Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
9 DECEMBER 2019. - Wet tot oprichting van een Zorgpersoneelfonds(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-12-2019 en tekstbijwerking tot 31-05-2024)
Titre
9 DECEMBRE 2019. - Loi portant création d'un Fonds blouses blanches(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 24-12-2019 et mise à jour au 31-05-2024)
Informations sur le document
Numac: 2019206087
Datum: 2019-12-09
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2019206087
Date: 2019-12-09
Moniteur: Voir
Tekst (6)
Texte (6)
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
Art. 2. Er wordt een Zorgpersoneelfonds opgericht, dat een begrotingsfonds is in de zin van artikel 62 van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de Federale Staat.
Art. 2. Il est instauré un Fonds blouses blanches, qui est un fonds budgétaire au sens de l'article 62 de la loi du 22 mai 2003 portant organisation du budget et de la comptabilité de l'Etat fédéral.
Art. 3. Een voorafname op de opbrengst van de personenbelasting wordt toegewezen aan het fonds bedoeld in artikel 2. Deze voorafname gebeurt ten belope van 67 miljoen euro voor de maanden november en december 2019.
  [1 Vanaf 2020 gebeurt de in het eerste lid bedoelde voorafname structureel ten belope van 402 miljoen euro. Van dat bedrag wordt 48 miljoen euro voorbehouden om meer verpleegkundigen en zelfstandige verpleegkundigen aan het werk te zetten. De middelen die krachtens deze wet aan het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen worden toegewezen, gaan rechtstreeks naar de exogene financiering van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering en komen bovenop het bedrag van de globale jaarlijkse begrotingsdoelstelling voor de gezondheidszorg.]1
  [2 Eén twaalfde van het bedrag dient elke vijftiende dag van de maand ter beschikking te zijn op de rekening van het Zorgpersoneelfonds. Indien de vijftiende dag een zaterdag, zondag of een feestdag is, dient het bedrag beschikbaar te zijn op de rekening de werkdag voorafgaand aan de vijftiende.]2
  
Art. 3. Un prélèvement sur le produit de l'impôt des personnes physiques est affecté au fonds visé à l'article 2. Ce prélèvement s'effectue à concurrence d'un montant de 67 millions d'euros pour les mois de novembre et décembre 2019.
  [1 A partir de 2020, le prélèvement visé à l'alinéa 1er s'effectue, de manière structurelle, à concurrence d'un montant de 402 millions d'euros, dont 48 millions d'euros sont réservés pour améliorer l'emploi des infirmiers et infirmières indépendants. Les moyens affectés en vertu de la présente loi au budget des moyens financiers des hôpitaux sont affectés directement au financement exogène de l'Institut National d'Assurance Maladie-Invalidité et viennent en plus du montant de l'objectif budgétaire annuel global des soins de santé.]1
  [2 Un douzième de ce montant doit être disponible sur le compte du Fonds blouses blanches chaque quinzième jour du mois. Si le quinzième jour est un samedi, un dimanche ou un jour férié, le montant doit être disponible sur le compte le jour ouvrable précédant le quinzième jour.]2
  
Art. 4. § 1. [1 De uitgaven die ten laste van het Fonds kunnen worden gemaakt, dienen om voor de beoefenaars van de verpleegkunde de werkgelegenheid te verbeteren en de formatie uit te breiden, alsook om de aantrekkelijkheid van die sector te verhogen. Ze zijn uitsluitend bedoeld ter financiering van [2 de netto-toename van de werkgelegenheid]2 in de zorg, ter verbetering van de arbeidsvoorwaarden van het zorgpersoneel, ter ondersteuning van de mentorprojecten, alsook voor de opleidingen. Tevens zijn die uitgaven bedoeld voor ondersteunend personeel dat de zorgkundigen moet ontlasten en dat rechtstreeks contact met hen heeft, zodat zij meer tijd kunnen besteden aan het daadwerkelijk verzorgen van de patiënten, waarbij de prioriteit moet gaan naar de verzorging aan bed van de patiënt.
  [3 Met ingang van het jaar 2021 wordt het deel van de middelen dat is toegewezen aan het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen, prioritair aangewend voor de financiering van de verhoging van de personeelsnorm, bij voorkeur voor het verplegend personeel, met gemiddeld 1 bijkomende VTE, per zorgeenheid of per ziekenhuisfunctie, teneinde de verpleegkundige aanwezigheid aan het bed van de patiënt te verhogen. Dit VTE laat toe de personeelsnorm in te vullen na het halen van de hoofdverpleegkundige uit de financieringsnorm.]3
   Voor het jaar 2019 zijn de middelen bestemd voor privé-instellingen die vallen onder de sector van de privéziekenhuizen en de psychiatrische verzorgingstehuizen of de sector van de thuisverpleging van het Fonds Sociale Maribel, opgericht door het paritair comité voor de gezondheidsinrichtingen en -diensten, of bij publieke instellingen welke worden aangegeven onder de NACE-codes 86101, 86102, 86103, 86104, of 86109, of bij publieke instellingen voor thuisverpleging. Deze middelen worden, voor wat betreft de besteding en de controle, gelijkgesteld aan de vermindering bedoeld in artikel 35, § 5, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.]1

  [2 In afwijking van het eerste lid kunnen de uitgaven met betrekking tot het jaar 2020 ook aangewend worden voor de financiering van de psychosociale COVID-ondersteuning van het personeel in de ziekenhuizen, de toekenning van de eenmalige aanmoedigingspremie in andere sectoren dan ziekenhuizen voor zover hierover een unaniem sociaal akkoord is gesloten, en voor specifieke lokale initiatieven die niet het voorwerp hebben kunnen uitmaken van een voorafgaandelijk akkoord van het sociaal overleg maar wel van een a posteriori akkoord van ditzelfde lokaal sociaal overleg.]2
  § 2. De inkomsten van het fonds worden voor het jaar 2019 voor een bedrag van 59 miljoen euro verdeeld over enerzijds het Fonds Sociale Maribel 330 en anderzijds het Fonds Sociale Maribel van de overheidssector, en binnen deze fondsen verder verdeeld over enerzijds de ziekenhuizen en psychiatrische verzorgingstehuizen en anderzijds de diensten voor thuisverpleging, en dit overeenkomstig het in 2017 tewerkgestelde personeel uitgedrukt in voltijdse equivalenten in de betrokken (sub)sectoren. De middelen worden aangewend voor de financiering van de maatregelen bedoeld in § 1.
  [1 De ontvangsten van het Fonds worden [4 met ingang van het jaar 2020]4 voor een bedrag van 354 miljoen euro als volgt verdeeld :
   1° 10 % van dat bedrag wordt, in verhouding tot het [4 in het jaar x-2]4 in dienst zijnde personeel, uitgedrukt in voltijds equivalenten, toegewezen aan het Fonds Sociale Maribel 330 en aan het Fonds Sociale Maribel van de overheidssector voor de opleiding van het in paragraaf 1 bedoelde personeel en voor het mentorschap over de stagiairs-beoefenaars van de verpleegkunde en de verpleegkundigen;
   2° het saldo van dat bedrag wordt verdeeld tussen enerzijds het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen, en anderzijds het Fonds Sociale Maribel 330 en het Fonds Sociale Maribel van de overheidssector wat de sector van de thuisverpleging betreft; die verdeling gebeurt volgens de methode van de Sociale Maribel en overeenkomstig het aantal personeelsleden, uitgedrukt in voltijdse equivalenten, dat in 2018 verhoudingsgewijs werkzaam was in respectievelijk de ziekenhuissector en de sector van de thuisverpleging [4 met ingang van het jaar 2021 wordt het saldo van dat bedrag verdeeld tussen enerzijds het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen, en anderzijds het Fonds Sociale Maribel 330 en het Fonds Sociale Maribel van de overheidssector wat de sector van de thuisverpleging en de wijkgezondheidscentra betreft; die verdeling gebeurt overeenkomstig het aantal personeelsleden, uitgedrukt in voltijdse equivalenten, dat in het jaar x-2 verhoudingsgewijs werkzaam was in respectievelijk de ziekenhuissector, de sector van de thuisverpleging en de wijkgezondheidscentra; voor verenigingen die zelfstandige verpleegkundigen en/of artsen in dienst hebben, komt de financiering uit het budget van 48 miljoen euro voor de zelfstandigen]4.
   De middelen worden aangewend voor de financiering van de maatregelen bepaald in paragraaf 1.
   De uitgaven via het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen mogen worden aangewend in de algemene, psychiatrische en universitaire ziekenhuizen als bedoeld in de artikelen 2 tot 4 van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. Het personeel waarvoor die uitgaven zijn bedoeld, is het personeel als bepaald in titel 1, hoofdstuk 1, artikel 8, 6°, 8° en 9°, van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, alsmede het personeel in bepaalde ondersteunende functies dat van de zorgteams deel uitmaakt en dat het werk van de beoefenaars van de verpleegkunde daadwerkelijk ondersteunt en verlicht.
  [4 In afwijking van het vierde lid wordt, met ingang van 2021, een bedrag van 11,7 miljoen euro, afkomstig uit het bedrag dat op basis van het tweede lid, 2°, aan het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen is toegekend, via dat budget van financiële middelen van de ziekenhuizen aangewend om zorgpersoneel aan te werven binnen die ziekenhuizen waarmee de proefprojecten "Zorgcentra na seksueel geweld" een contract hebben gesloten, ter ondersteuning van en voor de verdere uitbouw van die Zorgcentra na seksueel geweld.]4
   Deze voor het Fonds Sociale Maribel 330 en het Fonds Sociale Maribel van de overheidssector aangewende middelen worden, wat de besteding en de controle betreft, gelijkgesteld met de vermindering als bedoeld in artikel 35, § 5, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.
   De financiering van de in het raam van het budget Maribel 2019 Zorgpersoneelsfonds ondernomen projecten en gecreëerde banen moet, wat het ziekenhuispersoneel betreft, met ingang van 2020 worden verankerd in het budget van financiële middelen. Het saldo aan middelen op 31 december 2019 van de bedragen van het Zorgpersoneelsfonds wordt niet meegeteld voor het bepalen van het bedrag dat op basis van artikel 35, § 5, E. a), van dezelfde wet van 29 juni 1981 jaarlijks ter beschikking wordt gesteld van het globaal beheer van de sociale zekerheid. Dit saldo kan in 2020 worden ingezet voor de uitgaven bedoeld in paragraaf 1.]1

  [4 Voor het jaar 2020 en 2021 worden de ongebruikte bedragen bewaard door de zorginstellingen om, in het kader van een voorafgaand lokaal overleg, eenmalige maatregelen te nemen om de geboden zorg aan het bed te versterken. Deze bedragen moeten ten laatste worden besteed in het tweede jaar volgend op het jaar waarop ze betrekking hebben, respectievelijk in 2022 en 2023.]4
  [7 Het in het vijfde lid bedoelde bedrag ter financiering van ziekenhuizen in de "Zorgcentra na seksueel geweld" gaat rechtstreeks naar de exogene financiering van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering en komt bovenop het bedrag van de globale jaarlijkse begrotingsdoelstelling voor de gezondheidszorg.]7
  § 3. [1 De door het Fonds aangewende middelen worden exogeen gefinancierd en komen bovenop het bedrag van de globale jaarlijkse begrotingsdoelstelling voor de gezondheidszorg. Voor de interventies die krachtens dit artikel worden uitgevoerd, geldt geen enkele vorm van plafonnering per baan.]1
  [1 § 4. Over de bestemming van de in paragraaf 2 bedoelde middelen voor het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen wordt binnen elke instelling voorafgaand lokaal sociaal overleg gevoerd, teneinde tot een akkoord te komen binnen het basisoverlegcomité dan wel binnen de ondernemingsraad. Bij ontstentenis van een ondernemingsraad gebeurt dat overleg binnen het comité voor preventie en bescherming op het werk. Bij ontstentenis van een comité voor preventie en bescherming wordt dat overleg gevoerd met de vakbondsafgevaardigden. Dit overleg behelst de bestemming van de middelen op grond van de prioritaire noden en van de profielen die idealiter moeten worden aangetrokken om de werklast van het zorgpersoneel aan het bed van de patiënt te verlichten.
   De beheerder van de instelling bezorgt aan de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, dienst Financiering Ziekenhuizen, een verslag van het overlegorgaan over de bestemming die aan de in het eerste lid bedoelde middelen werd gegeven.
   De Koning bepaalt de inhoud van dat verslag, de nadere regels inzake de in het tweede lid bedoelde bezorging ervan, alsook de termijn waarbinnen het moet worden bezorgd.]1

  [1 § 5. De beheerder van de instelling bezorgt aan het sociaal-overlegorgaan een verslag dat duidelijke en bevattelijke informatie bevat over de bestemming van de [5 in paragraaf 2 bedoelde middelen voor het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen]5, de opvolging van de banen die met toepassing van paragraaf 1 werden gecreëerd en de evolutie van de totale werkgelegenheid, zoals die informatie moet worden meegedeeld in het raam van de jaarlijkse informatieverschaffing aan de ondernemingsraad of aan het lokaal overlegorgaan.
   De inhoud van het in het eerste lid bedoelde verslag wordt bezorgd aan de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, dienst Financiering Ziekenhuizen.
   De Koning bepaalt de nadere regels inzake de bezorging van het verslag, alsook de bezorgingstermijn ervan.]1

  [6 § 6. Binnen het kader van het lokaal sociaal overleg wordt jaarlijks een evaluatie gemaakt van het aantal zorg- en zorgondersteunend personeel per eenheid per ziekenhuis en de gevolgen voor de bestaffing rond het bed van de patiënt.
   Ook in de andere sectoren dan de ziekenhuizen, bedoeld in het tweede lid, 2°, wordt jaarlijks een evaluatie gemaakt van het aantal zorgpersoneel en de gevolgen voor de bestaffing rond het bed van de patiënt.
   De Koning kan de nadere regels inzake deze evaluatie en de ratio's met betrekking tot het aantal patiënten per verpleegkundige en per verzorgende in overleg met de betrokken sectoren bepalen.]6

  
Art. 4. § 1er. [1 Les dépenses pouvant être effectuées à charge du fonds servent à améliorer l'emploi et l'encadrement des praticiens de l'art infirmier ainsi que l'attractivité de ces professions. Elles comprennent exclusivement le financement de [2 l'augmentation nette de l'emploi]2 de personnel soignant, l'amélioration des conditions de travail du personnel soignant, des formations ainsi que le soutien aux projets de tutorat. Elles comprennent également les dépenses de personnel de soutien qui décharge le personnel soignant et qui est en contact direct avec lui pour lui permettre d'augmenter son temps effectif pour les soins prodigués aux patients avec la priorité pour les soins prodigués au chevet des patients.
  [3 A partir de l'année 2021, la partie des moyens qui est affectée au budget des moyens financiers des hôpitaux, sera utilisée en priorité pour le financement de l'augmentation de la norme du personnel et de préférence du personnel infirmier, à hauteur d'un ETP en moyenne supplémentaire, par unité de soins ou par fonction hospitalière, afin d'augmenter la présence infirmière au chevet du patient. Cet ETP permet de compléter la norme de personnel après le retrait de l'infirmier/infirmière en chef de la norme de financement.]3
   Pour l'année 2019, les moyens sont destinés aux établissements privés qui relèvent du secteur des hôpitaux privés et des maisons de soins psychiatriques ou du secteur des soins infirmiers à domicile du Fonds Maribel social, créé par la Commission paritaire des établissements et des services de santé ou des établissements publics déclarés sous les codes NACE 86101, 86102, 86103, 86104 ou 86109, ou des établissements publics de soins infirmiers à domicile. Ces moyens financiers sont assimilés, en ce qui concerne leur affectation et leur contrôle, à la réduction visée à l'article 35, § 5, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés.]1

  [2 Par dérogation au premier alinéa, les dépenses de l'année 2020 peuvent également être utilisées pour financer le soutien psycho-social COVID du personnel dans les hôpitaux, l'octroi de la prime d'encouragement unique dans les autres secteurs que les hôpitaux pour autant qu'un accord social unanime soit conclu à ce sujet, et des projets spécifiques locaux qui n'ont pas pu faire l'objet d'un accord préalable de la concertation sociale mais bien d'un accord a posteriori de cette même concertation sociale locale.]2
  § 2. Les recettes du fonds pour l'année 2019 sont réparties, à concurrence d'un montant de 59 millions d'euros, entre, d'une part, le Fonds social Maribel 330 et, d'autre part, le Fonds social Maribel du secteur public, à l'intérieur desquels elles sont réparties entre, d'une part, les hôpitaux et les maisons de soins psychiatriques, et, d'autre part, les services de soins infirmiers à domicile, et ce, proportionnellement au personnel occupé en 2017, exprimé en équivalents temps plein, dans les (sous-)secteurs concernés. Les moyens sont affectés au financement des mesures visées au § 1er.
  [1 Les recettes du fonds [4 à partir de l'année 2020]4 sont réparties à concurrence d'un montant de 354 millions d'euros, comme suit :
   1° 10 % de ce montant est affecté, proportionnellement au personnel, exprimé en équivalent temps plein, occupé [4 durant l'année x-2]4, au Fonds social Maribel 330 et au Fonds social Maribel du secteur public pour de la formation au personnel visé au paragraphe 1er et pour le tutorat des stagiaires praticiens de l'art infirmier et des infirmiers;
   2° le solde de ce montant est réparti entre, d'une part, le budget des moyens financiers des hôpitaux et, d'autre part, le Fonds social Maribel 330 et le Fonds social Maribel du secteur public pour ce qui concerne le secteur des soins infirmiers à domicile et ce proportionnellement au personnel occupé en 2018, exprimé en équivalents temps plein selon la méthode du Maribel social entre le secteur hospitalier et celui des soins infirmiers à domicile [4 à partir de 2021, le solde de ce montant sera réparti entre le budget des moyens financiers des hôpitaux d'une part, et le Fonds Maribel social 330 et le Fonds Maribel social du secteur public en ce qui concerne le secteur des soins à domicile et les maisons médicales d'autre part; en fonction du nombre de personnel, exprimé en équivalents temps plein, qui étaient employés proportionnellement, durant l'année X-2 respectivement dans le secteur hospitalier, le secteur des soins à domicile et les maisons médicales; pour les associations occupant des infirmiers/infirmières et/ou des médecins indépendants, le financement est assuré par le budget de 48 millions d'euros pour les indépendants]4.
   Les moyens sont affectés au financement des mesures visées au paragraphe 1er.
   Les dépenses effectuées via le budget moyens financiers des hôpitaux peuvent être effectuées au sein des hôpitaux généraux, psychiatriques et universitaires tels que repris dans les articles 2 à 4 de la loi coordonnée sur les hôpitaux du 10 juillet 2008 et autres établissements de soins. Le personnel visé par ces dépenses est le personnel tel que défini au titre 1er, chapitre 1er, article 8, 6°, 8° et 9°, de la loi coordonnée du 10 juillet 2008 sur les hôpitaux et autres établissements de soins ainsi que certaines fonctions de soutien intégrées aux équipes de soins qui pourront réellement soutenir et alléger le travail des praticiens de l'art infirmier.
  [4 Par dérogation à l'alinéa 4, à partir de 2021, un montant de 11,7 millions d'euros, provenant du montant octroyé en vertu de l'alinéa 2, 2°, au budget des moyens financiers des hôpitaux, est affecté via ce budget des moyens financiers des hôpitaux à l'engagement de personnel soignant au sein des hôpitaux avec lesquels les projets pilotes "Centres de prise en charge des violences sexuelles" ont conclu un contrat, et ce en vue du soutien et de la poursuite du développement de ces centres de prise en charge des violences sexuelles.]4
   Les moyens affectés au Fonds social Maribel 330 et au Fonds social Maribel du secteur public sont assimilés, en ce qui concerne leur affectation et leur contrôle, à la réduction visée à l'article 35, § 5, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés.
   Le financement des projets entrepris et les emplois créés dans le cadre du budget Maribel 2019 fonds blouses blanches devront, en ce qui concerne le personnel hospitalier, être pérennisés au sein du budget des moyens financiers dès 2020. Le solde au 31 décembre 2019 des montants du fonds blouses blanches n'est pas pris en compte pour fixer le montant qui, sur la base de l'article 35, § 5, E. a), de la même loi du 29 juin 1981, est mis annuellement à la disposition de la gestion globale de la sécurité sociale. Ce solde peut être affecté, en 2020, aux dépenses visées au paragraphe 1er.]1

  [4 Pour l'année 2020 et 2021, les montants non-utilisés sont conservés par les établissements de soins afin de mettre en place, dans le cadre d'une concertation locale préalable, des mesures ponctuelles visant à renforcer les soins prodigués au chevet des patients. Ces montants doivent être dépensés au plus tard la deuxième année suivant celle à laquelle ils se rapportent, respectivement en 2022 et 2023.]4
  [7 Le montant visé à l'alinéa 5 pour le financement des hôpitaux dans les "Centres de Prise en charge des Violences Sexuelles" est directement affecté au financement exogène de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité et s'ajoute au montant de l'objectif budgétaire annuel global pour les soins de santé.]7
  § 3. [1 Les moyens affectés par le fonds sont financés de manière exogène et viennent en plus du montant de l'objectif budgétaire annuel global des soins de santé. Les interventions réalisées en application du présent article ne sont soumises à aucune forme de plafonnement par emploi.]1
  [1 § 4. L'affectation des nouveaux moyens visés au paragraphe 2 octroyés au budget des moyens financiers des hôpitaux fait l'objet au sein de chaque institution d'une concertation sociale locale préalable en vue d'un accord au sein du comité de concertation de base ou au sein du Conseil d'entreprise. A défaut de conseil d'entreprise, cette concertation a lieu au sein du Comité pour la prévention et la protection au travail. A défaut de Comité pour la prévention et la protection au travail, cette concertation a lieu avec la délégation syndicale. Cette concertation porte sur l'affectation des moyens en fonction des priorités des besoins et des fonctions les plus utiles à recruter pour alléger la charge de travail du personnel soignant prodiguant ses soins au chevet des patients.
   Le gestionnaire de l'institution est tenu de communiquer au SPF Santé publique, département financement des hôpitaux, un rapport émanant de l'organe de concertation sur la manière dont les moyens visés à l'alinéa 1er ont été affectés.
   Le contenu du rapport, les modalités de la communication visés à l'alinéa 2 et les délais dans lesquels ce rapport est transmis, sont fixés par le Roi.]1

  [1 § 5. Le gestionnaire de l'institution transmet à l'organe de concertation sociale un rapport qui établit de manière claire et lisible, l'affectation des [5 moyens visés au paragraphe 2 octroyés au budget des moyens financiers des hôpitaux]5, le suivi des emplois créés en application du paragraphe 1er et l'évolution du volume global de l'emploi dans le cadre de l'information annuelle au conseil d'entreprise ou à l'organe de concertation locale.
   Le contenu du rapport visé à l'alinéa 1er est transmis au SPF Santé publique, département financement des hôpitaux.
   Les modalités de transmission du rapport et les délais dans lesquels ce rapport est transmis sont fixés par le Roi.]1

  [6 § 6. Dans le cadre de la concertation sociale locale, il est mis en place une évaluation annuelle du nombre de soignants et de personnel de soutien par unité par hôpital et les conséquences sur l'encadrement au chevet du patient.
   Dans les autres secteurs que les hôpitaux, mentionnés à l'alinéa 2, 2°, une évaluation annuelle du nombre de soignants et les conséquences sur l'encadrement au chevet du patient a lieu.
   Le Roi peut déterminer les modalités de cette évaluation et les ratios concernant le nombre de patients par infirmier(e) et par soignant, en concertation avec les secteurs concernés.]6

  
Art.4bis. [1 § 1. Het deel van de middelen dat ingevolge deze wet is toegewezen aan het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen wordt, conform artikel 85, § 1, van het koninklijk besluit van 25 april 2002 betreffende de vaststelling en de vereffening van het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen, elk jaar geïndexeerd.
   § 2. Voor het jaar 2024, worden de middelen, behalve het deel van de middelen dat is toegewezen aan het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen, met 6,05 % geïndexeerd.
   Vanaf 2025 bepaalt de Koning ieder jaar, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels voor de indexering van de in deze paragraaf bepaalde middelen.
   § 3. De middelen die voor deze aanpassing nodig zijn, zijn elk voor hun deel ten laste van de globale jaarlijkse begrotingsdoelstelling van de verzekering voor geneeskundige verzorging dan wel ten laste van de begroting van de verzekering voor geneeskundige verzorging, zoals bedoeld in artikel 40, § 1, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994]1

  
Art.4bis. [1 § 1. La partie des moyens qui est affectée par cette loi au budget des moyens financiers des hôpitaux est indexée chaque année conformément à l'article 85, § 1er, de l'arrêté royal du 25 avril 2002 relatif à la fixation et à la liquidation du budget des moyens financiers des hôpitaux.
   § 2. Pour 2024, les moyens, excepté la partie des moyens qui est affectée au budget des moyens financiers des hôpitaux, sont indexés de 6,05 %.
   A partir de l'année 2025, le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les modalités d'indexation des moyens visés dans ce paragraphe.
   § 3. Les moyens nécessaires à cette adaptation sont chacun pour leur part à charge de l'objectif budgétaire annuel global de l'assurance soins de santé ou du budget de l'assurance soins de santé, visés à l'article 40, § 1er, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994.]1

  
Art. 5. Deze wet heeft uitwerking met ingang van 1 november 2019.
Art. 5. La présente loi produit ses effets le 1er novembre 2019.