentive kan worden vereffend, verlengd met een periode die gelijk is aan de periode waarin de begunstigde van de financiële incentive de uitoefening van zijn zelfstandige activiteiten heeft onderbroken tussen 1 juni 2020 en 31 maart 2021 als gevolg van de COVID-19 epidemie.
§ 2. In afwijking van artikel 8, § 4, van hetzelfde decreet en artikel 9, § 3, lid 2, van het decreet van de Waalse regering van 3 mei 2012 houdende uitvoering van hetzelfde decreet, kan de Dienst, op basis van de door de gerechtigde aangevoerde rechtvaardigingen en de analyse van de gevolgen van de COVID-19-epidemie voor de beroepsactiviteit van de begunstigde, hiervan afwijken, op voorwaarde dat de activiteit effectief wordt ontwikkeld en, voor de begunstigden bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1°, van hetzelfde decreet, op voorwaarde dat deze ontwikkeling leidt tot een effectieve verhoging van de omzet.
Wanneer de gerechtigde verzoekt om toepassing van de in het vorige lid bedoelde afwijking, dient zijn verslag een motivering te bevatten waarin wordt aangegeven waarom hij vanwege de COVID-19-epidemie niet heeft kunnen voldoen aan de voorwaarde met betrekking tot de ontwikkeling van zijn activiteit en, in voorkomend geval, zijn omzet.
De leden 1 en 2 zijn tussen 1 juni 2020 en 31 maart 2021 van toepassing op elke persoon die van de financiële incentive geniet overeenkomstig de duur bedoeld in artikel 8, § 2, lid 2, van hetzelfde decreet.
§ 3. In afwijking van artikel 8, § 5, tweede lid, van hetzelfde decreet en van artikel 9, § 4, tweede lid, van hetzelfde decreet kan de FOREm op effectieve wijze en voor de in artikel 3, eerste lid, 1°, van hetzelfde decreet bedoelde gerechtigden afwijken van de voorwaarde van de ontwikkeling van de activiteit, op voorwaarde dat deze ontwikkeling leidt tot een effectieve verhoging van de omzet, onder dezelfde voorwaarden en volgens dezelfde modaliteiten als die welke zijn vastgesteld in paragraaf 2.
§ 2. In afwijking van artikel 8, § 4, van hetzelfde decreet en artikel 9, § 3, lid 2, van het decreet van de Waalse regering van 3 mei 2012 houdende uitvoering van hetzelfde decreet, kan de Dienst, op basis van de door de gerechtigde aangevoerde rechtvaardigingen en de analyse van de gevolgen van de COVID-19-epidemie voor de beroepsactiviteit van de begunstigde, hiervan afwijken, op voorwaarde dat de activiteit effectief wordt ontwikkeld en, voor de begunstigden bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1°, van hetzelfde decreet, op voorwaarde dat deze ontwikkeling leidt tot een effectieve verhoging van de omzet.
Wanneer de gerechtigde verzoekt om toepassing van de in het vorige lid bedoelde afwijking, dient zijn verslag een motivering te bevatten waarin wordt aangegeven waarom hij vanwege de COVID-19-epidemie niet heeft kunnen voldoen aan de voorwaarde met betrekking tot de ontwikkeling van zijn activiteit en, in voorkomend geval, zijn omzet.
De leden 1 en 2 zijn tussen 1 juni 2020 en 31 maart 2021 van toepassing op elke persoon die van de financiële incentive geniet overeenkomstig de duur bedoeld in artikel 8, § 2, lid 2, van hetzelfde decreet.
§ 3. In afwijking van artikel 8, § 5, tweede lid, van hetzelfde decreet en van artikel 9, § 4, tweede lid, van hetzelfde decreet kan de FOREm op effectieve wijze en voor de in artikel 3, eerste lid, 1°, van hetzelfde decreet bedoelde gerechtigden afwijken van de voorwaarde van de ontwikkeling van de activiteit, op voorwaarde dat deze ontwikkeling leidt tot een effectieve verhoging van de omzet, onder dezelfde voorwaarden en volgens dezelfde modaliteiten als die welke zijn vastgesteld in paragraaf 2.
Art. 20. § 1er. Par dérogation à l'article 8, § 2, alinéa 2, du même décret, la période maximale de 2 ans au cours de laquelle l'incitant financier peut être liquidé est prolongée d'une durée équivalant à la période durant laquelle le bénéficiaire de l'incitant financier a interrompu l'exercice de ses activités d'indépendant en raison de l'épidémie de COVID-19, entre le 1er juin et le 31 mars 2021.
§ 2. Par dérogation à l'article 8, § 4, du même décret et à l'article 9, § 3, alinéa 2, de l'arrêté du Gouvernement wallon du 3 mai 2012 portant exécution du même décret, l'Office peut déroger, sur la base des justifications présentées par le bénéficiaire et de l'analyse des conséquences de l'épidémie de COVID-19 sur l'activité professionnelle de celui-ci, à la condition du développement de l'activité de manière effective et, pour les bénéficiaires visés à l'article 3, alinéa 1er, 1°, du même décret, à la condition que ce développement se traduise par une augmentation effective du chiffre d'affaires.
Lorsque le bénéficiaire sollicite l'application de la dérogation visée à l'alinéa précédent, son rapport contient une motivation spécifiant les raisons pour lesquelles il n'a pas été en mesure, en raison de l'épidémie de COVID-19, de répondre à la condition relative au développement de son activité et, le cas échéant, de son chiffre d'affaires.
Les alinéas 1er et 2 s'appliquent à toute personne qui bénéficie de l'incitant financier, conformément à la durée visée à l'article 8, § 2, alinéa 2, du même décret, entre le 1er juin 2020 et le 31 mars 2021.
§ 3. Par dérogation à l'article 8, § 5, alinéa 2, du même décret et à l'article 9, § 4, alinéa 2, du même arrêté, le FOREm peut déroger à la condition du développement de l'activité de manière effective et, pour les bénéficiaires visés à l'article 3, alinéa 1er, 1°, du même décret, à la condition que ce développement se traduise par une augmentation effective du chiffre d'affaires, aux mêmes conditions et selon les mêmes modalités que celles prévues au paragraphe 2.
§ 2. Par dérogation à l'article 8, § 4, du même décret et à l'article 9, § 3, alinéa 2, de l'arrêté du Gouvernement wallon du 3 mai 2012 portant exécution du même décret, l'Office peut déroger, sur la base des justifications présentées par le bénéficiaire et de l'analyse des conséquences de l'épidémie de COVID-19 sur l'activité professionnelle de celui-ci, à la condition du développement de l'activité de manière effective et, pour les bénéficiaires visés à l'article 3, alinéa 1er, 1°, du même décret, à la condition que ce développement se traduise par une augmentation effective du chiffre d'affaires.
Lorsque le bénéficiaire sollicite l'application de la dérogation visée à l'alinéa précédent, son rapport contient une motivation spécifiant les raisons pour lesquelles il n'a pas été en mesure, en raison de l'épidémie de COVID-19, de répondre à la condition relative au développement de son activité et, le cas échéant, de son chiffre d'affaires.
Les alinéas 1er et 2 s'appliquent à toute personne qui bénéficie de l'incitant financier, conformément à la durée visée à l'article 8, § 2, alinéa 2, du même décret, entre le 1er juin 2020 et le 31 mars 2021.
§ 3. Par dérogation à l'article 8, § 5, alinéa 2, du même décret et à l'article 9, § 4, alinéa 2, du même arrêté, le FOREm peut déroger à la condition du développement de l'activité de manière effective et, pour les bénéficiaires visés à l'article 3, alinéa 1er, 1°, du même décret, à la condition que ce développement se traduise par une augmentation effective du chiffre d'affaires, aux mêmes conditions et selon les mêmes modalités que celles prévues au paragraphe 2.
Art. 21. § 1. In afwijking van artikel 9, § 1, van hetzelfde besluit wordt de termijn voor de betaling van de eerste schijf van de financiële incentive verlengd met een periode die gelijk is aan de periode waarin de gerechtigde van de financiële incentive de uitoefening van zijn activiteiten tijdelijk heeft onderbroken tussen 1 juni 2020 en 31 maart 2021 als gevolg van de COVID-19-epidemie.
§ 2. In afwijking van artikel 9, § 2, eerste lid, § 3, eerste lid, en § 4, eerste lid, van hetzelfde besluit, wordt de termijn voor de toezending van het document of het verslag verlengd met een periode die gelijk is aan de periode waarin de gerechtigde van de financiële incentive de uitoefening van zijn activiteiten tijdelijk heeft onderbroken tussen 1 juni 2020 en 31 maart 2021 als gevolg van de COVID-19-epidemie.
§ 3. In afwijking van artikel 9, § 2, lid 4, § 3, lid 7, en § 4, lid 1, van hetzelfde besluit, worden de termijnen voor de betaling van de schijven van de financiële incentive uitgesteld voor een periode die gelijk is aan de periode waarin de gerechtigde van de financiële incentive de uitoefening van zijn activiteiten tijdelijk heeft onderbroken tussen 1 juni 2020 en 31 maart 2021 als gevolg van de COVID-19-epidemie.
§ 2. In afwijking van artikel 9, § 2, eerste lid, § 3, eerste lid, en § 4, eerste lid, van hetzelfde besluit, wordt de termijn voor de toezending van het document of het verslag verlengd met een periode die gelijk is aan de periode waarin de gerechtigde van de financiële incentive de uitoefening van zijn activiteiten tijdelijk heeft onderbroken tussen 1 juni 2020 en 31 maart 2021 als gevolg van de COVID-19-epidemie.
§ 3. In afwijking van artikel 9, § 2, lid 4, § 3, lid 7, en § 4, lid 1, van hetzelfde besluit, worden de termijnen voor de betaling van de schijven van de financiële incentive uitgesteld voor een periode die gelijk is aan de periode waarin de gerechtigde van de financiële incentive de uitoefening van zijn activiteiten tijdelijk heeft onderbroken tussen 1 juni 2020 en 31 maart 2021 als gevolg van de COVID-19-epidemie.
Art. 21. § 1er Par dérogation à l'article 9, § 1er, du même arrêté, le délai relatif au versement de la première tranche de l'incitant financier est prolongé d'une durée équivalant à la période durant laquelle le bénéficiaire de l'incitant financier a interrompu, temporairement, entre le 1er juin 2020 et le 31 mars 2021, l'exercice de ses activités en raison de l'épidémie de COVID-19.
§ 2. Par dérogation à l'article 9, § 2, alinéa 1er, § 3, alinéa 1er et § 4, alinéa 1er, du même arrêté, le délai pour adresser le document ou le rapport est prolongé d'une durée équivalant à la période durant laquelle le bénéficiaire de l'incitant financier a interrompu temporairement, entre le 1er juin 2020 et le 31 mars 2021, l'exercice de ses activités en raison de l'épidémie de COVID-19
§ 3. Par dérogation à l'article 9, § 2, alinéa 4, § 3, alinéa 7, et § 4, aliéna 1er, du même arrêté, les délais relatifs au versement des tranches de l'incitant financier sont reportés d'une durée équivalant à la période durant laquelle le bénéficiaire de l'incitant financier a interrompu temporairement, entre le 1er juin 2020 et le 31 mars 2021, l'exercice de ses activités en raison de l'épidémie de COVID-19.
§ 2. Par dérogation à l'article 9, § 2, alinéa 1er, § 3, alinéa 1er et § 4, alinéa 1er, du même arrêté, le délai pour adresser le document ou le rapport est prolongé d'une durée équivalant à la période durant laquelle le bénéficiaire de l'incitant financier a interrompu temporairement, entre le 1er juin 2020 et le 31 mars 2021, l'exercice de ses activités en raison de l'épidémie de COVID-19
§ 3. Par dérogation à l'article 9, § 2, alinéa 4, § 3, alinéa 7, et § 4, aliéna 1er, du même arrêté, les délais relatifs au versement des tranches de l'incitant financier sont reportés d'une durée équivalant à la période durant laquelle le bénéficiaire de l'incitant financier a interrompu temporairement, entre le 1er juin 2020 et le 31 mars 2021, l'exercice de ses activités en raison de l'épidémie de COVID-19.
HOOFDSTUK VI. - Maatregelen betreffende de steun voor tewerkstelling
CHAPITRE VI. - Mesures relatives aux aides à l'emploi
Afdeling 1. - Steunregeling ter bevordering van de werkgelegenheid
Section 1. - Aide à la promotion de l'emploi (APE)
Art. 22. De verplichtingen bedoeld in de artikelen 2, § 3, eerste lid, en 3, § 3, eerste lid, 3°, van het decreet van 25 april 2002 betreffende de tegemoetkomingen ter bevordering van de indienstneming van niet-werkende werkzoekenden door de plaatselijke, gewestelijke en gemeenschapsoverheden, door bepaalde werkgevers in de niet-commerciële sector, het onderwijs worden tussen 1 oktober 2020 en 31 maart 2021 opgeschort.
In afwijking van artikel 16, vierde lid, van het besluit van de Waalse Regering van 19 december 2002 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2002 betreffende de tegemoetkomingen ter bevordering van de indienstneming van niet-werkende werkzoekenden door de plaatselijke, gewestelijke en gemeenschapsoverheden, door bepaalde werkgevers in de niet-commerciële sector, het onderwijs, en andere wettelijke bepalingen, wordt de berekening van de netto-toename van het totale werkgelegenheidsvolume die de administratie elk jaar op de verjaardag van de kennisgeving van de beslissing uitvoert, beperkt tot perioden die niet tussen 1 oktober 2020 en 31 maart 2021 vallen.
In afwijking van artikel 21, lid 7, van hetzelfde besluit en van andere wettelijke bepalingen, beperkt de berekening van de handhaving van het totale werkgelegenheidsvolume, die elk jaar op de verjaardag van de kennisgeving van het besluit door de administratie wordt uitgevoerd, zich tot de vergelijking van de referentiebezetting met het gemiddelde aantal werknemers, uitgedrukt in voltijdse equivalenten, die gedurende de vier kwartalen voorafgaand aan de verjaardag van de beslissing in dienst zijn genomen, met uitzondering van de periode tussen 1 oktober 2020 en 31 maart 2021.
Als de werkgever daar een gemotiveerde aanvraag toe indient, kan de Minister van Tewerkstelling afwijken van de voorwaarde bedoeld in artikel 2, § 3, van het hetzelfde decreet, wanneer de berekening van het totale werkgelegenheidsvolume de periode tussen 1 oktober 2020 en 31 maart 2021 geheel of gedeeltelijk omvat, op voorwaarde dat de daling van het totale werkgelegenheidsvolume het gevolg is van de economische gevolgen van de epidemie van COVID-19.
In afwijking van artikel 16, vierde lid, van het besluit van de Waalse Regering van 19 december 2002 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2002 betreffende de tegemoetkomingen ter bevordering van de indienstneming van niet-werkende werkzoekenden door de plaatselijke, gewestelijke en gemeenschapsoverheden, door bepaalde werkgevers in de niet-commerciële sector, het onderwijs, en andere wettelijke bepalingen, wordt de berekening van de netto-toename van het totale werkgelegenheidsvolume die de administratie elk jaar op de verjaardag van de kennisgeving van de beslissing uitvoert, beperkt tot perioden die niet tussen 1 oktober 2020 en 31 maart 2021 vallen.
In afwijking van artikel 21, lid 7, van hetzelfde besluit en van andere wettelijke bepalingen, beperkt de berekening van de handhaving van het totale werkgelegenheidsvolume, die elk jaar op de verjaardag van de kennisgeving van het besluit door de administratie wordt uitgevoerd, zich tot de vergelijking van de referentiebezetting met het gemiddelde aantal werknemers, uitgedrukt in voltijdse equivalenten, die gedurende de vier kwartalen voorafgaand aan de verjaardag van de beslissing in dienst zijn genomen, met uitzondering van de periode tussen 1 oktober 2020 en 31 maart 2021.
Als de werkgever daar een gemotiveerde aanvraag toe indient, kan de Minister van Tewerkstelling afwijken van de voorwaarde bedoeld in artikel 2, § 3, van het hetzelfde decreet, wanneer de berekening van het totale werkgelegenheidsvolume de periode tussen 1 oktober 2020 en 31 maart 2021 geheel of gedeeltelijk omvat, op voorwaarde dat de daling van het totale werkgelegenheidsvolume het gevolg is van de economische gevolgen van de epidemie van COVID-19.
Art. 22. Les obligations, visées aux articles 2, § 3, alinéa 1er, et 3, § 3, alinéa 1er, 3°, du décret du 25 avril 2002 relatif aux aides visant à favoriser l'engagement de demandeurs d'emploi inoccupés par les pouvoirs locaux, régionaux et communautaires, par certains employeurs du secteur non marchand, de l'enseignement, sont suspendues entre le 1er octobre 2020 et le 31 mars 2021.
Par dérogation à l'article 16, alinéa 4, de l'arrêté du Gouvernement wallon du 19 décembre 2002 portant exécution du décret du 25 avril 2002 relatif aux aides visant à favoriser l'engagement de demandeurs d'emploi inoccupés par les pouvoirs locaux, régionaux et communautaires, par certains employeurs du secteur non marchand, de l'enseignement et d'autres dispositions légales, le calcul de l'augmentation nette du volume global de l'emploi, effectué par l'administration, chaque année, à la date anniversaire de la notification de la décision, ne tient pas compte de la période située entre le 1er octobre 2020 et le 31 mars 2021.
Par dérogation à l'article 21, alinéa 7, du même arrêté et d'autres dispositions légales, le calcul du maintien du volume global de l'emploi, effectué par l'administration, chaque année, à la date anniversaire de la notification de la décision, se limite à la comparaison de l'effectif de référence à la moyenne des travailleurs, exprimée en équivalents temps plein, occupés pendant les quatre trimestres précédant la date d'anniversaire de la décision, à l'exclusion de la période située entre le 1er octobre 2020 et le 31 mars 2021.
Si l'employeur en fait la demande motivée, la Ministre qui a l'Emploi dans ses attributions peut déroger à la condition visée à l'article 2, § 3, du même décret, lorsque le calcul du volume global de l'emploi inclut, en tout ou partie, la période située entre le 1er octobre 2020 et le 31 mars 2021, à condition que la diminution du volume global de l'emploi soit due aux conséquences économiques de l'épidémie du COVID-19.
Par dérogation à l'article 16, alinéa 4, de l'arrêté du Gouvernement wallon du 19 décembre 2002 portant exécution du décret du 25 avril 2002 relatif aux aides visant à favoriser l'engagement de demandeurs d'emploi inoccupés par les pouvoirs locaux, régionaux et communautaires, par certains employeurs du secteur non marchand, de l'enseignement et d'autres dispositions légales, le calcul de l'augmentation nette du volume global de l'emploi, effectué par l'administration, chaque année, à la date anniversaire de la notification de la décision, ne tient pas compte de la période située entre le 1er octobre 2020 et le 31 mars 2021.
Par dérogation à l'article 21, alinéa 7, du même arrêté et d'autres dispositions légales, le calcul du maintien du volume global de l'emploi, effectué par l'administration, chaque année, à la date anniversaire de la notification de la décision, se limite à la comparaison de l'effectif de référence à la moyenne des travailleurs, exprimée en équivalents temps plein, occupés pendant les quatre trimestres précédant la date d'anniversaire de la décision, à l'exclusion de la période située entre le 1er octobre 2020 et le 31 mars 2021.
Si l'employeur en fait la demande motivée, la Ministre qui a l'Emploi dans ses attributions peut déroger à la condition visée à l'article 2, § 3, du même décret, lorsque le calcul du volume global de l'emploi inclut, en tout ou partie, la période située entre le 1er octobre 2020 et le 31 mars 2021, à condition que la diminution du volume global de l'emploi soit due aux conséquences économiques de l'épidémie du COVID-19.
Art. 23. In afwijking van artikel 24, lid 2, van hetzelfde decreet en van artikel 26, leden 1 en 2, van hetzelfde besluit, maakt de afrekening van de subsidie, bedoeld in artikel 14 van hetzelfde decreet, voor de prestaties van oktober 2020 tot eind maart 2021 het voorwerp uit van een door de FOREm uitbetaalde voorschot aan de werkgevers bedoeld in artikel 3, § 1, van hetzelfde decreet, en berekend op basis van de punten toegekend voor elke betrokken maand in verband met prestaties, namelijk van oktober 2020 tot en met maart 2021, vermenigvuldigd met het gemiddelde subsidiëringspercentage van de werkgevers bedoeld in artikel 3, lid 1, van hetzelfde decreet, voor het jaar 2019, namelijk 92 %.
Na afloop van de periode waarop de maatregelen van het overlegcomité betrekking hebben, zal de FOREm de werkelijk verschuldigde subsidie bedoeld in artikel 14 van hetzelfde decreet berekenen, overeenkomstig artikel 24 van hetzelfde decreet en artikelen 26 en 26bis van hetzelfde besluit, voor de betrokken maanden, op basis van de door de werkgever ingediende loonstaten, namelijk van oktober 2020 tot en met maart 2021.
Wanneer het vereffende subsidiebedrag, overeenkomstig het eerste lid, lager is dan het subsidiebedrag berekend overeenkomstig het tweede lid, wordt het verschil door de FOREm uitbetaald ten gunste van de werkgever.
Wanneer het vereffende subsidiebedrag, overeenkomstig het eerste lid, hoger is dan het subsidiebedrag berekend overeenkomstig het tweede lid, wordt het onverschuldigd daaruit voortvloeiend bedrag door de Dienst bij elk rechtsmiddel teruggevorderd, compensatie inbegrepen.
In afwijking van artikel 27bis, § 2, van hetzelfde besluit, kunnen de loonstaten bedoeld in het tweede lid uiterlijk verstuurd worden tot:
1° 30 juni 2021 voor de loonstaten betreffende de maanden van oktober 2020 tot februari 2021;
2° 31 mei 2021 voor de loonstaten betreffende de maand maart 2021.
Bij niet-versturen na afloop van de termijnen bedoeld in vorig lid geeft FOREm kennis aan de werkgever bedoeld in artikel 3, § 1, van hetzelfde decreet, van het verlies van de subsidie voor de betrokken maand wegens het uitblijven van de loonstaat.
Na afloop van de periode waarop de maatregelen van het overlegcomité betrekking hebben, zal de FOREm de werkelijk verschuldigde subsidie bedoeld in artikel 14 van hetzelfde decreet berekenen, overeenkomstig artikel 24 van hetzelfde decreet en artikelen 26 en 26bis van hetzelfde besluit, voor de betrokken maanden, op basis van de door de werkgever ingediende loonstaten, namelijk van oktober 2020 tot en met maart 2021.
Wanneer het vereffende subsidiebedrag, overeenkomstig het eerste lid, lager is dan het subsidiebedrag berekend overeenkomstig het tweede lid, wordt het verschil door de FOREm uitbetaald ten gunste van de werkgever.
Wanneer het vereffende subsidiebedrag, overeenkomstig het eerste lid, hoger is dan het subsidiebedrag berekend overeenkomstig het tweede lid, wordt het onverschuldigd daaruit voortvloeiend bedrag door de Dienst bij elk rechtsmiddel teruggevorderd, compensatie inbegrepen.
In afwijking van artikel 27bis, § 2, van hetzelfde besluit, kunnen de loonstaten bedoeld in het tweede lid uiterlijk verstuurd worden tot:
1° 30 juni 2021 voor de loonstaten betreffende de maanden van oktober 2020 tot februari 2021;
2° 31 mei 2021 voor de loonstaten betreffende de maand maart 2021.
Bij niet-versturen na afloop van de termijnen bedoeld in vorig lid geeft FOREm kennis aan de werkgever bedoeld in artikel 3, § 1, van hetzelfde decreet, van het verlies van de subsidie voor de betrokken maand wegens het uitblijven van de loonstaat.
Art. 23. Par dérogation à l'article 24, alinéa 2, du même décret et à l'article 26, alinéas 1 et 2, du même arrêté, la liquidation de la subvention, visée à l'article 14 du même décret, pour les prestations d'octobre 2020 à fin mars 2021, fait l'objet d'une avance, versée par le FOREm, aux employeurs visés à l'article 3, § 1er, du même décret, et calculée sur la base des points octroyés pour chaque mois de prestations concerné, soit d'octobre 2020 à mars 2021 inclus, multiplié par le taux moyen de subventionnement des employeurs visés à l'article 3, § 1er, du même décret, pour l'année 2019, à savoir 92 %.
A l'issue de la période faisant l'objet des mesures prises par le Comité de concertation, le FOREm effectuera le calcul de la subvention, visée à l'article 14 du même décret, effectivement due, conformément à l'article 24 du même décret et aux articles 26 et 26bis du même arrêté, pour les mois concernés, sur la base des états de salaires transmis, par l'employeur, soit d'octobre 2020 à mars 2021 inclus.
Lorsque le montant de la subvention liquidée conformément à l'alinéa 1er est inférieur au montant de la subvention calculée conformément à l'alinéa 2, la différence fait l'objet d'un versement complémentaire, par le FOREm, au profit de l'employeur.
Lorsque le montant de la subvention liquidée conformément à l'alinéa 1er est supérieur au montant de la subvention calculée conformément à l'alinéa 2, l'indu qui en résulte est récupéré par l'Office, par toute voie de droit, en ce compris la compensation.
Par dérogation à l'article 27bis, § 2, du même arrêté, les états de salaire, visés à l'alinéa 2, peuvent être envoyés, au plus tard, jusqu'au :
1° 30 avril 2021 pour les états de salaire relatifs aux mois d'octobre à février 2021 ;
2° 31 mai 2021 pour les états de salaire relatifs au mois de mars 2021.
A défaut d'envoi à l'issue des délais visés à l'alinéa précédent, le FOREm notifie, à l'employeur visé à l'article 3, § 1er, du même décret, la perte de la subvention pour le mois concerné en raison de l'absence de transmission de l'état de salaire.
A l'issue de la période faisant l'objet des mesures prises par le Comité de concertation, le FOREm effectuera le calcul de la subvention, visée à l'article 14 du même décret, effectivement due, conformément à l'article 24 du même décret et aux articles 26 et 26bis du même arrêté, pour les mois concernés, sur la base des états de salaires transmis, par l'employeur, soit d'octobre 2020 à mars 2021 inclus.
Lorsque le montant de la subvention liquidée conformément à l'alinéa 1er est inférieur au montant de la subvention calculée conformément à l'alinéa 2, la différence fait l'objet d'un versement complémentaire, par le FOREm, au profit de l'employeur.
Lorsque le montant de la subvention liquidée conformément à l'alinéa 1er est supérieur au montant de la subvention calculée conformément à l'alinéa 2, l'indu qui en résulte est récupéré par l'Office, par toute voie de droit, en ce compris la compensation.
Par dérogation à l'article 27bis, § 2, du même arrêté, les états de salaire, visés à l'alinéa 2, peuvent être envoyés, au plus tard, jusqu'au :
1° 30 avril 2021 pour les états de salaire relatifs aux mois d'octobre à février 2021 ;
2° 31 mai 2021 pour les états de salaire relatifs au mois de mars 2021.
A défaut d'envoi à l'issue des délais visés à l'alinéa précédent, le FOREm notifie, à l'employeur visé à l'article 3, § 1er, du même décret, la perte de la subvention pour le mois concerné en raison de l'absence de transmission de l'état de salaire.
Art. 24. De dwingende termijnen, zoals bedoeld in het voornoemd decreet en in het voornoemd besluit van de Waalse Regering, betreffende de subsidies ter bevordering van de indienstneming van niet-werkende werkzoekenden bij sommige ondernemingen worden tussen 1 oktober 2020 en 31 maart 2021 opgeschort.
Art. 24. Les délais de rigueur, prévus dans le décret précité et dans l'arrêté du Gouvernement wallon précité, relatifs aux subventions visant à favoriser l'engagement de demandeurs d'emploi inoccupés auprès de certaines entreprises sont suspendus entre le 1er octobre et le 31 mars 2021.
Art. 25. In afwijking van artikel 12 van hetzelfde besluit en andere wettelijke bepalingen en onverminderd de toepasselijke regels van het arbeidsrecht wordt de verplichting om de aan de werkgever toegekende functies na te leven, zoals bepaald in de beslissing tot toekenning van de A.P.E.-steun, opgeschort tussen 1 oktober 2020 en 31 maart 2021.
Art. 25. Par dérogation à l'article 12 du même arrêté et d'autres dispositions légales et sans préjudice des règles applicables en matière de droit du travail, l'obligation de respecter les fonctions octroyées à l'employeur, telles que prévues dans la décision d'octroi de l'A.P.E., est suspendue entre le 1er octobre2020 et le 31 mars 2021.
Afdeling 2. - Maatregelen betreffende de "SESAM"-regeling ter bevordering van de indienstneming van niet-werkende werkzoekenden bij sommige ondernemingen
Section 2. - Mesures relatives au dispositif " SESAM " visant à favoriser l'engagement de demandeurs d'emploi inoccupés auprès de certaines entreprises
Art. 26. De verplichtingen bepaald bij het decreet van 14 februari 2019 betreffende de subsidies ter bevordering van de indienstneming van niet-werkende werkzoekenden bij sommige ondernemingen die niet nagekomen zijn, tussen 1 maart 2020 en 31 maart 2021, wegens de gezondheidscrisis van de COVID-19, worden niet in aanmerking genomen voor de toepassing van artikel 3, § 1, lid 1, 4° [1 van hetzelfde decreet]1.
Modifications
Art. 26. Les obligations prévues par le décret du 14 février 2019 relatif aux subventions visant à favoriser l'engagement de demandeurs d'emploi inoccupés auprès de certaines entreprises qui n'ont pas été respectées, entre le 1er mars 2020 et le 31 mars 2021, en raison de la crise sanitaire du COVID-19, ne sont pas prises en compte pour l'application de l'article 3, § 1er, alinéa 1er, 4° [1 du même décret]1.
Modifications
Art. 27. De verplichtingen bedoeld in artikel 12, § 1, lid 1, 2°, 3° en 4°, van hetzelfde decreet worden tussen 1 oktober 2020 en 31 maart 2021 opgeschort.
Art. 27. Les obligations visées à l'article 12, § 1er, alinéa 1er, 2°, 3° et 4°, du même décret sont suspendues entre le 1er octobre 2020 et le 31 mars 2021.
Art. 28. De dwingende termijnen, zoals bedoeld in het voornoemd decreet en in het besluit van de Waalse Regering van 28 maart 2019 tot uitvoering van het decreet van 14 februari 2019 betreffende de subsidies ter bevordering van de indienstneming van niet-werkende werkzoekenden bij sommige ondernemingen worden tussen 1 oktober 2020 en 31 maart 2021 opgeschort.
Art. 28. Les délais de rigueur prévus dans le décret précité et dans l'arrêté du Gouvernement wallon du 28 mars 2019 portant exécution du décret du 14 février 2019 relatif aux subventions visant à favoriser l'engagement de demandeurs d'emploi inoccupés auprès de certaines entreprises sont suspendus entre le 1er octobre et le 31 mars 2021.
Afdeling 3. - Maatregelen betreffende de steun ten behoeve van de doelgroepen
Section 3. - Mesures relatives aux aides à destination des groupes-cibles
Art. 29. § 1. Voor de toepassing van artikel 1, lid 1, 5°, van het decreet van 2 februari 2017 betreffende de steun voor tewerkstelling ten behoeve van de doelgroepen, worden de periodes van tewerkstelling in het kader van artikel 60, § 7, of van artikel 61 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, met periodes van werkloosheid gelijkgesteld.
§ 2. Naast de in artikel 10 van hetzelfde decreet vermelde opschortingsclausules wordt de toekenning van de in de artikelen 3 en 4 van hetzelfde decreet vermelde werkuitkering opgeschort wanneer de betrokken werknemer tijdelijk werkloos is in de periode tot 31 maart 2021.
De schorsing wordt automatisch opgeheven zodra de periode van tijdelijke werkloosheid afloopt en uiterlijk op 31 maart 2021.
§ 2. Naast de in artikel 10 van hetzelfde decreet vermelde opschortingsclausules wordt de toekenning van de in de artikelen 3 en 4 van hetzelfde decreet vermelde werkuitkering opgeschort wanneer de betrokken werknemer tijdelijk werkloos is in de periode tot 31 maart 2021.
De schorsing wordt automatisch opgeheven zodra de periode van tijdelijke werkloosheid afloopt en uiterlijk op 31 maart 2021.
Art. 29. § 1er. Pour l'application de l'article 1er, alinéa 1er, 5°, du décret du 2 février 2017 relatif aux aides à destination des groupes-cibles, les périodes d'occupation dans le cadre de l'article 60, § 7, ou de l'article 61 de la loi organique des centres publics d'action sociale du 8 juillet 1976 sont assimilées à des périodes d'inoccupation.
§ 2. En complément des causes de suspension visées à l'article 10 du même décret, la durée de l'octroi de l'allocation de travail, visée aux articles 3 et 4 du même décret, est suspendue lorsque le travailleur engagé est mis en chômage temporaire au cours de la période allant jusqu'au 31 mars 2021.
La suspension est automatiquement levée dès la fin de la période de chômage temporaire et, au plus tard, le 31 mars 2021.
§ 2. En complément des causes de suspension visées à l'article 10 du même décret, la durée de l'octroi de l'allocation de travail, visée aux articles 3 et 4 du même décret, est suspendue lorsque le travailleur engagé est mis en chômage temporaire au cours de la période allant jusqu'au 31 mars 2021.
La suspension est automatiquement levée dès la fin de la période de chômage temporaire et, au plus tard, le 31 mars 2021.
Afdeling 4. - Subsidie voor de tewerkstelling van zeer langdurige werkzoekenden bij werkgevers die getroffen zijn door de crisis COVID-19
Section 4. - Subvention pour la mise à l'emploi des demandeurs d'emploi de très longue durée auprès d'employeurs impactés par la crise COVID-19
Art. 30. [1 § 1. De "Office wallon de la Formation professionnelle et de l'Emploi" kent aan de in artikel 31 bedoelde werkgever gedurende een periode van maximum vierentwintig maanden een maandelijkse subsidie van 1.000 euro toe voor de aanwerving van een niet-werkende werkzoekende.
Het totale aantal subsidies dat krachtens lid 1 wordt toegekend, is beperkt tot 750 voltijdsequivalenten per jaar voor alle werkgevers. De Regering kan, binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten, dit plafond wijzigen of ervan afwijken.
De Regering bepaalt de modaliteiten voor de toekenning, overdracht en vereffening van de subsidie en voor de vervanging van de werknemer. Zij kan het bedrag en de duur van de in lid 1 bedoelde subsidie en het in lid 2 bedoelde plafond wijzigen.
§ 2. Om in aanmerking te komen voor de subsidie, zorgt de werkgever voor de opleiding van de werkzoekende die wordt aangeworven met een arbeidsovereenkomst.
De Regering specificeert het type opleiding en het minimumaantal uren opleiding bedoeld in lid 1.]1
Het totale aantal subsidies dat krachtens lid 1 wordt toegekend, is beperkt tot 750 voltijdsequivalenten per jaar voor alle werkgevers. De Regering kan, binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten, dit plafond wijzigen of ervan afwijken.
De Regering bepaalt de modaliteiten voor de toekenning, overdracht en vereffening van de subsidie en voor de vervanging van de werknemer. Zij kan het bedrag en de duur van de in lid 1 bedoelde subsidie en het in lid 2 bedoelde plafond wijzigen.
§ 2. Om in aanmerking te komen voor de subsidie, zorgt de werkgever voor de opleiding van de werkzoekende die wordt aangeworven met een arbeidsovereenkomst.
De Regering specificeert het type opleiding en het minimumaantal uren opleiding bedoeld in lid 1.]1
Modifications
Art. 30. [1 § 1er. L'Office wallon de la Formation professionnelle et de l'Emploi octroie à l'employeur visé à l'article 31, pour l'engagement d'un demandeur d'emploi inoccupé, une subvention mensuelle de 1000 euros pendant une période maximale de vingt-quatre mois.
Le nombre total de subventions octroyées en application de l'alinéa 1er est limité à 750 équivalents temps plein par année, tous employeurs confondus. Le Gouvernement peut, dans la limite des crédits budgétaires disponibles, modifier ce plafond ou y déroger.
Le Gouvernement détermine les modalités d'octroi, de cession et de liquidation de la subvention ainsi que de remplacement du travailleur. Il peut modifier le montant et la durée d'octroi visés à l'alinéa 1er ainsi que le plafond visé à l'alinéa 2.
§ 2. Pour bénéficier de la subvention, l'employeur assure la formation du demandeur d'emploi engagé sous contrat de travail.
Le Gouvernement précise le type de formation, ainsi que le nombre d'heures minimum de formation visée à l'alinéa 1er.]1
Le nombre total de subventions octroyées en application de l'alinéa 1er est limité à 750 équivalents temps plein par année, tous employeurs confondus. Le Gouvernement peut, dans la limite des crédits budgétaires disponibles, modifier ce plafond ou y déroger.
Le Gouvernement détermine les modalités d'octroi, de cession et de liquidation de la subvention ainsi que de remplacement du travailleur. Il peut modifier le montant et la durée d'octroi visés à l'alinéa 1er ainsi que le plafond visé à l'alinéa 2.
§ 2. Pour bénéficier de la subvention, l'employeur assure la formation du demandeur d'emploi engagé sous contrat de travail.
Le Gouvernement précise le type de formation, ainsi que le nombre d'heures minimum de formation visée à l'alinéa 1er.]1
Modifications
Art. 31. [1 De werkgevers die beschikken over een inrichtingseenheid die in het Franse taalgebied gevestigd is, kunnen in aanmerking komen voor de in artikel 30 bedoelde subsidie, met uitzondering van de volgende werkgevers:
1° universitaire onderwijsinstellingen voor de aanwerving van een niet-werkende werkzoekende als lid van het academisch en wetenschappelijk personeel;
2° een andere onderwijsinstelling voor de aanwerving van een niet-werkende werkzoekende als lid van het academisch en wetenschappelijk personeel;
3° de federale Staat, met inbegrip van de rechterlijke macht, de Raad van Staat, de leger en de federale politie;
4° een Gemeenschap of een Gewest, met uitzondering van een onderwijsinstelling, voor de aanwerving van een iet-werkende werkzoekende die niet bedoeld is in 1° en 2°;
5° de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Franse Gemeenschapscommissie en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie;
6° een instelling van openbaar nut of een openbare instelling die onder het gezag staat van de entiteiten bedoeld in 4° of 5°.]1
1° universitaire onderwijsinstellingen voor de aanwerving van een niet-werkende werkzoekende als lid van het academisch en wetenschappelijk personeel;
2° een andere onderwijsinstelling voor de aanwerving van een niet-werkende werkzoekende als lid van het academisch en wetenschappelijk personeel;
3° de federale Staat, met inbegrip van de rechterlijke macht, de Raad van Staat, de leger en de federale politie;
4° een Gemeenschap of een Gewest, met uitzondering van een onderwijsinstelling, voor de aanwerving van een iet-werkende werkzoekende die niet bedoeld is in 1° en 2°;
5° de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Franse Gemeenschapscommissie en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie;
6° een instelling van openbaar nut of een openbare instelling die onder het gezag staat van de entiteiten bedoeld in 4° of 5°.]1
Modifications
Art. 31. [1 Peuvent bénéficier de la subvention visée à l'article 30, les employeurs qui disposent d'une unité d'établissement située en région de langue française, à l'exception des employeurs suivants :
1° les institutions d'enseignement universitaire pour l'engagement d'un demandeur d'emploi inoccupé en tant que membre du personnel académique et scientifique;
2° une autre institution d'enseignement pour l'engagement d'un demandeur d'emploi inoccupé en tant que membre du personnel enseignant;
3° l'Etat fédéral, y compris le Pouvoir judiciaire, le Conseil d'Etat, l'armée et la police fédérale;
4° une Communauté ou une Région, à l'exception d'un établissement d'enseignement pour l'engagement d'un demandeur d'emploi inoccupé qui n'est pas visé aux 1° et 2°;
5° la Commission communautaire flamande, la Commission communautaire française et la Commission communautaire commune;
6° un organisme d'intérêt public ou une institution publique qui est sous l'autorité des entités visées aux 4° ou 5°.]1
1° les institutions d'enseignement universitaire pour l'engagement d'un demandeur d'emploi inoccupé en tant que membre du personnel académique et scientifique;
2° une autre institution d'enseignement pour l'engagement d'un demandeur d'emploi inoccupé en tant que membre du personnel enseignant;
3° l'Etat fédéral, y compris le Pouvoir judiciaire, le Conseil d'Etat, l'armée et la police fédérale;
4° une Communauté ou une Région, à l'exception d'un établissement d'enseignement pour l'engagement d'un demandeur d'emploi inoccupé qui n'est pas visé aux 1° et 2°;
5° la Commission communautaire flamande, la Commission communautaire française et la Commission communautaire commune;
6° un organisme d'intérêt public ou une institution publique qui est sous l'autorité des entités visées aux 4° ou 5°.]1
Modifications
Art. 32. [1 §1]1 De in artikel 30 bedoelde subsidie wordt toegekend voor de aanwerving van een niet-werkende werkzoekende en aan de volgende voorwaarden voldoet :
1° ingeschreven zijn bij de FOREm en zich in een periode van werkloosheid van ten minste 24 maanden bevinden;
2° zijn hoofdverblijfplaats hebben in het Franstalige taalgebied;
3° [1 de pensioengerechtigde leeftijd niet hebben bereikt;]1
Onder werkloosheidsperiode, in de zin van het eerste lid, wordt verstaan, de periode waarin bedoelde werkzoekende niet in het kader van een arbeidsovereenkomst is aangeworven, noch zich in een statutaire relatie bevindt en geen activiteit uitoefent als zelfstandige als hoofdactiviteit. Wordt gelijkgesteld met een periode van werkloosheid, de periode tijdens dewelke een arbeidsovereenkomst, een statutaire relatie of een activiteit van zelfstandige als hoofdactiviteit wordt uitgeoefend, voor zover de totale duur ervan, ononderbroken of onderbroken, niet meer dan eenendertig dagen bedraagt; De periodes van tewerkstelling in het kader van een tewerkstelling overeenkomstig artikel 60, § 7, of artikel 61 van de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn worden gelijkgesteld met een werkloosheidperiode.
[1 § 2. De werkzoekende die geregistreerd is bij "FOREm" kan, na authenticatie, toegang krijgen tot een beveiligde elektronische database op de website van "FOREm". Hij kan op de site controleren of hij voldoet aan de in § 1 bedoelde voorwaarden
De werkgever die een niet-werkende werkzoekende in dienst wil nemen, heeft na authenticatie toegang tot de in lid 1 bedoelde databank om de dag voordat de werkzoekende in dienst wordt genomen te controleren of de werkzoekende voldoet aan de in § 1 bedoelde voorwaarden.
"FOREm" werkt de beveiligde elektronische database bij op basis van de informatie waarover hij beschikt, inclusief gegevens uit authentieke bronnen en de bewijsstukken die de werkzoekende opstuurt.
De inlichtingen die zijn verkregen ten gevolge van de in de leden 1 en 2 bedoelde verificatie ontslaan de werkzoekende niet van de verplichting om aan de in § 1 bedoelde voorwaarden te voldoen op de dag voorafgaand aan de datum waarop hij bij de werkgever in dienst treedt.]1
1° ingeschreven zijn bij de FOREm en zich in een periode van werkloosheid van ten minste 24 maanden bevinden;
2° zijn hoofdverblijfplaats hebben in het Franstalige taalgebied;
3° [1 de pensioengerechtigde leeftijd niet hebben bereikt;]1
Onder werkloosheidsperiode, in de zin van het eerste lid, wordt verstaan, de periode waarin bedoelde werkzoekende niet in het kader van een arbeidsovereenkomst is aangeworven, noch zich in een statutaire relatie bevindt en geen activiteit uitoefent als zelfstandige als hoofdactiviteit. Wordt gelijkgesteld met een periode van werkloosheid, de periode tijdens dewelke een arbeidsovereenkomst, een statutaire relatie of een activiteit van zelfstandige als hoofdactiviteit wordt uitgeoefend, voor zover de totale duur ervan, ononderbroken of onderbroken, niet meer dan eenendertig dagen bedraagt; De periodes van tewerkstelling in het kader van een tewerkstelling overeenkomstig artikel 60, § 7, of artikel 61 van de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn worden gelijkgesteld met een werkloosheidperiode.
[1 § 2. De werkzoekende die geregistreerd is bij "FOREm" kan, na authenticatie, toegang krijgen tot een beveiligde elektronische database op de website van "FOREm". Hij kan op de site controleren of hij voldoet aan de in § 1 bedoelde voorwaarden
De werkgever die een niet-werkende werkzoekende in dienst wil nemen, heeft na authenticatie toegang tot de in lid 1 bedoelde databank om de dag voordat de werkzoekende in dienst wordt genomen te controleren of de werkzoekende voldoet aan de in § 1 bedoelde voorwaarden.
"FOREm" werkt de beveiligde elektronische database bij op basis van de informatie waarover hij beschikt, inclusief gegevens uit authentieke bronnen en de bewijsstukken die de werkzoekende opstuurt.
De inlichtingen die zijn verkregen ten gevolge van de in de leden 1 en 2 bedoelde verificatie ontslaan de werkzoekende niet van de verplichting om aan de in § 1 bedoelde voorwaarden te voldoen op de dag voorafgaand aan de datum waarop hij bij de werkgever in dienst treedt.]1
Modifications
Art. 32. [1 §1]1 La subvention visée à l'article 30 est octroyée pour l'engagement d'un demandeur d'emploi inoccupé, répondant aux conditions suivantes :
1° être inscrit au FOREm et se trouver dans une période d'inoccupation d'une durée minimum de 24 mois ;
2° avoir sa résidence principale en région de langue française ;
3° [1 ne pas avoir atteint l'âge de la pension.]1
Par période d'inoccupation, au sens de l'alinéa 1er, 1°, on entend la période pendant laquelle le demandeur d'emploi ne se trouve ni dans les liens d'un contrat de travail, ni dans une relation statutaire et n'exerce aucune activité d'indépendant à titre principal. Est assimilée à une période d'inoccupation, la période pendant laquelle un contrat de travail, une relation statutaire ou une activité d'indépendant à titre principal est exercée, pour autant que sa durée totale, continue ou discontinue, n'excède pas trente et un jours. Les périodes d'occupation dans le cadre d'une mise à l'emploi conformément à l'article 60, § 7 ou à l'article 61 de la loi organique des centres publics d'action sociale du 8 juillet 1976 sont assimilées à une période d'inoccupation.
[1 § 2. Le demandeur d'emploi inscrit au FOREm peut, après authentification, accéder à une banque de données électroniques sécurisées, sur le site internet du FOREm. Il peut vérifier sur le site s'il satisfait aux conditions visées au paragraphe 1er.
L'employeur qui souhaite engager un demandeur d'emploi inoccupé peut accéder, après authentification, à la banque de données visée à l'alinéa 1er afin de vérifier, la veille de l'engagement du demandeur d'emploi, si le demandeur d'emploi satisfait aux conditions visées au paragraphe 1er.
Le FOREm assure la mise à jour de la banque de données électroniques sécurisées sur la base des informations dont il dispose, en ce compris les données issues de sources authentiques, ainsi que des documents justificatifs qui lui sont transmis par le demandeur d'emploi.
Les informations obtenues au terme de la vérification, visée aux alinéas 1er et 2, n'exonèrent pas le demandeur d'emploi de satisfaire aux conditions visées au paragraphe 1er à la veille de la date de son engagement chez l'employeur.]1
1° être inscrit au FOREm et se trouver dans une période d'inoccupation d'une durée minimum de 24 mois ;
2° avoir sa résidence principale en région de langue française ;
3° [1 ne pas avoir atteint l'âge de la pension.]1
Par période d'inoccupation, au sens de l'alinéa 1er, 1°, on entend la période pendant laquelle le demandeur d'emploi ne se trouve ni dans les liens d'un contrat de travail, ni dans une relation statutaire et n'exerce aucune activité d'indépendant à titre principal. Est assimilée à une période d'inoccupation, la période pendant laquelle un contrat de travail, une relation statutaire ou une activité d'indépendant à titre principal est exercée, pour autant que sa durée totale, continue ou discontinue, n'excède pas trente et un jours. Les périodes d'occupation dans le cadre d'une mise à l'emploi conformément à l'article 60, § 7 ou à l'article 61 de la loi organique des centres publics d'action sociale du 8 juillet 1976 sont assimilées à une période d'inoccupation.
[1 § 2. Le demandeur d'emploi inscrit au FOREm peut, après authentification, accéder à une banque de données électroniques sécurisées, sur le site internet du FOREm. Il peut vérifier sur le site s'il satisfait aux conditions visées au paragraphe 1er.
L'employeur qui souhaite engager un demandeur d'emploi inoccupé peut accéder, après authentification, à la banque de données visée à l'alinéa 1er afin de vérifier, la veille de l'engagement du demandeur d'emploi, si le demandeur d'emploi satisfait aux conditions visées au paragraphe 1er.
Le FOREm assure la mise à jour de la banque de données électroniques sécurisées sur la base des informations dont il dispose, en ce compris les données issues de sources authentiques, ainsi que des documents justificatifs qui lui sont transmis par le demandeur d'emploi.
Les informations obtenues au terme de la vérification, visée aux alinéas 1er et 2, n'exonèrent pas le demandeur d'emploi de satisfaire aux conditions visées au paragraphe 1er à la veille de la date de son engagement chez l'employeur.]1
Modifications
Art. 33. [1 § 1. De werkgever vraagt de in artikel 30 bedoelde subsidie uitsluitend aan met behulp van het daartoe door "FOREm" opgestelde elektronische formulier.
"FOREm" bericht ontvangst van de aanvraag binnen tien dagen. Als de aanvraag onvolledig is, zal "FOREm" de ontbrekende informatie opvragen bij de werkgever, die tien dagen heeft om de aanvraag aan te vullen. Zo niet, dan sluit "FOREm" de aanvraag af en stelt de werkgever binnen dertig dagen na de subsidieaanvraag op de hoogte.
"FOREm" verwerkt aanvragen in chronologische volgorde van indiening via het in lid 1 genoemde elektronische formulier, rekening houdend met de dag, het uur en de minuut van indiening.
§ 2. "FOREm" verleent de subsidie binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten aan de werkgever die zijn aanvraag overeenkomstig paragraaf 1 heeft ingediend en die voldoet aan de voorwaarden van artikel 31. De Minister geeft kennis van zijn beslissing binnen de dertig dagen na de indiening van de aanvraag.
De beslissing tot toekenning van de subsidie bepaalt het aantal voltijdsequivalenten waarvoor de subsidie wordt toegekend. Het aantal voltijdsequivalenten waarvoor de werkgever de in artikel 30 bedoelde subsidie kan krijgen, is beperkt tot twee.
§ 3. Als de begrotingsmiddelen uitgeput zijn of als de werkgever niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, deelt "FOREm" binnen een maand na indiening van het aanvraagformulier mee dat de subsidie wordt geweigerd.
§ 4. In het geval van fusie of splitsing van een onderneming, inbreng van een algemeenheid of bedrijfstak, afstand van algemeenheid of bedrijfstak, bedoeld in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, evenals in de gevallen bedoeld in Boek XX, "Insolventie van ondernemingen", van het Wetboek van economisch recht worden de subsidie en de rechten en verplichtingen gebonden aan die steun aan de overnemende onderneming overgedragen mits deze laatste zelf voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 31.
De overnemende onderneming stelt "FOREm" in kennis van de in lid 1 bedoelde gebeurtenis.]1
"FOREm" bericht ontvangst van de aanvraag binnen tien dagen. Als de aanvraag onvolledig is, zal "FOREm" de ontbrekende informatie opvragen bij de werkgever, die tien dagen heeft om de aanvraag aan te vullen. Zo niet, dan sluit "FOREm" de aanvraag af en stelt de werkgever binnen dertig dagen na de subsidieaanvraag op de hoogte.
"FOREm" verwerkt aanvragen in chronologische volgorde van indiening via het in lid 1 genoemde elektronische formulier, rekening houdend met de dag, het uur en de minuut van indiening.
§ 2. "FOREm" verleent de subsidie binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten aan de werkgever die zijn aanvraag overeenkomstig paragraaf 1 heeft ingediend en die voldoet aan de voorwaarden van artikel 31. De Minister geeft kennis van zijn beslissing binnen de dertig dagen na de indiening van de aanvraag.
De beslissing tot toekenning van de subsidie bepaalt het aantal voltijdsequivalenten waarvoor de subsidie wordt toegekend. Het aantal voltijdsequivalenten waarvoor de werkgever de in artikel 30 bedoelde subsidie kan krijgen, is beperkt tot twee.
§ 3. Als de begrotingsmiddelen uitgeput zijn of als de werkgever niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, deelt "FOREm" binnen een maand na indiening van het aanvraagformulier mee dat de subsidie wordt geweigerd.
§ 4. In het geval van fusie of splitsing van een onderneming, inbreng van een algemeenheid of bedrijfstak, afstand van algemeenheid of bedrijfstak, bedoeld in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, evenals in de gevallen bedoeld in Boek XX, "Insolventie van ondernemingen", van het Wetboek van economisch recht worden de subsidie en de rechten en verplichtingen gebonden aan die steun aan de overnemende onderneming overgedragen mits deze laatste zelf voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 31.
De overnemende onderneming stelt "FOREm" in kennis van de in lid 1 bedoelde gebeurtenis.]1
Modifications
Art. 33. [1 § 1er. L'employeur sollicite la subvention visée à l'article 30 au moyen exclusif du formulaire électronique établi à cet effet par le FOREm.
Le FOREm accuse réception de la demande dans un délai de dix jours. Lorsque la demande est incomplète, le FOREm réclame les éléments manquants à l'employeur qui dispose d'un délai de dix jours pour compléter sa demande. A défaut, le FOREm classe la demande sans suite et le notifie à l'employeur dans les trente jours à dater de la demande de subvention.
Le FOREm traite les demandes dans l'ordre chronologique de leur introduction via le formulaire électronique visé à l'alinéa 1er, en tenant compte du jour, de l'heure et de la minute de l'introduction.
§ 2. Le FOREm octroie la subvention, dans la limite des crédits budgétaires disponibles, à l'employeur qui a introduit sa demande conformément au paragraphe 1er et qui remplit les conditions énoncées à l'article 31. Le FOREm notifie la décision d'octroi de la subvention dans les trente jours de l'introduction de la demande.
La décision d'octroi de la subvention fixe le nombre d'équivalents temps plein pour lequel la subvention est octroyée. Le nombre d'équivalents temps plein pour lequel l'employeur peut bénéficier de la subvention visée à l'article 30 est limité à deux.
§ 3. Lorsque les moyens budgétaires sont épuisés ou lorsque l'employeur ne remplit pas les conditions énoncées à l'article 31, le FOREm notifie une décision de refus de la subvention dans le mois de l'introduction du formulaire de demande.
§ 4. En cas de fusion ou scission de société, d'apport d'universalité ou de branche d'activité, de cession d'universalité ou de branche d'activité, visés par le Code des sociétés et des associations, ainsi que dans les cas visés par le Livre XX " Insolvabilité des entreprises " du Code de droit économique, la subvention, ainsi que les droits et obligations liés à cette aide, sont transférés à l'entreprise repreneuse pour autant que celle-ci réponde elle-même aux conditions énoncées à l'article 31.
L'entreprise repreneuse informe le FOREm de l'événement visé à l'alinéa 1er.]1
Le FOREm accuse réception de la demande dans un délai de dix jours. Lorsque la demande est incomplète, le FOREm réclame les éléments manquants à l'employeur qui dispose d'un délai de dix jours pour compléter sa demande. A défaut, le FOREm classe la demande sans suite et le notifie à l'employeur dans les trente jours à dater de la demande de subvention.
Le FOREm traite les demandes dans l'ordre chronologique de leur introduction via le formulaire électronique visé à l'alinéa 1er, en tenant compte du jour, de l'heure et de la minute de l'introduction.
§ 2. Le FOREm octroie la subvention, dans la limite des crédits budgétaires disponibles, à l'employeur qui a introduit sa demande conformément au paragraphe 1er et qui remplit les conditions énoncées à l'article 31. Le FOREm notifie la décision d'octroi de la subvention dans les trente jours de l'introduction de la demande.
La décision d'octroi de la subvention fixe le nombre d'équivalents temps plein pour lequel la subvention est octroyée. Le nombre d'équivalents temps plein pour lequel l'employeur peut bénéficier de la subvention visée à l'article 30 est limité à deux.
§ 3. Lorsque les moyens budgétaires sont épuisés ou lorsque l'employeur ne remplit pas les conditions énoncées à l'article 31, le FOREm notifie une décision de refus de la subvention dans le mois de l'introduction du formulaire de demande.
§ 4. En cas de fusion ou scission de société, d'apport d'universalité ou de branche d'activité, de cession d'universalité ou de branche d'activité, visés par le Code des sociétés et des associations, ainsi que dans les cas visés par le Livre XX " Insolvabilité des entreprises " du Code de droit économique, la subvention, ainsi que les droits et obligations liés à cette aide, sont transférés à l'entreprise repreneuse pour autant que celle-ci réponde elle-même aux conditions énoncées à l'article 31.
L'entreprise repreneuse informe le FOREm de l'événement visé à l'alinéa 1er.]1
Modifications
Art. 34. [1 § 1. De werkgever moet de werkzoekende die voldoet aan de voorwaarden van artikel 32, aanwerven met een arbeidsovereenkomst die voldoet aan de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, binnen zes maanden vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de kennisgeving van de beslissing tot toekenning van de beurs.
De toekenningsbeslissing treedt in werking vanaf de datum van de aanwerving en op zijn vroegst op de datum van inwerkingtreding of de datum van kennisgeving van de toekenningsbeslissing. Ze eindigt automatisch 24 maanden na de aanwerving.
Indien de aanwerving niet binnen de in lid 1 bedoelde termijn wordt nagekomen, gaat het voordeel van de beslissing tot toekenning van de subsidie definitief verloren.
§ 2. Indien de arbeidsovereenkomst van de werknemer die in dienst is genomen op basis van de in artikel 30 bedoelde toekenningsbeslissing vóór het einde van de periode van 24 maanden wordt beëindigd, gaat het voordeel van de toekenningsbeslissing definitief verloren.
In afwijking van lid 1 kan de werkgever en wanneer de werknemer de onderneming verlaat en aldus zijn arbeidsovereenkomst beëindigt om een reden die hem niet kan worden toegerekend, de beslissing tot toekenning van de steun blijven genieten op voorwaarde dat hij binnen zes maanden vanaf de eerste dag van de maand volgende op het einde van de arbeidsovereenkomst van de werknemer een niet-werkende werkzoekende in dienst neemt die voldoet aan de in artikel 32 bedoelde voorwaarden. Anders gaat het voordeel van de beslissing tot toekenning van de beslissing definitief verloren.
§ 3. Wanneer de werknemer die overeenkomstig paragraaf 1 in dienst is genomen, arbeidsongeschikt is, kan de werkgever gebruik blijven maken van de beslissing tot toekenning van de subsidie, mits hij een niet-werkende werkzoekende in dienst neemt die voldoet aan de in artikel 32 bedoelde voorwaarden.]1
De toekenningsbeslissing treedt in werking vanaf de datum van de aanwerving en op zijn vroegst op de datum van inwerkingtreding of de datum van kennisgeving van de toekenningsbeslissing. Ze eindigt automatisch 24 maanden na de aanwerving.
Indien de aanwerving niet binnen de in lid 1 bedoelde termijn wordt nagekomen, gaat het voordeel van de beslissing tot toekenning van de subsidie definitief verloren.
§ 2. Indien de arbeidsovereenkomst van de werknemer die in dienst is genomen op basis van de in artikel 30 bedoelde toekenningsbeslissing vóór het einde van de periode van 24 maanden wordt beëindigd, gaat het voordeel van de toekenningsbeslissing definitief verloren.
In afwijking van lid 1 kan de werkgever en wanneer de werknemer de onderneming verlaat en aldus zijn arbeidsovereenkomst beëindigt om een reden die hem niet kan worden toegerekend, de beslissing tot toekenning van de steun blijven genieten op voorwaarde dat hij binnen zes maanden vanaf de eerste dag van de maand volgende op het einde van de arbeidsovereenkomst van de werknemer een niet-werkende werkzoekende in dienst neemt die voldoet aan de in artikel 32 bedoelde voorwaarden. Anders gaat het voordeel van de beslissing tot toekenning van de beslissing definitief verloren.
§ 3. Wanneer de werknemer die overeenkomstig paragraaf 1 in dienst is genomen, arbeidsongeschikt is, kan de werkgever gebruik blijven maken van de beslissing tot toekenning van de subsidie, mits hij een niet-werkende werkzoekende in dienst neemt die voldoet aan de in artikel 32 bedoelde voorwaarden.]1
Modifications
Art. 34. [1 § 1er. L'employeur doit engager, dans un contrat de travail conforme à la loi du 3 juillet 1978 relative au contrat de travail, un demandeur d'emploi, répondant aux conditions visées à l'article 32, dans un délai de six mois à dater du premier jour du mois qui suit la notification de la décision d'octroi de la subvention.
La décision d'octroi de la subvention sort ses effets à dater de l'engagement et, au plus tôt à la date de l'entrée en vigueur ou à la date de la notification de la décision d'octroi de la subvention. Elle prend fin de plein droit 24 mois après l'engagement.
Lorsque l'engagement n'est pas réalisé dans le délai visé à l'alinéa 1er, le bénéfice de la décision d'octroi de la subvention est définitivement perdu.
§ 2. En cas de fin de l'engagement, sous contrat de travail du travailleur engagé sur la base de la décision d'octroi de la subvention visée à l'article 30, avant l'échéance de la durée d'occupation de 24 mois, le bénéfice de la décision d'octroi est définitivement perdu.
Par dérogation à l'alinéa 1er, lorsque le travailleur quitte l'entreprise, mettant ainsi fin à son contrat de travail, pour un motif qui n'est pas imputable à l'employeur, ce dernier peut continuer à bénéficier de la décision d'octroi de l'aide à condition d'engager, dans les six mois à dater du premier jour du mois qui suit la fin du contrat du travailleur, un demandeur d'emploi inoccupé répondant aux conditions visées à l'article 32. A défaut, le bénéfice de la décision d'octroi de la subvention est définitivement perdu.
§ 3. Lorsque le travailleur engagé conformément au paragraphe 1er est en incapacité de travail, l'employeur peut continuer à bénéficier de la décision d'octroi de la subvention à condition d'engager un demandeur d'emploi inoccupé répondant aux conditions visées à l'article 32.]1
La décision d'octroi de la subvention sort ses effets à dater de l'engagement et, au plus tôt à la date de l'entrée en vigueur ou à la date de la notification de la décision d'octroi de la subvention. Elle prend fin de plein droit 24 mois après l'engagement.
Lorsque l'engagement n'est pas réalisé dans le délai visé à l'alinéa 1er, le bénéfice de la décision d'octroi de la subvention est définitivement perdu.
§ 2. En cas de fin de l'engagement, sous contrat de travail du travailleur engagé sur la base de la décision d'octroi de la subvention visée à l'article 30, avant l'échéance de la durée d'occupation de 24 mois, le bénéfice de la décision d'octroi est définitivement perdu.
Par dérogation à l'alinéa 1er, lorsque le travailleur quitte l'entreprise, mettant ainsi fin à son contrat de travail, pour un motif qui n'est pas imputable à l'employeur, ce dernier peut continuer à bénéficier de la décision d'octroi de l'aide à condition d'engager, dans les six mois à dater du premier jour du mois qui suit la fin du contrat du travailleur, un demandeur d'emploi inoccupé répondant aux conditions visées à l'article 32. A défaut, le bénéfice de la décision d'octroi de la subvention est définitivement perdu.
§ 3. Lorsque le travailleur engagé conformément au paragraphe 1er est en incapacité de travail, l'employeur peut continuer à bénéficier de la décision d'octroi de la subvention à condition d'engager un demandeur d'emploi inoccupé répondant aux conditions visées à l'article 32.]1
Modifications
Art. 35. § 1. De in artikel 30 bedoelde maandelijkse subsidie wordt toegekend voor een voltijds beroep. Bij deeltijdwerk is het maandelijkse bedrag van de subsidie evenredig met de arbeidsregeling, zoals overeengekomen in de arbeidsovereenkomst tussen de werkgever en de werknemer.
§ 2. De werkgever dient elk kwartaal bij de FOREm, met behulp van het door de FOREm opgestelde model van de verklaring, een overzicht van de prestaties voor het betreffende kwartaal in, met inbegrip van het rijksregisternummer, het aantal daadwerkelijk betaalde prestatiedagen, het totale aantal dagen dat in de DMFA-verklaring is opgenomen en de contractuele arbeidsregeling.
Bij de eerste indiening van het in lid 1 bedoelde overzicht van de prestaties voegt de werkgever een afschrift bij van de arbeidsovereenkomst van de werknemer die in dienst is genomen en aan wie de subsidie wordt toegekend.
Het in lid 1 bedoelde overzicht van de prestaties wordt toegezonden in de maand die volgt op het betrokken kwartaal. Anders kan de werkgever het overzicht van de prestaties tot de laatste dag van het kwartaal volgend op het betreffende kwartaal toesturen. Indien dit niet het geval is, is de subsidie voor het betrokken kwartaal definitief verloren.
§ 3 De subsidie wordt door FOREm betaald, in driemaandelijkse schijven, op basis van de door de werkgever meegedeelde elementen.
§ 4. De FOREm is verantwoordelijk voor de verwerking van de [1 in paragraaf 2]1 bedoelde gegevens die nodig zijn voor de uitvoering van de opdrachten die hem krachtens § 3 en artikel 36 zijn toevertrouwd.
§ 2. De werkgever dient elk kwartaal bij de FOREm, met behulp van het door de FOREm opgestelde model van de verklaring, een overzicht van de prestaties voor het betreffende kwartaal in, met inbegrip van het rijksregisternummer, het aantal daadwerkelijk betaalde prestatiedagen, het totale aantal dagen dat in de DMFA-verklaring is opgenomen en de contractuele arbeidsregeling.
Bij de eerste indiening van het in lid 1 bedoelde overzicht van de prestaties voegt de werkgever een afschrift bij van de arbeidsovereenkomst van de werknemer die in dienst is genomen en aan wie de subsidie wordt toegekend.
Het in lid 1 bedoelde overzicht van de prestaties wordt toegezonden in de maand die volgt op het betrokken kwartaal. Anders kan de werkgever het overzicht van de prestaties tot de laatste dag van het kwartaal volgend op het betreffende kwartaal toesturen. Indien dit niet het geval is, is de subsidie voor het betrokken kwartaal definitief verloren.
§ 3 De subsidie wordt door FOREm betaald, in driemaandelijkse schijven, op basis van de door de werkgever meegedeelde elementen.
§ 4. De FOREm is verantwoordelijk voor de verwerking van de [1 in paragraaf 2]1 bedoelde gegevens die nodig zijn voor de uitvoering van de opdrachten die hem krachtens § 3 en artikel 36 zijn toevertrouwd.
Modifications
Art. 35. § 1er. La subvention mensuelle, visée à l'article 30, est octroyée pour une occupation à temps plein. En cas d'occupation à temps partiel, le montant mensuel de la subvention est proportionné au régime de travail, tel que convenu par le contrat de travail entre l'employeur et le travailleur.
§ 2. Tous les trimestres, l'employeur introduit, auprès du FOREm, pour chaque travailleur, au moyen du modèle de déclaration établi par le FOREm, un état de prestations concernant le trimestre concerné et comprenant le numéro de registre national, le nombre de jours de prestations effectivement rémunérés, le nombre total de jours repris sur la déclaration DMFA et le régime de travail contractuel.
Lors de la première introduction de l'état de prestations visé à l'alinéa 1er, l'employeur joint une copie du contrat de travail du travailleur engagé et pour lequel la subvention est octroyée.
L'état de prestations visé à l'alinéa 1er est envoyé, au cours du mois qui suit le trimestre concerné. A défaut, l'employeur peut encore adresser l'état de prestations jusqu'au dernier jour du trimestre qui suit le trimestre concerné. A défaut, la subvention relative au trimestre concerné est définitivement perdue.
§ 3. La subvention est liquidée par le FOREm, par tranche trimestrielle, sur la base des éléments transmis par l'employeur.
§ 4. Le FOREm est responsable du traitement des données visées [1 au paragraphe 2]1, nécessaire à l'exécution des missions qui lui sont confiées au § 3 et à l'article 36.
§ 2. Tous les trimestres, l'employeur introduit, auprès du FOREm, pour chaque travailleur, au moyen du modèle de déclaration établi par le FOREm, un état de prestations concernant le trimestre concerné et comprenant le numéro de registre national, le nombre de jours de prestations effectivement rémunérés, le nombre total de jours repris sur la déclaration DMFA et le régime de travail contractuel.
Lors de la première introduction de l'état de prestations visé à l'alinéa 1er, l'employeur joint une copie du contrat de travail du travailleur engagé et pour lequel la subvention est octroyée.
L'état de prestations visé à l'alinéa 1er est envoyé, au cours du mois qui suit le trimestre concerné. A défaut, l'employeur peut encore adresser l'état de prestations jusqu'au dernier jour du trimestre qui suit le trimestre concerné. A défaut, la subvention relative au trimestre concerné est définitivement perdue.
§ 3. La subvention est liquidée par le FOREm, par tranche trimestrielle, sur la base des éléments transmis par l'employeur.
§ 4. Le FOREm est responsable du traitement des données visées [1 au paragraphe 2]1, nécessaire à l'exécution des missions qui lui sont confiées au § 3 et à l'article 36.
Modifications
Art. 36. De onterecht betaalde subsidie wordt door FOREm teruggevorderd, met alle wettelijke middelen
Art. 36. La subvention indûment liquidée est récupérée par le FOREm, par toute voie de droit.
Art. 37. De subsidie als bedoeld in artikel 30 mag niet worden gecumuleerd met enige andere tussenkomst in de beloning, met uitzondering, in afwijking van artikel 13 van het decreet van 2 februari 2017 betreffende de steun voor tewerkstelling ten behoeve van de doelgroepen, van de werkuitkering als bedoeld in artikel 4 van datzelfde decreet.
Art. 37. La subvention visée à l'article 30 ne peut pas être cumulée avec une autre intervention dans la rémunération, à l'exception, par dérogation à l'article 13 du décret 2 février 2017 relatif aux aides à destination des groupes-cibles, de l'allocation de travail visée à l'article 4 du même décret.
Afdeling 5. - Maatregelen betreffende de "verhoogde toelagen sociale economie" voor tewerkstellingen in het kader van artikel 60, § 7 van de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
Section 5. - Mesure relative aux "subventions majorées économie sociale" pour les mises à l'emploi dans le cadre de l'article 60, § 7, de la loi organique des centres publics d'action sociale
Art. 38. In afwijking van het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot toekenning van een verhoogde staatstoelage aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn voor specifieke initiatieven, gericht op sociale inschakeling, binnen de sociale economie, voor rechthebbenden op financiële maatschappelijke hulp en van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot toekenning van een verhoogde staatstoelage aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn voor specifieke initiatieven, gericht op sociale inschakeling, binnen de sociale economie worden de verhoogde toelagen voor tewerkstellingen met toepassing van artikel 60, § 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn tussen 1 oktober 2020 en 31 maart 2021 gehandhaafd indien, om een persoon die recht heeft op financiële sociale steun in dienst te houden, de sociale inschakeling tijdens deze periode moet worden uitgevoerd bij een werkgever die niet erkend is als een initiatief voor sociale economie, op voorwaarde dat de terbeschikkingstelling uiterlijk op 1 april 2021 wordt beëindigd of opnieuw wordt uitgevoerd bij een initiatief voor sociale economie.
Art. 38. Par dérogation à l'arrêté royal du 14 novembre 2002 portant octroi d'une subvention majorée de l'Etat aux centres publics d'aide sociale pour des initiatives spécifiques d'insertion sociale dans l'économie sociale, pour des ayants droit à une aide sociale financière, et à l'arrêté royal du 11 juillet 2002 portant octroi d'une subvention majorée de l'Etat aux centres publics d'aide sociale pour des initiatives spécifiques d'insertion sociale dans l'économie sociale, les subventions majorées octroyées pour les mises à l'emploi dans le cadre de l'article 60, § 7, de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'action sociale sont maintenues entre le 1er octobre 2020 et le 31 mars 2021 si, pour maintenir à l'emploi un ayant droit à une aide sociale financière, l'insertion sociale devait se faire, durant cette période, auprès d'un employeur non reconnu comme initiative d'économie sociale, et pour autant qu'à la date du 1er avril 2021, au plus tard, la mise à disposition soit terminée ou se réalise à nouveau auprès d'une initiative d'économie sociale.
HOOFDSTUK VII. - Maatregelen betreffende de vrijstellingen van beschikbaarheid op de arbeidsmarkt
CHAPITRE VII. - Mesures relatives aux dispenses de disponibilité sur le marché du travail
Art. 39. De toepassing van de artikelen 91, lid 2, 92, § 2, tweede en derde lid, 93, § 2, tweede lid, en 94, § 2, eerste en derde lid, § 5, vierde lid, en § 6, vierde lid, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 wordt geschorst tot 31 maart 2021.
Art. 39. L'application des articles 91, alinéa 2, 92, § 2, alinéas 2 et 3, 93, § 2, alinéa 2, et 94, § 2, alinéas 1er et 3, § 5, alinéa 4, et § 6, alinéa 4, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 est suspendue, jusqu'au 31 mars 2021.
HOOFDSTUK VIII. - Maatregelen betreffende betaald educatief verlof
CHAPITRE VIII. - Mesures relatives au congé-éducation payé
Art. 40. Voor de toepassing van artikel 111, § 1, tweede lid, van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, wordt het aantal uren onderwijs dat tussen 1 juli 2020 en 31 augustus 2021 op afstand wordt gegeven, voor de vaststelling van de aan de werknemer toegekende quota voor betaald educatief verlof gelijkgesteld met het aantal uren werkelijke aanwezigheid.
Art. 40. Pour l'application de l'article 111, § 1er, alinéa 2, de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales, les heures de cours dispensées à distance, entre 1er juillet 2020 et 31 août 2021, sont assimilées à des heures de présences effectives pour déterminer les quotas du congé-éducation payé accordé au travailleur.
Art. 41. Betaald educatief verlof in verband met cursussen en opleidingen die in het jaar 2020/2021 worden georganiseerd en die worden uitgesteld tot uiterlijk 30 september 2021, heeft geen invloed op het quotum voor betaald educatief verlof voor het jaar 2021/2022.
Art. 41. Le congé-éducation payé afférent aux cours et formations, organisés durant l'année 2020/2021 et qui sont reportés au plus tard au 30 septembre 2021, n'affecte pas le quota de congé-éducation payé de l'année 2021/2022.
Art. 42. Voor de toepassing van artikel 21, § 1, 2°, van het koninklijk besluit van 23 juli 1985 tot uitvoering van afdeling 6 - toekenning van betaald educatief verlof in het kader van de voortdurende vorming van de werknemers - van hoofdstuk IV van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, worden de uren van het op afstand gegeven onderwijs, tussen 1 juli 2020 en 31 augustus 2021, waarvoor de hoofden van de onderwijsinstellingen en de verantwoordelijken voor het onderwijs in de in artikel 109 van dezelfde wet bedoelde organisaties, of hun afgevaardigden, niet kunnen verklaren of zij al dan niet door de werknemer zijn bijgewoond, geacht door de werknemer te zijn bijgewoond.
Art. 42. Pour l'application de l'article 21, § 1er, 2°, de l'arrêté royal du 23 juillet 1985 d'exécution de la section 6 - octroi du congé-éducation payé dans le cadre de la formation permanente des travailleurs - du chapitre IV de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales, les heures de cours dispensées à distance, entre le 1er juillet 2020 et le 31 août 2021, pour lesquelles les chefs d'établissements d'enseignement et les responsables pour l'enseignement des organisations visées à l'article 109 de la même loi, ou leurs délégués, ne sont pas en mesure d'attester si elles ont été suivies ou non par le travailleur sont réputées avoir été suivies par le travailleur.
HOOFDSTUK IX. - Slotbepalingen
CHAPITRE IX. - Dispositions finales
Art. 43. De Minister van Tewerkstelling, Sociale Economie, Gelijke Kansen en Vrouwenrechten is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 43. La Ministre qui a l'emploi, l'économie sociale, l'égalité des chances et les droits des femmes dans ses attributions est chargée de l'exécution du présent arrêté.