Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
21 DECEMBER 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering tot ontvankelijkheid en gelijkwaardigheid van een aanvraag van de Federatie Steinerscholen Vlaanderen vzw tot afwijking van de eindtermen, wat de derde graad technisch secundair onderwijs betreft
Titre
21 DECEMBRE 2018. - Arrêté du Gouvernement flamand portant recevabilité et équivalence d'une demande de la Federatie Steinerscholen Vlaanderen vzw de dérogation aux objectifs finaux, pour ce qui est du troisième degré de l'enseignement secondaire technique
Informations sur le document
Info du document
Tekst (5)
Texte (5)
Artikel 1. De aanvraag tot afwijking van de eindtermen van de derde graad van het technisch secundair onderwijs, wat aardrijkskunde, geschiedenis en Nederlands betreft, die is ingediend door de Federatie Steinerscholen Vlaanderen vzw, Gitschotellei 188 in 2140 Antwerpen, is ontvankelijk. De vervangende eindtermen, die opgenomen zijn in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, worden gelijkwaardig verklaard.
Article 1er. La demande de dérogation aux objectifs finaux du troisième degré de l'enseignement secondaire technique, pour ce qui est de la géographie, de l'histoire et du néerlandais, déposée par la Federatie Steinerscholen Vlaanderen vzw, Gitsschotellei 188 à 2140 Anvers, est recevable. Les objectifs finaux de remplacement figurant à l'annexe au présent arrêté sont déclarés équivalents.
Art. 2. De eindtermen, vermeld in artikel 1, treden progressief in werking, leerjaar na leerjaar, vanaf het schooljaar 2019-2020.
Art. 2. Les objectifs finaux visés à l'article 1er entrent progressivement en vigueur, année d'études par année d'études, à partir de l'année scolaire 2019-2020.
Art. 3. De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 3. Le Ministre flamand ayant l'enseignement dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. Vervangende eindtermen derde graad technisch secundair onderwijs van de Federatie Steinerscholen Vlaanderen vzw als vermeld in artikel 1
De eindtermen derde graad technisch secundair onderwijs voor de vakken aardrijkskunde, geschiedenis en Nederlands, vastgelegd in de bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 2000 tot vaststelling van de vakgebonden eindtermen van de tweede en de derde graad van het gewoon secundair onderwijs, laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 maart 2015, worden voor de Federatie Steinerscholen Vlaanderen vzw vervangen door de hierna volgende eindtermen.
De eindtermen, aangeduid met het symbool *, zijn attitudinale eindtermen.
1. Aardrijkskunde derde graad tso
1.1. Motivering en toelichting
De steinerscholen nemen het standpunt in dat leerlingen eerst de fysische aardrijkskunde grondig moeten beheersen om in een later stadium (derde graad) de sociale en humane geografie aan te kunnen. In hun visie is het zo dat de kennis van de fysische processen van platentektoniek, klimaat enz. noodzakelijk is om in de derde graad de sociale en economische problematiek van de continenten te kunnen behandelen. Ten opzichte van de door het Vlaams parlement bekrachtigde eindtermen betekent dit een omgekeerde aanpak.
Een andere - fundamentelere - reden is dat de steinerpedagogie op grond van innerlijke groeiwetmatigheden van jongeren in de tweede graad de innerlijke turbulenties van de 15-16-jarigen wil ondersteunen met leerstof over de fysische turbulenties die zich op de aarde voordoen. Het bewust openstaan voor idealen, gemeenschapszin enz. situeert zich eerder bij adolescenten van de derde graad. Daarom kiest men er in de steinerpedagogie voor om in deze leeftijd de focus te leggen op sociale en economische verhoudingen, staatkundige, rechterlijke en democratische principes.
1.2. Vervangende eindtermen
Context, autonomie en verantwoordelijkheid
De volgende eindtermen voor de derde graad TSO worden gelezen vanuit de persoonlijke, sociale en mondiale context. Zelfstandige verantwoordelijkheid dragen, hoort daarbij.
1. Algemeen
De leerlingen
ET. 1. zoeken aardrijkskundige gegevens op en ordenen deze op een eenvoudige manier, gebruik makend van beschikbare, hedendaagse informatiebronnen en -technieken;
ET 2. lezen en interpreteren geografische en thematische kaarten en grafieken met aardrijkskundige informatie.
2. Economie
De leerlingen
ET 3. omschrijven in grote lijnen de voedsel- en grondstoffenstromen in de wereld met aandacht voor wereldproducenten en wereldconsumenten;
ET 4. begrijpen de ontwikkeling, de betekenis en de rol van de primaire, secundaire, tertiaire en quartaire sector.
3. Demografie
De leerlingen
ET 5. omschrijven in grote lijnen de bevolkingsspreiding over de wereld evenals de evolutie daarvan en de prognoses;
ET 6. leggen verbanden tussen demografische evoluties, welvaart en fysisch-geografische, socio-economische, historische en/of politieke factoren.
4. Ecologie
De leerlingen
ET 7. verklaren op een eenvoudige manier de natuurlijke en menselijke oorzaken van milieuproblemen en leiden er de gevolgen voor mens, natuur en milieu uit af;
ET 8. leggen verbanden tussen duurzame ontwikkeling, levenswijze, cultuur en gebruik en ordening van de ruimte.
5. Staten en internationale organisaties
De leerlingen
ET 9. kennen de basisprincipes van een democratisch bestuur, alsook de kenmerken van niet-democratische besturen;
ET 10. verklaren op een eenvoudige manier de wisselwerking tussen ruimtelijke aspecten en actuele (geo)politieke situaties.
2. Geschiedenis derde graad tso
2.1. Motivering en toelichting
Visie en uitgangspunten
De hieronder voorgestelde eindtermen hebben als referentiekader een eigen visie en eigen uitgangspunten. De alternatieve eindtermen ASO steinerpedagogie werden daarom waar nodig aangepast voor het TSO.
Binnen de visie van de steinerscholen op geschiedenisonderwijs wordt groot belang gehecht aan het neerzetten van een zo volledig mogelijk, exact feitelijk maar ook sprekend waarnemingsbeeld. Daarbij wordt ingespeeld op het belevingsniveau van de jongeren, dat verschillend is naargelang de leeftijd. De steinerpedagogie gaat ervan uit dat het denken zich oefent en opgebouwd wordt via de waarneming en het progressief leren ordenen ervan.
In de eerste graad werkt men in het geschiedenisonderwijs nog sterk met de narratieve methode. Daarbij wordt het causale denken geoefend. De jongeren van de tweede graad voelen een behoefte om een verbinding met de geschiedenis te leggen vanuit de vraag naar hoe de hen omringende wereld concreet, feitelijk in elkaar steekt. De leerlingen leren combinerend denken op basis van het exacte waarnemen, het ordenen en het afgrenzen en het exact weergeven van de feiten. Vervolgens ontwikkelt zich daaruit het procesdenken:
opeenvolgende waarnemingen worden geplaatst in de tijd, complexe gehelen worden waargenomen, processen gevolgd en waarnemingsreeksen opgebouwd en vergeleken. In de tweede graad wordt de narratieve methode daarom aangevuld met zo authentiek mogelijke historische bronnen. Op deze manier worden de jongeren ertoe aangezet om, op grond van hun eigen waarneming en met behulp van hun eigen innerlijk voorstellings- en denkvermogen, concreet met het verleden bezig te zijn. Het waarnemings-, inlevings- en voorstellingsvermogen van de jongeren wordt geleidelijk aan geoefend en verfijnd, waardoor het ontwikkelen van een gefundeerd oordeelsvermogen - uiteraard zeer belangrijk in onze tijd - naar het einde van de derde graad mogelijk wordt gemaakt.
Naast inzicht in de principes van temporaliteit en causaliteit (continuïteit) wordt binnen deze visie ook aandacht besteed aan het principe van discontinuïteit. Onverwachte impulsen van bewust, doelgericht, vrij menselijk individueel of collectief handelen en invloeden van de natuur kunnen immers de geschiedenis abrupt een andere wending geven. Geschiedenis evolueert met sprongen en haar onvoorspelbare toekomst is niet alleen bepaald door het verleden.
Er wordt exemplarisch en symptomatisch gewerkt. De behandelde historische periodes, feiten, gebeurtenissen, thema's en persoonlijkheden die kenmerkend en essentieel zijn voor het wordingsverhaal van de mensheid, worden op diepgaande wijze behandeld. Aan de hand hiervan vormen de jongeren zich een tijdsbewustzijn. Bij het kiezen van een bepaalde historische periode als leerinhoud wordt er rekening gehouden met de leeftijdsgebonden ontwikkeling van de leerlingen.
Criteria in verband met het historisch referentiekader
Het historisch referentiekader bestaat uit de dimensies socialiteit, tijd en historische ruimte en omvat een begrippenkader en een kader van maatschappelijke probleemstellingen die het niveau van de afzonderlijke samenlevingen overstijgen. Deze worden gekozen in functie van de leeftijdsgebonden interesses en mogelijkheden van de jongeren.
In de visie van de steinerpedagogie wordt ervan uitgegaan dat de jongeren van de derde graad een verbinding met de geschiedenis leggen vanuit de bereidheid en verregaande capaciteit om zich in te leven in stemmingen, om nuances te vatten, zich te verplaatsen in de ander en vervolgens de vraag te stellen naar hun plaats in de wereld. Zo wordt het denken in de derde graad verder geoefend, voortbouwend op wat in de tweede graad op het gebied van het procesdenken werd ontwikkeld. Eerst wordt het denken tot op het niveau van het invoelende denken gebracht: oefenen in het waarnemen van kwaliteiten en deze leren verwoorden in begrippen, modellen of beelden. Vervolgens wordt het denken geoefend met het oog op het verwerven van overzicht en inzicht in grote lijnen, vanuit het zien en leren relativeren van hun eigen standpunt. De ontwikkeling van dit denken levert `begrip' op. In de visie van de steinerpedagogie is dit een onmisbare voorwaarde tot de vorming van een weloverwogen, doordacht en vrij oordeel.
Het begrippenkader dat aan de hand van deze historische werkelijkheid verder wordt op- en uitgebouwd, krijgt in de derde graad een steeds toenemende mate van abstractie.
Criteria uitgewerkt per leerjaar
In het eerste leerjaar van de derde graad groeit het zelfbewustzijn van de jongeren en komen ze tot een verdiepte en meer objectieve kennis van zichzelf. Ze zijn zeer ontvankelijk voor en bezitten een groot inlevingsvermogen in stemmingen. Ze krijgen interesse in psychologie en psychische fenomenen en voelen zich aangetrokken tot het metafysische en het religieuze.
Ze kunnen zich reeds goed denkend losmaken van de waargenomen realiteit en beschikken over een grote mate van abstractievermogen.
De invalshoek voor dit leerjaar is de organisatie van historische samenlevingen, met aandacht voor de volgende aspecten: bestuur, recht, economie, cultuur en religie. Hiervoor wordt exemplarische leerstof gekozen uit de periode van de Oudheid tot en met de Middeleeuwen. Zo leren de jongeren aan de hand van maatschappelijke organisatie en economisch bestel hoe de verhouding tussen persoon en samenleving zich in de verschillende bestudeerde samenlevingen ontwikkelt. Tevens leren de jongeren hoe belangrijk religie en organisatie van religie kunnen zijn.
In het tweede leerjaar van de derde graad moeten de jongeren, die dan 17-18 jaar zijn, met hun ontwakende persoonlijkheid hun eigen individuele weg kunnen zoeken. Ze worden zich bewust van hun eigen idealen en maken een begin met het afstemmen van hun handelen op basis van hun inzichten. Er wordt gezocht naar de samenhang tussen deze ontwakende persoonlijkheden en de wereld waarin zij zeer binnenkort als volwassenen zullen binnenstappen. Hun abstractievermogen is nu zodanig ontwikkeld dat ze in grote verbanden kunnen denken.
De invalshoek voor dit leerjaar is het behandelen van de geschiedenis vanuit een terugblik en grote overzichten. Hiervoor wordt exemplarisch leerstof gekozen uit de hele geschiedenis, met klemtoon op de hedendaagse geschiedenis. Het is belangrijk om daarbij verder te kijken dan onze Westerse wereld en het vak geschiedenis zelf om internationale en vakoverschrijdende verbanden te kunnen leggen. Een voortdurende actualisering van de leerinhouden is van het grootste belang.
2.2. Vervangende eindtermen
Context, autonomie en verantwoordelijkheid
De volgende eindtermen voor de derde graad TSO worden gelezen vanuit de persoonlijke, sociale en mondiale context. Zelfstandige verantwoordelijkheid dragen, hoort daarbij.
Kennis, inzicht en vaardigheden
1. Algemeen
De leerlingen
ET 1. verruimen een aantal historische begrippen en probleemstellingen en passen deze in een bredere historische context;
ET 2. geven een overeenkomst en een verschil tussen ontwikkelingsfasen van de westerse samenleving onderling en tussen ontwikkelingsfasen van de westerse en andere samenlevingen;
ET 3. hebben oog voor de categorieën van de dimensie tijd en kennen de duur en afstand in tijd van de bestudeerde perioden;
ET 4. duiden enkele periodiseringsconcepten aan ( zoals Middeleeuwen, Renaissance);
ET 5. karakteriseren vanuit enkele categorieën van de dimensie tijd enkele maatschappelijke evoluties in de ontwikkelingsfasen van de bestudeerde samenlevingen;
ET 6. situeren de belangrijkste feiten en gebeurtenissen uit de bestudeerde samenleving binnen de dimensie historische ruimte, met oog voor de categorieën van de dimensie tijd;
ET 7. selecteren en ordenen historische informatie uit tekstueel, auditief, visueel of audiovisueel materiaal over het verleden en het heden;
ET 8. kunnen in verband met deze historische informatie uit aangebracht tekstueel, auditief, visueel of audiovisueel materiaal:
- hoofd- en bijzaken onderscheiden;
- er een standpunt uithalen en daaromtrent vragen formuleren;
- deze structureren en samenvatten;
- deze aan de hand van vragen en een op hun niveau omschreven opdracht, interpreteren;
ET 9. herkennen de historische begrippen, die opgebouwd werden vanuit de bestudeerde historische werkelijkheid en gebruiken die binnen een afgebakende context;
ET 10. kennen het belang en de subjectiviteit van de verschillende media en raken ermee vertrouwd;
ET 11. begrijpen enkele fenomenen in de actualiteit vanuit de ontwikkelingen van het verleden;
ET 12. nemen een eigen standpunt in ten opzichte van hedendaagse ontwikkelingen op basis van verworven historische inzichten;
2. Voor de periodes en samenlevingen die bestudeerd worden vanuit terugblik en grote overzichten
De leerlingen
ET 13. lichten de invloed en de uitwerking van een aantal maatschappij-ideologieën toe op de historische werkelijkheid;
ET 14. wegen verschillende argumentaties tegen elkaar af;
ET 15. benaderen waarden en normen uit heden en verleden vanuit de historische en actuele context.
3. Attitudes
De leerlingen
ET 16. beseffen dat we erfdragers zijn van al de historische ontwikkelingen;*
ET 17. beseffen het belang van hun eigen inbreng in de toekomstige maatschappijstructuren;*
ET 18. illustreren stereotypen en vooroordelen uit de geschiedenis;*
ET 19. zien de huidige situatie van vrijheid en gelijkheid in een democratische rechtstaat als een voorlopig eindpunt van een lange en moeizame strijd; *
ET 20. respecteren de lange en moeizame strijd in de wereld voor een grotere vrijheid en gelijkheid onder de mensen ;*
ET 21. beseffen dat ze in onze maatschappij ruimte krijgen om persoonlijk om te gaan met deze vrijheid en gelijkheid;*
ET 22. komen tot een eigen oordeel over een historisch of actueel maatschappelijk probleem aan de hand van een coherente argumentatie. *
3. Nederlands derde graad tso
3.1. Motivering en toelichting
De ingediende vervangende eindtermen Nederlands voor de steinerscholen derde graad TSO sluiten inhoudelijk nauw aan bij de reeds in voege zijnde eindtermen ASO Nederlands derde graad. Zij sluiten op hun beurt aan op de vervangende eindtermen van de steinerscholen voor de tweede graad.
De alternatieve eindtermen ASO wijken af van de reguliere ET ASO. Dit is dus ook het geval voor deze alternatieve eindtermen TSO. Wel hebben de steinerscholen, naar analogie met de laatst gewijzigde reguliere eindtermen Nederlands, de niveaubepaling scherper gesteld voor de eindtermen Nederlands TSO. Zie hiervoor de motivering en toelichting hieronder.
De volgorde van de eindtermen is aangepast volgens de logica van de reguliere eindtermen TSO. Zo zijn bijvoorbeeld de alternatieve eindtermen ASO onder het kopje verbale expressie ondergebracht onder een van de andere kopjes zoals spreken. Verder zijn de formuleringen van een aantal alternatieve ET ASO aangepast. Ten slotte zijn een aantal reguliere eindtermen TSO overgenomen.
Volgens de uitgangspunten van de door het Vlaamse Parlement bekrachtigde eindtermen Nederlands ligt het accent op de informatieve communicatie. De steinerpedagogie heeft daarnaast andere, eveneens primaire doelstellingen, voor het taalonderwijs. Meer in het bijzonder ziet de steinerpedagogie in literatuuronderwijs een mogelijkheid tot vorming van een kritisch bewustzijn, tot verfijning van het gevoelsleven en tot ontwikkeling van de creativiteit. Het beoefenen van de specifieke taalkundige vaardigheden zoals spelling, woordgebruik, formulering en zinsbouw - reeds uitvoerig behandeld in de eerste graad van de steinerscholen - kreeg in de tweede graad extra aandacht. In de derde graad worden deze vaardigheden geoefend in schrijf- en lees- en spreekopdrachten allerhande. Vooral het zakelijk schrijven moet voldoende aandacht krijgen.
Een aantal door het Vlaams parlement bekrachtigde eindtermen TSO werd in deze aanvraag tot afwijking overgenomen, maar de nadruk ligt in het steineronderwijs meer op literaire teksten. Dit stemt overeen met de internationaal gehanteerde curriculuminhoud van de steinerscholen waarbij leerinhouden ook ingezet worden voor de ontwikkeling van de persoonlijkheid.
De teksten en tekstfragmenten worden gekozen in functie van de noden van de klas, evenwel mee bepaald door de inzichten in de ontwikkeling van de jonge mens en de vragen waarmee zij op dit moment van hun ontwikkeling leven. Wat literaire meesterwerken te zeggen hebben over de stappen in de ontwikkeling van mens en mensheid, kan de leerlingen helpen een grotere objectiviteit ten aanzien van de eigen levensweg te ontwikkelen.
De door het Vlaams parlement bekrachtigde eindtermen Nederlands en Vreemde Talen onderscheiden vier verwerkingsniveaus, waarvan het volgende telkens het voorafgaande insluit (uittreksel uit de teksten uitgangspunten eindtermen Nederlands van de Vlaamse overheid):
kopiërend niveau : geboden informatie letterlijk weergeven;
beschrijvend niveau : geboden informatie in grote lijnen achterhalen, of ook: ze op een dergelijke wijze te horen of te lezen geven;
structurerend niveau : de informatie achterhalen en op persoonlijke en overzichtelijke wijze ordenen, of ook: ze op een dergelijke wijze te horen of te lezen geven;
beoordelend niveau : de informatie achterhalen, ordenen en beoordelen op basis van informatie uit andere bronnen, of ook: ze op een dergelijke wijze te horen of te lezen geven.
De steinerscholen hebben een enigszins afwijkende visie op de verwerkingsniveaus zoals hierboven beschreven in de uitgangspunten van de overheid. Hoewel `kopiëren' in die uitgangspunten als laagste verwerkingsniveau gezien wordt, hechten de steinerscholen er grote waarde aan. Kopiëren of nabootsen betekent meer dan uitsluitend uiterlijk nadoen. Bij het nabootsen kunnen de leerlingen ook innerlijk meebewegen. Ze kunnen op gevoelsniveau fijne nuances opvangen, ze kunnen innerlijke beelden vormen en er ontstaat een zekere opname in het geheugen. Met name als het om literaire teksten gaat kan dat nabootsen nog tot in de hoogste klassen van het secundair onderwijs een meerwaarde bieden.
Theaterteksten uit het hoofd leren in het kader van een toneelvoorstelling kan, nadat de voorstelling voorbij is, tot een serieuze versteviging van het zelfvertrouwen aanleiding geven zodat men ook in andere omstandigheden gemakkelijker voor een publiek durft te spreken.
Bovendien is het een oefening bij uitstek voor het zorgvuldig articuleren en om een juiste spreekhouding aan te nemen. De realiteitswaarde binnen de context van een podiumproductie verhoogt eveneens de motivatie om aan dergelijke vaardigheden te werken.
Dit alles betekent niet dat de drie andere niveaus niet als belangrijk beschouwd worden, integendeel! Het is de visie van de steinerscholen dat deze vier niveaus niet noodzakelijk een hiërarchie moeten hebben. Elk heeft zijn eigen waarde in een gegeven situatie.
3.2. Vervangende eindtermen
Context, autonomie en verantwoordelijkheid
De volgende eindtermen voor de derde graad TSO worden gelezen vanuit de persoonlijke, sociale en mondiale context. Zelfstandige verantwoordelijkheid dragen, hoort daarbij.
1. Luisteren
De leerlingen
ET 1. luisteren op structurerend niveau naar een uiteenzetting met betrekking tot de leerstof;
ET 2. toetsen het beluisterde aan eigen gevoelens, meningen, kennis en inzichten;
ET 3. nemen binnen gepaste situaties een kritische houding aan ten opzichte van hun luisterhouding.
2. Spreken (koppeling Luisteren)
De leerlingen
ET 4. articuleren goed en zorgvuldig;
ET 5. kunnen op structurerend niveau:
o deelnemen aan een leer- en klasgesprek;
o een logische gedachtegang volgen bij een uiteenzetting;
ET 6. kunnen op beoordelend niveau hun eigen standpunten/meningen of hun oplossingswijzen voor problemen in een gedachtewisseling uiteenzetten en motiveren;
ET 7. kunnen bij de planning en uitvoering van en bij de reflectie op de spreektaken:
o hun spreek- en gespreksdoel(en) bepalen;
o hun publiek beschrijven;
o hun voorkennis inzetten;
o hun taal in een aangepast register gebruiken;
o bijkomende informatie vragen;
o inhouds- en vormconventies van de taal verzorgen;
o visuele informatie gebruiken.
ET 8. kunnen op structurerend niveau t.a.v. een onbekend publiek:
o instructies geven;
o gedocumenteerde informatie presenteren;
o een sollicitatiegesprek voeren.
ET 9. kunnen binnen gepaste communicatiesituaties:
o Algemeen Nederlands spreken;
o het evenwicht houden tussen spreken en luisteren;
o een kritische houding aannemen tegenover hun eigen spreek- en gespreksgedrag. *
3. Lezen
De leerlingen
ET 10. leren binnen gepaste situaties:
o te reflecteren over de inhoud van een tekst;
o zich in te leven in behandelde teksten;
o hun persoonlijke waardering voor bepaalde teksten uit te spreken, in vraag te stellen en eventueel te herzien. *
4. Schrijven
De leerlingen
ET. 11. kunnen op structurerend niveau notities maken en aan de hand daarvan een geordende tekst uitschrijven (lesnotities, verslagen, samenvattingen);
ET 12. kunnen op beoordelend niveau hun eigen gedachten, standpunten of hun oplossingswijzen voor problemen helder en gestructureerd uiteenzetten en motiveren in een geschreven tekst;
ET 13. leren een scriptie samenstellen op basis van literatuuronderzoek en/of praktijkervaringen;
ET 14. kunnen bij de planning en uitvoering van en bij de reflectie op schrijftaken:
o hun schrijfdoel(en) bepalen;
o het bedoelde publiek beschrijven;
o hun voorkennis inzetten;
o gericht informatie zoeken, ordenen en verwerken;
o een logische tekstopbouw creëren met aandacht voor inhoudelijke en functionele relaties;
o een eigen tekst reviseren;
o correct citeren (bronvermelding);
o gebruik maken van informatie - en communicatietechnologie;
ET 15. kunnen binnen gepaste situaties:
o schriftelijk informatie verstrekken;
o reflecteren op hun eigen schrijfproces en op de inhoud en vorm van hun schrijfproduct;
o zoeken in een woordenboek bij twijfel;
o taal, indeling, spelling, handschrift en lay-out verzorgen.
5. Literatuur
De leerlingen
ET 16. formuleren hun waardering voor literaire teksten mondeling en schriftelijk;
ET 17. leggen verbanden:
o binnen teksten;
o tussen teksten;
o tussen teksten en het brede socio-culturele veld;
o tussen tekst en auteur;
ET 18. kunnen informatie over literaire teksten verzamelen en verwerken met behulp van alle moderne informatiekanalen;
ET 19. herkennen en bespreken aan de hand van het Parcivalverhaal enkele ontwikkelingsfasen in een mensenleven;
ET 20. herkennen aan de hand van `Faust' een diepzinnige en artistieke uitwerking van een aantal belangrijke levensthema's;
ET 21. komen in gesprek over levensvraagstukken zoals liefde, gewetensvorming, vrijheid en verantwoordelijkheid, biografie en lot.
6. Taalbeschouwing
Attitudes:
De leerlingen
ET 22. leren om op hun niveau:
o bewust te reflecteren op taalgebruik en taalsysteem;
o van de verworven inzichten gebruik te maken bij verbale en non-verbale communicatie; *
ET 23. tonen interesse in en respect voor de persoon van de ander en voor de eigen en andermans cultuur, levens- en werkwijze bij het reflecteren op verbale en non-verbale communicatie; *
ET 24. komen via het opvoeren van een toneelstuk en de nevenactiviteiten in een sociaal oefenvel.; *
Taalgebruik:
De leerlingen
ET 25. reflecteren bewust op hun niveau op een aantal aspecten van het taalgebruik:
25.1. in het tekstuele domein:
o tekststructuren en structuuraanduiders: verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden;
o betekenisrelaties: middel - doel, chronologische relatie, oorzaak - gevolg, voordelen - nadelen, voor - tegen;
o status van een uitspraak: feit - mening;
o metaforiek en expressiviteit in de dagelijkse taal en literaire teksten;
25.2. in het pragmatische domein
o het bijsturen van hun eigen lezen, schrijven en spreken;
o de gevolgen van hun verbale en non-verbale communicatie voor anderen en voor henzelf.
Taalsysteem:
De leerlingen
ET 26. reflecteren bewust op hun niveau op een aantal aspecten van het taalsysteem en kunnen de hierna volgende verschijnselen herkennen en onderzoeken:
26.1. in het orthografisch domein:
o vormcorrectheid, spellingconventies en hulpmiddelen bij de spelling van woorden en bij interpunctie;
26.2. in het syntactische domein:
o zinsdelen de belangrijkste zinsdelen;
o zin enkelvoudige en samengestelde zinnen; nevengeschikte en ondergeschikte zinnen.
De eindtermen derde graad technisch secundair onderwijs voor de vakken aardrijkskunde, geschiedenis en Nederlands, vastgelegd in de bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 2000 tot vaststelling van de vakgebonden eindtermen van de tweede en de derde graad van het gewoon secundair onderwijs, laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 maart 2015, worden voor de Federatie Steinerscholen Vlaanderen vzw vervangen door de hierna volgende eindtermen.
De eindtermen, aangeduid met het symbool *, zijn attitudinale eindtermen.
1. Aardrijkskunde derde graad tso
1.1. Motivering en toelichting
De steinerscholen nemen het standpunt in dat leerlingen eerst de fysische aardrijkskunde grondig moeten beheersen om in een later stadium (derde graad) de sociale en humane geografie aan te kunnen. In hun visie is het zo dat de kennis van de fysische processen van platentektoniek, klimaat enz. noodzakelijk is om in de derde graad de sociale en economische problematiek van de continenten te kunnen behandelen. Ten opzichte van de door het Vlaams parlement bekrachtigde eindtermen betekent dit een omgekeerde aanpak.
Een andere - fundamentelere - reden is dat de steinerpedagogie op grond van innerlijke groeiwetmatigheden van jongeren in de tweede graad de innerlijke turbulenties van de 15-16-jarigen wil ondersteunen met leerstof over de fysische turbulenties die zich op de aarde voordoen. Het bewust openstaan voor idealen, gemeenschapszin enz. situeert zich eerder bij adolescenten van de derde graad. Daarom kiest men er in de steinerpedagogie voor om in deze leeftijd de focus te leggen op sociale en economische verhoudingen, staatkundige, rechterlijke en democratische principes.
1.2. Vervangende eindtermen
Context, autonomie en verantwoordelijkheid
De volgende eindtermen voor de derde graad TSO worden gelezen vanuit de persoonlijke, sociale en mondiale context. Zelfstandige verantwoordelijkheid dragen, hoort daarbij.
1. Algemeen
De leerlingen
ET. 1. zoeken aardrijkskundige gegevens op en ordenen deze op een eenvoudige manier, gebruik makend van beschikbare, hedendaagse informatiebronnen en -technieken;
ET 2. lezen en interpreteren geografische en thematische kaarten en grafieken met aardrijkskundige informatie.
2. Economie
De leerlingen
ET 3. omschrijven in grote lijnen de voedsel- en grondstoffenstromen in de wereld met aandacht voor wereldproducenten en wereldconsumenten;
ET 4. begrijpen de ontwikkeling, de betekenis en de rol van de primaire, secundaire, tertiaire en quartaire sector.
3. Demografie
De leerlingen
ET 5. omschrijven in grote lijnen de bevolkingsspreiding over de wereld evenals de evolutie daarvan en de prognoses;
ET 6. leggen verbanden tussen demografische evoluties, welvaart en fysisch-geografische, socio-economische, historische en/of politieke factoren.
4. Ecologie
De leerlingen
ET 7. verklaren op een eenvoudige manier de natuurlijke en menselijke oorzaken van milieuproblemen en leiden er de gevolgen voor mens, natuur en milieu uit af;
ET 8. leggen verbanden tussen duurzame ontwikkeling, levenswijze, cultuur en gebruik en ordening van de ruimte.
5. Staten en internationale organisaties
De leerlingen
ET 9. kennen de basisprincipes van een democratisch bestuur, alsook de kenmerken van niet-democratische besturen;
ET 10. verklaren op een eenvoudige manier de wisselwerking tussen ruimtelijke aspecten en actuele (geo)politieke situaties.
2. Geschiedenis derde graad tso
2.1. Motivering en toelichting
Visie en uitgangspunten
De hieronder voorgestelde eindtermen hebben als referentiekader een eigen visie en eigen uitgangspunten. De alternatieve eindtermen ASO steinerpedagogie werden daarom waar nodig aangepast voor het TSO.
Binnen de visie van de steinerscholen op geschiedenisonderwijs wordt groot belang gehecht aan het neerzetten van een zo volledig mogelijk, exact feitelijk maar ook sprekend waarnemingsbeeld. Daarbij wordt ingespeeld op het belevingsniveau van de jongeren, dat verschillend is naargelang de leeftijd. De steinerpedagogie gaat ervan uit dat het denken zich oefent en opgebouwd wordt via de waarneming en het progressief leren ordenen ervan.
In de eerste graad werkt men in het geschiedenisonderwijs nog sterk met de narratieve methode. Daarbij wordt het causale denken geoefend. De jongeren van de tweede graad voelen een behoefte om een verbinding met de geschiedenis te leggen vanuit de vraag naar hoe de hen omringende wereld concreet, feitelijk in elkaar steekt. De leerlingen leren combinerend denken op basis van het exacte waarnemen, het ordenen en het afgrenzen en het exact weergeven van de feiten. Vervolgens ontwikkelt zich daaruit het procesdenken:
opeenvolgende waarnemingen worden geplaatst in de tijd, complexe gehelen worden waargenomen, processen gevolgd en waarnemingsreeksen opgebouwd en vergeleken. In de tweede graad wordt de narratieve methode daarom aangevuld met zo authentiek mogelijke historische bronnen. Op deze manier worden de jongeren ertoe aangezet om, op grond van hun eigen waarneming en met behulp van hun eigen innerlijk voorstellings- en denkvermogen, concreet met het verleden bezig te zijn. Het waarnemings-, inlevings- en voorstellingsvermogen van de jongeren wordt geleidelijk aan geoefend en verfijnd, waardoor het ontwikkelen van een gefundeerd oordeelsvermogen - uiteraard zeer belangrijk in onze tijd - naar het einde van de derde graad mogelijk wordt gemaakt.
Naast inzicht in de principes van temporaliteit en causaliteit (continuïteit) wordt binnen deze visie ook aandacht besteed aan het principe van discontinuïteit. Onverwachte impulsen van bewust, doelgericht, vrij menselijk individueel of collectief handelen en invloeden van de natuur kunnen immers de geschiedenis abrupt een andere wending geven. Geschiedenis evolueert met sprongen en haar onvoorspelbare toekomst is niet alleen bepaald door het verleden.
Er wordt exemplarisch en symptomatisch gewerkt. De behandelde historische periodes, feiten, gebeurtenissen, thema's en persoonlijkheden die kenmerkend en essentieel zijn voor het wordingsverhaal van de mensheid, worden op diepgaande wijze behandeld. Aan de hand hiervan vormen de jongeren zich een tijdsbewustzijn. Bij het kiezen van een bepaalde historische periode als leerinhoud wordt er rekening gehouden met de leeftijdsgebonden ontwikkeling van de leerlingen.
Criteria in verband met het historisch referentiekader
Het historisch referentiekader bestaat uit de dimensies socialiteit, tijd en historische ruimte en omvat een begrippenkader en een kader van maatschappelijke probleemstellingen die het niveau van de afzonderlijke samenlevingen overstijgen. Deze worden gekozen in functie van de leeftijdsgebonden interesses en mogelijkheden van de jongeren.
In de visie van de steinerpedagogie wordt ervan uitgegaan dat de jongeren van de derde graad een verbinding met de geschiedenis leggen vanuit de bereidheid en verregaande capaciteit om zich in te leven in stemmingen, om nuances te vatten, zich te verplaatsen in de ander en vervolgens de vraag te stellen naar hun plaats in de wereld. Zo wordt het denken in de derde graad verder geoefend, voortbouwend op wat in de tweede graad op het gebied van het procesdenken werd ontwikkeld. Eerst wordt het denken tot op het niveau van het invoelende denken gebracht: oefenen in het waarnemen van kwaliteiten en deze leren verwoorden in begrippen, modellen of beelden. Vervolgens wordt het denken geoefend met het oog op het verwerven van overzicht en inzicht in grote lijnen, vanuit het zien en leren relativeren van hun eigen standpunt. De ontwikkeling van dit denken levert `begrip' op. In de visie van de steinerpedagogie is dit een onmisbare voorwaarde tot de vorming van een weloverwogen, doordacht en vrij oordeel.
Het begrippenkader dat aan de hand van deze historische werkelijkheid verder wordt op- en uitgebouwd, krijgt in de derde graad een steeds toenemende mate van abstractie.
Criteria uitgewerkt per leerjaar
In het eerste leerjaar van de derde graad groeit het zelfbewustzijn van de jongeren en komen ze tot een verdiepte en meer objectieve kennis van zichzelf. Ze zijn zeer ontvankelijk voor en bezitten een groot inlevingsvermogen in stemmingen. Ze krijgen interesse in psychologie en psychische fenomenen en voelen zich aangetrokken tot het metafysische en het religieuze.
Ze kunnen zich reeds goed denkend losmaken van de waargenomen realiteit en beschikken over een grote mate van abstractievermogen.
De invalshoek voor dit leerjaar is de organisatie van historische samenlevingen, met aandacht voor de volgende aspecten: bestuur, recht, economie, cultuur en religie. Hiervoor wordt exemplarische leerstof gekozen uit de periode van de Oudheid tot en met de Middeleeuwen. Zo leren de jongeren aan de hand van maatschappelijke organisatie en economisch bestel hoe de verhouding tussen persoon en samenleving zich in de verschillende bestudeerde samenlevingen ontwikkelt. Tevens leren de jongeren hoe belangrijk religie en organisatie van religie kunnen zijn.
In het tweede leerjaar van de derde graad moeten de jongeren, die dan 17-18 jaar zijn, met hun ontwakende persoonlijkheid hun eigen individuele weg kunnen zoeken. Ze worden zich bewust van hun eigen idealen en maken een begin met het afstemmen van hun handelen op basis van hun inzichten. Er wordt gezocht naar de samenhang tussen deze ontwakende persoonlijkheden en de wereld waarin zij zeer binnenkort als volwassenen zullen binnenstappen. Hun abstractievermogen is nu zodanig ontwikkeld dat ze in grote verbanden kunnen denken.
De invalshoek voor dit leerjaar is het behandelen van de geschiedenis vanuit een terugblik en grote overzichten. Hiervoor wordt exemplarisch leerstof gekozen uit de hele geschiedenis, met klemtoon op de hedendaagse geschiedenis. Het is belangrijk om daarbij verder te kijken dan onze Westerse wereld en het vak geschiedenis zelf om internationale en vakoverschrijdende verbanden te kunnen leggen. Een voortdurende actualisering van de leerinhouden is van het grootste belang.
2.2. Vervangende eindtermen
Context, autonomie en verantwoordelijkheid
De volgende eindtermen voor de derde graad TSO worden gelezen vanuit de persoonlijke, sociale en mondiale context. Zelfstandige verantwoordelijkheid dragen, hoort daarbij.
Kennis, inzicht en vaardigheden
1. Algemeen
De leerlingen
ET 1. verruimen een aantal historische begrippen en probleemstellingen en passen deze in een bredere historische context;
ET 2. geven een overeenkomst en een verschil tussen ontwikkelingsfasen van de westerse samenleving onderling en tussen ontwikkelingsfasen van de westerse en andere samenlevingen;
ET 3. hebben oog voor de categorieën van de dimensie tijd en kennen de duur en afstand in tijd van de bestudeerde perioden;
ET 4. duiden enkele periodiseringsconcepten aan ( zoals Middeleeuwen, Renaissance);
ET 5. karakteriseren vanuit enkele categorieën van de dimensie tijd enkele maatschappelijke evoluties in de ontwikkelingsfasen van de bestudeerde samenlevingen;
ET 6. situeren de belangrijkste feiten en gebeurtenissen uit de bestudeerde samenleving binnen de dimensie historische ruimte, met oog voor de categorieën van de dimensie tijd;
ET 7. selecteren en ordenen historische informatie uit tekstueel, auditief, visueel of audiovisueel materiaal over het verleden en het heden;
ET 8. kunnen in verband met deze historische informatie uit aangebracht tekstueel, auditief, visueel of audiovisueel materiaal:
- hoofd- en bijzaken onderscheiden;
- er een standpunt uithalen en daaromtrent vragen formuleren;
- deze structureren en samenvatten;
- deze aan de hand van vragen en een op hun niveau omschreven opdracht, interpreteren;
ET 9. herkennen de historische begrippen, die opgebouwd werden vanuit de bestudeerde historische werkelijkheid en gebruiken die binnen een afgebakende context;
ET 10. kennen het belang en de subjectiviteit van de verschillende media en raken ermee vertrouwd;
ET 11. begrijpen enkele fenomenen in de actualiteit vanuit de ontwikkelingen van het verleden;
ET 12. nemen een eigen standpunt in ten opzichte van hedendaagse ontwikkelingen op basis van verworven historische inzichten;
2. Voor de periodes en samenlevingen die bestudeerd worden vanuit terugblik en grote overzichten
De leerlingen
ET 13. lichten de invloed en de uitwerking van een aantal maatschappij-ideologieën toe op de historische werkelijkheid;
ET 14. wegen verschillende argumentaties tegen elkaar af;
ET 15. benaderen waarden en normen uit heden en verleden vanuit de historische en actuele context.
3. Attitudes
De leerlingen
ET 16. beseffen dat we erfdragers zijn van al de historische ontwikkelingen;*
ET 17. beseffen het belang van hun eigen inbreng in de toekomstige maatschappijstructuren;*
ET 18. illustreren stereotypen en vooroordelen uit de geschiedenis;*
ET 19. zien de huidige situatie van vrijheid en gelijkheid in een democratische rechtstaat als een voorlopig eindpunt van een lange en moeizame strijd; *
ET 20. respecteren de lange en moeizame strijd in de wereld voor een grotere vrijheid en gelijkheid onder de mensen ;*
ET 21. beseffen dat ze in onze maatschappij ruimte krijgen om persoonlijk om te gaan met deze vrijheid en gelijkheid;*
ET 22. komen tot een eigen oordeel over een historisch of actueel maatschappelijk probleem aan de hand van een coherente argumentatie. *
3. Nederlands derde graad tso
3.1. Motivering en toelichting
De ingediende vervangende eindtermen Nederlands voor de steinerscholen derde graad TSO sluiten inhoudelijk nauw aan bij de reeds in voege zijnde eindtermen ASO Nederlands derde graad. Zij sluiten op hun beurt aan op de vervangende eindtermen van de steinerscholen voor de tweede graad.
De alternatieve eindtermen ASO wijken af van de reguliere ET ASO. Dit is dus ook het geval voor deze alternatieve eindtermen TSO. Wel hebben de steinerscholen, naar analogie met de laatst gewijzigde reguliere eindtermen Nederlands, de niveaubepaling scherper gesteld voor de eindtermen Nederlands TSO. Zie hiervoor de motivering en toelichting hieronder.
De volgorde van de eindtermen is aangepast volgens de logica van de reguliere eindtermen TSO. Zo zijn bijvoorbeeld de alternatieve eindtermen ASO onder het kopje verbale expressie ondergebracht onder een van de andere kopjes zoals spreken. Verder zijn de formuleringen van een aantal alternatieve ET ASO aangepast. Ten slotte zijn een aantal reguliere eindtermen TSO overgenomen.
Volgens de uitgangspunten van de door het Vlaamse Parlement bekrachtigde eindtermen Nederlands ligt het accent op de informatieve communicatie. De steinerpedagogie heeft daarnaast andere, eveneens primaire doelstellingen, voor het taalonderwijs. Meer in het bijzonder ziet de steinerpedagogie in literatuuronderwijs een mogelijkheid tot vorming van een kritisch bewustzijn, tot verfijning van het gevoelsleven en tot ontwikkeling van de creativiteit. Het beoefenen van de specifieke taalkundige vaardigheden zoals spelling, woordgebruik, formulering en zinsbouw - reeds uitvoerig behandeld in de eerste graad van de steinerscholen - kreeg in de tweede graad extra aandacht. In de derde graad worden deze vaardigheden geoefend in schrijf- en lees- en spreekopdrachten allerhande. Vooral het zakelijk schrijven moet voldoende aandacht krijgen.
Een aantal door het Vlaams parlement bekrachtigde eindtermen TSO werd in deze aanvraag tot afwijking overgenomen, maar de nadruk ligt in het steineronderwijs meer op literaire teksten. Dit stemt overeen met de internationaal gehanteerde curriculuminhoud van de steinerscholen waarbij leerinhouden ook ingezet worden voor de ontwikkeling van de persoonlijkheid.
De teksten en tekstfragmenten worden gekozen in functie van de noden van de klas, evenwel mee bepaald door de inzichten in de ontwikkeling van de jonge mens en de vragen waarmee zij op dit moment van hun ontwikkeling leven. Wat literaire meesterwerken te zeggen hebben over de stappen in de ontwikkeling van mens en mensheid, kan de leerlingen helpen een grotere objectiviteit ten aanzien van de eigen levensweg te ontwikkelen.
De door het Vlaams parlement bekrachtigde eindtermen Nederlands en Vreemde Talen onderscheiden vier verwerkingsniveaus, waarvan het volgende telkens het voorafgaande insluit (uittreksel uit de teksten uitgangspunten eindtermen Nederlands van de Vlaamse overheid):
kopiërend niveau : geboden informatie letterlijk weergeven;
beschrijvend niveau : geboden informatie in grote lijnen achterhalen, of ook: ze op een dergelijke wijze te horen of te lezen geven;
structurerend niveau : de informatie achterhalen en op persoonlijke en overzichtelijke wijze ordenen, of ook: ze op een dergelijke wijze te horen of te lezen geven;
beoordelend niveau : de informatie achterhalen, ordenen en beoordelen op basis van informatie uit andere bronnen, of ook: ze op een dergelijke wijze te horen of te lezen geven.
De steinerscholen hebben een enigszins afwijkende visie op de verwerkingsniveaus zoals hierboven beschreven in de uitgangspunten van de overheid. Hoewel `kopiëren' in die uitgangspunten als laagste verwerkingsniveau gezien wordt, hechten de steinerscholen er grote waarde aan. Kopiëren of nabootsen betekent meer dan uitsluitend uiterlijk nadoen. Bij het nabootsen kunnen de leerlingen ook innerlijk meebewegen. Ze kunnen op gevoelsniveau fijne nuances opvangen, ze kunnen innerlijke beelden vormen en er ontstaat een zekere opname in het geheugen. Met name als het om literaire teksten gaat kan dat nabootsen nog tot in de hoogste klassen van het secundair onderwijs een meerwaarde bieden.
Theaterteksten uit het hoofd leren in het kader van een toneelvoorstelling kan, nadat de voorstelling voorbij is, tot een serieuze versteviging van het zelfvertrouwen aanleiding geven zodat men ook in andere omstandigheden gemakkelijker voor een publiek durft te spreken.
Bovendien is het een oefening bij uitstek voor het zorgvuldig articuleren en om een juiste spreekhouding aan te nemen. De realiteitswaarde binnen de context van een podiumproductie verhoogt eveneens de motivatie om aan dergelijke vaardigheden te werken.
Dit alles betekent niet dat de drie andere niveaus niet als belangrijk beschouwd worden, integendeel! Het is de visie van de steinerscholen dat deze vier niveaus niet noodzakelijk een hiërarchie moeten hebben. Elk heeft zijn eigen waarde in een gegeven situatie.
3.2. Vervangende eindtermen
Context, autonomie en verantwoordelijkheid
De volgende eindtermen voor de derde graad TSO worden gelezen vanuit de persoonlijke, sociale en mondiale context. Zelfstandige verantwoordelijkheid dragen, hoort daarbij.
1. Luisteren
De leerlingen
ET 1. luisteren op structurerend niveau naar een uiteenzetting met betrekking tot de leerstof;
ET 2. toetsen het beluisterde aan eigen gevoelens, meningen, kennis en inzichten;
ET 3. nemen binnen gepaste situaties een kritische houding aan ten opzichte van hun luisterhouding.
2. Spreken (koppeling Luisteren)
De leerlingen
ET 4. articuleren goed en zorgvuldig;
ET 5. kunnen op structurerend niveau:
o deelnemen aan een leer- en klasgesprek;
o een logische gedachtegang volgen bij een uiteenzetting;
ET 6. kunnen op beoordelend niveau hun eigen standpunten/meningen of hun oplossingswijzen voor problemen in een gedachtewisseling uiteenzetten en motiveren;
ET 7. kunnen bij de planning en uitvoering van en bij de reflectie op de spreektaken:
o hun spreek- en gespreksdoel(en) bepalen;
o hun publiek beschrijven;
o hun voorkennis inzetten;
o hun taal in een aangepast register gebruiken;
o bijkomende informatie vragen;
o inhouds- en vormconventies van de taal verzorgen;
o visuele informatie gebruiken.
ET 8. kunnen op structurerend niveau t.a.v. een onbekend publiek:
o instructies geven;
o gedocumenteerde informatie presenteren;
o een sollicitatiegesprek voeren.
ET 9. kunnen binnen gepaste communicatiesituaties:
o Algemeen Nederlands spreken;
o het evenwicht houden tussen spreken en luisteren;
o een kritische houding aannemen tegenover hun eigen spreek- en gespreksgedrag. *
3. Lezen
De leerlingen
ET 10. leren binnen gepaste situaties:
o te reflecteren over de inhoud van een tekst;
o zich in te leven in behandelde teksten;
o hun persoonlijke waardering voor bepaalde teksten uit te spreken, in vraag te stellen en eventueel te herzien. *
4. Schrijven
De leerlingen
ET. 11. kunnen op structurerend niveau notities maken en aan de hand daarvan een geordende tekst uitschrijven (lesnotities, verslagen, samenvattingen);
ET 12. kunnen op beoordelend niveau hun eigen gedachten, standpunten of hun oplossingswijzen voor problemen helder en gestructureerd uiteenzetten en motiveren in een geschreven tekst;
ET 13. leren een scriptie samenstellen op basis van literatuuronderzoek en/of praktijkervaringen;
ET 14. kunnen bij de planning en uitvoering van en bij de reflectie op schrijftaken:
o hun schrijfdoel(en) bepalen;
o het bedoelde publiek beschrijven;
o hun voorkennis inzetten;
o gericht informatie zoeken, ordenen en verwerken;
o een logische tekstopbouw creëren met aandacht voor inhoudelijke en functionele relaties;
o een eigen tekst reviseren;
o correct citeren (bronvermelding);
o gebruik maken van informatie - en communicatietechnologie;
ET 15. kunnen binnen gepaste situaties:
o schriftelijk informatie verstrekken;
o reflecteren op hun eigen schrijfproces en op de inhoud en vorm van hun schrijfproduct;
o zoeken in een woordenboek bij twijfel;
o taal, indeling, spelling, handschrift en lay-out verzorgen.
5. Literatuur
De leerlingen
ET 16. formuleren hun waardering voor literaire teksten mondeling en schriftelijk;
ET 17. leggen verbanden:
o binnen teksten;
o tussen teksten;
o tussen teksten en het brede socio-culturele veld;
o tussen tekst en auteur;
ET 18. kunnen informatie over literaire teksten verzamelen en verwerken met behulp van alle moderne informatiekanalen;
ET 19. herkennen en bespreken aan de hand van het Parcivalverhaal enkele ontwikkelingsfasen in een mensenleven;
ET 20. herkennen aan de hand van `Faust' een diepzinnige en artistieke uitwerking van een aantal belangrijke levensthema's;
ET 21. komen in gesprek over levensvraagstukken zoals liefde, gewetensvorming, vrijheid en verantwoordelijkheid, biografie en lot.
6. Taalbeschouwing
Attitudes:
De leerlingen
ET 22. leren om op hun niveau:
o bewust te reflecteren op taalgebruik en taalsysteem;
o van de verworven inzichten gebruik te maken bij verbale en non-verbale communicatie; *
ET 23. tonen interesse in en respect voor de persoon van de ander en voor de eigen en andermans cultuur, levens- en werkwijze bij het reflecteren op verbale en non-verbale communicatie; *
ET 24. komen via het opvoeren van een toneelstuk en de nevenactiviteiten in een sociaal oefenvel.; *
Taalgebruik:
De leerlingen
ET 25. reflecteren bewust op hun niveau op een aantal aspecten van het taalgebruik:
25.1. in het tekstuele domein:
o tekststructuren en structuuraanduiders: verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden;
o betekenisrelaties: middel - doel, chronologische relatie, oorzaak - gevolg, voordelen - nadelen, voor - tegen;
o status van een uitspraak: feit - mening;
o metaforiek en expressiviteit in de dagelijkse taal en literaire teksten;
25.2. in het pragmatische domein
o het bijsturen van hun eigen lezen, schrijven en spreken;
o de gevolgen van hun verbale en non-verbale communicatie voor anderen en voor henzelf.
Taalsysteem:
De leerlingen
ET 26. reflecteren bewust op hun niveau op een aantal aspecten van het taalsysteem en kunnen de hierna volgende verschijnselen herkennen en onderzoeken:
26.1. in het orthografisch domein:
o vormcorrectheid, spellingconventies en hulpmiddelen bij de spelling van woorden en bij interpunctie;
26.2. in het syntactische domein:
o zinsdelen de belangrijkste zinsdelen;
o zin enkelvoudige en samengestelde zinnen; nevengeschikte en ondergeschikte zinnen.
Art. N. Objectifs finaux de remplacement du troisième degré de l'enseignement secondaire technique de la Federatie Steinerscholen Vlaanderen vzw tels que visés à l'article 1er
Les objectifs finaux du troisième degré de l'enseignement secondaire technique pour les cours géographie, histoire et néerlandais, arrêtés dans l'annexe à l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 juin 2000 définissant les objectifs finaux spécifiques aux différentes branches des deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire ordinaire, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 mars 2015, sont remplacés pour la Federatie Steinerscholen Vlaanderen vzw par les objectifs finaux suivants.
Les objectifs finaux désignés par le symbole * sont des objectifs finaux comportementaux.
1. Géographie troisième degré tso
1.1. Motivation et explication
Les écoles Steiner considèrent que les élèves doivent posséder une maîtrise approfondie de la géographie physique avant de pouvoir aborder la géographie sociale et humaine à un stade ultérieur (troisième degré). Elles sont d'avis que la connaissance des processus physiques de la tectonique des plaques, du climat etc. est requise pour pouvoir se pencher dans le troisième degré sur les problèmes sociaux et économiques des continents. Par rapport aux objectifs finaux sanctionnés par le Parlement flamand, elles proposent donc une approche inversée.
Toutefois, il existe une autre raison - plus fondamentale. La pédagogie Steiner, se rendant compte des lois de la croissance intérieure auxquelles sont exposées les jeunes du deuxième degré, veut expliquer les émotions intenses éprouvées par les jeunes de 15 à 16 ans par l'étude du mécanisme des turbulences de l'atmosphère terrestre. L'ouverture d'esprit aux idéaux, au sens communautaire etc. ne se manifeste que chez les adolescents du troisième degré. C'est pourquoi, pour les élèves de cette catégorie d'âge, la pédagogie Steiner préfère se focaliser sur les relations sociales et économiques, et les principes politiques, judiciaires et démocratiques.
1.2. Objectifs finaux de remplacement
Contexte, autonomie et responsabilité
Les objectifs finaux suivants pour le troisième degré tso sont compris à partir d'un contexte personnel, social et mondial. Assumer une responsabilité indépendante en fait partie.
1. En général
Les élèves
OF. 1. consultent des informations géographiques, et les organisent de manière simple à l'aide de sources et de techniques d'information contemporaines disponibles ;
OF 2. lisent et interprètent des cartes géographiques et thématiques et des graphiques contenant de l'information géographique.
2. Economie
Les élèves
OF 3. décrivent en termes généraux les flux d'aliments et de matières premières dans le monde, en prêtant attention aux producteurs mondiaux et aux consommateurs mondiaux ;
OF 4. comprennent le développement, l'importance et le rôle des secteurs primaire, secondaire, tertiaire et quaternaire.
3. Démographie
Les élèves
OF 5. décrivent de façon générale la répartition de la population mondiale, son évolution et ses prévisions ;
OF 6. établissent des liens entre les évolutions démographiques, la prospérité et les facteurs physico-géographiques, socio-économiques, historiques et/ou politiques.
4. Ecologie
Les élèves
OF 7. expliquent de manière simple les causes naturelles et humaines des problèmes environnementaux et en déduisent les conséquences pour l'homme, la nature et l'environnement ;
OF 8. établissent des liens entre le développement durable, le mode de vie, la culture et l'utilisation et l'organisation de l'espace.
5. Etats et organisations internationales
Les élèves
OF 9. connaissent les principes de base de la gouvernance démocratique, ainsi que les caractéristiques de la gouvernance non démocratique ;
OF 10. expliquent de manière simple l'interaction entre les aspects spatiaux et les situations (géo)politiques actuelles.
2. Histoire troisième degré tso
2.1. Motivation et explication
Vision et principes de fond
Les objectifs finaux proposés ci-dessous ont comme cadre de référence leur propre vision et leurs propres principes de fond. Par conséquent les objectifs finaux alternatifs ASO des écoles Steiner pour ont été adaptés au besoin au TSO.
Les écoles Steiner, dans leur vision de l'enseignement d'histoire, attachent beaucoup d'importance à présenter une image d'observation aussi complète et factuelle que possible, tout en s'assurant que l'image est très parlante. En même temps, il est tenu compte du vécu des jeunes dont le niveau varie selon l'âge. La pédagogie Steiner repose sur le principe que la pensée s'exerce et se construit grâce à l'observation et au développement progressif de la capacité à catégoriser ces observations.
Dans le premier degré, l'enseignement de l'histoire est proposé suivant la méthode narrative. Le raisonnement causale est pratiqué. Les jeunes du second degré ressentent le besoin de faire la connexion avec l'histoire en se posant la question suivante : comment le monde environnant fonctionne-t-il concrètement et réellement. Les élèves apprennent la réflexion combinée intégrant aussi bien l'observation exacte, la catégorisation et la délimitation des faits que la reproduction exacte des faits. Ensuite, la réflexion par processus est développée :
des observations successives sont placées dans le temps, des ensembles complexes sont observés, des processus sont suivis et des séries d'observations sont construites et soumises à une comparaison. Dans le deuxième degré, cette méthode narrative est étayée par l'utilisation de sources historiques aussi authentiques que possibles. Ainsi, les jeunes sont incités, sur la base de leur propre observation et avec l'aide de leurs propres facultés d'imagination et de réflexion, à se pencher concrètement sur le thème du passé. Les facultés d'observation, d'empathie et d'imagination des jeunes sont progressivement exercées et peaufinées, permettant ainsi le développement d'une faculté de jugement fondée - très important à l'heure actuelle - vers la fin du troisième degré.
Outre l'attention qui est portée à la compréhension des principes de temporalité et de causalité (continuité), cette vision se focalise également sur le principe de la discontinuité. En effet, des conséquences inattendues dues à des activités humaines conscientes, ciblées, au nom d'une liberté individuelle ou collective et des impacts écologiques négatifs peuvent brusquement infléchir le cours de l'histoire. L'histoire évolue par sauts et le passé ne présage pas forcément de l'avenir.
L'apprentissage se fonde sur des exemples et des symptômes. Les périodes, faits, événements, thèmes et personnalités historiques abordés qui sont caractéristiques et essentiels pour le récit de l'histoire de l'humanité sont examinés en profondeur. De cette manière, les jeunes prennent conscience de la notion du temps. Pour enseigner une certaine période historique, les contenus didactiques choisis sont adaptés au niveau de développement lié à l'âge de l'élève.
Critères pour le cadre de référence historique
Le cadre de référence historique se compose des dimensions socialité, temps et espace historique et comprend un cadre de définitions et un cadre de problématiques sociales dépassant le niveau des sociétés séparées. Ceux-ci sont choisis en fonction des centres d'intérêts liés à l'âge et aux potentialités des jeunes.
Dans la pédagogie Steiner, les apprentissages partent de l'hypothèse que les jeunes du troisième degré font la connexion avec l'histoire à partir de la volonté et de la capacité profonde de vivre des atmosphères, de saisir les nuances, de se mettre à la place de l'autre, puis de s'interroger sur leur place dans le monde. De cette façon, la pensée s'exerce davantage au troisième degré, en s'appuyant sur ce qui a été développé au deuxième degré dans le domaine de la réflexion par processus. Tout d'abord, la pensée est portée au niveau de la pensée empathique : pratiquer à percevoir les qualités et apprendre à les exprimer en termes, modèles ou images. Ensuite, la pensée est pratiquée dans le but d'acquérir une vue d'ensemble et un aperçu des grandes lignes, de voir et d'apprendre à relativiser leur propre point de vue. Le développement de cette pensée produit la " compréhension ". Dans la pédagogie Steiner, il s'agit là d'une condition indispensable à la formation d'un jugement délibéré, bien réfléchi et libre.
Le cadre de définitions qui est développé et élargi à l'aide de cette réalité historique, obtient un degré d'abstraction toujours croissant au troisième degré.
Critères développés par année d'études
Au cours de la première année d'études du troisième degré, la conscience de soi des jeunes augmente et ils acquièrent une connaissance plus profonde et plus objective d'eux-mêmes. Ils sont très réceptifs et ont une grande empathie pour les atmosphères. Ils s'intéressent à la psychologie et aux phénomènes psychiques et se sentent attirés par la métaphysique et le religieux.
Ils sont capables de se détacher de manière réfléchie de la réalité perçue et disposent d'un degré important de capacité d'abstraction.
Cette année d'études se focalise sur l'organisation de sociétés historiques, avec une attention particulière aux aspects suivants : gouvernance, droit, économie, culture et religion. Pour l'enseignement de cette matière, on s'inspire sur la période allant de l'Antiquité jusqu'au Moyen AAge. De cette façon, les jeunes apprennent à l'aide de l'organisation sociale et du système économique comment se développent les relations entre la personne et la société dans les différentes sociétés étudiées. Les jeunes apprennent aussi à quel point la religion et l'organisation de la religion peuvent être importantes.
Dans la deuxième année d'études du troisième degré, les jeunes, alors âgés de 17-18 ans, avec leurs personnalités en éveil, devraient pouvoir trouver leur propre voie. Ils prennent conscience de leurs propres idéaux et commencent à coordonner leurs actions sur la base de leurs idées. On recherche le lien entre ces personnalités en éveil et le monde dans lequel elles entreront bientôt en tant qu'adultes. Leur capacité d'abstraction s'est maintenant développée de telle sorte qu'ils peuvent penser dans de vastes contextes.
Cette année d'études se focalise sur l'approche de l'histoire à partir d'une vue rétrospective et de larges vues d'ensemble. Pour l'enseignement de cette matière, on s'inspire sur l'ensemble de l'histoire, l'accent étant mis sur l'histoire contemporaine. Il est important de regarder au-delà de notre monde occidental et du cours d'histoire lui-même pour établir des liens internationaux et interdisciplinaires. Une mise à jour continue des contenus didactiques est d'une importance cruciale.
2.2. Objectifs finaux de remplacement
Contexte, autonomie et responsabilité
Les objectifs finaux suivants pour le troisième degré tso sont compris à partir d'un contexte personnel, social et mondial. Assumer une responsabilité indépendante en fait partie.
Connaissances, compréhension et aptitudes
1. En général
Les élèves
OF 1. élargissent un certain nombre de définitions et de problèmes historiques et les intègrent dans un contexte historique plus large ;
OF 2. formulent une correspondance et une différence entre les phases de développement de la société occidentale et entre les phases de développement des sociétés occidentales et des autres sociétés ;
OF 3. prennent en compte les catégories de la dimension temps et connaissent la durée et la distance dans le temps des périodes étudiées ;
OF 4. désignent quelques concepts de périodisation (comme le Moyen Age, la Renaissance) ;
OF 5. caractérisent, à partir de quelques catégories de la dimension temps, certaines évolutions sociales dans les phases de développement des sociétés étudiées ;
OF 6. situent les faits et événements principaux de la société étudiée dans la dimension espace historique, tout en tenant compte des catégories de la dimension temps ;
OF 7. sélectionnent et organisent l'information historique en consultant différents supports d'informations écrits, sonores, visuels ou audiovisuels sur le passé et le présent ;
OF 8. sont en mesure, en ce qui concerne ces informations historiques puisées dans différents supports d'informations écrits, sonores, visuels ou audiovisuels :
- de distinguer l'essentiel de l'accessoire ;
- de prendre position et de formuler des questions à ce sujet ;
- de les structurer et les résumer ;
- d'interpréter celles-ci basées sur des questions et d'une tâche correspondant à leur niveau ;
OF 9. reconnaissent des notions historiques construites à partir de la réalité historique étudiée et les utilisent dans un contexte délimité ;
OF 10. connaissent l'importance et la subjectivité des différents médias et se familiarisent avec eux ;
OF 11. comprennent certains phénomènes de l'actualité à partir des développements du passé ;
OF 12. prennent leurs propres positions face aux développements contemporains sur la base des connaissances historiques acquises ;
2. Pour les périodes et les sociétés étudiées à partir d'une vue rétrospective et de grandes vues d'ensemble
Les élèves
OF 13. expliquent l'influence et l'impact d'un certain nombre d'idéologies sociales sur la réalité historique ;
OF 14. opposent les différentes argumentations ;
OF 15. approchent les valeurs et normes du passé et du présent à partir du contexte historique et actuel.
3. Attitudes
Les élèves
OF 16. se rendent compte que nous sommes les héritiers de tous les développements historiques ;*
OF 17. sont conscients de l'importance de leur propre contribution aux structures sociales futures ;*
OF 18. illustrent les stéréotypes et les préjugés de l'histoire ; *
OF 19. considèrent la situation actuelle de liberté et d'égalité dans un état de droit démocratique comme la fin provisoire d'un combat long et laborieux ; *
OF 20. respectent le combat long et laborieux dans le monde pour plus de liberté et d'égalité entre les peuples ;*
OF 21. se rendent compte que notre société donne suffisamment de marge pour une approche personnalisée de la liberté et de l'égalité ; *
OF 22. prennent leur propre position concernant un problème sociale historique ou actuel sur la base d'une argumentation cohérente. *
3. Néerlandais troisième degré tso
3.1. Motivation et explication
Les objectifs finaux de remplacement pour néerlandais pour les écoles Steiner du troisième degré TSO qui ont été introduits, s'alignent étroitement quant au contenu sur les objectifs finaux déjà en vigueur pour ASO néerlandais du troisième degré. Ceux-ci s'alignent à leur tour sur les objectifs finaux de remplacement des écoles Steiner pour le deuxième degré.
Les objectifs finaux alternatifs pour l'ASO diffèrent des OF réguliers de l'ASO. C'est également le cas pour ces objectifs finaux alternatifs du TSO. Cependant, par analogie avec les derniers objectifs finaux réguliers pour le néerlandais modifiés, les écoles Steiner ont affiné la fixation du niveau pour les objectifs finaux pour le néerlandais TSO. Voir la justification et l'explication ci-dessous.
L'ordre des objectifs finaux a été adapté en fonction de la logique des objectifs finaux réguliers TSO. Par exemple, les objectifs finaux alternatifs ASO sous la rubrique expression verbale sont regroupés sous l'une des autres rubriques, comme l'expression orale. En outre, les formulations d'un certain nombre d'OF alternatifs ASO ont été modifiées. Finalement, un certain nombre d'objectifs finaux réguliers TSO ont été repris.
Selon les principes de fond des objectifs finaux pour le néerlandais sanctionnés par le Parlement flamand, l'accent est mis sur la communication informative. La pédagogie Steiner a toutefois d'autres objectifs qui sont tout aussi primaires pour l'enseignement linguistique. Plus particulièrement, la pédagogie Steiner voit dans l'enseignement de littérature une opportunité pour la formation d'un esprit critique, le peaufinage de la vie affective et le développement de la créativité. La pratique des aptitudes linguistiques spécifiques telles que l'orthographe, le vocabulaire, la formulation et la syntaxe - déjà exercées en détail au premier degré des écoles Steiner - a obtenu une attention particulière au deuxième degré. Au troisième degré, ces aptitudes sont exercées dans le cadre de tâches d'écriture, de lecture et d'expression orale de toutes sortes. La correspondance commerciale, en particulier, doit faire l'objet d'une attention suffisante.
Un nombre d'objectifs finaux TSO sanctionnés par le Parlement flamand ont été repris dans cette demande de dérogation, mais dans l'enseignement Steiner, l'accent est mis plutôt sur les textes littéraires. Cela correspond aux contenus didactiques des écoles Steiner utilisés au niveau international, ces contenus faisant fonction de moyen de développement de la personnalité.
Les textes et fragments de textes sont choisis en fonction des besoins de la classe, mais aussi en fonction de la compréhension du développement du jeune et des questions avec lesquelles il vit à ce moment de son développement. Ce que les chefs-d'oeuvre littéraires ont à dire sur les étapes du développement de l'homme et de l'humanité peut aider les élèves à développer une plus grande objectivité par rapport à leur propre chemin de vie.
Les objectifs finaux pour le néerlandais et les langues étrangères, sanctionnés par le Parlement flamand, distinguent quatre niveaux d'assimilation, dont le suivant inclut chaque fois le précédent (extrait des textes énonçant les principes de fond des objectifs finaux pour le néerlandais de l'Autorité flamande) :
niveau reproductif : représenter littéralement les informations offertes ;
niveau descriptif : interpréter en grandes lignes les informations offertes, ou bien : les donner à entendre ou à lire de cette manière ;
niveau structuration : interpréter les informations offertes, et les catégoriser d'une manière personnelle et précise ou bien : les donner à entendre ou à lire de cette manière ;
niveau évaluatif : interpréter les informations offertes, les catégoriser et les évaluer d'une manière personnelle et précise ou bien : les donner à entendre ou à lire de cette manière.
Les écoles Steiner ont une vision quelque peu différente des niveaux d'assimilation tels que décrits ci-dessus dans les principes de fond de l'autorité. Bien que la " reproduction " soit considérée dans ces principes comme le niveau d'assimilation le plus bas, les écoles Steiner y accordent beaucoup de valeur. Reproduire ou imiter est plus qu'une une répétition exacte. De plus, dans le cas d'imitation, les élèves peuvent s'associer intérieurement. Au niveau sentiment, ils peuvent découvrir des nuances subtiles, former des images intérieures qui laissent certaines traces dans la mémoire. S'il s'agit notamment de textes littéraires, cette imitation peut réaliser une plus-value jusqu'aux classes supérieures de l'enseignement secondaire.
Apprendre par coeur des textes théâtraux dans le cadre d'un spectacle peut, une fois la représentation terminée, renforcer considérablement la confiance en soi de sorte que l'élève ose parler plus spontanément devant un public dans d'autres circonstances aussi.
En outre, c'est un exercice très efficace pour apprendre à bien prononcer les mots et pour améliorer sa posture pour parler en public. La valeur de réalité dans le contexte d'une production théâtrale augmente également la motivation pour développer de telles aptitudes.
Tout cela ne veut pas dire que les trois autres niveaux ne sont pas considérés comme importants, bien au contraire ! La vision des écoles Steiner est que ces quatre niveaux ne doivent pas nécessairement avoir une hiérarchie. Chaque niveau a sa propre valeur dans une situation donnée.
3.2. Objectifs finaux de remplacement
Contexte, autonomie et responsabilité
Les objectifs finaux suivants pour le troisième degré tso sont compris à partir d'un contexte personnel, social et mondial. Assumer une responsabilité indépendante en fait partie.
1. Ecouter
Les élèves
OF 1. écoutent au niveau structurel des exposés relatifs à la matière à apprendre ;
OF 2. confrontent ce qu'ils entendent à leurs propres sentiments, opinions, connaissances et conceptions ;
OF 3. adoptent une attitude critique à l'égard de leur position d'écoute dans les situations appropriées.
2. Parler (lien avec Ecouter)
Les élèves
OF 4. Articulent correctement et clairement ;
OF 5. savent, au niveau structuration :
o participer à une conversation en classe visant l'apprentissage ;
o suivre un raisonnement logique lorsqu'ils font une présentation ;
OF 6. sont capables, au niveau évaluatif, d'exposer et de motiver leurs avis/opinions ou leurs stratégies de résolution de problèmes dans un échange d'idées ;
OF 7. sont capables, lors du planning et de l'exécution de leurs tâches d'expression et de la réflexion sur celles-ci, de :
o fixer l'(les) objectif(s) d'expression et de conversation ;
o décrire leur public ;
o intégrer leurs acquis ;
o utiliser leur langue dans un registre adapté ;
o demander des informations complémentaires ;
o soigner les conventions de contenu et de forme de la langue ;
o utiliser l'information visuelle.
OF 8. sont capables, au niveau structuration et face à un public inconnu, de :
o donner des instructions ;
o présenter une information documentée ;
o avoir un entretien d'embauche.
OF 9. sont capables, dans des situations de communication appropriées, de :
o parler le néerlandais standard ;
o garder l'équilibre entre parler et écouter ;
o adopter une attitude critique à l'égard de leur propre comportement communicationnel. *
3. Lire
Les élèves
OF 10. apprennent dans les situations appropriées à :
o réfléchir sur le contenu du texte ;
o entrer dans des textes étudiés ;
o exprimer leur appréciation pour certains textes, la remettre en question et la revoir éventuellement. *
4. Ecrire
Les élèves
OF. 11. sont capables, au niveau structuration, de prendre des notes et à l'aide de celles-ci écrire un texte structuré (notes de cours, rapports, résumés) ;
OF 12. sont capables, au niveau évaluatif, d'exposer et de motiver par écrit leurs propres avis, opinions ou leurs stratégies de résolution de problèmes d'une manière claire et structurée ;
OF 13. apprennent à rédiger une thèse sur la base d'une recherche littéraire et/ou des expériences pratiques ;
OF 14. sont capables, lors du planning et de l'exécution de leurs tâches d'écriture et de la réflexion sur celles-ci, de :
o fixer leur(s) objectif(s) de rédaction ;
o décrire le public visé ;
o intégrer leurs acquis ;
o chercher de façon ciblée des informations, les catégoriser et les traiter ;
o créer une structure de texte logique en tenant compte des relations textuelles et fonctionnelles ;
o réviser leur propre texte ;
o faire des citations correctes (mention des sources) ;
o utiliser les technologies de l'information et de la communication ;
OF 15. sont capables, dans les situations appropriées, de :
o donner des informations par écrit ;
o réfléchir à leur propre processus d'écriture, au contenu et à la forme de leur écrit ;
o chercher dans un dictionnaire en cas de doute ;
o soigner la langue, la structuration, l'épellation, l'écriture et la mise en pages.
5. Littérature
Les élèves
OF 16. expriment leur appréciation pour les textes littéraires oralement et par écrit ;
OF 17. établissent des interconnexions :
o dans les textes mêmes ;
o entre des textes ;
o entre des textes et leur champ socioculturel au sens large ;
o entre le texte et l'auteur ;
OF 18. sont capables de rassembler et traiter des informations sur des textes littéraires en utilisant tous les canaux d'information modernes ;
OF 19. reconnaissent et discutent, à l'aide du Parcival, certains phases de développement d'une vie humaine ;
OF 20. utilisent 'Faust' pour reconnaître une élaboration profonde et artistique d'un certain nombre de thèmes importants de la vie ;
OF 21. engagent le dialogue sur des questions de la vie telles que l'amour, la conscience, la liberté et la responsabilité, la biographie et le destin.
6. Réflexions sur le langage
Attitudes :
Les élèves
OF 22. apprennent à leur niveau :
o à réfléchir consciemment sur le langage et le système linguistique ;
o à utiliser les connaissances acquises dans leur communication verbale et non verbale ; *
OF 23. montrent de l'intérêt et du respect pour l'autre et pour leur propre culture et celle d'autrui, le mode de vie et de fonctionnement lors de leur réflexion sur la communication verbale et non verbale ; *
OF 24. se trouvent, à l'aide de la représentation d'une pièce de théâtre et des activités accessoires, dans une contexte de pratique sociale ; *
Langage :
Les élèves
OF 25. reflètent consciemment à leur niveau à un nombre d'aspects de l'emploi du langage :
25.1. dans le domaine textuel :
o structures textuelles et marqueurs de structure : mots connecteurs, mots-signaux, référents ;
o relations entre significations : moyen - but, relation chronologique, cause - suite, avantages - désavantages, pour - contre ;
o statut d'un prononcé : fait - opinion ;
o métaphorique et expressivité dans le langage quotidien et dans des textes littéraires ;
25.2. dans le domaine pragmatique
o l'ajustement de leurs pratiques de lecture, d'écriture et de communication orale ;
o les conséquences de leur communication verbale et non verbale pour eux-mêmes et pour autrui ;
Système langagier :
Les élèves
OF 26. reflètent consciemment à leur niveau à un nombre d'aspects du système langagier et sont en mesure de reconnaître et d'examiner les phénomènes suivants :
26.1 dans le domaine orthographique :
o exactitude de forme, conventions orthographiques et moyens d'aide à l'orthographie et la ponctuation ;
26.2 dans le domaine syntactique :
o membres de phrase les principaux membres de phrase ;
o phrase phrases simples et phrases composées ; phrases juxtaposées et phrase subordonnées.
Les objectifs finaux du troisième degré de l'enseignement secondaire technique pour les cours géographie, histoire et néerlandais, arrêtés dans l'annexe à l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 juin 2000 définissant les objectifs finaux spécifiques aux différentes branches des deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire ordinaire, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 mars 2015, sont remplacés pour la Federatie Steinerscholen Vlaanderen vzw par les objectifs finaux suivants.
Les objectifs finaux désignés par le symbole * sont des objectifs finaux comportementaux.
1. Géographie troisième degré tso
1.1. Motivation et explication
Les écoles Steiner considèrent que les élèves doivent posséder une maîtrise approfondie de la géographie physique avant de pouvoir aborder la géographie sociale et humaine à un stade ultérieur (troisième degré). Elles sont d'avis que la connaissance des processus physiques de la tectonique des plaques, du climat etc. est requise pour pouvoir se pencher dans le troisième degré sur les problèmes sociaux et économiques des continents. Par rapport aux objectifs finaux sanctionnés par le Parlement flamand, elles proposent donc une approche inversée.
Toutefois, il existe une autre raison - plus fondamentale. La pédagogie Steiner, se rendant compte des lois de la croissance intérieure auxquelles sont exposées les jeunes du deuxième degré, veut expliquer les émotions intenses éprouvées par les jeunes de 15 à 16 ans par l'étude du mécanisme des turbulences de l'atmosphère terrestre. L'ouverture d'esprit aux idéaux, au sens communautaire etc. ne se manifeste que chez les adolescents du troisième degré. C'est pourquoi, pour les élèves de cette catégorie d'âge, la pédagogie Steiner préfère se focaliser sur les relations sociales et économiques, et les principes politiques, judiciaires et démocratiques.
1.2. Objectifs finaux de remplacement
Contexte, autonomie et responsabilité
Les objectifs finaux suivants pour le troisième degré tso sont compris à partir d'un contexte personnel, social et mondial. Assumer une responsabilité indépendante en fait partie.
1. En général
Les élèves
OF. 1. consultent des informations géographiques, et les organisent de manière simple à l'aide de sources et de techniques d'information contemporaines disponibles ;
OF 2. lisent et interprètent des cartes géographiques et thématiques et des graphiques contenant de l'information géographique.
2. Economie
Les élèves
OF 3. décrivent en termes généraux les flux d'aliments et de matières premières dans le monde, en prêtant attention aux producteurs mondiaux et aux consommateurs mondiaux ;
OF 4. comprennent le développement, l'importance et le rôle des secteurs primaire, secondaire, tertiaire et quaternaire.
3. Démographie
Les élèves
OF 5. décrivent de façon générale la répartition de la population mondiale, son évolution et ses prévisions ;
OF 6. établissent des liens entre les évolutions démographiques, la prospérité et les facteurs physico-géographiques, socio-économiques, historiques et/ou politiques.
4. Ecologie
Les élèves
OF 7. expliquent de manière simple les causes naturelles et humaines des problèmes environnementaux et en déduisent les conséquences pour l'homme, la nature et l'environnement ;
OF 8. établissent des liens entre le développement durable, le mode de vie, la culture et l'utilisation et l'organisation de l'espace.
5. Etats et organisations internationales
Les élèves
OF 9. connaissent les principes de base de la gouvernance démocratique, ainsi que les caractéristiques de la gouvernance non démocratique ;
OF 10. expliquent de manière simple l'interaction entre les aspects spatiaux et les situations (géo)politiques actuelles.
2. Histoire troisième degré tso
2.1. Motivation et explication
Vision et principes de fond
Les objectifs finaux proposés ci-dessous ont comme cadre de référence leur propre vision et leurs propres principes de fond. Par conséquent les objectifs finaux alternatifs ASO des écoles Steiner pour ont été adaptés au besoin au TSO.
Les écoles Steiner, dans leur vision de l'enseignement d'histoire, attachent beaucoup d'importance à présenter une image d'observation aussi complète et factuelle que possible, tout en s'assurant que l'image est très parlante. En même temps, il est tenu compte du vécu des jeunes dont le niveau varie selon l'âge. La pédagogie Steiner repose sur le principe que la pensée s'exerce et se construit grâce à l'observation et au développement progressif de la capacité à catégoriser ces observations.
Dans le premier degré, l'enseignement de l'histoire est proposé suivant la méthode narrative. Le raisonnement causale est pratiqué. Les jeunes du second degré ressentent le besoin de faire la connexion avec l'histoire en se posant la question suivante : comment le monde environnant fonctionne-t-il concrètement et réellement. Les élèves apprennent la réflexion combinée intégrant aussi bien l'observation exacte, la catégorisation et la délimitation des faits que la reproduction exacte des faits. Ensuite, la réflexion par processus est développée :
des observations successives sont placées dans le temps, des ensembles complexes sont observés, des processus sont suivis et des séries d'observations sont construites et soumises à une comparaison. Dans le deuxième degré, cette méthode narrative est étayée par l'utilisation de sources historiques aussi authentiques que possibles. Ainsi, les jeunes sont incités, sur la base de leur propre observation et avec l'aide de leurs propres facultés d'imagination et de réflexion, à se pencher concrètement sur le thème du passé. Les facultés d'observation, d'empathie et d'imagination des jeunes sont progressivement exercées et peaufinées, permettant ainsi le développement d'une faculté de jugement fondée - très important à l'heure actuelle - vers la fin du troisième degré.
Outre l'attention qui est portée à la compréhension des principes de temporalité et de causalité (continuité), cette vision se focalise également sur le principe de la discontinuité. En effet, des conséquences inattendues dues à des activités humaines conscientes, ciblées, au nom d'une liberté individuelle ou collective et des impacts écologiques négatifs peuvent brusquement infléchir le cours de l'histoire. L'histoire évolue par sauts et le passé ne présage pas forcément de l'avenir.
L'apprentissage se fonde sur des exemples et des symptômes. Les périodes, faits, événements, thèmes et personnalités historiques abordés qui sont caractéristiques et essentiels pour le récit de l'histoire de l'humanité sont examinés en profondeur. De cette manière, les jeunes prennent conscience de la notion du temps. Pour enseigner une certaine période historique, les contenus didactiques choisis sont adaptés au niveau de développement lié à l'âge de l'élève.
Critères pour le cadre de référence historique
Le cadre de référence historique se compose des dimensions socialité, temps et espace historique et comprend un cadre de définitions et un cadre de problématiques sociales dépassant le niveau des sociétés séparées. Ceux-ci sont choisis en fonction des centres d'intérêts liés à l'âge et aux potentialités des jeunes.
Dans la pédagogie Steiner, les apprentissages partent de l'hypothèse que les jeunes du troisième degré font la connexion avec l'histoire à partir de la volonté et de la capacité profonde de vivre des atmosphères, de saisir les nuances, de se mettre à la place de l'autre, puis de s'interroger sur leur place dans le monde. De cette façon, la pensée s'exerce davantage au troisième degré, en s'appuyant sur ce qui a été développé au deuxième degré dans le domaine de la réflexion par processus. Tout d'abord, la pensée est portée au niveau de la pensée empathique : pratiquer à percevoir les qualités et apprendre à les exprimer en termes, modèles ou images. Ensuite, la pensée est pratiquée dans le but d'acquérir une vue d'ensemble et un aperçu des grandes lignes, de voir et d'apprendre à relativiser leur propre point de vue. Le développement de cette pensée produit la " compréhension ". Dans la pédagogie Steiner, il s'agit là d'une condition indispensable à la formation d'un jugement délibéré, bien réfléchi et libre.
Le cadre de définitions qui est développé et élargi à l'aide de cette réalité historique, obtient un degré d'abstraction toujours croissant au troisième degré.
Critères développés par année d'études
Au cours de la première année d'études du troisième degré, la conscience de soi des jeunes augmente et ils acquièrent une connaissance plus profonde et plus objective d'eux-mêmes. Ils sont très réceptifs et ont une grande empathie pour les atmosphères. Ils s'intéressent à la psychologie et aux phénomènes psychiques et se sentent attirés par la métaphysique et le religieux.
Ils sont capables de se détacher de manière réfléchie de la réalité perçue et disposent d'un degré important de capacité d'abstraction.
Cette année d'études se focalise sur l'organisation de sociétés historiques, avec une attention particulière aux aspects suivants : gouvernance, droit, économie, culture et religion. Pour l'enseignement de cette matière, on s'inspire sur la période allant de l'Antiquité jusqu'au Moyen AAge. De cette façon, les jeunes apprennent à l'aide de l'organisation sociale et du système économique comment se développent les relations entre la personne et la société dans les différentes sociétés étudiées. Les jeunes apprennent aussi à quel point la religion et l'organisation de la religion peuvent être importantes.
Dans la deuxième année d'études du troisième degré, les jeunes, alors âgés de 17-18 ans, avec leurs personnalités en éveil, devraient pouvoir trouver leur propre voie. Ils prennent conscience de leurs propres idéaux et commencent à coordonner leurs actions sur la base de leurs idées. On recherche le lien entre ces personnalités en éveil et le monde dans lequel elles entreront bientôt en tant qu'adultes. Leur capacité d'abstraction s'est maintenant développée de telle sorte qu'ils peuvent penser dans de vastes contextes.
Cette année d'études se focalise sur l'approche de l'histoire à partir d'une vue rétrospective et de larges vues d'ensemble. Pour l'enseignement de cette matière, on s'inspire sur l'ensemble de l'histoire, l'accent étant mis sur l'histoire contemporaine. Il est important de regarder au-delà de notre monde occidental et du cours d'histoire lui-même pour établir des liens internationaux et interdisciplinaires. Une mise à jour continue des contenus didactiques est d'une importance cruciale.
2.2. Objectifs finaux de remplacement
Contexte, autonomie et responsabilité
Les objectifs finaux suivants pour le troisième degré tso sont compris à partir d'un contexte personnel, social et mondial. Assumer une responsabilité indépendante en fait partie.
Connaissances, compréhension et aptitudes
1. En général
Les élèves
OF 1. élargissent un certain nombre de définitions et de problèmes historiques et les intègrent dans un contexte historique plus large ;
OF 2. formulent une correspondance et une différence entre les phases de développement de la société occidentale et entre les phases de développement des sociétés occidentales et des autres sociétés ;
OF 3. prennent en compte les catégories de la dimension temps et connaissent la durée et la distance dans le temps des périodes étudiées ;
OF 4. désignent quelques concepts de périodisation (comme le Moyen Age, la Renaissance) ;
OF 5. caractérisent, à partir de quelques catégories de la dimension temps, certaines évolutions sociales dans les phases de développement des sociétés étudiées ;
OF 6. situent les faits et événements principaux de la société étudiée dans la dimension espace historique, tout en tenant compte des catégories de la dimension temps ;
OF 7. sélectionnent et organisent l'information historique en consultant différents supports d'informations écrits, sonores, visuels ou audiovisuels sur le passé et le présent ;
OF 8. sont en mesure, en ce qui concerne ces informations historiques puisées dans différents supports d'informations écrits, sonores, visuels ou audiovisuels :
- de distinguer l'essentiel de l'accessoire ;
- de prendre position et de formuler des questions à ce sujet ;
- de les structurer et les résumer ;
- d'interpréter celles-ci basées sur des questions et d'une tâche correspondant à leur niveau ;
OF 9. reconnaissent des notions historiques construites à partir de la réalité historique étudiée et les utilisent dans un contexte délimité ;
OF 10. connaissent l'importance et la subjectivité des différents médias et se familiarisent avec eux ;
OF 11. comprennent certains phénomènes de l'actualité à partir des développements du passé ;
OF 12. prennent leurs propres positions face aux développements contemporains sur la base des connaissances historiques acquises ;
2. Pour les périodes et les sociétés étudiées à partir d'une vue rétrospective et de grandes vues d'ensemble
Les élèves
OF 13. expliquent l'influence et l'impact d'un certain nombre d'idéologies sociales sur la réalité historique ;
OF 14. opposent les différentes argumentations ;
OF 15. approchent les valeurs et normes du passé et du présent à partir du contexte historique et actuel.
3. Attitudes
Les élèves
OF 16. se rendent compte que nous sommes les héritiers de tous les développements historiques ;*
OF 17. sont conscients de l'importance de leur propre contribution aux structures sociales futures ;*
OF 18. illustrent les stéréotypes et les préjugés de l'histoire ; *
OF 19. considèrent la situation actuelle de liberté et d'égalité dans un état de droit démocratique comme la fin provisoire d'un combat long et laborieux ; *
OF 20. respectent le combat long et laborieux dans le monde pour plus de liberté et d'égalité entre les peuples ;*
OF 21. se rendent compte que notre société donne suffisamment de marge pour une approche personnalisée de la liberté et de l'égalité ; *
OF 22. prennent leur propre position concernant un problème sociale historique ou actuel sur la base d'une argumentation cohérente. *
3. Néerlandais troisième degré tso
3.1. Motivation et explication
Les objectifs finaux de remplacement pour néerlandais pour les écoles Steiner du troisième degré TSO qui ont été introduits, s'alignent étroitement quant au contenu sur les objectifs finaux déjà en vigueur pour ASO néerlandais du troisième degré. Ceux-ci s'alignent à leur tour sur les objectifs finaux de remplacement des écoles Steiner pour le deuxième degré.
Les objectifs finaux alternatifs pour l'ASO diffèrent des OF réguliers de l'ASO. C'est également le cas pour ces objectifs finaux alternatifs du TSO. Cependant, par analogie avec les derniers objectifs finaux réguliers pour le néerlandais modifiés, les écoles Steiner ont affiné la fixation du niveau pour les objectifs finaux pour le néerlandais TSO. Voir la justification et l'explication ci-dessous.
L'ordre des objectifs finaux a été adapté en fonction de la logique des objectifs finaux réguliers TSO. Par exemple, les objectifs finaux alternatifs ASO sous la rubrique expression verbale sont regroupés sous l'une des autres rubriques, comme l'expression orale. En outre, les formulations d'un certain nombre d'OF alternatifs ASO ont été modifiées. Finalement, un certain nombre d'objectifs finaux réguliers TSO ont été repris.
Selon les principes de fond des objectifs finaux pour le néerlandais sanctionnés par le Parlement flamand, l'accent est mis sur la communication informative. La pédagogie Steiner a toutefois d'autres objectifs qui sont tout aussi primaires pour l'enseignement linguistique. Plus particulièrement, la pédagogie Steiner voit dans l'enseignement de littérature une opportunité pour la formation d'un esprit critique, le peaufinage de la vie affective et le développement de la créativité. La pratique des aptitudes linguistiques spécifiques telles que l'orthographe, le vocabulaire, la formulation et la syntaxe - déjà exercées en détail au premier degré des écoles Steiner - a obtenu une attention particulière au deuxième degré. Au troisième degré, ces aptitudes sont exercées dans le cadre de tâches d'écriture, de lecture et d'expression orale de toutes sortes. La correspondance commerciale, en particulier, doit faire l'objet d'une attention suffisante.
Un nombre d'objectifs finaux TSO sanctionnés par le Parlement flamand ont été repris dans cette demande de dérogation, mais dans l'enseignement Steiner, l'accent est mis plutôt sur les textes littéraires. Cela correspond aux contenus didactiques des écoles Steiner utilisés au niveau international, ces contenus faisant fonction de moyen de développement de la personnalité.
Les textes et fragments de textes sont choisis en fonction des besoins de la classe, mais aussi en fonction de la compréhension du développement du jeune et des questions avec lesquelles il vit à ce moment de son développement. Ce que les chefs-d'oeuvre littéraires ont à dire sur les étapes du développement de l'homme et de l'humanité peut aider les élèves à développer une plus grande objectivité par rapport à leur propre chemin de vie.
Les objectifs finaux pour le néerlandais et les langues étrangères, sanctionnés par le Parlement flamand, distinguent quatre niveaux d'assimilation, dont le suivant inclut chaque fois le précédent (extrait des textes énonçant les principes de fond des objectifs finaux pour le néerlandais de l'Autorité flamande) :
niveau reproductif : représenter littéralement les informations offertes ;
niveau descriptif : interpréter en grandes lignes les informations offertes, ou bien : les donner à entendre ou à lire de cette manière ;
niveau structuration : interpréter les informations offertes, et les catégoriser d'une manière personnelle et précise ou bien : les donner à entendre ou à lire de cette manière ;
niveau évaluatif : interpréter les informations offertes, les catégoriser et les évaluer d'une manière personnelle et précise ou bien : les donner à entendre ou à lire de cette manière.
Les écoles Steiner ont une vision quelque peu différente des niveaux d'assimilation tels que décrits ci-dessus dans les principes de fond de l'autorité. Bien que la " reproduction " soit considérée dans ces principes comme le niveau d'assimilation le plus bas, les écoles Steiner y accordent beaucoup de valeur. Reproduire ou imiter est plus qu'une une répétition exacte. De plus, dans le cas d'imitation, les élèves peuvent s'associer intérieurement. Au niveau sentiment, ils peuvent découvrir des nuances subtiles, former des images intérieures qui laissent certaines traces dans la mémoire. S'il s'agit notamment de textes littéraires, cette imitation peut réaliser une plus-value jusqu'aux classes supérieures de l'enseignement secondaire.
Apprendre par coeur des textes théâtraux dans le cadre d'un spectacle peut, une fois la représentation terminée, renforcer considérablement la confiance en soi de sorte que l'élève ose parler plus spontanément devant un public dans d'autres circonstances aussi.
En outre, c'est un exercice très efficace pour apprendre à bien prononcer les mots et pour améliorer sa posture pour parler en public. La valeur de réalité dans le contexte d'une production théâtrale augmente également la motivation pour développer de telles aptitudes.
Tout cela ne veut pas dire que les trois autres niveaux ne sont pas considérés comme importants, bien au contraire ! La vision des écoles Steiner est que ces quatre niveaux ne doivent pas nécessairement avoir une hiérarchie. Chaque niveau a sa propre valeur dans une situation donnée.
3.2. Objectifs finaux de remplacement
Contexte, autonomie et responsabilité
Les objectifs finaux suivants pour le troisième degré tso sont compris à partir d'un contexte personnel, social et mondial. Assumer une responsabilité indépendante en fait partie.
1. Ecouter
Les élèves
OF 1. écoutent au niveau structurel des exposés relatifs à la matière à apprendre ;
OF 2. confrontent ce qu'ils entendent à leurs propres sentiments, opinions, connaissances et conceptions ;
OF 3. adoptent une attitude critique à l'égard de leur position d'écoute dans les situations appropriées.
2. Parler (lien avec Ecouter)
Les élèves
OF 4. Articulent correctement et clairement ;
OF 5. savent, au niveau structuration :
o participer à une conversation en classe visant l'apprentissage ;
o suivre un raisonnement logique lorsqu'ils font une présentation ;
OF 6. sont capables, au niveau évaluatif, d'exposer et de motiver leurs avis/opinions ou leurs stratégies de résolution de problèmes dans un échange d'idées ;
OF 7. sont capables, lors du planning et de l'exécution de leurs tâches d'expression et de la réflexion sur celles-ci, de :
o fixer l'(les) objectif(s) d'expression et de conversation ;
o décrire leur public ;
o intégrer leurs acquis ;
o utiliser leur langue dans un registre adapté ;
o demander des informations complémentaires ;
o soigner les conventions de contenu et de forme de la langue ;
o utiliser l'information visuelle.
OF 8. sont capables, au niveau structuration et face à un public inconnu, de :
o donner des instructions ;
o présenter une information documentée ;
o avoir un entretien d'embauche.
OF 9. sont capables, dans des situations de communication appropriées, de :
o parler le néerlandais standard ;
o garder l'équilibre entre parler et écouter ;
o adopter une attitude critique à l'égard de leur propre comportement communicationnel. *
3. Lire
Les élèves
OF 10. apprennent dans les situations appropriées à :
o réfléchir sur le contenu du texte ;
o entrer dans des textes étudiés ;
o exprimer leur appréciation pour certains textes, la remettre en question et la revoir éventuellement. *
4. Ecrire
Les élèves
OF. 11. sont capables, au niveau structuration, de prendre des notes et à l'aide de celles-ci écrire un texte structuré (notes de cours, rapports, résumés) ;
OF 12. sont capables, au niveau évaluatif, d'exposer et de motiver par écrit leurs propres avis, opinions ou leurs stratégies de résolution de problèmes d'une manière claire et structurée ;
OF 13. apprennent à rédiger une thèse sur la base d'une recherche littéraire et/ou des expériences pratiques ;
OF 14. sont capables, lors du planning et de l'exécution de leurs tâches d'écriture et de la réflexion sur celles-ci, de :
o fixer leur(s) objectif(s) de rédaction ;
o décrire le public visé ;
o intégrer leurs acquis ;
o chercher de façon ciblée des informations, les catégoriser et les traiter ;
o créer une structure de texte logique en tenant compte des relations textuelles et fonctionnelles ;
o réviser leur propre texte ;
o faire des citations correctes (mention des sources) ;
o utiliser les technologies de l'information et de la communication ;
OF 15. sont capables, dans les situations appropriées, de :
o donner des informations par écrit ;
o réfléchir à leur propre processus d'écriture, au contenu et à la forme de leur écrit ;
o chercher dans un dictionnaire en cas de doute ;
o soigner la langue, la structuration, l'épellation, l'écriture et la mise en pages.
5. Littérature
Les élèves
OF 16. expriment leur appréciation pour les textes littéraires oralement et par écrit ;
OF 17. établissent des interconnexions :
o dans les textes mêmes ;
o entre des textes ;
o entre des textes et leur champ socioculturel au sens large ;
o entre le texte et l'auteur ;
OF 18. sont capables de rassembler et traiter des informations sur des textes littéraires en utilisant tous les canaux d'information modernes ;
OF 19. reconnaissent et discutent, à l'aide du Parcival, certains phases de développement d'une vie humaine ;
OF 20. utilisent 'Faust' pour reconnaître une élaboration profonde et artistique d'un certain nombre de thèmes importants de la vie ;
OF 21. engagent le dialogue sur des questions de la vie telles que l'amour, la conscience, la liberté et la responsabilité, la biographie et le destin.
6. Réflexions sur le langage
Attitudes :
Les élèves
OF 22. apprennent à leur niveau :
o à réfléchir consciemment sur le langage et le système linguistique ;
o à utiliser les connaissances acquises dans leur communication verbale et non verbale ; *
OF 23. montrent de l'intérêt et du respect pour l'autre et pour leur propre culture et celle d'autrui, le mode de vie et de fonctionnement lors de leur réflexion sur la communication verbale et non verbale ; *
OF 24. se trouvent, à l'aide de la représentation d'une pièce de théâtre et des activités accessoires, dans une contexte de pratique sociale ; *
Langage :
Les élèves
OF 25. reflètent consciemment à leur niveau à un nombre d'aspects de l'emploi du langage :
25.1. dans le domaine textuel :
o structures textuelles et marqueurs de structure : mots connecteurs, mots-signaux, référents ;
o relations entre significations : moyen - but, relation chronologique, cause - suite, avantages - désavantages, pour - contre ;
o statut d'un prononcé : fait - opinion ;
o métaphorique et expressivité dans le langage quotidien et dans des textes littéraires ;
25.2. dans le domaine pragmatique
o l'ajustement de leurs pratiques de lecture, d'écriture et de communication orale ;
o les conséquences de leur communication verbale et non verbale pour eux-mêmes et pour autrui ;
Système langagier :
Les élèves
OF 26. reflètent consciemment à leur niveau à un nombre d'aspects du système langagier et sont en mesure de reconnaître et d'examiner les phénomènes suivants :
26.1 dans le domaine orthographique :
o exactitude de forme, conventions orthographiques et moyens d'aide à l'orthographie et la ponctuation ;
26.2 dans le domaine syntactique :
o membres de phrase les principaux membres de phrase ;
o phrase phrases simples et phrases composées ; phrases juxtaposées et phrase subordonnées.