Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
1) "het koninklijk besluit nr. 38": het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen;
2) "de zelfstandige": de zelfstandige bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 38;
3) "de helper": de helper bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 38, die geen meewerkende echtgenoot is;
4) "de meewerkende echtgenoot": de meewerkende echtgenoot bedoeld in artikel 7bis van het koninklijk besluit nr. 38;
5) "de aanvrager": de zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot die een aanvraag indient tot het bekomen van de in dit besluit bedoelde uitkeringen;
6) "de begunstigde": de zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot die de in dit besluit bedoelde uitkeringen geniet;
7) "het sociaal verzekeringsfonds": de sociale verzekeringskas voor zelfstandigen bedoeld in artikel 20, §§ 1 en 3, van het koninklijk besluit nr. 38;
8) "het gezinslid" : elke persoon waarvan de samenwoning in het gezin van de zelfstandige de helper of de meewerkende echtgenoot het voorwerp uitmaakt van een inschrijving in het Belgische Rijksregister.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
15 DECEMBER 2019. - Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 18bis, § 5, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 20-12-2019 en tekstbijwerking tot 06-10-2025)
Titre
15 DECEMBRE 2019. - Arrêté royal portant exécution de l'article 18bis, § 5, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 20-12-2019 et mise à jour au 06-10-2025)
Informations sur le document
Numac: 2019206010
Datum: 2019-12-15
Info du document
Numac: 2019206010
Date: 2019-12-15
Table des matières
Tekst (19)
Texte (19)
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition introductive
Article 1er. Pour l'application du présent arrêté, il y a lieu d'entendre par :
1) " l'arrêté royal n° 38 " : l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants;
2) " le travailleur indépendant " : le travailleur indépendant visé à l'article 3 de l'arrêté royal n° 38;
3) l'aidant " : l'aidant visé à l'article 6 de l'arrêté royal n° 38, qui n'est pas conjoint aidant;
4) " le conjoint aidant " : le conjoint aidant visé à l'article 7bis de l'arrêté royal n° 38;
5) " le demandeur " : le travailleur indépendant, l'aidant ou le conjoint aidant qui introduit une demande en vue d'obtenir les allocations visées dans le présent arrêté;
6) " le bénéficiaire " : le travailleur indépendant, l'aidant ou le conjoint aidant qui bénéficie des allocations visées dans le présent arrêté;
7) " la caisse d'assurances sociales " : la caisse d'assurances sociales pour travailleurs indépendants visée à l'article 20, §§ 1er et 3, de l'arrêté royal n° 38;
8) " le membre du ménage " : toute personne dont la cohabitation dans le ménage du travailleur indépendant, l'aidant ou le conjoint aidant fait l'objet d'une inscription au Registre national belge.
1) " l'arrêté royal n° 38 " : l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants;
2) " le travailleur indépendant " : le travailleur indépendant visé à l'article 3 de l'arrêté royal n° 38;
3) l'aidant " : l'aidant visé à l'article 6 de l'arrêté royal n° 38, qui n'est pas conjoint aidant;
4) " le conjoint aidant " : le conjoint aidant visé à l'article 7bis de l'arrêté royal n° 38;
5) " le demandeur " : le travailleur indépendant, l'aidant ou le conjoint aidant qui introduit une demande en vue d'obtenir les allocations visées dans le présent arrêté;
6) " le bénéficiaire " : le travailleur indépendant, l'aidant ou le conjoint aidant qui bénéficie des allocations visées dans le présent arrêté;
7) " la caisse d'assurances sociales " : la caisse d'assurances sociales pour travailleurs indépendants visée à l'article 20, §§ 1er et 3, de l'arrêté royal n° 38;
8) " le membre du ménage " : toute personne dont la cohabitation dans le ménage du travailleur indépendant, l'aidant ou le conjoint aidant fait l'objet d'une inscription au Registre national belge.
HOOFDSTUK 2. - De vaderschaps- en geboorte-uitkering
CHAPITRE 2. - L'allocation de paternité et de naissance
Art.2. De vaderschaps- en geboorte-uitkering wordt toegekend aan de zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot, die beantwoordt aan de volgende cumulatieve voorwaarden:
1° Hij moet onderworpen zijn aan het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen en beoogd worden door de [2 artikelen 12, §§ 1, 1bis of 1ter, 13, § 2 of 13bis, § 2, 1°, 2°, 3°, 7°, 8° of 9"]2, van bedoeld besluit en dit, zowel tijdens de twee kwartalen die het kwartaal van de geboorte voorafgaan, als tijdens het kwartaal van de geboorte, als tijdens de kwartalen waarin hij zijn beroepsactiviteit onderbreekt in het kader van dit besluit.
[2 De zelfstandige beoogd door artikel 12, § 2, van hetzelfde besluit, voldoet aan deze voorwaarde, voor zover het bedrag van zijn wettelijk verschuldigde voorlopige sociale bijdragen tijdens de vereiste kwartalen gebaseerd is op een inkomen dat minstens gelijk is aan het inkomen bedoeld in artikel 12, § 1, tweede lid van hetzelfde besluit]2.
[2 De zelfstandige beoogd door artikel 13, § 3 of § 4, eerste lid, van hetzelfde besluit, voldoet aan deze voorwaarde, voor zover het bedrag van zijn wettelijk verschuldigde voorlopige sociale bijdragen tijdens de vereiste kwartalen gebaseerd is op een inkomen dat minstens gelijk is aan het inkomen bedoeld in, naargelang het geval, artikel 12, § 1, tweede lid, § 1bis, eerste lid of § 1ter, eerste lid, van hetzelfde besluit.]2
De zelfstandige die niet onderworpen was aan het koninklijk besluit nr. 38 tijdens een kwartaal of tijdens de twee kwartalen voorafgaand aan het kwartaal van de geboorte, wordt geacht dit wel te zijn, indien hij, respectievelijk tijdens dat ene kwartaal of die beide kwartalen, onderworpen was aan een ander stelsel van de Belgische sociale zekerheid.
2° Hij moet in orde zijn met de betaling van de wettelijk verschuldigde voorlopige sociale bijdragen voor de twee kwartalen die het kwartaal van de geboorte voorafgaan.
De zelfstandige die op basis van een onderwerping aan een ander stelsel van de Belgische sociale zekerheid, in aanmerking komt voor de in dit besluit bedoelde uitkeringen, overeenkomstig de bepaling in de derde zin van 1°, wordt geacht aan deze voorwaarde te voldoen.
3° Hij moet elke beroepsactiviteit tijdelijk onderbreken naar aanleiding van de geboorte van een kind of meerdere kinderen.
Tijdens de periode van onderbreking mag de begunstigde, ten persoonlijke titel, geen enkele beroepsactiviteit uitoefenen.
4° Er bestaat een band ten aanzien van het kind of de kinderen voor wie de vaderschaps- en geboorte-uitkering wordt aangevraagd, overeenkomstig artikel 18bis, § 5, tweede en derde lid, van het koninklijk besluit nr. 38. [1 Wanneer het kind levenloos geboren wordt, kan de vaderschaps- en geboorte-uitkering slechts worden toegekend, op voorwaarde dat de zwangerschap minimaal honderdtachtig dagen heeft geduurd te rekenen van de verwekking.]1
5° Hij moet een aanvraag indienen overeenkomstig de modaliteiten bepaald in artikel 3.
1° Hij moet onderworpen zijn aan het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen en beoogd worden door de [2 artikelen 12, §§ 1, 1bis of 1ter, 13, § 2 of 13bis, § 2, 1°, 2°, 3°, 7°, 8° of 9"]2, van bedoeld besluit en dit, zowel tijdens de twee kwartalen die het kwartaal van de geboorte voorafgaan, als tijdens het kwartaal van de geboorte, als tijdens de kwartalen waarin hij zijn beroepsactiviteit onderbreekt in het kader van dit besluit.
[2 De zelfstandige beoogd door artikel 12, § 2, van hetzelfde besluit, voldoet aan deze voorwaarde, voor zover het bedrag van zijn wettelijk verschuldigde voorlopige sociale bijdragen tijdens de vereiste kwartalen gebaseerd is op een inkomen dat minstens gelijk is aan het inkomen bedoeld in artikel 12, § 1, tweede lid van hetzelfde besluit]2.
[2 De zelfstandige beoogd door artikel 13, § 3 of § 4, eerste lid, van hetzelfde besluit, voldoet aan deze voorwaarde, voor zover het bedrag van zijn wettelijk verschuldigde voorlopige sociale bijdragen tijdens de vereiste kwartalen gebaseerd is op een inkomen dat minstens gelijk is aan het inkomen bedoeld in, naargelang het geval, artikel 12, § 1, tweede lid, § 1bis, eerste lid of § 1ter, eerste lid, van hetzelfde besluit.]2
De zelfstandige die niet onderworpen was aan het koninklijk besluit nr. 38 tijdens een kwartaal of tijdens de twee kwartalen voorafgaand aan het kwartaal van de geboorte, wordt geacht dit wel te zijn, indien hij, respectievelijk tijdens dat ene kwartaal of die beide kwartalen, onderworpen was aan een ander stelsel van de Belgische sociale zekerheid.
2° Hij moet in orde zijn met de betaling van de wettelijk verschuldigde voorlopige sociale bijdragen voor de twee kwartalen die het kwartaal van de geboorte voorafgaan.
De zelfstandige die op basis van een onderwerping aan een ander stelsel van de Belgische sociale zekerheid, in aanmerking komt voor de in dit besluit bedoelde uitkeringen, overeenkomstig de bepaling in de derde zin van 1°, wordt geacht aan deze voorwaarde te voldoen.
3° Hij moet elke beroepsactiviteit tijdelijk onderbreken naar aanleiding van de geboorte van een kind of meerdere kinderen.
Tijdens de periode van onderbreking mag de begunstigde, ten persoonlijke titel, geen enkele beroepsactiviteit uitoefenen.
4° Er bestaat een band ten aanzien van het kind of de kinderen voor wie de vaderschaps- en geboorte-uitkering wordt aangevraagd, overeenkomstig artikel 18bis, § 5, tweede en derde lid, van het koninklijk besluit nr. 38. [1 Wanneer het kind levenloos geboren wordt, kan de vaderschaps- en geboorte-uitkering slechts worden toegekend, op voorwaarde dat de zwangerschap minimaal honderdtachtig dagen heeft geduurd te rekenen van de verwekking.]1
5° Hij moet een aanvraag indienen overeenkomstig de modaliteiten bepaald in artikel 3.
Art.2. L'allocation de paternité et de naissance est octroyée au travailleur indépendant, à l'aidant ou au conjoint aidant qui répond aux conditions cumulatives suivantes :
1° Il doit être assujetti à l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants et être visé [2 aux articles 12, §§ 1er, 1erbis ou 1erter, 13, § 2, ou 13bis, § 2, 1°, 2°, 3°, 7°, 8° of 9° ]2, dudit arrêté et ce, pendant les deux trimestres qui précèdent celui de la naissance, ainsi que pendant le trimestre de la naissance et les trimestres durant lesquels il interrompt son activité professionnelle dans le cadre du présent arrêté.
[2 Le travailleur indépendant visé à l'article 12, § 2, du même arrêté répond à cette condition pour autant que le montant de ses cotisations sociales provisoires légalement dues au cours des trimestres requis est basé sur un revenu qui atteint au moins le revenu visé, visées à l'article 12, § 1er, alinéa 2, du même arrêté]2.
[2 Le travailleur indépendant visé à l'article 13, § 3 ou § 4, alinéa 1er, du même arrêté répond à cette condition pour autant que le montant de ses cotisations sociales provisoires légalement dues au cours des trimestres requis est basé sur un revenu qui atteint au moins le revenu visé, selon le cas, à l'article 12, § 1er, alinéa 2, § 1erbis, alinéa 1er ou § 1erter, alinéa 1er, du même arrêté.]2
Le travailleur indépendant qui n'était pas assujetit à l'arrêté royal n° 38 pendant un trimestre ou les deux trimestres qui précèdent celui de la naissance, est censé l'être s'il était assujettit à un autre système de sécurité sociale belge pendant, respectivement, ce trimestre ou de ces deux trimestres.
2° Il doit être en ordre de paiement des cotisations sociales provisoires légalement dues pour les deux trimestres quie précèdent celui de la naissance.
Le travailleur indépendant qui, sur base d'un assujetissement à un autre système de sécurité sociale belge, a droit aux allocations visées par le présent arrêté en vertu de la disposition reprise à la troisième phrase du 1 °, est censé satisfaire à cette condition.
3° Il doit interrompre toute activité professionnelle temporairement à l'occasion de la naissance d'un enfant ou de plusieurs enfants.
Pendant la période d'interruption, le bénéficiaire ne peut exercer aucune activité professionnelle à titre personnel.
4° Un lien est établi à l'égard de l'enfant ou des enfants vis-à-vis duquel l'allocation de paternité et de naissance est demandée, selon l'article 18bis, § 5, alinéas 2 et 3, de l'arrêté royal n° 38. [1 Lorsque l'enfant est mort-né, l'allocation de paternité et de naissance ne peut être octroyée que pour autant que la grossesse ait duré un minimum de cent-quatre-vingts jours à dater de la conception.]1
5° Il doit introduire une demande selon les modalités prévues à l'article 3.
1° Il doit être assujetti à l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants et être visé [2 aux articles 12, §§ 1er, 1erbis ou 1erter, 13, § 2, ou 13bis, § 2, 1°, 2°, 3°, 7°, 8° of 9° ]2, dudit arrêté et ce, pendant les deux trimestres qui précèdent celui de la naissance, ainsi que pendant le trimestre de la naissance et les trimestres durant lesquels il interrompt son activité professionnelle dans le cadre du présent arrêté.
[2 Le travailleur indépendant visé à l'article 12, § 2, du même arrêté répond à cette condition pour autant que le montant de ses cotisations sociales provisoires légalement dues au cours des trimestres requis est basé sur un revenu qui atteint au moins le revenu visé, visées à l'article 12, § 1er, alinéa 2, du même arrêté]2.
[2 Le travailleur indépendant visé à l'article 13, § 3 ou § 4, alinéa 1er, du même arrêté répond à cette condition pour autant que le montant de ses cotisations sociales provisoires légalement dues au cours des trimestres requis est basé sur un revenu qui atteint au moins le revenu visé, selon le cas, à l'article 12, § 1er, alinéa 2, § 1erbis, alinéa 1er ou § 1erter, alinéa 1er, du même arrêté.]2
Le travailleur indépendant qui n'était pas assujetit à l'arrêté royal n° 38 pendant un trimestre ou les deux trimestres qui précèdent celui de la naissance, est censé l'être s'il était assujettit à un autre système de sécurité sociale belge pendant, respectivement, ce trimestre ou de ces deux trimestres.
2° Il doit être en ordre de paiement des cotisations sociales provisoires légalement dues pour les deux trimestres quie précèdent celui de la naissance.
Le travailleur indépendant qui, sur base d'un assujetissement à un autre système de sécurité sociale belge, a droit aux allocations visées par le présent arrêté en vertu de la disposition reprise à la troisième phrase du 1 °, est censé satisfaire à cette condition.
3° Il doit interrompre toute activité professionnelle temporairement à l'occasion de la naissance d'un enfant ou de plusieurs enfants.
Pendant la période d'interruption, le bénéficiaire ne peut exercer aucune activité professionnelle à titre personnel.
4° Un lien est établi à l'égard de l'enfant ou des enfants vis-à-vis duquel l'allocation de paternité et de naissance est demandée, selon l'article 18bis, § 5, alinéas 2 et 3, de l'arrêté royal n° 38. [1 Lorsque l'enfant est mort-né, l'allocation de paternité et de naissance ne peut être octroyée que pour autant que la grossesse ait duré un minimum de cent-quatre-vingts jours à dater de la conception.]1
5° Il doit introduire une demande selon les modalités prévues à l'article 3.
Art.3. § 1. Om de vaderschaps- en geboorte-uitkering te ontvangen, moet de zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot een aanvraag indienen bij zijn sociaal verzekeringsfonds, met een aangetekende zending of elk ander middel dat de datum en de verzekerde aflevering van de zending waarborgt.
§ 2. De aanvraag moet, op straffe van verval, ten laatste op de laatste dag van het kwartaal volgend op het kwartaal van de geboorte worden ingediend.
De aanvraagtermijn kan evenwel niet verstrijken vóór het einde van de termijn bedoeld in artikel 18bis, § 5, vijfde lid, van het koninklijk besluit nr. 38.
§ 3. De aanvraag moet het volgende vermelden:
a) een ereverklaring, waarin de aanvrager aangeeft welke dagen of halve dagen hij elke beroepsactiviteit heeft onderbroken of van plan is dat te doen;
b) het geboorteattest van het kind naar aanleiding van wiens geboorte de aanvrager de in dit besluit bedoelde uitkering aanvraagt, voor zover het sociaal verzekeringsfonds zelf nog niet over deze informatie beschikt.
§ 2. De aanvraag moet, op straffe van verval, ten laatste op de laatste dag van het kwartaal volgend op het kwartaal van de geboorte worden ingediend.
De aanvraagtermijn kan evenwel niet verstrijken vóór het einde van de termijn bedoeld in artikel 18bis, § 5, vijfde lid, van het koninklijk besluit nr. 38.
§ 3. De aanvraag moet het volgende vermelden:
a) een ereverklaring, waarin de aanvrager aangeeft welke dagen of halve dagen hij elke beroepsactiviteit heeft onderbroken of van plan is dat te doen;
b) het geboorteattest van het kind naar aanleiding van wiens geboorte de aanvrager de in dit besluit bedoelde uitkering aanvraagt, voor zover het sociaal verzekeringsfonds zelf nog niet over deze informatie beschikt.
Art.3. § 1er. Pour prétendre au bénéfice de l'allocation de paternité et de naissance, le travailleur indépendant, l'aidant ou le conjoint aidant doit introduire une demande auprès de sa caisse d'assurances sociales par envoi recommandé ou tout autre moyen conférant la date et l'assurance de la délivrance de cet envoi.
§ 2. Sous peine de forclusion, la demande doit être introduite au plus tard le dernier jour du trimestre qui suit le trimestre de la naissance.
Le délai de demande ne peut toutefois pas expirer avant la fin du délai visé à l'article 18bis, § 5, alinéa 5 de l'arrêté royal n° 38.
§ 3. La demande doit mentionner ce qui suit :
a) une déclaration sur l'honneur dans laquelle le demandeur indique quels jours ou demi-jours il a interrompu toute activité professionnelle ou il a l'intention de le faire;
b) l'acte de naissance de l'enfant à l'occasion de laquelle, le demandeur sollicite l'allocation visée dans le présent arrêté, dans la mesure où la caisse d'assurances sociales ne dispose pas encore elle-même de cette information.
§ 2. Sous peine de forclusion, la demande doit être introduite au plus tard le dernier jour du trimestre qui suit le trimestre de la naissance.
Le délai de demande ne peut toutefois pas expirer avant la fin du délai visé à l'article 18bis, § 5, alinéa 5 de l'arrêté royal n° 38.
§ 3. La demande doit mentionner ce qui suit :
a) une déclaration sur l'honneur dans laquelle le demandeur indique quels jours ou demi-jours il a interrompu toute activité professionnelle ou il a l'intention de le faire;
b) l'acte de naissance de l'enfant à l'occasion de laquelle, le demandeur sollicite l'allocation visée dans le présent arrêté, dans la mesure où la caisse d'assurances sociales ne dispose pas encore elle-même de cette information.
Art.4. § 1. Slechts één zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot heeft recht op de vaderschaps- en geboorte-uitkering ter gelegenheid van de geboorte van éénzelfde kind. De zelfstandigen, helpers of meewerkende echtgenoten die het recht op de uitkering openen krachtens artikel 18bis, § 5, tweede en derde lid, van het koninklijk besluit nr. 38, hebben achtereenvolgens voorrang op elkaar.
§ 2. Het recht op de moederschapsuitkering, zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten en de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, sluit, in voorkomend geval, voor eenzelfde ouder het recht op de vaderschaps- en geboorte-uitkering uit.
§ 3. Het recht op verlof, zoals bedoeld in artikel 30, § 2, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, naar aanleiding van de geboorte van eenzelfde kind, sluit, in voorkomend geval, het recht op de vaderschaps- en geboorte-uitkering uit.
Hetzelfde geldt voor het recht op verlof, naar aanleiding van de geboorte van eenzelfde kind, voor de personeelsleden van alle openbare besturen van het koninkrijk België.
§ 4. Het recht op de vaderschaps- en geboorte-uitkering wordt, in voorkomend geval, in mindering gebracht van
a) het recht op de adoptie-uitkering, zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 20 december 2006 tot invoering van de toekenningsvoorwaarden van een adoptie-uitkering ten gunste van de zelfstandigen en
b) het recht op de uitkering voor pleegouderverlof, zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 23 maart 2019 tot invoering van de toekenningsvoorwaarden van een uitkering voor pleegouderverlof ten gunste van de zelfstandigen.
§ 5. Het recht op de vaderschaps- en geboorte-uitkering brengt in voorkomend geval, evenmin andere burgerlijke, sociale of economische rechten met zich mee.
§ 2. Het recht op de moederschapsuitkering, zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten en de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, sluit, in voorkomend geval, voor eenzelfde ouder het recht op de vaderschaps- en geboorte-uitkering uit.
§ 3. Het recht op verlof, zoals bedoeld in artikel 30, § 2, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, naar aanleiding van de geboorte van eenzelfde kind, sluit, in voorkomend geval, het recht op de vaderschaps- en geboorte-uitkering uit.
Hetzelfde geldt voor het recht op verlof, naar aanleiding van de geboorte van eenzelfde kind, voor de personeelsleden van alle openbare besturen van het koninkrijk België.
§ 4. Het recht op de vaderschaps- en geboorte-uitkering wordt, in voorkomend geval, in mindering gebracht van
a) het recht op de adoptie-uitkering, zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 20 december 2006 tot invoering van de toekenningsvoorwaarden van een adoptie-uitkering ten gunste van de zelfstandigen en
b) het recht op de uitkering voor pleegouderverlof, zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 23 maart 2019 tot invoering van de toekenningsvoorwaarden van een uitkering voor pleegouderverlof ten gunste van de zelfstandigen.
§ 5. Het recht op de vaderschaps- en geboorte-uitkering brengt in voorkomend geval, evenmin andere burgerlijke, sociale of economische rechten met zich mee.
Art.4. § 1er. Un seul travailleur indépendant, aidant ou conjoint aidant a droit à l'allocation de paternité et de naissance à l'occasion de la naissance d'un même enfant. Les travailleurs indépendants, aidants ou conjoints aidant qui ouvrent le droit à l'allocation en vertu de l'article 18bis, § 5, alinéas 2 et 3, de l'arrêté royal n°38, ont successivement priorité les uns sur les autres.
§ 2. Le droit à l'indemnité de maternité tel que visée dans l'arrêté royal du 20 juillet 1971 instituant une assurance indemnité et une assurance maternité en faveur des travailleurs indépendants et des conjoints aidants et la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994 exclut pour un même parent, le cas échéant, le droit à l'allocation de paternité et de naissance.
§ 3. Le droit au congé, tel que visé à l'article 30, § 2, de la loi du 3 juillet 1978 relative au contrat de travail à l'occasion de la naissance d'un même enfant, exclut, le cas échéant, le droit à l'allocation de paternité et de naissance.
Il en va de même pour le droit au congé à l'occasion de la naissance d'un même enfant, pour les membres du personnel de toutes les administrations publiques du Royaume de Belgique.
§ 4. Le droit à l'allocation de paternité et de naissance est, le cas échéant, déduit de
a) l'allocation d'adoption telle que visée dans l'arrêté royal du 20 décembre 2006 instaurant les conditions d'octroi d'une allocation d'adoption en faveur des travailleurs indépendants et
b) l'allocation de congé parental d'accueil telle que visée dans l'arrête royal du 23 mars 2019 instaurant les conditions d'octroi d'une allocation de congé parental d'accueil en faveur des travailleurs indépendants.
§ 5. Le droit à l'allocation de paternité et de naissance n'ouvre pas non plus, le cas échéant, d'autres droits civils, sociaux et économiques.
§ 2. Le droit à l'indemnité de maternité tel que visée dans l'arrêté royal du 20 juillet 1971 instituant une assurance indemnité et une assurance maternité en faveur des travailleurs indépendants et des conjoints aidants et la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994 exclut pour un même parent, le cas échéant, le droit à l'allocation de paternité et de naissance.
§ 3. Le droit au congé, tel que visé à l'article 30, § 2, de la loi du 3 juillet 1978 relative au contrat de travail à l'occasion de la naissance d'un même enfant, exclut, le cas échéant, le droit à l'allocation de paternité et de naissance.
Il en va de même pour le droit au congé à l'occasion de la naissance d'un même enfant, pour les membres du personnel de toutes les administrations publiques du Royaume de Belgique.
§ 4. Le droit à l'allocation de paternité et de naissance est, le cas échéant, déduit de
a) l'allocation d'adoption telle que visée dans l'arrêté royal du 20 décembre 2006 instaurant les conditions d'octroi d'une allocation d'adoption en faveur des travailleurs indépendants et
b) l'allocation de congé parental d'accueil telle que visée dans l'arrête royal du 23 mars 2019 instaurant les conditions d'octroi d'une allocation de congé parental d'accueil en faveur des travailleurs indépendants.
§ 5. Le droit à l'allocation de paternité et de naissance n'ouvre pas non plus, le cas échéant, d'autres droits civils, sociaux et économiques.
HOOFDSTUK 3. - De geboortehulp
CHAPITRE 3. - L'aide à la naissance
Art.5. De geboortehulp, bedoeld in artikel 18bis, § 5, negende lid, van het koninklijk besluit nr. 38, bestaat uit de toekenning van een éénmalige uitkering van 135 euro, ter compensatie van kosten gemaakt in het kader van een erkend systeem van hulp van huishoudelijke aard.
Op zijn uitdrukkelijke vraag en onder voorbehoud van het vervullen van de voorwaarden bedoeld in artikel 2 van dit besluit, wordt de geboortehulp toegekend door het sociaal verzekeringsfonds aan de zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot, op voorwaarde dat:
1° hij begunstigde is van de vaderschaps- en geboorte-uitkering bedoeld in dit besluit, toegekend voor maximum acht volledige of zestien halve dagen en
2°hij het bewijs van betaling van de hulp van huishoudelijke aard, door hemzelf of een gezinslid, heeft bezorgd aan zijn sociaal verzekeringsfonds.
Op zijn uitdrukkelijke vraag en onder voorbehoud van het vervullen van de voorwaarden bedoeld in artikel 2 van dit besluit, wordt de geboortehulp toegekend door het sociaal verzekeringsfonds aan de zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot, op voorwaarde dat:
1° hij begunstigde is van de vaderschaps- en geboorte-uitkering bedoeld in dit besluit, toegekend voor maximum acht volledige of zestien halve dagen en
2°hij het bewijs van betaling van de hulp van huishoudelijke aard, door hemzelf of een gezinslid, heeft bezorgd aan zijn sociaal verzekeringsfonds.
Art.5. L'aide à la naissance, visée à l'article 18bis, § 5, alinéa 9, de l'arrêté royal n° 38 consiste en l'octroi d'une allocation unique de 135 euros en compensation de frais réalisés dans le cadre d'un système reconnu d'aide de nature ménagère.
A sa demande expresse et sous réserve du respect des conditions visées à l'article 2 du présent arrêté, l'aide à la naissance est octroyée par la caisse d'assurances sociales au travailleur indépendant, l'aidant ou le conjoint aidant, à condition :
1° qu'il soit le bénéficiaire de l'allocation de paternité et de naissance visée dans le présent arrêté, accordée pour un maximum de huit jours complets ou seize demi-jours et
2° qu'il ait fourni à la caisse d'assurances sociales la preuve du paiement, par lui-même ou par un membre de son ménage, de l'aide de nature ménagère.
A sa demande expresse et sous réserve du respect des conditions visées à l'article 2 du présent arrêté, l'aide à la naissance est octroyée par la caisse d'assurances sociales au travailleur indépendant, l'aidant ou le conjoint aidant, à condition :
1° qu'il soit le bénéficiaire de l'allocation de paternité et de naissance visée dans le présent arrêté, accordée pour un maximum de huit jours complets ou seize demi-jours et
2° qu'il ait fourni à la caisse d'assurances sociales la preuve du paiement, par lui-même ou par un membre de son ménage, de l'aide de nature ménagère.
HOOFDSTUK 4. - Gemeenschappelijke bepalingen
CHAPITRE 4. - Dispositions communes
Art.6. § 1. De uitbetaling van de in dit besluit bedoelde uitkeringen door het sociaal verzekeringsfonds gebeurt eenmalig op het einde van de kalendermaand volgend op de maand waarin de onderbrekingsperiode afloopt.
Als de onderbrekingsperiode afloopt voorafgaandelijk aan de indiening van de aanvraag bedoeld in artikel 3, gebeurt de betaling uiterlijk op het einde van de kalendermaand die volgt op de maand waarin de genoemde aanvraag werd ingediend.
§ 2. De begunstigde moet zijn sociaal verzekeringsfonds verwittigen van elk element dat een beletsel kan vormen voor het genot van de uitkeringen en dat niet reeds zou zijn meegedeeld aan zijn sociaal verzekeringsfonds.
Als de onderbrekingsperiode afloopt voorafgaandelijk aan de indiening van de aanvraag bedoeld in artikel 3, gebeurt de betaling uiterlijk op het einde van de kalendermaand die volgt op de maand waarin de genoemde aanvraag werd ingediend.
§ 2. De begunstigde moet zijn sociaal verzekeringsfonds verwittigen van elk element dat een beletsel kan vormen voor het genot van de uitkeringen en dat niet reeds zou zijn meegedeeld aan zijn sociaal verzekeringsfonds.
Art.6. § 1er. Le paiement des allocations visées dans le présent arrêté par la caisse d'assurances sociales survient en une fois à la fin du mois civil qui suit celui au cours duquel la période d'interruption prend fin.
Si la période d'interruption prend fin préalablement à l'introduction de la demande visée à l'article 3, le paiement survient au plus tard à la fin du mois civil qui suit celui au cours duquel ladite demande a été introduite.
§ 2. Le bénéficiaire doit informer sa caisse d'assurances sociales de tout élément pouvant faire obstacle au bénéfice des allocations qui n'aurait pas déjà été communiqué à sa caisse d'assurances sociales.
Si la période d'interruption prend fin préalablement à l'introduction de la demande visée à l'article 3, le paiement survient au plus tard à la fin du mois civil qui suit celui au cours duquel ladite demande a été introduite.
§ 2. Le bénéficiaire doit informer sa caisse d'assurances sociales de tout élément pouvant faire obstacle au bénéfice des allocations qui n'aurait pas déjà été communiqué à sa caisse d'assurances sociales.
Art.7. § 1. De vordering tot uitbetaling van de in dit besluit bedoelde uitkeringen verjaart na verloop van drie jaar te rekenen van de eerste dag van de kalendermaand die volgt op de kalendermaand van de onderbreking.
§ 2. De vordering tot terugbetaling van de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen, verjaart na verloop van drie jaar te rekenen van de datum waarop de uitbetaling met betrekking tot de aanvraag werd uitgevoerd.
§ 2. De vordering tot terugbetaling van de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen, verjaart na verloop van drie jaar te rekenen van de datum waarop de uitbetaling met betrekking tot de aanvraag werd uitgevoerd.
Art.7. § 1er. L'action en paiement des allocations visées dans le présent arrêté se prescrit par trois ans à compter du premier jour du mois civil qui suit celui du début de l'interruption.
§ 2. L'action en répétition des allocations payées indument se prescrit par trois ans à compter de la date à laquelle le paiement relatif à la demande a été effectué.
§ 2. L'action en répétition des allocations payées indument se prescrit par trois ans à compter de la date à laquelle le paiement relatif à la demande a été effectué.
Art.8. Het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen kan beslissen om volledig of gedeeltelijk te verzaken aan de terugvordering. Een dergelijke verzaking is slechts mogelijk:
a) indien de schuldenaar zich in een tijdelijke moeilijke financiële of economische situatie bevindt;
b) wanneer de geringheid van het terug te vorderen bedrag niet verantwoordt dat er kosten worden gemaakt;
c) wanneer de terugvordering voortvloeit uit het herstel van een fout begaan door het bevoegde sociale verzekeringsfonds.
a) indien de schuldenaar zich in een tijdelijke moeilijke financiële of economische situatie bevindt;
b) wanneer de geringheid van het terug te vorderen bedrag niet verantwoordt dat er kosten worden gemaakt;
c) wanneer de terugvordering voortvloeit uit het herstel van een fout begaan door het bevoegde sociale verzekeringsfonds.
Art.8. L'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants peut décider de renoncer, en tout ou en partie, à la répétition. Pareille renonciation n'est possible que :
a) si le débiteur se trouve temporairement dans une situation financière ou économique difficile;
b) lorsque la modicité de la somme à récupérer ne justifie pas que des frais soient exposés;
c) lorsque la récupération résulte du redressement d'une erreur commise par la caisse d'assurances sociales compétente.
a) si le débiteur se trouve temporairement dans une situation financière ou économique difficile;
b) lorsque la modicité de la somme à récupérer ne justifie pas que des frais soient exposés;
c) lorsque la récupération résulte du redressement d'une erreur commise par la caisse d'assurances sociales compétente.
Art.9. In geval van niet-terugvordering van de onverschuldigde bedragen, wanneer de niet-terugvordering voortvloeit uit een nalatigheid of bedrog van het sociaal verzekeringsfonds, wordt dit sociaal verzekeringsfonds aansprakelijk gesteld bij beslissing van de minister die het sociaal statuut der zelfstandigen onder zijn bevoegdheid heeft en worden de niet-teruggevorderde bedragen ten laste gelegd van de opbrengst van de bijdragen bestemd voor het dekken van de administratiekosten van het sociaal verzekeringsfonds.
Art.9. En cas de non récupération des montants indus, si la non récupération résulte d'une négligence ou d'une fraude de la caisse d'assurances sociales, cette caisse d'assurances sociales est déclarée responsable par décision du ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions et les sommes non récupérées sont mises à charge du produit des cotisations destinées à couvrir les frais d'administration de la caisse d'assurances sociales.
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingsbepalingen
CHAPITRE 5. - Dispostions modificatives
Art.10. In het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in artikel 51, § 1, worden de woorden " en de vaderschaps- en geboorte-uitkering en de geboortehulp" ingevoegd tussen de woorden " de uitkeringen voor moederschapshulp" en " wanneer deze betaling binnen de vijf dagen dient te geschieden ";
2° het hoofdstuk IIbis, dat de artikelen 53bis/1 tot en met 53bis/6 bevat, ingevoegd bij de wet van 7 april 2019, wordt opgeheven.
1° in artikel 51, § 1, worden de woorden " en de vaderschaps- en geboorte-uitkering en de geboortehulp" ingevoegd tussen de woorden " de uitkeringen voor moederschapshulp" en " wanneer deze betaling binnen de vijf dagen dient te geschieden ";
2° het hoofdstuk IIbis, dat de artikelen 53bis/1 tot en met 53bis/6 bevat, ingevoegd bij de wet van 7 april 2019, wordt opgeheven.
Art.10. Dans l'arrêté royal du 19 décembre 1967 portant règlement général en exécution de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'article 51, § 1er, les mots " et de l'allocation de paternité et de naissance et de l'aide à la naissance " sont insérés entre les mots " des prestations d'aide à la maternité " et " lorsque ce paiement doit intervenir dans les cinq jours ";
2° le chapitre IIbis, comportant les articles 53bis/1 à 53bis/6, inséré par la loi du 7 avril 2019, est abrogé.
1° à l'article 51, § 1er, les mots " et de l'allocation de paternité et de naissance et de l'aide à la naissance " sont insérés entre les mots " des prestations d'aide à la maternité " et " lorsque ce paiement doit intervenir dans les cinq jours ";
2° le chapitre IIbis, comportant les articles 53bis/1 à 53bis/6, inséré par la loi du 7 avril 2019, est abrogé.
Art.11. In het koninklijk besluit van 17 januari 2006 tot invoering van een stelsel van uitkeringen voor moederschapshulp en geboortehulp ten gunste van zelfstandigen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 december 2001 betreffende de dienstencheques worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het opschrift van het koninklijk besluit van 17 januari 2006 tot invoering van een stelsel van uitkeringen voor moederschapshulp en geboortehulp ten gunste van zelfstandigen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 december 2001 betreffende de dienstencheques, vervangen bij de wet van 7 april 2019, wordt vervangen als volgt:
"het koninklijk besluit van 17 januari 2006 tot invoering van een stelsel van uitkeringen voor moederschapshulp ten gunste van vrouwelijke zelfstandigen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 december 2001 betreffende de dienstencheques";
2° artikel 4/1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij de wet van 7 april 2019, wordt opgeheven.
1° het opschrift van het koninklijk besluit van 17 januari 2006 tot invoering van een stelsel van uitkeringen voor moederschapshulp en geboortehulp ten gunste van zelfstandigen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 december 2001 betreffende de dienstencheques, vervangen bij de wet van 7 april 2019, wordt vervangen als volgt:
"het koninklijk besluit van 17 januari 2006 tot invoering van een stelsel van uitkeringen voor moederschapshulp ten gunste van vrouwelijke zelfstandigen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 december 2001 betreffende de dienstencheques";
2° artikel 4/1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij de wet van 7 april 2019, wordt opgeheven.
Art.11. Dans l'arrêté royal du 17 janvier 2006 instaurant un régime de prestations d'aide à la maternité et d'aide à la naissance en faveur des travailleurs indépendantes et modifiant l'arrêté royal du 12 décembre 2001 concernant les titres-services, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'intitulé de l'arrêté royal du 17 janvier 2006 instaurant un régime de prestations d'aide à la maternité et d'aide à la naissance en faveur des travailleurs indépendantes et modifiant l'arrêté royal du 12 décembre 2001 concernant les titres-services, remplacé par la loi du 7 avril 2019, est remplacé par ce qui suit :
" arrêté royal du 17 janvier 2006 instaurant un régime de prestations d'aide à la maternité en faveur des travailleuses indépendantes et modifiant l'arrêté royal du 12 décembre 2001 concernant les titres-services ";
2° l'article 4/1 du même arrêté, inséré par la loi du 7 avril 2019, est abrogé.
1° l'intitulé de l'arrêté royal du 17 janvier 2006 instaurant un régime de prestations d'aide à la maternité et d'aide à la naissance en faveur des travailleurs indépendantes et modifiant l'arrêté royal du 12 décembre 2001 concernant les titres-services, remplacé par la loi du 7 avril 2019, est remplacé par ce qui suit :
" arrêté royal du 17 janvier 2006 instaurant un régime de prestations d'aide à la maternité en faveur des travailleuses indépendantes et modifiant l'arrêté royal du 12 décembre 2001 concernant les titres-services ";
2° l'article 4/1 du même arrêté, inséré par la loi du 7 avril 2019, est abrogé.
HOOFDSTUK 6. - Inwerkingtreding
CHAPITRE 6. - Entrée en vigueur
Art.12. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 mei 2019 en is van toepassing op geboortes die vanaf die datum plaatsvinden, met uitzondering van artikel 2, 1°, derde zin; artikel 2, 2°, tweede zin en artikel 3, § 2, tweede lid, die in werking treden op 1 januari 2020 en van toepassing zijn op geboortes die vanaf die datum plaatsvinden.
Art.12. Le présent arrêté produit ses effets le 1er mai 2019 et s'applique aux naissances qui ont lieu à partir de cette date à l'exeption de l'article 2, 1°, troisième phrase; de l'article 2, 2°, deuxième phrase et de l'article 3, § 2, alinéa 2, qui entrent en vigueur le 1er janvier 2020 et qui s'appliquent aux naissances qui ont lieu à partir de cette date.
Art. 13. De minister die het sociaal statuut der zelfstandigen onder zijn bevoegdheid heeft, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 13. Le ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.