Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
17 MEI 2019. - Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de selectieve participatietoeslagen leerling(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 15-07-2019 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Titre
17 MAI 2019. - Arrêté du Gouvernement flamand relatif aux allocations de participation sélectives d'élève(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 15-07-2019 et mise à jour au 28-11-2025)
Informations sur le document
Numac: 2019041301
Datum: 2019-05-17
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2019041301
Date: 2019-05-17
Moniteur: Voir
Tekst (37)
Texte (37)
HOOFDSTUK 1. - Definities
CHAPITRE 1er. - Définitions
Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder:
1° buitenland: het gebied buiten het grondgebied van het rijk;
[2 ...]2
3° kadastraal inkomen: het kadastraal inkomen, vastgesteld conform titel IX van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen;
4° kadastraal inkomen vreemd gebruik: het kadastraal inkomen van de onroerende goederen die noch als eigen hoofdverblijfplaats, noch voor eigen beroepsdoeleinden worden gebruikt. [1 In dit besluit wordt het kadastraal inkomen van een onroerend goed niet beschouwd als kadastraal inkomen vreemd gebruik als dat onroerend goed niet als eigen hoofdverblijfplaats wordt gebruikt door de stand van de bouwwerkzaamheden of van de verbouwingswerkzaamheden die het de begunstigden niet toelaten om de woning daadwerkelijk te betrekken, onder de voorwaarden, vermeld in artikel 14538, § 1, van het wetboek van de inkomstenbelastingen 1992]1;
5° kadastraal inkomen voor eigen beroepsdoeleinden: het kadastraal inkomen van de onroerende goederen die voor eigen beroepsdoeleinden gebruikt worden, vermeld op het aanslagbiljet van de personenbelasting;
6° kalenderjaar: de periode van 1 januari tot en met 31 december;
7° minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen.
Article 1er. Dans le présent arrêté, on entend par :
1° l'étranger : le territoire hors du territoire du royaume ;
[2 ...]2
3° revenu cadastral : le revenu cadastral établi conformément au titre IX du Code des impôts sur les revenus ;
4° revenu cadastral autres usages : le revenu cadastral des biens immobiliers utilisés ni comme résidence principale, ni à des fins professionnelles par le propriétaire même. [1 Dans cet arrêté, le revenu cadastral d'un bien immobilier n'est pas considéré comme revenu cadastral affecté à d'autres usages lorsque ce bien immobilier n'est pas utilisé comme résidence principale propre en raison de travaux de construction ou de transformation qui ne permettent pas aux bénéficiaires d'occuper effectivement le bien, conformément aux conditions prévues à l'article 14538, § 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992]1 ;
5° revenu cadastral fins professionnelles propres : le revenu cadastral des biens immobiliers utilisés à des fins professionnelles par le propriétaire même, mentionné sur l'avertissement-extrait de rôle de l'impôt des personnes physiques ;
6° année civile : la période du 1er janvier au 31 décembre ;
7° ministre : le ministre flamand ayant l'assistance aux personnes dans ses attributions.
HOOFDSTUK 2. - Nationaliteitsvoorwaarden
CHAPITRE 2. - Exigences de nationalité
Art. 2. In afwijking van artikel 24, eerste lid, 1°, van [1 het Groeipakketdecreet van 2018]1 hebben de volgende leerlingen recht op een selectieve participatietoeslag:
[2 het kind dat het slachtoffer is van mensenhandel of -smokkel als vermeld in titel II, hoofdstuk IV, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, geattesteerd door een centrum dat door de federale overheid erkend is en dat gespecialiseerd is in het onthaal van slachtoffers van mensenhandel of -smokkel, en dat recht heeft om voorlopig op het grondgebied te verblijven in afwachting van de definitieve beslissing over de verblijfsaanvraag conform de voormelde wet;]2
[2 een niet-begeleide minderjarige vreemdeling die recht heeft om voorlopig op het grondgebied te verblijven in afwachting van de definitieve beslissing over de verblijfsaanvraag conform de voormelde wet. De voormelde niet-begeleide minderjarige vreemdeling voldoet aan de volgende cumulatieve voorwaarden:
a) minderjarig zijn;
b) niet-begeleide minderjarige vreemdeling zijn als vermeld in titel XIII, hoofdstuk VI, artikel 5 of 5/1, van de programmawet (I) van 24 december 2002. Het bewijs dat een minderjarig kind beschouwd kan worden als een niet-begeleide minderjarige vreemdeling wordt geleverd door een attest van de dienst Voogdij, vermeld in titel XIII, hoofdstuk VI, artikel 3, van de programmawet (I) van 24 december 2002, waarmee een voogd voor de niet-begeleide minderjarige vreemdeling wordt aangesteld;]2

3° een pleegkind of pleeggast als vermeld in artikel 2, 8° en 10°, van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg, op voorwaarde dat het pleegkind of de pleeggast langer dan een jaar onafgebroken [2 bij een pleeggezin]2 verblijft.
[2 Het eerst lid, 1° en 2°, zoals gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2022 tot wijziging van artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 mei 2019 betreffende de selectieve participatietoeslagen leerling, wat betreft de algemene vrijstellingen van de toekenningsvoorwaarden heeft toepassing met ingang van 1 september 2019 voor de toekenning van selectieve participatietoeslagen vanaf het schooljaar 2019-2020, voor de kinderen die voor 31 augustus 2022 geen recht op selectieve participatietoeslagen konden geven omdat ze jonger dan twaalf jaar waren en bijgevolg geen attest van immatriculatie konden verkrijgen.]2
Art. 2. Par dérogation à l'article 24, alinéa 1er, 1°, du [1 décret relatif au Panier de croissance de 2018]1, les élèves suivants ont droit à une allocation de participation sélective :
[2 l'enfant qui est la victime de la traite ou du trafic d'êtres humains, telle que visée au titre II, chapitre IV, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, attestée par un centre reconnu par le gouvernement fédéral spécialisé dans l'accueil des victimes de la traite ou du trafic d'êtres humains, et qui a le droit de séjourner provisoirement sur le territoire en attendant la décision finale sur la demande de séjour conformément à la loi susmentionnée ;]2
[2 un mineur étranger non accompagné qui a le droit de séjourner provisoirement sur le territoire en attendant la décision finale sur la demande de séjour conformément à la loi susmentionnée. Le mineur étranger non accompagné précité remplit les conditions cumulatives suivantes :
a) être mineur ;
b) être mineur étranger non accompagné tel que visé au titre XIII, chapitre VI, article 5 ou 5/1, de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002. La preuve qu'un enfant mineur peut être considéré comme un mineur étranger non accompagné est apportée par un certificat du Service des Tutelles visé au titre XIII, chapitre VI, article 3, de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, désignant un tuteur pour le mineur étranger non accompagné ;]2

3° l'enfant placé ou l'adulte placé tels que visés à l'article 2, 8° et 10° du décret du 29 juin 2012 portant organisation du placement familial, à condition que l'enfant placé ou l'adulte placé séjourne [2 dans une famille d'accueil]2 pendant une période ininterrompue de plus d'un an.
[2 L'alinéa premier, 1° et 2°, tel que modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2022 modifiant l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 mai 2019 relatif aux allocations de participation sélectives d'élève, en ce qui concerne les exemptions générales des conditions d'octroi s'applique à partir du 1er septembre 2019 pour l'octroi des allocations de participation sélectives à partir de l'année scolaire 2019-2020, pour les enfants qui, avant le 31 août 2022, ne pouvaient pas donner droit aux allocations de participation sélectives parce qu'ils avaient moins de douze ans et ne pouvaient donc pas obtenir un certificat d'immatriculation.]2
HOOFDSTUK 2/1. [1 - Pedagogische voorwaarden]1
CHAPITRE 2/1. [1 - Conditions pédagogiques]1
Art.2/1. [1 § 1. Als de onderwijsinstelling, vermeld in artikel 26, 29 of 32 van het Groeipakketdecreet van 2018, over een afwijkende uurregeling beschikt, wordt het aantal halve schooldagen, vermeld in artikel 27, § 2, 1° tot en met 4°, artikel 30, § 2, en artikel 34, § 2, van het voormelde decreet, dat de leerling aanwezig moet zijn of maximaal ongewettigd afwezig mag zijn, als volgt berekend: AWD x ASDW/SDW, waarbij:
1° AWD: de aanwezigheidsdrempel. Dit is het aantal halve schooldagen dat de leerling per schooljaar aanwezig moet zijn of ongewettigd afwezig mag zijn, vermeld in artikel 27, § 2, 1° tot en met 4°, artikel 30, § 2, en artikel 34, § 2, van het voormelde decreet;
2° ASDW: het aantal halve schooldagen dat de onderwijsinstelling, met toepassing van artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 april 1991 tot organisatie van het schooljaar in het basisonderwijs en in het deeltijds onderwijs georganiseerd, erkend of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap of met toepassing van artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 augustus 2001 houdende de organisatie van het schooljaar in het secundair onderwijs, per volledige schoolweek lesactiviteiten organiseert;
3° SDW: het aantal halve schooldagen dat een volledige schoolweek standaard telt, namelijk negen.
Het resultaat van de berekening, vermeld in het eerste lid, wordt afgerond naar de hogere eenheid.]1

Art.2/1. [1 § 1er. Si l'établissement d'enseignement visé aux articles 26, 29 ou 32 du décret relatif au Panier de croissance de 2018, dispose d'un horaire dérogeant, le nombre de demi-jours de classe visé à l'article 27, § 2, 1° à 4° inclus, à l'article 30, § 2, et à l'article 34, § 2, du décret précité, que l'élève doit être présent ou peut s'absenter au maximum de manière injustifiée, est calculé comme suit : AWD x ASDW/SDW. Dans cette formule, on entend par :
1° AWD : le seuil de présence à l'école. C'est le nombre de demi-jours de classe que l'élève doit être présent ou peut s'absenter de manière injustifiée par année scolaire, visé à l'article 27, § 2, 1° à 4° inclus, à l'article 30, § 2, et à l'article 34, § 2, du décret précité ;
2° ASDW : le nombre de demi-jours de classe que l'établissement d'enseignement organise des activités de cours par semaine entière scolaire, en application de l'article 8 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 avril 1991 organisant l'année scolaire dans l'enseignement fondamental, dans l'enseignement à temps partiel et dans l'enseignement de promotion sociale organisé, agréé ou subventionné par la Communauté flamande, ou en application de l'article 8 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 août 2001 organisant l'année scolaire dans l'enseignement secondaire ;
3° SDW : le nombre de demi-jours de classe qu'une semaine entière scolaire compte normalement, à savoir neuf.
Le résultat du calcul, visé à l'alinéa 1er, est arrondi à l'unité supérieure.]1

HOOFDSTUK 3. - Gezinsbegrip
CHAPITRE 3. - Notion de ménage
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1re. - Dispositions générales
Art. 3. § 1. Voor de berekening van de inkomsten van het gezin, vermeld in artikel 37, eerste lid, van [1 het Groeipakketdecreet van 2018]1, wordt rekening gehouden met de inkomsten van beide personen aan wie de selectieve participatietoeslagen worden uitbetaald voor een leerling, die dezelfde woonplaats hebben.
§ 2. In deze paragraaf wordt verstaan onder feitelijk gezin: een leefeenheid waarin twee personen die geen bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad zijn, samenwonen en samen een huishouden regelen, hetzij financieel, hetzij op een andere ondersteunende manier.
Er wordt rekening gehouden met de inkomsten van de persoon die dezelfde woonplaats heeft als een leerling en de persoon met wie die persoon een feitelijk gezin vormt als de selectieve participatietoeslagen worden uitbetaald aan één persoon alleen of aan twee personen die niet op hetzelfde adres wonen.
Als de selectieve participatietoeslagen worden uitbetaald aan het rechthebbende kind zelf conform artikel 73, § 1, eerste lid, van [1 het Groeipakketdecreet van 2018]1, wordt rekening gehouden met de inkomsten van het kind zelf en de persoon met wie het kind samenwoont.
Als de persoon, vermeld in het tweede en derde lid, samenwoont met verschillende niet-verwante personen tot en met de derde graad, wordt hij geacht een feitelijk gezin te vormen met de volgende personen, in afdalende volgorde:
1° de persoon met wie de persoon aan wie de selectieve participatietoeslag wordt uitbetaald, getrouwd is als vermeld in artikel 3, § 1, 16°, van [1 het Groeipakketdecreet van 2018]1;
2° de andere ouder van het kind;
3° de persoon met wie hij samen de gezinswoning heeft gekocht of gebouwd;
4° de persoon met wie de persoon aan wie de selectieve participatietoeslag wordt uitbetaald, verklaart samen de kinderen op te voeden;
5° de persoon met wie de persoon aan wie de selectieve participatietoeslag wordt uitbetaald, het langst samenwoont.
Het samenwonen, vermeld in het eerste lid, blijkt uit een gemeenschappelijk domicilie volgens het Rijksregister en kan alleen weerlegd worden door een officieel document van een overheid of een overheidsinstelling dat gebaseerd is op de reële gezinssituatie.
De volgende documenten worden als officieel document als vermeld in het vijfde lid, aanvaard:
1° een ontvangstbewijs van de aangifte, vermeld in artikel 7, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister;
2° een attest van de politie dat vaststelt dat de toestand in het Rijksregister niet overeenstemt met de reële situatie;
3° een beschikking, vonnis of arrest van een rechtbank of hof;
4° een attest van een OCMW dat vaststelt dat de toestand in het Rijksregister niet overeenstemt met de reële situatie.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, kan de lijst met officiële documenten die aanvaard worden om het Rijksregister te weerleggen, vermeld in het zesde lid, aanvullen.
Als het samenwonen, vermeld in het eerste lid, niet blijkt uit het Rijksregister, kan de vorming van een feitelijk gezin bewezen worden door:
1° een controle door de gezinsinspecteur;
2° een vaststelling van een andere overheidsdienst waaruit de feitelijke gezinssamenstelling blijkt;
3° een beschikking, vonnis of arrest van een rechtbank of hof;
4° een verklaring van feitelijke gezinsvorming van de persoon aan wie de selectieve participatietoeslag wordt uitbetaald, of van de persoon met wie de persoon aan wie de selectieve participatietoeslag wordt uitbetaald, samenwoont.
De vorming van een feitelijk gezin, [2 ...]2 kan weerlegd worden door:
1° een [1 geregistreerde]1 huurovereenkomst tussen de persoon aan wie de selectieve participatietoeslag wordt uitbetaald, en de persoon met wie hij samenwoont;
2° een arbeidsovereenkomst met recht van inwoning;
3° een attest van detentie;
4° een registratieformulier van de mantelzorger, die niet een van de personen, vermeld in paragraaf 2, vierde lid, 1°, is;
5° een aanwezigheidsattest van het vluchthuis of sociaal huis;
6° een verklaring van feitelijke gezinsvorming van de niet-verwante persoon met een rechtgevend kind in het gezin;
7° een verklaring van feitelijke gezinsvorming van de niet-verwante persoon met een andere persoon dan de persoon aan wie de selectieve participatietoeslag wordt uitbetaald, met dezelfde woonplaats;
8° een verklaring van geen feitelijke gezinsvorming van de persoon aan wie de selectieve participatietoeslag wordt uitbetaald, en de niet-verwante persoon in zijn gezin;
9° het feit dat de niet-verwante persoon zelf nog rechtgevend is op gezinsbijslagen op het ogenblik dat hij in het gezin komt van de persoon aan wie de selectieve participatietoeslag wordt uitbetaald;
10° een bewijs dat het om een inschrijving op een referentieadres gaat;
11° een attest van de FOD Binnenlandse Zaken en een attest van immatriculatie, afgeleverd aan de asielzoeker tijdens de asielaanvraagprocedure;
12° een vaststelling van een andere overheidsdienst waaruit de feitelijke gezinssamenstelling blijkt;
13° een controle door de gezinsinspecteur.
In het negende lid wordt verstaan onder niet-verwante persoon: een persoon die geen bloed- of aanverwant tot en met de derde graad is.
Een gezinsinspecteur staaft de verklaringen, vermeld in het negende lid, 6°, 7° en 8°, altijd met een controle ter plaatse.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, kan de lijst, van bewijsmiddelen om de vorming van een feitelijk gezin te bevestigen of te weerleggen vermeld in het negende lid, aanvullen.
De vorming van een feitelijk gezin kan niet weerlegd worden als de persoon aan wie de selectieve participatietoeslag wordt uitbetaald, samenwoont met een persoon die aan een van de volgende voorwaarden voldoet:
1° een persoon met wie hij een gemeenschappelijk kind heeft;
2° een persoon met wie hij samen de gezinswoning heeft gekocht of gebouwd.
Art. 3. § 1er. Pour le calcul des revenus du ménage, visés à l'article 37, alinéa 1er du [1 décret relatif au Panier de croissance de 2018]1, sont pris en compte les revenus des deux personnes auxquelles sont versées les allocations de participation sélectives pour l'élève et qui ont la même résidence.
§ 2. Aux fins du présent paragraphe, on entend par ménage de fait : une unité de vie dans laquelle deux personnes qui ne sont pas parents ou alliés jusqu'au troisième degré, cohabitent et règlent ensemble un ménage financièrement ou le soutiennent d'une autre manière.
Sont pris en compte les revenus de la personne qui a la même résidence que l'élève et de la personne avec laquelle cette personne forme un ménage de fait si les allocations de participation sélectives sont versées à une seule personne ou à deux personnes qui ne vivent pas à la même adresse.
Si les allocations de participation sélectives sont versées à l'enfant ayant droit conformément à l'article 73, § 1er, alinéa 1er du [1 décret relatif au Panier de croissance de 2018]1, les revenus de l'enfant lui-même et de la personne avec laquelle il cohabite sont pris en compte.
Si la personne visée aux paragraphes 2 et 3 cohabite avec plusieurs non-parents jusqu'au troisième degré, elle est considérée comme formant un ménage de fait avec les personnes suivantes, par ordre décroissant :
1° la personne avec laquelle la personne à qui l'allocation de participation sélective est versée est mariée au sens de l'article 3, § 1er, 16°, du [1 décret relatif au Panier de croissance de 2018]1 ;
2° l'autre parent de l'enfant ;
3° la personne avec laquelle elle a acheté ou construit le logement familial ;
4° la personne avec laquelle la personne à qui l'allocation de participation sélective est versée déclare élever les enfants ensemble ;
5° la personne avec laquelle la personne à qui l'allocation de participation sélective est versée a vécu le plus longtemps.
La cohabitation visée à l'alinéa 1er est attestée par un domicile commun selon le Registre national et ne peut être réfutée que par un document officiel d'un pouvoir ou organisme public, fondé sur la situation familiale réelle.
Les documents suivants sont acceptés comme documents officiels au sens de l'alinéa 5 :
1° un accusé de réception de la déclaration visée à l'article 7, § 1er, alinéa 1er de l'arrêté royal du 16 juillet 1992 relatif aux registres de la population et au registre des étrangers ;
2° une attestation de la police établissant que la situation figurant au Registre national ne correspond pas à la situation réelle ;
3° une décision, un jugement ou un arrêt d'une cour ou d'un tribunal ;
4° une attestation d'un CPAS établissant que la situation figurant au Registre national ne correspond pas à la situation réelle.
Le ministre flamand ayant l'assistance aux personnes dans ses attributions peut compléter la liste des documents officiels acceptés en vue de réfuter le Registre national, visés à l'alinéa 6.
Si la cohabitation visée à l'alinéa 1er ne ressort pas du Registre national, la formation d'un ménage de fait peut être prouvée par :
1° un contrôle par l'inspecteur familial ;
2° un constat par un autre service public dont ressort la composition familiale réelle ;
3° une décision, un jugement ou un arrêt d'une cour ou d'un tribunal ;
4° une déclaration de ménage de fait de la personne à laquelle l'allocation de participation sélective est versée ou de la personne avec laquelle la personne à laquelle l'allocation de participation sélective est versée cohabite.
La formation d'un ménage de fait, [2 ...]2 peut être réfutée par :
1° un contrat de location [1 enregistré]1 entre la personne à laquelle l'allocation de participation sélective est versée et la personne avec laquelle elle cohabite ;
2° un contrat de travail avec droit de logement ;
3° un certificat de détention ;
4° un formulaire d'enregistrement de l'intervenant de proximité, qui n'est pas l'une des personnes visées au paragraphe 2, alinéa 4, 1° ;
5° un certificat de présence du refuge ou de la maison sociale ;
6° une déclaration de formation de ménage de fait du non-parent ayant un enfant bénéficiaire dans le ménage ;
7° une déclaration relative à la formation de ménage de fait du non-parent avec une personne autre que celle à laquelle l'allocation de participation sélective est versée, ayant la même résidence ;
8° la déclaration de l'absence de formation de ménage de fait de la personne à laquelle l'allocation de participation sélective est versée et du non-parent dans son ménage ;
9° le fait que le non-parent lui-même donne encore droit aux allocations familiales lorsqu'elle rejoint le ménage de la personne à laquelle l'allocation de participation sélective est versée ;
10° une preuve d'inscription à une adresse de référence ;
11° un certificat du SPF Intérieur et un certificat d'immatriculation, délivré au demandeur d'asile lors de la procédure de demande d'asile ;
12° un constat par un autre service public dont ressort la composition familiale réelle ;
13° un contrôle par l'inspecteur familial.
Dans l'alinéa 9, on entend par non-parent : une personne qui n'est pas parent ou allié jusqu'au troisième degré.
L'inspecteur familial confirme toujours les déclarations visées à l'alinéa 9, 6°, 7° et 8° par un contrôle sur place.
Le ministre flamand ayant l'assistance aux personnes dans ses attributions peut compléter la liste des moyens de preuve pour confirmer ou réfuter la formation d'un ménage de fait, visée à l'alinéa 9.
La formation d'un ménage de fait ne peut être réfutée si la personne à laquelle l'allocation de participation sélective est versée cohabite avec une personne qui remplit l'une des conditions suivantes :
1° la personne avec qui elle a un enfant commun ;
2° la personne avec qui elle a acheté ou construit le logement familial.
Afdeling 2. - Gehuwde leerling
Section 2. - Elève marié
Art. 4. De leerling die als gehuwd kan worden beschouwd als vermeld in artikel 3, § 1, 16°, van [1 het Groeipakketdecreet van 27 april 2018]1, wordt beschouwd als een gehuwde leerling als vermeld in artikel 38, § 1, 3°, van het voormelde decreet.
Artikel 3, § 2, is van toepassing om de inkomsten te bepalen waarmee rekening wordt gehouden om het recht op een selectieve participatietoeslag vast te stellen.
[2 In afwijking van het eerste lid wordt de leerling die materiële ondersteuning krijgt als vermeld in artikel 68, § 2/1, van het Groeipakketdecreet van 2018, niet als gehuwde leerling beschouwd.]2
Art. 4. L'élève qui peut être considéré comme marié au sens de l'article 3, § 1er, 16°, du [1 décret relatif au Panier de croissance de 2018]1, est considéré comme un élève marié tel que visé à l'article 38, § 1er, 3°, du décret précité.
L'article 3, § 2, est applicable pour déterminer les revenus à prendre en compte pour établir le droit à l'allocation de participation sélective.
[2 Par dérogation à l'alinéa 1er, l'élève qui reçoit une aide matérielle telle que visée à l'article 68, § 2/1, du décret relatif au Panier de croissance de 2018, n'est pas considéré comme un élève marié.]2
Afdeling 3. - Zelfstandige leerling
Section 3. - Elève indépendant
Art. 5. De leerling die ontvoogd is of de leeftijd van zestien jaar bereikt heeft, en zijn woonplaats niet bij zijn ouders of werkelijke opvoeders heeft, wordt beschouwd als zelfstandige leerling als vermeld in artikel 38, § 1, 4°, van [1 het Groeipakketdecreet van 27 april 2018]1, alsook de leerling die zelf begunstigde is voor een of meer van zijn kinderen.
De voorwaarde dat de leerling zijn woonplaats niet bij zijn ouders of werkelijke opvoeders heeft, vermeld in het eerste lid, is vervuld als de leerling beschikt over een afzonderlijke woonplaats, namelijk de plaats die als hoofdverblijf is ingeschreven in de bevolkingsregisters conform artikel 32, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek, of als met officiële documenten wordt aangetoond dat de gegevens in de bevolkingsregisters niet of niet meer overeenstemmen met de realiteit.
Artikel 3, § 2, is van toepassing om de inkomsten te bepalen waarmee rekening wordt gehouden om het recht op een selectieve participatietoeslag vast te stellen.
[2 In afwijking van het eerste lid wordt de leerling die materiële ondersteuning krijgt als vermeld in artikel 68, § 2/1, van het Groeipakketdecreet van 2018, niet als zelfstandige leerling beschouwd.]2
Art. 5. L'élève qui est émancipé ou qui a atteint l'âge de seize ans et qui n'a pas son domicile auprès de ses parents ou éducateurs réels est considéré comme élève indépendant tel que visé à l'article 38, § 1er, 4°, du [1 décret relatif au Panier de croissance de 2018]1, ainsi que l'élève qui est lui-même bénéficiaire pour un ou plusieurs de ses enfants.
La condition que l'élève n'a pas son domicile auprès de ses parents ou éducateurs réels, visée à l'alinéa 1er, est remplie si l'enfant dispose d'un domicile distinct, à savoir le lieu qui est inscrit comme résidence principale aux registres de la population conformément à l'article 32, 3°, du Code judiciaire, ou si des documents officiels démontrent que les données des registres de la population ne correspondent pas ou plus à la réalité.
L'article 3, § 2, est applicable pour déterminer les revenus à prendre en compte pour établir le droit à l'allocation de participation sélective.
[2 Par dérogation à l'alinéa 1er, l'élève qui reçoit une aide matérielle telle que visée à l'article 68, § 2/1, du décret relatif au Panier de croissance de 2018, n'est pas considéré comme un élève indépendant.]2
Afdeling 4. - Alleenstaande leerling
Section 4. - Elève isolé
Art. 6. § 1. De leerling die niet behoort tot de categorieën, vermeld in artikel 3 tot en met 5 van dit besluit, maar tot een van de volgende categorieën, wordt beschouwd als alleenstaande leerling als vermeld in artikel 38, § 1, 5°, van [1 het Groeipakketdecreet van 27 april 2018]1:
1° de leerling die zich bevindt in een van de gevallen, vermeld in artikel 15, § 2, van [1 het Groeipakketdecreet van 27 april 2018]1;
2° de leerling van wie de overlevende ouder ontzet is of beide ouders ontzet zijn uit het ouderlijke gezag;
3° de leerling die, uiterlijk 31 december van het lopende schooljaar in het kader van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade of de gecoördineerde decreten van 4 april 1990 inzake bijzondere jeugdbijstand opgenomen is in een erkende voorziening van categorie 1, 2 of 6 als vermeld in artikel 3 van het besluit van 13 juli 1994 en die zelfstandig woont en begeleid wordt door een erkende voorziening van categorie 1, 2 of 6 als vermeld in artikel 3 van het voormelde besluit;
4° de leerling die uiterlijk op 31 december van het schooljaar in kwestie verblijft in een organisatie voor bijzondere jeugdzorg, een onthaal-, oriëntatie- en observatiecentrum of een centrum voor integrale gezinszorg, of contextbegeleiding krijgt in het kader van autonoom wonen als vermeld in artikel 53bis, 53duodecies en 53septiesdecies en bijlage 9 van het besluit van 13 juli 1994, met uitzondering van kortdurend crisisverblijf;
5° de leerling die voor 31 december van het schooljaar in kwestie opgenomen is in een erkende voorziening van categorie 1, 2, of 6 als vermeld in artikel 3 van het besluit van 13 juli 1994, maar door zijn meerderjarigheid niet meer onder de bevoegdheid valt van een comité voor bijzondere jeugdzorg of een jeugdrechtbank, of in het verleden het voorwerp was van voortgezette hulpverlening na meerderjarigheid met toepassing van artikel 30 van de gecoördineerde decreten van 4 april 1990 inzake bijzondere jeugdbijstand;
6° de leerling die in het verleden en uiterlijk op 31 december van het schooljaar in kwestie verbleef in een organisatie voor bijzondere jeugdzorg, een onthaal-, oriëntatie- en observatiecentrum of een centrum voor integrale gezinszorg, of contextbegeleiding kreeg in het kader van autonoom wonen als vermeld in artikel 53bis, 53duodecies en 53septiesdecies en bijlage 9 van het besluit van 13 juli 1994, met uitzondering van kortdurend crisisverblijf, of een pleegkind of een pleeggast is als vermeld in artikel 2, 8° en 10°, van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg;
7° de leerling die uiterlijk op 31 december van het schooljaar in kwestie als gevolg van een beslissing van een jeugdrechter of publiekrechtelijke overheid opgenomen wordt in een multifunctioneel centrum dat erkend is door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap als vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap;
8° de leerling die in het verleden en uiterlijk op 31 december van het schooljaar in kwestie door een beslissing van een jeugdrechter of publiekrechtelijke overheid opgenomen is in een multifunctioneel centrum dat erkend is door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap als vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap;
9° de leerling die uiterlijk op 31 december van het schooljaar in kwestie onder het project voor maatschappelijke integratie, vermeld in artikel 11, § 2, eerste lid, a), van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, valt en leefloon ontvangt conform artikel 14, § 1, 2°, 3° van de voormelde wet;
10° de leerling, vermeld in artikel 2, 1° [2 ...]2, van dit besluit, en de leerling die vluchteling of subsidiair beschermde is conform respectievelijk artikel 48/3 en 48/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
11° [2 ...]2.
In het eerste lid wordt verstaan onder besluit van 13 juli 1994: het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 1994 inzake de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor de voorzieningen van de bijzondere jeugdbijstand.
§ 2. De inkomsten waarmee rekening wordt gehouden om het recht op een selectieve participatietoeslag vast te stellen, worden vastgesteld conform artikel 3, § 2.
Art. 6. § 1er. L'élève qui n'appartient pas aux catégories visées aux articles 3 à 5 du présent arrêté, mais à l'une des catégories suivantes, est considéré comme élève isolé tel que visé à l'article 38, § 1er, 5°, du [1 décret relatif au Panier de croissance de 2018]1 :
1° l'élève qui se trouve dans un des cas, visés à l'article 15, § 2 du [1 décret relatif au Panier de croissance de 2018]1 ;
2° l'élève dont le parent survivant ou les deux parents ont été déchus de l'autorité parentale ;
3° l'élève qui, au plus tard le 31 décembre de l'année scolaire en cours, dans le cadre de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié d'infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait ou des décrets coordonnés du 4 avril 1990 relatifs à l'assistance spéciale à la jeunesse, est admis dans une structure agréée des catégories 1, 2 ou 6 telles que visées à l'article 3 de l'arrêté du 13 juillet 1994 et qui vit indépendamment et est accompagné par une structure agréée des catégories 1, 2 ou 6 telles que visées à l'article 3 de l'arrêté précité ;
4° l'élève qui, au plus tard le 31 décembre de l'année scolaire en question, réside dans une organisation d'aide spéciale à la jeunesse, un centre d'accueil, d'orientation et d'observation ou un centre d'aide intégrale aux familles, ou qui bénéficie d'un accompagnement contextuel dans le cadre du logement autonome, comme indiqué aux articles 53bis, 53duodecies et 53septiesdecies et à l'annexe 9 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 juillet 1994, à l'exception du séjour de crise de courte durée ;
5° l'élève qui, avant le 31 décembre de l'année scolaire en question est admis dans une structure agréée des catégories 1, 2 ou 6, telles que visées à l'article 3 de l'arrêté du 13 juillet 1994, mais qui de par sa majorité ne relève plus de la compétence d'un comité d'aide spéciale à la jeunesse ou d'un tribunal de la jeunesse, ou qui par le passé était assujetti à une mesure d'aide continuée après la majorité en application de l'article 30 des décrets coordonnés du 4 avril 1990 relatifs à l'assistance spéciale à la jeunesse ;
6° l'élève qui, par le passé et au plus tard le 31 décembre de l'année scolaire en question, a résidé dans une organisation d'aide spéciale à la jeunesse, un centre d'accueil, d'orientation et d'observation ou un centre d'aide intégrale aux familles, ou qui a bénéficié d'un accompagnement contextuel dans le cadre du logement autonome, tel que visé aux articles 53bis, 53duodecies et 53septiesdecies et à l'annexe 9 de l'arrêté du 13 juillet 1994, à l'exception du séjour de crise de courte durée, ou qui est un enfant ou adulte placé tel que visé à l'article 2, 8° et 10° du décret du 29 juin 2012 portant organisation du placement familial ;
7° l'élève qui, au plus tard le 31 décembre de l'année scolaire en question, par suite d'une décision du juge de la jeunesse ou d'une autorité de droit public, est admis dans un centre multifonctionnel agréé par l'Agence flamande pour les Personnes handicapées (" Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap "), tel que visé à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapées mineures ;
8° l'élève celui qui, par le passé et au plus tard le 31 décembre de l'année scolaire en question, par suite d'une décision du juge de la jeunesse ou d'une autorité de droit public est admis dans un centre multifonctionnel agréé par l'Agence flamande pour les Personnes handicapées, tel que visé à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapées mineures ;
9° l'élève qui, au plus tard le 31 décembre de l'année scolaire en question, relève du projet d'intégration sociale visé à l'article 11, § 2, alinéa 1er, a), de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale et reçoit un revenu d'intégration conformément à l'article 14, § 1er, 2°, 3° de la loi précitée ;
10° l'élève visé à l'article 2, 1° [2 ...]2 du présent arrêté et l'élève qui a le statut de réfugié ou de protection subsidiaire, respectivement conformément aux articles 48/3 et 48/4 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers ;
11° [2 ...]2.
Dans l'alinéa 1er on entend par arrêté du 13 juillet 1994 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 juillet 1994 relatif aux conditions à l'agrément et à l'octroi de subventions aux institutions de l'assistance spéciale à la jeunesse.
§ 2. Les revenus pris en compte pour établir le droit à une allocation de participation sélective sont fixés conformément à l'article 3, § 2.
HOOFDSTUK 4. - Inkomsten van het gezin
CHAPITRE 4. - Revenus du ménage
Art. 7. De inkomsten van het gezin, vermeld in artikel 37, eerste lid, van [1 het Groeipakketdecreet van 27 april 2018]1, bestaan uit al de volgende elementen samen:
1° de volgende belastbare inkomsten, voor aftrek van de aftrekbare bestedingen:
a) de beroepsinkomsten:
1) voor de beroepsinkomsten in loonverband: vóór de aftrek van beroepskosten;
2) voor de beroepsinkomsten als zelfstandige: na de aftrek van beroepskosten, vermenigvuldigd met een factor 100/80;
b) de uitkeringen in het kader van de ziekteverzekering;
c) de werkloosheidsuitkeringen;
d) de pensioenen;
2° 80% van de onderhoudsgelden die uitbetaald zijn aan de persoon of personen van wie de inkomsten voor de berekening van de toelage in aanmerking worden genomen;
3° drie keer het geïndexeerde kadastraal inkomen vreemd gebruik en één keer het geïndexeerde kadastraal inkomen voor eigen beroepsdoeleinden;
4° de inkomensvervangende tegemoetkoming, toegekend conform de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkoming aan personen met een handicap;
5° het leefloon, toegekend conform de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;
6° het equivalent van leefloon, toegekend conform de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
7° alle inkomsten die voortvloeien uit de beroepsactiviteit, toegekend aan de personeelsleden van een Europese of andere internationale instelling, verminderd met de persoonlijke bijdragen voor de verzekering die de instelling organiseert om socialezekerheidsrisico's te dekken.
In afwijking van het eerste lid, 1°, wordt 80% van de onderhoudsgelden die betaald zijn door de persoon of personen van wie de inkomsten voor de berekening van de toeslag in aanmerking worden, wel afgetrokken van de belastbare inkomsten.
Voor de omrekening naar het inkomen van het gezin conform dit artikel, worden in het Wetboek van de Inkomstenbelastingen geldende regels gevolgd.
Art. 7. Les revenus du ménage, visés à l'article 37, alinéa 1er du [1 décret relatif au Panier de croissance de 2018]1, se composent de l'ensemble des éléments suivants :
1° les revenus imposables suivants, avant déduction des dépenses déductibles :
a) le revenu professionnel :
1) pour le revenu professionnel en tant que salarié : avant déduction des frais professionnels ;
2) pour le revenu professionnel en tant que travailleur indépendant : après déduction des frais professionnels multipliés par un facteur 100/80 ;
b) les indemnités dans le cadre de l'assurance maladie ;
c) les allocations de chômage ;
d) les pensions ;
2° 80 % des pensions alimentaires payées à la ou aux personnes dont le revenu est pris en compte dans le calcul de l'allocation ;
3° trois fois le revenu cadastral autres usages indexé et une fois le revenu cadastral fins professionnelles propres indexé ;
4° l'allocation de remplacement de revenus, accordée conformément à la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées ;
5° le revenu d'intégration, accordé conformément à la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale ;
6° l'équivalent du revenu d'intégration, accordé conformément à la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les Centres publics d'aide sociale ;
7° tout revenu résultant d'une activité professionnelle accordé aux personnels d'une institution européenne ou internationale, déduction faite des cotisations personnelles à l'assurance risques de sécurité sociale organisée par l'institution.
Par dérogation à l'alinéa 1er, 1°, 80 % des pensions alimentaires payées par la ou les personnes dont le revenu est pris en compte pour le calcul de l'allocation sont déduites du revenu imposable.
Pour la conversion aux revenus familiaux conformément au présent article, les règles du Code des Impôts sur les Revenus sont appliquées.
Art. 8. Het inkomen dat in het buitenland of bij een Europese of andere internationale instelling verworven wordt, wordt voor de berekening van de toeslag vastgesteld op basis van attesten die de buitenlandse belastingdienst uitgereikt heeft, of, als die ontbreken, op basis van attesten die de werkgevers, diensten of instellingen uitgereikt hebben.
Art. 8. Le revenu acquis à l'étranger ou auprès d'une institution européenne ou internationale est fixé pour le calcul de l'allocation sur la base d'attestations délivrées par le service des impôts étranger ou, à défaut de celles-ci, sur la base d'attestations délivrées par les employeurs, services ou institutions.
Art. 9. De leerling van wie de inkomsten van het gezin waartoe hij conform artikel 3 van dit besluit behoort, de maximuminkomensgrens, vermeld in artikel 43 van [1 het Groeipakketdecreet van 27 april 2018]1, niet overschrijden, wordt voor de toepassing van dit besluit beschouwd als rechthebbende op een toeslag.
Art. 9. L'élève dont les revenus du ménage auquel il appartient conformément à l'article 3 du présent arrêté ne dépassent pas les revenus maximaux visés à l'article 43 du [1 décret relatif au Panier de croissance de 2018]1 est considéré pour l'application du présent arrêté comme ayant droit à une allocation.
Art. 10. Het kadastraal inkomen van het gezin wordt gewogen conform het tweede lid om te bepalen of de leerling in aanmerking komt voor een selectieve participatietoeslag.
Als het geïndexeerde kadastraal inkomen vreemd gebruik van de personen van wie de inkomsten conform artikel 38 van [1 het Groeipakketdecreet van 27 april 2018]1 als uitgangspunt worden genomen voor de berekening van de inkomsten, hoger is dan 1250 euro, heeft een leerling geen recht op een toeslag als het verdrievoudigde geïndexeerde kadastraal inkomen vreemd gebruik van de personen van wie de inkomsten van het gezin conform artikel 38 van het voormelde decreet als uitgangspunt worden genomen voor de berekening van de gezinsinkomsten, hoger is dan 20% van de inkomsten, vermeld in artikel 7 van dit besluit, verminderd met drie keer het geïndexeerde kadastraal inkomen vreemd gebruik en één keer het geïndexeerde kadastraal inkomen voor eigen beroepsdoeleinden als vermeld in artikel 7, eerste lid, 3°, van dit besluit.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing als de inkomsten van het gezin geheel of gedeeltelijk zijn samengesteld uit leefloon of het equivalent van leefloon, of voor minstens 70% bestaan uit alimentatiegelden, vervangingsinkomsten, een overlevingspensioen of een inkomensvervangende tegemoetkoming, toegekend in het kader van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkoming aan personen met een handicap.
Het eerste en tweede lid zijn evenmin van toepassing op alleenstaande leerlingen als vermeld in artikel 38, § 1, 5°, van [1 het Groeipakketdecreet van 27 april 2018]1.
Art. 10. Le revenu cadastral du ménage est pesé conformément à l'alinéa 2 pour déterminer si l'élève entre en considération pour une allocation de participation sélective.
Si le revenu cadastral autres usages indexé des personnes dont le revenu constitue la base du calcul du revenu conformément à l'article 38 du [1 décret relatif au Panier de croissance de 2018]1 est supérieur à 1250 euros, l'élève n'a pas droit à une allocation si le triple du revenu cadastral autres usages indexé des personnes dont le revenu familial constitue la base du calcul du revenu familial conformément à l'article 38 du décret précité dépasse 20 % des revenus, visés à l'article 7 du présent arrêté, déduction faite du triple du revenu cadastral autres usages indexé et d'une fois le revenu cadastral fins professionnelles propres indexé, visé à l'article 7, alinéa 1er, 3° du présent arrêté.
Les alinéas 1er et 2 ne sont pas applicables si le revenu familial est composé entièrement ou partiellement du revenu d'intégration ou l'équivalent du revenu d'intégration, ou pour au moins 70 % de pensions alimentaires, de revenus de remplacement, d'une pension de survie ou d'une allocation de remplacement de revenus, octroyée en vertu de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées.
En outre, les alinéas 1er et 2 ne sont pas applicables aux élèves isolés, tels que visés à l'article 38, § 1er, 5° du [1 décret relatif au Panier de croissance de 2018]1.
HOOFDSTUK 5. - Automatische procedure
CHAPITRE 5. - Procédure automatique
Art. 11. Een onderzoek tot toekenning van een selectieve participatietoeslag wordt op zijn vroegst op 1 augustus van het lopende schooljaar automatisch opgestart door een uitbetalingsactor.
De selectieve participatietoeslag wordt op zijn vroegst uitbetaald de laatste maandag die voorafgaat aan het schooljaar in kwestie.
Art. 11. Une enquête sur l'octroi de l'allocation de participation sélective est automatiquement lancée par l'acteur de paiement au plus tôt le 1er août de l'année scolaire en cours.
L'allocation de participation sélective est versée au plus tôt le dernier lundi précédant l'année scolaire en question.
Art. 12. § 1. De inkomsten, vermeld in artikel 7 tot en met 10, zijn de inkomsten die blijken uit het aanslagbiljet dat betrekking heeft op de inkomsten van het kalenderjaar dat twee jaar voorafgaat aan het kalenderjaar waarin het schooljaar in kwestie begint.
Voor gezinnen die anders zijn samengesteld in het jaar waarop het aanslagbiljet betrekking heeft, wordt het inkomen gereconstrueerd op basis van de huidige gezinssamenstelling.
Als naar aanleiding van de latere verificatie de aanslag, vermeld in het eerste lid, herzien wordt, wordt met de herziene aanslag rekening gehouden.
§ 2. Het kadastraal inkomen en de niet-belastbare inkomsten worden vastgesteld op basis van het kalenderjaar dat twee jaar voorafgaat aan het kalenderjaar waarin het schooljaar in kwestie begint.
[1 Als het kadastraal inkomen of de niet-belastbare inkomsten, vermeld in het eerste lid, herzien wordt, wordt met het herziene kadastraal inkomen of de herziene niet-belastbare inkomsten rekening gehouden.]1
§ 3. Niet-belastbare inkomsten worden vastgesteld aan de hand van databanken of van attesten van werkgevers, diensten of instellingen.
§ 4. Attesten die de buitenlandse belastingdienst uitgereikt heeft, of, als die ontbreken, attesten die de werkgevers, diensten of instellingen uitgereikt hebben als de inkomsten in het buitenland of bij een Europese of een andere internationale instelling verworven zijn, en die betrekking hebben op dezelfde periode, worden gelijkgesteld met het aanslagbiljet.
Art. 12. § 1er. Les revenus visés aux articles 7 à 10 sont les revenus qui figurent dans l'avertissement-extrait de rôle relatif aux revenus de l'année civile qui précède de deux ans l'année civile au cours de laquelle l'année scolaire en question commence.
Le revenu des ménages composés différemment dans l'année à laquelle se rapporte l'avertissement-extrait de rôle est reconstruit sur la base de la composition actuelle du ménage.
Lorsque l'imposition visée à l'alinéa 1er est révisée à l'occasion de la vérification ultérieure, cette imposition révisée doit être prise en compte.
§ 2. Le revenu cadastral et le revenu non imposable sont déterminés sur la base de l'année civile qui précède de deux ans l'année civile au cours de laquelle l'année scolaire en question commence.
[1 Lorsque le revenu cadastral ou le revenu non imposable, visés à l'alinéa 1er, sont révisés, il est tenu compte du revenu cadastral révisé ou du revenu non imposable révisé. ]1
§ 3. Les revenus non imposables sont déterminés à l'aide de bases de données ou d'attestations d'employeurs, de services ou d'institutions.
§ 4. Les attestations délivrées par le service des impôts étranger, ou à défaut de celles-ci, les attestations délivrées par les employeurs, services ou institutions lorsque les revenus ont été acquis à l'étranger ou auprès d'une institution européenne ou internationale, et qui portent sur la même période, sont assimilées à l'avertissement-extrait de rôle.
Art. 13. Van het in aanmerking te nemen jaar, vermeld in artikel 12, § 1, eerste lid, en § 2, wordt afgeweken als er na het in aanmerking te nemen jaar, vermeld in artikel 12, § 1, eerste lid, en § 2, aan al de volgende voorwaarden samen voldaan wordt:
1° aan een van de personen op de inkomsten van wie de toeslag wordt berekend, wordt pas in de loop van of na het in aanmerking te nemen jaar, vermeld in artikel 12, § 1, eerste lid, en § 2, een van de volgende verblijfstitels verleend:
a) slachtoffer van mensenhandel, geattesteerd door een door de federale overheid erkend centrum dat gespecialiseerd is in het onthaal van slachtoffers van mensenhandel;
b) persoon met een buitenlandse nationaliteit die toegelaten is tot een verblijf van bepaalde duur in België conform artikel 49, § 1, of artikel 49/2, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
2° de inkomsten van een van de personen waarop de toeslag wordt berekend, kan niet bepaald worden aan de hand van de door de Federale Overheidsdienst Financiën gecontroleerde inkomsten, vermeld in artikel 12, § 1, eerste lid, en § 2, of aan de hand van de door een buitenlandse belastingdienst gecontroleerde inkomsten.
In het geval, vermeld in het eerste lid, wordt rekening gehouden met de inkomsten van het eerste kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin de verblijfstitel is verkregen.
Art. 13. Il est dérogé à l'année à prendre en compte visée à l'article 12, § 1er, alinéa 1er et § 2, si, après l'année à prendre en compte visée à l'article 12, § 1er, alinéa 1er, et § 2, toutes les conditions suivantes sont remplies :
1° l'une des personnes dont le revenu constitue la base du calcul de l'allocation ne se voit délivrer que pendant ou après l'année à prendre en compte, visée à l'article 12, § 1er, alinéa 1er, et § 2, l'un des titres de séjour suivants :
a) victime du trafic d'êtres humains, attestée par un centre agréé par les autorités fédérales spécialisé dans l'accueil des victimes du trafic d'êtres humains ;
b) personne de nationalité étrangère admise au séjour en Belgique pour une durée limitée en vertu des articles 49, § 1er, ou 49/2, § 1er de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers ;
2° le revenu de l'une des personnes, qui constitue la base du calcul de l'allocation, ne peut pas être déterminé au moyen des revenus vérifiés par le Service public fédéral Finances, visés à l'article 12, § 1er, alinéa 1er, et § 2 ou au moyen des revenus vérifiés par un service des impôts étranger.
Dans le cas visé à l'alinéa 1er, il est tenu compte du revenu de la première année civile suivant l'année dans laquelle le titre de séjour est obtenu.
Art. 14. Aan het begin van elk schooljaar wordt gecontroleerd of de beoordeling op basis van artikel 12 correct is voor het kalenderjaar waarvan de inkomsten worden beoordeeld bij het begin van het schooljaar in kwestie.
Art. 14. Au début de chaque année scolaire, il est vérifié si l'évaluation prévue à l'article 12 est correcte pour l'année civile dont les revenus sont évalués au début de l'année scolaire en question.
HOOFDSTUK 6. - Alarmbelprocedure
CHAPITRE 6. - Procédure de sonnette d'alarme
Art. 15. De personen die geen selectieve participatietoeslagen ontvangen onder toepassing van de automatische procedure, vermeld in hoofdstuk 5, kunnen bewijzen dat hun gezinsinkomen voldoet aan de inkomensgrenzen door een verzoek tot toekenning of herziening te richten aan de uitbetalingsactor. Het verzoek tot toekenning of herziening bevat bewijsstukken van minstens zes maanden die aantonen dat het gezinsinkomen in het kalenderjaar waarin het schooljaar is gestart, onder de inkomensgrenzen, vermeld in artikel 20, tweede lid, ligt.
Art. 15. Les personnes qui ne bénéficient pas d'allocations de participation sélectives en vertu de la procédure automatique visée au chapitre 5 peuvent prouver que leur revenu familial répond aux limites de revenu en présentant une demande d'octroi ou de révision à l'acteur de paiement. La demande d'octroi ou de révision contient des pièces justificatives prouvant, sur au moins six mois, que le revenu familial de l'année civile au cours de laquelle l'année scolaire a commencé est inférieur aux limites de revenu visées à l'article 20, alinéa 2.
Art. 16. Aan het begin van elk schooljaar wordt gecontroleerd of de beoordeling op basis van artikel 15 correct is voor het kalenderjaar waarvan de inkomsten worden beoordeeld bij het begin van het schooljaar in kwestie.
Art. 16. Au début de chaque année scolaire, il est vérifié si l'évaluation prévue à l'article 15 est correcte pour l'année civile dont les revenus sont évalués au début de l'année scolaire en question.
HOOFDSTUK 7. - Procedurele voorwaarden
CHAPITRE 7. - Conditions procédurales
Art. 17. De meerderjarige leerling of de wettelijke vertegenwoordiger kan de uitbetalingsactor verzoeken de toeslag geheel of gedeeltelijk uit te betalen aan een openbare instelling die de persoon aan wie de selectieve participatietoeslag wordt uitbetaald, begeleidt ter bescherming van zijn financiële belangen.
Art. 17. L'élève majeur ou son représentant légal peut demander à l'acteur de paiement de payer l'allocation en tout ou en partie à un organisme public qui encadre la personne à laquelle l'allocation de participation sélective est payée afin de protéger ses intérêts financiers.
Art. 18. Als een leerling aangeeft dat hij behoort tot een gezin als vermeld in artikel 38, § 1, 3°, 4° of 5°, van [1 het Groeipakketdecreet van 27 april 2018]1, maar conform artikel 38, § 4, van het voormelde decreet deel uitmaakt van een gezin als vermeld in artikel 38 1, 1° of 2°, van het voormelde decreet, worden de gegevens over de inkomsten bij de toekenning of afwijzing van het verzoek niet meegedeeld aan de leerling door de uitbetalingsactoren.
In afwijking van het eerste lid wordt het inkomen van het gezin, vermeld in artikel 38, § 1, 1° en 2°, van het voormelde decreet, in de beroepsbeslissing van de geschillencommissie meegedeeld aan de leerling die bij zijn verzoek heeft aangegeven dat hij behoort tot een gezin als vermeld in artikel 38, § 1, 3°, 4° of 5°, van het voormelde decreet, als dat inkomen met toepassing van artikel 38, § 4, van het voormelde decreet berekend is op basis van de inkomsten van de gezinnen, vermeld in artikel 38, § 1, 1° en 2°, van het voormelde decreet.
Art. 18. Lorsque l'élève indique qu'il appartient à un ménage tel que visé à l'article 38, § 1er, 3°, 4° ou 5° du [1 décret relatif au Panier de croissance de 2018]1, mais qu'en vertu de l'article 38, § 4 du décret précité il fait partie d'un ménage tel que visé à l'article 38, § 1er, 1° ou 2° du décret précité, les données relatives aux revenus ne sont pas communiquées à l'élève par les acteurs de paiement lors de l'octroi ou du refus de la demande.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le revenu du ménage, visé à l'article 38, § 1er, 1° et 2° du décret précité, est communiqué dans la décision de recours de la commission de litiges à l'élève qui, lors de sa demande, a indiqué qu'il appartient à un ménage tel que visé à l'article 38, § 1er, 3°, 4° ou 5° du décret précité, si ce revenu, en application de l'article 38, § 4 du décret précité, a été calculé sur la base des revenus des ménages visés à l'article 38, § 1er, 1° et 2° du décret précité.
Art. 19. De aanvraag van een selectieve participatietoeslag kan op zijn vroegste op 1 augustus van het schooljaar in kwestie worden ingediend.
Het verzoek wordt ingediend met een formulier dat het agentschap ter beschikking stelt, en wordt met de post, op elektronische wijze of via neerlegging bezorgd aan de betrokken uitbetalingsactor. Als het verzoek met de post is verstuurd, geldt de poststempel als bewijs van de datum van indiening. Als het verzoek digitaal is bezorgd, geldt de datum van indiening die op het ontvangstbericht van de dienst vermeld is, als bewijs van de datum van indiening.
Art. 19. La demande d'une allocation de participation sélective peut être introduite au plus tôt le 1er août de l'année scolaire en question.
La demande est introduite au moyen d'un formulaire mis à disposition par l'agence et est transmise par courrier, par voie électronique ou par dépôt auprès de l'acteur de paiement concerné. Si la demande est envoyée par la poste, le cachet de la poste fait foi de date d'introduction de la demande. Si la demande est transmise par voie électronique, la date d'introduction indiquée sur l'accusé de réception du service fait foi.
HOOFDSTUK 8. - Inkomensgrenzen
CHAPITRE 8. - Revenus minimaux
Art. 20. De volgende minimuminkomensgrenzen gelden als minimuminkomensgrenzen als vermeld in artikel 43, § 1, 1°, van [1 het Groeipakketdecreet van 27 april 2018]1:
1° 11.808,74 euro voor een gezin met nul punten;
2° 20.465,08 euro voor een gezin met een punt;
3° 23.089,01 euro voor een gezin met twee punten;
4° 25.296,38 euro voor een gezin met drie punten;
5° 26.629,19 euro voor een gezin met vier punten;
6° 27.948,13 euro voor een gezin met vijf punten;
7° 29.266,99 euro voor een gezin met zes punten;
8° 30.585,88 euro voor een gezin met zeven punten;
9° 31.904,76 euro voor een gezin met acht punten;
10° 33.223,65 euro voor een gezin met negen punten;
11° 34.542,54 euro voor een gezin met tien punten;
12° 35.861,49 euro voor een gezin met elf punten;
13° 37.180,34 euro voor een gezin met twaalf punten;
14° 38.499,24 euro voor een gezin met dertien punten;
15° 39.818,18 euro voor een gezin met veertien punten;
16° 41.102,63 euro voor een gezin met vijftien punten;
17° 42.312,77 euro voor een gezin met zestien punten;
18° 43.522,91 euro voor een gezin met zeventien punten;
19° 44.733,01 euro voor een gezin met achttien punten;
20° 45.943,15 euro voor een gezin met negentien punten;
21° 47.153,27 euro voor een gezin met twintig punten.
De volgende maximuminkomensgrenzen gelden als maximuminkomensgrenzen als vermeld in artikel 43, § 1, 2°, van het voormelde decreet:
1° 24.153,07 euro voor een gezin met nul punten;
2° 33.916,35 euro voor een gezin met een punt;
3° 41.490,60 euro voor een gezin met twee punten;
4° 47.089,41 euro voor een gezin met drie punten;
5° 53.159,68 euro voor een gezin met vier punten;
6° 60.644,35 euro voor een gezin met vijf punten;
7° 65.712,70 euro voor een gezin met zes punten;
8° 68.426,73 euro voor een gezin met zeven punten;
9° 71.107,47 euro voor een gezin met acht punten;
10° 73.794,25 euro voor een gezin met negen punten;
11° 76.652,59 euro voor een gezin met tien punten;
12° 79.167,95 euro voor een gezin met elf punten;
13° 81.969,06 euro voor een gezin met twaalf punten;
14° 84.598,76 euro voor een gezin met dertien punten;
15° 87.285,60 euro voor een gezin met veertien punten;
16° 89.972,35 euro voor een gezin met vijftien punten;
17° 92.659,23 euro voor een gezin met zestien punten;
18° 95.346,02 euro voor een gezin met zeventien punten;
19° 98.032,81 euro voor een gezin met achttien punten;
20° 100.719,71 euro voor een gezin met negentien punten;
21° 103.406,48 euro voor een gezin met twintig punten.
Art. 20. Les revenus minimaux suivants valent comme revenus minimaux tels que visés à l'article 43, § 1er, 1° du [1 décret relatif au Panier de croissance de 2018]1 :
1° 11 808,74 euros pour un ménage avec zéro points ;
2° 20 465,08 euros pour un ménage avec un point ;
3° 23 089,01 euros pour un ménage avec deux points ;
4° 25 296,38 euros pour un ménage avec trois points ;
5° 26 629,19 euros pour un ménage avec quatre points ;
6° 27 948,13 euros pour un ménage avec cinq points ;
7° 29 266,99 euros pour un ménage avec six points ;
8° 30 585,88 euros pour un ménage avec sept points ;
9° 31 904,76 euros pour un ménage avec huit points ;
10° 33 223,65 euros pour un ménage avec neuf points ;
11° 34 542,54 euros pour un ménage avec dix points ;
12° 35 861,49 euros pour un ménage avec onze points ;
13° 37 180,34 euros pour un ménage avec douze points ;
14° 38 499,24 euros pour un ménage avec treize points ;
15° 39 818,18 euros pour un ménage avec quatorze points ;
16° 41 102,63 euros pour un ménage avec quinze points ;
17° 42 312,77 euros pour un ménage avec seize points ;
18° 43 522,91 euros pour un ménage avec dix-sept points ;
19° 44 733,01 euros pour un ménage avec dix-huit points ;
20° 45 943,15 euros pour un ménage avec dix-neuf points ;
21° 47 153,27 euros pour un ménage avec vingt points.
Les revenus maximaux suivants valent comme revenus maximaux tels que visés à l'article 43, § 1er, 2° du décret précité :
1° 24 153,07 euros pour un ménage avec zéro points ;
2° 33 916,35 euros pour un ménage avec un point ;
3° 41 490,60 euros pour un ménage avec deux points ;
4° 47 089,41 euros pour un ménage avec trois points ;
5° 53 159,68 euros pour un ménage avec quatre points ;
6° 60 644,35 euros pour un ménage avec cinq points ;
7° 65 712,70 euros pour un ménage avec six points ;
8° 68 426,73 euros pour un ménage avec sept points ;
9° 71 107,47 euros pour un ménage avec huit points ;
10° 73 794,25 euros pour un ménage avec neuf points ;
11° 76 652,59 euros pour un ménage avec dix points ;
12° 79 167,95 euros pour un ménage avec onze points ;
13° 81 969,06 euros pour un ménage avec douze points ;
14° 84 598,76 euros pour un ménage avec treize points ;
15° 87 285,60 euros pour un ménage avec quatorze points ;
16° 89 972,35 euros pour un ménage avec quinze points ;
17° 92 659,23 euros pour un ménage avec seize points ;
18° 95 346,02 euros pour un ménage avec dix-sept points ;
19° 98 032,81 euros pour un ménage avec dix-huit points ;
20° 100 719,71 euros pour un ménage avec dix-neuf points ;
21° 103 406,48 euros pour un ménage avec vingt points.
HOOFDSTUK 9. - Slotbepalingen
CHAPITRE 9. - Dispositions finales
Art. 21. Dit besluit treedt in werking op 1 september 2019.
Art. 21. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er septembre 2019.
Art. 22. De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 22. Le ministre flamand ayant l'assistance aux personnes dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.