Artikel 1. § 1. Het onderhavige decreet is van toepassing op kleuteronderwijs, basis- en middelbaar onderwijs, onderwijs voor sociale promotie, kunstonderwijs en afstandsonderwijs ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap.
Het is ook van toepassing op psychisch-medisch-sociale centra ingericht [2 en de territoriale clusters]2 en gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap.
§ 2. Voor de toepassing van het onderhavige decreet moet worden verstaan onder:
1° `sturingscommissie': de sturingscommissie opgericht door het decreet van 27 maart 2002 betreffende de sturing van het onderwijssysteem van de Franse Gemeenschap;
2° `takendecreet': het decreet van 24 juli 1997 dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren;
[3 '2° /1 'Wetboek': het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs;]3
3° [3 kleuteronderwijs, lager onderwijs en lager secundair onderwijs, georganiseerd in een gemeenschappelijke kern zoals bedoeld in artikel 1.2.1-5 van het Wetboek]3;
4° [1 het Netoverschrijdend instituut voor voortgezette beroepsopleiding ": het Netoverschrijdend instituut voor voortgezette beroepsopleiding, opgericht bij artikel 25 van het decreet van 11 juli 2002 betreffende het Netoverschrijdend instituut voor voortgezette beroepsopleiding (IFPC);]1
5° [3 het hoger secundair onderwijs georganiseerd in een kwalificatie- en overgangsafdeling zoals bedoeld in artikel 1.2.1-6 van het Wetboek]3
6° `scholen' of `onderwijsinrichtingen': de onderwijsinrichtingen. Voor de toepassing van de bepalingen betreffende de inspectie in het afstandsonderwijs, worden de scholen of onderwijsinrichtingen geacht tot het afstandsonderwijs te behoren;
7° `PMS-centra': [3 het psycho-medisch-sociaal centrum bedoeld in de wet van 1 april 1960 betreffende de psycho-medisch-sociale centra]3;
8° `zonedirecteur': het [3 personeelslid ]3 van de Algemene Dienst Sturing van scholen en psychisch-medisch-sociale centra bedoeld in artikel 3, § 2, 1°, van het decreet van 13 september 2018 tot oprichting van de Algemene Dienst Sturing van scholen en psychisch-medisch-sociale centra en tot bepaling van het statuut van de zonedirecteurs en afgevaardigden voor de doelstellingenovereenkomst [3 ...]3;
9° `afgevaardigde van de doelstellingenovereenkomst': het [3 personeelslid]3 van de Algemene Dienst Sturing van scholen en psychisch-medisch-sociale centra bedoeld in artikel 3, § 2, 2°, van het decreet van 13 september 2018 tot oprichting van de Algemene Dienst Sturing van scholen en psychisch-medisch-sociale centra en tot bepaling van het statuut van de zonedirecteurs en afgevaardigden voor de doelstellingenovereenkomst[3 ...]3;
10° `cel voor coördinatiebemiddeling': de cel voor coördinatiebemiddeling opgericht door artikel 61 van het takendecreet;
11° `doelstellingenovereenkomst': de overeenkomst bedoeld in artikel [3 1.5.2-2 van het Wetboek]3;
12° `sturingsplan': het plan bedoeld in artikel [3 .5.2-1 van het Wetboek]3;
13° `aanpassingshulpmiddel': het hulpmiddel bedoeld in artikel [3 1.5.2-16 van het Wetboek]3;
14° `samenwerkingsprotocol': het protocol bedoeld in artikel [3 1.5.2-17 van het Wetboek]3;
15° `werkdagen': kalenderdagen behalve zaterdagen, zondagen en wettelijke feestdagen [3 ;]3
[2 [3 16° opvoedend team': het opvoedend team bedoeld in artikel 1.3.1-1, 32° van het Wetboek;]3.]2
[3 17° Multidisciplinair team van het PMS-centrum': het multidisciplinair team bedoeld in artikel 1.3.1-1, 33° /1van het Wetboek;]3
[3 18° Multidisciplinair team van de territoriale pool': het multidisciplinaire team bedoeld in artikel 1.3.1-1, 33° /2 van het WetboekQ;]3
[3 "'Casestudy': een diepgaande studie van een feit, een onderwerp, een fenomeen, een instelling of een groep mensen die oordeelkundig zijn gekozen op basis van de doelstellingen van de evaluatie. Het doel van de casestudy is het verstrekken van kwalitatieve en analytische informatie om te antwoorden op het hoe en waarom, door middel van een specifieke studie van een bepaalde casus. ]3
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
10 JANUARI 2019. - Decreet betreffende de [Algemene inspectiedienst](NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 26-02-2019 en tekstbijwerking tot 02-08-2024)
Titre
10 JANVIER 2019. - Décret relatif au [Service général de l'Inspection] NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 26-02-2019 et mise à jour au 10-01-2024)(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 26-02-2019 et mise à jour au 02-08-2024)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
TITEL I. - DE ALGEMENE INSPECTIEDIENST
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
HOOFDSTUK II. - De algemene inspectiedienst
TITEL II. [1 Toegang tot de ambten van inspecte...
HOOFDSTUK I. [1 Toegangsvoorwaarden ]1
HOOFDSTUK II. - Toelatingsproef [1 tot de stage]1
HOOFDSTUK III.
HOOFDSTUK IV. - Getuigschrift dat toegang geeft...
TITEL III. - Statuut van personeelsleden van de...
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
HOOFDSTUK II. - Plichten en onverenigbaarheden
AFDELING I. - Plichten
AFDELING II. - Onverenigbaarheden
HOOFDSTUK III. - Toegang tot de bevorderingsamb...
AFDELING I. - Toegang geeft tot de stage voor h...
ONDERAFDELING I. [1 Aanvang van de stage ]1
ONDERAFDELING 2. [1 Duur van de stage ]1
ONDERAFDELING 3. [1 Evaluatie ]1
ONDERAFDELING 4. [1 De beroepsopleiding en de ...
AFDELING II. - Voorlopige aanstelling in een be...
AFDELING III. - Het bevorderingsambt van coördi...
HOOFDSTUK IV. - Mandaat voor de uitoefening van...
AFDELING I. - Procedure en voorwaarden voor het...
AFDELING II. - Duur en uitoefening van het mandaat
AFDELING III. - Einde van het mandaat
HOOFDSTUK V. - Evaluatie in de loop van de loop...
HOOFDSTUK VI. - Opleiding tijdens de loopbaan
HOOFDSTUK VII. - Administratieve standen
AFDELING I. - Algemene bepalingen
AFDELING II. - Dienstactiviteit
AFDELING III. - Non-activiteit
AFDELING IV. - Terbeschikkingstelling
HOOFDSTUK VIII. - Tuchtregeling
AFDELING I. - Tuchtsancties
AFDELING II. - Schrapping van tuchtsancties
HOOFDSTUK IX. - Raad van beroep
HOOFDSTUK X. - Preventieve schorsing: administr...
HOOFDSTUK XI. - Ambtsneerlegging
TITEL IV. - OVERGANGS- EN WIJZIGINGSBEPALINGEN,...
HOOFDSTUK I. - Overgangsbepalingen
HOOFDSTUK II. - Wijzigingsbepalingen
HOOFDSTUK III. - Opheffingsbepaling
HOOFDSTUK IV. - Slotbepaling
BIJLAGE.
Table des matières
TITRE Ier. - DU SERVICE GENERAL DE L'INSPECTION
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales
CHAPITRE II. - Du Service général de l'Inspection
TITRE II. [1 De l'accès aux fonctions d'inspect...
CHAPITRE Ier. [1 Des conditions d'accès ]1
CHAPITRE II. - De l'épreuve d'admission [1 au s...
CHAPITRE III.
CHAPITRE IV. - De la certification donnant accè...
TITRE III. - Du statut des membres du personnel...
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales
CHAPITRE II. - Des devoirs et incompatibilités
SECTION Ire. - Des devoirs
SECTION II. - Des incompatibilités
CHAPITRE III. - De l'accès aux fonctions de pro...
SECTION Ire. - De l'admission au stage à la fon...
Sous -SECTION Ire. [1 De l'entrée en stage ]1
Sous -SECTION 2. [1 De la durée du stage ]1
Sous-section 3. [1 De l'évaluation ]1
Sous-section 4 [1 De la formation professionn...
SECTION II. - De la désignation à titre proviso...
SECTION III. - De la fonction de promotion des ...
CHAPITRE IV. - Du mandat pour l'exercice des fo...
SECTION Ire. - Procédure et conditions d'obtent...
SECTION II. - Durée et exercice du mandat
SECTION III. - Echéance du mandat
CHAPITRE V. - De l'évaluation en cours de carri...
CHAPITRE VI. - De la formation en cours de carr...
CHAPITRE VII. - Des positions administratives
SECTION Ire. - Dispositions générales
SECTION II. - De l'activité de service
SECTION III. - De la non-activité
SECTION IV. - De la disponibilité
CHAPITRE VIII. - Du régime disciplinaire
SECTION Ire. - Des sanctions disciplinaires
SECTION II. - De la radiation des sanctions dis...
CHAPITRE IX. - De la chambre de recours
CHAPITRE X. - De la suspension préventive: mesu...
CHAPITRE XI. - De la cessation des fonctions
TITRE IV. - DISPOSITIONS TRANSITOIRES ET MODIFI...
CHAPITRE Ier. - Dispositions transitoires
CHAPITRE II. - Dispositions modificatives
CHAPITRE III. - Disposition abrogatoire
CHAPITRE IV. - Disposition finale
ANNEXE.
Tekst (211)
Texte (212)
TITEL I. - DE ALGEMENE INSPECTIEDIENST
TITRE Ier. - DU SERVICE GENERAL DE L'INSPECTION
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales
Article 1er. § 1er. Le présent décret s'applique à l'enseignement fondamental, maternel, primaire, secondaire, de promotion sociale, artistique et à distance, organisé ou subventionné par la Communauté française.
Il s'applique également aux centres psycho-médico-sociaux [2 et aux pôles territoriaux ]2 organisés et subventionnés par la Communauté française.
§ 2. Pour l'application du présent décret, il y a lieu d'entendre par:
1° " Commission de pilotage ", la Commission de pilotage créée par le décret du 27 mars 2002 relatif au pilotage du système éducatif de la Communauté française;
2° " décret missions ": le décret du 24 juillet 1997 définissant les missions prioritaires de l'enseignement fondamental et de l'enseignement secondaire et organisant les structures propres à les atteindre;
[3 2° /1 " Code " : " le Code de l'enseignement fondamental et de l'enseignement secondaire]3
3° " Enseignement du continuum pédagogique ":[3 " l'enseignement maternel, l'enseignement primaire et le degré inférieur de l'enseignement secondaire, organisés en un tronc commun tel que visé à l'article 1.2.1-5 du Code "]3;
4° [1 " l'Institut interréseaux de la Formation professionnelle continue " : l'Institut interréseaux de la Formation professionnelle continue créé par l'article 25 du décret du 11 juillet 2002 relatif à l'Institut interréseaux de la Formation professionnelle continue (IFPC);]1
5° " Enseignement secondaire de transition et de qualification " : [3 le degré supérieur de l'enseignement secondaire organisé en une section de qualification et de transition tel que visé à l'article 1.2.1-6 du Code]3;
6° " Ecoles " ou " Etablissements d'enseignement ": les établissements d'enseignement. Pour l'application des dispositions relatives à l'inspection dans l'enseignement à distance, les écoles ou établissements d'enseignement s'entendent de l'enseignement à distance;
7° " [3 CPMS]3 ": [3 la définition est remplacée par les mots suivants : " le centre psycho-médico-social visé par la loi du 1er avril 1960 relative aux centres psycho-médico-sociaux ]3;
8° " Directeur de zone ": le membre [3 du personnel ]3 du Service général de Pilotage des Ecoles et des Centres psycho-médico-sociaux visé à l'article 3, § 2, 1°, du décret du 13 septembre 2018 portant création du Service général de pilotage des écoles et Centres psycho-médico-sociaux et fixant le statut des directeurs de zone et délégués au contrat d'objectifs [3 ...]3;
9° " Délégué au contrat d'objectifs ": le membre [3 du personnel]3 du Service général de Pilotage des Ecoles et Centres psycho-médico-sociaux visé à l'article 3, § 2, 2°, du décret du 13 septembre 2018 portant création du Service général de pilotage des écoles et Centres psycho-médico-sociaux et fixant le statut des directeurs de zone et délégués au contrat d'objectifs [3 ...]3;
10° [3 " Cellule intermédiaire de coordination " : la Cellule intermédiaire de coordination visée à l'article 1.6.1 2 du Code "]3;
11° " Contrat d'objectifs ": le contrat visé à l'article [3 1.5.2-2 du Code " ]3;
12° " Plan de pilotage ": le plan visé à l'article [3 1.5.2-1 du Code " ;]3;
13° " Dispositif d'ajustement ": le dispositif visé à l'article [3 1.5.2-16 du Code ]3;
14° " Protocole de collaboration ": le protocole visé à l'article[3 1.5.2-17, § 2, du Code]3;
15° " Jours ouvrables ": jours calendrier à l'exception du samedi, du dimanche et des jours fériés légaux[3 ;]3
[3 16° Equipe éducative " : l'équipe éducative visée à l'article 1.3.1-1, 32°, du Code ;]3
[3 17° Equipe pluridisciplinaire du Centre PMS " : l'équipe pluridisciplinaire visée à l'article 1.3.1-1, 33° /1, du Code ;]3
[3 18° Equipe pluridisciplinaire du pôle territorial " : l'équipe pluridisciplinaire visée à l'article 1.3.1-1, 33° /2 du Code ; ]3
[3 19° Etude de cas " : étude approfondie d'un fait, d'un sujet, d'un phénomène, d'une institution ou d'un groupe de personnes judicieusement choisis en fonction des objectifs de l'évaluation. Le but de l'étude de cas est d'apporter des informations qualitatives et analytiques, répondant aux questions du comment et du pourquoi, à travers une étude spécifique d'un cas déterminé.]3
Il s'applique également aux centres psycho-médico-sociaux [2 et aux pôles territoriaux ]2 organisés et subventionnés par la Communauté française.
§ 2. Pour l'application du présent décret, il y a lieu d'entendre par:
1° " Commission de pilotage ", la Commission de pilotage créée par le décret du 27 mars 2002 relatif au pilotage du système éducatif de la Communauté française;
2° " décret missions ": le décret du 24 juillet 1997 définissant les missions prioritaires de l'enseignement fondamental et de l'enseignement secondaire et organisant les structures propres à les atteindre;
[3 2° /1 " Code " : " le Code de l'enseignement fondamental et de l'enseignement secondaire]3
3° " Enseignement du continuum pédagogique ":[3 " l'enseignement maternel, l'enseignement primaire et le degré inférieur de l'enseignement secondaire, organisés en un tronc commun tel que visé à l'article 1.2.1-5 du Code "]3;
4° [1 " l'Institut interréseaux de la Formation professionnelle continue " : l'Institut interréseaux de la Formation professionnelle continue créé par l'article 25 du décret du 11 juillet 2002 relatif à l'Institut interréseaux de la Formation professionnelle continue (IFPC);]1
5° " Enseignement secondaire de transition et de qualification " : [3 le degré supérieur de l'enseignement secondaire organisé en une section de qualification et de transition tel que visé à l'article 1.2.1-6 du Code]3;
6° " Ecoles " ou " Etablissements d'enseignement ": les établissements d'enseignement. Pour l'application des dispositions relatives à l'inspection dans l'enseignement à distance, les écoles ou établissements d'enseignement s'entendent de l'enseignement à distance;
7° " [3 CPMS]3 ": [3 la définition est remplacée par les mots suivants : " le centre psycho-médico-social visé par la loi du 1er avril 1960 relative aux centres psycho-médico-sociaux ]3;
8° " Directeur de zone ": le membre [3 du personnel ]3 du Service général de Pilotage des Ecoles et des Centres psycho-médico-sociaux visé à l'article 3, § 2, 1°, du décret du 13 septembre 2018 portant création du Service général de pilotage des écoles et Centres psycho-médico-sociaux et fixant le statut des directeurs de zone et délégués au contrat d'objectifs [3 ...]3;
9° " Délégué au contrat d'objectifs ": le membre [3 du personnel]3 du Service général de Pilotage des Ecoles et Centres psycho-médico-sociaux visé à l'article 3, § 2, 2°, du décret du 13 septembre 2018 portant création du Service général de pilotage des écoles et Centres psycho-médico-sociaux et fixant le statut des directeurs de zone et délégués au contrat d'objectifs [3 ...]3;
10° [3 " Cellule intermédiaire de coordination " : la Cellule intermédiaire de coordination visée à l'article 1.6.1 2 du Code "]3;
11° " Contrat d'objectifs ": le contrat visé à l'article [3 1.5.2-2 du Code " ]3;
12° " Plan de pilotage ": le plan visé à l'article [3 1.5.2-1 du Code " ;]3;
13° " Dispositif d'ajustement ": le dispositif visé à l'article [3 1.5.2-16 du Code ]3;
14° " Protocole de collaboration ": le protocole visé à l'article[3 1.5.2-17, § 2, du Code]3;
15° " Jours ouvrables ": jours calendrier à l'exception du samedi, du dimanche et des jours fériés légaux[3 ;]3
[3 16° Equipe éducative " : l'équipe éducative visée à l'article 1.3.1-1, 32°, du Code ;]3
[3 17° Equipe pluridisciplinaire du Centre PMS " : l'équipe pluridisciplinaire visée à l'article 1.3.1-1, 33° /1, du Code ;]3
[3 18° Equipe pluridisciplinaire du pôle territorial " : l'équipe pluridisciplinaire visée à l'article 1.3.1-1, 33° /2 du Code ; ]3
[3 19° Etude de cas " : étude approfondie d'un fait, d'un sujet, d'un phénomène, d'une institution ou d'un groupe de personnes judicieusement choisis en fonction des objectifs de l'évaluation. Le but de l'étude de cas est d'apporter des informations qualitatives et analytiques, répondant aux questions du comment et du pourquoi, à travers une étude spécifique d'un cas déterminé.]3
Art. 2. Voor de goede leesbaarheid van de tekst is het gebruik in onderhavig decreet van mannelijke namen voor de verschillende titels en functies gemeenslachtig, niettegenstaande de bepalingen van het decreet van 21 juni 1993 betreffende de vervrouwelijking van de namen van beroep.
Art. 2. L'emploi dans le présent décret des noms masculins pour les différents titres et fonctions est épicène en vue d'assurer la lisibilité du texte nonobstant les dispositions du décret du 21 juin 1993 relatif à la féminisation des noms de métier.
Art. 3. Bij de Regering wordt een algemene inspectiedienst opgericht, die onder leiding van een coördinerende inspecteur-generaal staat.
De cel voor coördinatiebemiddeling voert de coördinatie tussen de algemene inspectiedienst en de Algemene Dienst Sturing van scholen en psychisch-medisch-sociale centra, alsook de coördinatie tussen beide hiervoor genoemde algemene diensten en de diensten en directies binnen de algemene directie voor begeleiding van het onderwijssysteem.
Die algemene inspectiedienst bestaat uit de volgende diensten:
1° een inspectiedienst voor het onderwijs van het pedagogisch continuüm, onder leiding van een inspecteur-generaal en vijf coördinerende inspecteurs die, onder leiding van de inspecteur-generaal, belast zijn met de coördinatie van de inspectietaken op het niveau van het onderwijs van het pedagogisch continuüm;
2° een inspectiedienst voor het secundair overgangs- en kwalificatieonderwijs, onder leiding van een inspecteur-generaal en twee coördinerende inspecteurs die, onder leiding van de inspecteur-generaal, belast zijn met de coördinatie van de inspectietaken op het niveau van het secundair overgangs- en kwalificatieonderwijs;
3° een inspectiedienst voor het onderwijs voor sociale promotie en het afstandsonderwijs van de Franse Gemeenschap met e-learning, onder leiding van een coördinerende inspecteur die belast is met de coördinatie van inspectietaken op het niveau van het onderwijs voor sociale promotie en het afstandsonderwijs;
4° een inspectiedienst voor het kunstonderwijs, onder leiding van een coördinerende inspecteur die belast is met de coördinatie van de inspectietaken op het niveau van het kunstonderwijs;
5° een inspectiedienst voor het kunstonderwijs, onder leiding van een coördinerende inspecteur die belast is met de coördinatie van de inspectietaken op het niveau van het kunstonderwijs;
De algemene inspectiedienst krijgt administratieve hulp van de [1 Algemene Directie Sturing ]1 van het onderwijssysteem.
De cel voor coördinatiebemiddeling voert de coördinatie tussen de algemene inspectiedienst en de Algemene Dienst Sturing van scholen en psychisch-medisch-sociale centra, alsook de coördinatie tussen beide hiervoor genoemde algemene diensten en de diensten en directies binnen de algemene directie voor begeleiding van het onderwijssysteem.
Die algemene inspectiedienst bestaat uit de volgende diensten:
1° een inspectiedienst voor het onderwijs van het pedagogisch continuüm, onder leiding van een inspecteur-generaal en vijf coördinerende inspecteurs die, onder leiding van de inspecteur-generaal, belast zijn met de coördinatie van de inspectietaken op het niveau van het onderwijs van het pedagogisch continuüm;
2° een inspectiedienst voor het secundair overgangs- en kwalificatieonderwijs, onder leiding van een inspecteur-generaal en twee coördinerende inspecteurs die, onder leiding van de inspecteur-generaal, belast zijn met de coördinatie van de inspectietaken op het niveau van het secundair overgangs- en kwalificatieonderwijs;
3° een inspectiedienst voor het onderwijs voor sociale promotie en het afstandsonderwijs van de Franse Gemeenschap met e-learning, onder leiding van een coördinerende inspecteur die belast is met de coördinatie van inspectietaken op het niveau van het onderwijs voor sociale promotie en het afstandsonderwijs;
4° een inspectiedienst voor het kunstonderwijs, onder leiding van een coördinerende inspecteur die belast is met de coördinatie van de inspectietaken op het niveau van het kunstonderwijs;
5° een inspectiedienst voor het kunstonderwijs, onder leiding van een coördinerende inspecteur die belast is met de coördinatie van de inspectietaken op het niveau van het kunstonderwijs;
De algemene inspectiedienst krijgt administratieve hulp van de [1 Algemene Directie Sturing ]1 van het onderwijssysteem.
Modifications
Art. 3. Il est créé, auprès du Gouvernement, un Service général de l'Inspection, dirigé par un Inspecteur général coordonnateur.
La Cellule intermédiaire de coordination exerce la coordination entre le Service général de l'Inspection et le Service général du Pilotage des Ecoles et des Centres psycho-médico-sociaux, ainsi que la coordination entre les deux Services généraux précités et les services et directions placés au sein de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
Le Service général de l'Inspection est constitué des services suivants:
1° un Service de l'Inspection de l'Enseignement du continuum pédagogique, dirigé par un Inspecteur général et cinq Inspecteurs coordonnateurs, chargés, sous l'autorité de l'Inspecteur général, de la coordination des missions de l'Inspection au niveau de l'enseignement du continuum pédagogique;
2° un Service de l'Inspection de l'Enseignement secondaire de transition et de qualification, dirigé par un Inspecteur général et deux Inspecteurs coordonnateurs, chargés, sous l'autorité de l'Inspecteur général, de la coordination des missions de l'Inspection au niveau de l'enseignement secondaire de transition et de qualification;
3° un Service de l'[1 Inspection]1 de l'Enseignement de Promotion sociale et de l'Enseignement à distance de la Communauté française en e-learning, dirigé par un Inspecteur coordonnateur, chargé de la coordination des missions de l'inspection au niveau de l'enseignement de promotion sociale et de l'enseignement à distance;
4° un Service de l'[1 Inspection]1 de l'Enseignement [1 Artistique ]1 dirigé par un Inspecteur coordonnateur, chargé de la coordination des missions de l'inspection au niveau de l'enseignement artistique;
5° un Service de l'[1 Inspection]1des Centres psycho-médico-sociaux, dirigé par un Inspecteur coordonnateur, chargé de la coordination des missions de l'inspection au niveau des centres psycho-médico-sociaux.
Le Service général de l'Inspection bénéficie du soutien administratif [1 de la Direction]1 d'appui de la Direction générale du Pilotage du Système [1 Educatif]1.
La Cellule intermédiaire de coordination exerce la coordination entre le Service général de l'Inspection et le Service général du Pilotage des Ecoles et des Centres psycho-médico-sociaux, ainsi que la coordination entre les deux Services généraux précités et les services et directions placés au sein de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
Le Service général de l'Inspection est constitué des services suivants:
1° un Service de l'Inspection de l'Enseignement du continuum pédagogique, dirigé par un Inspecteur général et cinq Inspecteurs coordonnateurs, chargés, sous l'autorité de l'Inspecteur général, de la coordination des missions de l'Inspection au niveau de l'enseignement du continuum pédagogique;
2° un Service de l'Inspection de l'Enseignement secondaire de transition et de qualification, dirigé par un Inspecteur général et deux Inspecteurs coordonnateurs, chargés, sous l'autorité de l'Inspecteur général, de la coordination des missions de l'Inspection au niveau de l'enseignement secondaire de transition et de qualification;
3° un Service de l'[1 Inspection]1 de l'Enseignement de Promotion sociale et de l'Enseignement à distance de la Communauté française en e-learning, dirigé par un Inspecteur coordonnateur, chargé de la coordination des missions de l'inspection au niveau de l'enseignement de promotion sociale et de l'enseignement à distance;
4° un Service de l'[1 Inspection]1 de l'Enseignement [1 Artistique ]1 dirigé par un Inspecteur coordonnateur, chargé de la coordination des missions de l'inspection au niveau de l'enseignement artistique;
5° un Service de l'[1 Inspection]1des Centres psycho-médico-sociaux, dirigé par un Inspecteur coordonnateur, chargé de la coordination des missions de l'inspection au niveau des centres psycho-médico-sociaux.
Le Service général de l'Inspection bénéficie du soutien administratif [1 de la Direction]1 d'appui de la Direction générale du Pilotage du Système [1 Educatif]1.
Modifications
HOOFDSTUK II. - De algemene inspectiedienst
CHAPITRE II. - Du Service général de l'Inspection
Art. 4. § 1. De inspectiediensten bedoeld in artikel 3, lid 3, 1° tot 2°, worden, elk voor wat hen aanbelangt of in onderlinge samenwerking, belast met audits die betrekking hebben op:
1° de inrichtingen waarvoor de cel voor coördinatiebemiddeling de auditaanvraag van een lid van de Algemene Dienst Sturing van scholen en psychisch-medisch-sociale centra of door de betrokken inrichtende macht valideert, ofwel in het geval van weigering of ongeschiktheid van een inrichting om haar sturingsplan op te stellen, ofwel na de tussentijdse of eindevaluatie van de doelstellingenovereenkomst zoals bedoeld in artikel [4 1.5.2-9 van het Wetboek]4;
2° de inrichtingen waarvan de prestaties aanzienlijk afwijken in de zin van artikel [4 1.5.2-13 van het Wetboek]4.
De Regering bepaalt de algemene methodologie op basis waarvan de in lid 1 bedoelde taken worden uitgevoerd.
Voor elke audit legt de cel voor coördinatiebemiddeling het bereik en de grenzen van het aan de algemene inspectiedienst toegekende mandaat vast voor de behoeften van de taak. De coördinerende inspecteur-generaal bepaalt, in overleg met de cel voor coördinatiebemiddeling, de inrichting en de specifieke methodologie op basis waarvan de taak wordt uitgevoerd.
Voor elke audit moet, binnen de 15 werkdagen na voltooiing, een diagnose worden opgesteld, die is opgenomen in een verslag waarvan het model wordt bepaald door de Regering, op voordracht van de coördinerende inspecteur-generaal, en bedoeld voor de cel voor coördinatiebemiddeling alsook de gecontroleerde inrichting. In dit kader handelt de algemene inspectiedienst via aanbevelingen.
Indien, in het kader van het mandaat van een audit, een ernstige tekortkoming wordt vastgesteld, die aanleiding zou geven tot een taak bedoeld in paragraaf 3, moet dit worden vermeld in het in lid 4 genoemde verslag. Hierover kan een apart verslag worden opgemaakt, dat onmiddellijk, langs hiërarchische weg, wordt overgemaakt aan de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem.
§ 2. De inspectiediensten bedoeld in lid 1 worden, elk voor wat hen aanbelangt of in onderlinge samenwerking, belast met de evaluatietaken met betrekking tot de implementatie van een pedagogisch of educatief hulpmiddel binnen het school- of educatief systeem in toepassing van een decretale of reglementaire bepaling of in toepassing van een experimenteel hulpmiddel waarvoor de Regering de toestemming heeft gegeven.
De Regering bepaalt de nadere regels op basis waarvan de in lid 1 bedoelde taken worden uitgevoerd.
De in lid 1 bedoelde taken worden uitgevoerd op vraag van de Regering, eventueel geformuleerd op voordracht van de Algemene Inspectiedienst, via de cel voor coördinatiebemiddeling.
Voor elke evaluatietaak legt de cel voor coördinatiebemiddeling het bereik en de grenzen van het aan de algemene inspectiedienst toegekende mandaat vast voor de behoeften van de taak. De coördinerende inspecteur-generaal bepaalt, in overleg met de cel voor coördinatiebemiddeling, de inrichting en de specifieke methodologie op basis waarvan de taak wordt uitgevoerd.
Voor elke evaluatietaak moet, binnen de 15 werkdagen na voltooiing, een uitgebreid verslag worden opgesteld, waarvan het model wordt bepaald door de Regering, op voordracht van de coördinerende inspecteur-generaal, en bedoeld voor de Regering via de cel voor coördinatiebemiddeling. In dit kader handelt de algemene inspectiedienst via aanbevelingen.
Indien, in het kader van het mandaat van een evaluatietaak, een ernstige tekortkoming wordt vastgesteld, die aanleiding zou geven tot een taak bedoeld in lid 3, moet dit worden vermeld in het in lid 5 genoemde verslag Hierover kan een apart verslag worden opgemaakt, dat onmiddellijk, langs hiërarchische weg, wordt overgemaakt aan de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem.
§ 3. De inspectiediensten bedoeld in lid 1 worden, elk voor wat hen aanbelangt of in onderlinge samenwerking, belast met de specifieke [1 ...]1 toezichthoudende taken met betrekking tot een vermoeden van een of meer ernstige tekortkoming(en), vermeld in het verslag opgesteld in het kader van een in lid 1 of 2 [4 of artikel 7/1]4 bedoelde taak of op vraag van de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie van niet-verplicht onderwijs.
De volgende tekortkomingen zijn, in de zin van lid 1, ernstige tekortkomingen:
1° de naleving van de artikels [4 1.4.1-1, 1.4.1-2, 1.4.1-4, 1.4.2-1, 1.4.2-2, 1.4.2-4, 1.4.3-2, 1.5.1-8 en 2.3.1-1 van het Wetboek en 24 en 34]4 van het takendecreet;
2° het studieniveau zoals gepreciseerd in de artikels 20, 31 en 55 van het takendecreet;
3° de naleving van de studieprogramma's die door de Regering werden vastgelegd of goedgekeurd overeenkomstig de artikels [4 het artikel 1.5.1-4 van het Wetboek]4;
4° de naleving van de artikels 2, 8, 27, 45, 46, 48, 50, 51, 54, 55 en 57 van het decreet van 3 maart 2004 houdende organisatie van het gespecialiseerd onderwijs;
5° de samenhang van de praktijken, met inbegrip van de evaluatiepraktijken;
6° de geschiktheid van het didactisch materiaal en de schooluitrusting voor de pedagogische noodwendigheden;
7° de segregatiemechanismen;
8° de naleving van de regels inzake kosteloosheid;
9° de naleving van de neutraliteit, waar die neutraliteit verplicht is;
10° de naleving van de decreetvoorschriften inzake [3 voortgezette beroepsopleiding]3.
In het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs wordt de taak bedoeld in lid 1 uitgeoefend in het kader van het toezicht op de voorwaarden voor de toekenning van de subsidies, zoals bepaald in artikel [4 artikel 1.7.3-1, § 2 van het Wetboek en]4 24, [4 ...]4, en § 2bis, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving.
De Regering bepaalt de nadere regels en de algemene methodologie op basis waarvan de taken bedoeld in lid 1 worden uitgevoerd, met dien verstande dat het recht om het standpunt van betrokkenen te laten gelden, wordt gewaarborgd.
De in lid 1 bedoelde taken worden uitgevoerd op vraag van de Regering of de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie van verplicht onderwijs of de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem.
Voor elke in lid 1 bedoelde taak, bepaalt de cel voor coördinatiebemiddeling, in voorkomend geval uitgebreid met de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie van verplicht onderwijs de omvang en de grenzen van het aan de Algemene Inspectiedienst toegekende mandaat voor de behoeften van de taak. De coördinerende inspecteur-generaal bepaalt, in overleg met de cel voor coördinatiebemiddeling, de inrichting en de specifieke methodologie op basis waarvan de taak wordt uitgevoerd.
Voor elke specifieke [1 ...]1 toezichthoudende taak bedoeld in lid 1 moet, binnen de 15 werkdagen na voltooiing, een uitgebreid verslag worden opgesteld, waarvan het model wordt bepaald door de Regering, op voordracht van de coördinerende inspecteur-generaal. Dit verslag bevat met name inlichtingen en raadgevingen in verband met de vaststellingen gedaan in het kader van deze taak en wordt langs hiërarchische weg overgemaakt aan de door de Regering aangestelde ambtenaar-generaal en aan de betrokken inrichtende macht.
De inrichtende macht die geen gevolg wil geven aan een ongunstig verslag dat door een personeelslid van de algemene inspectiedienst wordt opgesteld in uitvoering van een taak bedoeld in lid 1, moet deze beslissing motiveren bij de ambtenaar-generaal bedoeld in lid 7, binnen de maand die volgt op de datum van ontvangst van dat verslag, via de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem.
§ 4. De in lid 1 bedoelde inspectiediensten worden, elk voor wat hen aanbelangt of in onderlinge samenwerking, belast met taken met betrekking tot het beoordelen van de pedagogische vaardigheden van een personeelslid van het opvoedingsteam in het licht van de naleving van de maatstaven en [4 /of]4 de programma's [4 en de betrokken ambtsprofielen en opdrachtomschrijvingen, indien van toepassing]4.
De Regering bepaalt de nadere regels en de algemene methodologie op basis waarvan de taken bedoeld in lid 1 worden uitgevoerd, met dien verstande dat het recht om het standpunt van betrokkenen te laten gelden, wordt gewaarborgd.
De in lid 1 bedoelde taken worden uitgevoerd na een met redenen omkleed verzoek van de directeur in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs of de betrokken inrichtende macht in het gesubsidieerde onderwijs, gericht aan de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem.
De ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem stemt, na analyse van het in lid 3 bedoelde verzoek, al dan niet in met de uitvoering van de taak en maakt zijn beslissing over aan de directeur in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs of aan de betrokken inrichtende macht in het gesubsidieerde onderwijs.
Voor elke specifieke taak bedoeld in lid 1 moet, binnen de 15 werkdagen na voltooiing, een uitgebreid verslag worden opgesteld, waarvan het model wordt bepaald door de Regering, op voordracht van de coördinerende inspecteur-generaal. Dit verslag bevat met name inlichtingen en raadgevingen in verband met de vaststellingen gedaan in het kader van deze taak en wordt langs hiërarchische weg overgemaakt aan de door de Regering aangestelde ambtenaar-generaal, die het op zijn beurt overmaakt aan de betrokken inrichtende macht. Deze laatste legt het voor visum voor aan het personeelslid dat er, in voorkomend geval, zijn eigen opmerkingen aan toevoegt. Het verslag, samen met de eventuele opmerkingen van het personeelslid, wordt vervolgens overgemaakt aan de bevoegde coördinerende inspecteur-generaal, via de door de Regering aangestelde ambtenaar-generaal.
De inrichtende macht die geen gevolg wil geven aan een ongunstig verslag dat door de algemene inspectiedienst wordt opgesteld in uitvoering van een taak bedoeld in lid 1, moet deze beslissing motiveren bij de ambtenaar-generaal bedoeld in lid 5 [4 of zijn afgevaardigde]4, binnen de maand die volgt op de datum van ontvangst van dat verslag,[4 ...]4.
§ 5. De inspectiediensten bedoeld in lid 1 worden, elk voor wat hen aanbelangt of in onderlinge samenwerking, belast met de taken van pedagogische bekwaamheid voor ondersteuning in het kader van:
1° het opvatten van externe evaluaties die niet met een getuigschrift worden bekrachtigd, alsook het analyseren en gebruiken van de resultaten op het niveau van de schoolinrichtingen, met name door het opvatten van didactische pistes;
2° het opvatten van externe evaluaties die met een getuigschrift worden bekrachtigd en het corrigeren door de scholen;
3° het opvatten van de evaluatiehulpmiddelen bedoeld in de artikels [4 1.4.4-5 en 1.4.4-5 van het Wetboek]4.
[4 4° het opvatten van het onderwijsmateriaal bedoeld in artikel 5 van het decreet van 25 april 2019 betreffende het digitaal bestuur van het schoolsysteem en de overdracht van digitale gegevens in het leerplichtonderwijs.]4
§ 6. De inspectiediensten bedoeld in lid 1 worden, elk voor wat hen aanbelangt of in onderlinge samenwerking, belast met:
1° het analyseren van de studieprogramma's bedoeld in [4 het artikel 1.5.1-4 van het Wetboek]4 en het opstellen van een advies over de conformiteit ervan met de maatstaven aan de sturingscommissie;
2° het geven van adviezen en formuleren van voorstellen, op eigen initiatief of op aanvraag van de Regering, over alles wat tot hun bevoegdheid behoort;
3° het deelnemen aan werkgroepen, commissies en raden, krachtens de wetten, decreten en verordeningen;
4° het samenwerken met de inrichtingen voor hoger onderwijs belast met de initiële opleiding van lesgevers in het kader en volgens de door de Regering te bepalen voorwaarden;
5° het uitvoeren van alle andere taken die aan hen worden toevertrouwd door of krachtens de wetten, decreten en verordeningen;
[2 6° in samenwerking met de Algemene Dienst voor het beheer van de scholen en de psycho-medisch-sociale centra, de organisatie van het afnemen, het corrigeren en het jureren van de gemeenschappelijke externe proef die leidt tot het uitreiken van het getuigschrift van basisonderwijs aan het einde van het lager onderwijs, alsook de organisatie, het verbeteren of de examencommissie van alle andere externe certificeringsproeven die hen door de regering kunnen worden toevertrouwd;]2
§ 7. Afhankelijk van de noodwendigheden worden de taken bedoeld in onderhavig artikel uitgevoerd door een of meer leden van de algemene inspectiedienst.
Deze taken worden uitgevoerd op aanvullende wijze, op voorwaarde dat een audit nooit in een inrichting mag worden uitgevoerd tegelijkertijd met een evaluatietaak, een specifieke [1 ...]1 toezichthoudende taak of een taak die betrekking heeft op de beoordeling van de pedagogische vaardigheden van een personeelslid van het opvoedingsteam.
Met inachtneming van de eigen methodologie en doelstellingen van de algemene inspectiedienst en met inachtneming van het mandaat op basis waarvan de taken worden uitgevoerd, hebben de inspecteurs belast met de taken bedoeld in lid 1, 2, 3 en 4, onder de verantwoordelijkheid van de coördinerende inspecteur-generaal, toegang tot de kwantitatieve gegevens in verband met het aantal leerlingen die falen, blijven zitten of overstappen naar een andere inrichting en tot de archieven. Ze kunnen hun beoordelingen baseren op feiten die inzonderheid werden vastgesteld naar aanleiding van de begeleiding van cursussen en activiteiten, [4 van het ondervragen van de leerlingen over de verwachtingen van de maatstaven en programma's]4 van het onderzoek van voorbereidingen, werken en documenten van leerlingen, van de resultaten die werden behaald bij de externe evaluaties die niet met getuigschriften worden bekrachtigd en door het analyseren van de hiervoor genoemde kwantitatieve gegevens.
1° de inrichtingen waarvoor de cel voor coördinatiebemiddeling de auditaanvraag van een lid van de Algemene Dienst Sturing van scholen en psychisch-medisch-sociale centra of door de betrokken inrichtende macht valideert, ofwel in het geval van weigering of ongeschiktheid van een inrichting om haar sturingsplan op te stellen, ofwel na de tussentijdse of eindevaluatie van de doelstellingenovereenkomst zoals bedoeld in artikel [4 1.5.2-9 van het Wetboek]4;
2° de inrichtingen waarvan de prestaties aanzienlijk afwijken in de zin van artikel [4 1.5.2-13 van het Wetboek]4.
De Regering bepaalt de algemene methodologie op basis waarvan de in lid 1 bedoelde taken worden uitgevoerd.
Voor elke audit legt de cel voor coördinatiebemiddeling het bereik en de grenzen van het aan de algemene inspectiedienst toegekende mandaat vast voor de behoeften van de taak. De coördinerende inspecteur-generaal bepaalt, in overleg met de cel voor coördinatiebemiddeling, de inrichting en de specifieke methodologie op basis waarvan de taak wordt uitgevoerd.
Voor elke audit moet, binnen de 15 werkdagen na voltooiing, een diagnose worden opgesteld, die is opgenomen in een verslag waarvan het model wordt bepaald door de Regering, op voordracht van de coördinerende inspecteur-generaal, en bedoeld voor de cel voor coördinatiebemiddeling alsook de gecontroleerde inrichting. In dit kader handelt de algemene inspectiedienst via aanbevelingen.
Indien, in het kader van het mandaat van een audit, een ernstige tekortkoming wordt vastgesteld, die aanleiding zou geven tot een taak bedoeld in paragraaf 3, moet dit worden vermeld in het in lid 4 genoemde verslag. Hierover kan een apart verslag worden opgemaakt, dat onmiddellijk, langs hiërarchische weg, wordt overgemaakt aan de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem.
§ 2. De inspectiediensten bedoeld in lid 1 worden, elk voor wat hen aanbelangt of in onderlinge samenwerking, belast met de evaluatietaken met betrekking tot de implementatie van een pedagogisch of educatief hulpmiddel binnen het school- of educatief systeem in toepassing van een decretale of reglementaire bepaling of in toepassing van een experimenteel hulpmiddel waarvoor de Regering de toestemming heeft gegeven.
De Regering bepaalt de nadere regels op basis waarvan de in lid 1 bedoelde taken worden uitgevoerd.
De in lid 1 bedoelde taken worden uitgevoerd op vraag van de Regering, eventueel geformuleerd op voordracht van de Algemene Inspectiedienst, via de cel voor coördinatiebemiddeling.
Voor elke evaluatietaak legt de cel voor coördinatiebemiddeling het bereik en de grenzen van het aan de algemene inspectiedienst toegekende mandaat vast voor de behoeften van de taak. De coördinerende inspecteur-generaal bepaalt, in overleg met de cel voor coördinatiebemiddeling, de inrichting en de specifieke methodologie op basis waarvan de taak wordt uitgevoerd.
Voor elke evaluatietaak moet, binnen de 15 werkdagen na voltooiing, een uitgebreid verslag worden opgesteld, waarvan het model wordt bepaald door de Regering, op voordracht van de coördinerende inspecteur-generaal, en bedoeld voor de Regering via de cel voor coördinatiebemiddeling. In dit kader handelt de algemene inspectiedienst via aanbevelingen.
Indien, in het kader van het mandaat van een evaluatietaak, een ernstige tekortkoming wordt vastgesteld, die aanleiding zou geven tot een taak bedoeld in lid 3, moet dit worden vermeld in het in lid 5 genoemde verslag Hierover kan een apart verslag worden opgemaakt, dat onmiddellijk, langs hiërarchische weg, wordt overgemaakt aan de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem.
§ 3. De inspectiediensten bedoeld in lid 1 worden, elk voor wat hen aanbelangt of in onderlinge samenwerking, belast met de specifieke [1 ...]1 toezichthoudende taken met betrekking tot een vermoeden van een of meer ernstige tekortkoming(en), vermeld in het verslag opgesteld in het kader van een in lid 1 of 2 [4 of artikel 7/1]4 bedoelde taak of op vraag van de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie van niet-verplicht onderwijs.
De volgende tekortkomingen zijn, in de zin van lid 1, ernstige tekortkomingen:
1° de naleving van de artikels [4 1.4.1-1, 1.4.1-2, 1.4.1-4, 1.4.2-1, 1.4.2-2, 1.4.2-4, 1.4.3-2, 1.5.1-8 en 2.3.1-1 van het Wetboek en 24 en 34]4 van het takendecreet;
2° het studieniveau zoals gepreciseerd in de artikels 20, 31 en 55 van het takendecreet;
3° de naleving van de studieprogramma's die door de Regering werden vastgelegd of goedgekeurd overeenkomstig de artikels [4 het artikel 1.5.1-4 van het Wetboek]4;
4° de naleving van de artikels 2, 8, 27, 45, 46, 48, 50, 51, 54, 55 en 57 van het decreet van 3 maart 2004 houdende organisatie van het gespecialiseerd onderwijs;
5° de samenhang van de praktijken, met inbegrip van de evaluatiepraktijken;
6° de geschiktheid van het didactisch materiaal en de schooluitrusting voor de pedagogische noodwendigheden;
7° de segregatiemechanismen;
8° de naleving van de regels inzake kosteloosheid;
9° de naleving van de neutraliteit, waar die neutraliteit verplicht is;
10° de naleving van de decreetvoorschriften inzake [3 voortgezette beroepsopleiding]3.
In het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs wordt de taak bedoeld in lid 1 uitgeoefend in het kader van het toezicht op de voorwaarden voor de toekenning van de subsidies, zoals bepaald in artikel [4 artikel 1.7.3-1, § 2 van het Wetboek en]4 24, [4 ...]4, en § 2bis, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving.
De Regering bepaalt de nadere regels en de algemene methodologie op basis waarvan de taken bedoeld in lid 1 worden uitgevoerd, met dien verstande dat het recht om het standpunt van betrokkenen te laten gelden, wordt gewaarborgd.
De in lid 1 bedoelde taken worden uitgevoerd op vraag van de Regering of de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie van verplicht onderwijs of de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem.
Voor elke in lid 1 bedoelde taak, bepaalt de cel voor coördinatiebemiddeling, in voorkomend geval uitgebreid met de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie van verplicht onderwijs de omvang en de grenzen van het aan de Algemene Inspectiedienst toegekende mandaat voor de behoeften van de taak. De coördinerende inspecteur-generaal bepaalt, in overleg met de cel voor coördinatiebemiddeling, de inrichting en de specifieke methodologie op basis waarvan de taak wordt uitgevoerd.
Voor elke specifieke [1 ...]1 toezichthoudende taak bedoeld in lid 1 moet, binnen de 15 werkdagen na voltooiing, een uitgebreid verslag worden opgesteld, waarvan het model wordt bepaald door de Regering, op voordracht van de coördinerende inspecteur-generaal. Dit verslag bevat met name inlichtingen en raadgevingen in verband met de vaststellingen gedaan in het kader van deze taak en wordt langs hiërarchische weg overgemaakt aan de door de Regering aangestelde ambtenaar-generaal en aan de betrokken inrichtende macht.
De inrichtende macht die geen gevolg wil geven aan een ongunstig verslag dat door een personeelslid van de algemene inspectiedienst wordt opgesteld in uitvoering van een taak bedoeld in lid 1, moet deze beslissing motiveren bij de ambtenaar-generaal bedoeld in lid 7, binnen de maand die volgt op de datum van ontvangst van dat verslag, via de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem.
§ 4. De in lid 1 bedoelde inspectiediensten worden, elk voor wat hen aanbelangt of in onderlinge samenwerking, belast met taken met betrekking tot het beoordelen van de pedagogische vaardigheden van een personeelslid van het opvoedingsteam in het licht van de naleving van de maatstaven en [4 /of]4 de programma's [4 en de betrokken ambtsprofielen en opdrachtomschrijvingen, indien van toepassing]4.
De Regering bepaalt de nadere regels en de algemene methodologie op basis waarvan de taken bedoeld in lid 1 worden uitgevoerd, met dien verstande dat het recht om het standpunt van betrokkenen te laten gelden, wordt gewaarborgd.
De in lid 1 bedoelde taken worden uitgevoerd na een met redenen omkleed verzoek van de directeur in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs of de betrokken inrichtende macht in het gesubsidieerde onderwijs, gericht aan de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem.
De ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem stemt, na analyse van het in lid 3 bedoelde verzoek, al dan niet in met de uitvoering van de taak en maakt zijn beslissing over aan de directeur in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs of aan de betrokken inrichtende macht in het gesubsidieerde onderwijs.
Voor elke specifieke taak bedoeld in lid 1 moet, binnen de 15 werkdagen na voltooiing, een uitgebreid verslag worden opgesteld, waarvan het model wordt bepaald door de Regering, op voordracht van de coördinerende inspecteur-generaal. Dit verslag bevat met name inlichtingen en raadgevingen in verband met de vaststellingen gedaan in het kader van deze taak en wordt langs hiërarchische weg overgemaakt aan de door de Regering aangestelde ambtenaar-generaal, die het op zijn beurt overmaakt aan de betrokken inrichtende macht. Deze laatste legt het voor visum voor aan het personeelslid dat er, in voorkomend geval, zijn eigen opmerkingen aan toevoegt. Het verslag, samen met de eventuele opmerkingen van het personeelslid, wordt vervolgens overgemaakt aan de bevoegde coördinerende inspecteur-generaal, via de door de Regering aangestelde ambtenaar-generaal.
De inrichtende macht die geen gevolg wil geven aan een ongunstig verslag dat door de algemene inspectiedienst wordt opgesteld in uitvoering van een taak bedoeld in lid 1, moet deze beslissing motiveren bij de ambtenaar-generaal bedoeld in lid 5 [4 of zijn afgevaardigde]4, binnen de maand die volgt op de datum van ontvangst van dat verslag,[4 ...]4.
§ 5. De inspectiediensten bedoeld in lid 1 worden, elk voor wat hen aanbelangt of in onderlinge samenwerking, belast met de taken van pedagogische bekwaamheid voor ondersteuning in het kader van:
1° het opvatten van externe evaluaties die niet met een getuigschrift worden bekrachtigd, alsook het analyseren en gebruiken van de resultaten op het niveau van de schoolinrichtingen, met name door het opvatten van didactische pistes;
2° het opvatten van externe evaluaties die met een getuigschrift worden bekrachtigd en het corrigeren door de scholen;
3° het opvatten van de evaluatiehulpmiddelen bedoeld in de artikels [4 1.4.4-5 en 1.4.4-5 van het Wetboek]4.
[4 4° het opvatten van het onderwijsmateriaal bedoeld in artikel 5 van het decreet van 25 april 2019 betreffende het digitaal bestuur van het schoolsysteem en de overdracht van digitale gegevens in het leerplichtonderwijs.]4
§ 6. De inspectiediensten bedoeld in lid 1 worden, elk voor wat hen aanbelangt of in onderlinge samenwerking, belast met:
1° het analyseren van de studieprogramma's bedoeld in [4 het artikel 1.5.1-4 van het Wetboek]4 en het opstellen van een advies over de conformiteit ervan met de maatstaven aan de sturingscommissie;
2° het geven van adviezen en formuleren van voorstellen, op eigen initiatief of op aanvraag van de Regering, over alles wat tot hun bevoegdheid behoort;
3° het deelnemen aan werkgroepen, commissies en raden, krachtens de wetten, decreten en verordeningen;
4° het samenwerken met de inrichtingen voor hoger onderwijs belast met de initiële opleiding van lesgevers in het kader en volgens de door de Regering te bepalen voorwaarden;
5° het uitvoeren van alle andere taken die aan hen worden toevertrouwd door of krachtens de wetten, decreten en verordeningen;
[2 6° in samenwerking met de Algemene Dienst voor het beheer van de scholen en de psycho-medisch-sociale centra, de organisatie van het afnemen, het corrigeren en het jureren van de gemeenschappelijke externe proef die leidt tot het uitreiken van het getuigschrift van basisonderwijs aan het einde van het lager onderwijs, alsook de organisatie, het verbeteren of de examencommissie van alle andere externe certificeringsproeven die hen door de regering kunnen worden toevertrouwd;]2
§ 7. Afhankelijk van de noodwendigheden worden de taken bedoeld in onderhavig artikel uitgevoerd door een of meer leden van de algemene inspectiedienst.
Deze taken worden uitgevoerd op aanvullende wijze, op voorwaarde dat een audit nooit in een inrichting mag worden uitgevoerd tegelijkertijd met een evaluatietaak, een specifieke [1 ...]1 toezichthoudende taak of een taak die betrekking heeft op de beoordeling van de pedagogische vaardigheden van een personeelslid van het opvoedingsteam.
Met inachtneming van de eigen methodologie en doelstellingen van de algemene inspectiedienst en met inachtneming van het mandaat op basis waarvan de taken worden uitgevoerd, hebben de inspecteurs belast met de taken bedoeld in lid 1, 2, 3 en 4, onder de verantwoordelijkheid van de coördinerende inspecteur-generaal, toegang tot de kwantitatieve gegevens in verband met het aantal leerlingen die falen, blijven zitten of overstappen naar een andere inrichting en tot de archieven. Ze kunnen hun beoordelingen baseren op feiten die inzonderheid werden vastgesteld naar aanleiding van de begeleiding van cursussen en activiteiten, [4 van het ondervragen van de leerlingen over de verwachtingen van de maatstaven en programma's]4 van het onderzoek van voorbereidingen, werken en documenten van leerlingen, van de resultaten die werden behaald bij de externe evaluaties die niet met getuigschriften worden bekrachtigd en door het analyseren van de hiervoor genoemde kwantitatieve gegevens.
Art. 4. § 1er. Les Services de l'Inspection visés à l'article 3, alinéa 3, 1° à 2°, sont chargés, chacun pour ce qui les concerne ou en collaboration entre eux, de missions d'audit portant sur:
1° les établissements pour lesquels la Cellule intermédiaire de coordination valide la demande d'audit formulée par un membre du Service général de Pilotage des Ecoles et des Centres psycho-médico-sociaux ou par le pouvoir organisateur concerné, soit dans le cas de refus ou d'incapacité d'un établissement à établir son plan de pilotage, soit à la suite de l'évaluation intermédiaire ou finale du contrat d'objectifs visée à l'article [4 1.5.2-9 du Code ]4;
2° les établissements dont les performances présentent un écart significatif au sens de l'article [4 1.5.2-13 du Code ]4.
Le Gouvernement définit la méthodologie générale sur la base de laquelle les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées.
Avant toute mission d'audit, la Cellule intermédiaire de coordination fixe la portée et les limites du mandat confié au Service général de l'Inspection pour les besoins de la mission. L'Inspecteur général coordonnateur, en concertation avec la Cellule intermédiaire de coordination, détermine le dispositif et la méthodologie spécifique sur la base desquels la mission est réalisée.
Toute mission d'audit donne lieu, dans les quinze jours ouvrables suivant sa clôture, à l'établissement d'un diagnostic, repris dans un rapport dont le modèle est défini par le Gouvernement, sur proposition de l'Inspecteur général coordonnateur, et destiné à la Cellule intermédiaire de coordination ainsi qu'à l'établissement audité. Dans ce cadre, le Service général de l'Inspection agit par voie de recommandations.
Si, dans le cadre du mandat d'une mission d'audit, un manquement substantiel présumé est relevé, qui serait susceptible de donner lieu à une mission visée au paragraphe 3, le rapport visé à l'alinéa 4 en fait mention. Il peut faire l'objet d'un rapport distinct, transmis immédiatement, par la voie hiérarchique, au fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
§ 2. Les Services de l'Inspection visés au paragraphe 1er sont chargés, chacun pour ce qui les concerne ou en collaboration entre eux, de missions d'évaluation portant sur la mise en oeuvre d'un dispositif pédagogique ou éducatif au sein du système scolaire ou éducatif en application d'une disposition décrétale ou règlementaire ou en application d'un dispositif expérimental autorisé par le Gouvernement.
Le Gouvernement précise les modalités sur la base desquelles les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées.
Les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées à la demande du Gouvernement, formulée éventuellement sur la proposition du Service général de l'Inspection, via la Cellule intermédiaire de coordination.
Avant toute mission d'évaluation, la Cellule intermédiaire de coordination fixe la portée et les limites du mandat confié au Service général de l'Inspection pour les besoins de la mission. L'Inspecteur général coordonnateur, en concertation avec la Cellule intermédiaire de coordination, détermine le dispositif et la méthodologie spécifique sur la base desquels la mission est réalisée.
Toute mission d'évaluation donne lieu, dans les trente jours ouvrables suivant sa clôture, à l'établissement d'un rapport circonstancié dont le modèle est défini par le Gouvernement, sur la proposition de l'Inspecteur général coordonnateur, et destiné au Gouvernement via la Cellule intermédiaire de coordination. Dans ce cadre, le Service général de l'Inspection agit par voie de recommandations.
Si, dans le cadre du mandat d'une mission d'évaluation, un manquement substantiel présumé est relevé, qui serait susceptible de donner lieu à une mission visée au paragraphe 3, le rapport visé à l'alinéa 5 en fait mention. Il peut faire l'objet d'un rapport distinct, transmis immédiatement, par la voie hiérarchique, au fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
§ 3. Les Services de l'Inspection visés au paragraphe 1er sont chargés, chacun pour ce qui les concerne ou en collaboration entre eux, de missions [1 ...]1 de contrôle spécifiques portant sur la présomption d'un ou de plusieurs manquement(s) substantiel(s), mentionné(s) dans le rapport rédigé dans le cadre d'une mission visée aux paragraphes 1er ou 2 ou à la demande du fonctionnaire général en charge de la Direction générale de l'Enseignement obligatoire.
Sont substantiels, au sens de l'alinéa 1er, les manquements relatifs aux aspects suivants:
1° le respect des articles [4 1.4.1-1, 1.4.1-2, 1.4.1-4, 1.4.2-1, 1.4.2-2, 1.4.2-4, 1.4.3-2, 1.5.1-8 et 2.3.1-1 du Code et 24 et 34 ]4 du décret missions;
2° le niveau des études tel que précisé aux articles 20, 31 et 55 du décret missions;
3° le respect des programmes d'études fixés ou approuvés par le Gouvernement conformément aux articles [4 à l'article 1.5.1-4 du Code]4;
4° le respect des articles 2, 8, 27, 45, 46, 48, 50, 51, 54, 55 et 57 du décret du 3 mars 2004 organisant l'enseignement spécialisé;
5° la cohérence des pratiques, en ce compris les pratiques d'évaluation;
6° l'adéquation du matériel didactique et de l'équipement scolaire aux nécessités pédagogiques;
7° les mécanismes de ségrégation;
8° le respect des règles en matière de gratuité;
9° le respect de la neutralité, là où cette neutralité s'impose;
10° le respect du prescrit décrétal en matière de [3 formation professionnelle continue]3.
Dans l'enseignement subventionné par la Communauté française, la mission visée à l'alinéa 1er participe du contrôle des conditions d'octroi des subventions, tel que prévu à [4 l'article 1.7.3-1, § 2, du Code et à]4 l'article 24, § 2,[4 ...]4 et § 2bis, de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de l'enseignement.
Le Gouvernement précise les modalités et la méthodologie générale sur la base desquelles les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées, en veillant notamment à ce que le droit à faire valoir le point de vue des intéressés soit garanti.
Les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées à la demande du Gouvernement ou du fonctionnaire général en charge de la Direction générale de l'Enseignement obligatoire ou du fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
Avant toute mission visée à l'alinéa 1er, la cellule intermédiaire de coordination, le cas échéant élargie au fonctionnaire général en charge de la Direction générale de l'Enseignement obligatoire fixe la portée et les limites du mandat confié au Service général de l'Inspection pour les besoins de la mission. L'Inspecteur général coordonnateur, en concertation avec la cellule intermédiaire de concertation, détermine le dispositif et la méthodologie spécifique sur la base desquels la mission est réalisée.
Toute mission [1 ...]1 de contrôle spécifique visée à l'alinéa 1er donne lieu, dans les quinze jours ouvrables suivant sa clôture, à l'établissement d'un rapport circonstancié dont le modèle est défini par le Gouvernement, sur la proposition de l'Inspecteur général coordonnateur. Ce rapport, qui comprend notamment des informations et recommandations en lien avec les constats posés dans le cadre de cette mission, est transmis par la voie hiérarchique au fonctionnaire général désigné par le Gouvernement et au pouvoir organisateur concerné.
Le pouvoir organisateur qui n'envisage pas de réserver de suites à un rapport défavorable rédigé par un membre du personnel du Service général de l'Inspection en exécution d'une mission visée à l'alinéa 1er, motive cette décision auprès du fonctionnaire général visé à l'alinéa 7, dans le mois qui suit la date de réception dudit rapport, via le fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
§ 4. Les Services de l'Inspection visés au paragraphe 1er sont chargés, chacun pour ce qui les concerne ou en collaboration entre eux, de missions portant sur l'appréciation de l'aptitude pédagogique d'un membre du personnel de l'équipe éducative à l'aune du respect des référentiels [4 /ou ]4 et des programmes [4 et des profils de fonction et lettres de mission concernées, le cas échéant ]4.
Le Gouvernement précise les modalités et la méthodologie générale sur la base desquelles les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées en veillant notamment à ce que le droit à faire valoir le point de vue des intéressés soit garanti.
Les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées à la demande motivée du directeur dans l'enseignement organisé par la Communauté française ou du pouvoir organisateur concerné dans l'enseignement subventionné, adressée au fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
Le fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif, après analyse de la demande visée à l'alinéa 3, marque ou non son accord sur l'exécution de la mission et signifie sa décision au directeur dans l'enseignement organisé par la Communauté française ou au pouvoir organisateur concerné dans l'enseignement subventionné.
Toute mission visée à l'alinéa 1er donne lieu, dans les quinze jours ouvrables suivant sa clôture, à l'établissement d'un rapport circonstancié dont le modèle est défini par le Gouvernement, sur la proposition de l'Inspecteur général coordonnateur. Ce rapport, qui comprend, notamment, des informations et recommandations en lien avec les constats posés dans le cadre de cette mission, est transmis par la voie hiérarchique, au fonctionnaire général désigné par le Gouvernement qui le fait parvenir au pouvoir organisateur concerné. Ce dernier le soumet au visa du membre du personnel qui, le cas échéant, y joint ses observations. Le rapport, accompagné d'éventuelles observations du membre du personnel, est ensuite transmis à l'Inspecteur général coordonnateur, via le fonctionnaire général désigné par le Gouvernement.
Le pouvoir organisateur qui n'envisage pas de réserver de suites à un rapport défavorable rédigé par le Service général de l'Inspection en exécution d'une mission visée à l'alinéa 1er motive cette décision auprès du fonctionnaire général visé à l'alinéa 5 [4 ou son délégué]4 dans le mois qui suit la date de réception dudit rapport [4 ...]4.
§ 5. Les Services de l'Inspection visés au paragraphe 1er sont chargés, chacun pour ce qui les concerne ou en collaboration entre eux, de missions d'expertise pédagogique à des fins d'appui dans le cadre de:
1° la conception des évaluations externes non certificatives, l'analyse et l'exploitation des résultats au niveau des écoles, notamment par la conception des pistes didactiques;
2° la conception des évaluations externes certificatives et leur correction par les écoles;
3° la conception des outils d'évaluation visés par les article [4 1.4.4-4 et 1.4.4-5 du Code ]4.
[4 4° la conception de ressources éducatives visées à l'article 5 du décret du 25 avril 2019 relatif à la gouvernance numérique du système scolaire et à la transmission des données numériques dans l'enseignement obligatoire. ]4
§ 6. Les Services de l'Inspection visés au paragraphe 1er sont chargés, chacun pour ce qui les concerne ou en collaboration entre eux:
1° d'analyser les programmes d'études visés [4 à l'article 1.5.1-4 du Code ]4 et de rédiger un avis sur leur conformité avec les référentiels à destination de la Commission de pilotage;
2° de donner des avis et de formuler des propositions, d'initiative ou à la demande du Gouvernement, sur tout ce qui relève de leur compétence;
3° de participer aux groupes de travail, commissions et conseils, en vertu des lois, décrets et règlements;
4° de collaborer avec les établissements d'enseignement supérieur en charge de la formation initiale des enseignants dans le cadre et selon les conditions fixés par le Gouvernement;
5° d'exercer toutes autres tâches qui leur sont confiées par ou en vertu des lois, décrets et règlements;
[2 6° en collaboration avec le Service général de pilotage des écoles et des Centres psycho-médico-sociaux, de l'organisation de la passation, de la correction et du jury externe de l'épreuve externe commune conduisant à la délivrance du Certificat d'Etudes de Base au terme de l'enseignement primaire, ainsi que de l'organisation, de la correction ou du jury de toutes autres épreuves externes certificatives qui leur seraient confiées par le Gouvernement.]2
§ 7. Selon les besoins, les missions visées au présent article sont effectuées par un ou plusieurs membres du Service général de l'Inspection.
Ces missions sont assurées de manière complémentaire, pour autant qu'une mission d'audit ne soit jamais menée au sein d'un établissement en même temps qu'une [4 mission d'investigation, une]4 mission d'évaluation, une mission [1 ...]1 de contrôle spécifique ou une mission portant sur l'appréciation de l'aptitude pédagogique d'un membre du personnel de l'équipe éducative.
Dans le respect de la méthodologie et des objectifs qui sont propres au Service général de l'Inspection, et dans le respect du mandat sur la base duquel elles sont exécutées, les inspecteurs en charge des missions visées aux paragraphes 1er, 2, 3 et 4, ont accès, sous la responsabilité de l'Inspecteur général coordonnateur, aux données quantitatives de l'établissement, notamment celles relatives aux taux d'échec, de redoublement ou de réorientation vers d'autres établissements et aux archives. Ils peuvent fonder leurs appréciations sur des faits prélevés notamment en assistant aux cours et activités, [4 en interrogeant les élèves sur les attendus des référentiels et des programmes, ]4 en examinant des préparations, des travaux, des documents d' élèves et les résultats obtenus aux évaluations externes non certificatives et en analysant les données quantitatives précitées.
1° les établissements pour lesquels la Cellule intermédiaire de coordination valide la demande d'audit formulée par un membre du Service général de Pilotage des Ecoles et des Centres psycho-médico-sociaux ou par le pouvoir organisateur concerné, soit dans le cas de refus ou d'incapacité d'un établissement à établir son plan de pilotage, soit à la suite de l'évaluation intermédiaire ou finale du contrat d'objectifs visée à l'article [4 1.5.2-9 du Code ]4;
2° les établissements dont les performances présentent un écart significatif au sens de l'article [4 1.5.2-13 du Code ]4.
Le Gouvernement définit la méthodologie générale sur la base de laquelle les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées.
Avant toute mission d'audit, la Cellule intermédiaire de coordination fixe la portée et les limites du mandat confié au Service général de l'Inspection pour les besoins de la mission. L'Inspecteur général coordonnateur, en concertation avec la Cellule intermédiaire de coordination, détermine le dispositif et la méthodologie spécifique sur la base desquels la mission est réalisée.
Toute mission d'audit donne lieu, dans les quinze jours ouvrables suivant sa clôture, à l'établissement d'un diagnostic, repris dans un rapport dont le modèle est défini par le Gouvernement, sur proposition de l'Inspecteur général coordonnateur, et destiné à la Cellule intermédiaire de coordination ainsi qu'à l'établissement audité. Dans ce cadre, le Service général de l'Inspection agit par voie de recommandations.
Si, dans le cadre du mandat d'une mission d'audit, un manquement substantiel présumé est relevé, qui serait susceptible de donner lieu à une mission visée au paragraphe 3, le rapport visé à l'alinéa 4 en fait mention. Il peut faire l'objet d'un rapport distinct, transmis immédiatement, par la voie hiérarchique, au fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
§ 2. Les Services de l'Inspection visés au paragraphe 1er sont chargés, chacun pour ce qui les concerne ou en collaboration entre eux, de missions d'évaluation portant sur la mise en oeuvre d'un dispositif pédagogique ou éducatif au sein du système scolaire ou éducatif en application d'une disposition décrétale ou règlementaire ou en application d'un dispositif expérimental autorisé par le Gouvernement.
Le Gouvernement précise les modalités sur la base desquelles les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées.
Les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées à la demande du Gouvernement, formulée éventuellement sur la proposition du Service général de l'Inspection, via la Cellule intermédiaire de coordination.
Avant toute mission d'évaluation, la Cellule intermédiaire de coordination fixe la portée et les limites du mandat confié au Service général de l'Inspection pour les besoins de la mission. L'Inspecteur général coordonnateur, en concertation avec la Cellule intermédiaire de coordination, détermine le dispositif et la méthodologie spécifique sur la base desquels la mission est réalisée.
Toute mission d'évaluation donne lieu, dans les trente jours ouvrables suivant sa clôture, à l'établissement d'un rapport circonstancié dont le modèle est défini par le Gouvernement, sur la proposition de l'Inspecteur général coordonnateur, et destiné au Gouvernement via la Cellule intermédiaire de coordination. Dans ce cadre, le Service général de l'Inspection agit par voie de recommandations.
Si, dans le cadre du mandat d'une mission d'évaluation, un manquement substantiel présumé est relevé, qui serait susceptible de donner lieu à une mission visée au paragraphe 3, le rapport visé à l'alinéa 5 en fait mention. Il peut faire l'objet d'un rapport distinct, transmis immédiatement, par la voie hiérarchique, au fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
§ 3. Les Services de l'Inspection visés au paragraphe 1er sont chargés, chacun pour ce qui les concerne ou en collaboration entre eux, de missions [1 ...]1 de contrôle spécifiques portant sur la présomption d'un ou de plusieurs manquement(s) substantiel(s), mentionné(s) dans le rapport rédigé dans le cadre d'une mission visée aux paragraphes 1er ou 2 ou à la demande du fonctionnaire général en charge de la Direction générale de l'Enseignement obligatoire.
Sont substantiels, au sens de l'alinéa 1er, les manquements relatifs aux aspects suivants:
1° le respect des articles [4 1.4.1-1, 1.4.1-2, 1.4.1-4, 1.4.2-1, 1.4.2-2, 1.4.2-4, 1.4.3-2, 1.5.1-8 et 2.3.1-1 du Code et 24 et 34 ]4 du décret missions;
2° le niveau des études tel que précisé aux articles 20, 31 et 55 du décret missions;
3° le respect des programmes d'études fixés ou approuvés par le Gouvernement conformément aux articles [4 à l'article 1.5.1-4 du Code]4;
4° le respect des articles 2, 8, 27, 45, 46, 48, 50, 51, 54, 55 et 57 du décret du 3 mars 2004 organisant l'enseignement spécialisé;
5° la cohérence des pratiques, en ce compris les pratiques d'évaluation;
6° l'adéquation du matériel didactique et de l'équipement scolaire aux nécessités pédagogiques;
7° les mécanismes de ségrégation;
8° le respect des règles en matière de gratuité;
9° le respect de la neutralité, là où cette neutralité s'impose;
10° le respect du prescrit décrétal en matière de [3 formation professionnelle continue]3.
Dans l'enseignement subventionné par la Communauté française, la mission visée à l'alinéa 1er participe du contrôle des conditions d'octroi des subventions, tel que prévu à [4 l'article 1.7.3-1, § 2, du Code et à]4 l'article 24, § 2,[4 ...]4 et § 2bis, de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de l'enseignement.
Le Gouvernement précise les modalités et la méthodologie générale sur la base desquelles les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées, en veillant notamment à ce que le droit à faire valoir le point de vue des intéressés soit garanti.
Les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées à la demande du Gouvernement ou du fonctionnaire général en charge de la Direction générale de l'Enseignement obligatoire ou du fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
Avant toute mission visée à l'alinéa 1er, la cellule intermédiaire de coordination, le cas échéant élargie au fonctionnaire général en charge de la Direction générale de l'Enseignement obligatoire fixe la portée et les limites du mandat confié au Service général de l'Inspection pour les besoins de la mission. L'Inspecteur général coordonnateur, en concertation avec la cellule intermédiaire de concertation, détermine le dispositif et la méthodologie spécifique sur la base desquels la mission est réalisée.
Toute mission [1 ...]1 de contrôle spécifique visée à l'alinéa 1er donne lieu, dans les quinze jours ouvrables suivant sa clôture, à l'établissement d'un rapport circonstancié dont le modèle est défini par le Gouvernement, sur la proposition de l'Inspecteur général coordonnateur. Ce rapport, qui comprend notamment des informations et recommandations en lien avec les constats posés dans le cadre de cette mission, est transmis par la voie hiérarchique au fonctionnaire général désigné par le Gouvernement et au pouvoir organisateur concerné.
Le pouvoir organisateur qui n'envisage pas de réserver de suites à un rapport défavorable rédigé par un membre du personnel du Service général de l'Inspection en exécution d'une mission visée à l'alinéa 1er, motive cette décision auprès du fonctionnaire général visé à l'alinéa 7, dans le mois qui suit la date de réception dudit rapport, via le fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
§ 4. Les Services de l'Inspection visés au paragraphe 1er sont chargés, chacun pour ce qui les concerne ou en collaboration entre eux, de missions portant sur l'appréciation de l'aptitude pédagogique d'un membre du personnel de l'équipe éducative à l'aune du respect des référentiels [4 /ou ]4 et des programmes [4 et des profils de fonction et lettres de mission concernées, le cas échéant ]4.
Le Gouvernement précise les modalités et la méthodologie générale sur la base desquelles les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées en veillant notamment à ce que le droit à faire valoir le point de vue des intéressés soit garanti.
Les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées à la demande motivée du directeur dans l'enseignement organisé par la Communauté française ou du pouvoir organisateur concerné dans l'enseignement subventionné, adressée au fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
Le fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif, après analyse de la demande visée à l'alinéa 3, marque ou non son accord sur l'exécution de la mission et signifie sa décision au directeur dans l'enseignement organisé par la Communauté française ou au pouvoir organisateur concerné dans l'enseignement subventionné.
Toute mission visée à l'alinéa 1er donne lieu, dans les quinze jours ouvrables suivant sa clôture, à l'établissement d'un rapport circonstancié dont le modèle est défini par le Gouvernement, sur la proposition de l'Inspecteur général coordonnateur. Ce rapport, qui comprend, notamment, des informations et recommandations en lien avec les constats posés dans le cadre de cette mission, est transmis par la voie hiérarchique, au fonctionnaire général désigné par le Gouvernement qui le fait parvenir au pouvoir organisateur concerné. Ce dernier le soumet au visa du membre du personnel qui, le cas échéant, y joint ses observations. Le rapport, accompagné d'éventuelles observations du membre du personnel, est ensuite transmis à l'Inspecteur général coordonnateur, via le fonctionnaire général désigné par le Gouvernement.
Le pouvoir organisateur qui n'envisage pas de réserver de suites à un rapport défavorable rédigé par le Service général de l'Inspection en exécution d'une mission visée à l'alinéa 1er motive cette décision auprès du fonctionnaire général visé à l'alinéa 5 [4 ou son délégué]4 dans le mois qui suit la date de réception dudit rapport [4 ...]4.
§ 5. Les Services de l'Inspection visés au paragraphe 1er sont chargés, chacun pour ce qui les concerne ou en collaboration entre eux, de missions d'expertise pédagogique à des fins d'appui dans le cadre de:
1° la conception des évaluations externes non certificatives, l'analyse et l'exploitation des résultats au niveau des écoles, notamment par la conception des pistes didactiques;
2° la conception des évaluations externes certificatives et leur correction par les écoles;
3° la conception des outils d'évaluation visés par les article [4 1.4.4-4 et 1.4.4-5 du Code ]4.
[4 4° la conception de ressources éducatives visées à l'article 5 du décret du 25 avril 2019 relatif à la gouvernance numérique du système scolaire et à la transmission des données numériques dans l'enseignement obligatoire. ]4
§ 6. Les Services de l'Inspection visés au paragraphe 1er sont chargés, chacun pour ce qui les concerne ou en collaboration entre eux:
1° d'analyser les programmes d'études visés [4 à l'article 1.5.1-4 du Code ]4 et de rédiger un avis sur leur conformité avec les référentiels à destination de la Commission de pilotage;
2° de donner des avis et de formuler des propositions, d'initiative ou à la demande du Gouvernement, sur tout ce qui relève de leur compétence;
3° de participer aux groupes de travail, commissions et conseils, en vertu des lois, décrets et règlements;
4° de collaborer avec les établissements d'enseignement supérieur en charge de la formation initiale des enseignants dans le cadre et selon les conditions fixés par le Gouvernement;
5° d'exercer toutes autres tâches qui leur sont confiées par ou en vertu des lois, décrets et règlements;
[2 6° en collaboration avec le Service général de pilotage des écoles et des Centres psycho-médico-sociaux, de l'organisation de la passation, de la correction et du jury externe de l'épreuve externe commune conduisant à la délivrance du Certificat d'Etudes de Base au terme de l'enseignement primaire, ainsi que de l'organisation, de la correction ou du jury de toutes autres épreuves externes certificatives qui leur seraient confiées par le Gouvernement.]2
§ 7. Selon les besoins, les missions visées au présent article sont effectuées par un ou plusieurs membres du Service général de l'Inspection.
Ces missions sont assurées de manière complémentaire, pour autant qu'une mission d'audit ne soit jamais menée au sein d'un établissement en même temps qu'une [4 mission d'investigation, une]4 mission d'évaluation, une mission [1 ...]1 de contrôle spécifique ou une mission portant sur l'appréciation de l'aptitude pédagogique d'un membre du personnel de l'équipe éducative.
Dans le respect de la méthodologie et des objectifs qui sont propres au Service général de l'Inspection, et dans le respect du mandat sur la base duquel elles sont exécutées, les inspecteurs en charge des missions visées aux paragraphes 1er, 2, 3 et 4, ont accès, sous la responsabilité de l'Inspecteur général coordonnateur, aux données quantitatives de l'établissement, notamment celles relatives aux taux d'échec, de redoublement ou de réorientation vers d'autres établissements et aux archives. Ils peuvent fonder leurs appréciations sur des faits prélevés notamment en assistant aux cours et activités, [4 en interrogeant les élèves sur les attendus des référentiels et des programmes, ]4 en examinant des préparations, des travaux, des documents d' élèves et les résultats obtenus aux évaluations externes non certificatives et en analysant les données quantitatives précitées.
Art.4/1.[1 4/1. § 1. In het kader van hun bevoegdheden met betrekking tot de territoriale clusters zijn de inspectiediensten bedoeld in artikel 3, derde lid, 1°, 2° en 5°, belast, elk wat hen aanbelangt of in onderlinge samenwerking, met auditopdrachten met betrekking tot de territoriale clusters waarvoor de Intermediaire Coördinatie-eenheid de auditaanvraag valideert die geformuleerd is door een lid van de Algemene Sturingsdienst van de Scholen en de PMS-Centra of door de betrokken inrichtende macht, ofwel in geval van weigering of onvermogen van de zetelschool van een territoriaal cluster om de bijlage met betrekking tot het territoriale cluster bedoeld in artikel 6.2.4-1 van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs op te stellen, ofwel na de evaluatie van de bijlage met betrekking tot het bedoelde territoriale cluster die wordt uitgevoerd in het kader van de tussentijdse evaluatie van de doelstellingenovereenkomst van de zetelschool van het territoriale cluster.
De regering stelt de algemene methodologie vast op basis waarvan de in lid 1 bedoelde opdrachten worden uitgevoerd.
Voorafgaand aan elke auditopdracht bepaalt de Intermediaire Coördinatie-eenheid de reikwijdte en beperkingen van het mandaat dat aan de algemene inspectiedienst wordt toevertrouwd.
De coördinerend inspecteur-generaal bepaalt in overleg met de Intermediaire Coördinatie-eenheid de specifieke systematiek en methodologie op basis waarvan de opdracht wordt uitgevoerd.
Binnen vijftien werkdagen na het einde van elke auditopdracht wordt een diagnoseverslag opgesteld, waarvan het model wordt bepaald door de regering, op voorstel van de coördinerend inspecteur-generaal, en verstuurd naar de Intermediaire Coördinatie-eenheid en het geauditeerde territoriale cluster. Binnen dit kader handelt de algemene inspectiedienst door middel van aanbevelingen.
Indien in het kader van het mandaat van een auditopdracht een vermeende inbreuk van wezenlijk belang wordt vastgesteld die aanleiding zou kunnen geven tot een opdracht als bedoeld in paragraaf 3, wordt daarvan melding gemaakt in het in lid 4 bedoelde verslag.
Hierover kan een afzonderlijk verslag worden opgesteld, dat onmiddellijk via de hiërarchie wordt doorgestuurd naar de ambtenaar-generaal die belast is met de algemene directie voor de sturing van het onderwijsstelsel.
§ 2 De inspectiediensten bedoeld in paragraaf 1 zijn, elk voor zich of in onderlinge samenwerking, belast met de evaluatie van de uitvoering van de opdrachten toegewezen aan de territoriale clusters in overeenstemming met artikel 6.2.3-1 van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs en de naleving van wettelijke en deontologische verplichtingen.
De regering stelt de voorwaarden vast op basis waarvan de in lid 1 bedoelde opdrachten worden uitgevoerd.
De in lid 1 bedoelde opdrachten worden uitgevoerd op verzoek van de regering, eventueel op voorstel van de Algemene Inspectiedienst, door tussenkomst van de Intermediaire Coördinatie-eenheid.
Voorafgaand aan elke evaluatieopdracht bepaalt de Intermediaire Coördinatie-eenheid de reikwijdte en beperkingen van het mandaat dat aan de Algemene Inspectiedienst wordt toevertrouwd met het oog op de opdracht.
De coördinerend inspecteur-generaal bepaalt in overleg met de Intermediaire Coördinatie-eenheid de specifieke systematiek en methodologie op basis waarvan de opdracht wordt uitgevoerd.
Binnen dertig werkdagen na afloop van elke evaluatieopdracht wordt een gedetailleerd verslag opgesteld, waarvan het model wordt vastgesteld door de regering, op voorstel van de coördinerend inspecteur-generaal, en dat bestemd is voor de Intermediaire Coördinatie-eenheid.
Indien in het kader van het mandaat van een evaluatieopdracht een vermeende wezenlijke inbreuk wordt vastgesteld die aanleiding kan geven tot een opdracht als bedoeld in paragraaf 3, wordt daarvan melding gemaakt in het in lid 5 bedoelde verslag.
Hierover kan een afzonderlijk verslag worden opgesteld, dat onmiddellijk via de hiërarchie wordt doorgestuurd naar de ambtenaar-generaal die belast is met de algemene directie voor de sturing van het onderwijsstelsel.
§ 3 De in paragraaf 1 bedoelde inspectiediensten worden, elk voor wat hen betreft of in onderlinge samenwerking, belast met specifieke controleopdrachten met betrekking tot het vermoeden van één of meer substantiële tekortkomingen vermeld in het verslag opgesteld in het kader van een opdracht bedoeld in paragraaf 1 en 2 en in artikel 7/1 of op verzoek van de ambtenaar-generaal belast met de Algemene directie Leerplichtonderwijs.
Wezenlijke inbreuken in de zin van lid 1 zijn inbreuken die zijn vastgesteld of gemeld met betrekking tot de volgende aspecten:
1° naleving van artikel 1.4.1-1 van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs;
2° de geschiktheid van het lesmateriaal en de schooluitrusting voor de onderwijsbehoeften in relatie tot de opdrachten van de clusters;
3° naleving van wettelijke verplichtingen en deontologische regels;
4° respect voor neutraliteit, waar zulke neutraliteit vereist is;
5° naleving van de decreetbepalingen op de voortgezette beroepsopleiding.
In het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs maakt de in lid 1 bedoelde opdracht deel uit van de controle op de toekenningsvoorwaarden van de subsidies, zoals bepaald in de artikelen 6.2.5-1 van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs en 24, § 2 bis van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige onderwijsbepalingen.
De regering bepaalt de nadere regels en de algemene methodologie op basis waarvan de in lid 1 bedoelde opdrachten worden uitgevoerd, waarbij er inzonderheid op wordt toegezien dat het recht om het standpunt van de betrokkenen naar voren te brengen, wordt gewaarborgd.
De in lid 1 bedoelde opdrachten worden uitgevoerd op verzoek van de regering of van de ambtenaar-generaal belast met de algemene directie voor het leerplichtonderwijs of de ambtenaar-generaal belast met de algemene directie voor de sturing van het onderwijsstelsel.
Voorafgaand aan elke opdracht als bedoeld in lid 1 bepaalt de Intermediaire Coördinatie-eenheid, in voorkomend geval uitgebreid met de ambtenaar-generaal die belast is met de Algemene directie Leerplichtonderwijs, de reikwijdte en de perken van het mandaat dat met het oog op de opdracht aan de Algemene inspectiedienst wordt toevertrouwd.
De coördinerend inspecteur-generaal bepaalt in overleg met de Intermediaire Coördinatie-eenheid de specifieke systematiek en methodologie op basis waarvan de opdracht wordt uitgevoerd.
Elke specifieke controleopdracht als bedoeld in lid 1 geeft binnen vijftien werkdagen na afloop aanleiding tot het opstellen van een gedetailleerd verslag, waarvan het model door de regering, op voorstel van de coördinerend inspecteur-generaal, wordt vastgesteld.
Dit verslag, dat informatie en aanbevelingen bevat met betrekking tot de bevindingen van deze opdracht, wordt via de hiërarchische weg naar de door de regering aangestelde ambtenaar-generaal en naar de betrokken inrichtende macht gestuurd.
Indien een inrichtende macht niet voornemens is gevolg te geven aan een ongunstig verslag dat door een personeelslid van de algemene inspectiedienst in het kader van de uitvoering van een in lid 1 bedoelde opdracht is opgesteld, moet zij deze beslissing binnen een maand na de datum van ontvangst van het verslag via de verantwoordelijke ambtenaar-generaal van de Algemene directie voor de Sturing van het onderwijsstelsel met redenen omkleden tegenover de in lid 7 bedoelde ambtenaar-generaal.
§ 4 De inspectiediensten bedoeld in paragraaf 1 zijn, elk voor zich of in onderlinge samenwerking, belast met de evaluatie van de pedagogische of professionele geschiktheid van een lid van het multidisciplinaire team of de betrokken ambtsprofielen en opdrachtomschrijvingen.
De regering bepaalt de nadere regels en de algemene methodologie op basis waarvan de in lid 1 bedoelde opdrachten worden uitgevoerd, waarbij er inzonderheid op wordt toegezien dat het recht om het standpunt van de betrokkenen naar voren te brengen, wordt gewaarborgd.
De opdrachten bedoeld in lid 1 worden uitgevoerd op met redenen omkleed verzoek van de inrichtende macht in het geval van gesubsidieerde territoriale clusters en op verzoek van de directeur van de zetelschool in het geval van territoriale clusters georganiseerd door de Franse Gemeenschap, gericht aan de ambtenaar-generaal bevoegd voor de Algemene directie voor de Sturing van het onderwijsstelsel.
Na analyse van de aanvraag bedoeld in lid 3, stemt de ambtenaar-generaal van de Algemene Directie van het Onderwijsstelsel al dan niet in met de uitvoering van de opdracht en deelt hij zijn beslissing mee aan de directeur van het onderwijs in het geval van onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap of aan de betrokken inrichtende macht in het geval van gesubsidieerd onderwijs.
Over elke in lid 1 bedoelde opdracht wordt binnen vijftien werkdagen na afloop ervan op voorstel van de coördinerend inspecteur-generaal een gedetailleerd verslag opgesteld, waarvan het model door de regering wordt vastgesteld.
Dit verslag, dat inzonderheid informatie en aanbevelingen bevat met betrekking tot de vaststellingen van deze opdracht, wordt via de hiërarchische weg overgemaakt aan de door de regering aangestelde ambtenaar-generaal, die het overmaakt aan de directeur van de zetelschool en aan de coördinator van het territoriale cluster georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap of aan de inrichtende macht van het betrokken territoriaal cluster.
Deze laatste legt het ter goedkeuring voor aan het personeelslid, dat er eventueel opmerkingen aan kan toevoegen.
Het verslag wordt dan, samen met eventuele opmerkingen van het personeelslid, naar de coördinerend inspecteur-generaal gestuurd, via de ambtenaar-generaal die door de regering is aangesteld.
De inrichtende macht van het territoriale cluster of haar afgevaardigde die niet van plan is gevolg te geven aan een ongunstig verslag opgesteld door de Algemene Inspectiedienst in uitvoering van een opdracht bedoeld in lid 1, motiveert deze beslissing binnen een maand na de datum van ontvangst van het genoemde verslag via de ambtenaar-generaal die belast is met de Algemene directie Sturing van het Onderwijsstelsel aan de in lid 5 bedoelde ambtenaar-generaal.
§ 5 De in paragraaf 1 bedoelde inspectiediensten worden belast met deskundigenopdrachten om ondersteunende doeleinden in het kader van:
1° het ontwerpen en ter beschikking stellen van observatie-instrumenten voor de clusters;
2° het verzamelen en bevorderen van praktijken die relevant zijn voor de opdrachten van de clusters, in overeenstemming met artikel 8.
§ 6 De inspectiediensten bedoeld in paragraaf 1 zijn belast met:
1° het op eigen initiatief of op verzoek van de regering adviezen uitbrengen en voorstellen doen over alle aangelegenheden die tot hun bevoegdheid behoren;
2° om krachtens wetten, decreten en reglementen deel te nemen aan werkgroepen, commissies en raden;
3° het samenwerken met de instellingen van hoger onderwijs die belast zijn met de initiële lerarenopleiding in het kader en volgens de voorwaarden bepaald door de regering;
4° het uitvoeren van alle andere opdrachten die hun worden toevertrouwd door of krachtens wetten, decreten en reglementen.
§ 7 Naargelang de behoeften worden de in dit artikel bedoelde opdrachten uitgevoerd door een of meer leden van de Algemene Inspectiedienst.
Deze opdrachten worden op complementaire wijze uitgevoerd, met dien verstande dat een auditopdracht binnen een cluster nooit tegelijkertijd wordt uitgevoerd met een evaluatieopdracht, een specifieke controleopdracht, een opdracht in verband met de evaluatie van de pedagogische of professionele bekwaamheid van een lid van het multidisciplinaire team of een onderzoeksopdracht.
Met inachtneming van hun eigen methodologie en doelstellingen en van het mandaat op basis waarvan zij worden uitgevoerd, hebben de leden van de Algemene Inspectiedienst voor de in de paragrafen 1, 2, 3 en 4 bedoelde opdrachten toegang tot de kwantitatieve en kwalitatieve gegevens van het cluster. Zij kunnen hun oordeel baseren op feiten die zij inzonderheid door bestudering van de dossiers en analyse van voornoemde gegevens hebben verkregen . ]1
De regering stelt de algemene methodologie vast op basis waarvan de in lid 1 bedoelde opdrachten worden uitgevoerd.
Voorafgaand aan elke auditopdracht bepaalt de Intermediaire Coördinatie-eenheid de reikwijdte en beperkingen van het mandaat dat aan de algemene inspectiedienst wordt toevertrouwd.
De coördinerend inspecteur-generaal bepaalt in overleg met de Intermediaire Coördinatie-eenheid de specifieke systematiek en methodologie op basis waarvan de opdracht wordt uitgevoerd.
Binnen vijftien werkdagen na het einde van elke auditopdracht wordt een diagnoseverslag opgesteld, waarvan het model wordt bepaald door de regering, op voorstel van de coördinerend inspecteur-generaal, en verstuurd naar de Intermediaire Coördinatie-eenheid en het geauditeerde territoriale cluster. Binnen dit kader handelt de algemene inspectiedienst door middel van aanbevelingen.
Indien in het kader van het mandaat van een auditopdracht een vermeende inbreuk van wezenlijk belang wordt vastgesteld die aanleiding zou kunnen geven tot een opdracht als bedoeld in paragraaf 3, wordt daarvan melding gemaakt in het in lid 4 bedoelde verslag.
Hierover kan een afzonderlijk verslag worden opgesteld, dat onmiddellijk via de hiërarchie wordt doorgestuurd naar de ambtenaar-generaal die belast is met de algemene directie voor de sturing van het onderwijsstelsel.
§ 2 De inspectiediensten bedoeld in paragraaf 1 zijn, elk voor zich of in onderlinge samenwerking, belast met de evaluatie van de uitvoering van de opdrachten toegewezen aan de territoriale clusters in overeenstemming met artikel 6.2.3-1 van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs en de naleving van wettelijke en deontologische verplichtingen.
De regering stelt de voorwaarden vast op basis waarvan de in lid 1 bedoelde opdrachten worden uitgevoerd.
De in lid 1 bedoelde opdrachten worden uitgevoerd op verzoek van de regering, eventueel op voorstel van de Algemene Inspectiedienst, door tussenkomst van de Intermediaire Coördinatie-eenheid.
Voorafgaand aan elke evaluatieopdracht bepaalt de Intermediaire Coördinatie-eenheid de reikwijdte en beperkingen van het mandaat dat aan de Algemene Inspectiedienst wordt toevertrouwd met het oog op de opdracht.
De coördinerend inspecteur-generaal bepaalt in overleg met de Intermediaire Coördinatie-eenheid de specifieke systematiek en methodologie op basis waarvan de opdracht wordt uitgevoerd.
Binnen dertig werkdagen na afloop van elke evaluatieopdracht wordt een gedetailleerd verslag opgesteld, waarvan het model wordt vastgesteld door de regering, op voorstel van de coördinerend inspecteur-generaal, en dat bestemd is voor de Intermediaire Coördinatie-eenheid.
Indien in het kader van het mandaat van een evaluatieopdracht een vermeende wezenlijke inbreuk wordt vastgesteld die aanleiding kan geven tot een opdracht als bedoeld in paragraaf 3, wordt daarvan melding gemaakt in het in lid 5 bedoelde verslag.
Hierover kan een afzonderlijk verslag worden opgesteld, dat onmiddellijk via de hiërarchie wordt doorgestuurd naar de ambtenaar-generaal die belast is met de algemene directie voor de sturing van het onderwijsstelsel.
§ 3 De in paragraaf 1 bedoelde inspectiediensten worden, elk voor wat hen betreft of in onderlinge samenwerking, belast met specifieke controleopdrachten met betrekking tot het vermoeden van één of meer substantiële tekortkomingen vermeld in het verslag opgesteld in het kader van een opdracht bedoeld in paragraaf 1 en 2 en in artikel 7/1 of op verzoek van de ambtenaar-generaal belast met de Algemene directie Leerplichtonderwijs.
Wezenlijke inbreuken in de zin van lid 1 zijn inbreuken die zijn vastgesteld of gemeld met betrekking tot de volgende aspecten:
1° naleving van artikel 1.4.1-1 van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs;
2° de geschiktheid van het lesmateriaal en de schooluitrusting voor de onderwijsbehoeften in relatie tot de opdrachten van de clusters;
3° naleving van wettelijke verplichtingen en deontologische regels;
4° respect voor neutraliteit, waar zulke neutraliteit vereist is;
5° naleving van de decreetbepalingen op de voortgezette beroepsopleiding.
In het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs maakt de in lid 1 bedoelde opdracht deel uit van de controle op de toekenningsvoorwaarden van de subsidies, zoals bepaald in de artikelen 6.2.5-1 van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs en 24, § 2 bis van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige onderwijsbepalingen.
De regering bepaalt de nadere regels en de algemene methodologie op basis waarvan de in lid 1 bedoelde opdrachten worden uitgevoerd, waarbij er inzonderheid op wordt toegezien dat het recht om het standpunt van de betrokkenen naar voren te brengen, wordt gewaarborgd.
De in lid 1 bedoelde opdrachten worden uitgevoerd op verzoek van de regering of van de ambtenaar-generaal belast met de algemene directie voor het leerplichtonderwijs of de ambtenaar-generaal belast met de algemene directie voor de sturing van het onderwijsstelsel.
Voorafgaand aan elke opdracht als bedoeld in lid 1 bepaalt de Intermediaire Coördinatie-eenheid, in voorkomend geval uitgebreid met de ambtenaar-generaal die belast is met de Algemene directie Leerplichtonderwijs, de reikwijdte en de perken van het mandaat dat met het oog op de opdracht aan de Algemene inspectiedienst wordt toevertrouwd.
De coördinerend inspecteur-generaal bepaalt in overleg met de Intermediaire Coördinatie-eenheid de specifieke systematiek en methodologie op basis waarvan de opdracht wordt uitgevoerd.
Elke specifieke controleopdracht als bedoeld in lid 1 geeft binnen vijftien werkdagen na afloop aanleiding tot het opstellen van een gedetailleerd verslag, waarvan het model door de regering, op voorstel van de coördinerend inspecteur-generaal, wordt vastgesteld.
Dit verslag, dat informatie en aanbevelingen bevat met betrekking tot de bevindingen van deze opdracht, wordt via de hiërarchische weg naar de door de regering aangestelde ambtenaar-generaal en naar de betrokken inrichtende macht gestuurd.
Indien een inrichtende macht niet voornemens is gevolg te geven aan een ongunstig verslag dat door een personeelslid van de algemene inspectiedienst in het kader van de uitvoering van een in lid 1 bedoelde opdracht is opgesteld, moet zij deze beslissing binnen een maand na de datum van ontvangst van het verslag via de verantwoordelijke ambtenaar-generaal van de Algemene directie voor de Sturing van het onderwijsstelsel met redenen omkleden tegenover de in lid 7 bedoelde ambtenaar-generaal.
§ 4 De inspectiediensten bedoeld in paragraaf 1 zijn, elk voor zich of in onderlinge samenwerking, belast met de evaluatie van de pedagogische of professionele geschiktheid van een lid van het multidisciplinaire team of de betrokken ambtsprofielen en opdrachtomschrijvingen.
De regering bepaalt de nadere regels en de algemene methodologie op basis waarvan de in lid 1 bedoelde opdrachten worden uitgevoerd, waarbij er inzonderheid op wordt toegezien dat het recht om het standpunt van de betrokkenen naar voren te brengen, wordt gewaarborgd.
De opdrachten bedoeld in lid 1 worden uitgevoerd op met redenen omkleed verzoek van de inrichtende macht in het geval van gesubsidieerde territoriale clusters en op verzoek van de directeur van de zetelschool in het geval van territoriale clusters georganiseerd door de Franse Gemeenschap, gericht aan de ambtenaar-generaal bevoegd voor de Algemene directie voor de Sturing van het onderwijsstelsel.
Na analyse van de aanvraag bedoeld in lid 3, stemt de ambtenaar-generaal van de Algemene Directie van het Onderwijsstelsel al dan niet in met de uitvoering van de opdracht en deelt hij zijn beslissing mee aan de directeur van het onderwijs in het geval van onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap of aan de betrokken inrichtende macht in het geval van gesubsidieerd onderwijs.
Over elke in lid 1 bedoelde opdracht wordt binnen vijftien werkdagen na afloop ervan op voorstel van de coördinerend inspecteur-generaal een gedetailleerd verslag opgesteld, waarvan het model door de regering wordt vastgesteld.
Dit verslag, dat inzonderheid informatie en aanbevelingen bevat met betrekking tot de vaststellingen van deze opdracht, wordt via de hiërarchische weg overgemaakt aan de door de regering aangestelde ambtenaar-generaal, die het overmaakt aan de directeur van de zetelschool en aan de coördinator van het territoriale cluster georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap of aan de inrichtende macht van het betrokken territoriaal cluster.
Deze laatste legt het ter goedkeuring voor aan het personeelslid, dat er eventueel opmerkingen aan kan toevoegen.
Het verslag wordt dan, samen met eventuele opmerkingen van het personeelslid, naar de coördinerend inspecteur-generaal gestuurd, via de ambtenaar-generaal die door de regering is aangesteld.
De inrichtende macht van het territoriale cluster of haar afgevaardigde die niet van plan is gevolg te geven aan een ongunstig verslag opgesteld door de Algemene Inspectiedienst in uitvoering van een opdracht bedoeld in lid 1, motiveert deze beslissing binnen een maand na de datum van ontvangst van het genoemde verslag via de ambtenaar-generaal die belast is met de Algemene directie Sturing van het Onderwijsstelsel aan de in lid 5 bedoelde ambtenaar-generaal.
§ 5 De in paragraaf 1 bedoelde inspectiediensten worden belast met deskundigenopdrachten om ondersteunende doeleinden in het kader van:
1° het ontwerpen en ter beschikking stellen van observatie-instrumenten voor de clusters;
2° het verzamelen en bevorderen van praktijken die relevant zijn voor de opdrachten van de clusters, in overeenstemming met artikel 8.
§ 6 De inspectiediensten bedoeld in paragraaf 1 zijn belast met:
1° het op eigen initiatief of op verzoek van de regering adviezen uitbrengen en voorstellen doen over alle aangelegenheden die tot hun bevoegdheid behoren;
2° om krachtens wetten, decreten en reglementen deel te nemen aan werkgroepen, commissies en raden;
3° het samenwerken met de instellingen van hoger onderwijs die belast zijn met de initiële lerarenopleiding in het kader en volgens de voorwaarden bepaald door de regering;
4° het uitvoeren van alle andere opdrachten die hun worden toevertrouwd door of krachtens wetten, decreten en reglementen.
§ 7 Naargelang de behoeften worden de in dit artikel bedoelde opdrachten uitgevoerd door een of meer leden van de Algemene Inspectiedienst.
Deze opdrachten worden op complementaire wijze uitgevoerd, met dien verstande dat een auditopdracht binnen een cluster nooit tegelijkertijd wordt uitgevoerd met een evaluatieopdracht, een specifieke controleopdracht, een opdracht in verband met de evaluatie van de pedagogische of professionele bekwaamheid van een lid van het multidisciplinaire team of een onderzoeksopdracht.
Met inachtneming van hun eigen methodologie en doelstellingen en van het mandaat op basis waarvan zij worden uitgevoerd, hebben de leden van de Algemene Inspectiedienst voor de in de paragrafen 1, 2, 3 en 4 bedoelde opdrachten toegang tot de kwantitatieve en kwalitatieve gegevens van het cluster. Zij kunnen hun oordeel baseren op feiten die zij inzonderheid door bestudering van de dossiers en analyse van voornoemde gegevens hebben verkregen . ]1
Art.4/1.[1 . § 1er. Dans le cadre de leurs compétences relatives aux pôles territoriaux, les Services de l'Inspection visés à l'article 3, alinéa 3, 1°, 2° et 5°, sont chargés, chacun pour ce qui les concerne ou en collaboration entre eux, de missions d'audit portant sur les pôles territoriaux pour lesquels la Cellule intermédiaire de coordination valide la demande d'audit formulée par un membre du Service général de Pilotage des Ecoles et des Centres psycho-médico-sociaux ou par le pouvoir organisateur concerné, soit dans le cas de refus ou d'incapacité de l'école siège d'un pôle territorial à établir l'annexe relative au pôle territorial visée à l'article 6.2.4-1 du Code de l'enseignement fondamental et de l'enseignement secondaire, soit à la suite de l'évaluation de l'annexe relative au pôle territorial concerné effectuée dans le cadre de l'évaluation intermédiaire du contrat d'objectifs de l'école siège du pôle territorial.
Le Gouvernement définit la méthodologie générale sur la base de laquelle les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées.
Avant toute mission d'audit, la Cellule intermédiaire de coordination fixe la portée et les limites du mandat confié au Service général de l'Inspection pour les besoins de la mission.
L'Inspecteur général coordonnateur, en concertation avec la Cellule intermédiaire de coordination, détermine le dispositif et la méthodologie spécifique sur la base desquels la mission est réalisée.
Toute mission d'audit donne lieu, dans les quinze jours ouvrables suivant sa clôture, à l'établissement d'un diagnostic, repris dans un rapport dont le modèle est défini par le Gouvernement, sur proposition de l'Inspecteur général coordonnateur, et destiné à la Cellule intermédiaire de coordination ainsi qu'au pôle territorial audité. Dans ce cadre, le Service général de l'Inspection agit par voie de recommandations.
Si, dans le cadre du mandat d'une mission d'audit, un manquement substantiel présumé est relevé, qui serait susceptible de donner lieu à une mission visée au paragraphe 3, le rapport visé à l'alinéa 4 en fait mention.
Il peut faire l'objet d'un rapport distinct, transmis immédiatement, par la voie hiérarchique, au fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
§ 2. Les Services de l'Inspection visés au paragraphe 1er sont chargés, chacun pour ce qui les concerne ou en collaboration entre eux, de missions d'évaluation portant sur l'exécution des missions assignées aux pôles territoriaux conformément à l'article 6.2.3-1 du Code de l'enseignement fondamental et secondaire et le respect des obligations légales et déontologiques.
Le Gouvernement précise les modalités sur la base desquelles les missions visées à l'alinéa 1 sont exécutées.
Les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées à la demande du Gouvernement, formulée éventuellement sur la proposition du Service général de l'Inspection, par la voie de la Cellule intermédiaire de coordination.
Avant toute mission d'évaluation, la Cellule intermédiaire de coordination fixe la portée et les limites du mandat confié au Service général de l'inspection pour les besoins de la mission.
L'Inspecteur général coordonnateur, en concertation avec la Cellule intermédiaire de coordination, détermine le dispositif et la méthodologie spécifique sur la base desquels la mission est réalisée.
Toute mission d'évaluation donne lieu, dans les trente jours ouvrables suivant sa clôture, à l'établissement d'un rapport circonstancié dont le modèle est défini par le Gouvernement, sur proposition de l'Inspecteur général coordonnateur, et destiné à la Cellule intermédiaire de coordination Dans ce cadre, le Service Général de l'Inspection agit par voie de recommandations.
Si, dans le cadre du mandat d'une mission d'évaluation, un manquement substantiel présumé est relevé, qui serait susceptible de donner lieu à une mission visée au paragraphe 3, le rapport visé à l'alinéa 5 en fait mention.
Il peut faire l'objet d'un rapport distinct, transmis immédiatement, par la voie hiérarchique, au fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
§ 3. Les Services de l'Inspection visés au paragraphe 1er sont chargés, chacun pour ce qui les concerne ou en collaboration entre eux, de missions de contrôle spécifique portant sur la présomption d'un ou de plusieurs manquements substantiels mentionnés dans le rapport rédigé dans le cadre d'une mission visée aux paragraphes 1er et 2 et à l'article 7/1 ou à la demande du fonctionnaire général en charge de la Direction générale de l'Enseignement obligatoire.
Sont substantiels au sens de l'alinéa 1er les manquements constatés ou dénoncés relativement aux aspects suivants :
1° le respect de l'article 1.4.1-1 du Code de l'enseignement fondamental et de l'enseignement secondaire ;
2° l'adéquation du matériel didactique et de l'équipement scolaire aux nécessités pédagogiques en lien avec les missions des pôles ;
3° le respect des obligations légales et des règles déontologiques ;
4° le respect de la neutralité, là où cette neutralité s'impose ;
5° le respect du prescrit décrétal en matière de formation professionnelle continue.
Dans l'enseignement subventionné par la Communauté française, la mission visée à l'alinéa 1er participe du contrôle des conditions d'octroi des subventions, tel que prévu aux articles 6.2.5-1 du Code de l'enseignement fondamental et de l'enseignement secondaire et 24, § 2 bis de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de l'enseignement.
Le Gouvernement précise les modalités et la méthodologie générale sur la base desquelles les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées, en veillant notamment à ce que le droit à faire valoir le point de vue des intéressés soit garanti.
Les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées à la demande du Gouvernement ou du fonctionnaire général en charge de la Direction générale de l'Enseignement obligatoire ou du fonctionnaire général chargé de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
Avant toute mission visée à l'alinéa 1er, la cellule intermédiaire de coordination, le cas échéant élargie au fonctionnaire général chargé de la Direction générale de l'Enseignement obligatoire fixe la portée et les limites du mandat confié au Service général de l'Inspection pour les besoins de la mission.
L'Inspecteur général coordonnateur, en concertation avec la cellule intermédiaire de coordination, détermine le dispositif et la méthodologie spécifique sur la base desquels la mission est réalisée.
Toute mission de contrôle spécifique visée à l'alinéa 1er donne lieu, dans les quinze jours ouvrables suivant sa clôture, à l'établissement d'un rapport circonstancié dont le modèle est défini par le Gouvernement, sur la proposition de l'Inspecteur général coordonnateur.
Ce rapport, qui comprend notamment des informations et recommandations en lien avec les constats posés dans le cadre de cette mission, est transmis par la voie hiérarchique au fonctionnaire général désigné par le Gouvernement et au pouvoir organisateur concerné.
Le pouvoir organisateur qui n'envisage pas de réserver de suites à un rapport défavorable rédigé par un membre du personnel du Service général de l'Inspection en exécution d'une mission visée à l'alinéa 1er, motive cette décision auprès du fonctionnaire général visé à l'alinéa 7, dans le mois qui suit la date de réception dudit rapport, via le fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
§ 4. Les Services de l'Inspection visés au paragraphe 1er sont chargés, chacun pour ce qui les concerne ou en collaboration entre eux, de missions portant sur l'appréciation de l'aptitude pédagogique ou professionnelle d'un membre du personnel de l'équipe pluridisciplinaire ou des profils de fonction et lettre de missions concernés.
Le Gouvernement précise les modalités et la méthodologie générale sur la base desquelles les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées en veillant notamment à ce que le droit à faire valoir le point de vue des intéressés soit garanti.
Les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées à la demande motivée du pouvoir organisateur pour les pôles territoriaux subventionnés et à la demande du directeur de l'école siège pour les pôles territoriaux organisés par la Communauté française, adressée au fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
Le fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif, après analyse de la demande visée à l'alinéa 3, marque ou non son accord sur l'exécution de la mission et signifie sa décision au directeur dans l'enseignement organisé par la Communauté française ou au pouvoir organisateur concerné dans l'enseignement subventionné.
Toute mission visée à l'alinéa 1er donne lieu, dans les quinze jours ouvrables suivant sa clôture, à l'établissement d'un rapport circonstancié dont le modèle est défini par le Gouvernement, sur la proposition de l'Inspecteur général coordonnateur.
Ce rapport, qui comprend, notamment, des informations et recommandations en lien avec les constats posés dans le cadre de cette mission, est transmis par la voie hiérarchique au fonctionnaire général désigné par le Gouvernement qui le fait parvenir au directeur de l'école siège et au coordonnateur du pôle territorial organisé ou subventionné par la Communauté française ou au pouvoir organisateur du pôle territorial concerné.
Ce dernier le soumet au visa du membre du personnel qui, le cas échéant, y joint ses observations.
Le rapport, accompagné d'éventuelles observations du membre du personnel, est ensuite transmis à l'Inspecteur général coordonnateur, via le fonctionnaire général désigné par le Gouvernement.
Le pouvoir organisateur du pôle territorial ou son délégué qui n'envisage pas de réserver de suites à un rapport défavorable rédigé par le Service général de l'Inspection en exécution d'une mission visée à l'alinéa 1er motive cette décision auprès du fonctionnaire général visé à l'alinéa 5 dans le mois qui suit la date de réception dudit rapport, via le fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
§ 5. Les Services de l'Inspection visés au paragraphe 1er sont chargés de missions d'expertise à des fins d'appui dans le cadre de :
1° la conception et la mise à la disposition des pôles d'outils d'observation ;
2° le recueil et la valorisation des pratiques pertinentes des pôles par rapport à leurs missions, dans le respect de l'article 8.
§ 6. Les Services de l'Inspection visés au paragraphe 1er sont chargés :
1° de donner des avis et de formuler des propositions, d'initiative ou à la demande du Gouvernement, sur tout ce qui relève de leur compétence ;
2° de participer aux groupes de travail, commissions et conseils, en vertu des lois, décrets et règlements ;
3° de collaborer avec les établissements d'enseignement supérieur en charge de la formation initiale des enseignants dans le cadre et selon les conditions fixées par le Gouvernement ;
4° d'exercer toutes autres tâches qui leur sont confiées par ou en vertu des lois, décrets et règlements.
§ 7. Selon les besoins, les missions visées au présent article sont effectuées par un ou plusieurs membres du Service général de l'Inspection.
Ces missions sont assurées de manière complémentaire, pour autant qu'une mission d'audit ne soit jamais menée au sein d'un pôle en même temps qu'une mission d'évaluation, une mission de contrôle spécifique, une mission portant sur l'appréciation de l'aptitude pédagogique ou professionnelle d'un membre du personnel de l'équipe pluridisciplinaire ou une mission d'investigation.
Dans le respect de la méthodologie et des objectifs qui leur sont propres, et dans le respect du mandat sur la base duquel elles sont exécutées, pour les missions visées aux paragraphes 1er, 2, 3 et 4, les membres du Service général de l'Inspection ont accès aux données quantitatives et qualitatives du pôle. Ils peuvent fonder leurs appréciations sur des faits prélevés notamment en examinant des dossiers et en analysant les données précitées. ]1
Le Gouvernement définit la méthodologie générale sur la base de laquelle les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées.
Avant toute mission d'audit, la Cellule intermédiaire de coordination fixe la portée et les limites du mandat confié au Service général de l'Inspection pour les besoins de la mission.
L'Inspecteur général coordonnateur, en concertation avec la Cellule intermédiaire de coordination, détermine le dispositif et la méthodologie spécifique sur la base desquels la mission est réalisée.
Toute mission d'audit donne lieu, dans les quinze jours ouvrables suivant sa clôture, à l'établissement d'un diagnostic, repris dans un rapport dont le modèle est défini par le Gouvernement, sur proposition de l'Inspecteur général coordonnateur, et destiné à la Cellule intermédiaire de coordination ainsi qu'au pôle territorial audité. Dans ce cadre, le Service général de l'Inspection agit par voie de recommandations.
Si, dans le cadre du mandat d'une mission d'audit, un manquement substantiel présumé est relevé, qui serait susceptible de donner lieu à une mission visée au paragraphe 3, le rapport visé à l'alinéa 4 en fait mention.
Il peut faire l'objet d'un rapport distinct, transmis immédiatement, par la voie hiérarchique, au fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
§ 2. Les Services de l'Inspection visés au paragraphe 1er sont chargés, chacun pour ce qui les concerne ou en collaboration entre eux, de missions d'évaluation portant sur l'exécution des missions assignées aux pôles territoriaux conformément à l'article 6.2.3-1 du Code de l'enseignement fondamental et secondaire et le respect des obligations légales et déontologiques.
Le Gouvernement précise les modalités sur la base desquelles les missions visées à l'alinéa 1 sont exécutées.
Les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées à la demande du Gouvernement, formulée éventuellement sur la proposition du Service général de l'Inspection, par la voie de la Cellule intermédiaire de coordination.
Avant toute mission d'évaluation, la Cellule intermédiaire de coordination fixe la portée et les limites du mandat confié au Service général de l'inspection pour les besoins de la mission.
L'Inspecteur général coordonnateur, en concertation avec la Cellule intermédiaire de coordination, détermine le dispositif et la méthodologie spécifique sur la base desquels la mission est réalisée.
Toute mission d'évaluation donne lieu, dans les trente jours ouvrables suivant sa clôture, à l'établissement d'un rapport circonstancié dont le modèle est défini par le Gouvernement, sur proposition de l'Inspecteur général coordonnateur, et destiné à la Cellule intermédiaire de coordination Dans ce cadre, le Service Général de l'Inspection agit par voie de recommandations.
Si, dans le cadre du mandat d'une mission d'évaluation, un manquement substantiel présumé est relevé, qui serait susceptible de donner lieu à une mission visée au paragraphe 3, le rapport visé à l'alinéa 5 en fait mention.
Il peut faire l'objet d'un rapport distinct, transmis immédiatement, par la voie hiérarchique, au fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
§ 3. Les Services de l'Inspection visés au paragraphe 1er sont chargés, chacun pour ce qui les concerne ou en collaboration entre eux, de missions de contrôle spécifique portant sur la présomption d'un ou de plusieurs manquements substantiels mentionnés dans le rapport rédigé dans le cadre d'une mission visée aux paragraphes 1er et 2 et à l'article 7/1 ou à la demande du fonctionnaire général en charge de la Direction générale de l'Enseignement obligatoire.
Sont substantiels au sens de l'alinéa 1er les manquements constatés ou dénoncés relativement aux aspects suivants :
1° le respect de l'article 1.4.1-1 du Code de l'enseignement fondamental et de l'enseignement secondaire ;
2° l'adéquation du matériel didactique et de l'équipement scolaire aux nécessités pédagogiques en lien avec les missions des pôles ;
3° le respect des obligations légales et des règles déontologiques ;
4° le respect de la neutralité, là où cette neutralité s'impose ;
5° le respect du prescrit décrétal en matière de formation professionnelle continue.
Dans l'enseignement subventionné par la Communauté française, la mission visée à l'alinéa 1er participe du contrôle des conditions d'octroi des subventions, tel que prévu aux articles 6.2.5-1 du Code de l'enseignement fondamental et de l'enseignement secondaire et 24, § 2 bis de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de l'enseignement.
Le Gouvernement précise les modalités et la méthodologie générale sur la base desquelles les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées, en veillant notamment à ce que le droit à faire valoir le point de vue des intéressés soit garanti.
Les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées à la demande du Gouvernement ou du fonctionnaire général en charge de la Direction générale de l'Enseignement obligatoire ou du fonctionnaire général chargé de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
Avant toute mission visée à l'alinéa 1er, la cellule intermédiaire de coordination, le cas échéant élargie au fonctionnaire général chargé de la Direction générale de l'Enseignement obligatoire fixe la portée et les limites du mandat confié au Service général de l'Inspection pour les besoins de la mission.
L'Inspecteur général coordonnateur, en concertation avec la cellule intermédiaire de coordination, détermine le dispositif et la méthodologie spécifique sur la base desquels la mission est réalisée.
Toute mission de contrôle spécifique visée à l'alinéa 1er donne lieu, dans les quinze jours ouvrables suivant sa clôture, à l'établissement d'un rapport circonstancié dont le modèle est défini par le Gouvernement, sur la proposition de l'Inspecteur général coordonnateur.
Ce rapport, qui comprend notamment des informations et recommandations en lien avec les constats posés dans le cadre de cette mission, est transmis par la voie hiérarchique au fonctionnaire général désigné par le Gouvernement et au pouvoir organisateur concerné.
Le pouvoir organisateur qui n'envisage pas de réserver de suites à un rapport défavorable rédigé par un membre du personnel du Service général de l'Inspection en exécution d'une mission visée à l'alinéa 1er, motive cette décision auprès du fonctionnaire général visé à l'alinéa 7, dans le mois qui suit la date de réception dudit rapport, via le fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
§ 4. Les Services de l'Inspection visés au paragraphe 1er sont chargés, chacun pour ce qui les concerne ou en collaboration entre eux, de missions portant sur l'appréciation de l'aptitude pédagogique ou professionnelle d'un membre du personnel de l'équipe pluridisciplinaire ou des profils de fonction et lettre de missions concernés.
Le Gouvernement précise les modalités et la méthodologie générale sur la base desquelles les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées en veillant notamment à ce que le droit à faire valoir le point de vue des intéressés soit garanti.
Les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées à la demande motivée du pouvoir organisateur pour les pôles territoriaux subventionnés et à la demande du directeur de l'école siège pour les pôles territoriaux organisés par la Communauté française, adressée au fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
Le fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif, après analyse de la demande visée à l'alinéa 3, marque ou non son accord sur l'exécution de la mission et signifie sa décision au directeur dans l'enseignement organisé par la Communauté française ou au pouvoir organisateur concerné dans l'enseignement subventionné.
Toute mission visée à l'alinéa 1er donne lieu, dans les quinze jours ouvrables suivant sa clôture, à l'établissement d'un rapport circonstancié dont le modèle est défini par le Gouvernement, sur la proposition de l'Inspecteur général coordonnateur.
Ce rapport, qui comprend, notamment, des informations et recommandations en lien avec les constats posés dans le cadre de cette mission, est transmis par la voie hiérarchique au fonctionnaire général désigné par le Gouvernement qui le fait parvenir au directeur de l'école siège et au coordonnateur du pôle territorial organisé ou subventionné par la Communauté française ou au pouvoir organisateur du pôle territorial concerné.
Ce dernier le soumet au visa du membre du personnel qui, le cas échéant, y joint ses observations.
Le rapport, accompagné d'éventuelles observations du membre du personnel, est ensuite transmis à l'Inspecteur général coordonnateur, via le fonctionnaire général désigné par le Gouvernement.
Le pouvoir organisateur du pôle territorial ou son délégué qui n'envisage pas de réserver de suites à un rapport défavorable rédigé par le Service général de l'Inspection en exécution d'une mission visée à l'alinéa 1er motive cette décision auprès du fonctionnaire général visé à l'alinéa 5 dans le mois qui suit la date de réception dudit rapport, via le fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
§ 5. Les Services de l'Inspection visés au paragraphe 1er sont chargés de missions d'expertise à des fins d'appui dans le cadre de :
1° la conception et la mise à la disposition des pôles d'outils d'observation ;
2° le recueil et la valorisation des pratiques pertinentes des pôles par rapport à leurs missions, dans le respect de l'article 8.
§ 6. Les Services de l'Inspection visés au paragraphe 1er sont chargés :
1° de donner des avis et de formuler des propositions, d'initiative ou à la demande du Gouvernement, sur tout ce qui relève de leur compétence ;
2° de participer aux groupes de travail, commissions et conseils, en vertu des lois, décrets et règlements ;
3° de collaborer avec les établissements d'enseignement supérieur en charge de la formation initiale des enseignants dans le cadre et selon les conditions fixées par le Gouvernement ;
4° d'exercer toutes autres tâches qui leur sont confiées par ou en vertu des lois, décrets et règlements.
§ 7. Selon les besoins, les missions visées au présent article sont effectuées par un ou plusieurs membres du Service général de l'Inspection.
Ces missions sont assurées de manière complémentaire, pour autant qu'une mission d'audit ne soit jamais menée au sein d'un pôle en même temps qu'une mission d'évaluation, une mission de contrôle spécifique, une mission portant sur l'appréciation de l'aptitude pédagogique ou professionnelle d'un membre du personnel de l'équipe pluridisciplinaire ou une mission d'investigation.
Dans le respect de la méthodologie et des objectifs qui leur sont propres, et dans le respect du mandat sur la base duquel elles sont exécutées, pour les missions visées aux paragraphes 1er, 2, 3 et 4, les membres du Service général de l'Inspection ont accès aux données quantitatives et qualitatives du pôle. Ils peuvent fonder leurs appréciations sur des faits prélevés notamment en examinant des dossiers et en analysant les données précitées. ]1
Art. 5. § 1. In het kader van zijn bevoegdheden met betrekking tot onderwijs voor sociale promotie, wordt de inspectiedienst bedoeld in artikel 3, lid 3, 3°, belast met audits die betrekking hebben op de inrichtingen waarvoor de cel voor coördinatiebemiddeling de auditaanvraag van de diensten van de Regering of van de betrokken inrichtende macht valideert op basis van algemene doelstellingen bepaald door de Regering krachtens wetten, decreten en verordeningen van het onderwijs voor sociale promotie.
De Regering bepaalt de algemene methodologie op basis waarvan de in lid 1 bedoelde taken worden uitgevoerd. Voor elke audit legt de cel voor coördinatiebemiddeling het bereik en de grenzen van het aan de algemene inspectiedienst toegekende mandaat vast voor de behoeften van de taak. De coördinerende inspecteur-generaal bepaalt, in overleg met de cel voor coördinatiebemiddeling, de inrichting en de specifieke methodologie op basis waarvan de taak wordt uitgevoerd.
Voor elke audit moet, binnen de 15 werkdagen na voltooiing, een diagnose worden opgesteld, die is opgenomen in een verslag waarvan het model wordt bepaald door de Regering, op voordracht van de coördinerende inspecteur-generaal, en bedoeld voor de cel voor coördinatiebemiddeling alsook de gecontroleerde inrichting. In dit kader handelt de algemene inspectiedienst via aanbevelingen. [2 In het kader van artikel 3, 3° van hetzelfde decreet van 22 februari 2008 houdende verschillende maatregelen betreffende de organisatie en de werking van het Agentschap voor de evaluatie van de kwaliteit van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde onderwijs, kan de cel voor coördinatiebemiddeling het auditverslag toezenden aan de uitvoerende cel van het Agentschap in overeenstemming met de vertrouwelijkheid van de audits in het kader van een samenwerkingsprotocol tussen de Algemene inspectiedienst en het Agentschap voor de evaluatie van de kwaliteit van het hoger onderwijs.]2
Indien, in het kader van het mandaat van een audit, een ernstige tekortkoming wordt vastgesteld, die aanleiding zou geven tot een taak bedoeld in lid 4, moet dit worden vermeld in het in lid 3 genoemde verslag. Hierover kan een apart verslag worden opgemaakt, dat onmiddellijk, langs hiërarchische weg, wordt overgemaakt aan de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem.
[2 De Regering bepaalt de modaliteiten voor de follow-up van de audit.]2
§ 2. De inspectiedienst bedoeld in lid 1 wordt belast met de evaluatietaken met betrekking tot de implementatie van specifieke pedagogische of educatieve hulpmiddelen van het onderwijs voor sociale promotie in toepassing van een decretale of reglementaire bepaling of in toepassing van een experimenteel hulpmiddel waarvoor de Regering de toestemming heeft gegeven.
[2 ...]2
De Regering bepaalt de nadere regels op basis waarvan de in lid 1 bedoelde taken worden uitgevoerd.
De in lid 1 bedoelde taken worden uitgevoerd op vraag van de Regering, eventueel geformuleerd op voordracht van de algemene inspectiedienst, via de cel voor coördinatiebemiddeling.
Voor elke evaluatietaak legt de cel voor coördinatiebemiddeling het bereik en de grenzen van het aan de algemene inspectiedienst toegekende mandaat vast voor de behoeften van de taak. De coördinerende inspecteur-generaal bepaalt, in overleg met de cel voor coördinatiebemiddeling, de inrichting en de specifieke methodologie op basis waarvan de taak wordt uitgevoerd.
Voor elke evaluatietaak moet, binnen de 15 werkdagen na voltooiing, een uitgebreid verslag worden opgesteld, waarvan het model wordt bepaald door de Regering, op voordracht van de coördinerende inspecteur-generaal, en bedoeld voor de Regering via de cel voor coördinatiebemiddeling. In dit kader handelt de algemene inspectiedienst via aanbevelingen. Na afloop van het meerjarenplan wordt een verslag over de toestand, de analyse en de conformiteit van de geëvalueerde pedagogische en educatieve hulpmiddelen van het onderwijs voor sociale promotie langs hiërarchische weg overgemaakt aan de cel voor coördinatiebemiddeling en de Regering.
Indien, in het kader van het mandaat van een evaluatietaak, een ernstige tekortkoming wordt vastgesteld, die aanleiding zou geven tot een taak bedoeld in lid 4, moet dit worden vermeld in het in lid 6 genoemde verslag Hierover kan een apart verslag worden opgemaakt, dat onmiddellijk, langs hiërarchische weg, wordt overgemaakt aan de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem.
[2 In het kader van artikel 3, 3°, van het decreet van 22 februari 2008 houdende verschillende maatregelen betreffende de organisatie en de werking van het Agentschap voor de evaluatie van de kwaliteit van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde onderwijs, kan de Regering op voorstel van de cel voor coördinatiebemiddeling het evaluatieverslag toezenden aan de uitvoerende cel van het Agentschap, dat verplicht is de vertrouwelijkheid ervan te respecteren.]2
§ 3. De inspectiedienst bedoeld in lid 1 wordt belast met evaluatietaken met betrekking tot de implementatie van specifieke pedagogische hulpmiddelen van afstandsonderwijs van de Franse Gemeenschap met e-learning.
De Regering bepaalt de nadere regels op basis waarvan de in lid 1 bedoelde taken worden uitgevoerd.
De in lid 1 bedoelde taken worden uitgevoerd op vraag van de Regering, eventueel geformuleerd op voordracht van de algemene inspectiedienst, via de cel voor coördinatiebemiddeling.
Voor elke evaluatietaak legt de cel voor coördinatiebemiddeling het bereik en de grenzen van het aan de algemene inspectiedienst toegekende mandaat vast voor de behoeften van de taak. De coördinerende inspecteur-generaal bepaalt, in overleg met de cel voor coördinatiebemiddeling, de inrichting en de specifieke methodologie op basis waarvan de taak wordt uitgevoerd.
Voor elke evaluatietaak moet, binnen de [2 30]2 werkdagen na voltooiing, een uitgebreid verslag worden opgesteld, waarvan het model wordt bepaald door de Regering, op voordracht van de coördinerende inspecteur-generaal, en bedoeld voor [2 de Regering via]2 de cel voor coördinatiebemiddeling. In dit kader handelt de algemene inspectiedienst via aanbevelingen.
Indien, in het kader van het mandaat van een evaluatietaak, een ernstige tekortkoming wordt vastgesteld, die aanleiding zou geven tot een taak bedoeld in lid 4, moet dit worden vermeld in het in lid 5 genoemde verslag Hierover kan een apart verslag worden opgemaakt, dat onmiddellijk, langs hiërarchische weg, wordt overgemaakt aan de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem.
§ 4. De inspectiedienst bedoeld in lid 1 wordt belast met specifieke [1 ...]1 toezichthoudende taken van het onderwijs voor sociale promotie met betrekking tot:
1° het studieniveau met verwijzing naar de pedagogische dossiers die voorlopig of definitief door de Regering worden goedgekeurd, wanneer een leemte of een bijzondere uitdaging werd ontdekt, die een objectieve externe diagnose vereist;
2° het vermoeden van een of meer ernstige tekortkomingen in het verslag opgesteld in het kader van een taak bedoeld in lid 1 of 2 [2 of artikel 7/1]2 of gemeld door de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie van niet-verplicht onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
De volgende vastgestelde of opgegeven tekortkomingen zijn, in de zin van lid 1, 2°, ernstige tekortkomingen:
1° de naleving van de artikels 7, 8, 10, 11, 13, 14, 26, 31, 34, 36, 37, 40, 42, 53, 57, 58, 60, 64, 67, 68, 70 en 120 van het decreet van 16 april 1991 houdende organisatie van het gespecialiseerd onderwijs;
2° de naleving van de pedagogische dossiers of van de programma's die voorlopig of definitief door de Regering worden goedgekeurd overeenkomstig de geldende regelgeving;
3° de samenhang tussen de praktijken en het pedagogisch dossier, met inbegrip van de evaluatie- en valorisatiepraktijken van de verworven kennis;
4° de geschiktheid van het didactische en digitale materiaal en de schooluitrusting voor de pedagogische noodwendigheden;
5° de segregatiemechanismen;
6° de naleving van de neutraliteit, waar die neutraliteit verplicht is;
7° de naleving van de decreetvoorschriften inzake opleiding tijdens de loopbaan.
In het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs wordt de taak bedoeld in lid 1 uitgeoefend in het kader van het toezicht op de voorwaarden voor de toekenning van de subsidies, zoals bepaald in artikel [2 1.7.3-1, § 2 van het Wetboek en in artikel 24, § 2bis van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving]2.
De Regering bepaalt de nadere regels en de algemene methodologie op basis waarvan de taken bedoeld in lid 1 worden uitgevoerd, met dien verstande dat het recht om het standpunt van betrokkenen te laten gelden, wordt gewaarborgd.
De in lid 1 bedoelde taken worden uitgevoerd op vraag van de Regering of de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie van niet-verplicht onderwijs en wetenschappelijk onderzoek of de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem.
De in lid, 1° bedoelde taken worden uitgevoerd na een met redenen omkleed verzoek van de betrokken inrichtende macht via de betrokken coördinerende inspecteur.
Voor elke in lid 1 bedoelde taak, bepaalt de cel voor coördinatiebemiddeling, in voorkomend geval uitgebreid met de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie van niet-verplicht onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, de omvang en de grenzen van het aan de algemene inspectiedienst toegekende mandaat voor de behoeften van de taak. De coördinerende inspecteur-generaal bepaalt, in overleg met de cel voor coördinatiebemiddeling, de inrichting en de specifieke methodologie op basis waarvan de taak wordt uitgevoerd. Voor elke specifieke [1 ...]1 toezichthoudende taak bedoeld in lid 1 moet, binnen de 15 werkdagen na voltooiing, een uitgebreid verslag worden opgesteld, waarvan het model wordt bepaald door de Regering, op voordracht van de coördinerende inspecteur-generaal. Dit verslag bevat met name inlichtingen en raadgevingen in verband met de vaststellingen gedaan in het kader van deze taak en wordt langs hiërarchische weg overgemaakt aan de door de Regering aangestelde ambtenaar-generaal en aan de betrokken inrichtende macht.
De inrichtende macht die geen gevolg wil geven aan een ongunstig verslag dat door een personeelslid van de algemene inspectiedienst wordt opgesteld in uitvoering van een taak bedoeld in lid 1, moet deze beslissing motiveren bij de ambtenaar-generaal bedoeld in lid [2 7]2, [2 of zijn afgevaardigde]2 binnen de maand die volgt op de datum van ontvangst van dat verslag [2 ...]2.
§ 5. De inspectiedienst bedoeld in lid 1 wordt belast met specifieke [1 ...]1 toezichthoudende taken van het afstandsonderwijs van de Franse Gemeenschap met e-learning met betrekking tot:
1° het studieniveau zoals bepaald in de artikels [2 1.4.2-4 en 1.4.3-3 van het Wetboek"]2 en 55 van het takendecreet, met verwijzing naar het referentiesysteem voor de basisvaardigheden, de vereiste kennis en de eindvaardigheden, de opleidingsprofielen en, wanneer die niet bestaan, met verwijzing naar de door de Regering vastgelegde of goedgekeurde programma's, wanneer een leemte of een bijzondere uitdaging werd ontdekt, die een objectieve externe diagnose vereist;
2° een of meer ernstige tekortkomingen in het verslag opgesteld in het kader van een taak bedoeld in lid 3 [2 of artikel 7/1]2 of op verzoek van de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie van niet-verplicht onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
De Regering bepaalt de nadere regels en de algemene methodologie op basis waarvan de taken bedoeld in lid 1 worden uitgevoerd, met dien verstande dat het recht om het standpunt van betrokkenen te laten gelden, wordt gewaarborgd.
De in lid 1 bedoelde taken worden uitgevoerd op vraag van de Regering of de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie van niet-verplicht onderwijs en wetenschappelijk onderzoek of de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem.
Voor elke specifieke [1 ...]1 toezichthoudende taak bedoeld in lid 1 moet, binnen de 15 werkdagen na voltooiing, een uitgebreid verslag worden opgesteld, waarvan het model wordt bepaald door de Regering, op voordracht van de coördinerende inspecteur-generaal. Dit verslag bevat met name inlichtingen en raadgevingen in verband met de vaststellingen gedaan in het kader van deze taak en wordt langs hiërarchische weg overgemaakt aan de door de Regering aangestelde ambtenaar-generaal, die het op zijn beurt overmaakt aan de directeur van het afstandsonderwijs met e-learning en aan de Regering.
De directeur van het afstandsonderwijs met e-learning die geen gevolg wil geven aan een ongunstig verslag dat door een personeelslid van de algemene inspectiedienst wordt opgesteld in uitvoering van een taak bedoeld in lid 1, moet deze beslissing motiveren bij de ambtenaar-generaal bedoeld in lid 4, binnen de maand die volgt op de datum van ontvangst van dat verslag, via de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem.
§ 6. De inspectiediensten bedoeld in lid 1 worden, elk voor wat hen aanbelangt of in onderlinge samenwerking, belast met taken met betrekking tot het beoordelen van de pedagogische vaardigheden van een personeelslid van het opvoedingsteam in het onderwijs voor sociale promotie, in het licht van de naleving van de programma's [2 of van het ambtsprofiel indien van toepassing]2.
De Regering bepaalt de nadere regels en de algemene methodologie op basis waarvan de taken bedoeld in lid 1 worden uitgevoerd, met dien verstande dat het recht om het standpunt van betrokkenen te laten gelden, wordt gewaarborgd.
De in lid 1 bedoelde taken worden uitgevoerd na een met redenen omkleed verzoek van de directeur in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs of de betrokken inrichtende macht in het gesubsidieerde onderwijs, gericht aan de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem.
De ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem stemt, na analyse van het in lid 3 bedoelde verzoek, al dan niet in met de uitvoering van de taak en maakt zijn beslissing over aan de directeur in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs of aan de betrokken inrichtende macht in het gesubsidieerde onderwijs.
Voor elke specifieke taak bedoeld in lid 1 moet, binnen de 15 werkdagen na voltooiing, een uitgebreid verslag worden opgesteld, waarvan het model wordt bepaald door de Regering, op voordracht van de coördinerende inspecteur-generaal. Dit verslag bevat met name inlichtingen en raadgevingen in verband met de vaststellingen gedaan in het kader van deze taak en wordt langs hiërarchische weg overgemaakt aan de door de Regering aangestelde ambtenaar-generaal, die het op zijn beurt overmaakt aan de betrokken inrichtende macht. Deze laatste legt het voor visum voor aan het personeelslid dat er, in voorkomend geval, zijn eigen opmerkingen aan toevoegt. Het verslag, samen met de eventuele opmerkingen van het personeelslid, wordt vervolgens overgemaakt aan de bevoegde coördinerende inspecteur-generaal, via de door de Regering aangestelde ambtenaar-generaal.
De inrichtende macht die geen gevolg wil geven aan een ongunstig verslag dat door een personeelslid van de algemene inspectiedienst wordt opgesteld in uitvoering van een taak bedoeld in lid 1, moet deze beslissing motiveren bij de ambtenaar-generaal bedoeld in lid 5 [2 of zijn afgevaardigde]2, binnen de maand die volgt op de datum van ontvangst van dat verslag [2 ...]2.
§ 7. De inspectiediensten bedoeld in lid 1 worden, elk voor wat hen aanbelangt of in onderlinge samenwerking, belast met taken met betrekking tot het beoordelen van de pedagogische vaardigheden van een personeelslid van het opvoedingsteam in het afstandsonderwijs van de Franse Gemeenschap met e-learning, in het licht van de naleving van de programma's [2 of van het ambtsprofiel indien van toepassing]2.
De Regering bepaalt de nadere regels en de algemene methodologie op basis waarvan de taken bedoeld in lid 1 worden uitgevoerd, met dien verstande dat het recht om het standpunt van betrokkenen te laten gelden, wordt gewaarborgd.
De in lid 1 bedoelde taken worden uitgevoerd na een met redenen omkleed verzoek van de directeur in het afstandsonderwijs met e-learning, gericht aan de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem.
De ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem stemt, na analyse van het in lid 3 bedoelde verzoek, al dan niet in met de uitvoering van de taak en maakt zijn beslissing over aan de betrokken directeur.
Voor elke specifieke taak bedoeld in lid 1 moet, binnen de 15 werkdagen na voltooiing, een uitgebreid verslag worden opgesteld, waarvan het model wordt bepaald door de Regering, op voordracht van de coördinerende inspecteur-generaal. Dit verslag bevat met name inlichtingen en raadgevingen in verband met de vaststellingen gedaan in het kader van deze taak en wordt langs hiërarchische weg overgemaakt aan de door de Regering aangestelde ambtenaar-generaal, die het op zijn beurt overmaakt aan de betrokken directeur. Deze laatste legt het voor visum voor aan het personeelslid dat er, in voorkomend geval, zijn eigen opmerkingen aan toevoegt. Het verslag, samen met de eventuele opmerkingen van het personeelslid, wordt vervolgens overgemaakt aan de bevoegde coördinerende inspecteur-generaal, via de door de Regering aangestelde ambtenaar-generaal.
De directeur van het afstandsonderwijs met e-learning die geen gevolg wil geven aan een ongunstig verslag dat door een personeelslid van de algemene inspectiedienst wordt opgesteld, moet deze beslissing binnen de maand die volgt op de datum van ontvangst van dat verslag motiveren bij de ambtenaar-generaal bedoeld in lid 5 [2 of zijn afgevaardigde]2 [2 ...]2.
§ 8. De inspectiedienst bedoeld in lid 1 wordt belast met taken van pedagogische vaardigheden voor ondersteuning in het kader van het uitbrengen van advies over:
1° redelijke aanpassingen van pedagogische aard op verzoek van de inrichtende macht van een inrichting;
2° pedagogische hulpmiddelen verbonden met de digitalisering van het onderwijs voor sociale promotie, via [2 hybride onderwijs]2, informatie- en communicatietechnologieën voor het onderwijs en van het afstandsponderwijs van de Franse Gemeenschap met e-learning;
3° de valorisatie van nuttige ervaring in het hoger onderwijs voor sociale promotie;
4° de modules voor afstandsonderwijs met e-learning en naleving van het programma.
§ 9. De inspectiedienst bedoeld in paragraaf 1 wordt belast met:
1° het analyseren van pedagogische dossiers van secties en eenheden van het onderwijs voor sociale promotie en het opstellen van adviezen voor de dossiers die een voorlopige goedkeuring zouden moeten krijgen;
2° het geven van adviezen en formuleren van voorstellen, op eigen initiatief of op aanvraag van de Regering, over alles wat tot hun bevoegdheid behoort;
3° het deelnemen aan werkgroepen, commissies en raden, krachtens de wetten, decreten en verordeningen;
4° het samenwerken met de inrichtingen voor hoger onderwijs belast met de initiële opleiding van lesgevers in het kader en volgens de door de Regering te bepalen voorwaarden;
5° het uitvoeren van alle andere taken die aan hen worden toevertrouwd door of krachtens de wetten, decreten en verordeningen.
§ 10. Afhankelijk van de noodwendigheden worden de taken bedoeld in onderhavig artikel uitgevoerd door een of meer leden van de algemene inspectiedienst.
Deze taken worden uitgevoerd op aanvullende wijze, op voorwaarde dat een audit bedoeld in lid 1 nooit in een inrichting mag worden uitgevoerd tegelijkertijd met een [2 onderzoekstaak, een]2 evaluatietaak, een specifieke [1 ...]1 toezichthoudende taak of een taak die betrekking heeft op de beoordeling van de pedagogische vaardigheden van een personeelslid van het opvoedingsteam.
Met inachtneming van de eigen methodologie en doelstellingen en met inachtneming van het mandaat op basis waarvan de taken worden uitgevoerd, kunnen de inspecteurs, via de coördinerende inspecteur, voor de taken bedoeld in lid 1, 2, 4 en 8, een beroep doen op de cel voor sturing om nuttige kwantitatieve gegevens voor het onderzoek te verzamelen. Ze kunnen hun beoordelingen baseren op feiten die inzonderheid werden vastgesteld naar aanleiding van de begeleiding van cursussen en activiteiten, van het onderzoek van voorbereidingen, werken en documenten van leerlingen/studenten, van de resultaten die werden behaald bij de externe evaluaties die niet met getuigschriften worden bekrachtigd en door het analyseren van de hiervoor genoemde kwantitatieve gegevens.
Met inachtneming van de eigen methodologie en doelstellingen en met inachtneming van het mandaat op basis waarvan de taken worden uitgevoerd, hebben de leden van de algemene inspectiedienst, voor de taken bedoeld in lid 3, 5 en [2 , 8 en artikel 7/1]2, toegang tot de kwantitatieve gegevens met een verzoek aan de raad voor overleg en sturing van e-learning. Ze kunnen hun beoordelingen baseren op feiten die inzonderheid werden vastgesteld door het onderzoeken van voorbereidingen, werken en documenten van leerlingen/studenten en de resultaten die werden behaald bij de evaluaties [2 , bij het ondervragen van de leerlingen]2 en door het analyseren van de hiervoor genoemde kwantitatieve gegevens en/of het resultaat van de gevoerde kwalitatieve onderzoeken.
De Regering bepaalt de algemene methodologie op basis waarvan de in lid 1 bedoelde taken worden uitgevoerd. Voor elke audit legt de cel voor coördinatiebemiddeling het bereik en de grenzen van het aan de algemene inspectiedienst toegekende mandaat vast voor de behoeften van de taak. De coördinerende inspecteur-generaal bepaalt, in overleg met de cel voor coördinatiebemiddeling, de inrichting en de specifieke methodologie op basis waarvan de taak wordt uitgevoerd.
Voor elke audit moet, binnen de 15 werkdagen na voltooiing, een diagnose worden opgesteld, die is opgenomen in een verslag waarvan het model wordt bepaald door de Regering, op voordracht van de coördinerende inspecteur-generaal, en bedoeld voor de cel voor coördinatiebemiddeling alsook de gecontroleerde inrichting. In dit kader handelt de algemene inspectiedienst via aanbevelingen. [2 In het kader van artikel 3, 3° van hetzelfde decreet van 22 februari 2008 houdende verschillende maatregelen betreffende de organisatie en de werking van het Agentschap voor de evaluatie van de kwaliteit van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde onderwijs, kan de cel voor coördinatiebemiddeling het auditverslag toezenden aan de uitvoerende cel van het Agentschap in overeenstemming met de vertrouwelijkheid van de audits in het kader van een samenwerkingsprotocol tussen de Algemene inspectiedienst en het Agentschap voor de evaluatie van de kwaliteit van het hoger onderwijs.]2
Indien, in het kader van het mandaat van een audit, een ernstige tekortkoming wordt vastgesteld, die aanleiding zou geven tot een taak bedoeld in lid 4, moet dit worden vermeld in het in lid 3 genoemde verslag. Hierover kan een apart verslag worden opgemaakt, dat onmiddellijk, langs hiërarchische weg, wordt overgemaakt aan de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem.
[2 De Regering bepaalt de modaliteiten voor de follow-up van de audit.]2
§ 2. De inspectiedienst bedoeld in lid 1 wordt belast met de evaluatietaken met betrekking tot de implementatie van specifieke pedagogische of educatieve hulpmiddelen van het onderwijs voor sociale promotie in toepassing van een decretale of reglementaire bepaling of in toepassing van een experimenteel hulpmiddel waarvoor de Regering de toestemming heeft gegeven.
[2 ...]2
De Regering bepaalt de nadere regels op basis waarvan de in lid 1 bedoelde taken worden uitgevoerd.
De in lid 1 bedoelde taken worden uitgevoerd op vraag van de Regering, eventueel geformuleerd op voordracht van de algemene inspectiedienst, via de cel voor coördinatiebemiddeling.
Voor elke evaluatietaak legt de cel voor coördinatiebemiddeling het bereik en de grenzen van het aan de algemene inspectiedienst toegekende mandaat vast voor de behoeften van de taak. De coördinerende inspecteur-generaal bepaalt, in overleg met de cel voor coördinatiebemiddeling, de inrichting en de specifieke methodologie op basis waarvan de taak wordt uitgevoerd.
Voor elke evaluatietaak moet, binnen de 15 werkdagen na voltooiing, een uitgebreid verslag worden opgesteld, waarvan het model wordt bepaald door de Regering, op voordracht van de coördinerende inspecteur-generaal, en bedoeld voor de Regering via de cel voor coördinatiebemiddeling. In dit kader handelt de algemene inspectiedienst via aanbevelingen. Na afloop van het meerjarenplan wordt een verslag over de toestand, de analyse en de conformiteit van de geëvalueerde pedagogische en educatieve hulpmiddelen van het onderwijs voor sociale promotie langs hiërarchische weg overgemaakt aan de cel voor coördinatiebemiddeling en de Regering.
Indien, in het kader van het mandaat van een evaluatietaak, een ernstige tekortkoming wordt vastgesteld, die aanleiding zou geven tot een taak bedoeld in lid 4, moet dit worden vermeld in het in lid 6 genoemde verslag Hierover kan een apart verslag worden opgemaakt, dat onmiddellijk, langs hiërarchische weg, wordt overgemaakt aan de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem.
[2 In het kader van artikel 3, 3°, van het decreet van 22 februari 2008 houdende verschillende maatregelen betreffende de organisatie en de werking van het Agentschap voor de evaluatie van de kwaliteit van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde onderwijs, kan de Regering op voorstel van de cel voor coördinatiebemiddeling het evaluatieverslag toezenden aan de uitvoerende cel van het Agentschap, dat verplicht is de vertrouwelijkheid ervan te respecteren.]2
§ 3. De inspectiedienst bedoeld in lid 1 wordt belast met evaluatietaken met betrekking tot de implementatie van specifieke pedagogische hulpmiddelen van afstandsonderwijs van de Franse Gemeenschap met e-learning.
De Regering bepaalt de nadere regels op basis waarvan de in lid 1 bedoelde taken worden uitgevoerd.
De in lid 1 bedoelde taken worden uitgevoerd op vraag van de Regering, eventueel geformuleerd op voordracht van de algemene inspectiedienst, via de cel voor coördinatiebemiddeling.
Voor elke evaluatietaak legt de cel voor coördinatiebemiddeling het bereik en de grenzen van het aan de algemene inspectiedienst toegekende mandaat vast voor de behoeften van de taak. De coördinerende inspecteur-generaal bepaalt, in overleg met de cel voor coördinatiebemiddeling, de inrichting en de specifieke methodologie op basis waarvan de taak wordt uitgevoerd.
Voor elke evaluatietaak moet, binnen de [2 30]2 werkdagen na voltooiing, een uitgebreid verslag worden opgesteld, waarvan het model wordt bepaald door de Regering, op voordracht van de coördinerende inspecteur-generaal, en bedoeld voor [2 de Regering via]2 de cel voor coördinatiebemiddeling. In dit kader handelt de algemene inspectiedienst via aanbevelingen.
Indien, in het kader van het mandaat van een evaluatietaak, een ernstige tekortkoming wordt vastgesteld, die aanleiding zou geven tot een taak bedoeld in lid 4, moet dit worden vermeld in het in lid 5 genoemde verslag Hierover kan een apart verslag worden opgemaakt, dat onmiddellijk, langs hiërarchische weg, wordt overgemaakt aan de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem.
§ 4. De inspectiedienst bedoeld in lid 1 wordt belast met specifieke [1 ...]1 toezichthoudende taken van het onderwijs voor sociale promotie met betrekking tot:
1° het studieniveau met verwijzing naar de pedagogische dossiers die voorlopig of definitief door de Regering worden goedgekeurd, wanneer een leemte of een bijzondere uitdaging werd ontdekt, die een objectieve externe diagnose vereist;
2° het vermoeden van een of meer ernstige tekortkomingen in het verslag opgesteld in het kader van een taak bedoeld in lid 1 of 2 [2 of artikel 7/1]2 of gemeld door de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie van niet-verplicht onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
De volgende vastgestelde of opgegeven tekortkomingen zijn, in de zin van lid 1, 2°, ernstige tekortkomingen:
1° de naleving van de artikels 7, 8, 10, 11, 13, 14, 26, 31, 34, 36, 37, 40, 42, 53, 57, 58, 60, 64, 67, 68, 70 en 120 van het decreet van 16 april 1991 houdende organisatie van het gespecialiseerd onderwijs;
2° de naleving van de pedagogische dossiers of van de programma's die voorlopig of definitief door de Regering worden goedgekeurd overeenkomstig de geldende regelgeving;
3° de samenhang tussen de praktijken en het pedagogisch dossier, met inbegrip van de evaluatie- en valorisatiepraktijken van de verworven kennis;
4° de geschiktheid van het didactische en digitale materiaal en de schooluitrusting voor de pedagogische noodwendigheden;
5° de segregatiemechanismen;
6° de naleving van de neutraliteit, waar die neutraliteit verplicht is;
7° de naleving van de decreetvoorschriften inzake opleiding tijdens de loopbaan.
In het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs wordt de taak bedoeld in lid 1 uitgeoefend in het kader van het toezicht op de voorwaarden voor de toekenning van de subsidies, zoals bepaald in artikel [2 1.7.3-1, § 2 van het Wetboek en in artikel 24, § 2bis van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving]2.
De Regering bepaalt de nadere regels en de algemene methodologie op basis waarvan de taken bedoeld in lid 1 worden uitgevoerd, met dien verstande dat het recht om het standpunt van betrokkenen te laten gelden, wordt gewaarborgd.
De in lid 1 bedoelde taken worden uitgevoerd op vraag van de Regering of de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie van niet-verplicht onderwijs en wetenschappelijk onderzoek of de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem.
De in lid, 1° bedoelde taken worden uitgevoerd na een met redenen omkleed verzoek van de betrokken inrichtende macht via de betrokken coördinerende inspecteur.
Voor elke in lid 1 bedoelde taak, bepaalt de cel voor coördinatiebemiddeling, in voorkomend geval uitgebreid met de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie van niet-verplicht onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, de omvang en de grenzen van het aan de algemene inspectiedienst toegekende mandaat voor de behoeften van de taak. De coördinerende inspecteur-generaal bepaalt, in overleg met de cel voor coördinatiebemiddeling, de inrichting en de specifieke methodologie op basis waarvan de taak wordt uitgevoerd. Voor elke specifieke [1 ...]1 toezichthoudende taak bedoeld in lid 1 moet, binnen de 15 werkdagen na voltooiing, een uitgebreid verslag worden opgesteld, waarvan het model wordt bepaald door de Regering, op voordracht van de coördinerende inspecteur-generaal. Dit verslag bevat met name inlichtingen en raadgevingen in verband met de vaststellingen gedaan in het kader van deze taak en wordt langs hiërarchische weg overgemaakt aan de door de Regering aangestelde ambtenaar-generaal en aan de betrokken inrichtende macht.
De inrichtende macht die geen gevolg wil geven aan een ongunstig verslag dat door een personeelslid van de algemene inspectiedienst wordt opgesteld in uitvoering van een taak bedoeld in lid 1, moet deze beslissing motiveren bij de ambtenaar-generaal bedoeld in lid [2 7]2, [2 of zijn afgevaardigde]2 binnen de maand die volgt op de datum van ontvangst van dat verslag [2 ...]2.
§ 5. De inspectiedienst bedoeld in lid 1 wordt belast met specifieke [1 ...]1 toezichthoudende taken van het afstandsonderwijs van de Franse Gemeenschap met e-learning met betrekking tot:
1° het studieniveau zoals bepaald in de artikels [2 1.4.2-4 en 1.4.3-3 van het Wetboek"]2 en 55 van het takendecreet, met verwijzing naar het referentiesysteem voor de basisvaardigheden, de vereiste kennis en de eindvaardigheden, de opleidingsprofielen en, wanneer die niet bestaan, met verwijzing naar de door de Regering vastgelegde of goedgekeurde programma's, wanneer een leemte of een bijzondere uitdaging werd ontdekt, die een objectieve externe diagnose vereist;
2° een of meer ernstige tekortkomingen in het verslag opgesteld in het kader van een taak bedoeld in lid 3 [2 of artikel 7/1]2 of op verzoek van de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie van niet-verplicht onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
De Regering bepaalt de nadere regels en de algemene methodologie op basis waarvan de taken bedoeld in lid 1 worden uitgevoerd, met dien verstande dat het recht om het standpunt van betrokkenen te laten gelden, wordt gewaarborgd.
De in lid 1 bedoelde taken worden uitgevoerd op vraag van de Regering of de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie van niet-verplicht onderwijs en wetenschappelijk onderzoek of de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem.
Voor elke specifieke [1 ...]1 toezichthoudende taak bedoeld in lid 1 moet, binnen de 15 werkdagen na voltooiing, een uitgebreid verslag worden opgesteld, waarvan het model wordt bepaald door de Regering, op voordracht van de coördinerende inspecteur-generaal. Dit verslag bevat met name inlichtingen en raadgevingen in verband met de vaststellingen gedaan in het kader van deze taak en wordt langs hiërarchische weg overgemaakt aan de door de Regering aangestelde ambtenaar-generaal, die het op zijn beurt overmaakt aan de directeur van het afstandsonderwijs met e-learning en aan de Regering.
De directeur van het afstandsonderwijs met e-learning die geen gevolg wil geven aan een ongunstig verslag dat door een personeelslid van de algemene inspectiedienst wordt opgesteld in uitvoering van een taak bedoeld in lid 1, moet deze beslissing motiveren bij de ambtenaar-generaal bedoeld in lid 4, binnen de maand die volgt op de datum van ontvangst van dat verslag, via de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem.
§ 6. De inspectiediensten bedoeld in lid 1 worden, elk voor wat hen aanbelangt of in onderlinge samenwerking, belast met taken met betrekking tot het beoordelen van de pedagogische vaardigheden van een personeelslid van het opvoedingsteam in het onderwijs voor sociale promotie, in het licht van de naleving van de programma's [2 of van het ambtsprofiel indien van toepassing]2.
De Regering bepaalt de nadere regels en de algemene methodologie op basis waarvan de taken bedoeld in lid 1 worden uitgevoerd, met dien verstande dat het recht om het standpunt van betrokkenen te laten gelden, wordt gewaarborgd.
De in lid 1 bedoelde taken worden uitgevoerd na een met redenen omkleed verzoek van de directeur in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs of de betrokken inrichtende macht in het gesubsidieerde onderwijs, gericht aan de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem.
De ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem stemt, na analyse van het in lid 3 bedoelde verzoek, al dan niet in met de uitvoering van de taak en maakt zijn beslissing over aan de directeur in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs of aan de betrokken inrichtende macht in het gesubsidieerde onderwijs.
Voor elke specifieke taak bedoeld in lid 1 moet, binnen de 15 werkdagen na voltooiing, een uitgebreid verslag worden opgesteld, waarvan het model wordt bepaald door de Regering, op voordracht van de coördinerende inspecteur-generaal. Dit verslag bevat met name inlichtingen en raadgevingen in verband met de vaststellingen gedaan in het kader van deze taak en wordt langs hiërarchische weg overgemaakt aan de door de Regering aangestelde ambtenaar-generaal, die het op zijn beurt overmaakt aan de betrokken inrichtende macht. Deze laatste legt het voor visum voor aan het personeelslid dat er, in voorkomend geval, zijn eigen opmerkingen aan toevoegt. Het verslag, samen met de eventuele opmerkingen van het personeelslid, wordt vervolgens overgemaakt aan de bevoegde coördinerende inspecteur-generaal, via de door de Regering aangestelde ambtenaar-generaal.
De inrichtende macht die geen gevolg wil geven aan een ongunstig verslag dat door een personeelslid van de algemene inspectiedienst wordt opgesteld in uitvoering van een taak bedoeld in lid 1, moet deze beslissing motiveren bij de ambtenaar-generaal bedoeld in lid 5 [2 of zijn afgevaardigde]2, binnen de maand die volgt op de datum van ontvangst van dat verslag [2 ...]2.
§ 7. De inspectiediensten bedoeld in lid 1 worden, elk voor wat hen aanbelangt of in onderlinge samenwerking, belast met taken met betrekking tot het beoordelen van de pedagogische vaardigheden van een personeelslid van het opvoedingsteam in het afstandsonderwijs van de Franse Gemeenschap met e-learning, in het licht van de naleving van de programma's [2 of van het ambtsprofiel indien van toepassing]2.
De Regering bepaalt de nadere regels en de algemene methodologie op basis waarvan de taken bedoeld in lid 1 worden uitgevoerd, met dien verstande dat het recht om het standpunt van betrokkenen te laten gelden, wordt gewaarborgd.
De in lid 1 bedoelde taken worden uitgevoerd na een met redenen omkleed verzoek van de directeur in het afstandsonderwijs met e-learning, gericht aan de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem.
De ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem stemt, na analyse van het in lid 3 bedoelde verzoek, al dan niet in met de uitvoering van de taak en maakt zijn beslissing over aan de betrokken directeur.
Voor elke specifieke taak bedoeld in lid 1 moet, binnen de 15 werkdagen na voltooiing, een uitgebreid verslag worden opgesteld, waarvan het model wordt bepaald door de Regering, op voordracht van de coördinerende inspecteur-generaal. Dit verslag bevat met name inlichtingen en raadgevingen in verband met de vaststellingen gedaan in het kader van deze taak en wordt langs hiërarchische weg overgemaakt aan de door de Regering aangestelde ambtenaar-generaal, die het op zijn beurt overmaakt aan de betrokken directeur. Deze laatste legt het voor visum voor aan het personeelslid dat er, in voorkomend geval, zijn eigen opmerkingen aan toevoegt. Het verslag, samen met de eventuele opmerkingen van het personeelslid, wordt vervolgens overgemaakt aan de bevoegde coördinerende inspecteur-generaal, via de door de Regering aangestelde ambtenaar-generaal.
De directeur van het afstandsonderwijs met e-learning die geen gevolg wil geven aan een ongunstig verslag dat door een personeelslid van de algemene inspectiedienst wordt opgesteld, moet deze beslissing binnen de maand die volgt op de datum van ontvangst van dat verslag motiveren bij de ambtenaar-generaal bedoeld in lid 5 [2 of zijn afgevaardigde]2 [2 ...]2.
§ 8. De inspectiedienst bedoeld in lid 1 wordt belast met taken van pedagogische vaardigheden voor ondersteuning in het kader van het uitbrengen van advies over:
1° redelijke aanpassingen van pedagogische aard op verzoek van de inrichtende macht van een inrichting;
2° pedagogische hulpmiddelen verbonden met de digitalisering van het onderwijs voor sociale promotie, via [2 hybride onderwijs]2, informatie- en communicatietechnologieën voor het onderwijs en van het afstandsponderwijs van de Franse Gemeenschap met e-learning;
3° de valorisatie van nuttige ervaring in het hoger onderwijs voor sociale promotie;
4° de modules voor afstandsonderwijs met e-learning en naleving van het programma.
§ 9. De inspectiedienst bedoeld in paragraaf 1 wordt belast met:
1° het analyseren van pedagogische dossiers van secties en eenheden van het onderwijs voor sociale promotie en het opstellen van adviezen voor de dossiers die een voorlopige goedkeuring zouden moeten krijgen;
2° het geven van adviezen en formuleren van voorstellen, op eigen initiatief of op aanvraag van de Regering, over alles wat tot hun bevoegdheid behoort;
3° het deelnemen aan werkgroepen, commissies en raden, krachtens de wetten, decreten en verordeningen;
4° het samenwerken met de inrichtingen voor hoger onderwijs belast met de initiële opleiding van lesgevers in het kader en volgens de door de Regering te bepalen voorwaarden;
5° het uitvoeren van alle andere taken die aan hen worden toevertrouwd door of krachtens de wetten, decreten en verordeningen.
§ 10. Afhankelijk van de noodwendigheden worden de taken bedoeld in onderhavig artikel uitgevoerd door een of meer leden van de algemene inspectiedienst.
Deze taken worden uitgevoerd op aanvullende wijze, op voorwaarde dat een audit bedoeld in lid 1 nooit in een inrichting mag worden uitgevoerd tegelijkertijd met een [2 onderzoekstaak, een]2 evaluatietaak, een specifieke [1 ...]1 toezichthoudende taak of een taak die betrekking heeft op de beoordeling van de pedagogische vaardigheden van een personeelslid van het opvoedingsteam.
Met inachtneming van de eigen methodologie en doelstellingen en met inachtneming van het mandaat op basis waarvan de taken worden uitgevoerd, kunnen de inspecteurs, via de coördinerende inspecteur, voor de taken bedoeld in lid 1, 2, 4 en 8, een beroep doen op de cel voor sturing om nuttige kwantitatieve gegevens voor het onderzoek te verzamelen. Ze kunnen hun beoordelingen baseren op feiten die inzonderheid werden vastgesteld naar aanleiding van de begeleiding van cursussen en activiteiten, van het onderzoek van voorbereidingen, werken en documenten van leerlingen/studenten, van de resultaten die werden behaald bij de externe evaluaties die niet met getuigschriften worden bekrachtigd en door het analyseren van de hiervoor genoemde kwantitatieve gegevens.
Met inachtneming van de eigen methodologie en doelstellingen en met inachtneming van het mandaat op basis waarvan de taken worden uitgevoerd, hebben de leden van de algemene inspectiedienst, voor de taken bedoeld in lid 3, 5 en [2 , 8 en artikel 7/1]2, toegang tot de kwantitatieve gegevens met een verzoek aan de raad voor overleg en sturing van e-learning. Ze kunnen hun beoordelingen baseren op feiten die inzonderheid werden vastgesteld door het onderzoeken van voorbereidingen, werken en documenten van leerlingen/studenten en de resultaten die werden behaald bij de evaluaties [2 , bij het ondervragen van de leerlingen]2 en door het analyseren van de hiervoor genoemde kwantitatieve gegevens en/of het resultaat van de gevoerde kwalitatieve onderzoeken.
Art. 5. § 1er. Dans le cadre de ses compétences concernant l'enseignement de promotion sociale, le Service de l'Inspection visé à l'article 3, alinéa 3, 3°, est chargé de missions d'audit portant sur les établissements pour lesquels la Cellule intermédiaire de coordination valide la demande d'audit formulée par les Services du Gouvernement ou par le pouvoir organisateur concerné, sur la base d'objectifs généraux définis par le Gouvernement en vertu des lois, décrets et règlements de l'enseignement de promotion sociale.
Le Gouvernement précise la méthodologie générale sur la base de laquelle les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées. Avant toute mission d'audit, la Cellule intermédiaire de coordination fixe la portée et les limites du mandat confié au Service général de l'Inspection pour les besoins de la mission. L'Inspecteur général coordonnateur, en concertation avec la Cellule intermédiaire de coordination, détermine le dispositif et la méthodologie spécifique sur la base desquels la mission est réalisée.
Toute mission d'audit donne lieu, dans les quinze jours ouvrables suivant sa clôture, à l'établissement d'un diagnostic, repris dans un rapport dont le modèle est défini par le Gouvernement, sur la proposition de l'Inspecteur général coordonnateur, et destiné à la Cellule intermédiaire de coordination ainsi qu'à l'établissement audité. Dans ce cadre, le Service général de l'Inspection agit par voie de recommandations. [2 Dans le cadre de l'article 3, 3°, du même décret du 22 février 2008 portant diverses mesures relatives à l'organisation et au fonctionnement de l'Agence pour l'évaluation de la qualité de l'enseignement supérieur organisé ou subventionné par la Communauté française, la Cellule intermédiaire de coordination peut transmettre le rapport d'audit à la cellule exécutive de l'Agence dans le respect de la confidentialité des audits dans le cadre d'un protocole de coopération entre le Service général de l'Inspection et l'Agence pour l'évaluation de la qualité de l'enseignement supérieur.]2
Si, dans le cadre du mandat d'une mission d'audit, un manquement substantiel présumé est relevé, qui serait susceptible de donner lieu à une mission visée au paragraphe 4, le rapport visé à l'alinéa 3 en fait mention. Il peut faire l'objet d'un rapport distinct, transmis immédiatement, par la voie hiérarchique, au fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
[2 Les modalités de suivi de l'audit sont arrêtées par le Gouvernement. ]2
§ 2. Le Service de l'Inspection visé au paragraphe 1er est chargé de missions d'évaluation portant sur la mise en oeuvre de dispositifs pédagogiques ou éducatifs spécifiques à l'enseignement de promotion sociale en application d'une disposition décrétale ou règlementaire ou en application d'un dispositif expérimental autorisé par le Gouvernement.
[2 ...]2
Le Gouvernement précise les modalités sur la base desquelles les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées.
Les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées à la demande du Gouvernement, formulée éventuellement sur la proposition du Service général de l'Inspection, par la voie de la Cellule intermédiaire de coordination.
Avant toute mission d'évaluation, la Cellule intermédiaire de coordination fixe la portée et les limites du mandat confié au Service général de l'Inspection pour les besoins de la mission. L'Inspecteur général coordonnateur, en concertation avec la Cellule intermédiaire de coordination, détermine le dispositif et la méthodologie spécifique sur la base desquels la mission est réalisée.
Toute mission d'évaluation donne lieu, dans les trente jours ouvrables suivant sa clôture, à l'établissement d'un rapport circonstancié dont le modèle est défini par le Gouvernement, sur la proposition de l'Inspecteur général coordonnateur, et destiné au Gouvernement via la Cellule intermédiaire de coordination. Dans ce cadre, le Service général de l'Inspection agit par voie de recommandations. Au terme du plan pluriannuel, un rapport portant sur l'état des lieux, l'analyse et la conformité des dispositifs pédagogiques ou éducatifs de l'enseignement de promotion sociale évalués est transmis par la voie hiérarchique à la Cellule intermédiaire de coordination et au Gouvernement.
Si, dans le cadre du mandat d'une mission d'évaluation, un manquement substantiel présumé est relevé, qui serait susceptible de donner lieu à une mission visée au paragraphe 4, le rapport visé à l'alinéa 6 en fait mention. Il peut faire l'objet d'un rapport distinct, transmis immédiatement, par la voie hiérarchique, au fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
[2 Dans le cadre de l'article 3, 3°, du décret du 22 février 2008 portant diverses mesures relatives à l'organisation et au fonctionnement de l'Agence pour l'évaluation de la qualité de l'enseignement supérieur organisé ou subventionné par la Communauté française, le Gouvernement peut, sur proposition de la Cellule intermédiaire de coordination, transmettre le rapport d'évaluation à la cellule exécutive de l'Agence, laquelle est tenue de respecter leur confidentialité.]2
§ 3. Le Service de l'Inspection visé au paragraphe 1er est chargé de missions d'évaluation portant sur la mise en oeuvre de dispositifs pédagogiques spécifiques à l'enseignement à distance de la Communauté française en e-learning.
Le Gouvernement précise les modalités sur la base desquelles les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées.
Les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées à la demande du Gouvernement, formulée éventuellement sur la proposition du Service général de l'Inspection, par la voie de la Cellule intermédiaire de coordination.
Avant toute mission d'évaluation, la Cellule intermédiaire de coordination fixe la portée et les limites du mandat confié au Service général de l'Inspection pour les besoins de la mission. L'Inspecteur général coordonnateur, en concertation avec la Cellule intermédiaire de coordination, détermine le dispositif et la méthodologie spécifique sur la base desquels la mission est réalisée.
Toute mission d'évaluation donne lieu, dans les [2 trente]2 jours ouvrables suivant sa clôture, à l'établissement d'un rapport circonstancié dont le modèle est défini par le Gouvernement, sur proposition de l'Inspecteur général coordonnateur, et destiné [2 au Gouvernement via ]2 la Cellule intermédiaire de coordination. Dans ce cadre, le Service général de l'Inspection agit par voie de recommandations.
Si, dans le cadre du mandat d'une mission d'évaluation, un manquement substantiel présumé est relevé, qui serait susceptible de donner lieu à une mission visée au paragraphe 4, le rapport visé à l'alinéa 5 en fait mention. Il peut faire l'objet d'un rapport distinct, transmis immédiatement, par la voie hiérarchique, au fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
§ 4. Le Service de l'Inspection visé au paragraphe 1er est chargé de missions [1 ...]1 de contrôle spécifiques dans l'enseignement de promotion sociale portant sur:
1° le niveau des études en référence aux dossiers pédagogiques approuvés à titre provisoire ainsi qu'à titre définitif par le Gouvernement, lorsqu'une faiblesse ou un enjeu particulier a été repéré et qui nécessite un diagnostic externe objectif;
2° la présomption d'un ou de plusieurs manquements substantiels mentionnés dans le rapport rédigé dans le cadre d'une mission visée aux paragraphes 1er ou 2 [2 ou à l'article 7/1 ]2 ou signalé-s par le fonctionnaire général en charge de la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire et de la Recherche Scientifique.
Sont substantiels au sens de l'alinéa 1er, 2°, les manquements constatés ou dénoncés relativement aux aspects suivants:
1° le respect des articles 7, 8, 10, 11, 13, 14, 26, 31, 34, 36, 37, 40, 42, 53, 57, 58, 60, 64, 67, 68, 70 et 120 du décret du 16 avril 1991 organisant l'enseignement de promotion sociale;
2° le respect des dossiers pédagogiques ou des programmes approuvés à titre provisoire et définitif par le Gouvernement conformément à la réglementation en vigueur;
3° la cohérence des pratiques avec le dossier pédagogique, en ce compris les pratiques d'évaluation et de valorisation des acquis;
4° l'adéquation du matériel didactique, numérique et de l'équipement scolaire aux nécessités pédagogiques;
5° les mécanismes de ségrégation;
6° le respect de la neutralité, là où cette neutralité s'impose;
7° le respect du prescrit décrétal en matière de formation en cours de carrière.
Dans l'enseignement subventionné par la Communauté française, la mission visée à l'alinéa 1er participe du contrôle des conditions d'octroi des subventions, tel que prévu à l'article [2 1.7.3-1, § 2 du Code et à l'article 24, § 2bis, de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de l'enseignement]2.
Le Gouvernement précise les modalités et la méthodologie générale sur la base desquelles les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées, en veillant notamment à ce que le droit à faire valoir le point de vue des intéressés soit garanti.
Les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées à la demande du Gouvernement ou du fonctionnaire général en charge de la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire et de la Recherche Scientifique ou du fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
Les missions visées à l'alinéa 1er, 1°, sont exécutées à la demande motivée du pouvoir organisateur concerné via l'Inspecteur coordinateur concerné.
Avant toute mission visée à l'alinéa 1er, la cellule intermédiaire de coordination, le cas échéant élargie au fonctionnaire général en charge de la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire et de la Recherche Scientifique fixe la portée et les limites du mandat confié au Service général de l'Inspection pour les besoins de la mission. L'Inspecteur général coordonnateur, en concertation avec la cellule intermédiaire de coordination, détermine le dispositif et la méthodologie spécifique sur la base desquels la mission est réalisée. Toute mission [1 ...]1 de contrôle spécifique visée à l'alinéa 1er donne lieu, dans les quinze jours ouvrables suivant sa clôture, à l'établissement d'un rapport circonstancié dont le modèle est défini par le Gouvernement, sur la proposition de l'Inspecteur général coordonnateur. Ce rapport, qui comprend notamment des informations et recommandations en lien avec les constats posés dans le cadre de cette mission, est transmis par la voie hiérarchique au fonctionnaire général désigné par le Gouvernement et au pouvoir organisateur concerné.
Le pouvoir organisateur qui n'envisage pas de réserver de suites à un rapport défavorable rédigé par un membre du personnel du Service général de l'Inspection en exécution d'une mission visée à l'alinéa 1er, motive cette décision auprès du fonctionnaire général visé à l'alinéa [2 7]2 [2 ou son délégué ]2, dans le mois qui suit la date de réception dudit rapport,[2 ...]2.
§ 5. Le Service de l'Inspection visé au paragraphe 1er est chargé de missions [1 ...]1 de contrôle spécifiques dans l'enseignement à distance de la Communauté française en e-learning portant sur:
1° le niveau des études tel que précisé aux articles [2 1.4.2-4 et 1.4.3-3 du Code]2 et 55 du décret missions, en référence aux socles de compétences, aux savoirs requis et compétences terminales, aux profils de formations, et, là où ceux-ci n'existent pas, en référence aux programmes fixés ou approuvés par le Gouvernement, lorsqu'une faiblesse ou un enjeu particulier a été repéré et qui nécessite un diagnostic externe objectif;
2° un ou plusieurs manquements substantiels mentionnés dans le rapport rédigé dans le cadre d'une mission visée au paragraphe 3 [2 ou à l'article 7/1 ]2 ou à la demande du fonctionnaire général en charge de la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire et de la Recherche Scientifique.
Le Gouvernement précise les modalités et la méthodologie générale sur la base desquelles les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées, en veillant notamment à ce que le droit à faire valoir le point de vue des intéressés soit garanti.
Les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées à la demande du Gouvernement ou du fonctionnaire général en charge de la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire et de la Recherche Scientifique ou du fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
Toute mission [1 ...]1 de contrôle spécifique visée à l'alinéa 1er donne lieu, dans les quinze jours ouvrables suivant sa clôture, à l'établissement d'un rapport circonstancié dont le modèle est défini par le Gouvernement, sur la proposition de l'Inspecteur général coordonnateur. Ce rapport, qui comprend, notamment, des informations et recommandations en lien avec les constats posés dans le cadre de cette mission, est transmis par la voie hiérarchique au fonctionnaire général désigné par le Gouvernement qui le fait parvenir au directeur de l'enseignement à distance en e-learning et au Gouvernement.
Le directeur de l'enseignement à distance en e-learning qui n'envisage pas de réserver de suites à un rapport défavorable rédigé par un membre du personnel du Service général de l'Inspection en exécution d'une mission visée à l'alinéa 1er motive cette décision auprès du fonctionnaire général visé à l'alinéa 4, dans le mois qui suit la date de réception dudit rapport, via le fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
§ 6. Les Services de l'Inspection visés au paragraphe 1er sont chargés, chacun pour ce qui les concerne ou en collaboration entre eux, de missions portant sur l'appréciation de l'aptitude pédagogique d'un membre du personnel de l'équipe éducative, dans l'enseignement de promotion sociale, à l'aune du respect des programmes [2 ou du profil de fonction le cas échéant ]2.
Le Gouvernement précise les modalités et la méthodologie générale sur la base desquelles les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées, en veillant, notamment, à ce que le droit à faire valoir le point de vue des intéressés soit garanti.
Les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées à la demande motivée du directeur dans l'enseignement organisé par la Communauté française ou du pouvoir organisateur concerné dans l'enseignement subventionné, adressée au fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
Le fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif, après analyse de la demande visée à l'alinéa 3, marque ou non son accord sur l'exécution de la mission et signifie sa décision au directeur dans l'enseignement organisé par la Communauté française ou au pouvoir organisateur concerné dans l'enseignement subventionné.
Toute mission visée à l'alinéa 1er donne lieu, dans les quinze jours ouvrables suivant sa clôture, à l'établissement d'un rapport circonstancié dont le modèle est défini par le Gouvernement, sur la proposition de l'Inspecteur général coordonnateur. Ce rapport, qui comprend, notamment, des informations et recommandations en lien avec les constats posés dans le cadre de cette mission, est transmis par la voie hiérarchique au fonctionnaire général désigné par le Gouvernement qui le fait parvenir au pouvoir organisateur concerné. Ce dernier le soumet au visa du membre du personnel qui, le cas échéant, y joint ses observations. Le rapport, accompagné d'éventuelles observations du membre du personnel, est ensuite transmis à l'Inspecteur général coordonnateur, via le fonctionnaire général désigné par le Gouvernement.
Le pouvoir organisateur qui n'envisage pas de réserver de suites à un rapport défavorable rédigé par un membre du personnel du Service général de l'Inspection en exécution d'une mission visée à l'alinéa 1er motive cette décision auprès du fonctionnaire général visé à l'alinéa 5 [2 ou son délégué ]2 dans le mois qui suit la date de réception dudit rapport, [2 ...]2.
§ 7. Les Services de l'Inspection visés au paragraphe 1er sont chargés, chacun pour ce qui les concerne ou en collaboration entre eux, de missions portant sur l'appréciation de l'aptitude pédagogique d'un membre du personnel de l'équipe éducative, dans l'enseignement à distance de la Communauté française en e-learning, à l'aune du respect des programmes [2 ou du profil de fonction le cas échéant ]2.
Le Gouvernement précise les modalités et la méthodologie générale sur la base desquelles les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées, en veillant notamment à ce que le droit à faire valoir le point de vue des intéressés soit garanti.
Les missions visées à l'alinéa 1er, sont exécutées à la demande motivée du directeur de l'enseignement à distance en e-learning, adressée au fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
Le fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif, après analyse de la demande visée à l'alinéa 3, marque ou non son accord sur l'exécution de la mission et signifie sa décision au directeur concerné.
Toute mission visée à l'alinéa 1er donne lieu, dans les quinze jours ouvrables suivant sa clôture, à l'établissement d'un rapport circonstancié dont le modèle est défini par le Gouvernement, sur la proposition de l'Inspecteur général coordonnateur. Ce rapport, qui comprend, notamment, des informations et recommandations en lien avec les constats posés dans le cadre de cette mission, est transmis par la voie hiérarchique au fonctionnaire général désigné par le Gouvernement qui le fait parvenir au directeur concerné. Ce dernier le soumet au visa du membre du personnel qui, le cas échéant, y joint ses observations. Le rapport, accompagné d'éventuelles observations du membre du personnel, est ensuite transmis à l'Inspecteur général coordonnateur, via le fonctionnaire général désigné par le Gouvernement.
Le directeur de l'enseignement à distance en e-learning qui n'envisage pas de réserver de suites à un rapport défavorable rédigé par un membre du personnel du Service général de l'Inspection motive cette décision dans le mois qui suit la date de réception dudit rapport, au fonctionnaire général visé à l'alinéa 5 [2 ou son délégué ]2 [2 ...]2.
§ 8. Le Service de l'Inspection visé au paragraphe 1er est chargé de missions d'expertise pédagogique à des fins d'appui dans le cadre de la remise d'avis sur:
1° des aménagements raisonnables de type pédagogique sur demande du pouvoir organisateur d'un établissement;
2° des ressources pédagogiques liées à la transition numérique associée à l'Enseignement de promotion sociale, via [2 l'enseignement hybride]2, les [2 t]2 echnologies de l'information et de la communication pour l'enseignement et à l'enseignement à distance de la Communauté française organisé en [2 e-learning ]2;
3° la valorisation de l'expérience utile dans l'enseignement supérieur de promotion sociale;
4° des modules de cours de l'enseignement à distance en e-learning et le respect du programme.
§ 9. Le Service de l'Inspection visé au paragraphe 1er est chargé:
1° d'analyser les dossiers pédagogiques des sections et unités de l'enseignement de promotion sociale et de rédiger les avis pour les dossiers qui devraient recevoir une approbation provisoire;
2° de donner des avis et de formuler des propositions, d'initiative ou à la demande du Gouvernement, sur tout ce qui relève de sa compétence;
3° de participer aux groupes de travail, commissions et conseils, en vertu des lois, décrets et règlements;
4° de collaborer avec les établissements d'enseignement supérieur en charge de la formation initiale des enseignants dans le cadre et selon les conditions fixés par le Gouvernement;
5° d'exercer toutes autres tâches qui lui sont confiées par ou en vertu des lois, décrets et règlements.
§ 10. Selon les besoins, les missions visées au présent article sont effectuées par un ou plusieurs membres du Service général de l'Inspection.
Ces missions sont assurées de manière complémentaire, pour autant qu'une [2 mission d'investigation, une ]2 mission d'audit visée au paragraphe 1er ne soit jamais menée au sein d'un établissement en même temps qu'une mission d'évaluation, une mission [1 ...]1 de contrôle spécifique ou une mission portant sur l'appréciation de l'aptitude pédagogique d'un membre du personnel de l'équipe éducative.
Dans le respect de la méthodologie et des objectifs qui leur sont propres, et dans le respect du mandat sur la base duquel elles sont exécutées, pour les missions visées aux paragraphes 1er, 2, 4 et 8, les inspecteurs, via l'inspecteur coordonnateur, peuvent faire appel à la cellule de pilotage afin de récolter des données quantitatives utiles à l'investigation. Ils peuvent fonder leurs appréciations sur des faits prélevés, notamment, en assistant aux cours et activités, en examinant des préparations, des travaux, des documents d'élèves/étudiants et les résultats obtenus aux évaluations externes non certificatives et en analysant les données quantitatives précitées.
Dans le respect de la méthodologie et des objectifs qui leur sont propres, et dans le respect du mandat sur la base duquel elles sont exécutées, pour les missions visées aux paragraphes 3, 5 et [2 , 8 et à l'article 7/1 ]2, les membres du Service général de l'Inspection ont accès aux données quantitatives en sollicitant le Conseil de concertation et de pilotage de l'e-learning. Ils peuvent fonder leurs appréciations sur des faits prélevés, notamment, en examinant des préparations, des travaux, des documents d'élèves/étudiants et les résultats obtenus aux évaluations [2 , en interrogeant les étudiants ]2 et en analysant les données quantitatives précitées et/ou le résultat d'études qualitatives menées.
Le Gouvernement précise la méthodologie générale sur la base de laquelle les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées. Avant toute mission d'audit, la Cellule intermédiaire de coordination fixe la portée et les limites du mandat confié au Service général de l'Inspection pour les besoins de la mission. L'Inspecteur général coordonnateur, en concertation avec la Cellule intermédiaire de coordination, détermine le dispositif et la méthodologie spécifique sur la base desquels la mission est réalisée.
Toute mission d'audit donne lieu, dans les quinze jours ouvrables suivant sa clôture, à l'établissement d'un diagnostic, repris dans un rapport dont le modèle est défini par le Gouvernement, sur la proposition de l'Inspecteur général coordonnateur, et destiné à la Cellule intermédiaire de coordination ainsi qu'à l'établissement audité. Dans ce cadre, le Service général de l'Inspection agit par voie de recommandations. [2 Dans le cadre de l'article 3, 3°, du même décret du 22 février 2008 portant diverses mesures relatives à l'organisation et au fonctionnement de l'Agence pour l'évaluation de la qualité de l'enseignement supérieur organisé ou subventionné par la Communauté française, la Cellule intermédiaire de coordination peut transmettre le rapport d'audit à la cellule exécutive de l'Agence dans le respect de la confidentialité des audits dans le cadre d'un protocole de coopération entre le Service général de l'Inspection et l'Agence pour l'évaluation de la qualité de l'enseignement supérieur.]2
Si, dans le cadre du mandat d'une mission d'audit, un manquement substantiel présumé est relevé, qui serait susceptible de donner lieu à une mission visée au paragraphe 4, le rapport visé à l'alinéa 3 en fait mention. Il peut faire l'objet d'un rapport distinct, transmis immédiatement, par la voie hiérarchique, au fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
[2 Les modalités de suivi de l'audit sont arrêtées par le Gouvernement. ]2
§ 2. Le Service de l'Inspection visé au paragraphe 1er est chargé de missions d'évaluation portant sur la mise en oeuvre de dispositifs pédagogiques ou éducatifs spécifiques à l'enseignement de promotion sociale en application d'une disposition décrétale ou règlementaire ou en application d'un dispositif expérimental autorisé par le Gouvernement.
[2 ...]2
Le Gouvernement précise les modalités sur la base desquelles les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées.
Les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées à la demande du Gouvernement, formulée éventuellement sur la proposition du Service général de l'Inspection, par la voie de la Cellule intermédiaire de coordination.
Avant toute mission d'évaluation, la Cellule intermédiaire de coordination fixe la portée et les limites du mandat confié au Service général de l'Inspection pour les besoins de la mission. L'Inspecteur général coordonnateur, en concertation avec la Cellule intermédiaire de coordination, détermine le dispositif et la méthodologie spécifique sur la base desquels la mission est réalisée.
Toute mission d'évaluation donne lieu, dans les trente jours ouvrables suivant sa clôture, à l'établissement d'un rapport circonstancié dont le modèle est défini par le Gouvernement, sur la proposition de l'Inspecteur général coordonnateur, et destiné au Gouvernement via la Cellule intermédiaire de coordination. Dans ce cadre, le Service général de l'Inspection agit par voie de recommandations. Au terme du plan pluriannuel, un rapport portant sur l'état des lieux, l'analyse et la conformité des dispositifs pédagogiques ou éducatifs de l'enseignement de promotion sociale évalués est transmis par la voie hiérarchique à la Cellule intermédiaire de coordination et au Gouvernement.
Si, dans le cadre du mandat d'une mission d'évaluation, un manquement substantiel présumé est relevé, qui serait susceptible de donner lieu à une mission visée au paragraphe 4, le rapport visé à l'alinéa 6 en fait mention. Il peut faire l'objet d'un rapport distinct, transmis immédiatement, par la voie hiérarchique, au fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
[2 Dans le cadre de l'article 3, 3°, du décret du 22 février 2008 portant diverses mesures relatives à l'organisation et au fonctionnement de l'Agence pour l'évaluation de la qualité de l'enseignement supérieur organisé ou subventionné par la Communauté française, le Gouvernement peut, sur proposition de la Cellule intermédiaire de coordination, transmettre le rapport d'évaluation à la cellule exécutive de l'Agence, laquelle est tenue de respecter leur confidentialité.]2
§ 3. Le Service de l'Inspection visé au paragraphe 1er est chargé de missions d'évaluation portant sur la mise en oeuvre de dispositifs pédagogiques spécifiques à l'enseignement à distance de la Communauté française en e-learning.
Le Gouvernement précise les modalités sur la base desquelles les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées.
Les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées à la demande du Gouvernement, formulée éventuellement sur la proposition du Service général de l'Inspection, par la voie de la Cellule intermédiaire de coordination.
Avant toute mission d'évaluation, la Cellule intermédiaire de coordination fixe la portée et les limites du mandat confié au Service général de l'Inspection pour les besoins de la mission. L'Inspecteur général coordonnateur, en concertation avec la Cellule intermédiaire de coordination, détermine le dispositif et la méthodologie spécifique sur la base desquels la mission est réalisée.
Toute mission d'évaluation donne lieu, dans les [2 trente]2 jours ouvrables suivant sa clôture, à l'établissement d'un rapport circonstancié dont le modèle est défini par le Gouvernement, sur proposition de l'Inspecteur général coordonnateur, et destiné [2 au Gouvernement via ]2 la Cellule intermédiaire de coordination. Dans ce cadre, le Service général de l'Inspection agit par voie de recommandations.
Si, dans le cadre du mandat d'une mission d'évaluation, un manquement substantiel présumé est relevé, qui serait susceptible de donner lieu à une mission visée au paragraphe 4, le rapport visé à l'alinéa 5 en fait mention. Il peut faire l'objet d'un rapport distinct, transmis immédiatement, par la voie hiérarchique, au fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
§ 4. Le Service de l'Inspection visé au paragraphe 1er est chargé de missions [1 ...]1 de contrôle spécifiques dans l'enseignement de promotion sociale portant sur:
1° le niveau des études en référence aux dossiers pédagogiques approuvés à titre provisoire ainsi qu'à titre définitif par le Gouvernement, lorsqu'une faiblesse ou un enjeu particulier a été repéré et qui nécessite un diagnostic externe objectif;
2° la présomption d'un ou de plusieurs manquements substantiels mentionnés dans le rapport rédigé dans le cadre d'une mission visée aux paragraphes 1er ou 2 [2 ou à l'article 7/1 ]2 ou signalé-s par le fonctionnaire général en charge de la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire et de la Recherche Scientifique.
Sont substantiels au sens de l'alinéa 1er, 2°, les manquements constatés ou dénoncés relativement aux aspects suivants:
1° le respect des articles 7, 8, 10, 11, 13, 14, 26, 31, 34, 36, 37, 40, 42, 53, 57, 58, 60, 64, 67, 68, 70 et 120 du décret du 16 avril 1991 organisant l'enseignement de promotion sociale;
2° le respect des dossiers pédagogiques ou des programmes approuvés à titre provisoire et définitif par le Gouvernement conformément à la réglementation en vigueur;
3° la cohérence des pratiques avec le dossier pédagogique, en ce compris les pratiques d'évaluation et de valorisation des acquis;
4° l'adéquation du matériel didactique, numérique et de l'équipement scolaire aux nécessités pédagogiques;
5° les mécanismes de ségrégation;
6° le respect de la neutralité, là où cette neutralité s'impose;
7° le respect du prescrit décrétal en matière de formation en cours de carrière.
Dans l'enseignement subventionné par la Communauté française, la mission visée à l'alinéa 1er participe du contrôle des conditions d'octroi des subventions, tel que prévu à l'article [2 1.7.3-1, § 2 du Code et à l'article 24, § 2bis, de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de l'enseignement]2.
Le Gouvernement précise les modalités et la méthodologie générale sur la base desquelles les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées, en veillant notamment à ce que le droit à faire valoir le point de vue des intéressés soit garanti.
Les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées à la demande du Gouvernement ou du fonctionnaire général en charge de la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire et de la Recherche Scientifique ou du fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
Les missions visées à l'alinéa 1er, 1°, sont exécutées à la demande motivée du pouvoir organisateur concerné via l'Inspecteur coordinateur concerné.
Avant toute mission visée à l'alinéa 1er, la cellule intermédiaire de coordination, le cas échéant élargie au fonctionnaire général en charge de la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire et de la Recherche Scientifique fixe la portée et les limites du mandat confié au Service général de l'Inspection pour les besoins de la mission. L'Inspecteur général coordonnateur, en concertation avec la cellule intermédiaire de coordination, détermine le dispositif et la méthodologie spécifique sur la base desquels la mission est réalisée. Toute mission [1 ...]1 de contrôle spécifique visée à l'alinéa 1er donne lieu, dans les quinze jours ouvrables suivant sa clôture, à l'établissement d'un rapport circonstancié dont le modèle est défini par le Gouvernement, sur la proposition de l'Inspecteur général coordonnateur. Ce rapport, qui comprend notamment des informations et recommandations en lien avec les constats posés dans le cadre de cette mission, est transmis par la voie hiérarchique au fonctionnaire général désigné par le Gouvernement et au pouvoir organisateur concerné.
Le pouvoir organisateur qui n'envisage pas de réserver de suites à un rapport défavorable rédigé par un membre du personnel du Service général de l'Inspection en exécution d'une mission visée à l'alinéa 1er, motive cette décision auprès du fonctionnaire général visé à l'alinéa [2 7]2 [2 ou son délégué ]2, dans le mois qui suit la date de réception dudit rapport,[2 ...]2.
§ 5. Le Service de l'Inspection visé au paragraphe 1er est chargé de missions [1 ...]1 de contrôle spécifiques dans l'enseignement à distance de la Communauté française en e-learning portant sur:
1° le niveau des études tel que précisé aux articles [2 1.4.2-4 et 1.4.3-3 du Code]2 et 55 du décret missions, en référence aux socles de compétences, aux savoirs requis et compétences terminales, aux profils de formations, et, là où ceux-ci n'existent pas, en référence aux programmes fixés ou approuvés par le Gouvernement, lorsqu'une faiblesse ou un enjeu particulier a été repéré et qui nécessite un diagnostic externe objectif;
2° un ou plusieurs manquements substantiels mentionnés dans le rapport rédigé dans le cadre d'une mission visée au paragraphe 3 [2 ou à l'article 7/1 ]2 ou à la demande du fonctionnaire général en charge de la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire et de la Recherche Scientifique.
Le Gouvernement précise les modalités et la méthodologie générale sur la base desquelles les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées, en veillant notamment à ce que le droit à faire valoir le point de vue des intéressés soit garanti.
Les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées à la demande du Gouvernement ou du fonctionnaire général en charge de la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire et de la Recherche Scientifique ou du fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
Toute mission [1 ...]1 de contrôle spécifique visée à l'alinéa 1er donne lieu, dans les quinze jours ouvrables suivant sa clôture, à l'établissement d'un rapport circonstancié dont le modèle est défini par le Gouvernement, sur la proposition de l'Inspecteur général coordonnateur. Ce rapport, qui comprend, notamment, des informations et recommandations en lien avec les constats posés dans le cadre de cette mission, est transmis par la voie hiérarchique au fonctionnaire général désigné par le Gouvernement qui le fait parvenir au directeur de l'enseignement à distance en e-learning et au Gouvernement.
Le directeur de l'enseignement à distance en e-learning qui n'envisage pas de réserver de suites à un rapport défavorable rédigé par un membre du personnel du Service général de l'Inspection en exécution d'une mission visée à l'alinéa 1er motive cette décision auprès du fonctionnaire général visé à l'alinéa 4, dans le mois qui suit la date de réception dudit rapport, via le fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
§ 6. Les Services de l'Inspection visés au paragraphe 1er sont chargés, chacun pour ce qui les concerne ou en collaboration entre eux, de missions portant sur l'appréciation de l'aptitude pédagogique d'un membre du personnel de l'équipe éducative, dans l'enseignement de promotion sociale, à l'aune du respect des programmes [2 ou du profil de fonction le cas échéant ]2.
Le Gouvernement précise les modalités et la méthodologie générale sur la base desquelles les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées, en veillant, notamment, à ce que le droit à faire valoir le point de vue des intéressés soit garanti.
Les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées à la demande motivée du directeur dans l'enseignement organisé par la Communauté française ou du pouvoir organisateur concerné dans l'enseignement subventionné, adressée au fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
Le fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif, après analyse de la demande visée à l'alinéa 3, marque ou non son accord sur l'exécution de la mission et signifie sa décision au directeur dans l'enseignement organisé par la Communauté française ou au pouvoir organisateur concerné dans l'enseignement subventionné.
Toute mission visée à l'alinéa 1er donne lieu, dans les quinze jours ouvrables suivant sa clôture, à l'établissement d'un rapport circonstancié dont le modèle est défini par le Gouvernement, sur la proposition de l'Inspecteur général coordonnateur. Ce rapport, qui comprend, notamment, des informations et recommandations en lien avec les constats posés dans le cadre de cette mission, est transmis par la voie hiérarchique au fonctionnaire général désigné par le Gouvernement qui le fait parvenir au pouvoir organisateur concerné. Ce dernier le soumet au visa du membre du personnel qui, le cas échéant, y joint ses observations. Le rapport, accompagné d'éventuelles observations du membre du personnel, est ensuite transmis à l'Inspecteur général coordonnateur, via le fonctionnaire général désigné par le Gouvernement.
Le pouvoir organisateur qui n'envisage pas de réserver de suites à un rapport défavorable rédigé par un membre du personnel du Service général de l'Inspection en exécution d'une mission visée à l'alinéa 1er motive cette décision auprès du fonctionnaire général visé à l'alinéa 5 [2 ou son délégué ]2 dans le mois qui suit la date de réception dudit rapport, [2 ...]2.
§ 7. Les Services de l'Inspection visés au paragraphe 1er sont chargés, chacun pour ce qui les concerne ou en collaboration entre eux, de missions portant sur l'appréciation de l'aptitude pédagogique d'un membre du personnel de l'équipe éducative, dans l'enseignement à distance de la Communauté française en e-learning, à l'aune du respect des programmes [2 ou du profil de fonction le cas échéant ]2.
Le Gouvernement précise les modalités et la méthodologie générale sur la base desquelles les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées, en veillant notamment à ce que le droit à faire valoir le point de vue des intéressés soit garanti.
Les missions visées à l'alinéa 1er, sont exécutées à la demande motivée du directeur de l'enseignement à distance en e-learning, adressée au fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
Le fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif, après analyse de la demande visée à l'alinéa 3, marque ou non son accord sur l'exécution de la mission et signifie sa décision au directeur concerné.
Toute mission visée à l'alinéa 1er donne lieu, dans les quinze jours ouvrables suivant sa clôture, à l'établissement d'un rapport circonstancié dont le modèle est défini par le Gouvernement, sur la proposition de l'Inspecteur général coordonnateur. Ce rapport, qui comprend, notamment, des informations et recommandations en lien avec les constats posés dans le cadre de cette mission, est transmis par la voie hiérarchique au fonctionnaire général désigné par le Gouvernement qui le fait parvenir au directeur concerné. Ce dernier le soumet au visa du membre du personnel qui, le cas échéant, y joint ses observations. Le rapport, accompagné d'éventuelles observations du membre du personnel, est ensuite transmis à l'Inspecteur général coordonnateur, via le fonctionnaire général désigné par le Gouvernement.
Le directeur de l'enseignement à distance en e-learning qui n'envisage pas de réserver de suites à un rapport défavorable rédigé par un membre du personnel du Service général de l'Inspection motive cette décision dans le mois qui suit la date de réception dudit rapport, au fonctionnaire général visé à l'alinéa 5 [2 ou son délégué ]2 [2 ...]2.
§ 8. Le Service de l'Inspection visé au paragraphe 1er est chargé de missions d'expertise pédagogique à des fins d'appui dans le cadre de la remise d'avis sur:
1° des aménagements raisonnables de type pédagogique sur demande du pouvoir organisateur d'un établissement;
2° des ressources pédagogiques liées à la transition numérique associée à l'Enseignement de promotion sociale, via [2 l'enseignement hybride]2, les [2 t]2 echnologies de l'information et de la communication pour l'enseignement et à l'enseignement à distance de la Communauté française organisé en [2 e-learning ]2;
3° la valorisation de l'expérience utile dans l'enseignement supérieur de promotion sociale;
4° des modules de cours de l'enseignement à distance en e-learning et le respect du programme.
§ 9. Le Service de l'Inspection visé au paragraphe 1er est chargé:
1° d'analyser les dossiers pédagogiques des sections et unités de l'enseignement de promotion sociale et de rédiger les avis pour les dossiers qui devraient recevoir une approbation provisoire;
2° de donner des avis et de formuler des propositions, d'initiative ou à la demande du Gouvernement, sur tout ce qui relève de sa compétence;
3° de participer aux groupes de travail, commissions et conseils, en vertu des lois, décrets et règlements;
4° de collaborer avec les établissements d'enseignement supérieur en charge de la formation initiale des enseignants dans le cadre et selon les conditions fixés par le Gouvernement;
5° d'exercer toutes autres tâches qui lui sont confiées par ou en vertu des lois, décrets et règlements.
§ 10. Selon les besoins, les missions visées au présent article sont effectuées par un ou plusieurs membres du Service général de l'Inspection.
Ces missions sont assurées de manière complémentaire, pour autant qu'une [2 mission d'investigation, une ]2 mission d'audit visée au paragraphe 1er ne soit jamais menée au sein d'un établissement en même temps qu'une mission d'évaluation, une mission [1 ...]1 de contrôle spécifique ou une mission portant sur l'appréciation de l'aptitude pédagogique d'un membre du personnel de l'équipe éducative.
Dans le respect de la méthodologie et des objectifs qui leur sont propres, et dans le respect du mandat sur la base duquel elles sont exécutées, pour les missions visées aux paragraphes 1er, 2, 4 et 8, les inspecteurs, via l'inspecteur coordonnateur, peuvent faire appel à la cellule de pilotage afin de récolter des données quantitatives utiles à l'investigation. Ils peuvent fonder leurs appréciations sur des faits prélevés, notamment, en assistant aux cours et activités, en examinant des préparations, des travaux, des documents d'élèves/étudiants et les résultats obtenus aux évaluations externes non certificatives et en analysant les données quantitatives précitées.
Dans le respect de la méthodologie et des objectifs qui leur sont propres, et dans le respect du mandat sur la base duquel elles sont exécutées, pour les missions visées aux paragraphes 3, 5 et [2 , 8 et à l'article 7/1 ]2, les membres du Service général de l'Inspection ont accès aux données quantitatives en sollicitant le Conseil de concertation et de pilotage de l'e-learning. Ils peuvent fonder leurs appréciations sur des faits prélevés, notamment, en examinant des préparations, des travaux, des documents d'élèves/étudiants et les résultats obtenus aux évaluations [2 , en interrogeant les étudiants ]2 et en analysant les données quantitatives précitées et/ou le résultat d'études qualitatives menées.
Art. 6. § 1. In het kader van zijn bevoegdheden betreffende kunstonderwijs wordt de inspectiedienst bedoeld in artikel 3, lid 3, 4°, belast met de evaluatietaken met betrekking tot de implementatie van een pedagogisch of educatief hulpmiddel binnen het school- of educatief systeem in toepassing van een decretale of reglementaire bepaling of in toepassing van een experimenteel hulpmiddel waarvoor de Regering de toestemming heeft gegeven.
De Regering bepaalt de nadere regels op basis waarvan de in lid 1 bedoelde taken worden uitgevoerd.
De in lid 1 bedoelde taken worden uitgevoerd op vraag van de Regering, eventueel geformuleerd op voordracht van de algemene inspectiedienst, via de cel voor coördinatiebemiddeling.
Voor elke evaluatietaak legt de cel voor coördinatiebemiddeling het bereik en de grenzen van het aan de algemene inspectiedienst toegekende mandaat vast voor de behoeften van de taak. De coördinerende inspecteur-generaal bepaalt, in overleg met de cel voor coördinatiebemiddeling, de inrichting en de specifieke methodologie op basis waarvan de taak wordt uitgevoerd.
Voor elke evaluatietaak moet, binnen de 30 werkdagen na voltooiing, een uitgebreid verslag worden opgesteld, waarvan het model wordt bepaald door de Regering, op voordracht van de coördinerende inspecteur-generaal, en bedoeld voor [2 de Regering via]2 de cel voor coördinatiebemiddeling. In dit kader handelt de algemene inspectiedienst via aanbevelingen.
Indien, in het kader van het mandaat van een evaluatietaak, een ernstige tekortkoming wordt vastgesteld, die aanleiding zou geven tot een taak bedoeld in lid 2, moet dit worden vermeld in het in lid 5 genoemde verslag Hierover kan een apart verslag worden opgemaakt, dat onmiddellijk, langs hiërarchische weg, wordt overgemaakt aan de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem.
§ 2. De inspectiedienst bedoeld in lid 1 wordt, elk voor wat hen aanbelangt of in onderlinge samenwerking, belast met de specifieke [1 ...]1 toezichthoudende taken met betrekking tot:
1° de organisatie en het studieniveau zoals bepaald in de artikels 3 tot 28 van het decreet van 2 juni 1998 houdende organisatie van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap wanneer een leemte of een bijzondere uitdaging werd ontdekt, die een objectieve externe diagnose vereist;
2° een of meer ernstige tekortkomingen in het verslag opgesteld in het kader van een taak bedoeld in lid 1 [2 of artikel 7/1]2 of op verzoek van de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie van niet-verplicht onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
De volgende vastgestelde of opgegeven tekortkomingen zijn, in de zin van lid 1, 2°, ernstige tekortkomingen:
1° de naleving van de artikels [2 4.1-1, 1.4.1-2, 1.4.1-4, 1.4.2-1, 1.4.2-2, 1.4.2-4, 1.4.3-2, 1.5.1-8 en 2.3.1-1 van het Wetboek, artikels 24 en 34]2en 78 van het takendecreet, de artikels [2 3, 4, 8 tot 15, 20, 21 en 22]2van het decreet van 2 juni 1998 hiervoor;
2° de naleving van de studieprogramma's die door de Regering werden vastgelegd of goedgekeurd overeenkomstig de artikels [2 de artikels 1.5.1-4 en 1.5.1-5 tot 1.5.1-7 van het Wetboek]2, de artikels [2 artikel 4]2 van het hiervoor genoemde decreet van 2 juni 1998;
3° de samenhang van de praktijken, met inbegrip van de evaluatiepraktijken;
4° de geschiktheid van het didactisch materiaal en de schooluitrusting voor de pedagogische noodwendigheden;
5° de segregatiemechanismen;
6° de naleving van de neutraliteit, waar die neutraliteit verplicht is;
7° de naleving van de decreetvoorschriften inzake opleiding tijdens de loopbaan.
In het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs wordt de taak bedoeld in lid 1 uitgeoefend in het kader van het toezicht op de voorwaarden voor de toekenning van de subsidies, [2 zoals bepaald in artikel 1.7.3-1, § 2 van het Wetboek en artikel 24, § 2bis van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving]2.
De Regering bepaalt de nadere regels en de algemene methodologie op basis waarvan de taken bedoeld in lid 1 worden uitgevoerd, met dien verstande dat het recht om het standpunt van betrokkenen te laten gelden, wordt gewaarborgd.
De in lid 1 bedoelde taken worden uitgevoerd op vraag van de Regering of de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie van niet-verplicht onderwijs en wetenschappelijk onderzoek of de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem.
Voor elke specifieke [1 ...]1 toezichthoudende taak, bepaalt de cel voor coördinatiebemiddeling, in voorkomend geval uitgebreid met de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie van niet-verplicht onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, de omvang en de grenzen van het aan de algemene inspectiedienst toegekende mandaat voor de behoeften van de taak. De coördinerende inspecteur-generaal bepaalt, in overleg met de cel voor coördinatiebemiddeling inrichting en de specifieke methodologie op basis waarvan de taak wordt uitgevoerd.
Voor elke specifieke [1 ...]1 toezichthoudende taak moet, binnen de 15 werkdagen na voltooiing, een uitgebreid verslag worden opgesteld, waarvan het model wordt bepaald door de Regering, op voordracht van de coördinerende inspecteur-generaal. Dit verslag bevat met name inlichtingen en raadgevingen in verband met de vaststellingen gedaan in het kader van deze taak en wordt langs hiërarchische weg overgemaakt aan de door de Regering aangestelde ambtenaar-generaal, die het, naargelang van het geval, op zijn beurt overmaakt aan de directeur van de inrichting en aan de Regering of aan de betrokken inrichtende macht.
[2 De inrichtende macht die niet voornemens is actie te ondernemen naar aanleiding van een ongunstig verslag dat door een personeelslid van de Algemene inspectiedienst is opgesteld ter uitvoering van een in lid 1 bedoelde taak, motiveert dit besluit bij de in lid 7 bedoelde ambtenaar-generaal of diens afgevaardigde, binnen een maand na de datum van ontvangst van het betreffende verslag]2
§ 3. De inspectiedienst bedoeld in lid 1 wordt, elk voor wat hen aanbelangt of in onderlinge samenwerking, belast met de taken met betrekking tot het beoordelen [2 van de pedagogische en professionele vaardigheden van een lid van het pedagogisch team, van de professionele vaardigheden van een lid van het onderwijzend hulppersoneel van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan en van de pedagogische en professionele vaardigheden van een lid van het opvoedend team in het secundair kunstonderwijs met volledig leerplan]2.
De Regering bepaalt de nadere regels en de algemene methodologie op basis waarvan de taken bedoeld in lid 1 worden uitgevoerd, met dien verstande dat het recht om het standpunt van betrokkenen te laten gelden, wordt gewaarborgd.
De in lid 1 bedoelde taken worden uitgevoerd na een met redenen omkleed verzoek van de directeur in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs of de betrokken inrichtende macht in het gesubsidieerde onderwijs, gericht aan de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem.
De ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem stemt, na analyse van het in lid 3 bedoelde verzoek, al dan niet in met de uitvoering van de taak en maakt zijn beslissing over aan de directeur in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs of aan de betrokken inrichtende macht in het gesubsidieerde onderwijs.
Voor elke specifieke taak bedoeld in lid 1 moet, binnen de 15 werkdagen na voltooiing, een uitgebreid verslag worden opgesteld, waarvan het model wordt bepaald door de Regering, op voordracht van de coördinerende inspecteur-generaal. Dit verslag bevat met name inlichtingen en raadgevingen in verband met de vaststellingen gedaan in het kader van deze taak en wordt langs hiërarchische weg overgemaakt aan de door de Regering aangestelde ambtenaar-generaal die het op zijn beurt overmaakt aan de directeur van de door de Franse Gemeenschap ingerichte inrichting of aan de betrokken inrichtende macht in het gesubsidieerd onderwijs. Deze laatste legt het voor visum voor aan het personeelslid dat er, in voorkomend geval, zijn eigen opmerkingen aan toevoegt. Het verslag, samen met de eventuele opmerkingen van het personeelslid, wordt vervolgens overgemaakt aan de bevoegde coördinerende inspecteur-generaal, via de door de Regering aangestelde ambtenaar-generaal.
De inrichtende macht of zijn afgevaardigde die geen gevolg wil geven aan een ongunstig verslag dat door een personeelslid van de algemene inspectiedienst wordt opgesteld in uitvoering van een taak bedoeld in lid 1, moet deze beslissing motiveren bij de ambtenaar-generaal bedoeld in lid 5 [2 of zijn afgevaardigde]2, binnen de maand die volgt op de datum van ontvangst van dat verslag, [2 ...]2.
§ 4. De inspectiedienst bedoeld in lid 1 wordt belast met taken van pedagogische vaardigheden voor ondersteuning in het kader van:
1° het opvatten van evaluaties die leiden tot het uitreiken van getuigschriften en diploma's in het secundair kunstonderwijs [2 ...]2;
2° het uitbreiden van netwerkoverschrijdende lesprogramma's;
3° het opleiden tijdens de loopbaan overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 15 maart 1999 betreffende de opleiding tijdens de loopbaan van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het onderwijzend hulppersoneel van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap.
§ 5. De inspectiedienst bedoeld in paragraaf 1 wordt belast met:
1°[2 het analyseren van de programma's van de kunstopleidingen bedoeld in de artikels 1.5.1-4 en 1.5.1-5 tot 1.5.1-7 van het Wetboek en 4, § 1, lid 1 van het decreet van 2 juni 1998, alsook het opstellen van de bij de Regering in te dienen conformiteitsadviezen]2;
2° het geven van adviezen en formuleren van voorstellen, op eigen initiatief of op aanvraag van de Regering, over alles wat tot hun bevoegdheid behoort;
3° het deelnemen aan werkgroepen, commissies en raden, krachtens de wetten, decreten en verordeningen;
4° het samenwerken met de inrichtingen voor hoger onderwijs belast met de initiële opleiding van lesgevers in het kader en volgens de door de Regering te bepalen voorwaarden;
5° het uitvoeren van alle andere taken die aan hen worden toevertrouwd door of krachtens de wetten, decreten en verordeningen.
§ 6. Afhankelijk van de noodwendigheden worden de taken bedoeld in onderhavig artikel uitgevoerd door een of meer leden van de algemene inspectiedienst.
Deze taken worden uitgevoerd op aanvullende wijze.
Met inachtneming van de eigen methodologie en doelstellingen en met inachtneming van het mandaat op basis waarvan de taken worden uitgevoerd, hebben de leden van de algemene inspectiedienst, voor de taken bedoeld in lid 1 en 2 [2 en artikel 7/1]2 ,toegang tot de kwantitatieve gegevens van de inrichting, met name die in verband met het aantal leerlingen die falen, blijven zitten of overstappen naar een andere inrichting en tot de archieven. Ze kunnen hun beoordelingen baseren op feiten die inzonderheid werden vastgesteld naar aanleiding van de begeleiding van cursussen en activiteiten, van het onderzoek van voorbereidingen, werken en documenten van leerlingen/studenten, van de resultaten die werden behaald bij de externe evaluaties die niet met getuigschriften worden bekrachtigd [2 , bij het ondervragen van de leerlingen]2 en door het analyseren van de hiervoor genoemde kwantitatieve gegevens.
De Regering bepaalt de nadere regels op basis waarvan de in lid 1 bedoelde taken worden uitgevoerd.
De in lid 1 bedoelde taken worden uitgevoerd op vraag van de Regering, eventueel geformuleerd op voordracht van de algemene inspectiedienst, via de cel voor coördinatiebemiddeling.
Voor elke evaluatietaak legt de cel voor coördinatiebemiddeling het bereik en de grenzen van het aan de algemene inspectiedienst toegekende mandaat vast voor de behoeften van de taak. De coördinerende inspecteur-generaal bepaalt, in overleg met de cel voor coördinatiebemiddeling, de inrichting en de specifieke methodologie op basis waarvan de taak wordt uitgevoerd.
Voor elke evaluatietaak moet, binnen de 30 werkdagen na voltooiing, een uitgebreid verslag worden opgesteld, waarvan het model wordt bepaald door de Regering, op voordracht van de coördinerende inspecteur-generaal, en bedoeld voor [2 de Regering via]2 de cel voor coördinatiebemiddeling. In dit kader handelt de algemene inspectiedienst via aanbevelingen.
Indien, in het kader van het mandaat van een evaluatietaak, een ernstige tekortkoming wordt vastgesteld, die aanleiding zou geven tot een taak bedoeld in lid 2, moet dit worden vermeld in het in lid 5 genoemde verslag Hierover kan een apart verslag worden opgemaakt, dat onmiddellijk, langs hiërarchische weg, wordt overgemaakt aan de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem.
§ 2. De inspectiedienst bedoeld in lid 1 wordt, elk voor wat hen aanbelangt of in onderlinge samenwerking, belast met de specifieke [1 ...]1 toezichthoudende taken met betrekking tot:
1° de organisatie en het studieniveau zoals bepaald in de artikels 3 tot 28 van het decreet van 2 juni 1998 houdende organisatie van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap wanneer een leemte of een bijzondere uitdaging werd ontdekt, die een objectieve externe diagnose vereist;
2° een of meer ernstige tekortkomingen in het verslag opgesteld in het kader van een taak bedoeld in lid 1 [2 of artikel 7/1]2 of op verzoek van de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie van niet-verplicht onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
De volgende vastgestelde of opgegeven tekortkomingen zijn, in de zin van lid 1, 2°, ernstige tekortkomingen:
1° de naleving van de artikels [2 4.1-1, 1.4.1-2, 1.4.1-4, 1.4.2-1, 1.4.2-2, 1.4.2-4, 1.4.3-2, 1.5.1-8 en 2.3.1-1 van het Wetboek, artikels 24 en 34]2en 78 van het takendecreet, de artikels [2 3, 4, 8 tot 15, 20, 21 en 22]2van het decreet van 2 juni 1998 hiervoor;
2° de naleving van de studieprogramma's die door de Regering werden vastgelegd of goedgekeurd overeenkomstig de artikels [2 de artikels 1.5.1-4 en 1.5.1-5 tot 1.5.1-7 van het Wetboek]2, de artikels [2 artikel 4]2 van het hiervoor genoemde decreet van 2 juni 1998;
3° de samenhang van de praktijken, met inbegrip van de evaluatiepraktijken;
4° de geschiktheid van het didactisch materiaal en de schooluitrusting voor de pedagogische noodwendigheden;
5° de segregatiemechanismen;
6° de naleving van de neutraliteit, waar die neutraliteit verplicht is;
7° de naleving van de decreetvoorschriften inzake opleiding tijdens de loopbaan.
In het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs wordt de taak bedoeld in lid 1 uitgeoefend in het kader van het toezicht op de voorwaarden voor de toekenning van de subsidies, [2 zoals bepaald in artikel 1.7.3-1, § 2 van het Wetboek en artikel 24, § 2bis van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving]2.
De Regering bepaalt de nadere regels en de algemene methodologie op basis waarvan de taken bedoeld in lid 1 worden uitgevoerd, met dien verstande dat het recht om het standpunt van betrokkenen te laten gelden, wordt gewaarborgd.
De in lid 1 bedoelde taken worden uitgevoerd op vraag van de Regering of de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie van niet-verplicht onderwijs en wetenschappelijk onderzoek of de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem.
Voor elke specifieke [1 ...]1 toezichthoudende taak, bepaalt de cel voor coördinatiebemiddeling, in voorkomend geval uitgebreid met de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie van niet-verplicht onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, de omvang en de grenzen van het aan de algemene inspectiedienst toegekende mandaat voor de behoeften van de taak. De coördinerende inspecteur-generaal bepaalt, in overleg met de cel voor coördinatiebemiddeling inrichting en de specifieke methodologie op basis waarvan de taak wordt uitgevoerd.
Voor elke specifieke [1 ...]1 toezichthoudende taak moet, binnen de 15 werkdagen na voltooiing, een uitgebreid verslag worden opgesteld, waarvan het model wordt bepaald door de Regering, op voordracht van de coördinerende inspecteur-generaal. Dit verslag bevat met name inlichtingen en raadgevingen in verband met de vaststellingen gedaan in het kader van deze taak en wordt langs hiërarchische weg overgemaakt aan de door de Regering aangestelde ambtenaar-generaal, die het, naargelang van het geval, op zijn beurt overmaakt aan de directeur van de inrichting en aan de Regering of aan de betrokken inrichtende macht.
[2 De inrichtende macht die niet voornemens is actie te ondernemen naar aanleiding van een ongunstig verslag dat door een personeelslid van de Algemene inspectiedienst is opgesteld ter uitvoering van een in lid 1 bedoelde taak, motiveert dit besluit bij de in lid 7 bedoelde ambtenaar-generaal of diens afgevaardigde, binnen een maand na de datum van ontvangst van het betreffende verslag]2
§ 3. De inspectiedienst bedoeld in lid 1 wordt, elk voor wat hen aanbelangt of in onderlinge samenwerking, belast met de taken met betrekking tot het beoordelen [2 van de pedagogische en professionele vaardigheden van een lid van het pedagogisch team, van de professionele vaardigheden van een lid van het onderwijzend hulppersoneel van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan en van de pedagogische en professionele vaardigheden van een lid van het opvoedend team in het secundair kunstonderwijs met volledig leerplan]2.
De Regering bepaalt de nadere regels en de algemene methodologie op basis waarvan de taken bedoeld in lid 1 worden uitgevoerd, met dien verstande dat het recht om het standpunt van betrokkenen te laten gelden, wordt gewaarborgd.
De in lid 1 bedoelde taken worden uitgevoerd na een met redenen omkleed verzoek van de directeur in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs of de betrokken inrichtende macht in het gesubsidieerde onderwijs, gericht aan de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem.
De ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem stemt, na analyse van het in lid 3 bedoelde verzoek, al dan niet in met de uitvoering van de taak en maakt zijn beslissing over aan de directeur in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs of aan de betrokken inrichtende macht in het gesubsidieerde onderwijs.
Voor elke specifieke taak bedoeld in lid 1 moet, binnen de 15 werkdagen na voltooiing, een uitgebreid verslag worden opgesteld, waarvan het model wordt bepaald door de Regering, op voordracht van de coördinerende inspecteur-generaal. Dit verslag bevat met name inlichtingen en raadgevingen in verband met de vaststellingen gedaan in het kader van deze taak en wordt langs hiërarchische weg overgemaakt aan de door de Regering aangestelde ambtenaar-generaal die het op zijn beurt overmaakt aan de directeur van de door de Franse Gemeenschap ingerichte inrichting of aan de betrokken inrichtende macht in het gesubsidieerd onderwijs. Deze laatste legt het voor visum voor aan het personeelslid dat er, in voorkomend geval, zijn eigen opmerkingen aan toevoegt. Het verslag, samen met de eventuele opmerkingen van het personeelslid, wordt vervolgens overgemaakt aan de bevoegde coördinerende inspecteur-generaal, via de door de Regering aangestelde ambtenaar-generaal.
De inrichtende macht of zijn afgevaardigde die geen gevolg wil geven aan een ongunstig verslag dat door een personeelslid van de algemene inspectiedienst wordt opgesteld in uitvoering van een taak bedoeld in lid 1, moet deze beslissing motiveren bij de ambtenaar-generaal bedoeld in lid 5 [2 of zijn afgevaardigde]2, binnen de maand die volgt op de datum van ontvangst van dat verslag, [2 ...]2.
§ 4. De inspectiedienst bedoeld in lid 1 wordt belast met taken van pedagogische vaardigheden voor ondersteuning in het kader van:
1° het opvatten van evaluaties die leiden tot het uitreiken van getuigschriften en diploma's in het secundair kunstonderwijs [2 ...]2;
2° het uitbreiden van netwerkoverschrijdende lesprogramma's;
3° het opleiden tijdens de loopbaan overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 15 maart 1999 betreffende de opleiding tijdens de loopbaan van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het onderwijzend hulppersoneel van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap.
§ 5. De inspectiedienst bedoeld in paragraaf 1 wordt belast met:
1°[2 het analyseren van de programma's van de kunstopleidingen bedoeld in de artikels 1.5.1-4 en 1.5.1-5 tot 1.5.1-7 van het Wetboek en 4, § 1, lid 1 van het decreet van 2 juni 1998, alsook het opstellen van de bij de Regering in te dienen conformiteitsadviezen]2;
2° het geven van adviezen en formuleren van voorstellen, op eigen initiatief of op aanvraag van de Regering, over alles wat tot hun bevoegdheid behoort;
3° het deelnemen aan werkgroepen, commissies en raden, krachtens de wetten, decreten en verordeningen;
4° het samenwerken met de inrichtingen voor hoger onderwijs belast met de initiële opleiding van lesgevers in het kader en volgens de door de Regering te bepalen voorwaarden;
5° het uitvoeren van alle andere taken die aan hen worden toevertrouwd door of krachtens de wetten, decreten en verordeningen.
§ 6. Afhankelijk van de noodwendigheden worden de taken bedoeld in onderhavig artikel uitgevoerd door een of meer leden van de algemene inspectiedienst.
Deze taken worden uitgevoerd op aanvullende wijze.
Met inachtneming van de eigen methodologie en doelstellingen en met inachtneming van het mandaat op basis waarvan de taken worden uitgevoerd, hebben de leden van de algemene inspectiedienst, voor de taken bedoeld in lid 1 en 2 [2 en artikel 7/1]2 ,toegang tot de kwantitatieve gegevens van de inrichting, met name die in verband met het aantal leerlingen die falen, blijven zitten of overstappen naar een andere inrichting en tot de archieven. Ze kunnen hun beoordelingen baseren op feiten die inzonderheid werden vastgesteld naar aanleiding van de begeleiding van cursussen en activiteiten, van het onderzoek van voorbereidingen, werken en documenten van leerlingen/studenten, van de resultaten die werden behaald bij de externe evaluaties die niet met getuigschriften worden bekrachtigd [2 , bij het ondervragen van de leerlingen]2 en door het analyseren van de hiervoor genoemde kwantitatieve gegevens.
Art. 6. § 1er. Dans le cadre de ses compétences concernant l'enseignement artistique, le Service de l'Inspection visé à l'article 3, alinéa 3, 4°, est chargé de missions d'évaluation portant sur la mise en oeuvre d'un dispositif pédagogique ou éducatif au sein du système scolaire ou éducatif en application d'une disposition décrétale ou règlementaire ou en application d'un dispositif expérimental autorisé par le Gouvernement.
Le Gouvernement précise les modalités sur la base desquelles les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées.
Les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées à la demande du Gouvernement, formulée éventuellement sur la proposition du Service général de l'Inspection, par la voie de la Cellule intermédiaire de coordination.
Avant toute mission d'évaluation, la Cellule intermédiaire de coordination fixe la portée et les limites du mandat confié au Service général de l'Inspection pour les besoins de la mission. L'Inspecteur général coordonnateur, en concertation avec la Cellule intermédiaire de coordination, détermine le dispositif et la méthodologie spécifique sur la base desquels la mission est réalisée.
Toute mission d'évaluation donne lieu, dans les trente jours ouvrables suivant sa clôture, à l'établissement d'un rapport circonstancié dont le modèle est défini par le Gouvernement, sur proposition de l'Inspecteur général coordonnateur, et destiné [2 au Gouvernement via ]2 la Cellule intermédiaire de coordination. Dans ce cadre, le Service général de l'Inspection agit par voie de recommandations.
Si, dans le cadre du mandat d'une mission d'évaluation, un manquement substantiel présumé est relevé, qui serait susceptible de donner lieu à une mission visée au paragraphe 2, le rapport visé à l'alinéa 5 en fait mention. Il peut faire l'objet d'un rapport distinct, transmis immédiatement, par la voie hiérarchique, au fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
§ 2. Le Service de l'Inspection visé au paragraphe 1er est chargé, pour ce qui concerne l'enseignement artistique, de missions [1 ...]1 de contrôle spécifiques portant sur:
1° l'organisation et le niveau des études tels que précisés aux articles 3 à 28 du décret du 2 juin 1998 organisant l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit subventionné par la Communauté française lorsqu'une faiblesse ou un enjeu particulier a été repéré et qui nécessite un diagnostic externe objectif;
2° un ou plusieurs manquements substantiels, mentionnés dans le rapport rédigé dans le cadre d'une mission visée au paragraphe 1er [2 ou à l'article 7/1 ]2 ou à la demande du fonctionnaire général en charge de la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire et de la Recherche Scientifique.
Sont substantiels au sens de l'alinéa 1er, 2°, les manquements constatés ou dénoncés relativement aux aspects suivants:
1° le respect des articles [2 4.1-1, 1.4.1-2, 1.4.1-4, 1.4.2-1, 1.4.2-2, 1.4.2-4, 1.4.3-2, 1.5.1-8 et 2.3.1-1 du Code, des articles 24 et 34]2 du décret missions, des articles [2 3, 4, 8 à 15, 20, 21 et 22]2 du décret du 2 juin 1998 précité;
2° le respect des programmes d'études fixés ou approuvés par le Gouvernement conformément aux articles [2 aux articles1.5.1-4 et 1.5.1-5 à 1.5.1-7 du Code]2 du décret missions, des articles [2 à l'article 4]2 du décret du 2 juin 1998 précité;
3° la cohérence des pratiques, en ce compris les pratiques d'évaluation;
4° l'adéquation du matériel didactique et de l'équipement scolaire aux nécessités pédagogiques;
5° les mécanismes de ségrégation;
6° le respect de la neutralité, là où cette neutralité s'impose;
7° le respect du prescrit décrétal en matière de formation en cours de carrière.
Dans l'enseignement subventionné par la Communauté française, la mission visée [2 ...]2 à l'alinéa 1er participe du contrôle des conditions d'octroi des subventions, [2 tel que prévu à l'article 1.7.3-1, § 2 du Code et à l'article 24, § 2bis, de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de l'enseignement]2.
Le Gouvernement précise les modalités et la méthodologie générale sur la base desquelles les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées, en veillant notamment à ce que le droit à faire valoir le point de vue des intéressés soit garanti.
Les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées à la demande du Gouvernement ou du fonctionnaire général en charge de la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire et de la Recherche Scientifique ou du fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
Avant toute mission [1 ...]1 de contrôle spécifique, la cellule intermédiaire de coordination, le cas échéant élargie au fonctionnaire général en charge de la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire et de la Recherche Scientifique fixe la portée et les limites du mandat confié au Service général de l'Inspection pour les besoins de la mission. L'Inspecteur général coordonnateur, en concertation avec la cellule intermédiaire de coordination détermine le dispositif et la méthodologie spécifique sur la base desquels la mission est réalisée.
Toute mission [1 ...]1 de contrôle spécifique donne lieu, dans les quinze jours ouvrables suivant sa clôture, à l'établissement d'un rapport circonstancié dont le modèle est défini par le Gouvernement, sur la proposition de l'Inspecteur général coordonnateur. Ce rapport, qui comprend, notamment, des informations et recommandations en lien avec les constats posés dans le cadre de cette mission, est transmis par la voie hiérarchique au fonctionnaire général désigné par le Gouvernement qui le fait parvenir, selon le cas, au directeur de l'établissement et au Gouvernement ou au pouvoir organisateur concerné.
[2 Le pouvoir organisateur qui n'envisage pas de réserver de suites à un rapport défavorable rédigé par un membre du personnel du Service général de l'Inspection en exécution d'une mission visée à l'alinéa 1er, motive cette décision auprès du fonctionnaire général visé à l'alinéa 7 ou son délégué, dans le mois qui suit la date de réception dudit rapport.]2
§ 3. Le Service de l'Inspection visé au paragraphe 1er est chargé, pour ce qui concerne l'enseignement artistique, de missions portant sur l'appréciation des aptitudes pédagogique et professionnelle d'un membre de l'équipe pédagogique et de l'aptitude professionnelle d'un membre auxiliaire d'éducation dans l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit et [2 des aptitudes pédagogique et professionnelle d'un membre de l'équipe pédagogique et de l'aptitude professionnelle d'un membre auxiliaire d'éducation dans l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit et des aptitudes pédagogique et professionnelle d'un membre de l'équipe éducative dans l'enseignement secondaire artistique de plein exercice]2.
Le Gouvernement précise les modalités et la méthodologie générale sur la base desquelles les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées, en veillant notamment à ce que le droit à faire valoir le point de vue des intéressés soit garanti.
Les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées à la demande motivée du directeur dans l'enseignement organisé par la Communauté française ou du pouvoir organisateur concerné dans l'enseignement subventionné, adressée au fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
Le fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif, après analyse de la demande visée à l'alinéa 3, marque ou non son accord sur l'exécution de la mission et signifie sa décision au directeur dans l'enseignement organisé par la Communauté française ou au pouvoir organisateur concerné dans l'enseignement subventionné.
Toute mission visée à l'alinéa 1er donne lieu, dans les quinze jours ouvrables suivant sa clôture, à l'établissement d'un rapport circonstancié dont le modèle est défini par le Gouvernement, sur la proposition de l'Inspecteur général coordonnateur. Ce rapport, qui comprend, notamment, des informations et recommandations en lien avec les constats posés dans le cadre de cette mission, est transmis par la voie hiérarchique au fonctionnaire général désigné par le Gouvernement qui le fait parvenir au directeur dans l'enseignement organisé par la Communauté française ou au pouvoir organisateur concerné dans l'enseignement subventionné. Ce dernier le soumet au visa du membre du personnel qui, le cas échéant, y joint ses observations. Le rapport, accompagné d'éventuelles observations du membre du personnel, est ensuite transmis à l'Inspecteur général coordonnateur, via le fonctionnaire général désigné par le Gouvernement.
Le pouvoir organisateur ou son délégué qui n'envisage pas de réserver de suite à un rapport défavorable rédigé par un membre du personnel du Service général de l'Inspection en exécution d'une mission visée à l'alinéa 1er motive cette décision auprès du fonctionnaire général visé à l'alinéa 5 [2 ou son délégué ]2 dans le mois qui suit la date de réception dudit rapport, [2 ...]2.
§ 4. Le Service de l'Inspection visé au paragraphe 1er est chargé de missions d'expertise pédagogique à des fins d'appui dans le cadre de:
1° la conception d'évaluations conduisant à la délivrance des certificats et diplômes dans l'enseignement secondaire artistique [2 ...]2;
2° l'élaboration de programmes de cours interréseaux;
3° la formation en cours de carrière conformément aux dispositions du décret du 15 mars 1999 relatif à la formation en cours de carrière des membres du personnel directeur et enseignant et du personnel auxiliaire d'éducation de l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit subventionné par la Communauté française.
§ 5. Le Service de l'Inspection visé au paragraphe 1er est chargé:
1° [2 d'analyser les programmes des cours artistiques visés aux articles 1.5.1-4 et 1.5.1-5 à 1.5.1-7 du Code et 4, § 1er, alinéa 1er, du décret du 2 juin 1998 ainsi que de rédiger les avis de conformité à remettre Gouvernement ]2;
2° de donner des avis et de formuler des propositions, d'initiative ou à la demande du Gouvernement, sur tout ce qui relève de sa compétence;
3° de participer aux groupes de travail, commissions et conseils, en vertu des lois, décrets et règlements;
4° de collaborer avec les établissements d'enseignement supérieur en charge de la formation initiale des enseignants dans le cadre et selon les conditions fixés par le Gouvernement;
5° d'exercer toutes autres tâches qui lui sont confiées par ou en vertu des lois, décrets et règlements.
§ 6. Selon les besoins, les missions visées au présent article sont effectuées par un ou plusieurs membres du Service général de l'Inspection.
Ces missions sont assurées de manière complémentaire.
Dans le respect de la méthodologie et des objectifs qui leur sont propres, et dans le respect du mandat sur la base duquel elles sont exécutées, pour les missions visées aux paragraphes 1er et 2, [2 et à l'article 7/1]2 les membres du Service général de l'Inspection ont accès aux données quantitatives de l'établissement, notamment celles relatives aux taux d'échec, de redoublement ou de réorientation et aux archives. Ils peuvent fonder leurs appréciations sur des faits prélevés notamment en assistant aux cours et activités en examinant des préparations, des travaux, des documents des élèves/étudiants et des résultats obtenus aux évaluations externes non certificatives [2 , en interrogeant les élèves/étudiants ]2 et en analysant des données quantitatives précitées.
Le Gouvernement précise les modalités sur la base desquelles les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées.
Les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées à la demande du Gouvernement, formulée éventuellement sur la proposition du Service général de l'Inspection, par la voie de la Cellule intermédiaire de coordination.
Avant toute mission d'évaluation, la Cellule intermédiaire de coordination fixe la portée et les limites du mandat confié au Service général de l'Inspection pour les besoins de la mission. L'Inspecteur général coordonnateur, en concertation avec la Cellule intermédiaire de coordination, détermine le dispositif et la méthodologie spécifique sur la base desquels la mission est réalisée.
Toute mission d'évaluation donne lieu, dans les trente jours ouvrables suivant sa clôture, à l'établissement d'un rapport circonstancié dont le modèle est défini par le Gouvernement, sur proposition de l'Inspecteur général coordonnateur, et destiné [2 au Gouvernement via ]2 la Cellule intermédiaire de coordination. Dans ce cadre, le Service général de l'Inspection agit par voie de recommandations.
Si, dans le cadre du mandat d'une mission d'évaluation, un manquement substantiel présumé est relevé, qui serait susceptible de donner lieu à une mission visée au paragraphe 2, le rapport visé à l'alinéa 5 en fait mention. Il peut faire l'objet d'un rapport distinct, transmis immédiatement, par la voie hiérarchique, au fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
§ 2. Le Service de l'Inspection visé au paragraphe 1er est chargé, pour ce qui concerne l'enseignement artistique, de missions [1 ...]1 de contrôle spécifiques portant sur:
1° l'organisation et le niveau des études tels que précisés aux articles 3 à 28 du décret du 2 juin 1998 organisant l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit subventionné par la Communauté française lorsqu'une faiblesse ou un enjeu particulier a été repéré et qui nécessite un diagnostic externe objectif;
2° un ou plusieurs manquements substantiels, mentionnés dans le rapport rédigé dans le cadre d'une mission visée au paragraphe 1er [2 ou à l'article 7/1 ]2 ou à la demande du fonctionnaire général en charge de la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire et de la Recherche Scientifique.
Sont substantiels au sens de l'alinéa 1er, 2°, les manquements constatés ou dénoncés relativement aux aspects suivants:
1° le respect des articles [2 4.1-1, 1.4.1-2, 1.4.1-4, 1.4.2-1, 1.4.2-2, 1.4.2-4, 1.4.3-2, 1.5.1-8 et 2.3.1-1 du Code, des articles 24 et 34]2 du décret missions, des articles [2 3, 4, 8 à 15, 20, 21 et 22]2 du décret du 2 juin 1998 précité;
2° le respect des programmes d'études fixés ou approuvés par le Gouvernement conformément aux articles [2 aux articles1.5.1-4 et 1.5.1-5 à 1.5.1-7 du Code]2 du décret missions, des articles [2 à l'article 4]2 du décret du 2 juin 1998 précité;
3° la cohérence des pratiques, en ce compris les pratiques d'évaluation;
4° l'adéquation du matériel didactique et de l'équipement scolaire aux nécessités pédagogiques;
5° les mécanismes de ségrégation;
6° le respect de la neutralité, là où cette neutralité s'impose;
7° le respect du prescrit décrétal en matière de formation en cours de carrière.
Dans l'enseignement subventionné par la Communauté française, la mission visée [2 ...]2 à l'alinéa 1er participe du contrôle des conditions d'octroi des subventions, [2 tel que prévu à l'article 1.7.3-1, § 2 du Code et à l'article 24, § 2bis, de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de l'enseignement]2.
Le Gouvernement précise les modalités et la méthodologie générale sur la base desquelles les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées, en veillant notamment à ce que le droit à faire valoir le point de vue des intéressés soit garanti.
Les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées à la demande du Gouvernement ou du fonctionnaire général en charge de la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire et de la Recherche Scientifique ou du fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
Avant toute mission [1 ...]1 de contrôle spécifique, la cellule intermédiaire de coordination, le cas échéant élargie au fonctionnaire général en charge de la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire et de la Recherche Scientifique fixe la portée et les limites du mandat confié au Service général de l'Inspection pour les besoins de la mission. L'Inspecteur général coordonnateur, en concertation avec la cellule intermédiaire de coordination détermine le dispositif et la méthodologie spécifique sur la base desquels la mission est réalisée.
Toute mission [1 ...]1 de contrôle spécifique donne lieu, dans les quinze jours ouvrables suivant sa clôture, à l'établissement d'un rapport circonstancié dont le modèle est défini par le Gouvernement, sur la proposition de l'Inspecteur général coordonnateur. Ce rapport, qui comprend, notamment, des informations et recommandations en lien avec les constats posés dans le cadre de cette mission, est transmis par la voie hiérarchique au fonctionnaire général désigné par le Gouvernement qui le fait parvenir, selon le cas, au directeur de l'établissement et au Gouvernement ou au pouvoir organisateur concerné.
[2 Le pouvoir organisateur qui n'envisage pas de réserver de suites à un rapport défavorable rédigé par un membre du personnel du Service général de l'Inspection en exécution d'une mission visée à l'alinéa 1er, motive cette décision auprès du fonctionnaire général visé à l'alinéa 7 ou son délégué, dans le mois qui suit la date de réception dudit rapport.]2
§ 3. Le Service de l'Inspection visé au paragraphe 1er est chargé, pour ce qui concerne l'enseignement artistique, de missions portant sur l'appréciation des aptitudes pédagogique et professionnelle d'un membre de l'équipe pédagogique et de l'aptitude professionnelle d'un membre auxiliaire d'éducation dans l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit et [2 des aptitudes pédagogique et professionnelle d'un membre de l'équipe pédagogique et de l'aptitude professionnelle d'un membre auxiliaire d'éducation dans l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit et des aptitudes pédagogique et professionnelle d'un membre de l'équipe éducative dans l'enseignement secondaire artistique de plein exercice]2.
Le Gouvernement précise les modalités et la méthodologie générale sur la base desquelles les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées, en veillant notamment à ce que le droit à faire valoir le point de vue des intéressés soit garanti.
Les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées à la demande motivée du directeur dans l'enseignement organisé par la Communauté française ou du pouvoir organisateur concerné dans l'enseignement subventionné, adressée au fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
Le fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif, après analyse de la demande visée à l'alinéa 3, marque ou non son accord sur l'exécution de la mission et signifie sa décision au directeur dans l'enseignement organisé par la Communauté française ou au pouvoir organisateur concerné dans l'enseignement subventionné.
Toute mission visée à l'alinéa 1er donne lieu, dans les quinze jours ouvrables suivant sa clôture, à l'établissement d'un rapport circonstancié dont le modèle est défini par le Gouvernement, sur la proposition de l'Inspecteur général coordonnateur. Ce rapport, qui comprend, notamment, des informations et recommandations en lien avec les constats posés dans le cadre de cette mission, est transmis par la voie hiérarchique au fonctionnaire général désigné par le Gouvernement qui le fait parvenir au directeur dans l'enseignement organisé par la Communauté française ou au pouvoir organisateur concerné dans l'enseignement subventionné. Ce dernier le soumet au visa du membre du personnel qui, le cas échéant, y joint ses observations. Le rapport, accompagné d'éventuelles observations du membre du personnel, est ensuite transmis à l'Inspecteur général coordonnateur, via le fonctionnaire général désigné par le Gouvernement.
Le pouvoir organisateur ou son délégué qui n'envisage pas de réserver de suite à un rapport défavorable rédigé par un membre du personnel du Service général de l'Inspection en exécution d'une mission visée à l'alinéa 1er motive cette décision auprès du fonctionnaire général visé à l'alinéa 5 [2 ou son délégué ]2 dans le mois qui suit la date de réception dudit rapport, [2 ...]2.
§ 4. Le Service de l'Inspection visé au paragraphe 1er est chargé de missions d'expertise pédagogique à des fins d'appui dans le cadre de:
1° la conception d'évaluations conduisant à la délivrance des certificats et diplômes dans l'enseignement secondaire artistique [2 ...]2;
2° l'élaboration de programmes de cours interréseaux;
3° la formation en cours de carrière conformément aux dispositions du décret du 15 mars 1999 relatif à la formation en cours de carrière des membres du personnel directeur et enseignant et du personnel auxiliaire d'éducation de l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit subventionné par la Communauté française.
§ 5. Le Service de l'Inspection visé au paragraphe 1er est chargé:
1° [2 d'analyser les programmes des cours artistiques visés aux articles 1.5.1-4 et 1.5.1-5 à 1.5.1-7 du Code et 4, § 1er, alinéa 1er, du décret du 2 juin 1998 ainsi que de rédiger les avis de conformité à remettre Gouvernement ]2;
2° de donner des avis et de formuler des propositions, d'initiative ou à la demande du Gouvernement, sur tout ce qui relève de sa compétence;
3° de participer aux groupes de travail, commissions et conseils, en vertu des lois, décrets et règlements;
4° de collaborer avec les établissements d'enseignement supérieur en charge de la formation initiale des enseignants dans le cadre et selon les conditions fixés par le Gouvernement;
5° d'exercer toutes autres tâches qui lui sont confiées par ou en vertu des lois, décrets et règlements.
§ 6. Selon les besoins, les missions visées au présent article sont effectuées par un ou plusieurs membres du Service général de l'Inspection.
Ces missions sont assurées de manière complémentaire.
Dans le respect de la méthodologie et des objectifs qui leur sont propres, et dans le respect du mandat sur la base duquel elles sont exécutées, pour les missions visées aux paragraphes 1er et 2, [2 et à l'article 7/1]2 les membres du Service général de l'Inspection ont accès aux données quantitatives de l'établissement, notamment celles relatives aux taux d'échec, de redoublement ou de réorientation et aux archives. Ils peuvent fonder leurs appréciations sur des faits prélevés notamment en assistant aux cours et activités en examinant des préparations, des travaux, des documents des élèves/étudiants et des résultats obtenus aux évaluations externes non certificatives [2 , en interrogeant les élèves/étudiants ]2 et en analysant des données quantitatives précitées.
Art. 7. § 1. In het kader van zijn bevoegdheden met betrekking tot psychisch-medisch-sociale centra, wordt de inspectiedienst bedoeld in artikel 3, lid 3, 5°, belast met audits die betrekking hebben op de psychisch-medisch-sociale centra waarvoor de cel voor coördinatiebemiddeling de auditaanvraag van de diensten van de Regering of van de betrokken inrichtende macht valideert op basis van de implementatie van de door de Regering bepaalde algemene en prioritaire taken krachtens wetten, decreten en verordeningen betreffende psychisch-medisch-sociale centra.
De Regering bepaalt de algemene methodologie op basis waarvan de in lid 1 bedoelde taken worden uitgevoerd.
Voor elke audit legt de cel voor coördinatiebemiddeling het bereik en de grenzen van het aan de algemene inspectiedienst toegekende mandaat vast voor de behoeften van de taak. De coördinerende inspecteur-generaal bepaalt, in overleg met de cel voor coördinatiebemiddeling, de inrichting en de specifieke methodologie op basis waarvan de taak wordt uitgevoerd.
Voor elke audit moet, binnen de 15 werkdagen na voltooiing, een diagnose worden opgesteld, die is opgenomen in een verslag waarvan het model wordt bepaald door de Regering, op voordracht van de coördinerende inspecteur-generaal, en bedoeld voor de cel voor coördinatiebemiddeling alsook de gecontroleerde inrichting. In dit kader handelt de algemene inspectiedienst via aanbevelingen.
Indien, in het kader van het mandaat van een audit, een ernstige tekortkoming wordt vastgesteld, die aanleiding zou geven tot een taak bedoeld in lid 3, moet dit worden vermeld in het in lid 3 genoemde verslag. Hierover kan een apart verslag worden opgemaakt, dat onmiddellijk, langs hiërarchische weg, wordt overgemaakt aan de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem.
§ 2. De inspectiedienst bedoeld in lid 1 wordt belast met de evaluatietaken die betrekking hebben op de uitvoering van de taken toegekend aan de psychisch-medisch-sociale centra en de naleving van de wettelijke en deontologische verplichtingen.
De Regering bepaalt de nadere regels op basis waarvan de in lid 1 bedoelde taken worden uitgevoerd.
De in lid 1 bedoelde taken worden uitgevoerd op vraag van de Regering, eventueel geformuleerd op voordracht van de algemene inspectiedienst, via de cel voor coördinatiebemiddeling.
Voor elke evaluatietaak legt de cel voor coördinatiebemiddeling het bereik en de grenzen van het aan de algemene inspectiedienst toegekende mandaat vast voor de behoeften van de taak. De coördinerende inspecteur-generaal bepaalt, in overleg met de cel voor coördinatiebemiddeling, de inrichting en de specifieke methodologie op basis waarvan de taak wordt uitgevoerd.
Voor elke evaluatietaak moet, binnen de 30 werkdagen na voltooiing, een uitgebreid verslag worden opgesteld, waarvan het model wordt bepaald door de Regering, op voordracht van de coördinerende inspecteur-generaal, en bedoeld voor [3 de Regering via]3 de cel voor coördinatiebemiddeling. In dit kader handelt de algemene inspectiedienst via aanbevelingen.
Indien, in het kader van het mandaat van een evaluatietaak, een ernstige tekortkoming wordt vastgesteld, die aanleiding zou geven tot een taak bedoeld in lid 3, moet dit worden vermeld in het in lid 5 genoemde verslag. Hierover kan een apart verslag worden opgemaakt, dat onmiddellijk, langs hiërarchische weg, wordt overgemaakt aan de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem.
§ 3. De inspectiediensten bedoeld in lid 1 worden belast met de specifieke [1 ...]1 toezichthoudende taken met betrekking tot een of meer ernstige tekortkomingen, vermeld in het verslag opgesteld in het kader van een in lid 1 of 2 [3 of artikel 7/1]3 bedoelde taak of op vraag van de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie van verplicht onderwijs.
De volgende vastgestelde of opgegeven tekortkomingen zijn, in de zin van lid 1 ernstige tekortkomingen:
1° de naleving van de wettelijke verplichtingen en de deontologische regels;
2° de geschiktheid van het materiaal aan de behoeften van de taken van de centra;
3° de samenhang van de praktijken, met inbegrip van de evaluatiepraktijken;
4° de segregatiemechanismen, met inbegrip van het niet-detecteren van deze mechanismen;
5° de naleving van de neutraliteit, waar die neutraliteit verplicht is;
6° de naleving van de decreetvoorschriften inzake [2 voortgezette beroepsopleiding]2.
In het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs wordt de taak bedoeld in lid 1 uitgeoefend in het kader van het toezicht op de voorwaarden voor de toekenning van de subsidies, zoals bepaald in [3 artikel 1.7.3-1, § 2 ]3 artikel 24,[3 ...]3, en § 2bis, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving [3 en in artikels 13, 21 tot 53 van het organiek koninklijk besluit betreffende de PMS-centra van 13 augustus 1962]3.
De Regering bepaalt de nadere regels en de algemene methodologie op basis waarvan de taken bedoeld in lid 1 worden uitgevoerd, met dien verstande dat het recht om het standpunt van betrokkenen te laten gelden, wordt gewaarborgd.
De in lid 1 bedoelde taken worden uitgevoerd op vraag van de Regering of de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie van verplicht onderwijs of de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem.
Voor elke in lid 1 bedoelde taak, bepaalt de cel voor coördinatiebemiddeling, in voorkomend geval uitgebreid met de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie van verplicht onderwijs de omvang en de grenzen van het aan de Algemene Inspectiedienst toegekende mandaat voor de behoeften van de taak. De coördinerende inspecteur-generaal bepaalt, in overleg met de cel voor coördinatiebemiddeling inrichting en de specifieke methodologie op basis waarvan de taak wordt uitgevoerd.
Voor elke specifieke [1 ...]1 toezichthoudende taak bedoeld in lid 1 moet, binnen de 15 werkdagen na voltooiing, een uitgebreid verslag worden opgesteld, waarvan het model wordt bepaald door de Regering, op voordracht van de coördinerende inspecteur-generaal. Dit verslag bevat met name inlichtingen en raadgevingen in verband met de vaststellingen gedaan in het kader van deze taak en wordt langs hiërarchische weg overgemaakt aan de door de Regering aangestelde ambtenaar-generaal en aan de betrokken inrichtende macht.
De inrichtende macht die geen gevolg wil geven aan een ongunstig verslag dat door een personeelslid van de algemene inspectiedienst wordt opgesteld in uitvoering van een taak bedoeld in lid 1, moet deze beslissing motiveren bij de ambtenaar-generaal bedoeld in lid 7 [3 of zijn afgevaardigde]3, binnen de maand die volgt op de datum van ontvangst van dat verslag, [3 ...]3.
§ 4. De inspectiedienst bedoeld in lid 1 wordt belast met de taken met betrekking tot het beoordelen van de pedagogische vaardigheden van een [3 het multidisciplinair team van het PMS-centrum]3.
De Regering bepaalt de nadere regels en de algemene methodologie op basis waarvan de taken bedoeld in lid 1 worden uitgevoerd, met dien verstande dat het recht om het standpunt van betrokkenen te laten gelden, wordt gewaarborgd.
De in lid 1 bedoelde taken worden uitgevoerd na een met redenen omkleed verzoek van de directeur van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde psychisch-medisch-sociaal centrum of de betrokken inrichtende macht van het gesubsidieerde psychisch-medisch-sociaal centrum, gericht aan de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem.
De ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem stemt, na analyse van het in lid 3 bedoelde verzoek, al dan niet in met de uitvoering van de taak en maakt zijn beslissing over aan de directeur van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde psychisch-medisch-sociaal centrum of aan de betrokken inrichtende macht van het gesubsidieerde psychisch-medisch-sociaal centrum.
Voor elke [1 beoordeling van de vakbekwaamheid van een technisch personeelslid]1 taak bedoeld in lid 1 moet, binnen de 15 werkdagen na voltooiing, een uitgebreid verslag worden opgesteld, waarvan het model wordt bepaald door de Regering, op voordracht van de coördinerende inspecteur-generaal. Dit verslag bevat met name inlichtingen en raadgevingen in verband met de vaststellingen gedaan in het kader van deze taak en wordt langs hiërarchische weg overgemaakt aan de door de Regering aangestelde ambtenaar-generaal die het op zijn beurt overmaakt aan de directeur van de door de Franse Gemeenschap ingerichte psychisch-medisch-sociaal centrum of aan de inrichtende macht van het betrokken psychisch-medisch-sociaal centrum. Deze laatste legt het voor visum voor aan het personeelslid dat er, in voorkomend geval, zijn eigen opmerkingen aan toevoegt. Het verslag, samen met de eventuele opmerkingen van het personeelslid, wordt vervolgens overgemaakt aan de bevoegde coördinerende inspecteur-generaal, via de door de Regering aangestelde ambtenaar-generaal.
De inrichtende macht van het psychisch-medisch-sociaal centrum of zijn afgevaardigde die geen gevolg wil geven aan een ongunstig verslag dat door een personeelslid van de algemene inspectiedienst wordt opgesteld in uitvoering van een taak bedoeld in lid 1, moet deze beslissing motiveren bij de ambtenaar-generaal bedoeld in lid 5 [3 of zijn afgevaardigde"]3, binnen de maand die volgt op de datum van ontvangst van dat verslag, [3 ...]3.
§ 5. De inspectiedienst bedoeld in lid 1 wordt belast met expertisetaken voor ondersteuning in het kader van:
1° het ontwerpen en ter beschikking stellen aan psychisch-medisch-sociale centra van hulpmiddelen voor observatie en diagnose;
2° het ontwerpen en ter beschikking stellen van hulpmiddelen voor oriëntatie;
3° het opnemen en valoriseren van relevante praktijken van psychisch-medisch-sociale centra tegenover hun taken, met inachtneming van artikel 8.
§ 6. De inspectiedienst bedoeld in paragraaf 1 wordt belast met:
1° het geven van adviezen en formuleren van voorstellen, op eigen initiatief of op aanvraag van de Regering, over alles wat tot hun bevoegdheid behoort;
2° het deelnemen aan werkgroepen, commissies en raden, krachtens de wetten, decreten en verordeningen;
3° het samenwerken met de inrichtingen voor hoger onderwijs belast met de initiële opleiding van lesgevers en medewerkers van psychisch-medisch-sociale centra in het kader en volgens de door de Regering bepaalde voorwaarden;
4° het uitvoeren van alle andere taken die aan hen worden toevertrouwd door of krachtens de wetten, decreten en verordeningen;
5° het uitbrengen van een advies over de organismen die die gemachtigd worden tot het uitreiken van het attest voor de toelating in het gespecialiseerd onderwijs.
§ 7. Afhankelijk van de noodwendigheden worden de taken bedoeld in onderhavig artikel uitgevoerd door een of meer leden van de algemene inspectiedienst.
Deze taken worden uitgevoerd op aanvullende wijze, op voorwaarde dat een audit nooit in een psychisch-medisch-sociaal centrum mag worden uitgevoerd tegelijkertijd met een [3 onderzoekstaak, een]3 evaluatietaak, een specifieke [1 ...]1 toezichthoudende taak of een taak die betrekking heeft op de beoordeling van de pedagogische vaardigheden van een technisch personeelslid.
Met inachtneming van de eigen methodologie en doelstellingen en met inachtneming van het mandaat op basis waarvan de taken worden uitgevoerd, hebben de leden van de algemene inspectiedienst, voor de taken bedoeld in lid 1, 2, 3 en 4 [3 en artikel 7/1]3, toegang tot de kwantitatieve en kwalitatieve gegevens van het centrum, met name die in verband met het bijdragen aan redelijke aanpassingen, met de overstap naar gespecialiseerd onderwijs en met de integratie. Ze kunnen hun beoordelingen baseren op feiten die inzonderheid werden vastgesteld naar aanleiding van de begeleiding van activiteiten, door het onderzoeken van dossiers [3 , door het ondervragen van het personeel van de PMS-centra]3 en door het analyseren van de hiervoor genoemde gegevens.
De Regering bepaalt de algemene methodologie op basis waarvan de in lid 1 bedoelde taken worden uitgevoerd.
Voor elke audit legt de cel voor coördinatiebemiddeling het bereik en de grenzen van het aan de algemene inspectiedienst toegekende mandaat vast voor de behoeften van de taak. De coördinerende inspecteur-generaal bepaalt, in overleg met de cel voor coördinatiebemiddeling, de inrichting en de specifieke methodologie op basis waarvan de taak wordt uitgevoerd.
Voor elke audit moet, binnen de 15 werkdagen na voltooiing, een diagnose worden opgesteld, die is opgenomen in een verslag waarvan het model wordt bepaald door de Regering, op voordracht van de coördinerende inspecteur-generaal, en bedoeld voor de cel voor coördinatiebemiddeling alsook de gecontroleerde inrichting. In dit kader handelt de algemene inspectiedienst via aanbevelingen.
Indien, in het kader van het mandaat van een audit, een ernstige tekortkoming wordt vastgesteld, die aanleiding zou geven tot een taak bedoeld in lid 3, moet dit worden vermeld in het in lid 3 genoemde verslag. Hierover kan een apart verslag worden opgemaakt, dat onmiddellijk, langs hiërarchische weg, wordt overgemaakt aan de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem.
§ 2. De inspectiedienst bedoeld in lid 1 wordt belast met de evaluatietaken die betrekking hebben op de uitvoering van de taken toegekend aan de psychisch-medisch-sociale centra en de naleving van de wettelijke en deontologische verplichtingen.
De Regering bepaalt de nadere regels op basis waarvan de in lid 1 bedoelde taken worden uitgevoerd.
De in lid 1 bedoelde taken worden uitgevoerd op vraag van de Regering, eventueel geformuleerd op voordracht van de algemene inspectiedienst, via de cel voor coördinatiebemiddeling.
Voor elke evaluatietaak legt de cel voor coördinatiebemiddeling het bereik en de grenzen van het aan de algemene inspectiedienst toegekende mandaat vast voor de behoeften van de taak. De coördinerende inspecteur-generaal bepaalt, in overleg met de cel voor coördinatiebemiddeling, de inrichting en de specifieke methodologie op basis waarvan de taak wordt uitgevoerd.
Voor elke evaluatietaak moet, binnen de 30 werkdagen na voltooiing, een uitgebreid verslag worden opgesteld, waarvan het model wordt bepaald door de Regering, op voordracht van de coördinerende inspecteur-generaal, en bedoeld voor [3 de Regering via]3 de cel voor coördinatiebemiddeling. In dit kader handelt de algemene inspectiedienst via aanbevelingen.
Indien, in het kader van het mandaat van een evaluatietaak, een ernstige tekortkoming wordt vastgesteld, die aanleiding zou geven tot een taak bedoeld in lid 3, moet dit worden vermeld in het in lid 5 genoemde verslag. Hierover kan een apart verslag worden opgemaakt, dat onmiddellijk, langs hiërarchische weg, wordt overgemaakt aan de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem.
§ 3. De inspectiediensten bedoeld in lid 1 worden belast met de specifieke [1 ...]1 toezichthoudende taken met betrekking tot een of meer ernstige tekortkomingen, vermeld in het verslag opgesteld in het kader van een in lid 1 of 2 [3 of artikel 7/1]3 bedoelde taak of op vraag van de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie van verplicht onderwijs.
De volgende vastgestelde of opgegeven tekortkomingen zijn, in de zin van lid 1 ernstige tekortkomingen:
1° de naleving van de wettelijke verplichtingen en de deontologische regels;
2° de geschiktheid van het materiaal aan de behoeften van de taken van de centra;
3° de samenhang van de praktijken, met inbegrip van de evaluatiepraktijken;
4° de segregatiemechanismen, met inbegrip van het niet-detecteren van deze mechanismen;
5° de naleving van de neutraliteit, waar die neutraliteit verplicht is;
6° de naleving van de decreetvoorschriften inzake [2 voortgezette beroepsopleiding]2.
In het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs wordt de taak bedoeld in lid 1 uitgeoefend in het kader van het toezicht op de voorwaarden voor de toekenning van de subsidies, zoals bepaald in [3 artikel 1.7.3-1, § 2 ]3 artikel 24,[3 ...]3, en § 2bis, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving [3 en in artikels 13, 21 tot 53 van het organiek koninklijk besluit betreffende de PMS-centra van 13 augustus 1962]3.
De Regering bepaalt de nadere regels en de algemene methodologie op basis waarvan de taken bedoeld in lid 1 worden uitgevoerd, met dien verstande dat het recht om het standpunt van betrokkenen te laten gelden, wordt gewaarborgd.
De in lid 1 bedoelde taken worden uitgevoerd op vraag van de Regering of de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie van verplicht onderwijs of de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem.
Voor elke in lid 1 bedoelde taak, bepaalt de cel voor coördinatiebemiddeling, in voorkomend geval uitgebreid met de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie van verplicht onderwijs de omvang en de grenzen van het aan de Algemene Inspectiedienst toegekende mandaat voor de behoeften van de taak. De coördinerende inspecteur-generaal bepaalt, in overleg met de cel voor coördinatiebemiddeling inrichting en de specifieke methodologie op basis waarvan de taak wordt uitgevoerd.
Voor elke specifieke [1 ...]1 toezichthoudende taak bedoeld in lid 1 moet, binnen de 15 werkdagen na voltooiing, een uitgebreid verslag worden opgesteld, waarvan het model wordt bepaald door de Regering, op voordracht van de coördinerende inspecteur-generaal. Dit verslag bevat met name inlichtingen en raadgevingen in verband met de vaststellingen gedaan in het kader van deze taak en wordt langs hiërarchische weg overgemaakt aan de door de Regering aangestelde ambtenaar-generaal en aan de betrokken inrichtende macht.
De inrichtende macht die geen gevolg wil geven aan een ongunstig verslag dat door een personeelslid van de algemene inspectiedienst wordt opgesteld in uitvoering van een taak bedoeld in lid 1, moet deze beslissing motiveren bij de ambtenaar-generaal bedoeld in lid 7 [3 of zijn afgevaardigde]3, binnen de maand die volgt op de datum van ontvangst van dat verslag, [3 ...]3.
§ 4. De inspectiedienst bedoeld in lid 1 wordt belast met de taken met betrekking tot het beoordelen van de pedagogische vaardigheden van een [3 het multidisciplinair team van het PMS-centrum]3.
De Regering bepaalt de nadere regels en de algemene methodologie op basis waarvan de taken bedoeld in lid 1 worden uitgevoerd, met dien verstande dat het recht om het standpunt van betrokkenen te laten gelden, wordt gewaarborgd.
De in lid 1 bedoelde taken worden uitgevoerd na een met redenen omkleed verzoek van de directeur van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde psychisch-medisch-sociaal centrum of de betrokken inrichtende macht van het gesubsidieerde psychisch-medisch-sociaal centrum, gericht aan de ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem.
De ambtenaar-generaal belast met de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem stemt, na analyse van het in lid 3 bedoelde verzoek, al dan niet in met de uitvoering van de taak en maakt zijn beslissing over aan de directeur van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde psychisch-medisch-sociaal centrum of aan de betrokken inrichtende macht van het gesubsidieerde psychisch-medisch-sociaal centrum.
Voor elke [1 beoordeling van de vakbekwaamheid van een technisch personeelslid]1 taak bedoeld in lid 1 moet, binnen de 15 werkdagen na voltooiing, een uitgebreid verslag worden opgesteld, waarvan het model wordt bepaald door de Regering, op voordracht van de coördinerende inspecteur-generaal. Dit verslag bevat met name inlichtingen en raadgevingen in verband met de vaststellingen gedaan in het kader van deze taak en wordt langs hiërarchische weg overgemaakt aan de door de Regering aangestelde ambtenaar-generaal die het op zijn beurt overmaakt aan de directeur van de door de Franse Gemeenschap ingerichte psychisch-medisch-sociaal centrum of aan de inrichtende macht van het betrokken psychisch-medisch-sociaal centrum. Deze laatste legt het voor visum voor aan het personeelslid dat er, in voorkomend geval, zijn eigen opmerkingen aan toevoegt. Het verslag, samen met de eventuele opmerkingen van het personeelslid, wordt vervolgens overgemaakt aan de bevoegde coördinerende inspecteur-generaal, via de door de Regering aangestelde ambtenaar-generaal.
De inrichtende macht van het psychisch-medisch-sociaal centrum of zijn afgevaardigde die geen gevolg wil geven aan een ongunstig verslag dat door een personeelslid van de algemene inspectiedienst wordt opgesteld in uitvoering van een taak bedoeld in lid 1, moet deze beslissing motiveren bij de ambtenaar-generaal bedoeld in lid 5 [3 of zijn afgevaardigde"]3, binnen de maand die volgt op de datum van ontvangst van dat verslag, [3 ...]3.
§ 5. De inspectiedienst bedoeld in lid 1 wordt belast met expertisetaken voor ondersteuning in het kader van:
1° het ontwerpen en ter beschikking stellen aan psychisch-medisch-sociale centra van hulpmiddelen voor observatie en diagnose;
2° het ontwerpen en ter beschikking stellen van hulpmiddelen voor oriëntatie;
3° het opnemen en valoriseren van relevante praktijken van psychisch-medisch-sociale centra tegenover hun taken, met inachtneming van artikel 8.
§ 6. De inspectiedienst bedoeld in paragraaf 1 wordt belast met:
1° het geven van adviezen en formuleren van voorstellen, op eigen initiatief of op aanvraag van de Regering, over alles wat tot hun bevoegdheid behoort;
2° het deelnemen aan werkgroepen, commissies en raden, krachtens de wetten, decreten en verordeningen;
3° het samenwerken met de inrichtingen voor hoger onderwijs belast met de initiële opleiding van lesgevers en medewerkers van psychisch-medisch-sociale centra in het kader en volgens de door de Regering bepaalde voorwaarden;
4° het uitvoeren van alle andere taken die aan hen worden toevertrouwd door of krachtens de wetten, decreten en verordeningen;
5° het uitbrengen van een advies over de organismen die die gemachtigd worden tot het uitreiken van het attest voor de toelating in het gespecialiseerd onderwijs.
§ 7. Afhankelijk van de noodwendigheden worden de taken bedoeld in onderhavig artikel uitgevoerd door een of meer leden van de algemene inspectiedienst.
Deze taken worden uitgevoerd op aanvullende wijze, op voorwaarde dat een audit nooit in een psychisch-medisch-sociaal centrum mag worden uitgevoerd tegelijkertijd met een [3 onderzoekstaak, een]3 evaluatietaak, een specifieke [1 ...]1 toezichthoudende taak of een taak die betrekking heeft op de beoordeling van de pedagogische vaardigheden van een technisch personeelslid.
Met inachtneming van de eigen methodologie en doelstellingen en met inachtneming van het mandaat op basis waarvan de taken worden uitgevoerd, hebben de leden van de algemene inspectiedienst, voor de taken bedoeld in lid 1, 2, 3 en 4 [3 en artikel 7/1]3, toegang tot de kwantitatieve en kwalitatieve gegevens van het centrum, met name die in verband met het bijdragen aan redelijke aanpassingen, met de overstap naar gespecialiseerd onderwijs en met de integratie. Ze kunnen hun beoordelingen baseren op feiten die inzonderheid werden vastgesteld naar aanleiding van de begeleiding van activiteiten, door het onderzoeken van dossiers [3 , door het ondervragen van het personeel van de PMS-centra]3 en door het analyseren van de hiervoor genoemde gegevens.
Art. 7. § 1er. Dans le cadre de ses compétences relatives aux Centres psycho-médico-sociaux, le Service de l'Inspection visé à l'article 3, alinéa 3, 5°, est chargé de missions d'audit portant sur les centres psycho-médico-sociaux pour lesquels la Cellule intermédiaire de coordination valide la demande d'audit formulée par les Services du Gouvernement ou par le pouvoir organisateur concerné sur la base de la mise en oeuvre des missions générales et prioritaires définies par le Gouvernement en vertu des lois, décrets et règlements relatifs aux centres psycho-médico-sociaux.
Le Gouvernement précise la méthodologie générale sur la base de laquelle les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées.
Avant toute mission d'audit, la Cellule intermédiaire de coordination fixe la portée et les limites du mandat confié au Service général de l'Inspection pour les besoins de la mission. L'Inspecteur général coordonnateur, en concertation avec la Cellule intermédiaire de coordination, détermine le dispositif et la méthodologie spécifique sur la base desquels la mission est réalisée.
Toute mission d'audit donne lieu, dans les quinze jours ouvrables suivant sa clôture, à l'établissement d'un diagnostic, repris dans un rapport dont le modèle est défini par le Gouvernement, sur proposition de l'Inspecteur général coordonnateur, et destiné à la Cellule intermédiaire de coordination ainsi qu'à l'établissement audité. Dans ce cadre, le Service général de l'Inspection agit par voie de recommandations.
Si, dans le cadre du mandat d'une mission d'audit, un manquement substantiel présumé est relevé, qui serait susceptible de donner lieu à une mission visée au paragraphe 3, le rapport visé à l'alinéa 3 en fait mention. Il peut faire l'objet d'un rapport distinct, transmis immédiatement, par la voie hiérarchique, au fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
§ 2. Le Service de l'Inspection visé au paragraphe 1er est chargé de missions d'évaluation portant sur l'exécution des missions assignées aux centres psycho-médico-sociaux et le respect des obligations légales et déontologiques.
Le Gouvernement précise les modalités sur la base desquelles les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées.
Les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées à la demande du Gouvernement, formulée éventuellement sur la proposition du Service général de l'Inspection, par la voie de la Cellule intermédiaire de coordination.
Avant toute mission d'évaluation, la Cellule intermédiaire de coordination fixe la portée et les limites du mandat confié au Service général de l'Inspection pour les besoins de la mission. L'Inspecteur général coordonnateur, en concertation avec la Cellule intermédiaire de coordination, détermine le dispositif et la méthodologie spécifique sur la base desquels la mission est réalisée.
Toute mission d'évaluation donne lieu, dans les trente jours ouvrables suivant sa clôture, à l'établissement d'un rapport circonstancié dont le modèle est défini par le Gouvernement, sur proposition de l'Inspecteur général coordonnateur, et destiné [3 au Gouvernement via ]3 la Cellule intermédiaire de coordination. Dans ce cadre, le Service général de l'Inspection agit par voie de recommandations.
Si, dans le cadre du mandat d'une mission d'évaluation, un manquement substantiel présumé est relevé, qui serait susceptible de donner lieu à une mission visée au paragraphe 3, le rapport visé à l'alinéa 5 en fait mention. Il peut faire l'objet d'un rapport distinct, transmis immédiatement, par la voie hiérarchique, au fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
§ 3. Le Service de l'Inspection visé au paragraphe 1er est chargé de missions [1 ...]1 de contrôle spécifiques portant sur un ou plusieurs manquements substantiels mentionnés dans le rapport rédigé dans le cadre d'une mission visée aux paragraphes 1er et 2 [3 ou à l'article 7/1]3 ou à la demande du fonctionnaire général en charge de la Direction générale de l'Enseignement obligatoire.
Sont substantiels au sens de l'alinéa 1er les manquements constatés ou dénoncés relativement aux aspects suivants:
1° le respect des obligations légales et des règles déontologiques;
2° l'adéquation de l'équipement aux nécessités de la poursuite des missions des centres;
3° la cohérence des pratiques, en ce compris les pratiques d'évaluation;
4° les mécanismes de ségrégation en ce compris le défaut de détection de ces mécanismes;
5° le respect de la neutralité, là où cette neutralité s'impose;
6° le respect du prescrit décrétal en matière de [2 formation professionnelle continue]2.
Dans l'enseignement subventionné par la Communauté française, la mission visée à l'alinéa 1er participe du contrôle des conditions d'octroi des subventions, tel que prévu à [3 l'article 1.7.3-1, § 2, du Code, ]3 l'article 24,[3 ...]3 § 2bis, de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de l'enseignement [3 et aux articles 13, 21 à 53 de l'arrêté royal organique des centres psycho-médico-sociaux du 13 août 1962 ]3.
Le Gouvernement précise les modalités et la méthodologie générale sur la base desquelles les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées, en veillant notamment à ce que le droit à faire valoir le point de vue des intéressés soit garanti.
Les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées à la demande du Gouvernement ou du fonctionnaire général en charge de la Direction générale de l'Enseignement obligatoire ou du fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
Avant toute mission visée à l'alinéa 1er, la cellule intermédiaire de coordination, le cas échéant élargie au fonctionnaire général en charge de la Direction générale de l'Enseignement obligatoire fixe la portée et les limites du mandat confié au Service général de l'Inspection pour les besoins de la mission. L'Inspecteur général coordonnateur, en concertation avec la cellule intermédiaire de coordination détermine le dispositif et la méthodologie spécifique sur la base desquels la mission est réalisée.
Toute mission [1 ...]1 de contrôle spécifique visée à l'alinéa 1er donne lieu, dans les quinze jours ouvrables suivant sa clôture, à l'établissement d'un rapport circonstancié dont le modèle est défini par le Gouvernement, sur la proposition de l'Inspecteur général coordonnateur. Ce rapport, qui comprend notamment des informations et recommandations en lien avec les constats posés dans le cadre de cette mission, est transmis par la voie hiérarchique au fonctionnaire général désigné par le Gouvernement et au pouvoir organisateur concerné.
Le pouvoir organisateur qui n'envisage pas de réserver de suites à un rapport défavorable rédigé par un membre du personnel du Service général de l'Inspection en exécution d'une mission visée à l'alinéa 1er motive cette décision auprès du fonctionnaire général visé à l'alinéa 7 [3 ou son délégué]3, dans le mois qui suit la date de réception dudit rapport, [3 ...]3
§ 4. Le Service de l'Inspection visé au paragraphe 1er est chargé de missions portant sur l'appréciation de l'aptitude professionnelle [3 de l'équipe pluridisciplinaire du Centre PMS ]3.
Le Gouvernement précise les modalités et la méthodologie générale sur la base desquelles les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées, en veillant notamment à ce que le droit à faire valoir le point de vue des intéressés soit garanti.
Les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées à la demande motivée du directeur du Centre psycho-médico-social organisé par la Communauté française ou du pouvoir organisateur concerné du Centre psycho-médico-social subventionné, adressée au fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
Le fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif, après analyse de la demande visée à l'alinéa 3, marque ou non son accord sur l'exécution de la mission et signifie sa décision au directeur du Centre psycho-médico-social organisé par la Communauté française ou au pouvoir organisateur du Centre psycho-médico-social concerné.
Toute mission [1 portant sur l'appréciation de l'aptitude professionnelle d'un membre du personnel technique]1 visée à l'alinéa 1er donne lieu, dans les quinze jours ouvrables suivant sa clôture, à l'établissement d'un rapport circonstancié dont le modèle est défini par le Gouvernement, sur la proposition de l'Inspecteur général coordonnateur. Ce rapport, qui comprend, notamment, des informations et recommandations en lien avec les constats posés dans le cadre de cette mission, est transmis par la voie hiérarchique au fonctionnaire général désigné par le Gouvernement qui le fait parvenir au directeur du Centre psycho-médico-social organisé par la Communauté française ou au pouvoir organisateur du Centre psycho-médico-social concerné. Ce dernier le soumet au visa du membre du personnel qui, le cas échéant, y joint ses observations. Le rapport, accompagné d'éventuelles observations du membre du personnel, est ensuite transmis à l'Inspecteur général coordonnateur, via le fonctionnaire général désigné par le Gouvernement.
Le pouvoir organisateur du Centre psycho-médico-social ou son délégué qui n'envisage pas de réserver de suites à un rapport défavorable rédigé par un membre du personnel du Service général de l'Inspection en exécution d'une mission visée à l'alinéa 1er motive cette décision auprès du fonctionnaire général visé à l'alinéa 5 [3 ou son délégué ]3 dans le mois qui suit la date de réception dudit rapport, via le fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
§ 5. Le Service de l'Inspection visé au paragraphe 1er est chargé de missions d'expertise à des fins d'appui dans le cadre de:
1° la conception et la mise à la disposition des centres psycho-médico-sociaux d'outils d'observation et de diagnostic;
2° la conception et la mise à disposition d'outils d'orientation;
3° le recueil et la valorisation des pratiques pertinentes des centres psycho-médico-sociaux par rapport à leurs missions, dans le respect de l'article 8.
§ 6. Le Service de l'Inspection visé au paragraphe 1er est chargé:
1° de donner des avis et de formuler des propositions, d'initiative ou à la demande du Gouvernement, sur tout ce qui relève de sa compétence;
2° de participer aux groupes de travail, commissions et conseils, en vertu des lois, décrets et règlements;
3° de collaborer avec les établissements d'enseignement supérieur en charge de la formation initiale des enseignants et des agents des Centres psycho-médico-sociaux dans le cadre et selon les conditions fixés par le Gouvernement;
4° d'exercer toutes autres tâches qui lui sont confiées par ou en vertu des lois, décrets et règlements;
5° de remettre un avis sur les organismes habilités à délivrer l'attestation d'admission dans l'enseignement spécialisé.
§ 7. Selon les besoins, les missions visées au présent article sont effectuées par un ou plusieurs membres du Service général de l'Inspection.
Ces missions sont assurées de manière complémentaire, pour autant qu'une [3 mission d'investigation, une]3 mission d'audit ne soit jamais menée au sein d'un centre psycho-médico-social en même temps qu'une mission d'évaluation, une mission [1 ...]1 de contrôle spécifique ou une mission portant sur l'appréciation de l'aptitude professionnelle d'un membre du personnel technique.
Dans le respect de la méthodologie et des objectifs qui leur sont propres, et dans le respect du mandat sur la base duquel elles sont exécutées, pour les missions visées aux paragraphes 1er, 2, 3 et 4 [3 et à l'article 7/1]3, les membres du Service général de l'Inspection ont accès aux données quantitatives et qualitatives du centre, notamment celles relatives à la contribution à la mise en place d'aménagements raisonnables, à l'orientation vers l'enseignement spécialisé et à l'intégration. Ils peuvent fonder leurs appréciations sur des faits prélevés notamment en assistant à des activités, en examinant des dossiers [3 , en interrogeant les membres du personnel des Centres PMS ]3 et en analysant les données précitées.
Le Gouvernement précise la méthodologie générale sur la base de laquelle les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées.
Avant toute mission d'audit, la Cellule intermédiaire de coordination fixe la portée et les limites du mandat confié au Service général de l'Inspection pour les besoins de la mission. L'Inspecteur général coordonnateur, en concertation avec la Cellule intermédiaire de coordination, détermine le dispositif et la méthodologie spécifique sur la base desquels la mission est réalisée.
Toute mission d'audit donne lieu, dans les quinze jours ouvrables suivant sa clôture, à l'établissement d'un diagnostic, repris dans un rapport dont le modèle est défini par le Gouvernement, sur proposition de l'Inspecteur général coordonnateur, et destiné à la Cellule intermédiaire de coordination ainsi qu'à l'établissement audité. Dans ce cadre, le Service général de l'Inspection agit par voie de recommandations.
Si, dans le cadre du mandat d'une mission d'audit, un manquement substantiel présumé est relevé, qui serait susceptible de donner lieu à une mission visée au paragraphe 3, le rapport visé à l'alinéa 3 en fait mention. Il peut faire l'objet d'un rapport distinct, transmis immédiatement, par la voie hiérarchique, au fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
§ 2. Le Service de l'Inspection visé au paragraphe 1er est chargé de missions d'évaluation portant sur l'exécution des missions assignées aux centres psycho-médico-sociaux et le respect des obligations légales et déontologiques.
Le Gouvernement précise les modalités sur la base desquelles les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées.
Les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées à la demande du Gouvernement, formulée éventuellement sur la proposition du Service général de l'Inspection, par la voie de la Cellule intermédiaire de coordination.
Avant toute mission d'évaluation, la Cellule intermédiaire de coordination fixe la portée et les limites du mandat confié au Service général de l'Inspection pour les besoins de la mission. L'Inspecteur général coordonnateur, en concertation avec la Cellule intermédiaire de coordination, détermine le dispositif et la méthodologie spécifique sur la base desquels la mission est réalisée.
Toute mission d'évaluation donne lieu, dans les trente jours ouvrables suivant sa clôture, à l'établissement d'un rapport circonstancié dont le modèle est défini par le Gouvernement, sur proposition de l'Inspecteur général coordonnateur, et destiné [3 au Gouvernement via ]3 la Cellule intermédiaire de coordination. Dans ce cadre, le Service général de l'Inspection agit par voie de recommandations.
Si, dans le cadre du mandat d'une mission d'évaluation, un manquement substantiel présumé est relevé, qui serait susceptible de donner lieu à une mission visée au paragraphe 3, le rapport visé à l'alinéa 5 en fait mention. Il peut faire l'objet d'un rapport distinct, transmis immédiatement, par la voie hiérarchique, au fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
§ 3. Le Service de l'Inspection visé au paragraphe 1er est chargé de missions [1 ...]1 de contrôle spécifiques portant sur un ou plusieurs manquements substantiels mentionnés dans le rapport rédigé dans le cadre d'une mission visée aux paragraphes 1er et 2 [3 ou à l'article 7/1]3 ou à la demande du fonctionnaire général en charge de la Direction générale de l'Enseignement obligatoire.
Sont substantiels au sens de l'alinéa 1er les manquements constatés ou dénoncés relativement aux aspects suivants:
1° le respect des obligations légales et des règles déontologiques;
2° l'adéquation de l'équipement aux nécessités de la poursuite des missions des centres;
3° la cohérence des pratiques, en ce compris les pratiques d'évaluation;
4° les mécanismes de ségrégation en ce compris le défaut de détection de ces mécanismes;
5° le respect de la neutralité, là où cette neutralité s'impose;
6° le respect du prescrit décrétal en matière de [2 formation professionnelle continue]2.
Dans l'enseignement subventionné par la Communauté française, la mission visée à l'alinéa 1er participe du contrôle des conditions d'octroi des subventions, tel que prévu à [3 l'article 1.7.3-1, § 2, du Code, ]3 l'article 24,[3 ...]3 § 2bis, de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de l'enseignement [3 et aux articles 13, 21 à 53 de l'arrêté royal organique des centres psycho-médico-sociaux du 13 août 1962 ]3.
Le Gouvernement précise les modalités et la méthodologie générale sur la base desquelles les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées, en veillant notamment à ce que le droit à faire valoir le point de vue des intéressés soit garanti.
Les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées à la demande du Gouvernement ou du fonctionnaire général en charge de la Direction générale de l'Enseignement obligatoire ou du fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
Avant toute mission visée à l'alinéa 1er, la cellule intermédiaire de coordination, le cas échéant élargie au fonctionnaire général en charge de la Direction générale de l'Enseignement obligatoire fixe la portée et les limites du mandat confié au Service général de l'Inspection pour les besoins de la mission. L'Inspecteur général coordonnateur, en concertation avec la cellule intermédiaire de coordination détermine le dispositif et la méthodologie spécifique sur la base desquels la mission est réalisée.
Toute mission [1 ...]1 de contrôle spécifique visée à l'alinéa 1er donne lieu, dans les quinze jours ouvrables suivant sa clôture, à l'établissement d'un rapport circonstancié dont le modèle est défini par le Gouvernement, sur la proposition de l'Inspecteur général coordonnateur. Ce rapport, qui comprend notamment des informations et recommandations en lien avec les constats posés dans le cadre de cette mission, est transmis par la voie hiérarchique au fonctionnaire général désigné par le Gouvernement et au pouvoir organisateur concerné.
Le pouvoir organisateur qui n'envisage pas de réserver de suites à un rapport défavorable rédigé par un membre du personnel du Service général de l'Inspection en exécution d'une mission visée à l'alinéa 1er motive cette décision auprès du fonctionnaire général visé à l'alinéa 7 [3 ou son délégué]3, dans le mois qui suit la date de réception dudit rapport, [3 ...]3
§ 4. Le Service de l'Inspection visé au paragraphe 1er est chargé de missions portant sur l'appréciation de l'aptitude professionnelle [3 de l'équipe pluridisciplinaire du Centre PMS ]3.
Le Gouvernement précise les modalités et la méthodologie générale sur la base desquelles les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées, en veillant notamment à ce que le droit à faire valoir le point de vue des intéressés soit garanti.
Les missions visées à l'alinéa 1er sont exécutées à la demande motivée du directeur du Centre psycho-médico-social organisé par la Communauté française ou du pouvoir organisateur concerné du Centre psycho-médico-social subventionné, adressée au fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
Le fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif, après analyse de la demande visée à l'alinéa 3, marque ou non son accord sur l'exécution de la mission et signifie sa décision au directeur du Centre psycho-médico-social organisé par la Communauté française ou au pouvoir organisateur du Centre psycho-médico-social concerné.
Toute mission [1 portant sur l'appréciation de l'aptitude professionnelle d'un membre du personnel technique]1 visée à l'alinéa 1er donne lieu, dans les quinze jours ouvrables suivant sa clôture, à l'établissement d'un rapport circonstancié dont le modèle est défini par le Gouvernement, sur la proposition de l'Inspecteur général coordonnateur. Ce rapport, qui comprend, notamment, des informations et recommandations en lien avec les constats posés dans le cadre de cette mission, est transmis par la voie hiérarchique au fonctionnaire général désigné par le Gouvernement qui le fait parvenir au directeur du Centre psycho-médico-social organisé par la Communauté française ou au pouvoir organisateur du Centre psycho-médico-social concerné. Ce dernier le soumet au visa du membre du personnel qui, le cas échéant, y joint ses observations. Le rapport, accompagné d'éventuelles observations du membre du personnel, est ensuite transmis à l'Inspecteur général coordonnateur, via le fonctionnaire général désigné par le Gouvernement.
Le pouvoir organisateur du Centre psycho-médico-social ou son délégué qui n'envisage pas de réserver de suites à un rapport défavorable rédigé par un membre du personnel du Service général de l'Inspection en exécution d'une mission visée à l'alinéa 1er motive cette décision auprès du fonctionnaire général visé à l'alinéa 5 [3 ou son délégué ]3 dans le mois qui suit la date de réception dudit rapport, via le fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif.
§ 5. Le Service de l'Inspection visé au paragraphe 1er est chargé de missions d'expertise à des fins d'appui dans le cadre de:
1° la conception et la mise à la disposition des centres psycho-médico-sociaux d'outils d'observation et de diagnostic;
2° la conception et la mise à disposition d'outils d'orientation;
3° le recueil et la valorisation des pratiques pertinentes des centres psycho-médico-sociaux par rapport à leurs missions, dans le respect de l'article 8.
§ 6. Le Service de l'Inspection visé au paragraphe 1er est chargé:
1° de donner des avis et de formuler des propositions, d'initiative ou à la demande du Gouvernement, sur tout ce qui relève de sa compétence;
2° de participer aux groupes de travail, commissions et conseils, en vertu des lois, décrets et règlements;
3° de collaborer avec les établissements d'enseignement supérieur en charge de la formation initiale des enseignants et des agents des Centres psycho-médico-sociaux dans le cadre et selon les conditions fixés par le Gouvernement;
4° d'exercer toutes autres tâches qui lui sont confiées par ou en vertu des lois, décrets et règlements;
5° de remettre un avis sur les organismes habilités à délivrer l'attestation d'admission dans l'enseignement spécialisé.
§ 7. Selon les besoins, les missions visées au présent article sont effectuées par un ou plusieurs membres du Service général de l'Inspection.
Ces missions sont assurées de manière complémentaire, pour autant qu'une [3 mission d'investigation, une]3 mission d'audit ne soit jamais menée au sein d'un centre psycho-médico-social en même temps qu'une mission d'évaluation, une mission [1 ...]1 de contrôle spécifique ou une mission portant sur l'appréciation de l'aptitude professionnelle d'un membre du personnel technique.
Dans le respect de la méthodologie et des objectifs qui leur sont propres, et dans le respect du mandat sur la base duquel elles sont exécutées, pour les missions visées aux paragraphes 1er, 2, 3 et 4 [3 et à l'article 7/1]3, les membres du Service général de l'Inspection ont accès aux données quantitatives et qualitatives du centre, notamment celles relatives à la contribution à la mise en place d'aménagements raisonnables, à l'orientation vers l'enseignement spécialisé et à l'intégration. Ils peuvent fonder leurs appréciations sur des faits prélevés notamment en assistant à des activités, en examinant des dossiers [3 , en interrogeant les membres du personnel des Centres PMS ]3 et en analysant les données précitées.
Art.7/1.[1 § 1. De inspectiediensten zijn, elk voor wat hem aanbelangt of in onderlinge samenwerking, belast met onderzoeksopdrachten in één of meer scholen van leerplicht of instelling(en) van sociale promotie of van secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan of psycho-medico-sociaal centrum (centra) [2 of territoriaal cluster of territoriale clusters]2 of in het afstandsonderwijs van de Franse Gemeenschap in e-learning.
Deze opdrachten worden uitgevoerd op verzoek van de regering of van de algemene ambtenaar belast met de Algemene Directie Leerplichtonderwijs of van de algemene ambtenaar belast met de Algemene Directie Hoger Onderwijs, Levenslang Leren en Wetenschappelijk Onderzoek of van de algemene ambtenaar belast met de Algemene Directie Sturing van het Onderwijsstelsel of van hun afgevaardigde, op basis van een klacht of op hun eigen initiatief.
Voorafgaand aan elke in het eerste lid bedoelde opdracht bepaalt de bemiddelende coördinatie-eenheid, zo nodig uitgebreid met de algemeen ambtenaar belast met de Algemene directie Leerplichtonderwijs of de algemeen ambtenaar belast met de Algemene directie Hoger onderwijs, levenslang leren en Wetenschappelijk Onderzoek, dan wel hun vertegenwoordiger, de draagwijdte en de beperkingen van het mandaat dat met het oog op de opdracht aan de Algemene Inspectiedienst wordt toevertrouwd.
Een onderzoeksopdracht bestaat uit een onderzoeksopdracht of een feitenonderzoek. Een onderzoeksopdracht is een voorlopig onderzoek dat voorafgaat aan een eventuele beslissing om een onderzoek in te stellen. De informatieprocedure kan mondeling worden gevoerd.
De coördinerend inspecteur-generaal wijst de inspecteur(s) aan die verantwoordelijk is (zijn) voor de uitvoering van de onderzoeksopdracht.
§ 2. Indien in het kader van het mandaat van een onderzoeksopdracht een vermeende substantiële tekortkoming wordt vastgesteld die aanleiding zou kunnen geven tot een opdracht als bedoeld in de [2 artikel 4, paragraaf 3, artikel 4/1, paragraaf 3, artikel 5, paragrafen 4 en 5, artikel 6, paragraaf 2, en artikel 7, paragraaf 3]2, wordt daarvan melding gemaakt in het in § 4 bedoelde verslag. Bovendien wordt hierover een afzonderlijk verslag opgesteld, dat via de hiërarchie onmiddellijk aan de bemiddelende coördinatie-eenheid wordt toegezonden.
§ 3. De regering bepaalt de procedures en de algemene methode op basis waarvan de in het eerste lid bedoelde opdrachten worden uitgevoerd, waarbij zij er in het bijzonder op toeziet dat het recht van de betrokken personen om hun mening te uiten, gewaarborgd is.
De getuigenis van iedere belanghebbende kan door de Algemene Inspectiedienst worden afgenomen.
§ 4. Binnen vijftien werkdagen na afloop van de onderzoeksopdracht stelt (stellen) de betrokken inspecteur(s) op voorstel van de coördinerend inspecteur-generaal een gedetailleerd verslag op, waarvan het model door de regering wordt vastgesteld. In voorkomend geval wordt het ontwerpverslag onmiddellijk voor commentaar toegezonden aan het personeelslid of de vertegenwoordiger van de inrichtende macht aan wie individuele feiten worden ten laste gelegd. Deze beschikt over een termijn van tien werkdagen om zijn opmerkingen te laten gelden.
Het in het eerste lid bedoelde verslag, dat informatie, een advies en aanbevelingen met betrekking tot de bevindingen van de opdracht bevat, wordt vervolgens binnen vijftien werkdagen toegezonden aan de bevoegde inspecteur-generaal of, wat de Service de l'Enseignement de promotion sociale et de l'Enseignement à distance de la Communauté française en e-learning en de Service de l'Enseignement Artistique betreft, aan de coördinerend inspecteur die verantwoordelijk is voor de dienst, alsmede aan de betrokken inrichtende macht. De bevoegde inspecteur-generaal zendt het verslag en zijn advies over het vervolg van de procedure via het hiërarchische kanaal toe aan de algemene ambtenaar die verantwoordelijk is voor de Algemene directie Leerplichtonderwijs of aan de algemene ambtenaar die verantwoordelijk is voor de Algemene directie Hoger onderwijs, levenslang leren en wetenschappelijk onderzoek.
Indien het onderzoek op eigen initiatief is ingesteld, beslist de betrokken algemeen ambtenaar over het daaraan te geven gevolg. Wanneer de onderzoeksopdracht op initiatief van de regering is uitgevoerd, brengt de betrokken algemene ambtenaar advies uit over het in het vorige lid bedoelde verslag en legt hij het dossier om beslissing aan de regering voor. De beslissing wordt ter kennis gebracht van alle belanghebbende partijen.]1
Deze opdrachten worden uitgevoerd op verzoek van de regering of van de algemene ambtenaar belast met de Algemene Directie Leerplichtonderwijs of van de algemene ambtenaar belast met de Algemene Directie Hoger Onderwijs, Levenslang Leren en Wetenschappelijk Onderzoek of van de algemene ambtenaar belast met de Algemene Directie Sturing van het Onderwijsstelsel of van hun afgevaardigde, op basis van een klacht of op hun eigen initiatief.
Voorafgaand aan elke in het eerste lid bedoelde opdracht bepaalt de bemiddelende coördinatie-eenheid, zo nodig uitgebreid met de algemeen ambtenaar belast met de Algemene directie Leerplichtonderwijs of de algemeen ambtenaar belast met de Algemene directie Hoger onderwijs, levenslang leren en Wetenschappelijk Onderzoek, dan wel hun vertegenwoordiger, de draagwijdte en de beperkingen van het mandaat dat met het oog op de opdracht aan de Algemene Inspectiedienst wordt toevertrouwd.
Een onderzoeksopdracht bestaat uit een onderzoeksopdracht of een feitenonderzoek. Een onderzoeksopdracht is een voorlopig onderzoek dat voorafgaat aan een eventuele beslissing om een onderzoek in te stellen. De informatieprocedure kan mondeling worden gevoerd.
De coördinerend inspecteur-generaal wijst de inspecteur(s) aan die verantwoordelijk is (zijn) voor de uitvoering van de onderzoeksopdracht.
§ 2. Indien in het kader van het mandaat van een onderzoeksopdracht een vermeende substantiële tekortkoming wordt vastgesteld die aanleiding zou kunnen geven tot een opdracht als bedoeld in de [2 artikel 4, paragraaf 3, artikel 4/1, paragraaf 3, artikel 5, paragrafen 4 en 5, artikel 6, paragraaf 2, en artikel 7, paragraaf 3]2, wordt daarvan melding gemaakt in het in § 4 bedoelde verslag. Bovendien wordt hierover een afzonderlijk verslag opgesteld, dat via de hiërarchie onmiddellijk aan de bemiddelende coördinatie-eenheid wordt toegezonden.
§ 3. De regering bepaalt de procedures en de algemene methode op basis waarvan de in het eerste lid bedoelde opdrachten worden uitgevoerd, waarbij zij er in het bijzonder op toeziet dat het recht van de betrokken personen om hun mening te uiten, gewaarborgd is.
De getuigenis van iedere belanghebbende kan door de Algemene Inspectiedienst worden afgenomen.
§ 4. Binnen vijftien werkdagen na afloop van de onderzoeksopdracht stelt (stellen) de betrokken inspecteur(s) op voorstel van de coördinerend inspecteur-generaal een gedetailleerd verslag op, waarvan het model door de regering wordt vastgesteld. In voorkomend geval wordt het ontwerpverslag onmiddellijk voor commentaar toegezonden aan het personeelslid of de vertegenwoordiger van de inrichtende macht aan wie individuele feiten worden ten laste gelegd. Deze beschikt over een termijn van tien werkdagen om zijn opmerkingen te laten gelden.
Het in het eerste lid bedoelde verslag, dat informatie, een advies en aanbevelingen met betrekking tot de bevindingen van de opdracht bevat, wordt vervolgens binnen vijftien werkdagen toegezonden aan de bevoegde inspecteur-generaal of, wat de Service de l'Enseignement de promotion sociale et de l'Enseignement à distance de la Communauté française en e-learning en de Service de l'Enseignement Artistique betreft, aan de coördinerend inspecteur die verantwoordelijk is voor de dienst, alsmede aan de betrokken inrichtende macht. De bevoegde inspecteur-generaal zendt het verslag en zijn advies over het vervolg van de procedure via het hiërarchische kanaal toe aan de algemene ambtenaar die verantwoordelijk is voor de Algemene directie Leerplichtonderwijs of aan de algemene ambtenaar die verantwoordelijk is voor de Algemene directie Hoger onderwijs, levenslang leren en wetenschappelijk onderzoek.
Indien het onderzoek op eigen initiatief is ingesteld, beslist de betrokken algemeen ambtenaar over het daaraan te geven gevolg. Wanneer de onderzoeksopdracht op initiatief van de regering is uitgevoerd, brengt de betrokken algemene ambtenaar advies uit over het in het vorige lid bedoelde verslag en legt hij het dossier om beslissing aan de regering voor. De beslissing wordt ter kennis gebracht van alle belanghebbende partijen.]1
Art.7/1.[1 § 1er. Les Services de l'Inspection sont chargés, chacun pour ce qui le concerne ou en collaboration entre eux, de missions d'investigation au sein d'une ou de plusieurs école(s) de l'enseignement obligatoire ou établissement(s) de l'enseignement de promotion sociale ou de l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit ou centre(s) psycho-médico-social(aux)[2 ou pôle(s) territorial(aux) ]2 ou au sein de l'enseignement à distance de la Communauté française en e-learning.
Ces missions sont exécutées à la demande du Gouvernement ou du fonctionnaire général en charge de la Direction générale de l'Enseignement obligatoire ou du fonctionnaire général en charge de la Direction générale de l'Enseignement supérieur, de l'Enseignement tout au long de la vie et de la Recherche scientifique ou du fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif ou leur délégué, sur base d'une réclamation ou d'initiative.
Avant toute mission visée à l'alinéa 1er, la cellule intermédiaire de coordination, le cas échéant élargie au fonctionnaire général en charge de la Direction générale de l'Enseignement obligatoire ou au fonctionnaire général en charge de la Direction générale de l'Enseignement supérieur, de l'Enseignement tout au long de la vie et de la Recherche scientifique, ou leur délégué, fixe la portée et les limites du mandat confié au Service général de l'Inspection pour les besoins de la mission.
Une mission d'investigation consiste en une mission d'information ou une mission d'enquête. Une mission d'information constitue une recherche préliminaire à la décision éventuelle d'une ouverture d'enquête. La procédure d'information peut être menée oralement.
L'Inspecteur général coordonnateur désigne le (les) inspecteur(s) chargé(s) de l'exécution de la mission d'investigation.
§ 2. Si, dans le cadre du mandat d'une mission d'enquête, un manquement substantiel présumé est relevé, qui serait susceptible de donner lieu à une mission visée [2 aux articles 4, § 3, 4/1, § 3, 5, §§ 4 et 5, 6, § 2, et 7, § 3 ]2, le rapport visé au § 4 en fait mention. Par ailleurs, il fait l'objet d'un rapport distinct, transmis immédiatement, par la voie hiérarchique, à la cellule intermédiaire de coordination.
§ 3. Le Gouvernement précise les modalités et la méthodologie générale sur base desquelles les missions visées au paragraphe 1er sont exécutées, en veillant notamment à ce que le droit à faire valoir le point de vue des intéressés soit garanti.
Le témoignage de toute personne intéressée peut être recueilli par le Service général de l'Inspection.
§ 4. Dans les quinze jours ouvrables suivant la clôture de la mission d'investigation, l(es)'inspecteur(s) concerné(s) rédige(nt) un rapport détaillé dont le modèle est défini par le Gouvernement, sur la proposition de l'Inspecteur général coordonnateur. Le cas échéant, le projet de rapport est transmis immédiatement au membre du personnel ou représentant du pouvoir organisateur auquel des faits individuels sont reprochés pour observations. Celui-ci dispose d'un délai de dix jours ouvrables pour faire valoir ses remarques.
Le rapport visé à l'alinéa 1er, qui comprend notamment des informations, un avis et des recommandations en lien avec les constats posés dans le cadre de la mission, est ensuite transmis dans les quinze jours ouvrables à l'Inspecteur général compétent, ou, pour ce qui concerne le Service de l'Enseignement de promotion sociale et de l'Enseignement à distance de la Communauté française en e-learning et le Service de l'Enseignement Artistique, à l'Inspecteur coordonnateur en charge du Service, ainsi qu'au pouvoir organisateur concerné. L'Inspecteur général compétent transmet, via la voie hiérarchique, le rapport ainsi que son avis sur la suite à donner à la procédure au fonctionnaire général en charge de la Direction générale de l'Enseignement obligatoire ou au fonctionnaire général en charge de la Direction générale de l'Enseignement supérieur, de l'Enseignement tout au long de la vie et de la Recherche scientifique.
Lorsque la mission d'investigation a été accomplie à son initiative, le fonctionnaire général concerné décide de la suite à donner à celle-ci. Lorsque la mission d'investigation a été accomplie à l'initiative du Gouvernement, le fonctionnaire général concerné remet son avis sur le rapport visé à l'alinéa précédent et transmet le dossier, pour décision, au Gouvernement. La décision est portée à la connaissance de toutes les parties intéressées.]1
Ces missions sont exécutées à la demande du Gouvernement ou du fonctionnaire général en charge de la Direction générale de l'Enseignement obligatoire ou du fonctionnaire général en charge de la Direction générale de l'Enseignement supérieur, de l'Enseignement tout au long de la vie et de la Recherche scientifique ou du fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif ou leur délégué, sur base d'une réclamation ou d'initiative.
Avant toute mission visée à l'alinéa 1er, la cellule intermédiaire de coordination, le cas échéant élargie au fonctionnaire général en charge de la Direction générale de l'Enseignement obligatoire ou au fonctionnaire général en charge de la Direction générale de l'Enseignement supérieur, de l'Enseignement tout au long de la vie et de la Recherche scientifique, ou leur délégué, fixe la portée et les limites du mandat confié au Service général de l'Inspection pour les besoins de la mission.
Une mission d'investigation consiste en une mission d'information ou une mission d'enquête. Une mission d'information constitue une recherche préliminaire à la décision éventuelle d'une ouverture d'enquête. La procédure d'information peut être menée oralement.
L'Inspecteur général coordonnateur désigne le (les) inspecteur(s) chargé(s) de l'exécution de la mission d'investigation.
§ 2. Si, dans le cadre du mandat d'une mission d'enquête, un manquement substantiel présumé est relevé, qui serait susceptible de donner lieu à une mission visée [2 aux articles 4, § 3, 4/1, § 3, 5, §§ 4 et 5, 6, § 2, et 7, § 3 ]2, le rapport visé au § 4 en fait mention. Par ailleurs, il fait l'objet d'un rapport distinct, transmis immédiatement, par la voie hiérarchique, à la cellule intermédiaire de coordination.
§ 3. Le Gouvernement précise les modalités et la méthodologie générale sur base desquelles les missions visées au paragraphe 1er sont exécutées, en veillant notamment à ce que le droit à faire valoir le point de vue des intéressés soit garanti.
Le témoignage de toute personne intéressée peut être recueilli par le Service général de l'Inspection.
§ 4. Dans les quinze jours ouvrables suivant la clôture de la mission d'investigation, l(es)'inspecteur(s) concerné(s) rédige(nt) un rapport détaillé dont le modèle est défini par le Gouvernement, sur la proposition de l'Inspecteur général coordonnateur. Le cas échéant, le projet de rapport est transmis immédiatement au membre du personnel ou représentant du pouvoir organisateur auquel des faits individuels sont reprochés pour observations. Celui-ci dispose d'un délai de dix jours ouvrables pour faire valoir ses remarques.
Le rapport visé à l'alinéa 1er, qui comprend notamment des informations, un avis et des recommandations en lien avec les constats posés dans le cadre de la mission, est ensuite transmis dans les quinze jours ouvrables à l'Inspecteur général compétent, ou, pour ce qui concerne le Service de l'Enseignement de promotion sociale et de l'Enseignement à distance de la Communauté française en e-learning et le Service de l'Enseignement Artistique, à l'Inspecteur coordonnateur en charge du Service, ainsi qu'au pouvoir organisateur concerné. L'Inspecteur général compétent transmet, via la voie hiérarchique, le rapport ainsi que son avis sur la suite à donner à la procédure au fonctionnaire général en charge de la Direction générale de l'Enseignement obligatoire ou au fonctionnaire général en charge de la Direction générale de l'Enseignement supérieur, de l'Enseignement tout au long de la vie et de la Recherche scientifique.
Lorsque la mission d'investigation a été accomplie à son initiative, le fonctionnaire général concerné décide de la suite à donner à celle-ci. Lorsque la mission d'investigation a été accomplie à l'initiative du Gouvernement, le fonctionnaire général concerné remet son avis sur le rapport visé à l'alinéa précédent et transmet le dossier, pour décision, au Gouvernement. La décision est portée à la connaissance de toutes les parties intéressées.]1
Art. 8. In het kader van zijn taken handelt de algemene inspectiedienst met inachtneming van de vrijheid van onderwijs: hij geeft, met name, geen richtlijnen betreffende pedagogische methodes en eerbiedigt de vrijheid van de inrichtende macht om haar dienstregelingen te bepalen in het kader van de wettelijke en reglementaire bepalingen.
In de psychisch-medisch-sociale centra mag hij geen richtlijnen geven betreffende de methoden die worden ontwikkeld om de doelstellingen te bereiken die in het centrumproject worden vastgelegd op basis van hun taken en eerbiedigt hij de vrijheid van de inrichtende macht om haar dienstregelingen te bepalen in het kader van de wettelijke en reglementaire bepalingen.
[1 Inzonderheid onthoudt hij zich van het uitvaardigen van richtlijnen met betrekking tot de methodologie die wordt gebruikt om zijn opdrachten uit te voeren en respecteert hij de vrijheid van de inrichtende macht om haar werktijden te organiseren in overeenstemming met de wettelijke en reglementaire vereisten.]1
In de psychisch-medisch-sociale centra mag hij geen richtlijnen geven betreffende de methoden die worden ontwikkeld om de doelstellingen te bereiken die in het centrumproject worden vastgelegd op basis van hun taken en eerbiedigt hij de vrijheid van de inrichtende macht om haar dienstregelingen te bepalen in het kader van de wettelijke en reglementaire bepalingen.
[1 Inzonderheid onthoudt hij zich van het uitvaardigen van richtlijnen met betrekking tot de methodologie die wordt gebruikt om zijn opdrachten uit te voeren en respecteert hij de vrijheid van de inrichtende macht om haar werktijden te organiseren in overeenstemming met de wettelijke en reglementaire vereisten.]1
Modifications
Art. 8. Dans le cadre de ses missions, le Service général de l'Inspection agit dans le respect de la liberté d'enseignement: il s'abstient, notamment, de toute directive concernant les méthodes pédagogiques et respecte la liberté du pouvoir organisateur d'aménager ses horaires dans le cadre des prescriptions légales et réglementaires.
Dans les centres psycho-médico-sociaux, il s'abstient, notamment, de toute directive concernant la méthodologie mise en place pour atteindre les objectifs fixés dans le projet de centre sur la base de leurs missions et respecte la liberté du pouvoir organisateur d'aménager ses horaires dans le cadre des prescriptions légales et réglementaires.
[1 Dans les pôles territoriaux, il s'abstient, notamment, de toute directive concernant la méthodologie mise en place pour réaliser leurs missions et respecte la liberté du pouvoir organisateur d'aménager ses horaires dans le cadre des prescriptions légales et réglementaires. ]1
Dans les centres psycho-médico-sociaux, il s'abstient, notamment, de toute directive concernant la méthodologie mise en place pour atteindre les objectifs fixés dans le projet de centre sur la base de leurs missions et respecte la liberté du pouvoir organisateur d'aménager ses horaires dans le cadre des prescriptions légales et réglementaires.
[1 Dans les pôles territoriaux, il s'abstient, notamment, de toute directive concernant la méthodologie mise en place pour réaliser leurs missions et respecte la liberté du pouvoir organisateur d'aménager ses horaires dans le cadre des prescriptions légales et réglementaires. ]1
Modifications
Art. 9. De algemene inspectiedienst bestaat uit stagiaires die in vast verband benoemd zijn, in tijdelijk verband aangesteld zijn of door de Regering gemachtigd worden volgens de in titel III bepaalde voorwaarden.
Naast de coördinerende inspecteur-generaal, de algemene [1 maximaal 201 inspecteurs]1 en de coördinerende inspecteurs bedoeld in artikel 3, bestaat de algemene inspectiedienst uit inspecteurs [1 ...]1.
[1 De Regering evalueert de werking van de Dienst elke zes jaar. Na evaluatie kan zij het aantal inspecteurs aanpassen. Die aanpassing kan op zijn vroegst ingaan op 1 januari 2026.]1
Naast de coördinerende inspecteur-generaal, de algemene [1 maximaal 201 inspecteurs]1 en de coördinerende inspecteurs bedoeld in artikel 3, bestaat de algemene inspectiedienst uit inspecteurs [1 ...]1.
[1 De Regering evalueert de werking van de Dienst elke zes jaar. Na evaluatie kan zij het aantal inspecteurs aanpassen. Die aanpassing kan op zijn vroegst ingaan op 1 januari 2026.]1
Modifications
Art. 9. Le Service général de l'Inspection est composé de membres du personnel stagiaires, nommés à titre définitif, désignés à titre provisoire ou mandatés par le Gouvernement selon les conditions définies au Titre III.
Outre l'Inspecteur général coordonnateur, les Inspecteurs généraux et les Inspecteurs coordonnateurs visés à l'article 3, le Service général de l'Inspection est composé [1 de maximum 201 inspecteurs]1 [1 ...]1.
[1 Le Gouvernement évalue le fonctionnement du Service tous les six ans. Après évaluation, il peut réévaluer le nombre d'inspecteurs. Cette réévaluation ne peut porter d'effets qu'à compter du 1er janvier 2026 au plus tôt.]1
Outre l'Inspecteur général coordonnateur, les Inspecteurs généraux et les Inspecteurs coordonnateurs visés à l'article 3, le Service général de l'Inspection est composé [1 de maximum 201 inspecteurs]1 [1 ...]1.
[1 Le Gouvernement évalue le fonctionnement du Service tous les six ans. Après évaluation, il peut réévaluer le nombre d'inspecteurs. Cette réévaluation ne peut porter d'effets qu'à compter du 1er janvier 2026 au plus tôt.]1
Modifications
Art. 10. De coördinerende inspecteur-generaal bepaalt, na raadpleging van de inspecteurs-generaal en de coördinerende inspecteurs:
1° de eventuele specialisatie van elk lid van de algemene inspectiedienst met betrekking tot de taken die de Dienst waaronder hij ressorteert, waarbij een inspecteur met name gespecialiseerd kan zijn in audits, evaluatietaken, [1 bij onderzoeksopdrachten, en specifieke controleopdrachten]1, in taken van het beoordelen van de pedagogische of professionele vaardigheden van personeelsleden of in taken die specifiek gericht zijn op gespecialiseerd onderwijs;
2° in voorkomend geval, de toekenning van inspecteurs binnen een zone zoals bepaald in artikel 1 van besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 15 maart 1993 tot vaststelling van de verplichtingen tot overleg tussen gelijkaardige inrichtingen in het secundair onderwijs met volledig leerplan.
In alle gevallen bedoeld in lid 1, voor de hele periode die wordt gedekt door een sturingsplan/doelstellingenovereenkomst mogen de personeelsleden aan wie een of meer audit- of evaluatietaken zouden worden toegekend die betrekking hebben op een onderwijsinrichting,[2 of op een territoriaal cluster]2 daar niet worden belast met de uitvoering van een specifieke onderzoeks- [1 of een controleopdracht]1 taak.
De coördinerende inspecteur generaal kan, afhankelijk van de behoeften en nadere regels die hij vastlegt met, naargelang van het geval, de bevoegde inspecteur-generaal of de betrokken coördinerende inspecteur, de inspecteurs van een van de inspectiediensten bedoeld in artikel 3, lid 3, de toestemming geven om inspectietaken uit te voeren binnen een van de andere diensten.
1° de eventuele specialisatie van elk lid van de algemene inspectiedienst met betrekking tot de taken die de Dienst waaronder hij ressorteert, waarbij een inspecteur met name gespecialiseerd kan zijn in audits, evaluatietaken, [1 bij onderzoeksopdrachten, en specifieke controleopdrachten]1, in taken van het beoordelen van de pedagogische of professionele vaardigheden van personeelsleden of in taken die specifiek gericht zijn op gespecialiseerd onderwijs;
2° in voorkomend geval, de toekenning van inspecteurs binnen een zone zoals bepaald in artikel 1 van besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 15 maart 1993 tot vaststelling van de verplichtingen tot overleg tussen gelijkaardige inrichtingen in het secundair onderwijs met volledig leerplan.
In alle gevallen bedoeld in lid 1, voor de hele periode die wordt gedekt door een sturingsplan/doelstellingenovereenkomst mogen de personeelsleden aan wie een of meer audit- of evaluatietaken zouden worden toegekend die betrekking hebben op een onderwijsinrichting,[2 of op een territoriaal cluster]2 daar niet worden belast met de uitvoering van een specifieke onderzoeks- [1 of een controleopdracht]1 taak.
De coördinerende inspecteur generaal kan, afhankelijk van de behoeften en nadere regels die hij vastlegt met, naargelang van het geval, de bevoegde inspecteur-generaal of de betrokken coördinerende inspecteur, de inspecteurs van een van de inspectiediensten bedoeld in artikel 3, lid 3, de toestemming geven om inspectietaken uit te voeren binnen een van de andere diensten.
Art. 10. L'Inspecteur général coordonnateur détermine, après consultation des Inspecteurs généraux et des inspecteurs coordonnateurs:
1° l'éventuelle spécialisation de chaque membre du Service général de l'Inspection au regard des missions à exercer par le Service au sein duquel il est affecté, un inspecteur pouvant notamment être spécialisé dans les missions d'audit, dans les missions d'évaluation, [1 dans les missions d'investigation, dans les missions de contrôle spécifiques]1, dans les missions d'appréciation de l'aptitude pédagogique ou professionnelle des membres du personnel ou encore dans les missions visant spécifiquement l'enseignement spécialisé;
2° s'il échet, l'affectation des Inspecteurs au sein d'une zone telle que définie à l'article 1er de l'arrêté de l'Exécutif de la Communauté française du 15 mars 1993 fixant les obligations de concertation entre les établissements dans l'enseignement secondaire de plein exercice.
Dans tous les cas visés à l'alinéa 1er, pour toute la période couverte par un plan de pilotage/contrat d'objectifs, les membres du personnel qui se seraient vu confier une ou plusieurs missions d'audit ou d'évaluation portant sur un établissement d'enseignement [2 ou sur un pôle territoria]2 ne peuvent être chargés d'y exécuter une mission d'investigation [1 ou une mission de contrôle]1 spécifique.
L'Inspecteur général coordonnateur peut, selon les besoins et les modalités qu'il détermine avec, selon le cas, l'Inspecteur général compétent ou l'Inspecteur coordonnateur concerné, autoriser les inspecteurs d'un des Services de l'Inspection visés à l'article 3, alinéa 3, à exercer des missions d'inspection au sein d'un autre de ces Services.
1° l'éventuelle spécialisation de chaque membre du Service général de l'Inspection au regard des missions à exercer par le Service au sein duquel il est affecté, un inspecteur pouvant notamment être spécialisé dans les missions d'audit, dans les missions d'évaluation, [1 dans les missions d'investigation, dans les missions de contrôle spécifiques]1, dans les missions d'appréciation de l'aptitude pédagogique ou professionnelle des membres du personnel ou encore dans les missions visant spécifiquement l'enseignement spécialisé;
2° s'il échet, l'affectation des Inspecteurs au sein d'une zone telle que définie à l'article 1er de l'arrêté de l'Exécutif de la Communauté française du 15 mars 1993 fixant les obligations de concertation entre les établissements dans l'enseignement secondaire de plein exercice.
Dans tous les cas visés à l'alinéa 1er, pour toute la période couverte par un plan de pilotage/contrat d'objectifs, les membres du personnel qui se seraient vu confier une ou plusieurs missions d'audit ou d'évaluation portant sur un établissement d'enseignement [2 ou sur un pôle territoria]2 ne peuvent être chargés d'y exécuter une mission d'investigation [1 ou une mission de contrôle]1 spécifique.
L'Inspecteur général coordonnateur peut, selon les besoins et les modalités qu'il détermine avec, selon le cas, l'Inspecteur général compétent ou l'Inspecteur coordonnateur concerné, autoriser les inspecteurs d'un des Services de l'Inspection visés à l'article 3, alinéa 3, à exercer des missions d'inspection au sein d'un autre de ces Services.
Art. 11. § 1. De coördinerende inspecteur-generaal roept de inspecteurs-generaal en de coördinerende inspecteurs bijeen om:
1° na te kijken of alle taken bedoeld in de artikels 4 tot [1 7/1]1 werkelijk worden uitgeoefend en of de kwaliteit van die uitoefening voorhanden is;
2° te zorgen voor de algemene doeltreffendheid van de inspectiediensten en de coördinatie ervan;
3° inzonderheid te zorgen voor de samenhang van de acties van de inspectiediensten bedoeld in artikel 3, lid 3;
4° te controleren of de verschillende inspecteurs de hun toegewezen taken en, in voorkomend geval, het mandaat op basis waarvan ze worden uitgevoerd, vervullen.
§ 2. Voor [1 het einde van elk schooljaar]1 stuurt elke inspecteur, met inbegrip van de coördinerende inspecteur, een balans van zijn activiteiten naar zijn rechtstreekse hiërarchische overste. Het model van deze activiteitenbalans wordt, na advies van de inspecteurs-generaal, vastgelegd door de coördinerende inspecteur-generaal [1 ...]1.
Voor 15 [1 oktober]1van elk jaar stuurt elke inspecteur-generaal voor de diensten bedoeld in artikel 3, lid 3, 1° en 2°, en elke coördinerende inspecteur voor de diensten bedoeld in artikel 3, lid 3, 3° tot 5°, een balans van de activiteiten van zijn dienst naar de coördinerende inspecteur-generaal. Deze balans omvat inzonderheid een verslag over de algemene vaststellingen die zijn verzameld in het kader van [1 de taken waarvoor zij verantwoordelijk zijn]1 en over de resultaten van de opvoedingsactie in de inrichtingen.
Voor 15 [1 december]1:
1° maakt de coördinerende inspecteur-generaal ten minste om de twee jaar een samenvattende balans op van de activiteiten van de algemene inspectiedienst, die inzonderheid gebaseerd is op de balansen bedoeld in lid 1 en 2, alsook een voorstel met een activiteitenprogramma voor het (de) volgende schooljaar(-jaren), dat hij via de cel voor coördinatiebemiddeling bezorgt aan de Regering [1 ...]1;
2° bezorgt de coördinerende inspecteur-generaal de Regering via de cel voor coördinatiebemiddeling elk jaar een verslag over de algemene stand van het onderwijssysteem in verband met de algemene vaststellingen die zijn verzameld in het kader van de audits, evaluatietaken en met betrekking tot de resultaten van de opvoedingsactie in de inrichtingen.
Het activiteitenprogramma bedoeld in lid 3, 1°, bevat voorstellen voor evaluatietaken in de zin van de artikels 4 tot 7.
1° na te kijken of alle taken bedoeld in de artikels 4 tot [1 7/1]1 werkelijk worden uitgeoefend en of de kwaliteit van die uitoefening voorhanden is;
2° te zorgen voor de algemene doeltreffendheid van de inspectiediensten en de coördinatie ervan;
3° inzonderheid te zorgen voor de samenhang van de acties van de inspectiediensten bedoeld in artikel 3, lid 3;
4° te controleren of de verschillende inspecteurs de hun toegewezen taken en, in voorkomend geval, het mandaat op basis waarvan ze worden uitgevoerd, vervullen.
§ 2. Voor [1 het einde van elk schooljaar]1 stuurt elke inspecteur, met inbegrip van de coördinerende inspecteur, een balans van zijn activiteiten naar zijn rechtstreekse hiërarchische overste. Het model van deze activiteitenbalans wordt, na advies van de inspecteurs-generaal, vastgelegd door de coördinerende inspecteur-generaal [1 ...]1.
Voor 15 [1 oktober]1van elk jaar stuurt elke inspecteur-generaal voor de diensten bedoeld in artikel 3, lid 3, 1° en 2°, en elke coördinerende inspecteur voor de diensten bedoeld in artikel 3, lid 3, 3° tot 5°, een balans van de activiteiten van zijn dienst naar de coördinerende inspecteur-generaal. Deze balans omvat inzonderheid een verslag over de algemene vaststellingen die zijn verzameld in het kader van [1 de taken waarvoor zij verantwoordelijk zijn]1 en over de resultaten van de opvoedingsactie in de inrichtingen.
Voor 15 [1 december]1:
1° maakt de coördinerende inspecteur-generaal ten minste om de twee jaar een samenvattende balans op van de activiteiten van de algemene inspectiedienst, die inzonderheid gebaseerd is op de balansen bedoeld in lid 1 en 2, alsook een voorstel met een activiteitenprogramma voor het (de) volgende schooljaar(-jaren), dat hij via de cel voor coördinatiebemiddeling bezorgt aan de Regering [1 ...]1;
2° bezorgt de coördinerende inspecteur-generaal de Regering via de cel voor coördinatiebemiddeling elk jaar een verslag over de algemene stand van het onderwijssysteem in verband met de algemene vaststellingen die zijn verzameld in het kader van de audits, evaluatietaken en met betrekking tot de resultaten van de opvoedingsactie in de inrichtingen.
Het activiteitenprogramma bedoeld in lid 3, 1°, bevat voorstellen voor evaluatietaken in de zin van de artikels 4 tot 7.
Modifications
Art. 11. § 1er. L'Inspecteur général coordonnateur réunit les Inspecteurs généraux et les Inspecteurs coordonnateurs afin:
1° de vérifier l'effectivité et la qualité de l'ensemble des missions visées aux articles 4 à [1 7/1]1;
2° d'assurer l'efficacité générale des Services de l'Inspection et leur coordination;
3° de veiller tout particulièrement à la cohérence des actions des Services de l'Inspection visés à l'article 3, alinéa 3;
4° de contrôler le respect, par les différents inspecteurs, des missions qui leur ont été confiées et, le cas échéant, du mandat sur la base duquel ils les ont exécutées.
§ 2. Pour [1 la fin de chaque année scolaire ]1, chaque inspecteur, en ce compris l'Inspecteur coordonnateur, transmet à son supérieur hiérarchique direct un bilan de ses activités. Le modèle de ce bilan d'activités est fixé par l'Inspecteur général coordonnateur, après avis des Inspecteurs généraux,[1 ...]1.
Pour le 15 [1 octobre ]1 de chaque année, chaque Inspecteur général pour les Services visés à l'article 3, alinéa 3, 1° et 2°, et chaque Inspecteur coordonnateur pour les Services visés à l'article 3, alinéa 3, 3° à 5°, transmet à l'Inspecteur général coordonnateur un bilan des activités de son service. Ce bilan comprend, notamment, un rapport relatif aux observations générales récoltées dans le cadre des missions [1 dont il a la responsabilité ]1 et aux résultats de l'action éducative dans les établissements.
Pour le 15 [1 décembre]1, l'Inspecteur général coordonnateur:
1° au moins tous les deux ans, établit un bilan de synthèse des activités du Service général de l'Inspection en se basant, notamment, sur les bilans visés aux alinéas 1er et 2 ainsi qu'une proposition de programme d'activités pour la ou les années scolaires suivantes qu'il transmet pour approbation au Gouvernement via la Cellule intermédiaire de coordination[1 ...]1;
2° chaque année, transmet au Gouvernement, via la Cellule intermédiaire de coordination, un rapport sur l'état général du système éducatif en lien avec les observations générales récoltées dans le cadre des missions d'audit, des missions d'évaluation et portant sur les résultats de l'action éducative dans les établissements.
Le programme d'activités visé à l'alinéa 3, 1°, comprend des propositions de missions d'évaluation au sens des articles 4 à 7.
1° de vérifier l'effectivité et la qualité de l'ensemble des missions visées aux articles 4 à [1 7/1]1;
2° d'assurer l'efficacité générale des Services de l'Inspection et leur coordination;
3° de veiller tout particulièrement à la cohérence des actions des Services de l'Inspection visés à l'article 3, alinéa 3;
4° de contrôler le respect, par les différents inspecteurs, des missions qui leur ont été confiées et, le cas échéant, du mandat sur la base duquel ils les ont exécutées.
§ 2. Pour [1 la fin de chaque année scolaire ]1, chaque inspecteur, en ce compris l'Inspecteur coordonnateur, transmet à son supérieur hiérarchique direct un bilan de ses activités. Le modèle de ce bilan d'activités est fixé par l'Inspecteur général coordonnateur, après avis des Inspecteurs généraux,[1 ...]1.
Pour le 15 [1 octobre ]1 de chaque année, chaque Inspecteur général pour les Services visés à l'article 3, alinéa 3, 1° et 2°, et chaque Inspecteur coordonnateur pour les Services visés à l'article 3, alinéa 3, 3° à 5°, transmet à l'Inspecteur général coordonnateur un bilan des activités de son service. Ce bilan comprend, notamment, un rapport relatif aux observations générales récoltées dans le cadre des missions [1 dont il a la responsabilité ]1 et aux résultats de l'action éducative dans les établissements.
Pour le 15 [1 décembre]1, l'Inspecteur général coordonnateur:
1° au moins tous les deux ans, établit un bilan de synthèse des activités du Service général de l'Inspection en se basant, notamment, sur les bilans visés aux alinéas 1er et 2 ainsi qu'une proposition de programme d'activités pour la ou les années scolaires suivantes qu'il transmet pour approbation au Gouvernement via la Cellule intermédiaire de coordination[1 ...]1;
2° chaque année, transmet au Gouvernement, via la Cellule intermédiaire de coordination, un rapport sur l'état général du système éducatif en lien avec les observations générales récoltées dans le cadre des missions d'audit, des missions d'évaluation et portant sur les résultats de l'action éducative dans les établissements.
Le programme d'activités visé à l'alinéa 3, 1°, comprend des propositions de missions d'évaluation au sens des articles 4 à 7.
Modifications
TITEL II. [1 Toegang tot de ambten van inspecteur ]1
TITRE II. [1 De l'accès aux fonctions d'inspecteur ]1
HOOFDSTUK I. [1 Toegangsvoorwaarden ]1
CHAPITRE Ier. [1 Des conditions d'accès ]1
Art. 12. Op voordracht van de coördinerende inspecteur-generaal, gebaseerd op de noodwendigheden van de dienst, beoordeeld rekening houdend met het kader vastgelegd krachtens artikel 9, lid 2, organiseert de Regering een toelatingsproef voor[1 de stage die toegang geeft tot een ambt van inspecteur]1 bedoeld in artikel 32, lid 2, 1° et 2°.
Zodra het aantal te vervullen posities per ambt van inspecteur bedoeld in artikel 32, lid 2, 1° en 2° is bereikt, roept de Regering kandidaten op voor de toelatingsproef bedoeld in lid 1, om de hiervoor genoemde posten te kunnen vergeven.
Wanneer de kandidaat zijn kandidatuur voor de toelatingsproef bedoeld in lid 1 indient, geeft hij op voor welk ambt van inspecteur bedoeld in bijlage I van onderhavig decreet hij wil solliciteren. Eenzelfde kandidaat kan solliciteren voor verschillende ambten op voorwaarde dat hij voldoet aan de voorwaarden van artikel 13.
[1 Tijdens de zomervakantie mogen er geen oproepen voor kandidaten worden gelanceerd en mogen er geen kandidaturen worden ingediend.]1
Zodra het aantal te vervullen posities per ambt van inspecteur bedoeld in artikel 32, lid 2, 1° en 2° is bereikt, roept de Regering kandidaten op voor de toelatingsproef bedoeld in lid 1, om de hiervoor genoemde posten te kunnen vergeven.
Wanneer de kandidaat zijn kandidatuur voor de toelatingsproef bedoeld in lid 1 indient, geeft hij op voor welk ambt van inspecteur bedoeld in bijlage I van onderhavig decreet hij wil solliciteren. Eenzelfde kandidaat kan solliciteren voor verschillende ambten op voorwaarde dat hij voldoet aan de voorwaarden van artikel 13.
[1 Tijdens de zomervakantie mogen er geen oproepen voor kandidaten worden gelanceerd en mogen er geen kandidaturen worden ingediend.]1
Modifications
Art. 12. Sur la proposition de l'Inspecteur général coordonnateur, fondée sur les nécessités du Service, appréciées en tenant compte du cadre fixé en vertu de l'article 9, alinéa 2, le Gouvernement organise une épreuve d'admission [1 au stage donnant accès à une fonction d'inspecteur visée ]1 à l'article 32, alinéa 2, 1° et 2°.
Une fois arrêté le nombre de postes à pourvoir par fonction d'inspecteur visée à l'article 32, alinéa 2, 1° et 2° , le Gouvernement lance un appel à candidatures à l'épreuve d'admission visée à l'alinéa 1er, aux fins de pourvoir aux postes précités.
Lorsqu'il introduit sa candidature à l'épreuve d'admission visée à l'alinéa 1er, le candidat précise quelle fonction d'inspecteur visée à l'annexe Ire du présent décret il souhaite postuler. Un même candidat peut postuler plusieurs fonctions pour autant qu'il réponde aux conditions énoncées à l'article 13.
[1 Aucun appel à candidature ne peut être lancé et aucun dépôt de candidature ne peut avoir lieu pendant la période des vacances scolaires d'été.]1
Une fois arrêté le nombre de postes à pourvoir par fonction d'inspecteur visée à l'article 32, alinéa 2, 1° et 2° , le Gouvernement lance un appel à candidatures à l'épreuve d'admission visée à l'alinéa 1er, aux fins de pourvoir aux postes précités.
Lorsqu'il introduit sa candidature à l'épreuve d'admission visée à l'alinéa 1er, le candidat précise quelle fonction d'inspecteur visée à l'annexe Ire du présent décret il souhaite postuler. Un même candidat peut postuler plusieurs fonctions pour autant qu'il réponde aux conditions énoncées à l'article 13.
[1 Aucun appel à candidature ne peut être lancé et aucun dépôt de candidature ne peut avoir lieu pendant la période des vacances scolaires d'été.]1
Modifications
Art. 13. § 1. Niemand wordt toegelaten voor de toelatingsproef [2 tot de stage]2 wanneer hij, op de datum waarop hij zich kandidaat stelt, niet voldoet aan de volgende voorwaarden:
1° [2 Belg zijn of staatsburger van een staat die deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland of in het bezit zijn van een geldige verblijfs- en werkvergunning]2;
2° van onberispelijk gedrag zijn;
3° burgerlijke en politieke rechten genieten;
4° voldaan hebben aan de dienstplichtwetten;
5° in regel zijn met de wets- en verordeningsbepalingen betreffende de taalregeling;
6° [2 een functie bekleden in het onderwijs dat wordt gesubsidieerd of georganiseerd door de Franse Gemeenschap]2;
7° [2 houder zijn van de titels vereist voor een van de ambten vermeld in de tabel in bijlage I bij dit decreet met betrekking tot de toe te kennen inspectieambt]2;
8° een dienstanciënniteit van ten minste [2 zeven]2 jaar [2 tellen en gedurende zes jaar ten minste één van de in de tabel in bijlage I bij dit decreet vermelde ambten hebben uitgeoefend met betrekking tot de toe te kennen inspectieambt ]2.
9° geen tuchtsanctie of -straf hebben ondergaan gedurende de vijf vorige jaren;
10° niet van zijn ambt ontheven zijn bij toepassing van artikel 62 of 93;
11° gesolliciteerd hebben voor een van de ambten van inspecteur bedoeld in artikel 32, lid 2, 2° :
- in het bezit zijn van het visum van het hoofd van de betrokken leider van de godsdienst of de bij wet erkende organisatie waaronder hij ressorteert en die morele steun biedt volgens een niet-confessioneel filosofisch concept. In geval van afwezigheid of vakantie van de leider van een godsdienst of de niet-confessionele morele organisatie, is deze stempel niet vereist op voorwaarde dat dit kan worden aangetoond;
- een neutraliteitsopleiding hebben gevolgd in het kader van de initiële opleiding in verband met de eigen ambten van lesgever, of geslaagd zijn voor de onderwijseenheid `neutraliteitsopleiding' georganiseerd in het onderwijs voor sociale promotie [2 of enige andere opleiding over neutraliteit georganiseerd door universiteiten of hogescholen die worden gesubsidieerd of georganiseerd door de Franse Gemeenschap]2.
De Regering bepaalt het model en de nadere regels voor het afleveren van het visum vermeld in lid 1, 11°, eerste streepje, overwegende dat dit visum uitdrukkelijk betrekking moet hebben op de eventuele toegang van de kandidaat tot een van de ambten van inspecteur bedoeld in artikel 32, lid 2, 2°, en niet samen mag worden afgeleverd met het visum dat vereist is voor de toegang van het personeelslid tot zijn ambten in het onderwijs.
Volgens de door de Regering vastgelegde voorwaarden kan de kandidaat die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarde bedoeld in lid 1, 11°, tweede streepje, als hij kan aantonen dat hij zich buiten zijn wil om in zijn situatie bevindt, de toestemming krijgen om [2 bij aanvang van de stage]2 krachtens onderhavig decreet aan te tonen dat hij de door de Franse Gemeenschap georganiseerde of erkende neutraliteitsopleiding heeft voltooid.
§ 2.[2 ...]2
§ 3.[2 ...]2
§ 4. [2 ...]2
§ 5. De Regering bepaalt de nadere regels voor vorm en termijn volgens dewelke kandidaturen voor de toelatingsproef [2 tot de stage]2 moet worden ingediend.
1° [2 Belg zijn of staatsburger van een staat die deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland of in het bezit zijn van een geldige verblijfs- en werkvergunning]2;
2° van onberispelijk gedrag zijn;
3° burgerlijke en politieke rechten genieten;
4° voldaan hebben aan de dienstplichtwetten;
5° in regel zijn met de wets- en verordeningsbepalingen betreffende de taalregeling;
6° [2 een functie bekleden in het onderwijs dat wordt gesubsidieerd of georganiseerd door de Franse Gemeenschap]2;
7° [2 houder zijn van de titels vereist voor een van de ambten vermeld in de tabel in bijlage I bij dit decreet met betrekking tot de toe te kennen inspectieambt]2;
8° een dienstanciënniteit van ten minste [2 zeven]2 jaar [2 tellen en gedurende zes jaar ten minste één van de in de tabel in bijlage I bij dit decreet vermelde ambten hebben uitgeoefend met betrekking tot de toe te kennen inspectieambt ]2.
9° geen tuchtsanctie of -straf hebben ondergaan gedurende de vijf vorige jaren;
10° niet van zijn ambt ontheven zijn bij toepassing van artikel 62 of 93;
11° gesolliciteerd hebben voor een van de ambten van inspecteur bedoeld in artikel 32, lid 2, 2° :
- in het bezit zijn van het visum van het hoofd van de betrokken leider van de godsdienst of de bij wet erkende organisatie waaronder hij ressorteert en die morele steun biedt volgens een niet-confessioneel filosofisch concept. In geval van afwezigheid of vakantie van de leider van een godsdienst of de niet-confessionele morele organisatie, is deze stempel niet vereist op voorwaarde dat dit kan worden aangetoond;
- een neutraliteitsopleiding hebben gevolgd in het kader van de initiële opleiding in verband met de eigen ambten van lesgever, of geslaagd zijn voor de onderwijseenheid `neutraliteitsopleiding' georganiseerd in het onderwijs voor sociale promotie [2 of enige andere opleiding over neutraliteit georganiseerd door universiteiten of hogescholen die worden gesubsidieerd of georganiseerd door de Franse Gemeenschap]2.
De Regering bepaalt het model en de nadere regels voor het afleveren van het visum vermeld in lid 1, 11°, eerste streepje, overwegende dat dit visum uitdrukkelijk betrekking moet hebben op de eventuele toegang van de kandidaat tot een van de ambten van inspecteur bedoeld in artikel 32, lid 2, 2°, en niet samen mag worden afgeleverd met het visum dat vereist is voor de toegang van het personeelslid tot zijn ambten in het onderwijs.
Volgens de door de Regering vastgelegde voorwaarden kan de kandidaat die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarde bedoeld in lid 1, 11°, tweede streepje, als hij kan aantonen dat hij zich buiten zijn wil om in zijn situatie bevindt, de toestemming krijgen om [2 bij aanvang van de stage]2 krachtens onderhavig decreet aan te tonen dat hij de door de Franse Gemeenschap georganiseerde of erkende neutraliteitsopleiding heeft voltooid.
§ 2.[2 ...]2
§ 3.[2 ...]2
§ 4. [2 ...]2
§ 5. De Regering bepaalt de nadere regels voor vorm en termijn volgens dewelke kandidaturen voor de toelatingsproef [2 tot de stage]2 moet worden ingediend.
Art. 13. § 1er. Nul n'est admissible à l'épreuve d'admission [2 au stage ]2 si, à la date de l'introduction de sa candidature, il ne remplit pas les conditions suivantes:
1° [2 être belge ou ressortissant d'un Etat faisant partie de l'Espace économique européen ou de la Suisse ou disposer d'un titre de séjour et d'un permis de travail valides]2;
2° être de conduite irréprochable;
3° jouir des droits civils et politiques;
4° avoir satisfait aux lois sur la milice;
5° satisfaire aux dispositions légales et réglementaires relatives au régime linguistique;
6° [2 être titulaire d'une fonction dans l'enseignement subventionné ou organisé par la Communauté française]2;
7° [2 être détenteur des titres requis pour une des fonctions reprises au tableau de l'annexe Ire du présent même décret au regard de la fonction d'inspection à conférer ]2;
8° compter une ancienneté de service de [2 sept ]2 ans au moins et [2 avoir exercé durant six ans au moins une des fonctions reprises au tableau de l'annexe Ire du présent décret au regard de la fonction d'inspection à conférer]2;
9° ne pas avoir encouru une sanction ou une peine disciplinaire au cours des cinq années précédentes;
10° ne pas avoir été démis de ses fonctions en application des articles 62 ou 93;
11° s'il a postulé l'une des fonctions d'inspecteur visées à l'article 32, alinéa 2, 2° :
- être en possession du visa émanant de l'autorité du culte concerné ou de l'organisation reconnue par la loi dont il relève et qui offre une assistance morale selon une conception philosophique non confessionnelle. Pour autant qu'elle soit démontrée, en cas d'absence ou de vacance d'autorité d'un culte ou de la morale non confessionnelle, ce visa de l'autorité n'est pas requis;
- avoir bénéficié d'une formation à la neutralité dans le cadre de la formation initiale liée à ses fonctions d'enseignant, ou avoir réussi l'unité d'enseignement " formation à la neutralité " organisée dans l'enseignement de promotion sociale[2 ou toute autre formation portant sur la neutralité organisée par les universités ou les hautes écoles subventionnées ou organisées par la Communauté française]2.
Le Gouvernement arrête le modèle et les modalités de délivrance du visa requis à l'alinéa 1er, 11°, premier tiret, étant entendu que ce visa doit expressément porter sur l'accès éventuel du candidat à l'une des fonctions d'inspecteur visée à l'article 32, alinéa 2, 2°, et doit être délivré distinctement du visa requis pour l'accès du membre du personnel à ses fonctions dans l'enseignement.
Aux conditions définies par le Gouvernement, le candidat qui ne répond pas à la condition d'accès visée à l'alinéa 1er, 11°, second tiret peut, s'il démontre que sa situation est totalement indépendante de sa volonté, être autorisé à démontrer au plus tard au [2 moment d'entrer en stage]2 en vertu du présent décret qu'il a bénéficié d'une formation à la neutralité organisée ou reconnue par la Communauté française.
§ 2. [2 ]2
§ 3. [2 Nul n'est autorisé à poursuivre les épreuves ou le stage dès lors qu'il ne remplit plus l'ensemble des conditions visées au paragraphe 1er]2.
§ 4. [2 ...]2
§ 5. Le Gouvernement fixe les modalités de forme et de délai selon lesquelles est introduite toute candidature à l'épreuve d'admission à la [2 au stage ]2.
1° [2 être belge ou ressortissant d'un Etat faisant partie de l'Espace économique européen ou de la Suisse ou disposer d'un titre de séjour et d'un permis de travail valides]2;
2° être de conduite irréprochable;
3° jouir des droits civils et politiques;
4° avoir satisfait aux lois sur la milice;
5° satisfaire aux dispositions légales et réglementaires relatives au régime linguistique;
6° [2 être titulaire d'une fonction dans l'enseignement subventionné ou organisé par la Communauté française]2;
7° [2 être détenteur des titres requis pour une des fonctions reprises au tableau de l'annexe Ire du présent même décret au regard de la fonction d'inspection à conférer ]2;
8° compter une ancienneté de service de [2 sept ]2 ans au moins et [2 avoir exercé durant six ans au moins une des fonctions reprises au tableau de l'annexe Ire du présent décret au regard de la fonction d'inspection à conférer]2;
9° ne pas avoir encouru une sanction ou une peine disciplinaire au cours des cinq années précédentes;
10° ne pas avoir été démis de ses fonctions en application des articles 62 ou 93;
11° s'il a postulé l'une des fonctions d'inspecteur visées à l'article 32, alinéa 2, 2° :
- être en possession du visa émanant de l'autorité du culte concerné ou de l'organisation reconnue par la loi dont il relève et qui offre une assistance morale selon une conception philosophique non confessionnelle. Pour autant qu'elle soit démontrée, en cas d'absence ou de vacance d'autorité d'un culte ou de la morale non confessionnelle, ce visa de l'autorité n'est pas requis;
- avoir bénéficié d'une formation à la neutralité dans le cadre de la formation initiale liée à ses fonctions d'enseignant, ou avoir réussi l'unité d'enseignement " formation à la neutralité " organisée dans l'enseignement de promotion sociale[2 ou toute autre formation portant sur la neutralité organisée par les universités ou les hautes écoles subventionnées ou organisées par la Communauté française]2.
Le Gouvernement arrête le modèle et les modalités de délivrance du visa requis à l'alinéa 1er, 11°, premier tiret, étant entendu que ce visa doit expressément porter sur l'accès éventuel du candidat à l'une des fonctions d'inspecteur visée à l'article 32, alinéa 2, 2°, et doit être délivré distinctement du visa requis pour l'accès du membre du personnel à ses fonctions dans l'enseignement.
Aux conditions définies par le Gouvernement, le candidat qui ne répond pas à la condition d'accès visée à l'alinéa 1er, 11°, second tiret peut, s'il démontre que sa situation est totalement indépendante de sa volonté, être autorisé à démontrer au plus tard au [2 moment d'entrer en stage]2 en vertu du présent décret qu'il a bénéficié d'une formation à la neutralité organisée ou reconnue par la Communauté française.
§ 2. [2 ]2
§ 3. [2 Nul n'est autorisé à poursuivre les épreuves ou le stage dès lors qu'il ne remplit plus l'ensemble des conditions visées au paragraphe 1er]2.
§ 4. [2 ...]2
§ 5. Le Gouvernement fixe les modalités de forme et de délai selon lesquelles est introduite toute candidature à l'épreuve d'admission à la [2 au stage ]2.
Art. 14. Voor de berekening van de dienstanciënniteit bedoeld in artikel 13, § 1, 8°, worden enkel de diensten in aanmerking genomen die de kandidaat, ongeacht in welke hoedanigheid, werkelijk heeft gepresteerd in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde onderwijs, als lid van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel of van het paramedisch personeel.
Voor de berekening van de ambtsanciënniteit bedoeld in artikel 13, § 1, 8°, worden enkel de diensten in aanmerking genomen die de kandidaat, ongeacht in welke hoedanigheid, werkelijk heeft gepresteerd in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde onderwijs, in het (de) ambt(en) bedoeld in artikel 13, § 1, 7°, dat (die) toegang verleent (verlenen) tot het betrokken ambt van inspecteur.
Voor de berekening van de ambtsanciënniteit bedoeld in artikel 13, § 1, 8°, worden enkel de diensten in aanmerking genomen die de kandidaat, ongeacht in welke hoedanigheid, werkelijk heeft gepresteerd in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde onderwijs, in het (de) ambt(en) bedoeld in artikel 13, § 1, 7°, dat (die) toegang verleent (verlenen) tot het betrokken ambt van inspecteur.
Art. 14. Pour le calcul de l'ancienneté de service visée à l'article 13, § 1er, 8°, sont seuls admissibles les services effectifs que le candidat a rendus, à quelque titre que ce soit, dans l'enseignement organisé ou subventionné par la Communauté française, en qualité de membre du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation ou du personnel paramédical.
Pour le calcul de l'ancienneté de fonction visée à l'article 13, § 1er, 8°, sont seuls admissibles les services effectifs que le candidat a rendus, à quelque titre que ce soit, dans l'enseignement organisé ou subventionné par la Communauté française, dans la ou les fonction(s) visée(s) à l'article 13, § 1er, 7°, donnant accès à la fonction d'inspecteur concernée.
Pour le calcul de l'ancienneté de fonction visée à l'article 13, § 1er, 8°, sont seuls admissibles les services effectifs que le candidat a rendus, à quelque titre que ce soit, dans l'enseignement organisé ou subventionné par la Communauté française, dans la ou les fonction(s) visée(s) à l'article 13, § 1er, 7°, donnant accès à la fonction d'inspecteur concernée.
Art. 15. Voor de berekening van de duur van de diensten die in aanmerking komen voor de ambtsanciënniteit en voor de ambtsanciënniteit bedoeld in artikel 13, § 1, 8° :
1° worden de diensten die als tijdelijk personeelslid werkelijk werden gepresteerd in een ambt met volledige dienstprestaties meegerekend als anciënniteit die gelijk is aan het aantal dagen die worden geteld vanaf het begin tot het einde van de ononderbroken activiteitsperiode, met inbegrip van, als ze in die periode worden meegerekend, de ontspanningsverloven, de winter- en lentevakantie, alsook de moederschapsrust en het verlof voor opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij, toegekend vanaf 1 januari 1999, waarbij dat aantal dagen met 1,2 wordt vermenigvuldigd;
2° worden de werkelijke diensten die in een andere hoedanigheid dan tijdelijk personeelslid in een ambt met volledige dienstprestaties werden gepresteerd, geteld per kalendermaand, waarbij deze die niet de hele maand dekken, niet worden meegerekend;
3° worden de in aanmerking komende diensten die werden gepresteerd gedurende de maand tijdens welke het personeelslid voor de eerste keer in een andere hoedanigheid dan die van tijdelijk personeelslid aangesteld of aangeworven is, geacht als tijdelijk personeelslid te zijn gepresteerd;
4° worden de werkelijke diensten die werden gepresteerd in een ambt met onvolledige prestaties dat ten minste de helft van het aantal uren vereist voor het ambt met volledige dienstprestaties telt, in aanmerking genomen op dezelfde wijze als de diensten gepresteerd in een ambt met volledige prestaties;
5° wordt het aantal dagen verworven in een ambt met onvolledige dienstprestaties dat niet de helft van het aantal uren telt dat vereist is voor het ambt met volledige prestaties, met de helft verminderd;
6° mag de duur van de diensten die in twee of meer ambten werden gepresteerd, met volledige of onvolledige dienstprestaties, die gelijktijdig werden uitgeoefend, nooit de duur overschrijden van de diensten die werden gepresteerd in een ambt met volledige dienstprestaties gedurende dezelfde periode;
7° maken dertig dagen één maand uit;
8° mag de duur van de in aanmerking komende diensten die de kandidaat telt, nooit twaalf maanden overschrijden voor een kalenderjaar.
1° worden de diensten die als tijdelijk personeelslid werkelijk werden gepresteerd in een ambt met volledige dienstprestaties meegerekend als anciënniteit die gelijk is aan het aantal dagen die worden geteld vanaf het begin tot het einde van de ononderbroken activiteitsperiode, met inbegrip van, als ze in die periode worden meegerekend, de ontspanningsverloven, de winter- en lentevakantie, alsook de moederschapsrust en het verlof voor opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij, toegekend vanaf 1 januari 1999, waarbij dat aantal dagen met 1,2 wordt vermenigvuldigd;
2° worden de werkelijke diensten die in een andere hoedanigheid dan tijdelijk personeelslid in een ambt met volledige dienstprestaties werden gepresteerd, geteld per kalendermaand, waarbij deze die niet de hele maand dekken, niet worden meegerekend;
3° worden de in aanmerking komende diensten die werden gepresteerd gedurende de maand tijdens welke het personeelslid voor de eerste keer in een andere hoedanigheid dan die van tijdelijk personeelslid aangesteld of aangeworven is, geacht als tijdelijk personeelslid te zijn gepresteerd;
4° worden de werkelijke diensten die werden gepresteerd in een ambt met onvolledige prestaties dat ten minste de helft van het aantal uren vereist voor het ambt met volledige dienstprestaties telt, in aanmerking genomen op dezelfde wijze als de diensten gepresteerd in een ambt met volledige prestaties;
5° wordt het aantal dagen verworven in een ambt met onvolledige dienstprestaties dat niet de helft van het aantal uren telt dat vereist is voor het ambt met volledige prestaties, met de helft verminderd;
6° mag de duur van de diensten die in twee of meer ambten werden gepresteerd, met volledige of onvolledige dienstprestaties, die gelijktijdig werden uitgeoefend, nooit de duur overschrijden van de diensten die werden gepresteerd in een ambt met volledige dienstprestaties gedurende dezelfde periode;
7° maken dertig dagen één maand uit;
8° mag de duur van de in aanmerking komende diensten die de kandidaat telt, nooit twaalf maanden overschrijden voor een kalenderjaar.
Art. 15. Pour le calcul de la durée des services admissibles dans l'ancienneté de service et dans l'ancienneté de fonction visées à l'article 13, § 1er, 8° :
1° les services effectifs, rendus en qualité de temporaire, dans une fonction à prestations complètes, interviennent pour une ancienneté égale au nombre de jours comptés du début à la fin de la période d'activité continue, y compris, s'ils sont englobés dans cette période, les congés de détente, les vacances d'hiver et de printemps ainsi que les congés de maternité et les congés d'accueil en vue de l'adoption et de la tutelle officieuse accordés à partir du 1er janvier 1999, ce nombre de jours étant multiplié par 1,2;
2° les services effectifs rendus à un titre autre que celui de temporaire, dans une fonction à prestations complètes, se comptent par mois du calendrier, ceux qui ne couvrent pas tout le mois étant négligés;
3° les services admissibles rendus pendant le mois au cours duquel le membre du personnel est désigné ou engagé pour la première fois à un titre autre que celui de temporaire, sont réputés avoir été rendus à titre de temporaire;
4° les services effectifs rendus dans une fonction à prestations incomplètes comportant au moins la moitié du nombre d'heures requis pour la fonction à prestations complètes sont pris en considération au même titre que les services rendus dans une fonction à prestations complètes;
5° le nombre de jours acquis dans une fonction à prestations incomplètes qui ne comporte pas la moitié du nombre d'heures requis pour la fonction à prestations complètes est réduit de moitié;
6° la durée des services rendus dans deux ou plusieurs fonctions, à prestations complètes ou incomplètes, exercées simultanément, ne peut jamais dépasser la durée des services rendus dans une fonction à prestations complètes pendant la même période;
7° trente jours forment un mois;
8° la durée des services admissibles que compte le candidat ne peut jamais dépasser douze mois pour une année civile.
1° les services effectifs, rendus en qualité de temporaire, dans une fonction à prestations complètes, interviennent pour une ancienneté égale au nombre de jours comptés du début à la fin de la période d'activité continue, y compris, s'ils sont englobés dans cette période, les congés de détente, les vacances d'hiver et de printemps ainsi que les congés de maternité et les congés d'accueil en vue de l'adoption et de la tutelle officieuse accordés à partir du 1er janvier 1999, ce nombre de jours étant multiplié par 1,2;
2° les services effectifs rendus à un titre autre que celui de temporaire, dans une fonction à prestations complètes, se comptent par mois du calendrier, ceux qui ne couvrent pas tout le mois étant négligés;
3° les services admissibles rendus pendant le mois au cours duquel le membre du personnel est désigné ou engagé pour la première fois à un titre autre que celui de temporaire, sont réputés avoir été rendus à titre de temporaire;
4° les services effectifs rendus dans une fonction à prestations incomplètes comportant au moins la moitié du nombre d'heures requis pour la fonction à prestations complètes sont pris en considération au même titre que les services rendus dans une fonction à prestations complètes;
5° le nombre de jours acquis dans une fonction à prestations incomplètes qui ne comporte pas la moitié du nombre d'heures requis pour la fonction à prestations complètes est réduit de moitié;
6° la durée des services rendus dans deux ou plusieurs fonctions, à prestations complètes ou incomplètes, exercées simultanément, ne peut jamais dépasser la durée des services rendus dans une fonction à prestations complètes pendant la même période;
7° trente jours forment un mois;
8° la durée des services admissibles que compte le candidat ne peut jamais dépasser douze mois pour une année civile.
Art. 16. Voor de toepassing van de artikels 14 en 15, worden de diensten die in het onderwijs van de Duitstalige Gemeenschap gepresteerd zijn, gelijkgesteld met diensten die in het onderwijs van de Franse Gemeenschap gepresteerd zijn.
Art. 16. Pour l'application des articles 14 et 15, les services rendus dans l'enseignement de la Communauté germanophone sont assimilés à des services rendus dans l'enseignement de la Communauté française.
HOOFDSTUK II. - Toelatingsproef [1 tot de stage]1
CHAPITRE II. - De l'épreuve d'admission [1 au stage ]1
Art. 17. [1 De]1 toelatingsproef voor de initiële opleiding bedoeld in artikel 22. [1 Deze]1bestaat uit een schriftelijk en een mondeling deel; elk deel wordt geëvalueerd op 50 punten.
Alleen de kandidaten die voldoen aan de voorwaarden van artikel 13 mogen deelnemen aan de proef.
De Regering stelt het competentieprofiel op dat de specifieke en technische competenties bepaalt, alsook de generieke en gedragscompetenties die worden verwacht [1 bij aanvang van de stage]1 als inspecteur.
Ze stelt ook de nadere regels op van alle delen van de toelatingsproef en de evaluatiecriteria op basis van [1 de competenties]1 bedoeld in lid 3.
Het schriftelijke deel van de proef bestaat uit een meerkeuzevragenlijst met theoretische vragen en situationele beoordelingsvragen.
Aan de hand van dit deel van de proef wordt nagegaan of de kandidaat theoretische vragen alsook [1 ...]1 kan beantwoorden, die betrekking hebben op de specifieke kennis en competenties van het competentieprofiel bedoeld in lid 3.
[1 Dit deel van de proef betreft de specifieke kennis en competenties bedoeld in lid 3]1.
[1 ...]1
[1 Dit gedeelte van de proef betreft het vermogen om situationele beoordelingsvragen te beantwoorden, die betrekking hebben op de technische competenties op het vlak van mondelinge communicatie alsook de generieke en gedragscompetenties bedoeld in lid 3.]1.
Alleen de kandidaten die voldoen aan de voorwaarden van artikel 13 mogen deelnemen aan de proef.
De Regering stelt het competentieprofiel op dat de specifieke en technische competenties bepaalt, alsook de generieke en gedragscompetenties die worden verwacht [1 bij aanvang van de stage]1 als inspecteur.
Ze stelt ook de nadere regels op van alle delen van de toelatingsproef en de evaluatiecriteria op basis van [1 de competenties]1 bedoeld in lid 3.
Het schriftelijke deel van de proef bestaat uit een meerkeuzevragenlijst met theoretische vragen en situationele beoordelingsvragen.
Aan de hand van dit deel van de proef wordt nagegaan of de kandidaat theoretische vragen alsook [1 ...]1 kan beantwoorden, die betrekking hebben op de specifieke kennis en competenties van het competentieprofiel bedoeld in lid 3.
[1 Dit deel van de proef betreft de specifieke kennis en competenties bedoeld in lid 3]1.
[1 ...]1
[1 Dit gedeelte van de proef betreft het vermogen om situationele beoordelingsvragen te beantwoorden, die betrekking hebben op de technische competenties op het vlak van mondelinge communicatie alsook de generieke en gedragscompetenties bedoeld in lid 3.]1.
Modifications
Art. 17. [1 L]1 épreuve d'admission à la formation initiale visée [1 au stage ]1. [1 Elle]1 comprend une partie écrite et une partie orale, chacune d'elles étant évaluée sur 50 points.
Seuls les candidats remplissant les conditions fixées à l'article 13 peuvent participer à l'épreuve.
Le Gouvernement fixe le profil de compétences qui définit les compétences spécifiques et techniques ainsi que les compétences génériques et comportementales attendues [1 dès l'entrée en stage]1 de l'inspecteur.
Il fixe également les modalités de chacune des parties de l'épreuve d'admission et les critères d'évaluation de chacune d'elles sur la base [1 des]1 compétences [1 visées ]1 à l'alinéa 3.
La partie écrite de l'épreuve se présente sous la forme d'un questionnaire à choix multiples comportant des questions théoriques et des questions de jugement situationnel.
Cette partie de l'épreuve [1 porte sur des connaissances et des compétences spécifiques et techniques visées à l'alinéa 3 ]1.
[1 ...]1
La partie orale de l'épreuve consiste en un entretien devant l'un des jurys visés à l'article 19.
Cette partie de l'épreuve[1 porte sur la capacité à répondre à des questions de jugement situationnel sur la compétence technique de communication orale et sur les compétences génériques et comportementales visées à l'alinéa 3]1.
Seuls les candidats remplissant les conditions fixées à l'article 13 peuvent participer à l'épreuve.
Le Gouvernement fixe le profil de compétences qui définit les compétences spécifiques et techniques ainsi que les compétences génériques et comportementales attendues [1 dès l'entrée en stage]1 de l'inspecteur.
Il fixe également les modalités de chacune des parties de l'épreuve d'admission et les critères d'évaluation de chacune d'elles sur la base [1 des]1 compétences [1 visées ]1 à l'alinéa 3.
La partie écrite de l'épreuve se présente sous la forme d'un questionnaire à choix multiples comportant des questions théoriques et des questions de jugement situationnel.
Cette partie de l'épreuve [1 porte sur des connaissances et des compétences spécifiques et techniques visées à l'alinéa 3 ]1.
[1 ...]1
La partie orale de l'épreuve consiste en un entretien devant l'un des jurys visés à l'article 19.
Cette partie de l'épreuve[1 porte sur la capacité à répondre à des questions de jugement situationnel sur la compétence technique de communication orale et sur les compétences génériques et comportementales visées à l'alinéa 3]1.
Modifications
Art. 18. [1 § 1. Aan het einde van het schriftelijke deel van de proef stelt (stellen) de in artikel 19 bedoelde examencommissie(s) een rangschikking op van de kandidaten op basis van de verkregen resultaten, per ambt bedoeld in artikel 12, lid 1.
De per ambt best gerangschikte kandidaten worden toegelaten tot het mondelinge gedeelte van de proef voor de examencommissie tot een aantal dat overeenkomt met het aantal in te vullen vacatures vermenigvuldigd met drie.
§ 2. Na het mondelinge gedeelte van de proef worden de kandidaten per ambt gerangschikt op basis van de totale verkregen resultaten.
Het schriftelijke gedeelte van de proef wordt beoordeeld op 50 punten, net als het mondelinge gedeelte.
Om in aanmerking te komen voor een rangschikking per ambt, moet een kandidaat minstens 60 punten op het totaal van 100 punten van de proef halen.
De aldus vastgestelde rangschikking per ambt komt overeen met een reserve per ambt met een geldigheidsduur van vijf jaar vanaf de datum waarop de rangschikking voor het betrokken ambt werd opgesteld ]1.
De per ambt best gerangschikte kandidaten worden toegelaten tot het mondelinge gedeelte van de proef voor de examencommissie tot een aantal dat overeenkomt met het aantal in te vullen vacatures vermenigvuldigd met drie.
§ 2. Na het mondelinge gedeelte van de proef worden de kandidaten per ambt gerangschikt op basis van de totale verkregen resultaten.
Het schriftelijke gedeelte van de proef wordt beoordeeld op 50 punten, net als het mondelinge gedeelte.
Om in aanmerking te komen voor een rangschikking per ambt, moet een kandidaat minstens 60 punten op het totaal van 100 punten van de proef halen.
De aldus vastgestelde rangschikking per ambt komt overeen met een reserve per ambt met een geldigheidsduur van vijf jaar vanaf de datum waarop de rangschikking voor het betrokken ambt werd opgesteld ]1.
Modifications
Art. 18. [1 § 1er. A l'issue de la partie écrite de l'épreuve, pour chaque fonction d'inspecteur, le ou les jurys visés à l'article 19 établissent un classement par fonction visée à l'article 12, alinéa 1er, des candidats selon les résultats obtenus.
Sont admis à la partie orale de l'épreuve devant le jury les candidats les mieux classés par fonction à concurrence d'un nombre correspondant au nombre de postes à pourvoir par fonction multiplié par trois.
§ 2. A l'issue de la partie orale de l'épreuve, les candidats sont classés par fonction selon les résultats totaux obtenus.
La partie écrite de l'épreuve est évaluée sur 50 points de même que la partie orale.
Pour être pris en considération dans un classement par fonction, un candidat doit obtenir un minimum de 60 points sur le total de 100 points de l'épreuve.
Le classement ainsi établi, par fonction, correspond à une réserve par fonction, d'une durée de validité de cinq ans à dater de la date .à laquelle le classement a été établi pour chaque fonction ]1.
Sont admis à la partie orale de l'épreuve devant le jury les candidats les mieux classés par fonction à concurrence d'un nombre correspondant au nombre de postes à pourvoir par fonction multiplié par trois.
§ 2. A l'issue de la partie orale de l'épreuve, les candidats sont classés par fonction selon les résultats totaux obtenus.
La partie écrite de l'épreuve est évaluée sur 50 points de même que la partie orale.
Pour être pris en considération dans un classement par fonction, un candidat doit obtenir un minimum de 60 points sur le total de 100 points de l'épreuve.
Le classement ainsi établi, par fonction, correspond à une réserve par fonction, d'une durée de validité de cinq ans à dater de la date .à laquelle le classement a été établi pour chaque fonction ]1.
Modifications
Art. 19. Er worden een of meer examencommissies voor de toelatingsproef [2 tot de stage]2 opgericht, die als volgt zijn samengesteld:
1° een voorzitter aangesteld door de Regering onder de ambtenaren-generaal van minstens rang 15 [2 , de coördinerende inspecteur-generaal of de inspecteurs-generaal]2;
2° [2 één lid]2 aangesteld door de Regering onder de personeelsleden die in vast verband zijn benoemd van het algemeen bestuur onderwijs, [2 ...]2;
3° [2 één lid]2 aangesteld door de Regering onder de personeelsleden die in vast verband zijn benoemd [2 ...]2 de algemene inspectiedienst;
4° [2 ten minste één en ten hoogste twee externe deskundigen]2 aangesteld door de Regering, met specifieke competenties die verband houden met [2 een van de voornaamste taken van het ambt waarop de aanwerving betrekking heeft]2.
Voor elk effectief lid van de examencommissie van de toelatingsproef, stelt de Regering één plaatsvervangend lid aan volgens dezelfde nadere regels.
[1 Het mandaat van de leden van de examencommissie is onbezoldigd. Een financiële vergoeding kan evenwel toegekend worden aan de deskundige leden bedoeld in het eerste lid, 4°, volgens de nadere regels bepaald door de Regering.]1
Overeenkomstig artikel 14 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, mogen de vertegenwoordigers van de vakorganisaties deze vergaderingen van de examencommissie(s) bijwonen als waarnemers.
De Regering bepaalt de werkingsmodaliteiten van de examencommissie van de toelatingsproef.
De diensten van een externe dienstenverrichter voor de organisatie van de hele of een deel van de toelatingsproef mogen worden bij de examencommissie gevoegd.
[2 Wanneer er meerdere examencommissies zijn samengesteld, komen de voorzitters van elke examencommissie als college samen om te overleggen en de coördinatie van de examencommissies te organiseren, teneinde een beoordeling op gemeenschappelijke basis te garanderen.]2
1° een voorzitter aangesteld door de Regering onder de ambtenaren-generaal van minstens rang 15 [2 , de coördinerende inspecteur-generaal of de inspecteurs-generaal]2;
2° [2 één lid]2 aangesteld door de Regering onder de personeelsleden die in vast verband zijn benoemd van het algemeen bestuur onderwijs, [2 ...]2;
3° [2 één lid]2 aangesteld door de Regering onder de personeelsleden die in vast verband zijn benoemd [2 ...]2 de algemene inspectiedienst;
4° [2 ten minste één en ten hoogste twee externe deskundigen]2 aangesteld door de Regering, met specifieke competenties die verband houden met [2 een van de voornaamste taken van het ambt waarop de aanwerving betrekking heeft]2.
Voor elk effectief lid van de examencommissie van de toelatingsproef, stelt de Regering één plaatsvervangend lid aan volgens dezelfde nadere regels.
[1 Het mandaat van de leden van de examencommissie is onbezoldigd. Een financiële vergoeding kan evenwel toegekend worden aan de deskundige leden bedoeld in het eerste lid, 4°, volgens de nadere regels bepaald door de Regering.]1
Overeenkomstig artikel 14 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, mogen de vertegenwoordigers van de vakorganisaties deze vergaderingen van de examencommissie(s) bijwonen als waarnemers.
De Regering bepaalt de werkingsmodaliteiten van de examencommissie van de toelatingsproef.
De diensten van een externe dienstenverrichter voor de organisatie van de hele of een deel van de toelatingsproef mogen worden bij de examencommissie gevoegd.
[2 Wanneer er meerdere examencommissies zijn samengesteld, komen de voorzitters van elke examencommissie als college samen om te overleggen en de coördinatie van de examencommissies te organiseren, teneinde een beoordeling op gemeenschappelijke basis te garanderen.]2
Art. 19. Il est institué un ou plusieurs jurys d'admission [2 au stage ]2, composés de la manière suivante:
1° un président désigné par le Gouvernement parmi les fonctionnaires généraux de rang 15 au moins [2 , l'Inspecteur général coordonnateur ou les inspecteurs généraux ]2;
2° [2 un membre désigné]2 par le Gouvernement parmi les membres du personnel définitifs de l'Administration générale de l'Enseignement [2 [2 ...]2.
3° [2 un membre désigné]2 par le Gouvernement parmi les membres du personnel [2 définitifs ]2 du Service général de l'Inspection;
4° [2 de minimum un et maximum deux experts externes désignés ]2 par le Gouvernement, ayant une compétence spécifique en lien avec [2 une des principales missions de la fonction visée par le recrutement ]2.
Pour chaque membre effectif du jury de l'épreuve d'admission, le Gouvernement désigne un membre suppléant selon les mêmes modalités.
[1 Le mandat des membres du jury est gratuit. Toutefois, une compensation financière peut être accordée aux membres experts visés à l'alinéa 1er, 4°, selon les modalités fixées par le Gouvernement.]1
Conformément à l'article 14 de l'arrêté royal du 28 septembre 1984 portant exécution de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités, les représentants des organisations syndicales peuvent assister à ces aux réunions de ce ou de ces jurys en tant qu'observateurs.
Le Gouvernement fixe les modalités de fonctionnement du jury de l'épreuve d'admission.
Les services d'un prestataire de services externe pour l'organisation de tout ou partie de l'épreuve d'admission peuvent être adjoints au jury.
[2 Lorsque plusieurs jurys sont constitués, les présidents de chaque jury, réunis en collège, se concertent et organisent la coordination des jurys pour assurer une appréciation sur des bases communes. ]2
1° un président désigné par le Gouvernement parmi les fonctionnaires généraux de rang 15 au moins [2 , l'Inspecteur général coordonnateur ou les inspecteurs généraux ]2;
2° [2 un membre désigné]2 par le Gouvernement parmi les membres du personnel définitifs de l'Administration générale de l'Enseignement [2 [2 ...]2.
3° [2 un membre désigné]2 par le Gouvernement parmi les membres du personnel [2 définitifs ]2 du Service général de l'Inspection;
4° [2 de minimum un et maximum deux experts externes désignés ]2 par le Gouvernement, ayant une compétence spécifique en lien avec [2 une des principales missions de la fonction visée par le recrutement ]2.
Pour chaque membre effectif du jury de l'épreuve d'admission, le Gouvernement désigne un membre suppléant selon les mêmes modalités.
[1 Le mandat des membres du jury est gratuit. Toutefois, une compensation financière peut être accordée aux membres experts visés à l'alinéa 1er, 4°, selon les modalités fixées par le Gouvernement.]1
Conformément à l'article 14 de l'arrêté royal du 28 septembre 1984 portant exécution de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités, les représentants des organisations syndicales peuvent assister à ces aux réunions de ce ou de ces jurys en tant qu'observateurs.
Le Gouvernement fixe les modalités de fonctionnement du jury de l'épreuve d'admission.
Les services d'un prestataire de services externe pour l'organisation de tout ou partie de l'épreuve d'admission peuvent être adjoints au jury.
[2 Lorsque plusieurs jurys sont constitués, les présidents de chaque jury, réunis en collège, se concertent et organisent la coordination des jurys pour assurer une appréciation sur des bases communes. ]2
Art. 20. De examencommissie(s) van de toelatingsproef geven, op eigen initiatief of op verzoek van de Regering, een advies over de toepassing van onderhavige titel.
Art. 20. Le ou les jurys de l'épreuve d'admission remettent, d'initiative ou à la demande du Gouvernement, un avis sur l'application du présent titre.
HOOFDSTUK III.
CHAPITRE III.
Art. 21. Alleen de kandidaten die zijn weerhouden in één van de rangschikkingen bedoeld in artikel 18 mogen deelnemen aan de [1 tot de stage]1 en aan de [1 proef]1 die toegang geeft [1 tot de benoeming]1 bedoeld in artikel [1 54, § 4]1.
[1 De Regering laat de best gerangschikte kandidaten toe tot de stage.]1
[1 De Regering laat de best gerangschikte kandidaten toe tot de stage.]1
Modifications
Art. 21. Seuls les candidats retenus dans l'un des classements d'admission visés à l'article 18 peuvent participer [1 au stage]1 et à l'épreuve [1 ...]1 donnant accès [1 à la nomination ]1 [1 visée ]1 à l'article [1 54,§4]1
[1 Le Gouvernement procède à l'admission au stage des candidats les mieux classés. ]1
[1 Le Gouvernement procède à l'admission au stage des candidats les mieux classés. ]1
Modifications
Art. 22. § 1. De initiële opleiding van inspecteur bestaat uit ten minste 140 uur en drie luiken, die gemeenschappelijk zijn voor alle ambten bedoeld in artikel 32, lid 2, 1° en 2°.
Het eerste luik van de initiële opleiding, dat ten minste 36 uur duurt, is bedoeld om bij de kandidaten het volgende te ontwikkelen:
1° de relationele vaardigheden in het beheer van persoonlijke, interpersoonlijke en groepsrelaties, in het bijzonder in situaties van mondelinge en schriftelijke communicatie, spreken in het openbaar, animatie van vergaderingen, teamwerk, het nemen van beslissingen, conflictmanagement, bemiddeling, controle, onderhandeling en evaluatie;
2° het beheer van een geschikte persoonlijke werking ten opzichte van het beoogde ambt, de eraan verbonden methodes voor taakbeheer, inzonderheid timemanagement, projectmanagement, werkmethodes enz.;
3° het aanleren van een methode om de eigen werking te evalueren die aanzet tot nadenken en een professionele ontwikkeling in het kader van de toekomstige functie en taken;
4° bewust worden van de veranderingen van houding en professionele identiteit van een inspecteur ten aanzien van zijn relationele vaardigheden en competenties, met inbegrip van de deontologische regels.
Het tweede luik van de initiële opleiding, dat ten minste 70 uur duurt, is bedoeld om bij de kandidaten het volgende te ontwikkelen:
1° begrip van de waarden, de betekenis en de draagwijdte van het begrip sturing van het schoolsysteem en de schoolorganisaties, door:
a) het onderwijssysteem vanuit een systemisch oogpunt te bekijken;
b) zich de uitdagingen, waarden, doelstellingen en wetenschappelijke grondslagen van het bestuur en de sturing van het onderwijsstelsel, de methoden en processen voor de evaluatie van het schoolbeleid en de pedagogische hervormingen, in het bijzonder de begrippen verbeteringsdoelen, buitengewone doelstellingen, specifieke doelstellingen, stand van zaken, indicatoren... eigen te maken;
c) zich het organigram en de taken van het algemeen bestuur onderwijs, de rol en de verschillende taken van de actoren van het nieuwe sturingsmodel eigen te maken;
d) de huidige uitdagingen en doelstellingen van het onderwijssysteem en die welke het voorwerp uitmaken van de maatregelen in het verlengde van het `pacte pour un enseignement d'excellence' (pact voor uitmuntend onderwijs) in perspectief te plaatsen, in de eerste plaats in verband met de verbeteringsdoelen; en deze goed te begrijpen;
e) de ontwikkeling te bevorderen van kennis en competenties verbonden aan de verschillende discriminatiecriteria zoals gedekt door het decreet van 12 december 2008 betreffende de bestrijding van sommige vormen van discriminatie; de culturele diversiteit; de concepten van opvoedbaarheid en gelijkheid in opvoeding; de ongelijkheid verbonden met het geslacht, alsook die op sociaal-economisch niveau;
f) de nieuwste wetenschappelijke ontwikkelingen met betrekking tot opvoedkunde te leren;
2° begrip en beheersing van de processen en methodes verbonden aan de uitvoering van een audit in een schoolomgeving, met name:
a) gegevensanalyse: methode voor de verzameling en beschrijvende analyse van kwantitatieve en kwalitatieve analyses, in het bijzonder met betrekking tot productie en interpretatie; het lezen en begrijpen van de kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren; het uitbrengen van verklarende hypothesen;
b) [1 de beoordeling van de beheersing van de bestuursprocessen, de activa en de risico's van een school, een instelling of een psycho-medisch-sociaal centrum;]1
c) de uitwerking en opstelling van een diagnose.
Het derde luik van de initiële opleiding, dat ten minste 24 uur duurt, is bedoeld om bij de kandidaten het volgende te ontwikkelen:
1° de vaardigheden om met open boek de wetgevings- en verordeningsmateries verbonden aan het ambt van inspecteur;
2° begrip en kennis van de werking van een schoolinrichting;
3° vaardigheden inzake administratief beheer verbonden aan het ambt van inspecteur;
4° correct gebruik van digitale hulpmiddelen.
§ 2. Op basis van een voorstel van [2 het Netoverschrijdend instituut voor voortgezette beroepsopleiding]2, gedaan in overleg met de coördinerende inspecteur-generaal, stelt de Regering een opleidingsplan op dat:
1° in voorkomend geval de inhoud en methodologieën van de opleiding vastlegt, alsook de te verwerven kennis en vaardigheden zoals bepaald in paragraaf 1;
2° het aantal opleidingsuren vastlegt voor elk luik van de initiële opleiding bedoeld in paragraaf 1.
Op basis van het opleidingsplan bedoeld in lid 1, wordt de initiële opleiding georganiseerd door [2 het Netoverschrijdend instituut voor voortgezette beroepsopleiding]2. De lesgevers van deze initiële opleiding zijn hoofdzakelijk afkomstig van universiteiten, hogescholen, onderwijsinrichtingen voor sociale promotie, [2 het Netoverschrijdend instituut voor voortgezette beroepsopleiding]2, de school voor overheidsbestuur of het algemeen bestuur onderwijs.
Het eerste luik van de initiële opleiding, dat ten minste 36 uur duurt, is bedoeld om bij de kandidaten het volgende te ontwikkelen:
1° de relationele vaardigheden in het beheer van persoonlijke, interpersoonlijke en groepsrelaties, in het bijzonder in situaties van mondelinge en schriftelijke communicatie, spreken in het openbaar, animatie van vergaderingen, teamwerk, het nemen van beslissingen, conflictmanagement, bemiddeling, controle, onderhandeling en evaluatie;
2° het beheer van een geschikte persoonlijke werking ten opzichte van het beoogde ambt, de eraan verbonden methodes voor taakbeheer, inzonderheid timemanagement, projectmanagement, werkmethodes enz.;
3° het aanleren van een methode om de eigen werking te evalueren die aanzet tot nadenken en een professionele ontwikkeling in het kader van de toekomstige functie en taken;
4° bewust worden van de veranderingen van houding en professionele identiteit van een inspecteur ten aanzien van zijn relationele vaardigheden en competenties, met inbegrip van de deontologische regels.
Het tweede luik van de initiële opleiding, dat ten minste 70 uur duurt, is bedoeld om bij de kandidaten het volgende te ontwikkelen:
1° begrip van de waarden, de betekenis en de draagwijdte van het begrip sturing van het schoolsysteem en de schoolorganisaties, door:
a) het onderwijssysteem vanuit een systemisch oogpunt te bekijken;
b) zich de uitdagingen, waarden, doelstellingen en wetenschappelijke grondslagen van het bestuur en de sturing van het onderwijsstelsel, de methoden en processen voor de evaluatie van het schoolbeleid en de pedagogische hervormingen, in het bijzonder de begrippen verbeteringsdoelen, buitengewone doelstellingen, specifieke doelstellingen, stand van zaken, indicatoren... eigen te maken;
c) zich het organigram en de taken van het algemeen bestuur onderwijs, de rol en de verschillende taken van de actoren van het nieuwe sturingsmodel eigen te maken;
d) de huidige uitdagingen en doelstellingen van het onderwijssysteem en die welke het voorwerp uitmaken van de maatregelen in het verlengde van het `pacte pour un enseignement d'excellence' (pact voor uitmuntend onderwijs) in perspectief te plaatsen, in de eerste plaats in verband met de verbeteringsdoelen; en deze goed te begrijpen;
e) de ontwikkeling te bevorderen van kennis en competenties verbonden aan de verschillende discriminatiecriteria zoals gedekt door het decreet van 12 december 2008 betreffende de bestrijding van sommige vormen van discriminatie; de culturele diversiteit; de concepten van opvoedbaarheid en gelijkheid in opvoeding; de ongelijkheid verbonden met het geslacht, alsook die op sociaal-economisch niveau;
f) de nieuwste wetenschappelijke ontwikkelingen met betrekking tot opvoedkunde te leren;
2° begrip en beheersing van de processen en methodes verbonden aan de uitvoering van een audit in een schoolomgeving, met name:
a) gegevensanalyse: methode voor de verzameling en beschrijvende analyse van kwantitatieve en kwalitatieve analyses, in het bijzonder met betrekking tot productie en interpretatie; het lezen en begrijpen van de kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren; het uitbrengen van verklarende hypothesen;
b) [1 de beoordeling van de beheersing van de bestuursprocessen, de activa en de risico's van een school, een instelling of een psycho-medisch-sociaal centrum;]1
c) de uitwerking en opstelling van een diagnose.
Het derde luik van de initiële opleiding, dat ten minste 24 uur duurt, is bedoeld om bij de kandidaten het volgende te ontwikkelen:
1° de vaardigheden om met open boek de wetgevings- en verordeningsmateries verbonden aan het ambt van inspecteur;
2° begrip en kennis van de werking van een schoolinrichting;
3° vaardigheden inzake administratief beheer verbonden aan het ambt van inspecteur;
4° correct gebruik van digitale hulpmiddelen.
§ 2. Op basis van een voorstel van [2 het Netoverschrijdend instituut voor voortgezette beroepsopleiding]2, gedaan in overleg met de coördinerende inspecteur-generaal, stelt de Regering een opleidingsplan op dat:
1° in voorkomend geval de inhoud en methodologieën van de opleiding vastlegt, alsook de te verwerven kennis en vaardigheden zoals bepaald in paragraaf 1;
2° het aantal opleidingsuren vastlegt voor elk luik van de initiële opleiding bedoeld in paragraaf 1.
Op basis van het opleidingsplan bedoeld in lid 1, wordt de initiële opleiding georganiseerd door [2 het Netoverschrijdend instituut voor voortgezette beroepsopleiding]2. De lesgevers van deze initiële opleiding zijn hoofdzakelijk afkomstig van universiteiten, hogescholen, onderwijsinrichtingen voor sociale promotie, [2 het Netoverschrijdend instituut voor voortgezette beroepsopleiding]2, de school voor overheidsbestuur of het algemeen bestuur onderwijs.
Art. 22. § 1er. La formation initiale de l'inspecteur compte un minimum de 140 heures et comporte trois volets, communs à toutes les fonctions visées à l'article 32, alinéa 2, 1° et 2°.
Le premier volet de la formation initiale, dont la durée s'élève à minimum de 36 heures, vise à développer chez les candidats:
1° des aptitudes relationnelles dans la gestion des relations personnelles, interpersonnelles et groupales, en particulier dans les situations de communication orale et écrite, de prise de parole en public, d'animation de réunion, de travail en équipe, de prise de décision, de gestion de conflits, de médiation, de contrôle, de négociation et d'évaluation;
2° la gestion d'un fonctionnement personnel adéquat par rapport à la fonction d'inspecteur, de méthodes de gestion des tâches y liées, notamment la gestion du temps, la gestion de projets, les méthodologies de travail, ...;
3° l'acquisition d'une méthode d'évaluation de leur propre action favorisant une aptitude à la réflexivité et au développement professionnel dans le cadre de leur future fonction et de leurs missions;
4° la prise de conscience des changements de posture et d'identité professionnelle d'un inspecteur par rapport à ses aptitudes et compétences relationnelles, en ce compris les règles de déontologie.
Le deuxième volet de la formation initiale, dont la durée s'élève à un minimum de 70 heures, vise à développer chez les candidats:
1° la compréhension des valeurs, du sens et de la portée de la notion de pilotage du système scolaire et des organisations scolaires, en:
a) appréhendant le système éducatif dans une perspective systémique;
b) s'appropriant les enjeux, les valeurs, les finalités et les fondements scientifiques de la gouvernance et du pilotage du système éducatif; les méthodes et processus d'évaluation des politiques scolaires et des réformes pédagogiques; en particulier les notions d'objectifs d'amélioration, d'objectifs particuliers, d'objectifs spécifiques, d'état des lieux, d'indicateurs, ...;
c) s'appropriant l'organigramme et les missions de l'Administration générale de l'Enseignement, le rôle et les missions des différents acteurs du modèle de pilotage;
d) mettant en perspective les enjeux et finalités actuels du pilotage du système éducatif et ceux qui font l'objet de mesures dans les axes du Pacte pour un Enseignement d'excellence, prioritairement en lien avec les objectifs d'amélioration; en avoir une bonne appréhension;
e) poursuivant le développement des savoirs et compétences liés aux différents critères de discrimination tels que couverts par le décret du 12 décembre 2008 relatif à la lutte contre certaines formes de discrimination; à la diversité culturelle; aux concepts d'éducabilité et d'égalité en éducation; aux inégalités liées au sexe, ainsi qu'à celles liées au niveau socio-économique;
f) appréhendant les dernières avancées scientifiques relatives aux sciences de l'éducation;
2° la compréhension et la maîtrise des processus et méthodologies liés à la réalisation d'un audit en milieu scolaire, notamment:
a) l'analyse des données: méthodologie du recueil et de l'analyse descriptive de données quantitatives et qualitatives, en particulier celle relative à la production, à l'interprétation; la lecture et compréhension des indicateurs quantitatifs et qualitatifs; l'émission d'hypothèses explicatives;
b) [1 l'évaluation de la maîtrise des processus de gouvernance, des atouts et des risques d'une école, d'un établissement ou d'un centre psycho-médico-social;]1
c) l'élaboration et la rédaction d'un diagnostic.
Le troisième volet de la formation initiale, dont la durée s'élève à un minimum de 24 heures, vise à développer chez les candidats:
1° l'aptitude à maîtriser à livre ouvert les matières législatives et réglementaires liées à la fonction d'inspecteur;
2° la compréhension et la connaissance du fonctionnement d'un établissement scolaire;
3° des capacités de gestion administrative liée à la fonction d'inspecteur;
4° l'utilisation adéquate des outils numériques.
§ 2. Sur la base d'une proposition de [2 l'Institut interréseaux de la Formation professionnelle continue]2, faite en concertation avec l'Inspecteur général coordonnateur, le Gouvernement élabore un plan de formation qui:
1° fixe, le cas échéant, le contenu et les méthodologies de la formation ainsi que les connaissances et capacités à acquérir, tels que définis au paragraphe 1er;
2° fixe le nombre d'heures de formation pour chacun des volets de la formation initiale visés au paragraphe 1er.
Sur la base du plan de formation visé à l'alinéa 1er, la formation initiale est organisée par [2 l'Institut interréseaux de la Formation professionnelle continue]2. Les formateurs de cette formation initiale sont prioritairement issus des Universités, des Hautes Ecoles, des établissements d'enseignement de promotion sociale, de [2 l'Institut interréseaux de la Formation professionnelle continue]2, de l'Ecole d'Administration publique ou de l'Administration générale de l'Enseignement.
Le premier volet de la formation initiale, dont la durée s'élève à minimum de 36 heures, vise à développer chez les candidats:
1° des aptitudes relationnelles dans la gestion des relations personnelles, interpersonnelles et groupales, en particulier dans les situations de communication orale et écrite, de prise de parole en public, d'animation de réunion, de travail en équipe, de prise de décision, de gestion de conflits, de médiation, de contrôle, de négociation et d'évaluation;
2° la gestion d'un fonctionnement personnel adéquat par rapport à la fonction d'inspecteur, de méthodes de gestion des tâches y liées, notamment la gestion du temps, la gestion de projets, les méthodologies de travail, ...;
3° l'acquisition d'une méthode d'évaluation de leur propre action favorisant une aptitude à la réflexivité et au développement professionnel dans le cadre de leur future fonction et de leurs missions;
4° la prise de conscience des changements de posture et d'identité professionnelle d'un inspecteur par rapport à ses aptitudes et compétences relationnelles, en ce compris les règles de déontologie.
Le deuxième volet de la formation initiale, dont la durée s'élève à un minimum de 70 heures, vise à développer chez les candidats:
1° la compréhension des valeurs, du sens et de la portée de la notion de pilotage du système scolaire et des organisations scolaires, en:
a) appréhendant le système éducatif dans une perspective systémique;
b) s'appropriant les enjeux, les valeurs, les finalités et les fondements scientifiques de la gouvernance et du pilotage du système éducatif; les méthodes et processus d'évaluation des politiques scolaires et des réformes pédagogiques; en particulier les notions d'objectifs d'amélioration, d'objectifs particuliers, d'objectifs spécifiques, d'état des lieux, d'indicateurs, ...;
c) s'appropriant l'organigramme et les missions de l'Administration générale de l'Enseignement, le rôle et les missions des différents acteurs du modèle de pilotage;
d) mettant en perspective les enjeux et finalités actuels du pilotage du système éducatif et ceux qui font l'objet de mesures dans les axes du Pacte pour un Enseignement d'excellence, prioritairement en lien avec les objectifs d'amélioration; en avoir une bonne appréhension;
e) poursuivant le développement des savoirs et compétences liés aux différents critères de discrimination tels que couverts par le décret du 12 décembre 2008 relatif à la lutte contre certaines formes de discrimination; à la diversité culturelle; aux concepts d'éducabilité et d'égalité en éducation; aux inégalités liées au sexe, ainsi qu'à celles liées au niveau socio-économique;
f) appréhendant les dernières avancées scientifiques relatives aux sciences de l'éducation;
2° la compréhension et la maîtrise des processus et méthodologies liés à la réalisation d'un audit en milieu scolaire, notamment:
a) l'analyse des données: méthodologie du recueil et de l'analyse descriptive de données quantitatives et qualitatives, en particulier celle relative à la production, à l'interprétation; la lecture et compréhension des indicateurs quantitatifs et qualitatifs; l'émission d'hypothèses explicatives;
b) [1 l'évaluation de la maîtrise des processus de gouvernance, des atouts et des risques d'une école, d'un établissement ou d'un centre psycho-médico-social;]1
c) l'élaboration et la rédaction d'un diagnostic.
Le troisième volet de la formation initiale, dont la durée s'élève à un minimum de 24 heures, vise à développer chez les candidats:
1° l'aptitude à maîtriser à livre ouvert les matières législatives et réglementaires liées à la fonction d'inspecteur;
2° la compréhension et la connaissance du fonctionnement d'un établissement scolaire;
3° des capacités de gestion administrative liée à la fonction d'inspecteur;
4° l'utilisation adéquate des outils numériques.
§ 2. Sur la base d'une proposition de [2 l'Institut interréseaux de la Formation professionnelle continue]2, faite en concertation avec l'Inspecteur général coordonnateur, le Gouvernement élabore un plan de formation qui:
1° fixe, le cas échéant, le contenu et les méthodologies de la formation ainsi que les connaissances et capacités à acquérir, tels que définis au paragraphe 1er;
2° fixe le nombre d'heures de formation pour chacun des volets de la formation initiale visés au paragraphe 1er.
Sur la base du plan de formation visé à l'alinéa 1er, la formation initiale est organisée par [2 l'Institut interréseaux de la Formation professionnelle continue]2. Les formateurs de cette formation initiale sont prioritairement issus des Universités, des Hautes Ecoles, des établissements d'enseignement de promotion sociale, de [2 l'Institut interréseaux de la Formation professionnelle continue]2, de l'Ecole d'Administration publique ou de l'Administration générale de l'Enseignement.
Art. 23. De initiële opleiding is gratis en begint binnen de drie maanden die volgen op het opstellen van de rangschikking bedoeld in artikel 18. Behalve als dit vereist is, wordt ze buiten de normale werkuren van de scholen georganiseerd. De personeelsleden die de initiële opleiding volgen, worden geacht personeelsleden in actieve dienst te zijn.
Alle kandidaten die de initiële opleiding hebben gevolgd, ontvangen een attest van bijwoning. Alleen kandidaten die een attest voorleggen dat bewijst dat zij effectief minstens 75 % van de tijd van elk luik van de initiële opleiding hebben gevolgd of het bewijs dat ze volledig zijn vrijgesteld krachtens artikel 24, worden toegelaten voor de kwalificatieproef.
Alle kandidaten die de initiële opleiding hebben gevolgd, ontvangen een attest van bijwoning. Alleen kandidaten die een attest voorleggen dat bewijst dat zij effectief minstens 75 % van de tijd van elk luik van de initiële opleiding hebben gevolgd of het bewijs dat ze volledig zijn vrijgesteld krachtens artikel 24, worden toegelaten voor de kwalificatieproef.
Art. 23. La formation initiale est gratuite et débute dans les trois mois qui suivent l'établissement des classements d'admission visé à l'article 18. Sauf nécessité, elle est organisée en dehors des périodes normales de fonctionnement des écoles. Les membres du personnel qui suivent la formation initiale sont considérés comme étant en activité de service.
Tous les candidats qui ont suivi la formation initiale reçoivent une attestation de fréquentation. Seuls les candidats qui fournissent une attestation prouvant qu'ils ont effectivement suivi au moins 75 % du temps de chaque volet de la formation initiale ou la preuve qu'ils en ont été totalement dispensés en vertu de l'article 24 sont admis à présenter l'épreuve de certification.
Tous les candidats qui ont suivi la formation initiale reçoivent une attestation de fréquentation. Seuls les candidats qui fournissent une attestation prouvant qu'ils ont effectivement suivi au moins 75 % du temps de chaque volet de la formation initiale ou la preuve qu'ils en ont été totalement dispensés en vertu de l'article 24 sont admis à présenter l'épreuve de certification.
Art. 24. Om rekening te houden met de competentieportefeuille van de kandidaten, kan de coördinerende inspecteur-generaal, op voordracht van [1 het Netoverschrijdend instituut voor voortgezette beroepsopleiding]1, de kandidaten vrijstellen van een of meer luiken van de initiële opleiding of van een deel van de uren van de initiële opleiding, op voorwaarde dat ze een of meerdere gelijkwaardige opleidingen met succes heeft gevolgd.
Modifications
Art. 24. Pour tenir compte du portefeuille de compétences des candidats, l'Inspecteur général coordonnateur, sur la proposition de [1 l'Institut interréseaux de la Formation professionnelle continue]1, peut dispenser les candidats du suivi d'un volet ou de plusieurs volets de la formation initiale, ou d'une partie des heures de la formation initiale, dans l'hypothèse où ils auraient suivi, et le cas échéant réussi, une ou des formations équivalentes.
Modifications
HOOFDSTUK IV. - Getuigschrift dat toegang geeft tot de stage voor het bevorderingsambt van inspecteur
CHAPITRE IV. - De la certification donnant accès au stage à la fonction de promotion d'inspecteur
Art. 25. De kwalificatieproef bedoeld in artikel 21 wordt uiterlijk binnen de zes maanden na het beëindigen van de initiële opleidingssessie georganiseerd. Ze bestaat uit een zelf geschreven werk dat wordt verdedigd [1 voor een van de in artikel 28 bedoelde examencommissies]1.
Modifications
Art. 25. L'épreuve de certification visée à l'article 21 est organisée dans les six mois au plus tard du terme de la session de la formation initiale. Elle consiste en une production écrite personnelle défendue [1 devant l'un des jurys visés à l'article 28]1.
Modifications
Art. 26. Dit zelf geschreven werk bedoeld in artikel 25 bestaat uit een geschreven dossier bestaande uit:
1° twee persoonlijke casestudy's waarvan er minstens één betrekking heeft op de leerstof die werd behandeld in het tweede luik van de initiële opleiding;
2° een overzicht van de competenties van de kandidaat met zijn voornaamste sterktes en zwaktes, ondersteund door zijn loopbaan en in verband gebracht met de kennis en vaardigheden die aan bod komen in de luiken van de initiële opleiding.
De verdediging van het dossier voor de examencommissie bestaat uit de mondelinge presentatie en verdediging van een van beide cases van het dossier.
De examencommissie baseert haar beoordeling van de kwalificatieproef op de volgende evaluatiecriteria:
1° de samenhang tussen het overzicht van de competenties en de weerspiegeling van deze competenties in de door de kandidaat verdedigde casestudy's;
2° de relevantie van de door de kandidaat in de casestudy's voorgestelde acties;
3° de graad van beheersing van de veronderstelde kennis en vaardigheden die werden ontwikkeld in het kader van elk luik van de initiële opleiding;
4° het vermogen om schriftelijk te communiceren;
5° het vermogen om mondeling te communiceren.
De Regering legt de weging tussen de evaluatiecriteria vast zonder dat ook maar één ervan de 40 % overschrijdt, alsook de nadere regels voor de organisatie en evaluatie van de proef.
1° twee persoonlijke casestudy's waarvan er minstens één betrekking heeft op de leerstof die werd behandeld in het tweede luik van de initiële opleiding;
2° een overzicht van de competenties van de kandidaat met zijn voornaamste sterktes en zwaktes, ondersteund door zijn loopbaan en in verband gebracht met de kennis en vaardigheden die aan bod komen in de luiken van de initiële opleiding.
De verdediging van het dossier voor de examencommissie bestaat uit de mondelinge presentatie en verdediging van een van beide cases van het dossier.
De examencommissie baseert haar beoordeling van de kwalificatieproef op de volgende evaluatiecriteria:
1° de samenhang tussen het overzicht van de competenties en de weerspiegeling van deze competenties in de door de kandidaat verdedigde casestudy's;
2° de relevantie van de door de kandidaat in de casestudy's voorgestelde acties;
3° de graad van beheersing van de veronderstelde kennis en vaardigheden die werden ontwikkeld in het kader van elk luik van de initiële opleiding;
4° het vermogen om schriftelijk te communiceren;
5° het vermogen om mondeling te communiceren.
De Regering legt de weging tussen de evaluatiecriteria vast zonder dat ook maar één ervan de 40 % overschrijdt, alsook de nadere regels voor de organisatie en evaluatie van de proef.
Art. 26. La production écrite personnelle visée à l'article 25 consiste en un dossier constitué:
1° de deux études de cas personnel dont l'un au moins porte sur une dimension travaillée dans le deuxième volet de la formation initiale;
2° d'un bilan de compétences du candidat, reprenant ses principaux atouts et faiblesses, le candidat les étayant à partir de son parcours professionnel et les mettant en lien avec les connaissances et capacités supposées développées dans le cadre de chacun des volets de la formation initiale.
La défense du dossier devant le jury consiste en la présentation et la défense orales de l'un des deux cas personnels étudiés.
Le jury fonde son appréciation de l'épreuve de certification sur les critères d'évaluation suivants:
1° la cohérence entre le bilan de compétences et le reflet de ces compétences dans les études de cas défendues par le candidat;
2° la pertinence des actions proposées par le candidat dans les études de cas;
3° le degré de maîtrise des connaissances et capacités supposées développées dans le cadre de chacun des volets de la formation initiale;
4° la capacité à communiquer par écrit;
5° la capacité à communiquer oralement.
Le Gouvernement fixe la pondération entre les critères d'évaluation, sans pour autant qu'aucun d'entre eux ne dépasse 40 %, ainsi que les modalités d'organisation et d'évaluation de l'épreuve.
1° de deux études de cas personnel dont l'un au moins porte sur une dimension travaillée dans le deuxième volet de la formation initiale;
2° d'un bilan de compétences du candidat, reprenant ses principaux atouts et faiblesses, le candidat les étayant à partir de son parcours professionnel et les mettant en lien avec les connaissances et capacités supposées développées dans le cadre de chacun des volets de la formation initiale.
La défense du dossier devant le jury consiste en la présentation et la défense orales de l'un des deux cas personnels étudiés.
Le jury fonde son appréciation de l'épreuve de certification sur les critères d'évaluation suivants:
1° la cohérence entre le bilan de compétences et le reflet de ces compétences dans les études de cas défendues par le candidat;
2° la pertinence des actions proposées par le candidat dans les études de cas;
3° le degré de maîtrise des connaissances et capacités supposées développées dans le cadre de chacun des volets de la formation initiale;
4° la capacité à communiquer par écrit;
5° la capacité à communiquer oralement.
Le Gouvernement fixe la pondération entre les critères d'évaluation, sans pour autant qu'aucun d'entre eux ne dépasse 40 %, ainsi que les modalités d'organisation et d'évaluation de l'épreuve.
Art. 27. Na afloop van de verdediging van het dossier bedoeld in artikel 26, lid 2, doet [1 de examencommissie of examencommissies voor de certificeringsproef]1, in afwezigheid van de kandidaat, uitspraak over de afgifte van een getuigschrift van voltooiing of niet-voltooiing. De proef wordt beschouwd als geslaagd als de kandidaat ten minste 60 % van het totaal aantal punten voor de proef heeft behaald.
[1 De examencommissie of examencommissies]1 wordt ook belast met het opstellen van een rangschikking, per ambt, van de kandidaten aan wie een getuigschrift van voltooiing werd afgeleverd.
De aldus opgestelde rangschikking vormt een wervingsreserve voor elk ambt en is vier jaar geldig vanaf de datum waarop de rangschikkingen voor het betrokken ambt werden opgesteld.
[1 De examencommissie of examencommissies]1 wordt ook belast met het opstellen van een rangschikking, per ambt, van de kandidaten aan wie een getuigschrift van voltooiing werd afgeleverd.
De aldus opgestelde rangschikking vormt een wervingsreserve voor elk ambt en is vier jaar geldig vanaf de datum waarop de rangschikkingen voor het betrokken ambt werden opgesteld.
Modifications
Art. 27. A l'issue de la défense du dossier visée à l'article 26, alinéa 2, [1 le ou les jurys de l'épreuve de certification statuent]1, hors la présence du candidat, sur la délivrance d'une attestation d'échec ou de réussite. L'épreuve est considérée comme réussie si le candidat a obtenu au moins 60 % des points au total de l'ensemble de l'épreuve.
[1 Le ou les jurys sont]1 également chargé d'établir un classement, par fonction, des candidats pour lesquels une attestation de réussite a été délivrée.
Le classement ainsi établi, par fonction, correspond à une réserve par fonction, d'une durée de validité de quatre ans à dater de la date à laquelle le classement a été établi pour la fonction concernée.
[1 Le ou les jurys sont]1 également chargé d'établir un classement, par fonction, des candidats pour lesquels une attestation de réussite a été délivrée.
Le classement ainsi établi, par fonction, correspond à une réserve par fonction, d'une durée de validité de quatre ans à dater de la date à laquelle le classement a été établi pour la fonction concernée.
Modifications
Art. 28. [2 Er worden één of meer examencommissies voor de certificeringsproef ingesteld, die als volgt zijn samengesteld:]2
1° een voorzitter aangesteld door de Regering onder de ambtenaren-generaal van minstens rang 15;
2° [2 twee]2 leden aangesteld door de Regering onder de personeelsleden die in vast verband zijn benoemd van het algemeen bestuur onderwijs, waarvan minstens één als vertegenwoordiger van de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem;
3° [2 twee]2 leden aangesteld door de Regering onder de personeelsleden die in vast verband zijn benoemd of een mandaat uitoefenen binnen de algemene inspectiedienst;
4° [2 twee]2 externe deskundigen aangesteld door de Regering, met specifieke competenties die verband houden met de verschillende luiken van de initiële opleiding.
Voor elk effectief lid van de examencommissie van de kwalificatieproef, stelt de Regering één plaatsvervangend lid aan volgens dezelfde nadere regels.
[1 Het mandaat van de leden van de examencommissie is onbezoldigd. Een financiële vergoeding kan evenwel toegekend worden aan de deskundige leden bedoeld in het eerste lid, 4°, volgens de nadere regels bepaald door de Regering.]1
Overeenkomstig artikel 14 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, mogen de vertegenwoordigers van de vakorganisaties deze vergaderingen van [2 deze examencommissie of deze examencommissies]2 bijwonen als waarnemers.
De Regering bepaalt de werkingsmodaliteiten [2 van de examencommissie of examencommissies]2 van de kwalificatieproef.
1° een voorzitter aangesteld door de Regering onder de ambtenaren-generaal van minstens rang 15;
2° [2 twee]2 leden aangesteld door de Regering onder de personeelsleden die in vast verband zijn benoemd van het algemeen bestuur onderwijs, waarvan minstens één als vertegenwoordiger van de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem;
3° [2 twee]2 leden aangesteld door de Regering onder de personeelsleden die in vast verband zijn benoemd of een mandaat uitoefenen binnen de algemene inspectiedienst;
4° [2 twee]2 externe deskundigen aangesteld door de Regering, met specifieke competenties die verband houden met de verschillende luiken van de initiële opleiding.
Voor elk effectief lid van de examencommissie van de kwalificatieproef, stelt de Regering één plaatsvervangend lid aan volgens dezelfde nadere regels.
[1 Het mandaat van de leden van de examencommissie is onbezoldigd. Een financiële vergoeding kan evenwel toegekend worden aan de deskundige leden bedoeld in het eerste lid, 4°, volgens de nadere regels bepaald door de Regering.]1
Overeenkomstig artikel 14 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, mogen de vertegenwoordigers van de vakorganisaties deze vergaderingen van [2 deze examencommissie of deze examencommissies]2 bijwonen als waarnemers.
De Regering bepaalt de werkingsmodaliteiten [2 van de examencommissie of examencommissies]2 van de kwalificatieproef.
Art. 28. [2 Il est institué un ou plusieurs jurys de l'épreuve de certification composés de la manière suivante:]2
1° d'un président désigné par le Gouvernement parmi les fonctionnaires généraux de rang 15 au moins;
2° de [2 deux]2 membres désignés par le Gouvernement parmi les membres du personnel [2 ...]2 de l'Administration générale de l'Enseignement, dont l'un au moins représente la Direction générale du Pilotage du Système Educatif;
3° de [2 deux]2 membres désignés par le Gouvernement parmi les membres du personnel définitifs ou exerçant un mandat au sein du Service général de l'Inspection;
4° de [2 deux]2 experts externes désignés par le Gouvernement, ayant une compétence spécifique en lien avec les différents volets de la formation initiale.
Pour chaque membre effectif du jury de l'épreuve de certification, le Gouvernement désigne un membre suppléant selon les mêmes modalités.
[1 Le mandat des membres du jury est gratuit. Toutefois, une compensation financière peut être accordée aux membres experts visés à l'alinéa 1er, 4°, selon les modalités fixées par le Gouvernement. ]1
Conformément à l'article 14 de l'arrêté royal du 28 septembre 1984 portant exécution de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités, les représentants des organisations syndicales peuvent assister aux réunions de [2 ce ou ces jurys]2 en tant qu'observateurs.
Le Gouvernement fixe les modalités de fonctionnement [2 du ou des jurys]2 de l'épreuve de certification.
1° d'un président désigné par le Gouvernement parmi les fonctionnaires généraux de rang 15 au moins;
2° de [2 deux]2 membres désignés par le Gouvernement parmi les membres du personnel [2 ...]2 de l'Administration générale de l'Enseignement, dont l'un au moins représente la Direction générale du Pilotage du Système Educatif;
3° de [2 deux]2 membres désignés par le Gouvernement parmi les membres du personnel définitifs ou exerçant un mandat au sein du Service général de l'Inspection;
4° de [2 deux]2 experts externes désignés par le Gouvernement, ayant une compétence spécifique en lien avec les différents volets de la formation initiale.
Pour chaque membre effectif du jury de l'épreuve de certification, le Gouvernement désigne un membre suppléant selon les mêmes modalités.
[1 Le mandat des membres du jury est gratuit. Toutefois, une compensation financière peut être accordée aux membres experts visés à l'alinéa 1er, 4°, selon les modalités fixées par le Gouvernement. ]1
Conformément à l'article 14 de l'arrêté royal du 28 septembre 1984 portant exécution de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités, les représentants des organisations syndicales peuvent assister aux réunions de [2 ce ou ces jurys]2 en tant qu'observateurs.
Le Gouvernement fixe les modalités de fonctionnement [2 du ou des jurys]2 de l'épreuve de certification.
Art. 29. [1 De examencommissie of examencommissies voor de certificeringsproef leggen voor]1, op eigen initiatief of op verzoek van de Regering, een advies over de toepassing van onderhavige titel.
Modifications
Art. 29. [1 Le ou les jurys de l'épreuve de certification remettent]1, d'initiative ou à la demande du Gouvernement, un avis sur l'application du présent titre.
Modifications
TITEL III. - Statuut van personeelsleden van de algemene inspectiedienst
TITRE III. - Du statut des membres du personnel du Service général de l'Inspection
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales
Art. 30. Deze titel is van toepassing op de personeelsleden van de algemene inspectiedienst, hierna `de personeelsleden' genoemd.
Art. 30. Le présent titre s'applique aux membres du personnel du Service général de l'Inspection, ci-après dénommés " les membres du personnel ".
Art. 31. Voor de toepassing van deze titel, worden de termijnen berekend als volgt:
1° de dag die de datum vaststelt van de akte die er het uitgangspunt van uitmaakt, is niet inbegrepen;
2° de dag waarop hij ophoudt uitwerking te hebben, wordt in de termijn inbegrepen. Als die dag echter een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, met inbegrip van de feestdagen van of in de Franse Gemeenschap, wordt hij naar de eerstvolgende werkdag uitgesteld.
1° de dag die de datum vaststelt van de akte die er het uitgangspunt van uitmaakt, is niet inbegrepen;
2° de dag waarop hij ophoudt uitwerking te hebben, wordt in de termijn inbegrepen. Als die dag echter een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, met inbegrip van de feestdagen van of in de Franse Gemeenschap, wordt hij naar de eerstvolgende werkdag uitgesteld.
Art. 31. Pour l'application du présent titre, les délais se calculent comme suit:
1° le jour de l'acte qui en constitue le point de départ n'est pas compris;
2° le jour de l'échéance est compté dans le délai. Toutefois, lorsque ce jour est un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, en ce compris les jours fériés de ou dans la Communauté française, le jour de l'échéance est reporté au plus prochain jour ouvrable.
1° le jour de l'acte qui en constitue le point de départ n'est pas compris;
2° le jour de l'échéance est compté dans le délai. Toutefois, lorsque ce jour est un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, en ce compris les jours fériés de ou dans la Communauté française, le jour de l'échéance est reporté au plus prochain jour ouvrable.
Art. 32. De bevorderingsambten die de personeelsleden van de algemene inspectiedienst kunnen uitoefenen alsook de ambten waarvan de kandidaten voor het ambt houder moeten zijn, zijn opgenomen in bijlage I van onderhavig decreet.
De Regering stelt de lijst met bevorderingsambten van personeelsleden van de algemene inspectiedienst op door ze te klasseren in de volgende categorieën:
1° Inspecteur;
2° Inspecteur voor een cursus godsdienst of niet-confessionele zedenleer;
3° Coördinerende inspecteur;
4° Inspecteur-generaal;
5° Coördinerende inspecteur-generaal.
De Regering stelt de lijst met bevorderingsambten van personeelsleden van de algemene inspectiedienst op door ze te klasseren in de volgende categorieën:
1° Inspecteur;
2° Inspecteur voor een cursus godsdienst of niet-confessionele zedenleer;
3° Coördinerende inspecteur;
4° Inspecteur-generaal;
5° Coördinerende inspecteur-generaal.
Art. 32. Les fonctions de promotion que peuvent exercer les membres du personnel du Service général de l'Inspection ainsi que les fonctions dont doivent être titulaires les candidats à la fonction sont reprises dans l'annexe Ire du présent décret.
Le Gouvernement établit la liste des fonctions de promotion des membres du personnel du Service général de l'Inspection en veillant à les classer au sein des catégories suivantes:
1° Inspecteur;
2° Inspecteur d'un cours de religion ou du cours de morale non confessionnelle;
3° Inspecteur coordonnateur;
4° Inspecteur général;
5° Inspecteur général coordonnateur.
Le Gouvernement établit la liste des fonctions de promotion des membres du personnel du Service général de l'Inspection en veillant à les classer au sein des catégories suivantes:
1° Inspecteur;
2° Inspecteur d'un cours de religion ou du cours de morale non confessionnelle;
3° Inspecteur coordonnateur;
4° Inspecteur général;
5° Inspecteur général coordonnateur.
Art. 33. De Regering stelt het gemeenschappelijke competentieprofiel op voor het uitoefenen van het ambt van inspecteur bedoeld in artikel 32, lid 2, 1° en 2°, dat de specifieke competenties, de technische competenties alsook de generieke en gedragscompetenties bepaalt.
Bij zijn indiensttreding legt het personeelslid dat in vast verband benoemd is, stage loopt of voorlopig aangesteld is in een bevorderingsambt van inspecteur de eed af in handen van de ambtenaar-generaal die door de Regering of haar afgevaardigde aangesteld wordt.
De eed wordt geformuleerd zoals bepaald in artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831. Akte wordt daarvan aan het personeelslid gegeven.
Bij zijn indiensttreding legt het personeelslid dat in vast verband benoemd is, stage loopt of voorlopig aangesteld is in een bevorderingsambt van inspecteur de eed af in handen van de ambtenaar-generaal die door de Regering of haar afgevaardigde aangesteld wordt.
De eed wordt geformuleerd zoals bepaald in artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831. Akte wordt daarvan aan het personeelslid gegeven.
Art. 33. Le Gouvernement définit le profil de compétences commun à l'exercice de la fonction d'inspecteur visée à l'article 32, alinéa 2, 1° et 2°, qui définit les compétences spécifiques, les compétences techniques ainsi que les compétences génériques et comportementales.
Lors de son entrée en fonction, le membre du personnel nommé à titre définitif, admis au stage ou désigné à titre provisoire dans une fonction de promotion d'inspecteur, prête serment entre les mains du fonctionnaire général désigné par le Gouvernement ou de son délégué.
Le serment s'énonce dans les termes fixés par l'article 2 du décret du 20 juillet 1831. Acte en est donné au membre du personnel.
Lors de son entrée en fonction, le membre du personnel nommé à titre définitif, admis au stage ou désigné à titre provisoire dans une fonction de promotion d'inspecteur, prête serment entre les mains du fonctionnaire général désigné par le Gouvernement ou de son délégué.
Le serment s'énonce dans les termes fixés par l'article 2 du décret du 20 juillet 1831. Acte en est donné au membre du personnel.
Art. 34. De Regering bepaalt de kosten die aan de personeelsleden kunnen worden terugbetaald. Dit zijn de volgende:
1° reiskosten;
2° verblijfskosten;
3° andere kosten, waarvan inzonderheid kosten met betrekking tot schriftelijke en telefonische communicaties, het internet en de aankoop van documentatie.
De Regering legt de grenzen en nadere regels vast voor de terugbetaling bedoeld in lid 1;
1° reiskosten;
2° verblijfskosten;
3° andere kosten, waarvan inzonderheid kosten met betrekking tot schriftelijke en telefonische communicaties, het internet en de aankoop van documentatie.
De Regering legt de grenzen en nadere regels vast voor de terugbetaling bedoeld in lid 1;
Art. 34. Le Gouvernement détermine les frais pouvant être remboursés aux membres du personnel. Il s'agit:
1° des frais de parcours;
2° des frais de séjour;
3° des frais autres, dont notamment les frais relatifs aux communications écrites et téléphoniques, à l'Internet et à l'achat de documentation.
Le Gouvernement fixe les limites et modalités du remboursement visé à l'alinéa 1er.
1° des frais de parcours;
2° des frais de séjour;
3° des frais autres, dont notamment les frais relatifs aux communications écrites et téléphoniques, à l'Internet et à l'achat de documentation.
Le Gouvernement fixe les limites et modalités du remboursement visé à l'alinéa 1er.
HOOFDSTUK II. - Plichten en onverenigbaarheden
CHAPITRE II. - Des devoirs et incompatibilités
AFDELING I. - Plichten
SECTION Ire. - Des devoirs
Art. 35. De personeelsleden moeten onder alle omstandigheden voortdurend de belangen behartigen van de Franse Gemeenschap, van de leerlingen die naar school gaan in de door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde onderwijsinrichtingen en van de personeelsleden van die inrichtingen. Ze moeten ook voortdurend de belangen behartigen van de leerlingen die de leerplicht vervullen door middel van het verstrekken van huisonderwijs [1 ainsi que ceux des Centres PMS]1.
Ze vervullen hun opdracht met dezelfde zorg voor alle schoolinrichtingen en in alle onafhankelijkheid ten opzichte van de inrichtende machten.
Ze vervullen hun opdracht met dezelfde zorg voor alle schoolinrichtingen en in alle onafhankelijkheid ten opzichte van de inrichtende machten.
Modifications
[1]<XX XX-XX-XX/XX, art. 3, 007; Inwerkingtreding : XX-XX-XXXX>
Art. 35. Les membres du personnel doivent, en toutes occasions, avoir le souci constant des intérêts de la Communauté française, des élèves fréquentant les établissements d'enseignement organisés ou subventionnés par la Communauté française et des membres du personnel de ces établissements. Ils ont également le souci constant des élèves qui satisfont à l'obligation scolaire par la dispensation d'un enseignement à domicile [1 ainsi que ceux des Centres PMS]1.
Ils s'acquittent de leur mission avec une égale sollicitude vis-à-vis de tous les établissements scolaires et en toute indépendance à l'égard des pouvoirs organisateurs.
Ils s'acquittent de leur mission avec une égale sollicitude vis-à-vis de tous les établissements scolaires et en toute indépendance à l'égard des pouvoirs organisateurs.
Modifications
Art. 36. Ze moeten de neutraliteitsbeginselen in acht nemen bij de uitoefening van hun ambt. Ze mogen de leerlingen niet gebruiken voor doeleinden van politieke, godsdienstige, filosofische propaganda of van commerciële reclame.
De inspecteurs bedoeld in artikel 32, lid 2, 2°, zijn niet verplicht om de neutraliteitsbeginselen in acht te nemen bij het uitoefenen van taken die nauw verbonden zijn met het aanleren van godsdienst of niet-confessionele zedenleer, met pedagogische acties, met de naleving van maatstaven en programma's van de lessen godsdienst of niet-confessionele zedenleer. Ze laten zich niet kleinerend uit over standpunten geuit in parallelle lessen of door de inspecteurs van deze lessen.
De inspecteurs bedoeld in artikel 32, lid 2, 2°, zijn niet verplicht om de neutraliteitsbeginselen in acht te nemen bij het uitoefenen van taken die nauw verbonden zijn met het aanleren van godsdienst of niet-confessionele zedenleer, met pedagogische acties, met de naleving van maatstaven en programma's van de lessen godsdienst of niet-confessionele zedenleer. Ze laten zich niet kleinerend uit over standpunten geuit in parallelle lessen of door de inspecteurs van deze lessen.
Art. 36. Ils doivent observer les principes de neutralité dans l'exercice de leurs fonctions. Ils ne peuvent utiliser les élèves à des fins de propagande politique, religieuse, philosophique ou de publicité commerciale.
Les inspecteurs visés à l'article 32, alinéa 2, 2°, ne sont pas tenus d'observer les principes de neutralité dans l'exercice de missions étroitement liées à l'apprentissage des religions ou de la morale non confessionnelle, aux démarches pédagogiques, au respect des référentiels et des programmes des cours de religion ou de morale non confessionnelle. Ils s'abstiennent cependant de dénigrer les positions exprimées dans les cours parallèles ou par les inspecteurs de ces cours.
Les inspecteurs visés à l'article 32, alinéa 2, 2°, ne sont pas tenus d'observer les principes de neutralité dans l'exercice de missions étroitement liées à l'apprentissage des religions ou de la morale non confessionnelle, aux démarches pédagogiques, au respect des référentiels et des programmes des cours de religion ou de morale non confessionnelle. Ils s'abstiennent cependant de dénigrer les positions exprimées dans les cours parallèles ou par les inspecteurs de ces cours.
Art. 37. De personeelsleden voeren de plichten die aan hen zijn opgelegd door wetten decreten, besluiten en verordeningen persoonlijk en bewust uit.
Ze moeten, binnen de door de regelgeving vastgelegde grenzen, de vereiste prestaties leveren om de dienst vlot te laten verlopen.
Ze voeren de welbepaalde taken die hen worden toevertrouwd uit en vervullen hun taak met vlijt en nauwgezetheid.
Zij mogen zonder voorafgaande toelating van hun hiërarchische overste de uitoefening van hun ambt niet onderbreken.
Ze moeten, binnen de door de regelgeving vastgelegde grenzen, de vereiste prestaties leveren om de dienst vlot te laten verlopen.
Ze voeren de welbepaalde taken die hen worden toevertrouwd uit en vervullen hun taak met vlijt en nauwgezetheid.
Zij mogen zonder voorafgaande toelating van hun hiërarchische overste de uitoefening van hun ambt niet onderbreken.
Art. 37. Les membres du personnel accomplissent personnellement et consciencieusement les obligations qui leur sont imposées par les lois, décrets, arrêtés et règlements.
Ils doivent fournir, dans les limites fixées par la réglementation, les prestations nécessaires à la bonne marche du service.
Ils exécutent ponctuellement les missions qui leur sont confiées et accomplissent leur tâche avec zèle et exactitude.
Ils ne peuvent suspendre l'exercice de leurs fonctions sans autorisation préalable de leur supérieur hiérarchique.
Ils doivent fournir, dans les limites fixées par la réglementation, les prestations nécessaires à la bonne marche du service.
Ils exécutent ponctuellement les missions qui leur sont confiées et accomplissent leur tâche avec zèle et exactitude.
Ils ne peuvent suspendre l'exercice de leurs fonctions sans autorisation préalable de leur supérieur hiérarchique.
Art. 38. Zij moeten zich met de meest volstrekte correctheid gedragen, zowel in hun dienstbetrekkingen als in hun omgang met het publiek, elkaar bijstaan in de mate waarin het belang van de dienst dit vereist.
Ze mogen, zowel in hun dienst als in hun persoonlijke levenssfeer, geen gedrag stellen dat het vertrouwen van het publiek of de eer of waardigheid van hun ambt zou kunnen aantasten. Ze mogen geen moreel ongewenst gedrag hebben.
Ze mogen, zowel in hun dienst als in hun persoonlijke levenssfeer, geen gedrag stellen dat het vertrouwen van het publiek of de eer of waardigheid van hun ambt zou kunnen aantasten. Ze mogen geen moreel ongewenst gedrag hebben.
Art. 38. Ils sont tenus à la correction la plus stricte tant dans leurs rapports de service que dans leurs rapports avec le public, et doivent s'entraider dans la mesure où l'exige l'intérêt du service.
Ils doivent, dans le service comme dans leur vie privée, éviter tout ce qui pourrait porter atteinte à la confiance du public ou compromettre l'honneur ou la dignité de leur fonction. Ils s'abstiennent de tout acte de harcèlement.
Ils doivent, dans le service comme dans leur vie privée, éviter tout ce qui pourrait porter atteinte à la confiance du public ou compromettre l'honneur ou la dignité de leur fonction. Ils s'abstiennent de tout acte de harcèlement.
Art. 39. Zij mogen zich niet inlaten met activiteiten die in strijd zijn met de Grondwet en de wetten van het Belgische volk, die de vernietiging van de onafhankelijkheid van het land op het oog hebben of die de landsverdediging of de uitvoering van de verbintenissen van België strekkend tot het verzekeren van zijn veiligheid in gevaar brengen. Zij mogen niet toetreden tot, noch hun medehulp verschaffen aan een beweging, groepering, organisatie of vereniging met soortgelijke activiteiten.
Art. 39. Ils ne peuvent se livrer à aucune activité qui est en opposition avec la Constitution et les lois du peuple belge, qui poursuit la destruction de l'indépendance du pays ou qui met en danger la défense nationale ou l'exécution des engagements de la Belgique en vue d'assurer sa sécurité. Ils ne peuvent adhérer, ni prêter leur concours à un mouvement, groupement, organisation ou association ayant une activité de même nature.
Art. 40. Het is hun verboden feiten bekend te maken, die zij zouden kennen ter oorzake van hun ambt en die van nature geheim zijn.
Art. 40. Ils ne peuvent révéler les faits dont ils auraient eu connaissance en raison de leurs fonctions et qui auraient un caractère secret.
Art. 41. Ze mogen rechtstreeks noch door een tussenpersoon, zelfs buiten hun ambt, maar omwille ervan, giften, beloningen of enig voordeel vragen, eisen of aannemen.
Art. 41. Ils ne peuvent solliciter, exiger ou recevoir, directement ou par personne interposée, même en dehors de leurs fonctions, mais en raison de celles-ci, des dons, gratifications ou avantages quelconques.
Art. 42. De Regering kan de in deze afdeling beschreven plichten preciseren.
Art. 42. Le Gouvernement peut préciser les devoirs prévus par la présente section.
Art. 43. Onverminderd de toepassing van de strafwetten en, in voorkomend geval, van artikel 43 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, zullen de inbreuken op de bepalingen van deze afdeling, naar gelang van het geval, met een van de bij artikel 105 bepaalde tuchtsancties worden gestraft en met naleving van artikel 110.
Art. 43. Sans préjudice de l'application des lois pénales et, s'il y échet, de l'article 43 de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement, les infractions aux dispositions de la présente section sont punies, suivant le cas, de l'une des sanctions disciplinaires prévues à l'article 105 et dans le respect de l'article 110.
AFDELING II. - Onverenigbaarheden
SECTION II. - Des incompatibilités
Art. 44. Met de hoedanigheid van personeelslid van de algemene inspectiedienst is onverenigbaar, de uitoefening van het politieke mandaat van:
1° burgemeester, schepen, gemeenteraadslid, voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn of lid van de raad voor maatschappelijk welzijn van een gemeente die zich, geheel of gedeeltelijk, bevindt op het grondgebied waarop het personeelslid het ambt van inspecteur, coördinerende inspecteur, inspecteur-generaal of coördinerende inspecteur-generaal uitoefent;
2° provinciaal gedeputeerde of provincieraadslid in een provincie die zich, geheel of gedeeltelijk, bevindt op het grondgebied waarop het personeelslid het ambt van inspecteur, coördinerende inspecteur, inspecteur-generaal of coördinerende inspecteur-generaal uitoefent.
1° burgemeester, schepen, gemeenteraadslid, voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn of lid van de raad voor maatschappelijk welzijn van een gemeente die zich, geheel of gedeeltelijk, bevindt op het grondgebied waarop het personeelslid het ambt van inspecteur, coördinerende inspecteur, inspecteur-generaal of coördinerende inspecteur-generaal uitoefent;
2° provinciaal gedeputeerde of provincieraadslid in een provincie die zich, geheel of gedeeltelijk, bevindt op het grondgebied waarop het personeelslid het ambt van inspecteur, coördinerende inspecteur, inspecteur-generaal of coördinerende inspecteur-generaal uitoefent.
Art. 44. Est incompatible avec la qualité de membre du personnel du Service général de l'Inspection l'exercice du mandat politique:
1° de bourgmestre, d'échevin, de conseiller communal, de président du conseil de l'aide sociale ou de membre du conseil de l'aide sociale dans une commune comprise, en tout ou partie, dans le territoire sur lequel le membre du personnel exerce la fonction d'Inspecteur, d'Inspecteur coordonnateur, d'Inspecteur général ou d'Inspecteur général coordonnateur;
2° de député provincial ou de conseiller provincial dans une province qui comprend, en tout ou en partie, le territoire sur lequel le membre du personnel exerce la fonction d'Inspecteur, d'Inspecteur coordonnateur, d'Inspecteur général ou d'Inspecteur général coordonnateur.
1° de bourgmestre, d'échevin, de conseiller communal, de président du conseil de l'aide sociale ou de membre du conseil de l'aide sociale dans une commune comprise, en tout ou partie, dans le territoire sur lequel le membre du personnel exerce la fonction d'Inspecteur, d'Inspecteur coordonnateur, d'Inspecteur général ou d'Inspecteur général coordonnateur;
2° de député provincial ou de conseiller provincial dans une province qui comprend, en tout ou en partie, le territoire sur lequel le membre du personnel exerce la fonction d'Inspecteur, d'Inspecteur coordonnateur, d'Inspecteur général ou d'Inspecteur général coordonnateur.
Art. 45. Met de hoedanigheid van personeelslid van de algemene inspectiedienst is onverenigbaar, de uitoefening van elk mandaat, met inbegrip van een syndicaal mandaat, bij een inrichtende macht of een federatie van inrichtende machten waarvan één of meer onderwijsinrichtingen [1 zich bevinden]1 zich bevinden op het grondgebied waarop het personeelslid het ambt van inspecteur, inspecteur-generaal of coördinerende inspecteur-generaal uitoefent.
Modifications
Art. 45. Est incompatible avec la qualité de membre du personnel du Service général de l'Inspection l'exercice de tout mandat, en ce compris syndical, auprès d'un pouvoir organisateur ou d'une fédération de pouvoirs organisateurs dont un ou plusieurs établissement(s) d'enseignement [1 ou Centre(s) PMS]1 est (sont) compris(s) dans le territoire sur lequel le membre du personnel exerce la fonction d'inspecteur, d'Inspecteur général ou d'Inspecteur général coordonnateur.
Modifications
Art. 46. Met de hoedanigheid van personeelslid van de algemene inspectiedienst is onverenigbaar, elke activiteit die het vervullen van de ambtsplichten zou kunnen belemmeren of die in strijd is met de waardigheid van dat ambt.
Art. 46. Est incompatible avec la qualité de membre du personnel du Service général de l'Inspection toute occupation qui serait de nature à nuire à l'accomplissement des devoirs de sa fonction ou contraire à la dignité de celle-ci.
Art.46/1. [1 Op advies van de coördinerende inspecteur-generaal geeft de Regering, de bevoegde minister of de ambtenaar-generaal aan wie zij deze bevoegdheid heeft gedelegeerd, toestemming voor de aangevraagde cumulatie van beroepsactiviteiten volgens de door de Regering vastgestelde modaliteiten onder de volgende voorwaarden:
1° de cumulatie heeft geen betrekking op een activiteit die onverenigbaar is met de hoedanigheid van inspecteur;
2° de cumulatie heeft geen betrekking op perioden van aanvullende activiteiten die het voor de ambtenaar onmogelijk maken om zijn taken normaal uit te voeren;
3° de cumulatie veroorzaakt bij het publiek geen verwarring tussen de betreffende beroepswerkzaamheden van de ambtenaar.
De Regering of de minister aan wie zij deze bevoegdheid heeft gedelegeerd, beslist over de weigering van de cumulatie van activiteiten op grond van een andere onverenigbaarheid of omstandigheid dan die bedoeld in punten 2° en 3° van het voorgaande lid, op advies van de coördinerende inspecteur-generaal.
Om de vijf jaar of in geval van wijziging van de uitoefeningsvoorwaarden of de aard van de cumulatie, dient de ambtenaar een nieuw verzoek tot cumulatie in te dienen ]1
1° de cumulatie heeft geen betrekking op een activiteit die onverenigbaar is met de hoedanigheid van inspecteur;
2° de cumulatie heeft geen betrekking op perioden van aanvullende activiteiten die het voor de ambtenaar onmogelijk maken om zijn taken normaal uit te voeren;
3° de cumulatie veroorzaakt bij het publiek geen verwarring tussen de betreffende beroepswerkzaamheden van de ambtenaar.
De Regering of de minister aan wie zij deze bevoegdheid heeft gedelegeerd, beslist over de weigering van de cumulatie van activiteiten op grond van een andere onverenigbaarheid of omstandigheid dan die bedoeld in punten 2° en 3° van het voorgaande lid, op advies van de coördinerende inspecteur-generaal.
Om de vijf jaar of in geval van wijziging van de uitoefeningsvoorwaarden of de aard van de cumulatie, dient de ambtenaar een nieuw verzoek tot cumulatie in te dienen ]1
Art.46/1. [1 Sur avis de l'Inspecteur général coordonnateur, le Gouvernement, le Ministre compétent ou le fonctionnaire général auquel il a délégué ce pouvoir autorise le cumul d'activités professionnelles demandé selon les modalités fixées par le Gouvernement aux conditions suivantes :
1° le cumul n'a pas trait à une activité incompatible avec la qualité d'inspecteur ;
2° le cumul ne couvre pas des périodes d'activités complémentaires qui rendent impossible l'accomplissement normal par l'agent de ses fonctions ;
3° le cumul n'est pas de nature à induire dans le chef du public une confusion entre les activités professionnelles concernées de l'agent.
Le refus du cumul d'activités fondé sur une incompatibilité ou une circonstance autre que celles visées aux points 2° et 3° de l'alinéa précédent, sont décidés par le Gouvernement ou le Ministre auquel il a délégué ce pouvoir sur avis de l'Inspecteur général coordonnateur.
Tous les cinq ans ou en cas de modification des conditions d'exercice ou de la nature du cumul, l'agent est tenu d'introduire une nouvelle demande de cumu ]1
1° le cumul n'a pas trait à une activité incompatible avec la qualité d'inspecteur ;
2° le cumul ne couvre pas des périodes d'activités complémentaires qui rendent impossible l'accomplissement normal par l'agent de ses fonctions ;
3° le cumul n'est pas de nature à induire dans le chef du public une confusion entre les activités professionnelles concernées de l'agent.
Le refus du cumul d'activités fondé sur une incompatibilité ou une circonstance autre que celles visées aux points 2° et 3° de l'alinéa précédent, sont décidés par le Gouvernement ou le Ministre auquel il a délégué ce pouvoir sur avis de l'Inspecteur général coordonnateur.
Tous les cinq ans ou en cas de modification des conditions d'exercice ou de la nature du cumul, l'agent est tenu d'introduire une nouvelle demande de cumu ]1
Art. 47. De Regering stelt de onverenigbaarheden vast bedoeld in de artikelen 44 tot 46. Ze brengt daar het betrokken personeelslid op de hoogte van binnen een termijn van twintig dagen vanaf de dag waarop ze de onverenigbaarheid vaststelt, per aangetekend schrijven, dat uitwerking heeft met ingang van de derde werkdag volgend op de datum van de verzending ervan.
Art. 47. Le Gouvernement constate les incompatibilités visées aux articles 44 à 46. Il en informe le membre du personnel concerné dans un délai de vingt jours à partir du jour où il constate l'incompatibilité par lettre recommandée à la poste sortant ses effets le troisième jour ouvrable suivant la date de son expédition.
Art. 48. Als de vaststelling van een onverenigbaarheid vermeld in artikel 46 betwist wordt, kan het betrokken personeelslid, langs hiërarchische weg, binnen een termijn van twintig werkdagen vanaf de datum waarop de onverenigbaarheid werd vastgesteld, een bezwaar indienen voor de in artikel 116 bedoelde Raad van beroep. Deze brengt zijn advies uit aan de Regering binnen een termijn van twee maanden vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift.
De Regering neemt haar beslissing binnen een termijn van één maand na ontvangst van het advies van de Raad van beroep.
De Regering neemt haar beslissing binnen een termijn van één maand na ontvangst van het advies van de Raad van beroep.
Art. 48. En cas de contestation sur l'existence d'une incompatibilité mentionnée à l'article 46, le membre du personnel concerné peut introduire, par la voie hiérarchique, dans un délai de vingt jours ouvrables à compter de la date à laquelle la notification de l'incompatibilité a été faite, une réclamation devant la Chambre de recours visée à l'article 116. Celle-ci donne son avis au Gouvernement dans un délai de deux mois à partir de la date de réception de la réclamation.
Le Gouvernement prend sa décision dans un délai d'un mois à partir de la réception de l'avis de la Chambre de recours.
Le Gouvernement prend sa décision dans un délai d'un mois à partir de la réception de l'avis de la Chambre de recours.
HOOFDSTUK III. - Toegang tot de bevorderingsambten van inspecteur en coördinerende inspecteur
CHAPITRE III. - De l'accès aux fonctions de promotion d'inspecteur et d'Inspecteur coordonnateur
AFDELING I. - Toegang geeft tot de stage voor het bevorderingsambt van inspecteur
SECTION Ire. - De l'admission au stage à la fonction de promotion d'inspecteur
ONDERAFDELING I. [1 Aanvang van de stage ]1
Sous -SECTION Ire. [1 De l'entrée en stage ]1
Art. 49. Om te worden toegelaten tot de stage voor het bevorderingsambt van inspecteur, moet het personeelslid:
1° voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 13;
2° niet uit zijn ambt ontheven zijn bij toepassing van artikel 62 of 93;
3° houder zijn van het getuigschrift van voltooiing na de [1 toelatingsproef tot de stage]1 in verband met het toe te kennen ambt van inspecteur bedoeld in artikel [1 17]1.
1° voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 13;
2° niet uit zijn ambt ontheven zijn bij toepassing van artikel 62 of 93;
3° houder zijn van het getuigschrift van voltooiing na de [1 toelatingsproef tot de stage]1 in verband met het toe te kennen ambt van inspecteur bedoeld in artikel [1 17]1.
Modifications
Art. 49. Pour être admis au stage à la fonction de promotion d'inspecteur, le membre du personnel doit:
1° satisfaire aux conditions visées à l'article 13;
2° ne pas avoir été démis de ses fonctions en application de l'article 62 ou de l'article 93;
3° être détenteur de l'attestation de réussite à l'épreuve [1 d'admission au stage ]1 en rapport avec la fonction d'inspecteur à conférer, visée à l'article [1 17]1
1° satisfaire aux conditions visées à l'article 13;
2° ne pas avoir été démis de ses fonctions en application de l'article 62 ou de l'article 93;
3° être détenteur de l'attestation de réussite à l'épreuve [1 d'admission au stage ]1 en rapport avec la fonction d'inspecteur à conférer, visée à l'article [1 17]1
Modifications
Art. 50. In geval van een vacante betrekking binnen het toe te kennen bevorderingsambt van inspecteur en onverminderd de toepassing van artikel 43, past de Regering [1 of haar afgevaardigde ]1 de rangschikking toe van de wervingsreserve bedoeld in artikel [1 18, § 2, lid 4]1.
[1 De bevoegde minister]1 nodigt het best geplaatste personeelslid uit om aan te vangen met de stage. Reageert [1 De kandidaat]1 niet gunstig op deze uitnodiging binnen een termijn van [1 acht]1 werkdagen vanaf de kennisgeving van de uitnodiging, wordt aangenomen dat hij weigert met de voorgestelde stage aan te vangen en nodigt de Regering [1 het volgende personnelslid]1van de rangschikking uit om met de stage te starten, enzovoort.
[1 De kandidaat]1 dat de uitnodiging om met de stage aan te vangen afwijst, verlies niet zijn plaats in de rangschikking in geval van een andere vacante betrekking binnen het toe te kennen bevorderingsambt van inspecteur. Het personeelslid dat twee keer een vacante betrekking weigert, wordt geschrapt uit de wervingsreserve.
[1 De bevoegde minister]1 nodigt het best geplaatste personeelslid uit om aan te vangen met de stage. Reageert [1 De kandidaat]1 niet gunstig op deze uitnodiging binnen een termijn van [1 acht]1 werkdagen vanaf de kennisgeving van de uitnodiging, wordt aangenomen dat hij weigert met de voorgestelde stage aan te vangen en nodigt de Regering [1 het volgende personnelslid]1van de rangschikking uit om met de stage te starten, enzovoort.
[1 De kandidaat]1 dat de uitnodiging om met de stage aan te vangen afwijst, verlies niet zijn plaats in de rangschikking in geval van een andere vacante betrekking binnen het toe te kennen bevorderingsambt van inspecteur. Het personeelslid dat twee keer een vacante betrekking weigert, wordt geschrapt uit de wervingsreserve.
Modifications
Art. 50. En cas de vacance d'un emploi de la fonction de promotion d'inspecteur à conférer, et sans préjudice de l'application de l'article 43, le Gouvernement [1 ou son délégué ]1 applique le classement de la réserve de recrutement visée à l'article [1 18, § 2, alinéa 4 ]1.
[1 Le ministre compétent ]1 invite le [1 candidat ]1 le mieux classé à entrer en stage. A défaut pour le [1 candidat ]1 concerné de répondre favorablement à cette invitation dans un délai de [1 huit ]1 jours ouvrables à dater de la notification de l'invitation, il est réputé refuser l'entrée en stage qui lui a été proposée et le Gouvernement invite le membre du personnel qui est classé suivant à entrer en stage, et ainsi de suite.
Le membre du personnel qui décline [1 une première fois ]1 l'invitation à entrer en stage ne perd pas le bénéfice de son classement en cas de vacance d'un autre emploi de la fonction de promotion d'inspecteur à conférer. Le [1 candidat ]1 qui, à deux reprises, refuse un emploi vacant, est radié de la réserve.
[1 Le ministre compétent ]1 invite le [1 candidat ]1 le mieux classé à entrer en stage. A défaut pour le [1 candidat ]1 concerné de répondre favorablement à cette invitation dans un délai de [1 huit ]1 jours ouvrables à dater de la notification de l'invitation, il est réputé refuser l'entrée en stage qui lui a été proposée et le Gouvernement invite le membre du personnel qui est classé suivant à entrer en stage, et ainsi de suite.
Le membre du personnel qui décline [1 une première fois ]1 l'invitation à entrer en stage ne perd pas le bénéfice de son classement en cas de vacance d'un autre emploi de la fonction de promotion d'inspecteur à conférer. Le [1 candidat ]1 qui, à deux reprises, refuse un emploi vacant, est radié de la réserve.
Modifications
Art. 51. De Regering stelt de administratieve standplaats van de inspecteurs vast, op voordracht van de coördinerende inspecteur-generaal.
Art. 51. Le Gouvernement fixe la résidence administrative des inspecteurs, sur la proposition de l'Inspecteur général coordonnateur.
ONDERAFDELING 2. [1 Duur van de stage ]1
Sous -SECTION 2. [1 De la durée du stage ]1
Art. 52. § 1. De stage van inspecteur duurt twee jaar, berekend overeenkomstig paragraaf 3.
§ 2. Tijdens de duur van de stage blijft het personeelslid [2 , indien van toepassing,]2 titularis van de betrekking waarin het vast benoemd of aangeworven is, [2 ...]2.
Tenzij anders uitdrukkelijk wordt bepaald, wordt het personeelslid dat wordt toegelaten tot de stage van inspecteur gelijkgesteld met een personeelslid dat vast benoemd of aangeworven is in het ambt van inspecteur.
Het personeelslid kan tijdens de duur van de stage de toestemming krijgen om deel te nemen aan een opleiding wanneer deze specifiek gericht is op de ontwikkeling van de vereiste professionele competenties voor het uitoefenen van het ambt van inspecteur en wordt georganiseerd krachtens:
1° [1 hetzij van Boek 6, Titel I, van het Wetboek van basis- en secundair onderwijs;]1
2° [1 ...]1
[2 2°]2 het decreet van 30 juni 1998 betreffende de opleiding tijdens de loopbaan van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel in het onderwijs voor sociale promotie;
[2 3°]2 het decreet van 15 maart 1999 betreffende de opleiding tijdens de loopbaan van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het onderwijzend hulppersoneel van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap.
§ 3. Voor de berekening van de duur van de voltooide stage komen alleen de werkelijk gepresteerde diensten tijdens de duur van de stage in aanmerking.
Gelijkgesteld met werkelijk gepresteerde diensten zijn de jaarlijkse verloven [2 bedoeld in artikels 98 en 98/1]2, de verloven bedoeld in de artikels 5, 5bis en 7 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 in toepassing van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaal onderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen, alsmede het verlof[2 voor opvang]2 met het oog op adoptie, pleegvoogdij [2 en]2 plaatsing in een pleeggezin en de moederschapsrust respectievelijk zoals beschreven in hoofdstuk IIbis en hoofdstuk XIII van hetzelfde koninklijk besluit van 15 januari 1974.
§ 2. Tijdens de duur van de stage blijft het personeelslid [2 , indien van toepassing,]2 titularis van de betrekking waarin het vast benoemd of aangeworven is, [2 ...]2.
Tenzij anders uitdrukkelijk wordt bepaald, wordt het personeelslid dat wordt toegelaten tot de stage van inspecteur gelijkgesteld met een personeelslid dat vast benoemd of aangeworven is in het ambt van inspecteur.
Het personeelslid kan tijdens de duur van de stage de toestemming krijgen om deel te nemen aan een opleiding wanneer deze specifiek gericht is op de ontwikkeling van de vereiste professionele competenties voor het uitoefenen van het ambt van inspecteur en wordt georganiseerd krachtens:
1° [1 hetzij van Boek 6, Titel I, van het Wetboek van basis- en secundair onderwijs;]1
2° [1 ...]1
[2 2°]2 het decreet van 30 juni 1998 betreffende de opleiding tijdens de loopbaan van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel in het onderwijs voor sociale promotie;
[2 3°]2 het decreet van 15 maart 1999 betreffende de opleiding tijdens de loopbaan van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het onderwijzend hulppersoneel van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap.
§ 3. Voor de berekening van de duur van de voltooide stage komen alleen de werkelijk gepresteerde diensten tijdens de duur van de stage in aanmerking.
Gelijkgesteld met werkelijk gepresteerde diensten zijn de jaarlijkse verloven [2 bedoeld in artikels 98 en 98/1]2, de verloven bedoeld in de artikels 5, 5bis en 7 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 in toepassing van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaal onderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen, alsmede het verlof[2 voor opvang]2 met het oog op adoptie, pleegvoogdij [2 en]2 plaatsing in een pleeggezin en de moederschapsrust respectievelijk zoals beschreven in hoofdstuk IIbis en hoofdstuk XIII van hetzelfde koninklijk besluit van 15 januari 1974.
Art. 52. § 1er. Le stage d'inspecteur a une durée de 2 ans, calculée conformément au paragraphe 3.
§ 2. Pendant la durée du stage, le membre du personnel reste titulaire [2 , le cas échéant, ]2 de l'emploi dans lequel il est nommé ou engagé à titre définitif [2 ...]2.
Sauf disposition contraire, le membre du personnel admis au stage d'inspecteur est assimilé à un membre du personnel nommé ou engagé à titre définitif dans la fonction d'inspecteur.
Pendant la durée du stage, le membre du personnel peut être autorisé à participer à une formation lorsque celle-ci vise spécifiquement à développer les compétences professionnelles nécessaires à l'exercice de la fonction d'inspecteur et qu'elle est organisée en vertu:
1° [1 soit du Livre 6, Titre Ier, du Code de l'enseignement fondamental et de l'enseignement secondaire ;]1
2° [1 ...]1
[2 2°]2 soit du décret du 30 juin 1998 relatif à la formation en cours de carrière des membres du personnel directeur et enseignant et du personnel auxiliaire d'éducation de l'enseignement de promotion sociale;
[2 3°]2 soit du décret du 15 mars 1999 relatif à la formation en cours de carrière des membres du personnel directeur et enseignant et du personnel auxiliaire d'éducation de l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit subventionné par la Communauté française.
§ 3. Pour le calcul de la durée du stage accompli, sont seuls pris en considération les services effectivement prestés pendant la durée du stage.
Sont assimilés à des services effectivement prestés les vacances annuelles [2 déterminées aux articles 98 et 98/1]2, les congés prévus aux articles 5, 5bis et 7 de l'arrêté royal du 15 janvier 1974 pris en application de l'article 160 de l'arrêté royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, des internats dépendant de ces établissements et des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements, ainsi que les congés [2 d'accueil ]2 en vue de l'adoption, de la tutelle officieuse [2 et ]2 du placement dans une famille d'accueil et les congés de maternité prévus respectivement au chapitre IIbis et au chapitre XIII du même arrêté royal du 15 janvier 1974.
§ 2. Pendant la durée du stage, le membre du personnel reste titulaire [2 , le cas échéant, ]2 de l'emploi dans lequel il est nommé ou engagé à titre définitif [2 ...]2.
Sauf disposition contraire, le membre du personnel admis au stage d'inspecteur est assimilé à un membre du personnel nommé ou engagé à titre définitif dans la fonction d'inspecteur.
Pendant la durée du stage, le membre du personnel peut être autorisé à participer à une formation lorsque celle-ci vise spécifiquement à développer les compétences professionnelles nécessaires à l'exercice de la fonction d'inspecteur et qu'elle est organisée en vertu:
1° [1 soit du Livre 6, Titre Ier, du Code de l'enseignement fondamental et de l'enseignement secondaire ;]1
2° [1 ...]1
[2 2°]2 soit du décret du 30 juin 1998 relatif à la formation en cours de carrière des membres du personnel directeur et enseignant et du personnel auxiliaire d'éducation de l'enseignement de promotion sociale;
[2 3°]2 soit du décret du 15 mars 1999 relatif à la formation en cours de carrière des membres du personnel directeur et enseignant et du personnel auxiliaire d'éducation de l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit subventionné par la Communauté française.
§ 3. Pour le calcul de la durée du stage accompli, sont seuls pris en considération les services effectivement prestés pendant la durée du stage.
Sont assimilés à des services effectivement prestés les vacances annuelles [2 déterminées aux articles 98 et 98/1]2, les congés prévus aux articles 5, 5bis et 7 de l'arrêté royal du 15 janvier 1974 pris en application de l'article 160 de l'arrêté royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, des internats dépendant de ces établissements et des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements, ainsi que les congés [2 d'accueil ]2 en vue de l'adoption, de la tutelle officieuse [2 et ]2 du placement dans une famille d'accueil et les congés de maternité prévus respectivement au chapitre IIbis et au chapitre XIII du même arrêté royal du 15 janvier 1974.
ONDERAFDELING 3. [1 Evaluatie ]1
Sous-section 3. [1 De l'évaluation ]1
Art. 53. § 1. Het stagedoend personeelslid wordt ten vroegste zes maanden na zijn indiensttreding en uiterlijk [1 in de achtste stagemaand]1 geëvalueerd door ten minste twee personen onder wie, in elk geval, [1 de inspecteur-generaal of zijn afgevaardigde]1 de coördinerende inspecteur-generaal of zijn afgevaardigde en de inspecteur of een van de coördinerende inspecteurs belast met de coördinatie van de dienst waaronder het stagedoend personeelslid ressorteert [1 volgens de door de Regering vastgelegde modaliteiten]1.
De evaluatie is gebaseerd op [1 de uitvoering van de aan elke stagedoend inspecteur opgedragen taken]1 en op de toepassing van [1 ...]1 competenties en vaardigheden die zouden moeten zijn verworven in het kader van de [1 beroepsopleiding]1 bedoeld in artikel 54. Ze houdt rekening met het ambtsprofiel bedoeld in artikel 5, § 2, alsmede met de globale context waarin de stagiair moet evolueren en de middelen die hem ter beschikking zijn gesteld.
Met het oog op de toekenning van de evaluatie wordt een onderhoud met het personeelslid georganiseerd en wordt een evaluatieverslag opgesteld waarvan de Regering het model vastlegt.
De evaluatie leidt tot de toekenning van de vermelding `[1 met voorbehoud]1' of `ongunstig'.
[1 ...]1
[1 ...]1
§ 2. Het personeelslid kan op elk moment in de loop van het tweede stagejaar opnieuw worden geëvalueerd volgens dezelfde regels als in paragraaf 1.
[1 Bij een vermelding "met voorbehoud" voor de eerste evaluatie bedoeld in paragraaf 1 is deze tweede evaluatie verplicht. Deze vindt dan plaats tussen de 12e en 14e stagemaand en resulteert in de toekenning van de vermelding "gunstig", "met voorbehoud" of "ongunstig". Een derde evaluatie aan het einde van de stage kan enkel resulteren in de toekenning van de vermelding "gunstig" of "ongunstig".
In alle gevallen wordt de stage van het personeelslid dat aan het einde van de tweede of derde evaluatie de vermelding "ongunstig" krijgt, van rechtswege beëindigd. In dat geval eindigt de stage na het verstrijken van een termijn van 15 dagen en indien van toepassing neemt het personeelslid zijn ambt en aanstelling weer op, waarin hij vastbenoemd of aangeworven is. Anders wordt deze termijn verlengd tot zes weken.
De door de stagiair verkregen vermelding wordt hem ter kennis gebracht hetzij per aangetekend schrijven, hetzij door overhandiging van een brief, hetzij per e-mail naar het opgegeven adres, in alle gevallen met ontvangstbewijs.]1
§ 3. De stagiair die een vermelding `ongunstig' krijgt, kan binnen de tien dagen na kennisgeving langs hiërarchische weg per aangetekend schrijven een schriftelijke klacht indienen tegen deze vermelding bij de Raad van beroep bedoeld in artikel 116. Dit beroep is opschortend.
De Raad van beroep brengt zijn advies uit aan de Regering binnen een termijn van maximaal één maand vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift. De Regering neemt haar beslissing en kent de evaluatievermelding toe aan het stagedoend personeelslid binnen een termijn van maximaal [1 twee maanden]1 vanaf de datum van ontvangst van het advies.
[1 § 4. Wanneer de regering de vermelding "ongunstig" toekent na het beroep van de stagiair, wordt de stage van het personeelslid van rechtswege beëindigd onder dezelfde voorwaarden als bedoeld in de tweede en derde zin van paragraaf 2, lid 3.]1
De evaluatie is gebaseerd op [1 de uitvoering van de aan elke stagedoend inspecteur opgedragen taken]1 en op de toepassing van [1 ...]1 competenties en vaardigheden die zouden moeten zijn verworven in het kader van de [1 beroepsopleiding]1 bedoeld in artikel 54. Ze houdt rekening met het ambtsprofiel bedoeld in artikel 5, § 2, alsmede met de globale context waarin de stagiair moet evolueren en de middelen die hem ter beschikking zijn gesteld.
Met het oog op de toekenning van de evaluatie wordt een onderhoud met het personeelslid georganiseerd en wordt een evaluatieverslag opgesteld waarvan de Regering het model vastlegt.
De evaluatie leidt tot de toekenning van de vermelding `[1 met voorbehoud]1' of `ongunstig'.
[1 ...]1
[1 ...]1
§ 2. Het personeelslid kan op elk moment in de loop van het tweede stagejaar opnieuw worden geëvalueerd volgens dezelfde regels als in paragraaf 1.
[1 Bij een vermelding "met voorbehoud" voor de eerste evaluatie bedoeld in paragraaf 1 is deze tweede evaluatie verplicht. Deze vindt dan plaats tussen de 12e en 14e stagemaand en resulteert in de toekenning van de vermelding "gunstig", "met voorbehoud" of "ongunstig". Een derde evaluatie aan het einde van de stage kan enkel resulteren in de toekenning van de vermelding "gunstig" of "ongunstig".
In alle gevallen wordt de stage van het personeelslid dat aan het einde van de tweede of derde evaluatie de vermelding "ongunstig" krijgt, van rechtswege beëindigd. In dat geval eindigt de stage na het verstrijken van een termijn van 15 dagen en indien van toepassing neemt het personeelslid zijn ambt en aanstelling weer op, waarin hij vastbenoemd of aangeworven is. Anders wordt deze termijn verlengd tot zes weken.
De door de stagiair verkregen vermelding wordt hem ter kennis gebracht hetzij per aangetekend schrijven, hetzij door overhandiging van een brief, hetzij per e-mail naar het opgegeven adres, in alle gevallen met ontvangstbewijs.]1
§ 3. De stagiair die een vermelding `ongunstig' krijgt, kan binnen de tien dagen na kennisgeving langs hiërarchische weg per aangetekend schrijven een schriftelijke klacht indienen tegen deze vermelding bij de Raad van beroep bedoeld in artikel 116. Dit beroep is opschortend.
De Raad van beroep brengt zijn advies uit aan de Regering binnen een termijn van maximaal één maand vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift. De Regering neemt haar beslissing en kent de evaluatievermelding toe aan het stagedoend personeelslid binnen een termijn van maximaal [1 twee maanden]1 vanaf de datum van ontvangst van het advies.
[1 § 4. Wanneer de regering de vermelding "ongunstig" toekent na het beroep van de stagiair, wordt de stage van het personeelslid van rechtswege beëindigd onder dezelfde voorwaarden als bedoeld in de tweede en derde zin van paragraaf 2, lid 3.]1
Modifications
Art. 53. § 1er. Au plus tôt six mois après son entrée en fonction et au plus tard [1 le huitième mois de stage]1, le membre du personnel stagiaire est évalué par au moins deux personnes dont, en tout cas, [1 l'Inspecteur général ou son délégué,]1 l'Inspecteur général coordonnateur ou son délégué et l'Inspecteur ou l'un des Inspecteurs coordonnateurs en charge de la coordination du Service dont dépend le membre du personnel stagiaire.
L'évaluation se fonde sur [1 sur l'exécution des missions qui ont été attribuées à chaque inspecteur stagiaire]1et sur la mise en pratique des [1 ...]1 compétences et capacités supposées acquises progressivement dans le cadre de la formation [1 ...]1professionnelle visée à l'article 54. Elle tient compte du profil de compétences visé à l'article 33, alinéa 1er, ainsi que du contexte global dans lequel est amené à évoluer le stagiaire et des moyens qui sont mis à sa disposition.
En vue de l'attribution de l'évaluation, il est procédé à un entretien avec le membre du personnel et à la rédaction d'un rapport d'évaluation dont le modèle est fixé par le Gouvernement.
L'évaluation aboutit à l'attribution soit de la mention " favorable " soit de la mention " [1 réservé ]1 ".
[1 ...]1
[1 ...]1
§ 2. A tout moment au cours de la seconde année de stage, le membre du personnel peut être à nouveau évalué, selon les mêmes modalités qu'au paragraphe 1er.
[1 " En cas de mention " réservée " à la première évaluation visée au paragraphe 1er, cette deuxième évaluation est obligatoire, a lieu entre les 12ème et 14ème mois de stage et aboutit à l'attribution de la mention soit " favorable ", " réservée " ou " défavorable ". Une troisième évaluation, en fin de stage, peut uniquement donner lieu à l'attribution de la mention " favorable " ou " défavorable ".
Dans tous les cas, il est mis fin d'office au stage du membre du personnel qui obtient la mention " défavorable " à l'issue de la deuxième ou troisième évaluation. Dans ce cas, le stage prend fin après l'écoulement d'un délai de 15 jours et, le cas échéant, le membre du personnel réintègre la fonction et l'affectation dans lesquelles il est nommé ou engagé à titre définitif. A défaut, ce délai est porté à six semaines.
La mention obtenue par le stagiaire est portée à la connaissance de ce dernier soit par envoi recommandé, soit par la remise d'une lettre de la main à la main, soit par courriel à l'adresse renseignée, dans tous les cas avec accusé de réception.]1
§ 3. Le stagiaire qui se voit attribuer une mention " défavorable " peut introduire par envoi recommandé une réclamation écrite contre cette mention, par la voie hiérarchique, dans les dix jours de sa notification auprès de la Chambre de recours visée à l'article 116. Ce recours est suspensif.
La Chambre de recours remet son avis au Gouvernement dans un délai maximum [1 de deux mois ]1 à partir de la date de réception du recours. Le Gouvernement prend sa décision et attribue la mention d'évaluation au membre du personnel stagiaire dans un délai maximum d'un mois à dater de la réception de l'avis.
[1 § 4. Lorsque le Gouvernement attribue la mention " défavorable " suite au recours du stagiaire, il est mis fin d'office au stage du membre du personnel dans les mêmes conditions que celles visées aux deuxième et troisième phrases de l'alinéa 3 du paragraphe 2. ]1
L'évaluation se fonde sur [1 sur l'exécution des missions qui ont été attribuées à chaque inspecteur stagiaire]1et sur la mise en pratique des [1 ...]1 compétences et capacités supposées acquises progressivement dans le cadre de la formation [1 ...]1professionnelle visée à l'article 54. Elle tient compte du profil de compétences visé à l'article 33, alinéa 1er, ainsi que du contexte global dans lequel est amené à évoluer le stagiaire et des moyens qui sont mis à sa disposition.
En vue de l'attribution de l'évaluation, il est procédé à un entretien avec le membre du personnel et à la rédaction d'un rapport d'évaluation dont le modèle est fixé par le Gouvernement.
L'évaluation aboutit à l'attribution soit de la mention " favorable " soit de la mention " [1 réservé ]1 ".
[1 ...]1
[1 ...]1
§ 2. A tout moment au cours de la seconde année de stage, le membre du personnel peut être à nouveau évalué, selon les mêmes modalités qu'au paragraphe 1er.
[1 " En cas de mention " réservée " à la première évaluation visée au paragraphe 1er, cette deuxième évaluation est obligatoire, a lieu entre les 12ème et 14ème mois de stage et aboutit à l'attribution de la mention soit " favorable ", " réservée " ou " défavorable ". Une troisième évaluation, en fin de stage, peut uniquement donner lieu à l'attribution de la mention " favorable " ou " défavorable ".
Dans tous les cas, il est mis fin d'office au stage du membre du personnel qui obtient la mention " défavorable " à l'issue de la deuxième ou troisième évaluation. Dans ce cas, le stage prend fin après l'écoulement d'un délai de 15 jours et, le cas échéant, le membre du personnel réintègre la fonction et l'affectation dans lesquelles il est nommé ou engagé à titre définitif. A défaut, ce délai est porté à six semaines.
La mention obtenue par le stagiaire est portée à la connaissance de ce dernier soit par envoi recommandé, soit par la remise d'une lettre de la main à la main, soit par courriel à l'adresse renseignée, dans tous les cas avec accusé de réception.]1
§ 3. Le stagiaire qui se voit attribuer une mention " défavorable " peut introduire par envoi recommandé une réclamation écrite contre cette mention, par la voie hiérarchique, dans les dix jours de sa notification auprès de la Chambre de recours visée à l'article 116. Ce recours est suspensif.
La Chambre de recours remet son avis au Gouvernement dans un délai maximum [1 de deux mois ]1 à partir de la date de réception du recours. Le Gouvernement prend sa décision et attribue la mention d'évaluation au membre du personnel stagiaire dans un délai maximum d'un mois à dater de la réception de l'avis.
[1 § 4. Lorsque le Gouvernement attribue la mention " défavorable " suite au recours du stagiaire, il est mis fin d'office au stage du membre du personnel dans les mêmes conditions que celles visées aux deuxième et troisième phrases de l'alinéa 3 du paragraphe 2. ]1
Modifications
ONDERAFDELING 4. [1 De beroepsopleiding en de proef die toegang geeft tot de benoeming ]1
Sous-section 4 [1 De la formation professionnelle et de l'épreuve donnant accès à la nomination]1
Art. 54. § 1. [4 Tijdens de duur van de stage krijgt het stagedoend personeelslid een beroepsopleiding van minstens 222 uur.
De opleiding is gemeenschappelijk voor alle inspecteurs, ongeacht hun ambt.
De beroepsopleiding bestaat uit vier luiken.
1° Het eerste luik betreffende de professionele en reflexieve ontwikkeling, dat minimaal 48 uur duurt, is bedoeld om bij de stagiairs de volgende vermogens te ontwikkelen:
a) zaken in vraag stellen, afstand nemen en nadenkend analyseren in verband met onderwijsvraagstukken;
b) zich aanpassen aan de diversiteit en de specifieke kenmerken van institutionele en omgevingsgebonden contexten;
c) zijn eigen functioneren beoordelen, zijn sterke en zwakke punten analyseren en zijn opleidingsbehoeften identificeren;
d) een portfolio opstellen dat getuigt van de ontwikkeling van vaardigheden die specifiek zijn voor de uitoefening van zijn toekomstige ambt en taken.
2° Het tweede luik betreffende de sturing van het onderwijssysteem, dat minimaal 33 uur duurt, is bedoeld om bij de stagiairs de volgende vermogens te ontwikkelen:
a) de evolutie van het onderwijssysteem mobiliseren om de huidige organisatie van het onderwijs in de Franse Gemeenschap te begrijpen;
b) verschillende modellen voor de sturing van een onderwijssysteem en het bestuur van scholen en onderwijsinstellingen begrijpen en de kansen en effecten van elk van hen identificeren;
c) de waarden, de uitdagingen, de systemische benadering van de sturing van het onderwijssysteem en het bestuursmodel identificeren van de onderwijsinstellingen die met name worden bevorderd door het Pacte pour un Enseignement d'Excellence;
d) de plaats, de rol en de complementariteit van de verschillende diensten van het Algemeen Bestuur van Onderwijs identificeren.
3° Het derde luik betreffende de processen en methodes met betrekking tot de uitvoering van inspectietaken, waarvan de duur ten minste 93 uur bedraagt, is bedoeld om bij de stagiairs de volgende vermogens te ontwikkelen:
a) taken voorbereiden;
b) gegevens verzamelen in het veld;
c) verslagen en adviezen opstellen;
d) de binnen de Dienst gedefinieerde procedures uitvoeren;
e) de deontologie die specifiek is voor het ambt toepassen, inclusief de houdingen die specifiek zijn voor elke taak en de vertrouwelijkheid;
f) in teamverband werken.
4° Het vierde administratieve luik, dat minimaal 12 uur duurt, is bedoeld om bij de stagiairs de volgende vermogens te ontwikkelen:
a) met open boek de wetgevings- en verordeningsmateries verbonden aan het ambt van inspecteur beheersen;
b) administratieve aktes opstellen.
5° Het vijfde pedagogische luik, dat minimaal 36 uur duurt, is bedoeld om bij de stagiairs de volgende vermogens te ontwikkelen:
a) de maatstaven en de pedagogische programma's of dossiers beheersen die in de Franse Gemeenschap worden gebruikt en specifiek zijn voor de verschillende ambten;
b) de door de PMS-centra gebruikte hulpmiddelen beheersen]4.
§ 2. De Regering werkt op grond van een voorstel van [4 de coördinerende inspecteur-generaal, in overleg met]4 [3 het Netoverschrijdend instituut voor voortgezette beroepsopleiding]3 een [4 beroepsopleidingsplan]4 uit waarin de volgende elementen worden bepaald:
1° [4 De inhoud en]4 de methodes [4 van de opleiding zoals gedefinieerd in paragraaf 1]4, met een voorkeur voor die gericht zijn op de professionele ontwikkeling, inzonderheid de analyse van casussen, rollenspellen, intervisie en het opstellen van een portfolio;
2° de nadere regels volgens dewelke de opleiding is georganiseerd.
[4 ...]4
[4 ...]4
Het tweede deel is een opleiding van minstens 30 uur, en specifiek voor een ambt of een groep van ambten.
Indien de stagedoend inspecteur reeds een [4 opleiding waarvan de inhoud gelijk is aan die bedoeld in paragraaf 1]4 [4 heeft]4 gevolgd, kan hij vragen om te worden vrijgesteld voor het hele of een deel van het programma van het opleidingsplan, volgens de door de Regering vastgelegde opleiding voor arbeidsintegratie.
§ 3. Op basis van het opleidingsplan bedoeld in lid 2, wordt de [4 beroepsopleiding]4 georganiseerd door [3 het Netoverschrijdend instituut voor voortgezette beroepsopleiding]3.
De lesgevers van deze [4 beroepsopleiding]4 zijn hoofdzakelijk afkomstig van universiteiten, hogescholen, onderwijsinrichtingen voor sociale promotie, [3 het Netoverschrijdend instituut voor voortgezette beroepsopleiding]3, de school voor overheidsbestuur of [4 de Regeringsdiensten, de Algemene inspectiedienst en de Algemene sturingsdienst voor de scholen en psycho-medisch-sociale centra]4.
[4 De Regering neemt de nodige maatregelen om een vergoeding toe te kennen aan opleiders die niet vallen onder het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 25 januari 2017 tot vaststelling van de nadere regels voor de selectie en de vergoeding van de interne opleiders bij de "Ecole d'administration publique" en de vormingsdiensten]4
§ 4.[4 Aan het einde van de opleiding presenteert en verdedigt de stagiair zijn portfolio voor de examencommissie(s)]4.
[4 Het portfolio bestaat uit een persoonlijk dossier waarin hij aantoont hoe de tijdens de opleiding en de stage opgedane kennis en ervaring hem in staat stelt te voldoen aan de eisen van het ambtsprofiel bedoeld in artikel 33, lid 1, door middel van het nadenkend analyseren van twee casestudy's die verband houden met de taken van de nagestreefde inspecteursambt.]4
[4 Deze examencommissie(s) bestaat (bestaan) uit:
1° een voorzitter aangesteld door de Regering uit de ambtenaren-generaal van ten minste rang 15, de coördinerende inspecteur-generaal of de inspecteurs-generaal;
2° een lid aangesteld door de Regering uit het personeel van de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem van het algemeen bestuur onderwijs;
3° een lid aangesteld door de Regering uit het vastbenoemd personeel van de Algemene inspectiedienst;
4° ten minste één en ten hoogste twee door de Regering aangestelde externe deskundigen met een specifieke competentie met betrekking tot de taken van de Algemene inspectiedienst.]4
Voor elk effectief lid van de examencommissie, stelt de Regering één plaatsvervangend lid aan volgens dezelfde nadere regels.
[1 Het mandaat van de leden van de examencommissie is onbezoldigd. Een financiële vergoeding kan evenwel toegekend worden aan het deskundige lid bedoeld in het eerste lid, 4°, volgens de nadere regels bepaald door de Regering.]1
Overeenkomstig artikel 14 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, mogen de vertegenwoordigers van de vakorganisaties deze vergaderingen [2 deze examencommissie of deze examencommissies]2 bijwonen als waarnemers.
De Regering bepaalt de werkingsmodaliteiten [2 van de examencommissie of examencommissies]2.
De examencommissie baseert haar beoordeling van de [4 proef die toegang geeft tot de benoeming ]4 op de volgende evaluatiecriteria:
1° de graad van beheersing van de veronderstelde kennis en vaardigheden die werden ontwikkeld in het kader van[ -4 ten minste twee luiken]4 van de [4 beroepsopleiding bedoeld in paragraaf 1 ]4;
2° het vermogen om schriftelijk te communiceren;
3° het vermogen om mondeling te communiceren.
De Regering legt [4 de nadere regels vast voor de organisatie en evaluatie van de proef]4 [4 en op voorstel van de coördinerende inspecteur-generaal de door de examencommissie(s) te evalueren luiken]4.
[4 Op basis van zijn prestaties en rekening houdend met de stage-evaluaties wordt de stagiair geschikt of ongeschikt verklaard voor de functie. Hij kan met name ongeschikt worden verklaard indien zijn prestaties een belangrijk element aan het licht brengen dat onverenigbaar is met de uitoefening van de functie. Wordt beschouwd als een belangrijk element dat onverenigbaar is met de uitoefening van de functie de houding van een stagiair die alleen een controlerende taak uitvoert, de pedagogische vrijheid van de scholen schendt of in de praktijk posities inneemt die niet in overeenstemming zijn met de door de wetgever vastgestelde doelstellingen van verbetering van het onderwijssysteem of de prioritaire taken zoals gedefinieerd in de artikelen 1.4.1-1 en 1.4.1-2 van het Wetboek]4.
§ 5. Er wordt van rechtswege een einde gemaakt aan de stage als het personeelslid niet slaagt in [4 beroepsopleidin]4 bedoeld in dit artikel. In dat geval [4 eindigt de stage na het verstrijken van een termijn van 15 dagen en indien van toepassing]4 neemt het personeelslid opnieuw zijn oorspronkelijke ambt en aanstelling in vast verband op [4 waarin hij is vastbenoemd of aangeworven is. Anders wordt deze termijn verlengd tot zes weken" ingevoegd aan het einde van de zin]4.
[4 De regering kan]4 [4 om de continuïteit van het beoogde inspectie-ambt te garanderen en de stabiliteit van de pedagogische teams niet te verstoren,]4 de wederopneming van het personeelslid in zijn oorspronkelijke ambt maximaal zes maanden uitstellen vanaf het niet-slagen in deze [4 beroepsopleiding]4
Het personeelslid bedoeld in lid 1 kan binnen de tien dagen na kennisgeving langs hiërarchische weg per aangetekend schrijven een schriftelijke klacht indienen tegen deze beslissing bij de Raad van beroep bedoeld in artikel 116. Dit beroep is opschortend.
De Raad van beroep brengt zijn advies uit aan de Regering binnen een termijn van maximaal [4 twee maanden]4 vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift. De Regering neemt haar beslissing [4 ...]4 binnen een termijn van maximaal één maand vanaf de datum van ontvangst van het advies. [4 De stage wordt beëindigd wanneer de Regering het niet-slagen bevestigt. ]4
De opleiding is gemeenschappelijk voor alle inspecteurs, ongeacht hun ambt.
De beroepsopleiding bestaat uit vier luiken.
1° Het eerste luik betreffende de professionele en reflexieve ontwikkeling, dat minimaal 48 uur duurt, is bedoeld om bij de stagiairs de volgende vermogens te ontwikkelen:
a) zaken in vraag stellen, afstand nemen en nadenkend analyseren in verband met onderwijsvraagstukken;
b) zich aanpassen aan de diversiteit en de specifieke kenmerken van institutionele en omgevingsgebonden contexten;
c) zijn eigen functioneren beoordelen, zijn sterke en zwakke punten analyseren en zijn opleidingsbehoeften identificeren;
d) een portfolio opstellen dat getuigt van de ontwikkeling van vaardigheden die specifiek zijn voor de uitoefening van zijn toekomstige ambt en taken.
2° Het tweede luik betreffende de sturing van het onderwijssysteem, dat minimaal 33 uur duurt, is bedoeld om bij de stagiairs de volgende vermogens te ontwikkelen:
a) de evolutie van het onderwijssysteem mobiliseren om de huidige organisatie van het onderwijs in de Franse Gemeenschap te begrijpen;
b) verschillende modellen voor de sturing van een onderwijssysteem en het bestuur van scholen en onderwijsinstellingen begrijpen en de kansen en effecten van elk van hen identificeren;
c) de waarden, de uitdagingen, de systemische benadering van de sturing van het onderwijssysteem en het bestuursmodel identificeren van de onderwijsinstellingen die met name worden bevorderd door het Pacte pour un Enseignement d'Excellence;
d) de plaats, de rol en de complementariteit van de verschillende diensten van het Algemeen Bestuur van Onderwijs identificeren.
3° Het derde luik betreffende de processen en methodes met betrekking tot de uitvoering van inspectietaken, waarvan de duur ten minste 93 uur bedraagt, is bedoeld om bij de stagiairs de volgende vermogens te ontwikkelen:
a) taken voorbereiden;
b) gegevens verzamelen in het veld;
c) verslagen en adviezen opstellen;
d) de binnen de Dienst gedefinieerde procedures uitvoeren;
e) de deontologie die specifiek is voor het ambt toepassen, inclusief de houdingen die specifiek zijn voor elke taak en de vertrouwelijkheid;
f) in teamverband werken.
4° Het vierde administratieve luik, dat minimaal 12 uur duurt, is bedoeld om bij de stagiairs de volgende vermogens te ontwikkelen:
a) met open boek de wetgevings- en verordeningsmateries verbonden aan het ambt van inspecteur beheersen;
b) administratieve aktes opstellen.
5° Het vijfde pedagogische luik, dat minimaal 36 uur duurt, is bedoeld om bij de stagiairs de volgende vermogens te ontwikkelen:
a) de maatstaven en de pedagogische programma's of dossiers beheersen die in de Franse Gemeenschap worden gebruikt en specifiek zijn voor de verschillende ambten;
b) de door de PMS-centra gebruikte hulpmiddelen beheersen]4.
§ 2. De Regering werkt op grond van een voorstel van [4 de coördinerende inspecteur-generaal, in overleg met]4 [3 het Netoverschrijdend instituut voor voortgezette beroepsopleiding]3 een [4 beroepsopleidingsplan]4 uit waarin de volgende elementen worden bepaald:
1° [4 De inhoud en]4 de methodes [4 van de opleiding zoals gedefinieerd in paragraaf 1]4, met een voorkeur voor die gericht zijn op de professionele ontwikkeling, inzonderheid de analyse van casussen, rollenspellen, intervisie en het opstellen van een portfolio;
2° de nadere regels volgens dewelke de opleiding is georganiseerd.
[4 ...]4
[4 ...]4
Het tweede deel is een opleiding van minstens 30 uur, en specifiek voor een ambt of een groep van ambten.
Indien de stagedoend inspecteur reeds een [4 opleiding waarvan de inhoud gelijk is aan die bedoeld in paragraaf 1]4 [4 heeft]4 gevolgd, kan hij vragen om te worden vrijgesteld voor het hele of een deel van het programma van het opleidingsplan, volgens de door de Regering vastgelegde opleiding voor arbeidsintegratie.
§ 3. Op basis van het opleidingsplan bedoeld in lid 2, wordt de [4 beroepsopleiding]4 georganiseerd door [3 het Netoverschrijdend instituut voor voortgezette beroepsopleiding]3.
De lesgevers van deze [4 beroepsopleiding]4 zijn hoofdzakelijk afkomstig van universiteiten, hogescholen, onderwijsinrichtingen voor sociale promotie, [3 het Netoverschrijdend instituut voor voortgezette beroepsopleiding]3, de school voor overheidsbestuur of [4 de Regeringsdiensten, de Algemene inspectiedienst en de Algemene sturingsdienst voor de scholen en psycho-medisch-sociale centra]4.
[4 De Regering neemt de nodige maatregelen om een vergoeding toe te kennen aan opleiders die niet vallen onder het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 25 januari 2017 tot vaststelling van de nadere regels voor de selectie en de vergoeding van de interne opleiders bij de "Ecole d'administration publique" en de vormingsdiensten]4
§ 4.[4 Aan het einde van de opleiding presenteert en verdedigt de stagiair zijn portfolio voor de examencommissie(s)]4.
[4 Het portfolio bestaat uit een persoonlijk dossier waarin hij aantoont hoe de tijdens de opleiding en de stage opgedane kennis en ervaring hem in staat stelt te voldoen aan de eisen van het ambtsprofiel bedoeld in artikel 33, lid 1, door middel van het nadenkend analyseren van twee casestudy's die verband houden met de taken van de nagestreefde inspecteursambt.]4
[4 Deze examencommissie(s) bestaat (bestaan) uit:
1° een voorzitter aangesteld door de Regering uit de ambtenaren-generaal van ten minste rang 15, de coördinerende inspecteur-generaal of de inspecteurs-generaal;
2° een lid aangesteld door de Regering uit het personeel van de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem van het algemeen bestuur onderwijs;
3° een lid aangesteld door de Regering uit het vastbenoemd personeel van de Algemene inspectiedienst;
4° ten minste één en ten hoogste twee door de Regering aangestelde externe deskundigen met een specifieke competentie met betrekking tot de taken van de Algemene inspectiedienst.]4
Voor elk effectief lid van de examencommissie, stelt de Regering één plaatsvervangend lid aan volgens dezelfde nadere regels.
[1 Het mandaat van de leden van de examencommissie is onbezoldigd. Een financiële vergoeding kan evenwel toegekend worden aan het deskundige lid bedoeld in het eerste lid, 4°, volgens de nadere regels bepaald door de Regering.]1
Overeenkomstig artikel 14 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, mogen de vertegenwoordigers van de vakorganisaties deze vergaderingen [2 deze examencommissie of deze examencommissies]2 bijwonen als waarnemers.
De Regering bepaalt de werkingsmodaliteiten [2 van de examencommissie of examencommissies]2.
De examencommissie baseert haar beoordeling van de [4 proef die toegang geeft tot de benoeming ]4 op de volgende evaluatiecriteria:
1° de graad van beheersing van de veronderstelde kennis en vaardigheden die werden ontwikkeld in het kader van[ -4 ten minste twee luiken]4 van de [4 beroepsopleiding bedoeld in paragraaf 1 ]4;
2° het vermogen om schriftelijk te communiceren;
3° het vermogen om mondeling te communiceren.
De Regering legt [4 de nadere regels vast voor de organisatie en evaluatie van de proef]4 [4 en op voorstel van de coördinerende inspecteur-generaal de door de examencommissie(s) te evalueren luiken]4.
[4 Op basis van zijn prestaties en rekening houdend met de stage-evaluaties wordt de stagiair geschikt of ongeschikt verklaard voor de functie. Hij kan met name ongeschikt worden verklaard indien zijn prestaties een belangrijk element aan het licht brengen dat onverenigbaar is met de uitoefening van de functie. Wordt beschouwd als een belangrijk element dat onverenigbaar is met de uitoefening van de functie de houding van een stagiair die alleen een controlerende taak uitvoert, de pedagogische vrijheid van de scholen schendt of in de praktijk posities inneemt die niet in overeenstemming zijn met de door de wetgever vastgestelde doelstellingen van verbetering van het onderwijssysteem of de prioritaire taken zoals gedefinieerd in de artikelen 1.4.1-1 en 1.4.1-2 van het Wetboek]4.
§ 5. Er wordt van rechtswege een einde gemaakt aan de stage als het personeelslid niet slaagt in [4 beroepsopleidin]4 bedoeld in dit artikel. In dat geval [4 eindigt de stage na het verstrijken van een termijn van 15 dagen en indien van toepassing]4 neemt het personeelslid opnieuw zijn oorspronkelijke ambt en aanstelling in vast verband op [4 waarin hij is vastbenoemd of aangeworven is. Anders wordt deze termijn verlengd tot zes weken" ingevoegd aan het einde van de zin]4.
[4 De regering kan]4 [4 om de continuïteit van het beoogde inspectie-ambt te garanderen en de stabiliteit van de pedagogische teams niet te verstoren,]4 de wederopneming van het personeelslid in zijn oorspronkelijke ambt maximaal zes maanden uitstellen vanaf het niet-slagen in deze [4 beroepsopleiding]4
Het personeelslid bedoeld in lid 1 kan binnen de tien dagen na kennisgeving langs hiërarchische weg per aangetekend schrijven een schriftelijke klacht indienen tegen deze beslissing bij de Raad van beroep bedoeld in artikel 116. Dit beroep is opschortend.
De Raad van beroep brengt zijn advies uit aan de Regering binnen een termijn van maximaal [4 twee maanden]4 vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift. De Regering neemt haar beslissing [4 ...]4 binnen een termijn van maximaal één maand vanaf de datum van ontvangst van het advies. [4 De stage wordt beëindigd wanneer de Regering het niet-slagen bevestigt. ]4
Art. 54. § 1er. [4 Pendant la durée du stage, une formation professionnelle de minimum 222 heures est dispensée au membre du personnel stagiaire.
La formation est commune à tous les inspecteurs quelle que soit leur fonction.
La formation professionnelle comporte quatre volets.
1° Le premier volet, relatif au développement professionnel et réflexif, dont la durée s'élève à minimum 48 heures, vise à développer chez les stagiaires l'aptitude à :
a) se questionner, prendre de la distance et pratiquer l'analyse réflexive au regard de problématiques éducatives ;
b) s'adapter à la diversité et à la spécificité des contextes institutionnels et environnementaux ;
c) évaluer son propre fonctionnement, analyser ses atouts et ses faiblesses et identifier ses besoins en termes de formation ;
d) élaborer un portfolio attestant le développement de compétences spécifiques à l'exercice de sa future fonction et de ses missions.
2° Le deuxième volet, relatif au pilotage du système éducatif, dont la durée s'élève à minimum de 33 heures, vise à développer chez les stagiaires l'aptitude à :
a) mobiliser l'évolution du système éducatif pour comprendre l'organisation actuelle de l'enseignement en Communauté française ;
b) comprendre différents modèles de pilotage d'un système éducatif et de gouvernance des écoles et des établissements d'enseignement ; dégager les opportunités et effets de chacun de ceux-ci ;
c) identifier les valeurs, les enjeux, l'approche systémique du pilotage du système éducatif et le modèle de gouvernance des établissements d'enseignement promus, notamment, par le Pacte pour un Enseignement d'Excellence ;
d) identifier la place, le rôle et la complémentarité des différents services de l'Administration générale de l'Enseignement.
3° Le troisième volet, relatif aux processus et méthodologies liés à la réalisation des missions de l'inspection, dont la durée s'élève à minimum de 93 heures, vise à développer l'aptitude chez les stagiaires à :
a) préparer des missions ;
b) récolter des données sur le terrain ;
c) rédiger des rapports et des avis ;
d) mettre en oeuvre les procédures définies au sein du Service ;
e) mettre en oeuvre la déontologie propre à la fonction en ce compris les postures propres à chaque mission et la confidentialité ;
f) travailler en équipe.
4° Un quatrième volet administratif, dont la durée s'élève à minimum de 12 heures, vise à développer chez les stagiaires l'aptitude à :
a) maîtriser à livre ouvert les bases légales et réglementaires liées à la fonction d'inspecteur ;
b) rédiger des actes administratifs.
5° Un cinquième volet pédagogique dont la durée s'élève à minimum de 36 heures, vise à développer chez les stagiaires l'aptitude à :
a) maîtriser les référentiels et les programmes ou les dossiers pédagogiques en usage en Communauté française, spécifiques aux différentes fonctions ;
b) maîtriser les outils utilisés par les Centres PMS ]4.
§ 2. Sur la base d'une proposition de [3 l'Inspecteur général coordonnateur]3, en concertation avec l'[4 Institut interréseaux de la Formation professionnelle continue]4, le Gouvernement élabore un plan de formation [4 ...]4 professionnelle qui définit:
1° [4 Les contenus et]4 les méthodologies [4 de la formation telle que définie au paragraphe 1er, ]4 en privilégiant celles qui visent le développement professionnel, notamment, l'analyse de cas, les mises en situation, l'[4 intervision]4 et la constitution d'un portfolio;
2° les modalités selon lesquelles la formation est organisée.
[4 ...]4
[4 ...]4
La deuxième partie est constituée d'une formation de 30 heures minimum, spécifique à la fonction ou à un groupe de fonctions.
Dans l'hypothèse où l'inspecteur-stagiaire [4 a]4 déjà suivi une formation [4 dont les contenus sont identiques à ceux visés au paragraphe 1er ]4, il peut solliciter une dispense de tout ou partie du programme prévu par le plan de formation, selon les conditions et modalités fixées par le Gouvernement.
§ 3. Sur la base du plan de formation visé au paragraphe 2, la formation [4 ...]4 professionnelle est organisée par [3 l'Institut interréseaux de la Formation professionnelle continue]3.
Les formateurs de cette formation[4 ...]4 professionnelle sont prioritairement issus des Universités, des Hautes Ecoles, des établissements d'enseignement de promotion sociale, de [3 l'Institut interréseaux de la Formation professionnelle continue]3, de l'Ecole d'Administration publique ou [4 des Services du Gouvernement, le Service général de l'Inspection et le Service général du Pilotage des écoles, et des Centres psycho-médico-sociaux]4.
[4 Le Gouvernement prend les dispositions nécessaires pour permettre l'indemnisation des formateurs qui ne seraient pas visés par l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 25 janvier 2017 fixant les modalités de sélection et d'indemnisation des formateurs internes auprès de l'Ecole d'administration publique et des services en charge de la formation.]4
§ 4. [4 A l'issue de la formation, le stagiaire présente et défend son portfolio devant le ou les jurys]4.
[4 Le portfolio consiste en un dossier personnel dans lequel il démontre en quoi les acquis de la formation et les acquis de l'expérience durant son stage lui permettent de rencontrer les exigences du profil de fonction visé à l'article 33, alinéa 1er, à travers l'analyse réflexive de deux cas en lien avec les missions de la fonction d'inspecteur convoitée. ]4
[4 Ce ou ces jurys sont composés :
1° d'un président désigné par le Gouvernement parmi les fonctionnaires généraux de rang 15 au moins, l'Inspecteur général coordinateur ou les inspecteurs généraux ;
2° d'un membre désigné par le Gouvernement parmi les membres du personnel de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif de l'Administration générale de l'Enseignement ;
3° d'un membre désigné par le Gouvernement parmi les membres du personnel définitifs du Service général de l'Inspection ;
4° de minimum un et de maximum deux experts externes désignés par le Gouvernement, ayant une compétence spécifique en lien avec les missions du Service général de l'Inspection.]4
Pour chaque membre effectif du jury, le Gouvernement désigne un suppléant selon les mêmes modalités.
[1 Le mandat des membres du jury est gratuit. Toutefois, une compensation financière peut être accordée au membre expert visé à l'alinéa 1er, 4°, selon les modalités fixées par le Gouvernement]1
Conformément à l'article 14 de l'arrêté royal du 28 septembre 1984 portant exécution de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités, les représentants des organisations syndicales peuvent assister aux réunions de [2 ce ou ces jurys]2 en tant qu'observateurs.
Les modalités de fonctionnement [2 du ou des jurys]2 sont fixées par le Gouvernement.
Le jury fonde son appréciation de l'épreuve [4 donnant accès à la nomination ]4 sur les critères d'évaluation suivants:
1° le degré de maîtrise des connaissances et capacités supposées développées dans le cadre [4 d'au moins deux]4 des volets de la formation [4 professionnelle visée au paragraphe 1er ]4;
2° la capacité à communiquer par écrit;
3° la capacité à communiquer oralement.
Le Gouvernement fixe [4 ...]4 les modalités d'organisation et d'évaluation de l'épreuve [4 et sur proposition de l'Inspecteur général coordonnateur, les volets à évaluer par le ou les jurys " sont insérés en fin de phrase ]4.
[4 Sur la base de sa prestation et en tenant compte des évaluations de stage, le stagiaire est déclaré apte ou inapte à la fonction. Il peut être déclaré inapte notamment si sa prestation révèle un élément majeur incompatible avec l'exercice de la fonction. . Sera considérée comme un élément majeur incompatible avec l'exercice de la fonction la posture du stagiaire qui s'inscrit uniquement dans une mission de contrôle, enfreint la liberté pédagogique des écoles, adopte dans sa pratique des positions non conforme aux objectifs d'amélioration du système éducatif fixés par le législateur ou des missions prioritaires telles que définies aux articles 1.4.1-1 et 1.4.1-2 du Code]4.
§ 5. Il est mis fin d'office et sans préavis au stage en cas de non-réussite de la formation [4 ...]4 professionnelle visée au présent article. Dans ce cas, [4 le stage prend fin après l'écoulement d'un délai de 15 jours et, le cas échéant,]4 le membre du personnel réintègre à titre définitif sa fonction et son affectation d'origine [4 dans lesquelles il est nommé ou engagé à titre définitif. A défaut, ce délai est porté à six semaines ]4.
[4 Le]4 Gouvernement peut [4 , pour assurer la continuité dans la fonction d'inspecteur visée ou afin de ne pas perturber la stabilité des équipes pédagogiques,]4 reporter la réintégration du membre du personnel dans sa fonction d'origine de [4 maximum]4 six mois à dater de la décision de non-réussite de [4 la formation ]4 professionnelle.
Le membre du personnel visé à l'alinéa 1er, peut introduire, par envoi recommandé, un recours écrit contre la décision de non-réussite du stage, par la voie hiérarchique, dans les dix jours de sa notification auprès de la Chambre de recours visée à l'article 116. Ce recours est suspensif.
La Chambre de recours remet son avis au Gouvernement dans un délai maximum [4 de deux ]4 mois à partir de la date de réception du recours. Le Gouvernement prend sa décision [4 ...]4 dans un délai maximum d'un mois à dater de la réception de l'avis. [4 Il est mis fin au stage lorsque le Gouvernement confirme l'échec]4
La formation est commune à tous les inspecteurs quelle que soit leur fonction.
La formation professionnelle comporte quatre volets.
1° Le premier volet, relatif au développement professionnel et réflexif, dont la durée s'élève à minimum 48 heures, vise à développer chez les stagiaires l'aptitude à :
a) se questionner, prendre de la distance et pratiquer l'analyse réflexive au regard de problématiques éducatives ;
b) s'adapter à la diversité et à la spécificité des contextes institutionnels et environnementaux ;
c) évaluer son propre fonctionnement, analyser ses atouts et ses faiblesses et identifier ses besoins en termes de formation ;
d) élaborer un portfolio attestant le développement de compétences spécifiques à l'exercice de sa future fonction et de ses missions.
2° Le deuxième volet, relatif au pilotage du système éducatif, dont la durée s'élève à minimum de 33 heures, vise à développer chez les stagiaires l'aptitude à :
a) mobiliser l'évolution du système éducatif pour comprendre l'organisation actuelle de l'enseignement en Communauté française ;
b) comprendre différents modèles de pilotage d'un système éducatif et de gouvernance des écoles et des établissements d'enseignement ; dégager les opportunités et effets de chacun de ceux-ci ;
c) identifier les valeurs, les enjeux, l'approche systémique du pilotage du système éducatif et le modèle de gouvernance des établissements d'enseignement promus, notamment, par le Pacte pour un Enseignement d'Excellence ;
d) identifier la place, le rôle et la complémentarité des différents services de l'Administration générale de l'Enseignement.
3° Le troisième volet, relatif aux processus et méthodologies liés à la réalisation des missions de l'inspection, dont la durée s'élève à minimum de 93 heures, vise à développer l'aptitude chez les stagiaires à :
a) préparer des missions ;
b) récolter des données sur le terrain ;
c) rédiger des rapports et des avis ;
d) mettre en oeuvre les procédures définies au sein du Service ;
e) mettre en oeuvre la déontologie propre à la fonction en ce compris les postures propres à chaque mission et la confidentialité ;
f) travailler en équipe.
4° Un quatrième volet administratif, dont la durée s'élève à minimum de 12 heures, vise à développer chez les stagiaires l'aptitude à :
a) maîtriser à livre ouvert les bases légales et réglementaires liées à la fonction d'inspecteur ;
b) rédiger des actes administratifs.
5° Un cinquième volet pédagogique dont la durée s'élève à minimum de 36 heures, vise à développer chez les stagiaires l'aptitude à :
a) maîtriser les référentiels et les programmes ou les dossiers pédagogiques en usage en Communauté française, spécifiques aux différentes fonctions ;
b) maîtriser les outils utilisés par les Centres PMS ]4.
§ 2. Sur la base d'une proposition de [3 l'Inspecteur général coordonnateur]3, en concertation avec l'[4 Institut interréseaux de la Formation professionnelle continue]4, le Gouvernement élabore un plan de formation [4 ...]4 professionnelle qui définit:
1° [4 Les contenus et]4 les méthodologies [4 de la formation telle que définie au paragraphe 1er, ]4 en privilégiant celles qui visent le développement professionnel, notamment, l'analyse de cas, les mises en situation, l'[4 intervision]4 et la constitution d'un portfolio;
2° les modalités selon lesquelles la formation est organisée.
[4 ...]4
[4 ...]4
La deuxième partie est constituée d'une formation de 30 heures minimum, spécifique à la fonction ou à un groupe de fonctions.
Dans l'hypothèse où l'inspecteur-stagiaire [4 a]4 déjà suivi une formation [4 dont les contenus sont identiques à ceux visés au paragraphe 1er ]4, il peut solliciter une dispense de tout ou partie du programme prévu par le plan de formation, selon les conditions et modalités fixées par le Gouvernement.
§ 3. Sur la base du plan de formation visé au paragraphe 2, la formation [4 ...]4 professionnelle est organisée par [3 l'Institut interréseaux de la Formation professionnelle continue]3.
Les formateurs de cette formation[4 ...]4 professionnelle sont prioritairement issus des Universités, des Hautes Ecoles, des établissements d'enseignement de promotion sociale, de [3 l'Institut interréseaux de la Formation professionnelle continue]3, de l'Ecole d'Administration publique ou [4 des Services du Gouvernement, le Service général de l'Inspection et le Service général du Pilotage des écoles, et des Centres psycho-médico-sociaux]4.
[4 Le Gouvernement prend les dispositions nécessaires pour permettre l'indemnisation des formateurs qui ne seraient pas visés par l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 25 janvier 2017 fixant les modalités de sélection et d'indemnisation des formateurs internes auprès de l'Ecole d'administration publique et des services en charge de la formation.]4
§ 4. [4 A l'issue de la formation, le stagiaire présente et défend son portfolio devant le ou les jurys]4.
[4 Le portfolio consiste en un dossier personnel dans lequel il démontre en quoi les acquis de la formation et les acquis de l'expérience durant son stage lui permettent de rencontrer les exigences du profil de fonction visé à l'article 33, alinéa 1er, à travers l'analyse réflexive de deux cas en lien avec les missions de la fonction d'inspecteur convoitée. ]4
[4 Ce ou ces jurys sont composés :
1° d'un président désigné par le Gouvernement parmi les fonctionnaires généraux de rang 15 au moins, l'Inspecteur général coordinateur ou les inspecteurs généraux ;
2° d'un membre désigné par le Gouvernement parmi les membres du personnel de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif de l'Administration générale de l'Enseignement ;
3° d'un membre désigné par le Gouvernement parmi les membres du personnel définitifs du Service général de l'Inspection ;
4° de minimum un et de maximum deux experts externes désignés par le Gouvernement, ayant une compétence spécifique en lien avec les missions du Service général de l'Inspection.]4
Pour chaque membre effectif du jury, le Gouvernement désigne un suppléant selon les mêmes modalités.
[1 Le mandat des membres du jury est gratuit. Toutefois, une compensation financière peut être accordée au membre expert visé à l'alinéa 1er, 4°, selon les modalités fixées par le Gouvernement]1
Conformément à l'article 14 de l'arrêté royal du 28 septembre 1984 portant exécution de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités, les représentants des organisations syndicales peuvent assister aux réunions de [2 ce ou ces jurys]2 en tant qu'observateurs.
Les modalités de fonctionnement [2 du ou des jurys]2 sont fixées par le Gouvernement.
Le jury fonde son appréciation de l'épreuve [4 donnant accès à la nomination ]4 sur les critères d'évaluation suivants:
1° le degré de maîtrise des connaissances et capacités supposées développées dans le cadre [4 d'au moins deux]4 des volets de la formation [4 professionnelle visée au paragraphe 1er ]4;
2° la capacité à communiquer par écrit;
3° la capacité à communiquer oralement.
Le Gouvernement fixe [4 ...]4 les modalités d'organisation et d'évaluation de l'épreuve [4 et sur proposition de l'Inspecteur général coordonnateur, les volets à évaluer par le ou les jurys " sont insérés en fin de phrase ]4.
[4 Sur la base de sa prestation et en tenant compte des évaluations de stage, le stagiaire est déclaré apte ou inapte à la fonction. Il peut être déclaré inapte notamment si sa prestation révèle un élément majeur incompatible avec l'exercice de la fonction. . Sera considérée comme un élément majeur incompatible avec l'exercice de la fonction la posture du stagiaire qui s'inscrit uniquement dans une mission de contrôle, enfreint la liberté pédagogique des écoles, adopte dans sa pratique des positions non conforme aux objectifs d'amélioration du système éducatif fixés par le législateur ou des missions prioritaires telles que définies aux articles 1.4.1-1 et 1.4.1-2 du Code]4.
§ 5. Il est mis fin d'office et sans préavis au stage en cas de non-réussite de la formation [4 ...]4 professionnelle visée au présent article. Dans ce cas, [4 le stage prend fin après l'écoulement d'un délai de 15 jours et, le cas échéant,]4 le membre du personnel réintègre à titre définitif sa fonction et son affectation d'origine [4 dans lesquelles il est nommé ou engagé à titre définitif. A défaut, ce délai est porté à six semaines ]4.
[4 Le]4 Gouvernement peut [4 , pour assurer la continuité dans la fonction d'inspecteur visée ou afin de ne pas perturber la stabilité des équipes pédagogiques,]4 reporter la réintégration du membre du personnel dans sa fonction d'origine de [4 maximum]4 six mois à dater de la décision de non-réussite de [4 la formation ]4 professionnelle.
Le membre du personnel visé à l'alinéa 1er, peut introduire, par envoi recommandé, un recours écrit contre la décision de non-réussite du stage, par la voie hiérarchique, dans les dix jours de sa notification auprès de la Chambre de recours visée à l'article 116. Ce recours est suspensif.
La Chambre de recours remet son avis au Gouvernement dans un délai maximum [4 de deux ]4 mois à partir de la date de réception du recours. Le Gouvernement prend sa décision [4 ...]4 dans un délai maximum d'un mois à dater de la réception de l'avis. [4 Il est mis fin au stage lorsque le Gouvernement confirme l'échec]4
Art. 55. Elke inspecteur-stagiair kan zijn stage vervroegd beëindigen met een opzegtermijn van maximaal [1 zes weken ]1. Deze opzegtermijn kan altijd worden verkort in onderling overleg.
Bij gebrek aan een reactie van de Regering binnen de maand na het verzoek van de inspecteur-stagiair, wordt het geacht te zijn aanvaard.
In dat geval neemt het personeelslid zijn oorspronkelijke ambt in vast verband weer op en kan hij, uitgezonderd in uitzonderlijke en behoorlijk gemotiveerde omstandigheden, slechts opnieuw worden toegelaten wanneer hij behoort tot een andere wervingsreserve bedoeld in artikel 32, lid 2, 1° en 2°, van onderhavig decreet dan die waarvoor hij werd toegelaten tot de stage [1 of na te hebben geantwoord op een nieuwe oproep tot kandidaten]1. Hij verliest in elk geval het voordeel van de stage die hij vroegtijdig beëindigd.
Om de continuïteit van het inspectie-ambt te garanderen en de stabiliteit van de pedagogische teams niet te verstoren, kan de Regering de wederopneming van het personeelslid in zijn oorspronkelijke ambt maximaal zes maanden uitstellen vanaf de datum van het verzoek van het personeelslid.
Bij gebrek aan een reactie van de Regering binnen de maand na het verzoek van de inspecteur-stagiair, wordt het geacht te zijn aanvaard.
In dat geval neemt het personeelslid zijn oorspronkelijke ambt in vast verband weer op en kan hij, uitgezonderd in uitzonderlijke en behoorlijk gemotiveerde omstandigheden, slechts opnieuw worden toegelaten wanneer hij behoort tot een andere wervingsreserve bedoeld in artikel 32, lid 2, 1° en 2°, van onderhavig decreet dan die waarvoor hij werd toegelaten tot de stage [1 of na te hebben geantwoord op een nieuwe oproep tot kandidaten]1. Hij verliest in elk geval het voordeel van de stage die hij vroegtijdig beëindigd.
Om de continuïteit van het inspectie-ambt te garanderen en de stabiliteit van de pedagogische teams niet te verstoren, kan de Regering de wederopneming van het personeelslid in zijn oorspronkelijke ambt maximaal zes maanden uitstellen vanaf de datum van het verzoek van het personeelslid.
Modifications
Art. 55. Tout inspecteur-stagiaire peut solliciter la fin anticipée de son stage moyennant un préavis maximum de [1 six semaines]1. Ce préavis peut toutefois être réduit de commun accord.
En cas d'absence de réaction du Gouvernement dans le mois de la demande de l'inspecteur-stagiaire, celle-ci est réputée acceptée.
Dans ce cas, le membre du personnel réintègre à titre définitif sa fonction d'origine et, sauf circonstances exceptionnelles dûment motivées, il ne pourra être désigné pour une nouvelle affectation que dans l'hypothèse où il fera partie d'une réserve d'une fonction visée à l'article 32, alinéa 2, 1° et 2°, du présent décret autre que celle pour laquelle il a été admis au stage [1 ou après avoir répondu à un nouvel appel aux candidats ]1. Il perd en tout cas le bénéfice du stage auquel il a mis fin de manière anticipée.
Pour assurer la continuité dans la fonction d'inspection ou pour éviter de perturber la stabilité des équipes pédagogiques, le Gouvernement peut reporter la réintégration du membre du personnel dans sa fonction d'origine de maximum six mois à dater de la demande du membre du personnel.
En cas d'absence de réaction du Gouvernement dans le mois de la demande de l'inspecteur-stagiaire, celle-ci est réputée acceptée.
Dans ce cas, le membre du personnel réintègre à titre définitif sa fonction d'origine et, sauf circonstances exceptionnelles dûment motivées, il ne pourra être désigné pour une nouvelle affectation que dans l'hypothèse où il fera partie d'une réserve d'une fonction visée à l'article 32, alinéa 2, 1° et 2°, du présent décret autre que celle pour laquelle il a été admis au stage [1 ou après avoir répondu à un nouvel appel aux candidats ]1. Il perd en tout cas le bénéfice du stage auquel il a mis fin de manière anticipée.
Pour assurer la continuité dans la fonction d'inspection ou pour éviter de perturber la stabilité des équipes pédagogiques, le Gouvernement peut reporter la réintégration du membre du personnel dans sa fonction d'origine de maximum six mois à dater de la demande du membre du personnel.
Modifications
Art. 56. § 1. Na de stage wordt het personeelslid dat geslaagd is voor de proef bedoeld in artikel 54, § 4, na afloop van de [1 beroepsopleiding]1 bedoeld in paragraaf 1 van hetzelfde artikel, geëvalueerd volgens dezelfde nadere regels als in artikel 53.
Het personeelslid dat een vermelding `ongunstig' krijgt, kan per aangetekend schrijven een schriftelijke klacht indienen tegen deze vermelding volgens dezelfde nadere regels als in artikel 53, § 3. [1 Dit beroep is opschortend. De stage wordt beëindigd wanneer de Regering het niet-slagen bevestigt. De stage eindigt na het verstrijken van een termijn van 15 dagen en indien van toepassing neemt het personeelslid zijn oorspronkelijke ambt en aanstelling weer op, waarin hij vastbenoemd of aangeworven is. Anders wordt deze termijn verlengd tot zes weken]1
§ 2. Het personeelslid dat aan het einde van de stage een gunstige evaluatie heeft gekregen, krijgt een voorstel tot vaste benoeming in het ambt van inspecteur [1 ...]1.
[1 Dit voorstel wordt hem ter kennis gebracht door de coördinerende inspecteur-generaal, hetzij per aangetekend schrijven, hetzij per e-mail naar het opgegeven adres, hetzij door overhandiging van een brief, in alle drie de gevallen met een ontvangstbewijs met uitwerking drie werkdagen na de datum op dat ontvangstbewijs]1.
Het personeelslid heeft een termijn van [1 acht ]1 werkdagen om het ingevulde en ondertekende voorstel te overhandigen aan de inspecteur-generaal en erop te vermelden of hij een vaste benoeming in het ambt van inspecteur aanvaardt of weigert. [1 Als het personeelslid niet binnen acht dagen antwoordt, behoudens overmacht, wordt verondersteld dat het weigert en eindigt de stage van rechtswege.]1
In geval van een weigering binnen de [1 acht]1 dagen van een vaste benoeming, neemt het [1 vastbenoemde of aangeworven]1 personeelslid zijn oorspronkelijke ambt en aanstelling weer op.
§ 3. De benoeming in een ambt van inspecteur door de Regering treedt voor de betrokkene in werking op de dag van de toelating tot de stage. De betrekking waarvan de inspecteur-stagiair titularis was binnen zijn oorspronkelijke inrichtende macht of de Algemene Dienst Sturing van scholen en psychisch-medisch-sociale centra kan slechts vacant worden verklaard op de datum van de beslissing van de benoeming in het ambt van inspecteur.
Het benoemingsbesluit wordt gepubliceerd als uittreksel van het Belgisch Staatsblad.
Het personeelslid dat een vermelding `ongunstig' krijgt, kan per aangetekend schrijven een schriftelijke klacht indienen tegen deze vermelding volgens dezelfde nadere regels als in artikel 53, § 3. [1 Dit beroep is opschortend. De stage wordt beëindigd wanneer de Regering het niet-slagen bevestigt. De stage eindigt na het verstrijken van een termijn van 15 dagen en indien van toepassing neemt het personeelslid zijn oorspronkelijke ambt en aanstelling weer op, waarin hij vastbenoemd of aangeworven is. Anders wordt deze termijn verlengd tot zes weken]1
§ 2. Het personeelslid dat aan het einde van de stage een gunstige evaluatie heeft gekregen, krijgt een voorstel tot vaste benoeming in het ambt van inspecteur [1 ...]1.
[1 Dit voorstel wordt hem ter kennis gebracht door de coördinerende inspecteur-generaal, hetzij per aangetekend schrijven, hetzij per e-mail naar het opgegeven adres, hetzij door overhandiging van een brief, in alle drie de gevallen met een ontvangstbewijs met uitwerking drie werkdagen na de datum op dat ontvangstbewijs]1.
Het personeelslid heeft een termijn van [1 acht ]1 werkdagen om het ingevulde en ondertekende voorstel te overhandigen aan de inspecteur-generaal en erop te vermelden of hij een vaste benoeming in het ambt van inspecteur aanvaardt of weigert. [1 Als het personeelslid niet binnen acht dagen antwoordt, behoudens overmacht, wordt verondersteld dat het weigert en eindigt de stage van rechtswege.]1
In geval van een weigering binnen de [1 acht]1 dagen van een vaste benoeming, neemt het [1 vastbenoemde of aangeworven]1 personeelslid zijn oorspronkelijke ambt en aanstelling weer op.
§ 3. De benoeming in een ambt van inspecteur door de Regering treedt voor de betrokkene in werking op de dag van de toelating tot de stage. De betrekking waarvan de inspecteur-stagiair titularis was binnen zijn oorspronkelijke inrichtende macht of de Algemene Dienst Sturing van scholen en psychisch-medisch-sociale centra kan slechts vacant worden verklaard op de datum van de beslissing van de benoeming in het ambt van inspecteur.
Het benoemingsbesluit wordt gepubliceerd als uittreksel van het Belgisch Staatsblad.
Modifications
Art. 56. § 1er. A l'issue du stage, le membre du personnel qui a réussi l'épreuve visée à l'article 54, § 4, à l'issue de la formation [1 ...]1professionnelle visée au paragraphe 1er du même article, est évalué selon les mêmes modalités qu'à l'article 53.
Le membre du personnel qui se voit attribuer une mention " défavorable " peut introduire par envoi recommandé une réclamation écrite contre cette mention selon les mêmes modalités qu'à l'article 53, § 3. [1 Ce recours est suspensif. Il est mis fin au stage lorsque le Gouvernement confirme l'échec. Le stage prend fin après l'écoulement d'un délai de 15 jours et, le cas échéant, le membre du personnel réintègre sa fonction et son affectation d'origine dans lesquelles il est nommé ou engagé à titre définitif. A défaut, ce délai est porté à six semaines. ]1
§ 2. Le membre du personnel qui fait l'objet d'une évaluation favorable à l'issue du stage fait l'objet d'une proposition de nomination à titre définitif à la fonction d'inspecteur [1 ...]1.
[1 Cette proposition lui est notifiée par l'Inspecteur général coordonnateur, soit par lettre recommandée à la poste, soit par courriel à l'adresse renseignée, soit par la remise d'une lettre de la main à la main, dans les trois cas avec accusé de réception portant ses effets trois jours ouvrables après la date figurant sur cet accusé de réception. ]1.
Le membre du personnel dispose d'un délai de [1 huit]1 jours ouvrables pour remettre la proposition complétée et signée à l'Inspecteur général coordonnateur et y indiquer s'il accepte ou renonce à une nomination à titre définitif à la fonction d'inspecteur. [1 A défaut de réponse dans les huit jours et sauf cas de force majeure, la renonciation est présumée et le stage prend fin de plein droit.]1
En cas de renonciation dans le délai de [1 huit]1 jours à une nomination à titre définitif, le membre du personnel [1 nommé ou engagé à titre définitif ]1 réintègre sa fonction et son affectation d'origine.
§ 3. La nomination à une fonction d'inspecteur par le Gouvernement produit ses effets, pour l'intéressé, le jour de l'admission au stage. L'emploi dont était titulaire l'inspecteur-stagiaire au sein de son pouvoir organisateur d'origine, ou du Service général du Pilotage des Ecoles et des Centres psycho-médico-sociaux ne peut être déclaré vacant qu'à la date de la décision de nomination à la fonction d'inspecteur.
L'arrêté de nomination est publié par extrait au Moniteur belge.
Le membre du personnel qui se voit attribuer une mention " défavorable " peut introduire par envoi recommandé une réclamation écrite contre cette mention selon les mêmes modalités qu'à l'article 53, § 3. [1 Ce recours est suspensif. Il est mis fin au stage lorsque le Gouvernement confirme l'échec. Le stage prend fin après l'écoulement d'un délai de 15 jours et, le cas échéant, le membre du personnel réintègre sa fonction et son affectation d'origine dans lesquelles il est nommé ou engagé à titre définitif. A défaut, ce délai est porté à six semaines. ]1
§ 2. Le membre du personnel qui fait l'objet d'une évaluation favorable à l'issue du stage fait l'objet d'une proposition de nomination à titre définitif à la fonction d'inspecteur [1 ...]1.
[1 Cette proposition lui est notifiée par l'Inspecteur général coordonnateur, soit par lettre recommandée à la poste, soit par courriel à l'adresse renseignée, soit par la remise d'une lettre de la main à la main, dans les trois cas avec accusé de réception portant ses effets trois jours ouvrables après la date figurant sur cet accusé de réception. ]1.
Le membre du personnel dispose d'un délai de [1 huit]1 jours ouvrables pour remettre la proposition complétée et signée à l'Inspecteur général coordonnateur et y indiquer s'il accepte ou renonce à une nomination à titre définitif à la fonction d'inspecteur. [1 A défaut de réponse dans les huit jours et sauf cas de force majeure, la renonciation est présumée et le stage prend fin de plein droit.]1
En cas de renonciation dans le délai de [1 huit]1 jours à une nomination à titre définitif, le membre du personnel [1 nommé ou engagé à titre définitif ]1 réintègre sa fonction et son affectation d'origine.
§ 3. La nomination à une fonction d'inspecteur par le Gouvernement produit ses effets, pour l'intéressé, le jour de l'admission au stage. L'emploi dont était titulaire l'inspecteur-stagiaire au sein de son pouvoir organisateur d'origine, ou du Service général du Pilotage des Ecoles et des Centres psycho-médico-sociaux ne peut être déclaré vacant qu'à la date de la décision de nomination à la fonction d'inspecteur.
L'arrêté de nomination est publié par extrait au Moniteur belge.
Modifications
AFDELING II. - Voorlopige aanstelling in een bevorderingsambt van inspecteur
SECTION II. - De la désignation à titre provisoire à une fonction de promotion d'inspecteur
Art. 57. Als een personeelslid van de algemene inspectiedienst tijdelijk afwezig is of er een vacante betrekking van inspecteur is waarvoor geen stagiair kan worden aangesteld, kan de Regering overgaan tot de voorlopige aanstelling in een betrekking van een ambt van inspecteur bedoeld in artikel 32, lid 2, 1° en 2°.
In dat geval wordt het tijdelijk aangestelde personeelslid, behalve indien anders bepaald, voor de uitoefening van zijn functies, gelijkgesteld aan een personeelslid dat vast benoemd of aangeworven is in het ambt van inspecteur.
Ongeacht de datum vanaf wanneer het personeelslid wordt aangesteld krachtens lid 1, eindigt zijn tijdelijke aanstelling uiterlijk op 31 augustus.
De aanstelling bedoeld in lid 1 kan maximaal twee keer worden vernieuwd volgens de bepalingen van onderhavige afdeling. De totale duur van de tijdelijke aanstelling mag niet meer dan drie opeenvolgende schooljaren zijn.
In dat geval wordt het tijdelijk aangestelde personeelslid, behalve indien anders bepaald, voor de uitoefening van zijn functies, gelijkgesteld aan een personeelslid dat vast benoemd of aangeworven is in het ambt van inspecteur.
Ongeacht de datum vanaf wanneer het personeelslid wordt aangesteld krachtens lid 1, eindigt zijn tijdelijke aanstelling uiterlijk op 31 augustus.
De aanstelling bedoeld in lid 1 kan maximaal twee keer worden vernieuwd volgens de bepalingen van onderhavige afdeling. De totale duur van de tijdelijke aanstelling mag niet meer dan drie opeenvolgende schooljaren zijn.
Art. 57. En cas d'absence temporaire d'un membre du personnel du Service général de l'Inspection ou de vacance d'un emploi d'inspecteur pour lequel il n'est pas possible de désigner un stagiaire, le Gouvernement peut procéder à une désignation à titre provisoire dans un emploi d'une fonction d'inspecteur visée à l'article 32, alinéa 2, 1° et 2°.
Dans ce cas, sauf disposition contraire, pour les besoins de l'exercice de ses fonctions, le membre du personnel désigné à titre provisoire est assimilé à un membre du personnel nommé ou engagé à titre définitif dans la fonction d'inspecteur.
Quelle que soit la date à partir de laquelle le membre du personnel est désigné en vertu de l'alinéa 1er, sa désignation à titre temporaire prend fin au plus tard le 31 août.
La désignation visée à l'alinéa 1er peut être renouvelée deux fois au maximum dans le respect des dispositions de la présente section. La durée totale de la désignation à titre provisoire ne peut excéder trois années scolaires consécutives.
Dans ce cas, sauf disposition contraire, pour les besoins de l'exercice de ses fonctions, le membre du personnel désigné à titre provisoire est assimilé à un membre du personnel nommé ou engagé à titre définitif dans la fonction d'inspecteur.
Quelle que soit la date à partir de laquelle le membre du personnel est désigné en vertu de l'alinéa 1er, sa désignation à titre temporaire prend fin au plus tard le 31 août.
La désignation visée à l'alinéa 1er peut être renouvelée deux fois au maximum dans le respect des dispositions de la présente section. La durée totale de la désignation à titre provisoire ne peut excéder trois années scolaires consécutives.
Art. 58. Niemand kan voorlopig worden aangesteld overeenkomstig artikel 57, indien hij niet voldoet aan de volgende voorwaarden:
1° voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 13, lid 1;
2° zijn kandidatuur hebben ingediend in de vorm en binnen de termijnen overeenkomstig artikel 59.
De periode tijdens dewelke een personeelslid tijdelijk wordt aangesteld in toepassing van de bepalingen van onderhavige afdeling, kan niet worden gelijkgesteld met de stage bedoeld in artikel [1 52]1.
1° voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 13, lid 1;
2° zijn kandidatuur hebben ingediend in de vorm en binnen de termijnen overeenkomstig artikel 59.
De periode tijdens dewelke een personeelslid tijdelijk wordt aangesteld in toepassing van de bepalingen van onderhavige afdeling, kan niet worden gelijkgesteld met de stage bedoeld in artikel [1 52]1.
Modifications
Art. 58. Nul ne peut être désigné à titre provisoire conformément à l'article 57 s'il ne remplit pas les conditions suivantes:
1° satisfaire aux conditions visées à l'article 13, § 1er;
2° avoir introduit sa candidature dans les formes et délais conformément à l'article 59.
La période durant laquelle un membre du personnel est désigné à titre provisoire en application des dispositions de la présente section ne peut être assimilée au stage visé à l'article[1 52]1.
1° satisfaire aux conditions visées à l'article 13, § 1er;
2° avoir introduit sa candidature dans les formes et délais conformément à l'article 59.
La période durant laquelle un membre du personnel est désigné à titre provisoire en application des dispositions de la présente section ne peut être assimilée au stage visé à l'article[1 52]1.
Modifications
Art. 59. De Regering [1 of haar afgevaardigde]1 nodigt de personeelsleden uit de wervingsreserve per ambt bedoeld in artikel [1 18]1 uit met inachtneming van de opgestelde rangschikking om tijdelijk te worden aangesteld volgens de door haar vastgelegde nadere regels.
Zo niet, verzoekt de Regering de personeelsleden om hun kandidatuur voor een tijdelijk aanstelling in te dienen volgens de door haar vastgelegde nadere regels.
Zo niet, verzoekt de Regering de personeelsleden om hun kandidatuur voor een tijdelijk aanstelling in te dienen volgens de door haar vastgelegde nadere regels.
Modifications
Art. 59. Le Gouvernement [1 ou son délégué ]1 invite les membres du personnel repris dans la réserve par fonction visée à l'article [1 18 ]1 en respectant l'ordre du classement établi à être désigné à titre provisoire, selon les modalités qu'il détermine.
A défaut, le Gouvernement invite les membres du personnel à introduire leur candidature à une désignation provisoire selon les modalités qu'il détermine.
A défaut, le Gouvernement invite les membres du personnel à introduire leur candidature à une désignation provisoire selon les modalités qu'il détermine.
Modifications
Art. 60. § 1. Onverminderd de toepassing van artikel 143, kan de Regering, met een opzegtermijn van twee weken, in het belang van de dienst de aanstelling van een tijdelijk aangesteld personeelslid in een bevorderingsambt van inspecteur beëindigen.
§ 2. Voor elke beslissing van de Regering moet het personeelslid worden uitgenodigd om te worden gehoord door de door de Regering aangestelde ambtenaar-generaal of de coördinerende inspecteur-generaal die hij daartoe aanstelt.
De oproeping voor een verhoor alsook de gronden waarvoor de Regering de tijdelijke aanstelling wil beëindigen worden minstens vijf werkdagen voor de hoorzitting bekendgemaakt aan het personeelslid, ofwel per aangetekend schrijven met ontvangstbevestiging, ofwel bij overhandiging van een brief met ontvangstbewijs.
Tijdens de hoorzitting kan het personeelslid worden bijgestaan of vertegenwoordigd door een vertegenwoordiger van een erkende vakvereniging, een advocaat, een verdediger gekozen onder de personeelsleden van de algemene inspectiedienst, in activiteit of op rust.
Van de hoorzitting worden notulen opgesteld.
De procedure verloopt rechtsgeldig wanneer het personeelslid, behoorlijk opgeroepen, niet aanwezig is of wordt vertegenwoordigd op de hoorzitting.
De Regering neemt haar beslissing binnen de tien dagen na verzending van de notulen.
§ 2. Voor elke beslissing van de Regering moet het personeelslid worden uitgenodigd om te worden gehoord door de door de Regering aangestelde ambtenaar-generaal of de coördinerende inspecteur-generaal die hij daartoe aanstelt.
De oproeping voor een verhoor alsook de gronden waarvoor de Regering de tijdelijke aanstelling wil beëindigen worden minstens vijf werkdagen voor de hoorzitting bekendgemaakt aan het personeelslid, ofwel per aangetekend schrijven met ontvangstbevestiging, ofwel bij overhandiging van een brief met ontvangstbewijs.
Tijdens de hoorzitting kan het personeelslid worden bijgestaan of vertegenwoordigd door een vertegenwoordiger van een erkende vakvereniging, een advocaat, een verdediger gekozen onder de personeelsleden van de algemene inspectiedienst, in activiteit of op rust.
Van de hoorzitting worden notulen opgesteld.
De procedure verloopt rechtsgeldig wanneer het personeelslid, behoorlijk opgeroepen, niet aanwezig is of wordt vertegenwoordigd op de hoorzitting.
De Regering neemt haar beslissing binnen de tien dagen na verzending van de notulen.
Art. 60. § 1er. Sans préjudice de l'application de l'article 143, moyennant un préavis de quinze jours, le Gouvernement peut mettre fin dans l'intérêt du service à la désignation d'un membre du personnel désigné à titre provisoire dans une fonction de promotion d'inspecteur.
§ 2. Préalablement à toute décision du Gouvernement, le membre du personnel doit avoir été invité à se faire entendre par le fonctionnaire général désigné par le Gouvernement ou l'Inspecteur général coordonnateur qu'il délègue à cet effet.
La convocation à l'audition ainsi que les motifs en raison desquels le Gouvernement envisage de mettre fin à sa désignation à titre provisoire sont notifiés au membre du personnel cinq jours ouvrables au moins avant son audition, soit par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception, soit par la remise d'une lettre de la main à la main avec accusé de réception.
Au cours de l'audition, le membre du personnel peut se faire assister ou représenter par un représentant d'une organisation syndicale agréée, par un avocat ou par un défenseur choisi parmi les membres du personnel du Service général de l'Inspection, en activité de service ou retraités.
L'audition fait l'objet d'un procès-verbal.
La procédure se poursuit valablement lorsque le membre du personnel, dûment convoqué, ne se présente pas à l'audition ou n'y est pas représenté.
Le Gouvernement prend sa décision dans les dix jours de la transmission du procès-verbal.
§ 2. Préalablement à toute décision du Gouvernement, le membre du personnel doit avoir été invité à se faire entendre par le fonctionnaire général désigné par le Gouvernement ou l'Inspecteur général coordonnateur qu'il délègue à cet effet.
La convocation à l'audition ainsi que les motifs en raison desquels le Gouvernement envisage de mettre fin à sa désignation à titre provisoire sont notifiés au membre du personnel cinq jours ouvrables au moins avant son audition, soit par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception, soit par la remise d'une lettre de la main à la main avec accusé de réception.
Au cours de l'audition, le membre du personnel peut se faire assister ou représenter par un représentant d'une organisation syndicale agréée, par un avocat ou par un défenseur choisi parmi les membres du personnel du Service général de l'Inspection, en activité de service ou retraités.
L'audition fait l'objet d'un procès-verbal.
La procédure se poursuit valablement lorsque le membre du personnel, dûment convoqué, ne se présente pas à l'audition ou n'y est pas représenté.
Le Gouvernement prend sa décision dans les dix jours de la transmission du procès-verbal.
Art. 61. Het personeelslid kan afzien van zijn voorlopige aanstelling mits een opzegtermijn van [1 zes weken]1. In dat geval neemt het personeelslid [1 , indien van toepassing,]1 zijn oorspronkelijke ambt in vast verband weer op en wordt het, uitgezonderd in uitzonderlijke en behoorlijk gemotiveerde omstandigheden, slechts opnieuw toegelaten tot de stage of voorlopig aangesteld in een ambt van inspecteur na te hebben gereageerd op een nieuwe oproep voor kandidaten.
De in het vorige lid bedoelde opzegtermijn kan worden verkort in onderling overleg.
De in het vorige lid bedoelde opzegtermijn kan worden verkort in onderling overleg.
Modifications
Art. 61. Moyennant un préavis de [1 six semaines]1, le membre du personnel peut renoncer à sa désignation à titre provisoire. Dans ce cas, le membre du personnel réintègre à titre définitif sa fonction d'origine [1 , le cas échéan]1 et, sauf circonstances exceptionnelles dûment motivées, il ne pourra être admis au stage ou désigné à titre provisoire à une fonction d'inspecteur qu'après avoir répondu à un nouvel appel aux candidats.
Le préavis visé à l'alinéa précédent peut être réduit de commun accord.
Le préavis visé à l'alinéa précédent peut être réduit de commun accord.
Modifications
Art. 62. Er wordt van rechtswege een einde gemaakt aan de voorlopige aanstelling van het personeelslid wanneer dit personeelslid één van de tuchtsancties bedoeld in artikel 105, 4° tot 7° krijgt.
De tuchtsancties bedoeld in artikel 105, 6° en 7°, stellen overigens een einde aan elke statutaire band, zelfs in het oorspronkelijke ambt van het in het vorige lid bedoelde personeelslid.
De tuchtsancties bedoeld in artikel 105, 6° en 7°, stellen overigens een einde aan elke statutaire band, zelfs in het oorspronkelijke ambt van het in het vorige lid bedoelde personeelslid.
Art. 62. Il est d'office mis fin à la désignation à titre provisoire du membre du personnel lorsque celui-ci fait l'objet de l'une des sanctions disciplinaires visées à l'article 105, 4° à 7°.
Les sanctions disciplinaires visées à l'article 105, 6° et 7°, mettent fin, en outre, à tout lien statutaire, même dans la fonction d'origine du membre du personnel visé à l'alinéa précédent.
Les sanctions disciplinaires visées à l'article 105, 6° et 7°, mettent fin, en outre, à tout lien statutaire, même dans la fonction d'origine du membre du personnel visé à l'alinéa précédent.
AFDELING III. - Het bevorderingsambt van coördinerende inspecteurs binnen de algemene inspectiedienst
SECTION III. - De la fonction de promotion des Inspecteurs coordonnateurs au sein du Service général de l'Inspection
Art. 63. § 1. De Regering benoemt, [3 na afronding van een stage van een jaar]3:
1° vijf coördinerende inspecteurs belast met de coördinatie van de taken van de inspectie op het niveau van het onderwijs van het pedagogisch continuüm. Zij kunnen inzonderheid elk specifiek worden belast met de coördinatie van audits, de coördinatie van evaluatietaken, de coördinatie van toezichthoudende en onderzoekstaken, de coördinatie van taken in verband met gespecialiseerd onderwijs of de coördinatie van taken in verband met cours disciplinaires;
2° twee coördinerende inspecteurs belast met de coördinatie van de taken van de inspectie op het niveau van het middelbaar overgangs- en kwalificatieonderwijs;
3° één coördinerende inspecteur belast met de coördinatie van de taken van de inspectie op het niveau van het onderwijs voor sociale promotie en afstandsonderwijs;
4° één coördinerende inspecteur belast met de coördinatie van de taken van de inspectie op het niveau van het kunstonderwijs.
5° één coördinerende inspecteur belast met de coördinatie van de taken van de inspectie op het niveau van de psychisch-medisch-sociale centra.
De Regering bepaalt het gemeenschappelijk competentieprofiel voor de uitoefening van het bevorderingsambt van coördinerende inspecteur binnen de algemene inspectiedienst. Dit gemeenschappelijk competentieprofiel bepaalt de specifieke, technische, generieke en gedragscompetenties.
De Regering bepaalt de nadere regels voor vorm en termijn volgens dewelke kandidaturen voor een van de ambten bedoeld in lid 1 moeten worden ingediend. Ze legt ook de nadere regels vast voor de openbaarheid van de opleiding bedoeld in paragraaf 2, 5°.
§ 2. De coördinerende inspecteurs bedoeld in paragraaf 1 worden benoemd onder de personeelsleden die voldoen aan de volgende voorwaarden:
1° vast benoemd zijn in een van de ambten van de algemene inspectiedienst bedoeld in artikel 32, lid 2, 1° of 2° ;
2° een ambtsanciënniteit van ten minste zes maanden hebben in het bevorderingsambt van inspecteur ofwel:
a. binnen de inspectiedienst voor het onderwijs van het pedagogisch continuüm om te worden belast met de coördinatie op het niveau van het onderwijs van het pedagogisch continuüm;
b. binnen de inspectiedienst voor het middelbaar overgangs- en kwalificatieonderwijs om te worden belast met de coördinatie op het niveau van het middelbaar overgangs- en kwalificatieonderwijs;
c. binnen de inspectiedienst voor het onderwijs voor sociale promotie en afstandsonderwijs om te worden belast met de coördinatie op het niveau van het onderwijs voor sociale promotie en afstandsonderwijs;
d. binnen de inspectiedienst voor het kunstonderwijs om te worden belast met de coördinatie op het niveau van het kunstonderwijs;
e. binnen de inspectiedienst voor de psychisch-medisch-sociale centra om te worden belast met de coördinatie op het niveau van de psychisch-medisch-sociale centra;
3° [3 de vermelding "gunstig" hebben verkregen bij zijn laatste evaluatie als inspecteur en een gunstige evaluatie aan het einde van de stage hebben gekregen. Bij gebreke van een evaluatieverslag wordt de inspecteur geacht de vermelding "gunstig" te hebben verkregen]3;
4° geen tuchtsanctie of -straf hebben ondergaan gedurende de vijf vorige jaren;
5°[3 in het bezit zijn van een bewijs van aanwezigheid waaruit blijkt dat hij daadwerkelijk ten minste 75% van een opleiding van 30 uur heeft gevolgd]3 voor het ontwikkelen van kader- en leadershipcompetenties en inzonderheid het vermogen om:
a. een team te beheren en tot een hecht geheel te smeden, met name door de medewerkers te ondersteunen en motiveren, hun persoonlijke en professionele ontwikkeling en de ontwikkeling van het team te stimuleren vanuit het oogpunt van een lerende organisatie;
b. de activiteiten van een team te organiseren, sturen, coördineren en evalueren;
c. pistes voor het oplossen van problemen te analyseren en voor te stellen;
d. projecten te beheren, te beslissen over doelgerichte acties om de beslissingen in de praktijk te brengen en deze ook te initiëren;
6° geslaagd zijn voor de [3 toelatingsproef tot de stage]3 na afloop van de opleiding bedoeld onder 5°.
§ 3. De opleiding bedoeld in paragraaf 2, 5°, wordt georganiseerd door de Regering [3 , ]3 op voordracht van de coördinerende inspecteur-generaal, [3 om de vacatures te vervullen]3.
Ze kan eventueel [3 geheel of gedeeltelijk]3 worden georganiseerd voor alle kandidaten voor een ambt van zonedirecteur en voor de kandidaten voor een ambt van coördinerende inspecteur. Op voordracht van [2 het Netoverschrijdend instituut voor voortgezette beroepsopleiding]2, en in overleg met de coördinerende inspecteur-generaal stelt de Regering een opleidingsplan op dat in voorkomend geval de inhoud en de nadere regels van de opleiding bepaalt alsook de te verwerven kennis en vaardigheden, zoals bepaald in paragraaf 2, 5°.
Op basis van het opleidingsplan bedoeld in lid 2, wordt de opleiding georganiseerd door [2 het Netoverschrijdend instituut voor voortgezette beroepsopleiding]2. De lesgevers van deze initiële opleiding zijn hoofdzakelijk afkomstig van universiteiten, hogescholen, onderwijsinrichtingen voor sociale promotie, [2 het Netoverschrijdend instituut voor voortgezette beroepsopleiding]2, de school voor overheidsbestuur of het algemeen bestuur onderwijs.
§ 4. De [3 toelatingsproef tot de stage;]3 bedoeld in paragraaf 2, 6° wordt uiterlijk binnen de drie maanden [3 na de oproep voor kandidaten]3 georganiseerd. Ze bestaat uit een zelf geschreven dossier dat wordt verdedigd voor een examencommissie.
Dit geschreven dossier bestaat uit:
1° [3 een persoonlijke casestudy die betrekking heeft op de algemene en gedragsvaardigheden van het ambtsprofiel]3 ;
2° een overzicht van de competenties van de kandidaat met zijn voornaamste sterktes en zwaktes, ondersteund door zijn loopbaan [3 ...]3.
De examencommissie baseert haar beoordeling van de [3 toelatingsproef tot de stage]3 op de volgende evaluatiecriteria:
1° de samenhang tussen het overzicht van de competenties en [ -3 het ambtsprofiel]3;
2° [3 de samenhang tussen de casestudy en het ambtsprofiel;]3;
3° [3 De geschiktheid van de voorgestelde acties ten opzichte van de voorgelegde casus]3;
[3 4° de kwaliteit van de in de casestudy voorgestelde nadenkende analyse;]3
[3 5°]3 het vermogen om [3 professioneel]3 te communiceren;
[3 6°]3 het vermogen om mondeling te communiceren.
De Regering legt de weging tussen de evaluatiecriteria vast zonder dat ook maar één ervan de 40 % overschrijdt, alsook de nadere regels voor de organisatie en evaluatie van de proef.
De examencommissie wordt belast met het onderzoeken van het door de kandidaat ingediende professioneel dossier, het verhoren van de kandidaat en het evalueren van alle geleverde prestaties en het bekrachtigen van deze evaluatie met een getuigschrift van voltooiing of niet-voltooiing.
Ze is ook belast met het opstellen van een rangschikking van de kandidaten die geslaagd zijn door de proef, per ambt.
§ 5. De examencommissie bedoeld in paragraaf 1 bestaat uit:
1° de coördinerende inspecteur-generaal als voorzitter;
2° twee inspecteurs-generaal;
3° twee ambtenaren van minstens rang 12 aangesteld door de Regering onder de personeelsleden van het algemeen bestuur onderwijs, waarvan minstens één als vertegenwoordiger van de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem;
4° één externe deskundige, aangesteld door de Regering, met specifieke competenties die verband houden met de opleiding bedoeld in paragraaf 2, 5°.
Voor elk effectief lid van de examencommissie van de [3 Algemene inspectiedienst]3, stelt de Regering één plaatsvervangend lid aan volgens dezelfde nadere regels.
[1 Het mandaat van de leden van de examencommissie is onbezoldigd. Een financiële vergoeding kan evenwel toegekend worden aan het deskundige lid bedoeld in het eerste lid, 4°, volgens de nadere regels bepaald door de Regering.]1
Overeenkomstig artikel 14 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, mogen de vertegenwoordigers van de vakorganisaties deze vergaderingen van deze examencommissie bijwonen als waarnemers.
De Regering bepaalt de werkingsmodaliteiten van de examencommissie bedoeld in paragraaf 1.
[3 § 6. De Regering of de door haar gedelegeerde minister laat de kandidaat-coördinerende inspecteurs toe tot een stage van één jaar, op voordracht van de rangschikking van de examencommissie bedoeld in paragraaf 4.
§ 7. Elke stagedoende coördinerende inspecteur kan de vroegtijdige beëindiging van zijn stage aanvragen met een opzegtermijn van maximaal zes weken. Die opzegtermijn kan echter met wederzijdse instemming worden ingekort.
Indien de Regering niet binnen een maand reageert op het verzoek van de stagedoende inspecteur, wordt het verzoek geacht te zijn aanvaard.
In dat geval neemt het personeelslid zijn oorspronkelijke ambt in vast verband weer op. Hij verliest het voordeel van de stage die hij voortijdig heeft beëindigd.
Om de continuïteit van de betreffende inspectiedienst of de Algemene inspectiedienst te garanderen, kan de Regering de wederopneming van het personeelslid in zijn oorspronkelijke ambt uitstellen met maximaal zes maanden na de datum van het verzoek van het personeelslid.
§ 8. Uiterlijk zes maanden na zijn indiensttreding wordt de stagedoende coördinerende inspecteur geëvalueerd door de coördinerende inspecteur-generaal en een inspecteur-generaal, volgens de door de Regering vastgestelde modaliteiten.
De evaluatie resulteert in de toekenning van de vermelding "gunstig" of "met voorbehoud".
Een tweede evaluatie, aan het einde van de stage, kan alleen resulteren in de toekenning van de vermelding "gunstig" of "ongunstig".
§ 9. De stagiair die een vermelding "ongunstig" krijgt, kan binnen de tien dagen na de kennisgeving via hiërarchische weg per aangetekend schrijven een schriftelijke klacht indienen tegen deze vermelding bij de Raad van beroep bedoeld in artikel 116. Dit beroep is opschortend.
De Raad van beroep brengt de Regering zijn advies uit binnen een termijn van twee maanden vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift. De Regering neemt haar beslissing en kent de evaluatievermelding van het stagedoend personeelslid toe binnen een termijn van een maand vanaf de datum van ontvangst van het advies.
De stage wordt beëindigd wanneer de Regering de vermelding "ongunstig" bevestigt. De stage eindigt na het verstrijken van een termijn van 15 dagen en indien van toepassing neemt het personeelslid het ambt van inspecteur weer op, waarin hij benoemd is.
§ 10. Het personeelslid dat aan het einde van de stage een gunstige evaluatie heeft gekregen, krijgt een voorstel tot vaste benoeming in het ambt van coördinerend inspecteur.
Dit voorstel wordt hem door de coördinerende inspecteur-generaal ter kennis gebracht per aangetekend schrijven en e-mail met ontvangstbewijs, per aangetekend schrijven met ontvangstbewijs met uitwerking drie werkdagen na verzending ofwel bij overhandiging van een brief met ontvangstbewijs met uitwerking op de datum vermeld op dat ontvangstbewijs.
Het personeelslid heeft een termijn van tien dagen om schriftelijk aan te geven of hij een vaste benoeming in het ambt van coördinerend inspecteur aanvaardt of weigert. Als hij niet binnen de tien dagen reageert, behoudens overmacht, wordt het personeelslid geacht af te zien van het voorstel tot benoeming en eindigt de stage van rechtswege.
Als hij binnen de termijn van tien dagen een vaste benoeming weigert, neemt het personeelslid zijn oorspronkelijke ambt en aanstelling weer op.
De benoeming in het ambt van coördinerend inspecteur door de Regering heeft voor de betrokkene uitwerking op de dag van toelating tot de stage.
Het benoemingsbesluit wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.]3
[3 § 11.]3. De taken van de coördinerende inspecteurs bedoeld in paragraaf 1 worden, in overleg met de betrokkenen, bepaald [3 door de inspecteurs-generaal en de coördinerende inspecteur-generaal]3.
In het kader van hun taken kunnen de coördinerende inspecteurs instructies geven aan de inspecteurs van de [3 Algemene inspectiedienst]3.
1° vijf coördinerende inspecteurs belast met de coördinatie van de taken van de inspectie op het niveau van het onderwijs van het pedagogisch continuüm. Zij kunnen inzonderheid elk specifiek worden belast met de coördinatie van audits, de coördinatie van evaluatietaken, de coördinatie van toezichthoudende en onderzoekstaken, de coördinatie van taken in verband met gespecialiseerd onderwijs of de coördinatie van taken in verband met cours disciplinaires;
2° twee coördinerende inspecteurs belast met de coördinatie van de taken van de inspectie op het niveau van het middelbaar overgangs- en kwalificatieonderwijs;
3° één coördinerende inspecteur belast met de coördinatie van de taken van de inspectie op het niveau van het onderwijs voor sociale promotie en afstandsonderwijs;
4° één coördinerende inspecteur belast met de coördinatie van de taken van de inspectie op het niveau van het kunstonderwijs.
5° één coördinerende inspecteur belast met de coördinatie van de taken van de inspectie op het niveau van de psychisch-medisch-sociale centra.
De Regering bepaalt het gemeenschappelijk competentieprofiel voor de uitoefening van het bevorderingsambt van coördinerende inspecteur binnen de algemene inspectiedienst. Dit gemeenschappelijk competentieprofiel bepaalt de specifieke, technische, generieke en gedragscompetenties.
De Regering bepaalt de nadere regels voor vorm en termijn volgens dewelke kandidaturen voor een van de ambten bedoeld in lid 1 moeten worden ingediend. Ze legt ook de nadere regels vast voor de openbaarheid van de opleiding bedoeld in paragraaf 2, 5°.
§ 2. De coördinerende inspecteurs bedoeld in paragraaf 1 worden benoemd onder de personeelsleden die voldoen aan de volgende voorwaarden:
1° vast benoemd zijn in een van de ambten van de algemene inspectiedienst bedoeld in artikel 32, lid 2, 1° of 2° ;
2° een ambtsanciënniteit van ten minste zes maanden hebben in het bevorderingsambt van inspecteur ofwel:
a. binnen de inspectiedienst voor het onderwijs van het pedagogisch continuüm om te worden belast met de coördinatie op het niveau van het onderwijs van het pedagogisch continuüm;
b. binnen de inspectiedienst voor het middelbaar overgangs- en kwalificatieonderwijs om te worden belast met de coördinatie op het niveau van het middelbaar overgangs- en kwalificatieonderwijs;
c. binnen de inspectiedienst voor het onderwijs voor sociale promotie en afstandsonderwijs om te worden belast met de coördinatie op het niveau van het onderwijs voor sociale promotie en afstandsonderwijs;
d. binnen de inspectiedienst voor het kunstonderwijs om te worden belast met de coördinatie op het niveau van het kunstonderwijs;
e. binnen de inspectiedienst voor de psychisch-medisch-sociale centra om te worden belast met de coördinatie op het niveau van de psychisch-medisch-sociale centra;
3° [3 de vermelding "gunstig" hebben verkregen bij zijn laatste evaluatie als inspecteur en een gunstige evaluatie aan het einde van de stage hebben gekregen. Bij gebreke van een evaluatieverslag wordt de inspecteur geacht de vermelding "gunstig" te hebben verkregen]3;
4° geen tuchtsanctie of -straf hebben ondergaan gedurende de vijf vorige jaren;
5°[3 in het bezit zijn van een bewijs van aanwezigheid waaruit blijkt dat hij daadwerkelijk ten minste 75% van een opleiding van 30 uur heeft gevolgd]3 voor het ontwikkelen van kader- en leadershipcompetenties en inzonderheid het vermogen om:
a. een team te beheren en tot een hecht geheel te smeden, met name door de medewerkers te ondersteunen en motiveren, hun persoonlijke en professionele ontwikkeling en de ontwikkeling van het team te stimuleren vanuit het oogpunt van een lerende organisatie;
b. de activiteiten van een team te organiseren, sturen, coördineren en evalueren;
c. pistes voor het oplossen van problemen te analyseren en voor te stellen;
d. projecten te beheren, te beslissen over doelgerichte acties om de beslissingen in de praktijk te brengen en deze ook te initiëren;
6° geslaagd zijn voor de [3 toelatingsproef tot de stage]3 na afloop van de opleiding bedoeld onder 5°.
§ 3. De opleiding bedoeld in paragraaf 2, 5°, wordt georganiseerd door de Regering [3 , ]3 op voordracht van de coördinerende inspecteur-generaal, [3 om de vacatures te vervullen]3.
Ze kan eventueel [3 geheel of gedeeltelijk]3 worden georganiseerd voor alle kandidaten voor een ambt van zonedirecteur en voor de kandidaten voor een ambt van coördinerende inspecteur. Op voordracht van [2 het Netoverschrijdend instituut voor voortgezette beroepsopleiding]2, en in overleg met de coördinerende inspecteur-generaal stelt de Regering een opleidingsplan op dat in voorkomend geval de inhoud en de nadere regels van de opleiding bepaalt alsook de te verwerven kennis en vaardigheden, zoals bepaald in paragraaf 2, 5°.
Op basis van het opleidingsplan bedoeld in lid 2, wordt de opleiding georganiseerd door [2 het Netoverschrijdend instituut voor voortgezette beroepsopleiding]2. De lesgevers van deze initiële opleiding zijn hoofdzakelijk afkomstig van universiteiten, hogescholen, onderwijsinrichtingen voor sociale promotie, [2 het Netoverschrijdend instituut voor voortgezette beroepsopleiding]2, de school voor overheidsbestuur of het algemeen bestuur onderwijs.
§ 4. De [3 toelatingsproef tot de stage;]3 bedoeld in paragraaf 2, 6° wordt uiterlijk binnen de drie maanden [3 na de oproep voor kandidaten]3 georganiseerd. Ze bestaat uit een zelf geschreven dossier dat wordt verdedigd voor een examencommissie.
Dit geschreven dossier bestaat uit:
1° [3 een persoonlijke casestudy die betrekking heeft op de algemene en gedragsvaardigheden van het ambtsprofiel]3 ;
2° een overzicht van de competenties van de kandidaat met zijn voornaamste sterktes en zwaktes, ondersteund door zijn loopbaan [3 ...]3.
De examencommissie baseert haar beoordeling van de [3 toelatingsproef tot de stage]3 op de volgende evaluatiecriteria:
1° de samenhang tussen het overzicht van de competenties en [ -3 het ambtsprofiel]3;
2° [3 de samenhang tussen de casestudy en het ambtsprofiel;]3;
3° [3 De geschiktheid van de voorgestelde acties ten opzichte van de voorgelegde casus]3;
[3 4° de kwaliteit van de in de casestudy voorgestelde nadenkende analyse;]3
[3 5°]3 het vermogen om [3 professioneel]3 te communiceren;
[3 6°]3 het vermogen om mondeling te communiceren.
De Regering legt de weging tussen de evaluatiecriteria vast zonder dat ook maar één ervan de 40 % overschrijdt, alsook de nadere regels voor de organisatie en evaluatie van de proef.
De examencommissie wordt belast met het onderzoeken van het door de kandidaat ingediende professioneel dossier, het verhoren van de kandidaat en het evalueren van alle geleverde prestaties en het bekrachtigen van deze evaluatie met een getuigschrift van voltooiing of niet-voltooiing.
Ze is ook belast met het opstellen van een rangschikking van de kandidaten die geslaagd zijn door de proef, per ambt.
§ 5. De examencommissie bedoeld in paragraaf 1 bestaat uit:
1° de coördinerende inspecteur-generaal als voorzitter;
2° twee inspecteurs-generaal;
3° twee ambtenaren van minstens rang 12 aangesteld door de Regering onder de personeelsleden van het algemeen bestuur onderwijs, waarvan minstens één als vertegenwoordiger van de Algemene Directie Sturing van het onderwijssysteem;
4° één externe deskundige, aangesteld door de Regering, met specifieke competenties die verband houden met de opleiding bedoeld in paragraaf 2, 5°.
Voor elk effectief lid van de examencommissie van de [3 Algemene inspectiedienst]3, stelt de Regering één plaatsvervangend lid aan volgens dezelfde nadere regels.
[1 Het mandaat van de leden van de examencommissie is onbezoldigd. Een financiële vergoeding kan evenwel toegekend worden aan het deskundige lid bedoeld in het eerste lid, 4°, volgens de nadere regels bepaald door de Regering.]1
Overeenkomstig artikel 14 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, mogen de vertegenwoordigers van de vakorganisaties deze vergaderingen van deze examencommissie bijwonen als waarnemers.
De Regering bepaalt de werkingsmodaliteiten van de examencommissie bedoeld in paragraaf 1.
[3 § 6. De Regering of de door haar gedelegeerde minister laat de kandidaat-coördinerende inspecteurs toe tot een stage van één jaar, op voordracht van de rangschikking van de examencommissie bedoeld in paragraaf 4.
§ 7. Elke stagedoende coördinerende inspecteur kan de vroegtijdige beëindiging van zijn stage aanvragen met een opzegtermijn van maximaal zes weken. Die opzegtermijn kan echter met wederzijdse instemming worden ingekort.
Indien de Regering niet binnen een maand reageert op het verzoek van de stagedoende inspecteur, wordt het verzoek geacht te zijn aanvaard.
In dat geval neemt het personeelslid zijn oorspronkelijke ambt in vast verband weer op. Hij verliest het voordeel van de stage die hij voortijdig heeft beëindigd.
Om de continuïteit van de betreffende inspectiedienst of de Algemene inspectiedienst te garanderen, kan de Regering de wederopneming van het personeelslid in zijn oorspronkelijke ambt uitstellen met maximaal zes maanden na de datum van het verzoek van het personeelslid.
§ 8. Uiterlijk zes maanden na zijn indiensttreding wordt de stagedoende coördinerende inspecteur geëvalueerd door de coördinerende inspecteur-generaal en een inspecteur-generaal, volgens de door de Regering vastgestelde modaliteiten.
De evaluatie resulteert in de toekenning van de vermelding "gunstig" of "met voorbehoud".
Een tweede evaluatie, aan het einde van de stage, kan alleen resulteren in de toekenning van de vermelding "gunstig" of "ongunstig".
§ 9. De stagiair die een vermelding "ongunstig" krijgt, kan binnen de tien dagen na de kennisgeving via hiërarchische weg per aangetekend schrijven een schriftelijke klacht indienen tegen deze vermelding bij de Raad van beroep bedoeld in artikel 116. Dit beroep is opschortend.
De Raad van beroep brengt de Regering zijn advies uit binnen een termijn van twee maanden vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift. De Regering neemt haar beslissing en kent de evaluatievermelding van het stagedoend personeelslid toe binnen een termijn van een maand vanaf de datum van ontvangst van het advies.
De stage wordt beëindigd wanneer de Regering de vermelding "ongunstig" bevestigt. De stage eindigt na het verstrijken van een termijn van 15 dagen en indien van toepassing neemt het personeelslid het ambt van inspecteur weer op, waarin hij benoemd is.
§ 10. Het personeelslid dat aan het einde van de stage een gunstige evaluatie heeft gekregen, krijgt een voorstel tot vaste benoeming in het ambt van coördinerend inspecteur.
Dit voorstel wordt hem door de coördinerende inspecteur-generaal ter kennis gebracht per aangetekend schrijven en e-mail met ontvangstbewijs, per aangetekend schrijven met ontvangstbewijs met uitwerking drie werkdagen na verzending ofwel bij overhandiging van een brief met ontvangstbewijs met uitwerking op de datum vermeld op dat ontvangstbewijs.
Het personeelslid heeft een termijn van tien dagen om schriftelijk aan te geven of hij een vaste benoeming in het ambt van coördinerend inspecteur aanvaardt of weigert. Als hij niet binnen de tien dagen reageert, behoudens overmacht, wordt het personeelslid geacht af te zien van het voorstel tot benoeming en eindigt de stage van rechtswege.
Als hij binnen de termijn van tien dagen een vaste benoeming weigert, neemt het personeelslid zijn oorspronkelijke ambt en aanstelling weer op.
De benoeming in het ambt van coördinerend inspecteur door de Regering heeft voor de betrokkene uitwerking op de dag van toelating tot de stage.
Het benoemingsbesluit wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.]3
[3 § 11.]3. De taken van de coördinerende inspecteurs bedoeld in paragraaf 1 worden, in overleg met de betrokkenen, bepaald [3 door de inspecteurs-generaal en de coördinerende inspecteur-generaal]3.
In het kader van hun taken kunnen de coördinerende inspecteurs instructies geven aan de inspecteurs van de [3 Algemene inspectiedienst]3.
Art. 63. § 1er. Le Gouvernement nomme, [3 après accomplissement d'un stage d'un an ]3:
1° cinq Inspecteurs coordonnateurs, chargés de la coordination des missions de l'Inspection au niveau de l'enseignement du continuum pédagogique. Ils peuvent notamment être chargés chacun spécifiquement de la coordination des missions d'audit, de la coordination des missions d'évaluation, de la coordination des missions de contrôle et d'investigation, de la coordination des missions en lien avec l'enseignement spécialisé ou de la coordination des missions en lien avec les cours disciplinaires;
2° deux Inspecteurs coordonnateurs, chargés de la coordination des missions de l'Inspection au niveau de l'enseignement secondaire de transition et de qualification;
3° un Inspecteur coordonnateur, chargé de la coordination des missions de l'Inspection au niveau de l'enseignement de promotion sociale et de l'enseignement à distance;
4° un Inspecteur coordonnateur, chargé de la coordination des missions de l'Inspection au niveau de l'enseignement artistique;
5° un Inspecteur coordonnateur, chargé de la coordination des missions de l'Inspection au niveau des Centres psycho-médico-sociaux.
Le Gouvernement détermine le profil de compétences commun à l'exercice de la fonction de promotion d'inspecteur coordonnateur au sein du Service général de l'Inspection. Ce profil de compétences commun définit les compétences spécifiques, techniques et génériques et comportementales.
Le Gouvernement fixe les modalités de forme et de délai selon lesquelles la candidature à l'une des fonctions visées à l'alinéa 1er doit être introduite. Il fixe également les modalités de la publicité de la formation visée au paragraphe 2, 5°.
§ 2. Les Inspecteurs coordonnateurs visés au paragraphe 1er sont nommés parmi les membres du personnel répondant aux conditions suivantes:
1° être nommé à titre définitif dans une des fonctions du Service général de l'Inspection visées à l'article 32, alinéa 2, 1° ou 2° ;
2° compter une ancienneté de fonction dans la fonction de promotion d'inspecteur de six ans au moins soit:
a. au sein du Service de l'Inspection de l'Enseignement du continuum pédagogique pour être chargé de la coordination au niveau de l'enseignement du continuum pédagogique;
b. au sein du Service de l'Inspection de l'Enseignement secondaire de transition et de qualification pour être chargé de la coordination au niveau de l'enseignement secondaire de transition et de qualification;
c. au sein du Service de l'Inspection de l'Enseignement de Promotion sociale et de l'Enseignement à distance pour être chargé de la coordination au niveau de l'enseignement de promotion sociale et de l'enseignement à distance;
d. au sein du Service de l'Inspection de l'Enseignement artistique pour être chargé de la coordination au niveau de l'enseignement artistique;
e. au sein du Service de l'Inspection des Centres psycho-médico-sociaux pour être chargé de la coordination au niveau des centres psycho-médico-sociaux;
3° [3 avoir obtenu la mention " favorable " à sa dernière évaluation comme inspecteur et avoir fait l'objet d'une évaluation favorable à l'issue du stage. En l'absence de rapport d'évaluation, l'inspecteur est réputé avoir obtenu la mention " favorable "]3
4° ne pas avoir encouru une sanction ou une peine disciplinaire au cours des cinq années précédentes;
5° [3 être détenteur d'une attestation de fréquentation prouvant qu'il a effectivement suivi au moins 75 % d']3 une formation de 30 heures visant à développer des compétences d'encadrement et de leadership et notamment la capacité à:
a. gérer et souder une équipe, notamment en soutenant, motivant des collaborateurs, en stimulant leur développement personnel, professionnel et d'équipe dans une perspective d'organisation apprenante;
b. organiser, diriger et coordonner les activités d'une équipe, évaluer celles-ci;
c. analyser et proposer les voies de résolution de problèmes;
d. gérer des projets, décider et initier les actions ciblées afin de mettre les décisions en oeuvre;
6° avoir réussi une épreuve [3 d'admission au stage ]3 à l'issue de la formation visée au 5°.
§ 3. La formation visée au paragraphe 2, 5°, est organisée par le Gouvernement [3 ,]3 sur la proposition de l'Inspecteur général coordonnateur, [3 afin de pourvoir aux postes vacants ]3.
Elle peut éventuellement être organisée conjointement [3 , en tout ou en partie, ]3 pour les candidats à une fonction de directeur de zone et pour les candidats à une fonction d'Inspecteur coordonnateur. Sur la base d'une proposition de l'Institut de la formation en cours de carrière, en concertation avec l'Inspecteur général coordonnateur le Gouvernement élabore un plan de formation qui fixe le cas échéant le contenu et les méthodologies de la formation ainsi que les connaissances et capacités à acquérir, telles que définies au paragraphe 2, 5°.
Sur la base du plan de formation visé à l'alinéa 2, la formation est organisée par [2 [3 de l'Inspecteur général coordonnateur " et les mots " avec l'Inspecteur général coordonnateur " sont remplacés par les mots " avec l'Institut interréseaux de la Formation professionnelle continue ]3]2. Les formateurs de cette formation sont prioritairement issus des Universités, des Hautes Ecoles, des établissements d'enseignement de promotion sociale, de [2 l'Institut interréseaux de la Formation professionnelle continue]2, de l'Ecole d'Administration publique [3 , du Service général de l'Inspection]3 ou de l'Administration générale de l'Enseignement.
§ 4. L'épreuve [3 d'admission au stage ]3 visée au paragraphe 2, 6°, est organisée dans les trois mois au plus tard [3 après l'appel à candidatures ]3. Elle consiste en la production personnelle d'un dossier écrit défendu devant un jury.
Le dossier écrit est constitué:
1° d'une [3 étude de cas personnel en lien avec les compétences génériques et comportementales du profil de fonction ]3 ;
2° d'un bilan de de compétences du candidat, reprenant ses principaux atouts et faiblesses, que le candidat étaye à partir de son parcours professionnel [3 ...]3.
Le jury fonde son appréciation de l'épreuve [3 d'admission au stage]3 sur les critères d'évaluation suivants:
1° la cohérence entre le bilan de compétences et le [3 profil de fonction]3;
2° [3 la cohérence entre l'étude de cas et le profil de fonction ; " ]3;
3°[3 l'adéquation des actions proposées par rapport au cas soumis]3;
[3 4° la qualité de l'analyse réflexive proposée dans l'étude de cas ; ]3
[3 5° ]3 la capacité à communiquer par écrit;
[3 6°]3 la capacité à communiquer oralement.
Le Gouvernement fixe la pondération entre les critères d'évaluation, sans pour autant qu'aucun d'entre eux ne dépasse 40 %, ainsi que les modalités d'organisation et d'évaluation de l'épreuve.
Le jury est chargé d'examiner le dossier [3 écrit]3 transmis par le candidat, d'auditionner ce dernier et d'évaluer l'ensemble de sa prestation et de sanctionner cette évaluation par une attestation de réussite ou d'échec.
Il est également chargé d'établir un classement des candidats ayant réussi l'épreuve, par fonction.
§ 5. Le jury visé au paragraphe 1er est composé:
1° de l'Inspecteur général coordonnateur qui préside;
2° des deux Inspecteur généraux;
3° de deux agents de rang 12 au moins désignés par le Gouvernement parmi les membres du personnel de l'Administration générale de l'Enseignement, dont l'un représente la Direction générale du Pilotage du Système éducatif;
4° d'un expert externe ayant une compétence spécifique en lien avec la formation visée au paragraphe 2, 5°, désigné par le Gouvernement.
Pour chaque membre effectif du jury de l'épreuve [3 d'admission au stage ]3, le Gouvernement désigne un membre suppléant selon les mêmes modalités.
[1 Le mandat des membres du jury est gratuit. Toutefois, une compensation financière peut être accordée au membre expert visé à l'alinéa 1er, 4°, selon les modalités fixées par le Gouvernement.]1
Conformément à l'article 14 de l'arrêté royal du 28 septembre 1984 portant exécution de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités, les représentants des organisations syndicales peuvent assister aux réunions de ce jury en tant qu'observateurs.
Le Gouvernement fixe les modalités de fonctionnement du jury visé au paragraphe 1er.
[3 § 6. Le Gouvernement ou le Ministre qu'il délègue, sur la proposition de classement du jury visé au paragraphe 4, admet les candidats inspecteurs coordonnateurs à un stage d'une durée d'un an.
§ 7. Tout inspecteur coordonnateur-stagiaire peut solliciter la fin anticipée de son stage moyennant un préavis maximum de six semaines. Ce préavis peut toutefois être réduit de commun accord.
En cas d'absence de réaction du Gouvernement dans le mois de la demande de l'inspecteur-stagiaire, celle-ci est réputée acceptée.
Dans ce cas, le membre du personnel réintègre à titre définitif sa fonction d'origine. Il perd le bénéfice du stage auquel il a mis fin de manière anticipée.
Pour assurer la continuité du Service d'Inspection concerné ou du Service général de l'Inspection, le Gouvernement peut reporter la réintégration du membre du personnel dans sa fonction d'origine de maximum six mois à dater de la demande du membre du personnel.
§ 8. Au plus tard six mois après son entrée en fonction, l'inspecteur coordonnateur-stagiaire est évalué par l'Inspecteur général coordonnateur et un Inspecteur général, selon les modalités fixées par le Gouvernement.
L'évaluation aboutit à l'attribution de la mention " favorable " ou " réservée ".
Une deuxième évaluation, en fin de stage, peut uniquement donner lieu à l'attribution de la mention " favorable " ou " défavorable ".
§ 9. Le stagiaire qui se voit attribuer une mention " défavorable " peut introduire par envoi recommandé une réclamation écrite contre cette mention, par la voie hiérarchique, dans les dix jours de sa réception, auprès de la Chambre de recours visée à l'article 116. Ce recours est suspensif.
La Chambre de recours remet son avis au Gouvernement dans un délai maximum de deux mois à partir de la date de réception du recours. Le Gouvernement prend sa décision et attribue la mention d'évaluation au membre du personnel stagiaire dans un délai maximum d'un mois à dater de la réception de l'avis.
Il est mis fin au stage lorsque le Gouvernement confirme la mention " défavorable ". Le stage prend fin après l'écoulement d'un délai de 15 jours et, le cas échéant, le membre du personnel réintègre sa fonction d'inspecteur dans laquelle il est nommé.
§ 10. Le membre du personnel qui fait l'objet d'une évaluation favorable à l'issue du stage fait l'objet d'une proposition de nomination à titre définitif à la fonction d'inspecteur coordonnateur.
Cette proposition lui est notifiée par l'Inspecteur général coordonnateur, soit par lettre recommandée, doublée d'un mail avec accusé de réception, à la poste avec accusé de réception portant ses effets trois jours ouvrables après la date de son expédition, soit par la remise d'une lettre de la main à la main avec accusé de réception portant ses effets à la date figurant sur cet accusé de réception.
Le membre du personnel dispose d'un délai de dix jours pour indiquer par écrit s'il accepte ou renonce à une nomination à titre définitif à la fonction d'inspecteur coordonnateur. En l'absence d'une réponse dans les dix jours, et sauf cas de force majeure, le membre du personnel est réputé renoncer à la proposition de nomination et le stage prend fin de plein droit.
En cas de renonciation dans le délai de dix jours à une nomination à titre définitif, le membre du personnel réintègre sa fonction et son affectation d'origine.
La nomination à une fonction d'inspecteur coordonnateur par le Gouvernement produit ses effets, pour l'intéressé, le jour de l'admission au stage.
L'arrêté de nomination est publié par extrait au Moniteur belge.]3
§ [3 11]3. Les missions des Inspecteurs coordonnateurs visés au paragraphe 1er sont déterminées, en collaboration avec ces derniers, [3 par les Inspecteurs généraux et l'Inspecteur général coordonnateur ]3.
Dans le cadre de leurs missions, les Inspecteurs coordonnateurs peuvent donner des instructions aux inspecteurs [3 du Service général de l'Inspection]3.
1° cinq Inspecteurs coordonnateurs, chargés de la coordination des missions de l'Inspection au niveau de l'enseignement du continuum pédagogique. Ils peuvent notamment être chargés chacun spécifiquement de la coordination des missions d'audit, de la coordination des missions d'évaluation, de la coordination des missions de contrôle et d'investigation, de la coordination des missions en lien avec l'enseignement spécialisé ou de la coordination des missions en lien avec les cours disciplinaires;
2° deux Inspecteurs coordonnateurs, chargés de la coordination des missions de l'Inspection au niveau de l'enseignement secondaire de transition et de qualification;
3° un Inspecteur coordonnateur, chargé de la coordination des missions de l'Inspection au niveau de l'enseignement de promotion sociale et de l'enseignement à distance;
4° un Inspecteur coordonnateur, chargé de la coordination des missions de l'Inspection au niveau de l'enseignement artistique;
5° un Inspecteur coordonnateur, chargé de la coordination des missions de l'Inspection au niveau des Centres psycho-médico-sociaux.
Le Gouvernement détermine le profil de compétences commun à l'exercice de la fonction de promotion d'inspecteur coordonnateur au sein du Service général de l'Inspection. Ce profil de compétences commun définit les compétences spécifiques, techniques et génériques et comportementales.
Le Gouvernement fixe les modalités de forme et de délai selon lesquelles la candidature à l'une des fonctions visées à l'alinéa 1er doit être introduite. Il fixe également les modalités de la publicité de la formation visée au paragraphe 2, 5°.
§ 2. Les Inspecteurs coordonnateurs visés au paragraphe 1er sont nommés parmi les membres du personnel répondant aux conditions suivantes:
1° être nommé à titre définitif dans une des fonctions du Service général de l'Inspection visées à l'article 32, alinéa 2, 1° ou 2° ;
2° compter une ancienneté de fonction dans la fonction de promotion d'inspecteur de six ans au moins soit:
a. au sein du Service de l'Inspection de l'Enseignement du continuum pédagogique pour être chargé de la coordination au niveau de l'enseignement du continuum pédagogique;
b. au sein du Service de l'Inspection de l'Enseignement secondaire de transition et de qualification pour être chargé de la coordination au niveau de l'enseignement secondaire de transition et de qualification;
c. au sein du Service de l'Inspection de l'Enseignement de Promotion sociale et de l'Enseignement à distance pour être chargé de la coordination au niveau de l'enseignement de promotion sociale et de l'enseignement à distance;
d. au sein du Service de l'Inspection de l'Enseignement artistique pour être chargé de la coordination au niveau de l'enseignement artistique;
e. au sein du Service de l'Inspection des Centres psycho-médico-sociaux pour être chargé de la coordination au niveau des centres psycho-médico-sociaux;
3° [3 avoir obtenu la mention " favorable " à sa dernière évaluation comme inspecteur et avoir fait l'objet d'une évaluation favorable à l'issue du stage. En l'absence de rapport d'évaluation, l'inspecteur est réputé avoir obtenu la mention " favorable "]3
4° ne pas avoir encouru une sanction ou une peine disciplinaire au cours des cinq années précédentes;
5° [3 être détenteur d'une attestation de fréquentation prouvant qu'il a effectivement suivi au moins 75 % d']3 une formation de 30 heures visant à développer des compétences d'encadrement et de leadership et notamment la capacité à:
a. gérer et souder une équipe, notamment en soutenant, motivant des collaborateurs, en stimulant leur développement personnel, professionnel et d'équipe dans une perspective d'organisation apprenante;
b. organiser, diriger et coordonner les activités d'une équipe, évaluer celles-ci;
c. analyser et proposer les voies de résolution de problèmes;
d. gérer des projets, décider et initier les actions ciblées afin de mettre les décisions en oeuvre;
6° avoir réussi une épreuve [3 d'admission au stage ]3 à l'issue de la formation visée au 5°.
§ 3. La formation visée au paragraphe 2, 5°, est organisée par le Gouvernement [3 ,]3 sur la proposition de l'Inspecteur général coordonnateur, [3 afin de pourvoir aux postes vacants ]3.
Elle peut éventuellement être organisée conjointement [3 , en tout ou en partie, ]3 pour les candidats à une fonction de directeur de zone et pour les candidats à une fonction d'Inspecteur coordonnateur. Sur la base d'une proposition de l'Institut de la formation en cours de carrière, en concertation avec l'Inspecteur général coordonnateur le Gouvernement élabore un plan de formation qui fixe le cas échéant le contenu et les méthodologies de la formation ainsi que les connaissances et capacités à acquérir, telles que définies au paragraphe 2, 5°.
Sur la base du plan de formation visé à l'alinéa 2, la formation est organisée par [2 [3 de l'Inspecteur général coordonnateur " et les mots " avec l'Inspecteur général coordonnateur " sont remplacés par les mots " avec l'Institut interréseaux de la Formation professionnelle continue ]3]2. Les formateurs de cette formation sont prioritairement issus des Universités, des Hautes Ecoles, des établissements d'enseignement de promotion sociale, de [2 l'Institut interréseaux de la Formation professionnelle continue]2, de l'Ecole d'Administration publique [3 , du Service général de l'Inspection]3 ou de l'Administration générale de l'Enseignement.
§ 4. L'épreuve [3 d'admission au stage ]3 visée au paragraphe 2, 6°, est organisée dans les trois mois au plus tard [3 après l'appel à candidatures ]3. Elle consiste en la production personnelle d'un dossier écrit défendu devant un jury.
Le dossier écrit est constitué:
1° d'une [3 étude de cas personnel en lien avec les compétences génériques et comportementales du profil de fonction ]3 ;
2° d'un bilan de de compétences du candidat, reprenant ses principaux atouts et faiblesses, que le candidat étaye à partir de son parcours professionnel [3 ...]3.
Le jury fonde son appréciation de l'épreuve [3 d'admission au stage]3 sur les critères d'évaluation suivants:
1° la cohérence entre le bilan de compétences et le [3 profil de fonction]3;
2° [3 la cohérence entre l'étude de cas et le profil de fonction ; " ]3;
3°[3 l'adéquation des actions proposées par rapport au cas soumis]3;
[3 4° la qualité de l'analyse réflexive proposée dans l'étude de cas ; ]3
[3 5° ]3 la capacité à communiquer par écrit;
[3 6°]3 la capacité à communiquer oralement.
Le Gouvernement fixe la pondération entre les critères d'évaluation, sans pour autant qu'aucun d'entre eux ne dépasse 40 %, ainsi que les modalités d'organisation et d'évaluation de l'épreuve.
Le jury est chargé d'examiner le dossier [3 écrit]3 transmis par le candidat, d'auditionner ce dernier et d'évaluer l'ensemble de sa prestation et de sanctionner cette évaluation par une attestation de réussite ou d'échec.
Il est également chargé d'établir un classement des candidats ayant réussi l'épreuve, par fonction.
§ 5. Le jury visé au paragraphe 1er est composé:
1° de l'Inspecteur général coordonnateur qui préside;
2° des deux Inspecteur généraux;
3° de deux agents de rang 12 au moins désignés par le Gouvernement parmi les membres du personnel de l'Administration générale de l'Enseignement, dont l'un représente la Direction générale du Pilotage du Système éducatif;
4° d'un expert externe ayant une compétence spécifique en lien avec la formation visée au paragraphe 2, 5°, désigné par le Gouvernement.
Pour chaque membre effectif du jury de l'épreuve [3 d'admission au stage ]3, le Gouvernement désigne un membre suppléant selon les mêmes modalités.
[1 Le mandat des membres du jury est gratuit. Toutefois, une compensation financière peut être accordée au membre expert visé à l'alinéa 1er, 4°, selon les modalités fixées par le Gouvernement.]1
Conformément à l'article 14 de l'arrêté royal du 28 septembre 1984 portant exécution de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités, les représentants des organisations syndicales peuvent assister aux réunions de ce jury en tant qu'observateurs.
Le Gouvernement fixe les modalités de fonctionnement du jury visé au paragraphe 1er.
[3 § 6. Le Gouvernement ou le Ministre qu'il délègue, sur la proposition de classement du jury visé au paragraphe 4, admet les candidats inspecteurs coordonnateurs à un stage d'une durée d'un an.
§ 7. Tout inspecteur coordonnateur-stagiaire peut solliciter la fin anticipée de son stage moyennant un préavis maximum de six semaines. Ce préavis peut toutefois être réduit de commun accord.
En cas d'absence de réaction du Gouvernement dans le mois de la demande de l'inspecteur-stagiaire, celle-ci est réputée acceptée.
Dans ce cas, le membre du personnel réintègre à titre définitif sa fonction d'origine. Il perd le bénéfice du stage auquel il a mis fin de manière anticipée.
Pour assurer la continuité du Service d'Inspection concerné ou du Service général de l'Inspection, le Gouvernement peut reporter la réintégration du membre du personnel dans sa fonction d'origine de maximum six mois à dater de la demande du membre du personnel.
§ 8. Au plus tard six mois après son entrée en fonction, l'inspecteur coordonnateur-stagiaire est évalué par l'Inspecteur général coordonnateur et un Inspecteur général, selon les modalités fixées par le Gouvernement.
L'évaluation aboutit à l'attribution de la mention " favorable " ou " réservée ".
Une deuxième évaluation, en fin de stage, peut uniquement donner lieu à l'attribution de la mention " favorable " ou " défavorable ".
§ 9. Le stagiaire qui se voit attribuer une mention " défavorable " peut introduire par envoi recommandé une réclamation écrite contre cette mention, par la voie hiérarchique, dans les dix jours de sa réception, auprès de la Chambre de recours visée à l'article 116. Ce recours est suspensif.
La Chambre de recours remet son avis au Gouvernement dans un délai maximum de deux mois à partir de la date de réception du recours. Le Gouvernement prend sa décision et attribue la mention d'évaluation au membre du personnel stagiaire dans un délai maximum d'un mois à dater de la réception de l'avis.
Il est mis fin au stage lorsque le Gouvernement confirme la mention " défavorable ". Le stage prend fin après l'écoulement d'un délai de 15 jours et, le cas échéant, le membre du personnel réintègre sa fonction d'inspecteur dans laquelle il est nommé.
§ 10. Le membre du personnel qui fait l'objet d'une évaluation favorable à l'issue du stage fait l'objet d'une proposition de nomination à titre définitif à la fonction d'inspecteur coordonnateur.
Cette proposition lui est notifiée par l'Inspecteur général coordonnateur, soit par lettre recommandée, doublée d'un mail avec accusé de réception, à la poste avec accusé de réception portant ses effets trois jours ouvrables après la date de son expédition, soit par la remise d'une lettre de la main à la main avec accusé de réception portant ses effets à la date figurant sur cet accusé de réception.
Le membre du personnel dispose d'un délai de dix jours pour indiquer par écrit s'il accepte ou renonce à une nomination à titre définitif à la fonction d'inspecteur coordonnateur. En l'absence d'une réponse dans les dix jours, et sauf cas de force majeure, le membre du personnel est réputé renoncer à la proposition de nomination et le stage prend fin de plein droit.
En cas de renonciation dans le délai de dix jours à une nomination à titre définitif, le membre du personnel réintègre sa fonction et son affectation d'origine.
La nomination à une fonction d'inspecteur coordonnateur par le Gouvernement produit ses effets, pour l'intéressé, le jour de l'admission au stage.
L'arrêté de nomination est publié par extrait au Moniteur belge.]3
§ [3 11]3. Les missions des Inspecteurs coordonnateurs visés au paragraphe 1er sont déterminées, en collaboration avec ces derniers, [3 par les Inspecteurs généraux et l'Inspecteur général coordonnateur ]3.
Dans le cadre de leurs missions, les Inspecteurs coordonnateurs peuvent donner des instructions aux inspecteurs [3 du Service général de l'Inspection]3.
Art. 64. Voor de berekening van de ambtsanciënniteit bedoeld in artikel 63, § 2, 2°, worden enkel de diensten in aanmerking genomen die het personeelslid, ongeacht in welke hoedanigheid, werkelijk heeft gepresteerd in de bevorderingsfunctie van inspecteur.
Voor de berekening van de duur van de diensten die in aanmerking komen voor een ambtsanciënniteit bedoeld in artikel 63, § 2, 2°, worden de werkelijke diensten per kalendermaand geteld, waarbij de onvolledige maanden niet worden meegeteld.
Voor de berekening van de duur van de diensten die in aanmerking komen voor een ambtsanciënniteit bedoeld in artikel 63, § 2, 2°, worden de werkelijke diensten per kalendermaand geteld, waarbij de onvolledige maanden niet worden meegeteld.
Art. 64. Pour le calcul de l'ancienneté de fonction visée à l'article 63, § 2, 2°, sont admissibles les services effectifs que le membre du personnel a rendus, à quelque titre que ce soit, dans la fonction de promotion d'inspecteur.
Pour le calcul de la durée des services admissibles dans l'ancienneté de fonction visée à l'article 63, § 2, 2°, les services effectifs se comptent par mois du calendrier, ceux qui ne couvrent pas tout le mois étant négligés.
Pour le calcul de la durée des services admissibles dans l'ancienneté de fonction visée à l'article 63, § 2, 2°, les services effectifs se comptent par mois du calendrier, ceux qui ne couvrent pas tout le mois étant négligés.
Art. 65. De coördinerende inspecteurs krijgen een vergoeding waarvan het bedrag wordt bepaald door de Regering.
Het bedrag van de vergoeding mag in geen geval hoger zijn dan de helft van het verschil tussen de minimale weddeschaal van inspecteur-generaal en de minimale weddeschaal van inspecteur.
De Regering stelt de administratieve standplaats vast van de inspecteurs belast met de coördinatie van de inspectie, op voordracht van de coördinerende inspecteur-generaal en de door de Regering aangestelde ambtenaar-generaal.
Het bedrag van de vergoeding mag in geen geval hoger zijn dan de helft van het verschil tussen de minimale weddeschaal van inspecteur-generaal en de minimale weddeschaal van inspecteur.
De Regering stelt de administratieve standplaats vast van de inspecteurs belast met de coördinatie van de inspectie, op voordracht van de coördinerende inspecteur-generaal en de door de Regering aangestelde ambtenaar-generaal.
Art. 65. Les Inspecteurs coordonnateurs bénéficient d'une allocation dont le montant est fixé par le Gouvernement.
Le montant de l'allocation ne peut en aucun cas être supérieur à la moitié de la différence entre l'échelle de traitement minimum de l'Inspecteur général et l'échelle de traitement minimum de l'inspecteur.
Le Gouvernement fixe la résidence administrative des inspecteurs chargés de la coordination de l'Inspection, sur la proposition de l'Inspecteur général coordonnateur et du fonctionnaire général désigné par le Gouvernement.
Le montant de l'allocation ne peut en aucun cas être supérieur à la moitié de la différence entre l'échelle de traitement minimum de l'Inspecteur général et l'échelle de traitement minimum de l'inspecteur.
Le Gouvernement fixe la résidence administrative des inspecteurs chargés de la coordination de l'Inspection, sur la proposition de l'Inspecteur général coordonnateur et du fonctionnaire général désigné par le Gouvernement.
Art. 66. De coördinerende inspecteurs blijven onderworpen aan de evaluatie bedoeld in hoofdstuk V.
Art. 66. Les Inspecteurs coordonnateurs restent soumis à l'évaluation visée au chapitre V.
Art.66bis.[1 In het geval dat een coördinerende inspecteur afwezig is, kan de Regering, op voordracht van de coördinerende inspecteur-generaal in overleg met de inspecteurs-generaal, een inspecteur vast belasten met de taken van coördinerend inspecteur.
De coördinerende inspecteur wordt voor de duur van de afwezigheid ad interim aangewezen.
In dat geval wordt het ad interim aangewezen personeelslid gelijkgesteld met een personeelslid dat vastbenoemd of aangeworven is in het ambt van coördinerend inspecteur. ]1
De coördinerende inspecteur wordt voor de duur van de afwezigheid ad interim aangewezen.
In dat geval wordt het ad interim aangewezen personeelslid gelijkgesteld met een personeelslid dat vastbenoemd of aangeworven is in het ambt van coördinerend inspecteur. ]1
Art.66/1. [1 En cas d'absence d'un Inspecteur coordonnateur, le Gouvernement peut, sur proposition de l'Inspecteur général coordonnateur faite en concertation avec les Inspecteurs généraux, charger un inspecteur à titre définitif d'assurer les missions d'un Inspecteur coordonnateur.
L'inspecteur coordonnateur est désigné ad interim pendant la durée de l'absence.
Dans ce cas, le membre du personnel désigné ad interim est assimilé à un membre du personnel nommé ou engagé à titre définitif dans la fonction d'inspecteur coordonnateur. ]1
L'inspecteur coordonnateur est désigné ad interim pendant la durée de l'absence.
Dans ce cas, le membre du personnel désigné ad interim est assimilé à un membre du personnel nommé ou engagé à titre définitif dans la fonction d'inspecteur coordonnateur. ]1
HOOFDSTUK IV. - Mandaat voor de uitoefening van de bevorderingsambten van inspecteur-generaal en coördinerende inspecteur-generaal
CHAPITRE IV. - Du mandat pour l'exercice des fonctions de promotion d'Inspecteur général et d'Inspecteur général coordonnateur
AFDELING I. - Procedure en voorwaarden voor het verkrijgen van het mandaat
SECTION Ire. - Procédure et conditions d'obtention du mandat
Art. 67. De betrekkingen van inspecteur-generaal en coördinerende inspecteur-generaal bedoeld in artikel 32, lid 2, 4° en 5°, worden toegekend bij mandaat.
Een mandaat kan slechts worden toegekend als een betrekking vacant is binnen het betrokken ambt.
De Regering bepaalt het ambtsprofiel van de inspecteur-generaal en coördinerende inspecteur-generaal.
Een mandaat kan slechts worden toegekend als een betrekking vacant is binnen het betrokken ambt.
De Regering bepaalt het ambtsprofiel van de inspecteur-generaal en coördinerende inspecteur-generaal.
Art. 67. Les emplois des fonctions d'Inspecteur général et d'Inspecteur général coordonnateur visés à l'article 32, alinéa 2, 4° et 5°, sont conférés par mandat.
Un mandat ne peut être conféré qu'en cas de vacance d'emploi dans la fonction considérée.
Le Gouvernement arrête le profil de fonction de l'Inspecteur général et de l'Inspecteur général coordonnateur.
Un mandat ne peut être conféré qu'en cas de vacance d'emploi dans la fonction considérée.
Le Gouvernement arrête le profil de fonction de l'Inspecteur général et de l'Inspecteur général coordonnateur.
Art. 68. De vacante betrekking van de te vervullen ambten van inspecteur-generaal en coördinerende inspecteur-generaal wordt ter kennis gebracht van de mogelijke kandidaten voor de uitoefening van een mandaat, volgens de nadere, door de Regering bepaalde regels.
Art. 68. La vacance d'emploi de la fonction d'Inspecteur général ou d'Inspecteur général coordonnateur à conférer est portée à la connaissance des membres du personnel susceptibles d'être candidats à l'exercice d'un mandat, selon les modalités fixées par le Gouvernement.
Art. 69. Slechts de kandidaten die de vorm en de termijn hebben nageleefd waarin de kandidaturen moeten worden ingediend, kunnen worden gemandateerd.
Art. 69. Peuvent seuls être mandatés les candidats qui ont respecté la forme et le délai dans lesquels les candidatures doivent être introduites.
Art. 70. Niemand kan een mandaat verkrijgen als hij niet aan de volgende voorwaarden voldoet:
1° vast benoemd zijn in een bevorderingsambt van inspecteur bedoeld in artikel 32, lid 2, 1° of 2° [1 of 3°]1 ;
2° een ambtsanciënniteit hebben van ten minste zes maanden [2 in een bevorderingsambt van inspecteur om te worden gemandateerd in het ambt van inspecteur-generaal"]2:
[2 ...]2 in een bevorderingsambt van inspecteur binnen de inspectiedienst voor het onderwijs van het pedagogisch continuüm om te worden gemandateerd in het ambt van inspecteur-generaal van het onderwijs van het pedagogisch continuüm;
[2 ...]2 in een bevorderingsambt van inspecteur binnen de inspectiedienst voor het middelbaar overgangs- en kwalificatieonderwijs om te worden gemandateerd in het ambt van inspecteur-generaal van het middelbaar overgangs- en kwalificatieonderwijs;
3° een ambtsanciënniteit hebben van minstens negen jaar in een bevorderingsambt van inspecteur om te worden gemandateerd in het ambt van coördinerende inspecteur-generaal;
4° de vermelding `gunstig' gekregen hebben bij de laatste evaluatie. Als er geen evaluatieverslag beschikbaar is, wordt aangenomen dat de inspecteur de vermelding `gunstig' heeft gekregen;
5° geen tuchtsanctie of -straf hebben ondergaan gedurende de vijf vorige jaren;
6° een opleiding in hr-management van minstens 60 uur gevolgd hebben en ervoor geslaagd zijn, georganiseerd door de school voor overheidsbestuur. Het getuigschrift van voltooiing wordt uitgereikt door een examencommissie waarvan de samenstelling en de nadere regels voor de werking worden bepaald door de Regering.
Als er geen kandidaat is die aan de in het 1e lid, 6° bedoelde voorwaarde voldoet, kan de Regering een mandaat toekennen aan een kandidaat die niet aan die voorwaarde voldoet, voor zover deze laatste zich ertoe verbindt de volgende opleiding in human resources management te volgen. Er wordt van rechtswege een einde gemaakt aan zijn mandaat bij niet-naleving van die verbintenis of bij niet-voltooiing.
Niemand wordt toegelaten tot de opleiding als hij op de datum van indiening van zijn aanvraag tot deelneming niet voldoet aan de voorwaarden vermeld in lid 1, 1°, 2°, 4° et 5°.
1° vast benoemd zijn in een bevorderingsambt van inspecteur bedoeld in artikel 32, lid 2, 1° of 2° [1 of 3°]1 ;
2° een ambtsanciënniteit hebben van ten minste zes maanden [2 in een bevorderingsambt van inspecteur om te worden gemandateerd in het ambt van inspecteur-generaal"]2:
[2 ...]2 in een bevorderingsambt van inspecteur binnen de inspectiedienst voor het onderwijs van het pedagogisch continuüm om te worden gemandateerd in het ambt van inspecteur-generaal van het onderwijs van het pedagogisch continuüm;
[2 ...]2 in een bevorderingsambt van inspecteur binnen de inspectiedienst voor het middelbaar overgangs- en kwalificatieonderwijs om te worden gemandateerd in het ambt van inspecteur-generaal van het middelbaar overgangs- en kwalificatieonderwijs;
3° een ambtsanciënniteit hebben van minstens negen jaar in een bevorderingsambt van inspecteur om te worden gemandateerd in het ambt van coördinerende inspecteur-generaal;
4° de vermelding `gunstig' gekregen hebben bij de laatste evaluatie. Als er geen evaluatieverslag beschikbaar is, wordt aangenomen dat de inspecteur de vermelding `gunstig' heeft gekregen;
5° geen tuchtsanctie of -straf hebben ondergaan gedurende de vijf vorige jaren;
6° een opleiding in hr-management van minstens 60 uur gevolgd hebben en ervoor geslaagd zijn, georganiseerd door de school voor overheidsbestuur. Het getuigschrift van voltooiing wordt uitgereikt door een examencommissie waarvan de samenstelling en de nadere regels voor de werking worden bepaald door de Regering.
Als er geen kandidaat is die aan de in het 1e lid, 6° bedoelde voorwaarde voldoet, kan de Regering een mandaat toekennen aan een kandidaat die niet aan die voorwaarde voldoet, voor zover deze laatste zich ertoe verbindt de volgende opleiding in human resources management te volgen. Er wordt van rechtswege een einde gemaakt aan zijn mandaat bij niet-naleving van die verbintenis of bij niet-voltooiing.
Niemand wordt toegelaten tot de opleiding als hij op de datum van indiening van zijn aanvraag tot deelneming niet voldoet aan de voorwaarden vermeld in lid 1, 1°, 2°, 4° et 5°.
Art. 70. Nul ne peut se voir conférer un mandat s'il ne remplit les conditions suivantes:
1° être nommé à titre définitif dans une fonction de promotion d'inspecteur visée à l'article 32, alinéa 2, 1° ou 2° [1 ou 3°]1 ;
2° compter une ancienneté de fonction de six ans au moins [2 dans une fonction de promotion d'inspecteur pour être mandaté à la fonction d'Inspecteur général]2:
a) [2 ...]2
b) [2 ...]2
3° compter une ancienneté de fonction de neuf ans au moins dans une fonction de promotion d'inspecteur pour être mandaté à la fonction d'Inspecteur général coordonnateur;
4° avoir obtenu la mention " favorable " à sa dernière évaluation. En l'absence de rapport d'évaluation, l'inspecteur est réputé avoir obtenu la mention " favorable ";
5° ne pas avoir encouru une sanction ou une peine disciplinaire au cours des cinq années précédentes;
6° avoir suivi et réussi une formation en gestion de ressources humaines d'un maximum de 60 heures, organisée par l'Ecole d'Administration publique. L'attestation de réussite de la formation est délivrée par un jury dont la composition et les modalités de fonctionnement sont déterminées par le Gouvernement.
A défaut de candidat répondant à la condition visée à l'alinéa 1er, 6°, le Gouvernement peut conférer un mandat à un candidat ne répondant pas à cette condition, pour autant que ce dernier s'engage à suivre la prochaine formation en gestion de ressources humaines. Il est mis fin d'office à l'exercice de son mandat en cas de non-respect de cet engagement ou en cas d'échec.
Nul n'est admis à la formation visée à l'alinéa 1er, 6°, s'il ne remplit pas, à la date d'introduction de la demande de participation, les conditions énoncées à l'alinéa 1er, 1°, 2°, 4° et 5°.
1° être nommé à titre définitif dans une fonction de promotion d'inspecteur visée à l'article 32, alinéa 2, 1° ou 2° [1 ou 3°]1 ;
2° compter une ancienneté de fonction de six ans au moins [2 dans une fonction de promotion d'inspecteur pour être mandaté à la fonction d'Inspecteur général]2:
a) [2 ...]2
b) [2 ...]2
3° compter une ancienneté de fonction de neuf ans au moins dans une fonction de promotion d'inspecteur pour être mandaté à la fonction d'Inspecteur général coordonnateur;
4° avoir obtenu la mention " favorable " à sa dernière évaluation. En l'absence de rapport d'évaluation, l'inspecteur est réputé avoir obtenu la mention " favorable ";
5° ne pas avoir encouru une sanction ou une peine disciplinaire au cours des cinq années précédentes;
6° avoir suivi et réussi une formation en gestion de ressources humaines d'un maximum de 60 heures, organisée par l'Ecole d'Administration publique. L'attestation de réussite de la formation est délivrée par un jury dont la composition et les modalités de fonctionnement sont déterminées par le Gouvernement.
A défaut de candidat répondant à la condition visée à l'alinéa 1er, 6°, le Gouvernement peut conférer un mandat à un candidat ne répondant pas à cette condition, pour autant que ce dernier s'engage à suivre la prochaine formation en gestion de ressources humaines. Il est mis fin d'office à l'exercice de son mandat en cas de non-respect de cet engagement ou en cas d'échec.
Nul n'est admis à la formation visée à l'alinéa 1er, 6°, s'il ne remplit pas, à la date d'introduction de la demande de participation, les conditions énoncées à l'alinéa 1er, 1°, 2°, 4° et 5°.
Art. 71. Voor de berekening van de ambtsanciënniteit bedoeld in artikel 70, lid 1, 2° en 3°, worden enkel de diensten in aanmerking genomen die het personeelslid, ongeacht in welke hoedanigheid, werkelijk heeft gepresteerd in de bevorderingsfunctie van inspecteur.
Voor de berekening van de duur van de diensten die in aanmerking komen voor een ambtsanciënniteit bedoeld in artikel 70, 2° en 3°, worden de werkelijke diensten per kalendermaand geteld, waarbij de onvolledige maanden niet worden meegeteld.
Voor de berekening van de duur van de diensten die in aanmerking komen voor een ambtsanciënniteit bedoeld in artikel 70, 2° en 3°, worden de werkelijke diensten per kalendermaand geteld, waarbij de onvolledige maanden niet worden meegeteld.
Art. 71. Pour le calcul de l'ancienneté de fonction visée à l'article 70, alinéa 1er, 2° et 3°, sont admissibles les services effectifs que le membre du personnel a rendus, à quelque titre que ce soit, dans la fonction de promotion d'inspecteur.
Pour le calcul de la durée des services admissibles dans l'ancienneté de fonction visée à l'article 70, 2° et 3°, les services effectifs se comptent par mois du calendrier, ceux qui ne couvrent pas tout le mois étant négligés.
Pour le calcul de la durée des services admissibles dans l'ancienneté de fonction visée à l'article 70, 2° et 3°, les services effectifs se comptent par mois du calendrier, ceux qui ne couvrent pas tout le mois étant négligés.
Art. 72. § 1. Er wordt bij de Regering een commissie voor selectie en evaluatie, hierna `de Commissie', opgericht.
§ 2. De Commissie is bevoegd om de [2 voordrachten bedoeld]2bij toepassing van de artikelen 81 te geven, op eigen initiatief of op aanvraag van de Regering.
§ 3. De Commissie bestaat uit:
1° de directeur-generaal van de algemene directie voor de sturing van het onderwijssysteem;
2° vier leden aangesteld door de Regering onder de ambtenaren-generaal van de diensten van de Regering, die minstens titularis zijn van een graad van rang 16 [1 . Wanneer de Commissie de kandidaturen voor het mandaat van inspecteur-generaal onderzoekt of wanneer zij het mandaat evalueert overeenkomstig artikel 81, wordt het vierde lid dat door de regering is benoemd, vervangen door de coördinerend inspecteur-generaal wiens mandaat nog loopt]1;
3° vijf leden aangesteld door de Regering onder de titularissen van het ambt van gewoon hoogleraar, hoogleraar of docent, voltijds in vast verband benoemd of aangeworven binnen een universiteit georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap of onder de titularissen van een verkiezingsambt binnen een hogeschool georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap.
De leden van de Commissie worden aangesteld voor een hernieuwbare periode van vijf jaar.
[1 Aan de deskundige leden van de Commissie bedoeld in lid 1, 3°, kan een financiële vergoeding worden toegekend volgens de door de regering vastgestelde nadere regels.]1
§ 4. De directeur-generaal van de algemene directie voor de sturing van het onderwijssysteem zit de Commissie voor. De Regering stelt een ondervoorzitter van de Commissie aan onder de vier ambtenaren-generaal bedoeld in paragraaf 3, 2°.
De Regering stelt een secretaris en plaatsvervangend secretaris van de Commissie aan onder de ambtenaren van minstens niveau 2+ van de diensten van de Regering.
§ 5. Voor elk werkend lid stelt de Regering een plaatsvervangend lid aan, gekozen volgens dezelfde nadere regels als het werkend lid dat het vervangt. De Regering stelt een plaatsvervangende directeur-generaal aan van de algemene directie voor de sturing van het onderwijssysteem onder de ambtenaren-generaal van de diensten van de Regering, die minstens titularis zijn van een graad van rang 16;
§ 6. De Commissie geeft advies bij meerderheid van de aanwezige leden. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter beslissend.
De Regering stelt andere nadere regels vast voor de werking van de Commissie, alsmede haar intern reglement, op de voordracht van de Commissie.
§ 7. Elk lid van de Commissie dat zijn hoedanigheid waarvoor het aangesteld werd binnen de Commissie verliest, wordt onverwijld vervangen door de Regering volgens dezelfde nadere regels. De plaatsvervanger voleindigt het mandaat van zijn voorganger.
§ 2. De Commissie is bevoegd om de [2 voordrachten bedoeld]2bij toepassing van de artikelen 81 te geven, op eigen initiatief of op aanvraag van de Regering.
§ 3. De Commissie bestaat uit:
1° de directeur-generaal van de algemene directie voor de sturing van het onderwijssysteem;
2° vier leden aangesteld door de Regering onder de ambtenaren-generaal van de diensten van de Regering, die minstens titularis zijn van een graad van rang 16 [1 . Wanneer de Commissie de kandidaturen voor het mandaat van inspecteur-generaal onderzoekt of wanneer zij het mandaat evalueert overeenkomstig artikel 81, wordt het vierde lid dat door de regering is benoemd, vervangen door de coördinerend inspecteur-generaal wiens mandaat nog loopt]1;
3° vijf leden aangesteld door de Regering onder de titularissen van het ambt van gewoon hoogleraar, hoogleraar of docent, voltijds in vast verband benoemd of aangeworven binnen een universiteit georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap of onder de titularissen van een verkiezingsambt binnen een hogeschool georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap.
De leden van de Commissie worden aangesteld voor een hernieuwbare periode van vijf jaar.
[1 Aan de deskundige leden van de Commissie bedoeld in lid 1, 3°, kan een financiële vergoeding worden toegekend volgens de door de regering vastgestelde nadere regels.]1
§ 4. De directeur-generaal van de algemene directie voor de sturing van het onderwijssysteem zit de Commissie voor. De Regering stelt een ondervoorzitter van de Commissie aan onder de vier ambtenaren-generaal bedoeld in paragraaf 3, 2°.
De Regering stelt een secretaris en plaatsvervangend secretaris van de Commissie aan onder de ambtenaren van minstens niveau 2+ van de diensten van de Regering.
§ 5. Voor elk werkend lid stelt de Regering een plaatsvervangend lid aan, gekozen volgens dezelfde nadere regels als het werkend lid dat het vervangt. De Regering stelt een plaatsvervangende directeur-generaal aan van de algemene directie voor de sturing van het onderwijssysteem onder de ambtenaren-generaal van de diensten van de Regering, die minstens titularis zijn van een graad van rang 16;
§ 6. De Commissie geeft advies bij meerderheid van de aanwezige leden. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter beslissend.
De Regering stelt andere nadere regels vast voor de werking van de Commissie, alsmede haar intern reglement, op de voordracht van de Commissie.
§ 7. Elk lid van de Commissie dat zijn hoedanigheid waarvoor het aangesteld werd binnen de Commissie verliest, wordt onverwijld vervangen door de Regering volgens dezelfde nadere regels. De plaatsvervanger voleindigt het mandaat van zijn voorganger.
Art. 72. § 1er. Il est créé, auprès du Gouvernement, une Commission de sélection et d'évaluation, ci-après dénommée " la Commission ".
§ 2. La Commission est compétente pour remettre, d'initiative ou à la demande du Gouvernement, les [2 propositions prévues]2 en application de l'article 81.
§ 3. La Commission comprend:
1° le Directeur général de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif;
2° quatre membres désignés par le Gouvernement parmi les fonctionnaires généraux des Services du Gouvernement, titulaires d'un grade de rang 16 au moins [1 . Lorsque la Commission examine les candidatures au mandat d'Inspecteur général ou lorsqu'elle procède à l'évaluation de celui-ci conformément à l'article 81, le quatrième membre désigné par le Gouvernement est remplacé par l'Inspecteur général coordonnateur dont le mandat est en cours]1;
3° cinq membres désignés par le Gouvernement parmi les titulaires de la fonction de professeur ordinaire, de professeur ou de chargé de cours, nommé ou engagé à titre définitif à temps plein au sein d'une Université organisée ou subventionnée par la Communauté française ou titulaires d'une fonction élective au sein d'une Haute Ecole organisée ou subventionnée par la Communauté française.
Les membres de la Commission sont désignés pour un terme de cinq ans, renouvelable.
[1 Une compensation financière peut être accordée aux membres experts de la Commission visés au point 3° de l'alinéa 1er, selon les modalités fixées par le Gouvernement.]1
§ 4. Le Directeur général de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif préside la Commission. Le Gouvernement désigne un vice-président de la Commission parmi les quatre fonctionnaires généraux visés au paragraphe 3, 2°.
Le Gouvernement désigne un secrétaire et un secrétaire suppléant de la Commission parmi les agents de niveau 2+ au moins des Services du Gouvernement.
§ 5. Pour chaque membre effectif, le Gouvernement désigne un membre suppléant choisi selon les mêmes modalités que le membre effectif qu'il supplée. Le Gouvernement désigne un suppléant au Directeur général de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif parmi les fonctionnaires généraux des Services du Gouvernement, titulaires d'un grade de rang 16 au moins.
§ 6. La Commission rend ses avis à la majorité des membres présents. En cas de parité des voix, celle du président est prépondérante.
Le Gouvernement fixe les autres modalités de fonctionnement de la Commission ainsi que son règlement d'ordre intérieur, sur proposition de la Commission.
§ 7. Tout membre de la Commission qui perd la qualité en vertu de laquelle il a été désigné au sein de la Commission est remplacé sans délai par le Gouvernement, selon les mêmes modalités. Le remplaçant achève le mandat de son prédécesseur.
§ 2. La Commission est compétente pour remettre, d'initiative ou à la demande du Gouvernement, les [2 propositions prévues]2 en application de l'article 81.
§ 3. La Commission comprend:
1° le Directeur général de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif;
2° quatre membres désignés par le Gouvernement parmi les fonctionnaires généraux des Services du Gouvernement, titulaires d'un grade de rang 16 au moins [1 . Lorsque la Commission examine les candidatures au mandat d'Inspecteur général ou lorsqu'elle procède à l'évaluation de celui-ci conformément à l'article 81, le quatrième membre désigné par le Gouvernement est remplacé par l'Inspecteur général coordonnateur dont le mandat est en cours]1;
3° cinq membres désignés par le Gouvernement parmi les titulaires de la fonction de professeur ordinaire, de professeur ou de chargé de cours, nommé ou engagé à titre définitif à temps plein au sein d'une Université organisée ou subventionnée par la Communauté française ou titulaires d'une fonction élective au sein d'une Haute Ecole organisée ou subventionnée par la Communauté française.
Les membres de la Commission sont désignés pour un terme de cinq ans, renouvelable.
[1 Une compensation financière peut être accordée aux membres experts de la Commission visés au point 3° de l'alinéa 1er, selon les modalités fixées par le Gouvernement.]1
§ 4. Le Directeur général de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif préside la Commission. Le Gouvernement désigne un vice-président de la Commission parmi les quatre fonctionnaires généraux visés au paragraphe 3, 2°.
Le Gouvernement désigne un secrétaire et un secrétaire suppléant de la Commission parmi les agents de niveau 2+ au moins des Services du Gouvernement.
§ 5. Pour chaque membre effectif, le Gouvernement désigne un membre suppléant choisi selon les mêmes modalités que le membre effectif qu'il supplée. Le Gouvernement désigne un suppléant au Directeur général de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif parmi les fonctionnaires généraux des Services du Gouvernement, titulaires d'un grade de rang 16 au moins.
§ 6. La Commission rend ses avis à la majorité des membres présents. En cas de parité des voix, celle du président est prépondérante.
Le Gouvernement fixe les autres modalités de fonctionnement de la Commission ainsi que son règlement d'ordre intérieur, sur proposition de la Commission.
§ 7. Tout membre de la Commission qui perd la qualité en vertu de laquelle il a été désigné au sein de la Commission est remplacé sans délai par le Gouvernement, selon les mêmes modalités. Le remplaçant achève le mandat de son prédécesseur.
Art. 73. Bij de verklaring van vacature van de bij mandaat te vervullen betrekking stelt de Regering op voordracht van de directeur-generaal van de algemene directie voor de sturing van het onderwijssysteem een opdrachtenblad op.
Het opdrachtenblad bevat ten minste de beschrijving van de volgende elementen:
1° de nauwkeurige definitie van de opdrachten die aan de mandataris worden toegewezen;
2° de te bereiken doelstellingen.
Het opdrachtenblad bevat ten minste de beschrijving van de volgende elementen:
1° de nauwkeurige definitie van de opdrachten die aan de mandataris worden toegewezen;
2° de te bereiken doelstellingen.
Art. 73. Lors de la déclaration de vacance de l'emploi à pourvoir par mandat, le Gouvernement établit une lettre de mission sur proposition du Directeur général de la Direction générale du Pilotage du système éducatif.
La lettre de mission comporte au moins la description des éléments suivants:
1° la définition précise des missions qui incombent au mandataire;
2° les objectifs à atteindre.
La lettre de mission comporte au moins la description des éléments suivants:
1° la définition précise des missions qui incombent au mandataire;
2° les objectifs à atteindre.
Art. 74. De kandidaturen voor een mandaat worden onderzocht door de Commissie, die kan beslissen om de verschillende kandidaten te horen.
De Commissie stelt aan de Regering, per te vervullen mandaat, een lijst van maximaal vijf kandidaten voor, in volgorde van hun verdiensten en relationele bekwaamheden. Om de kandidaten te rangschikken volgens de volgorde van hun verdiensten, neemt de Commissie inzonderheid het volgende in aanmerking: opleidingen tijdens de loopbaan en aanvullende opleidingen, publicaties, behaalde diploma's, getuigschriften en brevetten, projecten uitgevoerd tijdens de uitoefening van hun ambt van inspecteur of een vroeger mandaat.
De Commissie stelt aan de Regering, per te vervullen mandaat, een lijst van maximaal vijf kandidaten voor, in volgorde van hun verdiensten en relationele bekwaamheden. Om de kandidaten te rangschikken volgens de volgorde van hun verdiensten, neemt de Commissie inzonderheid het volgende in aanmerking: opleidingen tijdens de loopbaan en aanvullende opleidingen, publicaties, behaalde diploma's, getuigschriften en brevetten, projecten uitgevoerd tijdens de uitoefening van hun ambt van inspecteur of een vroeger mandaat.
Art. 74. Les candidatures à un mandat sont examinées par la Commission qui peut décider d'entendre les différents candidats.
La Commission présente au Gouvernement, par mandat à conférer, une liste de cinq candidats au plus, classés dans l'ordre de leurs mérites et de leurs aptitudes relationnelles. Pour classer les candidats selon l'ordre de leurs mérites et aptitudes, la Commission prend notamment en compte les formations en cours de carrière et les formations complémentaires, les publications, les diplômes, certificats et brevets obtenus, les projets mis en oeuvre lorsque les candidats exerçaient leur fonction d'inspecteur ou un mandat antérieur.
La Commission présente au Gouvernement, par mandat à conférer, une liste de cinq candidats au plus, classés dans l'ordre de leurs mérites et de leurs aptitudes relationnelles. Pour classer les candidats selon l'ordre de leurs mérites et aptitudes, la Commission prend notamment en compte les formations en cours de carrière et les formations complémentaires, les publications, les diplômes, certificats et brevets obtenus, les projets mis en oeuvre lorsque les candidats exerçaient leur fonction d'inspecteur ou un mandat antérieur.
AFDELING II. - Duur en uitoefening van het mandaat
SECTION II. - Durée et exercice du mandat
Art. 75. § 1. Het mandaat van inspecteur-generaal, met een duur van vijf jaar, wordt door de Regering toegekend aan de kandidaat die zij kiest uit een lijst voorgesteld door de commissie voor selectie en evaluatie bedoeld in artikel 72.
Dat mandaat is hernieuwbaar op basis van de evaluatie toegekend door de Regering op voordracht van de commissie voor selectie en evaluatie.
§ 2. Het mandaat van coördinerende inspecteur-generaal, met een duur van vijf jaar, wordt door de Regering toegekend aan de kandidaat die zij kiest uit een lijst voorgesteld door de commissie voor selectie en evaluatie bedoeld in artikel 72.
Dat mandaat is hernieuwbaar op basis van de evaluatie toegekend door de Regering op voordracht van de commissie voor selectie en evaluatie.
Dat mandaat is hernieuwbaar op basis van de evaluatie toegekend door de Regering op voordracht van de commissie voor selectie en evaluatie.
§ 2. Het mandaat van coördinerende inspecteur-generaal, met een duur van vijf jaar, wordt door de Regering toegekend aan de kandidaat die zij kiest uit een lijst voorgesteld door de commissie voor selectie en evaluatie bedoeld in artikel 72.
Dat mandaat is hernieuwbaar op basis van de evaluatie toegekend door de Regering op voordracht van de commissie voor selectie en evaluatie.
Art. 75. § 1er. Le mandat d'Inspecteur général, d'une durée de cinq ans, est confié par le Gouvernement au candidat qu'il choisit dans la liste proposée par la Commission de sélection et d'évaluation visée à l'article 72.
Ce mandat est renouvelable sur la base de l'évaluation attribuée par le Gouvernement sur proposition de la Commission de sélection et d'évaluation.
§ 2. Le mandat d'Inspecteur général coordonnateur, d'une durée de cinq ans, est confié par le Gouvernement au candidat qu'il choisit dans la liste proposée par la Commission de sélection et d'évaluation visée à l'article 72.
Ce mandat est renouvelable sur la base de l'évaluation attribuée par le Gouvernement sur proposition de la Commission de sélection et d'évaluation.
Ce mandat est renouvelable sur la base de l'évaluation attribuée par le Gouvernement sur proposition de la Commission de sélection et d'évaluation.
§ 2. Le mandat d'Inspecteur général coordonnateur, d'une durée de cinq ans, est confié par le Gouvernement au candidat qu'il choisit dans la liste proposée par la Commission de sélection et d'évaluation visée à l'article 72.
Ce mandat est renouvelable sur la base de l'évaluation attribuée par le Gouvernement sur proposition de la Commission de sélection et d'évaluation.
Art. 76. Het mandaat is tijdelijk. Het geeft geen recht op een vaste benoeming in het ambt dat het toekent
Het bij mandaat te vervullen ambt is ondeelbaar. Het wordt voltijds uitgeoefend.
Tijdens de uitoefening van zijn mandaat is het personeelslid in dienstactiviteit, behoudens formele bepaling die hem in een andere administratieve stand zet.
Zijn administratieve standplaats wordt gevestigd op de administratieve zetel van de algemene inspectiedienst.
Het bij mandaat te vervullen ambt is ondeelbaar. Het wordt voltijds uitgeoefend.
Tijdens de uitoefening van zijn mandaat is het personeelslid in dienstactiviteit, behoudens formele bepaling die hem in een andere administratieve stand zet.
Zijn administratieve standplaats wordt gevestigd op de administratieve zetel van de algemene inspectiedienst.
Art. 76. Le mandat est temporaire. Il ne donne aucun droit à une nomination à titre définitif à la fonction qu'il confère.
La fonction conférée par mandat est indivisible. Elle est exercée à temps plein.
Durant l'exercice de son mandat, le membre du personnel est en activité de service, sauf disposition formelle le plaçant dans une autre position administrative.
Sa résidence administrative est fixée au siège administratif du Service général de l'Inspection.
La fonction conférée par mandat est indivisible. Elle est exercée à temps plein.
Durant l'exercice de son mandat, le membre du personnel est en activité de service, sauf disposition formelle le plaçant dans une autre position administrative.
Sa résidence administrative est fixée au siège administratif du Service général de l'Inspection.
Art. 77. Tijdens de duur van zijn mandaat, kan de mandataris:
1° geen verlof krijgen voor de onderbreking van de beroepsloopbaan, met uitzondering van loopbaanonderbreking om palliatieve zorgen te verstrekken, voor bijstand of verlening van zorgen aan een gezins- of familielid tot de tweede graad die lijdt aan een ernstige ziekte of bij de geboorte of adoptie van een kind in het kader van ouderschapsverlof;
2° geen verlof krijgen voor taak of terbeschikkingstelling voor bijzondere taak;
3° geen verlof krijgen om stage te lopen binnen een andere betrekking van de Staat, de provincies, gemeenten, van daarmee gelijkgestelde openbare instellingen, een officiële school of een gesubsidieerde vrije school;
4° geen verlof krijgen om zich kandidaat te stellen voor de parlements- of provincieraadsverkiezingen;
5° geen verlof krijgen om cursussen te volgen, zich voor te bereiden voor examens en examens af te leggen;
6° geen verlof krijgen om voorlopig een ander ambt uit te oefenen in het onderwijs;
7° geen verlof verkrijgen voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden noch verlof voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden, toegekend aan het personeelslid dat minstens twee kinderen ten laste heeft die niet ouder zijn dan 14 jaar, noch verlof krijgen voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden, toegekend aan het lid van het personeel vanaf 50 jaar;
8° geen politiek verlof krijgen;
9° geen terbeschikkingstelling krijgen wegens persoonlijke aangelegenheden;
10° geen terbeschikkingstelling krijgen wegens persoonlijke aangelegenheden vóór het rustpensioen op basis van de bepalingen van het koninklijk besluit nr.297 van 31 maart 1984 betreffende de opdrachten, de wedden, de weddetoelagen en de verloven voor verminderde prestatie in het onderwijs en de psychisch-medisch-sociale centra.
1° geen verlof krijgen voor de onderbreking van de beroepsloopbaan, met uitzondering van loopbaanonderbreking om palliatieve zorgen te verstrekken, voor bijstand of verlening van zorgen aan een gezins- of familielid tot de tweede graad die lijdt aan een ernstige ziekte of bij de geboorte of adoptie van een kind in het kader van ouderschapsverlof;
2° geen verlof krijgen voor taak of terbeschikkingstelling voor bijzondere taak;
3° geen verlof krijgen om stage te lopen binnen een andere betrekking van de Staat, de provincies, gemeenten, van daarmee gelijkgestelde openbare instellingen, een officiële school of een gesubsidieerde vrije school;
4° geen verlof krijgen om zich kandidaat te stellen voor de parlements- of provincieraadsverkiezingen;
5° geen verlof krijgen om cursussen te volgen, zich voor te bereiden voor examens en examens af te leggen;
6° geen verlof krijgen om voorlopig een ander ambt uit te oefenen in het onderwijs;
7° geen verlof verkrijgen voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden noch verlof voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden, toegekend aan het personeelslid dat minstens twee kinderen ten laste heeft die niet ouder zijn dan 14 jaar, noch verlof krijgen voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden, toegekend aan het lid van het personeel vanaf 50 jaar;
8° geen politiek verlof krijgen;
9° geen terbeschikkingstelling krijgen wegens persoonlijke aangelegenheden;
10° geen terbeschikkingstelling krijgen wegens persoonlijke aangelegenheden vóór het rustpensioen op basis van de bepalingen van het koninklijk besluit nr.297 van 31 maart 1984 betreffende de opdrachten, de wedden, de weddetoelagen en de verloven voor verminderde prestatie in het onderwijs en de psychisch-medisch-sociale centra.
Art. 77. Pendant la durée de son mandat, le mandataire ne peut obtenir:
1° un congé pour interruption de la carrière professionnelle, à l'exception de l'interruption de carrière pour donner des soins palliatifs, pour l'assistance ou l'octroi de soins à un membre du ménage ou de la famille jusqu'au deuxième degré qui souffre d'une maladie grave ou lors de la naissance ou de l'adoption d'un enfant dans le cadre du congé parental;
2° un congé pour mission ou une disponibilité pour mission spéciale;
3° un congé pour accomplir un stage dans un autre emploi de l'Etat, des provinces, des communes, d'un établissement public assimilé, d'une école officielle ou d'une école libre subventionnée;
4° un congé pour présenter sa candidature aux élections législatives ou provinciales;
5° un congé pour suivre des cours, se préparer à passer des examens et subir des examens;
6° un congé pour exercer provisoirement une autre fonction dans l'enseignement;
7° un congé pour prestations réduites justifiées par des raisons de convenances personnelles ou un congé pour prestations réduites justifiées par des raisons de convenances personnelles, accordées au membre du personnel qui a au moins deux enfants à charge qui n'ont pas dépassé l'âge de 14 ans, ou un congé pour prestations réduites justifiées par des raisons de convenances personnelles, accordées au membre du personnel âgé de 50 ans;
8° un congé politique;
9° une disponibilité pour convenances personnelles;
10° une disponibilité pour convenances personnelles précédant la pension de retraite sur la base des dispositions de l'arrêté royal n° 297 du 31 mars 1984 relatif aux charges, traitements, subventions-traitements et congés pour prestations réduites dans l'enseignement et les centres psycho-médico-sociaux.
1° un congé pour interruption de la carrière professionnelle, à l'exception de l'interruption de carrière pour donner des soins palliatifs, pour l'assistance ou l'octroi de soins à un membre du ménage ou de la famille jusqu'au deuxième degré qui souffre d'une maladie grave ou lors de la naissance ou de l'adoption d'un enfant dans le cadre du congé parental;
2° un congé pour mission ou une disponibilité pour mission spéciale;
3° un congé pour accomplir un stage dans un autre emploi de l'Etat, des provinces, des communes, d'un établissement public assimilé, d'une école officielle ou d'une école libre subventionnée;
4° un congé pour présenter sa candidature aux élections législatives ou provinciales;
5° un congé pour suivre des cours, se préparer à passer des examens et subir des examens;
6° un congé pour exercer provisoirement une autre fonction dans l'enseignement;
7° un congé pour prestations réduites justifiées par des raisons de convenances personnelles ou un congé pour prestations réduites justifiées par des raisons de convenances personnelles, accordées au membre du personnel qui a au moins deux enfants à charge qui n'ont pas dépassé l'âge de 14 ans, ou un congé pour prestations réduites justifiées par des raisons de convenances personnelles, accordées au membre du personnel âgé de 50 ans;
8° un congé politique;
9° une disponibilité pour convenances personnelles;
10° une disponibilité pour convenances personnelles précédant la pension de retraite sur la base des dispositions de l'arrêté royal n° 297 du 31 mars 1984 relatif aux charges, traitements, subventions-traitements et congés pour prestations réduites dans l'enseignement et les centres psycho-médico-sociaux.
Art. 78. Tijdens de uitoefening van zijn mandaat geniet de inspecteur-generaal de weddeschaal die toegekend is aan een ambtenaar van de diensten van de Regering van rang 15.
Tijdens de uitoefening van zijn mandaat geniet de coördinerende inspecteur-generaal de weddeschaal die toegekend is aan een ambtenaar van de diensten van de Regering van rang 16.
Tijdens de uitoefening van zijn mandaat geniet de coördinerende inspecteur-generaal de weddeschaal die toegekend is aan een ambtenaar van de diensten van de Regering van rang 16.
Art. 78. Durant l'exercice de son mandat, l'Inspecteur général bénéficie de l'échelle de traitement accordée à un agent des Services du Gouvernement de rang 15.
Durant l'exercice de son mandat, l'Inspecteur général coordonnateur bénéficie de l'échelle de traitement accordée à un agent des Services du Gouvernement de rang 16.
Durant l'exercice de son mandat, l'Inspecteur général coordonnateur bénéficie de l'échelle de traitement accordée à un agent des Services du Gouvernement de rang 16.
Art. 79. Elk personeelslid in dienstactiviteit van minstens 57 jaar oud die het maximum van zijn weddeschaal geniet, ziet de waarde van dit maximum verhoogd met de waarde van de laatste tussentijdse verhoging van zijn weddeschaal.
Elk personeelslid in dienstactiviteit van minstens 58 jaar oud die het maximum van zijn weddeschaal geniet, ziet de waarde van dit maximum verhoogd met het dubbele van de waarde van de laatste tussentijdse verhoging van zijn weddeschaal.
Lid 1 en 2 zijn niet van toepassing voor personeelsleden die, op 1 januari 2015, nog niet de leeftijd hebben bereikt van respectievelijk 57 en 58 jaar.
Elk personeelslid in dienstactiviteit van minstens 58 jaar oud die het maximum van zijn weddeschaal geniet, ziet de waarde van dit maximum verhoogd met het dubbele van de waarde van de laatste tussentijdse verhoging van zijn weddeschaal.
Lid 1 en 2 zijn niet van toepassing voor personeelsleden die, op 1 januari 2015, nog niet de leeftijd hebben bereikt van respectievelijk 57 en 58 jaar.
Art. 79. Tout membre du personnel en activité de service âgé de 57 ans au moins et qui bénéficie du maximum de son échelle de traitement voit la valeur de ce maximum augmentée de la valeur de la dernière augmentation intercalaire de son échelle de traitement.
Tout membre du personnel en activité de service âgé de 58 ans au moins et qui bénéficie du maximum de son échelle de traitement voit la valeur de ce maximum augmentée du double de la valeur de la dernière augmentation intercalaire de son échelle de traitement.
Les alinéas 1er et 2 ne sont pas applicables au membre du personnel qui, à la date du 1er janvier 2015, n'a pas atteint respectivement l'âge de 57 ans ou de 58 ans.
Tout membre du personnel en activité de service âgé de 58 ans au moins et qui bénéficie du maximum de son échelle de traitement voit la valeur de ce maximum augmentée du double de la valeur de la dernière augmentation intercalaire de son échelle de traitement.
Les alinéas 1er et 2 ne sont pas applicables au membre du personnel qui, à la date du 1er janvier 2015, n'a pas atteint respectivement l'âge de 57 ans ou de 58 ans.
Art. 80. Elk personeelslid in dienstactiviteit van minstens 61 jaar oud die het maximum van zijn weddeschaal geniet, ziet de waarde van dit maximum verhoogd met de waarde van de laatste tussentijdse verhoging van zijn weddeschaal op voorwaarde dat hij de tussentijdse verhoging bedoeld in artikel 2bis, lid 1 van het koninklijk besluit van 27 juni 1974 waarbij op 1 april 1972 de schalen worden vastgelegd verbonden aan de ambten van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel en van het paramedisch personeel bij de onderwijsinrichtingen van de Staat, aan de personeelsleden van de inspectiedienst, belast met het toezicht op deze inrichtingen en aan de personeelsleden van het gesubsidieerd lager onderwijs, en de schalen verbonden aan de graden van het personeel van de psychisch-medisch-sociale centra van de Staat, niet geniet.
Elk personeelslid in dienstactiviteit van minstens 62 jaar oud die het maximum van zijn weddeschaal geniet, ziet de waarde van dit maximum verhoogd met het dubbele van de waarde van de laatste tussentijdse verhoging van zijn weddeschaal op voorwaarde dat hij de tussentijdse verhoging bedoeld in lid 2 van artikel 79 niet geniet.
Elk personeelslid in dienstactiviteit van minstens 62 jaar oud die het maximum van zijn weddeschaal geniet, ziet de waarde van dit maximum verhoogd met het dubbele van de waarde van de laatste tussentijdse verhoging van zijn weddeschaal op voorwaarde dat hij de tussentijdse verhoging bedoeld in lid 2 van artikel 79 niet geniet.
Art. 80. Tout membre du personnel en activité de service, âgé de 61 ans au moins, et qui bénéficie du maximum de son échelle de traitement voit, à condition de ne pas avoir bénéficié de l'augmentation intercalaire visée à l'alinéa 1er de l'article 2bis de l'arrêté royal du 27 juin 1974 fixant au 1er avril 1972 les échelles des fonctions des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical des établissements d'enseignement de l'Etat, des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements, des membres du personnel du service d'inspection de l'enseignement primaire subventionné et les échelles des grades du personnel des centres psycho-médico-sociaux de l'Etat, la valeur de ce maximum augmentée de la valeur de la dernière augmentation intercalaire de son échelle de traitement.
Tout membre du personnel en activité de service, âgé de 62 ans au moins, et qui bénéficie du maximum de son échelle de traitement voit, à condition de ne pas avoir bénéficié de l'augmentation intercalaire visée à l'alinéa 2 de l'article 79, la valeur de ce maximum augmentée du double de la valeur de la dernière augmentation intercalaire de son échelle de traitement.
Tout membre du personnel en activité de service, âgé de 62 ans au moins, et qui bénéficie du maximum de son échelle de traitement voit, à condition de ne pas avoir bénéficié de l'augmentation intercalaire visée à l'alinéa 2 de l'article 79, la valeur de ce maximum augmentée du double de la valeur de la dernière augmentation intercalaire de son échelle de traitement.
Art. 81. De evaluatie van de mandatarissen vindt plaats om de dertig maanden. Deze wordt toegekend door de Regering op de voordracht van de commissie voor selectie en evaluatie bedoeld in artikel 72.
De evaluatie is gebaseerd op de uitvoering van het opdrachtenblad bedoeld in artikel 73.
Dit bevat een van de volgende vermeldingen:
1° `gunstig';
2° `met voorbehoud';
3° `ongunstig'.
De evaluatie is gebaseerd op de uitvoering van het opdrachtenblad bedoeld in artikel 73.
Dit bevat een van de volgende vermeldingen:
1° `gunstig';
2° `met voorbehoud';
3° `ongunstig'.
Art. 81. L'évaluation des mandataires a lieu tous les trente mois. Elle est attribuée par le Gouvernement sur proposition de la Commission de sélection et d'évaluation visée à l'article 72.
L'évaluation se fonde sur l'exécution de la lettre de mission visée à l'article 73.
Elle fait l'objet d'une des mentions suivantes:
1° " favorable ";
2° " réservée ";
3° " défavorable ".
L'évaluation se fonde sur l'exécution de la lettre de mission visée à l'article 73.
Elle fait l'objet d'une des mentions suivantes:
1° " favorable ";
2° " réservée ";
3° " défavorable ".
Art. 82. De mandataris aan wie een `gunstige' evaluatie gegeven wordt tijdens zijn mandaat, zet de uitoefening van zijn mandaat voort.
Bij toekenning van een evaluatie `met voorbehoud' tijdens het mandaat vindt een nieuwe evaluatie plaats binnen de volgende zes tot twaalf maanden en deze leidt tot de toekenning van een vermelding `gunstig' of `ongunstig'. De toekenning van een vermelding `met voorbehoud' kan de Regering brengen tot het aanpassen van het opdrachtenblad en het aan de mandataris opleggen om gepaste opleidingen te volgen.
Bij een evaluatievermelding `ongunstig' tijdens het mandaat wordt het mandaat vervroegd beëindigd.
Bij toekenning van een evaluatie `met voorbehoud' tijdens het mandaat vindt een nieuwe evaluatie plaats binnen de volgende zes tot twaalf maanden en deze leidt tot de toekenning van een vermelding `gunstig' of `ongunstig'. De toekenning van een vermelding `met voorbehoud' kan de Regering brengen tot het aanpassen van het opdrachtenblad en het aan de mandataris opleggen om gepaste opleidingen te volgen.
Bij een evaluatievermelding `ongunstig' tijdens het mandaat wordt het mandaat vervroegd beëindigd.
Art. 82. Le mandataire auquel est attribuée une évaluation " favorable " en cours de mandat poursuit l'exercice de son mandat.
En cas d'attribution d'une évaluation " réservée " en cours de mandat, une nouvelle évaluation est réalisée dans les six à douze mois qui suivent et elle conduit à l'attribution d'une mention " favorable " ou " défavorable ". L'attribution d'une mention " réservée " peut conduire le Gouvernement à adapter la lettre de mission et enjoindre au mandataire de suivre des formations adaptées.
En cas d'évaluation " défavorable " en cours de mandat, il est mis fin au mandat de manière anticipée.
En cas d'attribution d'une évaluation " réservée " en cours de mandat, une nouvelle évaluation est réalisée dans les six à douze mois qui suivent et elle conduit à l'attribution d'une mention " favorable " ou " défavorable ". L'attribution d'une mention " réservée " peut conduire le Gouvernement à adapter la lettre de mission et enjoindre au mandataire de suivre des formations adaptées.
En cas d'évaluation " défavorable " en cours de mandat, il est mis fin au mandat de manière anticipée.
Art. 83. [1 In het geval dat een inspecteur-generaal afwezig is, kan de Regering, op voordracht van de coördinerende inspecteur-generaal, een coördinerende inspecteur belasten met de taken van inspecteur-generaal. De inspecteur-generaal wordt voor de duur van de afwezigheid ad interim aangewezen uit de coördinerende inspecteurs]1.
[1 ...]1
Als er geen coördinerende inspecteur-generaal is, kan de Regering [1 op voordracht van de directeur-generaal Sturing van het onderwijssysteem, een inspecteur-generaal]1belasten met de taken van de coördinerende inspecteur-generaal. [1 De coördinerende inspecteur-generaal wordt voor de duur van de afwezigheid ad interim aangewezen uit de inspecteurs-generaal.]1
[1 ...]1
Als er geen coördinerende inspecteur-generaal is, kan de Regering [1 op voordracht van de directeur-generaal Sturing van het onderwijssysteem, een inspecteur-generaal]1belasten met de taken van de coördinerende inspecteur-generaal. [1 De coördinerende inspecteur-generaal wordt voor de duur van de afwezigheid ad interim aangewezen uit de inspecteurs-generaal.]1
Modifications
Art. 83. [1 En cas d'absence d'un Inspecteur général, le Gouvernement peut, sur proposition de l'Inspecteur général coordonnateur, charger un Inspecteur coordonnateur d'assurer les missions d'un Inspecteur général. L'Inspecteur général est désigné ad interim parmi les inspecteurs coordonnateurs pendant la durée de l'absence]1.
[1 ...]1.
En cas d'absence de l'Inspecteur général coordonnateur, le Gouvernement peut charger [1 , sur proposition du Directeur général du Pilotage du système éducatif, un Inspecteur général ]1 d'assurer les missions de l'Inspecteur général coordonnateur. [1 L'inspecteur général coordonnateur est désigné ad interim parmi les inspecteurs généraux pendant la durée de l'absence.]1
[1 ...]1.
En cas d'absence de l'Inspecteur général coordonnateur, le Gouvernement peut charger [1 , sur proposition du Directeur général du Pilotage du système éducatif, un Inspecteur général ]1 d'assurer les missions de l'Inspecteur général coordonnateur. [1 L'inspecteur général coordonnateur est désigné ad interim parmi les inspecteurs généraux pendant la durée de l'absence.]1
Modifications
Art. 84. De mandataris kan zijn mandaat vrijwillig beëindigen, mits een opzeggingstermijn van drie maanden.
Er wordt van rechtswege op vervroegde wijze een einde gemaakt aan het mandaat wanneer de mandataris een van de tuchtsancties bedoeld in artikel 105, lid 1, 4° tot 7° krijgt.
Er wordt van rechtswege op vervroegde wijze een einde gemaakt aan het mandaat wanneer de mandataris een van de tuchtsancties bedoeld in artikel 105, lid 1, 4° tot 7° krijgt.
Art. 84. Le mandataire peut mettre fin volontairement à son mandat, moyennant un préavis de trois mois.
Il est d'office mis fin au mandat de manière anticipée lorsque le mandataire fait l'objet d'une des sanctions disciplinaires visées à l'article 105, alinéa 1er, 4° à 7°.
Il est d'office mis fin au mandat de manière anticipée lorsque le mandataire fait l'objet d'une des sanctions disciplinaires visées à l'article 105, alinéa 1er, 4° à 7°.
Art. 85. Wanneer een mandaat, om welke reden dan ook, vroegtijdig wordt beëindigd, wordt de mandataris vervangen. De vervanger, die door de Regering volgens de in de artikelen 67 tot 74 vastgestelde nadere regels wordt aangesteld, eindigt het lopende mandaat.
Art. 85. Lorsque, pour quelque raison que ce soit, il est mis fin à un mandat avant son échéance, le mandataire est remplacé. Le remplaçant, désigné par le Gouvernement selon les modalités fixées aux articles 67 à 74, achève le mandat en cours.
AFDELING III. - Einde van het mandaat
SECTION III. - Echéance du mandat
Art. 86. Het mandaat van de mandataris van wie de laatste evaluatie de vermelding `gunstig' bevatte, wordt van ambtswege door de Regering verlengd, zonder dat de vacantverklaring bedoeld in artikel 68 wordt verricht.
Op het einde van zijn mandaat wordt het mandaat van de mandataris van wie de laatste evaluatie de vermelding `met voorbehoud' bevatte, opnieuw open voor concurrentie verklaard, en kan hij zich gedurende vijf jaar niet meer kandidaat stellen voor een aanstelling in het mandaat van coördinerende inspecteur-generaal.
Op het einde van zijn mandaat kan de mandataris van wie de laatste evaluatie de vermelding `ongunstig' bevatte, zich niet meer kandidaat stellen voor een aanstelling in het mandaat dat hij heeft uitgeoefend noch zich gedurende vijf jaar kandidaat stellen voor een aanstelling in het mandaat van inspecteur-generaal noch in het mandaat van coördinerende inspecteur-generaal.
Op het einde van zijn mandaat wordt het mandaat van de mandataris van wie de laatste evaluatie de vermelding `met voorbehoud' bevatte, opnieuw open voor concurrentie verklaard, en kan hij zich gedurende vijf jaar niet meer kandidaat stellen voor een aanstelling in het mandaat van coördinerende inspecteur-generaal.
Op het einde van zijn mandaat kan de mandataris van wie de laatste evaluatie de vermelding `ongunstig' bevatte, zich niet meer kandidaat stellen voor een aanstelling in het mandaat dat hij heeft uitgeoefend noch zich gedurende vijf jaar kandidaat stellen voor een aanstelling in het mandaat van inspecteur-generaal noch in het mandaat van coördinerende inspecteur-generaal.
Art. 86. A l'échéance de son mandat, le mandataire dont la dernière évaluation porte la mention " favorable " est reconduit d'office par le Gouvernement dans ce mandat sans qu'il soit procédé à la déclaration de vacance visée à l'article 68.
A l'échéance de son mandat, le mandataire dont la dernière évaluation porte la mention " réservée " voit son mandat remis en concurrence et ne peut plus, pendant cinq ans, poser sa candidature à une désignation dans le mandat d'Inspecteur général coordonnateur.
A l'échéance de son mandat, le mandataire dont la dernière évaluation porte la mention " défavorable " ne peut plus poser sa candidature à une désignation dans le mandat qu'il vient d'exercer et ne peut plus, pendant cinq ans, poser sa candidature à une désignation dans le mandat d'Inspecteur général ni dans le mandat d'Inspecteur général coordonnateur.
A l'échéance de son mandat, le mandataire dont la dernière évaluation porte la mention " réservée " voit son mandat remis en concurrence et ne peut plus, pendant cinq ans, poser sa candidature à une désignation dans le mandat d'Inspecteur général coordonnateur.
A l'échéance de son mandat, le mandataire dont la dernière évaluation porte la mention " défavorable " ne peut plus poser sa candidature à une désignation dans le mandat qu'il vient d'exercer et ne peut plus, pendant cinq ans, poser sa candidature à une désignation dans le mandat d'Inspecteur général ni dans le mandat d'Inspecteur général coordonnateur.
Art. 87. Aanvaardt een mandataris in het ambt van inspecteur-generaal een mandaat van coördinerende inspecteur-generaal, wordt aangenomen dat hij ontslag neemt uit zijn mandaat van inspecteur-generaal.
Art. 87. Si un mandataire dans la fonction d'Inspecteur général accepte un mandat d'Inspecteur général coordonnateur, il est réputé démissionnaire de son mandat d'Inspecteur général.
Art. 88. Wanneer het personeelslid zijn hoedanigheid van mandataris verliest, wordt het in zijn bevorderingsambt van inspecteur hersteld.
Art. 88. Lorsqu'il perd sa qualité de mandataire, le membre du personnel retrouve sa fonction de promotion d'inspecteur.
HOOFDSTUK V. - Evaluatie in de loop van de loopbaan van vast benoemde inspecteurs
CHAPITRE V. - De l'évaluation en cours de carrière des inspecteurs nommés à titre définitif
Art. 89. § 1. De inspecteur wordt minstens om de twee jaar geëvalueerd door de coördinerende inspecteur-generaal of zijn afgevaardigde en de inspecteur-generaal of een van de coördinerende inspecteurs belast met de coördinatie van de dienst waaronder de inspecteur ressorteert. Deze evaluatie is gebaseerd op de vervulling van de taken die hun toegewezen zijn overeenkomstig de bepalingen van Titel I.
§ 2. De voorlopig aangestelde inspecteur krachtens artikel 57 [1 , met inbegrip van de inspecteur die op de dag na de inwerkingtreding van dit decreet voorlopig aangesteld is als inspecteur,]1 wordt minstens om de twee jaar geëvalueerd door de coördinerende algemeen-inspecteur of zijn afgevaardigde en de inspecteur-generaal of een van de coördinerende inspecteurs belast met de coördinatie van de dienst waaronder de inspecteur ressorteert. Deze evaluatie is gebaseerd op de vervulling van de taken die hun toegewezen zijn overeenkomstig de bepalingen van Titel I.
§ 3. De coördinerende inspecteur wordt minstens om de twee jaar geëvalueerd door de coördinerende inspecteur-generaal en een inspecteur-generaal. Deze evaluatie is gebaseerd op de vervulling van de taken die hun toegewezen zijn overeenkomstig de bepalingen van Titel I.
§ 2. De voorlopig aangestelde inspecteur krachtens artikel 57 [1 , met inbegrip van de inspecteur die op de dag na de inwerkingtreding van dit decreet voorlopig aangesteld is als inspecteur,]1 wordt minstens om de twee jaar geëvalueerd door de coördinerende algemeen-inspecteur of zijn afgevaardigde en de inspecteur-generaal of een van de coördinerende inspecteurs belast met de coördinatie van de dienst waaronder de inspecteur ressorteert. Deze evaluatie is gebaseerd op de vervulling van de taken die hun toegewezen zijn overeenkomstig de bepalingen van Titel I.
§ 3. De coördinerende inspecteur wordt minstens om de twee jaar geëvalueerd door de coördinerende inspecteur-generaal en een inspecteur-generaal. Deze evaluatie is gebaseerd op de vervulling van de taken die hun toegewezen zijn overeenkomstig de bepalingen van Titel I.
Modifications
Art. 89. § 1er. Au moins tous les deux ans, l'inspecteur fait l'objet d'une évaluation par l'Inspecteur général coordonnateur ou son délégué et l'Inspecteur général ou l'un des Inspecteurs coordonnateurs en charge de la coordination du Service dont dépend l'inspecteur. Celle-ci se base sur l'accomplissement des missions qui lui ont été attribuées conformément aux dispositions du Titre Ier.
§ 2. Tous les deux ans au moins, l'inspecteur désigné à titre provisoire en vertu de l'article 57 [1 , en ce compris l'inspecteur désigné à titre provisoire en qualité d'inspecteur à la veille de l'entrée en vigueur du présent même décret,]1 fait l'objet d'une évaluation par l'Inspecteur général coordonnateur ou son délégué et l'Inspecteur général ou l'un des Inspecteurs coordonnateurs en charge de la coordination du Service dont dépend l'inspecteur. Celle-ci se base sur l'accomplissement des missions qui lui ont été attribuées conformément aux dispositions du Titre Ier.
§ 3. Au moins tous les deux ans, l'inspecteur coordonnateur fait l'objet d'une évaluation par l'Inspecteur général coordonnateur et un Inspecteur général. Celle-ci se base sur l'accomplissement des missions qui lui ont été attribuées conformément aux dispositions du Titre Ier.
§ 2. Tous les deux ans au moins, l'inspecteur désigné à titre provisoire en vertu de l'article 57 [1 , en ce compris l'inspecteur désigné à titre provisoire en qualité d'inspecteur à la veille de l'entrée en vigueur du présent même décret,]1 fait l'objet d'une évaluation par l'Inspecteur général coordonnateur ou son délégué et l'Inspecteur général ou l'un des Inspecteurs coordonnateurs en charge de la coordination du Service dont dépend l'inspecteur. Celle-ci se base sur l'accomplissement des missions qui lui ont été attribuées conformément aux dispositions du Titre Ier.
§ 3. Au moins tous les deux ans, l'inspecteur coordonnateur fait l'objet d'une évaluation par l'Inspecteur général coordonnateur et un Inspecteur général. Celle-ci se base sur l'accomplissement des missions qui lui ont été attribuées conformément aux dispositions du Titre Ier.
Modifications
Art. 90. De evaluatie bevat een van de volgende vermeldingen:
1° `gunstig';
2° `met voorbehoud';
3° `ongunstig'.
Wanneer de evaluatie leidt tot de toekenning van de vermelding `met voorbehoud', is de vermelding toegekend tijdens de volgende evaluatie ofwel `gunstig' ofwel `ongunstig'.
Bij een evaluatie `met voorbehoud' krijgt het personeelslid bijkomende aanbevelingen voor de verplichte individuele opleiding bedoeld in artikel 94, § 2.
1° `gunstig';
2° `met voorbehoud';
3° `ongunstig'.
Wanneer de evaluatie leidt tot de toekenning van de vermelding `met voorbehoud', is de vermelding toegekend tijdens de volgende evaluatie ofwel `gunstig' ofwel `ongunstig'.
Bij een evaluatie `met voorbehoud' krijgt het personeelslid bijkomende aanbevelingen voor de verplichte individuele opleiding bedoeld in artikel 94, § 2.
Art. 90. L'évaluation fait l'objet de l'une des mentions suivantes:
1° " favorable ";
2° " réservée ";
3° " défavorable ".
Lorsque l'évaluation aboutit à l'attribution de la mention " réservée ", la mention attribuée lors de l'évaluation suivante est soit " favorable " soit " défavorable ".
Dans le cadre d'une évaluation " réservée ", le membre du personnel peut se voir formuler des recommandations complémentaires à la formation obligatoire individuelle visée à l'article 94, § 2.
1° " favorable ";
2° " réservée ";
3° " défavorable ".
Lorsque l'évaluation aboutit à l'attribution de la mention " réservée ", la mention attribuée lors de l'évaluation suivante est soit " favorable " soit " défavorable ".
Dans le cadre d'une évaluation " réservée ", le membre du personnel peut se voir formuler des recommandations complémentaires à la formation obligatoire individuelle visée à l'article 94, § 2.
Art. 91. Met het oog op de toekenning van de evaluatie wordt een onderhoud met het personeelslid georganiseerd en wordt een evaluatieverslag opgesteld waarvan de Regering het model vastlegt.
De Regering legt de nadere regels vast volgens dewelke het gesprek verloopt, het verslag ter kennis wordt gebracht van het personeelslid en de manier waarop deze opmerkingen kan formuleren.
De Regering legt de nadere regels vast volgens dewelke het gesprek verloopt, het verslag ter kennis wordt gebracht van het personeelslid en de manier waarop deze opmerkingen kan formuleren.
Art. 91. En vue de l'attribution de l'évaluation, il est procédé à un entretien avec le membre du personnel et à la rédaction d'un rapport d'évaluation dont le modèle est fixé par le Gouvernement.
Le Gouvernement fixe les modalités selon lesquelles l'entretien se déroule, dont le rapport est porté à la connaissance du membre du personnel et la manière dont celui-ci peut faire valoir ses remarques.
Le Gouvernement fixe les modalités selon lesquelles l'entretien se déroule, dont le rapport est porté à la connaissance du membre du personnel et la manière dont celui-ci peut faire valoir ses remarques.
Art. 92. Het personeelslid dat een vermelding `met voorbehoud' of `ongunstig' krijgt, kan binnen de tien dagen na kennisgeving per aangetekend schrijven een schriftelijke klacht indienen tegen deze vermelding bij de Raad van beroep bedoeld in artikel 116.
De Raad van beroep brengt zijn advies uit aan de Regering binnen een termijn van maximaal één maand vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift. De Regering neemt haar beslissing en kent de evaluatievermelding toe aan het stagedoend personeelslid binnen een termijn van maximaal één maand vanaf de datum van ontvangst van het advies.
De Raad van beroep brengt zijn advies uit aan de Regering binnen een termijn van maximaal één maand vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift. De Regering neemt haar beslissing en kent de evaluatievermelding toe aan het stagedoend personeelslid binnen een termijn van maximaal één maand vanaf de datum van ontvangst van het advies.
Art. 92. Le membre du personnel qui se voit attribuer une mention " réservée " ou " défavorable " peut introduire par envoi recommandé une réclamation écrite contre cette mention, dans les dix jours de sa notification auprès de la Chambre de recours visée à l'article 116.
La Chambre de recours remet son avis au Gouvernement dans un délai maximum d'un mois à partir de la date de réception du recours. Le Gouvernement prend sa décision et attribue la mention d'évaluation au membre du personnel stagiaire dans un délai maximum d'un mois à dater de la réception de l'avis.
La Chambre de recours remet son avis au Gouvernement dans un délai maximum d'un mois à partir de la date de réception du recours. Le Gouvernement prend sa décision et attribue la mention d'évaluation au membre du personnel stagiaire dans un délai maximum d'un mois à dater de la réception de l'avis.
Art. 93. Het ambt van inspecteur van het personeelslid dat twee opeenvolgende ongunstige evaluatie heeft gekregen, wordt beëindigd.
Het ambt van coördinerende inspecteur van het personeelslid dat twee opeenvolgende ongunstige evaluatie heeft gekregen, wordt beëindigd. In dat geval neemt het personeelslid opnieuw zijn ambt van inspecteur op.
Het ambt van coördinerende inspecteur van het personeelslid dat twee opeenvolgende ongunstige evaluatie heeft gekregen, wordt beëindigd. In dat geval neemt het personeelslid opnieuw zijn ambt van inspecteur op.
Art. 93. Il est mis fin à la fonction d'inspecteur du membre du personnel qui fait l'objet de deux évaluations défavorables consécutives.
Il est mis fin à la fonction de promotion d'inspecteur coordonnateur du membre du personnel qui fait l'objet de deux évaluations défavorables consécutives. Dans ce cas, le membre du personnel réintègre sa fonction d'inspecteur.
Il est mis fin à la fonction de promotion d'inspecteur coordonnateur du membre du personnel qui fait l'objet de deux évaluations défavorables consécutives. Dans ce cas, le membre du personnel réintègre sa fonction d'inspecteur.
HOOFDSTUK VI. - Opleiding tijdens de loopbaan
CHAPITRE VI. - De la formation en cours de carrière
Art. 94. § 1. De leden van de algemene inspectiedienst die een bevorderingsambt van inspecteur uitoefenen bedoeld in artikel 32, lid 2, 1°, 2° en 3°, volgen een opleiding tijdens hun loopbaan met het oog op:
1° het delen en analyseren van de praktijken en hulpmiddelen die de individuele en gezamenlijke ontwikkeling ten goede komen;
2° de perfectionering, aanpassing en actualisatie van de ontwikkeling van de competenties van de [3 beroepsopleiding]3 bedoeld in artikel 54;
3° de verwerving en integratie van de bijkomende kennis en vaardigheden die moeten worden ontwikkeld met het oog op de prioritaire richtingen van het onderwijssysteem, de wetenschappelijke vooruitgang van het onderzoek hiernaar, de evolutie van de taken van de inspecteurs en de opleidingsbehoeften die worden vastgesteld bij de analyse van de jaarverslagen van de inspecteurs- generaal en coördinerende inspecteurs;
4° de verwerving van bijkomende vaardigheden, met inbegrip van pedagogische vaardigheden naargelang het individuele opleidingsproject en hun individuele evaluatie;
5° het afstand nemen van en een denkanalyse over de eigen werking, inzonderheid door de eigen beroepspraktijk te toetsen aan die van zijn collega's, de persoonlijke formele en informele opleidingen (lezingen, congressen, Mooc enz.), en het schrijven van een professionele portfolio.
§ 2. Op voordracht van de [3 coördinerende inspecteur-generaal]3 bepaalt [2 het Netoverschrijdend instituut voor voortgezette beroepsopleiding]2 een verplicht jaarlijks opleidingsplan
[3 dat de in paragraaf 1 gedefinieerde inhoud, de methodes en de organisatie van de opleiding bepaalt]3.
De lesgevers van deze opleiding tijdens de loopbaan zijn [3 ...]3 afkomstig van de universiteiten, hogescholen, instellingen voor hoger onderwijs voor sociale promotie, [2 het Netoverschrijdend instituut voor voortgezette beroepsopleiding]2 of het algemeen bestuur onderwijs, of elke [3 andere]3 opleidingsoperator [3 ...]3 , de Algemene inspectiedienst]3 .
[3 De Regering neemt de nodige maatregelen om een vergoeding toe te kennen aan opleiders die niet vallen onder het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 25 januari 2017 tot vaststelling van de nadere regels voor de selectie en de vergoeding van de interne opleiders bij de "Ecole d'administration publique" en de vormingsdiensten.]3
§ 3. De opleiding tijdens de loopbaan van inspecteurs wordt georganiseerd op verplichte en op vrijwillige basis.
[3 De opleiding tijdens de loopbaan wordt gevolgd door de benoemde personeelsleden en de voorlopig aangestelde personeelsleden]3
§ 4. De opleiding tijdens de loopbaan omvat 12 tot 20 halve dagen jaarlijkse verplichte opleiding waarvan:
[1 - [3 6 en 10]3 halve dagen worden gewijd aan de verplichte gemeenschappelijke opleiding van alle personeelsleden van de Algemene Inspectiedienst, waarvan 2 halve dagen binnen elke dienst kunnen worden georganiseerd;]1
- [3 6 en 10 ]3 halve dagen verplichte individuele opleiding waarvan de inhoud [3 wordt vastgesteld.]3 [3 op basis van een opleidingsproject dat wordt opgesteld tijdens het evaluatiegesprek dat minstens om de twee jaar plaatsvindt ]3[3 .]3
[3 ...]3
[1 Het aantal halve dagen van de gemeenschappelijke verplichte opleiding kan over [3 twee]3 opeenvolgende jaren worden gespreid.]1
Op voorwaarde dat zijn hiërarchische lijn hiermee instemt, kan het personeelslid het aantal halve dagen verplichte individuele opleiding verspreiden over de prestatiedagen van [3 twee]3 opeenvolgende jaren.
§ 5. De op vrijwillige basis georganiseerde opleidingen buiten de werkuren van het personeelslid zijn niet beperkt qua aantal halve opleidingsdagen.
Wanneer ze plaatsvinden tijdens de werkuren van de personeelsleden, mogen ze niet meer bedragen dan 6 halve dagen per jaar, tenzij de Regering een afwijking toestaat op verzoek van de coördinerende inspecteur-generaal.
Vrijwillige opleidingen zijn ten laste van de algemene inspectiedienst.
§ 6. Na de opleidingen ontvangen de leden van de algemene inspectiedienst een attest van bijwoning volgens de door de Regering bepaalde nadere regels.
§ 7. [3 In overleg met de coördinerende inspecteur-generaal,]3 [3 verstrekt het Netoverschrijdend instituut voor voortgezette beroepsopleiding]3 op eigen initiatief of op verzoek van de Regering advies over de toepassing van dit artikel.
1° het delen en analyseren van de praktijken en hulpmiddelen die de individuele en gezamenlijke ontwikkeling ten goede komen;
2° de perfectionering, aanpassing en actualisatie van de ontwikkeling van de competenties van de [3 beroepsopleiding]3 bedoeld in artikel 54;
3° de verwerving en integratie van de bijkomende kennis en vaardigheden die moeten worden ontwikkeld met het oog op de prioritaire richtingen van het onderwijssysteem, de wetenschappelijke vooruitgang van het onderzoek hiernaar, de evolutie van de taken van de inspecteurs en de opleidingsbehoeften die worden vastgesteld bij de analyse van de jaarverslagen van de inspecteurs- generaal en coördinerende inspecteurs;
4° de verwerving van bijkomende vaardigheden, met inbegrip van pedagogische vaardigheden naargelang het individuele opleidingsproject en hun individuele evaluatie;
5° het afstand nemen van en een denkanalyse over de eigen werking, inzonderheid door de eigen beroepspraktijk te toetsen aan die van zijn collega's, de persoonlijke formele en informele opleidingen (lezingen, congressen, Mooc enz.), en het schrijven van een professionele portfolio.
§ 2. Op voordracht van de [3 coördinerende inspecteur-generaal]3 bepaalt [2 het Netoverschrijdend instituut voor voortgezette beroepsopleiding]2 een verplicht jaarlijks opleidingsplan
[3 dat de in paragraaf 1 gedefinieerde inhoud, de methodes en de organisatie van de opleiding bepaalt]3.
De lesgevers van deze opleiding tijdens de loopbaan zijn [3 ...]3 afkomstig van de universiteiten, hogescholen, instellingen voor hoger onderwijs voor sociale promotie, [2 het Netoverschrijdend instituut voor voortgezette beroepsopleiding]2 of het algemeen bestuur onderwijs, of elke [3 andere]3 opleidingsoperator [3 ...]3 , de Algemene inspectiedienst]3 .
[3 De Regering neemt de nodige maatregelen om een vergoeding toe te kennen aan opleiders die niet vallen onder het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 25 januari 2017 tot vaststelling van de nadere regels voor de selectie en de vergoeding van de interne opleiders bij de "Ecole d'administration publique" en de vormingsdiensten.]3
§ 3. De opleiding tijdens de loopbaan van inspecteurs wordt georganiseerd op verplichte en op vrijwillige basis.
[3 De opleiding tijdens de loopbaan wordt gevolgd door de benoemde personeelsleden en de voorlopig aangestelde personeelsleden]3
§ 4. De opleiding tijdens de loopbaan omvat 12 tot 20 halve dagen jaarlijkse verplichte opleiding waarvan:
[1 - [3 6 en 10]3 halve dagen worden gewijd aan de verplichte gemeenschappelijke opleiding van alle personeelsleden van de Algemene Inspectiedienst, waarvan 2 halve dagen binnen elke dienst kunnen worden georganiseerd;]1
- [3 6 en 10 ]3 halve dagen verplichte individuele opleiding waarvan de inhoud [3 wordt vastgesteld.]3 [3 op basis van een opleidingsproject dat wordt opgesteld tijdens het evaluatiegesprek dat minstens om de twee jaar plaatsvindt ]3[3 .]3
[3 ...]3
[1 Het aantal halve dagen van de gemeenschappelijke verplichte opleiding kan over [3 twee]3 opeenvolgende jaren worden gespreid.]1
Op voorwaarde dat zijn hiërarchische lijn hiermee instemt, kan het personeelslid het aantal halve dagen verplichte individuele opleiding verspreiden over de prestatiedagen van [3 twee]3 opeenvolgende jaren.
§ 5. De op vrijwillige basis georganiseerde opleidingen buiten de werkuren van het personeelslid zijn niet beperkt qua aantal halve opleidingsdagen.
Wanneer ze plaatsvinden tijdens de werkuren van de personeelsleden, mogen ze niet meer bedragen dan 6 halve dagen per jaar, tenzij de Regering een afwijking toestaat op verzoek van de coördinerende inspecteur-generaal.
Vrijwillige opleidingen zijn ten laste van de algemene inspectiedienst.
§ 6. Na de opleidingen ontvangen de leden van de algemene inspectiedienst een attest van bijwoning volgens de door de Regering bepaalde nadere regels.
§ 7. [3 In overleg met de coördinerende inspecteur-generaal,]3 [3 verstrekt het Netoverschrijdend instituut voor voortgezette beroepsopleiding]3 op eigen initiatief of op verzoek van de Regering advies over de toepassing van dit artikel.
Art. 94. § 1er. Les membres du Service général de l'Inspection exerçant une fonction de promotion d'inspecteur visée à l'article 32, alinéa 2, 1°, 2° et 3°, suivent une formation en cours de carrière qui vise:
1° le partage et l'analyse de pratiques et de ressources au bénéfice du développement professionnel individuel et collectif;
2° le perfectionnement, l'ajustement et l'actualisation du développement des compétences de la formation [3 ...]3 et de la formation d'insertion professionnelle visée à l'article 54;
3° l'acquisition et l'intégration de connaissances, compétences complémentaires à développer au vu des orientations prioritaires du système éducatif, des avancées scientifiques de la recherche par rapport à celles-ci, de l'évolution des missions des inspecteurs et des besoins de formation constatés lors de l'analyse des rapports annuels des Inspecteurs généraux et coordonnateurs;
4° l'acquisition de compétences complémentaires, en ce compris les compétences pédagogiques en fonction du projet de formation individuel et de leur évaluation individuelle;
5° la prise de recul et l'analyse réflexive de leur propre fonctionnement via, notamment, la confrontation de leur pratique professionnelle à celles de leurs collègues, les formations formelles ou informelles (lectures, conférences, Mooc, etc.) personnelles [3 ...]3.
§ 2. Sur la base d'une proposition [3 de l'Inspecteur général coordonnateur]3, [2 l'Institut interréseaux de la Formation professionnelle continue]2 détermine un plan commun de formation annuel obligatoire [3 qui définit les contenus tels que définis au paragraphe 1er, les méthodologies et les modalités d'organisation de la formation.]3
Les formateurs de cette formation en cours de carrière sont [3 ...]3 issus des Universités, des Hautes Ecoles, des établissements d'enseignement supérieur de promotion sociale, de [2 l'Institut interréseaux de la Formation professionnelle continue][3 , du Service général de l'Inspection ]3 ou de l'Administration générale de l'Enseignement, ou tout [3 autre]3 opérateur de formation [3 ...]3]2.
[3 Le Gouvernement prend les dispositions nécessaires pour permettre l'indemnisation des formateurs qui ne seraient pas visés par l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 25 janvier 2017 fixant les modalités de sélection et d'indemnisation des formateurs internes auprès de l'Ecole d'administration publique et des services en charge de la formation.]3
§ 3. La formation en cours de carrière des inspecteurs est organisée sur une base obligatoire et sur une base volontaire.
[3 La formation en cours de carrière est suivie par les membres du personnel nommés et les membres du personnel désignés à titre provisoire.]3.
§ 4. La formation en cours de carrière comprend 12 à 20 demi-jours de formation obligatoire annuelle dont:
[1 - [4 6 et 10,]4 demi-jours sont consacrés à la formation obligatoire commune pour l'ensemble des membres du personnel du Service général de l'Inspection, parmi lesquels 2 demi-jours peuvent être organisés au sein de chaque service;]1
- [4 6 et 10]4 demi-jours sont consacrés à de la formation obligatoire individuelle dont le contenu [3 est fixé ]3 sur la base d'un projet de formation personnel lors de l'entretien d'évaluation qui a lieu [4 au moins ]4 tous les deux ans [3 .]3
[3 ...]3
[1 Le nombre de demi-jours de la formation obligatoire commune peut être réparti sur [3 deux ]3 années consécutives.]1
Sous réserve de l'autorisation de sa hiérarchie, le membre du personnel peut répartir le nombre de demi-jours de formation obligatoire individuelle sur les jours de prestations de [3 deux]3 années consécutives.
§ 5. En dehors du temps de prestation du membre du personnel, la formation organisée sur la base volontaire n'est pas limitée en nombre de demi-jours de formation.
Lorsqu'elle se déroule pendant le temps de prestation des membres de personnel, elle ne peut dépasser 6 demi-jours par an, sauf dérogation accordée par le Gouvernement sur la demande de l'Inspecteur général coordonnateur.
Les formations volontaires sont à la charge du Service général de l'Inspection.
§ . 6. Au terme des formations, il est délivré aux membres du Service général de l'Inspection une attestation de fréquentation, selon les modalités déterminées par le Gouvernement.
§ 7. [3 " En concertation avec l'Inspecteur général coordonnateur, l]3 [2 l'Institut interréseaux de la Formation professionnelle continue]2 remet, d'initiative ou à la demande du Gouvernement, un avis sur l'application du présent article.
1° le partage et l'analyse de pratiques et de ressources au bénéfice du développement professionnel individuel et collectif;
2° le perfectionnement, l'ajustement et l'actualisation du développement des compétences de la formation [3 ...]3 et de la formation d'insertion professionnelle visée à l'article 54;
3° l'acquisition et l'intégration de connaissances, compétences complémentaires à développer au vu des orientations prioritaires du système éducatif, des avancées scientifiques de la recherche par rapport à celles-ci, de l'évolution des missions des inspecteurs et des besoins de formation constatés lors de l'analyse des rapports annuels des Inspecteurs généraux et coordonnateurs;
4° l'acquisition de compétences complémentaires, en ce compris les compétences pédagogiques en fonction du projet de formation individuel et de leur évaluation individuelle;
5° la prise de recul et l'analyse réflexive de leur propre fonctionnement via, notamment, la confrontation de leur pratique professionnelle à celles de leurs collègues, les formations formelles ou informelles (lectures, conférences, Mooc, etc.) personnelles [3 ...]3.
§ 2. Sur la base d'une proposition [3 de l'Inspecteur général coordonnateur]3, [2 l'Institut interréseaux de la Formation professionnelle continue]2 détermine un plan commun de formation annuel obligatoire [3 qui définit les contenus tels que définis au paragraphe 1er, les méthodologies et les modalités d'organisation de la formation.]3
Les formateurs de cette formation en cours de carrière sont [3 ...]3 issus des Universités, des Hautes Ecoles, des établissements d'enseignement supérieur de promotion sociale, de [2 l'Institut interréseaux de la Formation professionnelle continue][3 , du Service général de l'Inspection ]3 ou de l'Administration générale de l'Enseignement, ou tout [3 autre]3 opérateur de formation [3 ...]3]2.
[3 Le Gouvernement prend les dispositions nécessaires pour permettre l'indemnisation des formateurs qui ne seraient pas visés par l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 25 janvier 2017 fixant les modalités de sélection et d'indemnisation des formateurs internes auprès de l'Ecole d'administration publique et des services en charge de la formation.]3
§ 3. La formation en cours de carrière des inspecteurs est organisée sur une base obligatoire et sur une base volontaire.
[3 La formation en cours de carrière est suivie par les membres du personnel nommés et les membres du personnel désignés à titre provisoire.]3.
§ 4. La formation en cours de carrière comprend 12 à 20 demi-jours de formation obligatoire annuelle dont:
[1 - [4 6 et 10,]4 demi-jours sont consacrés à la formation obligatoire commune pour l'ensemble des membres du personnel du Service général de l'Inspection, parmi lesquels 2 demi-jours peuvent être organisés au sein de chaque service;]1
- [4 6 et 10]4 demi-jours sont consacrés à de la formation obligatoire individuelle dont le contenu [3 est fixé ]3 sur la base d'un projet de formation personnel lors de l'entretien d'évaluation qui a lieu [4 au moins ]4 tous les deux ans [3 .]3
[3 ...]3
[1 Le nombre de demi-jours de la formation obligatoire commune peut être réparti sur [3 deux ]3 années consécutives.]1
Sous réserve de l'autorisation de sa hiérarchie, le membre du personnel peut répartir le nombre de demi-jours de formation obligatoire individuelle sur les jours de prestations de [3 deux]3 années consécutives.
§ 5. En dehors du temps de prestation du membre du personnel, la formation organisée sur la base volontaire n'est pas limitée en nombre de demi-jours de formation.
Lorsqu'elle se déroule pendant le temps de prestation des membres de personnel, elle ne peut dépasser 6 demi-jours par an, sauf dérogation accordée par le Gouvernement sur la demande de l'Inspecteur général coordonnateur.
Les formations volontaires sont à la charge du Service général de l'Inspection.
§ . 6. Au terme des formations, il est délivré aux membres du Service général de l'Inspection une attestation de fréquentation, selon les modalités déterminées par le Gouvernement.
§ 7. [3 " En concertation avec l'Inspecteur général coordonnateur, l]3 [2 l'Institut interréseaux de la Formation professionnelle continue]2 remet, d'initiative ou à la demande du Gouvernement, un avis sur l'application du présent article.
Modifications
[4]<XX XX-XX-XX/XX, art. 2, 007; En vigueur : XX-XX-XXXX>
Art. 95. De leden van de algemene inspectiedienst die een bevorderingsambt van inspecteur-generaal of coördinerende inspecteur-generaal bedoeld in artikel 32, lid 2, 4° en 5° uitoefenen volgen jaarlijks een opleiding tijdens de loopbaan van minstens 10 halve dagen, georganiseerd door de school voor overheidsbestuur waarvan het programma en de ontwikkeling van te verwerven competenties worden bepaald door de Regering.
De opleiding kan worden gespreid over een periode van drie opeenvolgende jaren.
De opleiding kan worden gespreid over een periode van drie opeenvolgende jaren.
Art. 95. Les membres du Service général de l'Inspection exerçant une fonction de promotion d'Inspecteur général ou d'Inspecteur général coordonnateur visées à l'article 32, alinéa 2, 4° et 5°, suivent annuellement une formation en cours de carrière de 10 demi-jours au moins, organisée par l'Ecole d'Administration publique dont le programme et le développement des compétences à poursuivre sont déterminés par le Gouvernement.
La formation peut être étalée sur une période de trois années consécutives.
La formation peut être étalée sur une période de trois années consécutives.
HOOFDSTUK VII. - Administratieve standen
CHAPITRE VII. - Des positions administratives
AFDELING I. - Algemene bepalingen
SECTION Ire. - Dispositions générales
Art. 96. De personeelsleden van de algemene inspectiedienst bevinden zich in een van de volgende administratieve standen:
1° dienstactiviteit;
2° non-activiteit;
3° terbeschikkingstelling.
1° dienstactiviteit;
2° non-activiteit;
3° terbeschikkingstelling.
Art. 96. Les membres du personnel du Service général de l'Inspection sont dans l'une des positions administratives suivantes:
1° l'activité de service;
2° la non-activité;
3° la disponibilité.
1° l'activité de service;
2° la non-activité;
3° la disponibilité.
AFDELING II. - Dienstactiviteit
SECTION II. - De l'activité de service
Art. 97. Het personeelslid van de algemene inspectiedienst wordt altijd geacht zich in dienstactiviteit te bevinden, behoudens uitdrukkelijke bepaling waarbij hij in een andere administratieve stand wordt ingedeeld.
Art. 97. Le membre du personnel du Service général de l'Inspection est toujours censé être en activité de service, sauf disposition formelle le plaçant dans une autre position administrative.
Art. 98. [1 § 1. Het personeelslid, in vast of in tijdelijk verband, komt in aanmerking voor het hieronder omschreven jaarlijkse vakantieverlof :
- herfstvakantie (Allerheiligen ) : één week;
- wintervakantie (Kerstmis) twee weken;
- ontspanningsvakantie ( Carnaval) : één week;
- lentevakantie (Pasen) : twee weken;
- zomervakantie : van 6 juli tot 15 augustus.
Wanneer het schooljaar echter eindigt na 5 juli, begint de zomervakantie op de eerste dag na het einde van het schooljaar. In dit geval worden de gewerkte dagen na 5 juli onmiddellijk na 15 augustus overgedragen.
De winter- (Kerstmis)- en de lentevakantie (Pasen) komen overeen met de vakantiedagen vastgelegd door de Regering overeenkomstig artikel 1.9.1-2, § 2, eerste lid, van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs of vastgelegd door artikel 223 van het decreet van 31 maart 2022 betreffende de aanpassing van het jaarritme van de scholen voor gewoon, gespecialiseerd basis- en secundair onderwijs, secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan en voor sociale promotie en betreffende de begeleidingsmaatregelen voor de vrijetijdsopvang.
De herfstvakantie (Allerheiligen) komt overeen met de tweede week van de vakantie die vastgesteld of bepaald worden overeenkomstig het vorige lid.
De ontspanningsvakantie (Carnaval) komt overeen met de eerste week van de vakantie die vastgesteld of bepaald wordt overeenkomstig het tweede lid.
§ 2. Indien deze dagen niet op een zaterdag of zondag vallen of in een vakantieperiode bedoeld in § 1, komt het personeelslid, in vast of in tijdelijk verband, ook in aanmerking voor de volgende :
1° 27 september (Feest van de Franse Gemeenschap);
2° 1 november (Allerheiligen);
3° 11 november (Herdenking van 11 november);
4° Paasmaandag;
5° 1 mei (Feest van de Arbeid);
6° Hemelvaartsdag;
7° Pinkstermaandag.
§ 3. In afwijking van §§ 1 en 2 genieten de inspecteurs-generaal en de coördinerend inspecteur-generaal tijdens hun mandaat het jaarlijks vakantieverlof en de feestdagen die de ambtenaren van de diensten van de Regering genieten.]1
- herfstvakantie (Allerheiligen ) : één week;
- wintervakantie (Kerstmis) twee weken;
- ontspanningsvakantie ( Carnaval) : één week;
- lentevakantie (Pasen) : twee weken;
- zomervakantie : van 6 juli tot 15 augustus.
Wanneer het schooljaar echter eindigt na 5 juli, begint de zomervakantie op de eerste dag na het einde van het schooljaar. In dit geval worden de gewerkte dagen na 5 juli onmiddellijk na 15 augustus overgedragen.
De winter- (Kerstmis)- en de lentevakantie (Pasen) komen overeen met de vakantiedagen vastgelegd door de Regering overeenkomstig artikel 1.9.1-2, § 2, eerste lid, van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs of vastgelegd door artikel 223 van het decreet van 31 maart 2022 betreffende de aanpassing van het jaarritme van de scholen voor gewoon, gespecialiseerd basis- en secundair onderwijs, secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan en voor sociale promotie en betreffende de begeleidingsmaatregelen voor de vrijetijdsopvang.
De herfstvakantie (Allerheiligen) komt overeen met de tweede week van de vakantie die vastgesteld of bepaald worden overeenkomstig het vorige lid.
De ontspanningsvakantie (Carnaval) komt overeen met de eerste week van de vakantie die vastgesteld of bepaald wordt overeenkomstig het tweede lid.
§ 2. Indien deze dagen niet op een zaterdag of zondag vallen of in een vakantieperiode bedoeld in § 1, komt het personeelslid, in vast of in tijdelijk verband, ook in aanmerking voor de volgende :
1° 27 september (Feest van de Franse Gemeenschap);
2° 1 november (Allerheiligen);
3° 11 november (Herdenking van 11 november);
4° Paasmaandag;
5° 1 mei (Feest van de Arbeid);
6° Hemelvaartsdag;
7° Pinkstermaandag.
§ 3. In afwijking van §§ 1 en 2 genieten de inspecteurs-generaal en de coördinerend inspecteur-generaal tijdens hun mandaat het jaarlijks vakantieverlof en de feestdagen die de ambtenaren van de diensten van de Regering genieten.]1
Modifications
Art. 98. [1 § 1er. Le membre du personnel, définitif ou temporaire, bénéficie du régime des congés de vacances annuelles défini ci-après:
- les vacances d'automne (de Toussaint): une semaine;
- les vacances d'hiver (de Noël): deux semaines;
- les vacances de détente (de Carnaval): une semaine;
- les vacances de printemps (de Pâques): deux semaines;
- les vacances d'été: du 6 juillet au 15 août.
Toutefois, lorsque l'année scolaire se termine au-delà du 5 juillet, les vacances d'été débutent au premier jour suivant la fin de l'année scolaire. Dans ce cas, les jours prestés au-delà du 5 juillet sont reportés immédiatement au-delà du 15 août.
Les vacances d'hiver (de Noël) et de printemps (de Pâques) correspondent aux vacances arrêtées par le Gouvernement en application de l'article 1.9.1-2, § 2, alinéa 1er, du Code de l'enseignement fondamental et de l'enseignement secondaire ou fixées par l'article 223 du décret du 31 mars 2022 relatif à l'adaptation des rythmes scolaires annuels dans l'enseignement fondamental et secondaire ordinaire, spécialisé, secondaire artistique à horaire réduit et de promotion sociale et aux mesures d'accompagnement pour l'accueil temps libre.
Les vacances d'automne (de Toussaint) correspondent à la seconde semaine des vacances arrêtées ou fixées conformément à l'alinéa précédent.
Les vacances de détente (de Carnaval) correspondent à la première semaine des vacances arrêtées ou fixées conformément au deuxième alinéa.
§ 2. Si ces jours ne tombent pas un samedi ou un dimanche ou durant une période de vacances visée au § 1er, le membre du personnel, définitif ou temporaire, bénéficie également des jours de congé suivants:
1° le 27 septembre (Fête de la Communauté française);
2° le 1er novembre (Toussaint);
3° le 11 novembre (Commémoration du 11 novembre);
4° le lundi de Pâques;
5° le 1er mai (Fête du travail);
6° le jeudi de l'Ascension;
7° le lundi de Pentecôte.
§ 3. Par dérogation aux §§ 1 et 2, les Inspecteurs généraux et l'Inspecteur général coordonnateur bénéficient durant leur mandat des congés de vacances annuelles et des jours fériés dont bénéficient les agents des Services du Gouvernement.]1
- les vacances d'automne (de Toussaint): une semaine;
- les vacances d'hiver (de Noël): deux semaines;
- les vacances de détente (de Carnaval): une semaine;
- les vacances de printemps (de Pâques): deux semaines;
- les vacances d'été: du 6 juillet au 15 août.
Toutefois, lorsque l'année scolaire se termine au-delà du 5 juillet, les vacances d'été débutent au premier jour suivant la fin de l'année scolaire. Dans ce cas, les jours prestés au-delà du 5 juillet sont reportés immédiatement au-delà du 15 août.
Les vacances d'hiver (de Noël) et de printemps (de Pâques) correspondent aux vacances arrêtées par le Gouvernement en application de l'article 1.9.1-2, § 2, alinéa 1er, du Code de l'enseignement fondamental et de l'enseignement secondaire ou fixées par l'article 223 du décret du 31 mars 2022 relatif à l'adaptation des rythmes scolaires annuels dans l'enseignement fondamental et secondaire ordinaire, spécialisé, secondaire artistique à horaire réduit et de promotion sociale et aux mesures d'accompagnement pour l'accueil temps libre.
Les vacances d'automne (de Toussaint) correspondent à la seconde semaine des vacances arrêtées ou fixées conformément à l'alinéa précédent.
Les vacances de détente (de Carnaval) correspondent à la première semaine des vacances arrêtées ou fixées conformément au deuxième alinéa.
§ 2. Si ces jours ne tombent pas un samedi ou un dimanche ou durant une période de vacances visée au § 1er, le membre du personnel, définitif ou temporaire, bénéficie également des jours de congé suivants:
1° le 27 septembre (Fête de la Communauté française);
2° le 1er novembre (Toussaint);
3° le 11 novembre (Commémoration du 11 novembre);
4° le lundi de Pâques;
5° le 1er mai (Fête du travail);
6° le jeudi de l'Ascension;
7° le lundi de Pentecôte.
§ 3. Par dérogation aux §§ 1 et 2, les Inspecteurs généraux et l'Inspecteur général coordonnateur bénéficient durant leur mandat des congés de vacances annuelles et des jours fériés dont bénéficient les agents des Services du Gouvernement.]1
Modifications
Art.98/1. [1 Het personeelslid van de Algemene Inspectiedienst heeft recht op een wedde, op een bevordering tot een hogere wedde of op het verkrijgen van een verlof andere dan deze vermeld in artikel 98, onder dezelfde voorwaarden als deze voorzien voor de directies van de onderwijsinrichtingen of de psych-medisch-sociale centra van de Franse Gemeenschap die zij inspecteert.]1
Art.98/1. [1 Le membre du personnel du Service général de l'Inspection a droit à un traitement, à un avancement de traitement ou à l'obtention d'un congé autre que ceux mentionnés à l'article 98, aux mêmes conditions que celles prévues pour les directions d'établissements d'enseignement ou des Centres psycho-médico-sociaux de la Communauté française qu'il inspecte.]1
AFDELING III. - Non-activiteit
SECTION III. - De la non-activité
Art. 99. Het personeelslid van de algemene inspectiedienst bevinden zich in de stand van non-activiteit:
1° wanneer hij onder de door de Regering bepaalde voorwaarden sommige militaire prestaties in vredestijd vervult, bij de civiele bescherming is ingedeeld of is bedeeld met taken van openbaar nut op grond van de wet houdende het statuut van de gewetensbezwaarden;
2° wanneer bij tuchtmaatregel een schorsing of non-activiteit op hem is toegepast;
3° wanneer hij om gezinsredenen toelating gekregen heeft om tijdens een lange periode afwezig te blijven.
1° wanneer hij onder de door de Regering bepaalde voorwaarden sommige militaire prestaties in vredestijd vervult, bij de civiele bescherming is ingedeeld of is bedeeld met taken van openbaar nut op grond van de wet houdende het statuut van de gewetensbezwaarden;
2° wanneer bij tuchtmaatregel een schorsing of non-activiteit op hem is toegepast;
3° wanneer hij om gezinsredenen toelating gekregen heeft om tijdens een lange periode afwezig te blijven.
Art. 99. Le membre du personnel du Service général de l'Inspection est dans la position de non-activité:
1° lorsque, aux conditions fixées par le Gouvernement, il accomplit, en temps de paix, certaines prestations militaires ou est affecté à la protection civile ou à des tâches d'utilité publique en application de la loi portant le statut des objecteurs de conscience;
2° lorsqu'il est frappé de la sanction de suspension disciplinaire ou de mise en non-activité disciplinaire;
3° lorsque, pour des raisons familiales, il est autorisé à s'absenter pour une période de longue durée.
1° lorsque, aux conditions fixées par le Gouvernement, il accomplit, en temps de paix, certaines prestations militaires ou est affecté à la protection civile ou à des tâches d'utilité publique en application de la loi portant le statut des objecteurs de conscience;
2° lorsqu'il est frappé de la sanction de suspension disciplinaire ou de mise en non-activité disciplinaire;
3° lorsque, pour des raisons familiales, il est autorisé à s'absenter pour une période de longue durée.
Art. 100. Tenzij anders uitdrukkelijk wordt bepaald, heeft het personeelslid van de algemene inspectiedienst in de stand non-activiteit geen recht op wedde.
Indien hij zich in de stand non-activiteit bevindt ingevolge de bepalingen van artikel 99, 2° heeft hij geen recht op bevordering tot een hogere wedde.
Indien hij zich in de stand non-activiteit bevindt ingevolge de bepalingen van artikel 99, 2° heeft hij geen recht op bevordering tot een hogere wedde.
Art. 100. Le membre du personnel du Service général de l'Inspection qui est dans la position de non-activité n'a pas droit au traitement, sauf disposition formelle contraire.
S'il se trouve en position de non-activité en raison des dispositions prévues à l'article 99, 2°, il n'a pas droit à l'avancement de traitement.
S'il se trouve en position de non-activité en raison des dispositions prévues à l'article 99, 2°, il n'a pas droit à l'avancement de traitement.
Art. 101. Niemand kan op non-activiteit worden gesteld of gehouden wanneer hij zich in de vereiste omstandigheden bevindt om een rustpensioen te genieten.
Art. 101. Nul ne peut être mis ou maintenu en non-activité s'il se trouve dans les conditions requises pour obtenir une pension de retraite.
AFDELING IV. - Terbeschikkingstelling
SECTION IV. - De la disponibilité
Art. 102. Onverminderd de bepalingen van artikel 77 kan het personeelslid van de algemene inspectiedienst in een van de volgende terbeschikkingstellingsstanden worden gezet onder dezelfde voorwaarden als de hoofden van de onderwijsinrichtingen van de Franse Gemeenschap die hij inspecteert:
1° wegens een bijzondere opdracht;
2° wegens ziekte of invaliditeit waaruit geen definitieve dienstongeschiktheid ontstaat, maar die aanleiding geeft tot langere afwezigheid dan voor verlof wegens ziekte of invaliditeit;
3° wegens persoonlijke aangelegenheden;
4° wegens persoonlijke aangelegenheden vóór het rustpensioen;
5° wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en van het onderwijs.
Bij terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden blijft de betrekking van het personeelslid evenwel niet-vacant gedurende de periode van deze terbeschikkingstelling.
1° wegens een bijzondere opdracht;
2° wegens ziekte of invaliditeit waaruit geen definitieve dienstongeschiktheid ontstaat, maar die aanleiding geeft tot langere afwezigheid dan voor verlof wegens ziekte of invaliditeit;
3° wegens persoonlijke aangelegenheden;
4° wegens persoonlijke aangelegenheden vóór het rustpensioen;
5° wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en van het onderwijs.
Bij terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden blijft de betrekking van het personeelslid evenwel niet-vacant gedurende de periode van deze terbeschikkingstelling.
Art. 102. Sans préjudice des dispositions de l'article 77, le membre du personnel du Service général de l'Inspection peut être mis dans l'une des positions de disponibilité suivantes dans les mêmes conditions que les chefs des établissements d'enseignement de la Communauté française qu'il inspecte:
1° pour mission spéciale;
2° pour maladie ou infirmité n'entrainant pas l'inaptitude définitive au service, mais provoquant des absences dont la durée excède celles des congés pour cause de maladie ou d'infirmité;
3° pour convenances personnelles;
4° pour convenances personnelles précédant la pension de retraite;
5° par retrait d'emploi dans l'intérêt du service et dans l'intérêt de l'enseignement.
Toutefois, en cas de mise en disponibilité pour convenances personnelles, l'emploi dont est titulaire le membre du personnel demeure non vacant pendant la période de cette mise en disponibilité.
1° pour mission spéciale;
2° pour maladie ou infirmité n'entrainant pas l'inaptitude définitive au service, mais provoquant des absences dont la durée excède celles des congés pour cause de maladie ou d'infirmité;
3° pour convenances personnelles;
4° pour convenances personnelles précédant la pension de retraite;
5° par retrait d'emploi dans l'intérêt du service et dans l'intérêt de l'enseignement.
Toutefois, en cas de mise en disponibilité pour convenances personnelles, l'emploi dont est titulaire le membre du personnel demeure non vacant pendant la période de cette mise en disponibilité.
Art. 103. Niemand kan ter beschikking worden gesteld of gehouden wanneer hij zich in de vereiste omstandigheden bevindt om een rustpensioen te genieten.
De bepaling van lid 1 is niet van toepassing op personeelsleden die ter beschikking zijn gesteld wegens een bijzondere opdracht.
De bepaling van lid 1 is niet van toepassing op personeelsleden die ter beschikking zijn gesteld wegens een bijzondere opdracht.
Art. 103. Nul ne peut être mis ou maintenu en disponibilité après la fin du mois où il atteint l'âge auquel il peut prétendre à la pension de retraite.
La disposition de l'alinéa 1er ne s'applique pas aux membres du personnel mis en disponibilité pour mission spéciale.
La disposition de l'alinéa 1er ne s'applique pas aux membres du personnel mis en disponibilité pour mission spéciale.
Art. 104. Er kan aan ter beschikking gestelde personeelsleden van de algemene inspectiedienst wachtgeld worden verleend onder dezelfde voorwaarden als de hoofden van de onderwijsinrichtingen van de Franse Gemeenschap die ze inspecteren.
Het wachtgeld, de toelagen en vergoedingen die eventueel worden toegekend aan die personeelsleden, worden onderworpen aan de mobiliteitsregeling die geldt voor de bezoldiging van de personeelsleden in dienstactiviteit.
Het wachtgeld, de toelagen en vergoedingen die eventueel worden toegekend aan die personeelsleden, worden onderworpen aan de mobiliteitsregeling die geldt voor de bezoldiging van de personeelsleden in dienstactiviteit.
Art. 104. Des traitements d'attente peuvent être alloués aux membres du personnel du Service général de l'Inspection mis en disponibilité dans les mêmes conditions que les chefs des établissements d'enseignement de la Communauté française qu'ils inspectent.
Ces traitements d'attente, les allocations et indemnités qui sont éventuellement alloués à ces membres du personnel, sont soumis au régime de mobilité applicable aux rétributions des membres du personnel en activité de service.
Ces traitements d'attente, les allocations et indemnités qui sont éventuellement alloués à ces membres du personnel, sont soumis au régime de mobilité applicable aux rétributions des membres du personnel en activité de service.
HOOFDSTUK VIII. - Tuchtregeling
CHAPITRE VIII. - Du régime disciplinaire
AFDELING I. - Tuchtsancties
SECTION Ire. - Des sanctions disciplinaires
Art. 105. De tuchtsancties die opgelegd kunnen worden aan de personeelsleden van de algemene inspectiedienst zijn de volgende:
1° de terechtwijzing;
2° de berisping;
3° de afhouding op de wedde;
4° de schorsing bij tuchtmaatregel;
5° de op non-activiteitstelling bij tuchtmaatregel;
6° het ontslag bij tuchtmaatregel;
7° de afzetting.
Daarnaast kunnen de coördinerende inspecteurs ook worden bestraft met een terugzetting.
1° de terechtwijzing;
2° de berisping;
3° de afhouding op de wedde;
4° de schorsing bij tuchtmaatregel;
5° de op non-activiteitstelling bij tuchtmaatregel;
6° het ontslag bij tuchtmaatregel;
7° de afzetting.
Daarnaast kunnen de coördinerende inspecteurs ook worden bestraft met een terugzetting.
Art. 105. Les sanctions disciplinaires qui peuvent être infligées aux membres du personnel du Service général de l'Inspection sont:
1° le rappel à l'ordre;
2° la réprimande;
3° la retenue sur traitement;
4° la suspension disciplinaire;
5° la mise en non-activité disciplinaire;
6° la démission disciplinaire;
7° la révocation.
En outre, les inspecteurs coordonnateurs peuvent également se voir infliger une rétrogradation.
1° le rappel à l'ordre;
2° la réprimande;
3° la retenue sur traitement;
4° la suspension disciplinaire;
5° la mise en non-activité disciplinaire;
6° la démission disciplinaire;
7° la révocation.
En outre, les inspecteurs coordonnateurs peuvent également se voir infliger une rétrogradation.
Art. 106. Voor de personeelsleden die vast benoemd zijn in een bevorderingsambt van inspecteur bedoeld in artikel 32, lid 2, 1° en 2°, worden de tuchtsancties voorgesteld door de coördinerende inspecteur-generaal.
Voor de personeelsleden die vast benoemd zijn in een bevorderingsambt van coördinerende inspecteur bedoeld in artikel 63, worden de tuchtsancties voorgesteld door de coördinerende inspecteur-generaal.
Voor de inspecteurs-generaal en de coördinerende inspecteur-generaal, worden de tuchtsancties voorgesteld door de ambtenaar-generaal aangesteld door de Regering.
Voor de inspecteurs voor een cursus godsdienst of niet-confessionele zedenleer, worden de tuchtsancties voorgesteld na overleg met de betrokken leider van de godsdienst of het hoofd van de niet-confessionele zedenleer. In geval van afwezigheid of vacature van de leider van een godsdienst of de niet-confessionele morele organisatie, is deze stempel niet vereist op voorwaarde dat dit kan worden aangetoond;
De tuchtsancties worden door de Regering uitgesproken.
Voor de personeelsleden die vast benoemd zijn in een bevorderingsambt van coördinerende inspecteur bedoeld in artikel 63, worden de tuchtsancties voorgesteld door de coördinerende inspecteur-generaal.
Voor de inspecteurs-generaal en de coördinerende inspecteur-generaal, worden de tuchtsancties voorgesteld door de ambtenaar-generaal aangesteld door de Regering.
Voor de inspecteurs voor een cursus godsdienst of niet-confessionele zedenleer, worden de tuchtsancties voorgesteld na overleg met de betrokken leider van de godsdienst of het hoofd van de niet-confessionele zedenleer. In geval van afwezigheid of vacature van de leider van een godsdienst of de niet-confessionele morele organisatie, is deze stempel niet vereist op voorwaarde dat dit kan worden aangetoond;
De tuchtsancties worden door de Regering uitgesproken.
Art. 106. Pour les membres du personnel nommés à titre définitif dans une fonction de promotion d'inspecteur visée à l'article 32, alinéa 2, 1° et 2°, les sanctions disciplinaires sont proposées par l'Inspecteur général coordonnateur.
Pour les membres du personnel nommés à titre définitif dans une fonction de promotion d'Inspecteur coordonnateur visée à l'article 63, les sanctions disciplinaires sont proposées par l'Inspecteur général coordonnateur.
Pour les Inspecteurs généraux et l'Inspecteur général coordonnateur, les sanctions disciplinaires sont proposées par le fonctionnaire général désigné par le Gouvernement.
Pour les inspecteurs d'un cours de religion ou du cours de morale non confessionnelle, les peines disciplinaires sont proposées après consultation du chef du culte concerné ou de l'autorité de morale non confessionnelle. Pour autant qu'elle soit démontrée, en cas d'absence ou de vacance d'autorité d'un culte ou de la morale non confessionnelle, cette consultation n'est pas requise.
Les sanctions disciplinaires sont prononcées par le Gouvernement.
Pour les membres du personnel nommés à titre définitif dans une fonction de promotion d'Inspecteur coordonnateur visée à l'article 63, les sanctions disciplinaires sont proposées par l'Inspecteur général coordonnateur.
Pour les Inspecteurs généraux et l'Inspecteur général coordonnateur, les sanctions disciplinaires sont proposées par le fonctionnaire général désigné par le Gouvernement.
Pour les inspecteurs d'un cours de religion ou du cours de morale non confessionnelle, les peines disciplinaires sont proposées après consultation du chef du culte concerné ou de l'autorité de morale non confessionnelle. Pour autant qu'elle soit démontrée, en cas d'absence ou de vacance d'autorité d'un culte ou de la morale non confessionnelle, cette consultation n'est pas requise.
Les sanctions disciplinaires sont prononcées par le Gouvernement.
Art. 107. De afhouding op de wedde mag niet worden uitgesproken voor meer dan drie maanden. Zij mag niet meer bedragen dan één vijfde van de wedde.
Art. 107. La retenue sur traitement ne peut être prononcée pour une durée supérieure à trois mois. Elle ne peut dépasser un cinquième du traitement.
Art. 108. De schorsing bij tuchtmaatregel mag niet worden uitgesproken voor meer dan één jaar. Zij heeft de halvering van de wedde tot gevolg.
Art. 108. La suspension disciplinaire ne peut être prononcée pour une durée supérieure à un an. Elle entraine la privation de la moitié du traitement.
Art. 109. De duur van de op non-activiteitsstelling bij tuchtmaatregel wordt bepaald door de Regering: zij mag niet minder dan één jaar en niet meer dan vijf jaar bedragen.
Gedurende de eerste twee jaar geniet het personeelslid wachtgeld waarvan het bedrag gelijk is aan de helft van de activiteitswedde. Zonder dat het laatst vermelde bedrag mag worden overschreden, wordt het bedrag van het wachtgeld vervolgens vastgesteld op het bedrag van het pensioen dat de betrokkene zou krijgen indien hij voortijdig op rustpensioen was gesteld.
Het personeelslid mag zijn wederopneming binnen de algemene inspectiedienst aanvragen na het verstrijken van de helft van de duur van zijn sanctie.
Gedurende de eerste twee jaar geniet het personeelslid wachtgeld waarvan het bedrag gelijk is aan de helft van de activiteitswedde. Zonder dat het laatst vermelde bedrag mag worden overschreden, wordt het bedrag van het wachtgeld vervolgens vastgesteld op het bedrag van het pensioen dat de betrokkene zou krijgen indien hij voortijdig op rustpensioen was gesteld.
Het personeelslid mag zijn wederopneming binnen de algemene inspectiedienst aanvragen na het verstrijken van de helft van de duur van zijn sanctie.
Art. 109. La durée de la mise en non-activité disciplinaire est fixée par le Gouvernement: elle ne peut être inférieure à un an, ni dépasser cinq ans.
Le membre du personnel bénéficie pendant les deux premières années d'un traitement d'attente égal à la moitié du traitement d'activité. Sans pouvoir jamais dépasser ce dernier montant, le traitement d'attente est fixé ensuite au taux de la pension que l'intéressé obtiendrait s'il était admis prématurément à la retraite.
Après avoir subi la moitié de sa sanction, le membre du personnel peut demander sa réintégration au sein du Service général de l'Inspection.
Le membre du personnel bénéficie pendant les deux premières années d'un traitement d'attente égal à la moitié du traitement d'activité. Sans pouvoir jamais dépasser ce dernier montant, le traitement d'attente est fixé ensuite au taux de la pension que l'intéressé obtiendrait s'il était admis prématurément à la retraite.
Après avoir subi la moitié de sa sanction, le membre du personnel peut demander sa réintégration au sein du Service général de l'Inspection.
Art. 110. Geen enkele sanctie mag worden voorgesteld zonder dat het personeelslid voordien gehoord of behoorlijk opgeroepen werd.
Tijdens de hoorzitting kan het personeelslid worden bijgestaan door een advocaat, een verdediger gekozen onder de personeelsleden van de algemene inspectiedienst, in activiteit of op rust, of door een vertegenwoordiger van een erkende vakvereniging. De procedure verloopt rechtsgeldig wanneer het personeelslid, behoorlijk opgeroepen, niet aanwezig is of wordt vertegenwoordigd op de hoorzitting.
Elk personeelslid dat uitgenodigd wordt om een voorstel tot tuchtsanctie te viseren, heeft het recht langs hiërarchische weg een schriftelijke klacht in te dienen bij de Raad van beroep bedoeld in artikel 116, binnen de twintig werkdagen vanaf de datum van voorlegging van het voorstel voor visum.
Als de betrokkene geen beroep heeft ingediend binnen de vastgestelde termijn, wordt het voorstel tot tuchtsanctie onmiddellijk overgemaakt aan de Regering.
Tijdens de hoorzitting kan het personeelslid worden bijgestaan door een advocaat, een verdediger gekozen onder de personeelsleden van de algemene inspectiedienst, in activiteit of op rust, of door een vertegenwoordiger van een erkende vakvereniging. De procedure verloopt rechtsgeldig wanneer het personeelslid, behoorlijk opgeroepen, niet aanwezig is of wordt vertegenwoordigd op de hoorzitting.
Elk personeelslid dat uitgenodigd wordt om een voorstel tot tuchtsanctie te viseren, heeft het recht langs hiërarchische weg een schriftelijke klacht in te dienen bij de Raad van beroep bedoeld in artikel 116, binnen de twintig werkdagen vanaf de datum van voorlegging van het voorstel voor visum.
Als de betrokkene geen beroep heeft ingediend binnen de vastgestelde termijn, wordt het voorstel tot tuchtsanctie onmiddellijk overgemaakt aan de Regering.
Art. 110. Aucune sanction ne peut être proposée sans que le membre du personnel ait été, au préalable, entendu ou dûment convoqué.
Lors de l'audition, le membre du personnel peut se faire assister par un avocat, par un défenseur choisi parmi les membres du personnel du Service général de l'Inspection, en activité de service ou retraités, ou par un représentant d'une organisation syndicale agréée. La procédure se poursuit valablement lorsque le membre du personnel, dûment convoqué, ne se présente pas à l'audition ou n'y est pas représenté.
Tout membre du personnel invité à viser une proposition de sanction disciplinaire formulée à son encontre a le droit d'introduire, par la voie hiérarchique, une réclamation écrite devant la Chambre de recours visé à l'article 116, dans le délai de vingt jours ouvrables à compter de la date à laquelle la proposition lui a été soumise pour visa.
Si l'intéressé n'a pas introduit de recours dans le délai fixé, la proposition de sanction disciplinaire est transmise immédiatement au Gouvernement.
Lors de l'audition, le membre du personnel peut se faire assister par un avocat, par un défenseur choisi parmi les membres du personnel du Service général de l'Inspection, en activité de service ou retraités, ou par un représentant d'une organisation syndicale agréée. La procédure se poursuit valablement lorsque le membre du personnel, dûment convoqué, ne se présente pas à l'audition ou n'y est pas représenté.
Tout membre du personnel invité à viser une proposition de sanction disciplinaire formulée à son encontre a le droit d'introduire, par la voie hiérarchique, une réclamation écrite devant la Chambre de recours visé à l'article 116, dans le délai de vingt jours ouvrables à compter de la date à laquelle la proposition lui a été soumise pour visa.
Si l'intéressé n'a pas introduit de recours dans le délai fixé, la proposition de sanction disciplinaire est transmise immédiatement au Gouvernement.
Art. 111. Het voorstel voor een tuchtsanctie en het beroep ingediend door het betrokken personeelslid worden overgemaakt aan de Raad van beroep binnen een termijn van één maand vanaf de datum van ontvangst van het beroep.
Art. 111. La proposition de sanction disciplinaire et le recours introduit par le membre du personnel concerné sont transmis à] la Chambre de recours susmentionnée dans le délai d'un mois à compter de la date de la réception du recours.
Art. 112. Behoudens gegronde verhindering verschijnt de eiser persoonlijk. Hij kan worden bijgestaan door een advocaat, een verdediger gekozen onder de personeelsleden van de algemene inspectiedienst, in activiteit of op rust, of door een vertegenwoordiger van een erkende vakvereniging.
Behoudens in geval van strafrechtelijke vervolging, geeft de Raad van beroep advies aan de Regering binnen een termijn van maximaal drie maanden vanaf de datum van ontvangst van het volledige dossier van de zaak.
De Regering kan evenwel dringend advies aanvragen. In dat geval kan de termijn echter niet minder dan één maand bedragen. De Regering neemt haar beslissing binnen een termijn van één maand vanaf ontvangst van het advies van de Raad van beroep.
Behoudens in geval van strafrechtelijke vervolging, geeft de Raad van beroep advies aan de Regering binnen een termijn van maximaal drie maanden vanaf de datum van ontvangst van het volledige dossier van de zaak.
De Regering kan evenwel dringend advies aanvragen. In dat geval kan de termijn echter niet minder dan één maand bedragen. De Regering neemt haar beslissing binnen een termijn van één maand vanaf ontvangst van het advies van de Raad van beroep.
Art. 112. A moins d'empêchement légitime, le requérant comparaît en personne. Il peut se faire assister par un avocat, par un défenseur choisi parmi les membres du personnel du Service général de l'Inspection, en activité de service ou retraités, ou par un représentant d'une organisation syndicale agréée.
Sauf dans les cas de poursuites pénales, la Chambre de recours donne son avis au Gouvernement dans un délai maximum de trois mois à compter de la date de réception du dossier complet de l'affaire.
Toutefois, le Gouvernement peut demander un avis d'urgence. Dans ce cas, le délai ne peut cependant être inférieur à un mois. Le Gouvernement prend sa décision dans le délai d'un mois à partir de la réception de l'avis de la Chambre de recours.
Sauf dans les cas de poursuites pénales, la Chambre de recours donne son avis au Gouvernement dans un délai maximum de trois mois à compter de la date de réception du dossier complet de l'affaire.
Toutefois, le Gouvernement peut demander un avis d'urgence. Dans ce cas, le délai ne peut cependant être inférieur à un mois. Le Gouvernement prend sa décision dans le délai d'un mois à partir de la réception de l'avis de la Chambre de recours.
Art. 113. Geen enkele sanctie kan uitwerking hebben voor de periode die aan de uitspraak voorafgaat.
Art. 113. Aucune sanction ne peut produire d'effet pour la période qui précède son prononcé.
Art. 114. De strafvordering betreffende feiten waarvoor een tuchtvordering is ingesteld, schorst de tuchtvordering en de tuchtuitspraak. De tuchtoverheid alleen oordeelt over de toepassing van de tuchtsancties, ongeacht de uitslag van de strafvordering.
Art. 114. L'action pénale relative aux faits qui font l'objet d'une procédure disciplinaire est suspensive de la procédure et du prononcé disciplinaires. Quel que soit le résultat de l'action pénale, l'autorité disciplinaire reste juge de l'application des sanctions disciplinaires.
AFDELING II. - Schrapping van tuchtsancties
SECTION II. - De la radiation des sanctions disciplinaires
Art. 115. De tuchtsanctie wordt ambtshalve geschrapt na een termijn van:
1° één jaar voor de terechtwijzing en de berisping;
2° drie jaar voor de afhouding op de wedde;
3° vijf jaar voor de schorsing bij tuchtmaatregel;
4° zeven jaar voor de op non-activiteitstelling bij tuchtmaatregel.
De in het eerste lid bedoelde termijn gaat in op de dag dat een beslissing werd genomen inzake de tuchtsanctie.
Onverminderd de uitvoering van de tuchtsanctie heeft de doorhaling tot gevolg dat de sanctie geen gevolgen meer kan hebben, met name op de rechten op toegang tot een bevorderingsambt.
1° één jaar voor de terechtwijzing en de berisping;
2° drie jaar voor de afhouding op de wedde;
3° vijf jaar voor de schorsing bij tuchtmaatregel;
4° zeven jaar voor de op non-activiteitstelling bij tuchtmaatregel.
De in het eerste lid bedoelde termijn gaat in op de dag dat een beslissing werd genomen inzake de tuchtsanctie.
Onverminderd de uitvoering van de tuchtsanctie heeft de doorhaling tot gevolg dat de sanctie geen gevolgen meer kan hebben, met name op de rechten op toegang tot een bevorderingsambt.
Art. 115. La sanction disciplinaire est effacée d'office au terme d'un délai:
1° d'un an pour le rappel à l'ordre et la réprimande;
2° de trois ans pour la retenue sur traitement;
3° de cinq ans pour la suspension disciplinaire;
4° de sept ans pour la mise en non-activité disciplinaire.
Le délai visé à l'alinéa 1er commence à courir au prononcé de la sanction disciplinaire.
Sans préjudice de l'exécution de la sanction disciplinaire, l'effacement a pour conséquence que la sanction ne peut plus avoir d'effet, notamment sur les droits d'accès à une autre fonction de promotion.
1° d'un an pour le rappel à l'ordre et la réprimande;
2° de trois ans pour la retenue sur traitement;
3° de cinq ans pour la suspension disciplinaire;
4° de sept ans pour la mise en non-activité disciplinaire.
Le délai visé à l'alinéa 1er commence à courir au prononcé de la sanction disciplinaire.
Sans préjudice de l'exécution de la sanction disciplinaire, l'effacement a pour conséquence que la sanction ne peut plus avoir d'effet, notamment sur les droits d'accès à une autre fonction de promotion.
HOOFDSTUK IX. - Raad van beroep
CHAPITRE IX. - De la chambre de recours
Art. 116. Er wordt bij de Regering een Raad van beroep ingesteld voor de personeelsleden van de algemene inspectiedienst, hierna `de Raad van beroep' genoemd.
De Raad van beroep stelt zijn intern reglement op dat hij ter goedkeuring aan de Regering voorlegt.
De Raad van beroep stelt zijn intern reglement op dat hij ter goedkeuring aan de Regering voorlegt.
Art. 116. Il est institué, auprès du Gouvernement, une Chambre de recours pour les membres du personnel du Service général de l'Inspection, ci-après dénommée " la Chambre de recours ".
La Chambre de recours élabore son règlement d'ordre intérieur qu'elle soumet pour approbation au Gouvernement.
La Chambre de recours élabore son règlement d'ordre intérieur qu'elle soumet pour approbation au Gouvernement.
Art. 117. De Raad van beroep behandelt beroepen ingediend inzake onverenigbaarheid, evaluatie en tuchtsancties.
Art. 117. La Chambre de recours traite des recours introduits en matière d'incompatibilité, d'évaluation et de sanction disciplinaire.
Art. 118. De Raad van beroep bestaat uit:
1° één voorzitter aangesteld door de Regering onder de ambtenaren-generaal van minstens rang 16;
2° drie leden aangesteld door de Regering onder de ambtenaren-generaal van het ministerie van minstens rang 15;
3° drie leden aangesteld door vertegenwoordigers van erkende vakverenigingen onder de leden van de algemene inspectiedienst, waarbij elke vakvereniging minstens één vertegenwoordiger heeft;
4° een secretaris aangesteld door de Regering onder de ambtenaren van minstens niveau 2+ van de diensten van de Regering.
1° één voorzitter aangesteld door de Regering onder de ambtenaren-generaal van minstens rang 16;
2° drie leden aangesteld door de Regering onder de ambtenaren-generaal van het ministerie van minstens rang 15;
3° drie leden aangesteld door vertegenwoordigers van erkende vakverenigingen onder de leden van de algemene inspectiedienst, waarbij elke vakvereniging minstens één vertegenwoordiger heeft;
4° een secretaris aangesteld door de Regering onder de ambtenaren van minstens niveau 2+ van de diensten van de Regering.
Art. 118. La Chambre de recours est composée:
1° d'un président désigné par le Gouvernement parmi les fonctionnaires généraux de rang 16 au moins;
2° de trois membres désignés par le Gouvernement parmi les fonctionnaires généraux du Ministère de rang 15 au moins;
3° de trois membres désignés par des organisations syndicales représentatives, parmi les membres du Service général de l'Inspection, chaque organisation syndicale disposant d'au moins un représentant;
4° d'un secrétaire désigné par le Gouvernement parmi les agents de niveau 2+ au moins des Services du Gouvernement.
1° d'un président désigné par le Gouvernement parmi les fonctionnaires généraux de rang 16 au moins;
2° de trois membres désignés par le Gouvernement parmi les fonctionnaires généraux du Ministère de rang 15 au moins;
3° de trois membres désignés par des organisations syndicales représentatives, parmi les membres du Service général de l'Inspection, chaque organisation syndicale disposant d'au moins un représentant;
4° d'un secrétaire désigné par le Gouvernement parmi les agents de niveau 2+ au moins des Services du Gouvernement.
Art. 119. Voor elk werkend lid stelt de Regering een plaatsvervangend lid aan volgens dezelfde nadere regels als die bedoeld in artikel 118, 1°, 2° en 4°.
Art. 119. Pour chaque membre effectif, le Gouvernement désigne un membre suppléant selon les mêmes modalités que celles visées à l'article 118, 1°, 2° et 4°.
Art. 120. Bij vervanging van een lid eindigt de plaatsvervanger het mandaat van de persoon die hij vervangt.
Art. 120. En cas de remplacement d'un membre, le remplaçant achève le mandat de celui à la place duquel il est désigné.
Art. 121. De voorzitter, plaatsvervangend voorzitter, werkende leden en plaatsvervangende leden worden voor vijf jaar aangesteld. Hun mandaat is hernieuwbaar.
Art. 121. Les président, président suppléant, membres effectifs et membres suppléants sont désignés pour cinq ans. Leur mandat est renouvelable.
Art. 122. De Raad van beroep wordt voorgezeten door de voorzitter en, bij ontstentenis daarvan, door de plaatsvervangend voorzitter.
De voorzitter is stemgerechtigd.
De secretaris en de plaatsvervangend secretaris van de Raad van beroep nemen het secretariaat waar. Zij zijn niet stemgerechtigd.
De voorzitter is stemgerechtigd.
De secretaris en de plaatsvervangend secretaris van de Raad van beroep nemen het secretariaat waar. Zij zijn niet stemgerechtigd.
Art. 122. La Chambre de recours est présidée par le président et, à défaut, par le président suppléant.
Le président a voix délibérative.
Le secrétaire ou le secrétaire suppléant de la Chambre de recours en assure le secrétariat. Il n'a pas voix délibérative.
Le président a voix délibérative.
Le secrétaire ou le secrétaire suppléant de la Chambre de recours en assure le secrétariat. Il n'a pas voix délibérative.
Art. 123. Geen enkel beroep kan voor deliberaties van de Raad van beroep vatbaar zijn als de eiser de mogelijkheid niet gekregen heeft om zijn verweermiddelen te laten gelden en als het dossier de elementen die de raad toelaten een advies te geven niet bevat, inzonderheid het verslag van de onderzoekers, de processen-verbaal van de verhoren van getuigen en van de onontbeerlijke confrontaties.
De eiser kan worden bijgestaan of vertegenwoordigd door een vertegenwoordiger van een erkende vakvereniging, een advocaat, een verdediger gekozen onder de personeelsleden van de algemene inspectiedienst, in activiteit of op rust.
Wanneer het personeelslid of zijn vertegenwoordiger niet ter hoorzitting verschijnt, neemt de Raad van beroep toch een beslissing.
De eiser kan worden bijgestaan of vertegenwoordigd door een vertegenwoordiger van een erkende vakvereniging, een advocaat, een verdediger gekozen onder de personeelsleden van de algemene inspectiedienst, in activiteit of op rust.
Wanneer het personeelslid of zijn vertegenwoordiger niet ter hoorzitting verschijnt, neemt de Raad van beroep toch een beslissing.
Art. 123. Aucun recours ne peut faire l'objet de délibérations de la Chambre de recours si le requérant n'a été mis à même de faire valoir ses moyens de défense et si le dossier ne contient les éléments susceptibles de permettre à la Chambre d'émettre un avis en toute connaissance de cause, notamment le rapport des enquêteurs, les procès-verbaux des auditions de témoins et des confrontations indispensables.
Le requérant peut se faire assister ou représenter par un représentant d'une organisation syndicale agréée, par un avocat ou par un défenseur choisi parmi les membres du personnel du Service général de l'Inspection, en activité de service ou retraités.
Le défaut de comparution du membre du personnel ou de son représentant n'empêche pas la Chambre de recours de se prononcer.
Le requérant peut se faire assister ou représenter par un représentant d'une organisation syndicale agréée, par un avocat ou par un défenseur choisi parmi les membres du personnel du Service général de l'Inspection, en activité de service ou retraités.
Le défaut de comparution du membre du personnel ou de son représentant n'empêche pas la Chambre de recours de se prononcer.
Art. 124. Zodra een beroep wordt ingediend, deelt de voorzitter aan de verzoeker de lijst van de werkende en plaatsvervangende leden van de Raad van beroep mee.
Binnen de tien werkdagen na ontvangst van deze lijst kan de verzoeker de wraking van een of meerdere leden aanvragen, maar van maximaal twee leden aangesteld op de voordracht van de vakverenigingen en van twee leden rechtstreeks door de Regering aangesteld. Hij kan evenwel geen werkend lid en zijn plaatsvervanger wraken.
Ieder lid dat weet dat het de oorzaak van een wraking kan zijn, is ertoe gehouden zich te onthouden.
Een lid mag eveneens vragen ontlast te worden als hij meent dat hij in de zaak een zedelijk belang zou kunnen hebben of als hij denkt dat men aan zijn onpartijdigheid zou kunnen twijfelen. De voorzitter beslist over het gevolg dat aan dit verzoek moet worden gegeven. Om dezelfde redenen kan hij ook een lid ontslaan van ambtshalve.
Binnen de tien werkdagen na ontvangst van deze lijst kan de verzoeker de wraking van een of meerdere leden aanvragen, maar van maximaal twee leden aangesteld op de voordracht van de vakverenigingen en van twee leden rechtstreeks door de Regering aangesteld. Hij kan evenwel geen werkend lid en zijn plaatsvervanger wraken.
Ieder lid dat weet dat het de oorzaak van een wraking kan zijn, is ertoe gehouden zich te onthouden.
Een lid mag eveneens vragen ontlast te worden als hij meent dat hij in de zaak een zedelijk belang zou kunnen hebben of als hij denkt dat men aan zijn onpartijdigheid zou kunnen twijfelen. De voorzitter beslist over het gevolg dat aan dit verzoek moet worden gegeven. Om dezelfde redenen kan hij ook een lid ontslaan van ambtshalve.
Art. 124. Dès qu'un recours est introduit, le Président communique au requérant la liste des membres effectifs et suppléants de la Chambre de recours.
Dans les dix jours ouvrables qui suivent la réception de cette liste, le requérant peut demander la récusation d'un ou de plusieurs membres, mais tout au plus de deux membres désignés sur proposition des organisations syndicales et de deux membres désignés directement par le Gouvernement. Toutefois, il ne peut récuser un membre effectif et son suppléant.
Tout membre qui se sait cause de récusation est tenu de s'abstenir.
Un membre peut également demander à être déchargé s'il estime avoir un intérêt moral en la cause ou s'il croit que l'on puisse douter de son impartialité. Le Président décide de la suite à réserver à cette demande. Il peut aussi décharger d'office un membre pour les mêmes motifs.
Dans les dix jours ouvrables qui suivent la réception de cette liste, le requérant peut demander la récusation d'un ou de plusieurs membres, mais tout au plus de deux membres désignés sur proposition des organisations syndicales et de deux membres désignés directement par le Gouvernement. Toutefois, il ne peut récuser un membre effectif et son suppléant.
Tout membre qui se sait cause de récusation est tenu de s'abstenir.
Un membre peut également demander à être déchargé s'il estime avoir un intérêt moral en la cause ou s'il croit que l'on puisse douter de son impartialité. Le Président décide de la suite à réserver à cette demande. Il peut aussi décharger d'office un membre pour les mêmes motifs.
Art. 125. De voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter mogen geen zitting hebben in een zaak die een personeelslid betreft dat onder hun bestuur ressorteert.
De voorzitter, plaatsvervangend voorzitter, werkende leden en plaatsvervangende leden mogen geen zitting houden in een zaak betreffende hun echtgeno(o)t(e), de persoon waarmee ze samenleven, een bloed- of aanverwant tot en met de vierde graad.
De voorzitter, plaatsvervangend voorzitter, werkende leden en plaatsvervangende leden mogen geen zitting houden in een zaak betreffende hun echtgeno(o)t(e), de persoon waarmee ze samenleven, een bloed- of aanverwant tot en met de vierde graad.
Art. 125. Les président et président suppléant ne peuvent siéger dans une affaire relative à l'un des membres du personnel relevant de leur administration.
Le président, le président suppléant, les membres effectifs et les membres suppléants ne peuvent siéger dans une affaire concernant leur conjoint, leur cohabitant, un parent ou un allié, jusqu'au quatrième degré inclusivement.
Le président, le président suppléant, les membres effectifs et les membres suppléants ne peuvent siéger dans une affaire concernant leur conjoint, leur cohabitant, un parent ou un allié, jusqu'au quatrième degré inclusivement.
Art. 126. De Raad van beroep beraadslaagt en beslist geldig als de voorzitter en minstens vier leden aanwezig zijn.
Als het quorum bedoeld in lid 1 niet bereikt is, roept de voorzitter een nieuwe vergadering bijeen binnen de twee weken. Tijdens die vergadering zal een beslissing genomen kunnen worden ongeacht het aantal aanwezige leden.
Als het quorum bedoeld in lid 1 niet bereikt is, roept de voorzitter een nieuwe vergadering bijeen binnen de twee weken. Tijdens die vergadering zal een beslissing genomen kunnen worden ongeacht het aantal aanwezige leden.
Art. 126. La Chambre de recours délibère valablement si le président et quatre membres au moins sont présents.
Si le quorum visé à l'alinéa 1er n'est pas atteint, le président convoque une nouvelle réunion dans les quinze jours. Au cours de cette réunion, une décision pourra être prise, quel que soit le nombre des membres présents.
Si le quorum visé à l'alinéa 1er n'est pas atteint, le président convoque une nouvelle réunion dans les quinze jours. Au cours de cette réunion, une décision pourra être prise, quel que soit le nombre des membres présents.
Art. 127. Voor iedere zaak stelt de Regering een verslaggever aan onder de ambtenaren van niveau 1 van de diensten van de Regering die niet hebben deelgenomen aan het onderzoek.
De verslaggever zet aan de Raad van beroep objectief de voorgeschiedenis van de zaak en de resultaten van het onderzoek uiteen. Hij heeft recht van repliek. Hij is niet stemgerechtigd.
De verslaggever zet aan de Raad van beroep objectief de voorgeschiedenis van de zaak en de resultaten van het onderzoek uiteen. Hij heeft recht van repliek. Hij is niet stemgerechtigd.
Art. 127. Pour chaque affaire, le Gouvernement désigne un rapporteur parmi les agents de niveau 1 des Services du Gouvernement qui n'ont pas participé à l'enquête.
Le rapporteur expose objectivement à la Chambre de recours les rétroactes de l'affaire et les résultats de l'enquête. Il a droit de réplique. Il n'a pas voix délibérative.
Le rapporteur expose objectivement à la Chambre de recours les rétroactes de l'affaire et les résultats de l'enquête. Il a droit de réplique. Il n'a pas voix délibérative.
Art. 128. De Raad van beroep kan een bijkomend onderzoek bevelen, alsmede bezwarende en ontlastende getuigen horen. Na te hebben beraadslaagd, brengt hij zijn gemotiveerd advies aan de Regering over. Dat advies vermeldt het aantal stemmen voor en tegen.
Art. 128. La Chambre de recours peut ordonner un complément d'enquête, entendre les témoins à charge ou à décharge. Après en avoir délibéré, elle transmet au Gouvernement son avis motivé. Cet avis mentionne le nombre de votes pour et contre émis.
Art. 129. Het advies wordt gegeven bij gewone meerderheid van stemmen.
De stemming over het advies is geheim. De leden aangesteld door de Regering en de leden aangesteld op voordracht van de vakverenigingen moeten in gelijk aantal zijn om aan de stemming deel te nemen. In voorkomend geval wordt de pariteit hersteld door uitschakeling van een of meerdere leden na loting.
Bij staking van stemmen beslist de voorzitter.
De stemming over het advies is geheim. De leden aangesteld door de Regering en de leden aangesteld op voordracht van de vakverenigingen moeten in gelijk aantal zijn om aan de stemming deel te nemen. In voorkomend geval wordt de pariteit hersteld door uitschakeling van een of meerdere leden na loting.
Bij staking van stemmen beslist de voorzitter.
Art. 129. L'avis est donné à la majorité simple des voix.
Le vote sur l'avis a lieu au scrutin secret. Les membres désignés directement par le Gouvernement et ceux désignés sur proposition des organisations syndicales doivent être en nombre égal pour prendre part au vote. Le cas échéant, la parité est rétablie par l'élimination d'un ou de plusieurs membres après tirage au sort.
En cas de parité des voix, le président décide.
Le vote sur l'avis a lieu au scrutin secret. Les membres désignés directement par le Gouvernement et ceux désignés sur proposition des organisations syndicales doivent être en nombre égal pour prendre part au vote. Le cas échéant, la parité est rétablie par l'élimination d'un ou de plusieurs membres après tirage au sort.
En cas de parité des voix, le président décide.
Art. 130. De beslissing genomen door de Regering vermeldt het gemotiveerde advies van de Raad van beroep. Elke beslissing die niet overeenstemt met het advies van de Raad van beroep is gemotiveerd.
De Regering brengt haar beslissing ter kennis van de Raad van beroep en van de eiser.
De Regering brengt haar beslissing ter kennis van de Raad van beroep en van de eiser.
Art. 130. La décision prise par le Gouvernement fait mention de l'avis motivé de la Chambre de recours. Toute décision non conforme à l'avis de la Chambre de recours est motivée.
Le Gouvernement notifie sa décision à la Chambre de recours et au requérant.
Le Gouvernement notifie sa décision à la Chambre de recours et au requérant.
Art. 131. Het mandaat van de leden van de Raad van beroep is kosteloos. Reis- en verblijfkosten kunnen hun evenwel worden toegekend volgens de reglementsbepalingen ter zake. Er is aan de voorzitter of aan de plaatsvervangend voorzitter evenwel geen enkele vergoeding verschuldigd.
Art. 131. Le mandat des membres de la Chambre de recours est gratuit. Toutefois, des indemnités pour frais de parcours et de séjour peuvent leur être accordées suivant les dispositions règlementaires en la matière. Aucune indemnité n'est cependant due au président ou au président suppléant.
Art. 132. De werking van de Raad van beroep wordt door de Regering bepaald, met inachtneming van de rechten van de verdediging en van het karakter op tegenspraak van de debatten.
Art. 132. Les modalités de fonctionnement de la Chambre de recours sont fixées par le Gouvernement, dans le respect des droits de la défense et du caractère contradictoire des débats.
HOOFDSTUK X. - Preventieve schorsing: administratieve maatregel
CHAPITRE X. - De la suspension préventive: mesure administrative
Art. 133. § 1. De preventieve schorsing bepaald in dit hoofdstuk is een zuiver administratieve maatregel die geen strafbaar karakter heeft.
Ze wordt uitgesproken door de Regering en is gemotiveerd. Ze heeft tot doel het personeelslid uit zijn ambt te ontheffen.
Tijdens de duur van de preventieve schorsing blijft het personeelslid in de administratieve stand dienstactiviteit.
§ 2. Voor elke maatregel van preventieve schorsing moet het personeelslid uitgenodigd zijn om te worden gehoord door de ambtenaar-generaal aangesteld door de Regering of de coördinerende inspecteur-generaal die hij daartoe aanstelt.
De oproeping voor de hoorzitting alsmede de motieven die de preventieve schorsing wettigen, worden minstens drie werkdagen voor de hoorzitting ofwel met een aangetekend schrijven met ontvangstbewijs met uitwerking drie werkdagen na de datum van verzending, ofwel bij overhandiging van een brief met ontvangstbewijs met uitwerking op de datum vermeld op dat ontvangstbewijs, meegedeeld aan het personeelslid.
Tijdens de hoorzitting kan het personeelslid worden bijgestaan of vertegenwoordigd door een vertegenwoordiger van een erkende vakvereniging, een advocaat, een verdediger gekozen onder de personeelsleden van de algemene inspectiedienst, in activiteit of op rust.
Binnen de tien werkdagen volgend op de dag van de hoorzitting wordt de beslissing per aangetekend schrijven naar het personeelslid opgestuurd, zelfs als het personeelslid of zijn vertegenwoordiger niet vertegenwoordigd was op de hoorzitting zonder omstandigheden van overmacht die hun afwezigheid op de hoorzitting rechtvaardigen.
Als het personeelslid of zijn vertegenwoordiger omstandigheden van overmacht voor hun afwezigheid op de hoorzitting kunnen laten gelden, wordt het personeelslid opgeroepen op een nieuwe hoorzitting die wordt bekendgemaakt overeenkomstig lid 2.
In dat geval, en zelfs als het personeelslid of zijn vertegenwoordiger niet aanwezig is op de hoorzitting, wordt de beslissing met een aangetekend schrijven aan het personeelslid meegedeeld binnen de tien werkdagen volgend op de dag van de oorspronkelijke hoorzitting.
Als de beslissing uitloopt op de preventieve schorsing van het personeelslid, heeft deze uitwerking op de derde werkdag die volgt op de datum van verzending.
§ 3. In afwijking van paragraaf 2, lid 1, kan het personeelslid meteen uit zijn ambt worden ontheven om dringende reden wanneer er sprake is van heterdaad of wanneer de feiten die hem ten laste worden gelegd zo erg zijn dat het in het belang van de dienst is dat het personeelslid niet meer op de dienst aanwezig zou zijn.
Binnen de tien werkdagen volgend op de dag waarop de maatregel tot onmiddellijke schorsing getroffen werd, moet de maatregel voor preventieve schorsing worden ingesteld overeenkomstig de bepalingen van dit artikel. Bij ontstentenis daarvan, zal de maatregel voor onmiddellijke schorsing eindigen na het verstrijken van voornoemde termijn en zal het personeelslid van de dienst enkel opnieuw kunnen worden verwijderd om dezelfde dringende reden of dezelfde bezwaren mits de naleving van de procedure voor preventieve schorsing zoals bedoeld in paragraaf 2.
De maatregel voor het onmiddellijk verwijderen wordt uitgesproken door de Regering. Het personeelslid dat onmiddellijk wordt verwijderd, blijft in de administratieve stand dienstactiviteit.
Ze wordt uitgesproken door de Regering en is gemotiveerd. Ze heeft tot doel het personeelslid uit zijn ambt te ontheffen.
Tijdens de duur van de preventieve schorsing blijft het personeelslid in de administratieve stand dienstactiviteit.
§ 2. Voor elke maatregel van preventieve schorsing moet het personeelslid uitgenodigd zijn om te worden gehoord door de ambtenaar-generaal aangesteld door de Regering of de coördinerende inspecteur-generaal die hij daartoe aanstelt.
De oproeping voor de hoorzitting alsmede de motieven die de preventieve schorsing wettigen, worden minstens drie werkdagen voor de hoorzitting ofwel met een aangetekend schrijven met ontvangstbewijs met uitwerking drie werkdagen na de datum van verzending, ofwel bij overhandiging van een brief met ontvangstbewijs met uitwerking op de datum vermeld op dat ontvangstbewijs, meegedeeld aan het personeelslid.
Tijdens de hoorzitting kan het personeelslid worden bijgestaan of vertegenwoordigd door een vertegenwoordiger van een erkende vakvereniging, een advocaat, een verdediger gekozen onder de personeelsleden van de algemene inspectiedienst, in activiteit of op rust.
Binnen de tien werkdagen volgend op de dag van de hoorzitting wordt de beslissing per aangetekend schrijven naar het personeelslid opgestuurd, zelfs als het personeelslid of zijn vertegenwoordiger niet vertegenwoordigd was op de hoorzitting zonder omstandigheden van overmacht die hun afwezigheid op de hoorzitting rechtvaardigen.
Als het personeelslid of zijn vertegenwoordiger omstandigheden van overmacht voor hun afwezigheid op de hoorzitting kunnen laten gelden, wordt het personeelslid opgeroepen op een nieuwe hoorzitting die wordt bekendgemaakt overeenkomstig lid 2.
In dat geval, en zelfs als het personeelslid of zijn vertegenwoordiger niet aanwezig is op de hoorzitting, wordt de beslissing met een aangetekend schrijven aan het personeelslid meegedeeld binnen de tien werkdagen volgend op de dag van de oorspronkelijke hoorzitting.
Als de beslissing uitloopt op de preventieve schorsing van het personeelslid, heeft deze uitwerking op de derde werkdag die volgt op de datum van verzending.
§ 3. In afwijking van paragraaf 2, lid 1, kan het personeelslid meteen uit zijn ambt worden ontheven om dringende reden wanneer er sprake is van heterdaad of wanneer de feiten die hem ten laste worden gelegd zo erg zijn dat het in het belang van de dienst is dat het personeelslid niet meer op de dienst aanwezig zou zijn.
Binnen de tien werkdagen volgend op de dag waarop de maatregel tot onmiddellijke schorsing getroffen werd, moet de maatregel voor preventieve schorsing worden ingesteld overeenkomstig de bepalingen van dit artikel. Bij ontstentenis daarvan, zal de maatregel voor onmiddellijke schorsing eindigen na het verstrijken van voornoemde termijn en zal het personeelslid van de dienst enkel opnieuw kunnen worden verwijderd om dezelfde dringende reden of dezelfde bezwaren mits de naleving van de procedure voor preventieve schorsing zoals bedoeld in paragraaf 2.
De maatregel voor het onmiddellijk verwijderen wordt uitgesproken door de Regering. Het personeelslid dat onmiddellijk wordt verwijderd, blijft in de administratieve stand dienstactiviteit.
Art. 133. § 1er. La suspension préventive organisée par le présent chapitre est une mesure purement administrative, n'ayant pas le caractère d'une sanction.
Elle est prononcée par le Gouvernement et est motivée. Elle a pour effet d'écarter le membre du personnel de ses fonctions.
Pendant la durée de la suspension préventive, le membre du personnel reste dans la position administrative de l'activité de service.
§ 2. Avant toute mesure de suspension préventive, le membre du personnel doit avoir été invité à se faire entendre par le fonctionnaire général désigné par le Gouvernement ou l'Inspecteur général coordonnateur qu'il délègue à cet effet.
La convocation à l'audition ainsi que les motifs justifiant la suspension préventive sont notifiés au membre du personnel trois jours ouvrables au moins avant l'audition, soit par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception portant ses effets trois jours ouvrables après la date de son expédition, soit par la remise d'une lettre de la main à la main avec accusé de réception portant ses effets à la date figurant sur cet accusé de réception.
Au cours de l'audition, le membre du personnel peut se faire assister ou représenter par un représentant d'une organisation syndicale agréée, par un avocat ou par un défenseur choisi parmi les membres du personnel du Service général de l'Inspection, en activité de service ou retraités.
Dans les dix jours ouvrables qui suivent celui prévu pour l'audition, la décision est communiquée au membre du personnel par lettre recommandée à la poste, et ce même si le membre du personnel ou son représentant ne se sont pas présentés à l'audition sans pouvoir faire valoir des circonstances de force majeure de nature à justifier leur absence à l'audition.
Si le membre du personnel ou son représentant peuvent faire valoir des circonstances de force majeure de nature à justifier leur absence à l'audition, le membre du personnel est convoqué à une nouvelle audition notifiée conformément à l'alinéa 2.
Dans ce cas, et même si le membre du personnel ou son représentant ne se sont pas présentés à l'audition, la décision est communiquée au membre du personnel par lettre recommandée à la poste dans les dix jours ouvrables qui suivent celui prévu pour l'audition.
Si la décision conclut à la suspension préventive du membre du personnel, elle produit ses effets le troisième jour ouvrable suivant la date de son expédition.
§ 3. Par dérogation à l'alinéa 1er du paragraphe 2, le membre du personnel peut être écarté de ses fonctions sur-le-champ en cas de faute grave pour laquelle il y a flagrant délit ou lorsque les griefs qui lui sont reprochés revêtent un caractère de gravité] tel qu'il est souhaitable, dans l'intérêt du service, que le membre du personnel ne soit plus présent au sein du Service.
Dans les dix jours ouvrables qui suivent le jour où la mesure d'écartement immédiat a été prise, la procédure de suspension préventive doit être engagée conformément aux dispositions du présent article. A défaut, la mesure d'écartement immédiat prendra fin au terme du délai précité et le membre du personnel ne pourra à nouveau être écarté du service pour la même faute grave ou les mêmes griefs que moyennant le respect de la procédure de suspension préventive tel que prévu notamment au paragraphe 2.
La mesure d'écartement sur-le-champ est prononcée par le Gouvernement. Le membre du personnel écarté sur-le-champ reste dans la position administrative de l'activité de service.
Elle est prononcée par le Gouvernement et est motivée. Elle a pour effet d'écarter le membre du personnel de ses fonctions.
Pendant la durée de la suspension préventive, le membre du personnel reste dans la position administrative de l'activité de service.
§ 2. Avant toute mesure de suspension préventive, le membre du personnel doit avoir été invité à se faire entendre par le fonctionnaire général désigné par le Gouvernement ou l'Inspecteur général coordonnateur qu'il délègue à cet effet.
La convocation à l'audition ainsi que les motifs justifiant la suspension préventive sont notifiés au membre du personnel trois jours ouvrables au moins avant l'audition, soit par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception portant ses effets trois jours ouvrables après la date de son expédition, soit par la remise d'une lettre de la main à la main avec accusé de réception portant ses effets à la date figurant sur cet accusé de réception.
Au cours de l'audition, le membre du personnel peut se faire assister ou représenter par un représentant d'une organisation syndicale agréée, par un avocat ou par un défenseur choisi parmi les membres du personnel du Service général de l'Inspection, en activité de service ou retraités.
Dans les dix jours ouvrables qui suivent celui prévu pour l'audition, la décision est communiquée au membre du personnel par lettre recommandée à la poste, et ce même si le membre du personnel ou son représentant ne se sont pas présentés à l'audition sans pouvoir faire valoir des circonstances de force majeure de nature à justifier leur absence à l'audition.
Si le membre du personnel ou son représentant peuvent faire valoir des circonstances de force majeure de nature à justifier leur absence à l'audition, le membre du personnel est convoqué à une nouvelle audition notifiée conformément à l'alinéa 2.
Dans ce cas, et même si le membre du personnel ou son représentant ne se sont pas présentés à l'audition, la décision est communiquée au membre du personnel par lettre recommandée à la poste dans les dix jours ouvrables qui suivent celui prévu pour l'audition.
Si la décision conclut à la suspension préventive du membre du personnel, elle produit ses effets le troisième jour ouvrable suivant la date de son expédition.
§ 3. Par dérogation à l'alinéa 1er du paragraphe 2, le membre du personnel peut être écarté de ses fonctions sur-le-champ en cas de faute grave pour laquelle il y a flagrant délit ou lorsque les griefs qui lui sont reprochés revêtent un caractère de gravité] tel qu'il est souhaitable, dans l'intérêt du service, que le membre du personnel ne soit plus présent au sein du Service.
Dans les dix jours ouvrables qui suivent le jour où la mesure d'écartement immédiat a été prise, la procédure de suspension préventive doit être engagée conformément aux dispositions du présent article. A défaut, la mesure d'écartement immédiat prendra fin au terme du délai précité et le membre du personnel ne pourra à nouveau être écarté du service pour la même faute grave ou les mêmes griefs que moyennant le respect de la procédure de suspension préventive tel que prévu notamment au paragraphe 2.
La mesure d'écartement sur-le-champ est prononcée par le Gouvernement. Le membre du personnel écarté sur-le-champ reste dans la position administrative de l'activité de service.
Art. 134. § 1. Wanneer het in het belang van de dienst of van het onderwijs is, kan een procedure voor preventieve schorsing worden ingeleid voor een personeelslid van de algemene inspectiedienst:
1° als hij strafrechtelijk vervolgd wordt;
2° voor het instellen van een tuchtvordering of als hij aan een tuchtsanctie onderworpen wordt;
3° zodra de Regering hem per aangetekend schrijven de vaststelling van een onverenigbaarheid meedeelt.
§ 2. In het kader van de vaststelling van een onverenigbaarheid of in het kader van een tuchtvordering of voor de eventuele uitoefening van een tuchtvordering, kan de duur van de preventieve schorsing niet meer bedragen dan één jaar en vervalt die in ieder geval in het kader van een tuchtvordering:
1° na zes maanden als geen enkel voorstel tot tuchtstraf werd geformuleerd en meegedeeld aan het personeelslid binnen die termijn;
2° de derde werkdag volgend op de mededeling van het voorstel tot tuchtsanctie als dat voorstel de terechtwijzing, de berisping of de afhouding op de wedde is;
3° voor een ander voorstel tot tuchtsanctie dan dat bedoeld in punt 2°, tachtig kalenderdagen na de mededeling van het voorstel tot tuchtsanctie aan het personeelslid als dit laatste geen beroep heeft ingediend tegen het bedoelde voorstel;
4° voor een ander voorstel tot tuchtsanctie dan dat bedoeld in punt 2°, tachtig kalenderdagen na de mededeling aan de Minister van het advies van de Raad van beroep over het voorstel tot tuchtsanctie geformuleerd tegen het personeelslid;
5° de dag waarop de tuchtstraf uitwerking krijgt.
In het kader van een strafrechtelijke vervolging is de duur van de preventieve schorsing niet beperkt tot één jaar.
Wanneer een tuchtvordering wordt ingesteld of vervolgd na een rechterlijke beslissing van een strafrechtelijke veroordeling die in kracht van gewijsde is gegaan, begint de termijn van één jaar bedoeld in het lid 1 slechts te lopen vanaf de uitspraak van de definitieve veroordeling.
§ 3. In het kader van een tuchtvordering of vóór de eventuele instelling van een tuchtvordering, moet de preventieve schorsing om de drie maanden schriftelijk bevestigd worden vanaf de datum van uitwerking.
Die bevestiging wordt per aangetekend schrijven aan de betrokkene meegedeeld.
Als de bevestiging van de preventieve schorsing niet gebeurt binnen de vereiste termijn, kan het betrokken personeelslid zijn ambt hervatten nadat hij de Regering hiervan minstens tien werkdagen voor de werkelijke hervatting van het werk per aangetekend schrijven op de hoogte heeft gebracht.
Na ontvangst van die kennisgeving, kan de Regering het behoud in preventieve schorsing bevestigen volgens de procedure bedoeld in het lid 2.
1° als hij strafrechtelijk vervolgd wordt;
2° voor het instellen van een tuchtvordering of als hij aan een tuchtsanctie onderworpen wordt;
3° zodra de Regering hem per aangetekend schrijven de vaststelling van een onverenigbaarheid meedeelt.
§ 2. In het kader van de vaststelling van een onverenigbaarheid of in het kader van een tuchtvordering of voor de eventuele uitoefening van een tuchtvordering, kan de duur van de preventieve schorsing niet meer bedragen dan één jaar en vervalt die in ieder geval in het kader van een tuchtvordering:
1° na zes maanden als geen enkel voorstel tot tuchtstraf werd geformuleerd en meegedeeld aan het personeelslid binnen die termijn;
2° de derde werkdag volgend op de mededeling van het voorstel tot tuchtsanctie als dat voorstel de terechtwijzing, de berisping of de afhouding op de wedde is;
3° voor een ander voorstel tot tuchtsanctie dan dat bedoeld in punt 2°, tachtig kalenderdagen na de mededeling van het voorstel tot tuchtsanctie aan het personeelslid als dit laatste geen beroep heeft ingediend tegen het bedoelde voorstel;
4° voor een ander voorstel tot tuchtsanctie dan dat bedoeld in punt 2°, tachtig kalenderdagen na de mededeling aan de Minister van het advies van de Raad van beroep over het voorstel tot tuchtsanctie geformuleerd tegen het personeelslid;
5° de dag waarop de tuchtstraf uitwerking krijgt.
In het kader van een strafrechtelijke vervolging is de duur van de preventieve schorsing niet beperkt tot één jaar.
Wanneer een tuchtvordering wordt ingesteld of vervolgd na een rechterlijke beslissing van een strafrechtelijke veroordeling die in kracht van gewijsde is gegaan, begint de termijn van één jaar bedoeld in het lid 1 slechts te lopen vanaf de uitspraak van de definitieve veroordeling.
§ 3. In het kader van een tuchtvordering of vóór de eventuele instelling van een tuchtvordering, moet de preventieve schorsing om de drie maanden schriftelijk bevestigd worden vanaf de datum van uitwerking.
Die bevestiging wordt per aangetekend schrijven aan de betrokkene meegedeeld.
Als de bevestiging van de preventieve schorsing niet gebeurt binnen de vereiste termijn, kan het betrokken personeelslid zijn ambt hervatten nadat hij de Regering hiervan minstens tien werkdagen voor de werkelijke hervatting van het werk per aangetekend schrijven op de hoogte heeft gebracht.
Na ontvangst van die kennisgeving, kan de Regering het behoud in preventieve schorsing bevestigen volgens de procedure bedoeld in het lid 2.
Art. 134. § 1er. Lorsque l'intérêt du service ou de l'enseignement le requiert, une procédure de suspension préventive peut être entamée à l'égard d'un membre du personnel du Service général de l'Inspection:
1° s'il fait l'objet de poursuites pénales;
2° avant l'exercice de poursuites disciplinaires ou s'il fait l'objet de poursuites disciplinaires;
3° dès que le Gouvernement lui notifie, par lettre recommandée à la poste, la constatation d'une incompatibilité.
§ 2. Dans le cadre de la constatation d'une incompatibilité ou dans le cadre d'une procédure disciplinaire ou avant l'exercice éventuel d'une procédure disciplinaire, la durée de la suspension préventive ne peut dépasser un an et, dans le cadre d'une procédure disciplinaire, elle expire en tout cas:
1° après six mois si aucune proposition de sanction disciplinaire n'a été formulée et notifiée au membre du personnel dans ce délai;
2° le troisième jour ouvrable qui suit la notification de la proposition de sanction disciplinaire si cette proposition est le rappel à l'ordre, la réprimande ou la retenue sur traitement;
3° pour une proposition de sanction disciplinaire autre que celles visées au point 2°, quatre-vingts jours calendrier après la notification de la proposition de sanction disciplinaire au membre du personnel si ce dernier n'a pas introduit de recours à l'encontre de ladite proposition;
4° pour une proposition de sanction disciplinaire autre que celles visées au point 2°, quatre-vingts jours calendrier après la notification au Ministre de l'avis de la Chambre de recours sur la proposition de sanction disciplinaire formulée à l'encontre du membre du personnel;
5° le jour où la sanction disciplinaire sort ses effets.
Dans le cadre de poursuites pénales, la durée de la suspension préventive n'est pas limitée à un an.
Lorsqu'une procédure disciplinaire est engagée ou poursuivie après une décision judiciaire de condamnation pénale coulée en force de chose jugée, le délai d'un an visé à l'alinéa 1er ne commence à courir qu'à dater du prononcé de la condamnation définitive.
§ 3. Dans le cadre d'une procédure disciplinaire ou avant l'exercice éventuel d'une procédure disciplinaire, la suspension préventive doit faire l'objet d'une confirmation écrite tous les trois mois à dater de la prise d'effet.
Cette confirmation est notifiée à l'intéressé par lettre recommandée à la poste.
A défaut de confirmation de la suspension préventive dans les délais requis, le membre du personnel concerné peut réintégrer ses fonctions après en avoir informé le Gouvernement, par lettre recommandée, au moins dix jours ouvrables avant la reprise effective du travail.
Après réception de cette notification, le Gouvernement peut confirmer le maintien en suspension préventive selon la procédure décrite à l'alinéa 2.
1° s'il fait l'objet de poursuites pénales;
2° avant l'exercice de poursuites disciplinaires ou s'il fait l'objet de poursuites disciplinaires;
3° dès que le Gouvernement lui notifie, par lettre recommandée à la poste, la constatation d'une incompatibilité.
§ 2. Dans le cadre de la constatation d'une incompatibilité ou dans le cadre d'une procédure disciplinaire ou avant l'exercice éventuel d'une procédure disciplinaire, la durée de la suspension préventive ne peut dépasser un an et, dans le cadre d'une procédure disciplinaire, elle expire en tout cas:
1° après six mois si aucune proposition de sanction disciplinaire n'a été formulée et notifiée au membre du personnel dans ce délai;
2° le troisième jour ouvrable qui suit la notification de la proposition de sanction disciplinaire si cette proposition est le rappel à l'ordre, la réprimande ou la retenue sur traitement;
3° pour une proposition de sanction disciplinaire autre que celles visées au point 2°, quatre-vingts jours calendrier après la notification de la proposition de sanction disciplinaire au membre du personnel si ce dernier n'a pas introduit de recours à l'encontre de ladite proposition;
4° pour une proposition de sanction disciplinaire autre que celles visées au point 2°, quatre-vingts jours calendrier après la notification au Ministre de l'avis de la Chambre de recours sur la proposition de sanction disciplinaire formulée à l'encontre du membre du personnel;
5° le jour où la sanction disciplinaire sort ses effets.
Dans le cadre de poursuites pénales, la durée de la suspension préventive n'est pas limitée à un an.
Lorsqu'une procédure disciplinaire est engagée ou poursuivie après une décision judiciaire de condamnation pénale coulée en force de chose jugée, le délai d'un an visé à l'alinéa 1er ne commence à courir qu'à dater du prononcé de la condamnation définitive.
§ 3. Dans le cadre d'une procédure disciplinaire ou avant l'exercice éventuel d'une procédure disciplinaire, la suspension préventive doit faire l'objet d'une confirmation écrite tous les trois mois à dater de la prise d'effet.
Cette confirmation est notifiée à l'intéressé par lettre recommandée à la poste.
A défaut de confirmation de la suspension préventive dans les délais requis, le membre du personnel concerné peut réintégrer ses fonctions après en avoir informé le Gouvernement, par lettre recommandée, au moins dix jours ouvrables avant la reprise effective du travail.
Après réception de cette notification, le Gouvernement peut confirmer le maintien en suspension préventive selon la procédure décrite à l'alinéa 2.
Art. 135. Elk preventief geschorst personeelslid behoudt zijn recht op de wedde.
In afwijking van lid 1 wordt de wedde vastgesteld op de helft van zijn activiteitswedde van elk preventief geschorst personeelslid, dat:
1° aangeklaagd is of in voorlopige hechtenis zit in het kader van een strafrechtelijke vervolging;
2° niet-definitief strafrechtelijk veroordeeld is en hiertegen zijn recht op gewoon recht op beroep heeft gebruikt;
3° een tuchtvordering ondergaat die wordt ingesteld of voortgezet na een definitieve strafrechtelijke veroordeling;
4° tuchtsancties gekregen heeft wegens dringende reden waarvoor er ofwel heterdaad ofwel bewijzen bestaan en waarvan de beoordeling tot de Regering behoort;
5° een voorstel tot tuchtstraf gekregen heeft bedoeld in artikel 105, lid 1, 4°, 5°, 6° en 7°, of lid 2.
Die weddevermindering mag niet tot gevolg hebben dat de wedde wordt herleid tot het bedrag van de werkloosheidsuitkering waarop het personeelslid recht zou hebben als hij het stelsel voor sociale veiligheid van de loontrekkers zou genieten.
Voor de toepassing van lid 2, 1° en 2°, heeft die weddevermindering uitwerking de eerste dag volgend op de aanklacht of de preventie of de uitspraak van de niet-definitieve veroordeling.
Voor de toepassing van lid 2, 3°, wordt die weddevermindering die reeds gevoerd is krachtens lid 2, 1° of 2°, behouden na de definitieve veroordeling als de Minister aan het personeelslid zijn voornemen meedeelt de tuchtvordering voort te zetten of in te stellen.
Voor de toepassing van lid 2, 4°, heeft die weddevermindering uitwerking op de eerste dag van de maand volgend op de kennisgeving van de Minister aan het personeelslid in toepassing van dit lid 2, 4°.
Voor de toepassing van lid 2, 5°, heeft die weddevermindering uitwerking op de dag dat het voorstel tot tuchtsanctie aan het personeelslid wordt voorgelegd of meegedeeld.
In afwijking van lid 1 wordt de wedde vastgesteld op de helft van zijn activiteitswedde van elk preventief geschorst personeelslid, dat:
1° aangeklaagd is of in voorlopige hechtenis zit in het kader van een strafrechtelijke vervolging;
2° niet-definitief strafrechtelijk veroordeeld is en hiertegen zijn recht op gewoon recht op beroep heeft gebruikt;
3° een tuchtvordering ondergaat die wordt ingesteld of voortgezet na een definitieve strafrechtelijke veroordeling;
4° tuchtsancties gekregen heeft wegens dringende reden waarvoor er ofwel heterdaad ofwel bewijzen bestaan en waarvan de beoordeling tot de Regering behoort;
5° een voorstel tot tuchtstraf gekregen heeft bedoeld in artikel 105, lid 1, 4°, 5°, 6° en 7°, of lid 2.
Die weddevermindering mag niet tot gevolg hebben dat de wedde wordt herleid tot het bedrag van de werkloosheidsuitkering waarop het personeelslid recht zou hebben als hij het stelsel voor sociale veiligheid van de loontrekkers zou genieten.
Voor de toepassing van lid 2, 1° en 2°, heeft die weddevermindering uitwerking de eerste dag volgend op de aanklacht of de preventie of de uitspraak van de niet-definitieve veroordeling.
Voor de toepassing van lid 2, 3°, wordt die weddevermindering die reeds gevoerd is krachtens lid 2, 1° of 2°, behouden na de definitieve veroordeling als de Minister aan het personeelslid zijn voornemen meedeelt de tuchtvordering voort te zetten of in te stellen.
Voor de toepassing van lid 2, 4°, heeft die weddevermindering uitwerking op de eerste dag van de maand volgend op de kennisgeving van de Minister aan het personeelslid in toepassing van dit lid 2, 4°.
Voor de toepassing van lid 2, 5°, heeft die weddevermindering uitwerking op de dag dat het voorstel tot tuchtsanctie aan het personeelslid wordt voorgelegd of meegedeeld.
Art. 135. Tout membre du personnel suspendu préventivement maintient son droit au traitement.
Par dérogation à l'alinéa 1er, est fixé à la moitié de son traitement d'activité le traitement de tout membre du personnel suspendu préventivement qui fait l'objet:
1° d'une inculpation ou d'une prévention dans le cadre de poursuites pénales;
2° d'une condamnation pénale non définitive contre laquelle le membre du personnel a fait usage de ses droits de recours ordinaires;
3° d'une procédure disciplinaire engagée ou poursuivie à la suite d'une condamnation pénale définitive;
4° de poursuites disciplinaires en raison d'une faute grave pour laquelle il y a soit flagrant délit, soit des indices probants et dont l'appréciation appartient au Gouvernement;
d'une proposition de sanction disciplinaire prévue à l'article 105, alinéa 1er, 4°, 5°, 6° et 7°, ou alinéa 2.
Cette réduction du traitement ne peut avoir pour effet de ramener le traitement à un montant inférieur au montant des allocations de chômage auquel le membre du personnel aurait droit s'il bénéficiait du régime de sécurité sociale des travailleurs salariés.
Pour l'application de l'alinéa 2, 1° et 2°, cette réduction de traitement prend effet le premier jour du mois qui suit le jour de l'inculpation ou de la prévention ou du prononcé de la condamnation non définitive.
Pour l'application de l'alinéa 2, 3°, cette réduction de traitement déjà opérée en vertu de l'alinéa 2, 1° ou 2°, est maintenue au-delà de la condamnation définitive si le Ministre notifie au membre du personnel son intention de poursuivre ou d'engager la procédure disciplinaire.
Pour l'application de l'alinéa 2, 4°, la réduction de traitement prend effet le premier jour du mois qui suit la notification du Ministre au membre du personnel de l'application de cet alinéa 2, 4°.
Pour l'application de l'alinéa 2, 5°, cette réduction de traitement prend effet le jour où la proposition de sanction disciplinaire est soumise ou notifiée au membre du personnel.
Par dérogation à l'alinéa 1er, est fixé à la moitié de son traitement d'activité le traitement de tout membre du personnel suspendu préventivement qui fait l'objet:
1° d'une inculpation ou d'une prévention dans le cadre de poursuites pénales;
2° d'une condamnation pénale non définitive contre laquelle le membre du personnel a fait usage de ses droits de recours ordinaires;
3° d'une procédure disciplinaire engagée ou poursuivie à la suite d'une condamnation pénale définitive;
4° de poursuites disciplinaires en raison d'une faute grave pour laquelle il y a soit flagrant délit, soit des indices probants et dont l'appréciation appartient au Gouvernement;
d'une proposition de sanction disciplinaire prévue à l'article 105, alinéa 1er, 4°, 5°, 6° et 7°, ou alinéa 2.
Cette réduction du traitement ne peut avoir pour effet de ramener le traitement à un montant inférieur au montant des allocations de chômage auquel le membre du personnel aurait droit s'il bénéficiait du régime de sécurité sociale des travailleurs salariés.
Pour l'application de l'alinéa 2, 1° et 2°, cette réduction de traitement prend effet le premier jour du mois qui suit le jour de l'inculpation ou de la prévention ou du prononcé de la condamnation non définitive.
Pour l'application de l'alinéa 2, 3°, cette réduction de traitement déjà opérée en vertu de l'alinéa 2, 1° ou 2°, est maintenue au-delà de la condamnation définitive si le Ministre notifie au membre du personnel son intention de poursuivre ou d'engager la procédure disciplinaire.
Pour l'application de l'alinéa 2, 4°, la réduction de traitement prend effet le premier jour du mois qui suit la notification du Ministre au membre du personnel de l'application de cet alinéa 2, 4°.
Pour l'application de l'alinéa 2, 5°, cette réduction de traitement prend effet le jour où la proposition de sanction disciplinaire est soumise ou notifiée au membre du personnel.
Art. 136. Op het einde van de tuchtvordering of de strafrechtelijke procedure wordt de maatregel voor weddevermindering ingetrokken, behalve:
1° als de Regering het personeelslid een straf oplegt bedoeld in artikel 105, lid 1, 4°, 5°, 6° en 7° of lid 2;
2° als artikel 137, § 1, 2°, b), en 5° wordt toegepast;
3° als het personeelslid definitief strafrechtelijk veroordeling wordt, al dan niet gevolgd door een tuchtvordering.
Wanneer de maatregel om weddevermindering wordt ingetrokken bij toepassing van het lid 1, krijgt het personeelslid het aanvullend deel van zijn wedde dat oorspronkelijk ingehouden was, vermeerderd met de verwijlintresten berekend volgens het wettelijke tarief en verschuldigd sinds de dag waarop de vermindering verricht is.
De bedragen ontvangen door het personeelslid tijdens de preventieve schorsing blijven verworven.
Als de wedde van het personeelslid verminderd is bij toepassing van artikel 135, lid 2, 4° of 5°, en er op het einde van de tuchtvordering een sanctie van schorsing bij tuchtmaatregel uitgesproken wordt voor een minder lange duur dan de maatregel tot weddevermindering, wordt die laatste ingetrokken voor de periode na de duur van de schorsing bij tuchtmaatregel en krijgt het personeelslid in dat geval het aanvullende deel van zijn wedde dat onterecht ingehouden was tijdens die periode, vermeerderd met de verwijlintresten berekend volgens het wettelijke tarief en verschuldigd sinds de dag waarop de vermindering verricht is.
Het 4e lid wordt niet toegepast in het kader van een tuchtvordering ingesteld of voortgezet na een definitieve strafrechtelijke veroordeling.
1° als de Regering het personeelslid een straf oplegt bedoeld in artikel 105, lid 1, 4°, 5°, 6° en 7° of lid 2;
2° als artikel 137, § 1, 2°, b), en 5° wordt toegepast;
3° als het personeelslid definitief strafrechtelijk veroordeling wordt, al dan niet gevolgd door een tuchtvordering.
Wanneer de maatregel om weddevermindering wordt ingetrokken bij toepassing van het lid 1, krijgt het personeelslid het aanvullend deel van zijn wedde dat oorspronkelijk ingehouden was, vermeerderd met de verwijlintresten berekend volgens het wettelijke tarief en verschuldigd sinds de dag waarop de vermindering verricht is.
De bedragen ontvangen door het personeelslid tijdens de preventieve schorsing blijven verworven.
Als de wedde van het personeelslid verminderd is bij toepassing van artikel 135, lid 2, 4° of 5°, en er op het einde van de tuchtvordering een sanctie van schorsing bij tuchtmaatregel uitgesproken wordt voor een minder lange duur dan de maatregel tot weddevermindering, wordt die laatste ingetrokken voor de periode na de duur van de schorsing bij tuchtmaatregel en krijgt het personeelslid in dat geval het aanvullende deel van zijn wedde dat onterecht ingehouden was tijdens die periode, vermeerderd met de verwijlintresten berekend volgens het wettelijke tarief en verschuldigd sinds de dag waarop de vermindering verricht is.
Het 4e lid wordt niet toegepast in het kader van een tuchtvordering ingesteld of voortgezet na een definitieve strafrechtelijke veroordeling.
Art. 136. A l'issue de la procédure disciplinaire ou de la procédure pénale, la mesure de réduction de traitement est rapportée sauf si:
1° le Gouvernement inflige au membre du personnel une des sanctions prévues à l'article 105, alinéa 1er, 4°, 5°, 6° et 7°, ou alinéa 2;
2° il est fait application de l'article 137, § 1er, 2°, b), et 5° ;
3° le membre du personnel fait l'objet d'une condamnation pénale définitive suivie ou non d'une procédure disciplinaire.
Lorsque la mesure de réduction de traitement est rapportée en application de l'alinéa 1er, le membre du personnel reçoit le complément de son traitement initialement retenu augmenté des intérêts de retard calculés au taux légal et dus depuis le jour où la réduction a été opérée.
Les sommes perçues par le membre du personnel durant la suspension préventive lui restent acquises.
Si le traitement du membre du personnel a été réduit en application de l'article 135, alinéa 2, 4° ou 5°, et qu'au terme de la procédure disciplinaire, une sanction de suspension disciplinaire est prononcée pour une durée inférieure à la durée de la mesure de réduction de traitement, cette dernière est rapportée pour la période excédant la durée de la suspension disciplinaire et le membre du personnel perçoit dans ce cas le complément de son traitement, indûment retenu durant cette période, augmenté des intérêts de retard calculés au taux légal et dus depuis le jour où la réduction a été opérée.
L'alinéa 4 ne s'applique pas dans le cadre d'une procédure disciplinaire engagée ou poursuivie après une condamnation pénale définitive.
1° le Gouvernement inflige au membre du personnel une des sanctions prévues à l'article 105, alinéa 1er, 4°, 5°, 6° et 7°, ou alinéa 2;
2° il est fait application de l'article 137, § 1er, 2°, b), et 5° ;
3° le membre du personnel fait l'objet d'une condamnation pénale définitive suivie ou non d'une procédure disciplinaire.
Lorsque la mesure de réduction de traitement est rapportée en application de l'alinéa 1er, le membre du personnel reçoit le complément de son traitement initialement retenu augmenté des intérêts de retard calculés au taux légal et dus depuis le jour où la réduction a été opérée.
Les sommes perçues par le membre du personnel durant la suspension préventive lui restent acquises.
Si le traitement du membre du personnel a été réduit en application de l'article 135, alinéa 2, 4° ou 5°, et qu'au terme de la procédure disciplinaire, une sanction de suspension disciplinaire est prononcée pour une durée inférieure à la durée de la mesure de réduction de traitement, cette dernière est rapportée pour la période excédant la durée de la suspension disciplinaire et le membre du personnel perçoit dans ce cas le complément de son traitement, indûment retenu durant cette période, augmenté des intérêts de retard calculés au taux légal et dus depuis le jour où la réduction a été opérée.
L'alinéa 4 ne s'applique pas dans le cadre d'une procédure disciplinaire engagée ou poursuivie après une condamnation pénale définitive.
HOOFDSTUK XI. - Ambtsneerlegging
CHAPITRE XI. - De la cessation des fonctions
Art. 137. § 1. De personeelsleden van de algemene inspectiedienst die vast benoemd zijn, als stagiair of tijdelijk personeelslid zijn aangesteld, worden ambtshalve en zonder opzegtermijn ontheven uit hun ambt:
1° als zij niet regelmatig vast benoemd, toegelaten tot de stage of tijdelijk aangesteld zijn;
2° als zij niet langer voldoen aan de volgende voorwaarden:
a)[1 a) Belg zijn of staatsburger van een staat die deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland of in het bezit zijn van een geldige verblijfs- en werkvergunning]1;
b) burgerlijke en politieke rechten genieten;
c) voldaan hebben aan de dienstplichtwetten;
d) van onberispelijk gedrag zijn;
3° als zij, na een gewettigde afwezigheid, nalaten, zonder enige geldige reden, hun werk te hervatten en afwezig blijven gedurende een ononderbroken periode van meer dan tien dagen;
4° als zij, zonder enige geldige reden, hun werk verlaten en gedurende meer dan tien dagen ononderbroken afwezig blijven;
5° als zij zich in een geval bevinden waar de toepassing van de burgerlijke en strafwetten tot de ambtsneerlegging leidt;
6° als zij lijden aan een vroegtijdige invaliditeit die onder de door de wet bepaalde voorwaarden behoorlijk is vastgesteld en waardoor zij niet meer in staat zijn hun ambt volledig, op regelmatige basis en onafgebroken uit te oefenen;
7° wanneer een onverenigbaarheid wordt vastgesteld en geen enkel beroep bedoeld in artikel 48 werd ingediend of het personeelslid weigert, na de uitputting van de procedure, een onverenigbare bezigheid stop te zetten;
8° als zij op rustpensioen worden gesteld wegens leeftijdslimiet.
1° als zij niet regelmatig vast benoemd, toegelaten tot de stage of tijdelijk aangesteld zijn;
2° als zij niet langer voldoen aan de volgende voorwaarden:
a)[1 a) Belg zijn of staatsburger van een staat die deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland of in het bezit zijn van een geldige verblijfs- en werkvergunning]1;
b) burgerlijke en politieke rechten genieten;
c) voldaan hebben aan de dienstplichtwetten;
d) van onberispelijk gedrag zijn;
3° als zij, na een gewettigde afwezigheid, nalaten, zonder enige geldige reden, hun werk te hervatten en afwezig blijven gedurende een ononderbroken periode van meer dan tien dagen;
4° als zij, zonder enige geldige reden, hun werk verlaten en gedurende meer dan tien dagen ononderbroken afwezig blijven;
5° als zij zich in een geval bevinden waar de toepassing van de burgerlijke en strafwetten tot de ambtsneerlegging leidt;
6° als zij lijden aan een vroegtijdige invaliditeit die onder de door de wet bepaalde voorwaarden behoorlijk is vastgesteld en waardoor zij niet meer in staat zijn hun ambt volledig, op regelmatige basis en onafgebroken uit te oefenen;
7° wanneer een onverenigbaarheid wordt vastgesteld en geen enkel beroep bedoeld in artikel 48 werd ingediend of het personeelslid weigert, na de uitputting van de procedure, een onverenigbare bezigheid stop te zetten;
8° als zij op rustpensioen worden gesteld wegens leeftijdslimiet.
Modifications
Art. 137. § 1er. Les membres du personnel du Service général de l'Inspection nommés à titre définitif ou stagiaires ou désignés à titre provisoire sont démis de leurs fonctions, d'office et sans préavis:
1° s'ils n'ont pas été nommés à titre définitif ou admis au stage ou désignés à titre provisoire de façon régulière;
2° s'ils cessent de répondre aux conditions suivantes:
a)[1 être Belge ou ressortissant d'un Etat faisant partie de l'Espace économique européen ou de la Suisse ou disposer d'un titre de séjour et d'un permis de travail valides ]1;
b) jouir des droits civils et politiques;
c) avoir satisfait aux lois sur la milice;
d) être de conduite irréprochable;
3° si après une absence autorisée, ils négligent, sans motif valable, de reprendre leur service et restent absents pour une période ininterrompue de plus de dix jours;
4° s'ils abandonnent, sans motif valable, leur emploi et restent absents pendant une période ininterrompue de plus de dix jours;
5° s'ils se trouvent dans les cas où l'application des lois civiles et pénales entraine la cessation des fonctions;
6° s'ils sont atteints d'une invalidité prématurée dûment constatée dans les conditions fixées par la loi et les mettant hors d'état de remplir leurs fonctions d'une manière complète, régulière et continue;
7° si une incompatibilité est constatée et qu'aucun recours visé à l'article 48 n'a été introduit ou que le membre du personnel refuse de mettre fin à une occupation incompatible, le cas échéant après épuisement de la procédure;
8° s'ils sont mis à la retraite pour limite d'âge.
1° s'ils n'ont pas été nommés à titre définitif ou admis au stage ou désignés à titre provisoire de façon régulière;
2° s'ils cessent de répondre aux conditions suivantes:
a)[1 être Belge ou ressortissant d'un Etat faisant partie de l'Espace économique européen ou de la Suisse ou disposer d'un titre de séjour et d'un permis de travail valides ]1;
b) jouir des droits civils et politiques;
c) avoir satisfait aux lois sur la milice;
d) être de conduite irréprochable;
3° si après une absence autorisée, ils négligent, sans motif valable, de reprendre leur service et restent absents pour une période ininterrompue de plus de dix jours;
4° s'ils abandonnent, sans motif valable, leur emploi et restent absents pendant une période ininterrompue de plus de dix jours;
5° s'ils se trouvent dans les cas où l'application des lois civiles et pénales entraine la cessation des fonctions;
6° s'ils sont atteints d'une invalidité prématurée dûment constatée dans les conditions fixées par la loi et les mettant hors d'état de remplir leurs fonctions d'une manière complète, régulière et continue;
7° si une incompatibilité est constatée et qu'aucun recours visé à l'article 48 n'a été introduit ou que le membre du personnel refuse de mettre fin à une occupation incompatible, le cas échéant après épuisement de la procédure;
8° s'ils sont mis à la retraite pour limite d'âge.
Modifications
Art. 138. Voor de vast benoemde personeelsleden of stagiairs van de algemene inspectiedienst leiden volgende elementen ook tot de definitieve ambtsneerlegging:
1° vrijwillig ontslag: het personeelslid mag zijn dienst slechts verlaten wanneer hij hiervoor behoorlijk toestemming heeft gekregen overeenkomstig artikel 55;
2° de tuchtsanctie van ontslag bij tuchtmaatregel of afzetting bedoeld in artikel 105.
1° vrijwillig ontslag: het personeelslid mag zijn dienst slechts verlaten wanneer hij hiervoor behoorlijk toestemming heeft gekregen overeenkomstig artikel 55;
2° de tuchtsanctie van ontslag bij tuchtmaatregel of afzetting bedoeld in artikel 105.
Art. 138. Pour les membres du personnel du Service général de l'Inspection nommés à titre définitif ou stagiaires, entraînent également la cessation définitive des fonctions:
1° la démission volontaire: le membre du personnel ne peut abandonner son service qu'à condition d'y avoir été dûment autorisé conformément à l'article 55;
2° la sanction disciplinaire de la démission disciplinaire ou de la révocation visées à l'article 105.
1° la démission volontaire: le membre du personnel ne peut abandonner son service qu'à condition d'y avoir été dûment autorisé conformément à l'article 55;
2° la sanction disciplinaire de la démission disciplinaire ou de la révocation visées à l'article 105.
Art. 139. Onverminderd de toepassing van artikel 137 van onderhavig decreet, kan de Regering, met een opzegtermijn van twee weken, de stage van een personeelslid aangesteld als stagiair in een bevorderingsambt van inspecteur beëindigen.
Voor elke beslissing van de Regering moet het personeelslid worden uitgenodigd om te worden gehoord door de door de Regering aangestelde ambtenaar-generaal of de coördinerende inspecteur-generaal die hij daartoe aanstelt.
De oproeping voor een verhoor alsook de gronden waarvoor de Regering de stage wil beëindigen worden minstens vijf werkdagen voor de hoorzitting bekendgemaakt aan het personeelslid, ofwel per aangetekend schrijven met ontvangstbevestiging, ofwel bij overhandiging van een brief met ontvangstbewijs.
Tijdens de hoorzitting kan het personeelslid worden bijgestaan of vertegenwoordigd door een vertegenwoordiger van een erkende vakvereniging, een advocaat, een verdediger gekozen onder de personeelsleden van de algemene inspectiedienst, in activiteit of op rust.
Van de hoorzitting worden notulen opgesteld.
De procedure verloopt rechtsgeldig wanneer het personeelslid, behoorlijk opgeroepen, niet aanwezig is of wordt vertegenwoordigd op de hoorzitting.
De Regering neemt haar beslissing binnen de tien dagen na verzending van de notulen.
Voor elke beslissing van de Regering moet het personeelslid worden uitgenodigd om te worden gehoord door de door de Regering aangestelde ambtenaar-generaal of de coördinerende inspecteur-generaal die hij daartoe aanstelt.
De oproeping voor een verhoor alsook de gronden waarvoor de Regering de stage wil beëindigen worden minstens vijf werkdagen voor de hoorzitting bekendgemaakt aan het personeelslid, ofwel per aangetekend schrijven met ontvangstbevestiging, ofwel bij overhandiging van een brief met ontvangstbewijs.
Tijdens de hoorzitting kan het personeelslid worden bijgestaan of vertegenwoordigd door een vertegenwoordiger van een erkende vakvereniging, een advocaat, een verdediger gekozen onder de personeelsleden van de algemene inspectiedienst, in activiteit of op rust.
Van de hoorzitting worden notulen opgesteld.
De procedure verloopt rechtsgeldig wanneer het personeelslid, behoorlijk opgeroepen, niet aanwezig is of wordt vertegenwoordigd op de hoorzitting.
De Regering neemt haar beslissing binnen de tien dagen na verzending van de notulen.
Art. 139. Sans préjudice de l'application de l'article 137 du présent décret, moyennant un préavis de quinze jours, le Gouvernement peut mettre fin au stage d'un membre du personnel désigné en tant que stagiaire dans une fonction de promotion d'inspecteur.
Préalablement à toute décision du Gouvernement, le membre du personnel doit avoir été invité à se faire entendre par le fonctionnaire général désigné par le Gouvernement ou l'Inspecteur général coordonnateur qu'il délègue à cet effet.
La convocation à l'audition ainsi que les motifs en raison desquels le Gouvernement envisage de mettre fin au stage sont notifiés au membre du personnel cinq jours ouvrables au moins avant son audition, soit par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception, soit par la remise d'une lettre de la main à la main avec accusé de réception.
Au cours de l'audition, le membre du personnel peut se faire assister ou représenter par un représentant d'une organisation syndicale agréée, par un avocat ou par un défenseur choisi parmi les membres du personnel du Service général de l'Inspection, en activité de service ou retraités.
L'audition fait l'objet d'un procès-verbal.
La procédure se poursuit valablement lorsque le membre du personnel, dûment convoqué, ne se présente pas à l'audition ou n'y est pas représenté.
Le Gouvernement prend sa décision dans les dix jours de la transmission du procès-verbal.
Préalablement à toute décision du Gouvernement, le membre du personnel doit avoir été invité à se faire entendre par le fonctionnaire général désigné par le Gouvernement ou l'Inspecteur général coordonnateur qu'il délègue à cet effet.
La convocation à l'audition ainsi que les motifs en raison desquels le Gouvernement envisage de mettre fin au stage sont notifiés au membre du personnel cinq jours ouvrables au moins avant son audition, soit par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception, soit par la remise d'une lettre de la main à la main avec accusé de réception.
Au cours de l'audition, le membre du personnel peut se faire assister ou représenter par un représentant d'une organisation syndicale agréée, par un avocat ou par un défenseur choisi parmi les membres du personnel du Service général de l'Inspection, en activité de service ou retraités.
L'audition fait l'objet d'un procès-verbal.
La procédure se poursuit valablement lorsque le membre du personnel, dûment convoqué, ne se présente pas à l'audition ou n'y est pas représenté.
Le Gouvernement prend sa décision dans les dix jours de la transmission du procès-verbal.
TITEL IV. - OVERGANGS- EN WIJZIGINGSBEPALINGEN, OPHEFFINGSBEPALING EN SLOTBEPALING
TITRE IV. - DISPOSITIONS TRANSITOIRES ET MODIFICATIVE, DISPOSITION ABROGATOIRE ET DISPOSITION FINALE
HOOFDSTUK I. - Overgangsbepalingen
CHAPITRE Ier. - Dispositions transitoires
Art. 141. Onder voorbehoud van lid 2 worden de personeelsleden die, op de dag na de inwerkingtreding van onderhavig decreet, vast benoemd zijn in het ambt van inspecteur krachtens het decreet van 8 maart 2007 betreffende de algemene inspectiedienst, de dienst voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, de cellen voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs en het statuut van de personeelsleden van de algemene inspectiedienst en pedagogische adviseurs, beschouwd als vast benoemd binnen de algemene inspectiedienst in hetzelfde ambt, op de datum van de inwerkingtreding van onderhavig decreet.
De personeelsleden die, op de dag na de inwerkingtreding van onderhavig decreet, vast benoemd zijn in het ambt van inspecteur voor een godsdienstles krachtens artikel 9, lid 1, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, worden beschouwd als vast benoemd binnen de algemene inspectiedienst op de datum van de inwerkingtreding van onderhavig decreet, in het ambt van de overeenkomende inspecteur (zie tabel in bijlage I).
De personeelsleden die, op de dag na de inwerkingtreding van onderhavig decreet, zijn aangesteld en benoemd door het hoofd van hun godsdienst voor de inspectie van een godsdienstles krachtens artikel 9, lid 1, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, worden beschouwd als vast benoemd binnen de algemene inspectiedienst op de datum van de inwerkingtreding van onderhavig decreet, in het ambt van de overeenkomende inspecteur (zie tabel in bijlage I).
De personeelsleden die, op de dag na de inwerkingtreding van onderhavig decreet, vast benoemd zijn in het ambt van inspecteur voor een godsdienstles krachtens artikel 9, lid 1, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, worden beschouwd als vast benoemd binnen de algemene inspectiedienst op de datum van de inwerkingtreding van onderhavig decreet, in het ambt van de overeenkomende inspecteur (zie tabel in bijlage I).
De personeelsleden die, op de dag na de inwerkingtreding van onderhavig decreet, zijn aangesteld en benoemd door het hoofd van hun godsdienst voor de inspectie van een godsdienstles krachtens artikel 9, lid 1, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, worden beschouwd als vast benoemd binnen de algemene inspectiedienst op de datum van de inwerkingtreding van onderhavig decreet, in het ambt van de overeenkomende inspecteur (zie tabel in bijlage I).
Art. 141. Sous réserve de l'alinéa 2, les membres du personnel qui, à la veille de l'entrée en vigueur du présent décret, sont nommés à titre définitif à la fonction d'inspecteur en vertu du décret du 8 mars 2007 relatif au service général de l'inspection, au service de conseil et de soutien pédagogiques de l'enseignement organisé par la Communauté française, aux cellules de conseil et de soutien pédagogiques de l'enseignement subventionné par la Communauté française et au statut des membres du personnel du service général de l'inspection et des conseillers pédagogiques, sont réputés nommés à titre définitif au sein du Service général de l'Inspection dans la même fonction, à la date d'entrée en vigueur du présent décret.
Les membres du personnel qui, à la veille de l'entrée en vigueur du présent décret, sont nommés à titre définitif à la fonction d'inspecteur d'un cours de religion en vertu de l'article 9, alinéa 1er, de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement, sont réputés nommés à titre définitif au sein du Service général de l'Inspection à la date d'entrée en vigueur du présent décret, à la fonction d'inspecteur correspondante (tableau de l'annexe Ire).
Les membres du personnel qui, à la veille de l'entrée en vigueur du présent décret, sont désignés et nommés par leur chef de culte pour l'inspection d'un cours de religion en vertu de l'article 9, alinéas 2 et 3, de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement, sont réputés nommés à titre définitif au sein du Service général de l'Inspection à la date d'entrée en vigueur du présent décret, à la fonction d'inspecteur correspondante (tableau de l'annexe Ire).
Les membres du personnel qui, à la veille de l'entrée en vigueur du présent décret, sont nommés à titre définitif à la fonction d'inspecteur d'un cours de religion en vertu de l'article 9, alinéa 1er, de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement, sont réputés nommés à titre définitif au sein du Service général de l'Inspection à la date d'entrée en vigueur du présent décret, à la fonction d'inspecteur correspondante (tableau de l'annexe Ire).
Les membres du personnel qui, à la veille de l'entrée en vigueur du présent décret, sont désignés et nommés par leur chef de culte pour l'inspection d'un cours de religion en vertu de l'article 9, alinéas 2 et 3, de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement, sont réputés nommés à titre définitif au sein du Service général de l'Inspection à la date d'entrée en vigueur du présent décret, à la fonction d'inspecteur correspondante (tableau de l'annexe Ire).
Art. 142. De coördinerende inspecteur-generaal, de inspecteurs-generaal en de inspecteurs belast met de coördinatie van de inspectie die in deze hoedanigheid zijn aangesteld op de dag na de inwerkingtreding van onderhavig decreet, worden op de datum van de inwerkingtreding van onderhavig decreet beschouwd als aangesteld als respectievelijk coördinerende inspecteur-generaal, inspecteurs-generaal en coördinerende inspecteurs binnen dezelfde dienst tot na het verstrijken van hun lopende mandaat.
Art. 142. L'Inspecteur général coordonnateur, les Inspecteurs généraux et les Inspecteurs chargés de la coordination de l'Inspection désignés en cette qualité à la veille de l'entrée en vigueur du présent décret sont réputés désignés respectivement comme Inspecteur général coordonnateur, comme Inspecteurs généraux et comme Inspecteurs coordonnateurs, au sein du même service, ceci jusqu'au terme de leur mandat en cours à la date de l'entrée en vigueur du présent décret.
Art. 143. In afwijking van artikel 57 blijven de personeelsleden die voorlopig zijn aangesteld als inspecteur op de dag na de inwerkingtreding van onderhavig decreet genieten van hun voorlopige aanstelling.
Onder de personeelsleden die voorlopig zijn aangesteld bedoeld in lid 1, blijven diegenen die een betrekking hebben die niet langer is opgenomen in het kader bedoeld in artikel 9, lid 2, genieten van hun voorlopige aanstelling tot 31 augustus 2023.
Onder de personeelsleden die voorlopig zijn aangesteld bedoeld in lid 1, blijven diegenen die een betrekking hebben die niet langer is opgenomen in het kader bedoeld in artikel 9, lid 2, genieten van hun voorlopige aanstelling tot aan de start van de stage van inspecteurs-stagiairs aangesteld krachtens onderhavig decreet.
Is het aantal stagiairs per ambt overeenkomstig het vastgestelde kader voor de eerste keer na de inwerkingtreding van onderhavig decreet krachtens artikel 9, lid 2, kleiner dan het aantal voorlopig aangestelde personeelsleden in het overeenkomende ambt, worden eerste de meest recente voorlopig aangestelde stagiairs beëindigd.
Onder de personeelsleden die voorlopig zijn aangesteld bedoeld in lid 1, blijven diegenen die een betrekking hebben die niet langer is opgenomen in het kader bedoeld in artikel 9, lid 2, genieten van hun voorlopige aanstelling tot 31 augustus 2023.
Onder de personeelsleden die voorlopig zijn aangesteld bedoeld in lid 1, blijven diegenen die een betrekking hebben die niet langer is opgenomen in het kader bedoeld in artikel 9, lid 2, genieten van hun voorlopige aanstelling tot aan de start van de stage van inspecteurs-stagiairs aangesteld krachtens onderhavig decreet.
Is het aantal stagiairs per ambt overeenkomstig het vastgestelde kader voor de eerste keer na de inwerkingtreding van onderhavig decreet krachtens artikel 9, lid 2, kleiner dan het aantal voorlopig aangestelde personeelsleden in het overeenkomende ambt, worden eerste de meest recente voorlopig aangestelde stagiairs beëindigd.
Art. 143. Par dérogation à l'article 57, les membres du personnel désignés à titre provisoire en qualité d'inspecteur à la veille de l'entrée en vigueur du présent décret continuent à bénéficier de leur désignation à titre provisoire.
Parmi les membres du personnel désignés à titre provisoire visés à l'alinéa 1er, ceux qui occupent un emploi qui n'est plus repris dans le cadre visé à l'article 9, alinéa 2, continuent à bénéficier de leur désignation à titre provisoire jusqu'au 31 août 2023.
Parmi les membres du personnel désignés à titre provisoire visés à l'alinéa 1er, ceux qui occupent un emploi qui est repris dans le cadre visé à l'article 9, alinéa 2, continuent à bénéficier de leur désignation à titre provisoire jusqu'à l'entrée en stage des inspecteurs-stagiaires désignés en vertu du présent décret.
Si le nombre d'entrées en stage par fonction conformément au cadre arrêté pour la première fois après l'entrée en vigueur du présent décret en vertu de l'article 9, alinéa 2, est inférieur au nombre de membres du personnel désignés à titre provisoire dans la fonction correspondante, il est mis fin par priorité aux désignations à titre provisoire les plus récentes.
Parmi les membres du personnel désignés à titre provisoire visés à l'alinéa 1er, ceux qui occupent un emploi qui n'est plus repris dans le cadre visé à l'article 9, alinéa 2, continuent à bénéficier de leur désignation à titre provisoire jusqu'au 31 août 2023.
Parmi les membres du personnel désignés à titre provisoire visés à l'alinéa 1er, ceux qui occupent un emploi qui est repris dans le cadre visé à l'article 9, alinéa 2, continuent à bénéficier de leur désignation à titre provisoire jusqu'à l'entrée en stage des inspecteurs-stagiaires désignés en vertu du présent décret.
Si le nombre d'entrées en stage par fonction conformément au cadre arrêté pour la première fois après l'entrée en vigueur du présent décret en vertu de l'article 9, alinéa 2, est inférieur au nombre de membres du personnel désignés à titre provisoire dans la fonction correspondante, il est mis fin par priorité aux désignations à titre provisoire les plus récentes.
Art. 144. § 1. In afwijking van artikel 21 zijn de voorlopig in het ambt van inspecteur aangestelde personeelsleden op de dag na de inwerkingtreding van onderhavig decreet vrijgesteld van de proef bedoeld in artikel 17 op voorwaarde dat ze de vermelding `gunstig' hebben gekregen op hun evaluatie bedoeld in artikel 89 van onderhavig decreet.
Indien de inspecteur die voorlopig is aangesteld en zich beroept op het voordeel van lid 1 niet is geëvalueerd zoals bedoeld in artikel 89, § 2, voor 1 januari 2020, wordt aangenomen dat de evaluatie gunstig was.
§ 2 [1 ...]1.
Indien de inspecteur die voorlopig is aangesteld en zich beroept op het voordeel van lid 1 niet is geëvalueerd zoals bedoeld in artikel 89, § 2, voor 1 januari 2020, wordt aangenomen dat de evaluatie gunstig was.
§ 2 [1 ...]1.
Modifications
Art. 144. § 1er. Par dérogation à l'article 21, les membres du personnel désignés à titre provisoire en qualité d'inspecteur à la veille de l'entrée en vigueur du présent décret sont dispensés de l'épreuve visée à l'article 17 pour autant qu'ils aient obtenu la mention " favorable " à l'évaluation prévue à l'article 89 du présent décret.
Dans l'hypothèse où l'inspecteur désigné à titre provisoire se prévalant du bénéfice de l'alinéa 1er n'a pas fait l'objet de l'évaluation visée à l'article 89, § 2, avant le 1er janvier 2020, celle-ci est réputée favorable.
§ 2.[1 ...]1
Dans l'hypothèse où l'inspecteur désigné à titre provisoire se prévalant du bénéfice de l'alinéa 1er n'a pas fait l'objet de l'évaluation visée à l'article 89, § 2, avant le 1er janvier 2020, celle-ci est réputée favorable.
§ 2.[1 ...]1
Modifications
HOOFDSTUK II. - Wijzigingsbepalingen
CHAPITRE II. - Dispositions modificatives
Art. 145. In artikel 9, lid 1 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving wordt het volgende vervangen:
"De inspectie van godsdienstlessen in onderwijsinrichtingen georganiseerd en gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap wordt verzekerd door de inspecteurs van de godsdienstlessen die zijn benoemd overeenkomstig het decreet van 10 januari 2019 betreffende de algemene inspectiedienst.".
"De inspectie van godsdienstlessen in onderwijsinrichtingen georganiseerd en gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap wordt verzekerd door de inspecteurs van de godsdienstlessen die zijn benoemd overeenkomstig het decreet van 10 januari 2019 betreffende de algemene inspectiedienst.".
Art. 145. A l'article 9, l'alinéa 1er de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement est remplacée par ce qui suit:
" L'inspection des cours de religion dans les établissements d'enseignement organisé et subventionné par la Communauté française est assurée par les inspecteurs des cours de religion nommés conformément au décret du 10 janvier 2019 relatif au Service général de l'Inspection. ".
" L'inspection des cours de religion dans les établissements d'enseignement organisé et subventionné par la Communauté française est assurée par les inspecteurs des cours de religion nommés conformément au décret du 10 janvier 2019 relatif au Service général de l'Inspection. ".
Art. 146. In artikel 9 van dezelfde wet worden lid 2, 3 en 4 opgeheven.
Art. 146. A l'article 9 de la même loi, les alinéas 2, 3 et 4 sont abrogés.
Art. 147. De titel van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot vaststelling van het statuut van de leermeesters, de leraars en de inspecteurs katholieke, protestantse, Israëlische, orthodoxe en islamitische godsdiensten van de onderwijsinrichtingen van de Franse Gemeenschap wordt als volgt gewijzigd;
"Koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot vaststelling van het statuut van de leermeesters en leraars katholieke, protestantse, Israëlische, orthodoxe en islamitische godsdiensten van de onderwijsinrichtingen van de Franse Gemeenschap".
"Koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot vaststelling van het statuut van de leermeesters en leraars katholieke, protestantse, Israëlische, orthodoxe en islamitische godsdiensten van de onderwijsinrichtingen van de Franse Gemeenschap".
Art. 147. L'intitulé de l'arrêté royal du 25 octobre 1971 fixant le statut des maîtres de religion, des professeurs de religion et des inspecteurs de religion des religions catholique, protestante, israélite, orthodoxe et islamique des établissements d'enseignement de la Communauté française est remplacé par un intitulé rédigé comme suit:
" Arrêté royal fixant le statut des maîtres et des professeurs de religion des religions catholique, protestante, israélite, orthodoxe et islamique des établissements d'enseignement de la Communauté française ".
" Arrêté royal fixant le statut des maîtres et des professeurs de religion des religions catholique, protestante, israélite, orthodoxe et islamique des établissements d'enseignement de la Communauté française ".
Art. 148. Artikel 1, lid 1 van hetzelfde koninklijk besluit wordt vervangen door een nieuw lid dat als volgt wordt opgesteld:
"Onderhavig besluit is van toepassing op leermeesters en leraars katholieke, protestantse, Israëlische, orthodoxe en islamitische godsdiensten van de onderwijsinrichtingen van de Franse Gemeenschap".
"Onderhavig besluit is van toepassing op leermeesters en leraars katholieke, protestantse, Israëlische, orthodoxe en islamitische godsdiensten van de onderwijsinrichtingen van de Franse Gemeenschap".
Art. 148. A l'article 1er, l'alinéa 1er du même arrêté royal est remplacé par un nouvel alinéa rédigé comme suit:
" Le présent arrêté s'applique aux maîtres de religion et aux professeurs de religion des religions catholique, protestante, israélite, orthodoxe et islamique des établissements d'enseignement de la Communauté française. ".
" Le présent arrêté s'applique aux maîtres de religion et aux professeurs de religion des religions catholique, protestante, israélite, orthodoxe et islamique des établissements d'enseignement de la Communauté française. ".
Art. 149. Artikel 31 en artikel 32, lid 2, van hetzelfde koninklijk besluit worden opgeheven.
Art. 149. L'article 31 et l'article 32, alinéa 2, du même arrêté royal sont abrogés.
Art. 150. Artikel 3, paragraaf 1, 2°, van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel wordt als volgt aangevuld:
"e) van de algemene inspectiedienst die ressorteert onder de Regering van de Franse Gemeenschap".
"e) van de algemene inspectiedienst die ressorteert onder de Regering van de Franse Gemeenschap".
Art. 150. L'article 3, paragraphe 1er, 2°, de l'arrêté royal du 28 septembre 1984 portant exécution de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités est complété par les termes suivants:
" e) du Service général de l'Inspection relevant du Gouvernement de la Communauté française ".
" e) du Service général de l'Inspection relevant du Gouvernement de la Communauté française ".
Art. 151. Artikel 61 van het decreet van 24 juli 1997 dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren, opgeheven door het decreet van 27 maart 2002, wordt als volgt hersteld:
"Artikel 61. § 1. Binnen het Ministerie wordt een cel voor coördinatiebemiddeling opgericht die bestaat uit:
1° de ambtenaar-generaal belast met de algemene directie voor de sturing van het onderwijssysteem of zijn afgevaardigde;
2° de coördinerende inspecteur-generaal van de algemene inspectiedienst of zijn afgevaardigde;
3° de coördinerende afgevaardigde van de Algemene Dienst Sturing van scholen en psychisch-medisch-sociale centra of zijn afgevaardigde.
De cel voor coördinatiebemiddeling:
1° voert de coördinatie tussen de algemene inspectiedienst en de Algemene Dienst Sturing van scholen en psychisch-medisch-sociale centra, alsook de coördinatie tussen beide hiervoor genoemde algemene diensten en de diensten en directies binnen de algemene directie voor begeleiding van het onderwijssysteem;
2° oefent de taken uit die aan haar werden toevertrouwd met het decreet van 10 januari 2019 betreffende de algemene inspectiedienst;
3° oefent de taken uit die aan haar werden toevertrouwd met het decreet van 13 september 2018 tot oprichting van de Algemene Dienst Sturing van scholen en psychisch-medisch-sociale centra en tot bepaling van het statuut van de zonedirecteurs en afgevaardigden voor de doelstellingenovereenkomst;
4° oefent elke andere taak uit die aan haar werden toevertrouwd door de Regering.
§ 2. De cel voor coördinatiebemiddeling stelt haar eigen intern reglement op. Dit wordt goedgekeurd door de Regering. Het stelt ten minste:
1° de ambtenaar belast met de algemene directie voor de sturing van het onderwijssysteem of zijn afgevaardigde optreedt als voorzitter en de agenda bepaalt;
2° de cel voor coördinatiebemiddeling komt minstens één keer per maand samen, behalve tijdens de maande juli en augustus, en bepaalt de andere regels voor spoedoverleg, inzonderheid in geval van specifieke onderzoeks- en toezichthoudende taken;
3° de beslissingen worden genomen met naleving van de consensusregeling;
4° wanneer de cel voor coördinatiebemiddeling een taak uitvoert bedoeld in paragraaf 1, lid 2, 2°, zetelt de coördinerende afgevaardigde van de Algemene Dienst Sturing van scholen en psychisch-medisch-sociale centra of zijn afgevaardigde als waarnemer;
5° wanneer de cel voor coördinatiebemiddeling een taak uitvoert bedoeld in paragraaf 1, lid 2, 3°, zetelt de coördinerende inspecteur-generaal van de algemene inspectiedienst of zijn afgevaardigde als waarnemer;
6° als de cel voor coördinatiebemiddeling een taak die verband houdt met artikel 4, §§ 2 en 5, 5, §§ 2, 3, en 8, 6, §§ 1 en 4, en 7, §§ 2 en 5, van het decreet van 10 januari 2019 betreffende de algemene inspectiedienst, nodigt ze de directeur van de directie voor educatieve standaards en evaluaties alsook de ambtenaar-generaal belast met de algemene dienst voor analyses en prospecties uit om te zetelen als waarnemers;
7° als de cel voor coördinatiebemiddeling een taak die verband houdt met artikel 5, § 1, 5° en 7, § 1, 4, van het decreet van 13 september 2018 tot oprichting van de Algemene Dienst Sturing van scholen en psychisch-medisch-sociale centra en tot bepaling van het statuut van de zonedirecteurs en afgevaardigden voor de doelstellingenovereenkomst, nodigt ze de directeur van de directie voor educatieve standaards en evaluaties alsook de ambtenaar-generaal belast met de algemene dienst voor analyses en prospectief onderzoek uit om te zetelen als waarnemers."
"Artikel 61. § 1. Binnen het Ministerie wordt een cel voor coördinatiebemiddeling opgericht die bestaat uit:
1° de ambtenaar-generaal belast met de algemene directie voor de sturing van het onderwijssysteem of zijn afgevaardigde;
2° de coördinerende inspecteur-generaal van de algemene inspectiedienst of zijn afgevaardigde;
3° de coördinerende afgevaardigde van de Algemene Dienst Sturing van scholen en psychisch-medisch-sociale centra of zijn afgevaardigde.
De cel voor coördinatiebemiddeling:
1° voert de coördinatie tussen de algemene inspectiedienst en de Algemene Dienst Sturing van scholen en psychisch-medisch-sociale centra, alsook de coördinatie tussen beide hiervoor genoemde algemene diensten en de diensten en directies binnen de algemene directie voor begeleiding van het onderwijssysteem;
2° oefent de taken uit die aan haar werden toevertrouwd met het decreet van 10 januari 2019 betreffende de algemene inspectiedienst;
3° oefent de taken uit die aan haar werden toevertrouwd met het decreet van 13 september 2018 tot oprichting van de Algemene Dienst Sturing van scholen en psychisch-medisch-sociale centra en tot bepaling van het statuut van de zonedirecteurs en afgevaardigden voor de doelstellingenovereenkomst;
4° oefent elke andere taak uit die aan haar werden toevertrouwd door de Regering.
§ 2. De cel voor coördinatiebemiddeling stelt haar eigen intern reglement op. Dit wordt goedgekeurd door de Regering. Het stelt ten minste:
1° de ambtenaar belast met de algemene directie voor de sturing van het onderwijssysteem of zijn afgevaardigde optreedt als voorzitter en de agenda bepaalt;
2° de cel voor coördinatiebemiddeling komt minstens één keer per maand samen, behalve tijdens de maande juli en augustus, en bepaalt de andere regels voor spoedoverleg, inzonderheid in geval van specifieke onderzoeks- en toezichthoudende taken;
3° de beslissingen worden genomen met naleving van de consensusregeling;
4° wanneer de cel voor coördinatiebemiddeling een taak uitvoert bedoeld in paragraaf 1, lid 2, 2°, zetelt de coördinerende afgevaardigde van de Algemene Dienst Sturing van scholen en psychisch-medisch-sociale centra of zijn afgevaardigde als waarnemer;
5° wanneer de cel voor coördinatiebemiddeling een taak uitvoert bedoeld in paragraaf 1, lid 2, 3°, zetelt de coördinerende inspecteur-generaal van de algemene inspectiedienst of zijn afgevaardigde als waarnemer;
6° als de cel voor coördinatiebemiddeling een taak die verband houdt met artikel 4, §§ 2 en 5, 5, §§ 2, 3, en 8, 6, §§ 1 en 4, en 7, §§ 2 en 5, van het decreet van 10 januari 2019 betreffende de algemene inspectiedienst, nodigt ze de directeur van de directie voor educatieve standaards en evaluaties alsook de ambtenaar-generaal belast met de algemene dienst voor analyses en prospecties uit om te zetelen als waarnemers;
7° als de cel voor coördinatiebemiddeling een taak die verband houdt met artikel 5, § 1, 5° en 7, § 1, 4, van het decreet van 13 september 2018 tot oprichting van de Algemene Dienst Sturing van scholen en psychisch-medisch-sociale centra en tot bepaling van het statuut van de zonedirecteurs en afgevaardigden voor de doelstellingenovereenkomst, nodigt ze de directeur van de directie voor educatieve standaards en evaluaties alsook de ambtenaar-generaal belast met de algemene dienst voor analyses en prospectief onderzoek uit om te zetelen als waarnemers."
Art. 151. L'article 61 du décret du 24 juillet 1997 définissant les missions prioritaires de l'enseignement fondamental et de l'enseignement secondaire et organisant les structures propres à les atteindre, abrogé par le décret du 27 mars 2002, est rétabli dans la rédaction suivante:
" Article 61. § 1er. Il est créé au sein du Ministère une Cellule intermédiaire de coordination dont les membres sont:
1° le fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système éducatif ou son délégué;
2° l'Inspecteur général coordonnateur du Service général de l'Inspection ou son délégué;
3° le Délégué coordonnateur Service général de Pilotage des Ecoles et des Centres psycho-médico-sociaux ou son délégué.
La Cellule intermédiaire de coordination:
1° assure la coordination entre le Service général de l'Inspection et le Service général du Pilotage des Ecoles et des Centres psycho-médico-sociaux, ainsi que son rôle de coordination entre les deux Services généraux précités et les services et directions qui sont placés au sein de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif;
2° exerce les missions qui lui sont confiées par le décret du 10 janvier 2019 relatif au Service général de l'Inspection;
3° exerce les missions qui lui sont confiées par le décret du 13 septembre 2018 portant création du Service général de pilotage des écoles et Centres psycho-médico-sociaux et fixant le statut des directeurs de zone et délégués au contrat d'objectifs;
4° exerce toute autre mission qui lui est confiée par le Gouvernement.
§ 2. La Cellule intermédiaire de coordination fixe son règlement d'ordre intérieur. Il est approuvé par le Gouvernement. Il prévoit au moins que:
1° le fonctionnaire en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif ou son délégué la préside et en fixe l'ordre du jour;
2° la Cellule intermédiaire de coordination se réunit au moins une fois par mois sauf pendant les mois de juillet et août et prévoit les modalités de concertation en urgence, notamment dans le cas des missions d'investigation et de contrôle spécifique;
3° les décisions sont prises dans le respect de la règle du consensus;
4° lorsque la Cellule intermédiaire de coordination exerce une mission visée au paragraphe 1er, alinéa 2, 2°, le Délégué coordonnateur du Service général de Pilotage des Ecoles et des Centres psycho-médico-sociaux ou son délégué siège en tant qu'observateur;
5° lorsque la Cellule intermédiaire de coordination exerce une mission visée au paragraphe 1er, alinéa 2, 3°, l'Inspecteur général coordonnateur du Service général de l'Inspection ou son délégué siège en qualité d'observateur;
6° si la Cellule intermédiaire de coordination exerce une mission liée aux articles 4, §§ 2 et 5, 5, §§ 2, 3, et 8, 6, §§ 1er et 4, et 7, §§ 2 et 5, du décret du 10 janvier 2019 relatif au Service général de l'Inspection, elle invite le Directeur de la Direction des standards éducatifs et des évaluations ainsi que le fonctionnaire général en charge du Service général de l'analyse et de la prospective qui siègent en tant qu'observateurs;
7° si la Cellule intermédiaire de coordination exerce une mission liée aux articles 5, § 1er, 5°, et 7, § 1er, 4, du décret du 13 septembre 2018 portant création du Service général de pilotage des écoles et Centres psycho-médico-sociaux et fixant le statut des directeurs de zone et délégués au contrat d'objectifs, elle invite le Directeur de la Direction des standards éducatifs et des évaluations ainsi que le fonctionnaire général en charge du Service général de l'analyse et de la prospective qui siègent en tant qu'observateurs. ".
" Article 61. § 1er. Il est créé au sein du Ministère une Cellule intermédiaire de coordination dont les membres sont:
1° le fonctionnaire général en charge de la Direction générale du Pilotage du Système éducatif ou son délégué;
2° l'Inspecteur général coordonnateur du Service général de l'Inspection ou son délégué;
3° le Délégué coordonnateur Service général de Pilotage des Ecoles et des Centres psycho-médico-sociaux ou son délégué.
La Cellule intermédiaire de coordination:
1° assure la coordination entre le Service général de l'Inspection et le Service général du Pilotage des Ecoles et des Centres psycho-médico-sociaux, ainsi que son rôle de coordination entre les deux Services généraux précités et les services et directions qui sont placés au sein de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif;
2° exerce les missions qui lui sont confiées par le décret du 10 janvier 2019 relatif au Service général de l'Inspection;
3° exerce les missions qui lui sont confiées par le décret du 13 septembre 2018 portant création du Service général de pilotage des écoles et Centres psycho-médico-sociaux et fixant le statut des directeurs de zone et délégués au contrat d'objectifs;
4° exerce toute autre mission qui lui est confiée par le Gouvernement.
§ 2. La Cellule intermédiaire de coordination fixe son règlement d'ordre intérieur. Il est approuvé par le Gouvernement. Il prévoit au moins que:
1° le fonctionnaire en charge de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif ou son délégué la préside et en fixe l'ordre du jour;
2° la Cellule intermédiaire de coordination se réunit au moins une fois par mois sauf pendant les mois de juillet et août et prévoit les modalités de concertation en urgence, notamment dans le cas des missions d'investigation et de contrôle spécifique;
3° les décisions sont prises dans le respect de la règle du consensus;
4° lorsque la Cellule intermédiaire de coordination exerce une mission visée au paragraphe 1er, alinéa 2, 2°, le Délégué coordonnateur du Service général de Pilotage des Ecoles et des Centres psycho-médico-sociaux ou son délégué siège en tant qu'observateur;
5° lorsque la Cellule intermédiaire de coordination exerce une mission visée au paragraphe 1er, alinéa 2, 3°, l'Inspecteur général coordonnateur du Service général de l'Inspection ou son délégué siège en qualité d'observateur;
6° si la Cellule intermédiaire de coordination exerce une mission liée aux articles 4, §§ 2 et 5, 5, §§ 2, 3, et 8, 6, §§ 1er et 4, et 7, §§ 2 et 5, du décret du 10 janvier 2019 relatif au Service général de l'Inspection, elle invite le Directeur de la Direction des standards éducatifs et des évaluations ainsi que le fonctionnaire général en charge du Service général de l'analyse et de la prospective qui siègent en tant qu'observateurs;
7° si la Cellule intermédiaire de coordination exerce une mission liée aux articles 5, § 1er, 5°, et 7, § 1er, 4, du décret du 13 septembre 2018 portant création du Service général de pilotage des écoles et Centres psycho-médico-sociaux et fixant le statut des directeurs de zone et délégués au contrat d'objectifs, elle invite le Directeur de la Direction des standards éducatifs et des évaluations ainsi que le fonctionnaire général en charge du Service général de l'analyse et de la prospective qui siègent en tant qu'observateurs. ".
Art. 152. Artikel 1, § 2, van het decreet van 13 september 2018 tot oprichting van de Algemene Dienst Sturing van scholen en psychisch-medisch-sociale centra en tot bepaling van het statuut van de zonedirecteurs en wordt aangevuld met het volgende punt:
"13° "De cel voor coördinatiebemiddeling': de cel opgericht door artikel 61 van het takendecreet."
"13° "De cel voor coördinatiebemiddeling': de cel opgericht door artikel 61 van het takendecreet."
Art. 152. L'article 1er, § 2, du décret du 13 septembre 2018 portant création du Service général de Pilotage des Ecoles et des Centres psycho-médico-sociaux et fixant le statut des directeurs de zone et délégués au contrat d'objectifs est complété par un 13° rédigé comme suit:
" 13° " La Cellule intermédiaire de coordination ": la cellule crée par l'article 61 du Décret missions. ".
" 13° " La Cellule intermédiaire de coordination ": la cellule crée par l'article 61 du Décret missions. ".
Art. 153. Artikel 3, § 1, lid 2, van hetzelfde decreet wordt vervangen door de volgende bepaling:
"De cel voor coördinatiebemiddeling voert de coördinatie tussen de algemene inspectiedienst en de Algemene Dienst Sturing van scholen en psychisch-medisch-sociale centra, alsook de coördinatie tussen beide hiervoor genoemde algemene diensten en de diensten en directies binnen de algemene directie voor begeleiding van het onderwijssysteem."
"De cel voor coördinatiebemiddeling voert de coördinatie tussen de algemene inspectiedienst en de Algemene Dienst Sturing van scholen en psychisch-medisch-sociale centra, alsook de coördinatie tussen beide hiervoor genoemde algemene diensten en de diensten en directies binnen de algemene directie voor begeleiding van het onderwijssysteem."
Art. 153. L'article 3, § 1er, alinéa 2, du même décret est remplacé par la disposition suivante:
" La Cellule intermédiaire de coordination exerce la coordination entre le Service général de l'Inspection et le Service général du Pilotage des Ecoles et des Centres psycho-médico-sociaux, ainsi que la coordination entre les deux Services généraux précités et les services et directions placés au sein de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif. ".
" La Cellule intermédiaire de coordination exerce la coordination entre le Service général de l'Inspection et le Service général du Pilotage des Ecoles et des Centres psycho-médico-sociaux, ainsi que la coordination entre les deux Services généraux précités et les services et directions placés au sein de la Direction générale du Pilotage du Système Educatif. ".
Art. 154. Artikel 37 van hetzelfde decreet wordt vervangen door:
"Art. 37. Met de hoedanigheid van personeelslid is onverenigbaar, de uitoefening van elk mandaat, met inbegrip van een syndicaal mandaat, bij een inrichtende macht of een federatie van inrichtende machten waarvan één of meer onderwijsinrichtingen zich bevinden op het grondgebied waarop het personeelslid het ambt van zonedirecteur of zijn afgevaardigde bij de doelstellingenovereenkomst uitoefent."
"Art. 37. Met de hoedanigheid van personeelslid is onverenigbaar, de uitoefening van elk mandaat, met inbegrip van een syndicaal mandaat, bij een inrichtende macht of een federatie van inrichtende machten waarvan één of meer onderwijsinrichtingen zich bevinden op het grondgebied waarop het personeelslid het ambt van zonedirecteur of zijn afgevaardigde bij de doelstellingenovereenkomst uitoefent."
Art. 154. L'article 37 du même décret est remplacé par ce qui suit:
" Art. 37. Est incompatible avec la qualité de membre du personnel, l'exercice de tout mandat, en ce compris syndical, auprès d'un pouvoir organisateur ou d'une fédération de pouvoirs organisateurs dont un ou plusieurs établissement(s) d'enseignement est (sont) compris(s) dans le territoire sur lequel le membre du personnel exerce la fonction de directeur de zone ou de délégué au contrat d'objectifs. ".
" Art. 37. Est incompatible avec la qualité de membre du personnel, l'exercice de tout mandat, en ce compris syndical, auprès d'un pouvoir organisateur ou d'une fédération de pouvoirs organisateurs dont un ou plusieurs établissement(s) d'enseignement est (sont) compris(s) dans le territoire sur lequel le membre du personnel exerce la fonction de directeur de zone ou de délégué au contrat d'objectifs. ".
Art. 155. In de artikels 67 en 82 van hetzelfde decreet wordt paragraaf 4 telkens aangevuld met het volgende lid:
"Het personeelslid bedoeld in lid 1, kan binnen de tien dagen na kennisgeving langs hiërarchische weg per aangetekend schrijven een schriftelijke klacht indienen tegen de beslissing van niet-voltooiing bij de Raad van beroep bedoeld in artikel 121. Dit beroep is opschortend.
De Raad van beroep brengt zijn advies uit aan de Regering binnen een termijn van maximaal één maand vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift. De Regering neemt haar beslissing en kent de evaluatievermelding toe aan het stagedoend personeelslid binnen een termijn van maximaal één maand vanaf de datum van ontvangst van het advies."
"Het personeelslid bedoeld in lid 1, kan binnen de tien dagen na kennisgeving langs hiërarchische weg per aangetekend schrijven een schriftelijke klacht indienen tegen de beslissing van niet-voltooiing bij de Raad van beroep bedoeld in artikel 121. Dit beroep is opschortend.
De Raad van beroep brengt zijn advies uit aan de Regering binnen een termijn van maximaal één maand vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift. De Regering neemt haar beslissing en kent de evaluatievermelding toe aan het stagedoend personeelslid binnen een termijn van maximaal één maand vanaf de datum van ontvangst van het advies."
Art. 155. Dans les articles 67 et 82 du même décret, le paragraphe 4 est chaque fois complété les alinéas rédigés comme suit:
" Le membre du personnel visé à l'alinéa 1er, peut introduire, par envoi recommandé, un recours écrit contre la décision de non-réussite du stage, par la voie hiérarchique, dans les dix jours de sa notification auprès de la Chambre de recours visée à l'article 121. Ce recours est suspensif.
La Chambre de recours remet son avis au Gouvernement dans un délai maximum d'un mois à partir de la date de réception du recours. Le Gouvernement prend sa décision et attribue la mention d'évaluation au membre du personnel stagiaire dans un délai maximum d'un mois à dater de la réception de l'avis. ".
" Le membre du personnel visé à l'alinéa 1er, peut introduire, par envoi recommandé, un recours écrit contre la décision de non-réussite du stage, par la voie hiérarchique, dans les dix jours de sa notification auprès de la Chambre de recours visée à l'article 121. Ce recours est suspensif.
La Chambre de recours remet son avis au Gouvernement dans un délai maximum d'un mois à partir de la date de réception du recours. Le Gouvernement prend sa décision et attribue la mention d'évaluation au membre du personnel stagiaire dans un délai maximum d'un mois à dater de la réception de l'avis. ".
Art. 156. Artikel 123 van hetzelfde decreet wordt vervangen door:
"Art. 123. De Raad van beroep bestaat uit:
1° één voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter aangesteld door de Regering onder de ambtenaren-generaal van minstens rang 16;
2° drie leden aangesteld door de Regering onder de ambtenaren-generaal van het algemeen bestuur onderwijs van minstens rang 15;
3° drie leden aangesteld door vertegenwoordigers van erkende vakverenigingen onder de leden van de zonedirecteurs, waarbij elke vakvereniging minstens één vertegenwoordiger heeft;
4° een secretaris aangesteld door de Regering onder de ambtenaren van minstens niveau 2+ van de diensten van de Regering."
"Art. 123. De Raad van beroep bestaat uit:
1° één voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter aangesteld door de Regering onder de ambtenaren-generaal van minstens rang 16;
2° drie leden aangesteld door de Regering onder de ambtenaren-generaal van het algemeen bestuur onderwijs van minstens rang 15;
3° drie leden aangesteld door vertegenwoordigers van erkende vakverenigingen onder de leden van de zonedirecteurs, waarbij elke vakvereniging minstens één vertegenwoordiger heeft;
4° een secretaris aangesteld door de Regering onder de ambtenaren van minstens niveau 2+ van de diensten van de Regering."
Art. 156. L'article 123 du même décret est remplacé par ce qui suit:
" Art. 123. La Chambre de recours est composée:
1° d'un président et d'un président suppléant désignés par le Gouvernement parmi les fonctionnaires généraux de rang 16 au moins;
2° de trois membres désignés par le Gouvernement parmi les fonctionnaires généraux de l'Administration générale de l'Enseignement de rang 15 au moins;
3° de trois membres désignés par les organisations syndicales représentatives parmi les directeurs de zone, chaque organisation syndicale disposant au moins d'un représentant;
4° d'un secrétaire désigné par le Gouvernement parmi les agents de niveau 2+ au moins des Services du Gouvernement. ".
" Art. 123. La Chambre de recours est composée:
1° d'un président et d'un président suppléant désignés par le Gouvernement parmi les fonctionnaires généraux de rang 16 au moins;
2° de trois membres désignés par le Gouvernement parmi les fonctionnaires généraux de l'Administration générale de l'Enseignement de rang 15 au moins;
3° de trois membres désignés par les organisations syndicales représentatives parmi les directeurs de zone, chaque organisation syndicale disposant au moins d'un représentant;
4° d'un secrétaire désigné par le Gouvernement parmi les agents de niveau 2+ au moins des Services du Gouvernement. ".
Art. 157. Artikel 146 van hetzelfde decreet wordt vervangen door:
"Art. 146. Het mandaat van coördinerende afgevaardigde is voor de eerste keer voorzien wanneer de algemene dienst is voorzien overeenkomstig artikel 143 en de personeelsleden die toegang hebben tot de stage krachtens artikel 144 deze hebben voltooid.
Voor de eerste aanstelling in de betrekking van coördinerende afgevaardigde, wordt afgeweken van de voorwaarde bedoeld in artikel 44, lid 1, 2°.
In afwachting hiervan voert de directeur-generaal de taken van de coördinerende afgevaardigde uit."
"Art. 146. Het mandaat van coördinerende afgevaardigde is voor de eerste keer voorzien wanneer de algemene dienst is voorzien overeenkomstig artikel 143 en de personeelsleden die toegang hebben tot de stage krachtens artikel 144 deze hebben voltooid.
Voor de eerste aanstelling in de betrekking van coördinerende afgevaardigde, wordt afgeweken van de voorwaarde bedoeld in artikel 44, lid 1, 2°.
In afwachting hiervan voert de directeur-generaal de taken van de coördinerende afgevaardigde uit."
Art. 157. L'article 146 du même décret est remplacé par ce qui suit:
" Art. 146. Le mandat de Délégué coordonnateur est pourvu pour la première fois lorsque le Service général est pourvu conformément à l'article 143 et que les membres du personnel admis au stage en vertu de l'article 144 ont achevé celui-ci.
Pour la première désignation dans l'emploi de Délégué coordonnateur, il est dérogé à la condition visée à l'article 44, alinéa 1er, 2°.
Dans l'attente, le Directeur général assure les missions du Délégué coordonnateur. ".
" Art. 146. Le mandat de Délégué coordonnateur est pourvu pour la première fois lorsque le Service général est pourvu conformément à l'article 143 et que les membres du personnel admis au stage en vertu de l'article 144 ont achevé celui-ci.
Pour la première désignation dans l'emploi de Délégué coordonnateur, il est dérogé à la condition visée à l'article 44, alinéa 1er, 2°.
Dans l'attente, le Directeur général assure les missions du Délégué coordonnateur. ".
HOOFDSTUK III. - Opheffingsbepaling
CHAPITRE III. - Disposition abrogatoire
Art. 158. Het decreet van 8 maart 2007 betreffende de algemene inspectiedienst, de dienst voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, de cellen voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs en het statuut van de personeelsleden van de algemene inspectiedienst en pedagogische adviseurs, met uitzondering van de artikels 4, 5, 17 tot 25, en 149 tot 156, wordt opgeheven op de datum van de inwerkingtreding van onderhavig decreet wordt afgeweken.
In afwijking van lid 1 wordt op 1 september 2022 afgeweken van artikel 162 van het decreet van 8 maart 2007 hierboven.
In afwijking van lid 1 wordt op 1 september 2022 afgeweken van artikel 162 van het decreet van 8 maart 2007 hierboven.
Art. 158. Est abrogé, à la date d'entrée en vigueur du présent décret, le décret du 8 mars 2007 relatif au service général de l'inspection, au service de conseil et de soutien pédagogiques de l'enseignement organisé par la Communauté française, aux cellules de conseil et de soutien pédagogiques de l'enseignement subventionné par la Communauté française et au statut des membres du personnel du service général de l'inspection et des conseillers pédagogiques, à l'exception des articles 4, 5, 17 à 25, et 149 à 156.
Par dérogation à l'alinéa 1er, l'article 162 du décret du 8 mars 2007 précité est abrogé le 1er septembre 2022.
Par dérogation à l'alinéa 1er, l'article 162 du décret du 8 mars 2007 précité est abrogé le 1er septembre 2022.
HOOFDSTUK IV. - Slotbepaling
CHAPITRE IV. - Disposition finale
Art. 159. Artikel 7, § 1, treedt in werking op de door de Regering vastgelegde datum.
Art. 159. L'article 7, § 1er, entre en vigueur à la date fixée par le Gouvernement.
(NOTE : Entrée en vigueur de l'article 7 fixée au 01-09-2019 par ACF 2019-06-26/17, art. 5)
Art. 160. Artikels 152 tot 157 treden in werking op de dag van de publicatie van onderhavig decreet in het Belgisch Staatsblad.
Art. 160. Les articles 152 à 157 entrent en vigueur le jour de la publication du présent décret au Moniteur belge.
Art. 161. Met uitzondering van de bepalingen waarvan de inwerkingtreding is vastgelegd door artikels 159 en 160, treedt onderhavig decreet in werking op 1 september 2019.
Art. 161. A l'exception des dispositions dont l'entrée en vigueur est fixée par les articles 159 et 160, le présent décret entre en vigueur le 1er septembre 2019.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. (NOTA : geen Nederlandse versie, zie Franse versie)
Gewijzigd bij :
Gewijzigd bij :
Art. N. (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 26-02-2019, p. 18871)
(Modifié par :
)
-
Art. N DROIT FUTUR. (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 26-02-2019, p. 18871)
Modifié par :
Modifié par :
-
(Modifié par :
-