Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
26 OKTOBER 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van diverse bepalingen van het decreet van 4 maart 2016 houdende het Vlaamse doelgroepenbeleid
Titre
26 OCTOBRE 2018. - Arrêté du Gouvernement flamand portant exécution de diverses dispositions du décret du 4 mars 2016 relatif à la politique flamande des groupes cibles
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
Tekst (46)
Texte (46)
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen
CHAPITRE 1er. - Modifications de l'arrêté royal du 16 mai 2003 pris en exécution du Chapitre 7 du Titre IV de la Loi-programme du 24 décembre 2002 (I), visant à harmoniser et à simplifier les régimes de réductions de cotisations de sécurité sociale
Artikel 1. In artikel 6, 2°, van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2016, wordt de zinsnede "G6" vervangen door de zinsnede "G8".
Article 1er. Dans l'article 6, 2° de l'arrêté royal du 16 mai 2003 pris en exécution du Chapitre 7 du Titre IV de la Loi-programme du 24 décembre 2002 (I), visant à harmoniser et à simplifier les régimes de réductions de cotisations de sécurité sociale, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2016, le membre de phrase " G6 " est remplacé par le membre de phrase " G8 ".
Art. 2. In artikel 6/1, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2016, wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
"De doelgroepvermindering voor de indienstneming van oudere niet-werkende werkzoekenden bestaat uit een forfaitaire vermindering G7 tijdens het kwartaal van de indienstneming en de zeven daaropvolgende kwartalen, als de aangeworven werknemer op de laatste dag van het kwartaal van de indienstneming minimaal 55 jaar is en de leeftijd, vermeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, niet heeft bereikt.".
"De doelgroepvermindering voor de indienstneming van oudere niet-werkende werkzoekenden bestaat uit een forfaitaire vermindering G7 tijdens het kwartaal van de indienstneming en de zeven daaropvolgende kwartalen, als de aangeworven werknemer op de laatste dag van het kwartaal van de indienstneming minimaal 55 jaar is en de leeftijd, vermeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, niet heeft bereikt.".
Art. 2. Dans l'article 6/1, § 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2016, l'alinéa premier est remplacé par ce qui suit :
" La réduction groupe-cible pour l'engagement de demandeurs d'emploi âgés inoccupés se compose d'une réduction forfaitaire G7 durant le trimestre de l'engagement et les sept trimestres qui suivent si, au dernier jour du trimestre de l'engagement, le travailleur engagé est âgé de 55 ans au moins et n'a pas atteint l'âge visé à l'article 2 de l'arrêté royal du 23 décembre 1996 portant exécution des articles 15, 16 et 17 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions. ".
" La réduction groupe-cible pour l'engagement de demandeurs d'emploi âgés inoccupés se compose d'une réduction forfaitaire G7 durant le trimestre de l'engagement et les sept trimestres qui suivent si, au dernier jour du trimestre de l'engagement, le travailleur engagé est âgé de 55 ans au moins et n'a pas atteint l'âge visé à l'article 2 de l'arrêté royal du 23 décembre 1996 portant exécution des articles 15, 16 et 17 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions. ".
Art. 3. In artikel 6/2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
"1° het bedrag "13.400 euro" wordt vervangen door het bedrag "13.945 euro";
2° er wordt een tweede toegevoegd, dat luidt als volgt:
"In afwijking van de loongrens, vermeld in het eerste lid, bedraagt de loongrens voor het vierde kwartaal 18.545 euro, behoudens voor de uitzendkrachten. Vanaf 2020 bedraagt de loongrens voor die sector 18.545 euro in het eerste kwartaal.".
"1° het bedrag "13.400 euro" wordt vervangen door het bedrag "13.945 euro";
2° er wordt een tweede toegevoegd, dat luidt als volgt:
"In afwijking van de loongrens, vermeld in het eerste lid, bedraagt de loongrens voor het vierde kwartaal 18.545 euro, behoudens voor de uitzendkrachten. Vanaf 2020 bedraagt de loongrens voor die sector 18.545 euro in het eerste kwartaal.".
Art. 3. Dans l'article 6/2 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2016, sont apportées les modifications suivantes :
1° le montant " 13.400 euros " est remplacé par le montant " 13.945 euros " ;
2° il est inséré un alinéa deux, rédigé comme suit :
" Par dérogation au plafond salarial, visé à l'alinéa premier, le plafond salarial pour le quatrième trimestre s'élève à 18.545 euros, sauf pour les travailleurs intérimaires. A partir de 2020, la limite salariale pour ce secteur sera de 18.545 euros au premier trimestre. ".
1° le montant " 13.400 euros " est remplacé par le montant " 13.945 euros " ;
2° il est inséré un alinéa deux, rédigé comme suit :
" Par dérogation au plafond salarial, visé à l'alinéa premier, le plafond salarial pour le quatrième trimestre s'élève à 18.545 euros, sauf pour les travailleurs intérimaires. A partir de 2020, la limite salariale pour ce secteur sera de 18.545 euros au premier trimestre. ".
Art. 4. In artikel 18, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2016, wordt de zinsnede "G6" vervangen door de zinsnede "G7".
Art. 4. Dans l'article 18, § 2 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2016, le membre de phrase "G6" est remplacé par le membre de phrase "G7".
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2008 betreffende de professionele integratie van personen met een arbeidshandicap
CHAPITRE 2. - Modifications à l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 juillet 2008 relatif à l'intégration professionnelle des personnes atteintes d'un handicap à l'emploi
Art. 5. Artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2008 betreffende de professionele integratie van personen met een arbeidshandicap, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 december 2014 en 1 juli 2016, wordt vervangen door wat volgt:
"Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder:
1° alternerende opleiding: de alternerende opleiding, vermeld in artikel 2, 2°, van het decreet van 10 juni 2016 tot regeling van bepaalde aspecten van alternerende opleidingen;
2° arbeidshandicap: een langdurig en belangrijk probleem van deelname aan het arbeidsleven dat te wijten is aan het samenspel tussen functiestoornissen van mentale, psychische, lichamelijke of zintuiglijke aard, beperkingen bij het uitvoeren van activiteiten en persoonlijke en externe factoren;
3° besluit van 5 juni 2009: het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 houdende de organisatie van de arbeidsbemiddeling en de beroepsopleiding;
4° besluit van 17 februari 2017: het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017 tot uitvoering van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling;
5° bijzondere tewerkstellingsondersteunende maatregelen: de maatregelen die tot doel hebben een persoon met een indicatie van een arbeidshandicap beter te integreren op de arbeidsmarkt door aanpassingen te ondersteunen die rechtstreeks gerelateerd zijn aan de uitoefening van zijn job, of zijn zelfstandige activiteit of aan de begeleiding op de werkplek voor leerlingen in alternerende opleidingen of werkzoekenden in werkplekinstrumenten. Het gaat om aanpassingen van en aan de arbeidsomgeving, tegemoetkomingen in de verplaatsings- en verblijfkosten voor personen met een arbeidshandicap met mobiliteitsproblemen, de ondersteuning door gebarentaal-, schrijf- en oraal tolken, en de VOP;
6° gespecialiseerd vervoer: het niet-collectieve vervoer dat aangepast is en specifiek bedoeld is voor personen met een arbeidshandicap met mobiliteitsproblemen;
7° IBO: de individuele beroepsopleiding in de onderneming, vermeld in artikel 90 tot en met 97 van het besluit van 5 juni 2009;
6° K-IBO: de IBO voor kwetsbare werkzoekenden, vermeld in artikel 98/1 tot en met 98/4 van het besluit van 5 juni 2009;
7° persoon met een arbeidshandicap: de persoon met een indicatie van een arbeidshandicap voor wie de VDAB conform hoofdstuk II beslist dat hij recht heeft op een of meer bijzondere tewerkstellingsondersteunende maatregelen;
8° Vlaamse ondersteuningspremie, afgekort VOP: de tegemoetkoming aan een werkgever die een persoon met een arbeidshandicap aanwerft of heeft aangeworven, of aan een zelfstandige met een arbeidshandicap ter compensatie van de kosten van de inschakeling in het beroepsleven, de kosten van ondersteuning en van verminderde productiviteit die gerelateerd zijn aan de arbeidshandicap;
9° werkplekinstrumenten: de instrumenten van begeleiding op de werkvloer. Het gaat om de IBO, de K-IBO en de maatregelen, vermeld in artikel 41 tot en met 44 en artikel 111/0/1 tot en met 111/0/32 van het besluit van 5 juni 2009 en de gespecialiseerde oriënterende stage, vermeld in artikel 3, § 3 en § 4, van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 februari 2008 tot vaststelling van de regels voor de erkenning en financiering door de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding van de gespecialiseerde trajectbepaling- en begeleidingsdienst, de gespecialiseerde arbeidsonderzoeksdiensten en de gespecialiseerde opleidings-, begeleidings- en bemiddelingsdiensten.".
"Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder:
1° alternerende opleiding: de alternerende opleiding, vermeld in artikel 2, 2°, van het decreet van 10 juni 2016 tot regeling van bepaalde aspecten van alternerende opleidingen;
2° arbeidshandicap: een langdurig en belangrijk probleem van deelname aan het arbeidsleven dat te wijten is aan het samenspel tussen functiestoornissen van mentale, psychische, lichamelijke of zintuiglijke aard, beperkingen bij het uitvoeren van activiteiten en persoonlijke en externe factoren;
3° besluit van 5 juni 2009: het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 houdende de organisatie van de arbeidsbemiddeling en de beroepsopleiding;
4° besluit van 17 februari 2017: het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017 tot uitvoering van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling;
5° bijzondere tewerkstellingsondersteunende maatregelen: de maatregelen die tot doel hebben een persoon met een indicatie van een arbeidshandicap beter te integreren op de arbeidsmarkt door aanpassingen te ondersteunen die rechtstreeks gerelateerd zijn aan de uitoefening van zijn job, of zijn zelfstandige activiteit of aan de begeleiding op de werkplek voor leerlingen in alternerende opleidingen of werkzoekenden in werkplekinstrumenten. Het gaat om aanpassingen van en aan de arbeidsomgeving, tegemoetkomingen in de verplaatsings- en verblijfkosten voor personen met een arbeidshandicap met mobiliteitsproblemen, de ondersteuning door gebarentaal-, schrijf- en oraal tolken, en de VOP;
6° gespecialiseerd vervoer: het niet-collectieve vervoer dat aangepast is en specifiek bedoeld is voor personen met een arbeidshandicap met mobiliteitsproblemen;
7° IBO: de individuele beroepsopleiding in de onderneming, vermeld in artikel 90 tot en met 97 van het besluit van 5 juni 2009;
6° K-IBO: de IBO voor kwetsbare werkzoekenden, vermeld in artikel 98/1 tot en met 98/4 van het besluit van 5 juni 2009;
7° persoon met een arbeidshandicap: de persoon met een indicatie van een arbeidshandicap voor wie de VDAB conform hoofdstuk II beslist dat hij recht heeft op een of meer bijzondere tewerkstellingsondersteunende maatregelen;
8° Vlaamse ondersteuningspremie, afgekort VOP: de tegemoetkoming aan een werkgever die een persoon met een arbeidshandicap aanwerft of heeft aangeworven, of aan een zelfstandige met een arbeidshandicap ter compensatie van de kosten van de inschakeling in het beroepsleven, de kosten van ondersteuning en van verminderde productiviteit die gerelateerd zijn aan de arbeidshandicap;
9° werkplekinstrumenten: de instrumenten van begeleiding op de werkvloer. Het gaat om de IBO, de K-IBO en de maatregelen, vermeld in artikel 41 tot en met 44 en artikel 111/0/1 tot en met 111/0/32 van het besluit van 5 juni 2009 en de gespecialiseerde oriënterende stage, vermeld in artikel 3, § 3 en § 4, van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 februari 2008 tot vaststelling van de regels voor de erkenning en financiering door de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding van de gespecialiseerde trajectbepaling- en begeleidingsdienst, de gespecialiseerde arbeidsonderzoeksdiensten en de gespecialiseerde opleidings-, begeleidings- en bemiddelingsdiensten.".
Art. 5. L'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 juillet 2008 relatif à l'intégration professionnelle des personnes atteintes d'un handicap à l'emploi, tel que modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand du 19 décembre 2014 et du 1er juillet 2016, est remplacé par ce qui suit :
" Article 1er. Dans le présent arrêté on entend par :
1° formation en alternance : la formation en alternance, visée à l'article 2, 2°, du décret du 10 juin 2016 réglant certains aspects de formations en alternance ;
2° handicap à l'emploi : un problème important et de longue durée pour participer à la vie professionnelle dû à l'interaction entre des troubles fonctionnels de nature mentale, psychique, corporelle ou sensorielle, à des limitations dans l'exécution d'activités et à des facteurs personnels et externes ;
3° arrêté du 5 juin 2009 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 juin 2009 portant organisation de l'emploi et de la formation professionnelle ;
4° arrêté du 17 février 2017 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 février 2017 portant exécution du décret du 12 juillet 2013 relatif au travail adapté dans le cadre de l'intégration collective ;
5° mesures particulières d'aide à l'emploi : les mesures qui visent à mieux intégrer une personne avec une indication de handicap à l'emploi sur le marché du travail par le soutien d'adaptations directement liées à l'exercice de son emploi, à son activité indépendante ou à l'accompagnement sur le lieu de travail en faveur d'élèves suivant des formations en alternance ou de demandeurs d'emploi bénéficiant d'outils mis en oeuvre sur le lieu de travail. Il s'agit d'adaptations de et à l'environnement de travail, d'interventions dans les frais de déplacement et de séjour pour des personnes atteintes d'un handicap à l'emploi avec problèmes de mobilité, de soutien au moyen d'interprètes en langue de signes, oral ou en langue écrite, de la " VOP " (prime de soutien flamande) ;
6° transports spécialisés : transports non collectifs adaptés et spécifiquement destinés aux personnes ayant un handicap à l'emploi éprouvant des problèmes de mobilité ;
7° IBO: la formation professionnelle individuelle en entreprise, visée aux articles 90 à 97 de l'arrêté du 5 juin 2009 ;
6° IBO curative : la IBO en faveur de demandeurs d'emploi fragilisés, tels que visés aux articles 98/1 à 98/4 de l'arrêté du 5 juin 2009 ;
7° personne atteinte d'un handicap à l'emploi : personne ayant une indication de handicap à l'emploi pour qui le VDAB, sur la base du chapitre II, a décidé qu'elle a droit à une ou plusieurs des mesures particulières de soutien à l'emploi ;
8° prime flamande de soutien, abrégée comme " VOP " : l'intervention à un employeur qui recrute ou a recruté une personne atteinte d'un handicap à l'emploi ou à un indépendant atteint d'un handicap à l'emploi en compensation des frais d'insertion dans la vie active, des frais de soutien et de productivité réduite liés au handicap à l'emploi ;
9° outils sur le lieu de travail : les outils d'accompagnement sur le lieu de travail. Il s'agit de l'IBO, de l'IBO curative et des mesures visées aux articles 41 à 44 et aux articles 111/0/1 à 111/0/32 de l'arrêté du 5 juin 2009 et du stage d'orientation spécialisé visé à l'article 3, § 3 et § 4 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 février 2008 établissant les règles pour l'agrément et le financement par le " Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding " du service spécialisé pour la définition et l'accompagnement de parcours, des services spécialisés d'étude de l'emploi et des services spécialisés de formation, d'accompagnement et de médiation. ".
" Article 1er. Dans le présent arrêté on entend par :
1° formation en alternance : la formation en alternance, visée à l'article 2, 2°, du décret du 10 juin 2016 réglant certains aspects de formations en alternance ;
2° handicap à l'emploi : un problème important et de longue durée pour participer à la vie professionnelle dû à l'interaction entre des troubles fonctionnels de nature mentale, psychique, corporelle ou sensorielle, à des limitations dans l'exécution d'activités et à des facteurs personnels et externes ;
3° arrêté du 5 juin 2009 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 juin 2009 portant organisation de l'emploi et de la formation professionnelle ;
4° arrêté du 17 février 2017 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 février 2017 portant exécution du décret du 12 juillet 2013 relatif au travail adapté dans le cadre de l'intégration collective ;
5° mesures particulières d'aide à l'emploi : les mesures qui visent à mieux intégrer une personne avec une indication de handicap à l'emploi sur le marché du travail par le soutien d'adaptations directement liées à l'exercice de son emploi, à son activité indépendante ou à l'accompagnement sur le lieu de travail en faveur d'élèves suivant des formations en alternance ou de demandeurs d'emploi bénéficiant d'outils mis en oeuvre sur le lieu de travail. Il s'agit d'adaptations de et à l'environnement de travail, d'interventions dans les frais de déplacement et de séjour pour des personnes atteintes d'un handicap à l'emploi avec problèmes de mobilité, de soutien au moyen d'interprètes en langue de signes, oral ou en langue écrite, de la " VOP " (prime de soutien flamande) ;
6° transports spécialisés : transports non collectifs adaptés et spécifiquement destinés aux personnes ayant un handicap à l'emploi éprouvant des problèmes de mobilité ;
7° IBO: la formation professionnelle individuelle en entreprise, visée aux articles 90 à 97 de l'arrêté du 5 juin 2009 ;
6° IBO curative : la IBO en faveur de demandeurs d'emploi fragilisés, tels que visés aux articles 98/1 à 98/4 de l'arrêté du 5 juin 2009 ;
7° personne atteinte d'un handicap à l'emploi : personne ayant une indication de handicap à l'emploi pour qui le VDAB, sur la base du chapitre II, a décidé qu'elle a droit à une ou plusieurs des mesures particulières de soutien à l'emploi ;
8° prime flamande de soutien, abrégée comme " VOP " : l'intervention à un employeur qui recrute ou a recruté une personne atteinte d'un handicap à l'emploi ou à un indépendant atteint d'un handicap à l'emploi en compensation des frais d'insertion dans la vie active, des frais de soutien et de productivité réduite liés au handicap à l'emploi ;
9° outils sur le lieu de travail : les outils d'accompagnement sur le lieu de travail. Il s'agit de l'IBO, de l'IBO curative et des mesures visées aux articles 41 à 44 et aux articles 111/0/1 à 111/0/32 de l'arrêté du 5 juin 2009 et du stage d'orientation spécialisé visé à l'article 3, § 3 et § 4 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 février 2008 établissant les règles pour l'agrément et le financement par le " Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding " du service spécialisé pour la définition et l'accompagnement de parcours, des services spécialisés d'étude de l'emploi et des services spécialisés de formation, d'accompagnement et de médiation. ".
Art. 6. Artikel 4 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2016, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 4. De VDAB kan aan een persoon met een indicatie van een arbeidshandicap een recht op een of meer bijzondere tewerkstellingsondersteunende maatregelen toekennen. Dat recht wordt toegekend voor bepaalde of onbepaalde duur op basis van:
1° een attest waaruit blijkt dat de persoon met een indicatie van een arbeidshandicap een aandoening of voorgeschiedenis heeft die voorkomt op een door de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, na advies van de raad van bestuur van de VDAB, vastgestelde lijst;
2° of, een multidisciplinair arbeidsonderzoek waaruit blijkt dat de persoon met een indicatie van een arbeidshandicap voldoet aan een van de voorwaarden op een door de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, na advies van de door de raad van bestuur van de VDAB vastgestelde lijst;
3° en, de woon- en werklocatie van de persoon met een indicatie van een arbeidshandicap:
a) hij woont op het grondgebied van het Vlaamse Gewest of het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;
b) hij woont op het grondgebied van een van de andere lidstaten van de Europese Unie (EU) of van de Europese Economische Ruimte (EER) en werkt op het grondgebied van het Vlaamse Gewest of het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.
Voor de toekenning van de VOP bepaalt de VDAB het recht en de duur van het recht op basis van een van de volgende documenten of onderzoeken:
1° een attest waaruit blijkt dat de persoon met een indicatie van een arbeidshandicap een aandoening of voorgeschiedenis heeft die voorkomt op een door de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, na advies van de raad van bestuur van de VDAB, vastgestelde lijst;
2° of, een multidisciplinair arbeidsonderzoek waaruit blijkt dat de persoon met een indicatie van een arbeidshandicap voldoet aan een van de voorwaarden op een door de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, na advies van de raad van bestuur van de VDAB, vastgestelde lijst;
3° en, de woon- en werklocatie van de persoon met een indicatie van een arbeidshandicap:
a) hij woont op het grondgebied van het Vlaamse Gewest of het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;
b) hij woont op het grondgebied van een van de andere lidstaten van de Europese Unie (EU) of van de Europese Economische Ruimte (EER) en werkt op het grondgebied van het Vlaamse Gewest.".
"Art. 4. De VDAB kan aan een persoon met een indicatie van een arbeidshandicap een recht op een of meer bijzondere tewerkstellingsondersteunende maatregelen toekennen. Dat recht wordt toegekend voor bepaalde of onbepaalde duur op basis van:
1° een attest waaruit blijkt dat de persoon met een indicatie van een arbeidshandicap een aandoening of voorgeschiedenis heeft die voorkomt op een door de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, na advies van de raad van bestuur van de VDAB, vastgestelde lijst;
2° of, een multidisciplinair arbeidsonderzoek waaruit blijkt dat de persoon met een indicatie van een arbeidshandicap voldoet aan een van de voorwaarden op een door de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, na advies van de door de raad van bestuur van de VDAB vastgestelde lijst;
3° en, de woon- en werklocatie van de persoon met een indicatie van een arbeidshandicap:
a) hij woont op het grondgebied van het Vlaamse Gewest of het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;
b) hij woont op het grondgebied van een van de andere lidstaten van de Europese Unie (EU) of van de Europese Economische Ruimte (EER) en werkt op het grondgebied van het Vlaamse Gewest of het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.
Voor de toekenning van de VOP bepaalt de VDAB het recht en de duur van het recht op basis van een van de volgende documenten of onderzoeken:
1° een attest waaruit blijkt dat de persoon met een indicatie van een arbeidshandicap een aandoening of voorgeschiedenis heeft die voorkomt op een door de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, na advies van de raad van bestuur van de VDAB, vastgestelde lijst;
2° of, een multidisciplinair arbeidsonderzoek waaruit blijkt dat de persoon met een indicatie van een arbeidshandicap voldoet aan een van de voorwaarden op een door de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, na advies van de raad van bestuur van de VDAB, vastgestelde lijst;
3° en, de woon- en werklocatie van de persoon met een indicatie van een arbeidshandicap:
a) hij woont op het grondgebied van het Vlaamse Gewest of het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;
b) hij woont op het grondgebied van een van de andere lidstaten van de Europese Unie (EU) of van de Europese Economische Ruimte (EER) en werkt op het grondgebied van het Vlaamse Gewest.".
Art. 6. L'article 4 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2016, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 4. Le VDAB peut accorder à une personne avec une indication de handicap à l'emploi un droit à une ou plusieurs mesures particulières d'aide à l'emploi. Ce droit est accordé pour une durée déterminée ou indéterminée sur la base :
1° d'une attestation démontrant que la personne avec une indication de handicap à l'emploi souffre d'un trouble ou a des antécédents qui figurent sur une liste établie par le ministre flamand chargé de la politique de l'emploi, après avis du conseil d'administration du VDAB ;
2° ou d'une étude multidisciplinaire de l'emploi démontrant que la personne avec une indication de handicap à l'emploi satisfait à une des conditions de la liste établie par le ministre flamand chargé de la politique de l'emploi, après avis du conseil d'administration du VDAB ;
3° et, du lieu de résidence et de travail de la personne avec une indication de handicap à l'emploi :
a) elle réside sur le territoire de la Région flamande ou de la Région de Bruxelles-Capitale ;
b) elle réside sur le territoire d'un des autres Etats-membres de l'Union européenne (UE) ou de l'Espace économique européen (EEE) et travaille sur le territoire de la Région flamande ou de la Région de Bruxelles-Capitale.
Pour l'octroi de la VOP, le VDAB détermine le droit et la durée du droit sur la base d'un(e) des documents ou études suivants :
1° une attestation démontrant que la personne avec une indication de handicap à l'emploi souffre d'un trouble ou a des antécédents qui figurent sur une liste établie par le ministre flamand chargé de la politique de l'emploi, après avis du conseil d'administration du VDAB ;
2° ou, une étude multidisciplinaire de l'emploi démontrant que la personne avec une indication de handicap à l'emploi satisfait à une des conditions de la liste établie par le ministre flamand chargé de la politique de l'emploi, après avis du conseil d'administration du VDAB ;
3° et, le lieu de résidence et de travail de la personne avec une indication de handicap à l'emploi :
a) elle réside sur le territoire de la Région flamande ou de la Région de Bruxelles-Capitale ;
b) elle réside sur le territoire d'un des autres Etats-membres de l'Union européenne (UE) ou de l'Espace économique européen (EEE) et travaille sur le territoire de la Région flamande.
" Art. 4. Le VDAB peut accorder à une personne avec une indication de handicap à l'emploi un droit à une ou plusieurs mesures particulières d'aide à l'emploi. Ce droit est accordé pour une durée déterminée ou indéterminée sur la base :
1° d'une attestation démontrant que la personne avec une indication de handicap à l'emploi souffre d'un trouble ou a des antécédents qui figurent sur une liste établie par le ministre flamand chargé de la politique de l'emploi, après avis du conseil d'administration du VDAB ;
2° ou d'une étude multidisciplinaire de l'emploi démontrant que la personne avec une indication de handicap à l'emploi satisfait à une des conditions de la liste établie par le ministre flamand chargé de la politique de l'emploi, après avis du conseil d'administration du VDAB ;
3° et, du lieu de résidence et de travail de la personne avec une indication de handicap à l'emploi :
a) elle réside sur le territoire de la Région flamande ou de la Région de Bruxelles-Capitale ;
b) elle réside sur le territoire d'un des autres Etats-membres de l'Union européenne (UE) ou de l'Espace économique européen (EEE) et travaille sur le territoire de la Région flamande ou de la Région de Bruxelles-Capitale.
Pour l'octroi de la VOP, le VDAB détermine le droit et la durée du droit sur la base d'un(e) des documents ou études suivants :
1° une attestation démontrant que la personne avec une indication de handicap à l'emploi souffre d'un trouble ou a des antécédents qui figurent sur une liste établie par le ministre flamand chargé de la politique de l'emploi, après avis du conseil d'administration du VDAB ;
2° ou, une étude multidisciplinaire de l'emploi démontrant que la personne avec une indication de handicap à l'emploi satisfait à une des conditions de la liste établie par le ministre flamand chargé de la politique de l'emploi, après avis du conseil d'administration du VDAB ;
3° et, le lieu de résidence et de travail de la personne avec une indication de handicap à l'emploi :
a) elle réside sur le territoire de la Région flamande ou de la Région de Bruxelles-Capitale ;
b) elle réside sur le territoire d'un des autres Etats-membres de l'Union européenne (UE) ou de l'Espace économique européen (EEE) et travaille sur le territoire de la Région flamande.
Art. 7. Artikel 5 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 5. De VDAB kent aan de volgende personen een tegemoetkoming toe in de kosten van arbeidsgereedschap en -kledij en in de kosten van aanpassing van de arbeidspost:
1° de persoon met een arbeidshandicap;
2° de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die een persoon met een arbeidshandicap tewerkstelt, of die een persoon met een arbeidshandicap een werkplek aanbiedt via een werkplekinstrument;
3° de leerling in een alternerende opleiding tijdens de begeleiding op de werkplek.
De VDAB bepaalt of de aard en de ernst van de arbeidshandicap die tegemoetkoming rechtvaardigen.".
"Art. 5. De VDAB kent aan de volgende personen een tegemoetkoming toe in de kosten van arbeidsgereedschap en -kledij en in de kosten van aanpassing van de arbeidspost:
1° de persoon met een arbeidshandicap;
2° de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die een persoon met een arbeidshandicap tewerkstelt, of die een persoon met een arbeidshandicap een werkplek aanbiedt via een werkplekinstrument;
3° de leerling in een alternerende opleiding tijdens de begeleiding op de werkplek.
De VDAB bepaalt of de aard en de ernst van de arbeidshandicap die tegemoetkoming rechtvaardigen.".
Art. 7. L'article 5 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Art. 5. Le VDAB accorde aux personnes suivantes une intervention dans les frais d'outils et de vêtements de travail et dans les frais d'adaptation du poste de travail :
1° la personne atteinte d'un handicap à l'emploi ;
2° la personne physique ou la personne morale qui emploie une personne atteinte d'un handicap à l'emploi ou qui offre à une personne atteinte d'un handicap à l'emploi un lieu de travail via un outil sur le lieu de travail ;
3° l'élève dans une formation en alternance au cours de l'accompagnement sur le lieu de travail.
Le VDAB détermine si la nature et la gravité du handicap à l'emploi justifient cette intervention.".
" Art. 5. Le VDAB accorde aux personnes suivantes une intervention dans les frais d'outils et de vêtements de travail et dans les frais d'adaptation du poste de travail :
1° la personne atteinte d'un handicap à l'emploi ;
2° la personne physique ou la personne morale qui emploie une personne atteinte d'un handicap à l'emploi ou qui offre à une personne atteinte d'un handicap à l'emploi un lieu de travail via un outil sur le lieu de travail ;
3° l'élève dans une formation en alternance au cours de l'accompagnement sur le lieu de travail.
Le VDAB détermine si la nature et la gravité du handicap à l'emploi justifient cette intervention.".
Art. 8. In hoofdstuk III van hetzelfde besluit wordt het opschrift van afdeling II vervangen door wat volgt:
"Afdeling II. Tegemoetkoming in de kosten van arbeidsgereedschap en -kledij van werknemers met een arbeidshandicap".
"Afdeling II. Tegemoetkoming in de kosten van arbeidsgereedschap en -kledij van werknemers met een arbeidshandicap".
Art. 8. Au chapitre III du même arrêté, l'intitulé de la section II est remplacé par l'intitulé suivant :
" Section II. Intervention dans les frais d'outils et de vêtements de travail de travailleurs atteints d'un handicap à l'emploi ".
" Section II. Intervention dans les frais d'outils et de vêtements de travail de travailleurs atteints d'un handicap à l'emploi ".
Art. 9. Artikel 6 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 6. Conform artikel 7 en 8 kent de VDAB een tegemoetkoming toe in de aankoopkosten van het arbeidsgereedschap en de -kledij die werknemers met een arbeidshandicap dragen.
Voor de personen met een arbeidshandicap die op regelmatige basis telewerken als vermeld in de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 85 van 9 november 2005 betreffende het telewerk, kan de thuiswerkplek aangepast worden met arbeidsgereedschap of -kledij, als de overige decretale en wettelijke rechten voor tegemoetkomingen zijn uitgeput en er een telewerkovereenkomst is opgesteld.".
"Art. 6. Conform artikel 7 en 8 kent de VDAB een tegemoetkoming toe in de aankoopkosten van het arbeidsgereedschap en de -kledij die werknemers met een arbeidshandicap dragen.
Voor de personen met een arbeidshandicap die op regelmatige basis telewerken als vermeld in de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 85 van 9 november 2005 betreffende het telewerk, kan de thuiswerkplek aangepast worden met arbeidsgereedschap of -kledij, als de overige decretale en wettelijke rechten voor tegemoetkomingen zijn uitgeput en er een telewerkovereenkomst is opgesteld.".
Art. 9. L'article 6 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Art. 6. Conformément aux articles 7 et 8, le VDAB intervient dans les frais d'acquisition d'outils et de vêtements de travail portés par les travailleurs atteints d'un handicap à l'emploi.
Pour les personnes atteintes d'un handicap à l'emploi qui effectuent du télétravail sur une base régulière, tel que mentionné dans la convention collective de travail n° 85 du 9 novembre 2005 concernant le télétravail, le poste de travail à domicile peut être adapté avec des outils ou des vêtements de travail, si les autres droits légaux et décrétaux aux interventions ont été épuisés et qu'une convention de télétravail a été établie. ".
" Art. 6. Conformément aux articles 7 et 8, le VDAB intervient dans les frais d'acquisition d'outils et de vêtements de travail portés par les travailleurs atteints d'un handicap à l'emploi.
Pour les personnes atteintes d'un handicap à l'emploi qui effectuent du télétravail sur une base régulière, tel que mentionné dans la convention collective de travail n° 85 du 9 novembre 2005 concernant le télétravail, le poste de travail à domicile peut être adapté avec des outils ou des vêtements de travail, si les autres droits légaux et décrétaux aux interventions ont été épuisés et qu'une convention de télétravail a été établie. ".
Art. 10. In artikel 7 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in punt 1° worden de woorden "wordt of zal worden tewerkgesteld" vervangen door het woord "werkt";
2° in punt 3° worden de woorden "het bedrag van" opgeheven;
3° er wordt een punt 4° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"4° hij zich bevindt in een van de volgende gevallen:
a) hij woont op het grondgebied van het Vlaamse Gewest of het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;
b) hij woont op het grondgebied van een van de andere lidstaten van de Europese Unie (EU) of van de Europese Economische Ruimte (EER) en werkt op het grondgebied van het Vlaamse Gewest of het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.".
1° in punt 1° worden de woorden "wordt of zal worden tewerkgesteld" vervangen door het woord "werkt";
2° in punt 3° worden de woorden "het bedrag van" opgeheven;
3° er wordt een punt 4° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"4° hij zich bevindt in een van de volgende gevallen:
a) hij woont op het grondgebied van het Vlaamse Gewest of het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;
b) hij woont op het grondgebied van een van de andere lidstaten van de Europese Unie (EU) of van de Europese Economische Ruimte (EER) en werkt op het grondgebied van het Vlaamse Gewest of het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.".
Art. 10. Dans l'article 7 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° au point 1°, les mots "est ou sera occupée" sont remplacés par le mot "travaille" ;
2° au point 3°, les mots "le montant de l'" sont abrogés ;
3° il est ajouté un point 4°, rédigé comme suit :
" 4° elle se trouve dans l'un des cas suivants :
a) elle réside sur le territoire de la Région flamande ou de la Région de Bruxelles-Capitale ;
b) elle réside sur le territoire d'un des autres états-membres de l'Union européenne (UE) ou de l'Espace économique européen (EEE) et travaille sur le territoire de la Région flamande ou de la Région de Bruxelles-Capitale. ".
1° au point 1°, les mots "est ou sera occupée" sont remplacés par le mot "travaille" ;
2° au point 3°, les mots "le montant de l'" sont abrogés ;
3° il est ajouté un point 4°, rédigé comme suit :
" 4° elle se trouve dans l'un des cas suivants :
a) elle réside sur le territoire de la Région flamande ou de la Région de Bruxelles-Capitale ;
b) elle réside sur le territoire d'un des autres états-membres de l'Union européenne (UE) ou de l'Espace économique européen (EEE) et travaille sur le territoire de la Région flamande ou de la Région de Bruxelles-Capitale. ".
Art. 11. In hoofdstuk III van hetzelfde besluit worden een afdeling II/1, die bestaat uit artikel 8/1 tot en met artikel 8/3, een afdeling II/2, die bestaat uit artikel 8/4 tot en met 8/6, en een afdeling II/3, die bestaat uit artikel 8/7 tot en met 8/9, ingevoegd, die luiden als volgt:
"Afdeling II/1. Tegemoetkoming in de kosten van arbeidsgereedschap en arbeidskledij voor zelfstandigen met een arbeidshandicap
Art. 8/1. Conform artikel 8/2 en artikel 8/3 kent de VDAB een tegemoetkoming toe in de kosten van het arbeidsgereedschap en de arbeidskledij van de zelfstandige met een arbeidshandicap.
Art. 8/2. Om aanspraak te maken op de tegemoetkoming in de kosten van de aanpassing van het arbeidsgereedschap en de arbeidskledij, vermeld in artikel 8/1, voldoet de zelfstandige met een arbeidshandicap aan de volgende voorwaarden:
1° hij toont aan dat de aanpassing of het materiaal waarvoor hij een tegemoetkoming vraagt, niet gebruikelijk is in zijn beroepstak en rechtstreeks noodzakelijk is door zijn arbeidshandicap;
2° hij verbindt zich ertoe om de tegemoetkoming van de aanpassing niet als bedrijfskosten in te brengen in zijn belastingaangifte;
3° hij bevindt zich in een van de volgende gevallen:
a) hij woont op het grondgebied van het Vlaamse Gewest of het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;
b) hij woont op het grondgebied van een van de andere lidstaten van de Europese Unie (EU) of van de Europese Economische Ruimte (EER) en werkt op het grondgebied van het Vlaamse Gewest of het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.
Art. 8/3. Met behoud van de toepassing van artikel 15 en 16 dekt de tegemoetkoming van de VDAB alle werkelijke kosten voor de aanpassing van het arbeidsgereedschap en de arbeidskledij.
De tegemoetkoming dekt alleen het verschil tussen de kosten van de aanpassing voor een valide persoon en de kosten voor de aanpassing die vereist zijn door de arbeidshandicap.
Afdeling II/2. Tegemoetkoming in de kosten van arbeidsgereedschap en arbeidskledij voor personen met een arbeidshandicap in werkplekinstrumenten en voor leerlingen met een arbeidshandicap in een alternerende opleiding
Art. 8/4. Conform artikel 8/5 en 8/6 komt de VDAB tijdens de duur van de begeleiding op de werkplek via de werkplekinstrumenten of via een alternerende opleiding tegemoet in de kosten van de aankoop van het arbeidsgereedschap en de arbeidskledij voor de personen met een arbeidshandicap.
De VDAB blijft eigenaar van het arbeidsgereedschap dat en de arbeidskledij die ter beschikking is gesteld.
De VDAB kan tijdens de duur van de begeleiding ook een tegemoetkoming verlenen in bijkomende kosten voor het gebruik van het persoonlijke materiaal op de werkplek.
Art. 8/5. Om aanspraak te maken op de tegemoetkoming, vermeld in artikel 8/4, toont de persoon met een arbeidshandicap aan dat:
1° het arbeidsgereedschap of de -kledij niet courant gebruikt wordt in de beroepstak waarin hij opgeleid wordt, en rechtstreeks noodzakelijk is of zal zijn voor de uitoefening van zijn professionele activiteit;
2° de werkgever er niet toe gehouden is de kosten voor de aankoop van het arbeidsgereedschap of de arbeidskledij te dragen, of dat hij van de werkgever het nodige gereedschap of arbeidskledij niet kan krijgen, noch de tegenwaarde in speciën voor de aankoop ervan;
3° de noodzaak, de gebruiksfrequentie, de werkzaamheid en de doelmatigheid van het arbeidsgereedschap of de arbeidskledij betrekking hebben op de arbeidshandicap, en in verhouding staan tot de gevraagde ondersteuning;
4° hij zich in een van de volgende gevallen bevindt:
a) hij woont op het grondgebied van het Vlaamse Gewest of het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;
b) hij woont op het grondgebied van een van de andere lidstaten van de Europese Unie (EU) of van de Europese Economische Ruimte (EER) en werkt op het grondgebied van het Vlaamse Gewest of het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.
Art; 8/6. Met behoud van de toepassing van artikel 15 en 16 dekt de tegemoetkoming alleen de bijkomende kosten die de persoon met een arbeidshandicap door zijn handicap moet dragen, ten opzichte van de kosten die een valide persoon voor zijn arbeidsgereedschap en -kledij moet dragen.
De tegemoetkoming van de VDAB dekt alleen de aanpassingskosten van het arbeidsgereedschap als die volstaan om te kunnen voldoen aan de specifieke behoeften van de persoon met een arbeidshandicap.".
Afdeling II/3. Tegemoetkoming in de kosten van arbeidsgereedschap en arbeidskledij voor personen met een arbeidshandicap in wijk-werken
Art. 8/7. Conform artikel 8/8 en 8/9 komt de VDAB tijdens de duur van wijk-werken, bepaald in artikel 4 van het decreet van 7 juli 2017 betreffende wijk-werken en diverse bepalingen in het kader van de zesde staatshervorming, tegemoet in de kosten van de aankoop van het arbeidsgereedschap en de arbeidskledij voor de personen met een arbeidshandicap.
De VDAB blijft eigenaar van het arbeidsgereedschap dat en de arbeidskledij die ter beschikking is gesteld.
De VDAB kan tijdens de duur van de begeleiding ook een tegemoetkoming verlenen in bijkomende kosten voor het gebruik van het persoonlijke materiaal op de werkplek.
Art. 8/8. Om aanspraak te maken op de tegemoetkoming, vermeld in artikel 8/7, toont de persoon met een arbeidshandicap aan dat:
1° het arbeidsgereedschap of de -kledij niet courant gebruikt wordt in de beroepstak waarin hij activiteiten in kader van wijk-werken uitvoert, en rechtstreeks noodzakelijk is of zal zijn voor de uitoefening van zijn professionele activiteit;
2° de gebruiker er niet toe gehouden is de kosten voor de aankoop van het arbeidsgereedschap of de arbeidskledij te dragen, of dat hij van de gebruiker het nodige gereedschap of arbeidskledij niet kan krijgen, noch de tegenwaarde in speciën voor de aankoop ervan;
3° de noodzaak, de gebruiksfrequentie, de werkzaamheid en de doelmatigheid van het arbeidsgereedschap of de arbeidskledij betrekking hebben op de arbeidshandicap, en in verhouding staan tot de gevraagde ondersteuning;
4° hij zich in een van de volgende gevallen bevindt:
a) hij woont op het grondgebied van het Vlaamse Gewest of het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;
b) hij woont op het grondgebied van een van de andere lidstaten van de Europese Unie (EU) of van de Europese Economische Ruimte (EER) en werkt op het grondgebied van het Vlaamse Gewest of het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.
Art. 8/9. Met behoud van de toepassing van artikel 15 en 16 dekt de tegemoetkoming alleen de bijkomende kosten die de persoon met een arbeidshandicap door zijn handicap moet dragen, ten opzichte van de kosten die een valide persoon voor zijn arbeidsgereedschap en -kledij moet dragen.
De tegemoetkoming van de VDAB dekt alleen de aanpassingskosten van het arbeidsgereedschap als die volstaan om te kunnen voldoen aan de specifieke behoeften van de persoon met een arbeidshandicap.".
"Afdeling II/1. Tegemoetkoming in de kosten van arbeidsgereedschap en arbeidskledij voor zelfstandigen met een arbeidshandicap
Art. 8/1. Conform artikel 8/2 en artikel 8/3 kent de VDAB een tegemoetkoming toe in de kosten van het arbeidsgereedschap en de arbeidskledij van de zelfstandige met een arbeidshandicap.
Art. 8/2. Om aanspraak te maken op de tegemoetkoming in de kosten van de aanpassing van het arbeidsgereedschap en de arbeidskledij, vermeld in artikel 8/1, voldoet de zelfstandige met een arbeidshandicap aan de volgende voorwaarden:
1° hij toont aan dat de aanpassing of het materiaal waarvoor hij een tegemoetkoming vraagt, niet gebruikelijk is in zijn beroepstak en rechtstreeks noodzakelijk is door zijn arbeidshandicap;
2° hij verbindt zich ertoe om de tegemoetkoming van de aanpassing niet als bedrijfskosten in te brengen in zijn belastingaangifte;
3° hij bevindt zich in een van de volgende gevallen:
a) hij woont op het grondgebied van het Vlaamse Gewest of het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;
b) hij woont op het grondgebied van een van de andere lidstaten van de Europese Unie (EU) of van de Europese Economische Ruimte (EER) en werkt op het grondgebied van het Vlaamse Gewest of het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.
Art. 8/3. Met behoud van de toepassing van artikel 15 en 16 dekt de tegemoetkoming van de VDAB alle werkelijke kosten voor de aanpassing van het arbeidsgereedschap en de arbeidskledij.
De tegemoetkoming dekt alleen het verschil tussen de kosten van de aanpassing voor een valide persoon en de kosten voor de aanpassing die vereist zijn door de arbeidshandicap.
Afdeling II/2. Tegemoetkoming in de kosten van arbeidsgereedschap en arbeidskledij voor personen met een arbeidshandicap in werkplekinstrumenten en voor leerlingen met een arbeidshandicap in een alternerende opleiding
Art. 8/4. Conform artikel 8/5 en 8/6 komt de VDAB tijdens de duur van de begeleiding op de werkplek via de werkplekinstrumenten of via een alternerende opleiding tegemoet in de kosten van de aankoop van het arbeidsgereedschap en de arbeidskledij voor de personen met een arbeidshandicap.
De VDAB blijft eigenaar van het arbeidsgereedschap dat en de arbeidskledij die ter beschikking is gesteld.
De VDAB kan tijdens de duur van de begeleiding ook een tegemoetkoming verlenen in bijkomende kosten voor het gebruik van het persoonlijke materiaal op de werkplek.
Art. 8/5. Om aanspraak te maken op de tegemoetkoming, vermeld in artikel 8/4, toont de persoon met een arbeidshandicap aan dat:
1° het arbeidsgereedschap of de -kledij niet courant gebruikt wordt in de beroepstak waarin hij opgeleid wordt, en rechtstreeks noodzakelijk is of zal zijn voor de uitoefening van zijn professionele activiteit;
2° de werkgever er niet toe gehouden is de kosten voor de aankoop van het arbeidsgereedschap of de arbeidskledij te dragen, of dat hij van de werkgever het nodige gereedschap of arbeidskledij niet kan krijgen, noch de tegenwaarde in speciën voor de aankoop ervan;
3° de noodzaak, de gebruiksfrequentie, de werkzaamheid en de doelmatigheid van het arbeidsgereedschap of de arbeidskledij betrekking hebben op de arbeidshandicap, en in verhouding staan tot de gevraagde ondersteuning;
4° hij zich in een van de volgende gevallen bevindt:
a) hij woont op het grondgebied van het Vlaamse Gewest of het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;
b) hij woont op het grondgebied van een van de andere lidstaten van de Europese Unie (EU) of van de Europese Economische Ruimte (EER) en werkt op het grondgebied van het Vlaamse Gewest of het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.
Art; 8/6. Met behoud van de toepassing van artikel 15 en 16 dekt de tegemoetkoming alleen de bijkomende kosten die de persoon met een arbeidshandicap door zijn handicap moet dragen, ten opzichte van de kosten die een valide persoon voor zijn arbeidsgereedschap en -kledij moet dragen.
De tegemoetkoming van de VDAB dekt alleen de aanpassingskosten van het arbeidsgereedschap als die volstaan om te kunnen voldoen aan de specifieke behoeften van de persoon met een arbeidshandicap.".
Afdeling II/3. Tegemoetkoming in de kosten van arbeidsgereedschap en arbeidskledij voor personen met een arbeidshandicap in wijk-werken
Art. 8/7. Conform artikel 8/8 en 8/9 komt de VDAB tijdens de duur van wijk-werken, bepaald in artikel 4 van het decreet van 7 juli 2017 betreffende wijk-werken en diverse bepalingen in het kader van de zesde staatshervorming, tegemoet in de kosten van de aankoop van het arbeidsgereedschap en de arbeidskledij voor de personen met een arbeidshandicap.
De VDAB blijft eigenaar van het arbeidsgereedschap dat en de arbeidskledij die ter beschikking is gesteld.
De VDAB kan tijdens de duur van de begeleiding ook een tegemoetkoming verlenen in bijkomende kosten voor het gebruik van het persoonlijke materiaal op de werkplek.
Art. 8/8. Om aanspraak te maken op de tegemoetkoming, vermeld in artikel 8/7, toont de persoon met een arbeidshandicap aan dat:
1° het arbeidsgereedschap of de -kledij niet courant gebruikt wordt in de beroepstak waarin hij activiteiten in kader van wijk-werken uitvoert, en rechtstreeks noodzakelijk is of zal zijn voor de uitoefening van zijn professionele activiteit;
2° de gebruiker er niet toe gehouden is de kosten voor de aankoop van het arbeidsgereedschap of de arbeidskledij te dragen, of dat hij van de gebruiker het nodige gereedschap of arbeidskledij niet kan krijgen, noch de tegenwaarde in speciën voor de aankoop ervan;
3° de noodzaak, de gebruiksfrequentie, de werkzaamheid en de doelmatigheid van het arbeidsgereedschap of de arbeidskledij betrekking hebben op de arbeidshandicap, en in verhouding staan tot de gevraagde ondersteuning;
4° hij zich in een van de volgende gevallen bevindt:
a) hij woont op het grondgebied van het Vlaamse Gewest of het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;
b) hij woont op het grondgebied van een van de andere lidstaten van de Europese Unie (EU) of van de Europese Economische Ruimte (EER) en werkt op het grondgebied van het Vlaamse Gewest of het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.
Art. 8/9. Met behoud van de toepassing van artikel 15 en 16 dekt de tegemoetkoming alleen de bijkomende kosten die de persoon met een arbeidshandicap door zijn handicap moet dragen, ten opzichte van de kosten die een valide persoon voor zijn arbeidsgereedschap en -kledij moet dragen.
De tegemoetkoming van de VDAB dekt alleen de aanpassingskosten van het arbeidsgereedschap als die volstaan om te kunnen voldoen aan de specifieke behoeften van de persoon met een arbeidshandicap.".
Art. 11. Au chapitre III du même arrêté, une section II/1, composée des articles 8/1 à 8/3, une section II/2, comprenant les articles 8/4 à 8/6, et une section II/3, comprenant les articles 8/7 à 8/9, sont insérées, rédigées comme suit :
" Section II/1. Intervention dans les frais des outils et des vêtements de travail en faveur de travailleurs indépendants atteints d'un handicap à l'emploi
Art. 8/1. Conformément aux articles 8/2 et 8/3, le VDAB intervient dans les frais d'outils et de vêtements de travail du travailleur indépendant atteint d'un handicap à l'emploi.
Art. 8/2. Pour avoir droit à l'intervention dans les frais de l'adaptation des outils de travail et des vêtements de travail, visés à l'article 8/1, le travailleur indépendant atteint d'un handicap à l'emploi remplit les conditions suivantes :
1° il démontre que l'adaptation ou le matériel pour lesquels il demande une intervention, ne sont pas usuels dans son secteur professionnel et qu'ils sont directement nécessaires en raison de son handicap à l'emploi ;
2° il s'engage à ne pas imputer l'adaptation dans sa déclaration d'impôt comme charge d'exploitation ;
3° il se trouve dans l'un des cas suivants :
a) il réside sur le territoire de la Région flamande ou de la Région de Bruxelles-Capitale ;
b) il réside sur le territoire d'un des autres Etats-membres de l'Union européenne (UE) ou de l'Espace économique européen (EEE) et travaille sur le territoire de la Région flamande ou de la Région de Bruxelles-Capitale.
Art. 8/3. Sans préjudice de l'application des articles 15 et 16, l'intervention du VDAB couvre tous les frais réels occasionnés pour l'adaptation des outils et vêtements de travail.
L'intervention couvre uniquement la différence entre les frais de l'adaptation pour une personne valide et les frais encourus pour l'adaptation requise à la suite du handicap à l'emploi.
Section II/2. Intervention dans les frais d'outils de travail et de vêtements de travail pour personnes atteintes d'un handicap à l'emploi bénéficiant d'outils mis en oeuvre sur le lieu de travail et pour les élèves atteints d'un handicap à l'emploi suivant une formation en alternance
Art. 8/4. Conformément aux articles 8/5 et 8/6, le VDAB intervient dans les frais d'acquisition d'outils de travail et de vêtements de travail pour les personnes atteintes d'un handicap à l'emploi pendant la durée de l'accompagnement sur le lieu de travail au moyen d'outils mis en oeuvre sur le lieu de travail ou au moyen d'une formation en alternance.
Le VDAB reste propriétaire des outils et vêtements de travail qui ont été mis à disposition.
Le VDAB peut également intervenir dans les frais supplémentaires liés à l'utilisation de l'équipement personnel sur le lieu de travail pendant la durée de l'accompagnement.
Art. 8/5. Pour faire valoir son droit à l'intervention, visée à l'article 8/4, la personne atteinte d'un handicap à l'emploi démontre :
1° que les outils ou vêtements de travail ne sont pas couramment utilisés dans le secteur professionnel dans lequel elle est formée et sont ou seront directement nécessaires à l'exercice de son activité professionnelle ;
2° que l'employeur n'est pas tenu de porter les frais d'acquisition des outils ou des vêtements de travail ou qu'il ne peut pas obtenir les outils ou vêtements de travail nécessaires de l'employeur, ni l'équivalent en espèces pour leur acquisition ;
3° que la nécessité, la fréquence d'utilisation, l'activité et l'efficacité des outils ou des vêtements de travail ont rapport au handicap à l'emploi, et sont proportionnelles au soutien demandé ;
4° qu'elle se trouve dans un des cas suivants :
a) elle réside sur le territoire de la Région flamande ou de la Région de Bruxelles-Capitale ;
b) elle réside sur le territoire d'un des autres Etats-membres de l'Union européenne (UE) ou de l'Espace économique européen (EEE) et travaille sur le territoire de la Région flamande ou de la Région de Bruxelles-Capitale.
Art. 8/6. Sans préjudice de l'application des articles 15 et 16, l'intervention couvre uniquement les frais que la personne atteinte d'un handicap à l'emploi doit porter en raison de son handicap à l'emploi, en sus des frais d'équipement et de vêtements de travail qu'une personne valide doit porter.
L'intervention du VDAB couvre uniquement les frais d'adaptation des outils de travail s'ils sont suffisants pour répondre aux besoins spécifiques de la personne atteinte d'un handicap à l'emploi. ".
Section II/3. Intervention dans les frais d'outils et de vêtements de travail pour personnes atteintes d'un handicap à l'emploi employés dans un travail de proximité
Art. 8/7. Conformément aux articles 8/8 et 8/9, le VDAB intervient dans les frais d'acquisition des outils et vêtements de travail pour les personnes atteintes d'un handicap à l'emploi pendant la durée du travail de proximité, tel que visé à l'article 4 du décret du 7 juillet 2017 relatif au travail de proximité et à diverses dispositions dans le cadre de la sixième réforme de l'Etat.
Le VDAB reste propriétaire des outils et vêtements de travail qui ont été mis à disposition.
Le VDAB peut également intervenir dans les frais supplémentaires liés à l'utilisation de l'équipement personnel sur le lieu de travail pendant la durée de l'accompagnement.
Art. 8/8. Pour faire valoir son droit à l'intervention, visée à l'article 8/7, la personne atteinte d'un handicap à l'emploi démontre :
1° que les outils ou vêtements de travail ne sont pas couramment utilisés dans le secteur professionnel dans lequel il met en oeuvre des activités dans le cadre du travail de proximité et que ceux-ci sont ou seront directement nécessaires à l'exercice de son activité professionnelle ;
2° que l'utilisateur n'est pas tenu de porter les frais d'acquisition des outils ou vêtements de travail ou qu'elle ne peut pas obtenir les outils ou vêtements de travail nécessaires de l'utilisateur, ni l'équivalent en espèces pour leur acquisition ;
3° que la nécessité, la fréquence d'utilisation, l'activité et l'efficacité des outils ou des vêtements de travail ont rapport au handicap à l'emploi, et sont proportionnelles au soutien demandé ;
4° qu'elle se trouve dans un des cas suivants :
a) elle réside sur le territoire de la Région flamande ou de la Région de Bruxelles-Capitale ;
b) elle réside sur le territoire d'un des autres Etats-membres de l'Union européenne (UE) ou de l'Espace économique européen (EEE) et travaille sur le territoire de la Région flamande ou de la Région de Bruxelles-Capitale.
Art. 8/9. Sans préjudice de l'application des articles 15 et 16, l'intervention couvre uniquement les frais que la personne atteinte d'un handicap à l'emploi doit porter, en sus des frais d'outils et de vêtements de travail qu'une personne valide doit porter.
L'intervention du VDAB couvre uniquement les frais d'adaptation des outils de travail si ceux-ci sont suffisants pour répondre aux besoins spécifiques de la personne atteinte d'un handicap à l'emploi. ".
" Section II/1. Intervention dans les frais des outils et des vêtements de travail en faveur de travailleurs indépendants atteints d'un handicap à l'emploi
Art. 8/1. Conformément aux articles 8/2 et 8/3, le VDAB intervient dans les frais d'outils et de vêtements de travail du travailleur indépendant atteint d'un handicap à l'emploi.
Art. 8/2. Pour avoir droit à l'intervention dans les frais de l'adaptation des outils de travail et des vêtements de travail, visés à l'article 8/1, le travailleur indépendant atteint d'un handicap à l'emploi remplit les conditions suivantes :
1° il démontre que l'adaptation ou le matériel pour lesquels il demande une intervention, ne sont pas usuels dans son secteur professionnel et qu'ils sont directement nécessaires en raison de son handicap à l'emploi ;
2° il s'engage à ne pas imputer l'adaptation dans sa déclaration d'impôt comme charge d'exploitation ;
3° il se trouve dans l'un des cas suivants :
a) il réside sur le territoire de la Région flamande ou de la Région de Bruxelles-Capitale ;
b) il réside sur le territoire d'un des autres Etats-membres de l'Union européenne (UE) ou de l'Espace économique européen (EEE) et travaille sur le territoire de la Région flamande ou de la Région de Bruxelles-Capitale.
Art. 8/3. Sans préjudice de l'application des articles 15 et 16, l'intervention du VDAB couvre tous les frais réels occasionnés pour l'adaptation des outils et vêtements de travail.
L'intervention couvre uniquement la différence entre les frais de l'adaptation pour une personne valide et les frais encourus pour l'adaptation requise à la suite du handicap à l'emploi.
Section II/2. Intervention dans les frais d'outils de travail et de vêtements de travail pour personnes atteintes d'un handicap à l'emploi bénéficiant d'outils mis en oeuvre sur le lieu de travail et pour les élèves atteints d'un handicap à l'emploi suivant une formation en alternance
Art. 8/4. Conformément aux articles 8/5 et 8/6, le VDAB intervient dans les frais d'acquisition d'outils de travail et de vêtements de travail pour les personnes atteintes d'un handicap à l'emploi pendant la durée de l'accompagnement sur le lieu de travail au moyen d'outils mis en oeuvre sur le lieu de travail ou au moyen d'une formation en alternance.
Le VDAB reste propriétaire des outils et vêtements de travail qui ont été mis à disposition.
Le VDAB peut également intervenir dans les frais supplémentaires liés à l'utilisation de l'équipement personnel sur le lieu de travail pendant la durée de l'accompagnement.
Art. 8/5. Pour faire valoir son droit à l'intervention, visée à l'article 8/4, la personne atteinte d'un handicap à l'emploi démontre :
1° que les outils ou vêtements de travail ne sont pas couramment utilisés dans le secteur professionnel dans lequel elle est formée et sont ou seront directement nécessaires à l'exercice de son activité professionnelle ;
2° que l'employeur n'est pas tenu de porter les frais d'acquisition des outils ou des vêtements de travail ou qu'il ne peut pas obtenir les outils ou vêtements de travail nécessaires de l'employeur, ni l'équivalent en espèces pour leur acquisition ;
3° que la nécessité, la fréquence d'utilisation, l'activité et l'efficacité des outils ou des vêtements de travail ont rapport au handicap à l'emploi, et sont proportionnelles au soutien demandé ;
4° qu'elle se trouve dans un des cas suivants :
a) elle réside sur le territoire de la Région flamande ou de la Région de Bruxelles-Capitale ;
b) elle réside sur le territoire d'un des autres Etats-membres de l'Union européenne (UE) ou de l'Espace économique européen (EEE) et travaille sur le territoire de la Région flamande ou de la Région de Bruxelles-Capitale.
Art. 8/6. Sans préjudice de l'application des articles 15 et 16, l'intervention couvre uniquement les frais que la personne atteinte d'un handicap à l'emploi doit porter en raison de son handicap à l'emploi, en sus des frais d'équipement et de vêtements de travail qu'une personne valide doit porter.
L'intervention du VDAB couvre uniquement les frais d'adaptation des outils de travail s'ils sont suffisants pour répondre aux besoins spécifiques de la personne atteinte d'un handicap à l'emploi. ".
Section II/3. Intervention dans les frais d'outils et de vêtements de travail pour personnes atteintes d'un handicap à l'emploi employés dans un travail de proximité
Art. 8/7. Conformément aux articles 8/8 et 8/9, le VDAB intervient dans les frais d'acquisition des outils et vêtements de travail pour les personnes atteintes d'un handicap à l'emploi pendant la durée du travail de proximité, tel que visé à l'article 4 du décret du 7 juillet 2017 relatif au travail de proximité et à diverses dispositions dans le cadre de la sixième réforme de l'Etat.
Le VDAB reste propriétaire des outils et vêtements de travail qui ont été mis à disposition.
Le VDAB peut également intervenir dans les frais supplémentaires liés à l'utilisation de l'équipement personnel sur le lieu de travail pendant la durée de l'accompagnement.
Art. 8/8. Pour faire valoir son droit à l'intervention, visée à l'article 8/7, la personne atteinte d'un handicap à l'emploi démontre :
1° que les outils ou vêtements de travail ne sont pas couramment utilisés dans le secteur professionnel dans lequel il met en oeuvre des activités dans le cadre du travail de proximité et que ceux-ci sont ou seront directement nécessaires à l'exercice de son activité professionnelle ;
2° que l'utilisateur n'est pas tenu de porter les frais d'acquisition des outils ou vêtements de travail ou qu'elle ne peut pas obtenir les outils ou vêtements de travail nécessaires de l'utilisateur, ni l'équivalent en espèces pour leur acquisition ;
3° que la nécessité, la fréquence d'utilisation, l'activité et l'efficacité des outils ou des vêtements de travail ont rapport au handicap à l'emploi, et sont proportionnelles au soutien demandé ;
4° qu'elle se trouve dans un des cas suivants :
a) elle réside sur le territoire de la Région flamande ou de la Région de Bruxelles-Capitale ;
b) elle réside sur le territoire d'un des autres Etats-membres de l'Union européenne (UE) ou de l'Espace économique européen (EEE) et travaille sur le territoire de la Région flamande ou de la Région de Bruxelles-Capitale.
Art. 8/9. Sans préjudice de l'application des articles 15 et 16, l'intervention couvre uniquement les frais que la personne atteinte d'un handicap à l'emploi doit porter, en sus des frais d'outils et de vêtements de travail qu'une personne valide doit porter.
L'intervention du VDAB couvre uniquement les frais d'adaptation des outils de travail si ceux-ci sont suffisants pour répondre aux besoins spécifiques de la personne atteinte d'un handicap à l'emploi. ".
Art. 12. In hoofdstuk III van hetzelfde besluit wordt het opschrift van afdeling III vervangen door wat volgt:
"Afdeling III. Tegemoetkoming in de kosten voor de aanpassing van de arbeidspost van werknemers met een arbeidshandicap en van personen met een arbeidshandicap die een IBO of K-IBO volgen".
"Afdeling III. Tegemoetkoming in de kosten voor de aanpassing van de arbeidspost van werknemers met een arbeidshandicap en van personen met een arbeidshandicap die een IBO of K-IBO volgen".
Art. 12. Dans le chapitre III du même arrêté, l'intitulé de la section III est remplacé par l'intitulé suivant :
" Section III. Intervention dans les frais pour l'adaptation du poste de travail de travailleurs atteints d'un handicap à l'emploi et de personnes atteintes d'un handicap à l'emploi qui suivent une IBO ou une IBO curative ".
" Section III. Intervention dans les frais pour l'adaptation du poste de travail de travailleurs atteints d'un handicap à l'emploi et de personnes atteintes d'un handicap à l'emploi qui suivent une IBO ou une IBO curative ".
Art. 13. In artikel 9 van hetzelfde besluit wordt het woord "GIBO" vervangen door de woorden "IBO of een K-IBO".
Art. 13. Dans l'article 9 du même arrêté, le mot "GIBO" est remplacé par les mots "IBO ou une IBO curative".
Art. 14. In artikel 10 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° punt 2° wordt vervangen door wat volgt:
"2° zich ertoe verbinden om de persoon met een arbeidshandicap van wie de arbeidspost is aangepast, gedurende een minimumperiode van zes maanden in dienst te houden, waarbij de periode van de IBO of de K-IBO na de uitvoering van de arbeidspostaanpassing wordt gelijkgesteld met een periode van tewerkstelling;";
2° er wordt een punt 5° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"5° hij toont aan dat het een aanpassing van de arbeidspost betreft voor een persoon met een arbeidshandicap die in een exploitatiezetel in het Vlaamse Gewest werkt.".
1° punt 2° wordt vervangen door wat volgt:
"2° zich ertoe verbinden om de persoon met een arbeidshandicap van wie de arbeidspost is aangepast, gedurende een minimumperiode van zes maanden in dienst te houden, waarbij de periode van de IBO of de K-IBO na de uitvoering van de arbeidspostaanpassing wordt gelijkgesteld met een periode van tewerkstelling;";
2° er wordt een punt 5° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"5° hij toont aan dat het een aanpassing van de arbeidspost betreft voor een persoon met een arbeidshandicap die in een exploitatiezetel in het Vlaamse Gewest werkt.".
Art. 14. Dans l'article 10 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° le point 2° est remplacé par ce qui suit :
" 2° s'engager à maintenir à l'emploi la personne atteinte d'un handicap à l'emploi dont le poste de travail a été adapté pendant une période minimum de six mois, la période de l'IBO ou de l'IBO curative après la mise en oeuvre de l'adaptation au poste de travail étant assimilée à une période d'emploi ; " ;
2° il est ajouté un point 5°, rédigé comme suit :
" 5° démontrer que l'adaptation concerne une adaptation du poste de travail en faveur d'une personne atteinte d'un handicap à l'emploi travaillant dans un siège d'exploitation en Région flamande. ".
1° le point 2° est remplacé par ce qui suit :
" 2° s'engager à maintenir à l'emploi la personne atteinte d'un handicap à l'emploi dont le poste de travail a été adapté pendant une période minimum de six mois, la période de l'IBO ou de l'IBO curative après la mise en oeuvre de l'adaptation au poste de travail étant assimilée à une période d'emploi ; " ;
2° il est ajouté un point 5°, rédigé comme suit :
" 5° démontrer que l'adaptation concerne une adaptation du poste de travail en faveur d'une personne atteinte d'un handicap à l'emploi travaillant dans un siège d'exploitation en Région flamande. ".
Art. 15. In hoofdstuk III van hetzelfde besluit wordt het opschrift van afdeling V vervangen door wat volgt:
"Afdeling V. Gemeenschappelijke bepalingen voor afdeling II, II/1, II/2, II/3, III en IV.".
"Afdeling V. Gemeenschappelijke bepalingen voor afdeling II, II/1, II/2, II/3, III en IV.".
Art. 15. Au chapitre III du même arrêté, l'intitulé de la section V est remplacé par ce qui suit :
Section V. Dispositions communes relatives aux sections II, II/1, II/2, II/3, III et IV.".
Section V. Dispositions communes relatives aux sections II, II/1, II/2, II/3, III et IV.".
Art. 16. In artikel 15 van hetzelfde besluit wordt punt 2° vervangen door wat volgt:
"2° alle vereiste bewijsstukken, waaronder de bewijsstukken van de voorwaarden, vermeld in artikel 7, 8/2, 8/5, 8/7, 10 en 13.".
"2° alle vereiste bewijsstukken, waaronder de bewijsstukken van de voorwaarden, vermeld in artikel 7, 8/2, 8/5, 8/7, 10 en 13.".
Art. 16. Dans l'article 15 du même arrêté, le point 2° est remplacé par la disposition suivante :
" 2° Toutes les pièces probantes utiles, en ce compris les preuves relatives aux conditions, telles que visées aux articles 7, 8/2, 8/5, 8/7, 10 et 13. ".
" 2° Toutes les pièces probantes utiles, en ce compris les preuves relatives aux conditions, telles que visées aux articles 7, 8/2, 8/5, 8/7, 10 et 13. ".
Art. 17. In artikel 16, § 1, van hetzelfde besluit wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
"De tegemoetkoming van de VDAB betreft alleen de kosten van arbeidspostaanpassingen die van curatieve aard zijn. De VDAB komt niet tegemoet in de kosten van aanpassingen van de arbeidsomgeving die krachtens een andere decretale of wettelijke bevoegdheid kunnen worden vergoed.".
"De tegemoetkoming van de VDAB betreft alleen de kosten van arbeidspostaanpassingen die van curatieve aard zijn. De VDAB komt niet tegemoet in de kosten van aanpassingen van de arbeidsomgeving die krachtens een andere decretale of wettelijke bevoegdheid kunnen worden vergoed.".
Art. 17. Dans l'article 16, § 1er, du même arrêté, l'alinéa deux est remplacé par ce qui suit :
" L'intervention du VDAB concerne uniquement les frais d'adaptations au poste de travail qui sont de nature curative. Le VDAB n'intervient pas dans les frais d'adaptations de l'environnement professionnel qui peuvent être récupérés en vertu d'une autre compétence décrétale ou légale. ".
" L'intervention du VDAB concerne uniquement les frais d'adaptations au poste de travail qui sont de nature curative. Le VDAB n'intervient pas dans les frais d'adaptations de l'environnement professionnel qui peuvent être récupérés en vertu d'une autre compétence décrétale ou légale. ".
Art. 18. In artikel 17, eerste lid, van hetzelfde besluit wordt tussen het woord "verblijfkosten" en het woord "indien" de zinsnede ", die rechtstreeks gerelateerd zijn aan de uitoefening van de job of de zelfstandige activiteit, of aan de begeleiding op de werkplek voor leerlingen in een alternerende opleiding of werkzoekenden in werkplekinstrumenten," ingevoegd.
Art. 18. Dans l'article 17, alinéa premier, du même arrêté, le membre de phrase " , qui sont directement liés à l'exercice de l'emploi ou de l'activité indépendante ou à l'accompagnement sur le lieu de travail en faveur d'élèves dans une formation en alternance ou en faveur de demandeurs d'emploi bénéficiant d'un accompagnement au moyen d'outils sur le lieu de travail, " est inséré entre les mots " frais de déplacement " et le mot " si ".
Art. 19. In artikel 18 van hetzelfde besluit wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"De tegemoetkoming in de verplaatsingskosten, vermeld in het eerste lid, wordt alleen toegekend als de persoon met een arbeidshandicap aan een van de volgende voorwaarden voldoet:
1° hij woont op het grondgebied van het Vlaamse Gewest of het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;
2° hij woont op het grondgebied van een van de andere lidstaten van de Europese Unie (EU) of van de Europese Economische Ruimte (EER) en werkt op het grondgebied van het Vlaamse Gewest of het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.".
"De tegemoetkoming in de verplaatsingskosten, vermeld in het eerste lid, wordt alleen toegekend als de persoon met een arbeidshandicap aan een van de volgende voorwaarden voldoet:
1° hij woont op het grondgebied van het Vlaamse Gewest of het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;
2° hij woont op het grondgebied van een van de andere lidstaten van de Europese Unie (EU) of van de Europese Economische Ruimte (EER) en werkt op het grondgebied van het Vlaamse Gewest of het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.".
Art. 19. Dans l'article 18 du même arrêté, il est inséré un alinéa entre l'alinéa premier et l'alinéa deux, rédigé comme suit :
" L'intervention dans les frais de déplacement, visée dans l'alinéa premier, est uniquement accordée si la personne atteinte d'un handicap à l'emploi répond à une des conditions suivantes :
1° elle réside sur le territoire de la Région flamande ou de la Région de Bruxelles-Capitale ;
2° elle réside sur le territoire d'un des autres états membres de l'Union européenne (UE) ou de l'Espace économique européen (EEE) et travaille sur le territoire de la Région flamande ou de la Région de Bruxelles-Capitale. ".
" L'intervention dans les frais de déplacement, visée dans l'alinéa premier, est uniquement accordée si la personne atteinte d'un handicap à l'emploi répond à une des conditions suivantes :
1° elle réside sur le territoire de la Région flamande ou de la Région de Bruxelles-Capitale ;
2° elle réside sur le territoire d'un des autres états membres de l'Union européenne (UE) ou de l'Espace économique européen (EEE) et travaille sur le territoire de la Région flamande ou de la Région de Bruxelles-Capitale. ".
Art. 20. In hoofdstuk IV van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2014, wordt het opschrift van afdeling III vervangen door wat volgt:
"Afdeling III. Tegemoetkoming in de verplaatsingskosten van de persoon met een arbeidshandicap om zich te begeven van zijn verblijfplaats naar de werkplek waar hij begeleid wordt via een werkplekinstrument, via een alternerende opleiding of actief is in wijk-werken, en omgekeerd".
"Afdeling III. Tegemoetkoming in de verplaatsingskosten van de persoon met een arbeidshandicap om zich te begeven van zijn verblijfplaats naar de werkplek waar hij begeleid wordt via een werkplekinstrument, via een alternerende opleiding of actief is in wijk-werken, en omgekeerd".
Art. 20. Dans le chapitre IV du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 décembre 2014, l'intitulé de la section III est remplacé par ce qui suit :
" Section III. Intervention dans les frais de déplacement de la personne atteinte d'un handicap à l'emploi pour se déplacer de sa résidence vers le lieu de travail où elle est accompagnée au moyen d'un outil de lieu de travail, au moyen d'une formation en alternance ou est active dans le travail à proximité, et inversement ".
" Section III. Intervention dans les frais de déplacement de la personne atteinte d'un handicap à l'emploi pour se déplacer de sa résidence vers le lieu de travail où elle est accompagnée au moyen d'un outil de lieu de travail, au moyen d'une formation en alternance ou est active dans le travail à proximité, et inversement ".
Art. 21. Artikel 20 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2014, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 20. Met behoud van de toepassing van artikel 6 van het besluit van 5 juni 2009 hebben de personen met een arbeidshandicap die via werkplekinstrumenten werken, of de leerlingen met een arbeidshandicap in een alternerende opleiding of de wijk-werkers, vermeld in artikel 3, 10° van het decreet van 7 juli 2017 betreffende wijk-werken en diverse bepalingen in het kader van de zesde Staatshervorming, volgens de voorwaarden, vermeld in deze afdeling, recht op een aanvullende tegemoetkoming in de verplaatsingskosten om zich te begeven van hun verblijfplaats naar hun werkplek, en omgekeerd.".
"Art. 20. Met behoud van de toepassing van artikel 6 van het besluit van 5 juni 2009 hebben de personen met een arbeidshandicap die via werkplekinstrumenten werken, of de leerlingen met een arbeidshandicap in een alternerende opleiding of de wijk-werkers, vermeld in artikel 3, 10° van het decreet van 7 juli 2017 betreffende wijk-werken en diverse bepalingen in het kader van de zesde Staatshervorming, volgens de voorwaarden, vermeld in deze afdeling, recht op een aanvullende tegemoetkoming in de verplaatsingskosten om zich te begeven van hun verblijfplaats naar hun werkplek, en omgekeerd.".
Art. 21. L'article 20 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 décembre 2014, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 20. Sans préjudice de l'application de l'article 6 de l'arrêté du 5 juin 2009, les personnes atteintes d'un handicap à l'emploi employées en bénéficiant d'outils sur le lieu de travail ou les élèves atteints d'un handicap à l'emploi dans une formation en alternance ou les travailleurs de proximité, tels que visés dans l'article 3, 10° du décret du 7 juillet 2017 relatif au travail de proximité et à diverses dispositions dans le cadre de la sixième réforme de l'Etat, bénéficient d'une intervention supplémentaire dans leurs frais de déplacement pour se rendre de leur domicile vers leur lieu de travail et inversement, selon les conditons, visées dans la présente section. ".
" Art. 20. Sans préjudice de l'application de l'article 6 de l'arrêté du 5 juin 2009, les personnes atteintes d'un handicap à l'emploi employées en bénéficiant d'outils sur le lieu de travail ou les élèves atteints d'un handicap à l'emploi dans une formation en alternance ou les travailleurs de proximité, tels que visés dans l'article 3, 10° du décret du 7 juillet 2017 relatif au travail de proximité et à diverses dispositions dans le cadre de la sixième réforme de l'Etat, bénéficient d'une intervention supplémentaire dans leurs frais de déplacement pour se rendre de leur domicile vers leur lieu de travail et inversement, selon les conditons, visées dans la présente section. ".
Art. 22. In artikel 21 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt het woord "cursist" telkens vervangen door het woord "persoon";
2° in paragraaf 2 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
"De VDAB neemt de verplaatsingskosten ten laste die een persoon met een arbeidshandicap maakt om zich met gespecialiseerd vervoer te verplaatsen van zijn verblijfplaats naar de werkplek waar hij via een werkplekinstrument werkt, waar hij in een alternerende opleiding begeleid wordt of waar hij activiteiten verricht in kader van wijk-werken en omgekeerd.".
1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt het woord "cursist" telkens vervangen door het woord "persoon";
2° in paragraaf 2 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
"De VDAB neemt de verplaatsingskosten ten laste die een persoon met een arbeidshandicap maakt om zich met gespecialiseerd vervoer te verplaatsen van zijn verblijfplaats naar de werkplek waar hij via een werkplekinstrument werkt, waar hij in een alternerende opleiding begeleid wordt of waar hij activiteiten verricht in kader van wijk-werken en omgekeerd.".
Art. 22. Dans l'article 21 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, alinéa premier, le mots " l'élève atteint d'un handicap à l'emploi " sont chaque fois remplacés par les mots " la personne atteinte d'un handicap à l'emploi " ;
2° dans le paragraphe 2, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" Le VDAB prend à charge les frais de déplacement encourus par une personne atteinte d'un handicap à l'emploi pour se rendre de son domicile vers le lieu de travail où elle est employée en bénéficiant d'un outil sur le lieu de travail, où elle est accompagnée dans une formation en alternance ou où elle effectue des activités dans le cadre d'un travail de proximité et inversement. ".
1° dans le paragraphe 1er, alinéa premier, le mots " l'élève atteint d'un handicap à l'emploi " sont chaque fois remplacés par les mots " la personne atteinte d'un handicap à l'emploi " ;
2° dans le paragraphe 2, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" Le VDAB prend à charge les frais de déplacement encourus par une personne atteinte d'un handicap à l'emploi pour se rendre de son domicile vers le lieu de travail où elle est employée en bénéficiant d'un outil sur le lieu de travail, où elle est accompagnée dans une formation en alternance ou où elle effectue des activités dans le cadre d'un travail de proximité et inversement. ".
Art. 23. In hoofdstuk IV van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2014, wordt het opschrift van afdeling IV vervangen door wat volgt:
"Afdeling IV. Tegemoetkoming in de verblijfkosten van personen met een arbeidshandicap".
"Afdeling IV. Tegemoetkoming in de verblijfkosten van personen met een arbeidshandicap".
Art. 23. Dans le chapitre IV du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 décembre 2014, l'intitulé de la section IV est remplacé par ce qui suit :
" Section IV. Intervention dans les frais de séjour de personnes atteintes d'un handicap à l'emploi ".
" Section IV. Intervention dans les frais de séjour de personnes atteintes d'un handicap à l'emploi ".
Art. 24. In artikel 22 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "of stage" worden telkens opgeheven;
2° er wordt een punt 5° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"5° hij woont op het grondgebied van het Vlaamse Gewest of het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of op het grondgebied van een van de andere lidstaten van de Europese Unie (EU) of van de Europese Economische Ruimte (EER) en werkt op het grondgebied van het Vlaamse Gewest of het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.".
1° de woorden "of stage" worden telkens opgeheven;
2° er wordt een punt 5° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"5° hij woont op het grondgebied van het Vlaamse Gewest of het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of op het grondgebied van een van de andere lidstaten van de Europese Unie (EU) of van de Europese Economische Ruimte (EER) en werkt op het grondgebied van het Vlaamse Gewest of het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.".
Art. 24. Dans l'article 22 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° les mots " ou un stage " et les mots " ou de stage " sont abrogés ;
2° il est ajouté un point 5°, rédigé comme suit :
" 5° résider sur le territoire de la Région flamande ou de la Région de Bruxelles-Capitale ou sur le territoire d'un des autres états membres de l'Union européenne (UE) ou de l'Espace économique européen et travailler sur le territoire de la Région flamande ou de la Région de Bruxelles-Capitale. ".
1° les mots " ou un stage " et les mots " ou de stage " sont abrogés ;
2° il est ajouté un point 5°, rédigé comme suit :
" 5° résider sur le territoire de la Région flamande ou de la Région de Bruxelles-Capitale ou sur le territoire d'un des autres états membres de l'Union européenne (UE) ou de l'Espace économique européen et travailler sur le territoire de la Région flamande ou de la Région de Bruxelles-Capitale. ".
Art. 25. In artikel 23 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2014, worden de woorden "of stage" telkens opgeheven.
Art. 25. Dans l'article 23 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 décembre 2014, les mots " ou de stage " et les mots " ou un stage " sont abrogés.
Art. 26. In artikel 25 van hetzelfde besluit wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
"De VDAB neemt de dienstverlening, vermeld in dit hoofdstuk, alleen ten laste als ze verstrekt wordt aan een persoon met een auditieve arbeidshandicap die aan een van de volgende voorwaarden voldoet:
1° hij woont op het grondgebied van het Vlaamse Gewest of het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;
2° hij woont op het grondgebied van een van de andere lidstaten van de Europese Unie (EU) of van de Europese Economische Ruimte (EER) en werkt op het grondgebied van het Vlaamse Gewest of het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.".
"De VDAB neemt de dienstverlening, vermeld in dit hoofdstuk, alleen ten laste als ze verstrekt wordt aan een persoon met een auditieve arbeidshandicap die aan een van de volgende voorwaarden voldoet:
1° hij woont op het grondgebied van het Vlaamse Gewest of het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;
2° hij woont op het grondgebied van een van de andere lidstaten van de Europese Unie (EU) of van de Europese Economische Ruimte (EER) en werkt op het grondgebied van het Vlaamse Gewest of het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.".
Art. 26. Dans l'article 25 du même arrêté, l'alinéa premier est remplacé par ce qui suit :
" Le VDAB prend le service, visé dans le présent chapitre uniquement en charge s'il est offert à une personne atteinte d'un handicap auditif à l'emploi, qui répond à une des conditions suivantes :
1° résider sur le territoire de la Région flamande ou de la Région de Bruxelles-Capitale ;
2° résider sur le territoire d'un des autres états membres de l'Union européenne (UE) ou de l'Espace économique européen (EEE) et travailler sur le territoire de la Région flamande ou de la Région de Bruxelles-Capitale. ".
" Le VDAB prend le service, visé dans le présent chapitre uniquement en charge s'il est offert à une personne atteinte d'un handicap auditif à l'emploi, qui répond à une des conditions suivantes :
1° résider sur le territoire de la Région flamande ou de la Région de Bruxelles-Capitale ;
2° résider sur le territoire d'un des autres états membres de l'Union européenne (UE) ou de l'Espace économique européen (EEE) et travailler sur le territoire de la Région flamande ou de la Région de Bruxelles-Capitale. ".
Art. 27. In artikel 27, derde lid, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede "jaarbasis 20 %" vervangen door de zinsnede "jaarbasis 30%".
Art. 27. Dans l'article 27, alinéa trois, du même arrêté, le membre de phrase " sur une base annuelle 20 % " est remplacé par le membre de phrase " sur une base annuelle 30 % ".
Art. 28. In artikel 28, eerste lid, 3°, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2016, wordt punt b) vervangen door wat volgt:
"b) een provincie, een gemeente, een OCMW, of een door een provincie, gemeente of OCMW opgericht verzelfstandigd agentschap of intergemeentelijk samenwerkingsverband als vermeld in deel 3, titel 3, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, of de verenigingen waarin ze deelnemen met toepassing van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, die na 1 juli 2008 een werknemer met een arbeidshandicap hebben aangeworven;".
"b) een provincie, een gemeente, een OCMW, of een door een provincie, gemeente of OCMW opgericht verzelfstandigd agentschap of intergemeentelijk samenwerkingsverband als vermeld in deel 3, titel 3, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, of de verenigingen waarin ze deelnemen met toepassing van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, die na 1 juli 2008 een werknemer met een arbeidshandicap hebben aangeworven;".
Art. 28. Dans l'article 28, alinéa premier, 3°, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2016, b) est remplacé par ce qui suit :
" b) une province, une commune, un C.P.A.S. ou une agence autonomisée créée par une province, une commune ou un C.P.A.S. ou une structure de coopération intercommunale, telle que visée dans la partie 3, titre 3 du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale ou les associations auxquelles ils participent en application de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'action sociale, qui ont engagé un travailleur atteint d'un handicap à l'emploi après le 1er juillet 2008 ; ".
" b) une province, une commune, un C.P.A.S. ou une agence autonomisée créée par une province, une commune ou un C.P.A.S. ou une structure de coopération intercommunale, telle que visée dans la partie 3, titre 3 du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale ou les associations auxquelles ils participent en application de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'action sociale, qui ont engagé un travailleur atteint d'un handicap à l'emploi après le 1er juillet 2008 ; ".
Art. 29. In artikel 29 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1, 2 en 3 worden vervangen door wat volgt:
" § 1. Het departement kent de VOP toe aan de werkgever die een werknemer aanwerft die conform artikel 4, tweede lid, gerechtigd is op ondersteuning. Het departement kent de VOP toe op basis van:
1° het onderzoek van de VDAB, vermeld in paragraaf 3;
2° het onderzoek naar de arbeidsrelatie tussen de werkgever en de werknemer.
Met het oog op de toekenning van de VOP, moet de werknemer aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
1° hij woont op het grondgebied van het Vlaamse Gewest;
2° hij woont op het grondgebied van een van de andere lidstaten van de Europese Unie (EU) of van de Europese Economische Ruimte (EER) en werkt op het grondgebied van het Vlaamse Gewest.
Het departement beëindigt de uitbetaling van de VOP als de werknemer niet langer aan de voorwaarden, vermeld in het tweede lid, voldoet. De betaling wordt stopgezet uiterlijk het kwartaal nadat de voorwaarden gewijzigd zijn.
§ 2. De werkgever dient bij het departement een aanvraag van een VOP in. Het departement stelt daarvoor een model van elektronisch aanvraagformulier ter beschikking. De aanvraag vermeldt de volgende gegevens:
1° de identiteitsgegevens van de werkgever;
2° de identiteitsgegevens van de werknemer;
3° de datum van indiensttreding van de werknemer.
Het departement beoordeelt de ontvankelijkheid van de aanvraag op basis van een volledig en correct ingevuld aanvraagformulier.
Als de aanvraag ontvankelijk is, wordt de werkgever daarvan op de hoogte gebracht binnen zeven kalenderdagen na de dag van de ontvangst van de aanvraag. Die termijn van zeven kalenderdagen wordt geschorst als het departement de werkgever om aanvullende informatie heeft verzocht en het die informatie nog niet heeft ontvangen.
De werkgever van wie de aanvraag niet ontvankelijk is, wordt daarvan op de hoogte gebracht binnen zeven kalenderdagen na de dag van de ontvangst van de aanvraag. Die kennisgeving vermeldt de motivering en de mogelijkheid om een nieuwe aanvraag in te dienen.
De werkgever verklaart bij de aanvraag van de VOP dat de betrokken werknemer bij de VDAB een aanvraag tot vaststelling van het recht, vermeld in artikel 4, heeft ingediend en dat de werkgever geen beroep zal doen op het advies collectief maatwerk van de werknemer dat de VDAB toegekend heeft op basis van artikel 12 van het besluit van 17 februari 2017.
§ 3. Het departement bezorgt het ontvankelijk verklaarde aanvraagdossier via elektronische weg aan de VDAB en peilt naar de status van het recht op een VOP voor de werknemer conform artikel 4.";
2° er wordt een paragraaf 7 toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 7. De werkgever brengt het departement onmiddellijk en op eigen initiatief op de hoogte van elke wijziging op vlak van tewerkstelling van de werknemer die betrekking heeft of kan hebben op de toekenningsvoorwaarden van de VOP.".
1° paragraaf 1, 2 en 3 worden vervangen door wat volgt:
" § 1. Het departement kent de VOP toe aan de werkgever die een werknemer aanwerft die conform artikel 4, tweede lid, gerechtigd is op ondersteuning. Het departement kent de VOP toe op basis van:
1° het onderzoek van de VDAB, vermeld in paragraaf 3;
2° het onderzoek naar de arbeidsrelatie tussen de werkgever en de werknemer.
Met het oog op de toekenning van de VOP, moet de werknemer aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
1° hij woont op het grondgebied van het Vlaamse Gewest;
2° hij woont op het grondgebied van een van de andere lidstaten van de Europese Unie (EU) of van de Europese Economische Ruimte (EER) en werkt op het grondgebied van het Vlaamse Gewest.
Het departement beëindigt de uitbetaling van de VOP als de werknemer niet langer aan de voorwaarden, vermeld in het tweede lid, voldoet. De betaling wordt stopgezet uiterlijk het kwartaal nadat de voorwaarden gewijzigd zijn.
§ 2. De werkgever dient bij het departement een aanvraag van een VOP in. Het departement stelt daarvoor een model van elektronisch aanvraagformulier ter beschikking. De aanvraag vermeldt de volgende gegevens:
1° de identiteitsgegevens van de werkgever;
2° de identiteitsgegevens van de werknemer;
3° de datum van indiensttreding van de werknemer.
Het departement beoordeelt de ontvankelijkheid van de aanvraag op basis van een volledig en correct ingevuld aanvraagformulier.
Als de aanvraag ontvankelijk is, wordt de werkgever daarvan op de hoogte gebracht binnen zeven kalenderdagen na de dag van de ontvangst van de aanvraag. Die termijn van zeven kalenderdagen wordt geschorst als het departement de werkgever om aanvullende informatie heeft verzocht en het die informatie nog niet heeft ontvangen.
De werkgever van wie de aanvraag niet ontvankelijk is, wordt daarvan op de hoogte gebracht binnen zeven kalenderdagen na de dag van de ontvangst van de aanvraag. Die kennisgeving vermeldt de motivering en de mogelijkheid om een nieuwe aanvraag in te dienen.
De werkgever verklaart bij de aanvraag van de VOP dat de betrokken werknemer bij de VDAB een aanvraag tot vaststelling van het recht, vermeld in artikel 4, heeft ingediend en dat de werkgever geen beroep zal doen op het advies collectief maatwerk van de werknemer dat de VDAB toegekend heeft op basis van artikel 12 van het besluit van 17 februari 2017.
§ 3. Het departement bezorgt het ontvankelijk verklaarde aanvraagdossier via elektronische weg aan de VDAB en peilt naar de status van het recht op een VOP voor de werknemer conform artikel 4.";
2° er wordt een paragraaf 7 toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 7. De werkgever brengt het departement onmiddellijk en op eigen initiatief op de hoogte van elke wijziging op vlak van tewerkstelling van de werknemer die betrekking heeft of kan hebben op de toekenningsvoorwaarden van de VOP.".
Art. 29. Dans l'article 29 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2016, les modifications suivantes sont apportées :
1° les paragraphes 1er, 2 et 3 sont remplacés par ce qui suit :
" § 1er. Le département octroie la VOP à l'employeur qui emploie un travailleur qui, conformément à l'article 4, alinéa deux, a droit au soutien. Le département octroie la VOP sur la base de :
1° l'examen du VDAB visé au paragraphe 3 ;
2° l'examen de la relation de travail entre l'employeur et le travailleur.
En vue de l'octroi de la VOP, le travailleur doit satisfaire à une des conditions suivantes :
1° résider sur le territoire de la Région flamande ;
2° résider sur le territoire d'une des autres états membres de l'Union européenne (UE) ou de l'Espace économique européen (EEE) et travailler sur le territoire de la Région flamande.
Le département met fin au paiement de la VOP si le travailleur ne répond plus aux conditions, telles que visées à l'alinéa deux. Le paiement est arrêté au plus tard dans le trimestre après que les conditions ont été modifiées.
§ 2. L'employeur introduit une demande pour une VOP auprès du département. A cet effet, le département met un formulaire de demande électronique à disposition. La demande comprend les données suivantes :
1° les données d'identité de l'employeur ;
2° les données d'identité du travailleur ;
3° la date d'entrée en service du travailleur.
Le département apprécie la recevabilité de la demande sur la base d'un formulaire de demande entièrement et correctement complété.
L'employeur dont la demande est recevable en est informé dans les sept jours civils suivant la réception de la demande. Ce délai de sept jours civils est suspendu si le département a demandé à l'employeur des informations complémentaires et ne les a pas encore reçues.
L'employeur dont la demande n'est pas recevable en est informé dans les sept jours civils suivant la réception de la demande. Cette notification fait état de la motivation et de la possibilité d'introduire une nouvelle demande.
L'employeur déclare au moment de la demande de la VOP que le travailleur concerné a introduit une demande d'établissement du droit, visé à l'article 4, auprès du VDAB et que l'employeur ne fera pas appel à l'avis relatif au travail sur mesure collectif du travailleur que le VDAB a octroyé sur la base de l'article 12 de l'arrêté du 17 février 2017.
§ 3. Le département transmet le dossier de demande déclaré recevable par voie électronique au VDAB et s'enquiert de l'état du droit à une VOP pour le travailleur conformément à l'article 4. " ;
2° il est inséré un paragraphe 7, rédigé comme suit :
" § 7. L'employeur notifie toute modification relative à l'emploi du travailleur se rapportant aux ou susceptible de se rapporter aux conditions d'octroi de la VOP au département sans délai et de sa propre initiative. ".
1° les paragraphes 1er, 2 et 3 sont remplacés par ce qui suit :
" § 1er. Le département octroie la VOP à l'employeur qui emploie un travailleur qui, conformément à l'article 4, alinéa deux, a droit au soutien. Le département octroie la VOP sur la base de :
1° l'examen du VDAB visé au paragraphe 3 ;
2° l'examen de la relation de travail entre l'employeur et le travailleur.
En vue de l'octroi de la VOP, le travailleur doit satisfaire à une des conditions suivantes :
1° résider sur le territoire de la Région flamande ;
2° résider sur le territoire d'une des autres états membres de l'Union européenne (UE) ou de l'Espace économique européen (EEE) et travailler sur le territoire de la Région flamande.
Le département met fin au paiement de la VOP si le travailleur ne répond plus aux conditions, telles que visées à l'alinéa deux. Le paiement est arrêté au plus tard dans le trimestre après que les conditions ont été modifiées.
§ 2. L'employeur introduit une demande pour une VOP auprès du département. A cet effet, le département met un formulaire de demande électronique à disposition. La demande comprend les données suivantes :
1° les données d'identité de l'employeur ;
2° les données d'identité du travailleur ;
3° la date d'entrée en service du travailleur.
Le département apprécie la recevabilité de la demande sur la base d'un formulaire de demande entièrement et correctement complété.
L'employeur dont la demande est recevable en est informé dans les sept jours civils suivant la réception de la demande. Ce délai de sept jours civils est suspendu si le département a demandé à l'employeur des informations complémentaires et ne les a pas encore reçues.
L'employeur dont la demande n'est pas recevable en est informé dans les sept jours civils suivant la réception de la demande. Cette notification fait état de la motivation et de la possibilité d'introduire une nouvelle demande.
L'employeur déclare au moment de la demande de la VOP que le travailleur concerné a introduit une demande d'établissement du droit, visé à l'article 4, auprès du VDAB et que l'employeur ne fera pas appel à l'avis relatif au travail sur mesure collectif du travailleur que le VDAB a octroyé sur la base de l'article 12 de l'arrêté du 17 février 2017.
§ 3. Le département transmet le dossier de demande déclaré recevable par voie électronique au VDAB et s'enquiert de l'état du droit à une VOP pour le travailleur conformément à l'article 4. " ;
2° il est inséré un paragraphe 7, rédigé comme suit :
" § 7. L'employeur notifie toute modification relative à l'emploi du travailleur se rapportant aux ou susceptible de se rapporter aux conditions d'octroi de la VOP au département sans délai et de sa propre initiative. ".
Art. 30. In artikel 30 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
" § 1. Het bedrag van de tegemoetkoming bij een vastgesteld recht van onbepaalde duur is gelijk aan:
1° tijdens periode 1, die gelijk is aan het kwartaal van de eerste aanwerving en de vier daaropvolgende kwartalen van de tewerkstelling bij dezelfde werkgever: 40% van het geplafonneerde referteloon;
2° tijdens periode 2, die gelijk is aan het vijfde kwartaal na het kwartaal van de eerste aanwerving tot en met het achtste kwartaal na het kwartaal van de eerste aanwerving bij dezelfde werkgever: 30% van het geplafonneerde referteloon;
3° tijdens periode 3, die begint in het negende kwartaal na het kwartaal van de eerste aanwerving bij dezelfde werkgever: 20% van het geplafonneerde referteloon.
De tegemoetkoming kan voor een maximale duurtijd van twintig kwartalen worden toegekend.";
2° er wordt een paragraaf 1/1 ingevoegd, die luidt als volgt:
" § 1/1. Het bedrag van de tegemoetkoming bij een vastgesteld recht van bepaalde duur is gelijk aan 20% van het geplafonneerde referteloon. De tegemoetkoming start op het ogenblik van het kwartaal waarin de aanvraag is toegekend en loopt maximaal tijdens de zeven daaropvolgende kwartalen zonder de duurtijd van het recht te overschrijden.";
3° in paragraaf 2, eerste lid, wordt de zinsnede "paragraaf 1" vervangen door de zinsnede "paragraaf 1 en 1/1";
4° in paragraaf 2 wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
"Voor de berekening van het bedrag van de VOP, vermeld in paragraaf 1 en 1/1, wordt de periode waarin de werknemer een K-IBO of een doorstroomtraject volgt als vermeld in artikel 24 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling, gelijkgesteld met een periode van tewerkstelling.".
1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
" § 1. Het bedrag van de tegemoetkoming bij een vastgesteld recht van onbepaalde duur is gelijk aan:
1° tijdens periode 1, die gelijk is aan het kwartaal van de eerste aanwerving en de vier daaropvolgende kwartalen van de tewerkstelling bij dezelfde werkgever: 40% van het geplafonneerde referteloon;
2° tijdens periode 2, die gelijk is aan het vijfde kwartaal na het kwartaal van de eerste aanwerving tot en met het achtste kwartaal na het kwartaal van de eerste aanwerving bij dezelfde werkgever: 30% van het geplafonneerde referteloon;
3° tijdens periode 3, die begint in het negende kwartaal na het kwartaal van de eerste aanwerving bij dezelfde werkgever: 20% van het geplafonneerde referteloon.
De tegemoetkoming kan voor een maximale duurtijd van twintig kwartalen worden toegekend.";
2° er wordt een paragraaf 1/1 ingevoegd, die luidt als volgt:
" § 1/1. Het bedrag van de tegemoetkoming bij een vastgesteld recht van bepaalde duur is gelijk aan 20% van het geplafonneerde referteloon. De tegemoetkoming start op het ogenblik van het kwartaal waarin de aanvraag is toegekend en loopt maximaal tijdens de zeven daaropvolgende kwartalen zonder de duurtijd van het recht te overschrijden.";
3° in paragraaf 2, eerste lid, wordt de zinsnede "paragraaf 1" vervangen door de zinsnede "paragraaf 1 en 1/1";
4° in paragraaf 2 wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
"Voor de berekening van het bedrag van de VOP, vermeld in paragraaf 1 en 1/1, wordt de periode waarin de werknemer een K-IBO of een doorstroomtraject volgt als vermeld in artikel 24 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling, gelijkgesteld met een periode van tewerkstelling.".
Art. 30. Dans l'article 30 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2016, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 1er est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. Le montant de l'intervention dans le cas d'un droit établi de durée indéterminée est égal à :
1° durant la période 1ère, qui correspond au trimestre du premier recrutement et aux quatre trimestres suivants de l'emploi auprès du même employeur : 40% du salaire de référence plafonné ;
2° durant la période 2, qui correspond au cinquième trimestre à compter du trimestre du premier recrutement jusqu'au et y compris le huitième trimestre à compter du trimestre du premier recrutement auprès du même employeur : 30% du salaire de référence plafonné ;
3° durant la période 3, qui prend cours dans le neuvième trimestre à compter du trimestre du premier recrutement auprès du même employeur : 20% du salaire de référence plafonné.
L'intervention peut être accordée pour une durée maximale de vingt trimestres. " ;
2° il est inséré un paragraphe 1er/1 rédigé comme suit :
" § 1er/1. Le montant de l'intervention dans le cas d'un droit établi de durée déterminée est égal à 20% du salaire de référence plafonné. L'intervention prend cours dans le trimestre dans lequel la demande a été octroyée et est payée pendant les sept trimestres suivants au maximum sans dépasser la durée du droit. " ;
3° au paragraphe 2, alinéa premier, le membre de phrase " au paragraphe 1er " est remplacé par le membre de phrase " aux paragraphes 1er et 1er/1 " ;
4° au paragraphe 2, l'alinéa deux est remplacé par ce qui suit :
" Pour le calcul du montant de la VOP visé aux paragraphes 1er et 1er/1, la période au cours de laquelle le travailleur suit une IBO curative ou un parcours de transition visé à l'article 24 du décret du 12 juillet 2013 relatif au travail adapté dans le cadre de l'intégration collective est assimilée à une période d'emploi. "
1° le paragraphe 1er est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. Le montant de l'intervention dans le cas d'un droit établi de durée indéterminée est égal à :
1° durant la période 1ère, qui correspond au trimestre du premier recrutement et aux quatre trimestres suivants de l'emploi auprès du même employeur : 40% du salaire de référence plafonné ;
2° durant la période 2, qui correspond au cinquième trimestre à compter du trimestre du premier recrutement jusqu'au et y compris le huitième trimestre à compter du trimestre du premier recrutement auprès du même employeur : 30% du salaire de référence plafonné ;
3° durant la période 3, qui prend cours dans le neuvième trimestre à compter du trimestre du premier recrutement auprès du même employeur : 20% du salaire de référence plafonné.
L'intervention peut être accordée pour une durée maximale de vingt trimestres. " ;
2° il est inséré un paragraphe 1er/1 rédigé comme suit :
" § 1er/1. Le montant de l'intervention dans le cas d'un droit établi de durée déterminée est égal à 20% du salaire de référence plafonné. L'intervention prend cours dans le trimestre dans lequel la demande a été octroyée et est payée pendant les sept trimestres suivants au maximum sans dépasser la durée du droit. " ;
3° au paragraphe 2, alinéa premier, le membre de phrase " au paragraphe 1er " est remplacé par le membre de phrase " aux paragraphes 1er et 1er/1 " ;
4° au paragraphe 2, l'alinéa deux est remplacé par ce qui suit :
" Pour le calcul du montant de la VOP visé aux paragraphes 1er et 1er/1, la période au cours de laquelle le travailleur suit une IBO curative ou un parcours de transition visé à l'article 24 du décret du 12 juillet 2013 relatif au travail adapté dans le cadre de l'intégration collective est assimilée à une période d'emploi. "
Art. 31. Aan artikel 32 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2016, worden een vierde en een vijfde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
"Bij een verlenging van de tegemoetkoming bij een recht van onbepaalde duur van de werknemer dat conform artikel 4 is vastgesteld, betaalt het departement de tegemoetkoming aan de werkgever gedurende maximaal twintig kwartalen.
Na afloop van de tegemoetkoming op basis van een recht van bepaalde duur van de werknemer kan het departement aan de werkgever een verlenging toekennen op basis van een nieuw recht van bepaalde duur dat conform artikel 4 is vastgesteld. Bij een verlenging op basis van een nieuw recht van bepaalde duur van de werknemer kent het departement de tegemoetkoming toe voor de duurtijd van het recht van de werknemer, voor maximaal acht kwartalen.".
"Bij een verlenging van de tegemoetkoming bij een recht van onbepaalde duur van de werknemer dat conform artikel 4 is vastgesteld, betaalt het departement de tegemoetkoming aan de werkgever gedurende maximaal twintig kwartalen.
Na afloop van de tegemoetkoming op basis van een recht van bepaalde duur van de werknemer kan het departement aan de werkgever een verlenging toekennen op basis van een nieuw recht van bepaalde duur dat conform artikel 4 is vastgesteld. Bij een verlenging op basis van een nieuw recht van bepaalde duur van de werknemer kent het departement de tegemoetkoming toe voor de duurtijd van het recht van de werknemer, voor maximaal acht kwartalen.".
Art. 31. A l'article 32 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2016, il est ajouté un alinéa quatre et un alinéa cinq, rédigés comme suit :
" Lors d'une prolongation de l'intervention dans le cas d'un droit de durée indéterminée du travailleur, qui a été établi conformément à l'article 4, le département paie l'intervention à l'employeur pendant au maximum vingt trimestres.
Après la cessation de l'intervention sur la base d'un droit de durée limitée du travailleur, le département peut octroyer une prolongation à l'employeur sur la base d'un nouveau droit de durée limitée, qui a été établi conformément à l'article 4. Dans le cas d'une prolongation sur la base d'un nouveau droit de durée déterminée du travailleur, le département octroie l'intervention pour la durée du droit du travailleur, pendant au maximum huit trimestres. ".
" Lors d'une prolongation de l'intervention dans le cas d'un droit de durée indéterminée du travailleur, qui a été établi conformément à l'article 4, le département paie l'intervention à l'employeur pendant au maximum vingt trimestres.
Après la cessation de l'intervention sur la base d'un droit de durée limitée du travailleur, le département peut octroyer une prolongation à l'employeur sur la base d'un nouveau droit de durée limitée, qui a été établi conformément à l'article 4. Dans le cas d'une prolongation sur la base d'un nouveau droit de durée déterminée du travailleur, le département octroie l'intervention pour la durée du droit du travailleur, pendant au maximum huit trimestres. ".
Art. 32. In artikel 34, eerste lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2016, wordt punt 4° vervangen door wat volgt:
"4° het advies collectief maatwerk, vermeld in artikel 12 van het besluit van 17 februari 2017;".
"4° het advies collectief maatwerk, vermeld in artikel 12 van het besluit van 17 februari 2017;".
Art. 32. Dans l'article 34, alinéa premier, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2016, le point 4° est remplacé par ce qui suit :
" 4° l'avis relatif au travail sur mesure collectif, tel que visé à l'article 12 de l'arrêté du 17 février 2017 ; ".
" 4° l'avis relatif au travail sur mesure collectif, tel que visé à l'article 12 de l'arrêté du 17 février 2017 ; ".
Art. 33. In artikel 35 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden "de inwerkingtreding van dit besluit" vervangen door de datum "1 juli 2016";
2° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt:
"Het departement kent, na aanvraag van de zelfstandige, een VOP toe aan de zelfstandige in hoofdberoep die na 1 oktober 2008 een persoon met arbeidshandicap is geworden, of aan de zelfstandige in bijberoep die vanaf 1 juli 2016 een persoon met arbeidshandicap is geworden, als die personen recht hebben op bijzondere tewerkstellingsondersteunende maatregelen en voorheen geen erkenning hadden voor een tegemoetkoming om de tewerkstelling onder gewone arbeidsvoorwaarden te bevorderen van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap of een van zijn rechtsvoorgangers.".
1° in het eerste lid worden de woorden "de inwerkingtreding van dit besluit" vervangen door de datum "1 juli 2016";
2° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt:
"Het departement kent, na aanvraag van de zelfstandige, een VOP toe aan de zelfstandige in hoofdberoep die na 1 oktober 2008 een persoon met arbeidshandicap is geworden, of aan de zelfstandige in bijberoep die vanaf 1 juli 2016 een persoon met arbeidshandicap is geworden, als die personen recht hebben op bijzondere tewerkstellingsondersteunende maatregelen en voorheen geen erkenning hadden voor een tegemoetkoming om de tewerkstelling onder gewone arbeidsvoorwaarden te bevorderen van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap of een van zijn rechtsvoorgangers.".
Art. 33. Dans l'article 35 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2016, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa premier les mots " de l'entrée en vigueur du présent arrêté " sont remplacés par la date " du 1er juillet 2016 " ;
2° l'alinéa deux est remplacé par ce qui suit :
" Le département octroie, après demande de l'indépendant, une VOP à l'indépendant à titre principal, qui est devenu une personne atteinte d'un handicap à l'emploi après le 1er octobre 2008, ou à l'indépendant à titre accessoire, qui est devenu une personne atteinte d'un handicap à l'emploi à partir du 1er juillet 2016, si ces personnes ont droit à des mesures particulières de soutien à l'emploi et n'étaient auparavant pas reconnues pour l'octroi d'une intervention visant à favoriser l'occupation dans des conditions de travail normales de la part de la " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " (Agence flamande pour les Personnes handicapées) ou de l'un de ses prédécesseurs. ".
1° dans l'alinéa premier les mots " de l'entrée en vigueur du présent arrêté " sont remplacés par la date " du 1er juillet 2016 " ;
2° l'alinéa deux est remplacé par ce qui suit :
" Le département octroie, après demande de l'indépendant, une VOP à l'indépendant à titre principal, qui est devenu une personne atteinte d'un handicap à l'emploi après le 1er octobre 2008, ou à l'indépendant à titre accessoire, qui est devenu une personne atteinte d'un handicap à l'emploi à partir du 1er juillet 2016, si ces personnes ont droit à des mesures particulières de soutien à l'emploi et n'étaient auparavant pas reconnues pour l'octroi d'une intervention visant à favoriser l'occupation dans des conditions de travail normales de la part de la " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " (Agence flamande pour les Personnes handicapées) ou de l'un de ses prédécesseurs. ".
Art. 34. Artikel 36 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2016, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 36. § 1. Het gewaarborgd gemiddeld minimummaandinkomen, vermeld in artikel 3, eerste lid, van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 van 2 mei 1988 betreffende de waarborg van een gemiddeld minimummaandinkomen, wordt als basis genomen voor de berekening van de VOP.
§ 2. Het bedrag van de VOP voor zelfstandigen, vermeld in artikel 35, is gelijk aan:
1° 40% gedurende het kwartaal van de aanvraag en de vier daaropvolgende kwartalen;
2° 20% vanaf het zesde kwartaal tot en met het twintigste kwartaal, op voorwaarde dat voldoende bedrijfsactiviteit kan worden aangetoond.
Tijdens het voorlaatste kwartaal van de toekenning van de VOP brengt het departement de zelfstandige op de hoogte van het einde van de betalingen van de VOP en van de mogelijkheid om bij het departement een gemotiveerde aanvraag in te dienen tot behoud van het bedrag, vermeld in het eerste lid, 2°.
Vanaf het voorlaatste kwartaal van de toekenning van de VOP kan de zelfstandige een gemotiveerde aanvraag indienen bij het departement tot behoud van het bedrag, vermeld in het eerste lid, 2°. Het departement beslist op basis van een evaluatie door de VDAB over het bedrag en de periode van de VOP.
Het departement kan aan de zelfstandige met een arbeidshandicap die gedurende minimaal twee jaar zijn zelfstandige activiteiten uitoefent, een hoger bedrag van de VOP voor zelfstandigen toekennen, tot maximaal 60% van het gewaarborgd gemiddeld minimummaandinkomen. Om aanspraak te kunnen maken op de verhoging, toont de zelfstandige op gemotiveerde wijze aan dat de ernst van de arbeidshandicap hogere bijkomende kosten of een hoger rendementsverlies veroorzaakt. De VDAB evalueert de behoefte aan ondersteuning ter plaatse, namelijk de kosten van de inschakeling in het beroepsleven, de kosten van de ondersteuning en van de verminderde productiviteit van de zelfstandige.
§ 3. Er is voldoende bedrijfsactiviteit zolang het belastbare nettobedrijfsinkomen hoger dan 13.500 euro is. Dat wordt aangetoond met een fiscaal aanslagbiljet voor het aanslagjaar dat voorafgaat aan de uitbetaling van de VOP. Via de gegevensstroom met de Rijksdienst voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen volgt het departement de zelfstandige activiteit op.
Als de zelfstandige er niet in slaagt om voldoende bedrijfsactiviteit te realiseren door stopzetting of een volledige onderbreking van de zelfstandige activiteiten door ziekte, wordt de bedrijfsactiviteit pro rata berekend. De VOP wordt alleen uitbetaald voor de periode waarin de zelfstandige zijn activiteiten heeft uitgevoerd.
§ 4. Als de zelfstandige niet voldoende bedrijfsactiviteit realiseert, worden de toekomstige betalingen van de VOP opgeschort. De zelfstandige kan, nadat hij aangetoond heeft dat hij voldoende bedrijfsactiviteit realiseert, een voortzetting van de betaling van de VOP vragen.
§ 5. De zelfstandige brengt het departement onmiddellijk en op eigen initiatief op de hoogte van elke wijziging die betrekking heeft of kan hebben op het realiseren van voldoende bedrijfsactiviteit.".
"Art. 36. § 1. Het gewaarborgd gemiddeld minimummaandinkomen, vermeld in artikel 3, eerste lid, van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 van 2 mei 1988 betreffende de waarborg van een gemiddeld minimummaandinkomen, wordt als basis genomen voor de berekening van de VOP.
§ 2. Het bedrag van de VOP voor zelfstandigen, vermeld in artikel 35, is gelijk aan:
1° 40% gedurende het kwartaal van de aanvraag en de vier daaropvolgende kwartalen;
2° 20% vanaf het zesde kwartaal tot en met het twintigste kwartaal, op voorwaarde dat voldoende bedrijfsactiviteit kan worden aangetoond.
Tijdens het voorlaatste kwartaal van de toekenning van de VOP brengt het departement de zelfstandige op de hoogte van het einde van de betalingen van de VOP en van de mogelijkheid om bij het departement een gemotiveerde aanvraag in te dienen tot behoud van het bedrag, vermeld in het eerste lid, 2°.
Vanaf het voorlaatste kwartaal van de toekenning van de VOP kan de zelfstandige een gemotiveerde aanvraag indienen bij het departement tot behoud van het bedrag, vermeld in het eerste lid, 2°. Het departement beslist op basis van een evaluatie door de VDAB over het bedrag en de periode van de VOP.
Het departement kan aan de zelfstandige met een arbeidshandicap die gedurende minimaal twee jaar zijn zelfstandige activiteiten uitoefent, een hoger bedrag van de VOP voor zelfstandigen toekennen, tot maximaal 60% van het gewaarborgd gemiddeld minimummaandinkomen. Om aanspraak te kunnen maken op de verhoging, toont de zelfstandige op gemotiveerde wijze aan dat de ernst van de arbeidshandicap hogere bijkomende kosten of een hoger rendementsverlies veroorzaakt. De VDAB evalueert de behoefte aan ondersteuning ter plaatse, namelijk de kosten van de inschakeling in het beroepsleven, de kosten van de ondersteuning en van de verminderde productiviteit van de zelfstandige.
§ 3. Er is voldoende bedrijfsactiviteit zolang het belastbare nettobedrijfsinkomen hoger dan 13.500 euro is. Dat wordt aangetoond met een fiscaal aanslagbiljet voor het aanslagjaar dat voorafgaat aan de uitbetaling van de VOP. Via de gegevensstroom met de Rijksdienst voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen volgt het departement de zelfstandige activiteit op.
Als de zelfstandige er niet in slaagt om voldoende bedrijfsactiviteit te realiseren door stopzetting of een volledige onderbreking van de zelfstandige activiteiten door ziekte, wordt de bedrijfsactiviteit pro rata berekend. De VOP wordt alleen uitbetaald voor de periode waarin de zelfstandige zijn activiteiten heeft uitgevoerd.
§ 4. Als de zelfstandige niet voldoende bedrijfsactiviteit realiseert, worden de toekomstige betalingen van de VOP opgeschort. De zelfstandige kan, nadat hij aangetoond heeft dat hij voldoende bedrijfsactiviteit realiseert, een voortzetting van de betaling van de VOP vragen.
§ 5. De zelfstandige brengt het departement onmiddellijk en op eigen initiatief op de hoogte van elke wijziging die betrekking heeft of kan hebben op het realiseren van voldoende bedrijfsactiviteit.".
Art. 34. L'article 36 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2016, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 36. § 1er. Le revenu minimum mensuel moyen, tel que visé à l'article 3, alinéa premier, de la convention collective du travail n° 43 du 2 mai 1988 relative à la garantie d'un revenu minimum mensuel moyen, est pris comme base pour le calcul de la VOP.
§ 2. Le montant de la VOP pour indépendants, telle que visée à l'article 35, est égal à :
1° 40% durant le trimestre de la demande et les quatre trimestres suivants ;
2° 20% à partir du sixième trimestre jusqu'au et y compris le vingtième trimestre, à condition que des activités professionnelles suffisantes puissent être démontrées.
Au cours de l'avant-dernier trimestre de l'octroi de la VOP, le département informe l'indépendant de la fin des paiements de la VOP et des possibilités d'introduire une demande motivée de maintien du montant, visé à l'alinéa premier, 2°, auprès du département.
A partir de l'avant-dernier trimestre de l'octroi de la VOP, l'indépendant peut introduire une demande motivée de maintien du montant, visé à l'alinéa premier, 2°, auprès du département. Le département décide du montant et de la période de la VOP sur la base d'une évaluation par le VDAB.
Le département peut octroyer à l'indépendant atteint d'un handicap à l'emploi qui exerce ses activités indépendantes pendant au minimum deux années, un montant plus élevé de la VOP pour indépendants, jusqu'à au maximum 60% du revenu minimum mensuel moyen. Pour faire valoir son droit à l'augmentation, l'indépendant démontre de façon motivée que la gravité du handicap à l'emploi occasionne des frais supplémentaires plus élevés ou une perte de rendement plus élevée. Le VDAB évalue le besoin de soutien sur les lieux, à savoir les frais de l'insertion dans la vie professionnelle, les frais du soutien et de la productivité réduite de l'indépendant.
§ 3. L'activité professionnelle est suffisante tant que le revenu professionnel net imposable est supérieur à 13.500 euros. Ceci est démontré au moyen d'un avertissement-extrait de rôle fiscal pour l'année d'imposition précédant le paiement de la VOP. Le département fait le suivi de l'activité indépendante au moyen du flux de données au départ de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants.
Si l'indépendant ne parvient pas à réaliser des activités professionnelles suffisantes à cause de la cession ou d'une interruption complète des activités indépendantes dues à une maladie, l'activité professionnelle est calculée au prorata. La VOP est uniquement payée pour la période au cours de laquelle l'indépendant a effectué ses activités.
§ 4. Si l'indépendant ne réalise pas suffisamment d'activité professionnelle, les paiements futurs de la VOP sont suspendus. L'indépendant peut demander une continuation du paiement de la VOP, après avoir démontré qu'il réalise des activités professionnelles suffisantes.
§ 5. L'indépendant informe le département sans délai et de sa propre initiative de toute modification se rapportant à ou susceptible de se rapporter à la réalisation d'activités professionnelles suffisantes. "
" Art. 36. § 1er. Le revenu minimum mensuel moyen, tel que visé à l'article 3, alinéa premier, de la convention collective du travail n° 43 du 2 mai 1988 relative à la garantie d'un revenu minimum mensuel moyen, est pris comme base pour le calcul de la VOP.
§ 2. Le montant de la VOP pour indépendants, telle que visée à l'article 35, est égal à :
1° 40% durant le trimestre de la demande et les quatre trimestres suivants ;
2° 20% à partir du sixième trimestre jusqu'au et y compris le vingtième trimestre, à condition que des activités professionnelles suffisantes puissent être démontrées.
Au cours de l'avant-dernier trimestre de l'octroi de la VOP, le département informe l'indépendant de la fin des paiements de la VOP et des possibilités d'introduire une demande motivée de maintien du montant, visé à l'alinéa premier, 2°, auprès du département.
A partir de l'avant-dernier trimestre de l'octroi de la VOP, l'indépendant peut introduire une demande motivée de maintien du montant, visé à l'alinéa premier, 2°, auprès du département. Le département décide du montant et de la période de la VOP sur la base d'une évaluation par le VDAB.
Le département peut octroyer à l'indépendant atteint d'un handicap à l'emploi qui exerce ses activités indépendantes pendant au minimum deux années, un montant plus élevé de la VOP pour indépendants, jusqu'à au maximum 60% du revenu minimum mensuel moyen. Pour faire valoir son droit à l'augmentation, l'indépendant démontre de façon motivée que la gravité du handicap à l'emploi occasionne des frais supplémentaires plus élevés ou une perte de rendement plus élevée. Le VDAB évalue le besoin de soutien sur les lieux, à savoir les frais de l'insertion dans la vie professionnelle, les frais du soutien et de la productivité réduite de l'indépendant.
§ 3. L'activité professionnelle est suffisante tant que le revenu professionnel net imposable est supérieur à 13.500 euros. Ceci est démontré au moyen d'un avertissement-extrait de rôle fiscal pour l'année d'imposition précédant le paiement de la VOP. Le département fait le suivi de l'activité indépendante au moyen du flux de données au départ de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants.
Si l'indépendant ne parvient pas à réaliser des activités professionnelles suffisantes à cause de la cession ou d'une interruption complète des activités indépendantes dues à une maladie, l'activité professionnelle est calculée au prorata. La VOP est uniquement payée pour la période au cours de laquelle l'indépendant a effectué ses activités.
§ 4. Si l'indépendant ne réalise pas suffisamment d'activité professionnelle, les paiements futurs de la VOP sont suspendus. L'indépendant peut demander une continuation du paiement de la VOP, après avoir démontré qu'il réalise des activités professionnelles suffisantes.
§ 5. L'indépendant informe le département sans délai et de sa propre initiative de toute modification se rapportant à ou susceptible de se rapporter à la réalisation d'activités professionnelles suffisantes. "
Art. 35. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juli 2016, wordt hoofdstuk VII, dat bestaat uit artikel 37, opgeheven.
Art. 35. Dans le même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er juillet 2016, le chapitre VII, comprenant l'article 37, est abrogé.
Art. 36. Artikel 38 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 38. De persoon met een indicatie van een arbeidshandicap, de persoon met een arbeidshandicap of de werkgever kan een verzoek tot heroverweging indienen bij de raad van bestuur als hij niet akkoord gaat met een beslissing die de VDAB neemt met toepassing van dit besluit.
Het gemotiveerde verzoek tot heroverweging wordt ingediend, op straffe van verval, binnen 45 dagen vanaf de datum van de kennisname van de beslissing.
De raad van bestuur beslist over het heroverwegingsverzoek op basis van een advies van de heroverwegingscommissie, vermeld in het vierde lid, binnen dertig dagen nadat hij het advies heeft ontvangen.
De multidisciplinair samengestelde heroverwegingscommissie, vermeld in het derde lid, wordt aangesteld door de raad van bestuur en bestaat uit:
1° twee leden, voorgedragen door de VDAB, onder wie de voorzitter;
2° twee leden en een externe deskundige, voorgedragen door elk van de gespecialiseerde diensten, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 15 februari 2008 tot vaststelling van de regels voor de erkenning en financiering door de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding van de gespecialiseerde trajectbepalings- en -begeleidingsdienst, de gespecialiseerde arbeidsonderzoeksdiensten en de gespecialiseerde opleidings-, begeleidings- en bemiddelingsdiensten;
3° twee leden, voorgedragen door de gebruikersorganisaties, vermeld in artikel 1, 16°, van het voormelde besluit.
De voorgedragen leden zijn deskundig door ervaring of bezitten een andere bewezen deskundigheid op het vlak van arbeidsproblematieken van personen met een arbeidshandicap.
Op verzoek van de heroverwegingscommissie kunnen externe deskundigen uitgenodigd worden. Die externe deskundigen hebben een raadgevende stem.
De heroverwegingscommissie brengt haar advies uit binnen 60 dagen nadat ze het heroverwegingsdossier heeft ontvangen. De raad van bestuur bepaalt de nadere regels in verband met de werking van de heroverwegingscommissie.".
"Art. 38. De persoon met een indicatie van een arbeidshandicap, de persoon met een arbeidshandicap of de werkgever kan een verzoek tot heroverweging indienen bij de raad van bestuur als hij niet akkoord gaat met een beslissing die de VDAB neemt met toepassing van dit besluit.
Het gemotiveerde verzoek tot heroverweging wordt ingediend, op straffe van verval, binnen 45 dagen vanaf de datum van de kennisname van de beslissing.
De raad van bestuur beslist over het heroverwegingsverzoek op basis van een advies van de heroverwegingscommissie, vermeld in het vierde lid, binnen dertig dagen nadat hij het advies heeft ontvangen.
De multidisciplinair samengestelde heroverwegingscommissie, vermeld in het derde lid, wordt aangesteld door de raad van bestuur en bestaat uit:
1° twee leden, voorgedragen door de VDAB, onder wie de voorzitter;
2° twee leden en een externe deskundige, voorgedragen door elk van de gespecialiseerde diensten, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 15 februari 2008 tot vaststelling van de regels voor de erkenning en financiering door de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding van de gespecialiseerde trajectbepalings- en -begeleidingsdienst, de gespecialiseerde arbeidsonderzoeksdiensten en de gespecialiseerde opleidings-, begeleidings- en bemiddelingsdiensten;
3° twee leden, voorgedragen door de gebruikersorganisaties, vermeld in artikel 1, 16°, van het voormelde besluit.
De voorgedragen leden zijn deskundig door ervaring of bezitten een andere bewezen deskundigheid op het vlak van arbeidsproblematieken van personen met een arbeidshandicap.
Op verzoek van de heroverwegingscommissie kunnen externe deskundigen uitgenodigd worden. Die externe deskundigen hebben een raadgevende stem.
De heroverwegingscommissie brengt haar advies uit binnen 60 dagen nadat ze het heroverwegingsdossier heeft ontvangen. De raad van bestuur bepaalt de nadere regels in verband met de werking van de heroverwegingscommissie.".
Art. 36. L'article 38 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Art. 38. La personne ayant une indication de handicap à l'emploi, la personne atteinte d'un handicap à l'emploi ou l'employeur peuvent introduire une demande de reconsidération auprès du conseil d'administration s'ils ne sont pas d'accord avec une décision que le VDAB prend en application du présent arrêté.
La demande motivée de reconsidération est introduite, sous peine de déchéance, dans les 45 jours à partir de la date de la prise d'acte de la décision.
Le conseil d'administration décide de la demande de reconsidération sur la base d'un avis de la commission de reconsidération, telle que visée à l'alinéa quatre, dans un délai de trente jours de la réception de l'avis.
La commission de reconsidération à composition multidisciplinaire, telle que visée à l'alinéa trois, est désignée par le conseil d'administration et est constituée de :
1° deux membres, dont le président, proposés par le VDAB ;
2° deux membres et un expert externe, proposés par chacun des services spécialisés, mentionnés dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 février 2008 fixant les règles d'agrément et de financement par le " Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding " du service spécialisé pour la définition et l'accompagnement de parcours, des services spécialisés d'étude de l'emploi et des services spécialisés de formation, d'accompagnement et de médiation ;
3° deux membres, proposés par les organisations d'utilisateurs, mentionnées à l'article 1er, 16°, de l'arrêté précité.
Les membres proposés disposent de l'expertise en raison de leur expérience ou d'une autre expertise prouvée dans le domaine des problématiques à l'emploi des personnes atteintes d'un handicap à l'emploi.
A la demande de la commission de reconsidération, des experts externes peuvent être invités. Ces experts externes ont une voix consultative.
La commission de reconsidération émet son avis dans les 60 jours de la réception du dossier de reconsidération. Le conseil d'administration fixe les modalités relatives au fonctionnement de la commission de reconsidération. ".
" Art. 38. La personne ayant une indication de handicap à l'emploi, la personne atteinte d'un handicap à l'emploi ou l'employeur peuvent introduire une demande de reconsidération auprès du conseil d'administration s'ils ne sont pas d'accord avec une décision que le VDAB prend en application du présent arrêté.
La demande motivée de reconsidération est introduite, sous peine de déchéance, dans les 45 jours à partir de la date de la prise d'acte de la décision.
Le conseil d'administration décide de la demande de reconsidération sur la base d'un avis de la commission de reconsidération, telle que visée à l'alinéa quatre, dans un délai de trente jours de la réception de l'avis.
La commission de reconsidération à composition multidisciplinaire, telle que visée à l'alinéa trois, est désignée par le conseil d'administration et est constituée de :
1° deux membres, dont le président, proposés par le VDAB ;
2° deux membres et un expert externe, proposés par chacun des services spécialisés, mentionnés dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 février 2008 fixant les règles d'agrément et de financement par le " Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding " du service spécialisé pour la définition et l'accompagnement de parcours, des services spécialisés d'étude de l'emploi et des services spécialisés de formation, d'accompagnement et de médiation ;
3° deux membres, proposés par les organisations d'utilisateurs, mentionnées à l'article 1er, 16°, de l'arrêté précité.
Les membres proposés disposent de l'expertise en raison de leur expérience ou d'une autre expertise prouvée dans le domaine des problématiques à l'emploi des personnes atteintes d'un handicap à l'emploi.
A la demande de la commission de reconsidération, des experts externes peuvent être invités. Ces experts externes ont une voix consultative.
La commission de reconsidération émet son avis dans les 60 jours de la réception du dossier de reconsidération. Le conseil d'administration fixe les modalités relatives au fonctionnement de la commission de reconsidération. ".
Art. 37. Artikel 67/1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2014, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 67/1. De personen die voor 1 januari 2019 beschikken over een onvoorwaardelijk recht op tewerkstelling in een beschutte werkplaats en op 1 januari 2019 niet in een maatwerkbedrijf werken, krijgen het advies collectief maatwerk, vermeld in artikel 12 van het besluit van 17 februari 2017, of een recht op een VOP.
De personen die voor 1 januari 2019 beschikken over een voorwaardelijk recht op tewerkstelling in een beschutte werkplaats, en op 1 januari 2019 niet in een maatwerkbedrijf werken, verliezen dat recht en krijgen recht op een VOP.".
"Art. 67/1. De personen die voor 1 januari 2019 beschikken over een onvoorwaardelijk recht op tewerkstelling in een beschutte werkplaats en op 1 januari 2019 niet in een maatwerkbedrijf werken, krijgen het advies collectief maatwerk, vermeld in artikel 12 van het besluit van 17 februari 2017, of een recht op een VOP.
De personen die voor 1 januari 2019 beschikken over een voorwaardelijk recht op tewerkstelling in een beschutte werkplaats, en op 1 januari 2019 niet in een maatwerkbedrijf werken, verliezen dat recht en krijgen recht op een VOP.".
Art. 37. L'article 67/1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 décembre 2014, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 67/1. Les personnes bénéficiant avant le 1er janvier 2019 d'un droit inconditionnel à un emploi dans un atelier protégé et ne travaillant pas au 1er janvier 2019 dans une entreprise de travail adapté, ont droit à l'avis relatif au travail sur mesure collectif, visé à l'article 12 de l'arrêté du 17 février 2017, ou à une VOP.
Les personnes jouissant d'un droit conditionnel à un emploi dans un atelier protégé et ne travaillant pas au 1er janvier 2019 dans une entreprise de travail adapté, perdent ce droit et ont droit à une VOP. ".
" Art. 67/1. Les personnes bénéficiant avant le 1er janvier 2019 d'un droit inconditionnel à un emploi dans un atelier protégé et ne travaillant pas au 1er janvier 2019 dans une entreprise de travail adapté, ont droit à l'avis relatif au travail sur mesure collectif, visé à l'article 12 de l'arrêté du 17 février 2017, ou à une VOP.
Les personnes jouissant d'un droit conditionnel à un emploi dans un atelier protégé et ne travaillant pas au 1er janvier 2019 dans une entreprise de travail adapté, perdent ce droit et ont droit à une VOP. ".
Art. 38. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juli 2016, wordt een artikel 67/3 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 67/3. Werkgevers die voor 1 januari 2019 een VOP ontvangen voor de tewerkstelling van een werknemer met een arbeidshandicap die in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest woont, behouden die tegemoetkoming. Vanaf de inwerkingtreding van dit besluit kunnen die werkgevers voor hun werknemers geen beroep meer doen op een verhoging of verlenging van de tegemoetkoming.".
"Art. 67/3. Werkgevers die voor 1 januari 2019 een VOP ontvangen voor de tewerkstelling van een werknemer met een arbeidshandicap die in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest woont, behouden die tegemoetkoming. Vanaf de inwerkingtreding van dit besluit kunnen die werkgevers voor hun werknemers geen beroep meer doen op een verhoging of verlenging van de tegemoetkoming.".
Art. 38. Dans le même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er juillet 2016, il est inséré un article 67/3, rédigé comme suit :
" Art. 67/3. Les employeurs qui avant le 1er janvier 2019 bénéficient d'une VOP pour l'emploi d'un travailleur atteint d'un handicap à l'emploi habitant en Région de Bruxelles-Capitale, continuent à bénéficier de cette intervention. Ces employeurs n'ont plus droit à une augmentation ou à une prolongation de l'intervention en faveur de leurs travailleurs à partir de l'entrée en vigueur du présent arrêté. ".
" Art. 67/3. Les employeurs qui avant le 1er janvier 2019 bénéficient d'une VOP pour l'emploi d'un travailleur atteint d'un handicap à l'emploi habitant en Région de Bruxelles-Capitale, continuent à bénéficier de cette intervention. Ces employeurs n'ont plus droit à une augmentation ou à une prolongation de l'intervention en faveur de leurs travailleurs à partir de l'entrée en vigueur du présent arrêté. ".
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2016 tot uitvoering van het decreet van 4 maart 2016 houdende het Vlaamse doelgroepenbeleid
CHAPITRE 3. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2016 portant exécution du décret du 4 mars 2016 relatif à la politique flamande des groupes-cibles
Art. 39. Aan artikel 28 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2016 tot uitvoering van het decreet van 4 maart 2016 houdende het Vlaamse doelgroepenbeleid wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Ter uitvoering van artikel 18, § 4, van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen wordt bij de hertewerkstelling bij dezelfde werkgever geen onderscheid gemaakt tussen tewerkstellingen die begonnen zijn voor en na 1 juli 2016.".
"Ter uitvoering van artikel 18, § 4, van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen wordt bij de hertewerkstelling bij dezelfde werkgever geen onderscheid gemaakt tussen tewerkstellingen die begonnen zijn voor en na 1 juli 2016.".
Art. 39. Dans l'article 28 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2016 portant exécution du décret du 4 mars 2016 relatif à la politique flamande des groupes-cibles, il est ajouté un alinéa deux, rédigé comme suit :
" En exécution de l'article 18, § 4, de l'arrêté royal du 16 mai 2003 pris en exécution du Chapitre 7 du Titre IV de la Loi-programme du 24 décembre 2002 (I), visant à harmoniser et à simplifier les régimes de réductions de cotisations de sécurité sociale, aucune distinction n'est faite, dans le cas du réemploi auprès du même employeur, entre des emplois qui ont débuté avant et après le 1er juillet 2016. ".
" En exécution de l'article 18, § 4, de l'arrêté royal du 16 mai 2003 pris en exécution du Chapitre 7 du Titre IV de la Loi-programme du 24 décembre 2002 (I), visant à harmoniser et à simplifier les régimes de réductions de cotisations de sécurité sociale, aucune distinction n'est faite, dans le cas du réemploi auprès du même employeur, entre des emplois qui ont débuté avant et après le 1er juillet 2016. ".
HOOFDSTUK 4. - Slotbepalingen
CHAPITRE 4. - Dispositions finales
Art. 40. De doelgroepvermindering die conform artikel 6/1 en artikel 18 van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen is aangevraagd en toegekend voor aanwervingen voor 1 januari 2019, wordt vanaf 1 januari 2019 toegekend voor de resterende kwartalen.
Art. 40. La réduction groupes-cibles, qui a été demandée conformément aux articles 6/1 et 18 de l'arrêté royal du 16 mai 2003 pris en exécution du Chapitre 7 du Titre IV de la Loi-programme du 24 décembre 2002 (I), visant à harmoniser et à simplifier les régimes de réductions de cotisations de sécurité sociale et qui a été accordée pour des recrutements avant le 1er janvier 2019, est accordée pour les trimestres restants à partir du 1er janvier 2019.
Art. 41. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2019.
Art. 41. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er janvier 2019.
Art. 42. De Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 42. Le ministre flamand qui a la politique de l'emploi dans ses attributions, est chargé de l'exécution du présent arrêté.