Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit en zijn uitvoeringsmaatregelen wordt verstaan onder:
1° "de ordonnantie van 23 juni 2017": de ordonnantie van 23 juni 2017 betreffende de tewerkstellingssteun in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
2° "de ordonnantie van 23 juli 2018": de ordonnantie van 23 juli 2018 betreffende de erkenning en de steun van de sociale ondernemingen;
3° "het besluit van [16 mai 2019]": het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van [16 mei 2019] betreffende het mandaat en de financiering van de krachtens de ordonnantie betreffende de erkenning en de steun van de sociale ondernemingen erkende sociale ondernemingen; (Rechtzetting, zie B.St. 20-06-2019, p. 63751)
4° "gemandateerde sociale onderneming": gemandateerde sociale onderneming overeenkomstig artikel 14 van de ordonnantie van 23 juli 2018 met betrekking tot de erkenning en de ondersteuning van de sociale ondernemingen;
5° "werkzoekende die bijzonder ver van de arbeidsmarkt staat": de niet-werkende werkzoekende zoals bepaald in artikel 2, 5°, van de ordonnantie van 23 juli 2018 met betrekking tot de erkenning en de ondersteuning van de sociale ondernemingen, die voldoet aan een van de volgende voorwaarden:
a) niet beschikken over een getuigschrift of diploma van het lager middelbaar onderwijs;
b) bij Actiris ingeschreven zijn als niet-werkende werkzoekende gedurende minstens 624 dagen binnen de zesendertig kalendermaanden voorafgaand aan de indiensttreding, en niet beschikken over een getuigschrift of diploma van het hoger middelbaar onderwijs;
c) werkzoekend zijn met verminderde arbeidsgeschiktheid in de zin van artikel 7, § 2, van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 14 september 2017 betreffende de activeringsmaatregelen van de werkzoekenden;
d) de doelgroepen van de maatregelen voor APS (begeleiding van doelgroepen met specifieke problemen) en NEET's (jongeren die niet studeren, werken of jobleren) zoals bepaald door Actiris of zoals bepaald in het kader van de door Actiris uitgewerkte partnerschappen;
6° "gesubsidieerde sociale-economiebetrekking": de gesubsidieerde sociale-economiebetrekking voor doorstroming of de gesubsidieerde sociale-economiebetrekking voor inschakeling bepaald in hoofdstuk 2, Afdeling 2, van de ordonnantie van 23 juni 2017 betreffende de tewerkstellingssteun in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
7° "loonkost": de som van het brutoloon, de socialezekerheidsbijdragen van de werkgever, de bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid, de eindejaarspremie en het vakantiegeld;
8° "Actiris": de Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling, geregeld door de ordonnantie van 18 januari 2001 houdende organisatie en werking van Actiris;
9° "het bestuur": Brussel Economie en Werkgelegenheid van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel;
10° "de minister": de minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering bevoegd voor Tewerkstelling.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
16 MEI 2019. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende de maatregel voor inschakelingsbanen in de sociale economie
Titre
16 MAI 2019. - Arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale relatif au dispositif d'emploi d'insertion en économie sociale
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
Table des matières
CHAPITRE 1er. - Définitions
CHAPITRE 2. - Finalités et mécanisme de compens...
CHAPITRE 3. - Procédure d'octroi
CHAPITRE 4. - Procédure de paiement
CHAPITRE 5. - Procédure de recouvrement
CHAPITRE 6. - Dispositions abrogatoires
CHAPITRE 7. - Dispositions transitoires
CHAPITRE 8. - Dispositions finales
Tekst (28)
Texte (28)
HOOFDSTUK 1. - Definities
CHAPITRE 1er. - Définitions
Article 1er. Pour l'application du présent arrêté et de ses mesures d'exécution, l'on entend par :
1° " l'ordonnance du 23 juin 2017 " : l'ordonnance du 23 juin 2017 relative aux aides à l'emploi accessibles en Région de Bruxelles;
2° " l'ordonnance du 23 juillet 2018 " : l'ordonnance du 23 juillet 2018 relative à l'agrément et au soutien des entreprises sociales;
3° " l'arrêté du [16 mai 2019] " : l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du [16 mai 2019] relatif au mandat et financement des entreprises sociales agréées en vertu de l'ordonnance relative à l'agrément et au soutien des entreprises sociales; (Avis rectificatif, voir M.B. 20-06-2019, p. 63751)
4° " entreprise sociale mandatée " : entreprise sociale mandatée conformément à l'article 14 de l'ordonnance du 23 juillet 2018 relative à l'agrément et au soutien des entreprises sociales;
5° " demandeur d'emploi particulièrement éloigné du marché du travail " : le demandeur d'emploi inoccupé, tel que visé à l'article 2, 5°, de l'ordonnance du 23 juillet 2018 relative à l'agrément et au soutien des entreprises sociales, remplissant l'une des conditions suivantes :
a) ne pas disposer d'un certificat ou d'un diplôme de l'enseignement secondaire inférieur;
b) être inscrit auprès d'Actiris comme demandeur d'emploi inoccupé pendant au moins 624 jours sur les trente-six mois calendrier qui précèdent l'entrée en service et ne pas disposer d'un certificat ou d'un diplôme de l'enseignement secondaire supérieur;
c) être un demandeur d'emploi avec aptitude réduite au sens du l'article 7, § 2 de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 14 septembre 2017 relatif aux mesures d'activation des demandeurs d'emploi;
d) les publics cibles des mesures `accompagnement de publics ayant des problématiques spécifiques' et NEETs (jeune ni aux études, ni au travail, ni en formation) tels que définis par Actiris ou tels que définis dans le cadre des partenariats développés par Actiris;
6° " emploi subventionné en économie sociale " : l'emploi subventionné d'économie sociale de transition ou l'emploi subventionné d'économie sociale d'insertion visé au chapitre 2, Section 2 de l'ordonnance du 23 juin 2017 relative aux aides à l'emploi accessibles en Région de Bruxelles-Capitale;
7° " charge salariale " : somme du salaire brut, des cotisations de sécurité sociale patronales, de la cotisation spéciale de sécurité sociale, de la prime de fin d'année et du pécule de vacances;
8° " Actiris " : l'Office régional de l'emploi, régi par l'ordonnance du 18 janvier 2001 portant organisation et fonctionnement d'Actiris;
9° " l'Administration " : Bruxelles Economie et Emploi du Service Public régional de Bruxelles;
10° " le Ministre " : le Ministre du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale ayant l'Emploi dans ses attributions.
1° " l'ordonnance du 23 juin 2017 " : l'ordonnance du 23 juin 2017 relative aux aides à l'emploi accessibles en Région de Bruxelles;
2° " l'ordonnance du 23 juillet 2018 " : l'ordonnance du 23 juillet 2018 relative à l'agrément et au soutien des entreprises sociales;
3° " l'arrêté du [16 mai 2019] " : l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du [16 mai 2019] relatif au mandat et financement des entreprises sociales agréées en vertu de l'ordonnance relative à l'agrément et au soutien des entreprises sociales; (Avis rectificatif, voir M.B. 20-06-2019, p. 63751)
4° " entreprise sociale mandatée " : entreprise sociale mandatée conformément à l'article 14 de l'ordonnance du 23 juillet 2018 relative à l'agrément et au soutien des entreprises sociales;
5° " demandeur d'emploi particulièrement éloigné du marché du travail " : le demandeur d'emploi inoccupé, tel que visé à l'article 2, 5°, de l'ordonnance du 23 juillet 2018 relative à l'agrément et au soutien des entreprises sociales, remplissant l'une des conditions suivantes :
a) ne pas disposer d'un certificat ou d'un diplôme de l'enseignement secondaire inférieur;
b) être inscrit auprès d'Actiris comme demandeur d'emploi inoccupé pendant au moins 624 jours sur les trente-six mois calendrier qui précèdent l'entrée en service et ne pas disposer d'un certificat ou d'un diplôme de l'enseignement secondaire supérieur;
c) être un demandeur d'emploi avec aptitude réduite au sens du l'article 7, § 2 de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 14 septembre 2017 relatif aux mesures d'activation des demandeurs d'emploi;
d) les publics cibles des mesures `accompagnement de publics ayant des problématiques spécifiques' et NEETs (jeune ni aux études, ni au travail, ni en formation) tels que définis par Actiris ou tels que définis dans le cadre des partenariats développés par Actiris;
6° " emploi subventionné en économie sociale " : l'emploi subventionné d'économie sociale de transition ou l'emploi subventionné d'économie sociale d'insertion visé au chapitre 2, Section 2 de l'ordonnance du 23 juin 2017 relative aux aides à l'emploi accessibles en Région de Bruxelles-Capitale;
7° " charge salariale " : somme du salaire brut, des cotisations de sécurité sociale patronales, de la cotisation spéciale de sécurité sociale, de la prime de fin d'année et du pécule de vacances;
8° " Actiris " : l'Office régional de l'emploi, régi par l'ordonnance du 18 janvier 2001 portant organisation et fonctionnement d'Actiris;
9° " l'Administration " : Bruxelles Economie et Emploi du Service Public régional de Bruxelles;
10° " le Ministre " : le Ministre du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale ayant l'Emploi dans ses attributions.
HOOFDSTUK 2. - Finaliteiten en financiering van gesubsidieerde sociale-economiebetrekkingen
CHAPITRE 2. - Finalités et mécanisme de compensation des emplois subventionnés en économie sociale
Art. 2. Binnen de grenzen van de beschikbare begrotingskredieten wordt aan de gemandateerde sociale onderneming een premie van maximaal 33.000 euro per jaar en per voltijdse doelgroepwerknemer toegekend voor een maximumduur van twee jaar om de loonlast te verminderen van een gesubsidieerde sociale-economiebetrekking voor doorstroming.
De gesubsidieerde sociale-economiebetrekking voor doorstroming bestaat uit vormende tewerkstelling waarbij de gemandateerde sociale onderneming voor een werkzoekende die bijzonder ver van de arbeidsmarkt staat de doorstroming naar de arbeidsmarkt verzekert aan het einde van zijn contract.
Het premiebedrag wordt verminderd naar rato van de arbeidstijd, zonder dat deze minder mag zijn dan halftijds.
De gemandateerde sociale onderneming kan de premie zoals bedoeld in het eerste lid geen tweede keer verkrijgen voor dezelfde werknemer binnen een periode van 5 jaar.
De gesubsidieerde sociale-economiebetrekking voor doorstroming bestaat uit vormende tewerkstelling waarbij de gemandateerde sociale onderneming voor een werkzoekende die bijzonder ver van de arbeidsmarkt staat de doorstroming naar de arbeidsmarkt verzekert aan het einde van zijn contract.
Het premiebedrag wordt verminderd naar rato van de arbeidstijd, zonder dat deze minder mag zijn dan halftijds.
De gemandateerde sociale onderneming kan de premie zoals bedoeld in het eerste lid geen tweede keer verkrijgen voor dezelfde werknemer binnen een periode van 5 jaar.
Art. 2. Dans la limite des crédits budgétaires disponibles, une prime d'un montant maximal de 33.000 euros par an et par travailleur du public cible occupé à temps plein est octroyée pour une durée maximale de deux ans à l'entreprise sociale mandatée afin de réduire la charge salariale d'un emploi subventionné d'économie sociale de transition.
L'emploi subventionné d'économie sociale de transition consiste en un emploi formatif pour lequel l'entreprise sociale mandatée assure la transition d'un demandeur d'emploi particulièrement éloigné du marché du travail vers le marché du travail à l'issue de son contrat.
Le montant de la prime est réduit proportionnellement au temps de travail sans que celui-ci ne puisse être inférieur à un mi-temps.
L'entreprise sociale mandatée ne peut bénéficier deux fois de la prime visée à l'alinéa premier pour un même travailleur dans une période de 5 ans.
L'emploi subventionné d'économie sociale de transition consiste en un emploi formatif pour lequel l'entreprise sociale mandatée assure la transition d'un demandeur d'emploi particulièrement éloigné du marché du travail vers le marché du travail à l'issue de son contrat.
Le montant de la prime est réduit proportionnellement au temps de travail sans que celui-ci ne puisse être inférieur à un mi-temps.
L'entreprise sociale mandatée ne peut bénéficier deux fois de la prime visée à l'alinéa premier pour un même travailleur dans une période de 5 ans.
Art. 3. Binnen de grenzen van de beschikbare begrotingskredieten wordt aan de gemandateerde sociale onderneming een premie van maximaal 10.000 euro per jaar en per voltijdse doelgroepwerknemer toegekend voor een maximumduur van vijf jaar om de loonlast te verminderen van een gesubsidieerde sociale-economiebetrekking voor inschakeling.
De gesubsidieerde sociale-economiebetrekking voor inschakeling is gericht op de duurzame integratie binnen de gemandateerde sociale onderneming van een werkzoekende die bijzonder ver van de arbeidsmarkt staat.
Het premiebedrag wordt verminderd naar rato van de arbeidstijd, zonder dat deze minder mag zijn dan halftijds.
In afwijking van het eerste lid moet, indien de werknemer minstens 50 jaar is op het ogenblik dat de arbeidsovereenkomst ondertekend wordt, de jaarlijkse premie van 10.000 euro tot de wettelijke pensioenleeftijd van de werknemer betaald worden.
De gemandateerde sociale onderneming kan de premie zoals bedoeld in het eerste lid geen tweede keer verkrijgen voor dezelfde werknemer.
De gesubsidieerde sociale-economiebetrekking voor inschakeling is gericht op de duurzame integratie binnen de gemandateerde sociale onderneming van een werkzoekende die bijzonder ver van de arbeidsmarkt staat.
Het premiebedrag wordt verminderd naar rato van de arbeidstijd, zonder dat deze minder mag zijn dan halftijds.
In afwijking van het eerste lid moet, indien de werknemer minstens 50 jaar is op het ogenblik dat de arbeidsovereenkomst ondertekend wordt, de jaarlijkse premie van 10.000 euro tot de wettelijke pensioenleeftijd van de werknemer betaald worden.
De gemandateerde sociale onderneming kan de premie zoals bedoeld in het eerste lid geen tweede keer verkrijgen voor dezelfde werknemer.
Art. 3. Dans la limite des crédits budgétaires disponibles, une prime d'un montant maximal de 10.000 euros par an et par travailleur du public cible occupé à temps plein est octroyée pour une durée maximale de cinq ans continue à l'entreprise sociale mandatée afin de réduire la charge salariale d'un emploi subventionné d'économie sociale d'insertion.
L'emploi subventionné d'économie sociale d'insertion vise à intégrer durablement au sein de l'entreprise sociale mandatée un demandeur d'emploi particulièrement éloigné du marché du travail.
Le montant de la prime est réduit proportionnellement au temps de travail sans que celui-ci ne puisse être inférieur à un mi-temps.
Par dérogation à l'alinéa 1er, si le travailleur est âgé d'au moins 50 ans au moment de la signature du contrat de travail, la prime annuelle de 10.000 euros est due jusqu'à l'âge légal de la pension du travailleur.
L'entreprise sociale mandatée ne peut bénéficier deux fois de la prime visée à l'alinéa premier pour un même travailleur.
L'emploi subventionné d'économie sociale d'insertion vise à intégrer durablement au sein de l'entreprise sociale mandatée un demandeur d'emploi particulièrement éloigné du marché du travail.
Le montant de la prime est réduit proportionnellement au temps de travail sans que celui-ci ne puisse être inférieur à un mi-temps.
Par dérogation à l'alinéa 1er, si le travailleur est âgé d'au moins 50 ans au moment de la signature du contrat de travail, la prime annuelle de 10.000 euros est due jusqu'à l'âge légal de la pension du travailleur.
L'entreprise sociale mandatée ne peut bénéficier deux fois de la prime visée à l'alinéa premier pour un même travailleur.
Art. 4. Het bedrag van de premies bedoeld in artikelen 2 en 3 mag de door de gemandateerde sociale onderneming werkelijk gedragen loonlast niet overschrijden.
De gemandateerde sociale onderneming kan de premie zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, niet verkrijgen voor een werknemer voor wie zij reeds de premie zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, heeft verkregen.
De gemandateerde sociale onderneming kan de premie zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, niet verkrijgen voor een werknemer voor wie zij reeds de premie zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, heeft verkregen.
Art. 4. Le montant des primes visées aux articles 2 et 3 ne peut dépasser la charge salariale réellement supportée par l'entreprise sociale mandatée.
L'entreprise sociale mandatée ne peut bénéficier de la prime visée à l'article 2, alinéa premier pour un travailleur pour lequel elle a déjà bénéficié de la prime visée à l'article 3, alinéa premier.
L'entreprise sociale mandatée ne peut bénéficier de la prime visée à l'article 2, alinéa premier pour un travailleur pour lequel elle a déjà bénéficié de la prime visée à l'article 3, alinéa premier.
Art. 5. § 1. In het geval dat een gemandateerde sociale onderneming ook activiteiten uitoefent die geen beheer van diensten van algemeen economisch belang inhouden, moet deze onderneming in haar boekhouding een onderscheid maken tussen de kosten en inkomsten verbonden aan de openbaredienst-verplichtingen, zoals bedoeld in artikel 14, § 1 tot 3 van de ordonnantie, en de kosten en inkomsten verbonden aan andere activiteiten, alsook de opsplitsing van deze kosten en inkomsten.
Actiris controleert tijdens de volledige duur van het mandaat, minstens om de drie jaar, en tot het einde van het mandaat, of de gemandateerde sociale onderneming een afzonderlijke boekhouding bijhoudt.
§ 2. Als de gemandateerde sociale onderneming een compensatie ontvangt die groter is dan wat nodig is om de nettokosten te dekken die de uitvoering van de openbaredienstverplichtingen met zich meebrengt, met inbegrip van een redelijke winst, moet de onderneming de overcompensatie terugbetalen.
§ 3. Als de gemandateerde sociale onderneming een vorm van financiering krijgt van een ander bestuursniveau voor de verwezenlijking van een dienst van algemeen economisch belang, dan raadplegen de controleurs, bedoeld in artikel 12 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 9 juni 2016 houdende bepaling van de met het toezicht en de controle belaste overheden in werkgelegenheidsaangele-genheden en houdende nadere regels met betrekking tot de werking van deze overheden, bij hun controle dit bestuursniveau.
§ 4. De gemandateerde sociale onderneming moet tijdens de volledige mandaten en de tien jaar die volgen op het eind van de mandaten alle documenten met betrekking tot de uitoefening van de dienst van algemeen economisch belang, met inbegrip van de boekhouding bedoeld in paragraaf 1, ter beschikking van het bestuur en Actiris houden.
Actiris controleert tijdens de volledige duur van het mandaat, minstens om de drie jaar, en tot het einde van het mandaat, of de gemandateerde sociale onderneming een afzonderlijke boekhouding bijhoudt.
§ 2. Als de gemandateerde sociale onderneming een compensatie ontvangt die groter is dan wat nodig is om de nettokosten te dekken die de uitvoering van de openbaredienstverplichtingen met zich meebrengt, met inbegrip van een redelijke winst, moet de onderneming de overcompensatie terugbetalen.
§ 3. Als de gemandateerde sociale onderneming een vorm van financiering krijgt van een ander bestuursniveau voor de verwezenlijking van een dienst van algemeen economisch belang, dan raadplegen de controleurs, bedoeld in artikel 12 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 9 juni 2016 houdende bepaling van de met het toezicht en de controle belaste overheden in werkgelegenheidsaangele-genheden en houdende nadere regels met betrekking tot de werking van deze overheden, bij hun controle dit bestuursniveau.
§ 4. De gemandateerde sociale onderneming moet tijdens de volledige mandaten en de tien jaar die volgen op het eind van de mandaten alle documenten met betrekking tot de uitoefening van de dienst van algemeen economisch belang, met inbegrip van de boekhouding bedoeld in paragraaf 1, ter beschikking van het bestuur en Actiris houden.
Art. 5. § 1er. Dans le cas où une entreprise sociale mandatée exerce également des activités ne consistant pas en la gestion de services d'intérêt économique général, celle-ci indique dans sa comptabilité de manière distincte les coûts et recettes liées aux obligations de service public, telles que visées à l'article 14 § 1 à 3 de l'ordonnance, et les coûts et recettes liées aux autres activités, ainsi que la répartition de ces coûts et recettes.
Actiris vérifie durant l'entièreté de la durée du mandat, au minimum tous les trois ans, et jusqu'au terme de celui-ci, la tenue séparée de la comptabilité de l'entreprise sociale mandatée.
§ 2. Dans le cas où l'entreprise sociale mandatée, bénéficie d'une compensation excédant ce qui est nécessaire pour couvrir les coûts nets occasionnés par l'exécution des obligations de service public, en ce compris un bénéfice raisonnable, elle est tenue de rembourser la surcompensation.
§ 3. Dans le cas où l'entreprise sociale mandatée bénéficie d'une forme de financement octroyé par un autre niveau de pouvoir pour la réalisation de mission de service d'intérêt économique général, les contrôleurs visés à l'article 12 de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 9 juin 2016 déterminant les autorités chargées de la surveillance et du contrôle en matière d'emploi et portant des modalités relatives au fonctionnement de ces autorités consultent, lors de leur contrôle, ce niveau de pouvoir.
§ 4. L'entreprise sociale mandatée tient à disposition de l'Administration et Actiris durant l'entièreté des mandats et durant les dix années qui suivent la fin des mandats, l'ensemble des documents, en ce compris la comptabilité visée au paragraphe 1er, relatifs à l'exercice de la mission de service d'intérêt économique général pour laquelle elle est mandatée.
Actiris vérifie durant l'entièreté de la durée du mandat, au minimum tous les trois ans, et jusqu'au terme de celui-ci, la tenue séparée de la comptabilité de l'entreprise sociale mandatée.
§ 2. Dans le cas où l'entreprise sociale mandatée, bénéficie d'une compensation excédant ce qui est nécessaire pour couvrir les coûts nets occasionnés par l'exécution des obligations de service public, en ce compris un bénéfice raisonnable, elle est tenue de rembourser la surcompensation.
§ 3. Dans le cas où l'entreprise sociale mandatée bénéficie d'une forme de financement octroyé par un autre niveau de pouvoir pour la réalisation de mission de service d'intérêt économique général, les contrôleurs visés à l'article 12 de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 9 juin 2016 déterminant les autorités chargées de la surveillance et du contrôle en matière d'emploi et portant des modalités relatives au fonctionnement de ces autorités consultent, lors de leur contrôle, ce niveau de pouvoir.
§ 4. L'entreprise sociale mandatée tient à disposition de l'Administration et Actiris durant l'entièreté des mandats et durant les dix années qui suivent la fin des mandats, l'ensemble des documents, en ce compris la comptabilité visée au paragraphe 1er, relatifs à l'exercice de la mission de service d'intérêt économique général pour laquelle elle est mandatée.
Art. 6. De premies bedoeld in artikel 2 en 3 worden jaarlijks op 1 januari geïndexeerd op basis van de spilindex 103,14 (basis 1996 = 100) van de consumptieprijzen, in overeenstemming met de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
Art. 6. Les montants visés aux articles 2 et 3 sont indexés annuellement au 1er janvier suivant l'indice pivot 103,14 (base 1996 = 100) des prix à la consommation, conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation, des traitements, des salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
Art. 7. § 1. De volgende werkzoekenden die bijzonder ver staan van de arbeidsmarkt zijn vrijgesteld van de in artikel 1, 5°, b) bedoelde inactiviteitsperiode:
1° de niet-werkende werkzoekende die tewerkgesteld was tot aan het einde van het arbeidscontract gesloten in het kader van de inschakelingsovereenkomst bedoeld in artikel 3 van de ordonnantie van 23 juni 2017, in artikel 7ter van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 5 februari 1998 tot bepaling van de verdelingscriteria voor de subsidies toegekend aan lokale besturen die gesubsidieerde contractuelen tewerkstellen of in artikel 28bis, § 1, van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 28 november 2002 betreffende het stelsel van de gesubsidieerde contractuelen;
2° de niet-werkende werkzoekende die tewerkgesteld was tot aan het einde van het arbeidscontract gesloten in het kader van de maatregel van artikel 60, § 7 of 61 van de organieke wet van 8 juli 1976 op de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
3° de niet-werkende werkzoekende die ontslagen werd als gevolg van het schrappen van een betrekking in het kader van de tewerkstellingsmaatregel voor inschakeling in de sociale economie, zoals bedoeld in artikel 2 of 3 van dit besluit.
§ 2. Worden gelijkgesteld met inschrijvingsperiodes als niet-werkende werkzoekende bedoeld in artikel 1, 5°, b), de volgende periodes:
1° de inschrijvingsperiodes als niet-werkende werkzoekende bij een gewestelijke arbeidsbemiddelingsdienst van een ander gewest;
2° de periodes van hechtenis tijdens een periode van inschrijving als niet-werkende werkzoekende;
3° de tewerkstellingsperiodes in het kader van de inschakelingsovereenkomst bedoeld in artikel 3 van de ordonnantie van 23 juni 2017, in artikel 7ter van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 5 februari 1998 tot bepaling van de verdelingscriteria voor de subsidies toegekend aan lokale besturen die gesubsidieerde contractuelen tewerkstellen of in artikel 28bis, § 1, van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 28 november 2002 betreffende het stelsel van de gesubsidieerde contractuelen;
4° de periodes die in inschrijvingsperiodes als niet-werkende werkzoekende gelegen zijn en die aanleiding hebben gegeven tot de betaling van een toelage in toepassing van de wettelijke of regelgevende bepalingen inzake verplichte ziekte- of invaliditeitsverzekering of inzake moederschapsverzekering;
5° de periodes van recht op maatschappelijke integratie in toepassing van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie en de periodes van toekenning van financiële maatschappelijke hulp aan personen van vreemde nationaliteit, ingeschreven in het vreemdelingenregister, die omwille van hun nationaliteit geen aanspraak kunnen maken op het recht op maatschappelijke integratie in toepassing van de wet van 2 april 1965 betreffende de betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
6° de tewerkstellingsperiodes in toepassing van artikel 60, § 7 of 61 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
1° de niet-werkende werkzoekende die tewerkgesteld was tot aan het einde van het arbeidscontract gesloten in het kader van de inschakelingsovereenkomst bedoeld in artikel 3 van de ordonnantie van 23 juni 2017, in artikel 7ter van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 5 februari 1998 tot bepaling van de verdelingscriteria voor de subsidies toegekend aan lokale besturen die gesubsidieerde contractuelen tewerkstellen of in artikel 28bis, § 1, van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 28 november 2002 betreffende het stelsel van de gesubsidieerde contractuelen;
2° de niet-werkende werkzoekende die tewerkgesteld was tot aan het einde van het arbeidscontract gesloten in het kader van de maatregel van artikel 60, § 7 of 61 van de organieke wet van 8 juli 1976 op de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
3° de niet-werkende werkzoekende die ontslagen werd als gevolg van het schrappen van een betrekking in het kader van de tewerkstellingsmaatregel voor inschakeling in de sociale economie, zoals bedoeld in artikel 2 of 3 van dit besluit.
§ 2. Worden gelijkgesteld met inschrijvingsperiodes als niet-werkende werkzoekende bedoeld in artikel 1, 5°, b), de volgende periodes:
1° de inschrijvingsperiodes als niet-werkende werkzoekende bij een gewestelijke arbeidsbemiddelingsdienst van een ander gewest;
2° de periodes van hechtenis tijdens een periode van inschrijving als niet-werkende werkzoekende;
3° de tewerkstellingsperiodes in het kader van de inschakelingsovereenkomst bedoeld in artikel 3 van de ordonnantie van 23 juni 2017, in artikel 7ter van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 5 februari 1998 tot bepaling van de verdelingscriteria voor de subsidies toegekend aan lokale besturen die gesubsidieerde contractuelen tewerkstellen of in artikel 28bis, § 1, van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 28 november 2002 betreffende het stelsel van de gesubsidieerde contractuelen;
4° de periodes die in inschrijvingsperiodes als niet-werkende werkzoekende gelegen zijn en die aanleiding hebben gegeven tot de betaling van een toelage in toepassing van de wettelijke of regelgevende bepalingen inzake verplichte ziekte- of invaliditeitsverzekering of inzake moederschapsverzekering;
5° de periodes van recht op maatschappelijke integratie in toepassing van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie en de periodes van toekenning van financiële maatschappelijke hulp aan personen van vreemde nationaliteit, ingeschreven in het vreemdelingenregister, die omwille van hun nationaliteit geen aanspraak kunnen maken op het recht op maatschappelijke integratie in toepassing van de wet van 2 april 1965 betreffende de betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
6° de tewerkstellingsperiodes in toepassing van artikel 60, § 7 of 61 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
Art. 7. § 1er. Les demandeurs d'emploi particulièrement éloignés du marché du travail suivants sont dispensés de la période d'inoccupation visée à l'article 1, 5°, b) :
1° le demandeur d'emploi inoccupé ayant été occupé jusqu'au terme du contrat de travail octroyé dans le cadre du contrat d'insertion visé à l'article 3 de l'ordonnance du 23 juin 2017, à l'article 7ter, de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 5 février 1998 déterminant les critères de répartition des subventions accordées aux pouvoirs locaux occupant des agents contractuels subventionnés ou à l'article 28bis, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 28 novembre 2002 relatif au régime des contractuels subventionnés;
2° le demandeur d'emploi inoccupé ayant été occupé jusqu'au terme du contrat de travail octroyé dans le cadre du contrat de travail octroyé dans le cadre du dispositif de l'article 60, § 7 ou 61, de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'aide sociale;
3° le demandeur d'emploi inoccupé qui a été licencié à la suite de la suppression d'un poste dans le cadre du dispositif d'emploi d'insertion en économie sociale, tel que visé à l'article 2 ou 3 du présent arrêté.
§ 2. Sont assimilées à la période d'inscription comme demandeur d'emploi inoccupé visé à l'article 1, 5°, b), les périodes suivantes :
1° les périodes d'inscription comme demandeur d'emploi inoccupé auprès d'un service régional de l'emploi d'une autre Région;
2° les périodes d'emprisonnement au cours d'une période d'inscription comme demandeur d'emploi inoccupé;
3° les périodes d'occupation dans le cadre du contrat d'insertion, visé à l'article 3 de l'ordonnance du 23 juin 2017, à l'article 7ter, de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 5 février 1998 déterminant les critères de répartition des subventions accordées aux pouvoirs locaux occupant des agents contractuels subventionnés ou à l'article 28bis, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 28 novembre 2002 relatif au régime des contractuels subventionnés;
4° les périodes situées au cours d'une période d'inscription comme demandeur d'emploi inoccupé et qui ont donné lieu au paiement d'une allocation en application des dispositions légales ou réglementaires en matière d'assurance obligatoire contre la maladie ou l'invalidité ou en matière d'assurance-maternité;
5° les périodes de bénéfice de l'intégration sociale en application de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale et les périodes d'octroi de l'aide sociale financière aux personnes de nationalité étrangère, inscrites au registre des étrangers, qui en raison de leur nationalité ne peuvent pas prétendre au droit à l'intégration sociale en application de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les centres publics d'aide sociale;
6° les périodes d'occupation en application de l'article 60, § 7 ou 61 de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'aide sociale.
1° le demandeur d'emploi inoccupé ayant été occupé jusqu'au terme du contrat de travail octroyé dans le cadre du contrat d'insertion visé à l'article 3 de l'ordonnance du 23 juin 2017, à l'article 7ter, de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 5 février 1998 déterminant les critères de répartition des subventions accordées aux pouvoirs locaux occupant des agents contractuels subventionnés ou à l'article 28bis, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 28 novembre 2002 relatif au régime des contractuels subventionnés;
2° le demandeur d'emploi inoccupé ayant été occupé jusqu'au terme du contrat de travail octroyé dans le cadre du contrat de travail octroyé dans le cadre du dispositif de l'article 60, § 7 ou 61, de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'aide sociale;
3° le demandeur d'emploi inoccupé qui a été licencié à la suite de la suppression d'un poste dans le cadre du dispositif d'emploi d'insertion en économie sociale, tel que visé à l'article 2 ou 3 du présent arrêté.
§ 2. Sont assimilées à la période d'inscription comme demandeur d'emploi inoccupé visé à l'article 1, 5°, b), les périodes suivantes :
1° les périodes d'inscription comme demandeur d'emploi inoccupé auprès d'un service régional de l'emploi d'une autre Région;
2° les périodes d'emprisonnement au cours d'une période d'inscription comme demandeur d'emploi inoccupé;
3° les périodes d'occupation dans le cadre du contrat d'insertion, visé à l'article 3 de l'ordonnance du 23 juin 2017, à l'article 7ter, de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 5 février 1998 déterminant les critères de répartition des subventions accordées aux pouvoirs locaux occupant des agents contractuels subventionnés ou à l'article 28bis, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 28 novembre 2002 relatif au régime des contractuels subventionnés;
4° les périodes situées au cours d'une période d'inscription comme demandeur d'emploi inoccupé et qui ont donné lieu au paiement d'une allocation en application des dispositions légales ou réglementaires en matière d'assurance obligatoire contre la maladie ou l'invalidité ou en matière d'assurance-maternité;
5° les périodes de bénéfice de l'intégration sociale en application de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale et les périodes d'octroi de l'aide sociale financière aux personnes de nationalité étrangère, inscrites au registre des étrangers, qui en raison de leur nationalité ne peuvent pas prétendre au droit à l'intégration sociale en application de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les centres publics d'aide sociale;
6° les périodes d'occupation en application de l'article 60, § 7 ou 61 de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'aide sociale.
HOOFDSTUK 3. - Toekenningsprocedure
CHAPITRE 3. - Procédure d'octroi
Art. 8. § 1.De sociale onderneming dient een aanvraag bij het bestuurslichaam tot toewijzing van inschakelingsbanen in de sociale economie in als ze zich in een van de situaties bevindt zoals bedoeld in artikelen 2, § 2, 5 of 9 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van [16 mei 2019] betreffende het mandaat en de financiering van de krachtens de ordonnantie betreffende de erkenning en de steun van de sociale ondernemingen erkende sociale ondernemingen. (Rechtzetting, zie B.St. 20-06-2019, p. 63751)
Actiris sluit een overeenkomst met de gemandateerde sociale onderneming waarin met name het type en het aantal gesubsidieerde sociale-economiebetrekkingen worden bepaald waarvoor de premie bedoeld in artikel 2 of 3 verkregen kan worden.
Het aantal gesubsidieerde sociale-economiebetrekkingen vermeld in de overeenkomst mag niet hoger liggen dan 25% van het aantal betrekkingen waarin het inschakelingsprogramma voorziet waarvoor de sociale onderneming gemandateerd is.
§ 2. Overeenkomstig artikel 4 van het besluit van de Europese Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen, moet de overeenkomst gesloten tussen de gemandateerde sociale onderneming en Actiris onder meer de volgende elementen bevatten:
1° de inhoud en de duur van de openbaredienstverplichtingen, zoals bedoeld in artikel 14, § 1 tot 3 van de ordonnantie van 23 juli 2018;
2° de betrokken onderneming en desgevallend het betrokken grondgebied;
3° de aard van alle exclusieve of bijzondere rechten die de onderneming door het toewijzende orgaan zijn verleend;
4° een beschrijving van het compensatiemechanisme en de parameters voor berekening, monitoring en herziening van de compensatie;
5° de regelingen om eventuele overcompensatie te vermijden en terug te vorderen;
6° een verwijzing naar het besluit van de Europese Commissie van 20 december 2011.
Actiris sluit een overeenkomst met de gemandateerde sociale onderneming waarin met name het type en het aantal gesubsidieerde sociale-economiebetrekkingen worden bepaald waarvoor de premie bedoeld in artikel 2 of 3 verkregen kan worden.
Het aantal gesubsidieerde sociale-economiebetrekkingen vermeld in de overeenkomst mag niet hoger liggen dan 25% van het aantal betrekkingen waarin het inschakelingsprogramma voorziet waarvoor de sociale onderneming gemandateerd is.
§ 2. Overeenkomstig artikel 4 van het besluit van de Europese Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen, moet de overeenkomst gesloten tussen de gemandateerde sociale onderneming en Actiris onder meer de volgende elementen bevatten:
1° de inhoud en de duur van de openbaredienstverplichtingen, zoals bedoeld in artikel 14, § 1 tot 3 van de ordonnantie van 23 juli 2018;
2° de betrokken onderneming en desgevallend het betrokken grondgebied;
3° de aard van alle exclusieve of bijzondere rechten die de onderneming door het toewijzende orgaan zijn verleend;
4° een beschrijving van het compensatiemechanisme en de parameters voor berekening, monitoring en herziening van de compensatie;
5° de regelingen om eventuele overcompensatie te vermijden en terug te vorderen;
6° een verwijzing naar het besluit van de Europese Commissie van 20 december 2011.
Art. 8. § 1.La demande d'octroi d'emploi d'insertion en économie sociale est introduite par l'entreprise sociale auprès de l'administration dans le cas où celle-ci se trouve dans l'une des situations visées aux articles 2, § 2, 5 ou 9 de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du [16 mai 2019] relatif au mandat et financement des entreprises sociales agréées en vertu de l'ordonnance relative à l'agrément et au soutien des entreprises sociales. (Avis rectificatif, voir M.B. 20-06-2019, p. 63751)
Actiris conclut une convention avec l'entreprise sociale mandatée stipulant, notamment, le type et le nombre d'emplois subventionnés en économie sociale bénéficiant d'une prime visée à l'article 2 ou 3.
Le nombre d'emploi subventionné en économie sociale mentionné dans la convention ne peut être supérieur à 25 % du nombre d'emplois prévu dans le programme d'insertion pour lequel l'entreprise sociale est mandatée.
§ 2. Conformément à l'article 4 de la décision de la Commission Européenne du 20 décembre 2011 relative à l'application de l'article 106, paragraphe 2, du traité sur le fonctionnement de l'Union Européenne aux aides d'Etat sous forme de compensations de service public octroyées à certaines entreprises chargées de la gestion de services d'intérêt économique général, la convention conclue entre l'entreprise sociale mandatée et Actiris contient notamment les éléments suivants :
1° la nature et la durée des obligations de service public, telles que visées à l'article 14, § 1er à 3 de l'ordonnance du 23 juillet 2018;
2° l'entreprise et, s'il y a lieu, le territoire concerné;
3° la nature de tout droit exclusif ou spécial octroyé à l'entreprise par l'autorité octroyant l'aide;
4° la description du mécanisme de compensation et les paramètres de calcul, de contrôle et de révision de la compensation;
5° les modalités de récupération des éventuelles surcompensations et les moyens d'éviter ces dernières;
6° une référence à la décision de la Commission Européenne du 20 décembre 2011.
Actiris conclut une convention avec l'entreprise sociale mandatée stipulant, notamment, le type et le nombre d'emplois subventionnés en économie sociale bénéficiant d'une prime visée à l'article 2 ou 3.
Le nombre d'emploi subventionné en économie sociale mentionné dans la convention ne peut être supérieur à 25 % du nombre d'emplois prévu dans le programme d'insertion pour lequel l'entreprise sociale est mandatée.
§ 2. Conformément à l'article 4 de la décision de la Commission Européenne du 20 décembre 2011 relative à l'application de l'article 106, paragraphe 2, du traité sur le fonctionnement de l'Union Européenne aux aides d'Etat sous forme de compensations de service public octroyées à certaines entreprises chargées de la gestion de services d'intérêt économique général, la convention conclue entre l'entreprise sociale mandatée et Actiris contient notamment les éléments suivants :
1° la nature et la durée des obligations de service public, telles que visées à l'article 14, § 1er à 3 de l'ordonnance du 23 juillet 2018;
2° l'entreprise et, s'il y a lieu, le territoire concerné;
3° la nature de tout droit exclusif ou spécial octroyé à l'entreprise par l'autorité octroyant l'aide;
4° la description du mécanisme de compensation et les paramètres de calcul, de contrôle et de révision de la compensation;
5° les modalités de récupération des éventuelles surcompensations et les moyens d'éviter ces dernières;
6° une référence à la décision de la Commission Européenne du 20 décembre 2011.
Art. 9. Actiris levert een attest af aan niet-werkende werkzoekenden die voldoen aan een van de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 1, 5°.
De gemandateerde sociale onderneming moet haar werkaanbiedingen aan Actiris bezorgen.
De gemandateerde sociale onderneming vraagt aan Actiris om uiterlijk binnen de twee maanden vanaf de inwerkingtreding van de overeenkomst bedoeld in artikel 8, § 1 kandidaten voor te stellen die voldoen aan de voorwaarden om beschouwd te worden als werkzoekenden die bijzonder ver verwijderd zijn van de arbeidsmarkt.
De gemandateerde sociale onderneming moet haar werkaanbiedingen aan Actiris bezorgen.
De gemandateerde sociale onderneming vraagt aan Actiris om uiterlijk binnen de twee maanden vanaf de inwerkingtreding van de overeenkomst bedoeld in artikel 8, § 1 kandidaten voor te stellen die voldoen aan de voorwaarden om beschouwd te worden als werkzoekenden die bijzonder ver verwijderd zijn van de arbeidsmarkt.
Art. 9. Actiris délivre une attestation au demandeur d'emploi inoccupé remplissant l'une des conditions visées à l'article 1, 5°.
L'entreprise sociale mandatée est tenue de communiquer ses offres d'emploi à Actiris.
L'entreprise sociale mandatée demande à Actiris de proposer, dans un délai de 2 mois maximum à partir de l'entrée en vigueur de la convention visée à l'article 8, § 1er, des candidats répondant aux conditions de demandeur d'emploi particulièrement éloigné du marché du travail.
L'entreprise sociale mandatée est tenue de communiquer ses offres d'emploi à Actiris.
L'entreprise sociale mandatée demande à Actiris de proposer, dans un délai de 2 mois maximum à partir de l'entrée en vigueur de la convention visée à l'article 8, § 1er, des candidats répondant aux conditions de demandeur d'emploi particulièrement éloigné du marché du travail.
Art. 10. Actiris schrapt elke gesubsidieerde sociale-economiebetrekking die zes maanden lang ononderbroken oningevuld blijft.
Actiris stelt de gemandateerde sociale onderneming en het bestuur in kennis van de schrapping van de arbeidsplaatsen.
Actiris stelt de gemandateerde sociale onderneming en het bestuur in kennis van de schrapping van de arbeidsplaatsen.
Art. 10. Tout emploi subventionné en économie sociale non occupé pendant une période de 6 mois ininterrompue est supprimé par Actiris.
Actiris informe l'entreprise sociale mandatée ainsi que l'Administration de la suppression des postes.
Actiris informe l'entreprise sociale mandatée ainsi que l'Administration de la suppression des postes.
Art. 11. Als de onderneming haar mandaat verliest, loopt de uitbetaling van de in artikelen 2 en 3 bedoelde premies af aan het einde van de derde maand die volgt op de maand waarin ze haar mandaat verloor.
Art. 11. En cas de perte du mandat, le paiement des primes visées aux articles 2 et 3 prend fin au plus tard à la fin du troisième mois qui suit le mois de la perte du mandat.
HOOFDSTUK 4. - Betalingsprocedure
CHAPITRE 4. - Procédure de paiement
Art. 12. Om de premie uitbetaald te krijgen, bezorgt de gemandateerde sociale onderneming Actiris binnen de maand waarin de bijzonder ver van de arbeidsmarkt verwijderde werkzoekende wordt aangeworven een kopie van zijn arbeidsovereenkomst alsook het bewijs dat de werknemer een kopie heeft ontvangen van zijn individuele inschakelingsplan, waarvan het model opgesteld is door Actiris, alsook een kopie van het arbeidsreglement.
De arbeidsovereenkomst begint pas te lopen op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin ze is gesloten.
Actiris betaalt driemaandelijks de premie bedoeld in artikel 2 of 3 uit, op basis van de nadere regels bepaald in de overeenkomst bedoeld in artikel 8, § 1.
De gemandateerde sociale onderneming moet Actiris op de hoogte brengen van het vertrek van een aangeworven doelgroepwerknemer of van om het even welke wijziging van diens arbeidsregeling, en dit binnen de vijf werkdagen nadat de verandering plaatsvond.
Als door een vermindering van de arbeidstijd minder dan halftijds wordt gewerkt, verliest de onderneming de premie.
De arbeidsovereenkomst begint pas te lopen op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin ze is gesloten.
Actiris betaalt driemaandelijks de premie bedoeld in artikel 2 of 3 uit, op basis van de nadere regels bepaald in de overeenkomst bedoeld in artikel 8, § 1.
De gemandateerde sociale onderneming moet Actiris op de hoogte brengen van het vertrek van een aangeworven doelgroepwerknemer of van om het even welke wijziging van diens arbeidsregeling, en dit binnen de vijf werkdagen nadat de verandering plaatsvond.
Als door een vermindering van de arbeidstijd minder dan halftijds wordt gewerkt, verliest de onderneming de premie.
Art. 12. Pour obtenir le paiement de la prime, l'entreprise sociale mandatée transmet à Actiris, dans le mois de l'engagement du demandeur d'emploi particulièrement éloigné du marché du travail, une copie de son contrat de travail ainsi que la preuve que le travailleur a reçu copie de son plan d'insertion individuel, dont le modèle est élaboré par Actiris, et copie du règlement de travail.
Le contrat de travail ne prend effet que le premier jour du mois suivant durant lequel il est conclu.
Actiris paie trimestriellement la prime visée à l'article 2 ou 3 sur base des modalités définies dans la convention visée à l'article 8, § 1er.
L'entreprise sociale mandatée avertit Actiris du départ et de toute modification du régime de travail du travailleur du public cible engagé, endéans les cinq jours ouvrables du changement intervenu.
Une diminution du temps de travail en deçà d'une occupation à mi-temps entraine la perte de la prime.
Le contrat de travail ne prend effet que le premier jour du mois suivant durant lequel il est conclu.
Actiris paie trimestriellement la prime visée à l'article 2 ou 3 sur base des modalités définies dans la convention visée à l'article 8, § 1er.
L'entreprise sociale mandatée avertit Actiris du départ et de toute modification du régime de travail du travailleur du public cible engagé, endéans les cinq jours ouvrables du changement intervenu.
Une diminution du temps de travail en deçà d'une occupation à mi-temps entraine la perte de la prime.
HOOFDSTUK 5. - Terugvorderingsprocedure
CHAPITRE 5. - Procédure de recouvrement
Art. 13. De bepalingen uit afdeling 2 en 3 van hoofdstuk IV van het besluit van 14 september 2017 betreffende de activeringsmaatregelen van de werkzoekenden zijn van toepassing op dit besluit.
Art. 13. Les dispositions des Sections 2 et 3 du Chapitre IV de l'arrêté du 14 septembre 2017 relatif aux mesures d'activation des demandeurs d'emploi s'appliquent au présent arrêté.
HOOFDSTUK 6. - Opheffingsbepalingen
CHAPITRE 6. - Dispositions abrogatoires
Art. 14. Worden opgeheven:
1° het koninklijk besluit van 9 juni 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de doorstromingsprogramma's;
2° de artikelen 2, 3, 4 en 4bis van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen;
3° het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die wordt tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma;
4° het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die wordt tewerkgesteld in een sociale inschakelingsinitiatief;
5° het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp die wordt tewerkgesteld in een sociale inschakelingsinitiatief;
6° het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp die wordt tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma;
7° de artikelen 12 en 14 van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen.
1° het koninklijk besluit van 9 juni 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de doorstromingsprogramma's;
2° de artikelen 2, 3, 4 en 4bis van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen;
3° het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die wordt tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma;
4° het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die wordt tewerkgesteld in een sociale inschakelingsinitiatief;
5° het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp die wordt tewerkgesteld in een sociale inschakelingsinitiatief;
6° het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp die wordt tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma;
7° de artikelen 12 en 14 van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen.
Art. 14. Sont abrogés :
1° l'arrêté royal du 9 juin 1997 d'exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, relatif aux programmes de transition professionnelle;
2° les articles 2, 3, 4 et 4bis de l'arrêté royal du 3 mai 1999 portant exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs relatif à la réinsertion de chômeurs très difficiles à placer;
3° l'arrêté royal du 11 juillet 2002 déterminant l'intervention financière du centre public d'aide sociale dans le coût salarial d'un ayant droit à l'intégration sociale mis au travail dans un programme de transition professionnelle;
4° l'arrêté royal du 11 juillet 2002 déterminant l'intervention financière du centre public d'aide sociale dans le coût salarial d'un ayant droit à l'intégration sociale mis au travail dans une initiative d'insertion sociale;
5° l'arrêté royal du 14 novembre 2002 déterminant l'intervention financière du centre public d'aide sociale dans le coût salarial d'un ayant droit à une aide sociale financière mis au travail dans une initiative d'insertion sociale;
6° l'arrêté royal du 14 novembre 2002 déterminant l'intervention financière du centre public d'aide sociale dans le coût salarial d'un ayant droit à une aide sociale financière mis au travail dans un programme de transition professionnelle;
7° les articles 12 et 14 de l'arrêté royal du 16 mai 2003 pris en exécution du Chapitre 7 du Titre IV de la loi-programme du 24 décembre 2002 (I), visant à harmoniser et à simplifier les régimes de réductions de cotisations de sécurité sociale.
1° l'arrêté royal du 9 juin 1997 d'exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, relatif aux programmes de transition professionnelle;
2° les articles 2, 3, 4 et 4bis de l'arrêté royal du 3 mai 1999 portant exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs relatif à la réinsertion de chômeurs très difficiles à placer;
3° l'arrêté royal du 11 juillet 2002 déterminant l'intervention financière du centre public d'aide sociale dans le coût salarial d'un ayant droit à l'intégration sociale mis au travail dans un programme de transition professionnelle;
4° l'arrêté royal du 11 juillet 2002 déterminant l'intervention financière du centre public d'aide sociale dans le coût salarial d'un ayant droit à l'intégration sociale mis au travail dans une initiative d'insertion sociale;
5° l'arrêté royal du 14 novembre 2002 déterminant l'intervention financière du centre public d'aide sociale dans le coût salarial d'un ayant droit à une aide sociale financière mis au travail dans une initiative d'insertion sociale;
6° l'arrêté royal du 14 novembre 2002 déterminant l'intervention financière du centre public d'aide sociale dans le coût salarial d'un ayant droit à une aide sociale financière mis au travail dans un programme de transition professionnelle;
7° les articles 12 et 14 de l'arrêté royal du 16 mai 2003 pris en exécution du Chapitre 7 du Titre IV de la loi-programme du 24 décembre 2002 (I), visant à harmoniser et à simplifier les régimes de réductions de cotisations de sécurité sociale.
Art. 15. In het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering worden de volgende artikelen opgeheven:
1° artikel 78ter;
2° artikel 78sexies;
3° artikel 131quater;
4° artikel 131quinquies.
1° artikel 78ter;
2° artikel 78sexies;
3° artikel 131quater;
4° artikel 131quinquies.
Art. 15. Dans l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage les articles suivants sont abrogés :
1° l'article 78ter;
2° 78sexies;
2° l'article 131quater;
3° l'article 131quinquies.
1° l'article 78ter;
2° 78sexies;
2° l'article 131quater;
3° l'article 131quinquies.
HOOFDSTUK 7. - Overgangsbepalingen
CHAPITRE 7. - Dispositions transitoires
Art. 16. De premies en de toekenningsvoorwaarden waarin artikel 2 voorziet, kunnen vanaf 1 januari 2021 worden toegepast op alle tot 31 december 2020 toegekende gesubsidieerde betrekkingen, op grond van de hieronder vermelde besluiten:
1° het koninklijk besluit van 9 juni 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de doorstromingsprogramma's;
2° het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp die wordt tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma;
3° het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die wordt tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma.
1° het koninklijk besluit van 9 juni 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de doorstromingsprogramma's;
2° het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp die wordt tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma;
3° het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die wordt tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma.
Art. 16. Les primes et les modalités d'octroi prévues à l'article 2 s'appliquent, dès le 1er janvier 2021 à l'ensemble des emplois subventionnés octroyés, jusqu'au 31 décembre 2020, en vertu des arrêtés ci-après : :
1° l'arrêté royal du 9 juin 1997 d'exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, relatif aux programmes de transition professionnelle;
2° l'arrêté royal du 14 novembre 2002 déterminant l'intervention financière du centre public d'aide sociale dans le coût salarial d'un ayant droit à une aide sociale financière mis au travail dans un programme de transition professionnelle.
3° l'arrêté royal du 11 juillet 2002 déterminant l'intervention financière du centre public d'aide sociale dans le coût salarial d'un ayant droit à l'intégration sociale mis au travail dans un programme de transition professionnelle.
1° l'arrêté royal du 9 juin 1997 d'exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, relatif aux programmes de transition professionnelle;
2° l'arrêté royal du 14 novembre 2002 déterminant l'intervention financière du centre public d'aide sociale dans le coût salarial d'un ayant droit à une aide sociale financière mis au travail dans un programme de transition professionnelle.
3° l'arrêté royal du 11 juillet 2002 déterminant l'intervention financière du centre public d'aide sociale dans le coût salarial d'un ayant droit à l'intégration sociale mis au travail dans un programme de transition professionnelle.
Art. 17. De premies en toekenningsvoorwaarden waarin artikel 3 voorziet, kunnen vanaf 1 januari 2021 worden toegepast op alle tot 31 december 2020 toegekende gesubsidieerde betrekkingen, op grond van de hieronder vermelde besluiten:
1° het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen;
2° het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die wordt tewerkgesteld in een sociale inschakelingsinitiatief;
3° het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp die wordt tewerkgesteld in een sociale inschakelingsinitiatief.
In afwijking van het eerste lid wordt een werknemer die op 31 december 2020 ouder is dan 45 gelijkgesteld met de werknemer bedoeld in artikel 3, vierde lid.
1° het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen;
2° het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die wordt tewerkgesteld in een sociale inschakelingsinitiatief;
3° het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp die wordt tewerkgesteld in een sociale inschakelingsinitiatief.
In afwijking van het eerste lid wordt een werknemer die op 31 december 2020 ouder is dan 45 gelijkgesteld met de werknemer bedoeld in artikel 3, vierde lid.
Art. 17. Les primes et les modalités d'octroi prévues à l'article 3 s'appliquent, dès le 1er janvier 2021 à l'ensemble des emplois subventionnés octroyés, jusqu'au 31 décembre 2020, en vertu des arrêtés ci-après :
1° l'arrêté royal du 3 mai 1999 portant exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs relatif à la réinsertion de chômeurs très difficiles à placer;
2° l'arrêté royal du 11 juillet 2002 déterminant l'intervention financière du centre public d'aide sociale dans le coût salarial d'un ayant droit à l'intégration sociale mis au travail dans une initiative d'insertion sociale;
3° l'arrêté royal du 14 novembre 2002 déterminant l'intervention financière du centre public d'aide sociale dans le coût salarial d'un ayant droit à une aide sociale financière mis au travail dans une initiative d'insertion sociale.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le travailleur âgé de plus de 45 ans au 31 décembre 2020 est assimilé au travailleur visé à l'article 3, alinéa 4.
1° l'arrêté royal du 3 mai 1999 portant exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs relatif à la réinsertion de chômeurs très difficiles à placer;
2° l'arrêté royal du 11 juillet 2002 déterminant l'intervention financière du centre public d'aide sociale dans le coût salarial d'un ayant droit à l'intégration sociale mis au travail dans une initiative d'insertion sociale;
3° l'arrêté royal du 14 novembre 2002 déterminant l'intervention financière du centre public d'aide sociale dans le coût salarial d'un ayant droit à une aide sociale financière mis au travail dans une initiative d'insertion sociale.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le travailleur âgé de plus de 45 ans au 31 décembre 2020 est assimilé au travailleur visé à l'article 3, alinéa 4.
Art. 18. Vanaf 1 januari 2021 wordt vrijgesteld van de werkloosheidsperiode bedoeld in artikel 1, 5°, b) de niet-werkende werkzoekende die op 31 december 2020 een arbeidsovereenkomst heeft in het kader van de maatregel van het koninklijk besluit van 9 juni 1997 in uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, inzake de doorstromingsprogramma's of van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 houdende uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, inzake de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werkzoekenden.
[...] Worden gelijkgesteld met een periode van inschrijving als niet-werkende werkzoekende zoals bedoeld in artikel 1, 5°, b), de periodes van tewerkstelling bij een werkgever bedoeld door het koninklijk besluit van 9 juni 1997 in uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, inzake de doorstromingsprogramma's of van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 houdende uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, inzake de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werkzoekenden. (Rechtzetting, zie B.St. 20-06-2019, p. 63751)
[...] Worden gelijkgesteld met een periode van inschrijving als niet-werkende werkzoekende zoals bedoeld in artikel 1, 5°, b), de periodes van tewerkstelling bij een werkgever bedoeld door het koninklijk besluit van 9 juni 1997 in uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, inzake de doorstromingsprogramma's of van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 houdende uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, inzake de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werkzoekenden. (Rechtzetting, zie B.St. 20-06-2019, p. 63751)
Art. 18. A partir du 1er janvier 2021, est dispensé de la période d'inoccupation visée à l'article 1, 5°, b) le demandeur d'emploi inoccupé occupé au 31 décembre 2020 sous contrat de travail dans le cadre du dispositif de l'arrêté royal du 9 juin 1997 d' exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, relatif aux programmes de transition professionnelle ou de l'arrêté royal du 3 mai 1999 portant exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs relatif à la réinsertion de chômeurs très difficiles à placer.
Sont assimilées à la période d'inscription comme demandeur d'emploi inoccupé visé à l'article 1, 5°, b), les périodes d'occupation auprès d'un employeur visé par l'arrêté royal du 9 juin 1997 d'exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, relatif aux programmes de transition professionnelle ou par l'arrêté royal du 3 mai 1999 portant exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs relatif à la réinsertion de chômeurs très difficiles à placer.
Sont assimilées à la période d'inscription comme demandeur d'emploi inoccupé visé à l'article 1, 5°, b), les périodes d'occupation auprès d'un employeur visé par l'arrêté royal du 9 juin 1997 d'exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, relatif aux programmes de transition professionnelle ou par l'arrêté royal du 3 mai 1999 portant exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs relatif à la réinsertion de chômeurs très difficiles à placer.
HOOFDSTUK 8. - Slotbepalingen
CHAPITRE 8. - Dispositions finales
Art. 19. Inwerkingtreding op 1 januari 2021:
1° artikelen 5 en 6 van de ordonnantie van 23 juni 2017 betreffende de tewerkstellingssteun in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
2° dit besluit.
1° artikelen 5 en 6 van de ordonnantie van 23 juni 2017 betreffende de tewerkstellingssteun in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
2° dit besluit.
Art. 19. Entrent en vigueur le 1er janvier 2021:
1° les articles 5 et 6 de l'ordonnance du 23 juin 2017 relative aux aides à l'emploi accessibles en Région de Bruxelles-Capitale;
2° le présent arrêté.
1° les articles 5 et 6 de l'ordonnance du 23 juin 2017 relative aux aides à l'emploi accessibles en Région de Bruxelles-Capitale;
2° le présent arrêté.
Art. 20. De minister bevoegd voor Tewerkstelling wordt belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 20. Le ministre qui a l'Emploi dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.