Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
15 MAART 2019. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014 met het oog op technische aanpassingen
Titre
15 MARS 2019. - Arrêté du Gouvernement flamand modifiant l'Arrêté relatif au Patrimoine immobilier du 16 mai 2014 en vue de la mise en oeuvre d'ajustements techniques
Informations sur le document
Numac: 2019040806
Datum: 2019-03-15
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2019040806
Date: 2019-03-15
Moniteur: Voir
Tekst (10)
Texte (10)
Artikel 1. In artikel 5.4.7 van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2018, worden de woorden "geen akte neemt van de archeologienota of er voorwaarden aan koppelt" vervangen door de zinsnede "akte neemt van de archeologienota, er geen akte van neemt of er voorwaarden aan koppelt".
Article 1er. Dans l'article 5.4.7 de l'Arrêté relatif au Patrimoine immobilier du 16 mai 2014, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 2018, les mots " ne prend pas acte de la note archéologique ou y associe des conditions " sont remplacés par les mots " prend acte de la note archéologique, n'en prend pas acte ou y associe des conditions ".
Art. 2. In artikel 5.4.10 van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2018, worden de woorden "geen akte neemt van de nota of er voorwaarden aan koppelt" vervangen door de zinsnede "akte neemt van de nota, er geen akte van neemt of er voorwaarden aan koppelt".
Art. 2. Dans l'article 5.4.10 de l'Arrêté relatif au Patrimoine immobilier du 16 mai 2014, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 2018, les mots " ne prend pas acte de la note ou y associe des conditions " sont remplacés par les mots " prend acte de la note, n'en prend pas acte ou y associe des conditions ".
Art. 3. In artikel 5.6.1, eerste lid van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2018 worden punt 2 en 3 vervangen door wat volgt :
  "2° het akte nemen van de archeologienota, het niet akte nemen daarvan of het koppelen van voorwaarden daaraan;
  3° het akte nemen van de nota, het niet akte nemen daarvan of het koppelen van voorwaarden daaraan;".
Art. 3. Dans l'article 5.6.1, alinéa 1er de l'Arrêté relatif au Patrimoine immobilier du 16 mai 2014, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 2018, 2° et 3° sont remplacés par ce qui suit :
  " 2° la prise d'acte de la note archéologique, l'absence de prise d'acte de celle-ci ou le fait d'y associer des conditions ;
  3° la prise d'acte de la note, l'absence de prise d'acte de celle-ci ou le fait d'y associer des conditions ; ".
Art. 4. In artikel 8.3.11 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2017 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2018, worden het derde en vierde lid vervangen door wat volgt :
  "De Vlaamse Regering kan bij de Commissie en bij de adviesinstantie, vermeld in artikel 16undecies, § 2, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, over het beroep advies inwinnen. De Commissie en de adviesinstantie beschikken over een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de adviesvraag, om over het beroep een advies uit te brengen. Als het advies niet tijdig wordt verleend, wordt aan de adviesvraag voorbijgegaan.
  De Vlaamse Regering neemt een beslissing over het beroep binnen een termijn van zestig dagen, die ingaat de dag na de ontvangst van het beroepschrift. De beslissing wordt schriftelijk aan de indiener van het beroep bezorgd.".
Art. 4. Dans l'article 8.3.11 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juillet 2017 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 2018, les alinéas 3 et 4 sont remplacés par ce qui suit :
  " Le Gouvernement flamand peut solliciter l'avis de la Commission et de l'instance consultative, visée à l'article 16undecies, § 2, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, concernant le recours. La Commission et l'instance consultative disposent d'un délai de trente jours calendaires, qui prend cours le jour après la réception de la demande d'avis, pour émettre un avis concernant le recours. Lorsque l'avis n'est pas rendu endéans le délai imparti, il est passé outre la demande d'avis.
  Le Gouvernement flamand prend une décision concernant le recours dans un délai de soixante jours calendaires, qui prend cours le jour après la réception du recours. La décision est portée à la connaissance du requérant par écrit.
Art. 5. In artikel 11.2.30 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2018, worden de woorden "per beveiligde zending" vervangen door het woord "schriftelijk".
Art. 5. Dans l'article 11.2.30 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 2018, les mots " par envoi sécurisé " sont remplacés par les mots " par écrit ".
Art. 6. Aan hoofdstuk 11 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij Besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2018, wordt een afdeling 10, die bestaat uit artikel 11.10.1 tot en met 11.10.10, toegevoegd, die luidt als volgt :
  "Afdeling 10. Premie voor archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem
  Onderafdeling 1. Archeologisch vooronderzoek waarvoor geen premie voor archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem wordt toegekend
  Art. 11.10.1. Er wordt geen premie voor archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem toegekend voor :
  1° archeologische vooronderzoeken met ingreep in de bodem bij projecten die vallen onder het toepassingsgebied van artikel 5.4.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en waarbij een overeenkomst werd gesloten tot eigendomsovergang van een te bouwen, of in aanbouw zijnd huis of appartement, mits het huis of het appartement tot huisvesting of tot beroepsdoeleinden en huisvesting is bestemd en de koper of de opdrachtgever volgens de overeenkomst verplicht is vóór de voltooiing van het gebouw een of meer stortingen te doen;
  2° archeologische vooronderzoeken met ingreep in de bodem bij projecten die vallen onder het toepassingsgebied van artikel 5.4.1 van het voormelde decreet, van opdrachtgevers of verkrijgers wier werkzaamheid erin bestaat gebouwen op te richten, te laten oprichten of te verwerven, al dan niet om ze onder bezwarende titel te vervreemden;
  3° archeologische vooronderzoeken met ingreep in de bodem bij projecten die vallen onder het toepassingsgebied van artikel 5.4.1 van het voormelde decreet, waarbij de opdrachtgevers op regelmatige basis optreden als opdrachtgevers van een bouwproject;
  4° archeologische vooronderzoeken met ingreep in de bodem bij projecten die vallen onder het toepassingsgebied van artikel 5.4.1 van het voormelde decreet, van opdrachtgevers die beschouwd kunnen worden als onderdeel van een groep of een sector die op regelmatige basis optreedt als opdrachtgever van projecten die vallen onder het toepassingsgebied van artikel 5.4.1 van het voormelde decreet;
  5° archeologische vooronderzoeken met ingreep in de bodem waarvoor al een erfgoedpremie of onderzoekspremie is toegekend.
  In het eerste lid, 3° en 4°, wordt verstaan onder op regelmatige basis optreden als opdrachtgever van een project dat valt onder het toepassingsgebied van artikel 5.4.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 : de opdrachtgevers die in de drie jaar die voorafgaan aan de aanvraag van een premie voor archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem, minstens één handeling aangevat hebben die valt onder het toepassingsgebied van artikel 5.4.1 en 5.4.2 van het voormelde decreet.
  Onderafdeling 2. Archeologisch vooronderzoek waarvoor een premie voor archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem kan worden aangevraagd
  Art. 11.10.2. Binnen de perken van de daarvoor op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap beschikbare kredieten kan een premie voor archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem worden toegekend.
  Art. 11.10.3. Een premie voor archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem kan worden toegekend voor archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem bij projecten die vallen onder het toepassingsgebied van artikel 5.4.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, van natuurlijke personen en van kleinschalige ondernemingen of kleinschalige verenigingen.
  Om in aanmerking te komen voor een premie voor archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem :
  1° moet het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem uitgevoerd zijn overeenkomstig het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, dit besluit, de omschrijving in de toelating of de archeologienota waarvan akte is genomen;
  2° mogen de premienemer en de natuurlijke persoon, kleinschalige onderneming of kleinschalige vereniging, vermeld in het eerste lid, de laatste tien jaar bij definitieve gerechtelijke of bestuurlijke beslissing niet schuldig bevonden zijn aan deelname aan een inbreuk of een misdrijf als vermeld in het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg, het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, dit besluit of erfgoedwetgeving van een lidstaat van de Europese Unie.
  Onderafdeling 3. Bedrag van de premie voor archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem
  Art. 11.10.4. De premie voor archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem wordt berekend door de variabelen die overeenstemmen met het uitgevoerde vooronderzoek met ingreep in de bodem, toe te passen op de forfaitaire basiskosten, en dat bedrag te vermenigvuldigen met 80%.
  De minister stelt de forfaitaire basiskosten en de variabelen vast. Voor de berekening van de premie voor archeologisch onderzoek met ingreep in de bodem zijn de forfaitaire basiskosten en de variabelen van toepassing die golden op het moment van de aanvang van het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem.
  Art. 11.10.5. Het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem mag ook gefinancierd worden met andere overheidsbijdragen. De gezamenlijke overheidsbijdragen, met inbegrip van eventuele Europese middelen, kunnen evenwel niet meer bedragen dan de toepassing van de variabelen die overeenstemmen met het uitgevoerde vooronderzoek met ingreep in de bodem op de forfaitaire basiskosten, zoals vastgesteld door de minister.
  Onderafdeling 4. Aantal premies voor archeologisch onderzoek met ingreep in de bodem per verplicht uit te voeren onderzoek
  Art. 11.10.6. In het kader van een verplicht uit te voeren archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem kan hoogstens één premie voor archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem toegekend worden.
  In het eerste lid wordt verstaan onder verplicht uit te voeren archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem : alle methodes van archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem die de erkende archeoloog overeenkomstig de code van goede praktijk moet uitvoeren om de archeologienota en, in voorkomend geval, de nota op te maken.
  Onderafdeling 5. Aanvragen van een premie voor archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem
  Art. 11.10.7. Een premienemer dient de aanvraag van een premie voor archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem in bij het agentschap.
  Het aanvraagdossier bevat een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier dat ter beschikking wordt gesteld op de website van het agentschap.
  De minister kan de nadere regels voor de inhoud van het aanvraagdossier bepalen.
  Art. 11.10.8. De premie voor archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem kan aangevraagd worden vanaf de aktename van de archeologienota tot 120 dagen erna.
  Als de archeologienota uitgesteld archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem als maatregel bevat omdat toepassing is gemaakt van de procedure, vermeld in artikel 5.4.12 tot en met 5.4.19 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, kan de premie pas aangevraagd worden vanaf de aktename van de nota die volgt op de uitvoering van dat uitgestelde vooronderzoek met ingreep in de bodem, tot 120 dagen erna.
  Onderafdeling 6. Vastlegging en uitbetaling van de premie voor archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem
  Art. 11.10.9. Het agentschap gaat na of de aanvraag voldoet aan artikel 11.10.7. Als de aanvraag onvolledig is, kan het agentschap binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de dag waarop de aanvraag is ingediend, de aanvrager schriftelijk vragen om de ontbrekende gegevens of documenten bij de aanvraag te voegen, en de termijn bepalen waarbinnen dat moet gebeuren.
  Het agentschap beslist over de aanvraag binnen een termijn van negentig dagen, die ingaat op de dag na de dag waarop de volledige aanvraag is ontvangen. De aanvrager wordt hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.
  In geval van akkoord wordt de premie voor archeologisch vooronderzoek vastgelegd, waarna een afschrift van dit besluit schriftelijk aan de aanvrager wordt bezorgd en het agentschap overgaat tot de uitbetaling van de premie.
  Art. 11.10.10. De vastlegging of de uitbetaling van een aangevraagde premie voor archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem zal worden opgeschort als de premienemer tijdens het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem of na afloop ervan beschuldigd wordt van deelname aan een inbreuk of een misdrijf als vermeld in artikel 11.2.2 en 11.2.4, § 1, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.
  Het recht op een premie voor archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem vervalt definitief als de premienemer bij definitieve gerechtelijke of bestuurlijke beslissing schuldig bevonden wordt aan een deelname aan de inbreuk of het misdrijf, vermeld in het eerste lid. Ten onrechte uitgekeerde bedragen zullen in dat geval ook teruggevorderd worden.".
Art. 6. Au chapitre 11 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 2018, il est ajouté une section 10, constituée des articles 11.10.1 à 11.10.10 inclus, rédigée comme suit :
  " Section 10. Prime pour une étude archéologique préliminaire avec intervention dans le sol
  Sous-section 1ère. Etude archéologique préliminaire qui n'est pas éligible à une prime pour une étude archéologique préliminaire avec intervention dans le sol
  Art. 11.10.1. La prime pour une étude archéologique préliminaire avec intervention dans le sol n'est pas octroyée pour :
  1° des études archéologiques préliminaires avec intervention dans le sol dans le cadre de projets relevant du champ d'application de l'article 5.4.1 du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, à l'occasion desquels une convention a été conclue pour le transfert de propriété d'une habitation ou d'un appartement à construire ou en voie de construction, à condition que l'habitation ou l'appartement soient affectés au logement ou à des fins professionnelles, et que l'acheteur ou le donneur d'ordre soit tenu, aux termes de la convention, d'effectuer un ou plusieurs versements avant l'achèvement du bâtiment ;
  2° des études archéologiques préliminaires avec intervention dans le sol dans le cadre de projets relevant du champ d'application de l'article 5.4.1 du décret précité, mises en oeuvre par des donneurs d'ordre ou des acquéreurs dont l'activité consiste à ériger ou faire ériger des bâtiments ou à les acquérir, le cas échéant, pour les aliéner par la suite à titre onéreux ;
  3° des études archéologiques préliminaires avec intervention dans le sol dans le cadre de projets relevant du champ d'application de l'article 5.4.1 du décret précité, dont les donneurs d'ordre agissent en la qualité de donneurs d'ordre d'un projet de construction sur une base régulière ;
  4° des études archéologiques préliminaires avec intervention dans le sol dans le cadre de projets relevant du champ d'application de l'article 5.4.1 du décret précité, mises en oeuvre par des donneurs d'ordre qui peuvent être considérés comme faisant partie d'un groupe ou d'un secteur agissant sur une base régulière en la qualité de donneur d'ordre de projets relevant du champ d'application de l'article 5.4.1 du décret précité ;
  5° des études préliminaires avec intervention dans le sol pour lesquelles une prime du patrimoine ou une prime de recherche ont été octroyées.
  Dans l'alinéa 1er, 3° et 4°, il faut entendre par " agissant sur une base régulière en la qualité de donneur d'ordre de projets relevant du champ d'application de l'article 5.4.1 du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 " : les donneurs d'ordre qui dans les trois années précédant la demande d'une prime pour une étude archéologique préliminaire avec intervention dans le sol, ont entrepris au moins un acte qui relève du champ d'application des articles 5.4.1 et 5.4.2 du décret précité.
  Sous-section 2. Etude archéologique préliminaire pour laquelle une prime pour une étude archéologique préliminaire avec intervention dans le sol peut être demandée
  Art. 11.10.2. Dans les limites des crédits disponibles à cette fin au budget de la Communauté flamande, une prime pour une étude archéologique préliminaire avec intervention dans le sol peut être octroyée.
  Art. 11.10.3. Une prime pour une étude archéologique préliminaire avec intervention dans le sol peut être octroyée pour une étude archéologique préliminaire avec intervention dans le sol dans le cadre de projets relevant du champ d'application de l'article 5.4.1 du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, entreprise par des personnes physiques et des entreprises de petite envergure ou des associations de petite envergure.
  Pour être éligible à une prime pour une étude archéologique préliminaire avec intervention dans le sol :
  1° l'étude archéologique préliminaire avec intervention dans le sol doit être mise en oeuvre conformément au décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, au présent arrêté, à la description dans l'autorisation ou dans la note archéologique dont il a été pris acte ;
  2° le preneur de prime et la personne physique, l'entreprise ou l'association de petite envergure, visés à l'alinéa 1er, ne peuvent pas, au cours des dix dernières années, avoir été jugés coupables par décision judiciaire ou administrative définitives de participation à une infraction ou à un délit, tels que visés au décret du 3 mars 1976 réglant la protection des monuments et des sites urbains et ruraux, au décret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archéologique, au décret du 16 avril 1996 relatif à la protection des sites ruraux, au décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, au présent arrêté ou à la législation en matière de patrimoine d'un Etat membre de l'Union européenne.
  Sous-section 3. Montant de la prime pour une étude archéologique préliminaire avec intervention dans le sol
  Art. 11.10.4. La prime pour une étude archéologique préliminaire avec intervention dans le sol est calculée par l'application aux frais forfaitaires de base des variables correspondant à l'étude préliminaire réalisée et par la multiplication de ce montant par 80%.
  Le ministre fixe les frais forfaitaires de base et les variables. Lors du calcul de la prime pour une étude archéologique avec intervention dans le sol, les frais forfaitaires de base et les variables sont utilisés, tels qu'ils s'appliquaient au moment du début de l'étude archéologique préliminaire avec intervention dans le sol.
  Art. 11.10.5. L'étude archéologique préliminaire avec intervention dans le sol peut également être financée au moyen d'autres fonds publics. Le total des fonds publics, en ce compris d'éventuels moyens européens, ne peut toutefois pas être supérieur au montant obtenu par l'application aux frais forfaitaires de base des variables correspondant à l'étude préliminaire réalisée avec intervention dans le sol, tels qu'ils ont été fixés par le ministre.
  Sous-section 4. Nombre de primes pour une étude archéologique avec intervention dans le sol par étude obligatoire
  Art. 11.10.6. Dans le cadre d'une étude archéologique préliminaire obligatoire avec intervention dans le sol, au maximum une seule prime pour une étude archéologique préliminaire avec intervention dans le sol peut être octroyée.
  Dans l'alinéa 1er, il faut entendre par " étude archéologique préliminaire obligatoire avec intervention dans le sol " : toutes les méthodes d'une étude archéologique préliminaire avec intervention dans le sol que l'archéologue agréé est censé mettre en oeuvre, conformément au code de bonne pratique pour rédiger la note archéologique et, le cas échéant, la note.
  Sous-section 5. Demandes d'une prime pour une étude archéologique préliminaire avec intervention dans le sol
  Art. 11.10.7. Le preneur de prime introduit la demande d'une prime pour une étude archéologique préliminaire avec intervention dans le sol auprès de l'agence.
  Le dossier de demande comprend un formulaire de demande dûment rempli et signé, qui est mis à disposition sur le site web de l'agence.
  Le Ministre peut arrêter les modalités du contenu du dossier de demande.
  Art. 11.10.8. La prime pour une étude archéologique préliminaire avec intervention dans le sol peut être demandée à partir de la prise d'acte de la note archéologique jusqu'à 120 jours après.
  Si la note archéologique fait état d'une étude archéologique préliminaire reportée avec intervention dans le sol en tant que mesure, sur la base de l'application de la procédure visée aux articles 5.4.12 à 5.4.19 inclus du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, la prime ne peut être demandée qu'à partir de la prise d'acte de la note qui fait suite à la mise en oeuvre de cette étude préliminaire reportée avec intervention dans le sol, jusqu'à 120 jours après.
  Sous-section 6. Fixation et paiement de la prime pour une étude archéologique préliminaire avec intervention dans le sol
  Art. 11.10.9. L'agence vérifie si la demande est conforme à l'article 11.10.7. Si la demande est incomplète, l'agence peut solliciter le demandeur par écrit et dans un délai de trente jours, qui prend cours le jour après le jour auquel la demande a été introduite, d'ajouter les données ou documents manquants à la demande et peut définir le délai endéans lequel cet ajout doit être réalisé.
  L'agence prend une décision concernant la demande dans un délai de nonante jours, qui prend cours le jour après le jour auquel la demande complète a été reçue. Le demandeur en est informé par écrit.
  En cas d'accord, la prime pour l'étude archéologique préliminaire est fixée et une copie du présent arrêté est transmise au demandeur par écrit, après quoi l'agence procède au paiement de la prime.
  Art. 11.10.10. La fixation ou le paiement d'une prime demandée pour une étude archéologique préliminaire avec intervention dans le sol seront suspendus si, au cours de l'étude archéologique préliminaire avec intervention dans le sol ou après la fin de celle-ci, le preneur de primeur est jugé coupable de participation à une infraction ou à un délit, tels que visés aux articles 11.2.2. et 11.2.4, § 1er, du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013.
  Le droit à une prime pour une étude archéologique préliminaire avec intervention dans le sol échoit définitivement si le preneur de prime est jugé coupable de participation à l'infraction ou au délit, visés dans l'alinéa 1er par décision juridique ou administrative définitives. Dans ce cas, les montants indûment payés seront recouvrés. ".
Art. 7. Artikel 143 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2018 houdende de wijziging van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014, het Varenderfgoedbesluit van 27 november 2015 en besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is naar aanleiding van de ex-post evaluatie wordt opgeheven.
Art. 7. L'article 143 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 2018 modifiant l'Arrêté relatif au Patrimoine immobilier du 16 mai 2014, l'Arrêté relatif au patrimoine nautique du 27 novembre 2015 et l'Arrêté du Gouvernement flamand du 16 juillet 2010 portant détermination des actes urbanistiques qui ne requièrent pas de permis d'environnement à la suite de l'évaluation ex-post, est abrogé.
Art. 8. In artikel 159, 2°, en artikel 161 van hetzelfde besluit wordt de zinsnede "artikel 143," opgeheven.
Art. 8. Dans l'article 159, 2° et l'article 161 du même arrêté, le membre de phrase " article 143, " est abrogé.
Art. 9. Artikel 1 tot en met 6 treden in werking op 1 april 2019.
  Artikel 7 en 8 treden in werking op 31 maart 2019.
Art. 9. Les articles 1 à 6 inclus entrent en vigueur le 1er avril 2019.
  Les articles 7 et 8 entrent en vigueur le 31 mars 2019.
Art. 10. De Vlaamse minister, bevoegd voor het onroerend erfgoed, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 10. Le Ministre flamand ayant le patrimoine immobilier dans ses attributions, est chargé de l'exécution du présent arrêté.