Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
11 DECEMBER 2019. - Koninklijk besluit tot invoering van een aanvullend pensioen aan sommige personeelsleden van het federaal openbaar ambt, van het gerechtspersoneel en het personeel van de politiediensten
Titre
11 DECEMBRE 2019. - Arrêté royal instaurant une pension complémentaire à certains membres du personnel de la fonction publique fédérale, du personnel judiciaire et aux membres du personnel des services de police
Informations sur le document
Numac: 2019015781
Datum: 2019-12-11
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2019015781
Date: 2019-12-11
Moniteur: Voir
Tekst (16)
Texte (16)
HOOFDSTUK 1. - Wijzigende bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions modificatives
Artikel 1. In artikel 1 van het koninklijk besluit van 11 februari 1991 tot vaststelling van de individuele geldelijke rechten van de personen bij arbeidsovereenkomst aangeworven in de federale overheidsdiensten, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 oktober 2013, worden de woorden "het ministerie van Landsverdediging" ingevoegd tussen de woorden "de federale overheidsdiensten," en de woorden "de programmatorische federale overheidsdiensten".
Article 1er. A l'article 1er de l'arrêté royal du 11 février 1991 fixant les droits individuels pécuniaires des personnes engagées par contrat de travail dans les services publics fédéraux, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 25 octobre 2013, les mots " le ministère de la Défense, " sont insérés entre les mots " les services publics fédéraux, " et les mots " les services publics de programmation ".
Art. 2. In artikel 2 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "Er wordt een aanvullend pensioen ingevoerd op basis van een toezegging van het type vaste bijdragen, overeenkomstig de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid. De jaarlijkse bijdrage wordt door de werkgever gefinancierd en is gelijk aan:
  a) 1 % van de referentiebezoldiging 2017 zoals gedefinieerd in § 2 voor het jaar 2017;
  b) 1,5 % van de referentiebezoldiging 2018 zoals gedefinieerd in § 3 voor het jaar 2018;
  c) 3 % van de referentiebezoldiging vanaf 2019 zoals gedefinieerd in § 4.".
  2° de paragrafen 2, 3 en 4 worden hersteld als volgt :
  " § 2. De referentiebezoldiging 2017 is het resultaat van de vermenigvuldiging:
  1° van de referentiebezoldiging voor het jaar 2019 berekend overeenkomstig § 4;
  2° met een breuk waarvan de teller bestaat uit het aantal volledige maanden in 2017 op de lopende arbeidsovereenkomst op 1 juli 2019 en waarvan de noemer gelijk is aan 12.
  § 3. De referentiebezoldiging 2018 is het resultaat van de vermenigvuldiging:
  1° van de referentiebezoldiging voor het jaar 2019 berekend overeenkomstig § 4;
  2° met een breuk waarvan de teller bestaat uit het aantal volledige maanden in 2018 op de lopende arbeidsovereenkomst op 1 juli 2019 en waarvan de noemer gelijk is aan 12.
  § 4. De referentiebezoldiging voor het desbetreffende jaar vanaf het jaar 2019 is het resultaat van de vermenigvuldiging:
  1° van het percentage van de periodes die in het desbetreffende jaar door de werkgever bezoldigd zijn bij voltijdse tewerkstelling, met inbegrip van de periodes van verlof verbonden aan de bescherming van het moederschap, omstandigheidsverlof bij geboorte, vaderschapsverlof en adoptieverlof;
  2° met een twaalfde van de jaarlijkse brutowedde zoals blijkt uit de toepassing van § 1, alinea 1, 1°, te betalen voor de maand januari of, bij gebrek daaraan, de maand van indiensttreding of van hervatting van het werk, van het betrokken jaar, vermenigvuldigd met 13,92.
  Een twaalfde van de jaarlijkse brutowedde bedoeld in het eerste lid, 2°, wordt desgevallend verhoogd met:
  - 1/12 van de haard- of standplaatstoelage zoals voorzien in het gedelijke statuut van de desbetreffende openbare dienst of instelling, op basis van het in januari vastgestelde recht, of bij gebrek daaraan, de maand van indiensttreding of hervatting van het werk van het betrokken jaar, vermenigvuldigd met 13,92;
  - 1/12 van de schaalbonificaties bedoeld in het koninklijk besluit van 25 oktober 2013 betreffende de geldelijke loopbaan van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt, of, bij gebrek, 1/12 van het bedrag van de premie voor competentieontwikkeling als deze verschuldigd is in plaats van het bedrag van de schaalbonificatie, op basis van het in januari vastgestelde recht, of bij gebrek daaraan, de maand van indiensttreding of hervatting van het werk van het betrokken jaar, vermenigvuldigd met 13,92;
  - 1/12 van het complement bedoeld in artikel 26 van het koninklijk besluit van 3 maart 2005 houdende de bijzondere bepalingen met betrekking tot de bezoldigingsregeling van het personeel van de Federale Overheidsdienst Financiën, op basis van het in januari vastgestelde recht, of bij gebrek daaraan, de maand van indiensttreding of hervatting van het werk van het betrokken jaar, vermenigvuldigd met 13,92;
  - 1/12 van het weddecomplement bedoeld in artikel 27 van voormelde koninklijk besluit van 3 maart 2005, op basis van het in januari vastgestelde recht, of bij gebrek daaraan, de maand van indiensttreding of hervatting van het werk van het betrokken jaar, vermenigvuldigd met 13,92;
  - 1/12 van het weddesupplement bedoeld in artikel 32 van voormelde koninklijk besluit van 3 maart 2005, op basis van het in januari vastgestelde recht, of bij gebrek daaraan, de maand van indiensttreding of hervatting van het werk van het betrokken jaar, vermenigvuldigd met 13,92;
  Voor het percentage van de door de werkgever bezoldigde periodes, bedoeld in het eerste lid, 1°, worden de wijzigingen in verband met deeltijdse arbeid alleen in aanmerking genomen op de eerste dag van de volgende maand.
  Voor de periodes voorafgaand aan de opening van het recht op aanvullend pensioen voor de betrokken openbare dienst of instelling, is het percentage van de bezoldigde periodes door de in het eerste lid, 1°, bedoelde werkgever waarmee rekening wordt gehouden dat van de maand juli 2019.
  Voor de periode van 1 januari 2019 tot 1 juli 2019, wordt er gehandeld zoals voor het jaar 2018 rekening houdend met het aantal volledige maanden in het eerste semester van 2019 van de lopende arbeidsovereenkomst op 1 juli 2019 en een noemer gelijk aan 6. ".
Art. 2. A l'article 2 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
  1° le paragraphe 1er est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  " Il est instauré une pension complémentaire sur base d'un engagement de type contributions définies, conformément à la loi du 28 avril 2003 relative aux pensions complémentaires et au régime fiscal de celles-ci et de certains avantages complémentaires en matière de sécurité sociale. La contribution annuelle est financée par l'employeur et correspond à :
  a) 1 % de la rémunération de référence 2017 comme définie au § 2 pour l'année 2017;
  b) 1,5 % de la rémunération de référence 2018 comme définie au § 3 pour l'année 2018;
  c) 3 % de la rémunération de référence à partir de 2019 comme définie au § 4. ".
  2° les paragraphes 2, 3 et 4, sont rétablis dans la rédaction suivante :
  " § 2. La rémunération de référence 2017 est le résultat de la multiplication :
  1° de la rémunération de référence pour l'année 2019 calculée conformément au § 4;
  2° par une fraction dont le numérateur est constitué du nombre de mois entiers de 2017 sur le contrat de travail en cours au 1er juillet 2019 et dont le dénominateur est égal à 12.
  § 3. La rémunération de référence 2018 est le résultat de la multiplication :
  1° de la rémunération de référence pour l'année 2019 calculée conformément au § 4;
  2° par une fraction dont le numérateur est constitué du nombre de mois entiers de 2018 sur le contrat de travail en cours au 1er juillet 2019 et dont le dénominateur est égal à 12.
  § 4. La rémunération de référence pour l'année considérée à partir de 2019 est le résultat de la multiplication :
  1° du pourcentage des périodes rémunérées par l'employeur pour l'année considérée par rapport à une occupation à temps plein, en ce inclus les périodes de congé liés à la protection de la maternité, de congé de circonstances à l'occasion d'une naissance, de congé de paternité et de congé d'adoption;
  2° par le douzième du traitement annuel brut tel qu'il ressort de l'application du § 1er, alinéa 1er, 1°, dû pour le mois de janvier ou, à défaut, le mois d'entrée en service ou de la reprise du travail, de l'année considérée, multiplié par 13,92.
  Le douzième du traitement annuel brut visé à l'alinéa 1er, 2°, est augmenté, le cas échéant,de :
  - 1/12 de l'allocation de foyer ou de résidence telle que prévue dans le statut pécuniaire du service public ou de l'organisme considéré, sur la base du droit établi au mois de janvier ou, à défaut le mois d`entrée en service ou de la reprise du travail, de l'année considérée, multiplié par 13,92;
  - 1/12 des bonifications d'échelle visées à l'arrêté royal du 25 octobre 2013 relatif à la carrière pécuniaire des membres du personnel de la fonction publique fédérale ou à défaut 1/12 du montant de la prime de développement des compétences lorsque celle-ci est en due lieu et place du montant de la bonification d'échelle, sur la base du droit établi au mois de janvier ou, à défaut le mois d`entrée en service ou de la reprise du travail, de l'année considérée, multiplié par 13,92;
  - 1/12 du complément visé à l'article 26 de l'arrêté royal du 3 mars 2005 fixant les dispositions particulières concernant le statut pécuniaire des membres du personnel du Service public fédéral Finances, sur la base du droit établi au mois de janvier ou, à défaut le mois d`entrée en service ou de la reprise du travail, de l'année considérée, multiplié par 13,92;
  - 1/12 du complément de traitement visé à l'article 27 de l'arrêté royal du 3 mars 2005 précité, sur la base du droit établi au mois de janvier ou, à défaut le mois d`entrée en service ou de la reprise du travail, de l'année considérée, multiplié par 13,92;
  - 1/12 du supplément de traitement visé à l'article 32 de l'arrêté royal du 3 mars 2005 précité, sur la base du droit établi au mois de janvier ou, à défaut le mois d`entrée en service ou de la reprise du travail, de l'année considérée, multiplié par 13,92;
  Pour le pourcentage des périodes rémunérées par l'employeur visé à l'alinéa 1er, 1°, les modifications liées au travail à temps partiel ne sont prises en compte que le premier jour du mois qui suit.
  Pour les périodes antérieures à l`ouverture du droit à une pension complémentaire pour le service public ou l'organisme considéré, le pourcentage des périodes rémunérées par l'employeur visé à l'alinéa 1er, 1°, pris en compte est celui du mois de juillet 2019.
  Pour la période comprise entre le 1er janvier 2019 et le 1er juillet 2019, il est procédé comme pour l'année 2018 tenant compte du nombre de mois entiers du 1er semestre de 2019 sur le contrat de travail en cours au 1er juillet 2019 et d'un dénominateur égal à 6. ".
Art. 3. Artikel 3 van hetzelfde besluit, opgeheven door het koninklijk besluit van 25 oktober 2013 wordt hersteld als volgt :
  "Art. 3. Onverminderd de bepalingen van artikel 11 van het koninklijk besluit van 11 december 2019 tot invoering van een aanvullend pensioen aan sommige personeelsleden van het federaal openbaar ambt, van het gerechtspersoneel en van de geïntegreerde politie, genieten de personen bedoeld in artikel 1 van het voordeel bedoeld in artikel 2, § 1, tweede lid, vanaf hun datum van indiensttreding zoals bepaald in hun op 1 juli 2019 lopende arbeidsovereenkomst, maar ten vroegste op 1 januari 2017.".
Art. 3. L'article 3 du même arrêté, abrogé par l'arrêté royal du 25 octobre 2013, est rétabli comme suit :
  " Art. 3. Sans préjudice des dispositions de l'article 11 de l'arrêté royal du 11 décembre 2019 instaurant une pension complémentaire à certains membres du personnel de la fonction publique fédérale, du personnel judiciaire et de la police intégrée, les personnes visées à l'article 1er bénéficient de l'avantage visé à l'article 2, § 1er, alinéa 2, à partir de leur date d'entrée en service telle que fixée dans leur contrat de travail en cours au 1er juillet 2019, mais au plus tôt au 1er janvier 2017. ".
Art. 4. Het voormelde koninklijk besluit van 11 februari 1991 wordt aangevuld met een artikel 3bis, luidende :
  "Art. 3bis. In afwijking van artikel 1, artikel 2, § 1, tweede lid, is niet van toepassing op de personen aangeworven met een overeenkomst van tewerkstelling van studenten.".
Art. 4. L'arrêté royal du 11 février 1991 précité est complété par un article 3bis, rédigé comme suit :
  " Art. 3bis. Par dérogation à l'article 1er, l'article 2, § 1er, alinéa 2, n'est pas applicable aux personnes engagées par contrat d'occupation d'étudiants. ".
Art. 5. In het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 11 januari 2019, wordt in Deel XI, een Titel VI ingevoegd, die het artikel XI.VI.1. omvat, luidende:
  "Titel VI : Aanvullend pensioen.
  Art. XI.VI.1. De contractuele personeelsleden van de federale politie genieten van een aanvullend pensioen onder dezelfde voorwaarden en nadere regels zoals deze bedoeld in de artikelen 2 tot en met 3bis, van het koninklijk besluit van 11 februari 1991 tot vaststelling van de individuele geldelijke rechten van de personen bij arbeidsovereenkomst aangeworven in de federale overheidsdiensten.
  Het eerste lid is eveneens van toepassing op de contractuele personeelsleden van de lokale politie, met dien verstande dat voor hen onder "werkgever" hun respectieve politiezone wordt verstaan.".
Art. 5. Dans l'arrêté royal du 30 mars 2001 portant la position juridique du personnel des services de police, dernièrement modifié par l'arrêté royal du 11 janvier 2019, il est inséré dans la Partie XI un Titre VI, comportant l'article XI.VI.1, rédigé comme suit :
  "Titre VI : Pension complémentaire
  Art. XI.VI.1. Les membres du personnel contractuels de la police fédérale bénéficient d'une pension complémentaire selon les mêmes conditions et modalités que celles définies aux articles 2 à 3bis, de l'arrêté royal du 11 février 1991 fixant les droits individuels pécuniaires des personnes engagées par contrat de travail dans les services publics fédéraux.
  L'alinéa 1er est également d'application aux membres du personnel contractuel de la police locale, étant entendu que pour eux par " employeur ", il doit être entendu leur zone de police respective. ".
Art. 6. In artikel 10, § 1, van het koninklijk besluit van 19 juli 2001 betreffende de invulling van de beleidsorganen van de federale overheidsdiensten en betreffende de personeelsleden van de federale overheidsdiensten aangewezen om deel uit te maken van een kabinet van een lid van een Regering of van een College van een Gemeenschap of een Gewest, wordt het tweede lid aangevuld als volgt :
  "Ze genieten ook onder dezelfde voorwaarden en nadere regels van een aanvullend pensioen, zoals deze bedoeld in de artikelen 2 tot en met 3bis, van het koninklijk besluit van 11 februari 1991 tot vaststelling van de individuele geldelijke rechten van de personen bij arbeidsovereenkomst aangeworven in de federale overheidsdiensten".
Art. 6. A l'article 10, § 1er, de l'arrêté royal du 19 juillet 2001 relatif à l'installation des organes stratégiques des services publics fédéraux et relatif aux membres du personnel des services publics fédéraux désignés pour faire partie du cabinet d'un membre d'un Gouvernement ou d'un Collège d'une Communauté ou d'une Région, l'alinéa 2 est complété comme suit :
  " Ils bénéficient également d'une pension complémentaire selon les mêmes conditions et les mêmes modalités que celles définies aux articles 2 à 3bis de l'arrêté royal du 11 février 1991 fixant les droits individuels pécuniaires des personnes engagées par contrat de travail dans les services publics fédéraux. ".
Art. 7. In het koninklijk besluit van 10 november 2006 betreffende het statuut, de loopbaan en de bezoldigingsregeling van het gerechtspersoneel, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 23 maart 2019, wordt een Titel V ingevoegd, die het artikel 86 omvat, luidende:
  " Titel V : Aanvullend pensioen.
  Art. 86. De contractuele personeelsleden genieten van een aanvullend pensioen onder dezelfde voorwaarden en nadere regels zoals deze bedoeld in de artikelen 2 tot en met 3bis, van het koninklijk besluit van 11 februari 1991 tot vaststelling van de individuele geldelijke rechten van de personen bij arbeidsovereenkomst aangeworven in de federale overheidsdiensten.".
Art. 7. Dans l'arrêté royal du 10 novembre 2006 portant statut, carrière et statut pécuniaire du personnel judiciaire, dernièrement modifié par l'arrêté royal du 23 mars 2019, il est inséré un Titre V, comportant l'article 86, rédigé comme suit :
  " Titre V : Pension complémentaire.
  Art. 86. Les membres du personnel contractuel bénéficient d'une pension complémentaire selon les mêmes conditions et modalités que celles définies aux articles 2 à 3bis, de l'arrêté royal du 11 février 1991 fixant les droits individuels pécuniaires des personnes engagées par contrat de travail dans les services publics fédéraux. ".
Art. 8. In hoofdstuk III van het koninklijk besluit van 22 oktober 2001 houdende diverse bepalingen betreffende het personeel van het Federaal Agentschap voor de Opvang van Asielzoekers, wordt een afdeling 3 ingevoegd die artikel 17bis bevat, luidende:
  "Afdeling 3. - Aanvullend pensioen
  Art. 17bis. De contractuele personeelsleden bedoeld in dit hoofdstuk genieten van een aanvullend pensioen onder dezelfde voorwaarden en nadere regels zoals deze bedoeld in de artikelen 2 tot en met 3bis van het koninklijk besluit van 11 februari 1991 tot vaststelling van de individuele geldelijke rechten van de personen bij arbeidsovereenkomst aangeworven in de federale overheidsdiensten.".
Art. 8. Dans le chapitre III de l'arrêté royal du 22 octobre 2001 portant diverses dispositions relatives au personnel de l'Agence fédérale d'Accueil des Demandeurs d'Asile, il est inséré une section 3, comportant l'article 17bis, rédigée comme suit :
  " Section 3. - De la pension complémentaire
  Art. 17bis. Les membres du personnel contractuel visés dans le présent chapitre bénéficient d'une pension complémentaire selon les mêmes conditions et modalités que celles définies aux articles 2 à 3bis de l'arrêté royal du 11 février 1991 fixant les droits individuels pécuniaires des personnes engagées par contrat de travail dans les services publics fédéraux. ".
Art. 9. In het koninklijk besluit van 11 januari 2007 houdende het geldelijk statuut van het personeel van het Belgisch Instituut van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie wordt een artikel 3bis ingevoegd, luidende:
  "Art. 3bis. De contractuele personeelsleden genieten van een aanvullend pensioen onder dezelfde voorwaarden en nadere regels zoals deze bedoeld in de artikelen 2 tot en met 3bis van het koninklijk besluit van 11 februari 1991 tot vaststelling van de individuele geldelijke rechten van de personen bij arbeidsovereenkomst aangeworven in de federale overheidsdiensten.".
Art. 9. Dans l'arrêté royal du 11 janvier 2007 portant statut pécuniaire du personnel de l'Institut belge des services postaux et des télécommunications, il est inséré un article 3bis, rédigé comme suit :
  " Art. 3bis. Les membres du personnel contractuel bénéficient d'une pension complémentaire selon les mêmes conditions et modalités que celles définies aux articles 2 à 3bis de l'arrêté royal du 11 février 1991 fixant les droits individuels pécuniaires des personnes engagées par contrat de travail dans les services publics fédéraux. ".
Art. 10. In het koninklijk besluit van 2 juni 2010 tot vaststelling van de individuele geldelijke rechten van de personen bij arbeidsovereenkomst in dienst genomen als wetenschappelijk personeel in de federale wetenschappelijke instellingen, wordt een artikel 2/1 ingevoegd, luidende:
  " Art. 2/1. De personen als bedoeld in artikel 1 genieten van een aanvullend pensioen onder dezelfde voorwaarden en nadere regels zoals deze bedoeld in de artikelen 2 tot en met 3bis, van het koninklijk besluit van 11 februari 1991 tot vaststelling van de individuele geldelijke rechten van de personen bij arbeidsovereenkomst aangeworven in de federale overheidsdiensten.".
Art. 10. Dans l'arrêté royal du 2 juin 2010 fixant les droits individuels pécuniaires des personnes engagées par contrat de travail au titre de personnel scientifique dans les établissements scientifiques fédéraux, il est inséré un article 2/1, rédigé comme suit :
  " Art. 2/1. Les personnes visées à l'article 1er bénéficient d'une pension complémentaire selon les mêmes conditions et modalités que celles définies aux articles 2 à 3bis, de l'arrêté royal du 11 février 1991 fixant les droits individuels pécuniaires des personnes engagées par contrat de travail dans les services publics fédéraux. ".
HOOFDSTUK 2. - Overgangsbepaling
CHAPITRE 2. - Disposition transitoire
Art. 11. In afwijking van artikel 2, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 11 februari 1991 tot vaststelling van de individuele geldelijke rechten van de personen aangeworven bij arbeidsovereenkomst in de federale overheidsdiensten, wordt de op 1 juli 2019 bestaande aanvullende pensioenregeling, wanneer die voordeliger is, behouden voor de contractuele personeelsleden die op 30 juni 2019 in dienst zijn.
  De contractuele personeelsleden bedoeld in het eerste lid kunnen er echter op elk ogenblik voor kiezen om over te stappen naar het aanvullend pensioenstelsel bedoeld in artikel 2, § 1, tweede lid, van het voormeld koninklijk besluit van 11 februari 1991. Deze overstap is onomkeerbaar en geldt enkel voor de toekomst.
Art. 11. Par dérogation à l'article 2, § 1er, alinéa 2, de l'arrêté royal du 11 février 1991 fixant les droits individuels pécuniaires des personnes engagées par contrat de travail dans les services publics fédéraux, le régime de pension complémentaire existant au 1er juillet 2019, lorsqu'il est plus avantageux, est maintenu pour les membres du personnel contractuels en service au 30 juin 2019.
  Toutefois, les membres du personnel contractuels visés à l'alinéa 1er peuvent à tout moment décider de faire la transition vers le régime de pension complémentaire visé à l'article 2, § 1er, alinéa 2 de l'arrêté royal du 11 février 1991 précité. Cette transition est irréversible et ne s'applique que pour l'avenir.
HOOFDSTUK I3. - Slotbepalingen
CHAPITRE 3. - Dispositions finales
Art. 12. Dit besluit heeft uitwerking op 1 juli 2019.
Art. 12. Le présent arrêté produit ses effets le 1er juillet 2019.
Art. 13. Onze ministers zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 13. Nos ministres sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.