Artikel 1. Dit besluit heeft als doel de bijzondere voorwaarden te bepalen voor de erkenning en de subsidiëring van de residentiële diensten voor observatie en oriëntatie, in het kader van de zorg voor kinderen in moeilijkheden en gevaar, zoals bedoeld in de artikelen 20 en 38 van het decreet van 18 januari 2018 houdende het wetboek preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming.
Voor de toepassing van dit besluit, dient te worden verstaan onder:
1° dienst: de residentiële dienst voor observatie en oriëntatie;
2° aantal erkende mandaten: het aantal mandaten dat de dienst tegelijk kan opnemen krachtens zijn erkenning;
3° besluit van 5 december 2018: het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 5 december 2018 betreffende de algemene voorwaarden voor de erkenning en de subsidiëring van de diensten bedoeld bij artikel 139 van het decreet van 18 januari 2018 houdende het wetboek van preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
5 DECEMBER 2018. - Besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap betreffende de bijzondere voorwaarden voor de erkenning en de subsidiëring van residentiële diensten voor observatie en oriëntatie(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 11-01-2019 en tekstbijwerking tot 12-04-2024)
Titre
5 DECEMBRE 2018. - Arrêté du Gouvernement de la Communauté française relatif aux conditions particulières d'agrément et d'octroi des subventions pour les services résidentiels d'observation et d'orientation(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 11-01-2019 et mise à jour au 12-04-2024)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
TITEL I. - Toepassingsgebied en algemene bepali...
TITEL II. - Observatie- en oriëntatieopdracht
HOOFDSTUK 1. - Opdracht
HOOFDSTUK 2. - Subsidiëring
Afdeling 1. - Subsidies voor personeelskosten
Afdeling 2. - Subsidies voor werkingskosten
TITEL III. - Observatie- en oriëntatieopdracht ...
HOOFDSTUK 1. - Opdracht
HOOFDSTUK 2. - Subsidiëring
Afdeling 1. - Subsidies voor personeelskosten
Afdeling 2. - Subsidies voor werkingskosten
TITEL IV. - Opheffings-, overgangs- en slotbepa...
Table des matières
TITRE Ier. - Champ d'application et disposition...
TITRE II. - Mission d'observation et d'orientation
CHAPITRE 1er. - Mission
CHAPITRE 2. - Subventionnement
Section 1ère. - Subventions pour frais de perso...
Section 2. - Subventions pour frais de fonction...
TITRE III. - Mission d'observation et d'orienta...
CHAPITRE 1er. - Mission
CHAPITRE 2. - Subventionnement
Section 1ère. - Subventions pour frais de perso...
Section 2. - Subventions pour frais de fonction...
TITRE IV. - Dispositions abrogatoires, transito...
Tekst (27)
Texte (27)
TITEL I. - Toepassingsgebied en algemene bepalingen
TITRE Ier. - Champ d'application et dispositions générales
Article 1er. Le présent arrêté a pour objet de déterminer les conditions particulières d'agrément et d'octroi des subventions pour les services résidentiels d'observation et d'orientation, dans le cadre de la prise en charge des enfants en difficulté et en danger visés aux articles 20 et 38 du décret du 18 janvier 2018 portant le Code de la prévention, de l'aide à la jeunesse et de la protection de la jeunesse.
Pour l'application du présent arrêté, il faut entendre par :
1° service : le service résidentiel d'observation et d'orientation ;
2° nombre de mandats agréés : le nombre de mandats que le service peut assumer simultanément en vertu de son agrément ;
3° arrêté du 5 décembre 2018 : l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 5 décembre 2018 relatif aux conditions générales d'agrément et d'octroi des subventions pour les services visés à l'article 139 du décret du 18 janvier 2018 portant le Code de la prévention, de l'aide à la jeunesse et de la protection de la jeunesse.
Pour l'application du présent arrêté, il faut entendre par :
1° service : le service résidentiel d'observation et d'orientation ;
2° nombre de mandats agréés : le nombre de mandats que le service peut assumer simultanément en vertu de son agrément ;
3° arrêté du 5 décembre 2018 : l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 5 décembre 2018 relatif aux conditions générales d'agrément et d'octroi des subventions pour les services visés à l'article 139 du décret du 18 janvier 2018 portant le Code de la prévention, de l'aide à la jeunesse et de la protection de la jeunesse.
Art. 2. De residentiële dienst voor observatie en oriëntatie voert ofwel de observatie- en oriëntatieopdracht uit zoals bedoeld in artikel 4, ofwel de observatie- en oriëntatieopdracht ten gunste van mishandelde kinderen zoals bedoeld bij artikel 7.
Art. 2. Le service résidentiel d'observation et d'orientation exécute soit la mission d'observation et d'orientation visée à l'article 4, soit la mission d'observation et d'orientation au bénéfice d'enfants victimes de maltraitances visée à l'article 7.
Art. 3. § 1. Het mandaat verduidelijkt de identiteit van het kind, de opdracht die aan de dienst werd toevertrouwd, de aard van de verleende hulp, de nagestreefde doelstellingen, de motivatie en de duur ervan.
De duur van het mandaat bedraagt maximaal 3 maanden en kan eenmaal worden verlengd als een langere observatieperiode of langer oriëntatiewerk noodzakelijk blijkt of als het opstarten van andere hulpverlening of de toelating van het kind tot een schoolinstelling, na afloop van de opvang van het kind door de dienst, een uitstel vereist.
Een mandaat kan maar op een kind betrekking hebben.
§ 2. De dienst maakt binnen de maand die volgt op de datum van het mandaat een eerste verslag over aan de opdrachtgever. Dit verslag bevat een analyse van de situatie en de eerste elementen van de observatie.
Minstens 5 dagen vóór het einde van het mandaat maakt de dienst een tweede rapport over aan de opdrachtgever. Dit verslag bevat de conclusies van de observatie, de voorstellen inzake oriëntatie of de elementen die een eventuele verlenging van de opvang rechtvaardigen.
In geval van verlenging maakt de dienst minstens 5 dagen vóór het einde van de verlenging een bijkomend verslag over aan de opdrachtgever.
De opdrachtgever kan altijd een bijkomend verslag vragen.
De duur van het mandaat bedraagt maximaal 3 maanden en kan eenmaal worden verlengd als een langere observatieperiode of langer oriëntatiewerk noodzakelijk blijkt of als het opstarten van andere hulpverlening of de toelating van het kind tot een schoolinstelling, na afloop van de opvang van het kind door de dienst, een uitstel vereist.
Een mandaat kan maar op een kind betrekking hebben.
§ 2. De dienst maakt binnen de maand die volgt op de datum van het mandaat een eerste verslag over aan de opdrachtgever. Dit verslag bevat een analyse van de situatie en de eerste elementen van de observatie.
Minstens 5 dagen vóór het einde van het mandaat maakt de dienst een tweede rapport over aan de opdrachtgever. Dit verslag bevat de conclusies van de observatie, de voorstellen inzake oriëntatie of de elementen die een eventuele verlenging van de opvang rechtvaardigen.
In geval van verlenging maakt de dienst minstens 5 dagen vóór het einde van de verlenging een bijkomend verslag over aan de opdrachtgever.
De opdrachtgever kan altijd een bijkomend verslag vragen.
Art. 3. § 1er. Le mandat précise l'identité de l'enfant, la mission confiée au service, la nature de l'aide apportée, les objectifs poursuivis, ses motifs et sa durée.
La durée du mandat est de maximum 3 mois et peut être renouvelée une fois si une période d'observation ou un travail d'orientation plus long s'avèrent nécessaires ou si la mise en oeuvre d'une autre aide ou l'admission de l'enfant dans un établissement scolaire, à l'issue de l'accueil de l'enfant par le service, nécessite un délai.
Un mandat ne peut concerner qu'un seul enfant.
§ 2. Le service adresse un premier rapport à l'autorité mandante dans le mois qui suit la date du mandat. Ce rapport contient une analyse de la situation et les premiers éléments de l'observation.
Le service adresse un second rapport à l'autorité mandante au moins 5 jours avant la fin du mandat. Ce rapport contient les conclusions de l'observation, les propositions d'orientation ou les éléments permettant d'apprécier un éventuel renouvellement de l'accueil.
En cas de renouvellement, le service adresse un rapport complémentaire à l'autorité mandante au moins 5 jours avant la fin du renouvellement.
L'autorité mandante peut en tout temps demander un rapport complémentaire.
La durée du mandat est de maximum 3 mois et peut être renouvelée une fois si une période d'observation ou un travail d'orientation plus long s'avèrent nécessaires ou si la mise en oeuvre d'une autre aide ou l'admission de l'enfant dans un établissement scolaire, à l'issue de l'accueil de l'enfant par le service, nécessite un délai.
Un mandat ne peut concerner qu'un seul enfant.
§ 2. Le service adresse un premier rapport à l'autorité mandante dans le mois qui suit la date du mandat. Ce rapport contient une analyse de la situation et les premiers éléments de l'observation.
Le service adresse un second rapport à l'autorité mandante au moins 5 jours avant la fin du mandat. Ce rapport contient les conclusions de l'observation, les propositions d'orientation ou les éléments permettant d'apprécier un éventuel renouvellement de l'accueil.
En cas de renouvellement, le service adresse un rapport complémentaire à l'autorité mandante au moins 5 jours avant la fin du renouvellement.
L'autorité mandante peut en tout temps demander un rapport complémentaire.
TITEL II. - Observatie- en oriëntatieopdracht
TITRE II. - Mission d'observation et d'orientation
HOOFDSTUK 1. - Opdracht
CHAPITRE 1er. - Mission
Art. 4. Het is de opdracht van de dienst om de collectieve opvang en de opvoeding te organiseren voor 10 tot 15 kinderen die, omwille van hun stoornissen en hun gedragingen, gespecialiseerde hulp buiten hun leefmilieu nodig hebben en voor wie de observatie, de grondige analyse en een specifiek optreden verantwoord zijn omwille van de ernst ervan, teneinde de crisis dankzij een daartoe aangepaste begeleiding te kunnen overwinnen.
De dienst stelt voor elk kind een observatiebalans en een oriëntatieproject op die, indien mogelijk en als het belang van het kind niet in het gedrang komt, de re-integratie van het kind in zijn of haar leefmilieu moeten bevorderen.
De dienst stelt voor elk kind een observatiebalans en een oriëntatieproject op die, indien mogelijk en als het belang van het kind niet in het gedrang komt, de re-integratie van het kind in zijn of haar leefmilieu moeten bevorderen.
Art. 4. Le service a pour mission d'organiser l'accueil collectif et l'éducation de 10 à 15 enfants qui présentent des troubles et des comportements nécessitant une aide spécialisée en dehors de leur milieu de vie et justifiant par leur gravité l'observation, l'analyse approfondie et une action spécifique visant au dépassement de la crise par le biais d'un encadrement adapté à cette fin.
Le service établit pour chaque enfant un bilan d'observation et un projet d'orientation favorisant, si possible et si l'intérêt de l'enfant ne s'y oppose pas, la réinsertion de l'enfant dans son milieu de vie.
Le service établit pour chaque enfant un bilan d'observation et un projet d'orientation favorisant, si possible et si l'intérêt de l'enfant ne s'y oppose pas, la réinsertion de l'enfant dans son milieu de vie.
HOOFDSTUK 2. - Subsidiëring
CHAPITRE 2. - Subventionnement
Afdeling 1. - Subsidies voor personeelskosten
Section 1ère. - Subventions pour frais de personnel
Art. 5. [1 De provisionele jaarlijkse subsidie voor personeelskosten bedoeld in de artikelen 53 tot 55 van het besluit van 5 december 2018 wordt aan de dienst toegekend op basis van de volgende normen inzake personeelsbestand, uitgedrukt in voltijdse equivalenten :
1° erkende dienst voor 10 mandaten :
a) 10 educatief personeel, waarvan 1 coördinator barema A ;
b) 2 psychosociaal personeel;
c) 1 administratief personeel ;
d) 2,5 technisch personeel;
e) 1 directeur barema B ;
2° erkende dienst voor meer dan 10 mandaten, naast de normen die in 1° vastgelegd zijn, per bijkomend mandaat :
a) 0,8 educatief personeel met een barema van opvoeder klasse 1 of klasse 2A ;
b) 0,2 psychosociaal personeel;
c) 0,25 technisch personeel.
In de gevallen bedoeld in artikel 53, § 1, tweede lid, van het besluit van 5 december 2018 kan de directeur, op aanvraag van de inrichtende macht, vervangen worden door een coördinator barema A.".
Voor de erkende diensten voor 10 mandaten kunnen 2 educatieve personeelsleden onder de betrekkingen bedoeld in 1°, a) het voorwerp uitmaken van een toepassing van punt A, 4°, van de bijlage 2 van het kaderbesluit.
Voor de erkende diensten voor 15 mandaten kunnen 3 educatieve personeelsleden onder de betrekkingen bedoeld in 1°, a) het voorwerp uitmaken van een toepassing van punt A, 4°, van de bijlage 2 van het kaderbesluit.
Voor de erkende diensten die op 1 januari 2024 erkend waren voor ten minste 10 mandaten kan 1 educatief personeel onder de betrekkingen bedoeld in 1°, a) het voorwerp uitmaken van een toepassing van punt A, 4°, van de bijlage 2 van het kaderbesluit.
Voor de erkende diensten die op 1 januari 2024 erkend waren voor 20 mandaten kunnen 4 educatieve personeelsleden onder de betrekkingen bedoeld in 1°, a) het voorwerp uitmaken van een toepassing van punt A, 4°, van de bijlage 2 van het kaderbesluit.]1
1° erkende dienst voor 10 mandaten :
a) 10 educatief personeel, waarvan 1 coördinator barema A ;
b) 2 psychosociaal personeel;
c) 1 administratief personeel ;
d) 2,5 technisch personeel;
e) 1 directeur barema B ;
2° erkende dienst voor meer dan 10 mandaten, naast de normen die in 1° vastgelegd zijn, per bijkomend mandaat :
a) 0,8 educatief personeel met een barema van opvoeder klasse 1 of klasse 2A ;
b) 0,2 psychosociaal personeel;
c) 0,25 technisch personeel.
In de gevallen bedoeld in artikel 53, § 1, tweede lid, van het besluit van 5 december 2018 kan de directeur, op aanvraag van de inrichtende macht, vervangen worden door een coördinator barema A.".
Voor de erkende diensten voor 10 mandaten kunnen 2 educatieve personeelsleden onder de betrekkingen bedoeld in 1°, a) het voorwerp uitmaken van een toepassing van punt A, 4°, van de bijlage 2 van het kaderbesluit.
Voor de erkende diensten voor 15 mandaten kunnen 3 educatieve personeelsleden onder de betrekkingen bedoeld in 1°, a) het voorwerp uitmaken van een toepassing van punt A, 4°, van de bijlage 2 van het kaderbesluit.
Voor de erkende diensten die op 1 januari 2024 erkend waren voor ten minste 10 mandaten kan 1 educatief personeel onder de betrekkingen bedoeld in 1°, a) het voorwerp uitmaken van een toepassing van punt A, 4°, van de bijlage 2 van het kaderbesluit.
Voor de erkende diensten die op 1 januari 2024 erkend waren voor 20 mandaten kunnen 4 educatieve personeelsleden onder de betrekkingen bedoeld in 1°, a) het voorwerp uitmaken van een toepassing van punt A, 4°, van de bijlage 2 van het kaderbesluit.]1
Modifications
Art. 5. [1 La subvention annuelle provisionnelle pour frais de personnel visée aux articles 53 à 55 de l'arrêté du 5 décembre 2018 est allouée au service sur la base des normes d'effectif suivantes, exprimées en équivalents temps plein :
1° service agréé pour 10 mandats :
a) 10 personnel éducatif, dont 1 coordinateur barème A ;
b) 2 personnel psycho-social ;
c) 1 personnel administratif ;
d) 2,5 personnel technique ;
e) 1 directeur barème B ;
2° service agréé pour un nombre de mandats supérieur à 10, en plus des normes fixées au 1°, par mandat supplémentaire :
a) 0,8 personnel éducatif au barème éducateur classe 1 ou classe 2A ;
b) 0,2 personnel psycho-social ;
c) 0,25 personnel technique.
Dans les cas visés à l'article 53, § 1er, alinéa 2, de l'arrêté du 5 décembre 2018, le directeur peut, à la demande du pouvoir organisateur, être remplacé par un coordinateur barème A.
Pour les services agréés pour 10 mandats, 2 personnel éducatif parmi les emplois visés au, 1°, a), peuvent faire l'objet d'une application du point A, 4°, de l'annexe 2 de l'arrêté cadre.
Pour les services agréés pour 15 mandats, 3 personnel éducatif parmi les emplois visés au, 1°, a), peuvent faire l'objet d'une application du point A, 4°, de l'annexe 2 de l'arrêté cadre.
Pour les services qui au 1er janvier 2024 étaient agréés pour moins de 10 mandats, 1 personnel éducatif parmi les emplois visés au, 1°, a), peut faire l'objet d'une application du point A, 4°, de l'annexe 2 de l'arrêté cadre.
Pour les services qui au 1er janvier 2024 étaient agréés pour 20 mandats, 4 personnel éducatif parmi les emplois visés au, 1°, a), peuvent faire l'objet d'une application du point A, 4°, de l'annexe 2 de l'arrêté cadre.]1
1° service agréé pour 10 mandats :
a) 10 personnel éducatif, dont 1 coordinateur barème A ;
b) 2 personnel psycho-social ;
c) 1 personnel administratif ;
d) 2,5 personnel technique ;
e) 1 directeur barème B ;
2° service agréé pour un nombre de mandats supérieur à 10, en plus des normes fixées au 1°, par mandat supplémentaire :
a) 0,8 personnel éducatif au barème éducateur classe 1 ou classe 2A ;
b) 0,2 personnel psycho-social ;
c) 0,25 personnel technique.
Dans les cas visés à l'article 53, § 1er, alinéa 2, de l'arrêté du 5 décembre 2018, le directeur peut, à la demande du pouvoir organisateur, être remplacé par un coordinateur barème A.
Pour les services agréés pour 10 mandats, 2 personnel éducatif parmi les emplois visés au, 1°, a), peuvent faire l'objet d'une application du point A, 4°, de l'annexe 2 de l'arrêté cadre.
Pour les services agréés pour 15 mandats, 3 personnel éducatif parmi les emplois visés au, 1°, a), peuvent faire l'objet d'une application du point A, 4°, de l'annexe 2 de l'arrêté cadre.
Pour les services qui au 1er janvier 2024 étaient agréés pour moins de 10 mandats, 1 personnel éducatif parmi les emplois visés au, 1°, a), peut faire l'objet d'une application du point A, 4°, de l'annexe 2 de l'arrêté cadre.
Pour les services qui au 1er janvier 2024 étaient agréés pour 20 mandats, 4 personnel éducatif parmi les emplois visés au, 1°, a), peuvent faire l'objet d'une application du point A, 4°, de l'annexe 2 de l'arrêté cadre.]1
Modifications
Afdeling 2. - Subsidies voor werkingskosten
Section 2. - Subventions pour frais de fonctionnement
Art. 6. De provisionele jaarlijkse subsidie voor werkingskosten, zoals bedoeld in de artikelen 57 tot 61 van het besluit van 5 december 2018, wordt aan de dienst toegekend voor een bedrag van 9.257 euro per erkend mandaat.
Art. 6. La subvention annuelle provisionnelle pour frais de fonctionnement visée aux articles 57 à 61 de l'arrêté du 5 décembre 2018 est allouée au service à concurrence de 9.257 euros par mandat agréé.
TITEL III. - Observatie- en oriëntatieopdracht voor mishandelde kinderen
TITRE III. - Mission d'observation et d'orientation au bénéfice d'enfants victimes de maltraitances
HOOFDSTUK 1. - Opdracht
CHAPITRE 1er. - Mission
Art. 7. Het is de opdracht van de dienst om de collectieve opvang te organiseren voor 12 kinderen die bijzondere en gespecialiseerde, en eventuele dringende, hulp nodig hebben, gezien de mishandeling waarvan ze het slachtoffer zijn geworden of waarvan er wordt vermoed dat deze plaatsvond.
De dringende zorg start binnen de vierentwintig uur na ontvangst van het mandaat.
De dienst draagt ook bij tot de uitwerking en de begeleiding van hulpprojecten die na afloop van de opvang van het kind door de dienst kunnen worden opgestart met het oog op de familiale re-integratie, op een poging tot zelfstandig wonen of op de heroriëntatie van de situatie naar een andere dienst.
De dienst kan eveneens worden verplicht psychosociale en educatieve hulp te verlenen aan personen die instaan voor de huisvesting van het kind.
De dringende zorg start binnen de vierentwintig uur na ontvangst van het mandaat.
De dienst draagt ook bij tot de uitwerking en de begeleiding van hulpprojecten die na afloop van de opvang van het kind door de dienst kunnen worden opgestart met het oog op de familiale re-integratie, op een poging tot zelfstandig wonen of op de heroriëntatie van de situatie naar een andere dienst.
De dienst kan eveneens worden verplicht psychosociale en educatieve hulp te verlenen aan personen die instaan voor de huisvesting van het kind.
Art. 7. Le service a pour mission d'organiser un accueil collectif de 12 enfants qui nécessitent une aide particulière et spécialisée, éventuellement urgente, eu égard aux faits de maltraitance dont ils sont les victimes ou dont on suspecte l'existence.
La prise en charge d'urgence débute dans les vingt-quatre heures de la réception du mandat.
Le service contribue également à l'élaboration et à l'encadrement de projets d'aide pouvant être mis en oeuvre à l'issue de l'accueil de l'enfant par le service en vue de sa réinsertion familiale, d'un essai de vie en résidence autonome ou de l'orientation de la situation vers un autre service.
Le service peut également être tenu d'apporter une aide psycho-socio-éducative aux personnes qui assurent en fait l'hébergement de l'enfant.
La prise en charge d'urgence débute dans les vingt-quatre heures de la réception du mandat.
Le service contribue également à l'élaboration et à l'encadrement de projets d'aide pouvant être mis en oeuvre à l'issue de l'accueil de l'enfant par le service en vue de sa réinsertion familiale, d'un essai de vie en résidence autonome ou de l'orientation de la situation vers un autre service.
Le service peut également être tenu d'apporter une aide psycho-socio-éducative aux personnes qui assurent en fait l'hébergement de l'enfant.
Art. 8. De hulp die de dienst verleent, moet tegemoetkomen aan de sociale, pedagogische, medische, psychologische en juridische aspecten van de verschillende situaties.
Art. 8. L'aide octroyée par le service doit pouvoir rencontrer les aspects sociaux, pédagogiques, médicaux, psychologiques et juridiques des situations.
HOOFDSTUK 2. - Subsidiëring
CHAPITRE 2. - Subventionnement
Afdeling 1. - Subsidies voor personeelskosten
Section 1ère. - Subventions pour frais de personnel
Art. 9. [1 De provisionele jaarlijkse subsidie voor personeelskosten bedoeld in de artikelen 53 tot 55 van het besluit van 5 december 2018 wordt aan de dienst toegekend op basis van de volgende normen inzake personeelsbestand, uitgedrukt in voltijdse equivalenten :
8,5 educatief personeel met een barema van opvoeder klasse 1 of klasse 2A ;
b) 2 psychosociaal personeel, waaronder ten minste 0,5 psychosociaal personeel met een barema van bachelor ;
c) 0,5 administratief personeel;
d) 1,5 technisch personeel;
e) 1 directeur barema B.
In de gevallen bedoeld in artikel 53, § 1, tweede lid, van het besluit van 5 december 2018 kan de directeur, op aanvraag van de inrichtende macht, vervangen worden door een coördinator barema A.".
Onder de betrekkingen bedoeld in 1°, kan 1,5 educatief personeel het voorwerp uitmaken van een toepassing van punt A, 4°, van bijlage 2 van het kaderbesluit.]1
8,5 educatief personeel met een barema van opvoeder klasse 1 of klasse 2A ;
b) 2 psychosociaal personeel, waaronder ten minste 0,5 psychosociaal personeel met een barema van bachelor ;
c) 0,5 administratief personeel;
d) 1,5 technisch personeel;
e) 1 directeur barema B.
In de gevallen bedoeld in artikel 53, § 1, tweede lid, van het besluit van 5 december 2018 kan de directeur, op aanvraag van de inrichtende macht, vervangen worden door een coördinator barema A.".
Onder de betrekkingen bedoeld in 1°, kan 1,5 educatief personeel het voorwerp uitmaken van een toepassing van punt A, 4°, van bijlage 2 van het kaderbesluit.]1
Modifications
Art. 9. [1 La subvention annuelle provisionnelle pour frais de personnel visée aux articles 53 à 55 de l'arrêté du 5 décembre 2018 est allouée au service sur la base des normes d'effectif suivantes, exprimées en équivalents temps plein :
a) 8,5 personnel éducatif au barème éducateur classe 1 ou classe 2A ;
b) 2 personnel psycho-social, dont au moins 0,5 personnel psycho-social au barème bachelier;
c) 0,5 personnel administratif ;
d) 1,5 personnel technique ;
e) 1 directeur barème B.
Dans les cas visés à l'article 53, § 1er, alinéa 2, de l'arrêté du 5 décembre 2018, le directeur peut, à la demande du pouvoir organisateur, être remplacé par un coordinateur barème A.
Parmi les emplois visés au, a), 1,5 personnel éducatif peut faire l'objet d'une application du point A, 4°, de l'annexe 2 de l'arrêté cadre.]1
a) 8,5 personnel éducatif au barème éducateur classe 1 ou classe 2A ;
b) 2 personnel psycho-social, dont au moins 0,5 personnel psycho-social au barème bachelier;
c) 0,5 personnel administratif ;
d) 1,5 personnel technique ;
e) 1 directeur barème B.
Dans les cas visés à l'article 53, § 1er, alinéa 2, de l'arrêté du 5 décembre 2018, le directeur peut, à la demande du pouvoir organisateur, être remplacé par un coordinateur barème A.
Parmi les emplois visés au, a), 1,5 personnel éducatif peut faire l'objet d'une application du point A, 4°, de l'annexe 2 de l'arrêté cadre.]1
Modifications
Afdeling 2. - Subsidies voor werkingskosten
Section 2. - Subventions pour frais de fonctionnement
Art. 10. De provisionele jaarlijkse subsidie voor de werkingskosten zoals bedoeld in de artikelen 57 tot 61 van het besluit van 5 december 2018, die aan de dienst wordt toegekend, bedraagt 59.869 euro.
Art. 10. La subvention annuelle provisionnelle pour frais de fonctionnement visée aux articles 57 à 61 de l'arrêté du 5 décembre 2018 allouée au service est fixée à 59.869 euros.
TITEL IV. - Opheffings-, overgangs- en slotbepalingen
TITRE IV. - Dispositions abrogatoires, transitoires et finales
Art. 11. Het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 15 maart 1999 betreffende de bijzondere voorwaarden voor de erkenning van en de toekenning van toelagen aan de centra voor observatie en oriëntatie, gewijzigd bij de besluiten van 24 maart 2003 en 17 juni 2004, wordt opgeheven.
Het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 15 maart 1999 betreffende de bijzondere voorwaarden voor de erkenning van en de toekenning van toelagen aan de centra voor hulpverlening aan mishandelde kinderen, gewijzigd bij het besluit van 24 maart 2003, wordt opgeheven.
Het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 15 maart 1999 betreffende de bijzondere voorwaarden voor de erkenning van en de toekenning van toelagen aan de centra voor eerste opvang, gewijzigd bij de besluiten van 24 maart 2003 en 17 juni 2004, wordt opgeheven.
Het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 15 maart 1999 betreffende de bijzondere voorwaarden voor de erkenning van en de toekenning van toelagen aan de centra voor hulpverlening aan mishandelde kinderen, gewijzigd bij het besluit van 24 maart 2003, wordt opgeheven.
Het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 15 maart 1999 betreffende de bijzondere voorwaarden voor de erkenning van en de toekenning van toelagen aan de centra voor eerste opvang, gewijzigd bij de besluiten van 24 maart 2003 en 17 juni 2004, wordt opgeheven.
Art. 11. L'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 15 mars 1999 relatif aux conditions particulières d'agrément et d'octroi des subventions pour les centres d'observation et d'orientation, modifié par les arrêtés du 24 mars 2003 et du 17 juin 2004, est abrogé.
L'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 15 mars 1999 relatif aux conditions particulières d'agrément et d'octroi des subventions pour les centres d'aide aux enfants victimes de maltraitances, modifié par l'arrêté du 24 mars 2003, est abrogé.
L'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 15 mars 1999 relatif aux conditions particulières d'agrément et d'octroi des subventions pour les centres de premier accueil, modifié par les arrêtés du 24 mars 2003 et du 17 juin 2004, est abrogé.
L'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 15 mars 1999 relatif aux conditions particulières d'agrément et d'octroi des subventions pour les centres d'aide aux enfants victimes de maltraitances, modifié par l'arrêté du 24 mars 2003, est abrogé.
L'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 15 mars 1999 relatif aux conditions particulières d'agrément et d'octroi des subventions pour les centres de premier accueil, modifié par les arrêtés du 24 mars 2003 et du 17 juin 2004, est abrogé.
Art. 12. De diensten die op datum van inwerkingtreding van dit besluit erkend zijn overeenkomstig de in artikel 11 bedoelde besluiten, zijn van rechtswege erkend op basis van dit besluit, vanaf zijn inwerkingtreding.
De in het eerste lid bedoelde diensten moeten uiterlijk op 31 december 2019 voldoen aan de bijzondere voorwaarden van dit besluit.
De in het eerste lid bedoelde diensten moeten uiterlijk op 31 december 2019 voldoen aan de bijzondere voorwaarden van dit besluit.
Art. 12. Les services qui sont agréés à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté sur la base des arrêtés visés à l'article 11 sont agréés de plein droit sur la base du présent arrêté, à partir de son entrée en vigueur.
Les services visés à l'alinéa 1er se conforment aux conditions particulières du présent arrêté pour le 31 décembre 2019 au plus tard.
Les services visés à l'alinéa 1er se conforment aux conditions particulières du présent arrêté pour le 31 décembre 2019 au plus tard.
Art. 13. Voor de diensten erkend overeenkomstig het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 15 maart 1999 betreffende de bijzondere voorwaarden voor de erkenning van en de toekenning van toelagen aan de centra voor observatie en oriëntatie voor minder dan 10 mandaten en voor de diensten erkend overeenkomstig het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 15 maart 1999 betreffende de bijzondere voorwaarden voor de erkenning van en de toekenning van toelagen aan de centra voor eerste opvang voor meer dan 15 mandaten, zal de erkenning op basis van dit besluit geen aanleiding geven tot een wijziging van het subsidiebedrag voor personeels- en werkingskosten dat aan de dienst werd toegekend.
Art. 13. Pour les services agréés sur la base de l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 15 mars 1999 relatif aux conditions particulières d'agrément et d'octroi des subventions pour les centres d'observation et d'orientation pour moins de 10 mandats et pour les services agréés sur la base de l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 15 mars 1999 relatif aux conditions particulières d'agrément et d'octroi des subventions pour les centres de premier accueil pour plus de 15 mandats, l'agrément sur la base du présent arrêté ne modifie pas le montant des subventions pour frais de personnel et de fonctionnement qui leur sont allouées.
Art. 14. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2019.
Art. 14. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er janvier 2019.
Art. 15. De Minister bevoegd voor preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 15. Le ministre ayant la prévention, l'aide à la jeunesse et la protection de la jeunesse dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.