Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
31 JULI 2020. - Wet tot wijziging van het gerechtelijk wetboek teneinde de toegang tot de juridische tweedelijnsbijstand en de rechtsbijstand te verbeteren, door de ter zake geldende inkomensmaxima te verhogen
Titre
31 JUILLET 2020. - Loi modifiant le code judiciaire afin d'améliorer l'accès à l'aide juridique de deuxième ligne et à l'assistance judiciaire par l'augmentation des plafonds de revenus applicables en la matière
Informations sur le document
Numac: 2020042506
Datum: 2020-07-31
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2020042506
Date: 2020-07-31
Moniteur: Voir
Tekst (18)
Texte (18)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition générale
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
CHAPITRE 2. - Modifications du Code judiciaire
Art. 2. Artikel 508/13, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 23 november 1998 en vervangen bij de wet van 6 juli 2016, wordt opgeheven.
Art. 2. L'article 508/13, alinéa 2, du Code judiciaire, inséré par la loi du 23 novembre 1998 et remplacé par la loi du 6 juillet 2016, est abrogé.
Art. 3. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 508/13/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 508/13/1. § 1. Behoudens internationale of nationale bepalingen op grond waarvan voor sommige personen wordt voorzien in de toekenning zonder voorwaarden van volledig kosteloze juridische tweedelijnsbijstand beschikken de hierna vermelde personen over ontoereikende bestaansmiddelen als bedoeld in artikel 508/13, eerste lid, en genieten zij de volledige kosteloosheid van de juridische bijstand :
  1° de alleenstaande persoon die, aan de hand van om het even welk document dat te beoordelen is door het bureau voor juridische bijstand bewijst dat zijn maandelijks netto-inkomen lager dan 1 226 euro is;
  2° de alleenstaande persoon met iemand ten laste of de samenwonende met zijn echtgenoot of met iedere andere persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt, indien hij bewijst, aan de hand van om het even welk document te beoordelen door het bureau voor juridische bijstand dat het maandelijks netto-inkomen van het gezin lager is dan 1 517 euro.
  Voor de vaststelling van de in het eerste lid, 2°, bedoelde inkomsten wordt rekening gehouden met een aftrek van 20 % van het leefloon per persoon ten laste.
  Voor de vaststelling van de in het eerste lid, 1° en 2°, bedoelde inkomsten wordt rekening gehouden met de lasten die voortvloeien uit een buitengewone schuldenlast, alsook met elk ander bestaansmiddel, met name beroepsinkomsten, inkomsten uit onroerende goederen, inkomsten uit roerende goederen en diverse inkomsten, kapitalen, voordelen, alsmede tekenen en aanwijzingen waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven bestaansmiddelen, behoudens de kinderbijslag en de enige en eigen woning.
  Onder de samenwoning bedoeld in het eerste lid, 2°, wordt verstaan het feit dat twee of meer personen samen onder hetzelfde dak wonen en de huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gezamenlijk regelen.
  Wanneer de belangen van de persoon bedoeld in het eerste lid, 2°, strijdig zijn met die van zijn echtgenoot of met die van een persoon met wie hij samenwoont, wordt met het inkomen van deze laatste geen rekening gehouden.
  § 2. Behoudens tegenbewijs wordt beschouwd als een persoon wiens bestaansmiddelen onvoldoende zijn in de zin van artikel 508/13, eerste lid :
  1° degene die bedragen ontvangt die worden uitgekeerd als leefloon of als maatschappelijke bijstand, minstens op overlegging van de geldige beslissing van het betrokken openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn;
  2° degene die bedragen ontvangt die worden uitgekeerd als gewaarborgd inkomen voor bejaarden, minstens op overlegging van het jaarlijks attest van de Rijksdienst voor Pensioenen;
  3° degene die een inkomensvervangende tegemoetkoming voor gehandicapten ontvangt, minstens op overlegging van de beslissing van de minister tot wiens bevoegdheid de sociale zekerheid behoort of van de door hem afgevaardigde ambtenaar;
  4° de persoon die een kind ten laste heeft dat gewaarborgde kinderbijslag ontvangt, minstens op overlegging van het attest van het gewestelijk organisme voor de kinderbijslag;
  5° de huurder van een sociale woning die in het Vlaams Gewest en in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een huur betaalt die overeenkomt met de helft van de basishuurprijs of die in het Waals Gewest een minimumhuur betaalt, minstens op overlegging van de laatste huurberekeningsfiche;
  6° de gedetineerde, op overlegging van bewijsstukken met betrekking tot het statuut van gedetineerde;
  7° de beklaagde bedoeld in de artikelen 216quinquies tot 216septies van het Wetboek van Strafvordering;
  8° de geesteszieke persoon, wat de toepassing van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke betreft, op overlegging van bewijsstukken;
  9° de vreemdeling, wat de indiening van het verzoek tot machtiging van verblijf betreft, of van een administratief of rechterlijk beroep tegen een beslissing die werd genomen met toepassing van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, op overlegging van bewijsstukken;
  10° de asielaanvrager of de persoon die een aanvraag indient tot verkrijgen van het statuut van ontheemde, op overlegging van bewijsstukken;
  11° de persoon belast met overmatige schulden, op overlegging van een verklaring van hem waaruit blijkt dat de toekenning van de juridische tweedelijnsbijstand wordt aangevraagd met het oog op de inleiding van een procedure van collectieve schuldenregeling.
  § 3. Het bureau voor juridische bijstand kan hetzij aan de rechtzoekende hetzij aan derden, inclusief overheidsinstanties, alle informatie opvragen die nuttig wordt geacht, waaronder het laatste aanslagbiljet, om zich ervan te vergewissen dat de voorwaarden van de juridische tweedelijnsbijstand zijn vervuld.
  § 4. Voor de minderjarige geldt volledige kosteloosheid, op voorlegging van zijn identiteitskaart of van enig ander document waaruit zijn staat blijkt.".
Art. 3. Dans le même Code, il est inséré un article 508/13/1 rédigé comme suit :
  "Art. 508/13/1. § 1er . Sous réserve de dispositions internationales ou nationales prévoyant l'octroi pour certaines personnes de l'aide juridique de deuxième ligne totalement gratuite sans conditions, disposent de moyens d'existence insuffisants au sens de l'article 508/13, alinéa 1er, et peuvent bénéficier de l'aide juridique entièrement gratuite, les personnes énumérées ci-après :
  1° la personne isolée qui justifie, par tout document à apprécier par le bureau d'aide juridique que son revenu mensuel net est inférieur à 1 226 euros ;
  2° la personne isolée avec personne à charge ou la personne cohabitant avec un conjoint ou avec toute autre personne avec laquelle elle forme un ménage, si elle justifie par tout document à apprécier par le bureau d'aide juridique que le revenu mensuel net du ménage est inférieur à 1 517 euros.
  Pour la détermination du revenu visé à l'alinéa 1er, 2°, il est tenu compte d'une déduction de 20 % du revenu d'intégration par personne à charge.
  Pour la détermination du revenu visé à l'alinéa 1er, 1° et 2°, il est tenu compte des charges résultant d'un endettement exceptionnel ainsi que de tout autre moyen d'existence, et notamment, des revenus professionnels, des revenus des biens immobiliers, des revenus des biens mobiliers et divers, des capitaux, des avantages, ainsi que des signes et indices qui laissent apparaître une aisance supérieure aux moyens d'existence déclarés, à l'exception des allocations familiales et de son habitation unique et propre.
  La cohabitation visée à l'alinéa 1er, 2°, est le fait pour deux ou plusieurs personnes, de vivre ensemble sous le même toit et de régler principalement en commun les questions ménagères.
  Lorsque les intérêts de la personne visée à l'alinéa 1er, 2°, sont opposés à ceux de son conjoint ou cohabitant, il ne sera pas tenu compte des revenus de ce dernier.
  § 2. Sauf preuve contraire, est présumée être une personne ne bénéficiant pas de moyens d'existence suffisants au sens de l'article 508/13, alinéa 1er :
  1° le bénéficiaire de sommes payées à titre de revenu d'intégration ou à titre d'aide sociale, sur présentation d'au moins la décision valide du centre public d'action sociale concerné;
  2° le bénéficiaire de sommes payées à titre de revenu garanti aux personnes âgées, sur présentation d'au moins l'attestation annuelle de l'Office national des pensions;
  3° le bénéficiaire d'allocations de remplacement de revenus aux handicapés, sur présentation d'au moins la décision du ministre qui a la sécurité sociale dans ses attributions ou du fonctionnaire délégué par lui;
  4° la personne qui a à sa charge un enfant bénéficiant de prestations familiales garanties, sur présentation d'au moins l'attestation de l'organisme régional d'allocations familiales;
  5° le locataire social qui, dans les Régions flamande et de Bruxelles-Capitale paie un loyer égal à la moitié du loyer de base ou, qui en Région Wallonne, paie un loyer minimum, sur présentation d'au moins la dernière fiche de calcul du loyer ;
  6° la personne en détention, sur présentation des documents probants liés au statut de détenu ;
  7° le prévenu visé par les articles 216quinquies à 216septies du Code d'instruction criminelle ;
  8° la personne malade mentale en ce qui concerne la procédure prévue dans le cadre de la loi du 26 juin 1990 sur la protection des malades mentaux, sur présentation des documents probants ;
  9° l'étranger, pour l'introduction d'une demande d'autorisation de séjour ou d'un recours administratif ou juridictionnel contre une décision prise en application de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, sur présentation des documents probants ;
  10° le demandeur d'asile ou la personne qui introduit une demande de statut de personne déplacée, sur présentation des documents probants ;
  11° la personne surendettée, sur présentation d'une déclaration de sa part selon laquelle le bénéfice de l'aide juridique de deuxième ligne est sollicité en vue de l'introduction d'une procédure de règlement collectif de dettes.
  § 3. Le bureau d'aide juridique peut demander soit au justiciable soit à des tiers, y compris des instances publiques, toutes les informations jugées utiles, entre autres le dernier avertissement-extrait de rôle, afin de vérifier que les conditions d'accès à l'aide juridique de deuxième ligne sont remplies.
  § 4. Le mineur bénéficie de la gratuité totale sur présentation de la carte d'identité ou de tout autre document établissant son état.".
Art. 4. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 508/13/2 ingevoegd, luidende :
  "Art. 508/13/2. De hierna vermelde personen beschikken over ontoereikende bestaansmiddelen zoals bedoeld in artikel 508/13, eerste lid, en kunnen aanspraak maken op de gedeeltelijke kosteloosheid :
  1° de alleenstaande persoon die bewijst, aan de hand van om het even welk document te beoordelen door het bureau voor juridische bijstand dat zijn maandelijks netto-inkomen tussen 1 226 euro en 1 517 euro ligt;
  2° de alleenstaande persoon met iemand ten laste of de samenwonende met zijn echtgenoot of met iedere andere persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt, indien hij bewijst, aan de hand van om het even welk document te beoordelen door het bureau voor juridische bijstand dat het maandelijks netto-inkomen van het gezin tussen 1 517 euro en 1 807 euro ligt.
  Voor de vaststelling van de in het eerste lid, 2°, bedoelde inkomsten wordt rekening gehouden met een aftrek van 20 % van het leefloon per persoon ten laste.
  Voor de vaststelling van de in het eerste lid, 1° en 2°, bedoelde inkomsten wordt rekening gehouden met de lasten die voortvloeien uit een buitengewone schuldenlast, alsook met elk ander bestaansmiddel, met name beroepsinkomsten, inkomsten uit onroerende goederen, inkomsten uit roerende goederen en diverse inkomsten, kapitalen, voordelen, alsmede tekenen en aanwijzingen waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven bestaansmiddelen, behoudens de kinderbijslag en de enige en eigen woning.
  Onder de samenwoning bedoeld in het eerste lid, 2°, wordt verstaan het feit dat twee of meer personen samen onder hetzelfde dak wonen en de huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gezamenlijk regelen.
  De in het eerste lid, 2°, bedoelde persoon die de juridische bijstand vraagt teneinde zijn belangen te verdedigen, valt onder de toepassing van het eerste lid, 1°, wanneer die belangen strijdig zijn met die van zijn echtgenoot of van de persoon met wie hij samenwoont.
  De persoon die de gedeeltelijke kosteloosheid geniet, betaalt aan de advocaat een eigen bijdrage in de kosten van de juridische bijstand per aanstelling door het bureau van juridische bijstand.
  Het bedrag van de door de begunstigde van de gedeeltelijk kosteloze tweedelijnsbijstand verschuldigde bijdrage is gelijk aan het verschil tussen zijn inkomsten uit de bestaansmiddelen en de bedragen van de inkomstengrenzen voor de toegang tot de volledig kosteloze juridische bijstand, zonder dat dit bedrag hoger mag liggen dan 125 euro noch lager dan 25 euro. De advocaat voegt het ontvangstbewijs van deze betaling bij het dossier.
  Het bureau voor juridische bijstand kan hetzij aan de rechtzoekende hetzij aan derden, inclusief overheidsinstanties, alle informatie opvragen die nuttig wordt geacht, waaronder het laatste aanslagbiljet, om zich ervan te vergewissen dat de voorwaarden van de juridische tweedelijnsbijstand zijn vervuld.".
Art. 4. Dans le même Code, il est inséré un article 508/13/2 rédigé comme suit :
  "Art. 508/13/2. Disposent de moyens d'existence insuffisants au sens de l'article 508/13, alinéa 1er, et peuvent bénéficier de la gratuité partielle, les personnes énumérées ci-après :
  1° la personne isolée qui justifie, par tout document à apprécier par le bureau d'aide juridique que son revenu mensuel net se situe entre 1 226 euros et 1 517 euros ;
  2° la personne isolée avec personne à charge, ou la personne cohabitant avec un conjoint ou avec tout autre personne avec laquelle elle forme un ménage, si elle justifie par tout document à apprécier par le bureau d'aide juridique que le revenu mensuel net du ménage se situe entre 1 517 euros et 1 807 euros.
  Pour la détermination du revenu visé à l'alinéa 1er, 2°, il est tenu compte d'une déduction de 20 % du revenu d'intégration par personne à charge.
  Pour la détermination du revenu visé à l'alinéa 1er, 1° et 2°, il est tenu compte des charges résultant d'un endettement exceptionnel ainsi que de tout autre moyen d'existence, et notamment, des revenus professionnels, des revenus des biens immobiliers, des revenus des biens mobiliers et divers, des capitaux, des avantages, ainsi que des signes et indices qui laissent apparaître une aisance supérieure aux moyens d'existence déclarés, à l'exception des allocations familiales et de son habitation unique et propre.
  La cohabitation visée à l'alinéa 1er, 2°, est le fait pour deux ou plusieurs personnes, de vivre ensemble sous le même toit et de régler principalement en commun les questions ménagères.
  La personne visée à l'alinéa 1er, 2°, qui sollicite le bénéfice de l'aide juridique afin de défendre ses intérêts qui l'opposent à son conjoint ou au cohabitant est soumise à l'alinéa 1er, 1°.
  La personne qui bénéficie de la gratuité partielle paie à l'avocat une contribution propre dans les frais d'aide juridique par désignation par le bureau d'aide juridique.
  Le montant de la contribution dû par le bénéficiaire de l'aide juridique de deuxième ligne partiellement gratuite équivaut à la différence entre ses revenus issus des moyens d'existence et les montants des seuils de revenus pour l'accès à l'aide juridique totalement gratuite, sans que ce montant puisse être supérieur à 125 euros et inférieur à 25 euros. L'avocat verse le reçu de ce paiement au dossier.
  Le bureau d'aide juridique peut demander soit au justiciable soit à des tiers, y compris des instances publiques, toutes les informations jugées utiles, entre autres le dernier avertissement-extrait de rôle, afin de vérifier que les conditions d'accès à l'aide juridique de deuxième ligne sont remplies.".
Art. 5. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 508/13/3 ingevoegd, luidende :
  "Art. 508/13/3. Onverminderd de artikelen 508/13/1 en 508/13/2 wordt de kosteloze juridische bijstand geweigerd indien blijkt dat de rechtzoekende beschikt over kapitalen of voordelen, alsook indien uit tekenen en aanwijzingen een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven bestaansmiddelen, waaruit kan worden besloten dat hij in de mogelijkheid is zelf zijn advocaat te betalen.".
Art. 5. Dans le même Code, il est inséré un article 508/13/3 rédigé comme suit :
  "Art. 508/13/3. Sans préjudice des articles 508/13/1 et 508/13/2, l'aide juridique gratuite est refusée s'il apparaît que le justiciable dispose de capitaux ou d'avantages et si des signes et indices laissent apparaître une aisance supérieure aux moyens d'existence déclarés, qui permettent de conclure qu'il est en mesure de payer son avocat lui-même.".
Art. 6. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 508/13/4 ingevoegd, luidende :
  "Art. 508/13/4. § 1. De bedragen vastgesteld in artikel 508/13/1, eerste lid, 1° en 2°, en in artikel 508/13/2, eerste lid, 1° en 2°, worden op 1 september 2021, 2022 en 2023 telkens verhoogd met een vast bedrag van 100 euro.
  § 2. Vanaf 1 september 2024, worden de in artikel 508/13/1, eerste lid, 1° en 2°, en in artikel 508/13/2, eerste lid, 1° en 2°, bepaalde bedragen telkens op 1 september aangepast, rekening houdend met de evolutie van het indexcijfer der consumptieprijzen van de maand juli van elk jaar, daartoe berekend en benoemd zoals geregeld in het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van `s lands concurrentievermogen.
  Het aanvangsindexcijfer is dat van de maand juli 2023.
  Elke verhoging of verlaging van het indexcijfer leidt tot een verhoging of een verlaging van de bedragen overeenkomstig de volgende formule : het nieuwe bedrag is gelijk aan het basisbedrag, vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer en gedeeld door het aanvangsindexcijfer.
  Het resultaat wordt tot op een euro en naar boven afgerond.
  § 3. De nieuwe bedragen worden jaarlijks bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Ze treden in werking op 1 september van het jaar van de aanpassing.".
Art. 6. Dans le même Code, il est inséré un article 508/13/4 rédigé comme suit :
  "Art. 508/13/4. § 1er. Les montants fixés à l'article 508/13/1, alinéa 1er, 1° et 2°, et à l'article 508/13/2, alinéa 1er, 1° et 2°, sont au 1er septembre 2021, 2022 et 2023, chaque fois majoré d'un montant forfaitaire de 100 euros.
  § 2. A partir du 1er septembre 2024, les montants fixés à l'article 508/13/1, alinéa 1er, 1° et 2°, et à l'article 508/13/2, alinéa 1er, 1° et 2°, sont adaptés, à chaque 1er septembre, compte tenu de l'évolution de l'indice des prix à la consommation calculé et nommé à cet effet, tel que prévu dans l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays, du mois de juillet de chaque année.
  L'indice de départ est celui du mois de juillet 2023.
  Chaque augmentation ou diminution de l'indice entraîne une augmentation ou une diminution des montants conformément à la formule suivante : le nouveau montant est égal au montant de base, multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice de départ.
  Le résultat est arrondi à l'euro supérieur.
  § 3. Les nouveaux montants sont publiés annuellement par avis au Moniteur belge. Ils entrent en vigueur le 1er septembre de l'année de leur adaptation.".
Art. 7. In artikel 508/14 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 23 november 1998 en gewijzigd bij de wet van 15 juni 2006, worden in het derde lid de woorden "in artikel 508/13 bedoelde bewijsstukken" vervangen door de woorden "in de artikelen 508/13, 508/13/1 en 508/13/2, eerste en achtste lid, bedoelde bewijsstukken" en worden in het vierde lid de woorden "de bewijsstukken bedoeld in artikel 508/13" vervangen door de woorden "de bewijsstukken bedoeld in de artikelen 508/13, 508/13/1 en 508/13/2, eerste en achtste lid.".
Art. 7. Dans l'article 508/14, du même Code, inséré par la loi du 23 novembre 1998 et modifié par la loi du 15 juin 2006, on remplacera, aux alinéas 3 et 4, les mots "pièces justificatives visées à l'article 508/13" par les mots "pièces justificatives visées aux articles 508/13, 508/13/1, et 508/13/2, alinéas 1er et 8.".
Art. 8. In artikel 508/19 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 23 november 1998 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 december 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1 worden de woorden " § 1, tweede en derde lid, en" opgeheven;
  2° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden " § 1, tweede en derde lid, en" opgeheven;
  3° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden " § 1, tweede en derde lid, en" opgeheven.
Art. 8. A l'article 508/19 du même Code, inséré par la loi du 23 novembre 1998 et modifié en dernier lieu par la loi du 21 décembre 2018, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, les mots " § 1er, alinéas 2 et 3, et" sont abrogés ;
  2° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, les mots " § 1er, alinéas 2 et 3, et" sont abrogés ;
  3° dans le paragraphe 2, alinéa 2, les mots " § 1er, alinéas 2 et 3, et" sont abrogés.
Art. 9. In artikel 508/19ter, § 3, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 6 juli 2016, worden de woorden " § 1, tweede en derde lid, en" opgeheven.
Art. 9. Dans l'article 508/19ter, § 3, du même Code, inséré par la loi du 6 juillet 2016, les mots " § 1er, alinéas 2 et 3, et" sont abrogés.
Art. 10. In artikel 667 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 6 juli 2016, wordt, na de eerste zin, de volgende zin ingevoegd :
  "Om te bepalen dat personen over ontoereikende bestaansmiddelen beschikken, zijn de artikelen 508/13/1 en 508/13/2 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de woorden "het bureau voor juridische bijstand" moeten worden gelezen, naargelang van het geval, als "het bureau voor rechtsbijstand" of "de rechter".".
Art. 10. Dans l'article 667 du même Code, remplacé par la loi du 6 juillet 2016, on insèrera, après la première phrase, la phrase suivante :
  "Pour déterminer que des personnes justifient de moyens d'existence insuffisants, les articles 508/13/1 et 508/13/2 s'appliquent par analogie, étant entendu que les mots "le bureau d'aide juridique" doivent être lus, selon le cas, comme "le bureau d'assistance judiciaire" ou "le juge".".
Art. 11. In artikel 676 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 23 november 1998, wordt het eerste lid vervangen als volgt :
  "Het bureau voor rechtsbijstand of de rechter, kan, hetzij aan de rechtzoekende hetzij aan derden, inclusief overheidsinstanties, alle informatie opvragen die nuttig wordt geacht, waaronder het laatste aanslagbiljet, om zich ervan te vergewissen dat de voorwaarden van de rechtsbijstand zijn vervuld.".
Art. 11. Dans l'article 676 du même Code, remplacé par la loi du 23 novembre 1998, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  "Le bureau d'assistance judiciaire ou le juge peut demander soit au justiciable soit à des tiers, y compris des instances publiques, toutes les informations jugées utiles, entre autres le dernier avertissement-extrait de rôle, afin de vérifier que les conditions d'accès à l'assistance judiciaire sont remplies.".
Art. 12. De wet van 23 november 1998 betreffende de juridische bijstand wordt opgeheven.
Art. 12. La loi du 23 novembre 1998 relative à l'aide juridique est abrogée.
HOOFDSTUK 3. - Opheffingsbepaling
CHAPITRE 3. - Disposition abrogatoire
Art. 13. Het koninklijk besluit van 18 december 2003 tot vaststelling van de voorwaarden van de volledige of gedeeltelijke kosteloosheid van de juridische tweedelijnsbijstand en de rechtsbijstand wordt opgeheven.
Art. 13. L'arrêté royal du 18 décembre 2003 déterminant les conditions de la gratuité totale ou partielle du bénéfice de l'aide juridique de deuxième ligne et de l'assistance judiciaire est abrogé.
HOOFDSTUK 4. - Inwerkingtreding
CHAPITRE 4. - Entrée en vigueur
Art. 14. Deze wet treedt in werking op 1 september 2020.
Art. 14. La présente loi entre en vigueur le 1er septembre 2020.