Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
13 MAART 2019. - Ministerieel besluit houdende de nadere regels over de diverse hoedanigheden van het rechtgevende kind en betreffende de vrijstellingen van de toekenningsvoorwaarden voor de gezinsbijslagen, de startbedragen geboorte en adoptie en de universele participatietoeslagen(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 16-05-2019 en tekstbijwerking tot 21-11-2023)
Titre
13 MARS 2019. - Arrêté ministériel portant les modalités relatives aux diverses qualités de l'enfant bénéficiaire et relatives aux exemptions des conditions d'octroi pour les allocations familiales, les montants initiaux naissance et adoption et les allocations de participation universelles(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 16-05-2019 et mise à jour au 21-11-2023)
Informations sur le document
Info du document
Tekst (5)
Texte (5)
Artikel 1.
Article 1er. Dans le présent arrêté, on entend par :
1° agence : l'agence, visée à l'article 3, § 1er, 4°, du décret du 27 avril 2018 réglant les allocations dans le cadre de la politique familiale ;
2° arrêté du 5 octobre 2018 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 octobre 2018 établissant les diverses qualités de l'enfant bénéficiaire et relatif aux exemptions des conditions d'octroi pour les allocations familiales, les montants initiaux naissance et adoption, et les allocations de participation universelles.
1° agence : l'agence, visée à l'article 3, § 1er, 4°, du décret du 27 avril 2018 réglant les allocations dans le cadre de la politique familiale ;
2° arrêté du 5 octobre 2018 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 octobre 2018 établissant les diverses qualités de l'enfant bénéficiaire et relatif aux exemptions des conditions d'octroi pour les allocations familiales, les montants initiaux naissance et adoption, et les allocations de participation universelles.
Art. 2. In uitvoering van artikel 2, vierde lid, van het besluit van 5 oktober 2018 wordt het kind in de volgende situaties geacht te voldoen aan de voorwaarde van toegelaten of gemachtigd verblijf:
1° [1 het kind dat het slachtoffer is van mensenhandel of -smokkel als vermeld in titel II, hoofdstuk IV, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, geattesteerd door een centrum dat door de federale overheid erkend is en dat gespecialiseerd is in het onthaal van slachtoffers van mensenhandel of -smokkel, en dat recht heeft om voorlopig op het grondgebied te verblijven in afwachting van de definitieve beslissing over de verblijfsaanvraag conform de voormelde wet]1;
2° [1 een niet-begeleide minderjarige vreemdeling die recht heeft om voorlopig op het grondgebied te verblijven in afwachting van de definitieve beslissing over de verblijfsaanvraag conform de voormelde wet. De voormelde niet-begeleide minderjarige vreemdeling voldoet aan de volgende cumulatieve voorwaarden:
a) minderjarig zijn;
b) niet-begeleide minderjarige vreemdeling zijn als vermeld in titel XIII, hoofdstuk VI, artikel 5 of 5/1, van de programmawet (I) van 24 december 2002. Het bewijs dat een minderjarig kind beschouwd kan worden als een niet-begeleide minderjarige vreemdeling wordt geleverd door een attest van de dienst Voogdij, vermeld in titel XIII, hoofdstuk VI, artikel 3, van de programmawet (I) van 24 december 2002, waarmee een voogd voor de niet-begeleide minderjarige vreemdeling wordt aangesteld]1;
3° voor het kind dat niet toegelaten of gemachtigd is in België te verblijven of er zich te vestigen, waarvan één van de ouders Belg is of toegelaten of gemachtigd is in België te verblijven of er zich te vestigen. [1 Als de ouder erkend vluchteling is, wordt het kind geacht te voldoen aan de voorwaarde van toegelaten of gemachtigd verblijf vanaf de datum waarop de beslissing van erkenning van vluchtelingenstatus voor de ouder wordt genomen conform artikel 48/3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.]1
EU-onderdanen en de onderdanen van Noorwegen, IJsland, Liechtenstein en Zwitserland die toegelaten of gemachtigd zijn in België te verblijven of er zich te vestigen, worden beschouwd dat te zijn vanaf de dag van de aanvraag tot inschrijving of de verklaring van inschrijving.
[1 Het eerste lid, 1° en 2°, zoals gewijzigd bij het ministerieel besluit van 31 maart 2022 tot wijziging van artikel 2 van het ministerieel besluit van 13 maart 2019 houdende de nadere regels over de diverse hoedanigheden van het rechtgevende kind en betreffende de vrijstellingen van de toekenningsvoorwaarden voor de gezinsbijslagen, de startbedragen geboorte en adoptie en de universele participatietoeslagen, wat betreft de gelijkstelling met de voorwaarde van toegelaten of gemachtigd verblijf, heeft toepassing met ingang vanaf 1 januari 2019 voor de kinderen die voor 1 april 2022 geen recht op gezinsbijslagen konden geven omdat ze jonger dan twaalf jaar waren en bijgevolg geen attest van immatriculatie konden verkrijgen.]1
[2 4° een pleegkind of pleeggast als vermeld in artikel 2, 8° en 10°, van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg, op voorwaarde dat het pleegkind of de pleeggast langer dan een jaar onafgebroken bij een pleeggezin verblijft.]2
1° [1 het kind dat het slachtoffer is van mensenhandel of -smokkel als vermeld in titel II, hoofdstuk IV, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, geattesteerd door een centrum dat door de federale overheid erkend is en dat gespecialiseerd is in het onthaal van slachtoffers van mensenhandel of -smokkel, en dat recht heeft om voorlopig op het grondgebied te verblijven in afwachting van de definitieve beslissing over de verblijfsaanvraag conform de voormelde wet]1;
2° [1 een niet-begeleide minderjarige vreemdeling die recht heeft om voorlopig op het grondgebied te verblijven in afwachting van de definitieve beslissing over de verblijfsaanvraag conform de voormelde wet. De voormelde niet-begeleide minderjarige vreemdeling voldoet aan de volgende cumulatieve voorwaarden:
a) minderjarig zijn;
b) niet-begeleide minderjarige vreemdeling zijn als vermeld in titel XIII, hoofdstuk VI, artikel 5 of 5/1, van de programmawet (I) van 24 december 2002. Het bewijs dat een minderjarig kind beschouwd kan worden als een niet-begeleide minderjarige vreemdeling wordt geleverd door een attest van de dienst Voogdij, vermeld in titel XIII, hoofdstuk VI, artikel 3, van de programmawet (I) van 24 december 2002, waarmee een voogd voor de niet-begeleide minderjarige vreemdeling wordt aangesteld]1;
3° voor het kind dat niet toegelaten of gemachtigd is in België te verblijven of er zich te vestigen, waarvan één van de ouders Belg is of toegelaten of gemachtigd is in België te verblijven of er zich te vestigen. [1 Als de ouder erkend vluchteling is, wordt het kind geacht te voldoen aan de voorwaarde van toegelaten of gemachtigd verblijf vanaf de datum waarop de beslissing van erkenning van vluchtelingenstatus voor de ouder wordt genomen conform artikel 48/3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.]1
EU-onderdanen en de onderdanen van Noorwegen, IJsland, Liechtenstein en Zwitserland die toegelaten of gemachtigd zijn in België te verblijven of er zich te vestigen, worden beschouwd dat te zijn vanaf de dag van de aanvraag tot inschrijving of de verklaring van inschrijving.
[1 Het eerste lid, 1° en 2°, zoals gewijzigd bij het ministerieel besluit van 31 maart 2022 tot wijziging van artikel 2 van het ministerieel besluit van 13 maart 2019 houdende de nadere regels over de diverse hoedanigheden van het rechtgevende kind en betreffende de vrijstellingen van de toekenningsvoorwaarden voor de gezinsbijslagen, de startbedragen geboorte en adoptie en de universele participatietoeslagen, wat betreft de gelijkstelling met de voorwaarde van toegelaten of gemachtigd verblijf, heeft toepassing met ingang vanaf 1 januari 2019 voor de kinderen die voor 1 april 2022 geen recht op gezinsbijslagen konden geven omdat ze jonger dan twaalf jaar waren en bijgevolg geen attest van immatriculatie konden verkrijgen.]1
[2 4° een pleegkind of pleeggast als vermeld in artikel 2, 8° en 10°, van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg, op voorwaarde dat het pleegkind of de pleeggast langer dan een jaar onafgebroken bij een pleeggezin verblijft.]2
Art. 2. En exécution de l'article 2, alinéa 4, de l'arrêté du 5 octobre 2018, l'enfant est censé remplir la condition de séjour admis ou autorisé dans les situations suivantes :
1° l'enfant victime de la traite ou du trafic d'êtres humains, attesté par un centre agréé par l'autorité fédérale qui est spécialisé dans l'accueil des victimes de la traite d'êtres humains ou résidant sur le territoire au moyen d'une attestation d'immatriculation ;
2° un mineur non accompagné résidant sur le territoire au moyen d'une attestation d'immatriculation ;
3° l'enfant qui n'est pas admis ou autorisé à séjourner ou à s'établir en Belgique et dont l'un des parents est belge ou est admis ou autorisé à séjourner ou à s'établir en Belgique.
Les ressortissants de l'Union européenne et les ressortissants de la Norvège, de l'Islande, du Liechtenstein et de la Suisse qui sont admis ou autorisés à séjourner ou à s'établir en Belgique sont considérés comme tels à compter de la date de la demande d'inscription ou de la déclaration d'inscription.
1° l'enfant victime de la traite ou du trafic d'êtres humains, attesté par un centre agréé par l'autorité fédérale qui est spécialisé dans l'accueil des victimes de la traite d'êtres humains ou résidant sur le territoire au moyen d'une attestation d'immatriculation ;
2° un mineur non accompagné résidant sur le territoire au moyen d'une attestation d'immatriculation ;
3° l'enfant qui n'est pas admis ou autorisé à séjourner ou à s'établir en Belgique et dont l'un des parents est belge ou est admis ou autorisé à séjourner ou à s'établir en Belgique.
Les ressortissants de l'Union européenne et les ressortissants de la Norvège, de l'Islande, du Liechtenstein et de la Suisse qui sont admis ou autorisés à séjourner ou à s'établir en Belgique sont considérés comme tels à compter de la date de la demande d'inscription ou de la déclaration d'inscription.
Art. 3. Het onderzoek, vermeld in artikel 20, § 1, tweede lid, artikel 20, § 4, tweede lid, artikel 26, § 1, tweede lid, artikel 26, § 4, tweede lid, artikel 35, § 1, tweede lid, en artikel 35, § 3, tweede lid, van het besluit van 5 oktober 2018, wordt uitgevoerd door de [1 evaluerend arts van het agentschap Opgroeien of Opgroeien regie]1, vermeld in artikel 1, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2018 betreffende de nadere regels voor het verkrijgen van een zorgtoeslag.
Modifications
Art. 3. L'examen, visé à l'article 20, § 1er, alinéa 2, l'article 20, § 4, alinéa 2, l'article 26, § 1er, alinéa 2, l'article 26, § 4, alinéa 2, l'article 35, § 1er, alinéa 2, et l'article 35, § 3, alinéa 2, de l'arrêté du 5 octobre 2018, est effectué par le médecin évaluateur de " Kind en Gezin " (Enfance et Famille), visé à l'article 1er, 3°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 décembre 2018 concernant les modalités d'obtention d'une allocation de soins.
Art. 4. De algemene vrijstelling, vermeld in artikel 49 van het besluit van 5 oktober 2018, is van toepassing op elk beroepsactief personeelslid van een openbare overheid in België.
Art. 4. L'exemption générale, visée à l'article 49 de l'arrêté du 5 octobre 2018 s'applique à chaque membre du personnel d'une autorité publique en Belgique qui exerce une activité professionnelle.
Art. 5. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2019.
Art. 5. Le présent arrêté produit ses effets le 1er janvier 2019.