Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
22 AUGUSTUS 2020. - Koninklijk besluit betreffende zeevarenden(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 31-08-2020 en tekstbijwerking tot 20-12-2024)
Titre
22 AOUT 2020. - Arrêté royal relatif aux marins(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 31-08-2020 et mise à jour au 20-12-2024)
Informations sur le document
Numac: 2020042375
Datum: 2020-08-22
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2020042375
Date: 2020-08-22
Moniteur: Voir
Tekst (42)
Texte (42)
HOOFDSTUK 1. - Verkrijgen van vaarbevoegdheids- en bekwaamheidsbewijzen
CHAPITRE 1. - Obtention des brevets d'aptitude et les certificats d'aptitude
Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit ter :
  - gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 1999/63/EG van de Raad van 21 juni 1999 inzake de overeenkomst betreffende de organisatie van de arbeidstijd van zeevarenden, gesloten door de Associatie van reders van de Europese Gemeenschap (ECSA) en de Federatie van de bonden voor het vervoerspersoneel in de Europese Unie (FST), gewijzigd bij Richtlijn 2009/13/EG van de Raad van 16 februari 2009;
  - gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2008/106/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 inzake het minimum opleidingsniveau van zeevarenden, gewijzigd bij Richtlijn 2012/35/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 en Richtlijn 2019/1159/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019;
  wordt verstaan onder :
  1° "lidstaat": een lidstaat van de Europese Unie en de Europese Economisch Ruimte;
  2° "zeeschip dat gerechtigd is de vlag van een lidstaat te voeren": een zeeschip dat geregistreerd is in en de vlag voert van een lidstaat volgens de wetgeving van die lidstaat. Zeeschepen die niet aan deze definitie voldoen, worden gelijkgesteld met zeeschepen die onder de vlag van een derde land varen;
  3° "officier": een lid van de bemanning, niet zijnde de kapitein, die als zodanig aangewezen is op grond van de vigerende wetgeving inzake de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst;
  4° "dekofficier": een officier die bevoegd is in overeenstemming met de bepalingen van hoofdstuk II van bijlage 1;
  5° "eerste stuurman": de officier die in rang volgt op de kapitein en op wie het bevel over het zeeschip komt te rusten indien de kapitein daartoe niet in staat is;
  6° "werktuigkundige": een officier die bevoegd is in overeenstemming met de bepalingen van hoofdstuk III van bijlage 1;
  7° "hoofdwerktuigkundige": de werktuigkundige die het oudst in rang is en die verantwoordelijk is voor de werktuiglijke voortstuwing en de werking en het onderhoud van de werktuiglijke en elektrische installaties van het zeeschip;
  8° "tweede werktuigkundige": de werktuigkundige die in rang volgt op de hoofdwerktuigkundige en op wie de verantwoordelijkheid voor de werktuiglijke voortstuwing en de werking en het onderhoud van de werktuiglijke en elektrische installaties van het zeeschip komt te rusten, indien de hoofdwerktuigkundige daartoe niet in staat is;
  9° "assistent-werktuigkundige": een persoon die aan boord van een zeeschip een opleiding volgt tot werktuigkundige en als zodanig op grond van de wet van 3 juni 2007 houdende diverse arbeidsbepalingen is aangewezen;
  10° "BIPT": het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie overeenkomstig artikel 13 de wet 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de post- en telecommunicatiesector;
  11° "radio-operator": een persoon die in het bezit is van een bedieningscertificaat van 4e categorie in de zin van het koninklijk besluit van 18 december 2009 betreffende de private radiocommunicatie en de gebruiksrechten voor vaste netten en netten met gedeelde middelen, afgegeven of erkend door het BIPT ° ;
  12 ° "STCW-verdrag": het internationaal verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst, zoals dit geldt voor de van toepassing zijnde onderwerpen, rekening houdend met de overgangsbepalingen van artikel VII en Voorschrift I/15 van het STCW-verdrag en met inbegrip, voor zover van toepassing, van de desbetreffende bepalingen van de STCW-code, die alle worden toegepast, in de meest recente versie;
  13° "STCW-code": de code inzake opleiding, diplomering en wachtdienst voor zeevarenden, zoals aangenomen bij resolutie 2 van de Conferentie van 1995, in de bijgewerkt versie;
  14° "reizen nabij de kust": reizen binnen een vaargebied onder Belgische jurisdictie dat zich uitstrekt tot dertig zeemijlen uit de Belgische kust, of reizen in de nabijheid van een lidstaat, zoals door die lidstaat omschreven of in de nabijheid van een partij, zoals door die partij omschreven;
  15° "voortstuwingsvermogen": het maximale vermogen uitgedrukt in kilowatt, dat door de voortstuwingsmachine(s) van het zeeschip zonder overbelasting gedurende onbeperkte tijdsduur kan worden geleverd [1 ...]1;
  16° "olietanker": een zeeschip gebouwd en gebruikt voor het vervoer in bulk van aardolie en aardolieproducten;
  17° "chemicaliëntanker": een zeeschip, gebouwd of aangepast en gebruikt voor het vervoer in bulk van enig vloeibaar product opgenomen in hoofdstuk 17 van de internationale code inzake het vervoer van chemicaliën in bulk (International Bulk Chemical Code), in de meest recente versie;
  18° "vloeibaargastanker": een zeeschip, gebouwd of aangepast en gebruikt voor het vervoer in bulk van enig vloeibaar gemaakt gas of ander product opgenomen in hoofdstuk 19 van de internationale code inzake het vervoer van vloeibaar gemaakt gas (International Gas Carrier Code) in de meest recente versie;
  19° "radioreglement": het radioreglement dat is gehecht aan, of wordt geacht te zijn gehecht aan, het internationaal Verdrag betreffende telecommunicatie, zoals gewijzigd;
  20° "passagiersschip": een schip zoals omschreven in het SOLAS-verdrag;
  21° "vissersvaartuig": een vaartuig dat wordt gebruikt voor het vangen van vis of andere levende rijkdommen van de zee;
  22° "radiowerkzaamheden": werk-zaamheden die, al naar gelang van het geval, de luisterwacht omvatten alsmede het technisch onderhoud en reparatiewerkzaamheden overeenkomstig het radioreglement, het internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee van 1974 (SOLAS-verdrag) en de desbetreffende aanbevelingen van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO), in de meest recente versie;
  23° "ro-ro-passagiersschip": een passagiersschip met ruimten voor ro-ro-lading of ruimten van bijzondere aard zoals omschreven in het SOLAS-verdrag, in de meest recente versie;
  24° "functie": een verzameling taken, plichten en verantwoordelijkheden, zoals aangegeven in de STCW-code, die vereist zijn voor de bedrijfsvoering aan boord, de beveiliging van mensenlevens op zee of de bescherming van het mariene milieu;
  25° "maatschappij": de reder van het zeeschip of elke andere organisatie of persoon, zoals de beheerder of degene die het zeeschip leeg chartert, die de verantwoordelijkheid voor de bedrijfsvoering aan boord van de eigenaar van het zeeschip heeft overgenomen en die bij het op zich nemen van deze verantwoordelijkheid, ermee heeft ingestemd alle verplichtingen en verantwoordelijkheden over te nemen die door deze voorschriften aan de maatschappij worden opgelegd;
  26° "diensttijd": het dienstdoen aan boord van een schip voor zover van belang voor de afgifte of vernieuwing van een vaarbevoegdheidsbewijs, een bekwaamheidsbewijs of een andere kwalificatie;
  27° "arbeidstijd": de tijd gedurende welke een zeevarende arbeid voor het schip moet verrichten;
  28° "rusttijd": is de tijd buiten de arbeidstijd. Korte pauzes vallen niet onder dit begrip;
  29° "goedgekeurd": goedgekeurd overeenkomstig de bepalingen van dit besluit door de Scheepvaartcontrole;
  30° "maand": een kalendermaand of 30 dagen samengesteld uit perioden van minder dan een maand;
  31° "derde land": een land dat geen lidstaat is;
  32° "Commissie": de Commissie van de Europese Unie;
  33° "Minister": de Minister bevoegd voor de maritieme mobiliteit;
  34° "Directoraat": het Directoraat-generaal Scheepvaart bij de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer;
  35° "SOLAS-verdrag": het internationaal verdrag van 1974 voor de beveiliging van mensenlevens op zee, en bijhorende protocollen en wijzigingen, in de meest recente versie;
  36° "Richtlijn 2008/106/EG": Richtlijn 2008/106/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 inzake het minimumopleidingsniveau van zeevarenden, in de meest recente versie;
  37° "GMDSS-radio-operator": een persoon die gekwalificeerd is in overeenstemming met hoofdstuk IV van bijlage 1;
  38° "scheepsveiligheidsbeambte": een zich aan boord van het schip bevindende, aan de kapitein verantwoording verschuldigde persoon, die door de maatschappij is aangesteld als verantwoordelijke voor de beveiliging van het schip, inclusief uitvoering en onderhoud van het scheepsveiligheidsplan, en voor het contact met de veiligheidsbeambte van de maatschappij en de veiligheidsbeambten van de havenfaciliteit;
  39° "beveiligingstaken": alle beveiligingstaken aan boord van schepen zoals bepaald in hoofdstuk XI/2 van SOLAS-Verdrag, en in de ISPS-code;
  40° "vaarbevoegdheidsbewijs": een vaarbevoegdheidsbewijs afgegeven en voorzien van een officiële verklaring voor kapiteins, officieren en GMDSS-radio-operatoren van het wereldwijd maritiem nood- en veiligheidssysteem in overeenstemming met de bepalingen van hoofdstukken II, III, IV of VII van bijlage 1, dat de rechtmatige houder ervan het recht geeft dienst te doen in de daarin beschreven hoedanigheid en de daarbij behorende functies te vervullen op het daarin omschreven verantwoordelijkheidsniveau;
  41° "bekwaamheidsbewijs": een bewijs van bekwaamheid anders dan het vaarbevoegdheidsbewijs dat aan een zeevarende wordt afgegeven, waarin staat dat aan de in dit besluit vermelde relevante eisen op het gebied van opleiding, vaardigheden of diensttijd is voldaan;
  42° "schriftelijk bewijs": een ander document dan een vaarbevoegdheidsbewijs of een bekwaamheidsbewijs dat wordt gebruikt om vast te stellen dat aan de relevante eisen van dit besluit is voldaan;
  43° "elektrotechnisch officier": een officier die bevoegd is in overeenstemming met de bepalingen van hoofdstuk III van bijlage 1;
  44° "volmatroos met dekdienst": een matroos die bevoegd is in overeenstemming met de bepalingen van hoofdstuk II van bijlage 1;
  45° "volmatroos met machinekamerdienst": een matroos die bevoegd is in overeenstemming met de bepalingen van hoofdstuk III van bijlage 1;
  46° "elektrotechnisch matroos": een matroos die bevoegd is in overeenstemming met de bepalingen van hoofdstuk III van bijlage 1;
  47° "IGF-Code": de International Code of Safety for Ships using Gases or other Low-flashpoint Fuels, zoals gedefinieerd in voorschrift II-1/2.29 van SOLAS 74;
  48° "zeevaartcode voor het Noordpoolgebied": internationale gedragscode voor schepen die in poolwateren varen, zoals gedefinieerd in voorschrift XIV/1.1 van SOLAS 74;
  49° "poolwateren": de Arctische wateren en/of het Antarctisch gebied, zoals gedefinieerd in voorschriften XIV/1.2 tot en met XIV/1.4 van SOLAS 74;
  50° "pleziervaartuig voor bedrijfs- of beroepsgebruik": elk pleziervaartuig dat wordt gebruikt bij de uitoefening van een economische activiteit, met of zonder winstoogmerk, door een onderneming of een natuurlijk persoon, ongeacht de plaats waar deze activiteit wordt uitgeoefend, evenals elk pleziervaartuig dat wordt geregistreerd door een verhuurbedrijf, met uitsluiting van de vaartuigen gebruikt of bestemd voor het vervoer van meer dan twaalf passagiers.
  
Article 1er. Pour l'application du présent arrêté :
  - transposant partiellement la directive 1999/63/CE du Conseil du 21 juin 1999 concernant l'accord relatif à l'organisation du temps de travail des gens de mer, conclu par l'Association des armateurs de la Communauté européenne (ECSA) et la Fédération des syndicats des transports dans l'Union européenne (FST), modifiée par la Directive 2009/13/CE du Conseil du 16 février 2009;
  - transposant partiellement de la Directive 2008/106/CE du Parlement européen et du Conseil du 19 novembre 2008 concernant le niveau minimal de formation des gens de mer, modifiée par la Directive 2012/35/UE du Parlement européen et du Conseil du 21 novembre 2012 et par la Directive 2019/1159/UE du Parlement européen et du Conseil du 20 juin 2019;
  on entend par :
  1° " Etat membre " : un Etat membre de l'Union européenne et de l'Espace économique européen;
  2° " navire de mer autorisé à battre pavillon d'un Etat membre " : un navire de mer immatriculé dans un Etat membre et battant pavillon de cet Etat membre conformément à sa législation. Les navires de mer ne correspondant pas à la présente définition sont assimilés à des navires de mer battant pavillon d'un pays tiers;
  3° " officier " : un membre de l'équipage, autre que le capitaine, nommé à cette fonction conformément à la législation en vigueur concernant le contrat d'engagement maritime;
  4° " officier de pont " : un officier qualifié conformément aux dispositions du chapitre II de l'annexe 1re;
  5° " second " : l'officier dont le rang vient immédiatement après celui de capitaine et à qui incombe le commandement du navire de mer en cas d'incapacité du capitaine;
  6° " officier mécanicien " : un officier qualifié conformément aux dispositions du chapitre III de l'annexe 1re;
  7° " chef mécanicien " : l'officier mécanicien principal, responsable de la propulsion mécanique ainsi que du fonctionnement et de l'entretien des installations mécaniques et électriques du navire de mer;
  8° " second mécanicien " : l'officier mécanicien dont le rang vient immédiatement après celui de chef mécanicien et à qui incombe la responsabilité de la propulsion mécanique ainsi que du fonctionnement et de l'entretien des installations mécaniques et électriques du navire de mer en cas d'incapacité du chef mécanicien;
  9° " officier mécanicien adjoint " : une personne qui suit à bord d'un navire de mer une formation pour devenir officier mécanicien et qui est nommée à cette fonction conformément à la loi 3 juin 2007 portant des dispositions diverses relatives au travail;
  10° " IBPT " : l'institut belge des services postaux et des télécommunications conformément article 13 de la loi du 17 janvier 2003 relative au statut du régulateur des secteurs des postes et des télécommunications;
  11° " opérateur des radiocommunications " : une personne titulaire d'un certificat d'opérateur de 4e catégorie au sens de l'arrêté royal du 18 décembre 2009 relatif aux communications radioélectriques privées et aux droits d'utilisation des réseaux fixes et des réseaux à ressources partagées, délivré ou reconnu par l'IBPT;
  12° " convention STCW " : la convention internationale sur les normes de formation des gens de mer, de délivrance des brevets et de veille, telle qu'elle s'applique aux questions concernées, compte tenu des dispositions transitoires de l'article VII et de la règle I/15 de la convention STCW et comprenant, selon le cas, les dispositions applicables du code STCW, l'ensemble de ces dispositions étant appliqué dans leur version actualisée;
  13° " code STCW " : le code de formation des gens de mer, de délivrance des brevets et de veille, adopté par la résolution 2 de la conférence STCW des parties de 1995, dans sa version mise à jour;
  14° " voyages à proximité du littoral " : des voyages effectués dans une zone de navigation relevant de la juridiction belge qui s'étend à trente milles marins de la côte belge ou des voyages dans le voisinage d'un Etat membre, tels qu'ils sont définis par cet Etat membre ou dans le voisinage d'une partie, tels qu'ils sont définis par cette partie;
  15° " puissance propulsive " : la puissance maximale de sortie nominale, continue et totale de tout l'appareil propulsif du navire de mer, exprimée en kilowatts [1 ...]1;
  16° " pétrolier " : un navire de mer construit et utilisé pour le transport de pétrole et de produits pétroliers en vrac;
  17° " navire-citerne pour produits chimiques " : un navire de mer de charge construit ou adapté et utilisé pour transporter en vrac des produits liquides énumérés au chapitre 17 du recueil international de règles sur les transporteurs de produits chimiques (International Bulk Chemical Code), dans sa version actualisée;
  18° " navire-citerne pour gaz liquéfiés " : un navire de mer de charge construit ou adapté et utilisé pour transporter en vrac des gaz liquéfiés ou d'autres produits énumérés au chapitre 19 du recueil international de règles sur les transporteurs de gaz (International Gas Carrier Code), dans sa version actualisée;
  19° " réglementation des radiocommunications " : la réglementation des radiocommunications annexée, ou considérée comme annexée, à la convention internationale des télécommunications, telle que modifiée;
  20° " navire à passagers " : un navire tel que défini dans la convention SOLAS;
  21° " navire de pêche " : un navire utilisé pour la capture de poissons ou d'autres ressources vivantes de la mer;
  22° " tâches relatives aux radiocommunications " : les tâches comprenant notamment, selon le cas, la veille, l'entretien ou les réparations techniques, conformément au règlement des radiocommunications, à la convention internationale de 1974 pour la sauvegarde de la vie humaine en mer (convention SOLAS) et aux recommandations pertinentes de l'Organisation maritime internationale (OMI), dans leur version actualisée;
  23° " navire roulier à passagers " : un navire à passagers qui est doté d'espaces rouliers à cargaison ou de locaux de catégorie spéciale tels que définis dans la convention SOLAS, dans sa version actualisée;
  24° " fonction " : un groupe de tâches, d'obligations et de responsabilités, telles que spécifiées dans le code STCW, nécessaires à l'exploitation du navire, à la sauvegarde de la vie humaine en mer ou à la protection du milieu marin;
  25° " compagnie " : le propriétaire du navire de mer ou toute autre entité ou personne, telle que l'armateur gérant ou l'affréteur coque nue, à laquelle le propriétaire du navire de mer a confié la responsabilité de l'exploitation du navire de mer et qui, en assumant cette responsabilité, a convenu de s'acquitter de toutes les obligations et responsabilités imposées à la compagnie par les présentes règles;
  26° " service en mer " : un service effectué à bord d'un navire en rapport avec la délivrance ou la prorogation d'un brevet d'aptitude, d'un certificat d'aptitude ou d'une autre qualification;
  27° " durée du travail " : le temps durant lequel un marin est tenu d'effectuer un travail pour le navire;
  28° " heures de repos " : le temps qui n'est pas compris dans la durée du travail. Cette expression n'inclut pas les interruptions de courte durée;
  29° " approuvé " : approuvé conformément aux dispositions du présent arrêté par le Contrôle de la navigation;
  30° " mois " : un mois civil ou trente jours constitués de périodes de moins d'un mois;
  31° " pays tiers " : un pays n'étant pas un Etat membre;
  32° " Commission " : la Commission de l'Union européenne;
  33° " Ministre " : le Ministre qui a la mobilité maritime dans ses attributions;
  34° " Direction " : la Direction générale de la Navigation du Service public fédéral Mobilité et Transports;
  35° " Convention SOLAS " : la convention internationale de 1974 pour la sauvegarde de la vie humaine en mer, ainsi que les protocoles et modifications y afférents, dans sa version actualisée;
  36° " Directive 2008/106/CE " : Directive 2008/106/CE du Parlement européen et du Conseil du 19 novembre 2008 concernant le niveau minimal de formation des gens de mer, dans la version actualisée;
  37° " opérateur des radiocommunications dans le cadre du SMDSM " : une personne qualifiée conformément au chapitre IV de l'annexe 1re;
  38° " agent de sûreté du navire " : la personne à bord d'un navire, responsable devant le capitaine, qui est désignée par la compagnie comme responsable de la sûreté du navire, notamment de l'exécution et du maintien du plan de sûreté du navire et de la liaison avec l'agent de sûreté de la compagnie et les agents de sûreté de l'installation portuaire;
  39° " tâches liées à la sûreté " : comprennent toutes les tâches liées à la sûreté à bord d'un navire, telles que définies au chapitre XI/2 de la convention SOLAS, et dans le code ISPS;
  40° " brevet d'aptitude " : un titre délivré et visé à l'intention des capitaines, officiers et opérateurs des radiocommunications dans le cadre du SMDSM conformément aux chapitres II, III, IV ou VII de l'annexe 1re, qui autorise son titulaire légitime à servir dans la capacité indiquée dans ce document et à exécuter les fonctions correspondantes au niveau de responsabilité qui y est spécifié;
  41° " certificat d'aptitude " : un titre autre qu'un brevet d'aptitude délivré à un marin attestant qu'il satisfait aux prescriptions pertinentes du présent arrêté relatives à la formation, aux compétences et au service en mer;
  42° " attestation " : un document, autre qu'un brevet d'aptitude ou un certificat d'aptitude, utilisé pour attester qu'il a été satisfait aux prescriptions pertinentes du présent arrêté;
  43° " officier électrotechnicien " : un officier qualifié conformément au chapitre III de l'annexe 1re;
  44° " marin qualifié Pont " : un matelot ayant les qualifications requises conformément aux dispositions du chapitre II de l'annexe 1re;
  45° " marin qualifié Machine " : un matelot ayant les qualifications requises conformément au chapitre III de l'annexe 1re;
  46° " matelot électrotechnicien " : un matelot ayant les qualifications requises conformément au chapitre III de l'annexe 1re;
  47° " recueil IGF " : le recueil international des règles de sécurité applicables aux navires qui utilisent des gaz ou d'autres combustibles à faible point d'éclair, tel qu'il est défini dans la règle SOLAS 74 II-1/2.29;
  48° " recueil sur la navigation polaire " : le recueil international de règles applicables aux navires exploités dans les eaux polaires, tel qu'il est défini dans la règle SOLAS 74 XIV/1.1;
  49° " eaux polaires " : les eaux de l'Arctique et/ou de l'Antarctique, telles qu'elles sont définies dans les règles SOLAS 74 XIV/1.2 à XIV/1.4;
  50° " navire de plaisance utilisé à des fins professionnelles " : tout navire de plaisance qui est utilisé lors de l'exercice d'une activité économique, avec ou sans but lucratif, par une entreprise ou une personne physique, indépendamment du lieu où cette activité est exercée, ainsi que tout navire de plaisance qui est enregistré par une entreprise de location, à l'exception de bâtiments utilisés ou destinés au transport de plus de douze passagers.
  
Art. 2. Tenzij andersluidende bepaling zijn de bepalingen van dit besluit van toepassing op de in dit besluit genoemde zeevarenden die dienst doen op Belgische zeeschepen, met uitzondering van:
  - oorlogsschepen, Belgische gezagsschepen die zich onder het operationeel commando van het Ministerie van Defensie bevinden of andere zeeschepen die eigendom zijn van of geëxploiteerd worden door België en die uitsluitend worden gebezigd voor een niet-commerciële overheidsdienst;
  - vissersvaartuigen;
  - pleziervaartuigen andere dan pleziervaartuigen voor bedrijfs- of beroepsgebruik;
  - pleziervaartuigen voor bedrijfs- of beroepsgebruik die verhuurd worden zonder bemanning;
  - houten zeeschepen van primitieve bouw.
  Artikel 5, § 13 tot en met § 19, zijn van toepassing op zeevarenden die houder zijn van een door een lidstaat afgegeven bewijs van beroepsbekwaamheid, ongeacht hun nationaliteit.
  Hoofdstuk 2. is van toepassing op oorlogsschepen, Belgische gezagsschepen die zich onder het operationeel commando van het Ministerie van Defensie bevinden of andere zeeschepen die eigendom zijn van of geëxploiteerd worden door België en die uitsluitend worden gebezigd voor een niet-commerciële overheidsdienst. De commandant dan wel kapitein zijn bevoegd om de testen en analyses opgenomen in hoofdstuk 2 op te leggen.
Art. 2. Sauf disposition contraire, les dispositions du présent arrêté s'appliquent aux gens de mers mentionnés dans le présent arrêté, servant à bord des navires de mer belges, à l'exception :
  - des navires de guerre, navires de souveraineté belge sous le commandement opérationnel du Ministère de la Défense ou autres navires de mer appartenant à, ou exploités par la Belgique et utilisés exclusivement à des fins gouvernementales et non commerciales;
  - des navires de pêche;
  - des navires de plaisance autres que les navires de plaisance utilisés à des fins professionnelles; dans les eaux belges;
  - des navires de plaisance utilisés à des fins professionnelles loués sans équipage;
  - des navires de mer en bois de construction primitive.
  L'article 5, § 13 jusqu'au § 19, s'appliquent aux gens de mer titulaires d'un titre délivré par un Etat membre, indépendamment de leur nationalité.
  Chapitre 2. s'applique à des navires de guerre, navires de souveraineté belge sous le commandement opérationnel du Ministère de la Défense ou autres navires de mer appartenant à, ou exploités par la Belgique et utilisés exclusivement à des fins gouvernementales et non commerciales. Le commandant ou le capitaine est autorisé à imposer les tests et analyses inclus au chapitre 2.
Art. 3. Om een bewijs zoals omschreven in artikel 1, onder 40° en 41°, en/of een schriftelijk bewijs zoals omschreven in artikel 1, 42°, te verkrijgen moeten zeevarenden die dienst doen op een schip als bedoeld in artikel 2 ten minste een opleiding hebben genoten die voldoet aan de eisen van het STCW-verdrag opgenomen in bijlage 1 bij dit besluit en aan de bepalingen van dit besluit.
  [1 De Scheepvaartcontrole kan andere opleidingen erkennen als gelijkwaardig, met inbegrip van die betrekking hebben tot diensttijd op zee en de organisatie aan boord die speciaal zijn aangepast aan technische ontwikkelingen en aan speciale soorten schepen en beroepsmatig gebruik, op voorwaarde dat het niveau van diensttijd en kennis wordt gewaarborgd. De scheepvaartcontrole kan hiervoor de nodige beperkingen aanbrengen op de vaarbevoegdheids- en bekwaamheidsbewijzen.]1
  
Art. 3. Afin d'obtenir un titre au sens de l'article 1er, 40° et 41°, et/ou une attestation au sens de l'article 1er, 42°, les gens de mer servant à bord d'un navire de mer visé à l'article 2 doivent avoir suivi une formation qui soit au moins conforme aux prescriptions de la convention STCW, telles qu'elles sont énoncées à l'annexe 1re du présent arrêté et aux dispositions du présent arrêté.
  [1 Le Contrôle de la navigation peut reconnaître comme équivalents d'autres formations, y compris ceux relatifs au service en mer et à l'organisation à bord spécialement adaptés aux évolutions techniques et à des types particuliers de navires et d'utilisation professionnelle, à condition que le niveau de service en mer et de connaissances soit garanti. Le Contrôle de la navigation peut appliquer les restrictions nécessaires sur les brevets d'aptitude et les certificats d'aptitude.]1
  
Art. 4. Bemanningsleden die een bekwaamheidsbewijs moeten bezitten overeenkomstig de bepalingen van voorschrift III/10.4 van het SOLAS-verdrag hebben een opleiding genoten en zijn in het bezit van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig de bepalingen van dit besluit.
Art. 4. Les membres de l'équipage tenus d'être titulaire d'un brevet d'aptitude conformément aux dispositions de la règle III/10.4 de la convention SOLAS sont formés et sont en possession d'un brevet d'aptitude conformément aux dispositions du présent arrêté.
Art. 5. § 1. Vaarbevoegdheids- en bekwaamheidsbewijzen worden slechts afgeven aan kandidaten, die aan de eisen van dit artikel voldoen, door de Scheepvaartcontrole, onverminderd het bepaalde in paragraaf 4.
  § 2. De vaarbevoegdheids- en bekwaamheidsbewijzen voor kapiteins, officieren en radio-operators worden door de Scheepvaartcontrole voorzien van een officiële verklaring volgens de voorschriften van dit artikel.
  § 3. Vaarbevoegdheids- en bekwaamheidsbewijzen worden afgegeven in overeenstemming met voorschrift I/2, lid 3, van de bijlage bij het STCW-verdrag.
  Vaarbevoegdheidsbewijzen worden uitsluitend afgegeven na controle van de echtheid en de geldigheid van de nodige schriftelijke bewijzen en in overeenstemming met de bepalingen in dit artikel.
  § 4. Met betrekking tot de radio-operators wordt door het BIPT een bedieningscertificaat van 4e categorie afgegeven, "GOC", "ROC" of "LRC" genaamd volgens de klassen bedoeld in artikel 17, § 2, van het koninklijk besluit van 18 december 2009 betreffende de private radiocommunicatie en de gebruiksrechten voor vaste netten en netten met gedeelde middelen, waarin het kennisniveau van de houder ervan geattesteerd wordt en dat overeenkomstig de internationale voorschriften wordt toegekend.
  § 5. De officiële verklaringen worden opgenomen in het model van het vaarbevoegdheids- en bekwaamheidsbewijs afgegeven zoals voorgeschreven in sectie A-I/2 van de STCW-code. De inhoud van het model is in overeenstemming met de inhoud van het model dat is beschreven in sectie A-I/2, lid 1 van de STCW-code. De vorm van het model wordt bepaalt door de Scheepvaartcontrole en bekendgemaakt op de website van de Scheepvaartcontrole.
  De officiële verklaringen worden afgegeven overeenkomstig artikel VI, lid 2, van het STCW-verdrag.
  Officiële verklaringen ter bevestiging van de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs en officiële verklaringen ter bevestiging van afgifte van een bekwaamheidsbewijs aan kapiteins en officieren in overeenstemming met voorschriften V/1-1 en V/1-2 van bijlage 1 worden uitsluitend afgegeven indien aan alle vereisten van het STCW-verdrag en dit besluit is voldaan.
  § 6. De Scheepvaartcontrole, geeft een officiële verklaring af ter bevestiging van de erkenning van een vaarbevoegdheidsbewijs of een bekwaamheidsbewijs dat krachtens de procedure van artikel 16, § 1, a), is afgegeven aan kapiteins en officieren in overeenstemming met de voorschriften V/1-1 en V/1-2 van de bijlage bij het STCW-verdrag, na zich te vergewissen van de echtheid en geldigheid van dat bewijs. De inhoud van de gebruikte officiële verklaring komt overeen met inhoud van het model zoals opgenomen in sectie A-I/2, lid 3, van de STCW-code. De vorm van het model wordt bepaalt door de Scheepvaartcontrole en bekendgemaakt op de website van de Scheepvaartcontrole.
  § 7. De officiële verklaringen bedoeld in de paragrafen 5 en 6:
  a) mogen als afzonderlijke documenten worden afgegeven;
  b) worden uitsluitend door de Scheepvaartcontrole afgegeven;
  c) zijn alle voorzien van een eigen, uniek nummer, met dien verstande dat aan officiële verklaringen die de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs bevestigen, hetzelfde nummer mag worden toegekend als aan het desbetreffende vaarbevoegdheidsbewijs, op voorwaarde dat dit nummer uniek is; en
  d) verliezen hun geldigheid zodra het van een officiële verklaring voorziene vaarbevoegdheidsbewijs of het van een officiële verklaring voorziene bekwaamheidsbewijs dat aan kapiteins en officieren is afgegeven overeenkomstig voorschriften V/1-1 en V/1-2 van bijlage 1 bij het STCW-verdrag, verloopt of wordt ingetrokken, tijdelijk wordt ingetrokken of ongeldig wordt verklaard door de lidstaat of het derde land dat het heeft afgegeven en, in elk geval, uiterlijk vijf jaar na de datum van afgifte ervan.
  § 8. De hoedanigheid waarin de houder van een vaarbevoegdheids- of bekwaamheidsbewijs gerechtigd is te varen wordt in de officiële verklaring vermeld in bewoordingen gelijk aan die welke worden gebruikt in de van toepassing zijnde eisen inzake het veilig bemannen van zeeschepen zoals bepaald in artikel 90 van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement.
  § 9. Met inachtneming van de bepalingen van artikel 16, § 3, dient het origineel van elk op grond van dit besluit vereist vaarbevoegdheidsbewijs beschikbaar te zijn aan boord van het schip waarop de houder dienstdoet, in een papieren of een digitaal formaat, en kunnen de echtheid en geldigheid ervan worden gecontroleerd volgens de in paragraaf 11, b), vastgestelde procedure.
  § 10. Kandidaten die een vaarbevoegdheidsbewijs of een bekwaamheidsbewijs wensen te verkrijgen, dienen het bewijs over te leggen:
  a) van hun identiteit;
  b) dat hun leeftijd niet lager is dan die welke is voorgeschreven in de in bijlage 1 opgesomde voorschriften voor het aangevraagde vaarbevoegdheids- of bekwaamheidsbewijs;
  c) dat zij voldoen aan de normen betreffende medische geschiktheid van sectie A-I/9 van de STCW-code overeenkomstig artikel 102 van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement;
  d) dat zij de diensttijd, en elke verplichte opleiding die door de voorschriften van bijlage 1 voor het aangevraagde vaarbevoegdheids- of bekwaamheidsbewijs wordt vereist, hebben voltooid; en
  e) dat zij voldoen aan de normen van vakbekwaamheid die door de voorschriften van bijlage 1 worden vereist voor de hoedanigheden, functies en niveaus, die moeten worden vermeld in de officiële verklaring bij het vaarbevoegdheidsbewijs.
  Deze paragraaf is niet van toepassing op erkenningen van officiële verklaringen overeenkomstig voorschrift I/10 van het STCW-verdrag.
  Volgende gegevens worden meegedeeld aan de Scheepvaartcontrole:
  1° voor wat een natuurlijk persoon betreft: het rijksregisternummer;
  2° voor natuurlijke personen niet ingeschreven in het Belgische rijksregister:
  * Naam
  * Voornaam
  * Geboortedatum
  * Nationaliteit
  * Geslacht
  * Adres van de woonplaats
  3° een e-mailadres dat gekoppeld is aan de persoon bedoeld in 1° of 2° ;
  4° Recente pasfoto;
  5° Hoogste opleidingsattest.
  De bovenstaande gegevens, met uitzondering van 1° en 3°, moeten gestaafd worden aan de hand van de nodige overtuigingsstukken ten behoeve van de Scheepvaartcontrole.
  § 11. De Scheepvaartcontrole:
  a) houdt een elektronisch register bij van alle vaarbevoegdheids- en bekwaamheidsbewijzen en officiële verklaringen voor kapiteins en officieren en, waar van toepassing, matrozen, die zijn afgegeven, zijn verlopen of zijn vernieuwd, ingetrokken, tijdelijk ingetrokken of ongeldig verklaard of als vermist of vernietigd zijn aangemeld, en tevens van dispensaties die zijn verleend. Volgende gegevens worden geregistreerd: naam en voornaam, geboortedatum, nationaliteit, geslacht, foto, het documentnummer, datum van afgifte, vervaldatum, datum van vernieuwing en details van de dispensatie(s);
  b) stelt alle gegevens elektronisch beschikbaar betreffende de status van vaarbevoegdheidsbewijzen, officiële verklaringen en dispensaties aan andere lidstaten of andere partijen bij het STCW-verdrag en maatschappijen die om bevestiging van de echtheid en geldigheid verzoeken van vaarbevoegdheidsbewijzen en/of aan kapiteins en officieren overeenkomstig voorschriften V/1-1 en V/1-2 van bijlage 1 afgegeven bewijzen die aan hen worden overgelegd door zeevarenden die conform voorschrift I/10 van het STCW-verdrag erkenning aanvragen of werk zoeken aan boord van een schip.
  Hierbij wordt er uitvoering gegeven aan een Europese verplichting om een register bij te houden van alle vaarbevoegdheids- en bekwaamheidsbewijzen en officiële verklaringen voor kapiteins en officieren en, waar van toepassing, matrozen afgegeven, die zijn verlopen of zijn vernieuwd, ingetrokken, tijdelijk ingetrokken of ongeldig verklaard of als vermist of vernietigd zijn aangemeld, en tevens van dispensaties die zijn verleend. Dit om een degelijk handhavingsbeleid te kunnen voeren zodat de echtheid en geldigheid van voormelde documenten te allen tijde kunnen worden gecontroleerd.
  Tenzij uitdrukkelijk anders bepaalt in dit besluit is de verwerkingsverantwoordelijke voor de gegevensverwerkingen de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.
  De personeelsleden van het Directoraat hebben toegang tot de geregistreerde gegevens en alleen voor het doel van dit hoofdstuk. De toegang tot de gezondheidsgegevens zijn beperkt en zijn enkel toegankelijk door de personen aangewezen door de Directeur-generaal van het Directoraat. Ze zijn ertoe gehouden het vertrouwelijke karakter van de gegevens over gezondheid in acht te nemen.
  Rekening houdend met het doel opgenomen in het tweede lid worden de persoonsgegevens met betrekking tot de vaarbevoegdheids- en bekwaamheidsbewijzen en officiële verklaringen 40 jaar bewaart. Daarna worden alle persoonsgegevens gewist.
  § 12. Voor de toepassing van artikel 20, lid 8, en artikel 21, lid 2, van de richtlijn 2008/106/EG en uitsluitend voor gebruik door de lidstaten en de Commissie voor beleids- en statistische doeleinden, verstrekt het Directoraat jaarlijks aan de Commissie de in bijlage 7 vermelde gegevens over de vaarbevoegdheidsbewijzen en over officiële verklaringen ter bevestiging van de erkenning van vaarbevoegdheidsbewijzen overeenkomstig artikel 25bbis van richtlijn 2008/106/EG. Het Directoraat kan ook, op vrijwillige basis, gegevens verstrekken over bekwaamheidsbewijzen die aan matrozen zijn afgegeven in overeenstemming met de hoofdstukken II, III en VII van de bijlage bij het STCW-verdrag, zoals de in bijlage 7 bedoelde gegevens en overeenkomstig artikel 25bis van richtlijn 2008/106/EG.
  § 13. De Scheepvaartcontrole aanvaardt door een andere lidstaat, of onder het gezag van die lidstaat, afgegeven bekwaamheidsbewijzen en bewijsstukken, in papieren of digitaal formaat, om indienstneming van zeevarenden op Belgische zeeschepen, mogelijk te maken.
  § 14. De Scheepvaartcontrole erkent door een andere lidstaat afgegeven vaarbevoegdheidsbewijzen of door een andere lidstaat aan kapiteins en officieren afgegeven bekwaamheidsbewijzen overeenkomstig de voorschriften V/1-1 en V/1-2 van bijlage 1, door een officiële verklaring ter bevestiging van de erkenning van die bewijzen. De officiële verklaring ter bevestiging van de erkenning is beperkt tot de daarin omschreven functies, taken en bevoegdheids- en bekwaamheidsniveaus. De officiële verklaring wordt slechts afgegeven indien aan alle voorschriften van het STCW-verdrag is voldaan, overeenkomstig voorschrift I/2, lid 7, van het STCW-verdrag. Voor de officiële verklaring wordt het modelformulier in sectie A-I/2, lid 3, van de STCW-code gebruikt.
  § 15. De Scheepvaartcontrole aanvaardt de medische certificaten afgegeven onder het gezag van een andere lidstaat overeenkomstig artikel 11 van Richtlijn 2008/106/EG voor de indienstneming van zeevarenden op Belgische zeeschepen die onder de Belgische vlag varen.
  § 16. De Scheepvaartcontrole geeft de in paragrafen 13, 14 en 15 bedoelde besluiten af binnen 10 werkdagen na ontvangst van een volledige aanvraag. Bij een onvolledige aanvraag wordt binnen de 5 werkdagen de nodige stukken opgevraagd door de Scheepvaartcontrole. Bij ontvangst van de ontbrekende stukken worden paragrafen 13, 14 en 15 bedoelde besluiten afgegeven binnen de 10 werkdagen.
  Aanvragen die niet volledig zijn worden afgesloten 45 dagen nadat de administratie de aanvrager heeft meegedeeld welke stukken ontbreken.
  § 17. Onverminderd paragraaf 14 mag de Scheepvaartcontrole verdere beperkingen stellen aan de functies, taken en bevoegdheids- en bekwaamheidsniveaus met betrekking tot reizen nabij de kust, als bedoeld in artikel 7, of alternatieve vaarbevoegdheidsbewijzen die zijn afgegeven uit hoofde van voorschrift VII/1 van bijlage I van de Richtlijn 2008/106/EG.
  § 18. Onverminderd paragraaf 14 mag de Scheepvaartcontrole, indien nodig, een zeevarende toestaan gedurende ten hoogste drie maanden dienst te doen aan boord van Belgisch zeeschip, indien hij in het bezit is van een passend en geldig vaarbevoegdheidsbewijs dat is afgegeven en voorzien van een officiële verklaring van erkenning door een lidstaat, maar dat nog niet is voorzien van een officiële verklaring van erkenning door de Scheepvaartcontrole.
  Er moet schriftelijk bewijs voorhanden zijn om aan te tonen dat de aanvraag om een officiële verklaring bij de Scheepvaartcontrole is ingediend.
  § 19. De Scheepvaartcontrole ziet erop toe dat zeevarenden die met het oog op erkenning bewijzen indienen voor functies op managementniveau, beschikken over een adequate kennis van de Belgische zeevaartwetgeving met betrekking tot de functies die zij mogen uitoefenen.
Art. 5. § 1er. Le Contrôle de la navigation ne délivre les brevets d'aptitude et les certificats d'aptitude qu'aux candidats qui satisfont aux prescriptions du présent article, sans préjudice des dispositions du paragraphe 4.
  § 2. Les brevets d'aptitude et les certificats d'aptitude des capitaines, officiers et opérateurs des radiocommunications sont visés par le Contrôle de la navigation selon les prescriptions du présent article.
  § 3. Les brevets d'aptitude et les certificats d'aptitude sont délivrés conformément à la règle I/2, alinéa 3, de l'annexe de la convention STCW.
  Les brevets d'aptitude ne sont délivrés qu'après vérification de l'authenticité et de la validité de toute attestation nécessaire et conformément aux dispositions du présent article.
  § 4. En ce qui concerne les opérateurs des radiocommunications, l'IBPT délivre un certificat d'opérateur de 4e catégorie, appelé " GOC ", " ROC " ou " LRC ", selon les classes visées à l'article 17, § 2, de l'arrêté royal du 18 décembre 2009 relatif aux communications radioélectriques privées et aux droits d'utilisation des réseaux fixes et des réseaux à ressources partagées, attestant le niveau de connaissance de son titulaire et attribué en conformité avec les règlements internationaux.
  § 5. Les visas sont incorporés dans le modèle d'un brevet d'aptitude et d'un certificat d'aptitude délivrés, tel que prévu dans la section A-I/2 du code STCW. Le contenu du modèle utilisé est conforme à celui figurant à la section A-I/2, alinéa 1er, du code STCW. La forme du modèle est déterminée par le Contrôle de la navigation et publiée sur le site internet du Contrôle de la navigation.
  Les visas sont délivrés conformément à l'article VI, alinéa 2, de la convention STCW.
  Les visas attestant la délivrance d'un brevet d'aptitude et les visas attestant la délivrance d'un certificat d'aptitude aux capitaines et aux officiers conformément aux règles V/1-1 et V/1-2 de l'annexe 1re ne sont délivrés que si toutes les exigences de la convention STCW et du présent arrêté ont été satisfaites.
  § 6. Le Contrôle de la navigation délivre un visa seulement après s'être assuré de l'authenticité et de la validité d'un brevet d'aptitude ou d'un certificat d'aptitude délivré aux capitaines et aux officiers conformément aux règles V/1-1 et V/1-2 de l'annexe de la convention STCW en vertu de la procédure prévue à l'article 16, § 1er, a), pour en attester la reconnaissance. Le contenu du visa utilisé est conforme au modèle repris à la section A-I/2, alinéa3, du code STCW. La forme du modèle est déterminée par le Contrôle de la navigation et publiée sur le site internet du Contrôle de la navigation.
  § 7. Les visas mentionnés aux paragraphes 5 et 6 :
  a) peuvent être délivrés en tant que documents distincts;
  b) ne sont délivrés que par le Contrôle de la navigation;
  c) ont chacun un numéro unique, excepté les visas attestant la délivrance d'un brevet d'aptitude qui peuvent avoir le même numéro que le brevet d'aptitude en question, sous réserve que ce numéro soit unique; et
  d) expirent chacun dès que le brevet d'aptitude visé ou le certificat d'aptitude visé délivré aux capitaines et aux officiers conformément aux règles V/1-1 et V/1-2 de l'annexe 1re de la convention STCW expire ou est révoqué, suspendu ou annulé par l'Etat membre ou le pays tiers qui les a délivrés et, en tout état de cause, cinq ans au plus tard après la date de leur délivrance.
  § 8. La capacité dans laquelle le titulaire d'un brevet d'aptitude ou d'un certificat d'aptitude est autorisé à servir à bord est spécifiée sur le visa en des termes identiques à ceux qui sont utilisés dans les prescriptions applicables concernant les effectifs de sécurité telles que prévues à l'article 90 de l'arrêté royal du 20 juillet 1973 portant règlement sur l'inspection maritime.
  § 9. Sous réserve de l'article 16, § 3, l'original de tout titre prescrit par cet arrêté se trouve à bord du navire sur lequel sert le titulaire, sous format papier ou électronique, dont l'authenticité et la validité peuvent être vérifiées dans le cadre de la procédure prévue au paragraphe 11, b).
  § 10. Les candidats à la délivrance d'un brevet d'aptitude ou d'un certificat d'aptitude prouvent de manière satisfaisante :
  a) leur identité;
  b) qu'ils ont au moins l'âge prescrit par les règles figurant à l'annexe 1re pour l'obtention du brevet d'aptitude ou du certificat d'aptitude demandé;
  c) qu'ils satisfont aux normes d'aptitude médicale spécifiées dans la section A-I/9 du code STCW conformément à l'article 102 de l'arrêté royal du 20 juillet 1973 portant règlement sur l'inspection maritime;
  d) qu'ils ont accompli le service en mer et toute formation obligatoire tels que prescrits par les règles figurant à l'annexe 1re pour l'obtention du brevet d'aptitude ou du certificat d'aptitude demandé; et
  e) qu'ils satisfont aux normes de compétence prescrites par les règles figurant à l'annexe 1re pour les capacités, les fonctions et les niveaux qui doivent être indiqués sur le visa du brevet d'aptitude.
  Le présent paragraphe ne s'applique pas à la reconnaissance de visas effectuée au titre de la règle I/10 de la convention STCW.
  Les données communiquées au Contrôle de la navigation sont les suivantes :
  1° pour une personne physique : le numéro de registre national;
  2° pour les personnes physiques non enregistrées au registre national belge :
  * Nom
  * Prénom
  * Date de naissance
  * Nationalité
  * Genre
  * Adresse du lieu de résidence
  3° une adresse e-mail liée à la personne visée au 1° ou 2° ;
  4° Photo d'identité récente;
  5° Certificat de formation le plus élevé.
  Les données ci-dessus, à l'exception des 1° et 3°, doivent être étayées par les documents convaincants nécessaires au Contrôle de la navigation.
  § 11. Le Contrôle de la navigation :
  a) tient un ou des registres électroniques de tous les brevets d'aptitude, certificats d'aptitude et visas des capitaines et officiers et, le cas échéant, des matelots, qui sont délivrés, sont arrivés à expiration ou ont été revalidés, suspendus, annulés ou déclarés perdus ou détruits, ainsi que des dispenses qui ont été accordées. Les données enregistrées sont les suivantes; nom et prénom, date de naissance, nationalité, genre, photo, numéro de document, date d'émission, date d'expiration, date de renouvellement et les détails des dispenses;
  b) fournit toutes les données électroniques disponibles sur le statut des brevets d'aptitude, visas et dispenses aux autres Etats membres ou aux autres parties à la convention STCW et aux compagnies qui demandent à vérifier l'authenticité et la validité des brevets d'aptitude et/ou certificats d'aptitude délivrés aux capitaines et aux officiers conformément aux dispositions des règles V/1-1 et V/1-2 de l'annexe 1re produits par les gens de mer en vue de leur reconnaissance, au titre de la règle I/10 de la convention STCW, ou afin d'obtenir un emploi à bord d'un navire.
  Cela met en oeuvre une obligation européenne de tenir un registre de tous les brevets d'aptitude, certificats d'aptitude et visas des capitaines et officiers et, le cas échéant, des matelots qui sont délivrés, sont arrivés à expiration ou ont été revalidés, suspendus, annulés ou déclarés perdus ou détruits, ainsi que des dispenses qui ont été accordées. Ceci afin de mener une politique d'application efficace pour garantir que l'authenticité et la validité des documents susmentionnés puissent être vérifiées à tout moment.
  Sauf disposition expresse contraire dans le présent arrêté, le responsable du traitement pour les traitements de données est le Service public fédéral Mobilité et Transports.
  Les membres du personnel de la Direction ont accès aux données enregistrées, et ce, uniquement aux fins du présent chapitre. L'accès aux données de santé est limité et elles ne sont accessibles qu'aux personnes désignées par le Directeur général de la Direction. Elles sont tenues au respect du caractère confidentiel des données de santé.
  Compte tenu de l'objectif visé au deuxième alinéa, les données à caractère personnel relatives aux brevets d'aptitude, aux certificats d'aptitude et aux visas sont conservées pendant 40 ans . Toutes les données à caractère personnel sont alors supprimées.
  § 12. Aux fins de l'application de l'article 20, alinéa 8, et de l'article 21, alinéa 2, de la directive 2008/106/CE et aux seules fins de leur utilisation par les Etats membres et la Commission dans l'élaboration des politiques et à des fins statistiques, la Direction fournit à la Commission, sur une base annuelle et conformément article 25bis de la directive 2008/106/EG, les informations énumérées à l'annexe 7 concernant les brevets d'aptitude et les visas attestant la reconnaissance des brevets d'aptitude. La Direction peut également fournir, à titre volontaire, les informations figurant sur les certificats d'aptitude délivrés aux matelots conformément aux chapitres II, III et VII de l'annexe de la convention STCW, telles que les informations indiquées à l'annexe 7 et conformément article 25bis de la directive 2008/106/EG.
  § 13. Le Contrôle de la navigation accepte les certificats d'aptitude et les pièces justificatives délivrés par un autre Etat membre, ou sous son autorité, sous format papier ou électronique, aux fins d'autoriser des gens de mer à servir à bord de navires de mer belges.
  § 14. Le Contrôle de la navigation reconnait les brevets d'aptitude délivrés par un autre Etat membre ou les certificats d'aptitude délivrés par un autre Etat membre aux capitaines et aux officiers conformément aux règles V/1-1 et V/1-2 de l'annexe 1re en visant ces titres pour en attester la reconnaissance. Le visa attestant la reconnaissance est limité aux capacités, fonctions et niveaux d'aptitude spécifiés sur le document visé. Le visa n'est délivré que si toutes les prescriptions de la convention STCW ont été respectées, conformément à la règle I/2, alinéa 7, de la convention STCW. Le modèle de visa utilisé est conforme à la section A-I/2, alinéa 3, du code STCW.
  § 15. Le Contrôle de la navigation accepte, aux fins de permettre aux gens de mer de servir à bord de navires de mer belges, les certificats médicaux délivrés sous l'autorité d'un autre Etat membre conformément à l'article 11 de la Directive 2008/016/CE.
  § 16. Le Contrôle de la navigation rend les décisions visées aux paragraphes 13, 14 et 15 dans les 10 jours ouvrables suivant la réception d'une demande complète. En cas de demande incomplète, les documents nécessaires sont demandés par le Contrôle de la navigation dans les 5 jours ouvrables. Dès réception des documents manquants, les décisions visées aux paragraphes 13, 14 et 15 sont rendues dans les 10 jours ouvrables.
  Les demandes qui ne sont pas complètes sont clôturées 45 jours après que l'administration a informé le demandeur des documents manquants.
  § 17. Sans préjudice du paragraphe 14, le Contrôle de la navigation peut imposer d'autres restrictions aux capacités, fonctions et niveaux de compétence ou d'aptitude pour les voyages à proximité du littoral tels qu'ils sont visés à l'article 7, ou exiger d'autres titres délivrés conformément à la règle VII/1 de l'annexe I de la directive 2008/106/CE.
  § 18. Sans préjudice du paragraphe 14, le Contrôle de la navigation peut, si besoin est, autoriser un marin à servir à bord d'un navire de mer belge, pour une période ne dépassant pas trois mois, s'il est titulaire d'un titre approprié et valide délivré et visé par un autre Etat membre, mais non encore visé pour reconnaissance par le Contrôle de la navigation.
  Un document prouvant qu'une demande de visa a été soumise au Contrôle de la navigation doit pouvoir être fourni.
  § 19. Le Contrôle de la navigation est tenu de s'assurer que les gens de mer sollicitant la reconnaissance de titres en vue d'exercer des fonctions de direction possèdent une connaissance appropriée de la législation maritime belge applicable aux fonctions qu'ils sont autorisés à exercer.
Art. 6. De in artikel 3 bedoelde vereiste opleiding wordt verstrekt in een vorm die past bij de theoretische kennis en praktische vaardigheden die in de bijlage 1 worden voorgeschreven, in het bijzonder wat betreft het gebruik van reddings- en brandbestrijdingsmiddelen, en welke goedgekeurd is door de Scheepvaartcontrole.
Art. 6. La formation exigée au titre de l'article 3 est dispensée sous une forme qui permet d'acquérir les connaissances théoriques et les aptitudes pratiques prévues par l'annexe 1re, en particulier en ce qui concerne l'utilisation d'équipements de sauvetage et de lutte contre l'incendie, et qui a été approuvée par le Contrôle de la navigation.
Art. 7. § 1. Voor reizen nabij de kust, worden geen eisen betreffende opleiding, ervaring of bekwaamheidsbewijzen opgelegd aan zeevarenden, dienstdoende aan boord van zeeschepen die gerechtigd zijn tot het voeren van de vlag van een andere lidstaat of een andere partij bij het STCW-verdrag tijdens dergelijke reizen, op een wijze die leidt tot strengere eisen voor die zeevarenden dan voor de zeevarenden, dienstdoende aan boord van Belgische zeeschepen. In geen geval worden eisen gesteld, met betrekking tot zeevarenden dienstdoende aan boord van zeeschepen die gerechtigd zijn tot het voeren van een vlag van een andere lidstaat of een andere partij bij het STCW-verdrag, die strenger zijn dan die van dit besluit met betrekking tot zeeschepen die niet voor reizen nabij de kust worden ingezet.
  § 2. Voor schepen waarop de voordelen van de bepalingen van het STCW-verdrag inzake reizen nabij de kust van toepassing zijn, met inbegrip van reizen aan de kust van andere lidstaten of partijen bij het STCW-verdrag binnen de grenzen van hun omschrijving van "nabij de kust", bepaalt het Directoraat met de betrokken administraties van lidstaten of partijen de details van hun handelsgebied in kwestie en de andere relevante bepalingen.
  § 3. Met betrekking tot Belgische zeeschepen, die regelmatig worden ingezet voor reizen nabij de kust van een andere lidstaat of een andere partij bij het STCW-verdrag, moeten op zodanige zeeschepen dienstdoende zeevarenden voldoen aan eisen inzake opleiding, ervaring en bekwaamheidsbewijzen, die ten minste gelijk zijn aan die van de lidstaat of andere partij bij het STCW-verdrag voor wiens kust het zeeschip wordt ingezet, mits deze de eisen van dit besluit met betrekking tot zeeschepen die niet voor reizen nabij de kust worden ingezet niet te boven gaan. Zeevarenden dienst doende op een Belgisch zeeschip waarvan de reis buiten het gebied komt dat door de lidstaat of andere partij bij het STCW-verdrag is omschreven voor reizen nabij de kust, en dat zich begeeft in wateren die niet onder deze omschrijving vallen, dienen aan de van toepassing zijnde pertinente eisen van dit besluit voldoen.
  § 4. De Scheepvaartcontrole kan een Belgisch zeeschip, de voordelen van de bepalingen van dit besluit inzake reizen nabij de kust toekennen wanneer het regelmatig in de nabijheid van de kust van een staat, die geen partij is bij het STCW-verdrag wordt gebruikt voor reizen nabij de kust.
  § 5. De vaarbevoegdheidsbewijzen van zeevarenden die door een lidstaat of een partij bij het STCW-verdrag zijn afgegeven voor wat betreft haar omschreven beperkingen tot reizen nabij de kust kunnen door de Scheepvaartcontrole worden aanvaard voor diensten binnen hun omschreven beperkingen tot reizen nabij de kust, mits het Directoraat en de betrokken administraties van de lidstaten of partijen de details bepalen van hun handelsgebied in kwestie en de andere relevante bepalingen.
  § 6. De reizen nabij de kust die worden omschreven in overeenstemming met de eisen in dit artikel moeten voldoen aan de beginselen inzake reizen nabij de kust van sectie A-I/3 van de STCW-code.
  De Scheepvaartcontrole moet de beperkingen van de reizen nabij de kust opnemen in de officiële verklaringen die overeenkomstig artikel 5 worden afgegeven.
Art. 7. § 1er. Pour les voyages à proximité du littoral, aucune prescription en matière de formation, d'expérience ou de certificats d'aptitude plus rigoureuse que celle imposée aux gens de mer servant à bord des navires de mer belges, ne pourra être imposée aux gens de mer servant à bord des navires de mer autorisés à battre pavillon d'un autre Etat membre ou d'une autre partie à la convention STCW et effectuant de tels voyages. En aucun cas, il ne sera imposé aux gens de mer servant à bord de navires de mer autorisés à battre pavillon d'un autre Etat membre ou d'une autre partie à la convention STCW, des prescriptions plus rigoureuses que les prescriptions du présent arrêté qui s'appliquent aux navires de mer n'effectuant pas de voyages à proximité du littoral.
  § 2. Pour les navires bénéficiant des dispositions de la convention STCW relatives aux voyages à proximité du littoral, incluant les voyages au large du littoral d'autres Etats membres ou de parties à la convention STCW dans les limites des voyages " à proximité du littoral " qu'elle a définies, la Direction détermine avec les administrations des Etats membres ou parties concernés les détails des zones d'exploitation en question et les autres dispositions pertinentes.
  § 3. S'agissant des navires de mer belges qui effectuent régulièrement des voyages à proximité du littoral d'un autre Etat membre ou d'une autre partie à la convention STCW, il est imposé, aux gens de mer servant à bord de ces navires de mer, des prescriptions en matière de formation, d'expérience et de certificats d'aptitude au moins équivalentes à celles qui sont imposées par l'Etat membre ou par une autre partie à la convention STCW au large des côtes où le navire de mer effectue les voyages, à condition qu'elles ne soient pas plus rigoureuses que les prescriptions du présent arrêté applicables aux navires de mer n'effectuant pas de voyages à proximité du littoral. Les gens de mer servant à bord d'un navire de mer belge, dont le parcours va au-delà de ce qui est défini comme voyages à proximité du littoral par un Etat membre ou par une autre partie à la convention STCW et qui entre dans des eaux qui ne sont pas visées par cette définition, doivent satisfaire aux prescriptions pertinentes du présent arrêté.
  § 4. Le Contrôle de la navigation peut faire bénéficier un navire de mer belge des dispositions du présent arrêté relatives aux voyages à proximité du littoral lorsqu'il effectue régulièrement, au large des côtes d'un Etat non partie à la convention STCW, des voyages à proximité du littoral.
  § 5. Les brevets d'aptitude des gens de mer, délivrés par un Etat membre ou une partie à la convention STCW pour les voyages à proximité du littoral dans les limites qu'il ou elle a définies, peuvent être acceptés par le Contrôle de la Navigation pour le service dans les limites des voyages à proximité du littoral qu'ils ont définies, à condition que la Direction et les administrations des Etats membres ou parties concernés déterminent les détails des zones d'exploitation en question et les autres conditions applicables dans ces zones.
  § 6. Les voyages à proximité du littoral qui ont été définis conformément aux prescriptions du présent article doivent respecter les principes régissant les voyages à proximité du littoral énoncés dans la section A-I/3 du code STCW.
  Le Contrôle de la navigation indique les limites des voyages à proximité du littoral dans les visas délivrés conformément à l'article 5.
Art. 8. § 1. Alle werkzaamheden betreffende opleiding en beoordeling van bekwaamheid, die worden uitgevoerd door niet-gouvernementele instanties of door lichamen die onder hun gezag vallen, worden voortdurend door een systeem van kwaliteitsbewaking volgens de ISO norm 9001 getoetst teneinde te garanderen dat de vastgestelde doelstellingen worden verwezenlijkt, met inbegrip van die welke betrekking hebben op de bevoegdheden en ervaring van instructeurs en beoordelaars, in overeenstemming met de bepalingen van sectie A-I/8 van de STCW-code.
  De afgifte van bewijzen, officiële verklaringen en verlenging van geldigheid, gebeurt door de Scheepvaartcontrole en wordt door een systeem van kwaliteitsbewaking getoetst volgens de ISO norm 9001 teneinde te garanderen dat de vastgestelde doelstellingen worden verwezenlijkt, met inbegrip van die welke betrekking hebben op de bevoegdheden en opgedane ervaring van instructeurs en beoordelaars, in overeenstemming met de bepalingen van sectie A-I/8 van de STCW-code.
  De afgifte van een certificaat van medische geschiktheid bedoeld in artikel 102 van het koninklijk besluit van 1973 houdende zeevaartinspectiereglement wordt voortdurend getoetst door een systeem van kwaliteitsbewaking volgens de ISO norm 9001. Een erkende arts die voldoet aan de ISO norm 9001 geeft het certificaat van medische geschiktheid af conform het model van bijlage XXIV van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement. In afwijking van artikel 2, eerste lid van bijlage XX van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement vult een erkende arts die niet voldoet aan de ISO norm 9001 deel 1 in van het certificaat van medische geschiktheid volgens het model in bijlage 8 van dit besluit en maakt dit over de Scheepvaartcontrole. De Scheepvaartcontrole vult deel 2 in van het certificaat van medische geschiktheid en geeft het certificaat af aan de aanvrager.
  De onderwijs- en opleidingsdoelstellingen en de daarmee verband houdende te bereiken kwaliteitsnorm van bekwaamheid zijn duidelijk omschreven met vermelding van de niveaus van kennis, inzicht en vaardigheid die passen bij de krachtens dit besluit vereiste onderzoeken en beoordelingen. De doelstellingen en de daarmee verband houdende kwaliteitsnormen mogen afzonderlijk worden aangegeven voor verschillende cursussen en opleidingsprogramma's en omvatten het beheer van het systeem voor het verlenen van getuigschriften.
  Het toepassingsgebied van de kwaliteitsnormen omvat het beheer van het systeem voor het verlenen van getuigschriften, alle opleidingscursussen en -programma's, de door de instanties, aangewezen overeenkomstig artikel 14, afgenomen examens en de beoordelingen, alsmede de van instructeurs en beoordelaars verlangde bevoegdheden en ervaring, rekening houdend met de beleidslijnen, systemen, controles en interne kwaliteitsbewakingsonderzoeken die zijn ingesteld ter verwezenlijking van de omschreven doelstellingen.
  § 2. Periodiek, met tussenpozen van niet meer dan vijf jaar, vindt een onafhankelijke evaluatie plaats van de werkzaamheden met betrekking tot verwerving en beoordeling van kennis, begrip, vaardigheden en bekwaamheid en het beheer van het systeem voor het verlenen van getuigschriften en voor de afgifte van bewijzen, officiële verklaringen en verlenging van geldigheid bedoeld in § 1, door bekwame personen in overeenstemming met MSC.1/Circ. 1449, die zelf niet bij de werkzaamheden zijn betrokken om na te gaan of:
  a) alle maatregelen van controle en toezicht op de interne bedrijfsvoering en de vervolgwerkzaamheden in overeenstemming zijn met de geplande regelingen en schriftelijk vastgelegde procedures, en doeltreffend zijn om de omschreven doelstellingen te verwezenlijken;
  b) de resultaten van iedere onafhankelijke evaluatie gestaafd zijn met bewijsstukken en onder de aandacht worden gebracht van diegenen die verantwoordelijk zijn voor het geëvalueerde gebied;
  c) tijdig stappen worden ondernomen om tekortkomingen te corrigeren;
  d) op het stelsel van kwaliteitsnormen alle toepasselijke bepalingen van het STCW-verdrag en de STCW-code, alsook de wijzigingen hiervan, van toepassing zijn.
  § 3. Het Directoraat zendt, overeenkomstig het in sectie A-I/7 van de STCW-code bepaald formaat, de Commissie binnen zes maanden na de datum waarop de evaluatie is voltooid een verslag betreffende de op grond van paragraaf 2 vereiste evaluatie.
Art. 8. § 1er. Toutes les activités de formation et d'évaluation des compétences, appliquées par des instances non gouvernementales ou des entités sous leur autorité, font l'objet d'un contrôle continu dans le cadre d'un système de normes de qualité selon la norme ISO 9001 afin de garantir la réalisation d'objectifs définis, y compris ceux concernant les qualifications et l'expérience des instructeurs et des évaluateurs, conformément à la section A-I/8 du code STCW.
  La délivrance des titres, des visas et de la revalidation se fait par le Contrôle de la navigation et est évaluée par un système de normes de qualité selon la norme ISO 9001 afin de garantir la réalisation d'objectifs définis, y compris ceux concernant les qualifications et l'expérience des instructeurs et des évaluateurs, conformément à la section A-I/8 du code STCW.
  La délivrance d'un certificat d'aptitude médicale tel que visé à l'article 102 de l'arrêté royal du 20 juillet 1973 portant règlement sur l'inspection maritime est continuellement évaluée par un système de normes de qualité selon la norme ISO 9001. Le médecin agréé qui satisfait à la norme ISO 9001 délivre le certificat d'aptitude médicale conformément au modèle de l'annexe XXIV de l'arrêté royal du 20 juillet 1973 portant règlement sur l'inspection maritime. Par dérogation à l'article 2, alinéa 1er, de l'annexe XX de l'arrêté royal du 20 juillet 1973 portant règlement sur l'inspection maritime, si le médecin agréé ne satisfait pas à la norme ISO 9001, il remplit la partie 1 du certificat d'aptitude médicale conformément au modèle de l'annexe 8 de cet arrêté et le transmet au Contrôle de la navigation. Le Contrôle de la navigation remplit la partie 2 du certificat d'aptitude médicale et délivre le certificat au demandeur.
  Les objectifs en matière d'enseignement et de formation et les normes de compétence connexes à atteindre sont clairement définis et les niveaux de connaissances, de compréhension et d'aptitude correspondant aux examens et aux évaluations prescrits aux termes du présent arrêté sont précisés. Les objectifs et les normes de qualité connexes peuvent être spécifiés séparément pour les différents cours et programmes de formation et comprennent l'administration du système de délivrance des certificats.
  Le champ d'application des normes de qualité comprend l'administration du système de délivrance des certificats, tous les cours et programmes de formation, les examens et évaluations effectués par les instances désignées conformément à l'article 14, ainsi que les qualifications et l'expérience que doivent posséder les instructeurs et les évaluateurs, compte tenu des principes, systèmes, contrôles et examens internes de l'assurance de la qualité qui ont été arrêtés afin de garantir la réalisation des objectifs fixés.
  § 2. Une évaluation indépendante des activités d'acquisition et d'évaluation des connaissances, de la compréhension, des aptitudes et de la compétence, ainsi que de l'administration du système de délivrance des certificats, des titres, des visas et des revalidations visés au § 1er, est effectuée périodiquement et à des intervalles ne dépassant pas cinq ans par des personnes compétentes conformément au document MSC.1/Circ. 1449, qui ne se livrent pas eux-mêmes aux activités en question, en vue de vérifier que :
  a) toutes les mesures de contrôle et de surveillance au niveau interne et les mesures complémentaires sont conformes aux méthodes prévues et aux procédures documentées et permettent d'atteindre efficacement les objectifs définis;
  b) les résultats de chaque évaluation indépendante sont accompagnés de documents justificatifs et portés à l'attention des responsables du domaine évalué;
  c) des mesures sont prises à temps en vue de remédier aux carences;
  d) toutes les dispositions applicables de la convention et du code STCW, ainsi que leurs modifications, sont couvertes par le système de normes de qualité.
  § 3. Un rapport sur l'évaluation effectuée au titre du paragraphe 2 est communiqué à la Commission par la Direction, selon le modèle spécifié dans la section A-I/7 du code STCW, dans un délai de six mois à partir de la date de l'évaluation.
Art. 9. De maatschappij of de kapitein meldt iedere aan- en afmonstering van elke zeevarende met opgave van de datum van inscheping en van ontscheping, de functie die aan boord door de zeevarende wordt uitgeoefend en de naam van het betrokken zeeschip aan de Scheepvaartcontrole.
Art. 9. La compagnie ou le capitaine communique au Contrôle de la navigation tout embarquement ou débarquement de tout marin en indiquant la date d'embarquement et de débarquement, la fonction exercée à bord par le marin et le nom du navire de mer concerné.
Art. 10. § 1. Elke kapitein, officier en radio-operator die in het bezit is van een vaarbevoegdheidsbewijs dat is afgegeven of erkend krachtens enig hoofdstuk van bijlage 1, uitgezonderd voorschrift V/3 van hoofdstuk V of hoofdstuk VI, en die buitengaats dienstdoet of van plan is na een periode aan wal naar zee terug te keren, dient, teneinde zijn bevoegdheid om buitengaats dienst te doen te behouden, met tussenpozen van ten hoogste vijf jaar:
  a) aan te tonen uit medisch oogpunt te voldoen aan de normen opgenomen in artikel 102 en bijlage XX van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement; en
  b) aan te tonen dat hij bij voortduring bevoegd en vakbekwaam is in overeenstemming met sectie A-I/11 van de STCW-Code.
  § 2. Elke kapitein, officier en radio-operator sluit om bij voortduring buitengaats dienst te doen aan boord van zeeschepen waarvoor internationaal bijzondere opleidingseisen overeengekomen zijn, een goedgekeurde desbetreffende opleiding met goed gevolg af.
  § 3. Elke kapitein of officier voldoet, om bij voortduring buitengaats dienst te doen aan boord van schepen die in poolwateren varen, aan de eisen van paragraaf 1 en van hem wordt verlangd dat hij, met tussenpozen van ten hoogste vijf jaar, aantoont dat hij nog steeds vakbekwaam is om dienst te doen aan boord van schepen die in poolwateren varen in overeenstemming met sectie A-I/11, lid 4, van de STCW-Code.
  § 4. Elke kapitein en officier moet om blijvend buitengaats dienst te doen aan boord van tankers, voldoen aan de eisen in paragraaf 1 en moet minstens om de vijf jaar aantonen dat hij nog steeds bevoegd en vakbekwaam is om dienst te doen aan boord van tankers in overeenstemming met sectie A-I/11, lid 3, van de STCW-code.
  § 5. De Scheepvaartcontrole vergelijkt de normen inzake bekwaamheid die zij aan kandidaten stellen voor vaarbevoegdheids- en/of bekwaamheidsbewijzen afgegeven uiterlijk op 1 januari 2017, met de normen die in deel A van de STCW-Code voor de betrokken vaarbevoegdheids- en/of bekwaamheidsbewijzen staan vermeld, en bepalen of het noodzakelijk is de houders van dergelijke vaarbevoegdheids- en/of bekwaamheidsbewijzen een passende herhalings- en bijscholingscursus te laten volgen of beoordeling te laten ondergaan.
  § 6. De Scheepvaartcontrole vergelijkt de bekwaamheidsnormen die zij vóór 1 januari 2017 eisen van personen die dienstdoen aan boord van schepen die gas als brandstof gebruiken, met de normen in sectie A-V/3 van de STCW-Code en bepalen of het al dan niet noodzakelijk is die personen te vragen zich bij te scholen.
  § 7. De Scheepvaartcontrole formuleert, in overleg met de betrokkenen, de opmaak van een structuur van herhalings- en bijscholingscursussen, zoals bepaald in sectie A-I/11 van de STCW-code.
  § 8. Teneinde de kennis van kapiteins, officieren en radio-operatoren "up to date" te houden, stelt de Scheepvaartcontrole de teksten van de laatste wijzigingen in de nationale en internationale voorschriften inzake de beveiliging van mensenlevens op zee, beveiliging en de bescherming van het mariene milieu elektronisch ter beschikking aan de Belgische zeeschepen, met inachtneming van artikel 157bis, derde lid, b, en artikel 98bis van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement.
Art. 10. § 1er. Pour pouvoir continuer d'être reconnu apte au service en mer, tout capitaine, tout officier et tout opérateur des radiocommunications qui est titulaire d'un titre délivré ou reconnu en vertu de tout chapitre de l'annexe 1re, autre que la règle V/3 du chapitre V ou le chapitre VI, et qui sert en mer ou a l'intention de reprendre du service en mer après une période à terre, est tenu, à des intervalles ne dépassant pas cinq ans :
  a) de satisfaire aux normes d'aptitude physique prescrites par l'article 102 et l'annexe XX de l'arrêté royal du 20 juillet 1973 portant règlement sur l'inspection maritime; et
  b) de prouver le maintien de sa compétence professionnelle conformément à la section A-I/11 du code STCW.
  § 2. Pour continuer de servir en mer à bord de navires de mer pour lesquels une formation spéciale a été prescrite à l'échelle internationale, tout capitaine, tout officier et tout opérateur des radiocommunications suit avec succès une formation pertinente approuvée.
  § 3. Pour continuer de servir en mer à bord de navires exploités dans les eaux polaires, tout capitaine ou officier doit satisfaire aux exigences du paragraphe 1er et doit, à des intervalles ne dépassant pas cinq ans, justifier du maintien de sa compétence professionnelle pour les navires exploités dans les eaux polaires conformément à la section A-I/11, alinéa 4, du code STCW.
  § 4. Pour continuer de servir en mer à bord de navires citernes, tout capitaine et tout officier doit satisfaire aux prescriptions du paragraphe 1er et doit, à des intervalles ne dépassant pas cinq ans, justifier du maintien de sa compétence professionnelle pour le service à bord des navires citernes, conformément à la section A-I/11, alinéa 3 du code STCW.
  § 5. Le Contrôle de la navigation compare les normes de compétence qu'il exigeait des candidats aux brevets et/ou aux certificats d'aptitude délivrés jusqu'au 1er janvier 2017 à celles qui sont précisées dans la partie A du code STCW pour l'obtention du brevet et/ou du certificat d'aptitude concerné et détermine s'il est nécessaire d'exiger que les titulaires de ces brevets et/ou certificats d'aptitude reçoivent une formation appropriée pour la remise à niveau et l'actualisation de leurs connaissances ou que leurs compétences soient évaluées.
  § 6. Le Contrôle de la navigation compare les normes de compétence qu'il exigeait des personnes servant à bord de navires propulsés au gaz avant le 1er janvier 2017 aux normes de compétence figurant dans la section A-V/3 du code STCW et détermine s'il est nécessaire, le cas échéant, d'exiger que ces personnes actualisent leurs qualifications.
  § 7. Le Contrôle de la navigation formule, en consultation avec les intéressés, la mise au point d'un ensemble de cours de remise à niveau et d'actualisation des connaissances tels que prévus dans la section A-I/11 du code STCW.
  § 8. Aux fins de mettre à jour les connaissances des capitaines, des officiers et des opérateurs des radiocommunications, le Contrôle de la navigation met à la disposition des navires de mer belges, par voie électronique, le texte des modifications récemment apportées aux règles nationales et internationales relatives à la sauvegarde de la vie humaine en mer, à la sûreté et à la protection du milieu marin, tout en respectant l'article 157bis, alinéa 3, b, et l'article 98bis de l'arrêté royal du 20 juillet 1973 portant règlement sur l'inspection maritime.
Art. 11. § 1. Teneinde vermoeidheid te voorkomen worden de wachten zo geregeld dat de doelmatigheid van het wachtdoende personeel niet wordt geschaad door vermoeidheid en dat de taken zo zijn ingedeeld dat de eerste wacht bij de aanvang van een reis en daaropvolgende aflossende wachten voldoende rust hebben genoten en anderszins geschikt zijn om dienst te doen.
  § 2. De minimumrusttijd mag niet korter zijn dan:
  i) 10 uur in elke periode van 24 uur; en
  ii) 77 uur in elke periode van zeven dagen.
  § 3. De rusturen mogen worden verdeeld over niet meer dan twee perioden waarvan er één ten minste een lengte heeft van zes uur, en de intervallen tussen twee opeenvolgende rusttijden mogen niet meer dan veertien uur bedragen.
  § 4. De in de paragrafen 2 en 3 neergelegde eisen inzake arbeids- en rusttijden moeten niet worden nageleefd in geval van nood of in andere doorslaggevende operationele omstandigheden.
  Verzamelingen, brandbestrijdings-oefeningen, oefeningen met reddingsboten en oefeningen die krachtens nationale wetten en voorschriften en internationale instrumenten zijn vereist, worden zo uitgevoerd dat de rusttijden zo weinig mogelijk worden verstoord en dat geen vermoeidheid wordt veroorzaakt.
  § 5. Een overzicht van de arbeidsorganisatie aan boord, onder andere de wachtregelingen en de dagelijkse rusturen van zeevarenden, wordt opgehangen op plaatsen waar zij gemakkelijk kunnen worden bekeken.
  Het overzicht wordt opgesteld in het standaardformaat, zodat kan worden nagegaan en gecontroleerd of aan de bepalingen in dit artikel is voldaan.
  Het overzicht wordt opgesteld met inachtneming van bestaande internationale richtlijnen.
  Voor iedere positie wordt ten minste het volgende vermeld:
  a) het rooster voor de dienst op zee en de dienst in de haven; en
  b) de maximum arbeidstijd en de minimum rusttijd voorgeschreven in de Belgische wetgeving.
  Zeevarenden krijgen een kopie van de gegevens die over hen worden bijgehouden, die door de kapitein of door een door de kapitein gemachtigde persoon en door de zeevarenden wordt ondertekend.
  Er dienen procedures te worden vastgesteld voor het bijhouden van dergelijke gegevens aan boord, inclusief de tussenpozen waarin deze worden vastgelegd.
  Een exemplaar van de bepalingen van de nationale wetgeving die op dit artikel betrekking hebben en van de desbetreffende collectieve overeenkomsten dient aan boord te worden bewaard en dienen gemakkelijk toegankelijk te zijn voor de bemanning.
  De in dit artikel bedoelde gegevens dienen met passende tussenpozen onderzocht en bekrachtigd te worden, om na te gaan of de bepalingen inzake de arbeids- en de rusttijden waarop dit artikel betrekking heeft, worden nageleefd.
  § 6. Indien een zeevarende wordt opgeroepen, bijvoorbeeld wanneer een machinepost onbemand is, krijgt de zeevarende een voldoende compenserende rusttijd indien de normale rusttijd verstoord is omdat hij wordt opgeroepen om te werken.
  § 7. Ongeacht de voorschriften in paragrafen 2 tot en met 6, is de kapitein van een schip bevoegd om een zeevarende werkuren te laten presteren die noodzakelijk zijn voor de onmiddellijke veiligheid van het schip, de personen aan boord of de lading, of om hulp te bieden aan andere schepen of personen die op zee in nood verkeren.
  De kapitein kan dienovereenkomstig de rustregeling opschorten en een zeevarende de nodige werkuren laten presteren totdat de normale situatie is hersteld.
  Van zodra het mogelijk is nadat de normale situatie is hersteld, zorgt de kapitein ervoor dat de zeevarenden die tijdens een geplande rusttijd hebben gewerkt, een passende rusttijd krijgen.
Art. 11. § 1er. En vue de prévenir la fatigue, les systèmes de quart sont organisés de telle sorte que l'efficacité du personnel chargé du quart ne soit pas compromise par la fatigue et que les tâches soient conçues de telle manière que les membres du premier quart au début d'un voyage et ceux des quarts suivants qui assurent la relève soient suffisamment reposés et aptes au service à tous autres égards.
  § 2. Le nombre minimal d'heures de repos ne doit pas être inférieur à :
  i) 10 heures par période de 24 heures; et
  ii) 77 heures par période de sept jours.
  § 3. Les heures de repos ne peuvent être scindées en plus de deux périodes, dont l'une d'une durée d'au moins six heures, et l'intervalle entre deux périodes consécutives de repos ne dépasse pas quatorze heures.
  § 4. Les prescriptions relatives aux périodes de travail et de repos, énoncées aux paragraphes 2 et 3, ne doivent pas être appliquées en cas d'urgence ou dans d'autres conditions d'exploitation exceptionnelles.
  Les rassemblements, les exercices d'incendie et d'évacuation et les exercices prescrits par la législation et les règles nationales et par les instruments internationaux se déroulent de manière à perturber le moins possible les périodes de repos et à ne pas provoquer de fatigue.
  § 5. Un tableau précisant l'organisation du travail à bord, dont entre autres, les horaires de quart et les registres des heures quotidiennes de repos des gens de mer, est affiché en un endroit facile d'accès.
  Ce tableau est établi selon le modèle normalisé, afin qu'il soit possible de contrôler et de vérifier le respect du présent article.
  Ce tableau doit être établi en tenant compte des éventuelles directives internationales existantes.
  Pour chaque fonction, au moins les éléments suivants seront repris :
  a) le programme du service en mer et au port; et
  b) le nombre maximal d'heures de travail ou le nombre minimal d'heures de repos prescrit par la législation belge.
  Les gens de mer reçoivent un exemplaire des registres les concernant, qui est signé par le capitaine ou une personne autorisée par celui-ci, et par les gens de mer.
  Les modalités de tenue de ces registres à bord devront être fixées, y compris les intervalles auxquels les informations doivent être consignées.
  Un exemplaire des dispositions pertinentes de la législation nationale se rapportant au présent article ainsi qu'un exemplaire des conventions collectives applicables doivent être conservés à bord et à un endroit facilement accessible à l'équipage.
  Les registres mentionnés dans le présent article doivent être vérifiés et validés à des intervalles appropriés, afin de s'assurer que les dispositions relatives aux heures de travail et heures de repos auxquelles se réfère le présent article sont respectées.
  § 6. Si un marin est d'astreinte, par exemple lorsqu'un local de machines n'est pas gardé, il bénéficie d'une période de repos compensatoire adéquate si la durée normale du repos est perturbée par des appels.
  § 7. Nonobstant les dispositions des paragraphes 2 à 6, le capitaine d'un navire peut exiger d'un marin qu'il accomplisse les heures de travail nécessaires pour assurer la sécurité immédiate du navire, des personnes à bord ou de la cargaison, ou pour porter secours à d'autres navires ou à des personnes en détresse en mer.
  Le cas échéant, le capitaine peut suspendre les horaires normaux de repos et exiger d'un marin qu'il accomplisse les heures de travail nécessaires jusqu'au retour à une situation normale.
  Dès que possible après le retour à une situation normale, le capitaine fait en sorte que tout marin ayant effectué un travail alors qu'il était en période de repos selon l'horaire normal bénéficie d'une période de repos adéquate.
Art. 12. Aan de functienormen en andere bepalingen die zijn vermeld in sectie A-I/12 van de STCW-code alsook aan de verdere eisen die in deel A van de STCW-code worden voorgeschreven met betrekking tot een desbetreffend vaarbevoegdheidsbewijs wordt voldaan inzake:
  a) elke opleiding waarvan het gebruik van een simulator verplicht is;
  b) elke beoordeling van bekwaamheid vereist krachtens deel A van de STCW-code die met behulp van een simulator wordt gedaan; en
  c) elk aantonen van bekwaamheid bij voortduring, met behulp van een simulator, zoals vereist in deel A van de STCW-code.
Art. 12. Les normes de fonctionnement et autres dispositions mentionnées à la section A-I/12 du code STCW ainsi que les autres prescriptions de la partie A du code STCW concernant tout brevet pertinent, sont observées pour ce qui est :
  a) de toute formation obligatoire sur simulateur;
  b) de toute évaluation de la compétence prescrite par la partie A du code STCW qui se fait sur simulateur; et
  c) de toute démonstration faite sur simulateur pour prouver le maintien des compétences prescrites par la partie A du code STCW.
Art. 13. § 1. In buitengewoon dringende omstandigheden kan de Scheepvaartcontrole, indien dit naar zijn oordeel geen gevaar oplevert voor personen, goederen of het milieu, dispensatie verlenen waardoor aan een bepaalde zeevarende wordt toegestaan gedurende een bepaalde periode van ten hoogste zes maanden op een bepaald zeeschip dienst te doen in een hoedanigheid waarvoor hij niet het vaarbevoegdheids- of bekwaamheidsbewijs bezit, mits degene aan wie dispensatie wordt verleend voldoende bekwaam is om de onbezette functie op een verantwoorde wijze te vervullen. In de hoedanigheid van radio-operator wordt geen dispensatie verleend. Niettemin worden geen dispensaties verleend aan kapiteins of hoofdwerktuigkundigen, behalve in geval van overmacht en dan nog slechts voor de kortst mogelijke tijd.
  § 2. Iedere ten aanzien van een functie verleende dispensatie wordt slechts verleend aan iemand die het juiste vaarbevoegdheids- of bekwaamheidsbewijs bezit voor de functie onmiddellijk daaronder.
  Indien geen vaarbevoegdheids- of bekwaamheidsbewijs is vereist voor de functie daaronder, kan dispensatie worden verleend aan iemand wiens bekwaamheden en ervaring naar het oordeel van de Scheepvaartcontrole duidelijk overeenstemmen met de eisen voor de te bezetten functie, mits aan een dergelijk persoon, indien hij/zij het vaarbevoegdheids- of bekwaamheidsbewijs niet bezit, de eis zal worden gesteld dat hij/zij met goed gevolg een test aflegt die door de Scheepvaartcontrole is aanvaard als bewijs dat die dispensatie zonder gevaar kan worden gegeven.
  Bovendien draagt de Scheepvaartcontrole er zorg voor dat de desbetreffende functie zo spoedig mogelijk wordt vervuld door iemand die een vaarbevoegdheids- of bekwaamheidsbewijs bezit.
Art. 13. § 1er. Dans des circonstances d'extrême nécessité, le Contrôle de la navigation, s'il estime qu'il n'en découle aucun danger pour les personnes, les biens ou l'environnement, peut délivrer une dispense afin de permettre à un marin donné de servir à bord d'un navire de mer donné pendant une période déterminée ne dépassant pas six mois dans des fonctions pour lesquelles il ne détient pas le brevet d'aptitude ou certificat d'aptitude, à condition d'être convaincu que le titulaire de la dispense possède des qualifications suffisantes pour occuper le poste vacant d'une manière offrant toute sécurité. Pour le poste d'opérateur des radiocommunications, aucune dispense n'est accordée. La dispense n'est toutefois pas accordée pour les fonctions de capitaine ou de chef mécanicien, sauf en cas de force majeure, sa durée étant alors aussi courte que possible.
  § 2. Toute dispense accordée pour un poste ne doit l'être qu'à une personne possédant le brevet d'aptitude ou certificat d'aptitude requis pour occuper le poste immédiatement inférieur.
  Lorsque aucun brevet d'aptitude ou certificat d'aptitude n'est requis pour occuper le poste immédiatement inférieur, une dispense peut être accordée à une personne dont les qualifications et l'expérience sont, de l'avis du Contrôle de la navigation, d'un niveau équivalent nettement à celui qui est requis pour le poste à pourvoir, à condition que cette personne, si elle ne détient pas de brevet d'aptitude ou certificat d'aptitude, soit tenue de passer avec succès un test accepté par le Contrôle de la navigation pour démontrer qu'une telle dispense peut lui être accordée en toute sécurité.
  En outre, le Contrôle de la navigation s'assure que le poste en question sera occupé dès que possible par une personne titulaire d'un brevet d'aptitude ou certificat d'aptitude.
Art. 14. § 1. De Minister wijst de instanties aan die de in artikel 3 bedoelde opleiding verstrekken en waar nodig de examens organiseren en/of er toezicht op houden.
  De Scheepvaartcontrole geeft de in artikel 5 bedoelde vaarbevoegdheids- en bekwaamheidsbewijzen af en verlenen de in artikel 13 bedoelde dispensatie.
  § 2. Om te worden aangewezen overeenkomstig § 1, eerste lid, richten de instanties een aanvraag tot aanwijzing aan de Scheepvaartcontrole.
  Bij de aanvraag tot aanwijzing worden alle bewijsstukken gevoegd waaruit blijkt dat:
  a) alle opleiding en beoordeling van zeevarenden:
  1. gestructureerd wordt volgens geschreven programma's met inbegrip van methoden en hulpmiddelen voor kennisoverdracht, werkwijzen en cursusmateriaal die nodig zijn om het voorgeschreven bekwaamheidspeil te bereiken; en
  2. geleid, begeleid, geëvalueerd en ondersteund wordt door personen die bevoegd zijn overeenkomstig de d), e) en f).
  Volgende gegevens worden meegedeeld aan de Scheepvaartcontrole:
  1° voor wat een natuurlijk persoon betreft: het rijksregisternummer;
  2° voor natuurlijke personen niet ingeschreven in het Belgische rijksregister:
  * Naam
  * Voornaam
  * Geboortedatum
  * Nationaliteit
  3° Opleidingsattesten.
  De bovenstaande gegevens, met uitzondering van 1° en 3°, moeten gestaafd worden aan de hand van de nodige overtuigingsstukken ten behoeve van de Scheepvaartcontrole.
  Tenzij uitdrukkelijk anders bepaalt in dit besluit is de verwerkingsverantwoordelijke voor de gegevensverwerkingen de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.
  De personeelsleden van het Directoraat hebben toegang tot de geregistreerde gegevens en alleen voor het doel van dit hoofdstuk.
  De persoonsgegevens worden na 5 jaar gewist.
  b) personen die zeevarenden tijdens de dienst aan boord van een zeeschip opleiden of beoordelen, dit alleen doen, wanneer deze opleiding of beoordeling geen nadelige invloed heeft op de normale bedrijfsvoering aan boord, en wanneer zij hun tijd en aandacht kunnen besteden aan opleiding of beoordeling;
  c) instructeurs, mentors en beoordelaars de vereiste bevoegdheden hebben voor de specifieke soorten en niveaus van opleiding of beoordeling van bekwaamheid van zeevarenden zowel aan boord als aan wal;
  d) eenieder die tijdens de dienst aan boord of aan wal aan een zeevarende een opleiding geeft die bedoeld is gebruikt te worden voor het verkrijgen van de bevoegdheden vereist voor de verwerving van een vaarbevoegdheidsbewijs krachtens dit besluit:
  1. het opleidingsprogramma op zijn waarde kan beoordelen en inzicht heeft in de specifieke leerdoelen van de bijzondere soort opleiding die wordt gegeven;
  2. bevoegd is voor de taak waarvoor de opleiding wordt gegeven; en
  3. indien hij bij het geven van de opleiding gebruik maakt van een simulator:
  1) alle passende aanwijzingen heeft ontvangen voor het geven van onderricht met betrekking tot het gebruik van simulatoren; en
  2) praktijkervaring heeft opgedaan in de bediening van het gebruikte type simulator.
  e) eenieder die verantwoordelijke is voor het toezicht op de opleiding van een zeevarende tijdens de dienst aan boord, die bedoeld is te worden gebruikt voor het verkrijgen van de bevoegdheden vereist voor het verwerven van een vaarbevoegdheidsbewijs, een volledig begrip heeft van het opleidingsprogramma en de specifieke doelstelling van iedere soort opleiding die wordt gegeven;
  f) eenieder die tijdens de dienst aan boord of aan wal een zeevarende op zijn bekwaamheid beoordeelt, welke beoordeling gebruikt zal worden bij de verwerving van een vaarbevoegdheidsbewijs:
  1. beschikt over de vereiste mate van kennis en inzicht in de te beoordelen bekwaamheid;
  2. is bevoegd voor de taak waarvoor de beoordeling wordt verricht;
  3. heeft passende aanwijzingen ontvangen over beoordelingsmethoden- en praktijk;
  4. heeft praktijkervaring opgedaan met beoordelen; en
  5. indien bij de beoordeling simulatoren moeten worden gebruikt, praktijkervaring heeft opgedaan met beoordeling op het gebruikte type simulator onder toezicht en naar genoegen van een ervaren beoordelaar.
  g) wanneer de Scheepvaartcontrole een opleiding, een opleidingsinstelling of een door een opleidingsinstelling verleende bevoegdheid erkent, als onderdeel van hun gestelde eisen met betrekking tot de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs, vallen de bevoegdheden en opgedane ervaring van instructeurs en beoordelaars onder de toepassing van de bepalingen inzake kwaliteitsnormen van artikel 8. Deze bevoegdheden, opgedane ervaring en toepassing van kwaliteitsnormen omvatten een passende opleiding in het geven van onderricht en opleidings- en beoordelingsmethoden en -praktijk en voldoen aan alle van toepassing zijnde eisen van de d), e) en f).
  § 3. De aanvraag wordt onderzocht door de Scheepvaartcontrole.
  Na het onderzoek bedoeld in het eerste lid deelt de Scheepvaartcontrole zijn advies mee aan de Minister.
  De Minister beslist of de instantie wordt erkend. De Scheepvaartcontrole erkent de opleidingen die door een erkende instantie mogen worden gegeven en levert hiervoor een opleidingsattest af.
  § 4. Elke jaar worden de erkende instanties onderworpen aan een tussentijdse controle van de Scheepvaartcontrole om na te gaan of zij nog voldoen aan de voorwaarden opgenomen in dit besluit.
  Bij het niet naleven van de voorwaarden van dit besluit kan de erkenning van de instantie worden ingetrokken door de Minister of wanneer het enkel een erkende opleiding of opleidingen betreft door de Scheepvaartcontrole.
Art. 14. § 1er. Le Ministre désigne les instances qui dispensent la formation visée à l'article 3 et qui organisent et/ou supervisent les examens éventuellement requis.
  Le Contrôle de la navigation délivre les brevets d'aptitude et les certificats d'aptitude visés à l'article 5 et accorde les dispenses prévues à l'article 13.
  § 2. Pour être désignées conformément au § 1er, alinéa 1er, les instances adressent une demande de désignation au Contrôle de la navigation.
  La demande de désignation est accompagnée de toutes les pièces justificatives attestant que :
  a) toute formation et évaluation des gens de mer est :
  1. structurée conformément à des programmes écrits, y compris les méthodes et moyens d'exécution, les procédures et le matériel pédagogique nécessaires pour atteindre la norme de compétence prescrite; et
  2. dirigée, contrôlée, évaluée et encadrée par des personnes possédant les qualifications prescrites aux d), e) et f).
  Les données communiquées au Contrôle de la navigation sont les suivantes :
  1° pour une personne physique : le numéro de registre national;
  2° pour les personnes physiques non enregistrées au registre national belge :
  * Nom
  * Prénom
  * Date de naissance
  * Nationalité
  3° Certificats de formation.
  Les données ci-dessus, à l'exception des 1° et 3°, doivent être étayées par les documents convaincants nécessaires au Contrôle de la navigation.
  Sauf disposition expresse contraire dans le présent arrêté, le responsable du traitement pour les traitements de données est le Service public fédéral Mobilité et Transports.
  Les membres du personnel de la Direction ont accès aux données enregistrées, et ce, uniquement aux fins du présent arrêté.
  Les données à caractère personnel sont supprimées après 5 ans.
  b) les personnes qui dispensent une formation ou effectuent une évaluation en cours d'emploi à bord d'un navire de mer ne le font que lorsque cette formation ou évaluation n'a pas d'effet préjudiciable sur l'exploitation normale du navire de mer et lorsqu'elles peuvent consacrer leur temps et leur attention à cette formation ou évaluation;
  c) les instructeurs, les superviseurs et les évaluateurs possèdent les qualifications requises en rapport avec les types et niveaux particuliers de formation ou d'évaluation des compétences des gens de mer à bord ou à terre;
  d) toute personne qui dispense, à bord ou à terre, une formation en cours d'emploi à un marin qui est destinée à lui permettre d'acquérir les qualifications requises pour l'obtention d'un brevet, en vertu du présent arrêté :
  1. a une vue d'ensemble du programme de formation et comprend les objectifs spécifiques en matière de formation du type particulier de formation dispensée;
  2. possède les qualifications requises pour la tâche faisant l'objet de la formation dispensée; et
  3. si elle dispense une formation à l'aide d'un simulateur :
  1) a reçu toutes les indications pédagogiques appropriées concernant l'utilisation de simulateurs; et
  2) a acquis une expérience opérationnelle pratique du type particulier de simulateur utilisé.
  e) toute personne responsable de la supervision de la formation en cours d'emploi d'un marin destinée à lui permettre d'acquérir les qualifications requises pour l'obtention d'un brevet a une compréhension totale du programme de formation et des objectifs spécifiques de chaque type de formation dispensée;
  f) toute personne qui procède, à bord ou à terre, à l'évaluation des compétences en cours d'emploi d'un marin afin de déterminer s'il possède les qualifications requises pour l'obtention d'un brevet :
  1. a un niveau approprié de connaissances et de compréhension des compétentes à évaluer;
  2. possède les qualifications requises pour la tâche faisant l'objet de l'évaluation;
  3. a reçu des indications appropriées quant aux méthodes et pratiques d'évaluation;
  4. a acquis une expérience pratique de l'évaluation; et
  5. dans le cas d'une évaluation nécessitant l'utilisation de simulateurs, a une expérience pratique de l'évaluation en rapport avec le type particulier de simulateur utilisé qu'elle a acquise sous la supervision d'un évaluateur expérimenté et qui a été jugée satisfaisante par ce dernier.
  g) lorsque le Contrôle de la navigation reconnait une formation, un établissement de formation ou une qualification accordée par un établissement de formation, dans le cadre de ses prescriptions relatives à la délivrance d'un brevet, le champ d'application des normes de qualité énoncées à l'article 8 couvre les qualifications et l'expérience des instructeurs et des évaluateurs. Ces qualifications, cette expérience et l'application des normes de qualité comprennent une formation appropriée à la pédagogie ainsi qu'aux méthodes et pratiques de formation et d'évaluation et satisfont à toutes les prescriptions applicables des d), e) et f).
  § 3. La demande est examinée par le Contrôle de la navigation.
  Après l'examen visé au premier alinéa, le Contrôle de la navigation communique son avis au Ministre.
  Le Ministre décide si l'instance est reconnu. Le Contrôle de la navigation reconnait les formations qui peuvent être dispensées par une instance reconnue et délivre un certificat de formation à cet effet.
  § 4. Tous les ans, les instances reconnues sont soumises à un contrôle intermédiaire du Contrôle de la navigation pour vérifier si elles satisfont toujours aux conditions fixées dans le présent arrêté.
  En cas de non-respect des conditions fixées dans le présent arrêté, la reconnaissance de l'instance peut être retirée par le Ministre ou par le Contrôle de la navigation uniquement s'il s'agit de formations reconnues.
Art. 15. § 1. Onverminderd de bepalingen van artikel 16 en 17, is dit artikel van toepassing voor erkenningen van vaarbevoegdheids- of bekwaamheidsbewijzen voor zeevarenden die:
  a) onderdaan van een lidstaat zijn, opgeleid zijn en van een lidstaat de opleiding en het bekwaamheidsbewijs hebben ontvangen ten minste overeenkomstig de in bijlage I bij Richtlijn 2008/106/EG vastgelegde eisen;
  b) onderdaan van een derde land zijn en houder zijn van een door een lidstaat afgegeven bekwaamheidsbewijs.
  § 2. De Scheepvaartcontrole erkent vaarbevoegdheidsbewijzen of andere bekwaamheidsbewijzen die overeenkomstig de eisen van Richtlijn 2008/106/EG zijn afgegeven door een andere lidstaat.
  § 3. De erkenning van vaarbevoegdheidsbewijzen is beperkt tot de daarin omschreven functies, taken en verantwoordelijkheidsniveaus en gaat vergezeld van een officiële verklaring ten bewijze van deze erkenning.
  § 4. De Scheepvaartcontrole ziet erop toe dat zeevarenden die met het oog op erkenning bewijzen indienen voor functies op managementniveau, beschikken over een passende kennis van het zeerecht van die lidstaat met betrekking tot de functies die zij mogen uitoefenen.
Art. 15. § 1er . Nonobstant les dispositions des articles 16 et 17, le présent article est d'application pour les reconnaissances des brevets d'aptitude ou certificats d'aptitude pour les gens de mer qui sont :
  a) des ressortissants d'un Etat membre, ayant au moins reçu d'un Etat membre la formation et le certificat d'aptitude conformément aux exigences prévues à l'annexe I de la Directive 2008/106/CE;
  b) des non ressortissants titulaires d'un certificat d'aptitude délivré par un Etat membre.
  § 2. Le Contrôle de la navigation reconnaît les brevets d'aptitude, ou d'autres certificats d'aptitude délivrés par un autre Etat membre, conformément aux dispositions de la Directive 2008/106/CE.
  § 3. La reconnaissance des brevets d'aptitude est limitée aux fonctions, tâches et niveaux de responsabilité spécifiés sur le brevet et s'accompagne d'un visa attestant cette reconnaissance.
  § 4. Le Contrôle de la navigation s'assure que les gens de mer sollicitant la reconnaissance de titres en vue d'exercer des fonctions de direction possèdent une connaissance appropriée de la législation maritime nationale applicable aux fonctions qu'ils sont autorisés à exercer.
Art. 16. § 1. Zeevarenden die niet in het bezit zijn van een in artikel 5 afgegeven vaarbevoegdheidsbewijs noch van een door de overeenkomstige voorschriften V/1-1 en V/1-2 van het STCW-verdrag aan kapiteins en officieren afgegeven bekwaamheidsbewijs, kunnen op Belgische schepen dienst doen, indien er over de erkenning van hun vaarbevoegdheids- en/of bekwaamheidsbewijs een besluit is genomen overeenkomstig de in dit artikel uiteengezette procedure:
  a) indien het Directoraat voornemens is door middel van een officiële verklaring, de door een derde land afgegeven vaarbevoegdheids- en/of bekwaamheidsbewijzen voor kapiteins, officieren of radio-operators te erkennen voor dienst op een Belgisch zeeschip, dient het Directoraat bij de Commissie een verzoek om erkenning van dat derde land in, vergezeld van een voorafgaande analyse van de naleving van de eisen van het STCW-verdrag door dat derde land, door de in bijlage 2 genoemde informatie te verzamelen. Ter onderbouwing van zijn verzoek verstrekt het Directoraat in die voorafgaande analyse nadere informatie over de redenen voor het erkennen van het derde land;
  b) het Directoraat kan besluiten het derde land eenzijdig te erkennen totdat een besluit over het verzoek om erkenning van dat derde land bedoeld in a) is genomen door de Commissie. In het geval van een dergelijke eenzijdige erkenning deelt het Directoraat aan de Commissie het aantal officiële verklaringen ter bevestiging van erkenning mee die zijn afgegeven met betrekking tot vaarbevoegdheids- en bekwaamheidsbewijzen die door het derde land zijn afgegeven, totdat de erkenning van dat derde land is vastgesteld;
  c) het Directoraat kan met betrekking tot Belgische zeeschepen, besluiten door middel van een officiële verklaring vaarbevoegdheidsbewijzen te bevestigen die zijn afgegeven door derde landen die door de Commissie zijn erkend, rekening houdend met het bepaalde sub d) in deze paragraaf en met de bepalingen in 3 van bijlage 2;
  d) de vaarbevoegdheidsbewijzen voor functies op managementniveau van zeevarenden die niet beschikken over de vereiste kennis van de Belgische zeevaartwetgeving worden, voorzover van toepassing, niet bevestigd.
  § 2. Het BIPT kan, voor een zeevarende die niet in het bezit is van een in artikel 5, § 4, bedoelde vaarbevoegdheids- en/of bekwaamheidsbewijs voor radio-operators om op Belgisch zeeschepen dienst te doen, overgaan tot de in paragraaf 1 uiteengezette procedure.
  § 3. Onverminderd de bepalingen van artikel 5, § 6, mag de Scheepvaartcontrole, indien de omstandigheden dit vereisen, een zeevarende toestaan om dienst te doen in een hoedanigheid niet zijnde die van radio-officier of radio-operator (tenzij het radioreglement hierin voorziet), gedurende een periode van ten hoogste drie maanden aan boord van een Belgisch zeeschip, indien hij in het bezit is van een passend en geldig vaarbevoegdheidsbewijs, voorzien van een officiële verklaring, afgegeven onder de voorschriften van een derde land, maar dat nog niet is voorzien van een officiële verklaring van erkenning door de Scheepvaartcontrole die dit tot een passend vaarbevoegdheidsbewijs maakt voor het dienst doen aan boord van een Belgisch zeeschip. Er moet schriftelijk bewijs voorhanden zijn om aan te tonen dat de aanvraag om een officiële verklaring bij de Scheepvaartcontrole, is ingediend.
Art. 16. § 1er. Les gens de mer qui ne sont pas titulaires d'un brevet d'aptitude visé à l'article 5 ni d'un certificat d'aptitude délivré aux capitaines et aux officiers conformément aux règles V/1-1 et V/1-2 de la convention STCW peuvent servir à bord des navires de mer belges, à condition que la décision ait été prise de reconnaître leur brevet d'aptitude et/ou leur certificat d'aptitude conformément à la procédure prévue au présent article :
  a) si la Direction a l'intention de reconnaître, par visa les brevets d'aptitude et/ou les certificats d'aptitude délivrés par un pays tiers à un capitaine, un officier ou un opérateur des radiocommunications pour le service à bord d'un navire de mer belge, la Direction présente à la Commission une demande de reconnaissance de ce pays tiers, accompagnée d'une analyse préliminaire du respect, par le pays tiers, des prescriptions de la convention STCW en recueillant les informations visées à l'annexe 2. Dans cette analyse préliminaire, la Direction fournit, à l'appui de sa demande, des informations supplémentaires sur les motifs de la reconnaissance du pays tiers;
  b) la Direction peut décider de reconnaître le pays tiers sur une base unilatérale jusqu'à ce qu'une décision, visée au a), soit prise par la Commission. Dans le cas d'une telle reconnaissance unilatérale, la Direction communique à la Commission le nombre de visas attestant la reconnaissance émis par le pays tiers pour les brevets d'aptitude et les certificats d'aptitude jusqu'à ce que l'acte d'exécution relatif à la reconnaissance de ce pays tiers soit adopté;
  c) la Direction peut décider, en ce qui concerne les navires de mer belges, de viser les brevets délivrés par les pays tiers reconnus par la Commission en tenant compte des dispositions contenues sous d) du présent paragraphe et des dispositions au 3 de l'annexe 2;
  d) les brevets pour des fonctions de direction des gens de mer qui ne possèdent pas la connaissance exigée de la législation maritime belge, ne sont pas approuvés.
  § 2. L'IBPT peut suivre la procédure visée au paragraphe 1er pour un marin qui n'est pas titulaire d'un brevet d'aptitude et/ou d'un certificat d'aptitude pour opérateur des radiocommunications visé à l'article 5, § 4, pour servir à bord de navires belges.
  § 3. Nonobstant les dispositions de l'article 5, § 6, le Contrôle de la navigation peut, si les circonstances l'exigent, autoriser un marin à servir à bord d'un navire de mer belge dans une capacité autre que celle d'officier radio ou d'opérateur des radiocommunications (sous réserve des dispositions du règlement des radiocommunications) pour une période ne dépassant pas trois mois, s'il est titulaire d'un brevet approprié et valide qu'un pays tiers a délivré et visé de la manière prescrite mais qui n'a pas encore été visé pour reconnaissance par le Contrôle de la navigation en vue de le rendre approprié pour les services à bord des navires de mer belges. Un document prouvant qu'une demande de visa a été soumise au Contrôle de la navigation doit pouvoir être fourni.
Art. 17. § 1. Wanneer het Directoraat, ongeacht de in bijlage 2 vermelde criteria, van oordeel is dat een erkend derde land niet langer aan de eisen van het STCW-verdrag voldoet, stelt het de Commissie hiervan onverwijld in kennis, met vermelding van de redenen die het Directoraat tot dit oordeel hebben gebracht.
  § 2. Wanneer het Directoraat voornemens is de officiële verklaring van alle door een derde land afgegeven vaarbevoegdheidsbewijzen in te trekken, stelt het onverwijld de Commissie en de overige lidstaten in kennis van dit voornemen en de redenen die het daartoe hebben geleid.
  § 3. De officiële verklaringen ten bewijze van erkenning van vaarbevoegdheidsbewijzen die overeenkomstig artikel 5, § 6, zijn afgegeven vóór de datum van het besluit tot intrekking door de Commissie van de erkenning van het derde land, blijven geldig. Houders van een dergelijke officiële verklaring komen echter niet in aanmerking voor een officiële verklaring van een hogere kwalificatie, tenzij een dergelijke opwaardering berust op aanvullende beroepservaring opgedaan op zee.
Art. 17. § 1er. Nonobstant les critères définis à l'annexe 2, lorsque la Direction considère qu'un pays tiers reconnu ne se conforme plus aux prescriptions de la convention STCW, elle en informe sans délai la Commission, en indiquant ses raisons.
  § 2. Lorsque la Direction a l'intention de révoquer les visas de tous les brevets délivrés par un pays tiers, elle informe immédiatement la Commission et les autres Etats membres de cette intention, en indiquant les raisons qui la justifient.
  § 3. Les visas attestant la reconnaissance des brevets qui sont délivrés conformément à l'article 5, § 6, avant la date à laquelle la décision de révocation par la Commission de la reconnaissance du pays tiers est prise, demeurent valables. Les gens de mer titulaires de tels visas ne peuvent toutefois prétendre à un visa leur reconnaissant une qualification plus élevée sauf si cette revalorisation est fondée uniquement sur une expérience supplémentaire de service en mer.
Art. 18. Het Directoraat verstrekt de Commissie de in bijlage 7 bedoelde gegevens voor de toepassing van artikel 20, lid 8, en artikel 21, lid 2, van de Richtlijn 2008/106/EG en voor gebruik door de lidstaten en de Commissie ten behoeve van hun beleidsvorming
  Het Directoraat stelt deze gegevens jaarlijks aan de Commissie ter beschikking in een elektronisch formaat; deze gegevens zullen de informatie omvatten die tot en met 31 december van het vorige jaar werd geregistreerd. Alle eigendomsrechten op de gegevens in hun onbewerkte versie worden behouden. Op de grondslag van deze gegevens opgestelde statistieken worden algemeen beschikbaar gemaakt overeenkomstig de bepalingen inzake transparantie en bescherming van informatie in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1406/202.
  Ten einde de bescherming van persoonsgegevens zeker te stellen wordt alle persoonlijke informatie als aangegeven in bijlage 7 geanonimiseerd door middel van door de Commissie verstrekte of goedgekeurd software, alvorens deze aan de Commissie te zenden.
Art. 18. La Direction communique à la Commission les informations visées à l'annexe 7 aux fins de l'article 20, alinéa 8, et de l'article 21, alinéa 2, de la Directive 2008/106/CE et de leur utilisation par les Etats membres et la Commission dans l'élaboration des politiques.
  La Direction met ces informations à la disposition de la Commission sur une base annuelle et sous format électronique; ces données comporteront les informations enregistrées jusqu'au 31 décembre de l'année précédente. Tous les droits de propriété des informations sous forme de données brutes sont conservés. Les statistiques élaborées à partir de ces informations sont rendues publiques conformément aux dispositions sur la transparence et la protection des informations figurant à l'article 4 du règlement (CE) n° 1406/2002.
  Afin de garantir la protection des données à caractère personnel, toutes les informations personnelles visées à l'annexe 7 sont anonymisées à l'aide de logiciels fournis ou approuvés par la Commission avant qu'elles ne soient transmises à la Commission.
HOOFDSTUK 2. - Intoxicatie
CHAPITRE 2. - Intoxication
HOOFDSTUK 3. - Scheepskok
CHAPITRE 3. - Cuisinier de bord
Art. 24. Voor de toepassing van dit hoofdstuk betekent "schip": een schip anders dan een schip dat uitsluitend vaart op binnenwateren of wateren binnen, of dicht grenzend aan, beschutte wateren of gebieden waar havenvoorschriften gelden.
Art. 24. Pour l'application du présent chapitre, le mot " navire " signifie : un navire autre que ceux qui naviguent exclusivement dans les eaux intérieures ou dans les eaux situées à l'intérieur ou au proche voisinage d'eaux abritées ou de zones où s'appliquent les règlements portuaires.
Art. 25. Dit hoofdstuk is van toepassing op alle schepen die toebehoren aan openbare instellingen of privé-instellingen, die doorgaans worden gebruikt voor commerciële activiteiten, met uitzondering van schepen die worden gebruikt voor de visvangst of voor soortgelijke doeleinden en van traditioneel gebouwde schepen zoals dhows en jonken. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op oorlogsschepen of marinehulpschepen.
Art. 25. Le présent chapitre est applicable à tous les navires appartenant à des entités publiques ou privées normalement affectés à des activités commerciales, à l'exception des navires affectés à la pêche ou à une activité analogue et des navires de construction traditionnelle tels que les boutres et les jonques. Le présent chapitre ne s'applique ni aux navires de guerre ni aux navires de guerre auxiliaires.
Art. 26. Met het oog op de toepassing van paragrafen 3 en 4 van norm A3.2 van het MLC-Verdrag is de zeevarende die wordt tewerkgesteld als scheepskok in het bezit van een geldig certificaat van kwalificatie voor scheepskok uitgegeven overeenkomstig de bepalingen van dit besluit of van een overeenkomstig dit besluit uitgegeven verklaring van erkenning van een certificaat van kwalificatie voor scheepskok afkomstig van een bevoegde overheid van een Staat die Partij is bij het MLC-Verdrag.
  Onverminderd het eerste lid, toont de in het eerste lid bedoelde scheepskok die buitengaats dienst doet of van plan is na een periode aan wal naar zee terug te keren, teneinde zijn bevoegdheid om buitengaats dienst te doen te behouden, met tussenpozen van ten hoogste vijf jaar, aan dat hij bij voortduring vakbekwaam is in overeenstemming met de bepalingen van sectie A-I/11 van de STCW-code voor zover ze relevant zijn voor de functie van scheepskok.
Art. 26. En vue d'appliquer les paragraphes 3 et 4 de la norme A3.2 de la Convention MLC, le marin engagé comme cuisinier de bord doit être titulaire d'un certificat valide de capacité comme cuisinier de bord conformément aux dispositions du présent arrêté ou d'une déclaration de reconnaissance d'un certificat de capacité comme cuisinier de bord délivré par l'autorité compétente d'un Etat qui est partie à la Convention MLC, faite conformément aux dispositions du présent arrêté.
  Sans préjudice du premier alinéa, le cuisinier de bord visé au premier alinéa qui sert en mer ou qui a l'intention de reprendre du service en mer après une période à terre, est tenu, à des intervalles ne dépassant pas cinq ans, de prouver le maintien de sa compétence professionnelle conformément aux dispositions de la section A-I/11 du code STCW dans la mesure où elles sont pertinentes pour la fonction de cuisinier de bord.
Art. 27. De Scheepvaartcontrole geeft een certificaat van kwalificatie voor scheepskok uit aan de kandidaat scheepskok voor een Belgisch schip indien de voorwaarden bepaald in 1 van bijlage 3 vervuld zijn. Het certificaat van kwalificatie voor scheepskok heeft een geldigheidsduur van 5 jaar. Het wordt opgemaakt volgens het in bijlage 5 bepaalde model.
Art. 27. Le Contrôle de la navigation délivre un certificat de capacité comme cuisinier de bord au candidat-cuisinier de bord sur un navire battant pavillon belge si les conditions définies au 1 de l'annexe 3 sont remplies. Le certificat de capacité comme cuisinier de bord a une durée de validité de 5 ans. Il est établi conformément au modèle figurant dans l'annexe 5.
Art. 28. De Scheepvaartcontrole geeft een officiële verklaring van erkenning van kwalificatie voor scheepskok uit aan de kandidaat scheepskok voor een schip dat de Belgische vlag voert indien de voorwaarden bepaald in 2 van bijlage 3 vervuld zijn. De officiële verklaring van erkenning van kwalificatie voor scheepskok heeft een geldigheidsduur van 5 jaar. Ze wordt opgemaakt volgens het in bijlage 6 bepaalde model.
Art. 28. Le Contrôle de la navigation délivre une déclaration officielle de reconnaissance de capacité comme cuisinier de bord au candidat-cuisinier de bord sur un navire battant pavillon belge si les conditions définies au 2 de l'annexe 3 sont remplies. La déclaration officielle de reconnaissance de capacité d'un cuisinier de bord a une durée de validité de 5 ans. Elle est établie conformément au modèle figurant dans l'annexe 6.
Art. 29. De Scheepvaartcontrole kan vrijstellingen verlenen bedoeld in paragraaf 5 van norm A3.2 van het MLC-Verdrag.
Art. 29. Le Contrôle de la navigation peut délivrer les dispenses visées au paragraphe 5 de la norme A3.2 de la Convention MLC.
Art. 30. De Scheepvaartcontrole kan vrijstellingen verlenen bedoeld in paragraaf 6 van norm A3.2 van het MLC-Verdrag.
Art. 30. Le Contrôle de la navigation peut délivrer les dispenses visées au paragraphe 6 de la norme A3.2 de la Convention MLC.
Art. 31. De bepalingen van artikel 5, § 7, zijn op overeenkomstige wijze van toepassing op de certificaten en officiële verklaringen bedoeld in dit hoofdstuk.
Art. 31. Les dispositions de l'article 5, § 7, s'appliquent par analogie aux certificats et déclarations officielles visés dans le présent chapitre.
Art. 32. De bepalingen van artikel 8, § 1 zijn op overeenkomstige wijze van toepassing op alle werkzaamheden betreffende de uitvoering van dit hoofdstuk door de Scheepvaartcontrole of door instellingen die een opleiding verstrekken.
Art. 32. Les dispositions de l'article 8, § 1er s'appliquent par analogie à tous les travaux relatifs à l'exécution de ce chapitre par le Contrôle de la navigation ou par les organismes qui dispensent une formation.
HOOFDSTUK 4. - Slotbepalingen
CHAPITRE 4. - Dispositions finales
Art. 33. De bestaande vaarbevoegdheidsbewijzen die werden uitgeven onder voorschrift VII/4 van bijlage I van het koninklijk besluit van 24 mei 2006 inzake vaarbevoegheidsbewijzen, die van toepassing waren voor de inwerkingtreding van dit besluit, blijven hernieuwbaar maar worden beperkt tot schepen met een voortstuwingsvermogen tot en met 30.000kw.
  De bestaande vaarbevoegdheidsbewijzen die werden uitgeven onder voorschrift VII/1 van bijlage I van het koninklijk besluit van 24 mei 2006 inzake vaarbevoegheidsbewijzen, die van toepassing was voor de inwerkingtreding van dit besluit, blijven hernieuwbaar.
Art. 33. Les brevets d'aptitude existants délivrés en vertu de la règle VII/4 de l'annexe I de l'arrêté royal du 24 mai 2006 concernant des [brevets d'aptitudes] pour des gens de mer, qui étaient applicables avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, restent renouvelables mais sont limités aux navires d'une puissance de propulsion jusqu'à 30.000kw.
  Les brevets d'aptitude existants délivrés en vertu de la règle VII/1 de l'annexe I de l'arrêté royal du 24 mai 2006 concernant des [brevets d'aptitudes] pour des gens de mer, qui étaient applicables avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, restent renouvelables.
Art. 34. Het koninklijk besluit van 24 mei 2006 inzake vaarbevoegdheidsbewijzen voor zeevarenden wordt opgeheven
Art. 34. L'arrêté royal du 24 mai 2006 concernant des brevets d'aptitude pour des gens de mer est abrogé.
Art. 35. Dit besluit treedt in werking op 1 september 2020.
Art. 35. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er septembre 2020.
Art. 36. De Minister bevoegd de maritieme mobiliteit en het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie en de minister bevoegd voor defensie zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 36. Le Ministre qui a la mobilité maritime et l'Institut belge des services postaux et des télécommunications et le ministre qui a la Défense, dans ses attributions sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage 1.
Art. N1. Annexe 1.
  (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 31-08-2020, p. 64292)
  (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 31-08-2020, p. 64292)
  Gewijzigd door:
  Modifiée par: