Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
27 APRIL 2018. - Decreet tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid (het Groeipakketdecreet van 2018)(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 31-07-2018 en tekstbijwerking tot 30-12-2025)
Titre
27 AVRIL 2018. - Décret réglant les allocations dans le cadre de la politique familiale(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 31-07-2018 et mise à jour au 30-12-2025)
Informations sur le document
Numac: 2018040369
Datum: 2018-04-27
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2018040369
Date: 2018-04-27
Moniteur: Voir
Table des matières
Boek 1. - Inleidende bepalingen Boek 2. - Toelagen in het kader van het gezinsb... Deel 1. - Gezinsbijslagen Titel 1. - Rechtgevend kind Titel 2. - Startbedragen HOOFDSTUK 1. - Startbedrag geboorte HOOFDSTUK 2. - Startbedrag adoptie HOOFDSTUK 3. - Gemeenschappelijke bepalingen Titel 3. - Basisbedrag Titel 4. - Zorgtoeslagen HOOFDSTUK 1. - Wezentoeslag HOOFDSTUK 2. - Zorgtoeslag voor kinderen met ee... HOOFDSTUK 3. - Pleegzorgtoeslag Titel 5. - Sociale toeslagen Titel 6. - Universele participatietoeslagen HOOFDSTUK 1. - Universele participatietoeslagen... HOOFDSTUK 2. - Universele participatietoeslagen... HOOFDSTUK 3. - Universele participatietoeslagen... Hoofdstuk 4. [1 Algemene bepaling]1 Titel 7. - Samenloop van gezinsbijslagen Deel 2. - Selectieve participatietoeslagen Titel 1. - Selectieve participatietoeslagen lee... HOOFDSTUK 1. - Rechthebbende leerling HOOFDSTUK 2. - Pedagogische voorwaarden Afdeling 1. - Selectieve participatietoeslagen ... Afdeling 2. - Selectieve participatietoeslag la... Afdeling 3. - Selectieve participatietoeslag se... HOOFDSTUK 3. - Financiële voorwaarden Afdeling 1. - Algemene bepalingen Afdeling 2. - Vaststelling van het gezin waarto... HOOFDSTUK 4. - Bedragen van de selectieve parti... Afdeling 1. - Algemeen Afdeling 2. - Selectieve participatietoeslag ba... Afdeling 3. - Selectieve participatietoeslag se... Titel 2. - Selectieve participatietoeslagen stu... Deel 3. - Andere toelagen Titel 1. - Kinderopvangtoeslag HOOFDSTUK 1. - Rechthebbend kind HOOFDSTUK 2. - Bedrag Titel 2. - Kleutertoeslagen HOOFDSTUK 1. - Rechthebbende leerling HOOFDSTUK 2. - Bedrag Titel 3. [1 - Ondersteuningstoeslag]1 Deel 4. - Begunstigden Titel 1. - Aanwijzing van begunstigden van toel... HOOFDSTUK 1. - Gezinsbijslagen HOOFDSTUK 2. - Selectieve participatietoeslagen... Titel 2. - Uitbetalingsregels voor de toelagen ... HOOFDSTUK 1. - Gezinsbijslagen HOOFDSTUK 2. - Selectieve participatietoeslagen... HOOFDSTUK 3. - Gemeenschappelijke bepalingen Boek 3. - Rechtsbescherming en handhaving Deel 1. - Rechtsbescherming Titel 1. - Rechten en plichten van begunstigden... HOOFDSTUK 1. - Plichten van uitbetalingsactoren HOOFDSTUK 2. - Toekenningsprocedure Afdeling 1. - Verzoeken tot toekenning van toel... Afdeling 2. - Beslissingen en onmiddellijke uit... Onderafdeling 1. - Termijnen Onderafdeling 2. - Motivering, vermeldingen en ... Titel 2. - Ambtshalve en gedwongen herziening v... HOOFDSTUK 1. - Rechtzetting van een foutieve be... HOOFDSTUK 2. - Verjaring HOOFDSTUK 3. - Interest HOOFDSTUK 4. - Terugvordering van onverschuldig... HOOFDSTUK 5. - Geschillencommissie HOOFDSTUK 6. - Betwistingen in rechte Deel 2. - Toezicht, nalevingsondersteuning en h... Titel 1. - Beginselen Titel 2. - Toezicht HOOFDSTUK 1. - De uitoefening van de toezichtst... HOOFDSTUK 2. - Bijzondere bepalingen over het t... Afdeling 1. - Processen-verbaal Onderafdeling 1. - Proces-verbaal van verhoor Onderafdeling 2. - Proces-verbaal van de vastst... Afdeling 2. - Mededeling van de gegevens Afdeling 3. - Preventieve opschorting van de be... Titel 3. - Nalevingsondersteuning en handhaving... HOOFDSTUK 1. - Nalevingsondersteuning Afdeling 1. - Raadgeving Afdeling 2. - Aanmaning HOOFDSTUK 2. - Bestuurlijke maatregelen HOOFDSTUK 3. - Bestuurlijke transactie en bestu... Afdeling 1. - Basisbepalingen Afdeling 2. - Bestuurlijke transactie Afdeling 3. - De exclusieve bestuurlijke geldboete Onderafdeling 1. - Algemeen Onderafdeling 2. - Procedure voor het opleggen ... Onderafdeling 3. - De beslissing Afdeling 4. - De alternatieve bestuurlijke geld... Onderafdeling 1. - Algemeen Onderafdeling 2. - Procedure voor het opleggen ... Onderafdeling 3. - De beslissing Afdeling 5. - Beroep tegen de bestuurlijke geld... Afdeling 6. - Betaling van de bestuurlijke geld... Titel 4. - Nalevingsondersteuning en handhaving... HOOFDSTUK 1. - Aanmaning HOOFDSTUK 2. - Handhavingsmaatregelen Afdeling 1. - Terugvordering, opschorting, verm... Afdeling 2. - Bestuurlijke maatregelen HOOFDSTUK 3. - Bestuurlijke geldboete Afdeling 1. - De exclusieve bestuurlijke geldboete Afdeling 2. - De alternatieve bestuurlijke geld... Afdeling 3. - Algemene bepalingen Titel 5. - Strafbepalingen Titel 6. - Nalevingsondersteuning en handhaving... Boek 4. - Wijzigingsbepalingen Deel 1. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek Deel 2. - Wijzigingen van het decreet van 7 jul... Deel 3. - Wijzigingen aan het decreet van 30 ap... Deel 4. - Wijzigingen aan het decreet van 7 dec... Deel 5. - Wijziging aan het decreet van 8 juli ... Boek 5. - Opheffings-, overgangs- en inwerkings... Deel 1. - Opheffingsbepalingen Deel 2. - Overgangsbepalingen voor de toepassin... Titel 1. - Basisbedragen HOOFDSTUK 1. - Kinderbijslag HOOFDSTUK 2. - Leeftijdsbijslag Titel 2. - Kinderbijslag voor wezen Titel 3. - Zorgtoeslagen HOOFDSTUK 1. - Zorgtoeslag voor kinderen met ee... HOOFDSTUK 2. - Pleegzorgtoeslag HOOFDSTUK 3. - Forfaitaire bijslag voor een kin... Titel 4. - Sociale toeslagen Titel 5. - Begunstigden Titel 6. - Keuze van de uitbetalingsactor Deel 3. - Inwerkingtredingsbepalingen
Table des matières
Livre 1er. - Dispositions introductives Livre 2. - Allocations dans le cadre de la poli... Partie 1. - Allocations familiales Titre 1. - Enfant bénéficiaire Titre 2. - Montants initiaux CHAPITRE 1er. - Montant initial naissance CHAPITRE 2. - Montant initial adoption CHAPITRE 3. - Dispositions communes Titre 3. - Montant de base Titre 4. - Allocations de soins CHAPITRE 1er. - Allocation d'orphelin CHAPITRE 2. - Allocation de soins pour les enfa... CHAPITRE 3. - Allocation de placement familial Titre 5. - Suppléments sociaux Titre 6. - Allocations de participation univers... CHAPITRE 1er. - Allocations de participation un... CHAPITRE 2. - Allocations de participation univ... CHAPITRE 3. - Allocations de participation univ... Chapitre 4. [1 Disposition générale]1 Titre 7. - Concours d'allocations familiales Partie 2. - Allocations de participation sélect... Titre 1. - Allocations de participation sélecti... CHAPITRE 1er. - Elève attributaire CHAPITRE 2. - Conditions pédagogiques Section 1. - Allocations de participation sélec... Section 2. - Allocation de participation sélect... Section 3. - Allocation de participation sélect... CHAPITRE 3. - Conditions financières Section 1. - Dispositions générales Section 2. - Etablissement de la famille à laqu... CHAPITRE 4. - Montants des allocations de parti... Section 1. - Généralités Section 2. - Allocation de participation sélect... Section 3. - Allocation de participation sélect... Titre 2. - Allocations de participation sélecti... Partie 3. - Autres allocations Titre 1. - Allocation pour accueil d'enfants CHAPITRE 1er. - Enfant attributaire CHAPITRE 2. - Montant Titre 2. - Allocations de jeune enfant CHAPITRE 1er. - Elève attributaire CHAPITRE 2. - Montant Titre 3. [1 - Supplément de soutien]1 Partie 4. - Bénéficiaires Titre 1. - Désignation des bénéficiaires des al... CHAPITRE 1er. - Allocations familiales CHAPITRE 2. - Allocations de participation séle... Titre 2. - Règles de paiement pour les allocati... CHAPITRE 1er. - Allocations familiales CHAPITRE 2. - Allocations de participation séle... CHAPITRE 3. - Dispositions communes Livre 3. - Protection juridique et maintien Partie 1. - Protection juridique Titre 1. - Droits et obligations des bénéficiai... CHAPITRE 1er. - Obligations des acteurs de paie... CHAPITRE 2. - Procédure d'octroi Section 1. - Demandes d'octroi d'allocations da... Section 2. - Décisions et exécution immédiate Sous-section 1ère. - Délais Sous-section 2. - Motivation, mentions et notif... Titre 2. - Révision d'office et forcée d'une dé... CHAPITRE 1er. - Rectification d'une décision er... CHAPITRE 2. - Prescription CHAPITRE 3. - Intérêt CHAPITRE 4. - Recouvrement d'allocations indûme... CHAPITRE 5. - Commission de litiges CHAPITRE 6. - Contestations en droit Partie 2. - Surveillance, aide au respect et ma... Titre 1. - Principes Titre 2. - Surveillance CHAPITRE 1er. - L'exercice des tâches de survei... CHAPITRE 2. - Dispositions particulières relati... Section 1. - Procès-verbaux Sous-section 1. - Procès-verbal d'audition Sous-section 2. - Procès-verbal de constatation... Section 2. - Communication des données Section 3. - Suspension préventive du paiement ... Titre 3. - Aide au respect et maintien à l'égar... CHAPITRE 1er. - Aide au respect Section 1. - Conseils Section 2. - Sommation CHAPITRE 2. - Mesures administratives CHAPITRE 3. - Transaction administrative et ame... Section 1. - Dispositions de base Section 2. - Transaction administrative Section 3. - L'amende administrative exclusive Sous-section 1. - Généralités Sous-section 2. - Procédure d'imposition d'une ... Sous-section 3. - La décision Section 4. - L'amende administrative alternative Sous-section 1. - Généralités Sous-section 2. - Procédure d'imposition d'une ... Sous-section 3. - La décision Section 5. - Recours contre l'amende administra... Section 6. - Paiement de l'amende administrative Titre 4. - Aide au respect et maintien à l'égar... CHAPITRE 1er. - Sommation CHAPITRE 2. - Mesures de maintien Section 1. - Recouvrement, suspension, diminuti... Section 2. - Mesures administratives CHAPITRE 3. - Amende administrative Section 1. - L'amende administrative exclusive Section 2. - L'amende administrative alternative Section 3. - Dispositions générales Titre 5. - Dispositions pénales Titre 6. - Aide au respect et maintien à l'égar... Livre 4. - Dispositions modificatives Partie 1. - Modifications du Code judiciaire Partie 2. - Modifications au décret du 7 juille... Partie 3. - Modifications au décret du 30 avril... Partie 4. - Modifications au décret du 7 décemb... Partie 5. - Modification au décret du 8 juillet... Livre 5. - Dispositions abrogatoires, transitoi... Partie 1. - Dispositions abrogatoires Partie 2. - Dispositions transitoires pour l'ap... Titre 1. - Montants de base CHAPITRE 1er. - Allocations familiales CHAPITRE 2. - Supplément d'âge Titre 2. - Allocations familiales pour orphelins Titre 3. - Allocations de soins CHAPITRE 1er. - Allocation de soins pour les en... CHAPITRE 2. - Allocation de placement familial CHAPITRE 3. - Allocation forfaitaire pour un en... Titre 4. - Suppléments sociaux Titre 5. - Bénéficiaires Titre 6. - Choix de l'acteur de paiement Partie 3. - Dispositions d'entrée en vigueur
Tekst (363)
Texte (363)
Boek 1. - Inleidende bepalingen
Livre 1er. - Dispositions introductives
Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid, met uitzondering van artikel 6 dat een gemeenschaps- en een gewestaangelegenheid regelt.
Article 1er. Le présent décret règle une matière communautaire, à l'exception de l'article 6, qui règle une matière communautaire et régionale.
Art.1/1. [1 Dit decreet wordt aangehaald als: het Groeipakketdecreet van 2018.]1
Art.1/1. [1 Le présent décret est cité comme : le décret relatif au Panier de croissance de 2018.]1
Art. 2. Dit decreet is van toepassing onder voorbehoud van de toepassing van de samenwerkingsakkoorden, vermeld in artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en de bepalingen van het Unierecht, internationale verdragen en protocollen.
Het samenwerkingsakkoord van 6 september 2017 tussen de Vlaamse Gemeenschap, het Waalse Gewest, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Duitstalige Gemeenschap betreffende de aanknopingsfactoren, het beheer van de lasten van het verleden, de gegevensuitwisseling inzake de gezinsbijslagen en de praktische regels betreffende de bevoegdheidsoverdracht tussen de kinderbijslagfondsen bepaalt daarbij onder toepassing van artikel 23 van de Grondwet de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap inzake de gezinsbijslagen overeenkomstig de aan-knopingsfactoren in artikel 2 van het betrokken samenwerkingsakkoord.
Nadat de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap werd vastgesteld op basis van het in het tweede lid vermelde samenwerkingsakkoord, zullen de aanwijsregels uit verordening (EG) nr. 883/2004 de samenloop met andere lidstaten van de Europese Unie bepalen.
Art. 2. Le présent décret s'applique sous réserve de l'application des accords de coopération, visés à l'article 92bis de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles et des dispositions du droit de l'Union européenne, des traités et protocoles internationaux.
L'accord de coopération du 6 septembre 2017 entre la Communauté flamande, la Région wallonne, la Commission communautaire commune et la Communauté germanophone concernant les facteurs de rattachement, la gestion des charges du passé, l'échange de données en matière d'allocations familiales et les règles pratiques concernant le transfert de compétences entre les caisses d'allocations familiales établit, en application de l'article 23 de la Constitution, la compétence de la Communauté flamande en matière d'allocations familiales conformément aux facteurs de rattachement dans l'article 2 de l'accord de coopération concerné.
Après l'établissement de la compétence de la Communauté flamande sur la base de l'accord de coopération visé à l'alinéa 2, les règles de détermination du Règlement (CE) n° 883/2004 détermineront le concours avec d'autres Etats membres de l'Union européenne.
Art. 3. § 1. In dit decreet wordt verstaan onder:
1° adoptant: een persoon die een kind adopteert, of echtgenoten of samenwonenden die een kind adopteren;
2° adoptie: de gewone of de volle adoptie, vermeld in boek I, titel VIII, van het Burgerlijk Wetboek;
3° afgevlakte gezondheidsindex: het indexmechanisme, zoals gedefinieerd in artikel 2, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, dat wordt berekend en toegepast conform artikel 2 tot en met 2quater van het voormelde besluit;
4° agentschap: het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor de Uitbetaling van Toelagen in het kader van het Gezinsbeleid, opgericht bij het decreet van 7 juli 2017;
[2 4° /1 agentschap Opgroeien regie: het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid dat is opgericht bij artikel 3 van het decreet van 30 april 2004;]2
5° Algemene kinderbijslagwet: de Algemene kinderbijslagwet van 19 december 1939, zoals die gold op 31 december 2018;
6° bankrekening: een rekening bij een kredietinstelling, zoals gedefinieerd in artikel 1, § 3, eerste lid, van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen, waarvan één begunstigde titularis is of beide begunstigden co-titularis zijn;
7° basisonderwijs: kleuteronderwijs en lager onderwijs als vermeld in het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997;
8° bijslagtrekkende: de natuurlijke of rechtspersoon aan wie de bijslagen in het kader van de kinderbijslagreglementering worden uitbetaald;
[2 8° /1 decreet van 30 april 2004: het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Opgroeien regie;]2
9° decreet van 8 juni 2007: het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, zoals tot op heden gewijzigd;
10° decreet van 7 juli 2017: het decreet van 7 juli 2017 tot oprichting van een publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor de Uitbetaling van Toelagen in het kader van het Gezinsbeleid, tot vaststelling van vergunningsnormen voor private uitbetalingsactoren en tot wijziging van het decreet van 30 april 2004 betreffende de oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin;
11° erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor gewoon of buitengewoon basisonderwijs: een erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor gewoon of buitengewoon basisonderwijs als vermeld in hoofdstuk VII van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997;
12° erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor gewoon of buitengewoon secundair onderwijs: een instelling die structuuronderdelen inricht die voldoen aan het in het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 2010 houdende de codificatie betreffende het secundair onderwijs artikel 13 tot en met artikel 15 gestelde of een instelling die de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs [8 of die de opleiding Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs]8 inricht;
13° externe leerling: de leerling die geen interne leerling is als vermeld in artikel 3, § 1, 21° ;
14° fiscaal ten laste: ten laste volgens artikel 136 tot en met 145 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992;
15° forfaitaire pleegzorgbijslag: de bijslag als een kind bij een particulier geplaatst is door bemiddeling of ten laste van een openbare overheid, vermeld in artikel 70ter van de Algemene kinderbijslagwet en het koninklijk besluit van 11 juni 2003 tot vaststelling van het bedrag en de toekenningsmodaliteiten van de forfaitaire bijslag, vermeld in artikel 70ter van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders;
16° gehuwden:
a) gehuwden;
b) wettelijk samenwonenden overeenkomstig artikel 1476 van het Burgerlijk Wetboek [9 , met uitzondering van degene die wettelijk samenwoont met een ascendent]9;
c) twee personen die hun woonplaats hebben op hetzelfde adres en een of meer gemeenschappelijke kinderen hebben;
d) twee personen die hun woonplaats hebben op hetzelfde adres, waarbij de ene persoon kinderen van de andere persoon fiscaal ten laste neemt;
e) personen van wie de ene persoon met toepassing van artikel 10, 10bis, 40bis of 40ter van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen toelating heeft gekregen om in België te verblijven om een duurzame relatie voort te zetten met een persoon die al over een verblijfsrecht in België beschikt;
17° gezin: leefeenheid waarin verschillende personen op een permanente en affectieve wijze samenwonen. Een gelijkmatig verdeelde huisvesting wordt daaronder begrepen;
18° gezinsbeleid: het gezinsbeleid, vermeld in artikel 5, § 1, II, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, het beleid inzake de gezinsbijslagen, vermeld in artikel 5, § 1, IV, van de voormelde wet, alsook inzake de selectieve participatietoeslagen, vermeld in boek 2, deel 2, van dit decreet;
19° gezinsbijslagen: alle verstrekkingen en uitkeringen die de Vlaamse overheid uitbetaalt om tegemoet te komen in de gezinslasten, die bestaan uit de kosten voor het onderhoud en de opvoeding van de kinderen;
20° hoger onderwijs: hoger onderwijs als vermeld in artikel 5, 16° /1, van het decreet van 8 juni 2007;
21° [1 interne leerling: de volgende leerlingen worden beschouwd als interne leerlingen:
a) de leerling die gedurende het schooljaar in kwestie minstens [3 149 dagen]3 verblijft in een door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd internaat;
b) de leerling die gedurende het schooljaar in kwestie een huurovereenkomst heeft gesloten voor minstens [3 149 dagen]3, voor een woning die zich bevindt op een ander adres dan zijn hoofdverblijfplaats;
c) de leerling die in het buitenland een opleiding volgt;
d) de gehuwde, zelfstandige of alleenstaande leerling;]1

[4 e) de leerling die gedurende het schooljaar in kwestie minstens 149 dagen residentieel verblijft in een door de Vlaamse overheid erkend multifunctioneel centrum voor minderjarige personen met een handicap;]4
22° kleuteronderwijs: het kleuteronderwijs, vermeld in het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997;
23° kleutertoeslagen: toeslagen om de deelname aan het kleuteronderwijs te stimuleren;
24° [2 ...]2
25° kinderbijslag: de maandelijkse kinderbijslag, vermeld in artikel 40 van de Algemene kinderbijslagwet;
26° kinderbijslagreglementering: het geheel van de regelingen inzake de gezinsbijslagen, vastgesteld door of krachtens de Algemene kinderbijslagwet of de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag, alsook alle uitvoeringsbesluiten ervan;
27° kinderbijslag voor wezen: de verhoogde kinderbijslag voor wezen, vermeld in artikel 56bis, § 1, en artikel 50bis van de Algemene kinderbijslagwet en artikel 8, § 1, 2°, van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot uitvoering van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van de gewaarborgde gezinsbijslag, en de gewone wezenbijslag, vermeld in artikel 56bis, § 2, van de Algemene kinderbijslagwet;
28° kinderopvangdag: de opvang van een kind gedurende een bepaald dagdeel;
29° kinderopvangtoeslag: toeslag om de deelname te stimuleren van baby's en peuters aan kinderopvang in een niet-inkomengerelateerde opvangplaats in een vergunde kinderopvanglocatie tot ze naar de kleuterschool gaan;
30° lager onderwijs: het lager onderwijs, vermeld in het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997;
31° leerling: [1 leerling als vermeld in artikel 2, 14°, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding;]1
[6 31° /1 niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning: de zorg en ondersteuning die de duur, intensiteit en frequentie van de rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning overschrijdt;]6
[6 31° /2 ondersteuningstoeslag: een maandelijks bedrag als vermeld in artikel 56/1 waarmee de persoon met een zorgbehoefte, die een duidelijk vast te stellen behoefte aan zorg en ondersteuning heeft, niet-medische hulp- en dienstverlening kan bekostigen;]6
32° ouder: de juridische vader, de juridische moeder of meemoeder, van wie de afstamming met het rechtgevende kind of het rechthebbende kind of de rechthebbende leerling is vastgesteld overeenkomstig titel VII van boek I van het Burgerlijk Wetboek, alsook de adoptant na de adoptie van het kind;
33° private uitbetalingsactor: een private rechtspersoon, vergund met het oog op de uitbetaling van toelagen in het kader van het gezinsbeleid, vermeld in het decreet van 7 juli 2017;
34° rechtgevend kind: een kind dat een recht op gezinsbijslagen doet ontstaan;
35° rechthebbend kind, rechthebbende leerling of student: een kind, leerling of student aan wie de kinderopvangtoeslag, de kleutertoeslag of de selectieve participatietoeslag wordt toegekend;
36° schooljaar: [1 schooljaar als vermeld in artikel 2, 19°, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding]1 ;
37° secundair onderwijs: het onderwijs zoals bedoeld in artikel 3, 37°, van het -besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 2010 houdende de codificatie betreffende het secundair onderwijs;
38° selectieve participatietoeslagen: toeslagen die tot doel hebben een bijdrage te leveren aan de democratisering van het onderwijs, en die worden toegekend aan de leerling ter ondersteuning van zijn deelname aan het onderwijs of aan de student bovenop de studietoelage ter ondersteuning van zijn deelname aan hoger onderwijs;
39° specifieke ondersteuningsbehoefte: de mate waarin een kind behoefte heeft aan specifieke ondersteuning ten gevolge van een aandoening die een beperking met zich meebrengt voor het kind en zijn omgeving;
40° startbedrag adoptie: een eenmalige toelage die uitbetaald wordt naar aanleiding van de adoptie van een rechtgevend kind;
41° startbedrag geboorte: een eenmalige toelage die uitbetaald wordt naar aanleiding van de geboorte van een rechtgevend kind;
42° student: de student, vermeld in artikel 5, 36°, van het decreet van 8 juni 2007;
43° studietoelage: de studietoelage, vermeld in artikel 5, 38°, van het decreet van 8 juni 2007;
44° toelagen in het kader van het gezinsbeleid:
a) de gezinsbijslagen, vermeld in artikel 5, § 1, IV, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980;
b) de selectieve participatietoeslagen;
c) de andere toelagen die de overheid toekent in het kader van het gezinsbeleid, vermeld in artikel 5, § 1, II, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, [6 namelijk de kinderopvangtoeslag, de kleutertoeslagen en de ondersteuningstoeslag]6;
45° uitbetalingsactoren: het agentschap en de private uitbetalingsactoren;
46° universele participatietoeslagen: toeslagen om bij te dragen in de onderhouds- en opvoedingskosten, en, in voorkomend geval, om bij te dragen in de bijkomende kosten die gepaard gaan met de deelname van de kinderen aan het onderwijs;
47° verblijfplaats: de feitelijke plaats waar de persoon gewoonlijk verblijft;
48° vrijstelling: toelating van de decreetgever aan de Vlaamse Regering om het toepassingsgebied van de betrokken regel uit te breiden en waar nodig in overeenstemming te brengen met regels van internationaal recht;
49° woonplaats: de woonplaats, vermeld in artikel 32, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek en, bij gebrek daaraan, de verblijfplaats van de persoon;
50° wees: een rechtgevend kind van wie minstens een van de ouders is overleden of van wie het vermoeden van afwezigheid van minstens een van de ouders is vastgesteld.
§ 2. In boek 2 en boek 5 wordt verstaan onder begunstigde: natuurlijke [5 persoon]5 aan wie toelagen in het kader van het gezinsbeleid worden toegekend.
§ 3. In boek 3 wordt verstaan onder:
1° begunstigde: natuurlijke of rechtspersoon aan wie toelagen in het kader van het gezinsbeleid worden toegekend of uitbetaald;
2° bestuurlijke sanctie: een bestuurlijke maatregel of bestuurlijke geldboete;
3° decreet van 19 januari 2018: het decreet van 19 januari 2018 houdende het overheidstoezicht in het kader van het gezondheids- en het welzijnsbeleid;
4° gezinsinspecteur: een personeelslid van de sociale inspectie- en begeleidingsdienst als vermeld in artikel 23 van het decreet van 7 juli 2017;
5° het bevoegde bestuursorgaan: de afdeling van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor de Uitbetaling van Toelagen in het kader van het Gezinsbeleid door de Vlaamse Regering aangesteld om de naleving van de voorschriften inzake de gezinsbijslagen door de gezinnen te bewaken, en die ervoor bevoegd is om bestuurlijke sancties op te leggen;
6° inbreuk: schending van een voorschrift als vermeld in dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan of in het decreet van 7 juli 2017 en de uitvoeringsbesluiten ervan;
7° kennisgeving: een schriftelijke mededeling met een aangetekende brief of elektronisch, als dat een ontvangstbewijs van de geadresseerde oplevert, of door afgifte tegen ontvangstbewijs;
8° toezichthouder: een gezinsinspecteur of zorginspecteur;
9° zorginspecteur: een personeelslid van Zorginspectie met toezichtsopdracht;
10° [7 Zorginspectie: de afdeling Zorginspectie van het Departement Zorg, vermeld in artikel 23, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie.]7
Art. 3. § 1er. Dans le présent décret, on entend par :
1° adoptant : une personne adoptant un enfant, ou des époux ou cohabitants adoptant un enfant ;
2° adoption : l'adoption simple ou l'adoption plénière, visées au livre I, titre VIII, du Code civil ;
3° indice santé lissé : le mécanisme d'indexation, tel que défini à l'article 2, § 2, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays, qui est calculé et appliqué conformément aux articles 2 à 2quater inclus de l'arrêté précité ;
4° agence : l'agence autonomisée externe de droit public " Vlaams Agentschap voor de Uitbetaling van Toelagen in het kader van het Gezinsbeleid ", (Agence flamande de Paiement des Allocations dans le cadre de la Politique familiale), créée par le décret du 7 juillet 2017 ;
[2 4° /1 agence Grandir régie : l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique, créée par l'article 3 du décret du 30 avril 2004 ;]2
5° Loi générale relative aux allocations familiales : la Loi générale relative aux allocations familiales du 19 décembre 1939, telle qu'elle était en vigueur le 31 décembre 2018 ;
6° compte bancaire : un compte auprès d'un établissement de crédit, tel que défini à l'article 1er, § 3, alinéa 1er, de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse, dont un bénéficiaire est titulaire ou dont les deux bénéficiaires sont co-titulaires ;
7° enseignement fondamental : enseignement maternel et enseignement primaire, tels que visés au décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997 ;
8° allocataire : la personne physique ou morale à laquelle les allocations dans le cadre de la règlementation des allocations familiales sont payées ;
[2 8° /1 décret du 30 avril 2004 : le décret du 30 avril 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique Grandir Régie (" Opgroeien regie ") ;]2
9° décret du 8 juin 2007 : le décret du 8 juin 2007 relatif à l'aide financière aux études de la Communauté flamande, tel qu'il a été modifié à ce jour ;
10° décret du 7 juillet 2017 : le décret du 7 juillet 2017 portant création d'une agence autonomisée externe de droit public " Vlaams Agentschap voor de Uitbetaling van Toelagen in het kader van het Gezinsbeleid " (Agence flamande de Paiement des Allocations dans le cadre de la Politique familiale), établissant des normes d'autorisation pour des acteurs de paiement privés et modifiant le décret du 30 avril 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Kind en Gezin " (Enfance et Famille) ;
11° établissement d'enseignement fondamental ordinaire ou spécial agréé, financé ou subventionné : un établissement d'enseignement fondamental ordinaire ou spécial agréé, financé ou subventionné, tel que visé au chapitre VII du décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997 ;
12° établissement d'enseignement secondaire ordinaire ou spécial agréé, financé ou subventionné : un établissement qui organise des subdivisions structurelles qui répondent aux dispositions des articles 13 à 15 inclus de l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 décembre 2010 portant la codification relative à l'enseignement secondaire, ou un établissement qui organise la formation de nursing de l'enseignement supérieur professionnel[8 ou la formation de Soins infirmiers de base de l'enseignement supérieur professionnel HBO-5]8 ;
13° élève externe : l'élève qui n'est pas d'élève interne tel que visé à l'article 3, § 1er, 21° ;
14° fiscalement à charge : à charge selon les articles 136 à 145 inclus du Code des Impôts sur les Revenus 1992 ;
15° allocation forfaitaire de placement familial : l'allocation si un enfant est placé auprès d'une personne privée par l'intermédiaire ou à charge d'une autorité publique, visée à l'article 70ter de la Loi générale relative aux allocations familiales et à l'arrêté royal du 11 juin 2003 fixant le montant et les modalités d'octroi de l'allocation forfaitaire visée à l'article 70ter des lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés ;
16° époux :
a) des époux ;
b) des cohabitants légaux conformément à l'article 1476 du Code civil [9 , à l'exception de la personne qui cohabite légalement avec un ascendant]9;
c) deux personnes ayant leur résidence à la même adresse et ayant un ou plusieurs enfants communs ;
d) deux personnes ayant leur résidence à la même adresse, dont l'une prend fiscalement à charge les enfants de l'autre personne ;
e) des personnes dont l'une personne, en application de l'article 10, 10bis, 40bis ou 40ter de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, a été autorisée à séjourner en Belgique pour continuer une relation durable avec une personne disposant déjà d'un droit de séjour en Belgique ;
17° famille : unité de vie dans laquelle différentes personnes cohabitent de manière permanente et affective. Cela comprend un logement équitablement réparti ;
18° politique familiale : la politique familiale, visée à l'article 5, § 1er, II, 1°, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, la politique en matière d'allocations familiales, visée à l'article 5, § 1er, IV, de la loi précitée, ainsi que les allocations de participation sélectives, visées au livre 2, partie 2, du présent décret ;
19° allocations familiales : toutes les prestations et allocations que l'Autorité flamande paie à titre d'intervention dans les charges de famille, comprenant les frais de l'entretien et de l'éducation des enfants ;
20° enseignement supérieur : enseignement supérieur tel que visé à l'article 5, 16° /1, du décret du 8 juin 2007 ;
21° [1 élève interne : les élèves suivants sont considérés comme des élèves internes :
a) l'élève qui, pendant l'année scolaire en question, réside au moins [3 149 jours]3 dans un internat financé ou subventionné par la Communauté flamande ;
b) l'élève qui, pendant l'année scolaire en question, a conclu un bail d'au moins [3 149 jours]3 pour un logement qui se trouve à une adresse autre que celle de sa résidence principale ;
c) l'élève qui suit une formation à l'étranger ;
d) l'élève marié, indépendant ou isolé ;]1

[4 e) l'élève qui, pendant l'année scolaire en question, est en séjour résidentiel pendant au moins 149 jours dans un centre multifonctionnel pour personnes handicapées mineures agréé par l'Autorité flamande.]4
22° enseignement maternel : l'enseignement maternel, visé au décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997 ;
23° allocations de jeune enfant : allocations pour encourager la participation à l'enseignement maternel ;
24° [2 ...]2
25° allocations familiales : les allocations familiales mensuelles, visées à l'article 40 de la Loi générale relative aux allocations familiales ;
26° réglementation des allocations familiales : l'ensemble des réglementations relatives aux allocations familiales, établi par ou en vertu de la Loi générale relative aux allocations familiales ou la loi du 20 juillet 1971 instituant des prestations familiales garanties, ainsi que tous leurs arrêtes d'exécution ;
27° allocations familiales pour orphelins : les allocations familiales majorées pour orphelins, visées à l'article 56bis, § 1er, et l'article 50bis de la Loi générale relative aux allocations familiales, et l'article 8, § 1er, 2°, de l'arrêté royal du 25 octobre 1971 portant exécution de la loi du 20 juillet 1971 instituant des prestations familiales garanties, et les allocations d'orphelins ordinaires, visées à l'article 56bis, § 2, de la Loi générale relative aux allocations familiales ;
28° journée d'accueil d'enfant : l'accueil d'un enfant pendant une certaine partie de journée ;
29° allocation pour accueil d'enfants : une allocation pour encourager la participation de bébés et bambins à l'accueil d'enfants dans une place d'accueil non liée au revenu dans un emplacement d'accueil d'enfants autorisé jusqu'à ce qu'ils vont à l'école maternelle ;
30° enseignement primaire : l'enseignement primaire, visé au décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997 ;
31° élève : [1 l'élève visé à l'article 2, 14°, du décret du 27 avril 2018 relatif à l'encadrement des élèves dans l'enseignement fondamental, l'enseignement secondaire et dans les centres d'encadrement des élèves;]1
[6 31° /1 soins et soutien non directement accessibles : les soins et le soutien qui dépassent la durée, l'intensité et la fréquence des soins et du soutien directement accessibles ;]6
[6 31° /2 supplément de soutien : un montant mensuel tel que visé à l'article 56/1 par lequel la personne présentant un besoin de soins, qui a un besoin de soins et de soutien clairement constaté, peut payer de l'aide et des services non médicaux ;]6
32° parent : le père juridique, la mère ou co-mère juridique, dont la filiation avec l'enfant bénéficiaire ou l'enfant attributaire ou l'élève attributaire est établie conformément au titre VII du livre I du Code civil, ainsi que l'adoptant après l'adoption de l'enfant ;
33° acteur de paiement privé : une personne morale privée, autorisée en vue du paiement des allocations dans le cadre de la politique familiale, visée au décret du 7 juillet 2017 ;
34° enfant bénéficiaire : un enfant qui crée un droit aux allocations familiales ;
35° enfant attributaire, élève ou étudiant attributaire : un enfant, élève ou étudiant à qui l'allocation pour accueil d'enfants, l'allocation de jeune enfant ou l'allocation de participation sélective est attribuée ;
36° année scolaire : [1 l'année scolaire visée à l'article 2, 19°, du décret du 27 avril 2018 relatif à l'encadrement des élèves dans l'enseignement fondamental, l'enseignement secondaire et dans les centres d'encadrement des élèves]1 ;
37° enseignement secondaire : l'enseignement tel que visé à l'article 3, 37°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 décembre 2010 portant la codification relative à l'enseignement secondaire ;
38° allocations de participation sélectives : les allocations visant à contribuer à la démocratisation de l'enseignement, qui sont accordées à l'élève à l'appui de sa participation à l'enseignement, ou à l'étudiant en sus de l'allocation d'études à l'appui de sa participation à l'enseignement supérieur ;
39° besoin de soutien spécifique : la mesure dans laquelle un enfant a besoin d'un soutien spécifique suite à une affection qui entraîne une restriction pour l'enfant et son environnement ;
40° montant initial adoption : une allocation unique payée à l'occasion de l'adoption d'un enfant bénéficiaire ;
41° montant initial naissance : une allocation unique payée à l'occasion de la naissance d'un enfant bénéficiaire ;
42° étudiant : l'étudiant visé à l'article 5, 36°, du décret du 8 juin 2007 ;
43° allocation d'études : l'allocation d'études visée à l'article 5, 38°, du décret du 8 juin 2007 ;
44° allocations dans le cadre de la politique familiale :
a) les allocations familiales, visées à l'article 5, § 1er, IV, de la loi spéciale du 8 août 1980 ;
b) les allocations de participation sélectives ;
c) les autres allocations que l'autorité accorde dans le cadre de la politique familiale, visées à l'article 5, § 1er, II, de la loi spéciale du 8 août 1980, [6 à savoir l'allocation pour accueil d'enfants, les allocations de jeune enfant et le supplément de soutien]6 ;
45° acteurs de paiement : l'agence et les acteurs de paiement privés ;
46° allocations de participation universelles : les allocations à titre d'intervention dans les frais de l'entretien et de l'éducation et, le cas échéant, d'intervention dans les frais supplémentaires liés à la participation des enfants à l'enseignement ;
47° résidence : le lieu de fait où la personne réside habituellement ;
48° exemption : l'autorisation du législateur décrétal au Gouvernement flamand d'étendre le champ d'application de la règle concernée et le mettre en concordance, si nécessaire, avec les règles du droit international ;
49° domicile : le domicile visé à l'article 32, 3°, du Code judiciaire et, à défaut de celui-ci, la résidence de la personne ;
50° orphelin : un enfant bénéficiaire dont au moins un des parents est décédé ou dont la présomption d'absence d'au moins un des parents est établie.
§ 2. Dans les livres 2 et 5, on entend par bénéficiaire : la personne physique [5 ...]5 à laquelle les allocations dans le cadre de la politique familiale sont accordées.
§ 3. Dans le livre 3, on entend par :
1° bénéficiaire : la personne physique ou la personne morale à laquelle les allocations dans le cadre de la politique familiale sont accordées ou payées ;
2° sanction administrative : une mesure administrative ou une amende administrative ;
3° décret du 19 janvier 2018 : le décret du 19 janvier 2018 relatif au contrôle public dans le cadre de la politique de la santé et de l'aide sociale ;
4° inspecteur familial : un membre du personnel du service d'inspection sociale et d'encadrement, tel que visé à l'article 23 du décret du 7 juillet 2017 ;
5° l'organe d'administration compétent : la division de l'agence autonomisée externe de droit public " Vlaams Agentschap voor de Uitbetaling van Toelagen in het kader van het Gezinsbeleid ", (Agence flamande de Paiement des Allocations dans le cadre de la Politique familiale), désignée par le Gouvernement flamand pour surveiller le respect des prescriptions relatives aux allocations familiales par les familles, et compétente pour imposer des sanctions administratives ;
6° infraction : une violation d'une prescription telle que visée au présent décret et ses arrêtés d'exécution ou au décret du 7 juillet 2017 et ses arrêtés d'exécution ;
7° notification : une communication écrite par lettre recommandée ou par voie électronique, si celle-ci fournit un récépissé du destinataire, ou par remise contre récépissé ;
8° surveillant : un inspecteur familial ou un inspecteur des soins ;
9° inspecteur des soins : un membre du personnel de l'Inspection des Soins ayant une mission de surveillance ;
10° [7 Inspection des Soins : la division de l'Inspection des Soins du Département Soins, visé à l'article 23, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif à l'organisation de l'Administration flamande.]7
Art. 4. § 1. De bedragen van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid en, in voorkomend geval, de inkomensgrenzen, vermeld in de delen 1 en 3 van boek 2 en deel 2 van boek 5, worden gekoppeld aan de afgevlakte gezondheidsindex.
Die bedragen zijn gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,04 (basis 2013 = 100).
[1 De koppeling aan de afgevlakte gezondheidsindex uit het eerste lid wordt beëindigd vanaf 1 januari 2020.]1
[1 De bedragen van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, en in voorkomend geval, de inkomensgrenzen, vermeld in delen 1 en 3 van boek 2 en deel 2 van boek 5, die ingevolge de koppeling uit het eerste lid en de toepassing van het tweede lid, werden bekomen op 31 december 2019, worden vanaf 1 januari 2020 jaarlijks op 1 september verhoogd met een index van 2 %.]1
[1 In afwijking van het voorgaande lid start de jaarlijkse verhoging met een index van 2 %, zoals opgenomen in het vorige lid, voor het bedrag voor het derde jongste kind en oudere kinderen, vermeld in artikel 210, § 2, tweede lid, en het bedrag van de leeftijdsbijslagen, vermeld in artikel 212, § 1 en § 2, en artikel 213, zoals die voor deze bedragen ingevolge de koppeling uit het eerste lid werden bekomen op 31 december 2019, [4 tot en met 31 december 2024 niet jaarlijks verhoogd met een index van 2%]4.]1
[2 In afwijking van het vierde lid wordt het basisbedrag, vermeld in artikel 13, en het bedrag voor het jongste kind en het tweede jongste kind, vermeld in artikel 210, § 2, tweede lid, waar de evolutie gekoppeld is aan de jaarlijkse verhoging met een index van 2%, zoals bepaald in het vierde lid, [3 op 1 september 2022 en op 1 december 2022]3 verhoogd met een index van 1%.]2
§ 2. Als ingevolge de toepassing van paragraaf 1 de bedragen van de toelagen eindigen op een gedeelte van een cent, wordt het uit te betalen bedrag vastgesteld zonder rekening te houden met het gedeelte van een cent als dat minder dan 0,5 cent bedraagt. Als het gedeelte 0,5 cent of meer bedraagt, wordt het voor een cent gerekend.
De afronding op een cent naar boven of naar beneden wordt gedaan op het totaal uit te betalen bedrag voor het rechtgevende kind, het rechthebbende kind of de rechthebbende leerling.
§ 3. De bedragen en de inkomensgrenzen van de selectieve participatietoeslagen worden geïndexeerd zoals de bedragen, vermeld in artikel 46 van het decreet van 8 juni 2007. De bedragen en inkomensgrenzen die in de artikelen 43, 46, 47 en 48 van dit decreet zijn opgenomen, zijn deze voor het schooljaar 2019-2020.
§ 4. De bedragen bepaald door de Vlaamse Regering in uitvoering van artikel 103, § 2, worden, met toepassing van paragraaf 1, tweede lid, en paragraaf 2, tweede lid, gekoppeld [1 aan de indexmechanismen uit het eerste lid, rekening houdend met de toepassing van het derde lid van de eerste paragraaf, en het vierde lid van de eerste paragraaf.]1
Art. 4. § 1er. Les montants des allocations dans le cadre de la politique familiale et, le cas échéant, les limites de revenus, visées aux parties 1 et 3 du livre 2 et à la partie 2 du livre 5, sont liés à l'indice santé lissé.
Ces montants sont liés à l`indice pivot 103,04 (base 2013 = 100).
[1 La liaison à l'indice santé lissé de l'alinéa 1er est terminée à partir du 1er janvier 2020.]1
[1 Les montants des allocations dans le cadre de la politique familiale, et le cas échéant, les limites de revenu visées aux parties 1 et 3 du livre 2 et la partie 2 du livre 5, qui ont été obtenus le 31 décembre 2019 suite à la liaison visée à l'alinéa 1er et l'application de l'alinéa 2, sont annuellement majorés le 1er septembre d'un indice de 2 % à partir du 1er janvier 2020.]1
[1 Par dérogation à l'alinéa précédent, la majoration annuelle d'un indice de 2 %, telle que reprise à l'alinéa précédent, pour le montant pour le troisième enfant le plus jeune et les enfants plus âgés, visé à l'article 210, § 2, alinéa 2, et le montant des suppléments d'âge visés à l'article 212, §§ 1er et 2, et l'article 213, tels qu'ils ont été obtenus le 31 décembre 2019 pour ces montants suite à la liaison visée à l'alinéa 1er, commence [4 ne sont pas annuellement augmentés d'un indice de 2 % jusqu'au 31 décembre 2024]4.]1
[2 Par dérogation à l'alinéa quatre, le montant de base, visé à l'article 13, et le montant pour l'enfant le plus jeune et le deuxième enfant le plus jeune, visé à l'article 210, § 2, alinéa deux, lorsque l'évolution est liée à l'augmentation annuelle d'un indice de 2 %, tel que prévu à l'alinéa quatre, sont augmentés [3 au 1er septembre 2022 et au 1er décembre 2022]3 d'un indice de 1 %.]2
§ 2. Si, suite à l'application du paragraphe 1er, les montants des allocations se terminent par une partie d'un centime, le montant à payer est fixé sans tenir compte de la partie d'un centime ci celle-ci est inférieure à 0,5 centimes. Si la partie est égale ou supérieure à 0,5 centimes, elle est comptée comme un centime.
L'arrondissement à un centime supérieur ou inférieur est fait sur le montant total à payer pour l'enfant bénéficiaire, l'enfant attributaire ou l'élève attributaire.
§ 3. Les montants et les limites de revenus des allocations de participation sélectives sont indexés comme les montants visés à l'article 46 du décret du 8 juin 2007. Les montants et les limites de revenus repris aux articles 43, 46, 47 et 48 du présent décret, sont ceux pour l'année scolaire 2019-2020.
§ 4. Les montants fixés par le Gouvernement flamand en exécution de l'article 103, § 2, sont liés [1 aux mécanismes d'indexation de l'alinéa 1er, compte tenu de l'application de l'alinéa 3 du paragraphe 1er, et de l'alinéa 4 du paragraphe 1er,]1 en application du paragraphe 1er, alinéa 2, et paragraphe 2, alinéa 2.
Art.4 TOEKOMSTIG RECHT.
§ 1. De bedragen van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid en, in voorkomend geval, de inkomensgrenzen, vermeld in de delen 1 en 3 van boek 2 en deel 2 van boek 5, worden gekoppeld aan de afgevlakte gezondheidsindex.
Die bedragen zijn gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,04 (basis 2013 = 100).
[1 De koppeling aan de afgevlakte gezondheidsindex uit het eerste lid wordt beëindigd vanaf 1 januari 2020.]1
[1 De bedragen van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, en in voorkomend geval, de inkomensgrenzen, vermeld in delen 1 en 3 van boek 2 en deel 2 van boek 5, die ingevolge de koppeling uit het eerste lid en de toepassing van het tweede lid, werden bekomen op 31 december 2019, worden vanaf 1 januari 2020 jaarlijks op 1 september verhoogd met een index van 2 %.]1
[1 In afwijking van het voorgaande lid start de jaarlijkse verhoging met een index van 2 %, zoals opgenomen in het vorige lid, voor het bedrag voor het derde jongste kind en oudere kinderen, vermeld in artikel 210, § 2, tweede lid, en het bedrag van de leeftijdsbijslagen, vermeld in artikel 212, § 1 en § 2, en artikel 213, zoals die voor deze bedragen ingevolge de koppeling uit het eerste lid werden bekomen op 31 december 2019, vanaf 1 september 2025.]1
[2 In afwijking van het vierde lid wordt het basisbedrag, vermeld in artikel 13, en het bedrag voor het jongste kind en het tweede jongste kind, vermeld in artikel 210, § 2, tweede lid, waar de evolutie gekoppeld is aan de jaarlijkse verhoging met een index van 2%, zoals bepaald in het vierde lid, [3 op 1 september 2022 en op 1 december 2022]3 verhoogd met een index van 1%.]2
[4 In afwijking van het vierde lid worden de inkomensgrenzen, vermeld in deel 1 van boek 2 en deel 2 van boek 5, die ingevolge de verhoging uit het vierde lid werden bekomen op 30 september 2022, vanaf 1 september 2023 jaarlijks geïndexeerd op 1 september. De indexering is gelijk aan de procentuele stijging van de gezondheidsindex, voor de maand december van het tweede kalenderjaar dat het jaar van de indexering voorafgaat, ten opzichte van de gezondheidsindex voor de maand december van het derde kalenderjaar dat het jaar van de indexering voorafgaat.]4
§ 2. Als ingevolge de toepassing van paragraaf 1 de bedragen van de toelagen eindigen op een gedeelte van een cent, wordt het uit te betalen bedrag vastgesteld zonder rekening te houden met het gedeelte van een cent als dat minder dan 0,5 cent bedraagt. Als het gedeelte 0,5 cent of meer bedraagt, wordt het voor een cent gerekend.
De afronding op een cent naar boven of naar beneden wordt gedaan op het totaal uit te betalen bedrag voor het rechtgevende kind, het rechthebbende kind of de rechthebbende leerling.
§ 3. De bedragen en de inkomensgrenzen van de selectieve participatietoeslagen worden geïndexeerd zoals de bedragen, vermeld in artikel 46 van het decreet van 8 juni 2007. De bedragen en inkomensgrenzen die in de artikelen 43, 46, 47 en 48 van dit decreet zijn opgenomen, zijn deze voor het schooljaar 2019-2020.
§ 4. De bedragen bepaald door de Vlaamse Regering in uitvoering van artikel 103, § 2, worden, met toepassing van paragraaf 1, tweede lid, en paragraaf 2, tweede lid, gekoppeld [1 aan de indexmechanismen uit het eerste lid, rekening houdend met de toepassing van het derde lid van de eerste paragraaf, en het vierde lid van de eerste paragraaf.]1
Art.4 DROIT FUTUR.
§ 1er. Les montants des allocations dans le cadre de la politique familiale et, le cas échéant, les limites de revenus, visées aux parties 1 et 3 du livre 2 et à la partie 2 du livre 5, sont liés à l'indice santé lissé.
Ces montants sont liés à l`indice pivot 103,04 (base 2013 = 100).
[1 La liaison à l'indice santé lissé de l'alinéa 1er est terminée à partir du 1er janvier 2020.]1
[1 Les montants des allocations dans le cadre de la politique familiale, et le cas échéant, les limites de revenu visées aux parties 1 et 3 du livre 2 et la partie 2 du livre 5, qui ont été obtenus le 31 décembre 2019 suite à la liaison visée à l'alinéa 1er et l'application de l'alinéa 2, sont annuellement majorés le 1er septembre d'un indice de 2 % à partir du 1er janvier 2020.]1
[1 Par dérogation à l'alinéa précédent, la majoration annuelle d'un indice de 2 %, telle que reprise à l'alinéa précédent, pour le montant pour le troisième enfant le plus jeune et les enfants plus âgés, visé à l'article 210, § 2, alinéa 2, et le montant des suppléments d'âge visés à l'article 212, §§ 1er et 2, et l'article 213, tels qu'ils ont été obtenus le 31 décembre 2019 pour ces montants suite à la liaison visée à l'alinéa 1er, commence à partir du 1er septembre 2025.]1
[2 Par dérogation à l'alinéa quatre, le montant de base, visé à l'article 13, et le montant pour l'enfant le plus jeune et le deuxième enfant le plus jeune, visé à l'article 210, § 2, alinéa deux, lorsque l'évolution est liée à l'augmentation annuelle d'un indice de 2 %, tel que prévu à l'alinéa quatre, sont augmentés [3 au 1er septembre 2022 et au 1er décembre 2022]3 d'un indice de 1 %.]2
[4 Par dérogation à l'alinéa 4, les limites de revenus visés à la partie 1 du livre 2 et à la partie 2 du livre 5, qui ont été obtenues le 30 septembre 2022 à la suite de l'augmentation visée à l'alinéa 4, sont indexés chaque année le 1er septembre à partir du 1er septembre 2023. L'indexation est égale à l'augmentation exprimée en pourcentage de l'indice santé, pour le mois de décembre de la deuxième année civile précédant l'année d'indexation, par rapport à l'indice santé du mois de décembre de la troisième année civile précédant l'année d'indexation.]4
§ 2. Si, suite à l'application du paragraphe 1er, les montants des allocations se terminent par une partie d'un centime, le montant à payer est fixé sans tenir compte de la partie d'un centime ci celle-ci est inférieure à 0,5 centimes. Si la partie est égale ou supérieure à 0,5 centimes, elle est comptée comme un centime.
L'arrondissement à un centime supérieur ou inférieur est fait sur le montant total à payer pour l'enfant bénéficiaire, l'enfant attributaire ou l'élève attributaire.
§ 3. Les montants et les limites de revenus des allocations de participation sélectives sont indexés comme les montants visés à l'article 46 du décret du 8 juin 2007. Les montants et les limites de revenus repris aux articles 43, 46, 47 et 48 du présent décret, sont ceux pour l'année scolaire 2019-2020.
§ 4. Les montants fixés par le Gouvernement flamand en exécution de l'article 103, § 2, sont liés [1 aux mécanismes d'indexation de l'alinéa 1er, compte tenu de l'application de l'alinéa 3 du paragraphe 1er, et de l'alinéa 4 du paragraphe 1er,]1 en application du paragraphe 1er, alinéa 2, et paragraphe 2, alinéa 2.
Art. 5. § 1. Als een toelage in het kader van het gezinsbeleid, met uitzondering van de selectieve participatietoeslagen en de kleutertoeslagen, ontstaat of het bedrag ervan wijzigt, ten gevolge van een indexering of ten gevolge van een wijziging bij of krachtens een decreet, geeft het kind recht op het gewijzigde bedrag vanaf de eerste dag van de maand waarin het recht ontstaat, de indexering plaatsvindt of de wijziging in werking treedt.
Als een toelage in het kader van het gezinsbeleid, met uitzondering van de selectieve participatietoeslagen en de kleutertoeslagen, ontstaat of het bedrag ervan wijzigt ten gevolge van een gebeurtenis, geeft het kind recht op de toelage of het gewijzigde bedrag ervan vanaf de eerste dag van de maand waarin de gebeurtenis zich voordoet. Als het kind evenwel stopt recht te geven op een toelage, stopt het kind recht te geven op de toelage op het einde van de maand.
§ 2. De bedragen en de inkomensgrenzen van de selectieve participatietoeslagen gelden voor een volledig school- of academiejaar.
§ 3. De bedragen van de kleutertoeslagen gelden voor een volledig kalenderjaar. Als het bedrag van een kleutertoeslag wijzigt ten gevolge van een indexering, heeft het kind recht op het gewijzigde bedrag vanaf het begin van het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar waarin de indexering plaatsvindt.
Art. 5. § 1er. Si une allocation dans le cadre de la politique familiale, à l'exception des allocations de participation sélectives et des allocations de jeune enfant, naît ou son montant est modifié, suite à une indexation ou une modification par ou en vertu d'un décret, l'enfant donne droit au montant modifié à partir du premier jour du mois pendant lequel le droit naît, l'indexation a lieu ou la modification entre en vigueur.
Si une allocation dans le cadre de la politique familiale, à l'exception des allocations de participation sélectives et des allocations de jeune enfant, naît ou son montant est modifié suite à un événement, l'enfant donne droit à l'allocation ou à son montant modifié à partir du premier jour du mois pendant lequel l'événement se produit. Si l'enfant cesse toutefois de donner droit à une allocation, il cesse de donner droit à l'allocation à la fin du mois.
§ 2. Les montants et les limites de revenus des allocations de participation sélectives valent pour une année scolaire ou académique entière.
§ 3. Les montants des allocations de jeune enfant valent pour une année calendaire entière. Si le montant d'une allocation de jeune enfant est modifié suite à une indexation, l'enfant a droit au montant modifié à partir du début de l'année calendaire qui suit l'année calendaire pendant laquelle l'indexation a lieu.
Art. 6. De toelagen in het kader van het gezinsbeleid, toegekend overeenkomstig de bepalingen van dit decreet, maken geen deel uit van beroepsinkomsten noch van een andere vorm van inkomsten, zoals die worden vastgesteld binnen het kader van een bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest.
De toelagen in het kader van het gezinsbeleid worden evenmin in aanmerking genomen voor de berekening van inkomensgrenzen binnen het kader van een bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest, ongeacht of die inkomensgrenzen worden opgelegd door een decreet van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest dan wel door een besluit van de Vlaamse Regering.
Voor de toepassing van dit artikel worden toelagen met hetzelfde doel die toegekend zijn op basis van een andere regelgeving, gelijkgesteld met de toelagen in het kader van het gezinsbeleid.
Art. 6. Les allocations dans le cadre de la politique familiale, accordées conformément aux dispositions du présent décret, ne font pas partie des revenus professionnels, ni d'une autre forme de revenus, tels qu'établis dans le cadre d'une compétence de la Communauté flamande ou de la Région flamande.
Les allocations dans le cadre de la politique familiale ne sont pas non plus prises en considération pour le calcul des limites de revenus dans le cadre d'une compétence de la Communauté flamande ou de la Région flamande, que ces limites de revenus soient imposées par un décret de la Communauté flamande ou de la Région flamande ou par un arrêté du Gouvernement flamand.
Pour l'application du présent article, les allocations ayant le même objectif qui sont accordées sur la base d'une autre réglementation, sont assimilées aux allocations dans le cadre de la politique familiale.
Art. 7. § 1. [1 Het agentschap Opgroeien regie, de geschillencommissie, het agentschap, de uitbetalingsactoren, de organisatoren kinderopvang en het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming verwerken alle noodzakelijke persoonsgegevens, waaronder persoonsgegevens over de gezondheid en gerechtelijke gegevens, over de rechtgevende en de rechthebbende kinderen, leerlingen en studenten, de bijslagtrekkenden of de begunstigden en hun gezin, om hun taken uit te voeren in het kader van dit decreet, het decreet van 7 juli 2017 en het decreet van 30 april 2004.]1
§ 2. Het agentschap en de uitbetalingsactoren verwerken met het oog op de vaststelling van het recht op toelagen in het kader van het gezinsbeleid, de berekening en de toekenning van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid de volgende categorieën van persoonsgegevens:
1° identificatiegegevens;
2° financiële bijzonderheden;
3° persoonlijke kenmerken;
4° de samenstelling van het gezin;
5° gegevens over kinderopvang;
6° gegevens over pleegzorg en adoptie;
7° opleiding en vorming;
8° beroepsmatige of gelijkgestelde situaties, alsook gegevens met betrekking tot de sociale zekerheid;
9° gegevens over de lichamelijke en de psychische gezondheid;
10° gegevens over gerechtelijke maatregelen;
11° gegevens over de plaatsing, overeenkomstig artikel 68 van dit decreet;
[2 12° gegevens over de niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning.]2
Het agentschap en de uitbetalingsactoren zijn, elk wat hen betreft, verwerkingsverantwoordelijke voor bovenvermelde persoonsgegevens die zij verwerken.
§ 3. Het agentschap verwerkt de in de tweede paragraaf vermelde categorieën persoonsgegevens met het oog op de uitoefening van het toezicht en de handhaving, vermeld in boek 3, deel 2.
Het agentschap is verwerkingsverantwoordelijke voor de persoonsgegevens die ze in het kader van het toezicht en de handhaving verwerkt.
§ 4. [1 Het agentschap Opgroeien regie verwerkt de categorieën van persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 2, in het kader van zijn opdracht, vermeld in artikel 7/1, eerste lid, 4°, van het decreet van 30 april 2004.
Het agentschap Opgroeien regie verwerkt identificatiegegevens met het oog op het beheer van het kadaster van toelagen in het kader van het gezinsbeleid, vermeld in artikel 7/1, eerste lid, 5°, van het decreet van 30 april 2004.
Het agentschap Opgroeien regie is de verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerkingen, vermeld in het eerste en tweede lid.]1

§ 5. De geschillencommissie verwerkt de in de tweede paragraaf vermelde categorieën persoonsgegevens met het oog op de behandeling van de beroepen die bij haar worden ingesteld overeenkomstig artikel 104 van dit decreet.
[3 Het agentschap Opgroeien regie]3 is de verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens door de geschillencommissie.
§ 6. De organisatoren kinderopvang verwerken de in de tweede paragraaf, 1° en 5°, vermelde categorieën persoonsgegevens met het oog op de toekenning van de kinderopvangtoeslag, vermeld in artikel 51 en 52.
§ 7. Het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming verwerkt de in de tweede paragraaf, 1° en 7°, vermelde categorieën persoonsgegevens met het oog op de vaststelling van het recht op toelagen in het kader van het gezinsbeleid, de berekening en de toekenning van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid.
§ 8. De Vlaamse Regering legt, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, nadere regels vast voor de verwerking van de persoonsgegevens en bepaalt welke persoonsgegevens relevant zijn voor de uitbetaling van welke toelage.
§ 9. Informatiegegevens verkregen in het kader van de toepassing van dit decreet en van het decreet van 7 juli 2017, waaronder ook persoonsgegevens als vermeld in paragraaf 2, verkregen bij een authentieke bron, en toegevoegd aan het elektronisch dossier, hebben bewijskracht tot bewijs van het tegendeel. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden en de nadere regels voor de bewaring van die informatiegegevens opdat hun bewijskracht naar herkomst en datum vaststaat.
§ 10. Elektronische formulieren, ter beschikking gesteld door het agentschap of [1 het agentschap Opgroeien regie]1 in het kader van de toepassing van dit decreet en van het decreet van 7 juli 2017, alsook de weergave ervan op een leesbare drager, hebben dezelfde bewijswaarde als papieren formulieren met dezelfde titel, op voorwaarde dat ze ingevuld, gevalideerd en bezorgd worden overeenkomstig de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt.
Fotografische of elektronische afschriften van documenten, bewaard door de uitbetalingsactoren, door het agentschap, door [1 het agentschap Opgroeien regie]1 of door de geschillencommissie, hebben, behoudens bewijs van het tegendeel, dezelfde bewijswaarde als de originele documenten, indien zij door deze instanties of onder hun controle werden verwerkt.
§ 11. De persoonsgegevens, vermeld in de tweede paragraaf, worden door de uitbetalingsactoren bewaard tot vijf jaar na de afsluiting van het gezinsdossier.
De Vlaamse Regering kan voor rechtgevende kinderen die onder toepassing van artikel 210, § 1, of titel 2 van deel 2 van boek 5 vallen afwijkingen op het eerste lid voorzien.
Art. 7. § 1er. [1 L'agence Grandir régie, la commission de litiges, l'agence, les acteurs de paiement, les organisateurs d'accueil d'enfants et le Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation traitent toutes les données à caractère personnel nécessaires, y compris les données personnelles relatives à la santé et les données judiciaires, sur les enfants bénéficiaires et les enfants, élèves et étudiants attributaires, les allocataires ou les bénéficiaires et leur famille afin de pouvoir exécuter leurs tâches dans le cadre du présent décret, du décret du 7 juillet 2017 et du décret du 30 avril 2004.]1
§ 2. En vue de la détermination du droit aux allocations dans le cadre de la politique familiale, du calcul et de l'octroi des allocations dans le cadre de la politique familiale, l'agence et les acteurs de paiement traitent les catégories suivantes de données personnelles :
1° les données d'identification ;
2° les particularités financières ;
3° les caractéristiques personnelles ;
4° la composition de la famille ;
5° les données relatives à l'accueil d'enfants ;
6° les données relatives au placement familial et à l'adoption ;
7° la formation et l'éducation ;
8° les situations professionnelles ou assimilées, ainsi que les données relatives à la sécurité sociale ;
9° les données relatives à la santé physique et psychique ;
10° les données relatives aux mesures judiciaires ;
11° les données sur le placement, conformément à l'article 68 du présent décret;
[2 12° les données relatives aux soins et au soutien non directement accessibles.]2
L'agence et les acteurs de paiement sont, chacun en ce qui le concerne, responsables du traitement des données personnelles précitées.
§ 3. L'agence traite les catégories de données personnelles visées au paragraphe 2 en vue de l'exercice de la surveillance et du maintien, visés au livre 3, partie 2.
L'agence est responsable du traitement des données personnelles dans le cadre de la surveillance et du maintien.
§ 4. [1 L'agence Grandir régie traite les catégories de données à caractère personnel, visées au paragraphe 2, dans le cadre de sa mission visée à l'article 7/1, alinéa 1er, 4°, du décret du 30 avril 2004.
L'agence Grandir régie traite les données d'identification en vue de la gestion du cadastre des allocations dans le cadre de la politique familiale, visée à l'article 7/1, alinéa 1er, 5°, du décret du 30 avril 2004.
L'agence Grandir régie est le responsable des traitements visés aux alinéas 1er et 2.]1

§ 5. La commission de litiges traite les catégories de données personnelles visées au paragraphe 2 en vue du traitement des recours dont elle est saisie conformément à l'article 104 du présent décret.
[3 L'agence Grandir régie]3 est responsable du traitement des données personnelles par la commission de litiges.
§ 6. Les organisateurs d'accueil d'enfants traitent les catégories de données personnelles visées au paragraphe 2, 1° et 5°, en vue de l'octroi de l'allocation pour accueil d'enfants, visée aux articles 51 et 52.
§ 7. Le Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation traite les catégories de données personnelles visées au paragraphe 2, 1° et 7°, en vue de la détermination du droit aux allocations dans le cadre de la politique familiale, du calcul et de l'octroi des allocations dans le cadre de la politique familiale.
§ 8. Après l'avis de la Commission de la protection de la vie privée, le Gouvernement flamand arrête des modalités relatives au traitement des données à caractère personnel et détermine les données personnelles qui sont pertinentes pour le paiement des différentes allocations.
§ 9. Les informations obtenues dans le cadre de l'application du présent décret et du décret du 7 juillet 2017, y compris les données à caractère personnel telles que visées au paragraphe 2, obtenues d'une source authentique et ajoutées au dossier électronique, font foi jusqu'à preuve du contraire. Le Gouvernement flamand arrête les conditions et les modalités pour la conservation de ces informations pour que leur force probante est établie quant à l'origine et la date.
§ 10. Les formulaires électroniques, mis à la disposition par l'agence ou [1 l'agence Grandir régie]1 dans le cadre de l'application du présent décret et du décret du 7 juillet 2017, ainsi que leur reproduction sur un support lisible, ont la même valeur probante que les formulaires sur papier portant le même titre, à condition qu'ils sont complétés, validés et transmis conformément aux conditions fixées par le Gouvernement flamand.
Les copies photographiques ou électroniques de documents, conservés par les acteurs de paiement, par l'agence, par [1 l'agence Grandir régie]1 ou par la commission de litiges, ont, jusqu'à preuve du contraire, la même valeur probante que les documents originaux s'ils ont été traités par ces instances ou sous leur contrôle.
§ 11. Les données à caractère personnel, visées au paragraphe 2, sont conservées par les acteurs de paiement jusqu'à cinq ans après la clôture du dossier de famille.
Pour les enfants bénéficiaires qui relèvent de l'application de l'article 210, § 1er, ou titre 2 de la partie 2 du livre 5, le Gouvernement flamand peut prévoir des dérogations à l'alinéa 1er.
Boek 2. - Toelagen in het kader van het gezinsbeleid
Livre 2. - Allocations dans le cadre de la politique familiale
Deel 1. - Gezinsbijslagen
Partie 1. - Allocations familiales
Titel 1. - Rechtgevend kind
Titre 1. - Enfant bénéficiaire
Art. 8. § 1. Een kind geeft recht op gezinsbijslagen als het:
1° zijn woonplaats heeft in het Nederlandse taalgebied. Het kind van wie het bewijs niet geleverd wordt dat het de Belgische nationaliteit bezit, moet toegelaten of gemachtigd zijn om in het Rijk te verblijven of er zich te vestigen overeenkomstig de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; [1 Voor de toepassing van dit decreet vormt een attest van immatriculatie geen toelating of machtiging in de zin van deze bepaling.]1
2° verdwenen of ontvoerd is en voldoet aan de voorwaarden, vermeld in punt 1°, op het moment van de verdwijning of ontvoering.
Onder kind dat verdwenen is, moet worden verstaan het kind dat onvrijwillig niet langer op zijn woonplaats verblijft, en over wie er geen nieuws is, behalve als blijkt dat het kind, naar alle waarschijnlijkheid, overleden is in omstandigheden zoals een ongeval of een ramp, zelfs als het lichaam niet is teruggevonden. De verdwijning kan bewezen worden met alle rechtsmiddelen. Het kind dat door een van de ouders is meegenomen, wordt niet als verdwenen kind beschouwd.
Onder kind dat het voorwerp uitmaakt van een ontvoering moet worden verstaan het kind dat met een handeling wederrechtelijk onttrokken wordt aan het gezag van één ouder of van beide ouders, van vader of moeder, of van de persoon die de begunstigde was onmiddellijk voor die handeling, overeenkomstig dit decreet, of aan het gezag van de instelling waar het kind door bemiddeling of ten laste van een openbare overheid geplaatst was, als de handeling:
a) het voorwerp uitmaakt van een klacht of van een aangifte bij de politie, het parket of de Belgische overheden die bevoegd zijn inzake de ontvoering van kinderen; en
b) betrekking heeft op een kind van minder dan achttien jaar oud.
De Vlaamse Regering kan algemene vrijstellingen van het eerste lid, 1°, bepalen.
Een persoon die over een verblijfsrecht beschikt omdat hij gemachtigd is in België te verblijven om er te studeren of een beroepsopleiding te volgen, om er vrijwilligerswerk uit te oefenen of om er als au-pairjongere te werken, geeft geen recht op gezinsbijslagen. De kinderen van die personen die voldoen aan de voorwaarden van het eerste lid, geven wel recht op gezinsbijslagen.
De gezinsbijslag wordt in het geval, vermeld in het eerste lid, 2°, toegekend overeenkomstig de door de Vlaamse Regering bepaalde voorwaarden.
§ 2. Het kind, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, geeft recht op gezinsbijslagen:
1° tot en met de maand waarin het 18 jaar wordt;
2° tot en met de maand waarin het 21 jaar wordt als het een specifieke ondersteuningsbehoefte heeft als vermeld in artikel 16;
3° tot en met de maand waarin het kind 25 jaar wordt als het leerling, student, stagiair of schoolverlater is, overeenkomstig de door de Vlaamse Regering bepaalde voorwaarden en met behoud van de toepassing van punt 1° en 2° ;
4° zonder leeftijdsbeperking voor de toepassing van boek 5, deel 2, als het ten minste 21 jaar oud was op 1 juli 1987 en behoort tot een van de categorieën, vermeld in artikel 63, eerste lid, 2°, van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, zoals dat gold vóór de wijziging door de wet van 29 december 1990.
De gezinsbijslag wordt in de gevallen, vermeld in het eerste lid, 2°, 3° en 4°, toegekend overeenkomstig de door de Vlaamse Regering bepaalde voorwaarden.
De Vlaamse Regering kan bepaalde categorieën van kinderen die vóór 1 januari 2019 recht hadden op kinderbijslag of toeslagen op basis van de kinderbijslagreglementering, en die uitgesloten worden van dat recht door de toepassing van het eerste lid, recht geven op gezinsbijslagen.
§ 3. De gezinsbijslagen zijn niet verschuldigd voor de kinderen die worden opgevoed of lessen volgen buiten België.
De Vlaamse Regering kan algemene vrijstellingen van het vorige lid verlenen.
Art. 8. § 1er. Un enfant donne droit à des allocations familiales si :
1° sa résidence se situe en région de langue néerlandaise. L'enfant dont la preuve n'est pas fournie qu'il a la nationalité belge, doit être admis ou autorisé à séjourner dans le Royaume ou à s'y établir conformément à la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers ; [1 Pour l'application du présent décret, une attestation d'immatriculation ne vaut pas admission ou autorisation de séjour au sens de la présente disposition.]1
2° il a disparu ou est enlevé et répond aux conditions visées au point 1° au moment de la disparition ou de l'enlèvement.
Par enfant disparu, on entend l'enfant qui, involontairement, ne se trouve plus à son domicile, et dont on est sans nouvelles, sauf lorsqu'il est probable que l'enfant soit décédé dans des circonstances telles que des accidents ou des catastrophes, même si le corps n'a pas été retrouvé. La disparition peut être prouvée par toutes les voies de droit. L'enfant qui est pris par un des parents n'est pas considéré comme un enfant disparu.
Par enfant faisant l'objet d'un enlèvement, on entend un enfant qui est victime d'un acte - quel qu'en soit l'auteur - ayant pour but de le soustraire illégalement à l'autorité d'un parent ou des deux parents, du père ou de la mère, ou de la personne qui était le bénéficiaire immédiatement avant cet acte, conformément au présent décret, ou à l'autorité de l'institution où l'enfant est placé par l'intermédiaire ou à charge d'une autorité publique, si l'acte :
a) fait l'objet d'une plainte ou d'une déclaration à la police, au parquet ou aux autorités administratives belges compétentes en matière d'enlèvement d'enfants ; et
b) concerne un enfant de moins de dix-huit ans.
Le Gouvernement flamand peut déterminer des exemptions générales à l'alinéa 1er, 1°.
Une personne qui dispose d'un droit de séjour parce qu'il est autorisé à séjourner en Belgique afin d'y étudier ou suivre une formation professionnelle, d'y effectuer du bénévolat ou d'y travailler comme jeune au pair, ne donne pas droit aux allocations familiales. Les enfants de ces personnes qui répondent aux conditions de l'alinéa 1er, donnent effectivement droit aux allocations familiales.
Dans le cas visé à l'alinéa 1er, 2°, les allocations familiales sont accordées conformément aux conditions fixées par le Gouvernement flamand.
§ 2. L'enfant, visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, donne droit aux allocations familiales :
1° jusqu'au mois où il atteint l'âge de 18 ans ;
2° jusqu'au mois où il atteint l'âge de 21 ans s'il a un besoin de soutien spécifique tel que visé à l'article 16 ;
3° jusqu'au mois où il atteint l'âge de 25 ans s'il est un élève, étudiant, stagiaire ou jeune sortant de l'école, conformément aux conditions fixées par le Gouvernement flamand et sans préjudice de l'application des points 1° et 2° ;
4° sans limite d'âge pour l'application du livre 5, partie 2, s'il avait au moins 21 ans au 1er juillet 1987 et relève d'une des catégories visées à l'article 63, alinéa 1er, 2°, des lois coordonnées du 19 décembre 1939 relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés, telles qu'en vigueur avant la modification par la loi du 29 décembre 1990.
Dans les cas visés à l'alinéa 1er, 2°, 3° et 4°, les allocations familiales sont accordées conformément aux conditions fixées par le Gouvernement flamand.
Le Gouvernement flamand peut accorder le droit aux allocations familiales à certaines catégories d'enfants qui, avant le 1er janvier 2019, avaient droit aux allocations familiales ou à des allocations sur la base de la réglementation relative aux allocations familiales, et qui sont exclus de ce droit par l'application de l'alinéa 1er.
§ 3. Les allocations familiales ne sont pas dues pour les enfants qui sont éduqués ou suivent des cours en dehors de la Belgique.
Le Gouvernement flamand peut accorder des exemptions générales de l'alinéa précédent.
Titel 2. - Startbedragen
Titre 2. - Montants initiaux
HOOFDSTUK 1. - Startbedrag geboorte
CHAPITRE 1er. - Montant initial naissance
Art. 9. § 1. De geboorte van een rechtgevend kind geeft recht op een startbedrag geboorte van 1100 euro.
De begunstigde kan het startbedrag geboorte aanvragen na minstens vijf maanden zwangerschap. Bij een aanvraag voorafgaand aan de geboorte wordt een geneeskundig getuigschrift gevoegd dat de vermoedelijke geboortedatum vermeldt.
Het startbedrag wordt op zijn vroegst uitbetaald aan de begunstigde of begunstigden twee maanden vóór de vermoedelijke geboortedatum van het rechtgevende kind dat is opgenomen in het getuigschrift, vermeld in het tweede lid, op voorwaarde dat de zwangere persoon op het ogenblik van de voorafbetaling voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 8, § 1, eerste lid, 1°.
§ 2. Ook een kind voor wie een akte van aangifte van levenloos kind overeenkomstig [1 artikel 58, § 1, en artikel 59]1 van het Burgerlijk Wetboek is opgesteld door de ambtenaar van de burgerlijke stand, geeft recht op het startbedrag geboorte.
Art. 9. § 1er. La naissance d'un enfant bénéficiaire donne droit à un montant initial naissance de 1100 euros.
Le bénéficiaire peut demander le montant initial naissance après au moins cinq mois de grossesse. En cas d'une demande antérieure à la naissance, un certificat médical indiquant la date présumée de naissance est joint à la demande.
Le montant initial est payé au plus tôt au bénéficiaire ou aux bénéficiaires deux mois avant la date présumée de naissance de l'enfant bénéficiaire qui est reprise au certificat, visé à l'alinéa 2, à condition que la personne enceinte répond aux conditions visées à l'article 8, § 1er, alinéa 1er, 1°, au moment du paiement anticipé.
§ 2. Un enfant pour lequel un acte de déclaration d'un enfant sans vie est établi par l'officier de l'état civil conformément à [1 l'article 58, § 1er, et l'article 59]1 du Code civil, donne également droit au montant initial naissance.
Art. 10. § 1. In afwijking van artikel 9, § 1, geven eerste kinderen en meerlingen die geboren zijn na 31 december 2018 geen recht op een startbedrag geboorte als de begunstigde al een voorafbetaling van het kraamgeld heeft ontvangen tussen 1 oktober 2018 en 31 december 2018 overeenkomstig artikel 73bis, § 1, derde lid, 1°, van de Algemene kinderbijslagwet.
Als de begunstigde een voorafbetaling van het kraamgeld ontvangt tussen 1 oktober 2018 en 31 december 2018 voor eerste kinderen en meerlingen van wie de vermoedelijke geboortedatum na 31 december 2018 ligt, wordt, in afwijking van artikel 73bis, § 1, derde lid, 1°, van de Algemene kinderbijslagwet, het bedrag van het kraamgeld beperkt tot 1100 euro. Als eerste kinderen en meerlingen uiteindelijk toch vóór 1 januari 2019 worden geboren, geven ze recht op het positieve saldoverschil tussen het bedrag van het kraamgeld, vermeld in artikel 73bis, § 1, derde lid, 1°, van de Algemene kinderbijslagwet, en 1100 euro.
§ 2. In afwijking van artikel 9, § 1, geven tweede of volgende kinderen die geboren zijn na 31 december 2018, recht op het positieve saldoverschil tussen het startbedrag geboorte en het kraamgeld als de begunstigde al een voorafbetaling van het kraamgeld heeft ontvangen tussen 1 oktober 2018 en 31 december 2018 overeenkomstig artikel 73bis, § 1, derde lid, 2°, van de Algemene kinderbijslagwet.
Art. 10. § 1er. Par dérogation à l'article 9, § 1er, les premiers enfants et les enfants multiples nés après le 31 décembre 2018 ne donnent pas droit au montant initial naissance si le bénéficiaire a déjà reçu un paiement anticipé de l'allocation de naissance entre le 1er octobre 2018 et le 31 décembre 2018 conformément à l'article 73bis, § 1er, alinéa 3, 1°, de la Loi générale relative aux allocations familiales.
Si le bénéficiaire reçoit un paiement anticipé de l'allocation de naissance entre le 1er octobre 2018 et le 31 décembre 2018 pour des premiers enfants et des enfants multiples dont la date présumée de naissance se situe après le 31 décembre 2018, le montant de l'allocation de naissance est limité à 1100 euros, par dérogation à l'article 73bis, § 1er, alinéa 3, 1°, de la Loi générale relative aux allocations familiales. Si les premiers enfants et les enfants multiples sont après tout nés avant le 1er janvier 2019, ils donnent droit à la différence des soldes positive entre le montant de l'allocation de naissance, visée à l'article 73bis, § 1er, alinéa 3, 1°, de la Loi générale relative aux allocations familiales, et 1100 euros.
§ 2. Par dérogation à l'article 9, § 1er, les deuxièmes enfants et les enfants suivants nés après le 31 décembre 2018 donnent droit à la différence des soldes positive entre le montant initial naissance et l'allocation de naissance si le bénéficiaire a déjà reçu un paiement anticipé de l'allocation de naissance entre le 1er octobre 2018 et le 31 décembre 2018 conformément à l'article 73bis, § 1er, alinéa 3, 2°, de la Loi générale relative aux allocations familiales.
HOOFDSTUK 2. - Startbedrag adoptie
CHAPITRE 2. - Montant initial adoption
Art. 11. § 1. De adoptie van een rechtgevend kind geeft recht op een startbedrag adoptie van 1100 euro.
Het startbedrag adoptie wordt aangevraagd door de adoptant. Daarvoor legt hij aan de uitbetalingsactor een verzoekschrift tot binnen- of buitenlandse adoptie voor, ingediend bij de bevoegde rechtbank, of, bij gebrek daaraan, een buitenlandse adoptiebeslissing of een buitenlandse beslissing tot plaatsing met het oog op adoptie.
Het startbedrag adoptie wordt uitbetaald als het kind deel uitmaakt van het gezin van de adoptant.
§ 2. Voor hetzelfde rechtgevende kind kan maar één startbedrag adoptie aan de adoptant of de adoptanten worden toegekend.
Het startbedrag adoptie kan niet worden toegekend aan de adoptant als zijn echtgenoot of de persoon met wie hij wettelijk samenwoont of een gezin vormt, het startbedrag geboorte, het kraamgeld of de adoptiepremie overeenkomstig de kinderbijslagreglementering heeft ontvangen voor hetzelfde rechtgevende kind.
Art. 11. § 1er. L'adoption d'un enfant bénéficiaire donne droit à un montant initial adoption de 1100 euros.
Le montant initial adoption est demandé par l'adoptant. A cet effet, il soumet à l'acteur de paiement une demande d'adoption nationale ou internationale, introduite auprès du tribunal compétent ou, à défaut de celle-ci, une décision étrangère d'adoption ou une décision étrangère de placement en vue de l'adoption.
Le montant initial adoption est payé si l'enfant appartient à la famille de l'adoptant.
§ 2. Seul un montant initial adoption peut être accordé à l'adoptant ou aux adoptants pour le même enfant bénéficiaire.
Le montant initial adoption ne peut pas être accordé à l'adoptant si son époux ou la personne avec laquelle il cohabite légalement ou constitue un ménage, a reçu le montant initial naissance, l'allocation de naissance ou la prime d'adoption pour le même enfant bénéficiaire conformément à la réglementation relative aux allocations familiales.
HOOFDSTUK 3. - Gemeenschappelijke bepalingen
CHAPITRE 3. - Dispositions communes
Art. 12. De Vlaamse Regering kan algemene vrijstellingen bepalen waarbij een startbedrag adoptie en een startbedrag geboorte kunnen worden toegekend als de voorwaarden niet vervuld zijn.
Art. 12. Le Gouvernement flamand peut déterminer des exemptions générales où un montant initial adoption et un montant initial naissance peuvent être accordés si les conditions ne sont pas remplies.
Titel 3. - Basisbedrag
Titre 3. - Montant de base
Art. 13. Het rechtgevende kind, met uitzondering van het kind, vermeld in artikel 210, § 1, of in titel 2 van deel 2 van boek 5, geeft recht op een maandelijks basisbedrag van 160 euro.
Art. 13. L'enfant bénéficiaire, à l'exception de l'enfant visé à l'article 210, § 1er, ou au titre 2 de la partie 2 du livre 5, donne droit à un montant de base mensuel de 160 euros.
Titel 4. - Zorgtoeslagen
Titre 4. - Allocations de soins
HOOFDSTUK 1. - Wezentoeslag
CHAPITRE 1er. - Allocation d'orphelin
Art. 14. Het basisbedrag, vermeld in artikel 13, wordt met een maandelijkse wezentoeslag verhoogd voor het rechtgevende kind van wie minstens een van de ouders is overleden of bij wie het vermoeden van afwezigheid van minstens één van de ouders is vastgesteld.
Art. 14. Le montant de base, visé à l'article 13, est majoré d'une allocation mensuelle d'orphelin pour l'enfant bénéficiaire dont au moins un des parents est décédé ou dont la présomption d'absence d'au moins un des parents est établie.
Art. 15. § 1. De wezentoeslag bedraagt [1 80 procent]1 van het basisbedrag in een van de volgende gevallen:
1° een van de ouders van een rechtgevend kind is overleden;
2° de vrederechter heeft een vermoeden van afwezigheid als vermeld in artikel 112 van het Burgerlijk Wetboek, van een van de ouders van een rechtgevend kind vastgesteld.
De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen waaronder de toeslag, vermeld in het eerste lid, wordt toegekend.
§ 2. De wezentoeslag bedraagt 100 procent van het basisbedrag in een van de volgende gevallen:
1° beide ouders van een rechtgevend kind zijn overleden;
2° de enige bekende ouder van het rechtgevende kind is overleden;
3° een van de ouders van een rechtgevend kind is overleden en de vrederechter heeft een vermoeden van afwezigheid als vermeld in artikel 112 van het Burgerlijk Wetboek, van de andere ouder vastgesteld;
4° de vrederechter heeft een vermoeden van afwezigheid als vermeld in artikel 112 van het Burgerlijk Wetboek, van beide ouders of van de enige gekende ouder van een rechtgevend kind vastgesteld.
De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen waaronder de toeslag, vermeld in het eerste lid, wordt toegekend.
§ 3. De wezentoeslag wordt onmiddellijk stopgezet als de vermoedelijk afwezige ouder, bedoeld in paragraaf 1, terugkeert of als de vrederechter een einde aan het mandaat van de gerechtelijke bewindvoerder maakt overeenkomstig artikel 117 van het Burgerlijk Wetboek.
Art. 15. § 1er. L'allocation d'orphelin s'élève à [1 80 pour cent]1 du montant de base dans un des cas suivants :
1° un des parents d'un enfant bénéficiaire est décédé ;
2° le juge de paix a établi une présomption d'absence telle que visée à l'article 112 du Code civil, d'un des parents d'un enfant bénéficiaire.
Le Gouvernement flamand peut arrêter les conditions auxquelles l'allocation visée à l'alinéa 1er, est accordée.
§ 2. L'allocation d'orphelin s'élève à 100 pour cent du montant de base dans un des cas suivants :
1° les deux parents d'un enfant bénéficiaire sont décédés ;
2° le seul parent connu de l'enfant bénéficiaire est décédé ;
3° un des parents d'un enfant bénéficiaire est décédé et le juge de paix a établi une présomption d'absence telle que visée à l'article 112 du Code civil, de l'autre parent ;
4° le juge de paix a établi une présomption d'absence telle que visée à l'article 112 du Code civil, des deux parents ou du seul parent connu d'un enfant bénéficiaire.
Le Gouvernement flamand peut arrêter les conditions auxquelles l'allocation visée à l'alinéa 1er, est accordée.
§ 3. L'allocation d'orphelin est arrêtée immédiatement si le parent dont l'absence est présumée, visé au paragraphe 1er, retourne ou si le juge de paix met fin au mandat de l'administrateur judiciaire conformément à l'article 117 du Code civil.
HOOFDSTUK 2. - Zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte
CHAPITRE 2. - Allocation de soins pour les enfants ayant un besoin de soutien spécifique
Art. 16. § 1. Het basisbedrag, vermeld in artikel 13, wordt voor het rechtgevende kind verhoogd met een maandelijkse zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte als het kind een specifieke ondersteuningsbehoefte heeft die voortvloeit uit een aandoening die gevolgen heeft voor hemzelf, op het vlak van lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid of op het vlak van activiteit en participatie, of voor zijn familiale omgeving.
Naargelang de ernst van de ondersteuningsbehoefte bedraagt de toeslag, vermeld in het eerste lid, 80,75 euro, 107,55 euro, 250,97 euro, 414,28 euro, 471,07 euro, 504,71 euro of 538,36 euro.
De Vlaamse Regering kan de nadere voorwaarden bepalen waaronder de toeslag, vermeld in het eerste lid, wordt toegekend, en wie de ernst van de ondersteuningsbehoefte bepaalt en de toeslag begroot.
Als de toekenning van de toeslag, vermeld in het eerste lid, het gevolg is van een weigering van behandeling, wordt de toeslag niet toegekend. De Vlaamse Regering kan ook bepalen door wie en volgens welke regels de weigering van behandeling wordt vastgesteld.
§ 2. [2 Het agentschap Opgroeien regie]2 neemt de kosten van de medische onderzoeken die uitgevoerd zijn met toepassing van paragraaf 1, alsook de daaraan verbonden administratiekosten ten laste.
Art. 16. § 1er. Le montant de base, visé à l'article 13, est majoré pour l'enfant bénéficiaire d'une allocation mensuelle de soins pour des enfants ayant un besoin de soutien spécifique si l'enfant a un besoin de soutien spécifique qui résulte d'une affection qui a des conséquences pour lui-même, au niveau d'une incapacité physique ou mentale, ou au niveau de l'activité et de la participation, ou pour son environnement familial.
Selon la gravité du besoin de soutien, l'allocation visée à l'alinéa 1er s'élève à 80,75 euros, 107,55 euros, 250,97 euros, 414,28 euros, 471,07 euros, 504,71 euros ou 538,36 euros.
Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités auxquelles l'allocation visée à l'alinéa 1er, est accordée et qui détermine la gravité du besoin de soutien et chiffre l'allocation.
Si l'octroi de l'allocation, visée à l'alinéa 1er, résulte d'un refus de traitement, l'allocation n'est pas accordée. Le Gouvernement flamand peut également déterminer qui établit le refus de traitement, et selon quelles règles.
§ 2. [2 L'agence Grandir régie]2 prend à charge les frais des examens médicaux effectués en application du paragraphe 1er, ainsi que les frais administratifs correspondants.
HOOFDSTUK 3. - Pleegzorgtoeslag
CHAPITRE 3. - Allocation de placement familial
Art. 17. Het basisbedrag, vermeld in artikel 13, wordt voor het rechtgevende kind verhoogd met een maandelijkse pleegzorgtoeslag als het geplaatst is door bemiddeling of ten laste van een openbare overheid in een pleeggezin, met uitzondering van de ondersteunende pleegzorg zoals beschreven in artikel 2, 5°, van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van de pleegzorg.
De toeslag, vermeld in het eerste lid, bedraagt 61,79 euro.
De Vlaamse Regering kan de nadere voorwaarden bepalen waaronder de toeslag, vermeld in het eerste lid, wordt toegekend.
Art. 17. Le montant de base, visé à l'article 13 est majoré pour l'enfant bénéficiaire d'une allocation mensuelle de placement familial s'il est placé dans une famille d'accueil par l'intermédiaire ou à charge d'une autorité publique, à l'exception du placement familial de soutien, tel que décrit à l'article 2, 5°, du décret du 29 juin 2012 portant organisation du placement familial.
L'allocation visée à l'alinéa 1er s'élève à 61,79 euros.
Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités auxquelles l'allocation visée à l'alinéa premier, est accordée.
Titel 5. - Sociale toeslagen
Titre 5. - Suppléments sociaux
Art. 18. Het basisbedrag, vermeld in artikel 13, wordt voor het rechtgevende kind verhoogd met een maandelijkse sociale toeslag als de inkomsten van het gezin van de begunstigden bepaalde grenzen niet overschrijden.
Het bedrag van de toeslag, vermeld in het eerste lid, bedraagt:
[5 63,86]5 euro per kind voor gezinnen tot en met twee rechtgevende kinderen, waarvan de gezinsinkomsten op jaarbasis niet meer dan [6 31.897,53]6 euro bedragen;
[7 1/1° 32,33 euro per kind voor gezinnen tot en met twee rechtgevende kinderen, waarvan de gezinsinkomsten op jaarbasis tussen 31.897,53 euro en 37.213,79 euro liggen;]7
[5 93,86]5 euro per kind voor gezinnen met meer dan twee rechtgevende kinderen, waarvan de gezinsinkomsten op jaarbasis niet meer dan [6 31.897,53]6 bedragen;
[5 73,86]5 euro per kind voor gezinnen met meer dan twee rechtgevende kinderen, waarvan de gezinsinkomsten op jaarbasis tussen [6 31.897,53]6 en 60.000 euro liggen.
Als ten gevolge van een gelijkmatig verdeelde huisvesting,[3 ...]3 de huisvesting van het rechtgevende kind gelijk is verdeeld tussen de ouders [8 of de pleegouders]8, wordt het bedrag van de toeslag gehalveerd toegekend in elk rechtgevend gezin.
Als de huisvesting van het rechtgevende kind niet gelijk is verdeeld tussen beide ouders, [3 ...]3 [8 of beide pleegouders]8 wordt het kind voor de toepassing van het tweede lid alleen meegeteld in het gezin waar het kind meer dan de helft van de tijd verblijft.
Als de al dan niet gelijkmatig verdeelde huisvesting van het rechtgevende kind niet [8 is bepaald, bekrachtigd of vastgesteld]8 door de bevoegde rechtbank, wordt ervan uitgegaan dat de huisvesting van het rechtgevende kind gelijk is verdeeld tussen de ouders [3 ...]3 [8 of de pleegouders]8.
[3 Voor de huisvesting van het meerderjarige rechtgevend kind wordt uitgegaan van de woonplaats van het kind.
In afwijking van het zesde lid blijft de vastgestelde huisvesting overeenkomstig het vijfde lid die geldt op het moment dat het kind meerderjarig wordt, gelden.
In afwijking van het zesde en zevende lid kan de al dan niet gelijkmatig verdeelde huisvesting van het meerderjarige rechtgevend kind worden bepaald op grond van een overeenkomst, waarin de al dan niet gelijkmatig verdeelde huisvesting van het rechtgevende kind uitdrukkelijk wordt bepaald, en die is geregistreerd conform artikel 1 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten]3
[8 , of op grond van een vaststelling door de bevoegde rechtbank]8.
Als het rechtgevende kind is geplaatst door bemiddeling of ten laste van een openbare overheid in een instelling, wordt het kind voor de berekening van de toeslag en de gezinsgrootte, vermeld in het tweede lid, in het pleeggezin volledig meegeteld.
Als het rechtgevende kind [4 materiële ondersteuning krijgt als vermeld in artikel 68, § 2/1]4, wordt het kind voor de berekening van de toeslag en de gezinsgrootte, vermeld in het tweede lid, in het gezin waar het verbleef voorafgaand [8 van de begunstigden]8, volledig meegeteld. [8 ...]8 .
De Vlaamse Regering bepaalt met welke inkomsten van welke personen rekening wordt gehouden om de gezinsinkomsten, vermeld in het eerste lid, vast te stellen. Ze bepaalt de periode waarin de sociale toeslag wordt toegekend, en ze kan de gezinsgrootte nader bepalen. De Vlaamse Regering stelt ook een alarmbelprocedure vast voor de onmiddellijke aanpassing van het recht op sociale toeslag.
Art. 18. Le montant de base, visé à l'article 13, est majoré pour l'enfant bénéficiaire d'un supplément social mensuel si les revenus de la famille des bénéficiaires ne dépassent pas certaines limites.
Le montant de l'allocation, visée à l'alinéa 1er, s'élève à :
[5 63,86]5 euros par enfant pour les familles ayant jusqu'à deux enfants bénéficiaires, dont les revenus de famille sur une base annuelle ne sont pas supérieurs à [6 31 897,53]6 euros ;
[7 1/1° 32,33 euros par enfant pour les ménage ayant jusqu'à deux enfants bénéficiaires, dont les revenus de ménage sur une base annuelle se situent entre 31 897,53 euros et 37 213,79 euros ;]7
[5 93,86]5 euros par enfant pour les familles ayant plus de deux enfants bénéficiaires, dont les revenus de famille sur une base annuelle ne sont pas supérieurs à [6 31 897,53]6 ;
[5 73,86]5 euros par enfant pour les familles ayant plus de deux enfants bénéficiaires, dont les revenus de famille sur une base annuelle se situent entre [6 31 897,53]6 et 60.000 euros.
Si le logement de l'enfant bénéficiaire est équitablement réparti entre les parents [8 ou les parents d'accueil]8 suite à un logement équitablement réparti[3 ...]3, le montant de l'allocation est accordé en deux parties égales à chaque famille bénéficiaire.
Si le logement de l'enfant bénéficiaire n'est pas équitablement réparti entre les deux parents [3 ...]3 [8 ou les deux parents d'accueil]8, l'enfant est uniquement pris en compte, pour l'application de l'alinéa 2, dans la famille où l'enfant séjourne pendant plus de la moitié du temps.
Si le logement de l'enfant bénéficiaire, qu'il est équitablement réparti ou non, n'est pas [8 arrêté, ratifié ou établi]8 par le tribunal compétent, le logement de l'enfant bénéficiaire est censé être réparti équitablement entre les parents [3 ...]3 [8 ou les parents d'accueil]8.
[3 Pour l'hébergement de l'enfant bénéficiaire majeur, on considère le domicile de l'enfant.]3
[3 Par dérogation à l'alinéa six, l'hébergement établi conformément à l'alinéa cinq, qui est applicable au moment où l'enfant atteint la majorité, demeure applicable.]3
[3 Par dérogation aux alinéas six et sept, l'hébergement, égalitaire ou non, de l'enfant bénéficiaire majeur peut être établi sur la base d'une convention, dans laquelle l'hébergement, égalitaire ou non, de l'enfant bénéficiaire est expressément établi, et qui a été enregistrée conformément à l'article 1er du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe]3 [8 , ou sur la base d'une détermination par le tribunal compétent]8.
Si l'enfant bénéficiaire est placé dans une famille d'accueil par l'intermédiaire ou à charge d'une autorité publique, l'enfant est entièrement pris en compte dans la famille d'accueil pour le calcul de l'allocation et la taille du ménage, visé à l'alinéa 2.
Si l'enfant bénéficiaire [4 reçoit une aide matérielle telle que visée à l'article 68, § 2/1]4, l'enfant est entièrement pris en compte dans la famille [8 des bénéficiaires]8, pour le calcul de l'allocation et la taille du ménage, visé à l'alinéa 2. [8 ...]8.
Le Gouvernement flamand détermine quels revenus de quelles personnes sont pris en compte afin d'établir les revenus de famille, visés à l'alinéa 1er. Il détermine la période dans laquelle le supplément social est accordé, et il peut arrêter des modalités relatives à la taille du ménage. Le Gouvernement flamand arrête également une procédure de sonnette d'alarme pour l'adaptation immédiate du droit au supplément social.
Art.18/1.[1 Voor elk kind dat in november 2022 recht geeft op een maandelijkse sociale toeslag als vermeld in artikel 18, wordt het bedrag, vermeld in artikel 18, tweede lid, voor de maand november 2022 eenmalig verhoogd met 100 euro.
[2 oor elk kind dat in april 2023 recht geeft op een maandelijkse sociale toeslag als vermeld in artikel 18, wordt het bedrag, vermeld in artikel 18, tweede lid, voor de maand april 2023 eenmalig verhoogd met 100 euro.]2
Het bedrag van 100 euro, vermeld in het eerste [2 en tweede]2 lid, wordt in afwijking van artikel 4 niet geïndexeerd.]1

Art.18/1.[1 Pour chaque enfant bénéficiant en novembre 2022 d'un supplément social mensuel tel que visé à l'article 18, le montant visé à l'article 18, alinéa 2, est majoré une fois de 100 euros pour le mois de novembre 2022.
[2 Pour chaque enfant donnant droit en avril 2023 à un supplément social mensuel tel que visé à l'article 18, le montant visé à l'article 18, alinéa 2, est majoré une fois de 100 euros pour le mois d'avril 2023.]2
Par dérogation à l'article 4, le montant de 100 euros visé à l'alinéa 1er [2 et à l'alinéa 2,]2 n'est pas indexé.]1

Titel 6. - Universele participatietoeslagen
Titre 6. - Allocations de participation universelles
HOOFDSTUK 1. - Universele participatietoeslagen voor nul- tot en met vierjarigen
CHAPITRE 1er. - Allocations de participation universelles pour des enfants de zéro à quatre ans
Art. 19. Het rechtgevende kind [1 dat voor de maand juli van het jaar in kwestie recht geeft op de sociale toeslag, vermeld in artikel 18 en 222,]1 geeft vanaf de geboorte en zolang het minder dan vier jaar is op 31 december van het kalenderjaar voor het kalenderjaar waarin de toeslag verschuldigd is, recht op een jaarlijkse universele participatietoeslag van 20 euro.
De Vlaamse Regering bepaalt het tijdstip waarop de toeslag, vermeld in het eerste lid, wordt uitbetaald.
De Vlaamse Regering kan ook andere uitvoeringsregels van de toeslag, vermeld in het eerste lid, nader bepalen.
Art. 19. L'enfant bénéficiaire [1 donnant droit pour le mois de juillet de l'année en question au supplément social, visé à l'article 18 et à l'article 222,]1 donne droit, à partir de la naissance et tant qu'il n'a pas atteint l'âge de quatre ans le 31 décembre de l'année calendaire précédant l'année calendaire dans laquelle l'allocation est due, à une allocation annuelle de participation universelle de 20 euros.
Le Gouvernement flamand détermine le moment auquel l'allocation, visée à l'alinéa 1er, est payée.
Le Gouvernement flamand peut également arrêter d'autres règles d'exécution de l'allocation visée à l'alinéa 1er.
HOOFDSTUK 2. - Universele participatietoeslagen voor vijf- tot en met zeventienjarigen
CHAPITRE 2. - Allocations de participation universelles pour des enfants de cinq à dix-sept ans
Art. 20. Het rechtgevende kind [1 dat voor de maand juli van het jaar in kwestie recht geeft op de sociale toeslag, vermeld in artikel 18 en 222,]1 geeft vanaf de leeftijd van vier jaar op 31 december van het kalenderjaar voor het kalenderjaar waarin de toeslag verschuldigd is en zolang het minder dan elf jaar is op die datum, recht op een jaarlijkse universele participatietoeslag van 35 euro.
De Vlaamse Regering bepaalt het tijdstip waarop de toeslag, vermeld in het eerste lid, wordt uitbetaald.
De Vlaamse Regering kan ook andere nadere regels van de toeslag, vermeld in het eerste lid, nader bepalen.
Art. 20. L'enfant bénéficiaire [1 donnant droit pour le mois de juillet de l'année en question au supplément social, visé aux articles 18 et 222,]1 donne droit, à partir de l'âge de quatre ans le 31 décembre de l'année calendaire précédant l'année calendaire dans laquelle l'allocation est due, et tant qu'il n'a pas atteint l'âge de onze ans à cette date, à une allocation annuelle de participation universelle de 35 euros.
Le Gouvernement flamand détermine le moment auquel l'allocation, visée à l'alinéa 1er, est payée.
Le Gouvernement flamand peut également arrêter d'autres modalités relatives à l'allocation visée à l'alinéa 1er.
Art. 21. Het rechtgevende kind [1 dat voor de maand juli van het jaar in kwestie recht geeft op de sociale toeslag, vermeld in artikel 18 en 222,]1 geeft vanaf de leeftijd van elf jaar op 31 december van het kalenderjaar voor het kalenderjaar waarin de toeslag verschuldigd is en zolang het minder dan zeventien jaar is op die datum, recht op een jaarlijkse universele participatietoeslag van 50 euro.
De Vlaamse Regering bepaalt het tijdstip waarop de toeslag, vermeld in het eerste lid, wordt uitbetaald.
De Vlaamse Regering kan ook andere nadere regels van de toeslag, vermeld in het eerste lid, nader bepalen.
Art. 21. L'enfant bénéficiaire [1 donnant droit pour le mois de juillet de l'année en question au supplément social, visé aux articles 18 et 222,]1 donne droit, à partir de l'âge de onze ans le 31 décembre de l'année calendaire précédant l'année calendaire dans laquelle l'allocation est due, et tant qu'il n'a pas atteint l'âge de dix-sept ans à cette date, à une allocation annuelle de participation universelle de 50 euros.
Le Gouvernement flamand détermine le moment auquel l'allocation, visée à l'alinéa 1er, est payée.
Le Gouvernement flamand peut également arrêter d'autres modalités relatives à l'allocation visée à l'alinéa 1er.
HOOFDSTUK 3. - Universele participatietoeslagen voor achttien- tot en met vierentwintigjarigen
CHAPITRE 3. - Allocations de participation universelles pour des enfants de dix-huit à vingt-quatre ans
Art. 22. Het rechtgevende kind [1 dat voor de maand juli van het jaar in kwestie recht geeft op de sociale toeslag, vermeld in artikel 18 en 222,]1 geeft vanaf de leeftijd van zeventien jaar op 31 december van het kalenderjaar voor het kalenderjaar waarin de toeslag verschuldigd is en zolang het minder dan vijfentwintig jaar is op die datum, recht op een jaarlijkse universele participatietoeslag van 60 euro.
De Vlaamse Regering bepaalt het tijdstip waarop de toeslag, vermeld in het eerste lid, wordt uitbetaald.
De Vlaamse Regering kan ook andere uitvoeringsregels van de toeslag, vermeld in het eerste lid, nader bepalen.
Art. 22. L'enfant bénéficiaire [1 donnant droit pour le mois de juillet de l'année en question au supplément social, visé aux articles 18 et 222,]1 donne droit, à partir de l'âge de dix-sept ans le 31 décembre de l'année calendaire précédant l'année calendaire dans laquelle l'allocation est due, et tant qu'il n'a pas atteint l'âge de vingt-cinq ans à cette date, à une allocation annuelle de participation universelle de 60 euros.
Le Gouvernement flamand détermine le moment auquel l'allocation, visée à l'alinéa 1er, est payée.
Le Gouvernement flamand peut également arrêter d'autres règles d'exécution de l'allocation visée à l'alinéa 1er.
Hoofdstuk 4. [1 Algemene bepaling]1
Chapitre 4. [1 Disposition générale]1
Art.22/1. [1 Als door een gelijkmatig verdeelde huisvesting de huisvesting van het rechtgevende kind gelijk is verdeeld tussen de ouders of de pleegouders, wordt het bedrag van de universele participatietoeslag gehalveerd toegekend in elk rechtgevend gezin.
Als de al dan niet gelijkmatig verdeelde huisvesting van het rechtgevende kind niet is bepaald of bekrachtigd door de bevoegde rechtbank, wordt ervan uitgegaan dat de huisvesting van het rechtgevende kind gelijk is verdeeld tussen de ouders of de pleegouders.
Voor de huisvesting van het meerderjarige rechtgevend kind wordt uitgegaan van de woonplaats van het kind.
In afwijking van het eerste lid blijft de vastgestelde huisvesting overeenkomstig het derde lid gelden die geldt op het moment dat het kind meerderjarig wordt.
In afwijking van het eerste lid kan de al dan niet gelijkmatig verdeelde huisvesting van het meerderjarige rechtgevend kind worden bepaald op grond van een overeenkomst, waarin de al dan niet gelijkmatig verdeelde huisvesting van het rechtgevende kind uitdrukkelijk wordt bepaald, en die is geregistreerd conform artikel 1 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten.]1

Art.22/1. [1 Si, en raison d'une répartition égale du logement, le logement de l'enfant bénéficiaire est également réparti entre les parents ou les parents d'accueil, le montant de l'allocation de participation universelle est accordé en deux parties égales à chaque ménage bénéficiaire.
Si le logement de l'enfant bénéficiaire, réparti de manière égale ou non, n'a pas été établi ou ratifié par le tribunal compétent, le logement de l'enfant bénéficiaire est réputé être réparti de manière égale entre les parents ou les parents d'accueil.
Pour le logement de l'enfant bénéficiaire majeur, on considère le domicile de l'enfant.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le logement établi conformément à l'alinéa 3, applicable au moment où l'enfant atteint la majorité, demeure applicable.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le logement, réparti de manière égale ou non, de l'enfant bénéficiaire majeur peut être établi sur la base d'une convention, dans laquelle le logement, réparti de manière égale ou non, de l'enfant bénéficiaire est expressément établi, et qui a été enregistrée conformément à l'article 1er du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe.]1

Titel 7. - Samenloop van gezinsbijslagen
Titre 7. - Concours d'allocations familiales
Art. 23. Met behoud van de toepassing van de in het Nederlandse taalgebied geldende bepalingen van het toepasselijke Unierecht en de toepasselijke internationale overeenkomsten betreffende de gezinsbijslagen wordt het bedrag van de gezinsbijslag verminderd met het bedrag van de uitkeringen van dezelfde aard waarop voor een rechtgevend kind aanspraak kan worden gemaakt met toepassing van andere buitenlandse wets- of reglementsbepalingen of krachtens regels die van toepassing zijn op het personeel van een volkenrechtelijke instelling. Deze bepaling blijft van toepassing zelfs als de toekenning van die uitkeringen op grond van voormelde bepalingen of regels als aanvullend wordt aangemerkt met betrekking tot de gezinsbijslag, verleend met toepassing van dit decreet.
[1 De vermindering, vermeld in het eerste lid, wordt niet toegepast als voor een rechtgevend kind aanspraak kan worden gemaakt op uitkeringen van dezelfde aard krachtens statutaire regels die van toepassing zijn op de ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Unie, in geval van een beroepsactiviteit in loondienst of zelfstandigenactiviteit in België van een ouder van het kind of de echtgenoot van die ouder]1.
De Vlaamse Regering bepaalt de volkenrechtelijke instellingen waarvan de statutaire regels die op hun personeel van toepassing zijn, kunnen worden gelijkgesteld met de statutaire regels, vermeld in het tweede lid.
Art. 23. Sans préjudice de l'application des dispositions, applicables en région de langue néerlandaise, du droit de l'Union européenne applicable et des conventions internationales applicables concernant les allocations familiales, le montant des allocations familiales est diminué du montant des allocations de la même nature auxquelles il peut être fait appel pour un enfant bénéficiaire en application d'autres dispositions légales ou réglementaires étrangères ou en vertu de règles applicables au personnel d'un établissement de droit international. Cette disposition reste même d'application si l'octroi de ces allocations sur la base des dispositions ou règles précitées est considéré comme complémentaire aux allocations familiales accordées en application du présent décret.
[1 La diminution visée à l'alinéa premier ne s'applique pas lorsqu'il peut être prétendu à des prestations de même nature en faveur d'un enfant bénéficiaire en vertu des règles statutaires applicables aux fonctionnaires et autres membres du personnel de l'Union européenne, en cas d'activité professionnelle salariée ou indépendante d'un parent de l'enfant ou du conjoint de ce parent en Belgique]1.
Le Gouvernement flamand arrête les établissements de droit international dont les règles statutaires applicables à leur personnel peuvent être assimilées aux règles statutaires visées à l'alinéa 2.
Deel 2. - Selectieve participatietoeslagen
Partie 2. - Allocations de participation sélectives
Titel 1. - Selectieve participatietoeslagen leerling
Titre 1. - Allocations de participation sélectives d'élève
HOOFDSTUK 1. - Rechthebbende leerling
CHAPITRE 1er. - Elève attributaire
Art. 24. Een jaarlijkse selectieve participatietoeslag leerling, waarvan het bedrag is bepaald in hoofdstuk 4 van deze titel, wordt toegekend aan de leerling die aan al de volgende voorwaarden voldoet:
1° de leerling heeft de Belgische nationaliteit, of de leerling van wie het bewijs niet geleverd wordt dat hij de Belgische nationaliteit bezit, is toegelaten of gemachtigd om in het Rijk te verblijven of er zich te vestigen overeenkomstig de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. [1 Voor de toepassing van dit decreet vormt een attest van immatriculatie geen toelating of machtiging in de zin van deze bepaling]1;
2° de pedagogische voorwaarden, vermeld in hoofdstuk 2 van deze titel;
3° de financiële voorwaarden, vermeld in hoofdstuk 3 van deze titel.
De Vlaamse Regering kan algemene vrijstellingen van het eerste lid, 1°, bepalen.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot de selectieve participatietoeslagen leerling.
Art. 24. Une allocation annuelle de participation sélective d'élève, dont le montant est arrêté dans le chapitre 4 du présent titre, est accordée à l'élève qui répond à toutes les conditions suivantes :
1° l'élève a la nationalité belge, ou l'élève dont la preuve n'est pas fournie qu'il a la nationalité belge, est admis ou autorisé à séjourner dans le Royaume ou à s'y établir conformément à la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers. [1 Pour l'application du présent décret, une attestation d'immatriculation ne vaut pas admission ou autorisation de séjour au sens de la présente disposition]1;
2° les conditions pédagogiques, visées au chapitre 2 du présent titre ;
3° les conditions financières, visées au chapitre 3 du présent titre.
Le Gouvernement flamand peut déterminer des exemptions générales à l'alinéa 1er, 1°.
Le Gouvernement fixe les modalités concernant les allocations de participation sélectives d'élève.
Art. 25. Om de toestand van het gezin waartoe de rechthebbende leerling behoort, te bepalen, wordt bij de toepassing van dit decreet rekening gehouden met de toestand op [1 31 augustus voorafgaand aan het schooljaar in kwestie]1.
Om de nationaliteit en de woonplaats van de rechthebbende leerling die niet gekwalificeerd is als een rechtgevend kind als vermeld in artikel 8, te bepalen, wordt bij de toepassing van dit decreet rekening gehouden met de toestand op [1 31 augustus voorafgaand aan het schooljaar in kwestie]1.
Om de pedagogische toestand te bepalen, wordt bij de toepassing van dit decreet rekening gehouden met de toestand op de laatste schooldag van juni van het schooljaar in kwestie.
Art. 25. Pour déterminer la situation de la famille à laquelle appartient l'élève attributaire, il est tenu compte de la situation au [1 31 août préalable à l'année scolaire en question]1 lors de l'application du présent décret.
Pour déterminer la nationalité et le domicile de l'élève attributaire qui n'est pas qualifié d'enfant bénéficiaire tel que visé à l'article 8, il est tenu compte de la situation au [1 31 août préalable à l'année scolaire en question]1 lors de l'application du présent décret.
Pour déterminer la situation pédagogique, il est tenu compte de la situation au dernier jour de classe de juin de l'année scolaire lors de l'application du présent décret.
HOOFDSTUK 2. - Pedagogische voorwaarden
CHAPITRE 2. - Conditions pédagogiques
Afdeling 1. - Selectieve participatietoeslagen kleuteronderwijs
Section 1. - Allocations de participation sélectives d'enseignement maternel
Art. 26. Een selectieve participatietoeslag kleuteronderwijs kan worden toegekend aan een rechthebbende leerling als vermeld in artikel 24, die is ingeschreven in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor gewoon of buitengewoon kleuteronderwijs, als de leerling gerechtigd is dat onderwijs te volgen overeenkomstig het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997.
Art. 26. Une allocation de participation sélective d'enseignement maternel peut être accordée à un élève attributaire tel que visé à l'article 24, qui est inscrit dans un établissement d'enseignement maternel ordinaire ou spécial, agréé, financé ou subventionné par la Communauté flamande, si l'élève est autorisé à suivre cet enseignement conformément au décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental.
Art. 27. [1 § 1.]1 Aan een rechthebbende leerling als vermeld in artikel 24, wordt geen selectieve participatietoeslag kleuteronderwijs toegekend in een van de volgende gevallen:
1° in het schooljaar in kwestie is hij niet ingeschreven in een onderwijsinstelling als vermeld in artikel 26;
2° gedurende het schooljaar in kwestie en het daaraan voorafgaande schooljaar is hij niet voldoende aanwezig geweest [1 ...]1.
[1 § 2. Een leerling wordt tijdens een schooljaar geacht voldoende aanwezig te zijn als:
1° hij 150 halve schooldagen aanwezig is op school, in het geval dat de leerling tijdens het jaar waarin het schooljaar in kwestie begint de leeftijd van 3 jaar bereikt. In afwijking hiervan moet de leerling die pas na 31 december van hetzelfde schooljaar de leeftijd van 3 jaar bereikt, 100 halve schooldagen aanwezig zijn op school;
2° hij 185 halve schooldagen aanwezig is op school, in het geval dat de leerling tijdens het jaar waarin het schooljaar in kwestie begint de leeftijd van 4 jaar bereikt;
3° hij [2 290]2 halve schooldagen aanwezig is op school, in het geval dat de leerling tijdens het jaar waarin het schooljaar in kwestie begint de leeftijd van 5 jaar bereikt;
4° hij niet meer dan 29 halve schooldagen ongewettigd afwezig is op school, in het geval dat de leerling tijdens het jaar waarin het schooljaar in kwestie begint de leeftijd van 6 of 7 jaar bereikt.
§ 3. Een kleuter wordt geacht een halve dag aanwezig te zijn als dit blijkt uit de registratie in het aanwezigheidsregister van de school.
Een leerplichtige kleuter is ongewettigd afwezig wanneer deze problematisch afwezig is, zoals bedoeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 12 november 1997 betreffende de controle op de inschrijvingen van de leerlingen in het basisonderwijs.
§ 4. In afwijking van [3 paragraaf 2]3, bepaalt de Vlaamse Regering wanneer een leerling geacht wordt voldoende aanwezig te zijn, wanneer de erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor gewoon of buitengewoon basisonderwijs, overeenkomstig artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 april 1991 tot organisatie van het schooljaar in het basisonderwijs en in het deeltijds onderwijs georganiseerd, erkend of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap, over een afwijkende uurregeling beschikt.
§ 5. In afwijking van paragraaf 2 en paragraaf 3, eerste lid, wordt een kleuter tijdens het betrokken schooljaar geacht voldoende aanwezig te zijn, indien een attest van een arts, een paramedicus als vermeld in het koninklijk besluit van 2 juli 2009 tot vaststelling van de lijst van de paramedische beroepen, of een houder van een diploma in kinesitherapie als vermeld in artikel 21bis, § 2, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitvoering van de gezondheidsberoepen, voorgelegd wordt. Het attest bevat een verklaring dat de in een school ingeschreven kleuter tijdens het betrokken schooljaar niet of slechts onregelmatig naar school kan gaan. Het attest wordt door [2 een ouder of een werkelijke opvoeder]2 van de leerling bij wie de betrokken leerling zijn hoofdverblijfplaats heeft, teruggestuurd naar [2 de uitbetalingsactor]2.
§ 6. In afwijking van paragraaf 3 worden halve dagen aanwezigheid in de rijdende kleuterschool zoals bepaald in artikel 168 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 beschouwd als aanwezigheid in de erkende school waar de leerling ingeschreven is.]1

Art. 27. [1 § 1er.]1 Une allocation de participation sélective d'enseignement maternel n'est pas accordée à un élève attributaire tel que visé à l'article 24, dans un des cas suivants :
1° il n'est pas inscrit, dans l'année scolaire concernée, dans un établissement d'enseignement tel que visé à l'article 26 ;
2° pendant l'année scolaire en question et l'année scolaire précédente, il n'a pas été suffisamment présent [1 ...]1.
[1 § 2. Un élève est censé être suffisamment présent au cours d'une année scolaire :
1° s'il compte une présence à l'école d'au moins 150 demi-jours de classe si l'élève atteint l'âge de 3 ans dans l'année de la rentrée scolaire concernée. Par dérogation à cette disposition, l'élève qui n'atteint l'âge de 3 ans qu'après le 31 décembre de la même année scolaire doit compter une présence à l'école d'au moins 100 demi-jours de classe ;
2° s'il compte une présence à l'école d'au moins 185 demi-jours de classe si l'élève atteint l'âge de 4 ans dans l'année de la rentrée scolaire concernée ;
3° s'il compte une présence à l'école d'au moins [2 290]2 demi-jours de classe si l'élève atteint l'âge de 5 ans dans l'année de la rentrée scolaire concernée ;
4° s'il n'a pas été absent de manière injustifiée pendant plus de 29 demi-jours de classe si l'élève atteint l'âge de 6 ou de 7 ans dans l'année de la rentrée scolaire concernée.
§ 3. Un jeune enfant est censé être présent à l'école pendant un demi-jour de classe s'il ressort du registre des présences de l'école.
Un jeune enfant soumis à l'obligation scolaire s'absente de manière injustifiée lorsque cette absence est enregistrée comme problématique au sens de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 novembre 1997 relatif au contrôle des inscriptions d'élèves dans l'enseignement fondamental.
§ 4. Par dérogation au [3 paragraphe 2]3, le Gouvernement flamand détermine quand un élève est réputé être suffisamment présent, quand l'établissement d'enseignement fondamental ordinaire ou spécial agréé, financé ou subventionné dispose, conformément à l'article 8 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 avril 1991 organisant l'année scolaire dans l'enseignement fondamental et dans l'enseignement à temps partiel, organisé, agréé ou subventionné par la Communauté flamande, d'un horaire dérogeant.
§ 5. Par dérogation aux §§ 2 et 3, alinéa 1er, un jeune enfant est réputé être suffisamment présent pendant l'année scolaire concernée, si une attestation délivrée par un médecin, un paramédical tel que visé à l'arrêté royal du 2 juillet 2009 établissant la liste des professions paramédicales, ou un titulaire d'un diplôme en kinésithérapie tel que visé à l'article 21bis, § 2, de l'arrêté royal n° 78 du 10 novembre 1967 relatif à l'exercice des professions des soins de santé, est soumise. L'attestation comprend une déclaration que le jeune enfant inscrit à l'école est dans l'impossibilité de fréquenter l'école ou ne peut fréquenter qu'irrégulièrement l'école pendant l'année scolaire en question. L'attestation est renvoyée [2 à l'acteur de paiement]2 par [2 un parent ou un éducateur réel]2 de l'élève avec lequel l'élève en question a sa résidence principale.
§ 6. Par dérogation au paragraphe 3, les demi-jours de présence dans l'école maternelle itinérante telle que visée à l'article 168 du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental sont considérées comme présence dans l'école agréée où l'élève est inscrit.]1

Art. 28. § 1. Om het recht op een selectieve participatietoeslag kleuteronderwijs vast te stellen, meldt het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming aan [2 het agentschap Opgroeien regie]2:
1° welke leerlingen op de laatste schooldag van juni in een onderwijsinstelling als vermeld in artikel 26, zijn ingeschreven;
2° welke leerlingen in het kleuteronderwijs gedurende het schooljaar in kwestie en het daaraan voorafgaande schooljaar niet voldoende aanwezig zijn geweest als vermeld in [1 artikel 27, § 2 tot en met § 6]1.
§ 2. [2 Het agentschap Opgroeien regie]2 meldt aan het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming het aantal kinderen dat selectieve participatietoeslagen kleuteronderwijs ontvangt.
§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de gegevens, vermeld in paragraaf 1 en 2, moeten worden meegedeeld.
Art. 28. § 1er. Pour établir le droit à une allocation de participation sélective d'enseignement maternel, le Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation communique à [2 l'agence Grandir régie]2 :
1° quels élèves sont inscrits, le dernier jour de classe de juin, dans un établissement d'enseignement tel que visé à l'article 26 ;
2° quels élèves dans l'enseignement maternel n'ont pas été suffisamment présents pendant l'année scolaire en question et l'année scolaire précédente, tel que visé à [1 l'article 27, §§ 2 à 6]1.
§ 2. [2 L'agence Grandir régie]2 communique au Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation le nombre d'enfants qui reçoivent des allocations de participation sélectives d'enseignement maternel.
§ 3. Le Gouvernement flamand arrête le mode de communication des données visées aux §§ 1er et 2.
Afdeling 2. - Selectieve participatietoeslag lager onderwijs
Section 2. - Allocation de participation sélective d'enseignement primaire
Art. 29. Een selectieve participatietoeslag lager onderwijs kan worden toegekend aan een rechthebbende leerling als vermeld in artikel 24, die is ingeschreven in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor gewoon of buitengewoon lager onderwijs, als de leerling gerechtigd is dat onderwijs te volgen overeenkomstig het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997.
Art. 29. Une allocation de participation sélective d'enseignement primaire peut être accordée à un élève attributaire tel que visé à l'article 24, qui est inscrit dans un établissement d'enseignement primaire ordinaire ou spécial, agréé, financé ou subventionné par la Communauté flamande, si l'élève est autorisé à suivre cet enseignement conformément au décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental.
Art. 30. [1 § 1.]1 Aan een rechthebbende leerling als vermeld in artikel 24, wordt geen selectieve participatietoeslag lager onderwijs toegekend in een van de volgende gevallen:
1° in het schooljaar in kwestie is hij niet ingeschreven in een onderwijsinstelling als vermeld in artikel 29;
2° hij is ongewettigd afwezig geweest of niet voldoende aanwezig geweest [1 ...]1;
3° uiterlijk vijftien kalenderdagen na de datum van uitschrijving in het lager onderwijs is hij niet opnieuw in het lager onderwijs ingeschreven.
[1 § 2. Een leerling wordt tijdens een schooljaar geacht niet voldoende aanwezig te zijn als de leerling gedurende het schooljaar in kwestie 30 al dan niet gespreide halve schooldagen ongewettigd afwezig is geweest en het daaraan voorafgaande schooljaar hetzij eveneens 30 al dan niet gespreide halve schooldagen ongewettigd afwezig is geweest, hetzij minder dan 250 halve schooldagen aanwezig is geweest indien de leerling toen nog niet onderworpen was aan de leerplicht maar wel ingeschreven was in een kleuterschool.
§ 3. Een leerling in het lager onderwijs wordt geacht aanwezig te zijn als hij niet als ongewettigd afwezig is geregistreerd in het aanwezigheidsregister van de school.
Een leerling is ongewettigd afwezig wanneer deze problematisch afwezig is, zoals bedoeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 12 november 1997 betreffende de controle op de inschrijvingen van de leerlingen in het basisonderwijs.
§ 4. In afwijking van paragraaf 2 bepaalt de Vlaamse Regering het aantal halve schooldagen dat een leerling maximaal per schooljaar ongewettigd afwezig mag zijn, wanneer de erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor gewoon of buitengewoon basisonderwijs, overeenkomstig artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 april 1991 tot organisatie van het schooljaar in het basisonderwijs en in het deeltijds onderwijs, georganiseerd, erkend of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap, over een afwijkende uurregeling beschikt.]1

Art. 30. [1 § 1er.]1 Une allocation de participation sélective d'enseignement primaire n'est pas accordée à un élève attributaire tel que visé à l'article 24, dans un des cas suivants :
1° il n'est pas inscrit, dans l'année scolaire concernée, dans un établissement d'enseignement tel que visé à l'article 29 ;
2° il a été absent de manière injustifiée ou n'a pas été suffisamment présent [1 ...]1 ;
3° au plus tard quinze jours calendaires après la date de désinscription dans l'enseignement primaire, il n'est pas à nouveau inscrit dans l'enseignement primaire.
[1 § 2. Un élève est considéré comme insuffisamment présent au cours d'une année scolaire, s'il a été absent de manière injustifiée, durant l'année scolaire concernée, pendant 30 demi-jours de classe, répartis ou non, et si, durant l'année scolaire précédente, il a soit également affiché une absence injustifiée de 30 demi-jours de classe répartis ou non, soit fréquenté l'école moins de 250 demi-jours de classe si l'élève n'était pas encore soumis à l'obligation scolaire mais était inscrit dans une école maternelle.
§ 3. Un élève de l'enseignement primaire est censé être présent à l'école s'il n'est pas enregistré comme étant absent de manière injustifiée dans le registre des présences de l'école.
Un élève s'absente de manière injustifiée lorsque cette absence est enregistrée comme problématique au sens de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 novembre 1997 relatif au contrôle des inscriptions d'élèves dans l'enseignement fondamental.
§ 4. Par dérogation au paragraphe 2, le Gouvernement flamand détermine le nombre maximum de demi-jours d'absence injustifiée pendant lesquels un élève peut s'absenter par année scolaire, quand l'établissement d'enseignement fondamental ordinaire ou spécial agréé, financé ou subventionné dispose, conformément à l'article 8 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 avril 1991 organisant l'année scolaire dans l'enseignement fondamental et dans l'enseignement à temps partiel, organisé, agréé ou subventionné par la Communauté flamande, d'un horaire dérogeant.]1

Art.30 TOEKOMSTIG RECHT.
[1 § 1.]1 Aan een rechthebbende leerling als vermeld in artikel 24, wordt geen selectieve participatietoeslag lager onderwijs toegekend in een van de volgende gevallen:
1° in het schooljaar in kwestie is hij niet ingeschreven in een onderwijsinstelling als vermeld in artikel 29;
2° hij is ongewettigd afwezig geweest of niet voldoende aanwezig geweest [1 ...]1;
[3 tijdens het schooljaar uiterlijk 21 kalenderdagen]3 na de datum van uitschrijving in het lager onderwijs is hij niet opnieuw in het lager onderwijs ingeschreven.
[1 § 2. Een leerling wordt tijdens een schooljaar geacht niet voldoende aanwezig te zijn als de leerling gedurende het schooljaar in kwestie 30 al dan niet gespreide halve schooldagen ongewettigd afwezig is geweest en het daaraan voorafgaande schooljaar hetzij eveneens 30 al dan niet gespreide halve schooldagen ongewettigd afwezig is geweest, [2 hetzij minder dan 290 halve schooldagen aanwezig is geweest indien de leerling toen onderworpen was aan de leerplicht en gedurende dat schooljaar ingeschreven was in een kleuterschool, met uitzondering van de leerlingen bedoeld onder 27, § 2, 4° van dit decreet]2.
§ 3. Een leerling in het lager onderwijs wordt geacht aanwezig te zijn als hij niet als ongewettigd afwezig is geregistreerd in het aanwezigheidsregister van de school.
Een leerling is ongewettigd afwezig wanneer deze problematisch afwezig is, zoals bedoeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 12 november 1997 betreffende de controle op de inschrijvingen van de leerlingen in het basisonderwijs.
§ 4. In afwijking van paragraaf 2 bepaalt de Vlaamse Regering het aantal halve schooldagen dat een leerling maximaal per schooljaar ongewettigd afwezig mag zijn, wanneer de erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor gewoon of buitengewoon basisonderwijs, overeenkomstig artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 april 1991 tot organisatie van het schooljaar in het basisonderwijs en in het deeltijds onderwijs, georganiseerd, erkend of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap, over een afwijkende uurregeling beschikt.]1
Art.30 DROIT FUTUR.
[1 § 1er.]1 Une allocation de participation sélective d'enseignement primaire n'est pas accordée à un élève attributaire tel que visé à l'article 24, dans un des cas suivants :
1° il n'est pas inscrit, dans l'année scolaire concernée, dans un établissement d'enseignement tel que visé à l'article 29 ;
2° il a été absent de manière injustifiée ou n'a pas été suffisamment présent [1 ...]1 ;
[3 pendant l'année scolaire, au plus tard 21 jours calendrier]3 après la date de désinscription dans l'enseignement primaire, il n'est pas à nouveau inscrit dans l'enseignement primaire.
[1 § 2. Un élève est considéré comme insuffisamment présent au cours d'une année scolaire, s'il a été absent de manière injustifiée, durant l'année scolaire concernée, pendant 30 demi-jours de classe, répartis ou non, et si, durant l'année scolaire précédente, il a soit également affiché une absence injustifiée de 30 demi-jours de classe répartis ou non, [2 soit fréquenté l'école moins de 290 demi-jours de classe si l'élève était soumis à l'obligation scolaire et était inscrit dans une école maternelle pendant ladite année scolaire, à l'exception des élèves visés à l'article 27, § 2, 4°, du présent décret]2.
§ 3. Un élève de l'enseignement primaire est censé être présent à l'école s'il n'est pas enregistré comme étant absent de manière injustifiée dans le registre des présences de l'école.
Un élève s'absente de manière injustifiée lorsque cette absence est enregistrée comme problématique au sens de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 novembre 1997 relatif au contrôle des inscriptions d'élèves dans l'enseignement fondamental.
§ 4. Par dérogation au paragraphe 2, le Gouvernement flamand détermine le nombre maximum de demi-jours d'absence injustifiée pendant lesquels un élève peut s'absenter par année scolaire, quand l'établissement d'enseignement fondamental ordinaire ou spécial agréé, financé ou subventionné dispose, conformément à l'article 8 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 avril 1991 organisant l'année scolaire dans l'enseignement fondamental et dans l'enseignement à temps partiel, organisé, agréé ou subventionné par la Communauté flamande, d'un horaire dérogeant.]1
Art. 31. § 1. Om het recht op een selectieve participatietoeslag lager onderwijs vast te stellen, meldt het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming aan [2 het agentschap Opgroeien regie]2:
1° welke leerlingen op de laatste schooldag van juni in een onderwijsinstelling als vermeld in artikel 29, zijn ingeschreven;
2° welke leerlingen in het lager onderwijs ongewettigd afwezig zijn geweest of niet voldoende aanwezig zijn geweest als vermeld in [1 artikel 30, § 2 tot en met § 4]1;
3° welke leerlingen uiterlijk vijftien kalenderdagen na de datum van uitschrijving in het lager onderwijs niet opnieuw zijn ingeschreven in het lager onderwijs.
§ 2. [2 Het agentschap Opgroeien regie]2 meldt aan het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming het aantal kinderen dat selectieve participatietoeslagen lager onderwijs ontvangt.
§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de gegevens, vermeld in paragraaf 1 en 2, moeten worden meegedeeld.
Art. 31. § 1er. Pour établir le droit à une allocation de participation sélective d'enseignement primaire, le Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation communique à [2 l'agence Grandir régie]2 :
1° quels élèves sont inscrits, le dernier jour de classe de juin, dans un établissement d'enseignement tel que visé à l'article 29 ;
2° quels élèves ont été absents de manière injustifiée ou n'ont pas été suffisamment présents [1 au sens de l'article 30, §§ 2 à 4]1 ;
3° quels élèves ne sont pas à nouveau inscrits dans l'enseignement primaire au plus tard quinze jours calendaires après la date de désinscription dans l'enseignement primaire.
§ 2. [2 L'agence Grandir régie]2 communique au Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation le nombre d'enfants qui reçoivent des allocations de participation sélectives d'enseignement primaire.
§ 3. Le Gouvernement flamand arrête le mode de communication des données visées aux §§ 1er et 2.
Afdeling 3. - Selectieve participatietoeslag secundair onderwijs
Section 3. - Allocation de participation sélective d'enseignement secondaire
Art. 32. Een selectieve participatietoeslag secundair onderwijs kan worden toegekend aan een rechthebbende leerling als vermeld in artikel 24, die is ingeschreven in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor secundair onderwijs of aan een rechthebbende leerling die de leertijd zoals bedoeld in het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap volgt in een door de Vlaamse Regering erkend centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen.
Art. 32. Une allocation de participation sélective d'enseignement secondaire peut être accordée à un élève attributaire tel que visé à l'article 24, qui est inscrit dans un établissement d'enseignement secondaire, agréé, financé ou subventionné par la Communauté flamande, ou à un élève attributaire qui suit l'apprentissage tel que visé au décret du 10 juillet 2008 relatif au système d'apprentissage et de travail en Communauté flamande dans un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises, agréé par le Gouvernement flamand.
Art. 33. § 1. De selectieve participatietoeslag secundair onderwijs is meeneembaar voor rechthebbende leerlingen van het secundair onderwijs die in het buitenland of in een andere gemeenschap secundair onderwijs volgen, op voorwaarde dat er voor de in het buitenland [1 of in een andere gemeenschap gevolgde studierichting of opleiding geen equivalente opleiding bestaat in een onderwijsinstelling]1 of een centrum als vermeld in artikel 32, en op voorwaarde dat de onderwijsinstelling, de studierichting of de opleiding erkend is door de bevoegde overheid in de gemeenschap of het land in kwestie. Onder meeneembaarheid wordt verstaan, [1 het krijgen van een selectieve participatietoeslag secundair onderwijs voor een studieprogramma of opleiding, gevolgd in een andere gemeenschap of in het buitenland]1.
Artikel 34, 35, tweede lid, en 48, § 3 en § 6, zijn niet van toepassing op rechthebbende leerlingen die in het buitenland secundair onderwijs volgen.
§ 2. Om te bepalen of er een equivalente opleiding bestaat als vermeld in paragraaf 1, baseert de uitbetalingsactor zich op het bindende advies van NARIC-Vlaanderen, vermeld in artikel 5, 26°, van het decreet van 8 juni 2007.
Art. 33. § 1er. L'allocation de participation sélective d'enseignement secondaire est reportable pour des élèves attributaires de l'enseignement secondaire qui suivent un enseignement secondaire à l'étranger ou dans une autre communauté, [1 à condition que pour une orientation d'études ou une formation suivie à l'étranger ou dans une autre Communauté il n'existe pas de formation équivalente dans un établissement d'enseignement ou un centre tel que visé à l'article 32]1 ou un centre tel que visé à l'article 32, et à condition que l'établissement d'enseignement, l'orientation d'études ou la formation est agréé par l'autorité compétente à la communauté ou au pays en question. Par reportabilité, on entend [1 l'obtention d'une allocation de participation sélective d'enseignement secondaire pour un programme d'études ou une formation suivi dans une autre communauté ou à l'étranger]1.
Les articles 34, 35, alinéa 2, et 48, §§ 3 et 6, ne s'appliquent pas aux élèves attributaires qui suivent un enseignement secondaire à l'étranger.
§ 2. Pour déterminer s'il existe une formation équivalente telle que visée au paragraphe 1er, l'acteur de paiement se base sur l'avis contraignant de NARIC-Vlaanderen, visé à l'article 5, 26°, du décret du 8 juin 2007.
Art. 34. [1 § 1.]1 Aan een rechthebbende leerling als vermeld in artikel 24, wordt geen selectieve participatietoeslag secundair onderwijs toegekend in een van de volgende gevallen:
1° in het schooljaar in kwestie is hij niet ingeschreven in een onderwijsinstelling of centrum als vermeld in artikel 32;
2° hij is ongewettigd afwezig geweest [1 ...]1;
[3 tijdens het schooljaar uiterlijk 21 kalenderdagen]3 na de datum van uitschrijving uit een instelling voor secundair onderwijs of uit de leertijd in een centrum zoals bedoeld in artikel 32 is hij niet opnieuw ingeschreven in een instelling voor secundair onderwijs of in de leertijd in een centrum zoals bedoeld in artikel 32.
In afwijking van het eerste lid, 3°, behoudt de rechthebbende leerling in het secundair onderwijs die op 30 juni van het schooljaar in kwestie niet langer ingeschreven is in een instelling voor secundair onderwijs of een centrum zoals bedoeld in artikel 32, zijn toelage, op voorwaarde dat hij in de loop van dat schooljaar zijn kwalificatie behaalde.
[1 § 2. Een leerling wordt tijdens een schooljaar geacht niet voldoende aanwezig te zijn als de leerling gedurende het schooljaar in kwestie 30 al dan niet gespreide halve schooldagen ongewettigd afwezig is geweest tijdens de lessen in de erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor voltijds gewoon of buitengewoon secundair onderwijs, en/of het werkplekleren dat deel uitmaakt van de opleiding in de periode van 1 september tot en met 30 juni, en als hij gedurende het schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar in kwestie 30, al dan niet gespreide halve schooldagen ongewettigd afwezig is geweest tijdens de lessen in de erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor voltijds gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of de erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor gewoon of buitengewoon basisonderwijs, en/of het werkplekleren dat deel uitmaakt van de opleiding in de periode van 1 september tot en met 30 juni.
§ 3. Een leerling in het secundair onderwijs en het deeltijds leerplichtonderwijs wordt geacht aanwezig te zijn wanneer deze tijdens de lessen of het werkplekleren daadwerkelijk aanwezig is of niet ongewettigd afwezig is.
Een leerling is ongewettigd afwezig wanneer deze problematisch afwezig is, zoals bedoeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 16 september 1997 betreffende de controle op de inschrijvingen van leerlingen in het secundair onderwijs of in het stelsel van leren en werken.
In afwijking van het tweede lid is een leerling die met een erkende leerovereenkomst of -verbintenis in het kader van de leertijd een opleiding volgt in een erkend en gesubsidieerd centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, onwettig afwezig wanneer deze problematisch afwezig is als vermeld in de uitvoeringsreglementering aangenomen door de Vlaamse Regering in het kader van de leertijd krachtens artikelen 58 en 59 van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap.
§ 4. In afwijking van [2 paragraaf 2]2, bepaalt de Vlaamse Regering het aantal halve schooldagen dat een leerling in het voltijds secundair onderwijs maximaal per schooljaar ongewettigd afwezig mag zijn, wanneer de onderwijsinstelling in kwestie overeenkomstig artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 augustus 2001 houdende de organisatie van het schooljaar in het secundair onderwijs, over een afwijkende uurregeling beschikt.]1

Art. 34. [1 § 1er.]1 Une allocation de participation sélective d'enseignement secondaire n'est pas accordée à un élève attributaire tel que visé à l'article 24, dans un des cas suivants :
1° il n'est pas inscrit, dans l'année scolaire concernée, dans un établissement d'enseignement ou centre tel que visé à l'article 32 ;
2° il a été absent de manière injustifiée, [1 ...]1 ;
[3 pendant l'année scolaire, au plus tard 21 jours calendrier ]3 après la date de désinscription d'un établissement d'enseignement secondaire ou de l'apprentissage dans un centre tel que visé à l'article 32, il n'est pas à nouveau inscrit dans un établissement d'enseignement secondaire ou dans l'apprentissage dans un centre tel que visé à l'article 32.
Par dérogation à l'alinéa 1er, 3°, l'élève attributaire dans l'enseignement secondaire qui, au 30 juin de l'année scolaire en question, n'est plus inscrit dans un établissement d'enseignement secondaire ou un centre tel que visé à l'article 32, maintient son allocation, à condition qu'il a obtenu sa qualification au cours de ladite année scolaire.
[1 § 2. Un élève est considéré comme insuffisamment présent au cours d'une année scolaire, s'il a été absent de manière injustifiée, durant l'année scolaire concernée, pendant 30 demi-jours de classe, répartis ou non, pendant les cours dans l'établissement d'enseignement secondaire ordinaire ou spécial agréé, financé ou subventionné à temps plein et/ou pendant l'apprentissage sur le lieu de travail faisant partie de la formation dans la période du 1er septembre au 30 juin, et si, durant l'année scolaire précédant l'année scolaire concernée, il a compté une absence injustifiée de 30 demi-jours de classe, répartis ou non, pendant les cours dans l'établissement d'enseignement secondaire ordinaire ou spécial à temps plein agréé, financé ou subventionné ou l'établissement d'enseignement fondamental ordinaire ou spécial agréé, financé ou subventionné, et/ou pendant l'apprentissage sur le lieu de travail faisant partie de la formation dans la période du 1er septembre au 30 juin.
§ 3. Un élève de l'enseignement secondaire et de l'enseignement obligatoire à temps partiel est censé être présent s'il est effectivement présent pendant les cours ou l'apprentissage sur le lieu de travail ou s'il ne s'absente pas sans justification.
Un élève s'absente de manière injustifiée lorsque cette absence est enregistrée comme problématique au sens de l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 septembre 1997 relatif au contrôle des inscriptions d'élèves de l'enseignement secondaire ou dans le système d'apprentissage et de travail.
Par dérogation à l'alinéa 2, un élève qui, sur la base d'un contrat ou d'un engagement d'apprentissage agréé suit une formation dans le cadre de l'apprentissage dans un centre agréé et subventionné de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises, se trouve en absence injustifiée lorsque cette absence est problématique conformément aux dispositions de la réglementation d'exécution adoptée par le Gouvernement flamand dans le cadre de l'apprentissage en vertu des articles 58 et 59 du décret du 10 juillet 2008 relatif au système d'apprentissage et de travail en Communauté flamande.
§ 4. Par dérogation au [2 paragraphe 2]2, le Gouvernement flamand fixe le nombre maximum de demi-jours de classe qu'un élève de l'enseignement secondaire à temps plein peut s'absenter sans justification par année scolaire, lorsque l'établissement d'enseignement en question dispose d'un horaire dérogeant, conformément à l'article 8 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 août 2001 organisant l'année scolaire dans l'enseignement secondaire.]1

Art. 35. Een selectieve participatietoeslag secundair onderwijs wordt toegekend aan een rechthebbende leerling als vermeld in artikel 24, tot en met het schooljaar waarin de leerling tweeëntwintig jaar wordt.
In afwijking van het eerste lid kan voor leerlingen die ingeschreven zijn in het buitengewoon secundair onderwijs [1 , in de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs en in de opleiding Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs]1, een selectieve participatietoeslag worden toegekend zonder dat daarbij een leeftijdsbeperking geldt.
Art. 35. Une allocation de participation sélective d'enseignement secondaire est accordée à un élève attributaire tel que visé à l'article 24 jusqu'à l'année scolaire pendant laquelle l'élève atteint l'âge de vingt-deux ans.
Par dérogation à l'alinéa 1er, une allocation de participation sélective peut être accordée aux élèves inscrits dans l'enseignement secondaire spécial [1 , dans la formation de Nursing de l'enseignement supérieur professionnel et dans la formation de Soins infirmiers de base de l'enseignement supérieur professionnel HBO-5 ]1 sans qu'une limitation d'âge ne soit imposée.
Art. 36. § 1. Om het recht op en het bedrag van een selectieve participatietoeslag in het secundair onderwijs vast te stellen, meldt het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming aan [2 het agentschap Opgroeien regie]2:
1° welke leerlingen in welk structuuronderdeel zijn ingeschreven in een onderwijsinstelling of een centrum als vermeld in artikel 32;
2° de datum van inschrijving;
3° de datum van eventuele uitschrijving;
4° welke leerlingen ongewettigd afwezig zijn geweest als vermeld in [1 artikel 34, § 2 tot en met § 4]1.
§ 2. [2 Het agentschap Opgroeien regie]2 meldt aan het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming het aantal kinderen dat selectieve participatietoeslagen secundair onderwijs ontvangt.
§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de gegevens, vermeld in paragraaf 1 en 2, moeten worden meegedeeld. De Vlaamse Regering bepaalt ook welke instellingen aan [2 het agentschap Opgroeien regie]2 moeten melden dat een leerling een interne leerling is en de wijze waarop ze dat moeten melden.
Art. 36. § 1er. Pour établir le droit à et le montant d'une allocation de participation sélective d'enseignement secondaire, le Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation communique à [2 l'agence Grandir régie]2 :
1° quels élèves sont inscrits dans quelle subdivision structurelle dans un établissement d'enseignement ou un centre tel que visé à l'article 32 ;
2° la date d'inscription ;
3° la date de désinscription éventuelle ;
4° quels élèves ont été absents de manière injustifiée, [1 au sens de l'article 34, §§ 2 à 4]1.
§ 2. [2 L'agence Grandir régie]2 communique au Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation le nombre d'enfants qui reçoivent des allocations de participation sélectives d'enseignement secondaire.
§ 3. Le Gouvernement flamand arrête le mode de communication des données visées aux §§ 1er et 2. Le Gouvernement flamand arrête également quels établissements doivent communiquer à [2 l'agence Grandir régie]2 qu'un élève est un élève interne, ainsi que la manière dont ils doivent communiquer cette information.
HOOFDSTUK 3. - Financiële voorwaarden
CHAPITRE 3. - Conditions financières
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1. - Dispositions générales
Art. 37. Om te bepalen of een rechthebbende leerling als vermeld in artikel 24, in aanmerking komt voor de selectieve participatietoeslagen leerling, wordt uitgegaan van de inkomsten van het gezin waartoe de leerling behoort.
In afwijking van het eerste lid heeft een pleegkind of pleeggast als vermeld in artikel 2, 8° en 10°, van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg, recht op een volledige selectieve participatietoeslag leerling op voorwaarde dat het pleegkind of de pleeggast langer dan één jaar onafgebroken [1 bij een pleeggezin]1 verblijft.
Voor de toepassing van het tweede lid is artikel 25, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
Art. 37. Pour déterminer si un élève attributaire tel que visé à l'article 24 entre en ligne de compte pour les allocations de participation sélectives d'élève, on se base sur les revenus de la famille à laquelle l'élève appartient.
Par dérogation à l'alinéa 1er, un enfant placé ou un adulte placé tel que visé à l'article 2, 8° et 10°, du décret du 29 juin 2012 portant organisation du placement familial, a droit à une allocation de participation sélective d'élève totale à condition que l'enfant placé ou l'adulte placé séjourne pendant plus d'un an sans interruption [1 auprès d'une famille d'accueil]1.
Pour l'application de l'alinéa 2, l'article 25, alinéa 1er s'applique par analogie.
Afdeling 2. - Vaststelling van het gezin waartoe de rechthebbende leerling behoort
Section 2. - Etablissement de la famille à laquelle l'élève attributaire appartient
Art. 38. § 1. Er wordt rekening gehouden met de volgende categorieën van gezinnen:
1° een gezin waarin de rechthebbende leerling zijn woonplaats heeft bij één ouder of bij beide ouders samen;
2° een gezin waarin de rechthebbende leerling ingevolge een gerechtelijke uitspraak of een tussenkomst van een publiekrechtelijke overheid of instelling zijn woonplaats heeft bij een andere natuurlijke persoon dan de ouders, of een gezin waarin de rechthebbende leerling op [1 31 augustus voorafgaand aan het schooljaar in kwestie]1 zijn woonplaats heeft bij een andere natuurlijke persoon dan één ouder of beide ouders;
3° gehuwde leerlingen;
4° zelfstandige leerlingen;
5° alleenstaande leerlingen.
[2 6° de leerling die materiële ondersteuning krijgt als vermeld in artikel 68, § 2/1.]2
§ 2. De categorie waartoe een gezin behoort, wordt voor elke rechthebbende leerling als vermeld in artikel 24, afzonderlijk bepaald.
§ 3. De Vlaamse Regering geeft een nadere begripsomschrijving van de verschillende categorieën van gezinnen op basis waarvan de selectieve participatietoeslag leerling wordt berekend, en bepaalt met welke inkomsten van welke personen rekening wordt gehouden om de gezinsinkomsten, vermeld in artikel 39, vast te stellen.
§ 4. Om te bepalen tot welke categorie van gezin een rechthebbende leerling als vermeld in artikel 24, behoort, wordt eerst nagegaan of de leerling voldoet aan de voorwaarden voor de categorie van gehuwde leerlingen, vermeld in paragraaf 1, dan of de leerling voldoet aan de voorwaarden voor de categorie van zelfstandige leerlingen, vermeld in paragraaf 1, 4°, daarna of de leerling voldoet aan de voorwaarden van de categorie van het gezin waarin de leerling zijn woonplaats heeft, vermeld in paragraaf 1, 1°, vervolgens of de leerling voldoet aan de voorwaarden voor de categorie van het gezin, vermeld in paragraaf 1, 2° [2 vervolgens of de leerling materiële ondersteuning krijgt als vermeld in paragraaf 1, 6° ]2.
Als wordt vastgesteld dat de leerling niet behoort tot een van de categorieën van gezinnen, vermeld in paragraaf 1, 1°, 2°, 3° [2 4° of 6°]2, wordt nagegaan of de leerling voldoet aan de voorwaarden voor de categorie van alleenstaande leerling, vermeld in paragraaf 1, 5°.
Als wordt vastgesteld dat de leerling niet behoort tot een van de categorieën van gezinnen, vermeld in paragraaf 1, wordt de leerling beschouwd als een persoon die behoort tot de categorie van gezin, vermeld in paragraaf 1, 1° of 2°, waarbij, in voorkomend geval, wordt uitgegaan van de laatste woonplaats van de leerling bij één ouder of bij een andere natuurlijke persoon als vermeld in paragraaf 1, 2°.
Art. 38. § 1er. Il est tenu compte des catégories suivantes de familles :
1° une famille dans laquelle l'élève attributaire a son domicile chez un parent ou chez les deux parents ensemble ;
2° une famille dans laquelle l'élève attributaire, suite à une décision judiciaire ou une intervention d'une autorité ou institution de droit public, a son domicile auprès d'une autre personne physique que les parents, ou une famille dans laquelle l'élève attributaire a son domicile auprès d'une autre personne physique qu'un parent ou les deux parents [1 le 31 août préalable à l'année scolaire en question]1 ;
3° des élèves mariés ;
4° des élèves indépendants ;
5° des élèves isolés.
[2 6° l'élève qui reçoit une aide matérielle, tel que visé à l'article 68, § 2/1.]2
§ 2. La catégorie à laquelle une famille appartient, est déterminée séparément pour chaque élève attributaire tel que visé à l'article 24.
§ 3. Le Gouvernement flamand donne une définition plus détaillée des différentes catégories de familles sur la base desquelles l'allocation de participation sélective d'élève est calculée, et définit les personnes dont les revenus sont pris en compte pour l'établissement des revenus de famille, visés à l'article 39.
§ 4. Pour déterminer la catégorie de famille à laquelle appartient un élève attributaire tel que visé à l'article 24, il est vérifié d'abord si l'élève répond aux conditions pour la catégorie d'élèves mariés, visée au paragraphe 1er, 3°, sinon si l'élève répond aux conditions pour la catégorie d'élèves indépendants, visée au paragraphe 1er, 4°, ensuite si l'élève répond aux conditions de la catégorie de la famille où l'élève a son domicile, visée au paragraphe 1er, 1°, ensuite si l'élève répond aux conditions pour la catégorie de la famille, visée au paragraphe 1er, 2° [2 , ensuite si l'élève reçoit une aide matérielle, tel que visé au paragraphe 1er, 6° ]2.
S'il est constaté que l'élève n'appartient pas à une des catégories de familles, visées au paragraphe 1er, 1°, 2°, 3° [2 , 4° ou 6°]2, il est vérifié si l'élève répond aux conditions de la catégorie d'élève isolé, visée au paragraphe 1er, 5°.
S'il est constaté que l'élève n'appartient pas à une des catégories de familles, visées au paragraphe 1er, l'élève est considéré comme une personne appartenant à la catégorie de famille, visée au paragraphe 1er, 1° ou 2°, tout en se basant, le cas échéant, sur le dernier domicile de l'élève chez un parent ou chez une autre personne physique, telle que visée au paragraphe 1er, 2°.
HOOFDSTUK 4. - Bedragen van de selectieve participatietoeslagen
CHAPITRE 4. - Montants des allocations de participation sélectives
Afdeling 1. - Algemeen
Section 1. - Généralités
Art. 39. § 1. Een rechthebbende leerling als vermeld in artikel 24, heeft recht op een volledige selectieve participatietoeslag als de gezinsinkomsten gelijk zijn aan of lager zijn dan de voor het gezin in aanmerking te nemen minimuminkomensgrens, vermeld in artikel 43.
§ 2. Een rechthebbende leerling als vermeld in artikel 24, heeft geen recht op een selectieve participatietoeslag als de gezinsinkomsten hoger zijn dan de voor het gezin in aanmerking te nemen maximuminkomensgrens, vermeld in artikel 43.
§ 3. Als de in aanmerking te nemen gezinsinkomsten hoger zijn dan de minimuminkomensgrens, vermeld in artikel 43, maar lager zijn dan de maximuminkomensgrens, vermeld in artikel 43, wordt een selectieve participatietoeslag verleend waarvan het bedrag gelijk is aan het bedrag van de volledige selectieve participatietoeslag, vermeld in artikel 47, eerste lid, of artikel 48, vermenigvuldigd met de coëfficiënt van de formule (maximuminkomensgrens min gezinsinkomsten) / (maximuminkomensgrens min minimuminkomensgrens).
§ 4. Een rechthebbende leerling als vermeld in artikel 24, ontvangt in afwijking van de eerste paragraaf een uitzonderlijke selectieve participatietoeslag als de in aanmerking te nemen gezinsinkomsten gelijk zijn aan of lager zijn dan een tiende van de maximuminkomensgrens, vermeld in artikel 43, en als hij voldoet aan een van de volgende voorwaarden:
1° de in aanmerking te nemen gezinsinkomsten bestaan voor minstens zeventig procent uit vervangingsinkomsten;
2° de in aanmerking te nemen gezinsinkomsten bestaan voor minstens zeventig procent uit alimentatiegeld;
3° de in aanmerking te nemen gezinsinkomsten bestaan voor minstens zeventig procent uit leefloon, toegekend in het raam van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, of het equivalent van leefloon, toegekend in het raam van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
4° de gezinsinkomsten bestaan voor minstens zeventig procent uit een inkomensvervangende tegemoetkoming, toegekend in het raam van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap.
De Vlaamse Regering kan bijkomende categorieën bepalen waarin een rechthebbende leerling als vermeld in artikel 24, een uitzonderlijke selectieve participatietoeslag ontvangt.
In afwijking van het eerste lid komt een rechthebbende leerling als vermeld in artikel 24, in het secundair onderwijs niet in aanmerking voor een uitzonderlijke selectieve participatietoeslag als hij aan een van de volgende voorwaarden beantwoordt:
1° de leerling is een interne leerling;
2° de leerling behoort tot een gezin als vermeld in artikel 38, § 1, 3°, 4° en 5°.
§ 5. Een rechthebbende leerling als vermeld in artikel 24, heeft recht op de minimale selectieve participatietoeslag als de gezinsinkomsten gelijk zijn aan de maximuminkomensgrens, vermeld in artikel 43.
Art. 39. § 1er. Un élève attributaire tel que visé à l'article 24, a droit à une allocation de participation sélective totale si les revenus de famille sont égaux ou inférieurs aux revenus minimaux à prendre en considération pour la famille, visés à l'article 43.
§ 2. Un élève attributaire tel que visé à l'article 24, n'a pas droit à une allocation de participation sélective si les revenus de famille sont supérieurs aux revenus maximaux à prendre en considération pour la famille, visés à l'article 43.
§ 3. Si les revenus de famille à prendre en considération sont supérieurs aux revenus minimaux, visés à l'article 43, mais inférieurs aux revenus maximaux, visés à l'article 43, une allocation de participation sélective est accordée dont le montant est égal au montant de l'allocation de participation sélective totale, visée à l'article 47, alinéa 1er, ou à l'article 48, multiplié par le coefficient de la formule (revenus maximaux moins revenus de famille) / (revenus maximaux moins revenus minimaux).
§ 4. Un élève attributaire tel que visé à l'article 24, reçoit une allocation de participation sélective exceptionnelle, par dérogation au paragraphe 1er, si les revenus de famille à prendre en considération sont égaux ou inférieurs à un dixième des revenus maximaux, visés à l'article 43, et s'il répond à une des conditions suivantes :
1° les revenus de famille à prendre en considération se composent pour au moins 70 % de revenus de remplacement ;
2° les revenus de famille à prendre en considération se composent pour au moins 70 % de pensions alimentaires ;
3° les revenus de famille à prendre en considération se composent pour au moins 70 % de revenus d'intégration sociale, accordés dans le cadre de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale, ou de l'équivalent du revenu d'intégration sociale, accordé dans le cadre de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les centres publics d'aide sociale ;
4° les revenus de famille se composent pour au moins 70 % d'une allocation de remplacement de revenus, accordée dans le cadre de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux handicapés.
Le Gouvernement flamand peut déterminer des catégories supplémentaires dans lesquelles un élève attributaire tel que visé à l'article 24, reçoit une allocation de participation sélective exceptionnelle.
Par dérogation à l'alinéa 1er, un élève attributaire tel que visé à l'article 24 dans l'enseignement secondaire n'est pas admissible à une allocation de participation sélective exceptionnelle s'il satisfait à une des conditions suivantes :
1° l'élève est un élève interne ;
2° l'élève appartient à une famille telle que visée à l'article 38, § 1er, 3°, 4° et 5°.
§ 5. Un élève attributaire tel que visé à l'article 24, a droit à l'allocation de participation sélective minimale si les revenus de famille sont égaux aux revenus minimaux, visés à l'article 43.
Art. 40. In afwijking van artikel 39 heeft een rechthebbende leerling als vermeld in artikel 24, in het kleuteronderwijs recht op een selectieve participatietoeslag als de gezinsinkomsten gelijk zijn aan of lager zijn dan de voor het gezin in aanmerking te nemen maximuminkomensgrens, vermeld in artikel 43.
Art. 40. Par dérogation à l'article 39, un élève attributaire tel que visé à l'article 24, dans l'enseignement maternel a droit à une allocation de participation sélective si les revenus de famille sont égaux ou inférieurs aux revenus maximaux à prendre en considération pour la famille, visés à l'article 43.
Art. 41. § 1. Bij het vastleggen van de minimum- en maximuminkomensgrens wordt rekening gehouden met de volgende factoren:
1° het aantal personen ten laste in het gezin;
2° het aantal studenten in het gezin die tijdens het school- of academiejaar in kwestie hoger onderwijs volgen;
3° het aantal personen in het gezin die fiscaal als gehandicapt worden aangemerkt.
§ 2. De waarde van elke factor wordt uitgedrukt in punten.
Art. 41. § 1er. Pour la fixation des revenus minimaux et maximaux, il est tenu compte des facteurs suivants :
1° le nombre de personnes à charge dans la famille ;
2° le nombre d'étudiants dans la famille qui suivent un enseignement supérieur dans l'année scolaire ou académique concernée ;
3° le nombre de personnes dans la famille qui sont considérées comme handicapées du point de vue fiscal.
§ 2. La valeur de chaque facteur est exprimée en points.
Art. 42. § 1. De volgende personen en categorieën worden bij de berekening van de minimum- en maximuminkomensgrenzen gelijkgesteld met een punt:
1° elke persoon in het gezin die fiscaal ten laste is van personen van wie de gezinsinkomsten bij de berekening van de selectieve participatietoeslag in aanmerking worden genomen;
2° elke leerling of student in het gezin die niet meer fiscaal ten laste is van de personen van wie de gezinsinkomsten bij de berekening van de selectieve participatietoeslag in aanmerking worden genomen, omdat hij bestaansmiddelen heeft gehad, op voorwaarde dat hij niet in aanmerking komt voor het statuut van gehuwde, zelfstandige of alleenstaande leerling of student;
3° elke persoon van wie de gezinsinkomsten bij de berekening van de selectieve participatietoeslag in aanmerking worden genomen, en die op 31 december van het schooljaar in kwestie fiscaal als gehandicapt wordt aangemerkt;
4° de categorie van gezin die valt onder het toepassingsgebied van artikel 38, § 1, 1°, 2° [1 ,3° of 6° ]1. De categorie van gezin die valt onder het toepassingsgebied van artikel 38, § 1, 4° of 5°, levert een punt op, op voorwaarde dat de gezinsinkomsten van de zelfstandige, respectievelijk alleenstaande leerling in aanmerking genomen kunnen worden bij de berekening van de selectieve participatietoeslag van de persoon, vermeld in paragraaf 1, 1° of 2°.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 wordt elke persoon die valt onder paragraaf 1, 1° of 2°, en die op 31 december van het school- of academiejaar in kwestie fiscaal als gehandicapt wordt aangemerkt, met twee punten gelijkgesteld.
§ 3. Voor elke persoon van wie de gezinsinkomsten in aanmerking genomen worden bij de berekening van de selectieve participatietoeslag, alsook voor elke persoon, vermeld in paragraaf 1, 1° of 2°, van dit artikel, wordt er een punt toegekend als die personen aan een erkende instelling tijdens het school- of academiejaar in kwestie hoger onderwijs, een bachelor-na-bacheloropleiding of een master-na-masteropleiding volgen.
Het totale aantal punten, dat volgt uit de toepassing van het eerste lid, wordt verminderd met één punt.
In afwijking van het tweede lid bedraagt het totale aantal punten, dat volgt uit de toepassing van dit artikel, nooit minder dan nul.
§ 4. In afwijking van paragraaf 1 tot en met 3 bedraagt het aantal punten van het gezin waarvan de leerling deel uitmaakt, nooit minder dan nul.
Art. 42. § 1er. Pour le calcul des revenus minimaux et maximaux, les personnes et catégories suivantes sont assimilées à un point :
1° toute personne dans la famille qui est fiscalement à charge des personnes dont les revenus de famille sont pris en compte dans le calcul de l'allocation de participation sélective ;
2° tout élève ou étudiant dans la famille qui n'est plus fiscalement à charge des personnes dont les revenus de famille sont pris en compte dans le calcul de l'allocation de participation sélective parce qu'il a perçu des moyens d'existence, à condition qu'il n'entre pas en ligne de compte pour le statut d'élève ou d'étudiant marié, indépendant ou isolé ;
3° toute personne dont les revenus de famille sont pris en compte dans le calcul de l'allocation de participation sélective qui, au 31 décembre de l'année scolaire concernée, est considérée comme handicapée du point de vue fiscal ;
4° la catégorie de famille qui relève du champ d'application de l'article 38, § 1er, 1°, 2° [1 , 3° ou 6°]1. La catégorie de famille relevant du champ d'application de l'article 38, § 1er, 4° ou 5°, est assimilée à un point, à condition que les revenus de famille de l'élève autonome ou isolé puissent être pris en considération pour le calcul de l'allocation de participation sélective de la personne visée au § 1er, 1° ou 2°.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, toute personne qui relève du paragraphe 1er, 1° ou 2°, et qui, au 31 décembre de l'année scolaire ou académique concernée, est considérée handicapée sur le plan fiscal, est assimilée à deux points.
§ 3. Pour toute personne dont les revenus de famille sont pris en considération pour le calcul de l'allocation de participation sélective, ainsi que pour toute personne visée au paragraphe 1er, 1° ou 2°, du présent article, un point est accordé, si ces personnes suivent, auprès d'une institution agréée, un enseignement supérieur, une formation de bachelor après bachelor ou une formation de master après master, pendant l'année scolaire ou académique en question.
Le nombre total de points résultant de l'application de l'alinéa 1er, est réduit d'un point.
Par dérogation à l'alinéa 2, le nombre total de points résultant de l'application du présent article, ne peut jamais être inférieur à zéro.
§ 4. Par dérogation aux paragraphes 1er à 3 inclus, le nombre de points de la famille dont l'élève fait partie n'est jamais inférieur à zéro.
Art. 43. § 1. De minimum- en maximuminkomensgrenzen worden vastgelegd aan de hand van een puntensysteem, gaande van nul tot twintig:
1° de minimuminkomensgrens stemt voor een gezin met nul punten overeen met 11.808,74 euro en voor een gezin met twintig punten met 47.153,27 euro;
2° de maximuminkomensgrens stemt voor een gezin met nul punten overeen met 24.153,07 euro en voor een gezin met twintig punten met 103.406,48 euro.
§ 2. De Vlaamse Regering legt de nadere regels vast om de minimum- en maximuminkomensgrenzen te bepalen.
Art. 43. § 1er. Les revenus minimaux et maximaux sont fixés sur la base d'un système de points, compris entre zéro et vingt points :
1° les revenus minimaux pour une famille avec zéro points correspondent à 11.808,74 euros et pour une famille avec vingt points à 47.153,27 euros ;
2° les revenus maximaux pour une famille avec zéro points correspondent à 24.153,07 euros et pour une famille avec vingt points à 103.406,48 euros.
§ 2. Le Gouvernement flamand arrête les modalités pour déterminer les revenus minimaux et maximaux.
Art. 44. Bij de berekening van het bedrag van de selectieve participatietoeslag in het secundair onderwijs, zoals bepaald in artikel 48 van dit decreet, wordt er een onderscheid gemaakt naargelang de rechthebbende leerling, vermeld in artikel 24, al dan niet een interne leerling is.
Art. 44. Lors du calcul du montant de l'allocation de participation sélective dans l'enseignement secondaire, tel que fixé à l'article 48 du présent décret, une distinction est faite selon que l'élève attributaire visé à l'article 24 est un élève interne ou non.
Art. 45. Het bedrag van de selectieve participatietoeslag is afhankelijk van het door de rechthebbende leerling, vermeld in artikel 24, gevolgde onderwijs, van de hoogte van de gezinsinkomsten en van de puntenlast ten aanzien van de gezinskomsten.
[1 Met behoud van de toepassing van artikel 27, 30 en 34 heeft de rechthebbende leerling recht op het hoogste bedrag van de selectieve participatietoeslag overeenkomstig het gevolgde onderwijs als het gevolgde onderwijs in de loop van het schooljaar wijzigt. ]1
Art. 45. Le montant de l'allocation de participation sélective dépend de l'enseignement suivi par l'élève attributaire visé à l'article 24, du montant des revenus de famille et de la charge de points par rapport aux revenus de famille.
[1 Sans préjudice de l'application des articles 27, 30 et 34, l'élève attributaire a droit au montant le plus élevé de l'allocation de participation sélective conformément à l'enseignement suivi si l'enseignement suivi change en cours d'année scolaire.]1
Afdeling 2. - Selectieve participatietoeslag basisonderwijs
Section 2. - Allocation de participation sélective d'enseignement fondamental
Art. 46. Voor rechthebbende leerlingen als vermeld in artikel 24, in het kleuteronderwijs bedraagt de selectieve participatietoeslag 103,70 euro.
Art. 46. Pour les élèves attributaires tels que visés à l'article 24, dans l'enseignement maternel, l'allocation de participation sélective s'élève à 103,70 euros.
Art. 47. § 1. Voor rechthebbende leerlingen als vermeld in artikel 24, in het lager onderwijs bedraagt een volledige selectieve participatietoeslag 188,19 euro.
De uitzonderlijke selectieve participatietoeslag bedraagt voor rechthebbende leerlingen als vermeld in artikel 24, in het lager onderwijs 244,37 euro.
De minimale selectieve participatietoeslag bedraagt 121,01 euro.
§ 2. Het uiteindelijke bedrag van de selectieve participatietoeslag wordt afgerond tot twee cijfers na de komma.
Art. 47. § 1er. Pour les élèves attributaires tels que visés à l'article 24, dans l'enseignement primaire, une allocation de participation sélective totale s'élève à 188,19 euros.
L'allocation de participation sélective exceptionnelle s'élève à 244,37 euros pour les élèves attributaires tels que visés à l'article 24, dans l'enseignement primaire.
L'allocation de participation sélective minimale s'élève à 121,01 euros.
§ 2. Le montant final de l'allocation de participation sélective est arrondi à deux chiffres après la virgule.
Afdeling 3. - Selectieve participatietoeslag secundair onderwijs
Section 3. - Allocation de participation sélective d'enseignement secondaire.
Art. 48. § 1. Bij de berekening van het bedrag van de selectieve participatietoeslag in het secundair onderwijs wordt eerst nagegaan of [1 de rechthebbende leerling in de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs zit, vervolgens of]1 de rechthebbende leerling, vermeld in artikel 24, voldoet aan de voorwaarden voor de categorie van gehuwde, zelfstandige of alleenstaande leerling, vermeld in artikel 38, vervolgens of de leerling in het derde leerjaar van de derde graad van het technisch secundair onderwijs of beroepsonderwijs [2 of in de opleiding Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs]2 zit.
§ 2. Voor gehuwde, zelfstandige of alleenstaande rechthebbende leerlingen als vermeld in artikel 24, in het voltijds secundair onderwijs is het bedrag van de volledige selectieve participatietoeslag gelijk aan 3.268,73 euro.
De minimale selectieve participatietoeslag bedraagt 712,98 euro.
§ 3. Voor rechthebbende leerlingen als vermeld in artikel 24, in het derde leerjaar van de derde graad van het voltijds technisch secundair onderwijs en het voltijds beroepssecundair onderwijs bedraagt de volledige selectieve participatietoeslag:
1° 1.861,09 euro voor interne leerlingen;
2° 1.132,07 euro voor externe leerlingen.
De uitzonderlijke selectieve participatietoeslag voor externe leerlingen bedraagt 1.329,23 euro.
De minimale selectieve participatietoeslag bedraagt:
1° 725,16 euro voor interne leerlingen;
2° 280,60 euro voor externe leerlingen.
§ 4. Voor andere rechthebbende leerlingen als vermeld in artikel 24, in het voltijds secundair onderwijs dan de leerlingen, vermeld in paragraaf 2 en 3, bedraagt de volledige selectieve participatietoeslag:
1° 1550,86 euro voor interne leerlingen;
2° 943,30 euro voor externe leerlingen.
De uitzonderlijke selectieve participatietoeslag voor externe leerlingen bedraagt [1 1107,57]1 euro.
De minimale selectieve participatietoeslag bedraagt:
1° 604,31 euro voor interne leerlingen;
2° 233,75 euro voor externe leerlingen.
§ 5. Voor rechthebbende leerlingen als vermeld in artikel 24, in stelsel leren en werken zoals bedoeld in het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap bedraagt een volledige selectieve participatietoeslag 537,45 euro.
De uitzonderlijke selectieve participatietoeslag bedraagt 693,34 euro.
De minimale selectieve participatietoeslag bedraagt 196,55 euro.
§ 6. Voor rechthebbende leerlingen als vermeld in artikel 24, ingeschreven in de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs[2 of in de opleiding Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs]2, bedraagt de volledige selectieve participatietoeslag:
1° 3.640,66 euro voor interne leerlingen;
2° 1.212,27 euro voor externe leerlingen.
De minimale selectieve participatietoeslag bedraagt 829,80 euro.
§ 7. Het uiteindelijke bedrag van de selectieve participatietoeslag wordt afgerond tot twee cijfers na de komma.
Art. 48. § 1er. Pour le calcul du montant de l'allocation de participation sélective dans l'enseignement secondaire, il est vérifié d'abord si [1 l'élève attributaire inscrit dans la formation de Nursing de l'enseignement supérieur professionnel[2 ou dans la formation de Soins infirmiers de base de l'enseignement supérieur professionnel HBO-5 ]2, puis si]1 l'élève attributaire visé à l'article 24 satisfait aux conditions de la catégorie de l'élève marié, indépendant ou isolé, visée à l'article 38, sinon si l'élève fréquente la troisième année d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire technique ou professionnel.
§ 2. Pour les élèves attributaires mariés, indépendants ou isolés tels que visés à l'article 24, fréquentant l'enseignement secondaire à temps plein, le montant de l'allocation de participation sélective totale égale 3268,73 euros.
L'allocation de participation sélective minimale s'élève à 712,98 euros.
§ 3. Pour les élèves attributaires tels que visés à l'article 24, de la troisième année d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire technique à temps plein et de l'enseignement secondaire professionnel à temps plein, le montant total de l'allocation de participation sélective s'élève à :
1° 1861,09 euros pour les élèves internes ;
2° 1132,07 euros pour les élèves externes.
L'allocation de participation sélective exceptionnelle pour les élèves externes s'élève à 1329,23 euros.
L'allocation de participation sélective minimale s'élève à :
1° 725,16 euros pour les élèves internes ;
2° 280,60 euros pour les élèves externes.
§ 4. Pour les élèves attributaires tels que visés à l'article 24, dans l'enseignement secondaire à temps plein, autres que les élèves visés aux paragraphes 2 et 3, l'allocation de participation sélective totale s'élève à :
1° 1550,86 euros pour les élèves internes ;
2° 943,30 euros pour les élèves externes.
L'allocation de participation sélective exceptionnelle pour les élèves externes s'élève à [1 1.107,57]1 euros.
L'allocation de participation sélective minimale s'élève à :
1° 604,31 euros pour les élèves internes ;
2° 233,75 euros pour les élèves externes.
§ 5. Pour les élèves attributaires tels que visés à l'article 24, dans le système d'apprentissage et de travail tel que visé au décret du 10 juillet 2008 relatif au système d'apprentissage et de travail en Communauté flamande, l'allocation de participation sélective totale s'élève à 537,45 euros.
L'allocation de participation sélective exceptionnelle s'élève à 693,34 euros.
L'allocation de participation sélective minimale s'élève à 196,55 euros.
§ 6. Pour les élèves attributaires tels que visés à l'article 24, inscrits dans la formation de Nursing de l'enseignement supérieur professionnel[2 ou dans la formation de Soins infirmiers de base de l'enseignement supérieur professionnel HBO-5]2, l'allocation de participation sélective totale s'élève à :
1° 3640,66 euros pour les élèves internes ;
2° 1212,27 euros pour les élèves externes.
L'allocation de participation sélective minimale s'élève à 829,80 euros.
§ 7. Le montant final de l'allocation de participation sélective est arrondi à deux chiffres après la virgule.
Titel 2. - Selectieve participatietoeslagen student
Titre 2. - Allocations de participation sélectives d'étudiant
Art. 49. Een selectieve participatietoeslag student wordt toegekend aan de student aan wie, overeenkomstig het decreet van 8 juni 2007, een studietoelage voor hoger onderwijs wordt toegekend.
De Vlaamse Regering kan ook nadere regels met betrekking tot de selectieve participatietoeslagen student nader bepalen.
Art. 49. Une allocation de participation sélective d'étudiant est accordée à l'étudiant auquel une allocation d'études supérieures est accordée conformément au décret du 8 juin 2007.
Le Gouvernement peut également arrêter des modalités relatives aux allocations de participation sélectives d'étudiant.
Art. 50. Een student als vermeld in artikel 49, eerste lid, heeft recht op een jaarlijkse selectieve participatietoeslag van 50 euro.
Art. 50. Un étudiant tel que visé à l'article 49, alinéa 1er, a droit à une allocation de participation sélective annuelle de 50 euros.
Deel 3. - Andere toelagen
Partie 3. - Autres allocations
Titel 1. - Kinderopvangtoeslag
Titre 1. - Allocation pour accueil d'enfants
HOOFDSTUK 1. - Rechthebbend kind
CHAPITRE 1er. - Enfant attributaire
Art. 51. Een kinderopvangtoeslag wordt toegekend aan het kind:
1° dat de Belgische nationaliteit heeft, of het kind van wie het bewijs niet geleverd wordt dat het de Belgische nationaliteit bezit, dat toegelaten of gemachtigd is om in het Rijk te verblijven of er zich te vestigen overeenkomstig de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. [1 Voor de toepassing van dit decreet vormt een attest van immatriculatie geen toelating of machtiging in de zin van deze bepaling]1;
2° tot het naar de kleuterschool gaat;
3° dat overeenkomstig het decreet van 20 april 2012 houdende de organisatie van kinderopvang van baby's en peuters wordt opgevangen op een door de Vlaamse Gemeenschap vergunde opvangplaats, waarbij de organisator niet werkt met het systeem inkomenstarief, vermeld in artikel 27 tot en met 36/1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 november 2013 houdende de subsidies en de eraan gekoppelde voorwaarden voor de realisatie van specifieke dienstverlening door gezinsopvang en groepsopvang van baby's en peuters.
De Vlaamse Regering kan algemene vrijstellingen van het eerste lid, 1°, bepalen.
Art. 51. Une allocation pour accueil d'enfants est accordée à l'enfant :
1° qui a la nationalité belge, ou l'enfant dont la preuve n'est pas fournie qu'il a la nationalité belge, qui est admis ou autorisé à séjourner dans le Royaume ou à s'y établir conformément à la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers. [1 Pour l'application du présent décret, une attestation d'immatriculation ne vaut pas admission ou autorisation de séjour au sens de la présente disposition]1;
2° jusqu'à ce qu'il va à l'école maternelle ;
3° qui, conformément au décret du 20 avril 2012 portant organisation de l'accueil de bébés et de bambins, est accueilli à une place d'accueil d'enfants autorisée par la Communauté flamande, où l'organisateur n'adopte pas le système du tarif sur la base des revenus, visé aux articles 27 à 36/1 inclus de l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 novembre 2013 relatif aux subventions et aux conditions y afférentes pour la réalisation de services spécifiques par l'accueil familial et l'accueil en groupe de bébés et de bambins.
Le Gouvernement flamand peut déterminer des exemptions générales à l'alinéa 1er, 1°.
HOOFDSTUK 2. - Bedrag
CHAPITRE 2. - Montant
Art. 52. Een kinderopvangtoeslag van 3,17 euro per kinderopvangdag wordt toegekend aan een rechthebbend kind als vermeld in [1 artikel 51]1.
De organisatoren, vermeld in artikel 51, eerste lid, 3°, bezorgen, met het oog op de berekening van de kinderopvangtoeslagen, de nodige gegevens aan [2 het agentschap Opgroeien regie]2.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot de toeslag, vermeld in het eerste lid, inclusief voor welk dagdeel van een kinderopvangdag een kinderopvangtoeslag wordt toegekend. De Vlaamse Regering bepaalt ook de nadere regels van de gegevensverzameling en de gegevensoverdracht door de organisatoren, vermeld in het tweede lid.
Art. 52. Une allocation pour accueil d'enfants de 3,17 euros par jour d'accueil d'enfants est accordée à un enfant attributaire tel que visé à l'[1 article 51]1.
Les organisateurs visés à l'article 51, alinéa 1er, 3°, transmettent les données nécessaires à [2 l'agence Grandir régie]2 en vue du calcul des allocations pour accueil d'enfants.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités relatives à l'allocation, visée à l'alinéa 1er, y compris la partie de journée d'un jour d'accueil d'enfants pour laquelle une allocation pour accueil d'enfants est accordée. Le Gouvernement flamand arrête également les modalités relatives à la collecte et le transfert de données par les organisateurs, visés à l'alinéa deux.
Titel 2. - Kleutertoeslagen
Titre 2. - Allocations de jeune enfant
HOOFDSTUK 1. - Rechthebbende leerling
CHAPITRE 1er. - Elève attributaire
Art. 53. Een kleutertoeslag wordt toegekend aan de leerling die aan al de volgende voorwaarden voldoet:
1° de leerling heeft de Belgische nationaliteit, of de leerling van wie het bewijs niet geleverd wordt dat hij de Belgische nationaliteit bezit, toegelaten of gemachtigd is om in het Rijk te verblijven of er zich te vestigen overeenkomstig de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. [1 Voor de toepassing van dit decreet vormt een attest van immatriculatie geen toelating of machtiging in de zin van deze bepaling]1;
2° de leerling is ingeschreven in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor gewoon of buitengewoon kleuteronderwijs, als de leerling gerechtigd is dat onderwijs te volgen overeenkomstig het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997.
De Vlaamse Regering kan algemene vrijstellingen van het eerste lid, 1°, bepalen.
De Vlaamse Regering bepaalt de verdere voorwaarden waaronder de kleutertoeslagen worden toegekend, inclusief het uitbetalingstijdstip, en bepaalt de nadere regels met betrekking tot deze toeslagen.
Art. 53. Une allocation de jeune enfant est accordée à l'élève qui remplit toutes les conditions suivantes :
1° l'élève a la nationalité belge, ou l'élève dont la preuve n'est pas fournie qu'il a la nationalité belge, est admis ou autorisé à séjourner dans le Royaume ou à s'y établir conformément à la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers. [1 Pour l'application du présent décret, une attestation d'immatriculation ne vaut pas admission ou autorisation de séjour au sens de la présente disposition]1 ;
2° l'élève est inscrit dans un établissement d'enseignement maternel ordinaire ou spécial, agréé, financé ou subventionné par la Communauté flamande, si l'élève est autorisé à suivre cet enseignement conformément au décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental.
Le Gouvernement flamand peut déterminer des exemptions générales à l'alinéa 1er, 1°.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités relatives à l'octroi des allocations de jeune enfant, y compris le moment de paiement, et arrête les modalités relatives à ces allocations.
HOOFDSTUK 2. - Bedrag
CHAPITRE 2. - Montant
Art. 54. Een kleutertoeslag van 130 euro wordt toegekend aan een rechthebbende leerling als vermeld in artikel 53, die twee jaar is op 31 december van het kalenderjaar vóór het jaar waarin de toeslag verschuldigd is, als de leerling, uiterlijk twee maanden nadat hij de leeftijd van drie jaar heeft bereikt, ingeschreven is bij een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor kleuteronderwijs.
Art. 54. Une allocation de jeune enfant de 130 euros est accordée à un élève attributaire tel que visé à l'article 53, qui a deux ans le 31 décembre de l'année calendaire précédant l'année pendant laquelle l'allocation est due, si l'élève est inscrit, au plus tard deux mois après avoir atteint l'âge de trois ans, dans un établissement d'enseignement maternel agréé, financé ou subventionné par la Communauté flamande.
Art. 55. § 1. Een kleutertoeslag van 130 euro wordt toegekend aan een rechthebbende leerling als vermeld in artikel 53, die drie jaar is op 31 december van het kalenderjaar vóór het jaar waarin de toeslag verschuldigd is, op voorwaarde dat de inschrijving, vermeld in artikel 54, behouden blijft voor de leerling, en op voorwaarde dat het bewijs van voldoende aanwezigheid in een betrokken schooljaar geleverd wordt, zoals nader bepaald in [1 artikel 27, § 2, 1°, 2°, en § 3, § 4, § 5 en § 6]1.
[2 De inschrijving, vermeld in het eerste lid, wordt gecontroleerd op de dag dat de leerling vier jaar wordt. Als de leerling op dat moment niet ingeschreven is in het kleuteronderwijs, wordt de leerling geacht aan de voorwaarden te voldoen als de leerling uiterlijk 21 kalenderdagen na de uitschrijving die op dat ogenblik geldt, opnieuw ingeschreven is in het kleuteronderwijs.]2
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 wordt aan een rechthebbende leerling als vermeld in artikel 53, die drie jaar is op 31 december 2018, een kleutertoeslag van 130 euro toegekend, op voorwaarde dat hij in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor kleuteronderwijs is ingeschreven.
Art. 55. § 1er. Une allocation de jeune enfant de 130 euros est accordée à un élève attributaire tel que visé à l'article 53, qui a trois ans le 31 décembre de l'année calendaire précédant l'année calendaire pendant laquelle l'allocation est due, à condition que l'inscription visée à l'article 54 reste maintenue pour l'élève, et à condition que la preuve de présence suffisante dans une année scolaire concernée soit fournie, telle que prévue par [1 l'article 27, § 2, 1°, 2°, et §§ 3, 4, 5 et 6]1.
[2 L'inscription visée à l'alinéa 1er est contrôlée le jour où l'élève atteint l'âge de quatre ans. Si l'élève n'est pas inscrit dans l'enseignement maternel à ce moment-là, il est censé remplir les conditions s'il est réinscrit dans l'enseignement maternel au plus tard 21 jours calendaires après la désinscription en vigueur à ce moment-là.]2
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, une allocation de jeune enfant de 130 euros est accordée à un élève attributaire tel que visé à l'article 53, qui a trois ans le 31 décembre 2018, à condition qu'il soit inscrit dans un établissement d'enseignement maternel agréé, financé ou subventionné par la Communauté flamande.
Art. 56. § 1. Om het recht op een kleutertoeslag als vermeld in artikel 54 en 55, vast te stellen, meldt het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming aan [2 het agentschap Opgroeien regie]2:
1° welke leerlingen zijn ingeschreven in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor kleuteronderwijs;
2° de datum van de inschrijving;
3° welke leerlingen zijn ingeschreven op de laatste schooldag van juni;
4° of het bewijs van voldoende aanwezigheid in het betrokken schooljaar geleverd is, zoals nader bepaald in [1 artikel 27, § 2, 1°, 2°, en § 3, § 4, § 5 en § 6]1.
§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de gegevens, vermeld in paragraaf 1, moeten worden meegedeeld.
Art. 56. § 1er. Pour établir le droit à une allocation de jeune enfant telle que visée aux articles 54 et 55, le Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation communique à [2 l'agence Grandir régie]2 :
1° quels sont les élèves inscrits dans un établissement d'enseignement maternel agréé, financé ou subventionné par la Communauté flamande ;
2° la date d'inscription ;
3° quels sont les élèves inscrits le dernier jour de classe de juin ;
4° si la preuve de présence suffisante dans l'année scolaire concernée est fournie, telle que fixée à [1 l'article 27, § 2, 1°, 2°, et §§ 3, 4, 5 et 6]1.
§ 2. Le Gouvernement flamand arrête le mode de communication des données visées au § 1er.
Titel 3. [1 - Ondersteuningstoeslag]1
Titre 3. [1 - Supplément de soutien]1
Art.56/1.[1 Een kind geeft recht op een ondersteuningstoeslag als het aan al de volgende voorwaarden voldoet:
1° het kind heeft de Belgische nationaliteit of het kind van wie het bewijs niet geleverd wordt dat het de Belgische nationaliteit bezit, is toegelaten of gemachtigd om in het Rijk te verblijven of er zich te vestigen conform de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. [2 Voor de toepassing van dit decreet vormt een attest van immatriculatie geen toelating of machtiging in de zin van deze bepaling]2;
2° het kind heeft zijn woonplaats in het Nederlandse taalgebied of het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad;
3° het kind heeft een zorgbehoefte die voortvloeit uit een aandoening die gevolgen heeft voor hemzelf op het vlak van lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid of op het vlak van activiteit en participatie, of die gevolgen heeft voor zijn familiale omgeving.
Het kind dat zijn woonplaats heeft in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, vermeld in het eerste lid, 2°, dient een schriftelijk verzoek tot toekenning van de ondersteuningstoeslag in bij een uitbetalingsactor.
Het rechtgevend kind, vermeld in het eerste lid, geeft recht op een ondersteuningstoeslag tot en met de maand waarin het kind 21 jaar wordt, overeenkomstig de door de Vlaamse Regering bepaalde voorwaarden. De Vlaamse Regering kan op deze leeftijdsvoorwaarde vrijstellingen voorzien.
Een ondersteuningstoeslag van 300 euro per maand wordt toegekend aan het rechtgevend kind, vermeld in het eerste lid.
De Vlaamse Regering bepaalt:
1° de nadere voorwaarden voor de toekenning en schorsing van de ondersteuningstoeslag;
2° de procedure voor de vaststelling van de zorgbehoefte;
3° wie de ernst van de zorgbehoefte vaststelt;
4° de duurtijd waarvoor de ondersteuningstoeslag wordt toegekend.
De Vlaamse Regering kan algemene vrijstellingen van het eerste lid, 1°, bepalen.]1

Art.56/1.[1 Un enfant donne droit à un supplément de soutien lorsqu'il répond à toutes les conditions suivantes :
1° l'enfant a la nationalité belge, ou l'enfant dont la preuve n'est pas fournie qu'il a la nationalité belge, est admis ou autorisé à séjourner dans le Royaume ou à s'y établir conformément à la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers. [2 Pour l'application du présent décret, une attestation d'immatriculation ne vaut pas admission ou autorisation de séjour au sens de la présente disposition]2 ;
2° l'enfant à son domicile dans la région de langue néerlandaise ou dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale ;
3° l'enfant a un besoin de soins qui résulte d'une affection qui a des conséquences pour lui-même, au niveau d'une incapacité physique ou mentale, ou au niveau de l'activité et de la participation ou pour son environnement familial.
L'enfant qui a son domicile dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale, visé à l'alinéa 1er, 2°, introduit une demande écrite d'octroi du supplément de soutien auprès d'un acteur de paiement.
L'enfant bénéficiaire, visé à l'alinéa 1er, donne droit à un supplément de soutien jusqu'au mois auquel l'enfant atteint l'âge de 21 ans, conformément aux conditions fixées par le Gouvernement flamand. Le Gouvernement flamand peut prévoir des exemptions quant à cette condition d'âge.
Un supplément de soutien de 300 euros par mois est accordé à l'enfant bénéficiaire, visé à l'alinéa 1er.
Le Gouvernement flamand arrête :
1° les modalités relatives à l'octroi et à la suspension du supplément de soutien ;
2° la procédure de constatation du besoin de soins ;
3° la personne constatant la gravité du besoin de soins ;
4° la durée pour laquelle le supplément de soutien est octroyé.
Le Gouvernement flamand peut déterminer des exemptions générales de l'alinéa 1er, 1°.]1

Deel 4. - Begunstigden
Partie 4. - Bénéficiaires
Titel 1. - Aanwijzing van begunstigden van toelagen in het kader van het gezinsbeleid
Titre 1. - Désignation des bénéficiaires des allocations dans le cadre de la politique familiale
HOOFDSTUK 1. - Gezinsbijslagen
CHAPITRE 1er. - Allocations familiales
Art. 57. § 1. Beide ouders van het rechtgevende kind worden aangewezen als begunstigden van de gezinsbijslagen, vermeld in deel 1 van boek 2.
§ 2. Slechts één van de ouders wordt aangewezen als begunstigde van de gezinsbijslagen, vermeld in deel 1 van boek 2, in de volgende situaties:
1° de overlevende ouder als één ouder overleden is;
2° de ouder met exclusief ouderlijk gezag;
3° de aanwezige ouder als ten aanzien van één ouder een vermoeden van afwezigheid als vermeld in artikel 112 van het Burgerlijk Wetboek, is vastgesteld door de vrederechter;
4° de niet uit de ouderlijke macht ontzette ouder als een van de ouders uit de ouderlijke macht is ontzet;
5° de bekende ouder als één ouder niet bekend is;
[1 6° de ouder die de bevoegde rechtbank daarvoor aanwijst in het belang van het kind.]1
§ 3. Het rechtgevende kind is de begunstigde van de gezinsbijslagen, vermeld in deel 1 van boek 2:
1° als het gehuwd is;
2° als het ontvoogd is of de leeftijd van zestien jaar bereikt heeft, en als het zijn woonplaats niet bij zijn ouders of werkelijke opvoeders heeft. Aan die laatste voorwaarde is voldaan als het kind beschikt over een afzonderlijke woonplaats, namelijk de plaats die als hoofdverblijf is ingeschreven in de bevolkingsregisters overeenkomstig artikel 32, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek, of als met officiële documenten wordt aangetoond dat de gegevens in de bevolkingsregisters niet of niet meer overeenstemmen met de realiteit;
3° als het zelf begunstigde is voor een of meer van zijn kinderen.
[2 4° als het een niet-begeleide minderjarige is als vermeld in titel XIII, hoofdstuk VI, van de Programmawet (I) van 24 december 2002, als er geen werkelijke opvoeder kan worden aangewezen conform artikel 59 van dit decreet.]2
[3 ...]3
[3 ...]3
Het rechtgevende kind, vermeld in het eerste lid, is rechtsbekwaam om zelf als eiser of verweerder in rechte op te treden in de geschillen over zijn rechten op de gezinsbijslagen, vermeld in deel 1 van boek 2 [4 , met behoud van toepassing van artikel 9, § 1, van titel XIII, hoofdstuk VI, van de Programmawet (I) van 24 december 2002]4 .
Art. 57. § 1er. Les deux parents de l'enfant bénéficiaire sont désignés comme bénéficiaires des allocations familiales, visées à la partie 1 du livre 2.
§ 2. Seul un parent est désigné comme bénéficiaire des allocations familiales, visées à la partie 1 du livre 2, dans une des situations suivantes :
1° le parent survivant si un des parents est décédé ;
2° le parent exerçant l'autorité parentale exclusive ;
3° le parent présent si une présomption d'absence, telle que visée à l'article 112 du Code Civil, a été constatée par le juge de paix à l'égard d'un des parents ;
4° le parent non déchu de l'autorité parentale si un des parents est déchu de l'autorité parentale ;
5° le parent connu si un des parents n'est pas connu;
[1 6° le parent que le tribunal compétent désigne à cet effet dans l'intérêt de l'enfant.]1
§ 3. L'enfant bénéficiaire est le bénéficiaire des allocations familiales, visées à la partie 1 du livre 2 :
1° s'il est marié ;
2° s'il est émancipé ou a atteint l'âge de seize ans, et s'il n'a pas son domicile auprès de ses parents ou éducateurs réels. Cette dernière condition est remplie si l'enfant dispose d'un domicile distinct, à savoir le lieu qui est inscrit comme résidence principale aux registres de la population conformément à l'article 32, 3°, du Code judiciaire, ou si des documents officiels démontrent que les données des registres de la population ne correspondent pas ou plus avec la réalité ;
3° s'il est lui-même bénéficiaire pour un ou plusieurs de ses enfants.
[2 4° s'il est un mineur non accompagné tel que visé au titre XIII, chapitre VI, de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, si un éducateur réel ne peut pas être désigné conformément à l'article 59 du présent décret.]2
[3 ...]3.
[3 ...]3.
L'enfant bénéficiaire visé à l'alinéa 1er a la capacité juridique [4 d'ester lui-même en justice en tant que demandeur ou défendeur ]4 dans des litiges sur ses droits aux allocations familiales, visées à la partie 1 du livre 2 [4 , sans préjudice de l'application de l'article 9, § 1er, du titre XIII, chapitre VI, de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002]4.
Art. 58. § 1. Bij een gelijkmatig verdeelde huisvesting van het rechtgevende kind bij beide ouders wordt de helft van de sociale toeslag in het kader van de gezinsbijslagen, vermeld in artikel 18, [1 en de helft van de universele participatietoeslag, vermeld in artikel 19 tot en met 22,]1 toegekend aan elke ouder die een gezin vormt met het rechtgevende kind dat aan de toekenningsvoorwaarden van de sociale toeslag [1 of de universele participatietoeslag]1 voldoet.
§ 2. Bij een ongelijkmatig verdeelde huisvesting van het rechtgevende kind bij beide ouders wordt de sociale toeslag in het kader van de gezinsbijslagen, vermeld in artikel 18, [1 de universele participatietoeslag, vermeld in artikel 19 tot en met 22,]1 volledig toegewezen aan de ouder bij wie het rechtgevende kind voor meer dan de helft van de tijd verblijft.
§ 3. Een afwijking van de voorgaande paragrafen is mogelijk nadat de bevoegde rechtbank daarover een uitspraak in het belang van het kind heeft gedaan. De meest gerede partij bezorgt de gerechtelijke uitspraak aan de uitbetalingsactor.
Art. 58. § 1er. En cas de logement équitablement réparti de l'enfant bénéficiaire chez les deux parents, la moitié [1 du supplément social ou de l'allocation de participation universelle]1 dans le cadre des allocations familiales, visé à l'article 18, [1 et la moitié de l'allocation de participation universelle, visée aux articles 19 à 22,]1 [1 sont accordées]1 à chaque parent qui constitue un ménage avec l'enfant bénéficiaire qui répond aux conditions d'octroi du supplément social.
§ 2. En cas de logement inéquitablement réparti de l'enfant bénéficiaire chez les deux parents, le supplément social dans le cadre des allocations familiales, visé à l'article 18, [1 l'allocation de participation universelle, visée à l'article 19 à 22,]1 [1 sont attribués]1 entièrement au parent chez qui l'enfant bénéficiaire séjourne pendant plus de la moitié du temps.
§ 3. Une dérogation aux paragraphes précédents est possible après un prononcé à ce sujet du tribunal compétent dans l'intérêt de l'enfant. La partie la plus diligente transmet le prononcé judiciaire à l'acteur de paiement.
Art. 59. § 1. Als één ouder of beide ouders, als begunstigden van de gezinsbijslagen, vermeld in deel 1 van boek 2, het rechtgevende kind niet hoofdzakelijk opvoedt of opvoeden, kan de werkelijke opvoeder of kunnen twee werkelijke opvoeders de begunstigde of begunstigden voor het rechtgevende kind worden.
Er ontstaat een weerlegbaar vermoeden van hoofdzakelijke opvoeding als het kind zijn woonplaats heeft bij de werkelijke opvoeder of bij de werkelijke opvoeders.
De werkelijke opvoeder kan of de twee werkelijke opvoeders kunnen worden aangewezen door een tussenkomst van een publiekrechtelijke overheid of instelling, of door een uitspraak van de bevoegde rechtbank. De meest gerede partij bezorgt de gerechtelijke uitspraak aan de uitbetalingsactor.
§ 2. Als een rechtgevend kind door bemiddeling of ten laste van een openbare overheid in een pleeggezin wordt geplaatst overeenkomstig artikel 2, 6° en 7°, van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van de pleegzorg, wordt de pleegzorger, vermeld in artikel 2, 12°, van hetzelfde decreet, gezien als de werkelijke opvoeder voor de gezinsbijslagen, vermeld in deel 1 van boek 2.
De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen om bijkomend een andere persoon aan te duiden als begunstigde.
Art. 59. § 1er. Si un parent ou les deux parents, en tant que bénéficiaires des allocations familiales, visées à la partie 1 du livre 2, n'éduque ou n'éduquent pas principalement l'enfant bénéficiaire, l'éducateur réel ou deux éducateurs réels peuvent devenir le bénéficiaire ou les bénéficiaires pour l'enfant bénéficiaire.
Une présomption réfutable d'éducation principale naît si l'enfant a son domicile auprès de l'éducateur réel ou des éducateurs réels.
L'éducateur réel ou les deux éducateurs réels peuvent être désignés par une intervention d'une autorité ou d'un organisme de droit public, ou par un prononcé du tribunal compétent. La partie la plus diligente transmet le prononcé judiciaire à l'acteur de paiement.
§ 2. Si un enfant bénéficiaire est placé dans une famille d'accueil par l'intermédiaire ou à charge d'une autorité publique conformément à l'article 2, 6° et 7°, du décret du 29 juin 2012 portant organisation du placement familial, l'accueillant visé à l'article 2, 12°, du même décret, est considéré comme l'éducateur réel pour les allocations familiales, visées à la partie 1 du livre 2.
Le Gouvernement flamand peut arrêter des modalités pour désigner une autre personne supplémentaire comme bénéficiaire.
Art. 60. De Vlaamse Regering bepaalt welke personen als begunstigden worden aangewezen als een rechtgevend kind verdwenen is of het voorwerp uitmaakt van een ontvoering.
Art. 60. Le Gouvernement flamand détermine les personnes qui sont désignées comme bénéficiaires si un enfant bénéficiaire a disparu ou fait l'objet d'un enlèvement.
Art. 61. Iedere wijziging van de begunstigden die zich voordoet in de loop van een maand, heeft uitwerking vanaf de eerste dag van de maand na de maand waarin de wijziging plaatsvond.
Art. 61. Toute modification des bénéficiaires qui se produit au cours d'un mois, produit ses effets à partir du premier jour du mois suivant le mois auquel la modification avait lieu.
Art.61/1. [1 In afwijking van dit hoofdstuk kan de bevoegde rechtbank begunstigden aanwijzen. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de aanwijzing van de begunstigden van een derde van de gezinsbijslagen, vermeld in artikel 68, § 2/1, eerste lid.]1
Art.61/1. [1 Par dérogation au présent chapitre, le tribunal compétent peut désigner des bénéficiaires. Le Gouvernement flamand peut arrêter des modalités relatives à la désignation des bénéficiaires d'un tiers des allocations familiales, visé à l'article 68, § 2/1, alinéa 1er.]1
HOOFDSTUK 2. - Selectieve participatietoeslagen en andere toelagen
CHAPITRE 2. - Allocations de participation sélectives et autres allocations
Art. 62. De selectieve participatietoeslagen leerling, vermeld in boek 2, deel 2, titel 1, worden toegekend aan de rechthebbende leerling.
De selectieve participatietoeslagen student, vermeld in boek 2, deel 2, titel 2, worden toegekend aan de rechthebbende student.
Art. 62. Les allocations de participation sélectives d'élève, visées au livre 2, partie 2, titre 1er, sont accordées à l'élève attributaire.
Les allocations de participation sélectives d'étudiant, visées au livre 2, partie 2, titre 2, sont accordées à l'étudiant attributaire.
Art. 63. De andere toelagen, vermeld in boek 2, deel 3, worden toegekend aan het rechthebbende kind of de rechthebbende leerling.
[1 In afwijking van het eerste lid wordt de ondersteuningstoeslag toegekend conform artikel 57, 59 en 61.]1
Art. 63. Les autres allocations, visées au livre 2, partie 3, sont accordées à l'enfant attributaire ou à l'élève attributaire.
[1 Par dérogation à l'alinéa 1er, le supplément de soutien est accordé conformément aux articles 57, 59 et 61.]1
Titel 2. - Uitbetalingsregels voor de toelagen in het kader van het gezinsbeleid
Titre 2. - Règles de paiement pour les allocations dans le cadre de la politique familiale
HOOFDSTUK 1. - Gezinsbijslagen
CHAPITRE 1er. - Allocations familiales
Art. 64. § 1. Als één persoon als begunstigde van de gezinsbijslagen, vermeld in deel 1 van boek 2, wordt aangewezen, wijst die begunstigde voor de uitbetaling van de toelagen een uitbetalingsactor naar keuze aan en geeft hij een bankrekening op aan de gekozen uitbetalingsactor.
De keuze van uitbetalingsactor en de opgave van de bankrekening door de begunstigde, vermeld in het eerste lid, gelden voor alle toelagen in het kader van het gezinsbeleid die aan hem worden uitbetaald. De keuze geldt voor alle kinderen van de begunstigde.
§ 2. De begunstigde kan met een schriftelijk verzoek de uitbetalingsactor of de bankrekening wijzigen.
Het verzoek tot wijziging van uitbetalingsactor is alleen ontvankelijk als er een minimale aansluiting van één jaar bij de actieve uitbetalingsactor is. De wijziging van uitbetalingsactor gaat in vanaf het eerste kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin een ontvankelijk wijzigingsverzoek is ingediend.
De wijziging van bankrekening gaat ten laatste in vanaf de maand die volgt op de maand waarin de wijziging schriftelijk is doorgegeven.
§ 3. Een afwijking van de voorgaande paragrafen is mogelijk nadat de bevoegde rechtbank daarover een uitspraak in het belang van het kind heeft gedaan. De bevoegde rechtbank kan in het belang van het kind oordelen dat de hele gezinsbijslag of een deel ervan wordt uitbetaald op een rekeningnummer dat op naam van het rechtgevende kind staat. De meest gerede partij bezorgt de gerechtelijke uitspraak aan de uitbetalingsactor.
§ 4. Een wijziging van uitbetalingsactor heeft geen gevolgen voor een openstaande schuld bij de actieve uitbetalingsactor. De openstaande schuld volgt de wijziging van uitbetalingsactor. Bij verschillende schulden primeert de oudste schuld.
§ 5. Als de begunstigde geen uitbetalingsactor aanwijst, vóór de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de gebeurtenis die aanleiding geeft tot het openen van het recht zich voordoet, neemt het agentschap de betaling van de betrokken toelagen vanaf die maand op.
De begunstigde wordt door het agentschap op de hoogte gebracht dat hij gedurende een termijn van drie maanden na de maand waarin de betrokken gebeurtenis zich voordeed, de keuze kan kenbaar maken om aan te sluiten bij een uitbetalingsactor. Deze uitbetalingsactor neemt de betalingen over van het agentschap de maand nadat de begunstigde zijn keuze heeft gemaakt. Indien het agentschap binnen die termijn als uitbetalingsactor wordt gekozen, zet zij de betalingen verder.
Indien de begunstigde niet binnen de in het eerste lid vermelde periode een keuze voor een uitbetalingsactor heeft gemaakt, wordt de begunstigde van rechtswege aangesloten bij het agentschap. De aansluiting van rechtswege heeft dezelfde gevolgen als vermeld in paragraaf 2, tweede lid.
§ 6. De Vlaamse Regering legt de nadere regels vast met betrekking tot de eerste uitbetalingen en de keuze van de bankrekening en bepaalt de voorwaarden voor de keuze van uitbetalingsactor, de mogelijke aansluiting van rechtswege en voor de overdracht tussen uitbetalingsactoren.
Art. 64. § 1er. Si une personne est désignée comme bénéficiaire des allocations familiales, visées à la partie 1 du livre 2, ce bénéficiaire désigne un acteur de paiement au choix pour le paiement des allocations, et communique un compte bancaire à l'acteur de paiement choisi.
Le choix de l'acteur de paiement et la communication du compte bancaire par le bénéficiaire, visés à l'alinéa 1er, valent pour toutes les allocations dans le cadre de la politique familiale qui lui sont payées. Le choix vaut pour tous les enfants du bénéficiaire.
§ 2. Le bénéficiaire peut modifier l'acteur de paiement ou le compte bancaire par demande écrite.
La demande de modification de l'acteur de paiement n'est recevable qu'en cas d'une affiliation minimale d'un an à l'acteur de paiement actif. La modification d'acteur de paiement commence à partir du premier trimestre suivant le trimestre auquel une demande de modification recevable est introduite.
La modification de compte bancaire commence à partir du mois suivant le mois auquel la modification est communiquée par écrit.
§ 3. Une dérogation aux paragraphes précédents est possible après un prononcé à ce sujet du tribunal compétent dans l'intérêt de l'enfant. Le tribunal compétent peut décider dans l'intérêt de l'enfant que la totalité ou une partie des allocations familiales sont payées sur un numéro de compte au nom de l'enfant bénéficiaire. La partie la plus diligente transmet le prononcé judiciaire à l'acteur de paiement.
§ 4. Une modification d'acteur de paiement n'a pas de conséquences pour une dette non réglée auprès de l'acteur de paiement actif. La dette non réglée suit la modification d'acteur de paiement. En cas de plusieurs dettes, la dette la plus ancienne prévaut.
§ 5. Si le bénéficiaire ne désigne pas d'acteur de paiement avant le premier jour du mois suivant le mois auquel l'évènement donnant lieu à l'ouverture du droit se produit, l'agence assume le paiement des allocations concernées à partir de ce mois.
Le bénéficiaire est informé par l'agence qu'il peut faire connaître son choix d'affiliation à un acteur de paiement pendant un délai de trois mois après le mois auquel l'évènement concerné se produisait. Cet acteur de paiement reprend les paiements de l'agence le mois après que le bénéficiaire a fait son choix. Si l'agence est choisie comme acteur de paiement dans ce délai, elle continue les paiements.
Si le bénéficiaire n'a pas fait de choix d'un acteur de paiement dans le délai visé à l'alinéa 1er, le bénéficiaire est affilié de plein droit à l'agence. L'affiliation de plein droit a les mêmes conséquences que celles visées au paragraphe 2, alinéa 2.
§ 6. Le Gouvernement flamand arrête les modalités relatives aux premiers paiements et au choix du compte bancaire, et détermine les conditions pour le choix d'acteur de paiement, l'affiliation de plein droit éventuelle et pour le transfert entre acteurs de paiement.
Art. 65. § 1. Als twee personen als begunstigden van de gezinsbijslagen, vermeld in deel 1 van boek 2, worden aangewezen, bepalen die begunstigden samen welke uitbetalingsactor de toelagen uitbetaalt.
De begunstigden bepalen ook samen aan wie van hen de toelagen, vermeld in het eerste lid, worden uitbetaald door de gekozen uitbetalingsactor. De toelagen kunnen worden uitbetaald aan hen samen of aan een van hen. Ze geven daarvoor een bankrekening op.
De keuze van de begunstigden, vermeld in het eerste en tweede lid, geldt voor alle toelagen in het kader van het gezinsbeleid die aan hen worden uitbetaald, en voor alle kinderen waarvoor ze samen begunstigden zijn.
§ 2. De begunstigden kunnen samen met een schriftelijk verzoek de uitbetalingsactor of de bankrekening wijzigen.
Het verzoek tot wijziging van uitbetalingsactor is alleen ontvankelijk als er een minimale aansluiting van één jaar is bij de actieve uitbetalingsactor. De wijziging van uitbetalingsactor gaat in vanaf het eerste kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin een ontvankelijk wijzigingsverzoek is ingediend.
De wijziging van bankrekening gaat ten laatste in vanaf de maand die volgt op de maand waarin de wijziging schriftelijk is doorgegeven.
§ 3. Elk van de begunstigden kan met een schriftelijk verzoek zijn toestemming voor de gekozen uitbetalingsactor of de gekozen bankrekening intrekken.
§ 4. Een wijziging van uitbetalingsactor heeft geen gevolgen voor een openstaande schuld bij de actieve uitbetalingsactor. De openstaande schuld volgt de wijziging van uitbetalingsactor. Bij verschillende schulden primeert de oudste schuld.
§ 5. Als de begunstigden geen uitbetalingsactor aanwijzen, vóór de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de gebeurtenis die aanleiding geeft tot het openen van het recht zich voordoet, neemt het agentschap de betaling van de betrokken toelagen vanaf die maand op. De begunstigden worden door het agentschap op de hoogte gebracht dat zij gedurende een termijn van drie maanden na de maand waarin de betrokken gebeurtenis zich voordeed, de keuze kunnen kenbaar maken om aan te sluiten bij een uitbetalingsactor. Deze uitbetalingsactor neemt de betalingen over van het agentschap de maand nadat de begunstigden hun keuze hebben gemaakt. Indien het agentschap binnen die termijn als uitbetalingsactor wordt gekozen, zet zij de betalingen verder.
Indien de begunstigden niet binnen de in het eerste lid vermelde periode een keuze voor een uitbetalingsactor hebben gemaakt, worden de begunstigden van rechtswege aangesloten bij het agentschap. De aansluiting van rechtswege heeft dezelfde gevolgen als vermeld in paragraaf 2, tweede lid.
Als beide begunstigden niet bepalen op welke bankrekening de toelagen, vermeld in paragraaf 1, aan hen moeten worden uitbetaald vóór de eerste van de maand die volgt op de maand waarin het recht is ontstaan, of als een van beide begunstigden zijn toestemming intrekt, worden de toelagen uitbetaald aan de jongste onder hen. [1 De voormelde jongste begunstigde]1 kan een uitbetalingsactor van zijn keuze aanduiden, onder voorbehoud van het bepaalde inzake de minimale aansluiting van één jaar in paragraaf 2, tweede lid, van dit artikel. [1 De voormelde jongste begunstigde]1 kan daarentegen wel degelijk een nieuw bankrekeningnummer kiezen onder toepassing van paragraaf 2, derde lid.
In afwijking daarvan en met behoud van de toepassing van artikel 67 wordt, als een van de werkelijke opvoeders een pleegzorger is als vermeld in artikel 59, § 2, de toelage, vermeld in paragraaf 1, altijd uitbetaald aan de pleegzorger.
§ 6. De Vlaamse Regering legt de uitvoeringsregels vast voor de eerste uitbetalingen en de keuze van de bankrekening en bepaalt de voorwaarden voor de keuze van uitbetalingsactor, de mogelijke aansluiting van rechtswege en voor de overdracht tussen uitbetalingsactoren.
§ 7. Een afwijking van paragraaf 1, 2 en 5 is mogelijk als de bevoegde rechtbank daarover een uitspraak in het belang van het kind heeft gedaan. De bevoegde rechtbank kan in het belang van het kind oordelen dat de gehele gezinsbijslag of een deel ervan wordt uitbetaald op een rekeningnummer dat op naam van het rechtgevende kind staat. De meest gerede partij bezorgt de gerechtelijke uitspraak aan de uitbetalingsactor.
Art. 65. § 1er. Si deux personnes sont désignées comme bénéficiaires des allocations familiales, visées à la partie 1 du livre 2, ces bénéficiaires déterminent ensemble quel acteur de paiement paie les allocations.
Les bénéficiaires déterminent également ensemble à qui d'entre eux les allocations visées à l'alinéa 1er sont payées par l'acteur de paiement choisi. Les allocations peuvent être payées à eux ensemble ou à un d'entre eux. Ils communiquent un compte bancaire à cet effet.
Le choix des bénéficiaires, visés aux alinéas 1er et 2, vaut pour toutes les allocations dans le cadre de la politique familiale qui leur sont payées, et pour tous les enfants dont ils sont ensemble les bénéficiaires.
§ 2. Les bénéficiaires peuvent modifier ensemble l'acteur de paiement ou le compte bancaire par demande écrite.
La demande de modification de l'acteur de paiement n'est recevable qu'en cas d'une affiliation minimale d'un an à l'acteur de paiement actif. La modification d'acteur de paiement commence à partir du premier trimestre suivant le trimestre auquel une demande de modification recevable est introduite.
La modification de compte bancaire commence à partir du mois suivant le mois auquel la modification est communiquée par écrit.
§ 3. Chacun des bénéficiaires peut retirer par demande écrite son consentement à l'acteur de paiement choisi ou au compte bancaire choisi.
§ 4. Une modification d'acteur de paiement n'a pas de conséquences pour une dette non réglée auprès de l'acteur de paiement actif. La dette non réglée suit la modification d'acteur de paiement. En cas de plusieurs dettes, la dette la plus ancienne prévaut.
§ 5. Si les bénéficiaires ne désignent pas d'acteur de paiement avant le premier jour du mois suivant le mois auquel l'évènement donnant lieu à l'ouverture du droit se produit, l'agence assume le paiement des allocations concernées à partir de ce mois. Les bénéficiaires sont informés par l'agence qu'ils peuvent faire connaître leur choix d'affiliation à un acteur de paiement pendant un délai de trois mois après le mois auquel l'évènement concerné se produisait. Cet acteur de paiement reprend les paiements de l'agence le mois après que les bénéficiaires ont fait leur choix. Si l'agence est choisie comme acteur de paiement dans ce délai, elle continue les paiements.
Si les bénéficiaires n'ont pas fait de choix d'un acteur de paiement dans le délai visé à l'alinéa 1er, les bénéficiaires sont affiliés de plein droit à l'agence. L'affiliation de plein droit a les mêmes conséquences que celles visées au paragraphe 2, alinéa 2.
Si les deux bénéficiaires ne déterminent pas sur quel compte bancaire les allocations visées au paragraphe 1er, leur doivent être payées avant le premier du mois suivant le mois auquel le droit est né, ou si un des deux bénéficiaires retire son consentement, les allocations sont payées au plus jeune d'entre eux. [1 Le bénéficiaire le plus jeune précité]1 peut désigner un acteur de paiement de son choix, sous réserve des dispositions relatives à l'affiliation minimale d'un an, visée au paragraphe 2, alinéa 2, du présent article. [1 Le bénéficiaire le plus jeune précité]1 peut toutefois choisir un nouveau numéro de compte bancaire en application du paragraphe 2, alinéa 3.
Par dérogation à ce qui précède et sans préjudice de l'application de l'article 67, si un des éducateurs réels est un accueillant tel que visé à l'article 59, § 2, l'allocation visée au paragraphe 1er est toujours payée à l'accueillant.
§ 6. Le Gouvernement flamand arrête les règles d'exécution relatives aux premiers paiements et au choix du compte bancaire, et détermine les conditions pour le choix d'acteur de paiement, l'affiliation de plein droit éventuelle et pour le transfert entre acteurs de paiement.
§ 7. Une dérogation aux paragraphes 1, 2 et 5 est possible après un prononcé à ce sujet du tribunal compétent dans l'intérêt de l'enfant. Le tribunal compétent peut décider dans l'intérêt de l'enfant que la totalité ou une partie des allocations familiales sont payées sur un numéro de compte au nom de l'enfant bénéficiaire. La partie la plus diligente transmet le prononcé judiciaire à l'acteur de paiement.
Art. 66. In afwijking van artikel 65, § 1, tweede lid, wordt het startbedrag geboorte, vermeld in artikel 9, uitbetaald aan de zwangere persoon als het startbedrag geboorte wordt uitbetaald vóór de geboorte van een eerste rechtgevend kind bij de personen die begunstigden worden na de geboorte.
[1 Als de aanvraag van het startbedrag geboorte niet door beide begunstigden wordt ondertekend, kunnen de begunstigden in afwijking van artikel 65, § 2, tweede lid, gedurende drie maanden na de geboorte met een schriftelijk verzoek de uitbetalingsactor wijzigen]1.
[1 De wijziging van uitbetalingsactor, vermeld in het tweede lid, gaat in vanaf het eerste kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin een ontvankelijk wijzigingsverzoek is ingediend.]1
Art. 66. Par dérogation à l'article 65, § 1er, alinéa 2, le montant initial naissance, visé à l'article 9, est payé à la personne enceinte si le montant initial naissance est payé avant la naissance d'un premier enfant bénéficiaire chez les personnes qui deviennent bénéficiaires après la naissance.
[1 Si la demande du montant initial naissance n'est pas signée par les deux bénéficiaires, les bénéficiaires peuvent, par dérogation à l'article 65, § 2, alinéa deux, modifier l'acteur de paiement par demande écrite pendant trois mois après la naissance]1.
[1 La modification de l'acteur de paiement, visée à l'alinéa deux, prend cours à partir du premier trimestre qui suit celui de l'introduction d'une demande de modification recevable.]1
Art. 67. Als een pleegzorger als begunstigde is aanwezen als vermeld in artikel 59, § 2, maar die pleegzorg geen perspectiefbiedende pleegzorg betreft als vermeld in artikel 2, 6°, van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van de pleegzorg, wordt de pleegzorgtoeslag uitbetaald aan de persoon die voorafgaandelijk aan de plaatsing van het rechtgevende kind in de pleegzorg de gezinsbijslagen, vermeld in deel 1 van boek 2, ontving.
Een afwijking van het voorgaande lid is mogelijk nadat de bevoegde rechtbank een uitspraak heeft gedaan [1 of de plaatsende overheid een andersluidende beslissing heeft genomen]1 over de bestemming van de pleegzorgtoeslag aan een andere persoon dan deze aangeduid in het eerste lid, in het belang van het kind. De meest gerede partij bezorgt de gerechtelijke uitspraak aan de uitbetalingsactor.
Art. 67. Si un accueillant est désigné comme bénéficiaire tel que visé à l'article 59, § 2, mais ce placement familial ne concerne pas de placement familial offrant une perspective tel que visé à l'article 2, 6°, du décret du 29 juin 2012 portant organisation du placement familial, l'allocation de placement familial est payée à la personne qui, préalablement au placement de l'enfant bénéficiaire, recevait les allocations familiales visées à la partie 1 du livre 2.
Une dérogation à l'alinéa précédent est possible après un prononcé du tribunal compétent [1 ou une décision contraire de l'autorité responsable du placement]1 sur la destination de l'allocation de placement familial à une autre personne que celle désignée à l'alinéa 1er, dans l'intérêt de l'enfant. La partie la plus diligente transmet le prononcé judiciaire à l'acteur de paiement.
Art. 68. § 1. Als een rechtgevend kind door bemiddeling of ten laste van een openbare overheid in een instelling wordt geplaatst, wordt de uitbetaling van de gezinsbijslagen, vermeld in deel 1 van boek 2, met uitzondering van het startbedrag geboorte [1 , het startbedrag adoptie en de pleegzorgtoeslag]1, verdeeld tussen de instelling en de begunstigden.
§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt de toekennings- en verdelingsregels, vermeld in paragraaf 1, van de uitbetaling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, vermeld in paragraaf 1, tussen de instelling en de begunstigden. De Vlaamse Regering kan hiertoe ook de overheid aanduiden aan wie het deel van de toelage bestemd voor de instelling dient te worden toegekend.
[1 § 2/1. Als een rechtgevend kind materiële ondersteuning krijgt, wordt, in afwijking van paragraaf 1 en 2, vanaf [2 1 augustus 2022]2 een derde van de gezinsbijslagen, vermeld in deel 1, met uitzondering van het startbedrag geboorte, het startbedrag adoptie en de pleegzorgtoeslag, uitbetaald aan de begunstigden.
In het eerste lid wordt verstaan onder een rechtgevend kind dat materiële ondersteuning krijgt:
1° een kind dat opvang in een opvangstructuur krijgt als vermeld in artikel 2, 10°, van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen;
2° een kind dat medische begeleiding krijgt als vermeld in de voormelde wet;
3° een kind dat in een instelling is geplaatst door bemiddeling of ten laste van een openbare overheid.
De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de uitbetaling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid vermeld in het eerste lid.]1

[3 In afwijking van het eerste lid blijven de toekennings- en verdelingsregels, vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 2, gelden tot en met 30 juni 2027 voor de kinderen vermeld in het tweede lid, 3°.]3
§ 3. Iedere belanghebbende, waaronder ook de instelling, de begunstigden en de bijslagtrekkende worden begrepen, die niet akkoord gaat met de bestemmingsregels tot aanwijzing van de begunstigden, kan de bevoegde rechtbank om een afwijking in het belang van het kind verzoeken. De bevoegde rechtbank kan in het belang van het kind oordelen dat de gehele gezinsbijslag die toekomt aan de begunstigde of een deel ervan wordt uitbetaald op een rekeningnummer dat op naam van het rechtgevende kind staat. De meest gerede partij bezorgt de gerechtelijke uitspraak aan de uitbetalingsactor.
Art. 68. § 1er. Si un enfant bénéficiaire est placé dans une institution par l'intermédiaire ou à charge d'une autorité publique, le paiement des allocations familiales, visé à la partie 1 du livre 2, est réparti entre l'institution et les bénéficiaires, à l'exception du montant initial naissance [1 du montant initial adoption et de l'allocation de placement familial]1.
§ 2. Le Gouvernement flamand arrête les règles d'octroi et de répartition, visées au paragraphe 1er, du paiement des allocations dans le cadre de la politique familiale, visé au paragraphe 1er, entre l'institution et les bénéficiaires. Le Gouvernement flamand peut également désigner l'autorité à laquelle la partie de l'allocation destinée à l'institution doit être accordée.
[1 §2/1 Par dérogation aux paragraphes 1er et 2, si un enfant bénéficiaire reçoit une aide matérielle, un tiers des allocations familiales visées dans la partie 1re, à l'exception du montant initial naissance, du montant initial adoption et de l'allocation de placement familial, est payé, à partir du [2 1er août 2022]2, aux bénéficiaires.
A l'alinéa premier, on entend par " enfant bénéficiaire qui reçoit une aide matérielle " :
1° un enfant qui est accueilli dans une structure d'accueil telle que visée à l'article 2, 10°, de la loi du 12 janvier 2007 sur l'accueil des demandeurs d'asile et de certaines autres catégories d'étrangers ;
2° un enfant qui bénéficie d'un accompagnement médical tel que visé dans la loi précitée ;
3° un enfant placé dans une institution par l'intermédiaire ou à charge d'une autorité publique.
Le Gouvernement flamand peut préciser les modalités du paiement des allocations dans le cadre de la politique familiale visé à l'alinéa premier. ]1

[3 Par dérogation à l'alinéa 1er, les règles d'octroi et de répartition énoncées aux paragraphes 1er et 2 restent applicables jusqu'au 30 juin 2027 pour les enfants visés à l'alinéa 2, 3°.]3
§ 3. Chaque partie intéressée, y compris l'institution, les bénéficiaires et l'allocataire, qui n'est pas d'accord avec les règles de destination portant désignation des bénéficiaires, peut demander au tribunal compétent une dérogation dans l'intérêt de l'enfant. Le tribunal compétent peut décider dans l'intérêt de l'enfant que la totalité ou une partie des allocations familiales qui sont dues au bénéficiaire, sont payées sur un numéro de compte au nom de l'enfant bénéficiaire. La partie la plus diligente transmet le prononcé judiciaire à l'acteur de paiement.
HOOFDSTUK 2. - Selectieve participatietoeslagen en andere toelagen
CHAPITRE 2. - Allocations de participation sélectives et autres allocations
Art. 69. § 1. De selectieve participatietoeslagen leerling, vermeld in boek 2, deel 2, titel 1, en de andere toelagen, vermeld in boek 2, deel 3, worden uitbetaald op dezelfde wijze als de gezinsbijslagen, vermeld in deel 1 van boek 2, overeenkomstig de modaliteiten in artikel 64 respectievelijk artikel 65.
§ 2. Een meerderjarige leerling kan voorafgaand aan de uitbetaling van de selectieve participatietoeslag leerling de uitbetalingsactor verzoeken die toeslag uit te betalen op een andere bankrekening.
§ 3. De Vlaamse Regering kan de verdere uitvoeringsregels bepalen, alsook vaststellen in welke gevallen ter bescherming van de financiële belangen van de leerling kan worden afgeweken van paragraaf 1 en 2.
Art. 69. § 1er. Les allocations de participation sélectives d'élève, visées au livre 2, partie 2, titre 1er, et les autres allocations, visées au livre 2, partie 3, sont payées de la même manière que les allocations familiales, visées à la partie 1 du livre 2, conformément aux modalités des articles 64, respectivement 65.
§ 2. Un élève majeur peut, préalablement au paiement de l'allocation de participation sélective d'élève, demander à l'acteur de paiement de payer cette allocation sur un autre compte bancaire.
§ 3. Le Gouvernement flamand peut arrêter les règles d'exécution détaillées, et déterminer les cas dans lesquels il peut être dérogé aux paragraphes 1er et 2 dans le but de protéger les intérêts financiers de l'élève.
Art. 70. § 1. In afwijking van artikel 69, als de rechthebbende leerling of het rechthebbende kind niet gekwalificeerd is als een rechtgevend kind als vermeld in artikel 8, en er bijgevolg geen gezinsbijslagen uitbetaald worden overeenkomstig artikel 64 respectievelijk artikel 65, worden de selectieve participatietoeslagen leerling, vermeld in boek 2, deel 2, titel 1, uitbetaald op een bankrekening van de ouder of ouders bij wie de rechthebbende leerling op [1 31 augustus voorafgaand aan het schooljaar in kwestie]1 zijn woonplaats heeft, en worden de andere toelagen, vermeld in boek 2, deel 3, uitbetaald op een bankrekening van de ouder of ouders.
§ 2. Als de ouder of ouders de rechthebbende leerling of het rechthebbende kind niet daadwerkelijk opvoedt of opvoeden, worden de selectieve participatietoeslagen leerling, vermeld in boek 2, deel 2, titel 1, uitbetaald op een bankrekening van de werkelijke opvoeder of van twee werkelijke opvoeders bij wie de rechthebbende leerling op 3[1 31 augustus voorafgaand aan het schooljaar in kwestie]1 zijn woonplaats heeft, en worden de andere toelagen, vermeld in boek 2, deel 3, uitbetaald op een bankrekening van de werkelijke opvoeder of van twee werkelijke opvoeders bij wie het rechthebbende kind of de rechthebbende leerling zijn woonplaats heeft.
De werkelijke opvoeder kan of de twee werkelijke opvoeders kunnen worden aangewezen door een tussenkomst van een publiekrechtelijke overheid of instelling, of door een uitspraak van de bevoegde rechtbank. De meest gerede partij bezorgt de gerechtelijke uitspraak aan de uitbetalingsactor.
§ 3. Een meerderjarige leerling kan voorafgaand aan de uitbetaling van de selectieve participatietoeslag leerling de uitbetalingsactor verzoeken de toeslag uit te betalen op een andere bankrekening.
§ 4. De Vlaamse Regering kan de verdere uitvoeringsregels bepalen, en kan ook bepalen in welke gevallen ter bescherming van de financiële belangen van de leerling kan worden afgeweken van paragraaf 1, 2 en 3.
Art. 70. § 1er. Par dérogation à l'article 69, si l'élève attributaire ou l'enfant attributaire n'est pas qualifié comme une enfant bénéficiaire tel que visé à l'article 8, et si, par conséquent, aucune allocation familiale n'est payée conformément à l'article 64, respectivement l'article 65, les allocations de participation sélectives d'élève, visées au livre 2, partie 2, titre 1er, sont payées sur un compte bancaire du parent ou des parents chez qui l'élève attributaire a son domicile le [1 31 août préalable à l'année scolaire en question]1, et les autres allocations visées au livre 2, partie 3, sont payées sur un compte bancaire du parent ou des parents.
§ 2. Si le parent ou les parents n'éduquent pas effectivement l'élève attributaire ou l'enfant attributaire, les allocations de participation sélectives d'élève, visées au livre 2, partie 2, titre 1er, sont payées sur un compte bancaire de l'éducateur réel ou de deux éducateurs réels chez qui l'élève attributaire a son domicile le [1 31 août préalable à l'année scolaire en question]1, et les autres allocations visées au livre 2, partie 3, sont payées sur un compte bancaire de l'éducateur réel ou de deux éducateurs réels chez qui l'enfant attributaire ou l'élève attributaire a son domicile.
L'éducateur réel ou les deux éducateurs réels peuvent être désignés par une intervention d'une autorité ou d'un organisme de droit public, ou par un prononcé du tribunal compétent. La partie la plus diligente transmet le prononcé judiciaire à l'acteur de paiement.
§ 3. Un élève majeur peut, préalablement au paiement de l'allocation de participation sélective d'élève, demander à l'acteur de paiement de payer cette allocation sur un autre compte bancaire.
§ 4. Le Gouvernement flamand peut arrêter les règles d'exécution détaillées, et déterminer les cas dans lesquels il peut être dérogé aux paragraphes 1er, 2 et 3 dans le but de protéger les intérêts financiers de l'élève.
Art. 71. § 1. Als aan één persoon, hetzij de ouder, de werkelijke opvoeder of de meerderjarige leerling, de selectieve participatietoeslagen leerling, vermeld in boek 2, deel 2, titel 1, en de andere toelagen, vermeld in boek 2, deel 3, worden uitbetaald overeenkomstig artikel 70, wijst die persoon een uitbetalingsactor naar keuze aan voor de uitbetaling van de toelagen, en geeft hij aan de gekozen uitbetalingsactor een bankrekening op.
De ouder, de werkelijke opvoeder of de meerderjarige leerling kiest één uitbetalingsactor en één bankrekening voor alle toelagen in het kader van het gezinsbeleid die de uitbetalingsactor hem uitbetaalt. De keuze geldt voor alle kinderen van de ouder, de werkelijke opvoeder of de meerderjarige leerling.
§ 2. De ouder, de werkelijke opvoeder of de meerderjarige leerling kan met een schriftelijk verzoek de uitbetalingsactor of de bankrekening wijzigen.
Het verzoek tot wijziging van de uitbetalingsactor is alleen ontvankelijk als er een minimale aansluiting van één jaar is bij de actieve uitbetalingsactor. De wijziging van uitbetalingsactor gaat in vanaf het eerste kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin een ontvankelijk wijzigingsverzoek is ingediend.
De wijziging van bankrekening gaat ten laatste in vanaf de maand die volgt op de maand waarin de wijziging schriftelijk is doorgegeven.
§ 3. Een afwijking van de voorgaande paragrafen is mogelijk nadat de bevoegde rechtbank daarover een uitspraak in het belang van de leerling of het kind heeft gedaan. De bevoegde rechtbank kan in het belang van de leerling of het kind oordelen dat de hele selectieve participatietoeslag en andere toelagen, of een deel ervan, uitbetaald worden op een bankrekening die op naam van de leerling of het kind staat. De meest gerede partij bezorgt de gerechtelijke uitspraak aan de uitbetalingsactor.
§ 4. Een wijziging van uitbetalingsactor heeft geen gevolgen voor een openstaande schuld bij de actieve uitbetalingsactor. De openstaande schuld volgt de wijziging van uitbetalingsactor. Bij verschillende schulden primeert de oudste schuld.
§ 5. Als de ouder, de werkelijke opvoeder of de meerderjarige leerling geen uitbetalingsactor aanwijst, vóór de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de gebeurtenis die aanleiding geeft tot het openen van het recht zich voordoet, neemt het agentschap de betaling van de betrokken toelagen vanaf die maand op.
De ouder, de werkelijke opvoeder of de meerderjarige leerling wordt door het agentschap op de hoogte gebracht dat hij gedurende een termijn van drie maanden na de maand waarin de betrokken gebeurtenis zich voordeed, de keuze kan kenbaar maken om aan te sluiten bij een uitbetalingsactor. Deze uitbetalingsactor neemt de betalingen over van het agentschap de maand nadat de ouder, de werkelijke opvoeder of de meerderjarige leerling zijn keuze heeft gemaakt. Indien het agentschap binnen die termijn als uitbetalingsactor wordt gekozen, zet zij de betalingen verder.
Indien de ouder, de werkelijke opvoeder of de meerderjarige leerling niet binnen de in het eerste lid vermelde periode een keuze voor een uitbetalingsactor heeft gemaakt, wordt de begunstigde van rechtswege aangesloten bij het agentschap. De ouder, de werkelijke opvoeder of meerderjarige leerling kan slechts wijzigen van uitbetalingsactor onder dezelfde voorwaarden als bepaald in paragraaf 2, tweede lid.
§ 6. De Vlaamse Regering legt de nadere regels vast voor de eerste uitbetalingen en de keuze van de bankrekening en bepaalt de voorwaarden voor de keuze van uitbetalingsactor, de mogelijke aansluiting van rechtswege en voor de overdracht tussen uitbetalingsactoren.
Art. 71. § 1er. Si les allocations de participation sélectives d'élève, visées au livre 2, partie 2, titre 1er, et les autres allocations, visées au livre 2, partie 3, sont payées à une personne, soit le parent, l'éducateur réel ou l'élève majeur, conformément à l'article 70, cette personne désigne un acteur de paiement au choix pour le paiement des allocations, et communique un compte bancaire à l'acteur de paiement choisi.
Le parent, l'éducateur réel ou l'élève majeur choisit un seul acteur de paiement et un seul compte bancaire pour toutes les allocations dans le cadre de la politique familiale que l'acteur de paiement lui paie. Le choix vaut pour tous les enfants du parent, de l'éducateur réel ou l'élève majeur.
§ 2. Le parent, l'éducateur réel ou l'élève majeur peut modifier l'acteur de paiement ou le compte bancaire par demande écrite.
La demande de modification de l'acteur de paiement n'est recevable qu'en cas d'une affiliation minimale d'un an à l'acteur de paiement actif. La modification d'acteur de paiement commence à partir du premier trimestre suivant le trimestre auquel une demande de modification recevable est introduite.
La modification de compte bancaire commence à partir du mois suivant le mois auquel la modification est communiquée par écrit.
§ 3. Une dérogation aux paragraphes précédents est possible après un prononcé à ce sujet du tribunal compétent dans l'intérêt de l'élève ou de l'enfant. Le tribunal compétent peut décider dans l'intérêt de l'élève ou de l'enfant que la totalité ou une partie de l'allocation de participation sélective et des autres allocations sont payées sur un numéro de compte au nom de l'élève ou de l'enfant. La partie la plus diligente transmet le prononcé judiciaire à l'acteur de paiement.
§ 4. Une modification d'acteur de paiement n'a pas de conséquences pour une dette non réglée auprès de l'acteur de paiement actif. La dette non réglée suit la modification d'acteur de paiement. En cas de plusieurs dettes, la dette la plus ancienne prévaut.
§ 5. Si le parent, l'éducateur réel ou l'élève majeur ne désigne pas d'acteur de paiement avant le premier jour du mois suivant le mois auquel l'évènement donnant lieu à l'ouverture du droit se produit, l'agence assume le paiement des allocations concernées à partir de ce mois.
Le parent, l'éducateur réel ou l'élève majeur est informé par l'agence qu'il peut faire connaître son choix d'affiliation à un acteur de paiement pendant un délai de trois mois après le mois auquel l'évènement concerné se produisait. Cet acteur de paiement reprend les paiements de l'agence le mois après que le parent, l'éducateur réel ou l'élève majeur a fait son choix. Si l'agence est choisie comme acteur de paiement dans ce délai, elle continue les paiements.
Si le parent, l'éducateur réel ou l'élève majeur n'a pas fait de choix d'un acteur de paiement dans le délai visé à l'alinéa 1er, le bénéficiaire est affilié de plein droit à l'agence. Le parent, l'éducateur réel ou l'élève majeur ne peut modifier l'acteur de paiement qu'aux mêmes conditions que celles visées au paragraphe 2, alinéa 2.
§ 6. Le Gouvernement flamand arrête les modalités relatives aux premiers paiements et au choix du compte bancaire, et détermine les conditions pour le choix d'acteur de paiement, l'affiliation de plein droit éventuelle et pour le transfert entre acteurs de paiement.
Art. 72. § 1. Als aan twee personen, hetzij de ouders, hetzij de werkelijke opvoeders, de selectieve participatietoeslagen leerling, vermeld in boek 2, deel 2, titel 1, en de andere toelagen, vermeld in boek 2, deel 3, worden uitbetaald overeenkomstig artikel 70, bepalen die samen welke uitbetalingsactor de toelagen aan hen uitbetaalt.
De ouders en de werkelijke opvoeders bepalen ook samen aan wie van hen de gekozen uitbetalingsactor de selectieve participatietoeslagen leerling en de andere toelagen uitbetaalt. De selectieve participatietoeslagen leerling en de andere toelagen kunnen aan hen samen uitbetaald worden, of ze kunnen toegewezen worden aan een van hen. Ze geven daarvoor een bankrekening op.
De keuze van de ouders of de werkelijke opvoeders, vermeld in het eerste en tweede lid, geldt voor alle toelagen in het kader van het gezinsbeleid die aan hen worden uitbetaald, en voor alle kinderen voor wie ze samen een uitbetaling ontvangen.
§ 2. De ouders of de werkelijke opvoeders kunnen samen met een schriftelijk verzoek de uitbetalingsactor of bankrekening wijzigen.
Het verzoek tot wijziging van uitbetalingsactor is alleen ontvankelijk als er een minimale aansluiting van één jaar is bij de actieve uitbetalingsactor. De wijziging van uitbetalingsactor gaat in vanaf het eerste kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin een ontvankelijk wijzigingsverzoek is ingediend.
De wijziging van bankrekening gaat ten laatste in vanaf de maand die volgt op de maand waarin de wijziging schriftelijk is doorgegeven.
§ 3. Elk van beide ouders of werkelijke opvoeders kan met een schriftelijk verzoek zijn toestemming voor de gekozen uitbetalingsactor of de gekozen bankrekening intrekken.
§ 4. Een wijziging van uitbetalingsactor heeft geen gevolgen voor een openstaande schuld bij de actieve uitbetalingsactor. De openstaande schuld volgt de wijziging van uitbetalingsactor. Bij verschillende schulden primeert de oudste schuld.
§ 5. Als de ouders of werkelijke opvoeders geen uitbetalingsactor aanwijzen, vóór de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de gebeurtenis die aanleiding geeft tot het openen van het recht zich voordoet, neemt het agentschap de betaling van de betrokken toelagen vanaf die maand op. De ouders of werkelijke opvoeders worden door het agentschap op de hoogte gebracht dat ze gedurende een termijn van drie maanden na de maand waarin de betrokken gebeurtenis zich voordeed, de keuze kunnen kenbaar maken om aan te sluiten bij een uitbetalingsactor. Deze uitbetalingsactor neemt de betalingen over van het agentschap de maand nadat de ouders of werkelijke opvoeders hun keuze hebben gemaakt. Indien het agentschap binnen die termijn als uitbetalingsactor wordt gekozen, zet zij de betalingen verder.
Indien de ouders of werkelijke opvoeders niet binnen de in het eerste lid vermelde periode een keuze voor een uitbetalingsactor hebben gemaakt, wordt de begunstigde van rechtswege aangesloten bij het agentschap. De aansluiting van rechtswege heeft dezelfde gevolgen als vermeld in paragraaf 2, tweede lid.
Als beide ouders of de werkelijke opvoeders niet bepalen op welke bankrekening de selectieve participatietoeslagen leerling en de andere toelagen aan hen moeten worden uitbetaald vóór de eerste van de maand die volgt op de maand waarin het recht is ontstaan, of als een van beide ouders of werkelijke opvoeders zijn toestemming intrekt, worden de selectieve participatietoeslagen leerling en de andere toelagen uitbetaald aan de jongste onder hen. [1 De voormelde jongste ouder of werkelijke opvoeder kan een uitbetalingsactor van zijn keuze aanwijzen, onder voorbehoud van de bepaling over de minimale aansluiting van één jaar in paragraaf 2, tweede lid. De voormelde jongste ouder of werkelijke opvoeder kan daarentegen een nieuw bankrekeningnummer kiezen conform paragraaf 2, derde lid.]1
In afwijking daarvan worden, als een van de werkelijke opvoeders een pleegzorger is als vermeld in artikel 59, § 2, de toelagen, vermeld in paragraaf 1, altijd uitbetaald aan de pleegzorger.
§ 6. De Vlaamse Regering legt de regels vast voor de eerste uitbetalingen en de keuze van de bankrekening en bepaalt de voorwaarden voor de keuze van uitbetalingsactor, de mogelijke aansluiting van rechtswege en voor de overdracht tussen uitbetalingsactoren.
§ 7. Een afwijking van paragraaf 1, 2 en 5 is mogelijk nadat de bevoegde rechtbank daarover in het belang van de betrokken leerling of het betrokken kind een uitspraak heeft gedaan. De bevoegde rechtbank kan oordelen dat in het belang van de betrokken leerling of het betrokken kind de hele selectieve participatietoeslag en de andere toelagen, of een deel ervan, uitbetaald worden op een bankrekening die op naam van de leerling of het kind staat. De meest gerede partij bezorgt de gerechtelijke uitspraak aan de uitbetalingsactor.
Art. 72. § 1er. Si les allocations de participation sélectives d'élève, visées au livre 2, partie 2, titre 1er, et les autres allocations, visées au livre 2, partie 3, sont payées à deux personnes, soit les parents, soit les éducateurs réels, conformément à l'article 70, ils déterminent ensemble l'acteur de paiement qui leur paie les allocations.
Les parents et les éducateurs réels déterminent également ensemble à qui d'entre eux l'acteur de paiement choisi paie les allocations de participation sélectives d'élève et les autres allocations. Les allocations de participation sélectives d'élève et les autres allocations peuvent être payées à eux ensemble, ou elles peuvent être attribuées à un d'entre eux. Ils communiquent un compte bancaire à cet effet.
Le choix des parents ou des éducateurs réels, visés aux alinéas 1er et 2, vaut pour toutes les allocations dans le cadre de la politique familiale qui leur sont payées, et pour tous les enfants pour lesquels ils reçoivent ensemble un paiement.
§ 2. Les parents ou les éducateurs réels peuvent modifier ensemble l'acteur de paiement ou le compte bancaire par demande écrite.
La demande de modification de l'acteur de paiement n'est recevable qu'en cas d'une affiliation minimale d'un an à l'acteur de paiement actif. La modification d'un acteur de paiement commence à partir du premier trimestre suivant le trimestre auquel une demande de modification recevable est introduite.
La modification de compte bancaire commence à partir du mois suivant le mois auquel la modification est communiquée par écrit.
§ 3. Chacun des deux parents ou éducateurs réels peut retirer par demande écrite son consentement à l'acteur de paiement choisi ou au compte bancaire choisi.
§ 4. Une modification d'acteur de paiement n'a pas de conséquences pour une dette non réglée auprès de l'acteur de paiement actif. La dette non réglée suit la modification d'acteur de paiement. En cas de plusieurs dettes, la dette la plus ancienne prévaut.
§ 5. Si les parents ou éducateurs réels ne désignent pas d'acteur de paiement avant le premier jour du mois suivant le mois auquel l'évènement donnant lieu à l'ouverture du droit se produit, l'agence assume le paiement des allocations concernées à partir de ce mois. Les parents ou éducateurs réels sont informés par l'agence qu'ils peuvent faire connaître leur choix d'affiliation à un acteur de paiement pendant un délai de trois mois après le mois auquel l'évènement concerné se produisait. Cet acteur de paiement reprend les paiements de l'agence le mois après que les parents ou éducateurs réels ont fait leur choix. Si l'agence est choisie comme acteur de paiement dans ce délai, elle continue les paiements.
Si les parents ou éducateurs réels n'ont pas fait de choix d'un acteur de paiement dans le délai visé à l'alinéa 1er, le bénéficiaire est affilié de plein droit à l'agence. L'affiliation de plein droit a les mêmes conséquences que celles visées au paragraphe 2, alinéa 2.
Si les deux parents ou les éducateurs réels ne déterminent pas sur quel compte bancaire les allocations de participation sélectives d'élève et les autres allocations leur doivent être payées avant le premier du mois suivant le mois auquel le droit est né, ou si un des deux parents ou éducateurs réels retire son consentement, les allocations de participation sélectives d'élève et les autres allocations sont payées au plus jeune d'entre eux. [1 Le parent le plus jeune ou l'éducateur réel précité peut désigner un acteur de paiement de son choix, sous réserve de la disposition relative à l'affiliation minimale d'un an au paragraphe 2, alinéa 2. Le parent le plus jeune ou l'éducateur réel précité peut par contre choisir un nouveau numéro de compte bancaire conformément au paragraphe 2, alinéa 3.]1
Par dérogation à ce qui précède, si un des éducateurs réels est un accueillant tel que visé à l'article 59, § 2, les allocations visées au paragraphe 1er sont toujours payées à l'accueillant.
§ 6. Le Gouvernement flamand arrête les règles relatives aux premiers paiements et au choix du compte bancaire, et détermine les conditions pour le choix d'acteur de paiement, l'affiliation de plein droit éventuelle et pour le transfert entre acteurs de paiement.
§ 7. Une dérogation aux paragraphes 1, 2 et 5 est possible après un prononcé à ce sujet du tribunal compétent dans l'intérêt de l'élève ou de l'enfant concerné. Le tribunal compétent peut décider dans l'intérêt de l'élève concerné ou de l'enfant concerné que la totalité ou une partie des allocations de participation sélectives et des autres allocations sont payées sur un numéro de compte au nom de l'élève ou de l'enfant. La partie la plus diligente transmet le prononcé judiciaire à l'acteur de paiement.
Art. 73. § 1. De selectieve participatietoeslagen leerling, vermeld in boek 2, deel 2, titel 1, worden rechtstreeks uitbetaald aan de rechthebbende leerling:
1° als hij behoort tot een categorie van gezin als vermeld in artikel 38, § 1, 3°, 4° of 5° ;
2° als hij ontvoogd is of de leeftijd van zestien jaar bereikt heeft en zijn woonplaats niet bij de ouders of de werkelijke opvoeders heeft. Aan die laatste voorwaarde is voldaan als de leerling beschikt over een afzonderlijke woonplaats, die als hoofdverblijf is ingeschreven in de bevolkingsregisters overeenkomstig artikel 32, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek, of als met officiële documenten wordt aangetoond dat de gegevens in de bevolkingsregisters niet of niet meer overeenstemmen met de realiteit;
3° als hij zelf begunstigde is van toelagen in het kader van het gezinsbeleid voor een of meer van zijn kinderen.
[1 4° als het een niet-begeleide minderjarige vreemdeling is als vermeld in titel XIII, hoofdstuk 6, van de Programmawet (I) van 24 december 2002, als er geen werkelijke opvoeder kan worden aangewezen.]1
De leerling, vermeld in het eerste lid, kan evenwel in zijn eigen belang een andere persoon aanwijzen aan wie de selectieve participatietoeslagen leerling worden uitbetaald, op voorwaarde dat die persoon met de leerling verbonden is door verwantschap of aanverwantschap in de eerste graad. De verwantschap die verworven is door adoptie, wordt in aanmerking genomen .
De Vlaamse Regering kan de wijze bepalen waarop de leerling, vermeld in het eerste lid, die andere persoon kan aanwijzen.
De leerling, vermeld in het eerste lid, is rechtsbekwaam om zelf als eiser of verweerder in rechte op te treden in de geschillen over zijn rechten op selectieve participatietoeslagen leerling [1 , met behoud van de toepassing van artikel 9, § 1, van titel XIII, hoofdstuk 6, van de Programmawet (I) van 24 december 2002 ]1.
§ 2. De leerling, vermeld in paragraaf 1, of de persoon die is aangewezen door de leerling, wijst een uitbetalingsactor naar keuze aan voor de uitbetaling van de selectieve participatietoeslagen leerling, en geeft een bankrekening op.
De leerling, vermeld in paragraaf 1, of de persoon die is aangewezen door de leerling, wijst één uitbetalingsactor en één bankrekening aan voor alle toelagen in het kader van het gezinsbeleid die aan hem worden uitbetaald.
§ 3. De leerling, vermeld in paragraaf 1, of de persoon die is aangewezen door de leerling, kan met een schriftelijk verzoek de uitbetalingsactor of de bankrekening wijzigen.
Het verzoek tot wijziging van uitbetalingsactor is alleen ontvankelijk als er een minimale aansluiting van één jaar is bij de actieve uitbetalingsactor. De wijziging van uitbetalingsactor gaat in vanaf het eerste kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin een ontvankelijk wijzigingsverzoek is ingediend.
De wijziging van bankrekening gaat ten laatste in vanaf de maand die volgt op de maand waarin de wijziging schriftelijk is doorgegeven.
§ 4. Een afwijking van de voorgaande paragrafen is mogelijk nadat de bevoegde rechtbank daarover in het belang van de leerling een uitspraak heeft gedaan. De meest gerede partij bezorgt de gerechtelijke uitspraak aan de uitbetalingsactor.
§ 5. Een wijziging van uitbetalingsactor heeft geen gevolgen voor een openstaande schuld bij de actieve uitbetalingsactor. De openstaande schuld volgt de wijziging van uitbetalingsactor. Bij verschillende schulden primeert de oudste schuld.
§ 6. Als de leerling, vermeld in paragraaf 1, of de persoon die door de leerling is aangewezen, geen uitbetalingsactor aanwijst vóór de eerste van de maand die volgt op de maand waarin het recht is ontstaan, is het agentschap bevoegd.
De leerling, vermeld in paragraaf 1, of de persoon die door de leerling is aangewezen wordt door het agentschap op de hoogte gebracht dat hij gedurende een termijn van drie maanden na de aansluiting van rechtswege, de keuze kenbaar kan maken om aan te sluiten bij een andere uitbetalingsactor. De wijziging van uitbetalingsactor gaat in vanaf het eerste kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin een wijzigingsverzoek werd ingediend.
Na deze periode heeft de aansluiting van rechtswege dezelfde gevolgen als vermeld in paragraaf 2, tweede lid.
§ 7. De Vlaamse Regering legt de regels vast voor de aansluiting van rechtswege, bepaalt de verdere regels inzake de keuze voor de uitbetalingsactor en de bankrekening en de overdracht tussen uitbetalingsactoren.
Art. 73. § 1er. Les allocations de participation sélectives d'élève, visées au livre 2, partie 2, titre 1er, sont payées directement à l'élève attributaire :
1° s'il appartient à une catégorie de famille telle que visée à l'article 38, § 1er, 3°, 4° et 5° ;
2° s'il est émancipé ou a atteint l'âge de seize ans, et s'il n'a pas son domicile auprès de ses parents ou éducateurs réels. Cette dernière condition est remplie si l'élève dispose d'un domicile distinct, qui est inscrit comme résidence principale aux registres de la population conformément à l'article 32, 3°, du Code judiciaire, ou si des documents officiels démontrent que les données des registres de la population ne correspondent pas ou plus avec la réalité ;
3° s'il est lui-même bénéficiaire d'allocations dans le cadre de la politique familiale pour un ou plusieurs de ses enfants.
[1 4° s'il est un mineur étranger non accompagné tel que visé au titre XIII, chapitre 6, de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, si un éducateur réel ne peut pas être désigné.]1
L'élève visé à l'alinéa 1er peut toutefois, dans son propre intérêt, désigner une autre personne à laquelle les allocations de participation sélectives d'élève sont payées, à condition que cette personne soit liée avec l'élève par une parenté ou une alliance au premier degré. La parenté acquise par l'adoption est prise en compte.
Le Gouvernement flamand peut déterminer la manière dont l'élève visé à l'alinéa 1er, peut désigner cette autre personne.
L'élève visé à l'alinéa 1er a la capacité juridique d'agir lui-même en justice en tant que demandeur ou de défendeur dans des litiges sur ses droits aux allocations de participation sélectives d'élève [1 sans préjudice de l'application de l'article 9, § 1er, du titre XIII, chapitre 6, de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002 ]1.
§ 2. L'élève visé au paragraphe 1er, ou la personne désignée par l'élève, désigne un acteur de paiement au choix pour le paiement des allocations de participation sélectives d'élève, et communique un compte bancaire.
L'élève visé au paragraphe 1er, ou la personne désignée par l'élève, désigne un seul acteur de paiement et un seul compte bancaire pour toutes les allocations dans le cadre de la politique familiale qui lui sont payées.
§ 3. L'élève visé au paragraphe 1er, ou la personne désignée par l'élève peut modifier l'acteur de paiement ou le compte bancaire par demande écrite.
La demande de modification de l'acteur de paiement n'est recevable qu'en cas d'une affiliation minimale d'un an à l'acteur de paiement actif. La modification d'acteur de paiement commence à partir du premier trimestre suivant le trimestre auquel une demande de modification recevable est introduite.
La modification de compte bancaire commence à partir du mois suivant le mois auquel la modification est communiquée par écrit.
§ 4. Une dérogation aux paragraphes précédents est possible après un prononcé à ce sujet du tribunal compétent dans l'intérêt de l'élève. La partie la plus diligente transmet le prononcé judiciaire à l'acteur de paiement.
§ 5. Une modification d'acteur de paiement n'a pas de conséquences pour une dette non réglée auprès de l'acteur de paiement actif. La dette non réglée suit la modification d'acteur de paiement. En cas de plusieurs dettes, la dette la plus ancienne prévaut.
§ 6. Si l'élève visé au paragraphe 1er, ou la personne désignée par l'élève ne désigne pas d'acteur de paiement avant le premier du mois suivant le mois auquel le droit est né, l'agence est compétente.
L'élève visé au paragraphe 1er, ou la personne désignée par l'élève, est informé par l'agence qu'il peut faire connaître son choix d'affiliation à un autre acteur de paiement dans un délai de trois mois après l'affiliation de plein droit. La modification d'acteur de paiement commence à partir du premier trimestre suivant le trimestre auquel une demande de modification a été introduite.
Après cette période, l'affiliation de plein droit a les mêmes conséquences que celles visées au paragraphe 2, alinéa 2.
§ 7. Le Gouvernement flamand arrête les règles pour l'affiliation de plein droit, arrête les modalités relatives au choix de l'acteur de paiement et du compte bancaire et le transfert entre acteurs de paiement.
Art. 74. § 1. De selectieve participatietoeslagen student, vermeld in boek 2, deel 2, titel 2, worden uitbetaald door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, op basis van dezelfde regels en termijnen als bepaald in het decreet van 8 juni 2007, op dezelfde bankrekening van de student als de bankrekening die gebruikt wordt voor de uitbetaling van de studietoelage.
De student kan voorafgaand aan de uitbetaling in zijn eigen belang het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming verzoeken om de selectieve participatietoeslagen student uit te betalen op een andere bankrekening.
§ 2. De Vlaamse Regering kan de uitvoeringsregels van de uitbetaling selectieve participatietoeslag student nader bepalen. De Vlaamse Regering bepaalt het tijdstip waarop de selectieve participatietoeslagen student worden uitbetaald.
Art. 74. § 1er. Les allocations de participation sélectives d'étudiant, visées au livre 2, partie 2, titre 2, sont payées par le Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation, sur la base des mêmes règles et délais que ceux fixés au décret du 8 juin 2007, sur le même compte bancaire de l'étudiant que celui utilisé pour le paiement de l'allocation d'études.
Préalablement au paiement, l'étudiant peut demander, dans son propre intérêt, au Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation de payer les allocations de participation sélectives d'étudiant sur un autre compte bancaire.
§ 2. Le Gouvernement flamand peut spécifier les règles d'exécution du paiement de l'allocation de participation sélective d'étudiant. Le Gouvernement flamand détermine le moment auquel les allocations de participation sélectives d'étudiant sont payées.
HOOFDSTUK 3. - Gemeenschappelijke bepalingen
CHAPITRE 3. - Dispositions communes
Art. 75. Het basisbedrag, vermeld in artikel 13, de zorgtoeslagen, vermeld in titel 4 van boek 2, deel 1, de sociale toeslagen, vermeld in artikel 18 [2 en artikel 18/1, tweede lid]2, en de kinderopvangtoeslag, vermeld in artikel 52, worden uitbetaald in de maand die volgt op de maand waarin het kind recht geeft op de toeslag. [1 Het bedrag, vermeld in artikel 18/1, eerste lid, wordt uitbetaald in november 2022.]1 De Vlaamse Regering bepaalt het exacte tijdstip.
Een gewijzigd bedrag van de toelagen, vermeld in het eerste lid, ten gevolge van een indexering of ten gevolge van een wijziging bij of krachtens een decreet, wordt uitbetaald in de maand die volgt op de maand waarin de indexering plaatsvindt of de wijziging in werking treedt.
Een wijziging van een toelage als vermeld in het eerste lid of een wijziging van het bedrag ervan, ten gevolge van een bepaalde gebeurtenis, wordt uitbetaald in de maand die volgt op de maand waarin die gebeurtenis zich voordoet.
De Vlaamse Regering bepaalt het tijdstip waarop de selectieve participatietoeslagen leerling worden uitbetaald.
Art. 75. Le montant de base, visé à l'article 13, les allocations de soins, visées au titre 4 du livre 2, partie 1, les suppléments sociaux, visés à l'article 18 [2 et à l'article 18/1, alinéa 2]2, et l'allocation pour accueil d'enfants, visée à l'article 52, sont payées au cours du mois suivant le mois auquel l'enfant donne droit à l'allocation. [1 Le montant visé à l'article 18/1, alinéa 1er, est payé en novembre 2022.]1 Le Gouvernement flamand détermine le moment exact.
Un montant modifié des allocations visées à l'alinéa 1er, suite à une indexation ou une modification par ou en vertu d'un décret, est payé au cours du mois suivant le mois auquel l'indexation a lieu ou la modification entre en vigueur.
Une modification d'une allocation telle que visée à l'alinéa 1er, ou une modification de son montant, suite à un évènement déterminé, est payée au cours du mois suivant le mois auquel cet évènement se produit.
Le Gouvernement flamand détermine le moment auquel les allocations de participation sélectives d'élève sont payées.
Art. 76. De toelagen in het kader van het gezinsbeleid worden uitbetaald op een bankrekening.
[2 De Vlaamse Regering kan bepalen onder welke voorwaarden de toelagen in het kader van het gezinsbeleid uitbetaald kunnen worden aan een andere rechtspersoon in naam en voor rekening van de begunstigden]2.
Art. 76. Les allocations dans le cadre de la politique familiale sont payées sur un compte bancaire.
[2 Le Gouvernement flamand peut déterminer les conditions auxquelles les allocations dans le cadre de la politique familiale peuvent être payées à une autre personne morale au nom et pour le compte des bénéficiaires]2.
Art. 77. § 1. De Vlaamse Regering bepaalt onder welke voorwaarden provisionele uitbetalingen gedaan kunnen worden en uitbetalingen tijdelijk geschorst kunnen worden.
§ 2. De begunstigden kunnen geheel of gedeeltelijk afstand doen van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid.
De Vlaamse Regering kan de procedure daarvoor bepalen.
Art. 77. § 1er. Le Gouvernement flamand détermine les conditions auxquelles des paiement provisionnels peuvent être effectués et des paiements peuvent être suspendus temporairement.
§ 2. Les bénéficiaires peuvent renoncer l'ensemble ou une partie des allocations dans le cadre de la politique familiale.
Le Gouvernement flamand peut en arrêter la procédure.
Art. 78. Als een voorschot op de toelage in het kader van het gezinsbeleid door een OCMW voor een bepaalde periode is betaald aan een van de personen, vermeld in dit deel, wordt dat bedrag op verzoek van het OCMW door de uitbetalingsactor terugbetaald aan het OCMW, als de begunstigde recht heeft op dezelfde toelage in het kader van het gezinsbeleid voor diezelfde periode.
Het bedrag voor de periode in kwestie kan, ongeacht het voorschot, nooit hoger zijn dan de toelage in het kader van het gezinsbeleid voor diezelfde periode waarop de begunstigden recht hebben.
Het eventuele positieve saldo ten voordele van de begunstigden wordt door de uitbetalingsactor rechtstreeks aan de begunstigde of begunstigden uitbetaald overeenkomstig de bepalingen van deel 4 van boek 2.
Een OCMW kan afstand doen van het verzoek tot terugbetaling van de voorschotten die het betaald heeft.
De Vlaamse Regering kan de verdere regels inzake de terugbetaling aan het OCMW, vermeld in het eerste tot en met het tweede lid, nader bepalen.
Art. 78. Si une avance sur l'allocation dans le cadre de la politique familiale est payée par un CPAS pour une période déterminée à une des personnes visées à la présente partie, ce montant est remboursé, à la demande du CPAS, par l'acteur de paiement au CPAS si le bénéficiaire a droit à la même allocation dans le cadre de la politique familiale pour la même période.
Le montant pour la période en question, quelle que soit l'avance, ne peut jamais être supérieur à l'allocation dans le cadre de la politique familiale pour la même période à laquelle les bénéficiaires ont droit.
Le solde positif éventuel au profit des bénéficiaires est payé directement par l'acteur de paiement au bénéficiaire ou aux bénéficiaires conformément aux dispositions de la partie 4 du livre 2.
Un CPAS peut renoncer à la demande de remboursement des avances qu'il a payées.
Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités relatives au remboursement au CPAS, visé aux alinéas 1er et 2.
Boek 3. - Rechtsbescherming en handhaving
Livre 3. - Protection juridique et maintien
Deel 1. - Rechtsbescherming
Partie 1. - Protection juridique
Titel 1. - Rechten en plichten van begunstigden in hun contacten met uitbetalingsactoren
Titre 1. - Droits et obligations des bénéficiaires dans leurs contacts avec des acteurs de paiement
HOOFDSTUK 1. - Plichten van uitbetalingsactoren
CHAPITRE 1er. - Obligations des acteurs de paiement
Art. 79. De uitbetalingsactoren zijn verplicht om aan elke persoon die daar schriftelijk om verzoekt, dienstige inlichtingen over zijn rechten en verplichtingen te verstrekken en uit eigen beweging aan de persoon bijkomende informatie te verschaffen die nodig is voor de behandeling van zijn verzoek, met behoud van de toepassing van de bepalingen in artikel 83.
De inlichtingen moeten nauwkeurig en compleet zijn zodat de mogelijke begunstigde al zijn rechten en verplichtingen kan uitoefenen. De inlichtingen worden binnen een termijn van vijfenveertig dagen kosteloos verstrekt.
De inlichtingen, vermeld in het eerste lid, maken duidelijk melding van het nummer van het behandelde dossier, alsook van de dienst en de contactpersoon die het dossier beheert.
De Vlaamse Regering bepaalt wat bijkomend onder dienstige inlichtingen verstaan wordt, alsook de nadere regels met betrekking tot dit artikel.
Art. 79. Les acteurs de paiement sont obligés à fournir à toute personne qui en fait la demande écrite, des renseignements utiles relatifs à ses droits et obligations, et à fournir, de sa propre initiative, des informations supplémentaires à la personne qui sont nécessaires au traitement de sa demande, sans préjudice de l'application des dispositions de l'article 83.
Les renseignements doivent être précis et complets afin de permettre au bénéficiaire éventuel d'exercer tous ses droits et obligations. Les renseignements sont fournis gratuitement dans un délai de quarante-cinq jours.
Les renseignements visés à l'alinéa 1er mentionnent clairement le numéro du dossier traité, ainsi que le service et la personne de contact qui gère le dossier.
Le Gouvernement flamand arrête également ce qu'on entend par renseignements utiles, ainsi que les modalités relatives au présent article.
Art. 80. Onder dezelfde voorwaarden als bepaald in artikel 79 moeten de uitbetalingsactoren inzake de materies die hen aanbelangen, aan elke persoon die erom verzoekt, raad geven over de uitoefening van zijn rechten en het vervullen van zijn verplichtingen.
De Vlaamse Regering kan de nadere regels met betrekking tot dit artikel vaststellen.
Art. 80. Aux mêmes conditions que celles fixées à l'article 79, les acteurs de paiement doivent fournir, sur des matières qui les concernent, des conseils à toute personne qui en fait la demande, concernant l'exercice de ses droits et l'accomplissement de ses obligations.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités relatives au présent article.
Art. 81. De uitbetalingsactor levert alle redelijke inspanningen om de verzoeken om inlichtingen of raad die verkeerdelijk gericht zijn aan een uitbetalingsactor die voor de materie in kwestie niet bevoegd is, onverwijld door te sturen naar de bevoegde instelling of dienst. De uitbetalingsactor brengt de verzoeker daarvan meteen op de hoogte.
Art. 81. L'acteur de paiement fournit tous les efforts raisonnables pour transmettre sans délai à l'établissement ou au service compétent, les demandes de renseignements ou de conseils qui sont erronément adressées à un acteur de paiement qui n'est pas compétent pour la matière en question. L'acteur de paiement en informe immédiatement le demandeur.
Art. 82. De uitbetalingsactoren moeten zich in hun externe communicatie, in welke vorm die ook plaatsvindt, in een begrijpelijke taal uitdrukken.
Art. 82. Les acteurs de paiement doivent s'exprimer dans une langue compréhensible dans leur communication externe, quelle qu'en soit la forme.
Art. 83. De uitbetalingsactoren zijn ertoe gehouden de begunstigden, uiterlijk op het moment van de uitvoering, op de hoogte te brengen van iedere individuele beslissing die hen in hun rechten raakt.
De Vlaamse Regering kan de gevallen bepalen waarin, in afwijking van het eerste lid, de kennisgeving niet of pas achteraf hoeft plaats te vinden.
Art. 83. Les acteurs de paiement sont tenus à informer les bénéficiaires, au plus tard au moment de l'exécution, de toute décision individuelle qui touche à leurs droits.
Le Gouvernement flamand peut déterminer les cas auxquels, par dérogation à l'alinéa 1er, la notification ne doit pas avoir lieu ou ne doit avoir lieu qu'a posteriori.
HOOFDSTUK 2. - Toekenningsprocedure
CHAPITRE 2. - Procédure d'octroi
Afdeling 1. - Verzoeken tot toekenning van toelagen in het kader van het gezinsbeleid
Section 1. - Demandes d'octroi d'allocations dans le cadre de la politique familiale
Art. 84. De toelagen in het kader van het gezinsbeleid worden toegekend, hetzij ambtshalve telkens als dat materieel mogelijk is, hetzij op schriftelijk verzoek.
De Vlaamse Regering kan de nadere uitvoering van het eerste lid bepalen.
Art. 84. Les allocations dans le cadre de la politique familiale sont accordées soit d'office chaque fois que c'est matériellement possible, soit sur demande écrite.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités d'exécution de l'alinéa 1er.
Art. 85. Het schriftelijke verzoek wordt ondertekend door een begunstigde en ingediend bij een uitbetalingsactor die als taak heeft het verzoek te onderzoeken. Een authenticatie met een elektronische identiteitskaart wordt beschouwd als een ondertekend schriftelijk verzoek.
De uitbetalingsactor die het schriftelijke verzoek ontvangt, stuurt al dan niet elektronisch een ontvangstbewijs naar de verzoeker of overhandigt hem dat. Elk ontvangstbewijs geeft de onderzoekstermijn van het verzoek aan. Een betaling door de uitbetalingsactor of een verzoek om aanvullende inlichtingen van de uitbetalingsactor geldt als ontvangstbewijs.
De niet-bevoegde uitbetalingsactor waarbij het schriftelijke verzoek wordt ingediend, levert alle redelijke inspanningen om dat onverwijld door te sturen naar de bevoegde instelling of dienst. De verzoeker wordt daarvan onmiddellijk op de hoogte gebracht.
De uitbetalingsactor stelt een intern beleid voor de behandeling van verzoeken op. De Vlaamse Regering bepaalt de minimale kwaliteitsvereisten waaraan dat beleid moet voldoen.
Art. 85. La demande écrite est signée par un bénéficiaire et introduite auprès d'un acteur de paiement qui a pour mission d'examiner la demande. Une authentification à l'aide d'une carte d'identité électronique est considérée comme une demande écrite signée.
L'acteur de paiement qui reçoit la demande écrite, envoie un récépissé électronique ou non au demandeur, ou le lui remet. Chaque récépissé mentionne le délai d'examen de la demande. Un paiement par l'acteur de paiement ou une demande de renseignements complémentaires de l'acteur de paiement vaut comme récépissé.
L'acteur de paiement non compétent auprès duquel la demande écrite est introduite, fournit tous les efforts raisonnables pour la transmettre sans délai à l'établissement ou au service compétent. Le demandeur en est informé immédiatement.
L'acteur de paiement établit une politique interne pour le traitement des demandes. Le Gouvernement flamand fixe les conditions de qualité minimales auxquelles cette politique doit répondre.
Afdeling 2. - Beslissingen en onmiddellijke uitvoering
Section 2. - Décisions et exécution immédiate
Onderafdeling 1. - Termijnen
Sous-section 1ère. - Délais
Art. 86. De uitbetalingsactor beslist binnen vier maanden na de ontvangst van het schriftelijke verzoek of na het feit dat aanleiding geeft tot het ambtshalve onderzoek, vermeld in artikel 84. De Vlaamse Regering kan in bijzonder gemotiveerde omstandigheden de termijn tijdelijk tot ten hoogste acht maanden verlengen.
De uitbetalingsactor die een schriftelijk verzoek moet behandelen, verzamelt zo veel mogelijk uit eigen beweging alle ontbrekende inlichtingen om de rechten van de begunstigde te kunnen beoordelen. Met behoud van de toepassing van de bepalingen in het vorige lid kan de uitbetalingsactor inlichtingen die noodzakelijk zijn om een beslissing te nemen, opvragen bij een binnenlandse of buitenlandse dienst of instelling, alsook bij de betrokkene zelf.
Als de uitbetalingsactor uiterlijk binnen een termijn van drie maanden geen antwoord ontvangt, verstuurt de uitbetalingsactor een rappel waarin aan de binnenlandse dienst of instelling of de betrokkene een laatste termijn van één maand toegekend wordt om te antwoorden. Als de uitbetalingsactor geen antwoord ontvangt binnen die termijn, neemt hij een beslissing op basis van de gegevens waarover hij beschikt. In afwijking van hetgeen in de voorgaande zin bepaald is, wacht de uitbetalingsactor het antwoord van de betrokkene of de binnenlandse dienst of instelling zelf af als de betrokkene of binnenlandse dienst of instelling binnen de termijn om te antwoorden, vermeld in dit lid, een reden opgegeven heeft die een langere antwoordtermijn rechtvaardigt.
Als de uitbetalingsactor inlichtingen opvraagt bij een buitenlandse dienst of instelling die noodzakelijk zijn om een beslissing te nemen, wordt de termijn, vermeld in het eerste lid, geschorst vanaf het moment dat de uitbetalingsactor de vraag gesteld heeft totdat hij een antwoord ontvangen heeft.
Een uitbetalingsactor die een verzoek om inlichtingen ontvangt, in het kader van een onderzoek naar een mogelijke rechtentoekenning, van een andere uitbetalingsactor, instelling of dienst, bezorgt de inlichtingen binnen een termijn van acht dagen. Als de uitbetalingsactor niet over de nodige gegevens beschikt, brengt hij de vraagsteller daarvan op de hoogte binnen dezelfde termijn.
Art. 86. L'acteur de paiement décide dans les quatre mois après la réception de la demande écrite ou après le fait donnant lieu à l'examen d'office, visé à l'article 84. Dans des circonstances particulièrement motivées, le Gouvernement flamand peut temporairement prolonger le délai jusqu'à huit mois au maximum.
L'acteur de paiement qui doit traiter une demande écrite, collecte le plus possible de sa propre initiative tous les renseignements manquants afin de pouvoir évaluer les droits du bénéficiaire. Sans préjudice de l'application des dispositions de l'alinéa précédent, l'acteur de paiement peut recueillir les renseignements nécessaires à prendre une décision, auprès d'un service ou établissement intérieur ou étranger, ainsi qu'auprès de l'intéressé même.
Si l'acteur de paiement ne reçoit pas de réponse dans un délai de trois mois, il envoie un rappel accordant au service ou à l'établissement intérieur ou à l'intéressé un dernier délai d'un mois pour répondre. Si l'acteur de paiement ne reçoit pas de réponse dans ce délai, il prend une décision sur la base des données dont il dispose. Par dérogation aux dispositions de la phrase précédente, l'acteur de paiement attend la réponse de l'intéressé ou du service ou de l'établissement intérieur si l'intéressé ou le service ou l'établissement intérieur a indiqué, dans le délai de réponse visé au présent alinéa, un motif justifiant un délai de réponse plus long.
Si l'acteur de paiement demande des renseignements auprès d'un service ou établissement étranger, qui sont nécessaires pour prendre une décision, le délai visé à l'alinéa 1er est suspendu à partir du moment où l'acteur de paiement a posé la question jusqu'à ce qu'il ait reçu une réponse.
Un acteur de paiement qui reçoit une demande de renseignements, dans le cadre d'une enquête d'un octroi éventuel de droits, d'un autre acteur de paiement, établissement ou service, transmet les renseignements dans le délai de huit jours. Si l'acteur de paiement ne dispose pas des données nécessaires, il en informe le demandeur dans le même délai.
Art. 87. De toelagen in het kader van het gezinsbeleid worden uiterlijk binnen twee maanden na de kennisgeving van de beslissing tot toekenning betaald, op zijn vroegst op de dag waarop de uitbetalingsvoorwaarden vervuld zijn.
In afwijking van het vorige lid wordt voor de selectieve participatietoeslagen de betaling geacht verricht te zijn in overeenstemming met het voorgaande lid als ze is verricht in de loop van het school- of academiejaar waarop ze betrekking heeft, of uiterlijk eind februari van het daaropvolgende school- of academiejaar.
Als de betaling niet gedaan wordt binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, of in de loop van het school- of academiejaar, zoals bepaald in het tweede lid, brengt de uitbetalingsactor de verzoeker daarvan op de hoogte, met vermelding van de redenen van de vertraging. De verzoeker behoudt echter het recht om na de uitputting van het beroep bij de geschillencommissie zijn zaak voor de bevoegde rechtbank te brengen. Zolang de betaling niet is gedaan, wordt de verzoeker om de twee maanden op de hoogte gebracht van de redenen van de vertraging.
De Vlaamse Regering kan in bijzonder gemotiveerde omstandigheden de termijn van twee maanden, vermeld in het eerste lid, tijdelijk verlengen tot ten hoogste vier maanden.
Art. 87. Les allocations dans le cadre de la politique familiale sont payées au plus tard dans les deux mois après la notification de la décision d'octroi, au plus tôt le jour auquel les conditions de paiement sont remplies.
Par dérogation à l'alinéa précédent, quant aux allocations de participation sélectives, le paiement est censé être effectué en conformité avec l'alinéa 1er s'il est effectué au cours de l'année scolaire ou académique à laquelle il se rapporte, ou au plus tard à la fin de février de l'année scolaire ou académique suivante.
Si le paiement n'est pas effectué dans le délai visé à l'alinéa 1er, ou au cours de l'année scolaire ou académique, telle que fixée à l'alinéa 2, l'acteur de paiement en informe le demandeur, en mentionnant les motifs du retard. Le demandeur conserve toutefois le droit de saisir le tribunal compétent de son affaire après l'épuisement du recours auprès de la commission de litiges. Tant que le paiement n'est pas effectué, le demandeur est informé tous les deux mois des motifs du retard.
Dans des circonstances particulièrement motivées, le Gouvernement flamand peut temporairement prolonger le délai de deux mois, visé à l'alinéa 1er, à quatre mois au maximum.
Onderafdeling 2. - Motivering, vermeldingen en kennisgeving
Sous-section 2. - Motivation, mentions et notification
Art. 88. Elke individuele beslissing die in rechten raakt, moet met redenen worden omkleed. Als de beslissingen betrekking hebben op geldsommen, moeten ze de wijze vermelden waarop die berekend zijn. De mededeling van de berekeningswijze geldt als motivering en kennisgeving. De Vlaamse Regering bepaalt de vermeldingen die op de betalingsformulieren moeten worden opgenomen.
Onverminderd de eventuele verplichting de begunstigde op de hoogte te brengen van een gemotiveerde beslissing in een begrijpelijke taal, kan de Vlaamse Regering bepalen onder welke voorwaarden categorieën van beslissingen die door of met behulp van informaticaprogramma's zijn genomen, bij het ontbreken van een akte, geacht worden gemotiveerd te zijn. De mogelijke begunstigde heeft op elk moment het recht om op de hoogte gebracht te worden van de motivering van de beslissing als hij daar uitdrukkelijk schriftelijk om verzoekt.
Art. 88. Chaque décision individuelle touchant à des droits, doit être motivée. Si les décisions concernent des sommes d'argent, elles doivent mentionner le mode de calcul de ces sommes. La communication du mode de calcul vaut comme motivation et notification. Le Gouvernement flamand arrête les mentions qui doivent être reprises dans les formulaires de paiement.
Sans préjudice de l'obligation éventuelle d'informer le bénéficiaire d'une décision motivée dans une langue compréhensible, le Gouvernement flamand peut arrêter les conditions auxquelles des catégories de décisions prises par ou à l'aide de programmes informatiques, à défaut d'un acte, sont censées être motivées. Le bénéficiaire éventuel a à tout moment le droit d'être informé de la motivation de la décision s'il en fait explicitement la demande par écrit.
Art. 89. De individuele beslissingen die in rechten raken, moeten de volgende vermeldingen bevatten:
1° de mogelijkheid om inlichtingen te krijgen over de beslissing bij de uitbetalingsactor;
2° de mogelijkheid om klacht in te dienen bij de Vlaamse Ombudsdienst, de uitbetalingsactor of bij de klachten- en bemiddelingsdienst die opgericht is binnen het Vlaams Agentschap voor de Uitbetaling van Toelagen in het kader van het Gezinsbeleid;
3° de mogelijkheid om beroep in te stellen bij de geschillencommissie;
4° de mogelijkheid om bij de bevoegde rechtbank beroep in te stellen, na uitputting van het beroep bij de geschillencommissie;
5° het adres van de geschillencommissie en de bevoegde rechtbank;
6° de termijn om bij de geschillencommissie en bij de bevoegde rechtbank beroep in te stellen, en de wijze waarop dat moet gebeuren;
7° de inhoud van artikel 728 en 1017 van het Gerechtelijk Wetboek;
8° de refertes van het dossier, van de betrokken dienst en van de dossierbeheerder.
Als de beslissing de vermeldingen, vermeld in het eerste lid, niet bevat, gaat de termijn om beroep in te stellen bij de geschillencommissie pas in vier maanden na de kennisgeving van de beslissing.
De Vlaamse Regering kan bepalen dat het eerste lid niet van toepassing is op de toelagen in het kader van het gezinsbeleid die ze bepaalt.
Art. 89. Les décisions individuelles touchant à des droits, doivent contenir les mentions suivantes :
1° la possibilité d'obtenir des renseignements sur la décision de l'acteur de paiement ;
2° la possibilité d'introduire une plainte auprès du Service de Médiation flamand, l'acteur de paiement ou le service des plaintes et de médiation qui est créé au sein de l'Agence flamande de Paiement des Allocations dans le cadre de la Politique familiale ;
3° la possibilité d'introduire un recours auprès de la commission de litiges ;
4° la possibilité d'introduire un recours auprès du tribunal compétent, après l'épuisement du recours auprès de la commission de litiges ;
5° l'adresse de la commission de litiges et du tribunal compétent ;
6° le délai et le mode d'introduction d'un recours auprès de la commission de litiges et du tribunal compétent ;
7° le contenu des articles 728 et 1017 du Code judiciaire ;
8° les références du dossier, du service concerné et du gestionnaire du dossier.
Si la décision ne comprend pas les mentions visées à l'alinéa 1er, le délai d'introduction d'un recours auprès de la commission de litiges ne commence que quatre mois après la notification de la décision.
Le Gouvernement flamand peut arrêter que l'alinéa 1er ne s'applique pas aux allocations dans le cadre de la politique familiale qu'il détermine.
Art. 90. De beslissingen tot terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen moeten, naast de vermeldingen, vermeld in artikel 89, de volgende aanduidingen bevatten:
1° de vaststelling dat er onverschuldigde bedragen zijn betaald;
2° het totale onverschuldigde bedrag dat is betaald, en de berekeningswijze ervan;
3° de inhoud en de refertes van de bepalingen in strijd waarmee de betalingen zijn gedaan;
4° de verjaringstermijn die van toepassing is;
5° in voorkomend geval, de mogelijkheid voor de uitbetalingsactor om van de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen af te zien en de procedure die daarvoor moet worden gevolgd;
6° de mogelijkheid om een met redenen omkleed voorstel tot terugbetaling in schijven voor te leggen.
Als de beslissing de vermeldingen, vermeld in artikel 89, eerste lid, niet bevat, gaat de termijn om beroep in te stellen bij de geschillencommissie pas in vier maanden na de kennisgeving van de beslissing.
Art. 90. Les décisions de recouvrement d'allocations payées indûment doivent comprendre, outre les mentions visées à l'article 89, les indications suivantes :
1° la constatation que des montants indus sont payés ;
2° le montant indu total qui est payé, et le mode de calcul de ce montant ;
3° le contenu et les références des dispositions contrairement auxquelles les paiements sont faits ;
4° le délai de prescription applicable :
5° le cas échéant, la possibilité pour l'acteur de paiement de renoncer au recouvrement des montants indûment payés, et la procédure à suivre à cet effet ;
6° la possibilité de présenter une proposition motivée de remboursement en tranches.
Si la décision ne comprend pas les mentions visées à l'article 89, alinéa 1er, le délai d'introduction d'un recours auprès de la commission de litiges ne commence que quatre mois après la notification de la décision.
Art. 91. Met behoud van de toepassing van specifieke decretale of reglementaire bepalingen wordt de kennisgeving aan de begunstigde schriftelijk of elektronisch gedaan.
De Vlaamse Regering legt nadere regels vast met betrekking tot de kennisgeving.
Art. 91. Sans préjudice de l'application de dispositions décrétales ou réglementaires spécifiques, la notification est faite au bénéficiaire par écrit ou par voie électronique.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités relatives à la notification.
Titel 2. - Ambtshalve en gedwongen herziening van een beslissing
Titre 2. - Révision d'office et forcée d'une décision
HOOFDSTUK 1. - Rechtzetting van een foutieve beslissing
CHAPITRE 1er. - Rectification d'une décision erronée
Art. 92. § 1. Als de uitbetalingsactor vaststelt dat een beslissing over toelagen in het kader van het gezinsbeleid aangetast is door een juridische of materiële fout, trekt hij die beslissing in en neemt hij op eigen initiatief een nieuwe beslissing die uitwerking heeft op de datum waarop de ingetrokken beslissing is ingegaan of had moeten ingaan, met behoud van de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk 2 van deze titel.
Als het gaat om een fout van de uitbetalingsactor, waarvan de begunstigde zich normaal geen rekenschap kan geven, en het bedrag van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid kleiner is dan het bedrag dat aanvankelijk was toegekend, neemt de uitbetalingsactor een nieuwe beslissing die uitwerking heeft op de eerste dag van de maand na de kennisgeving ervan.
Als een beroep bij de geschillencommissie is ingesteld tegen een beslissing die aangetast is door een juridische of materiële fout, zijn de voorwaarden en regels, vermeld in het eerste en het tweede lid, ook van toepassing en kan de uitbetalingsactor een nieuwe beslissing nemen zolang de geschillencommissie geen beslissing heeft genomen.
§ 2. Als zich met betrekking tot de nationaliteitsvoorwaarde, de pedagogische voorwaarden of de financiële voorwaarden, vereist door dit decreet voor de selectieve participatietoeslagen leerling, wijzigingen voordoen, kan de begunstigde tot zes maanden na de kennisname van de nieuwe feiten vragen aan de uitbetalingsactor om zijn dossier te herzien.
De vraag tot herziening van een dossier als vermeld in het eerste lid, kan betrekking hebben op het schooljaar waarin de vraag gesteld is, of op de vier schooljaren die eraan voorafgaan.
Art. 92. § 1er. Si l'acteur de paiement constate qu'une décision sur des allocations dans le cadre de la politique familiale est entachée d'une erreur juridique ou matérielle, il retire cette décision et prend de sa propre initiative une nouvelle décision qui produit ses effets à la date à laquelle la décision retirée a pris ou aurait dû prendre effet, sans préjudice de l'application des dispositions du chapitre 2 du présent titre.
Lorsqu'il s'agit d'une erreur de l'acteur de paiement, dont le bénéficiaire ne peut normalement pas se rendre compte, et le montant des allocations dans le cadre de la politique familiale est inférieur au montant initialement accordé, l'acteur de paiement prend une nouvelle décision qui produit ses effets le premier jour du mois après la notification.
Si un recours est introduit auprès de la commission de litiges contre une décision entachée d'une erreur juridique ou matérielle, les conditions et règles visées aux alinéas 1er et 2 s'appliquent également, et l'acteur de paiement peut prendre une nouvelle décision tant que la commission de litiges n'a pas pris de décision.
§ 2. S'il y a des changements dans la condition de nationalité, les conditions pédagogiques ou les conditions financières, requises par le présent décret pour les allocations de participation sélectives d'élève, le bénéficiaire peut demander à l'acteur de paiement la révision de son dossier jusqu'à six mois après la prise de connaissance des nouveaux faits.
La demande de révision d'un dossier, telle que visée à l'alinéa 1er, peut porter sur l'année scolaire dans laquelle la question est posée, ou sur les quatre années scolaires précédentes.
Art. 93. Met behoud van de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk 2 van deze titel neemt de uitbetalingsactor op eigen initiatief een nieuwe beslissing binnen de termijn om beroep bij de bevoegde rechtbank in te stellen, of, als het beroep al is ingesteld, tot aan de sluiting van de debatten als:
1° op de datum waarop het recht op een toelage in het kader van het gezinsbeleid is ontstaan, het recht door een decretale of reglementaire bepaling is gewijzigd;
2° de uitbetalingsactor kennisneemt van een nieuw feit of nieuw bewijsmateriaal dat een terugslag heeft op de rechten van de begunstigde.
Art. 93. Sans préjudice de l'application des dispositions du chapitre 2 du présent titre, l'acteur de paiement prend de sa propre initiative une nouvelle décision dans le délai d'introduction d'un recours auprès du tribunal compétent ou, si le recours est déjà introduit, jusqu'à la clôture des débats si :
1° à la date à laquelle le droit à une allocation dans le cadre de la politique familiale est né, le droit est modifié par une disposition décrétale ou réglementaire ;
2° l'acteur de paiement prend connaissance d'un nouveau fait ou d'une nouvelle preuve ayant un impact sur les droits du bénéficiaire.
Art. 94. Na een beslissing van de uitbetalingsactor, een beslissing van de geschillencommissie of een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing over een verzoek tot toekenning van een toelage in het kader van het gezinsbeleid kan overeenkomstig de vormen die voor het oorspronkelijke verzoek bepaald zijn, een nieuw verzoek worden ingediend.
Een nieuw verzoek kan alleen gegrond worden verklaard op voorlegging van nieuw bewijsmateriaal dat niet eerder aan de uitbetalingsactor, aan de geschillencommissie of aan de bevoegde rechtbank is voorgelegd, of ten gevolge van een wijziging in een decretale of reglementaire bepaling.
De nieuwe beslissing wordt genomen met inachtname van de regels die gelden voor elke andere beslissing en heeft alleen gevolgen voor de toekomst.
Art. 94. Après une décision de l'acteur de paiement, une décision de la commission de litiges ou une décision juridique passée en force de chose jugée relative à une demande d'octroi d'une allocation dans le cadre de la politique familiale, une nouvelle demande peut être introduite conformément aux formes fixées pour la demande originale.
Une nouvelle demande ne peut être déclarée fondée que sur la présentation d'une nouvelle preuve qui n'a pas été présentée antérieurement à l'acteur de paiement, à la commission de litiges ou au tribunal compétent, ou suite à une modification d'une disposition décrétale ou réglementaire.
La nouvelle décision est prise dans le respect des règles applicables à toute autre décision, et n'entraîne des conséquences que pour l'avenir.
HOOFDSTUK 2. - Verjaring
CHAPITRE 2. - Prescription
Art. 95. De rechtsvorderingen waarover de begunstigden van toelagen in het kader van het gezinsbeleid beschikken, moeten binnen vijf jaar worden ingesteld.
Voor de gezinsbijslagen, vermeld in deel 1 van boek 2, met uitzondering van de startbedragen geboorte en adoptie, [3 en voor de ondersteuningstoeslag,]3 neemt de termijn van vijf jaar een aanvang de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarop de gezinsbijslagen betrekking hebben.
Voor de kinderopvangtoeslagen, vermeld in deel 3 van boek 2, neemt de termijn van vijf jaar een aanvang de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de kinderopvangdag zich bevindt waarop de kinderopvangtoeslag betrekking heeft.
Voor het startbedrag geboorte neemt de termijn van vijf jaar een aanvang de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de geboorte plaatsvond. Voor het startbedrag adoptie neemt de termijn van vijf jaar een aanvang de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin het verzoekschrift tot adoptie is ingediend bij de bevoegde rechtbank of, bij gebrek daaraan, de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de adoptieakte is ondertekend. Als het kind op die datum nog geen deel uitmaakt van het gezin van de adoptant, vangt de voormelde termijn aan op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin het kind werkelijk deel uitmaakt van dit gezin.
[1 Voor de selectieve participatietoeslagen, vermeld in boek 2, deel 2, begint de termijn van vijf jaar op 1 september van het schooljaar waarop de selectieve participatietoeslagen betrekking zouden hebben]1.
[2 Voor de kleutertoeslagen, vermeld in boek 2, deel 3, titel 2, begint de termijn van vijf jaar op:
1° de eerste dag van de maand na de derde verjaardag van de leerling voor de kleutertoeslag, vermeld in artikel 54;
2° de eerste dag van de maand na de vierde verjaardag van de leerling voor de kleutertoeslag, vermeld in artikel 55.]2

Buiten de oorzaken, vermeld in het Burgerlijk Wetboek, wordt de verjaring geschorst tijdens de procedure voor de geschillencommissie en voor de bevoegde rechtbank. De Vlaamse Regering bepaalt de regels met betrekking tot de begin- en einddatum van de schorsing.
De uitbetalingsactoren zullen in geen geval afzien van het voordeel van de verjaring, zoals ze bij dit artikel is vastgesteld.
In afwijking van de voorgaande leden kan de verjaring niet ingeroepen worden tijdens een periode van terugbetaling van onverschuldigde toelagen in het kader van het gezinsbeleid.
Art. 95. Les actions en justice dont les bénéficiaires d'allocations dans le cadre de la politique familiale, doivent être intentées dans les cinq ans.
Pour les allocations familiales, visées à la partie 1 du livre 2, à l'exception des montants initiaux naissance et adoption, [3 et pour le supplément de soutien,]3 le délai de cinq ans prend cours le premier jour du mois qui suit le mois auquel se rapportent les allocations familiales.
Pour les allocations pour accueil d'enfants, visées à la partie 3 du livre 2, le délai de cinq ans prend cours le premier jour du mois qui suit le mois qui comprend le jour d'accueil d'enfants sur lequel porte l'allocation pour accueil d'enfants.
Pour le montant initial naissance, le délai de cinq ans prend cours le premier jour du mois qui suit le mois dans lequel la naissance a eu lieu. Pour le montant initial adoption, le délai de cinq ans prend cours le premier jour du mois qui suit le mois dans lequel la requête en adoption est introduite auprès du tribunal compétent ou, à défaut, le premier jour du mois qui suit le mois dans lequel l'acte d'adoption est signé. Si l'enfant ne fait pas encore partie de la famille de l'adoptant à cette date, le délai précité prend cours le premier jour du mois qui suit le mois dans lequel l'enfant fait effectivement partie de cette famille.
[1 Pour les allocations de participation sélectives visées dans le livre 2, partie 2, le délai de cinq ans commence à courir le 1er septembre de l'année scolaire à laquelle les allocations de participation sélectives se rapporteraient]1.
[2 Pour les allocations de jeune enfant visées dans le livre 2, partie 3, titre 2, le délai de cinq ans commence à courir :
1° le premier jour du mois qui suit le troisième anniversaire de l'élève pour l'allocation de jeune enfant visée à l'article 54 ;
2° le premier jour du mois qui suit le quatrième anniversaire de l'élève pour l'allocation de jeune enfant visée à l'article 55. ]2

Outre les causes mentionnées au Code civil, la prescription est suspendue pendant la procédure devant la commission de litiges et devant le tribunal compétent. Le Gouvernement flamand arrête les règles relatives à la date de début et de fin de la suspension.
Les acteurs de paiement ne renonceront en aucun cas au bénéfice de la prescription, telle qu'elle est établie par le présent article.
Par dérogation aux alinéas précédents, la prescription ne peut pas être invoquée pendant une période de remboursement d'allocations indues dans le cadre de la politique familiale.
Art. 96. Met behoud van de toepassing van specifieke decretale of reglementaire bepalingen wordt de verjaringstermijn door een verzoek of een klacht van een persoon gestuit.
De verjaringstermijn wordt gestuit op de datum van de aangetekende brief, waarvan de postdatum als bewijs geldt of, bij gebrek daaraan, op de datum van het ontvangstbewijs dat de bevoegde uitbetalingsactor onverwijld bezorgt aan de verzoeker of klager.
Art. 96. Sans préjudice de l'application de dispositions décrétales ou réglementaires spécifiques, le délai de prescription est interrompu par une demande ou une plainte d'une personne.
Le délai de prescription est interrompu à la date de la lettre recommandée, dont la date de la poste fait foi, ou à défaut d'une telle lettre, à la date du récépissé que l'acteur de paiement compétent transmet sans délai au demandeur ou plaignant.
Art. 97. Met behoud van de toepassing van specifieke decretale of reglementaire bepalingen verjaart de terugvordering van de ten onrechte betaalde toelagen in het kader van het gezinsbeleid na drie jaar vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de datum waarop de toelage is uitbetaald.
Die termijn wordt op vijf jaar gebracht als de ten onrechte uitbetaalde toelage het gevolg is van bedrog of bedrieglijke handelingen van de begunstigde. De termijn van vijf jaar begint te lopen vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de datum waarop de toelage is uitbetaald.
Als de toelagen in het kader van het gezinsbeleid ten onrechte zijn betaald vanwege de toekenning of de vermeerdering van een voordeel dat, geheel of gedeeltelijk, niet samen met de toelagen in het kader van het gezinsbeleid genoten kan worden, gaat de verjaringstermijn die van toepassing is, ook in de eerste dag van de maand die volgt op de datum waarop dat voordeel of die vermeerdering is betaald.
Art. 97. Sans préjudice de l'application de dispositions décrétales ou réglementaires spécifiques, le recouvrement des allocations indûment payées dans le cadre de la politique familiale se prescrit après trois ans à partir du premier jour du mois qui suit la date à laquelle l'allocation est payée.
Ce délai est porté à cinq ans si l'allocation indûment payée résulte de fraude ou d'actions trompeuses du bénéficiaire. Le délai de cinq ans prend cours à partir du premier jour du mois qui suit la date à laquelle l'allocation est payée.
Si les allocations dans le cadre de la politique familiale sont payées indûment en raison de l'octroi ou de la majoration d'un avantage dont on ne peut pas bénéficier, en tout ou en partie, ensemble avec les allocations dans le cadre de la politique familiale, le délai de prescription applicable prend également cours le premier jour du mois qui suit la date à laquelle cet avantage ou cette majoration est payé(e).
Art. 98. Met behoud van de toepassing van specifieke decretale of reglementaire bepalingen wordt de verjaringstermijn, vanaf de datum van de verzending, gestuit door de kennisgeving van de beslissing tot terugvordering van ten onrechte betaalde toelagen in het kader van het gezinsbeleid, op voorwaarde dat die beslissing melding maakt van de periode waarvoor de toelagen in het kader van het gezinsbeleid ten onrechte zijn ontvangen.
Art. 98. Sans préjudice de l'application de dispositions décrétales ou réglementaires spécifiques, le délai de prescription est interrompu, à partir de la date d'envoi, par la notification de la décision de recouvrement d'allocations indûment payées dans le cadre de la politique familiale, à condition que cette décision mentionne la période pour laquelle les allocations dans le cadre de la politique familiale sont reçues indûment.
Art. 99. Met behoud van de toepassing van specifieke decretale of reglementaire bepalingen schorsen alle beroepen bij de geschillencommissie, alle rechtsgedingen en alle rechtsvorderingen met betrekking tot de terugvordering van ten onrechte betaalde toelagen in het kader van het gezinsbeleid, die worden ingesteld door de schuldenaar die de toelagen in het kader van het gezinsbeleid moet terugbetalen of door om het even welke andere persoon die ze moet terugbetalen krachtens decretale of reglementaire bepalingen, de verjaring.
De schorsing vangt aan met de akte van rechtsingang en eindigt als de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.
Art. 99. Sans préjudice de l'application de dispositions décrétales ou réglementaires spécifiques, tous les recours auprès de la commission de litiges, toutes les actions judiciaires et toutes les actions en justice relatives au recouvrement d'allocations indûment payées dans le cadre de la politique familiale, qui sont institués par le débiteur qui doit rembourser les allocations dans le cadre de la politique familiale ou par toute autre personne qui doit les rembourser en vertu de dispositions décrétales ou réglementaires, suspendent la prescription.
La suspension prend cours par l'acte introductif d'instance et prend fin si la décision judiciaire a acquis force de chose jugée.
HOOFDSTUK 3. - Interest
CHAPITRE 3. - Intérêt
Art. 100. Met behoud van de toepassing van gunstigere decretale of reglementaire bepalingen brengen de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, alleen voor de natuurlijke personen, van rechtswege interest op vanaf hun opeisbaarheid en op zijn vroegst vanaf de datum die voortvloeit uit artikel 87.
Als de beslissing tot toekenning genomen is met een vertraging die te wijten is aan een uitbetalingsactor, is de interest evenwel verschuldigd vanaf het verstrijken van de termijn, vermeld in artikel 86, en op zijn vroegst vanaf de datum waarop het recht op een toelage in het kader van het gezinsbeleid is ontstaan.
Art. 100. Sans préjudice de l'application de dispositions décrétales ou réglementaires plus favorables, les allocations dans le cadre de la politique familiale ne portent intérêt de plein droit que pour les personnes physiques à partir de leur exigibilité et au plus tôt à partir de la date résultant de l'article 87.
Si la décision d'octroi est prise avec un retard dû à un acteur de paiement, l'intérêt est toutefois dû à partir du délai visé à l'article 86 et au plus tôt à partir de la date à laquelle le droit à une allocation dans le cadre de la politique familiale est né.
Art. 101. De onverschuldigd betaalde toelagen in het kader van het gezinsbeleid brengen van rechtswege interest op vanaf de betaling als de onverschuldigde betaling het gevolg is van bedrog of bedrieglijke handelingen van een begunstigde. Een kapitalisatie van interesten is nooit mogelijk, ook niet in de situatie, vermeld in [1 artikel 5.207]1 van het Burgerlijk Wetboek.
Art. 101. Les allocations indûment payées dans le cadre de la politique familiale portent intérêt de plein droit à partir du paiement si le paiement indu résulte de fraude ou d'actions trompeuses d'un bénéficiaire. Une capitalisation d'intérêts n'est jamais possible, y compris dans la situation visée à [1 l'article 5.207]1 du Code civil.
Art. 102. De Vlaamse Regering kan, voor de toepassing van artikel 100 en 101, de regels voor de berekening van de interest bepalen. Ze kan ook het interesttarief bepalen, maar het mag niet lager zijn dan het gewoon tarief der voorschotten boven plafond, vastgesteld door de Nationale Bank.
De Vlaamse Regering kan, voor de toepassing van artikel 101, het niet-afleggen door de begunstigde van een verklaring die is voorgeschreven door een bepaling die aan de begunstigde is meegedeeld, gelijkstellen met bedrog of bedrieglijke handelingen. De verklaring kan door een wets- of reglementaire bepaling voorgeschreven worden of voortvloeien uit een vroeger aangegane verbintenis.
Art. 102. Pour l'application des articles 100 et 101, le Gouvernement flamand peut arrêter les règles pour le calcul de l'intérêt. Il peut également arrêter le taux d'intérêt, mais ce dernier ne peut pas être inférieur au taux ordinaire des avances au-dessus du plafond, fixé par la Banque nationale.
Pour l'application de l'article 101, le Gouvernement flamand peut assimiler l'abstention par le bénéficiaire de produire une déclaration prescrite par une disposition communiquée au bénéficiaire, à la fraude ou à des actions trompeuses. La déclaration peut être prescrite par une disposition légale ou réglementaire ou résulter d'un engagement contracté antérieurement.
HOOFDSTUK 4. - Terugvordering van onverschuldigd betaalde toelagen in het kader van het gezinsbeleid en afstand
CHAPITRE 4. - Recouvrement d'allocations indûment payées dans le cadre de la politique familiale et renonciation
Art. 103. § 1. Onverschuldigd betaalde toelagen in het kader van het gezinsbeleid worden teruggevorderd, behalve in de gevallen waarin een dergelijke terugvordering wordt uitgesloten door dit decreet, door inhoudingen, verricht door de uitbetalingsactor, overeenkomstig het bepaalde in artikel 1410, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek, op nog te betalen toelagen in het kader van het gezinsbeleid.
Als de toelage niet teruggevorderd kan worden door middel van inhoudingen, als de betrokkene niet reageert op minimaal twee aanmaningen van de uitbetalingsactor [2 en als hij het afbetalingsplan dat in voorkomend geval is overeengekomen]2 met de uitbetalingsactor, niet langer uitvoert, vordert de Vlaamse Belastingdienst de onverschuldigd betaalde toelagen in het kader van het gezinsbeleid terug. De uitbetalingsactor bezorgt de gegevens van de personen bij wie de ten onrechte betaalde toelagen in het kader van het gezinsbeleid[2 ...]2 moeten worden ingevorderd, via [1 het agentschap Opgroeien regie]1, aan de Vlaamse Belastingdienst.
§ 2. De uitbetalingsactor kan binnen de voorwaarden, bepaald door de Vlaamse Regering, afzien van de terugvordering van het onverschuldigd betaalde bedrag:
1° in bijzondere, gemotiveerde gevallen of in bepaalde categorieën van gevallen, op voorwaarde dat de schuldenaar te goeder trouw is;
2° als het terug te vorderen bedrag gering is;
3° als blijkt dat de terugvordering onzeker of te duur is in vergelijking met het bedrag dat teruggevorderd moet worden.
§ 3. Behalve in geval van bedrog of bedrieglijke handelingen wordt ambtshalve afgezien van de terugvordering van onverschuldigd betaalde toelagen in het kader van het gezinsbeleid bij het overlijden van degene aan wie ze betaald zijn, als hij op dat ogenblik nog niet op de hoogte was gebracht van de terugvordering.
§ 4. Met behoud van de toepassing van artikel 1410 van het Gerechtelijk Wetboek verhindert paragraaf 3 niet de terugvordering van onverschuldigd betaalde toelagen in het kader van het gezinsbeleid die, op het ogenblik van het overlijden van de begunstigde, vervallen waren, maar hem nog niet waren uitbetaald of niet waren uitbetaald aan een van de volgende personen:
1° de echtgenoot met wie de gerechtigde op het ogenblik van zijn overlijden samenleefde;
2° de kinderen met wie de gerechtigde op het ogenblik van zijn overlijden samenleefde;
3° de persoon met wie de gerechtigde op het ogenblik van zijn overlijden samenleefde;
4° de persoon die tegemoetgekomen is in de ziekenhuiskosten;
5° de persoon die de begrafeniskosten betaald heeft.
§ 5. Onverschuldigde betalingen die niet teruggevorderd kunnen worden, zijn ten laste van [2 de toelagenreserve]2 van de private uitbetalingsactor waarbij de schuld is ontstaan en ten laste van de algemene middelen als de schuld is ontstaan bij het agentschap.
Art. 103. § 1er. Les allocations indûment payées dans le cadre de la politique familiale sont recouvrées, sauf dans les cas où un tel recouvrement est exclu par le présent décret, par des retenues effectuées par l'acteur de paiement, conformément aux dispositions de l'article 1410, § 4, du Code judiciaire, sur des allocations à payer dans le cadre de la politique familiale.
Si l'allocation ne peut pas être recouvrée par des retenues, si l'intéressé ne réagit pas à au moins deux sommations de l'acteur de paiement [2 et s'il n'exécute plus le plan de paiement convenu, le cas échéant, ]2 avec l'acteur de paiement, le Service flamand des Impôts recouvre les allocations indûment payées dans le cadre de la politique familiale. L'acteur de paiement transmet les données des personnes chez qui les allocations indûment payées dans le cadre de la politique familiale doivent être recouvrées, via [1 l'agence Grandir régie]1, au Service flamand des Impôts.
§ 2. L'acteur de paiement peut, aux conditions fixées par le Gouvernement flamand, renoncer au recouvrement du montant indûment payé :
1° dans des cas particuliers motivés ou dans certaines catégories de cas, à condition que le débiteur est de bonne foi ;
2° si le montant à recouvrer est modique ;
3° s'il s'avère que le recouvrement est incertain ou trop cher en comparaison avec le montant devant être recouvré.
§ 3. Sauf en cas de fraude ou d'actions trompeuses, il est renoncé d'office au recouvrement d'allocations indûment payées dans le cadre de la politique familiale en cas de décès de la personne à qui elles sont payées, si cette personne n'avait pas encore été informée du recouvrement à ce-moment-là.
§ 4. Sans préjudice de l'application de l'article 1410 du Code judiciaire, le paragraphe 3 n'empêche pas le recouvrement d'allocations indûment payées dans le cadre de la politique familiale qui, au moment du décès du bénéficiaire, étaient échues mais qui ne lui étaient pas encore payées ou qui n'étaient pas payées à une des personnes suivantes :
1° l'époux avec lequel le bénéficiaire cohabitait au moment de son décès ;
2° les enfants avec lesquels le bénéficiaire cohabitait au moment de son décès ;
3° la personne avec laquelle le bénéficiaire cohabitait au moment de son décès ;
4° la personne qui est intervenu dans les frais d'hospitalisation ;
5° la personne qui a payé les frais funéraires.
§ 5. Les paiements indus qui ne peuvent pas être recouvrés, sont à charge [2 de la réserve d'allocations ]2 de l'acteur de paiement privé auprès duquel la dette est née et à charge des moyens généraux si la dette est née auprès de l'agence.
HOOFDSTUK 5. - Geschillencommissie
CHAPITRE 5. - Commission de litiges
Art. 104. Bij [1 het agentschap Opgroeien regie]1n wordt een geschillencommissie opgericht.
Tegen de beslissing van de uitbetalingsactor over de toelagen in het kader van het gezinsbeleid of tegen het uitblijven ervan na afloop van de termijn waarin hij op basis van dit decreet een beslissing moet nemen, kan alleen beroep worden ingesteld bij de geschillencommissie.
In afwijking van het vorige lid is de geschillencommissie niet bevoegd uitspraak te doen over de geschillen met betrekking tot de aanwijzing van de begunstigden, en over de geschillen met betrekking tot de kwalificatie van de ernst van de ondersteuningsbehoefte in het kader van de zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte, vermeld in artikel 16, § 1 [2 en in het kader van de ondersteuningstoeslag, vermeld in artikel 56/1]2.
Bij een geschil over de aanwijzing van de begunstigden wordt de vordering, op straffe van verval, binnen zes maanden na de kennisgeving van de beslissing van de uitbetalingsactor ingeleid bij de bevoegde rechtbank. Bij een geschil over de kwalificatie van de ernst van de ondersteuningsbehoefte wordt de vordering, op straffe van verval, binnen drie maanden na de kennisgeving van de beslissing van de uitbetalingsactor ingeleid bij de bevoegde rechtbank.
[2 De termijnen, vermeld in het vierde lid, worden gestuit door het instellen van een klacht of een verzoek tot bemiddeling bij de klachten- en bemiddelingsdienst die opgericht is binnen het agentschap, over een beslissing die vatbaar is voor een beroep bij de bevoegde rechtbank. De termijnen, vermeld in het vierde lid, beginnen opnieuw te lopen vanaf de beslissing waarmee de klachtenbehandeling of het bemiddelingsverzoek werd afgehandeld.
Als de verzoeker de klacht of het verzoek tot bemiddeling intrekt, of als de klachtenbehandeling of het bemiddelingsverzoek bij gebrek aan de vereiste elementen, vermeld in titel 2, hoofdstuk 5, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018, wordt stopgezet, worden, in afwijking van het vijfde lid, de termijnen, vermeld in het vierde lid, geschorst tot op het ogenblik van de intrekking of de stopzetting.
De verzoeker rechtvaardigt de stuiting door een attest van de klachten- en bemiddelingsdienst in kwestie voor te leggen.]2

Art. 104. Il est créé auprès de [1 l'agence Grandir régie]1 une commission de litiges.
Contre la décision de l'acteur de paiement sur les allocations dans le cadre de la politique familiale ou contre l'absence d'une décision à l'issue du délai dans lequel il doit prendre une décision sur la base du présent décret, un recours peut uniquement être introduit auprès de la commission de litiges.
Par dérogation à l'alinéa précédent, la commission de litiges n'est pas compétente pour se prononcer sur les litiges relatifs à la désignation des bénéficiaires, et sur les litiges relatifs à la qualification de la gravité du besoin de soutien dans le cadre de l'allocation de soins pour des enfants ayant un besoin de soutien spécifique, visée à l'article 16, § 1er [2 et dans le cadre du supplément de soutien, visé à l'article 56/1]2.
En cas de litige sur la désignation des bénéficiaires, l'action est introduite, sous peine de déchéance, auprès du tribunal compétent dans les six mois après la notification de la décision de l'acteur de paiement. En cas de litige sur la qualification de la gravité du besoin de soutien spécifique, l'action est introduite, sous peine de déchéance, auprès du tribunal compétent dans les trois mois après la notification de la décision de l'acteur de paiement.
[2 Les délais visés à l'alinéa 4 sont interrompus par le dépôt d'une plainte ou d'une demande de médiation auprès du service des plaintes et de médiation qui a été créé au sein de l'agence, concernant une décision susceptible de recours devant le tribunal compétent. Les délais visés à l'alinéa 4 recommencent à courir à partir de la décision par laquelle le traitement de la plainte ou la demande de médiation a été clôturé.
Si le demandeur retire la plainte ou la demande de médiation, ou si le traitement de la plainte ou la demande de médiation est arrêtée à défaut des éléments requis, visés au titre 2, chapitre 5, du Décret de gouvernance du 7 décembre 2018, les délais visés à l'alinéa 4 sont suspendus, par dérogation à l'alinéa 5, jusqu'au moment du retrait ou de la cessation.
Le demandeur justifie l'interruption en présentant une attestation du service des plaintes et de médiation en question.]2

Art. 105. § 1. De geschillencommissie bestaat uit een voorzitter en twee bijkomende leden. Voor elk van hen is er een plaatsvervanger. De leden worden benoemd door de minister die het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin onder zijn bevoegdheden heeft voor een hernieuwbare periode van vier jaar. De benoeming waarbij een lid vervangen wordt, neemt een einde als de oorspronkelijke benoeming een einde neemt.
§ 2. Het eerste bijkomende lid en zijn plaatsvervanger worden voorgedragen door [1 het agentschap Opgroeien regie]1. Elk van de uitbetalingsactoren draagt een tweede bijkomend lid en zijn plaatsvervanger voor. De tweede bijkomende leden, of in voorkomend geval hun plaatsvervanger, nemen bij beurtrol zitting in de geschillencommissie.
§ 3. De Vlaamse Regering kan binnen de geschillencommissie op dezelfde manier bijkomende kamers oprichten.
§ 4. De leden van de geschillencommissie worden door de minister die het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin onder zijn bevoegdheden heeft, ontslagen, op eigen verzoek of om ernstige redenen. De Vlaamse Regering regelt de wijze van beëindiging van het mandaat van de leden.
§ 5. De geschillencommissie wordt bijgestaan door een secretaris. [1 Het agentschap Opgroeien regie]1 neemt het secretariaat van de geschillencommissie waar.
De voorzitter en de secretaris beschikken over het diploma van doctor, licentiaat of master in de rechten.
§ 6. De leden zijn onpartijdig. Het tweede bijkomende lid kan geen zitting nemen in geschillen die gericht zijn tegen de beslissingen, genomen door de uitbetalingsactor waardoor hij is voorgedragen. In dat geval neemt een bijkomend lid of zijn plaatsvervanger van een andere uitbetalingsactor zitting. De Vlaamse Regering stelt de onverenigbaarheden van de leden vast.
§ 7. De Vlaamse Regering regelt voor de leden van de geschillencommissie en voor de deskundigen de wijze van toekenning van presentiegelden en vergoedingen. Zij stelt ook het bedrag ervan vast.
Art. 105. § 1er. La commission de litiges se compose d'un président et de deux membres supplémentaires. Pour chacun d'eux, il y a un suppléant. Les membres sont nommés par le Ministre ayant le domaine politique du Bien-Etre, de la Santé publique et de la Famille dans ses attributions, pour une période renouvelable de quatre ans. La nomination qui remplace un membre, prend fin si la nomination initiale prend fin.
§ 2. Le premier membre supplémentaire et son suppléant sont présentés par [1 l'agence Grandir régie]1. Chacun des acteurs de paiement présente un deuxième membre supplémentaire et son suppléant. Les deux membres supplémentaires, ou le cas échéant leur suppléant, siègent à tour de rôle dans la commission de litiges.
§ 3. Le Gouvernement flamand peut créer de la même manière des chambres supplémentaires au sein de la commission de litiges.
§ 4. Les membres de la commission de litiges sont licenciés par le Ministre ayant le domaine politique du Bien-Etre, de la Santé publique et de la Famille dans ses attributions, à leur propre demande ou pour des raisons graves. Le Gouvernement flamand règle le mode de cessation du mandat des membres.
§ 5. La commission de litiges est assistée par un secrétaire. [1 L'agence Grandir régie]1 assure le secrétariat de la commission de litiges.
Le président et le secrétaire disposent d'un diplôme de docteur, de licencié ou de master en droit.
§ 6. Les membres sont impartiaux. Le deuxième membre supplémentaire ne peut pas siéger lors de litiges adressés contre les décisions prises par l'acteur de paiement qui l'a présenté. Dans ce cas, un membre supplémentaire ou son suppléant d'un autre acteur de paiement siège. Le Gouvernement flamand arrête les incompatibilités des membres.
§ 7. Le Gouvernement flamand règle le mode d'octroi de jetons de présence et d'indemnités pour les membres de la commission de litiges et pour les experts. Il en arrête également le montant.
Art. 106. De behandeling van het beroep bestaat uit een onderzoek en een hoorzitting.
De geschillencommissie wordt bij al haar verrichtingen in het kader van de behandeling van het beroep bijgestaan door de secretaris.
Art. 106. Le traitement du recours se compose d'une enquête et d'une audition.
La commission de litiges est assistée par le secrétaire lors de toutes ses opérations dans le cadre du traitement du recours.
Art. 107. Een partij kan zich tijdens het onderzoek en bij de hoorzitting laten bijstaan door een raadsman of zich door een gemachtigde laten vertegenwoordigen. De machtiging tot vertegenwoordiging moet vooraf schriftelijk worden overhandigd aan de secretaris.
Art. 107. Une partie peut se faire assister par un conseiller ou se faire représenter par un mandataire pendant l'enquête et l'audition. L'autorisation de représentation doit être transmise au préalable par écrit au secrétaire.
Art. 108. § 1. De voorzitter kan, in spoedeisende gevallen en rekening houdend met de betrokken belangen, op verzoek van een partij, een voorlopige maatregel treffen. Het verzoek daartoe wordt schriftelijk gericht aan de voorzitter.
Voor hij beslist over een verzoek om een voorlopige maatregel, stelt de voorzitter de tegenpartij in de gelegenheid om haar standpunt kenbaar te maken.
De voorzitter neemt de beslissing over het verzoek om een voorlopige maatregel binnen een week na de ontvangst van het verzoek.
Bij elke beslissing houdt de geschillencommissie rekening met de reeds genomen voorlopige maatregelen.
§ 2. De Vlaamse Regering kan bepalen welke gevallen als spoedeisend moeten worden beschouwd.
Art. 108. § 1er. En cas d'urgence et tenant compte des intérêts concernés, le président peut prendre une mesure provisoire à la demande d'une partie. Cette demande est adressée par écrit au président.
Avant de décider sur une demande d'une mesure provisoire, le président permet à la partie adverse de communiquer sa position.
Le président prend la décision sur la demande d'une mesure provisoire dans une semaine après la réception de la demande.
Pour chaque décision, la commission de litiges tient compte des mesures provisoires déjà prises.
§ 2. Le Gouvernement flamand peut déterminer les cas qui doivent être considérés comme des cas urgents.
Art. 109. Als de geschillencommissie tijdens het onderzoek van oordeel is dat ze onbevoegd is om kennis te nemen van het verzoekschrift, brengt ze de partijen schriftelijk van haar beslissing op de hoogte binnen twee weken na de ontvangst van het verzoekschrift.
Art. 109. Si la commission de litiges estime pendant l'enquête qu'elle est incompétente pour prendre connaissance de la demande, elle informe les parties par écrit de sa décision dans les deux semaines après la réception de la demande.
Art. 110. De geschillencommissie kan tijdens het onderzoek partijen en deskundigen uitnodigen om te worden gehoord en partijen verzoeken schriftelijk en binnen een bepaalde termijn inlichtingen te verschaffen.
De geschillencommissie kan ook een controle door de sociale inspectie- en begeleidingsdienst, vermeld in artikel 23 van het decreet van 7 juli 2017, gelasten.
De Vlaamse Regering kan de uitvoeringsregels, in het bijzonder de termijn waarin de controle moet plaatsvinden, vastleggen.
Art. 110. Pendant l'enquête, la commission de litiges peut inviter des parties et des experts pour être entendus, et demander aux parties de fournir des renseignements par écrit et dans un délai déterminé.
La commission de litiges peut également ordonner un contrôle par le service d'inspection sociale et d'encadrement, visé à l'article 23 du décret du 7 juillet 2017.
Le Gouvernement flamand peut arrêter les règles d'exécution, en particulier le délai dans lequel le contrôle doit avoir lieu.
Art. 111. De voorzitter stelt vast waar, wanneer en onder welke modaliteiten de hoorzitting plaatsvindt.
De secretaris roept de partijen en, in voorkomend geval, de deskundigen minimaal tien werkdagen voor de hoorzitting op.
De hoorzitting kan plaatsvinden in aanwezigheid van de verzoeker. Tijdens de zitting hebben de partijen de gelegenheid om mondeling en schriftelijk informatie te verschaffen. De geschillencommissie kan getuigen horen.
De secretaris maakt een schriftelijk verslag op van de hoorzitting.
Art. 111. Le président arrête où, quand et sous quelles modalités l'audition a lieu.
Le secrétaire convoque les parties et, le cas échéant, les experts au minimum dix jours ouvrables avant l'audition.
L'audition peut avoir lieu en présence du demandeur. Pendant l'audition, les parties ont l'occasion de fournir des informations oralement et par écrit. La commission de litiges peut entendre des témoins.
Le secrétaire établit un rapport écrit de l'audition.
Art. 112. § 1. Binnen vier weken na de hoorzitting neemt de geschillencommissie een beslissing bij meerderheid van uitgebrachte stemmen. De beraadslagingen van de geschillencommissie zijn geheim.
De beslissing wordt schriftelijk genomen en bevat een omschrijving van het voorwerp van het beroep, de overwegingen in feite en in rechte waarop de beslissing is gebaseerd, de namen van de leden die de beslissing hebben genomen, en de namen van de deskundigen die naar aanleiding van de beslissing werkzaamheden hebben verricht. De beslissing wordt ondertekend door de voorzitter en de secretaris.
De beslissing van de geschillencommissie wordt aan de partijen meegedeeld met een aangetekende zending of op een andere wijze die de Vlaamse Regering heeft bepaald.
Tegen de beslissing van de geschillencommissie en tegen een voorlopige maatregel van de voorzitter van de geschillencommissie kan alleen bij de bevoegde rechtbank beroep ingesteld worden.
§ 2. De beslissing van de geschillencommissie is uitvoerbaar. De uitbetalingsactor waarvan de beslissing door de geschillencommissie is hervormd, geeft binnen tien werkdagen na de kennisgeving ervan uitvoering aan de beslissing van de geschillencommissie.
Een onverschuldigd betaalde toelage wordt teruggevorderd overeenkomstig artikel 103, § 1.
Art. 112. § 1er. Dans les quatre semaines après l'audition, la commission de litiges prend une décision à la majorité des voix émises. Les délibérations de la commission de litiges sont secrètes.
La décision est prise par écrit et comprend une description de l'objet du recours, les considérations de fait et de droit sur lesquelles la décision est basée, les noms des membres ayant pris la décision, et les noms des experts qui ont effectué des travaux à l'occasion de la décision. La décision est signée par le président et le secrétaire.
La décision de la commission de litiges est communiquée aux parties par envoi recommandé ou d'une autre manière fixée par le Gouvernement flamand.
Contre la décision de la commission de litiges et contre une mesure provisoire du président de la commission de litiges, un recours peut uniquement être introduit auprès du tribunal compétent.
§ 2. La décision de la commission de litiges est exécutoire. L'acteur de paiement dont la décision est réformée par la commission de litiges, donne exécution à la décision de la commission de litiges dans les dix jours ouvrables après sa notification.
Une allocation indûment payée est recouvrée conformément à l'article 103, § 1er.
Art. 113. De Vlaamse Regering stelt de procedure vast voor de behandeling van beroepen door de geschillencommissie. Die procedure regelt minimaal de volgende elementen:
1° de aanduiding van de wijze waarop een geschil aanhangig wordt gemaakt bij de geschillencommissie en de termijn waarin dat moet gebeuren;
2° de mogelijkheid van wraking van een lid van de geschillencommissie door een partij, op grond van feiten of omstandigheden die een onpartijdig oordeel van dat lid zouden bemoeilijken;
3° de wijze waarop de uitbetalingsactor op de hoogte zal worden gebracht van het aanhangig maken van het geschil en van de behandeling daarvan door de geschillencommissie;
4° de mogelijkheid voor alle betrokken partijen om hun standpunt mondeling of schriftelijk, desgewenst met bijstand van derden, kenbaar te maken en kennis te nemen van alle standpunten en alle feiten die de andere partij naar voren heeft gebracht, en, in voorkomend geval, van de verklaringen van getuigen en deskundigen;
5° de mogelijkheid om een deskundige een advies te laten uitbrengen en de uitvoeringsregels voor de sociale controle of voor het medisch onderzoek;
6° welke voorlopige maatregelen de voorzitter kan treffen;
7° de mogelijkheid voor de geschillencommissie om een aangepast afbetalingsplan voor te stellen;
8° de wijze waarop de besluitvorming binnen de geschillencommissie plaatsvindt;
9° de mogelijkheid om partijen de kosten van de behandeling van een geschil te laten betalen, en de vaststelling van een maximumbedrag dat daarvoor geldt;
10° de regels voor de mededeling van de mogelijkheid van beroep bij de bevoegde rechtbank en de wijze en termijn om dat beroep in te stellen.
Art. 113. Le Gouvernement flamand fixe la procédure relative au traitement de recours par la commission de litiges. Cette procédure règle au minimum les éléments suivants :
1° la désignation de la manière dont la commission de litiges est saisie d'un litige, et le délai imposé ;
2° la possibilité de récusation d'un membre de la commission de litiges par une partie, sur la base de faits ou de circonstances qui entraveraient un jugement impartial de ce membre ;
3° la manière dont l'acteur de paiement sera informé de la soumission du litige et de son traitement par la commission de litiges ;
4° la possibilité pour toutes les parties concernées de communiquer leur position oralement ou par écrit, le cas échéant avec l'assistance de tiers, et de prendre connaissance de toutes les positions et de tous les faits avancés par l'autre partie et, le cas échéant, des déclarations de témoins et d'experts ;
5° la possibilité d'émission d'un avis par un expert, et les règles d'exécution pour le contrôle social ou l'examen médical ;
6° les mesures provisoires que le président peut prendre ;
7° la possibilité pour la commission de litiges de proposer un plan de paiement adapté ;
8° la manière dont la prise de décision a lieu au sein de la commission de litiges ;
9° la possibilité de faire payer les frais du traitement d'un litige par les parties, et l'établissement d'un montant maximal à cet effet ;
10° les règles pour la communication de la possibilité de recours auprès du tribunal compétent, et le mode et le délai d'introduction de ce recours.
Art. 114. De voorzitter van de geschillencommissie brengt jaarlijks, uiterlijk op 1 maart, aan de minister die het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin onder zijn bevoegdheden heeft, verslag uit over de werkzaamheden die in het voorafgaande jaar zijn uitgevoerd. In het jaarverslag worden ten minste de hoeveelheid en de aard van de beroepen die in de voorliggende periode bij de geschillencommissie zijn ingediend, vermeld en wordt een samenvatting gegeven van de beslissingen die door de geschillencommissie zijn genomen, en de voorlopige maatregelen die de voorzitter van de geschillencommissie heeft getroffen. Het verslag kan worden aangevuld met adviezen om de toepassing van dit decreet te verbeteren of om vastgestelde anomalieën op te lossen.
De beslissingen van de geschillencommissie worden geanonimiseerd en bekendgemaakt.
Art. 114. Le président de la commission de litiges fait annuellement rapport, au plus tard le 1er mars, au Ministre qui a le domaine politique du Bien-Etre, de la Santé publique et de la Famille dans ses attributions, sur les activités qui sont effectuées au cours de l'année précédente. Ce rapport annuel mentionne au moins la quantité et la nature des recours qui sont introduits auprès de la commission de litiges dans cette période, et donne un résumé des décisions prises par la commission de litiges et des mesures provisoires prises par le président de la commission de litiges. Le rapport peut être complété par des conseils visant à améliorer l'application du présent décret ou à résoudre des anomalies constatées.
Les décisions de la commission de litiges sont anonymisées et publiées.
HOOFDSTUK 6. - Betwistingen in rechte
CHAPITRE 6. - Contestations en droit
Art. 115. § 1. Een partij bij een geschil waarover de geschillencommissie heeft geoordeeld, kan, op straffe van verval, binnen drie maanden na de kennisgeving van de beslissing van de geschillencommissie beroep instellen bij de bevoegde rechtbank.
[1 Het agentschap Opgroeien regie]1 wordt aangewezen als verwerende partij.
§ 2. [1 Het agentschap Opgroeien regie]1 geeft de instructie aan de uitbetalingsactor om binnen tien werkdagen de beslissing van de bevoegde rechtbank uit te voeren. De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen waaraan die instructie moet voldoen.
Een onverschuldigd betaalde toelage wordt teruggevorderd overeenkomstig artikel 103, § 1.
Art. 115. § 1er. Une partie à un litige sur lequel la commission de litiges a jugé, peut, sous peine de déchéance, introduire un recours auprès du tribunal compétent dans les trois mois après la notification de la décision de la commission de litiges.
[1 L'agence Grandir régie]1 est désigné comme partie défenderesse.
§ 2. [1 L'agence Grandir régie]1 donne l'instruction à l'acteur de paiement d'exécuter la décision du tribunal compétent dans les dix jours ouvrables. Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités auxquelles cette instruction doit satisfaire.
Une allocation indûment payée est recouvrée conformément à l'article 103, § 1er.
Art. 116. Bij de zaken waarvoor een medische expert wordt aangewezen, worden de voorschotten, de erelonen en de kosten van die expert, die opgenomen zijn in de nota die hij opstelt overeenkomstig de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, vermeld met toepassing van het door de Vlaamse Regering vastgestelde tarief.
Art. 116. Pour les affaires pour lesquelles un expert médical est désigné, les avances, les honoraires et les frais de cet expert, qui sont repris dans la note qu'il rédige conformément aux dispositions du Code judiciaire, sont mentionnés en application du tarif fixé par le Gouvernement flamand.
Deel 2. - Toezicht, nalevingsondersteuning en handhaving
Partie 2. - Surveillance, aide au respect et maintien
Titel 1. - Beginselen
Titre 1. - Principes
Art. 117. Een bestuurlijke sanctie kan alleen worden opgelegd wegens feiten die in strijd zijn met decretale en reglementaire bepalingen die voorafgaand aan die feiten zijn bepaald en in werking zijn getreden.
Art. 117. Une sanction administrative ne peut être imposée que pour des faits qui sont contraires aux dispositions décrétales et réglementaires qui sont arrêtées et entrées en vigueur préalablement à ces faits.
Art. 118. Bij het opleggen van een bestuurlijke sanctie streven de daarvoor bevoegde overheden naar evenredigheid tussen de feiten die aan de sanctie ten grondslag liggen en de sanctie die op grond van die feiten wordt opgelegd.
Art. 118. Lors de l'imposition d'une sanction administrative, les autorités compétentes aspirent à une proportionnalité entre les faits qui sont à la base de la sanction et la sanction imposée sur la base de ces faits.
Art. 119. Een bestuurlijke sanctie kan alleen worden opgelegd nadat de betrokken persoon de mogelijkheid heeft gekregen om nuttig voor zijn standpunt op te komen.
Op de voormelde hoorplicht kan uitzondering worden gemaakt in de volgende twee gevallen:
1° de beslissing is hoogdringend;
2° de persoon voor wie de sanctie wordt overwogen, is onbereikbaar.
Art. 119. Une sanction administrative ne peut être imposée qu'après que la personne concernée a eu la possibilité de défendre sa position de manière utile.
Une exception à l'obligation d'audition précitée peut être faite dans les deux cas suivants :
1° la décision doit être prise d'urgence ;
2° la personne pour laquelle la sanction est envisagée, est injoignable.
Titel 2. - Toezicht
Titre 2. - Surveillance
HOOFDSTUK 1. - De uitoefening van de toezichtstaken
CHAPITRE 1er. - L'exercice des tâches de surveillance
Art. 120. De bevoegdheden van de toezichthouders en de uitoefening van het toezicht worden geregeld door het decreet van 19 januari 2018 houdende het overheidstoezicht in het kader van het welzijns- en gezondheidsbeleid.
In afwijking van het eerste lid, zijn de bepalingen van hoofdstuk 2, afdeling 3, artikel 13, 14 en 16, van het voormelde decreet, niet van toepassing op de gezinsinspecteurs.
Art. 120. Les compétences des surveillants et l'exercice de la surveillance sont réglés par le décret du 19 janvier 2018 relatif au contrôle public dans le cadre de la politique de la santé et de l'aide sociale.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les dispositions du chapitre 2, section 3, articles 13, 14 et 16 du décret précité ne s'appliquent pas aux inspecteurs familiaux.
Art. 121. § 1. De zorginspecteurs zijn bevoegd om het toezicht uit te oefenen op de naleving van de volgende bepalingen:
1° de vergunningsnormen, vermeld in artikel 27 en 28 van het decreet van 7 juli 2017;
2° de subsidiëringsnormen, vermeld in hoofdstuk 6/1 van het decreet van 7 juli 2017.
De zorginspecteurs brengen verslag uit aan [1 het agentschap Opgroeien regie]1 over het door hen uitgeoefende toezicht.
§ 2. De gezinsinspecteurs zijn bevoegd om, overeenkomstig artikel 23 van het decreet van 7 juli 2017, toezicht uit te oefenen op de naleving van de regelgeving, bepaald bij of krachtens dit decreet, die geldt voor de burgers.
De gezinsinspecteurs brengen verslag uit aan het agentschap en aan de betrokken uitbetalingsactor of, in voorkomend geval, aan de voorzitter van de geschillencommissie over het door hen uitgeoefende toezicht.
Art. 121. § 1er. Les inspecteurs des soins sont compétents pour exercer la surveillance sur le respect des dispositions suivantes :
1° les normes d'autorisation, visées aux articles 27 et 28 du décret du 7 juillet 2017 ;
2° les normes de subventionnement, visées au chapitre 6/1 du décret du 7 juillet 2017.
Les inspecteurs des soins font rapport à [1 l'agence Grandir régie]1 sur la surveillance effectuée par eux.
§ 2. Les inspecteurs familiaux sont compétents, conformément à l'article 23 du décret du 7 juillet 2017, pour exercer la surveillance sur le respect de la réglementation, fixée par ou en vertu du présent décret, qui s'applique aux citoyens.
Les inspecteurs familiaux font rapport à l'agence et à l'acteur de paiement concerné ou, le cas échéant, au président de la commission de litiges sur la surveillance exercée par eux.
Art. 122. § 1. Met behoud van de toepassing van artikel 10 van het decreet van 19 januari 2018 geeft elke uitbetalingsactor en elke begunstigde op verzoek van een toezichthouder de nodige inlichtingen en stelt de nodige documenten en gegevens ter beschikking voor het toezicht op de naleving van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan en op de naleving van het decreet van 7 juli 2017 en de uitvoeringsbesluiten ervan.
§ 2. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de gegevens die de private uitbetalingsactoren en de gezinnen ter beschikking moeten stellen van de toezichthouders, van [1 het agentschap Opgroeien regie]1 en van het agentschap, en voor de vorm van die gegevens.
Art. 122. § 1er. Sans préjudice de l'application de l'article 10 du décret du 19 janvier 2018, chaque acteur de paiement et chaque bénéficiaire fournit les renseignements nécessaires et met à disposition les documents et informations nécessaires, à la demande d'un surveillant en vue de la surveillance sur le respect du présent décret et de ses arrêtes d'exécution, et sur le respect du décret du 7 juillet 2017 et de ses arrêtes d'exécution.
§ 2. Le Gouvernement flamand peut arrêter des modalités pour les informations que les acteurs de paiement privés et les familles doivent mettre à disposition des surveillants, de [1 l'agence Grandir régie]1 et de l'agence, et pour la forme de ces informations.
Art. 123. Met behoud van de bevoegdheden van de toezichthouders, vermeld in artikel 3 van het decreet van 19 januari 2018, kunnen [1 het agentschap Opgroeien regie]1 en het agentschap toezicht op stukken uitoefenen.
Art. 123. Sans préjudice des compétences des surveillants, visées à l'article 3 du décret du 19 janvier 2018, [1 l'agence Grandir régie]1 et l'agence peuvent exercer la surveillance sur des documents.
HOOFDSTUK 2. - Bijzondere bepalingen over het toezicht door de gezinsinspecteurs
CHAPITRE 2. - Dispositions particulières relatives à la surveillance par les inspecteurs familiaux
Afdeling 1. - Processen-verbaal
Section 1. - Procès-verbaux
Onderafdeling 1. - Proces-verbaal van verhoor
Sous-section 1. - Procès-verbal d'audition
Art. 124. § 1. Bij het verhoren van personen door de gezinsinspecteurs worden ten minste de volgende regels in acht genomen:
1° ieder verhoor begint met de mededeling aan de ondervraagde persoon dat:
a) hij kan vragen dat alle vragen die hem worden gesteld en alle antwoorden die hij geeft, worden genoteerd in de bewoordingen die hij gebruikt;
b) zijn verklaringen als bewijs in rechte kunnen worden gebruikt;
c) hij niet verplicht kan worden zichzelf te beschuldigen;
2° elke ondervraagde persoon mag gebruikmaken van de documenten die hij in zijn bezit heeft, als het verhoor daardoor niet wordt uitgesteld. Hij mag tijdens de ondervraging of later eisen dat die documenten bij het proces-verbaal worden gevoegd;
3° het proces-verbaal vermeldt nauwkeurig het tijdstip waarop het verhoor wordt aangevat, het tijdstip waarop het eventueel wordt onderbroken en hervat, alsook het tijdstip waarop het wordt beëindigd. Het vermeldt ook nauwkeurig de identiteit van de personen die in het verhoor, of in een gedeelte daarvan, tussenkomen, en het tijdstip van hun aankomst en vertrek. Het vermeldt daarnaast alles wat op de verklaring of de omstandigheden waarin ze is afgelegd, een bijzonder licht kan werpen.
§ 2. Aan het einde van het verhoor laat de gezinsinspecteur de ondervraagde persoon het proces-verbaal van zijn verhoor lezen, tenzij hij vraagt dat het hem wordt voorgelezen. Er wordt hem gevraagd of hij zijn verklaring wil verbeteren of er iets aan wil toevoegen.
Als de ondervraagde persoon zich in een andere taal dan de Nederlandse taal wil uitdrukken, wordt ofwel een beroep gedaan op een beëdigde tolk, ofwel worden zijn verklaringen genoteerd in zijn taal, ofwel wordt hem gevraagd zelf zijn verklaring te noteren. Als het verhoor plaatsvindt met bijstand van een tolk, worden zijn identiteit en hoedanigheid vermeld.
Het proces-verbaal van verhoor geeft de tekst van dit artikel weer. Aan het einde van zijn verhoor ondertekent de ondervraagde persoon het proces-verbaal van zijn verhoor.
§ 3. De gezinsinspecteurs delen de ondervraagde mee dat hij kosteloos een kopie van de tekst van het verhoor kan krijgen. Die kopie wordt hem onmiddellijk of uiterlijk binnen een maand overhandigd of toegezonden.
Art. 124. § 1er. Lors de l'audition de personnes par les inspecteurs familiaux, les règles suivantes sont au moins observées :
1° toute audition commence par la communication à la personne interrogée :
a) qu'elle peut demander que toutes les questions qui lui sont posées et toutes les réponses qu'elle donne sont notées dans la formulation utilisée ;
b) que ses déclarations peuvent être utilisées comme preuves en justice ;
c) qu'elle ne peut pas être obligée à s'accuser soi-même ;
2° toute personne interrogée peut se servir des documents en sa possession si l'audition n'est pas reportée pour cette raison. Elle peut exiger lors de l'interrogatoire ou ultérieurement que ces documents soient joints au procès-verbal ;
3° le procès-verbal mentionne avec précision l'heure à laquelle l'audition prend cours, est éventuellement interrompue, reprend, et prend fin. Il mentionne également avec précision l'identité des personnes qui interviennent à l'interrogatoire ou à une partie de celui-ci ainsi que le moment de leur arrivée et de leur départ. Il mentionne en outre tout ce qui peut éclairer d'un jour particulier la déclaration ou les circonstances dans lesquelles elle a été faite.
§ 2. A la fin de l'audition, l'inspecteur familial donne le procès-verbal en lecture à la personne interrogée, à moins que celle-ci ne demande que lecture lui en soit faite. Il lui est demandé si ses déclarations ne doivent pas être corrigées ou complétées.
Si la personne interrogée souhaite s'exprimer dans une autre langue que le néerlandais, soit il est fait appel à un interprète assermenté, soit ses déclarations sont notées dans sa langue, soit il lui est demandé de noter elle-même sa déclaration. Si l'audition a lieu avec l'assistance d'un interprète, son identité et sa qualité sont mentionnées.
Le procès-verbal de l'audition reprend le texte du présent article. A la fin de son audition la personne interrogée signe le procès-verbal de son audition.
§ 3. Les inspecteurs familiaux informent la personne interrogée qu'elle peut demander une copie du texte de son audition, qui lui est délivrée gratuitement. Cette copie lui est remise ou adressée immédiatement ou au plus tard dans le délai d'un mois.
Onderafdeling 2. - Proces-verbaal van de vaststelling van inbreuk
Sous-section 2. - Procès-verbal de constatation d'infraction
Art. 125. § 1. Bij de vaststelling van een inbreuk stellen de gezinsinspecteurs een proces-verbaal op. Het proces-verbaal heeft bewijswaarde tot bewijs van het tegendeel. Aan de vermoedelijke overtreder wordt een kopie van het proces-verbaal ter kennis gebracht. Op straffe van verval van de bijzondere bewijswaarde van het proces-verbaal vindt de kennisgeving plaats binnen een termijn van veertien dagen na de datum van de afsluiting van het proces-verbaal. Als de vervaldag een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, wordt de vervaldag verplaatst naar de eerstkomende werkdag.
Binnen dezelfde termijn wordt het proces-verbaal van de vaststelling van een inbreuk ter kennis gebracht van, al naargelang het geval, het Openbaar Ministerie of het bevoegde bestuursorgaan en wordt een kopie van het proces-verbaal ter kennis gebracht van de betrokken uitbetalingsactor. Bij kennisgeving van het proces-verbaal aan het Openbaar Ministerie wordt een kopie van het proces-verbaal ter kennis gebracht van het bevoegde bestuursorgaan.
§ 2. De processen-verbaal tot vaststelling van een inbreuk bevatten minstens de volgende gegevens:
1° de identiteit van de verbaliserende ambtenaar;
2° de bepaling waaraan de verbaliserende ambtenaar zijn bevoegdheid tot optreden ontleent;
3° de plaats en de datum van de inbreuk;
4° de identiteit van de vermoedelijke overtreder en van de betrokkenen;
5° de gepleegde inbreuk;
6° een beknopt relaas van de feiten over de gepleegde inbreuken;
7° de datum en de plaats van de opmaak van het proces-verbaal, het eventuele verband met andere processen-verbaal en, in voorkomend geval, de inventaris van de bijlagen.
De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de vormvereisten en het gebruik van de processen-verbaal.
§ 3. Het proces-verbaal kan aangewend worden, met de bewijskracht ervan, door de betrokken uitbetalingsactor, het bevoegde bestuursorgaan, de geschillencommissie en de gezinsinspecteurs die belast zijn met het toezicht op de naleving van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan.
Art. 125. § 1er. En cas de constatation d'une infraction, les inspecteurs familiaux établissent un procès-verbal. Le procès-verbal fait foi jusqu'à preuve du contraire. Une copie du procès-verbal est notifiée au contrevenant présumé. Sous peine de déchéance de la force probante particulière du procès-verbal, la notification a lieu dans le délai de quatorze jours après la date de clôture du procès-verbal. Lorsque le jour de l'échéance est un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, il est reporté au plus prochain jour ouvrable.
Dans le même délai, le procès-verbal de la constatation d'une infraction est notifiée, selon le cas, au Ministère public ou à l'organe d'administration compétent, et une copie du procès-verbal est notifiée à l'acteur de paiement concerné. En cas de notification du procès-verbal au Ministère public, une copie du procès-verbal est notifiée à l'organe d'administration compétent.
§ 2. Les procès-verbaux de constatation d'une infraction comprennent au moins les données suivantes :
1° l'identité du fonctionnaire verbalisant ;
2° la disposition dont le fonctionnaire verbalisant dérive sa compétence d'intervention ;
3° le lieu et la date de l'infraction ;
4° l'identité du contrevenant présumé et des intéressés ;
5° l'infraction commise ;
6° un compte-rendu concis des faits relatifs aux infractions commises ;
7° la date et le lieu de l'établissement du procès-verbal, le lien éventuel avec d'autres procès-verbaux et, le cas échéant, l'inventaire des annexes.
Le Gouvernement flamand peut arrêter des modalités pour les exigences formelles et l'utilisation des procès-verbaux.
§ 3. Le procès-verbal peut être utilisé, avec sa force probante, par l'acteur de paiement concerné, l'organe d'administration compétent, la commission de litiges et les inspecteurs familiaux chargés de la surveillance du respect du présent décret et de ses arrêtes d'exécution.
Afdeling 2. - Mededeling van de gegevens
Section 2. - Communication des données
Art. 126. § 1. De gezinsinspecteurs kunnen de gegevens, met inbegrip van de gegevens, vermeld in artikel 7, die ze tijdens hun opdracht verzameld hebben, verstrekken aan de personeelsleden van de openbare en meewerkende instellingen, aan de zorginspecteurs, aan andere inspectiediensten en aan alle ambtenaren die belast zijn met het toezicht op andere regelgeving, als die gegevens hen kunnen aanbelangen bij de uitoefening van de opdrachten waarmee ze belast zijn.
De gegevens worden altijd verstrekt als de instellingen, inspectiediensten of ambtenaren, vermeld in het eerste lid, erom verzoeken. De gegevens die worden verzameld in het kader van een opsporingsonderzoek of van een gerechtelijk onderzoek, kunnen alleen worden verstrekt met de toestemming van de bevoegde gerechtelijke overheden.
§ 2. Alle diensten van de Vlaamse Gemeenschap, het Vlaamse Gewest, de provincies, de federaties van gemeenten, de gemeenten, de verenigingen waarvan ze deel uitmaken, de openbare instellingen die ervan afhangen, en alle openbare en meewerkende instellingen die onder de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest vallen, verstrekken de gezinsinspecteurs alle gegevens waar ze om verzoeken onder de voorwaarden, bepaald door de Vlaamse Regering. Ze leggen de gezinsinspecteurs ook alle documenten of informatiedragers ter inzage voor die de gezinsinspecteurs nuttig achten voor het toezicht waarmee ze belast zijn, en ze verstrekken hen uittreksels en kopieën.
§ 3. Alle federale diensten, diensten van andere gemeenschappen en gewesten dan de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest, socialezekerheidsinstellingen en openbare en meewerkende instellingen zullen de gezinsinspecteurs alle gegevens verstrekken waar ze om verzoeken krachtens een samenwerkingsakkoord, gesloten met toepassing van artikel 92bis, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.
§ 4. De gezinsinspecteurs mogen van de informatie, verkregen op grond van de voorgaande paragrafen, op dezelfde wijze gebruikmaken als van de soortgelijke inlichtingen die de gezinsinspecteurs rechtstreeks inzamelen.
§ 5. Het agentschap waaronder de gezinsinspecteurs ressorteren, kan ook, ter uitvoering van een akkoord dat met de bevoegde autoriteiten van een andere gemeenschap is gesloten, op het grondgebied van de Vlaamse Gemeenschap de aanwezigheid toestaan van ambtenaren van inspectiediensten van die gemeenschap om alle informatie te verzamelen die van nut kan zijn voor de uitoefening van de controle en het toezicht waarmee ze belast zijn.
Art. 126. § 1er. Les inspecteurs familiaux peuvent fournir les données, y compris les données visées à l'article 7, qu'ils ont collectées pendant leur mission, aux membres du personnel des établissements publics et coopérants, aux inspecteurs des soins, à d'autres services d'inspection et à tous les fonctionnaires chargés de la surveillance d'autre réglementation, si ces données peuvent les concerner lors de l'exercice des missions dont ils sont chargés.
Les données sont toujours fournies si les établissements, services d'inspection ou fonctionnaires, visés à l'alinéa 1er, en font la demande. Les données qui sont collectées dans le cadre d'une information judiciaire ou d'une enquête judiciaire, ne peuvent être fournies qu'avec l'accord des autorités judiciaires compétentes.
§ 2. Tous les services de la Communauté flamande, de la Région flamande, des provinces, des fédérations de communes, des communes, des associations dont ils font partie, des établissements publics qui en dépendent, et de tous les établissements publics et coopérants qui relèvent de la compétence de la Communauté flamande ou de la Région flamande, fournissent aux inspecteurs familiaux toutes les données dont ils font la demande, aux conditions fixées par le Gouvernement flamand. Ils permettent également aux inspecteurs familiaux de consulter tous les documents ou supports d'information que les inspecteurs estiment utiles pour la surveillance dont ils sont chargés, et ils leur fournissent des extraits et copies.
§ 3. Tous les services fédéraux, services de communautés et de régions autres que la Communauté flamande et la Région flamande, les institutions de la sécurité sociale et les établissements publics et coopérants fourniront aux inspecteurs familiaux toutes les données qu'ils demandent en vertu d'un accord de coopération, conclu en application de l'article 92bis, § 1er, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles.
§ 4. Les inspecteurs familiaux peuvent utiliser les informations, obtenues sur la base des paragraphes précédents, de la même manière que les renseignements similaires que les inspecteurs familiaux collectent directement.
§ 5. L'agence dont les inspecteurs familiaux relèvent peut également, en exécution d'un accord conclu avec les autorités compétentes d'une autre communauté, autoriser sur le territoire de la Communauté flamande la présence de fonctionnaires de services d'inspection de cette communauté afin de collecter toutes les informations qui peuvent être utiles à l'exercice du contrôle et de la surveillance dont ils sont chargés.
Afdeling 3. - Preventieve opschorting van de betaling bij ernstige aanwijzingen van fraude
Section 3. - Suspension préventive du paiement en cas d'indications sérieuses de fraude
Art. 127. De betalingen van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid worden door de uitbetalingsactor geheel of gedeeltelijk opgeschort bij ernstige en eensluidende aanwijzingen, vastgesteld door de gezinsinspecteur, dat de informatie die de begunstigde heeft meegedeeld om toelagen te krijgen, of waar de begunstigde aan heeft meegewerkt, frauduleus, vals of opzettelijk onvolledig is. De betaling zal opgeschort worden tot de verdenking niet meer bestaat, gedurende maximaal zes maanden. De termijn is één keer hernieuwbaar met hoogstens zes maanden. De opschorting van betaling geeft geen aanleiding tot een verhoging met interesten.
De Vlaamse Regering kan nadere regels voor de voorwaarden van de gehele of gedeeltelijke opschorting bepalen.
Art. 127. Les paiements des allocations dans le cadre de la politique familiale sont suspendus en tout ou en partie par l'acteur de paiement en cas d'indications sérieuses et conformes, établies par l'inspecteur familial, que les informations que le bénéficiaire a communiquées afin d'obtenir des allocations, ou auxquelles le bénéficiaire a collaboré, sont frauduleuses, fausses ou intentionnellement incomplètes. Le paiement sera suspendu jusqu'à ce que le soupçon n'existe plus, pendant six mois au maximum. Le délai peut être renouvelé une seule fois de six mois au maximum. La suspension de paiement ne donne pas lieu à une majoration par des intérêts.
Le Gouvernement flamand peut arrêter des modalités relatives à la suspension totale ou partielle.
Titel 3. - Nalevingsondersteuning en handhaving ten aanzien van de burgers
Titre 3. - Aide au respect et maintien à l'égard des citoyens
HOOFDSTUK 1. - Nalevingsondersteuning
CHAPITRE 1er. - Aide au respect
Afdeling 1. - Raadgeving
Section 1. - Conseils
Art. 128. Een gezinsinspecteur kan alle inlichtingen en adviezen geven over de rechten op de toelagen in het kader van het gezinsbeleid en de naleving van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan.
Als een gezinsinspecteur bij de uitoefening van zijn toezichtsopdracht vaststelt dat een inbreuk dreigt op te treden, kan hij mondeling of schriftelijk alle raadgevingen geven die hij nuttig acht om de inbreuk te voorkomen.
Art. 128. Un inspecteur familial peut donner tous les renseignements et conseils sur les droits aux allocations dans le cadre de la politique familiale et le respect du présent décret et de ses arrêtes d'exécution.
Si un inspecteur familial constate, lors de l'exercice de sa mission de surveillance, qu'une infraction risque d'être commise, il peut donner tous les conseils oraux ou écrits qu'il estime utiles afin de prévenir l'infraction.
Afdeling 2. - Aanmaning
Section 2. - Sommation
Art. 129. Als een gezinsinspecteur bij de uitoefening van zijn toezichtsopdracht een inbreuk vaststelt, kan hij de betrokkene schriftelijk aanmanen om zijn verplichtingen na te komen door binnen een termijn die de gezinsinspecteur bepaalt, de nodige maatregelen te nemen om de inbreuk te beëindigen en herhaling ervan te voorkomen.
Als de gezinsinspecteur in een aanmaning verzoekt om binnen een bepaalde termijn maatregelen te nemen om de inbreuk te beëindigen en het bewijs daarvan te verschaffen, wordt pas een proces-verbaal van de vaststelling van een inbreuk opgesteld als de betrokkene de termijn om de verplichtingen na te komen, hetzij de bewijsvoering daarvoor negeert. Bij een inbreuk die een aanpassing van de toegekende toelagen in het kader van het gezinsbeleid noodzakelijk maakt, wordt echter altijd een verslag van vaststelling opgemaakt.
De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen voor de aanmaning.
Art. 129. Si un inspecteur familial constate une infraction lors de l'exercice de sa mission de surveillance, il peut sommer par écrit l'intéressé de remplir ses obligations en prenant, dans un délai fixé par l'inspecteur familial, les mesures nécessaires pour terminer l'infraction et en prévenir la répétition.
Si l'inspecteur familial demande dans une sommation de prendre des mesures dans un certain délai afin de terminer l'infraction, et d'en fournir la preuve, un procès-verbal de la constatation d'une infraction n'est établi que si l'intéressé néglige le délai pour remplir les obligations, soit les preuves à cet effet. En cas d'une infraction qui nécessite une adaptation des allocations accordées dans le cadre de la politique familiale, un rapport de constatation est toutefois toujours établi.
Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités relatives à la sommation.
HOOFDSTUK 2. - Bestuurlijke maatregelen
CHAPITRE 2. - Mesures administratives
Art. 130. Bestuurlijke maatregelen worden opgelegd aan burgers in de vorm van een regularisatiemaatregel.
Art. 130. Des mesures administratives sont imposées aux citoyens sous forme d'une mesure de régularisation.
Art. 131. Bij de ontvangst van een proces-verbaal van inbreuk of een kopie ervan kan het bevoegde bestuursorgaan de overtreder bevelen binnen een bepaalde termijn maatregelen te nemen om de inbreuk te beëindigen en herhaling ervan te voorkomen.
De regularisatiemaatregel kan onder meer het volgende inhouden:
1° maatregelen nemen om aan een toestand van woonplaatsfraude een einde te stellen;
2° maatregelen nemen om de werkelijke samenstelling van het gezin kenbaar te maken en te registreren in de bevolkingsregisters;
3° maatregelen nemen om de inkomsten van het gezin kenbaar te maken.
Art. 131. En cas de réception d'un procès-verbal d'infraction ou d'une copie de celui-ci, l'organe d'administration compétent peut ordonner le contrevenant de prendre des mesures dans un délai déterminé afin de terminer l'infraction et d'en prévenir la répétition.
La mesure de régularisation peut comprendre entre autres :
1° prendre des mesures afin de mettre fin à une situation de fraude de domicile ;
2° prendre des mesures afin de communiquer la composition réelle de la famille et de l'enregistrer dans les registres de la population ;
3° prendre des mesures afin de communiquer les revenus de la famille.
Art. 132. Als dat bij kennelijke onwilligheid van de overtreder redelijkerwijs nodig is om een regularisatie van de vastgestelde inbreuken te bewerkstelligen, kan het bevoegde bestuursorgaan de regularisatiemaatregel opleggen met gehele of gedeeltelijke opschorting van betaling van toelagen in het kader van het gezinsbeleid. De opschortingstermijn bedraagt hoogstens twaalf maanden. De toelagen in het kader van het gezinsbeleid waarvan de betaling is opgeschort, worden integraal betaald nadat de uitvoering van de regularisatiemaatregel is vastgesteld en uiterlijk na het verstrijken van de voormelde termijn van twaalf maanden. De opschorting van betaling geeft geen aanleiding tot een verhoging met interesten.
Art. 132. Lorsque c'est raisonnablement nécessaire en cas de mauvaise volonté manifeste du contrevenant pour réaliser une régularisation des infractions constatées, l'organe d'administration compétent peut imposer la mesure de régularisation avec suspension totale ou partielle du paiement d'allocations dans le cadre de la politique familiale. Le délai de suspension s'élève à douze mois au maximum. Les allocations dans le cadre de la politique familiale dont le paiement est suspendu, sont payées intégralement après l'établissement de l'exécution de la mesure de régularisation, et au plus tard à l'expiration du délai précité de douze mois. La suspension de paiement ne donne pas lieu à une majoration par des intérêts.
Art. 133. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de vaststelling en oplegging van de regularisatiemaatregelen, vermeld in dit hoofdstuk.
Art. 133. Le Gouvernement flamand peut arrêter des modalités pour l'établissement et l'imposition des mesures de régularisation, visés au présent chapitre.
Art. 134. Tegen de beslissing waarbij het bevoegde bestuursorgaan met toepassing van artikel 131 of artikel 132 een regularisatiemaatregel oplegt, kan de persoon aan wie de maatregel is opgelegd, beroep instellen bij de bevoegde rechtbank. Het beroep wordt ingesteld binnen een termijn van negentig dagen na de kennisgeving van de beslissing tot oplegging van de regularisatiemaatregel.
Art. 134. Contre la décision par laquelle l'organe d'administration compétent impose une mesure de régularisation en application de l'article 131 ou 132, la personne faisant l'objet de la mesure peut introduire un recours auprès du tribunal compétent. Le recours est introduit dans un délai de nonante jours après la notification de la décision d'imposition de la mesure de régularisation.
HOOFDSTUK 3. - Bestuurlijke transactie en bestuurlijke geldboete
CHAPITRE 3. - Transaction administrative et amende administrative
Afdeling 1. - Basisbepalingen
Section 1. - Dispositions de base
Art. 135. De bestuurlijke transactiebevoegdheid is een afhandelingsbevoegdheid voor een of meer inbreuken waarbij het bevoegde bestuursorgaan de overtreder voorstelt een bepaalde geldsom te betalen.
[1 De bestuurlijke geldboete is een afhandelingsbevoegdheid voor een of meer inbreuken waarbij de personeelsleden die daartoe zijn aangewezen bij het bevoegde bestuursorgaan, de overtreder de onvoorwaardelijke verplichting opleggen om een geldsom te betalen die gericht is op bestraffing.]1
Art. 135. La compétence de transaction administrative est une compétence de traitement d'une ou plusieurs infractions où l'organe d'administration compétent propose au contrevenant de payer une certaine somme d'argent.
[1 L'amende administrative est une compétence de traitement d'une ou plusieurs infractions où les membres du personnel désignés à cet effet au sein de l'organe d'administration compétent imposent au contrevenant l'obligation inconditionnelle de payer une somme d'argent qui est axée sur la sanction.]1
Art. 136. Een bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd in de vorm van een exclusieve bestuurlijke geldboete of van een alternatieve bestuurlijke geldboete. Een exclusieve bestuurlijke geldboete kan uitsluitend worden opgelegd wegens een inbreuk van niveau 1, die niet strafrechtelijk kan worden afgehandeld. Een alternatieve bestuurlijke geldboete kan uitsluitend worden opgelegd wegens een inbreuk van niveau 2, die ook strafrechtelijk kan worden afgehandeld.
Art. 136. Une amende administrative peut être imposée sous forme d'une amende administrative exclusive ou d'une amende administrative alternative. Une amende administrative exclusive ne peut être imposée qu'en raison d'une infraction du niveau 1, qui ne peut pas être traitée pénalement. Une amende administrative alternative ne peut être imposée qu'en raison d'une infraction du niveau 2, qui peut également être traitée pénalement.
Art. 137. De volgende handelingen zijn inbreuken van niveau 1:
[1 ...]1 een regularisatiemaatregel die, in voorkomend geval, is bevestigd bij gerechtelijke uitspraak, niet uitvoeren;
[1 nalaten te verklaren dat die geen of niet langer recht heeft op de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, geheel of gedeeltelijk, of daarvoor de inlichtingen te verstrekken]1.
Art. 137. Les actes suivants sont des infractions du niveau 1 :
[1 ...]1 ne pas exécuter une mesure de régularisation qui, le cas échéant, est confirmée par une décision judiciaire ;
[1 omettre de déclarer qu'il n'a pas ou plus droit aux allocations dans le cadre de la politique familiale, en tout ou en partie, ou omettre de fournir les informations à cet effet]1.
Art. 138. § 1. De volgende handelingen zijn inbreuken van niveau 2:
[1 wetens en willens onjuiste]1 of onvolledige verklaringen afleggen om ten onrechte toelagen in het kader van het gezinsbeleid te verkrijgen, te laten verkrijgen, te behouden of te laten behouden;
[1 wetens en willens nalaten]1 of weigeren om noodzakelijke verklaringen af te leggen of inlichtingen te verstrekken die hij gehouden is te verstrekken, om ten onrechte toelagen in het kader van het gezinsbeleid te verkrijgen, te laten verkrijgen, te behouden of te laten behouden;
3° ten onrechte toelagen in het kader van het gezinsbeleid waarop hij geen of maar gedeeltelijk recht heeft, verkrijgen of behouden door [1 wetens en willens onjuiste]1 of onvolledige verklaringen af te leggen of door na te laten of te weigeren om de noodzakelijke verklaringen af te leggen of inlichtingen te verstrekken.
§ 2. De volgende handelingen zijn inbreuken van niveau 2 als ze zijn begaan om ten onrechte toelagen gezinsbeleid te verkrijgen, te laten verkrijgen, te behouden of te laten behouden:
1° valsheid in geschrifte plegen, hetzij door valse handtekeningen, hetzij door namaking of vervalsing van geschriften of handtekeningen, hetzij door overeenkomsten, beschikkingen, verbintenissen of schuldbevrijdingen valselijk op te maken of achteraf in een akte in te voegen, hetzij door toevoeging of vervalsing van bedingen, verklaringen of feiten in een akte;
2° een valse akte of een vals stuk gebruiken;
3° valsheid plegen door gegevens die worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een informaticasysteem, te wijzigen, te wissen, of met een ander technologisch middel de mogelijke aanwending van de gegevens in een informaticasysteem te veranderen, waardoor de juridische draagwijdte ervan verandert;
4° de aldus verkregen gegevens gebruiken, wetend dat ze vals zijn;
5° valse namen, valse hoedanigheden of valse adressen gebruiken of een andere frauduleuze handeling stellen om te doen geloven in het bestaan van een fictieve persoon, een fictief gezin of een fictieve gebeurtenis of om op een andere wijze misbruik te maken van vertrouwen.
Art. 138. § 1er. Les actes suivants sont des infractions du niveau 2 :
[1 sciemment faire]1 des déclarations incorrectes ou incomplètes afin d'obtenir, de faire obtenir, de maintenir ou de faire maintenir injustement des allocations dans le cadre de la politique familiale ;
[1 sciemment omettre]1 ou refuser de faire les déclarations nécessaires ou de fournir des informations qu'il est tenu de fournir, afin d'obtenir, de faire obtenir, de maintenir ou de faire maintenir injustement des allocations dans le cadre de la politique familiale ;
[1 sciemment obtenir]1 ou maintenir injustement des allocations dans le cadre de la politique familiale auxquelles il n'a pas droit ou auxquelles il n'a droit qu'en partie, en faisant des déclarations incorrectes ou incomplètes ou en omettant ou refusant de faire les déclarations nécessaires ou de fournir des informations.
§ 2. Les actes suivants sont des infractions du niveau 2 si elles sont commises afin d'obtenir, de faire obtenir, de maintenir ou de faire maintenir injustement des allocations dans le cadre de la politique familiale :
1° faire des faux en écriture, soit par de signatures fausses, soit par contrefaction ou falsification d'écrits ou de signatures, soit en établissant faussement des conventions, des dispositions, des engagements ou des libérations de dette ou en les intégrant postérieurement dans un acte, soit par l'ajout ou la falsification de clauses, déclarations ou faits dans un acte ;
2° se servir d'un acte faux ou d'un document faux ;
3° frauder en modifiant, ou en effaçant des données qui sont stockées, traitées ou transmises dans un système informatique, ou en changeant l'affectation possible des données dans un système informatique par un autre moyen technologique, de sorte que la portée juridique de telles données change ;
4° utiliser les données ainsi obtenues, tout en sachant qu'elles sont fausses ;
5° utiliser de faux noms, de fausses qualités ou de fausses adresses ou faire un autre acte frauduleux afin de faire croire à l'existence d'une personne fictive, d'une famille fictive ou d'un évènement fictif ou afin de faire un usage abusif de la confiance d'une autre manière.
Art. 139. Er is sprake van herhaling als een inbreuk is vastgesteld binnen een termijn van vijf jaar nadat:
1° de overtreder met toepassing van dit decreet een bestuurlijke sanctie is opgelegd die, in voorkomend geval, is bevestigd bij gerechtelijke uitspraak;
2° de overtreder bij gerechtelijke uitspraak is veroordeeld wegens een inbreuk op dit decreet.
De termijn van vijf jaar vangt aan op de dag waarop de bestuurlijke sanctie niet langer vatbaar is voor beroep of op de dag waarop de gerechtelijke uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.
Art. 139. Il est question d'une répétition lorsqu'une infraction est constatée dans un délai de cinq ans après que :
1° une sanction administrative est imposée au contrevenant en application du présent décret qui, le cas échéant, est confirmée par une décision judiciaire ;
2° le contrevenant est condamné par décision judiciaire en raison d'une infraction au présent décret.
Le délai de cinq ans prend cours le jour auquel la sanction administrative n'est plus sujette au recours ou le jour auquel la décision judiciaire a acquis force de chose jugée.
Afdeling 2. - Bestuurlijke transactie
Section 2. - Transaction administrative
Art. 140. § 1. Het bevoegde bestuursorgaan kan de overtreder bij een inbreuk het voorstel doen om een geldsom te betalen binnen een transactietermijn.
Het bevoegde bestuursorgaan kan het voorstel tot een bestuurlijke transactie doen binnen een termijn van zestig dagen die aanvangt, al naargelang het geval:
1° bij de kennisgeving van een proces-verbaal van de vaststelling van een inbreuk van niveau 1;
2° bij de kennisgeving door het Openbaar Ministerie van een tijdige sorteerbeslissing om de inbreuk niet strafrechtelijk te behandelen of het stilzwijgend verstrijken van de sorteertermijn waarover het Openbaar Ministerie beschikt.
Het bevoegde bestuursorgaan kan een dergelijk voorstel alleen doen als het van mening is dat het onmiskenbaar vaststaat dat de betrokkene de inbreuk heeft gepleegd.
Het voorstel tot betaling wordt gedaan met een kennisgeving. Die kennisgeving vermeldt de inbreuk in kwestie, de te betalen geldsom en de transactietermijn, die een aanvang neemt bij de kennisgeving en negentig dagen bedraagt.
§ 2. Voor de inbreuken van niveau 1 bedraagt de geldsom waarvan de betaling wordt voorgesteld, minstens 25 euro en hoogstens 500 euro. Voor de inbreuken van niveau 2 bedraagt de geldsom waarvan de betaling wordt voorgesteld, minstens 50 euro en hoogstens 1000 euro.
Art. 140. § 1er. En cas d'une infraction, l'organe d'administration compétent peut proposer au contrevenant de payer une somme d'argent dans un délai de transaction.
L'organe d'administration compétent peut faire la proposition d'une transaction administrative dans un délai de soixante jours qui commence, selon le cas :
1° au moment de la notification d'un procès-verbal de la constatation d'une infraction du niveau 1 ;
2° au moment de la notification par le Ministère public d'une décision de tri prise à temps de ne pas traiter l'infraction pénalement ou à l'expiration tacite du délai de tri dont dispose le Ministère public.
L'organe d'administration compétent ne peut faire une proposition pareille que s'il estime qu'il est incontestable que l'intéressé a commis l'infraction.
La proposition de paiement est faite par une notification. Cette notification mentionne l'infraction en question, la somme d'argent à payer et le délai de transaction, qui prend cours au moment de la notification et est de nonante jours.
§ 2. Pour les infractions du niveau 1, la somme d'argent dont le paiement est proposé, s'élève à 25 euros au minimum et à 500 euros au maximum. Pour les infractions du niveau 2, la somme d'argent dont le paiement est proposé, s'élève à 50 euros au minimum et à 1000 euros au maximum.
Art. 141. De tijdige betaling van de voorgestelde geldsom doet de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke geldboete vervallen.
Als de betrokkene de geldsom niet betaalt binnen de transactietermijn of schriftelijk laat weten dat hij niet ingaat op het voorstel tot betaling van de bestuurlijke transactie zonder dat hij daarvoor enige gegronde verklaring geeft, kan de procedure tot het opleggen van een bestuurlijke geldboete worden opgestart.
Art. 141. Le paiement en temps voulu de la somme d'argent proposée fait échoir la compétence d'imposition d'une amende administrative.
Si l'intéressé ne paie pas la somme d'argent dans le délai de transaction ou fait savoir par écrit qu'il n'accède pas à la proposition de paiement de la transaction administrative sans donner une explication acceptable, la procédure d'imposition d'une amende administrative peut être commencée.
Afdeling 3. - De exclusieve bestuurlijke geldboete
Section 3. - L'amende administrative exclusive
Onderafdeling 1. - Algemeen
Sous-section 1. - Généralités
Art. 142. Een exclusieve bestuurlijke geldboete bedraagt minstens 50 euro en hoogstens 5000 euro.
Als er sprake is van herhaling, bedraagt een exclusieve bestuurlijke geldboete minstens 100 euro en hoogstens 5000 euro.
Art. 142. Une amende administrative exclusive s'élève à 50 euros au minimum et à 5000 euros au maximum.
S'il est question d'une répétition, une amende administrative exclusive s'élève à 100 euros au minimum et à 5000 euros au maximum.
Art. 143. De bevoegdheid tot het opleggen van een exclusieve bestuurlijke geldboete vervalt drie jaar na de datum van de afsluiting van het proces-verbaal van de vaststelling dat over de inbreuk is opgemaakt.
Art. 143. La compétence d'imposition d'une amende administrative exclusive échoit trois ans après la date de clôture du procès-verbal de la constatation de l'infraction.
Onderafdeling 2. - Procedure voor het opleggen van een exclusieve bestuurlijke geldboete
Sous-section 2. - Procédure d'imposition d'une amende administrative exclusive
Art. 144. § 1. Als [1 het bevoegde personeelslid van het bevoegde bestuursorgaan]1 beslist een beboetingsprocedure op te starten, brengt het de vermoedelijke overtreder daarvan op de hoogte met een kennisgeving binnen een termijn van zestig dagen die aanvangt na, al naargelang het geval:
1° het verstrijken van de transactietermijn;
2° de kennisgeving van het proces-verbaal tot vaststelling van de inbreuk.
§ 2. In die kennisgeving wordt aan de betrokkene het voornemen meegedeeld een bestuurlijke geldboete op te leggen. Hij wordt er uitgenodigd om ter zake schriftelijk zijn verweer mee te delen binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving. Hij kan er ook toe worden uitgenodigd om binnen dezelfde termijn stukken mee te delen die zijn financiële draagkracht toelichten. Hij wordt er daarnaast op gewezen:
1° dat hij de gegevens waarop het voornemen tot het opleggen van een bestuurlijke geldboete berust, kan inzien en er kopieën van kan krijgen. Als blijkt dat de verdediging van de betrokkene dat redelijkerwijs vergt, draagt [1 het bevoegde personeelslid van het bevoegde bestuursorgaan]1 er zo veel mogelijk zorg voor dat die gegevens hem worden meegedeeld in een taal die voor hem begrijpelijk is;
2° dat hij kan worden gehoord. Het verzoek om te worden gehoord, moet worden ingediend binnen dertig dagen na de kennisgeving;
3° dat hij niet verplicht is om, voor het opleggen van de boete, inlichtingen over de inbreuk te verstrekken.
Art. 144. § 1er. Si [1 le membre du personnel compétent de l'organe d'administration compétent]1 décide d'imposer une procédure d'amende, il en informe le contrevenant présumé par notification dans un délai de soixante jours qui prend cours après, selon le cas :
1° l'expiration du délai de transaction ;
2° la notification du procès-verbal de constatation de l'infraction.
§ 2. Dans cette notification, l'intention d'imposer une amende administrative est communiquée à l'intéressé. Il y est invité à communiquer sa défense par écrit dans un délai de trente jours après la notification. Il y peut également être invité à communiquer dans le même délai des documents indiquant sa capacité financière. En outre, il est également informé que :
1° il peut consulter les données qui sont à la base de l'intention d'imposer une amende administrative et qu'il peut en obtenir des copies. S'il s'avère que la défense de l'intéressé le requiert raisonnablement, [1 le membre du personnel compétent de l'organe d'administration compétent]1 veille au maximum que ces données lui sont communiquées dans une langue compréhensible pour lui ;
2° il peut être entendu. La demande d'être entendu doit être introduite dans les trente jours après la notification ;
3° il n'est pas obligé à fournir des renseignements sur l'infraction, en vue de l'imposition de l'amende.
Art. 145. Als de vermoedelijke overtreder wordt gehoord, is bijstand door een tolk toegestaan als blijkt dat de verdediging van de betrokkene dat redelijkerwijs vergt.
Art. 145. Si le contrevenant présumé est entendu, l'assistance par un interprète est autorisée s'il s'avère que la défense de l'intéressé le requiert raisonnablement.
Art. 146. [1 Het bevoegde personeelslid van het bevoegde bestuursorgaan]1 kan de gezinsinspecteurs om aanvullende inlichtingen verzoeken.
Art. 146. [1 Le membre du personnel compétent de l'organe d'administration compétent]1 peut demander des informations complémentaires aux inspecteurs familiaux.
Onderafdeling 3. - De beslissing
Sous-section 3. - La décision
Art. 147. Het onderzoek van het dossier kan aanleiding geven tot het opleggen van een exclusieve bestuurlijke geldboete of een beslissing geen exclusieve geldboete op te leggen.
Art. 147. L'examen du dossier peut donner lieu à l'imposition d'une amende administrative exclusive ou à la décision de ne pas imposer d'amende exclusive.
Art. 148. Als de inbreuk niet aan de overtreder kan worden verweten, legt [1 het bevoegde personeelslid van het bevoegde bestuursorgaan]1 geen exclusieve bestuurlijke geldboete op.
Art. 148. Si l'infraction ne peut pas être imputée au contrevenant, [1 le membre du personnel compétent de l'organe d'administration compétent]1 n'impose pas d'amende administrative exclusive.
Art. 149. Als een exclusieve bestuurlijke geldboete wordt opgelegd, wordt de hoogte van de geldboete afgestemd op de ernst van de feiten en de omstandigheden waarin ze zijn gepleegd of beëindigd. Daarbij wordt rekening gehouden met de financiële draagkracht van de beboete persoon.
Art. 149. Si une amende administrative exclusive est imposée, l'ampleur de l'amende est adaptée à la gravité des faits et aux circonstances dans lesquelles ils sont commis ou terminés. Il est tenu compte de la capacité financière de la personne à qui l'amende est infligée.
Art. 150. Een beslissing om een exclusieve bestuurlijke geldboete op te leggen, bevat naast de identiteit van de overtreder minstens:
1° de motieven van de beboeting en van het boetebedrag;
2° het bedrag van de geldboete die wordt opgelegd;
3° de wijze waarop en de termijn waarin de geldboete betaald moet worden;
4° de mogelijkheid om beroep aan te tekenen en de wijze waarop en de termijn waarin dat moet gebeuren;
5° de vermelding dat:
a) na een herinnering tot betaling en nadat de beroepstermijn is verstreken, de bestuurlijke geldboete [1 ...]1 wordt ingevorderd overeenkomstig [2 het decreet van 19 april 2024 tot regeling van de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen]2;
b) die maatregel op kosten van de beboete persoon wordt uitgevoerd overeenkomstig artikel 1024 van het Gerechtelijk Wetboek.
Art. 150. Outre l'identité du contrevenant, une décision d'imposer une amende administrative exclusive comprend au moins :
1° les motifs de l'imposition de l'amende et le montant de l'amende ;
2° le montant de l'amende imposée ;
3° la manière dont et le délai dans lequel l'amende doit être payée ;
4° la possibilité de former un recours et la manière dont et le délai dans lequel ce recours doit être introduit ;
5° la mention :
a) qu'après un rappel de paiement et après l'expiration du délai de recours, l'amende administrative est recouvrée [1 ...]1 conformément [2 au décret du 19 avril 2024 réglementant le recouvrement des créances non fiscales]2;
b) que cette mesure est exécutée aux frais de la personne à qui l'amende est infligée, conformément à l'article 1024 du Code judiciaire.
Art. 151. De beslissing tot het opleggen van de geldboete wordt binnen een termijn van negentig dagen na de kennisgeving van de opstart van de procedure genomen en ter kennis gebracht van de betrokkene.
Art. 151. La décision d'imposer l'amende est prise et communiquée à l'intéressé dans un délai de nonante jours de la notification du lancement de la procédure.
Afdeling 4. - De alternatieve bestuurlijke geldboete
Section 4. - L'amende administrative alternative
Onderafdeling 1. - Algemeen
Sous-section 1. - Généralités
Art. 152. Een alternatieve bestuurlijke geldboete bedraagt minstens 200 euro en hoogstens 10.000 euro.
Als verzachtende omstandigheden dat verantwoorden, kan een geldboete worden opgelegd die lager is dan het minimumbedrag. De geldboete kan echter niet minder dan 100 euro bedragen.
Art. 152. Une amende administrative alternative s'élève à 200 euros au minimum et à 10.000 euros au maximum.
Si des circonstances atténuantes le justifient, une amende inférieure au montant minimal peut être imposée. L'amende ne peut en aucun cas être inférieure à 100 euros.
Art. 153. Als er sprake is van herhaling, bedraagt een alternatieve bestuurlijke geldboete minstens 400 euro en hoogstens 10.000 euro.
Als verzachtende omstandigheden dat verantwoorden, kan een geldboete worden opgelegd die lager is dan het minimumbedrag. De geldboete kan echter niet minder dan 200 euro bedragen.
Art. 153. S'il est question d'une répétition, une amende administrative alternative s'élève à 400 euros au minimum et à 10.000 euros au maximum.
Si des circonstances atténuantes le justifient, une amende inférieure au montant minimal peut être imposée. L'amende ne peut en aucun cas être inférieure à 200 euros.
Art. 154. De bevoegdheid tot het opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldboete vervalt vijf jaar na de datum van de afsluiting van het proces-verbaal van de vaststelling dat over de inbreuk is opgemaakt.
Art. 154. La compétence d'imposition d'une amende administrative alternative échoit cinq ans après la date de clôture du procès-verbal de la constatation de l'infraction.
Onderafdeling 2. - Procedure voor het opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldboete
Sous-section 2. - Procédure d'imposition d'une amende administrative alternative
Art. 155. Bij het opstellen van een proces-verbaal van de vaststelling van een inbreuk van niveau 2 geeft de gezinsinspecteur het Openbaar Ministerie onmiddellijk kennis van het proces-verbaal van de vaststelling met toepassing van artikel 126, § 1.
Samen met het proces-verbaal bezorgt de gezinsinspecteur het Openbaar Ministerie een schriftelijk verzoek om zich uit te spreken over de al dan niet strafrechtelijke behandeling van de inbreuk. Het Openbaar Ministerie beschikt daarvoor over een sorteertermijn van honderdtachtig dagen na de kennisgeving van het proces-verbaal van de vaststelling.
Een beslissing om de inbreuk strafrechtelijk te behandelen, sluit het voorstellen van een bestuurlijke transactie en het opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldboete uit. Een beslissing om de inbreuk niet strafrechtelijk te behandelen en om de sorteertermijn stilzwijgend te laten verstrijken, houdt het verval van de strafvordering in.
Als het Openbaar Ministerie tijdig beslist niet strafrechtelijk te behandelen of als het de sorteertermijn stilzwijgend laat voorbijgaan, kan het bevoegde bestuursorgaan een voorstel doen om een bestuurlijke transactie te betalen [1 of kan het bevoegde personeelslid van het bevoegde bestuursorgaan de procedure starten om een alternatieve bestuurlijke geldboete op te leggen]1.
Art. 155. Lors de l'établissement d'un procès-verbal de la constatation d'une infraction du niveau 2, l'inspecteur familial notifie immédiatement le procès-verbal de la constatation au Ministère public en application de l'article 126, § 1er.
Conjointement avec le procès-verbal, l'inspecteur familial transmet au Ministère public une demande écrite de se prononcer sur le traitement pénal ou non de l'infraction. Le Ministère public dispose à cet effet d'un délai de tri de cent quatre-vingt jours après la notification du procès-verbal de la constatation.
Une décision de traiter l'infraction pénalement, exclut la proposition d'une transaction administrative et l'imposition d'une amende administrative alternative. Une décision de ne pas traiter l'infraction pénalement et de laisser expirer tacitement le délai de tri, entraîne l'extinction de l'action publique.
Si le Ministère public décide en temps voulu de ne pas traiter pénalement ou s'il laisse tacitement passer le délai de tri, l'organe d'administration compétent peut faire une proposition de payer une transaction administrative [1 ou le membre du personnel compétent de l'organe d'administration compétent peut lancer la procédure d'imposer une amende administrative alternative]1.
Art. 156. § 1. Als [1 het bevoegde personeelslid van het bevoegde bestuursorgaan]1 beslist een beboetingsprocedure op te starten, brengt het de vermoedelijke overtreder daarvan op de hoogte met een kennisgeving binnen een termijn van zestig dagen na, al naargelang het geval:
1° het verstrijken van de transactietermijn;
2° de kennisgeving door het Openbaar Ministerie van een tijdige sorteerbeslissing om de inbreuk niet strafrechtelijk te behandelen dan wel het stilzwijgend verstrijken van de sorteertermijn waarover het Openbaar Ministerie beschikt.
§ 2. In de kennisgeving wordt aan de betrokkene het voornemen meegedeeld een alternatieve bestuurlijke geldboete op te leggen. Hij wordt er uitgenodigd om ter zake schriftelijk zijn verweer mee te delen binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving. Hij kan er ook toe worden uitgenodigd om binnen dezelfde termijn stukken mee te delen die zijn financiële draagkracht toelichten. Hij wordt er daarnaast op gewezen:
1° dat hij de gegevens waarop het voornemen tot het opleggen van een bestuurlijke geldboete berust, kan inzien en er kopieën van kan krijgen. Als blijkt dat de verdediging van de betrokkene dat redelijkerwijs vergt, draagt [1 het bevoegde personeelslid van het bevoegde bestuursorgaan]1 er zo veel mogelijk zorg voor dat die gegevens hem worden meegedeeld in een taal die voor hem begrijpelijk is;
2° dat hij kan worden gehoord. Het verzoek om te worden gehoord, moet worden ingediend binnen dertig dagen na de kennisgeving;
3° dat hij niet verplicht is om, voor het opleggen van de boete, inlichtingen over de inbreuk te verstrekken.
Art. 156. § 1er. Si [1 le membre du personnel compétent de l'organe d'administration compétent]1 décide d'imposer une procédure d'amende, il en informe le contrevenant présumé par notification dans un délai de soixante jours après, selon le cas :
1° l'expiration du délai de transaction ;
2° la notification par le Ministère public d'une décision de tri prise à temps de ne pas traiter l'infraction pénalement ou à l'expiration tacite du délai de tri dont dispose le Ministère public.
§ 2. Dans cette notification, l'intention d'imposer une amende administrative alternative est communiquée à l'intéressé. Il y est invité à communiquer sa défense par écrit dans un délai de trente jours après la notification. Il y peut également être invité à communiquer dans le même délai des documents indiquant sa capacité financière. En outre, il est également informé que :
1° il peut consulter les données qui sont à la base de l'intention d'imposer une amende administrative et qu'il peut en obtenir des copies. S'il s'avère que la défense de l'intéressé le requiert raisonnablement, [1 le membre du personnel compétent de l'organe d'administration compétent]1 veille au maximum à ce que ces données lui sont communiquées dans une langue compréhensible pour lui ;
2° il peut être entendu. La demande d'être entendu doit être introduite dans les trente jours après la notification ;
3° il n'est pas obligé à fournir des renseignements sur l'infraction, en vue de l'imposition de l'amende.
Art. 157. Als de vermoedelijke overtreder wordt gehoord, is bijstand door een tolk toegestaan als blijkt dat de verdediging van de betrokkene dat redelijkerwijs vergt.
Art. 157. Si le contrevenant présumé est entendu, l'assistance par un interprète est autorisée s'il s'avère que la défense de l'intéressé le requiert raisonnablement.
Art. 158. [1 Het bevoegde personeelslid van het bevoegde bestuursorgaan]1 kan de gezinsinspecteurs om aanvullende inlichtingen verzoeken.
Art. 158. [1 Le membre du personnel compétent de l'organe d'administration compétent]1 peut demander des informations complémentaires aux inspecteurs familiaux.
Onderafdeling 3. - De beslissing
Sous-section 3. - La décision
Art. 159. Het onderzoek van het dossier kan aanleiding geven tot het opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldboete, het opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldboete met geheel of gedeeltelijk uitstel van uitvoering van betaling of een beslissing om geen geldboete op te leggen.
Art. 159. L'examen du dossier peut donner lieu à l'imposition d'une amende administrative alternative, l'imposition d'une amende administrative alternative avec sursis total ou partiel d'exécution du paiement, ou une décision de ne pas imposer une amende.
Art. 160. Als de inbreuk niet aan de overtreder kan worden verweten, legt [1 het bevoegde personeelslid van het bevoegde bestuursorgaan]1 geen bestuurlijke geldboete op.
Art. 160. Si l'infraction ne peut pas être imputée au contrevenant, [1 le membre du personnel compétent de l'organe d'administration compétent]1 n'impose pas d'amende administrative.
Art. 161. Als een alternatieve bestuurlijke geldboete wordt opgelegd, wordt de hoogte van de geldboete afgestemd op de ernst van de feiten en de omstandigheden waarin ze zijn gepleegd of beëindigd. Daarbij wordt rekening gehouden met de financiële draagkracht van de beboete persoon.
Art. 161. Si une amende administrative alternative est imposée, l'ampleur de l'amende est adaptée à la gravité des faits et aux circonstances dans lesquelles ils sont commis ou terminés. Il est tenu compte de la capacité financière de la personne à qui l'amende est infligée.
Art. 162. Als het een alternatieve bestuurlijke geldboete oplegt, kan [1 het bevoegde personeelslid van het bevoegde bestuursorgaan]1 geheel of gedeeltelijk uitstel van uitvoering van betaling toekennen met een proefperiode van minstens één jaar en hoogstens drie jaar. De proefperiode neemt een aanvang bij de kennisgeving van de beboetingsbeslissing.
Art. 162. Si [1 le membre du personnel compétent de l'organe d'administration compétent]1 impose une amende administrative alternative, il peut accorder un sursis total ou partiel d'exécution du paiement avec une période d'essai d'un an au minimum et de trois ans au maximum. La période d'essai prend cours au moment de la notification de la décision d'imposition de l'amende.
Art. 163. Een beslissing om een alternatieve bestuurlijke geldboete op te leggen, bevat naast de identiteit van de overtreder minstens:
1° de motieven van de beboeting en van het boetebedrag en, in voorkomend geval, uitstel van uitvoering van betaling van de geldboete;
2° het bedrag van de geldboete die wordt opgelegd;
3° in voorkomend geval, het bedrag van de geldboete waarvoor uitstel van uitvoering van betaling is toegekend, en de duurtijd van de bijbehorende proeftermijn;
4° in voorkomend geval, de wijze waarop en de termijn waarin de geldboete moet worden betaald;
5° in voorkomend geval, de mogelijkheid tot herroeping van het uitstel van betaling;
6° de mogelijkheid om beroep aan te tekenen, en de wijze waarop en de termijn waarin dat moet gebeuren;
7° de vermelding dat:
a) na een herinnering tot betaling en nadat de beroepstermijn is verstreken, de bestuurlijke geldboete [1 ...]1 wordt ingevorderd overeenkomstig artikel 2 van het decreet van 22 februari 1995 tot regeling van de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor de Vlaamse Gemeenschap en de instellingen die eronder ressorteren;
b) die maatregel op kosten van de beboete persoon wordt uitgevoerd overeenkomstig artikel 1024 van het Gerechtelijk Wetboek.
Art. 163. Outre l'identité du contrevenant, une décision d'imposer une amende administrative alternative comprend au moins :
1° les motifs de l'imposition de l'amende et le montant de l'amende et, le cas échéant, le sursis d'exécution du paiement de l'amende ;
2° le montant de l'amende imposée ;
3° le cas échéant, le montant de l'amende pour lequel un sursis d'exécution du paiement est accordé, et la durée de la période d'essai correspondante ;
4° le cas échéant, la manière dont et le délai dans lequel l'amende doit être payée ;
5° le cas échéant, la possibilité de révocation du sursis de paiement ;
6° la possibilité de former un recours et la manière dont et le délai dans lequel ce recours doit être introduit ;
7° la mention :
a) qu'après un rappel de paiement et après l'expiration du délai de recours, l'amende administrative est recouvrée [1 ...]1 conformément à l'article 2 du décret du 22 février 1995 fixant les règles relatives au recouvrement des créances non fiscales pour la Communauté flamande et les organismes qui en relèvent ;
b) que cette mesure est exécutée aux frais de la personne à qui l'amende est infligée, conformément à l'article 1024 du Code judiciaire.
Art. 164. Binnen een termijn van honderdtwintig dagen na de kennisgeving van de opstart van de beboetingsprocedure beslist [1 het bevoegde personeelslid van het bevoegde bestuursorgaan]1 over het opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldboete en brengt het de betrokkene met een kennisgeving op de hoogte van zijn beslissing.
Art. 164. Dans un délai de cent vingt jours après la notification du lancement de la procédure d'imposition de l'amende, [1 le membre du personnel compétent de l'organe d'administration compétent]1 décide de l'imposition d'une amende administrative alternative et il informe l'intéressé par notification de sa décision.
Art. 165. Het uitstel van uitvoering van betaling wordt herroepen als de beboete persoon gedurende de proefperiode een nieuwe inbreuk pleegt die aanleiding geeft tot een bestuurlijke geldboete, een strafrechtelijke beteugeling met toepassing van artikel 216bis van het Wetboek van Strafvordering of een strafrechtelijke veroordeling.
In voorkomend geval wordt het uitstel herroepen bij dezelfde beslissing als de beslissing waarbij een bestuurlijke geldboete wordt opgelegd voor de nieuwe inbreuk die begaan is tijdens de proefperiode. Beide boetebedragen worden tegelijkertijd ingevorderd.
Als [1 het bevoegde personeelslid van het bevoegde bestuursorgaan]1 kennisneemt van een strafrechtelijke beteugeling, bij veroordelend vonnis of op een andere wijze, van een nieuwe inbreuk die gepleegd is gedurende de proefperiode, beslist het tot herroeping van het uitstel en gaat het over tot kennisgeving van die beslissing aan de betrokkene.
Art. 165. Le sursis d'exécution du paiement est révoqué si la personne à laquelle l'amende est infligée commet une nouvelle infraction pendant la période d'essai, qui donne lieu à une amende administrative, une répression pénale en application de l'article 216bis du Code d'instruction criminelle ou une condamnation pénale.
Le cas échéant, le sursis est révoqué par la même décision que celle imposant une amende administrative pour la nouvelle infraction commise pendant la période d'essai. Les deux amendes sont recouvrées simultanément.
Si [1 le membre du personnel compétent de l'organe d'administration compétent]1 prend connaissance d'une répression pénale, par jugement portant condamnation ou d'une autre manière, d'une nouvelle infraction commise pendant la période d'essai, il décide de révoquer le sursis et procède à la notification de cette décision à l'intéressé.
Afdeling 5. - Beroep tegen de bestuurlijke geldboete
Section 5. - Recours contre l'amende administrative
Art. 166. Tegen de beslissing waarbij [1 het bevoegde personeelslid van het bevoegde bestuursorgaan]1 een bestuurlijke geldboete oplegt, kan de persoon aan wie de boete is opgelegd, beroep instellen bij de bevoegde rechtbank. Het beroep wordt ingesteld binnen een termijn van negentig dagen vanaf de datum van de ontvangst van de bestreden beslissing.
Het instellen van een beroep schorst de uitvoering van de aangevochten beslissing. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen.
Art. 166. Contre la décision par laquelle [1 le membre du personnel compétent de l'organe d'administration compétent]1 impose une amende administrative, la personne à laquelle l'amende est infligée peut introduire un recours auprès du tribunal compétent. Le recours est introduit dans un délai de nonante jours à partir de la date de réception de la décision contestée.
L'introduction d'un recours suspend l'exécution de la décision contestée. Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités.
Afdeling 6. - Betaling van de bestuurlijke geldboete
Section 6. - Paiement de l'amende administrative
Art. 167. Een bestuurlijke geldboete moet worden betaald binnen een termijn van negentig dagen na de kennisgeving van de beboetingsbeslissing van [1 het bevoegde personeelslid van het bevoegde bestuursorgaan]1 of, in voorkomend geval, de bevoegde rechtbank.
Een bestuurlijke geldboete waarvan, met toepassing van artikel 165, het uitstel van uitvoering van betaling is herroepen, moet worden betaald binnen een termijn van negentig dagen na de kennisgeving van de herroepingsbeslissing van [1 het bevoegde personeelslid van het bevoegde bestuursorgaan]1, of in voorkomend geval, de bevoegde rechtbank.
Art. 167. Une amende administrative doit être payée dans un délai de nonante jours après la notification de la décision d'imposition de l'amende de [1 le membre du personnel compétent de l'organe d'administration compétent]1 ou, le cas échéant, du tribunal compétent.
Une amende administrative dont le sursis d'exécution du paiement est révoqué en application de l'article 165, doit être payée dans un délai de nonante jours après la notification de la décision de révocation de [1 le membre du personnel compétent de l'organe d'administration compétent]1 ou, le cas échéant, du tribunal compétent.
Art. 168. Op verzoek van de overtreder en als daartoe aanleiding bestaat, kan een langere betalingstermijn worden toegekend, die de verjaringstermijn tot invordering van de bestuurlijke geldboete niet mag overschrijden. De beslissing tot toekenning van een langere betalingstermijn omvat een afbetalingsplan.
Art. 168. A la demande du contrevenant et s'il y a lieu, un délai de paiement plus long peut être accordé, qui ne peut pas dépasser le délai de prescription du recouvrement de l'amende administrative. La décision d'octroi d'un délai de paiement plus long comprend un plan de paiement.
Art. 169. Als de overtreder weigert de bestuurlijke geldboete te betalen, wordt ze [1 na een herinnering om te betalen en nadat de beroepstermijn is verstreken, ingevorderd conform artikel 2 van het decreet van 22 februari 1995 tot regeling van de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor de Vlaamse Gemeenschap en de instellingen die eronder ressorteren]1.
Art. 169. Si le contrevenant refuse de payer l'amende administrative, elle est recouvrée [1 après un rappel de paiement et après l'expiration du délai de recours, conformément à l'article 2 du décret du 22 février 1995 fixant les règles relatives au recouvrement des créances non fiscales pour la Communauté flamande et les organismes qui en relèvent ]1.
Art. 170. De rechtsvordering tot invordering van de bestuurlijke geldboete verjaart vijf jaar na de dag waarop geen beroep meer kan worden aangetekend tegen de beslissing van [1 het bevoegde personeelslid van het bevoegde bestuursorgaan]1 of, in voorkomend geval, de dag waarop de rechterlijke beslissing kracht van gewijsde verwierf. De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden, bepaald in artikel 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.
Art. 170. L'action judiciaire de recouvrement de l'amende administrative se prescrit cinq ans après le jour auquel on ne peut plus introduire de recours contre la décision [1 du membre du personnel compétent de l'organe d'administration compétent]1 ou, le cas échéant, le jour auquel la décision judiciaire a acquis force de chose jugée. La prescription est interrompue selon le mode et aux conditions fixés à l'article 2244 et suivants du Code civil.
Art. 171. De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen voor het opleggen en het betalen van de administratieve geldboete.
[1 Het bevoegde bestuursorgaan wijst de personeelsleden aan die overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk bevoegd zijn om bestuurlijke geldboeten op te leggen.]1
Art. 171. Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités de l'imposition et du paiement de l'amende administrative.
[1 L'organe d'administration compétent désigne les membres du personnel compétents pour imposer des amendes administratives conformément aux dispositions du présent chapitre.]1
Titel 4. - Nalevingsondersteuning en handhaving ten aanzien van de private uitbetalingsactoren
Titre 4. - Aide au respect et maintien à l'égard des acteurs de paiement privés
HOOFDSTUK 1. - Aanmaning
CHAPITRE 1er. - Sommation
Art. 172. § 1. Als wordt vastgesteld dat een private uitbetalingsactor een inbreuk pleegt op de vergunningsnormen, vermeld in hoofdstuk 6 van het decreet van 7 juli 2017, wordt de private uitbetalingsactor door [1 het agentschap Opgroeien regie]1 schriftelijk aangemaand om binnen een bepaalde termijn de nodige maatregelen te nemen om de inbreuk te beëindigen en een herhaling ervan te voorkomen. De aanmaning bepaalt de termijn en kan de te nemen maatregelen preciseren.
§ 2. Bij hoogdringendheid of als aangetoond wordt dat de vastgestelde inbreuk niet hersteld kan worden, kan de aanmaning achterwege blijven en kan onmiddellijk een handhavingsmaatregel worden genomen als vermeld in hoofdstuk 2 van deze titel.
Art. 172. § 1er. S'il est constaté qu'un acteur de paiement privé commet une infraction aux normes d'autorisation, visées au chapitre 6 du décret du 7 juillet 2017, l'acteur de paiement privé est sommé par écrit par [1 l'agence Grandir régie]1 de prendre les mesures nécessaires dans un délai déterminé afin de terminer l'infraction et d'en prévenir la répétition. La sommation arrête le délai et peut préciser les mesures à prendre.
§ 2. En cas d'urgence ou s'il peut être démontré que l'infraction constatée ne peut pas être réparée, la sommation peut être négligée et une mesure de maintien peut immédiatement être prise, telle que visée au chapitre 2 du présent titre.
HOOFDSTUK 2. - Handhavingsmaatregelen
CHAPITRE 2. - Mesures de maintien
Afdeling 1. - Terugvordering, opschorting, vermindering en stopzetting van de subsidies
Section 1. - Recouvrement, suspension, diminution et cessation des subventions
Art. 173. § 1. Het agentschap kan de subsidie voor de werkingsmiddelen verminderen of stopzetten als de private uitbetalingsactor een inbreuk begaat op de subsidiëringsnormen, vermeld in hoofdstuk 6/1 van het decreet van 7 juli 2017.
§ 2. [1 Het agentschap Opgroeien regie]1 kan de subsidie voor de uitbetaling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid verminderen of stopzetten als de private uitbetalingsactor een inbreuk pleegt op de bepalingen van dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de vermindering of stopzetting van de subsidies, die minstens de mogelijkheid regelen om tegen de maatregelen een bezwaar in te dienen.
Art. 173. § 1er. L'agence peut diminuer ou arrêter la subvention pour les moyens de fonctionnement si l'acteur de paiement privé commet une infraction aux normes de subventionnement, visées au chapitre 6/1 du décret du 7 juillet 2017.
§ 2. [1 L'agence Grandir régie]1 peut diminuer ou arrêter la subvention pour le paiement des allocations dans le cadre de la politique familiale si l'acteur de paiement privé commet une infraction aux dispositions du présent décret ou de ses arrêtés d'exécution.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités pour la diminution ou la cessation des subventions, qui règlent au moins la possibilité d'introduire une réclamation contre les mesures.
Art. 174. Met inachtneming van artikel 13 van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof en [1 artikel 75 en 76 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019]1 is de private uitbetalingsactor gehouden tot de terugbetaling van de subsidie ten bedrage van het deel waarvoor een inbreuk is vastgesteld.
De Vlaamse Regering wijst de personeelsleden aan die belast zijn met de terugvordering van de onverschuldigde subsidies.
Art. 174. Dans le respect de l'article 13 de la loi du 16 mai 2003 fixant les dispositions générales applicables aux budgets, au contrôle des subventions et à la comptabilité des communautés et des régions, ainsi qu'à l'organisation du contrôle de la Cour des comptes et [1 des articles 75 et 76 du Code flamand des Finances publiques du 29 mars 2019]1, l'acteur de paiement privé est tenu au remboursement de la subvention à concurrence de la partie pour laquelle une infraction est constatée.
Le Gouvernement flamand désigne les membres du personnel chargés du recouvrement des subventions indues.
Art. 175. Met inachtneming van artikel 14 van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof kunnen [1 het agentschap Opgroeien regie]1 en het agentschap beslissen om de subsidies waarvoor ze bevoegd zijn, op te schorten.
Art. 175. Dans le respect de l'article 14 de la loi du 16 mai 2003 fixant les dispositions générales applicables aux budgets, au contrôle des subventions et à la comptabilité des communautés et des régions, ainsi qu'à l'organisation du contrôle de la Cour des comptes, [1 l'agence Grandir régie]1 et l'agence peuvent décider de suspendre les subventions relevant de leurs compétences.
Afdeling 2. - Bestuurlijke maatregelen
Section 2. - Mesures administratives
Art. 176. [1 Als de private uitbetalingsactor een inbreuk pleegt of een vergunning heeft verkregen op basis van onjuiste gegevens, kan het bevoegde personeelslid van het agentschap Opgroeien regie een of meer van de volgende bestuurlijke maatregelen opleggen:
1° een verbod om nieuwe begunstigden aan te sluiten;
2° de opmaak en uitvoering van een herstelplan;
3° de opheffing van de vergunning.
De Vlaamse Regering wijst de personeelsleden van het agentschap Opgroeien regie aan die overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling bevoegd zijn om de bestuurlijke maatregelen, vermeld in het eerste lid, op te leggen en de bezwaren tegen die maatregelen te behandelen.]1

Art. 176. [1 Si l'acteur de paiement privé commet une infraction ou a obtenu une autorisation sur la base de données incorrectes, le membre du personnel compétent de l'agence Grandir régie peut imposer une ou plusieurs des mesures administratives suivantes :
1° une interdiction d'affilier de nouveaux bénéficiaires ;
2° l'établissement et l'exécution d'un plan de relance ;
3° l'annulation de l'autorisation.
Le Gouvernement flamand désigne les membres du personnel de l'agence Grandir régie compétents, conformément aux dispositions de la présente section, pour imposer les mesures administratives visées à l'alinéa 1er et traiter les réclamations contre ces mesures.]1

Art. 177. § 1. [2 Het bevoegde personeelslid van het agentschap Opgroeien regie]2 betekent het voornemen tot het opleggen van een bestuurlijke maatregel aan de private uitbetalingsactor en bepaalt in de voorgenomen beslissing minstens het volgende:
1° de motieven van de voorgenomen beslissing;
2° de termijn waarin de uitbetalingsactor zijn verweer kan formuleren en de kans krijgt om gehoord te worden;
3° de termijn waarin de beslissing definitief wordt;
4° de aard van de opgelegde maatregel.
De uitbetalingsactor wordt op zijn verzoek gehoord. De uitbetalingsactor mag zich daarbij laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman of een andere persoon.
§ 2. Bij hoogdringendheid kan [2 het bevoegde personeelslid van het agentschap Opgroeien regie]2 onmiddellijk een bestuurlijke maatregel nemen.
Art. 177. § 1er. [2 Le membre du personnel compétent de l'agence Grandir régie]2 notifie l'intention d'imposer une mesure administrative à l'acteur de paiement privé et arrête dans la décision envisagée au moins les éléments suivants :
1° les motifs de la décision envisagée ;
2° le délai dans lequel l'acteur de paiement peut formuler sa défense et a l'opportunité d'être entendu ;
3° le délai dans lequel la décision devient définitive ;
4° la nature de la mesure imposée.
L'acteur de paiement est entendu à sa demande. L'acteur de paiement peut se faire assister ou représenter par un conseil ou une autre personne.
§ 2. En cas d'urgence, [2 le membre du personnel compétent de l'agence Grandir régie]2 peut prendre immédiatement une mesure administrative.
Art. 178. De beslissing tot het al dan niet opleggen van een bestuurlijke maatregel wordt ter kennis gebracht van de uitbetalingsactor en vermeldt minstens het volgende:
1° de motieven van de beslissing;
2° de datum van inwerkingtreding van de beslissing;
3° in voorkomend geval, de modaliteiten en gevolgen van de beslissing;
4° de mogelijkheid om bezwaar aan te tekenen.
Art. 178. La décision d'imposer ou non une mesure administrative est notifiée à l'acteur de paiement et mentionne au moins les éléments suivants :
1° les motifs de la décision ;
2° la date d'entrée en vigueur de la décision ;
3° le cas échéant, les modalités et les conséquences de la décision ;
4° la possibilité d'introduire une réclamation.
Art. 179. Tegen de opheffing van de vergunning kan de uitbetalingsactor bij [2 het bevoegde personeelslid van het agentschap Opgroeien regie]2 met een kennisgeving bezwaar aantekenen binnen dertig dagen na de ontvangst van de kennisgeving van de beslissing.
Het bezwaarschrift bevat, op straffe van niet-ontvankelijkheid, de motivering van het bezwaar.
De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de ontvankelijkheidsvereisten van het bezwaarschrift.
Art. 179. Contre l'annulation de l'autorisation, l'acteur de paiement peut introduire une réclamation auprès de [2 le membre du personnel compétent de l'agence Grandir régie]2 par une notification dans les trente jours après la réception de la notification de la décision.
La réclamation comprend, sous peine d'irrecevabilité, la motivation de la réclamation.
Le Gouvernement flamand peut arrêter des modalités relatives aux exigences de recevabilité de la réclamation.
Art. 180. [2 Het bevoegde personeelslid van het agentschap Opgroeien regie]2 beslist binnen tien dagen na de kennisgeving van het bezwaarschrift over de ontvankelijkheid van het bezwaar en brengt de bezwaarindiener daarvan op de hoogte. Als er niet tijdig een beslissing is genomen, wordt het bezwaar geacht ontvankelijk te zijn.
Art. 180. [2 Le membre du personnel compétent de l'agence Grandir régie]2 décide, dans les dix jours suivant la notification de la réclamation, de la recevabilité de la réclamation et en informe l'auteur de la réclamation. A défaut de décision dans le délai imparti, la réclamation est censée être recevable.
Art. 181.
Art. 181.
Art. 182. Het bezwaar schorst de uitvoering van de beslissing, tenzij de beslissing bij hoogdringendheid is genomen.
Art. 182. La réclamation suspend l'exécution de la décision, sauf si la décision est prise en cas d'urgence.
HOOFDSTUK 3. - Bestuurlijke geldboete
CHAPITRE 3. - Amende administrative
Afdeling 1. - De exclusieve bestuurlijke geldboete
Section 1. - L'amende administrative exclusive
Art. 183. § 1. [2 Het bevoegde personeelslid van het agentschap Opgroeien regie]2 kan een exclusieve bestuurlijke geldboete van 200 tot 20.000 euro opleggen als de private uitbetalingsactor een andere inbreuk begaat dan de inbreuken, vermeld in artikel 189 en 190, of als hij de vergunningsvoorwaarden, vermeld in het decreet van 7 juli 2017 en de uitvoeringsbesluiten ervan, niet naleeft.
§ 2. De exclusieve bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd binnen een termijn van honderdtachtig dagen vanaf de dag van de vaststelling van de inbreuk, op voorwaarde dat de private uitbetalingsactor de kans kreeg om zijn verweer op nuttige wijze mee te delen. De private uitbetalingsactor mag vragen om gehoord te worden en kan zich daarbij laten bijstaan door een raadsman.
Als een exclusieve bestuurlijke geldboete wordt opgelegd, vermeldt de beslissing het bedrag, de wijze waarop en de termijn waarin die moet worden betaald, alsook de motivering voor het opleggen van de bestuurlijke geldboete en voor de hoogte van het bedrag. De kennisgeving van de beslissing aan de uitbetalingsactor vermeldt de wijze waarop en de termijn waarin tegen de beslissing beroep kan worden ingesteld.
Art. 183. § 1er. [2 Le membre du personnel compétent de l'agence Grandir régie]2 peut imposer une amende administrative exclusive de 200 à 20.000 euros si l'acteur de paiement privé commet une autre infraction que les infractions visées aux articles 189 et 190, ou s'il ne respecte pas les conditions d'autorisation visées au décret du 7 juillet 2017 et ses arrêtes d'exécution.
§ 2. L'amende administrative exclusive peut être imposée dans un délai de cent quatre-vingt jours à partir du jour de la constatation de l'infraction, à condition que l'acteur de paiement privé ait eu l'opportunité de communiquer sa défense de manière utile. L'acteur de paiement privé peut demander d'être entendu et peut se faire assister par un conseil à cet effet.
Si une amende administrative exclusive est imposée, la décision mentionne le montant, la manière dont et le délai dans lequel elle doit être payée, ainsi que la motivation de l'imposition de l'amende administrative et du montant. La notification de la décision à l'acteur de paiement mentionne la manière dont et le délai dans lequel un recours peut être introduit contre la décision.
Afdeling 2. - De alternatieve bestuurlijke geldboete
Section 2. - L'amende administrative alternative
Art. 184. § 1. Voor de inbreuken, vermeld in artikel 189 en 190, kan [2 het bevoegde personeelslid van het agentschap Opgroeien regie]2 de uitbetalingsactor die de inbreuk heeft gepleegd, een bestuurlijke geldboete opleggen van 300 tot 30.000 euro.
§ 2. Bij de vaststelling van een inbreuk als vermeld in paragraaf 1, bezorgt de zorginspecteur het proces-verbaal van vaststelling onmiddellijk aan het Openbaar Ministerie bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waar de feiten zijn gepleegd. Samen met het proces-verbaal bezorgt de zorginspecteur een schriftelijk verzoek waarin het Openbaar Ministerie wordt gevraagd zich uit te spreken over de al dan niet strafrechtelijke behandeling van de inbreuk. Het Openbaar Ministerie beschikt daarvoor over een termijn van honderdtachtig dagen vanaf de dag waarop het verslag van vaststelling is verzonden.
Een beslissing om de inbreuk strafrechtelijk te behandelen, sluit het opleggen van een bestuurlijke geldboete uit. Een beslissing om de inbreuk niet strafrechtelijk te behandelen en de beslissingstermijn stilzwijgend te laten verstrijken, houdt het verval van de strafvordering in.
§ 3. Als het Openbaar Ministerie tijdig beslist niet strafrechtelijk te behandelen of als het de termijn stilzwijgend laat verstrijken, kan [2 het bevoegde personeelslid van het agentschap Opgroeien regie]2 de procedure voor het opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldboete starten.
[2 Het bevoegde personeelslid van het agentschap Opgroeien regie]2 beschikt over een termijn van honderdtachtig dagen om een bestuurlijke geldboete op te leggen vanaf, al naargelang het geval, de kennisneming van de beslissing, vermeld in paragraaf 2, of het stilzwijgend verstrijken van de termijn, vermeld in dezelfde paragraaf.
§ 4. De kennisgeving van een beboetingsbeslissing aan de beboete uitbetalingsactor vermeldt het bedrag, de wijze waarop en de termijn waarin de boete moet worden betaald, alsook de motivering voor het opleggen van de bestuurlijke geldboete en voor de hoogte van het bedrag. De kennisgeving vermeldt daarnaast de wijze waarop en de termijn waarin tegen de beslissing beroep kan worden ingesteld.
Art. 184. § 1er. Pour les infractions, visées aux articles 189 et 190, [2 le membre du personnel compétent de l'agence Grandir régie]2 peut imposer à l'acteur de paiement qui a commis l'infraction, une amende administrative de 300 à 30.000 euros.
§ 2. En cas de constatation d'une infraction telle que visée au paragraphe 1er, l'inspecteur des soins transmet le procès-verbal de constatation immédiatement au Ministère public auprès du tribunal dans le ressort duquel les faits ont été commis. Conjointement avec le procès-verbal, l'inspecteur des soins transmet une demande écrite dans laquelle le Ministère public est demandé de se prononcer sur le traitement pénal ou non de l'infraction. Le Ministère public dispose à cet effet d'un délai de cent quatre-vingt jours à partir du jour auquel le procès-verbal de la constatation est envoyé.
Une décision portant traitement pénal de l'infraction exclut l'imposition d'une amende administrative. Une décision de ne pas traiter l'infraction pénalement et de laisser expirer tacitement le délai de décision, entraîne l'extinction de l'action publique.
§ 3. Si le Ministère public décide en temps voulu de ne pas traiter pénalement ou s'il laisse tacitement passer le délai, [2 le membre du personnel compétent de l'agence Grandir régie]2 peut lancer la procédure d'imposer une amende administrative alternative.
[2 Le membre du personnel compétent de l'agence Grandir régie]2 dispose d'un délai de cent quatre-vingt jours pour imposer une amende administrative à partir de, selon le cas, la notification de la décision visée au paragraphe 2, ou l'expiration tacite du délai visé au même paragraphe.
§ 4. La notification d'une décision d'imposition d'une amende à l'acteur de paiement auquel l'amende est infligée, mentionne le montant, la manière dont et le délai dans lequel elle doit être payée, ainsi que la motivation de l'imposition de l'amende administrative et du montant. La notification mentionne en outre la façon dont et le délai dans lequel un recours peut être introduit contre la décision.
Afdeling 3. - Algemene bepalingen
Section 3. - Dispositions générales
Art. 185. Als een bestuurlijke geldboete wordt opgelegd, wordt de hoogte van de geldboete afgestemd op de ernst van de feiten en de omstandigheden waarin ze zijn gepleegd of beëindigd.
Als er sprake is van herhaling, wordt de minimumboete verdubbeld.
Art. 185. Si une amende administrative est imposée, l'ampleur de l'amende est adaptée à la gravité des faits et aux circonstances dans lesquelles ils sont commis ou terminés.
En cas de répétition, l'amende minimale est doublée.
Art. 186. De beboete uitbetalingsactor kan bij de Raad van State beroep aantekenen tegen de beslissing waarbij hem een bestuurlijke geldboete is opgelegd.
Art. 186. L'acteur de paiement auquel l'amende est infligée peut introduire un recours auprès du Conseil d'Etat contre la décision par laquelle une amende administrative lui est imposée.
Art. 187. [1 Als de uitbetalingsactor weigert de administratieve geldboete te betalen, wordt ze na een herinnering om te betalen en nadat de beroepstermijn is verstreken, ingevorderd conform [2 het decreet van 19 april 2024 tot regeling van de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen]2]1.
Art. 187. [1 Si l'acteur de paiement refuse de payer l'amende administrative, elle est recouvrée après un rappel de paiement et après l'expiration du délai de recours, conformément [2 au décret du 19 avril 2024 réglementant le recouvrement des créances non fiscales]2]1.
Art. 188. De vordering tot voldoening van de administratieve geldboete verjaart na verloop van vijf jaar vanaf de datum van de beslissing of, in geval van beroep, vanaf de datum van de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing. De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden, vermeld in artikel 2244 tot en met artikel 2250 van het Burgerlijk Wetboek.
[1 De Vlaamse Regering wijst de personeelsleden van het agentschap Opgroeien regie aan die overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk bevoegd zijn om bestuurlijke geldboeten op te leggen, en kan de nadere regels bepalen voor het opleggen en het betalen van de administratieve geldboete.]1
Art. 188. L'injonction à l'acquittement de l'amende administrative échoit après un délai de cinq ans, à compter de la date de la décision, ou en cas de recours, à compter de la date de la décision judiciaire passée en force de chose jugée. La prescription est interrompue selon le mode et aux conditions fixés aux articles 2244 à 2250 inclus du Code civil.
[1 Le Gouvernement flamand désigne les membres du personnel de l'agence Grandir régie qui sont compétents, conformément aux dispositions du présent chapitre, pour imposer des amendes administratives, et peut arrêter les modalités de l'imposition et du paiement de l'amende administrative.]1
Titel 5. - Strafbepalingen
Titre 5. - Dispositions pénales
Art. 189. De persoon die [1 wetens en willens]1 een van de volgende handelingen stelt, is strafbaar met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie jaar en met een geldboete van 100 euro tot 40.000 euro, of met een van die straffen:
1° onjuiste of onvolledige verklaringen afleggen om ten onrechte toelagen in het kader van het gezinsbeleid te verkrijgen, te laten verkrijgen, te behouden of te laten behouden;
2° nalaten of weigeren om noodzakelijke verklaringen af te leggen of inlichtingen te verstrekken die hij gehouden is te verstrekken, om ten onrechte toelagen in het kader van het gezinsbeleid te verkrijgen, te laten verkrijgen, te behouden of te laten behouden;
3° toelagen in het kader van het gezinsbeleid waarop hij geen of slechts gedeeltelijk recht heeft, ten onrechte verkrijgen of behouden door onjuiste of onvolledige verklaringen af te leggen of door na te laten of te weigeren om de noodzakelijke verklaringen af te leggen of inlichtingen te verstrekken.
Art. 189. La personne qui effectue [1 sciemment]1 un des actes suivants, est punie d'une peine d'emprisonnement de huit jours à trois ans et d'une amende de 100 euros à 40.000 euros ou d'une de ces peines seulement :
1° faire des déclarations incorrectes ou incomplètes afin d'obtenir, de faire obtenir, de maintenir ou de faire maintenir injustement des allocations dans le cadre de la politique familiale ;
2° omettre ou refuser de faire les déclarations nécessaires ou de fournir des informations qu'il est tenu de fournir, afin d'obtenir, de faire obtenir, de maintenir ou de faire maintenir injustement des allocations dans le cadre de la politique familiale ;
3° obtenir ou maintenir injustement des allocations dans le cadre de la politique familiale auxquelles il n'a pas droit ou auxquelles il n'a droit qu'en partie, en faisant des déclarations incorrectes ou incomplètes ou en omettant ou refusant de faire les déclarations nécessaires ou de fournir des informations.
Art. 190. De persoon die een van de volgende activiteiten verricht om ten onrechte toelagen in het kader van het gezinsbeleid of subsidies te verkrijgen, te laten verkrijgen, te behouden of te laten behouden, is strafbaar met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie jaar en met een geldboete van 100 euro tot 40.000 euro, of met een van die straffen:
1° valsheid in geschrifte plegen, hetzij door valse handtekeningen, hetzij door namaking of vervalsing van geschriften of handtekeningen, hetzij door overeenkomsten, beschikkingen, verbintenissen of schuldbevrijdingen valselijk op te maken of achteraf in een akte in te voegen, hetzij door toevoeging of vervalsing van bedingen, verklaringen of feiten in een akte;
2° gebruikmaken van een valse akte of een vals stuk;
3° valsheid plegen door gegevens die worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een informaticasysteem, te wijzigen, te wissen, of met een ander technologisch middel de mogelijke aanwending van gegevens in een informaticasysteem te veranderen, waardoor de juridische draagwijdte van die gegevens verandert;
4° gebruikmaken van de aldus verkregen gegevens, wetend dat ze vals zijn;
5° gebruikmaken van valse namen, valse hoedanigheden of valse adressen of een andere frauduleuze handeling stellen om te doen geloven in het bestaan van een fictieve persoon, een fictief gezin of een fictieve gebeurtenis of om op een andere wijze misbruik van vertrouwen te maken.
Art. 190. La personne qui effectue une des activités suivantes afin d'obtenir, de faire obtenir, de maintenir ou de faire maintenir injustement des allocations dans le cadre de la politique familiale, est punissable d'un emprisonnement de huit jours à trois ans et d'une amende de 100 à 40.000 euros, ou d'une de ces peines seulement :
1° faire des faux en écriture, soit par de signatures fausses, soit par contrefaction ou falsification d'écrits ou de signatures, soit en établissant faussement des conventions, des dispositions, des engagements ou des libérations de dette ou en les intégrant postérieurement dans un acte, soit par l'ajout ou la falsification de clauses, déclarations ou faits dans un acte ;
2° se servir d'un acte faux ou d'une fausse pièce ;
3° frauder en modifiant, ou en effaçant des données qui sont stockées, traitées ou transmises dans un système informatique, ou en changeant l'affectation possible des données dans un système informatique par un autre moyen technologique, de sorte que la portée juridique de telles données change ;
4° utiliser les données ainsi obtenues, tout en sachant qu'elles sont fausses ;
5° utiliser de faux noms, de fausses qualités ou de fausses adresses ou faire un autre acte frauduleux afin de faire croire à l'existence d'une personne fictive, d'une famille fictive ou d'un évènement fictif ou afin de faire un usage abusif de la confiance d'une autre manière.
Art. 191. Als de misdrijven, vermeld in artikel 189 en 190, zijn gepleegd in het kader van een gestructureerde criminele vereniging die gedurende een bepaalde periode bestaat en samengesteld is uit meer dan twee personen die in onderling overleg optreden om feiten te plegen die strafbaar zijn met een vrijheidsstraf van drie jaar of een zwaardere straf, zijn ze strafbaar met een gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar en met een geldboete van 1000 tot 750.000 euro.
Onder gestructureerde criminele vereniging wordt verstaan een vereniging die niet toevallig tot stand is gekomen met het oog op een onverwijld te plegen feit, zonder dat er sprake moet zijn van formeel afgebakende taken van de leden, noch van continuïteit in de samenstelling of een ontwikkelde structuur.
Art. 191. Si les délits visés aux articles 189 et 190 sont commis dans le cadre d'une association criminelle structurée qui existe pendant une période déterminée et se compose de plus de deux personnes qui agissent de commun accord pour commettre des faits qui sont punissables d'une peine privative de liberté de trois ans ou d'une peine plus lourde, ils sont punissables d'un emprisonnement de six mois à cinq ans et d'une amende de 1000 à 750.000 euros.
Par association criminelle structurée, on entend une association qui n'est pas créée par hasard, en vue d'un fait à commettre sans délai, sans qu'il doit être question de tâches formellement délimitées des membres, ni d'une continuité de composition ou d'une structure développée.
Titel 6. - Nalevingsondersteuning en handhaving ten aanzien van de organisatoren, vermeld in artikel 51, eerste lid, 3°
Titre 6. - Aide au respect et maintien à l'égard des organisateurs, visés à l'article 51, alinéa 1er, 3°
Art. 192. § 1. Aan de door de Vlaamse Gemeenschap vergunde opvangplaats, waarbij de organisator niet werkt met het systeem inkomenstarief, vermeld in artikel 27 tot en met 36/1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 november 2013 houdende de subsidies en de eraan gekoppelde voorwaarden voor de realisatie van specifieke dienstverlening door gezinsopvang en groepsopvang van baby's en peuters, kan [2 het bevoegde personeelslid van het agentschap Opgroeien regie]2 een bestuurlijke geldboete van 250 tot 1500 euro opleggen als de organisator de verplichting, vermeld in artikel 52, tweede lid, niet naleeft.
Als er sprake is van herhaling, bedraagt de geldboete minstens 500 euro en hoogstens 3.000 euro.
§ 2. De bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd binnen een termijn van honderdtachtig dagen vanaf de dag van de vaststelling van de inbreuk, op voorwaarde dat de organisator de kans kreeg om zijn verweer op nuttige wijze mee te delen. De organisator mag vragen om gehoord te worden en kan zich daarbij laten bijstaan door een raadsman.
Als een bestuurlijke geldboete wordt opgelegd, vermeldt de beslissing het bedrag, de wijze waarop en de termijn waarin die moet worden betaald, alsook de motivering voor het opleggen van de bestuurlijke geldboete en voor de hoogte van het bedrag. De kennisgeving van de beslissing aan de organisator vermeldt de wijze waarop en de termijn waarin tegen de beslissing beroep kan worden ingesteld.
[2 § 3. De Vlaamse Regering wijst de personeelsleden van het agentschap Opgroeien regie aan die overeenkomstig de bepalingen van deze titel bevoegd zijn voor de handhaving van het decreet ten aanzien van de organisatoren, vermeld in artikel 51, eerste lid, 3°.]2
Art. 192. § 1er. A une place d'accueil autorisée par la Communauté flamande, où l'organisateur n'adopte pas le système du tarif sur la base des revenus, visé aux articles 27 à 36/1 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 novembre 2013 relatif aux subventions et aux conditions y afférentes pour la réalisation de services spécifiques par l'accueil familial et l'accueil en groupe de bébés et de bambins, [2 le membre du personnel compétent de l'agence Grandir régie]2 peut imposer une amende administrative de 250 à 1500 euros si l'organisateur ne respecte pas l'obligation visée à l'article 52, alinéa 2.
S'il est question d'une répétition, l'amende s'élève à 500 euros au minimum et à 3000 euros au maximum.
§ 2. L'amende administrative peut être imposée dans un délai de cent quatre-vingt jours à partir du jour de la constatation de l'infraction, à condition que l'organisateur ait eu l'opportunité de communiquer sa défense de manière utile. L'organisateur peut demander d'être entendu et peut se faire assister par un conseil à cet effet.
Si une amende administrative exclusive est imposée, la décision mentionne le montant, la manière dont et le délai dans lequel elle doit être payée, ainsi que la motivation de l'imposition de l'amende administrative et du montant. La notification de la décision à l'organisateur mentionne la manière dont et le délai dans lequel un recours peut être introduit contre la décision.
[2 § 3. Le Gouvernement flamand désigne les membres du personnel de l'agence Grandir régie qui sont compétents, conformément aux dispositions du présent titre, pour le maintien du décret à l'égard des organisateurs visés à l'article 51, alinéa 1er, 3°.]2
Boek 4. - Wijzigingsbepalingen
Livre 4. - Dispositions modificatives
Deel 1. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
Partie 1. - Modifications du Code judiciaire
Art. 193. In artikel 363, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de eerste zin wordt opgeheven;
2° in de tweede zin wordt het woord "andere" opgeheven.
Art. 193. A l'article 363, alinéa 1er, du Code judiciaire les modifications suivantes sont apportées :
1° la première phrase est abrogée ;
2° dans la deuxième phrase, le mot " autres " est abrogé.
Art. 194. In artikel 572bis van hetzelfde wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° punt 8, gewijzigd bij de wet van 8 mei 2014, wordt vervangen door wat volgt:
"8° geschillen over de aanwijzing van de begunstigden van toelagen in het kader van het gezinsbeleid, zoals gedefinieerd in artikel 3, § 3, 1°, van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, tenzij een vordering bij de jeugdrechtbank aanhangig is gemaakt op grond van artikel 29 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dat feit veroorzaakte schade, tenzij de vrederechter bevoegd is krachtens artikel 594, 8° ;";
2° punt 14° en 15°, vervangen bij de wet van 8 mei 2014, worden opgeheven.
Art. 194. A l'article 572bis du même code les modifications suivantes sont apportées :
1° le point 8, modifié par la loi du 8 mai 2014, est remplacé par ce qui suit :
" 8° des litiges sur la désignation des bénéficiaires d'allocations dans le cadre de la politique familiale, tels que définis à l'article 3, § 3, 1°, du décret du 27 avril 2018 réglant les allocations dans le cadre de la politique familiale, sauf si le tribunal de la jeunesse est saisi d'une action sur la base de l'article 29 de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait, sauf si le juge de paix est compétent en vertu de l'article 594, 8° ; " ;
2° les points 14° et 15°, remplacés par la loi du 8 mai 2014, sont abrogés.
Art. 195. In artikel 580 van hetzelfde wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in punt 1°, gewijzigd bij de wetten van 12 mei 1971, 28 juli 1971 en 4 augustus 1978, wordt het woord "gezinsbijslag" opgeheven;
2° punt 8°, b), ingevoegd bij de wet van 1 april 1969, vervangen bij de wet van 20 juli 1971 en gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 242 van 31 december 1983, wordt vervangen door wat volgt:
"b) het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, met uitzondering van de geschillen over de aanwijzing van de begunstigden van toelagen in het kader van het gezinsbeleid, zoals gedefinieerd in artikel 3, § 3, 1°, van hetzelfde decreet;".
Art. 195. A l'article 580 du même code, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le point 1°, modifié par les lois des 12 mai 1971, 28 juillet 1971 et 4 août 1978, les mots " prestations familiales " sont abrogés ;
2° le point 8°, b), inséré par la loi du 1er avril 1969, remplacé par la loi du 20 juillet 1971 et modifié par l'arrêté royal n° 242 du 31 décembre 1983, est remplacé par ce qui suit :
" b) le décret du 27 avril 2018 réglant les allocations dans le cadre de la politique familiale, à l'exception des litiges sur la désignation des bénéficiaires d'allocations dans le cadre de la politique familiale, tels que définis à l'article 3, § 3, 1°, du même décret ; " ;
Art. 196. In artikel 594 van hetzelfde wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° punt 8°, vervangen bij de wet van 1 augustus 1985 en gewijzigd bij de wet van 30 juli 2013, wordt vervangen door wat volgt:
"8° over geschillen over de aanwijzing van de begunstigden van toelagen in het kader van het gezinsbeleid, zoals gedefinieerd in artikel 3, § 3, 1°, van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, in geval van voogdij, buiten het geval waar de vordering bij de jeugdrechtbank aanhangig gemaakt is op grond van artikel 29 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming.";
2° punt 9°, vervangen bij de wet van 29 maart 1976 en gewijzigd bij de wet van 30 juli 2013, wordt opgeheven.
Art. 196. A l'article 594 du même code, les modifications suivantes sont apportées :
1° le point 8°, remplacé par la loi du 1 er août 1985 et modifié par la loi du 30 juillet 2013, est remplacé par ce qui suit :
" 8° des litiges sur la désignation des bénéficiaires d'allocations dans le cadre de la politique familiale, tels que définis à l'article 3, § 3, 1°, du décret du 27 avril 2018 réglant les allocations dans le cadre de la politique familiale, en cas de tutelle, sauf si le tribunal de la jeunesse est saisi de l'action sur la base de l'article 29 de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse. " ;
2° le point 9°, remplacé par la loi du 29 mars 1976 et modifié par la loi du 30 juillet 2013, est abrogé.
Art. 197. In artikel 628, 14°, van hetzelfde wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid, gewijzigd bij de wetten van 30 juni 1971, 22 december 1977 en 6 juli 1989, wordt tussen de woorden "de verzekerde" en de woorden "of van de rechthebbende" de zinsnede ", begunstigde, zoals gedefinieerd in artikel 3, § 3, 1°, van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid" ingevoegd;
2° in het tweede lid wordt tussen de woorden "de verzekerde" en de woorden "of van de rechthebbende" de zinsnede ", begunstigde, zoals gedefinieerd in artikel 3, § 3, 1°, van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid" ingevoegd.
Art. 197. A l'article 628, 14°, du même code, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, modifié par les lois des 30 juin 1971, 22 décembre 1977 et 6 juillet 1989, le membre de phrase " , du bénéficiaire tel que défini à l'article 3, § 3, 1°, du décret du 27 avril 2018 réglant les allocations dans le cadre de la politique familiale, " est inséré entre les mots " de l'assuré " et les mots " ou de l'ayant droit " ;
2° dans l'alinéa 2, le membre de phrase " , le bénéficiaire tel que défini à l'article 3, § 3, 1°, du décret du 27 avril 2018 réglant les allocations dans le cadre de la politique familiale, " est inséré entre les mots " l'assuré " et les mots " ou l'ayant droit "
Art. 198. In artikel 1321, § 1, 5°, van hetzelfde wetboek, vervangen bij de wet van 19 maart 2010, worden de woorden "de kinderbijslag" vervangen door de woorden "de toelagen in het kader van het gezinsbeleid".
Art. 198. Dans l'article 1321, § 1er, 5°, du même Code, remplacé par la loi du 19 mars 2010, les mots " allocations familiales " sont remplacés par les mots " allocations dans le cadre de la politique familiale ".
Art. 199. In artikel 1410 van hetzelfde wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° aan paragraaf 2, eerste zin, vervangen bij de wet van 18 maart 1999, wordt na de woorden "de rechthebbende" de zinsnede "of de begunstigde, zoals gedefinieerd in artikel 3, § 3, 1°, van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid of de bijslagtrekkende zoals gedefinieerd in artikel 3, § 1, 8°, van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid," toegevoegd;
2° in paragraaf 2 wordt punt 1°, vervangen bij de wet van 12 mei 1971, vervangen door wat volgt:
"1° de toelagen in het kader van het gezinsbeleid;";
3° in paragraaf 4, eerste lid, vervangen bij de wet 25 januari 1999 en gewijzigd bij de wetten van 28 juni 2013 en 25 april 2014, wordt het woord "gezinsbijslag" vervangen door de woorden "toelagen in het kader van het gezinsbeleid";
4° aan paragraaf 4, derde lid, worden na de woorden "bedoelde terugvordering" de woorden "van andere prestaties dan toelagen in het kader van het gezinsbeleid" toegevoegd;
5° in paragraaf 4 wordt het vijfde lid vervangen door wat volgt:
"Als toelagen in het kader van het gezinsbeleid ten onrechte zijn verkregen ingevolge een nalatigheid of een verzuim van de begunstigde, kan de terugvordering slaan op het geheel van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid die later verschuldigd zijn aan dezelfde begunstigde.".
Art. 199. A l'article 1410 du même code, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 2, première phrase, remplacée par la loi du 18 mars 1999, le membre de phrase " ou du bénéficiaire, tel que défini à l'article 3, § 3, 1°, du décret du 27 avril 2018 réglant les allocations dans le cadre de la politique familiale, ou de l'allocataire tel que défini à l'article 3, § 1er, 8°, du décret du 27 avril 2018 réglant les allocations dans le cadre de la politique familiale, " est inséré après les mots " du bénéficiaire " ;
2° dans le paragraphe 2, le point 1°, remplacé par la loi du 12 mai 1971, est remplacé par ce qui suit :
" 1° les allocations dans le cadre de la politique familiale ; " ;
3° dans le paragraphe 4, alinéa 1er, remplacé par la loi du 25 janvier 1999 et modifié par les lois des 28 juin 2013 et 25 avril 2014, les mots " allocations familiales " sont remplacés par les mots " allocations dans le cadre de la politique familiale " ;
4° dans le paragraphe 4, alinéa 3, les mots " d'autres prestations que les allocations dans le cadre de la politique familiale, " sont insérés après les mots " la récupération " ;
5° dans le paragraphe 4, l'alinéa cinq est remplacé par ce qui suit :
" Lorsque des allocations dans le cadre de la politique familiale ont été obtenues indûment suite à une négligence ou un manquement du bénéficiaire, la récupération peut porter sur l'intégralité des allocations dans le cadre de la politique familiale qui sont dues ultérieurement au même bénéficiaire. ".
Deel 2. - Wijzigingen van het decreet van 7 juli 2017
Partie 2. - Modifications au décret du 7 juillet 2017
Art. 200. In het decreet van 7 juli 2017 wordt een hoofdstuk 6/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"HOOFDSTUK 6/1. Subsidies voor de private uitbetalingsactoren".
Art. 200. Dans le décret du 7 juillet 2017, il est inséré un chapitre 6/1, rédigé comme suit :
" CHAPITRE 6/1. Subventions pour les acteurs de paiement privés ".
Art. 201. In hetzelfde decreet wordt in hoofdstuk 6/1, ingevoegd bij artikel 200, een artikel 30/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 30/1. Een private uitbetalingsactor ontvangt jaarlijks een subsidie van Kind en Gezin om de toelagen in het kader van het gezinsbeleid te kunnen uitbetalen overeenkomstig de regelgeving betreffende de uitbetaling van toelagen in het kader van het gezinsbeleid. Die subsidie dient louter om de bedragen te dekken die uitbetaald moeten worden aan de begunstigden van toelagen in het kader van het gezinsbeleid.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden voor de vaststelling en de toekenning van de subsidies, vermeld in het eerste lid.".
Art. 201. Dans le même décret, dans le chapitre 6/1, inséré par l'article 200, il est inséré un article 30/1, rédigé comme suit :
" Art. 30/1. Un acteur de paiement privé reçoit annuellement une subvention de " Kind en Gezin " afin de pouvoir payer les allocations dans le cadre de la politique familiale conformément à la réglementation relative au paiement d'allocations dans le cadre de la politique familiale. Cette subvention sert uniquement à couvrir les montants qui doivent être payés aux bénéficiaires d'allocations dans le cadre de la politique familiale.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités pour l'établissement et l'octroi des subventions visées à l'alinéa 1er. ".
Art. 202. In hetzelfde decreet wordt in hoofdstuk 6/1, ingevoegd bij artikel 200, een artikel 30/2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 30/2. § 1. Een private uitbetalingsactor ontvangt van het agentschap jaarlijks een subsidie voor de werkingskosten volgens de hiernavolgende bepalingen. Die subsidie moet de werking van de private uitbetalingsactor ondersteunen om de uitbetaling, vermeld in artikel 30/1, te garanderen en te optimaliseren. De private uitbetalingsactoren bepalen hoe ze die middelen willen aanwenden binnen de context van de activiteiten waarvoor ze ter uitvoering van artikel 29 een vergunning hebben verkregen, en binnen de context van de vergunningsnormen, vermeld in artikel 27 en 28, die betrekking hebben op het gevoerde financiële beleid.
Het eerste jaar na de inwerkingtreding van dit decreet is de totale enveloppe aan werkingsmiddelen voor de private uitbetalingsactoren gelijk aan het totale bedrag aan werkingskosten dat ze in het voorlaatste jaar vóór de inwerkingtreding van dit decreet ontvangen hebben overeenkomstig artikel 2, 7°, en artikel 4 van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 betreffende de beheersrekening en de administratieve reserve van de kinderbijslagfondsen.
§ 2. Vanaf het tweede jaar na de inwerkingtreding van dit decreet worden de berekeningswijze en toekenningsvoorwaarden van die enveloppe bepaald door de Vlaamse Regering.".
Art. 202. Dans le même décret, il est inséré dans le chapitre 6/1, inséré par l'article 200, un article 30/2, rédigé comme suit :
" Art. 30/2. § 1er. Un acteur de paiement privé reçoit annuellement de l'agence une subvention pour les frais de fonctionnement selon les dispositions suivantes. Cette subvention doit soutenir les activités de l'acteur de paiement privé afin de garantir et d'optimiser le paiement, visé à l'article 30/1. Les acteurs de paiement privés déterminent comment ils veulent affecter ces moyens dans le contexte des activités pour lesquelles ils ont obtenu une autorisation en exécution de l'article 29, et dans le contexte des normes d'autorisation, visées aux articles 27 et 28, qui concernent la politique financière menée.
La première année après l'entrée en vigueur du présent décret, l'enveloppe totale de moyens de fonctionnement pour les acteurs de paiement privés égale le montant total de frais de fonctionnement qu'ils ont reçu pendant l'avant-dernière année avant l'entrée en vigueur du présent décret conformément à l'article 2, 7°, et l'article 4 de l'arrêté royal du 9 juin 1999 relatif au compte de gestion et à la réserve administrative des caisses d'allocations familiales.
§ 2. A partir de la deuxième année après l'entrée en vigueur du présent décret, le mode de calcul et les conditions d'octroi de cette enveloppe sont déterminés par le Gouvernement flamand. ".
Art. 203. In hetzelfde decreet wordt in hoofdstuk 6/1, ingevoegd bij artikel 200, een artikel 30/3 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 30/3. Elke private uitbetalingsactor ontvangt een gedeelte uit de totale enveloppe voor werkingsmiddelen dat gebaseerd is op de verhouding van het bedrag van de uitbetaalde toelagen in het kader van het gezinsbeleid ten opzichte van het totale bedrag aan toelagen in het kader van het gezinsbeleid uitbetaald door de private uitbetalingsactoren in de loop van een dienstjaar. Daarnaast ontvangt de private uitbetalingsactor 1,5% van de onterecht uitbetaalde gezinsbijslagen die teruggevorderd worden. De Vlaamse Regering kan criteria vastleggen die tot doel hebben het bedrag van onterecht uitbetaalde gezinsbijslagen door een private uitbetalingsactor zo laag mogelijk te houden.
De Vlaamse Regering kan aan de private uitbetalingsactoren een aanvullende werkingssubsidie toekennen voor de uitbetaling van andere toelagen in het kader van het gezinsbeleid volgens de voorwaarden die ze bepaalt.".
Art. 203. Dans le même décret, il est inséré dans le chapitre 6/1, inséré par l'article 200, un article 30/3, rédigé comme suit :
" Art. 30/3. Chaque acteur de paiement privé reçoit une partie de l'enveloppe totale pour moyens de fonctionnement, qui est basée sur le rapport entre le montant des allocations payées dans le cadre de la politique familiale et le montant total d'allocations dans le cadre de la politique familiale payées par les acteurs de paiement privés au cours d'une année de service. En outre, l'acteur de paiement privé reçoit 1,5% des allocations familiales indûment payées qui sont recouvrées. Le Gouvernement flamand peut arrêter des critères visant à réduire au minimum le montant d'allocations familiales indûment payées par un acteur de paiement privé.
Le Gouvernement flamand peut accorder aux acteurs de paiement privés une subvention de fonctionnement complémentaire pour le paiement d'autres allocations dans le cadre de la politique familiale selon les conditions qu'il arrête. ".
Art. 204. In hetzelfde decreet wordt in hoofdstuk 6/1, ingevoegd bij artikel 200, een artikel 30/4 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 30/4. Op zijn vroegst twee jaar na de inwerkingtreding van dit decreet en op basis van een grondige evaluatie van de werking van de private uitbetalingsactoren door het agentschap kan een deel van de subsidie voor werkingskosten, vermeld in artikel 30/2 en 30/3, bijkomend afhankelijk gemaakt worden van door de Vlaamse Regering vast te stellen criteria om de goede werking van de private uitbetalingsactoren te kunnen garanderen.".
Art. 204. Dans le même décret, il est inséré dans le chapitre 6/1, inséré par l'article 200, un article 30/4, rédigé comme suit :
" Art. 30/4. Au plus tôt deux années après l'entrée en vigueur du présent décret et sur la base d'une évaluation approfondie des activités des acteurs de paiement privés par l'agence, une partie de la subvention pour frais de fonctionnement, visée aux articles 30/2 et 30/3, peut être supplémentairement soumise à des critères à fixer par le Gouvernement flamand pour pouvoir garantir le bon fonctionnement des acteurs de paiement privés. ".
Art. 205. In artikel 28, 7°, van hetzelfde decreet wordt het woord "transparante" vervangen door het woord "analytische".
Art. 205. Dans l'article 28, 7° du même décret, le mot " transparente " est remplacé par le mot " analytique ".
Deel 3. - Wijzigingen aan het decreet van 30 april 2004
Partie 3. - Modifications au décret du 30 avril 2004
Art. 206. In artikel 10, vijfde lid, van het decreet van 30 april 2004 betreffende de oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin wordt de eerste zin vervangen door wat volgt:
"In het kader van zijn missie als vermeld in artikel 4, § 1, en zijn kerntaken als vermeld in artikel 5, kan het agentschap de persoonsgegevens verwerken van alle toekomstige ouders en van alle pasgeboren kinderen en hun ouders die noodzakelijk zijn om de taken inzake preventieve gezinsondersteuning, vermeld in artikel 7, § 1, uit te voeren.".
Art. 206. Dans l'article 10, alinéa 5, du décret du 30 avril 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Kind en Gezin " (Enfance et Famille), la première phrase est remplacée par ce qui suit :
" Dans le cadre de sa mission, visée à l'article 4, § 1er, et de ses tâches essentielles telles que visées à l'article 5, l'agence peut traiter les données personnelles de tous les futurs parents et de tous les nouveau-nés et leurs parents qui sont nécessaires pour effectuer les tâches en matière du soutien préventif aux familles, visées à l'article 7, § 1er. ".
Deel 4. - Wijzigingen aan het decreet van 7 december 2007 houdende de oprichting van de Strategische Adviesraad voor het Vlaamse Welzijns-, Gezondheids- en Gezinsbeleid en van een Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (Kandidaat-)pleegzorgers
Partie 4. - Modifications au décret du 7 décembre 2007 portant création du Conseil consultatif stratégique pour la Politique flamande de l'Aide sociale, de la Santé et de la Famille et d'une Commission consultative pour les Structures de l'Aide sociale, de la Santé publique et de la Famille et des (Candidats-)accueillants
Art. 207. Aan artikel 12 van het decreet van 7 december 2007 houdende de oprichting van de Strategische Adviesraad voor het Vlaamse Welzijns-, Gezondheids- en Gezinsbeleid en van een Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (Kandidaat-)pleegzorgers wordt een punt 5° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"5° de vermindering of stopzetting van de subsidies voor de werkingsmiddelen of de toelagen in het kader van het gezinsbeleid voor private uitbetalingsactoren.".
Art. 207. L'article 12 du décret du 7 décembre 2007 portant création du Conseil consultatif stratégique pour la Politique flamande de l'Aide sociale, de la Santé et de la Famille et d'une Commission consultative pour les Structures de l'Aide sociale, de la Santé publique et de la Famille et des (Candidats-)Accueillants, est complété par un point 5°, rédigé comme suit :
" 5° la diminution ou la cessation des subventions pour les moyens de fonctionnement ou des allocations dans le cadre de la politique familiale pour des acteurs de paiement privés. ".
Deel 5. - Wijziging aan het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof
Partie 5. - Modification au décret du 8 juillet 2011 réglant le budget, la comptabilité, l'attribution de subventions et le contrôle de leur utilisation, et le contrôle par la Cour des Comptes
Art. 208. In artikel 4, § 1, 2°, van het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof wordt het onderdeel Extern verzelfstandigde agentschappen naar publiek recht aangevuld met de volgende gedachtestreep:
"- Vlaams Agentschap voor de Uitbetaling van Toelagen in het kader van het Gezinsbeleid.".
Art. 208. Dans l'article 4, § 1er, 2°, du décret du 8 juillet 2011 réglant le budget, la comptabilité, l'attribution de subventions et le contrôle de leur utilisation, et le contrôle par la Cour des Comptes, la partie Agences autonomisées externes de droit public est complétée par le tiret suivant :
- " Vlaams Agentschap voor de Uitbetaling van Toelagen in het kader van het Gezinsbeleid " (Agence flamande de Paiement des Allocations dans le cadre de la Politique familiale). ".
Boek 5. - Opheffings-, overgangs- en inwerkingstredingsbepalingen
Livre 5. - Dispositions abrogatoires, transitoires et d'entrée en vigueur
Deel 1. - Opheffingsbepalingen
Partie 1. - Dispositions abrogatoires
Art. 209. § 1. De kinderbijslagreglementering, vermeld in artikel 3, § 1, 26°, wordt opgeheven vanaf 1 januari 2019 voor de toekenning van gezinsbijslagen.
§ 2. De artikelen van de kinderbijslagreglementering die zijn opgenomen in boek 5, deel 2, zijn van toepassing op rechtgevende kinderen die geboren zijn vóór 1 januari 2019.
Art. 209. § 1er. La réglementation relative aux allocations familiales, visée à l'article 3, § 1er, 26°, est abrogée à partir du 1er janvier 2019 pour l'octroi d'allocations familiales.
§ 2. Les articles de la réglementation relative aux allocations familiales qui sont repris au livre 5, partie 2, s'appliquent aux enfants bénéficiaires qui sont nés avant le 1er janvier 2019.
Deel 2. - Overgangsbepalingen voor de toepassing van de gezinsbijslagen
Partie 2. - Dispositions transitoires pour l'application des allocations familiales
Titel 1. - Basisbedragen
Titre 1. - Montants de base
HOOFDSTUK 1. - Kinderbijslag
CHAPITRE 1er. - Allocations familiales
Art. 210. § 1. Een rechtgevend kind dat geboren is vóór 1 januari 2019 en voor wie het recht op kinderbijslag overeenkomstig de kinderbijslagreglementering is geopend op 31 december 2018, blijft recht geven op kinderbijslag overeenkomstig de kinderbijslagreglementering als aan de voorwaarden, vermeld in artikel 8, is voldaan.
Het bedrag van de kinderbijslag waarop het kind, vermeld in het eerste lid, recht geeft, wordt vastgesteld in paragraaf 2.
Onder de opening van het recht op kinderbijslag overeenkomstig de kinderbijslagreglementering op 31 december 2018 wordt verstaan het op dat tijdstip voldoen aan de toepassingsvoorwaarden van de kinderbijslagreglementering. Het is niet relevant of de effectieve aanvraag tot toekenning van de kinderbijslag op 31 december 2018 al effectief is ingediend.
§ 2. Een rechtgevend kind dat recht geeft op kinderbijslag overeenkomstig paragraaf 1, blijft recht geven op de kinderbijslag, zoals die bestond binnen de groepering rond de bijslagtrekkende op 31 december 2018, overeenkomstig artikel 42 van de Algemene kinderbijslagwet.
In afwijking van het eerste lid, als verschillende rechtgevende kinderen als vermeld in paragraaf 1, behoren tot de groepering rond de bijslagtrekkende, zoals die bestond op 31 december 2018, wordt het bedrag van de kinderbijslag waarop die kinderen recht geven, in aflopende wijze aangepast in functie van de leeftijd van de rechtgevende kinderen binnen die groepering. Het jongste kind krijgt daardoor de laagste kinderbijslag, het tweede jongste kind de tweede laagste kinderbijslag en het derde jongste en oudere kinderen de hoogste kinderbijslag. Die aanpassing wordt doorgevoerd vanaf 1 januari 2019.
§ 3. In afwijking van paragraaf twee, tweede lid, als één of meerdere van de kinderen binnen een groepering een rechtgevend kind is zoals bedoeld in artikel 8, § 2, 4°, wordt het bedrag waarop dit rechtgevend kind recht heeft op 31 december 2018 voor de duur van het recht behouden.
§ 4. De kinderbijslag, waarvan het bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig paragraaf 2, wordt verbonden aan het rechtgevende kind, vermeld in paragraaf 1.
Als dat rechtgevende kind niet langer recht geeft op kinderbijslag of als het kind het gezin van zijn bijslagtrekkende of begunstigden verlaat, wordt alleen de kinderbijslag die verbonden is aan dat rechtgevende kind, niet meer toegekend. De overige rechtgevende kinderen blijven, in voorkomend geval, recht geven op de kinderbijslag zoals die voor hen is bepaald overeenkomstig paragraaf 2.
Als voor het rechtgevende kind het recht op kinderbijslag na 31 december 2018 tijdelijk wordt onderbroken en het kind op een later tijdstip opnieuw recht geeft op kinderbijslag omdat het opnieuw voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 8, geeft het kind opnieuw recht op de kinderbijslag die aan het kind verbonden is, zoals die is bepaald overeenkomstig paragraaf 2.
§ 5. Als een rechtgevend kind dat kinderbijslag ontvangt overeenkomstig paragraaf 1, op 31 december 2018 geplaatst was in een instelling en vanaf of na 1 januari 2019 niet meer geplaatst is in de instelling, wijzigt de kinderbijslag, zoals die overeenkomstig de proportionele verdeelsleutel op grond van de kinderbijslagreglementering is vastgesteld op 31 december 2018. Die wijziging geldt voor elk van de rechtgevende kinderen van het gezin van het geplaatste kind die kinderbijslag ontvangen overeenkomstig paragraaf 1, zoals dat gezin het laatst bekend is.
Als een rechtgevend kind dat recht geeft op kinderbijslag overeenkomstig paragraaf 1 en dat behoort tot het gezin van een kind dat op 31 december 2018 geplaatst was in een instelling, vanaf of na 1 januari 2019 niet langer recht geeft op kinderbijslag of het gezin van de bijslagtrekkende of begunstigden verlaat, wijzigt ook de kinderbijslag voor die rechtgevende kinderen, zoals die overeenkomstig de proportionele verdeelsleutel is vastgesteld op 31 december 2018.
Als in het gezin van het rechtgevende kind dat op 31 december 2018 geplaatst was in een instelling, vanaf of na 1 januari 2019 een nieuw rechtgevend kind bij komt dat overeenkomstig paragraaf 1 recht geeft op kinderbijslag op 31 december 2018, wijzigt de kinderbijslag voor de andere rechtgevende kinderen van het gezin, zoals die overeenkomstig de proportionele verdeelsleutel was vastgesteld op 31 december 2018.
In de situaties, vermeld in het eerste, tweede en derde lid, geeft elk van de rechtgevende kinderen van het gezin van het geplaatste kind vanaf dat ogenblik recht op de kinderbijslag, zoals die voor die kinderen is vastgesteld overeenkomstig paragraaf 2, los van de plaatsing in een instelling.
Het rechtgevende kind dat er in het gezin bij komt, vermeld in het derde lid, blijft echter zijn kinderbijslag behouden, zoals die voor dat kind is vastgesteld overeenkomstig paragraaf 2.
In afwijking van het eerste lid, als het rechtgevende kind dat recht geeft op kinderbijslag overeenkomstig paragraaf 1, op 31 december 2018 geplaatst was in een instelling en als aan het kind een derde van de kinderbijslag wordt betaald op een bankrekening op zijn naam, overeenkomstig artikel 70bis, vierde lid, van de Algemene kinderbijslagwet, geeft dat kind, als het vanaf of na 1 januari 2019 niet meer geplaatst is in die instelling, na beëindiging van de plaatsing recht op de gezinsbijslagen, vermeld in boek 2, deel 1, titel 3 tot en met 5.
Art. 210. § 1er. Un enfant bénéficiaire qui est né avant le 1er janvier 2019 et pour qui le droit aux allocations familiales est ouvert le 31 décembre 2018 conformément à la réglementation relative aux allocations familiales, continue à donner droit aux allocations familiales conformément à la réglementation relative aux allocations familiales si les conditions visées à l'article 8 sont remplies.
Le montant des allocations familiales auquel l'enfant, visé à l'alinéa 1er, donne droit, est fixé au paragraphe 2.
Par ouverture du droit aux allocations familiales conformément à la réglementation relative aux allocations familiales le 31 décembre 2018, on entend le fait de répondre à ce moment-là aux conditions d'application de la réglementation relative aux allocations familiales. Il n'est pas pertinent de savoir si la demande effective d'octroi des allocations familiales est déjà effectivement introduite le 31 décembre 2018.
§ 2. Un enfant bénéficiaire qui donne droit aux allocations familiales conformément au paragraphe 1er, continue à donner droit aux allocations familiales telles qu'elles existaient dans le groupement autour de l'allocataire le 31 décembre 2018, conformément à l'article 42 de la Loi générale relative aux allocations familiales.
Par dérogation à l'alinéa 1er, si plusieurs enfants bénéficiaires tels que visés au paragraphe 1er, appartiennent au groupement autour de l'allocataire, tel qu'il existait le 31 décembre 2018, le montant des allocations familiales auquel ces enfants donnent droit, est adapté en ordre décroissant en fonction de l'âge des enfants bénéficiaires dans ce groupement. Par conséquent, l'enfant le plus jeune reçoit les allocations familiales les plus basses, le deuxième enfant le plus jeune reçoit les deuxièmes allocations familiales les plus basses, et le troisième enfant le plus jeune et les enfants plus âgés reçoivent les allocations familiales les plus élevées. Cette adaptation est effectuée à partir du 1er janvier 2019.
§ 3. Par dérogation au paragraphe 2, alinéa 2, si un ou plusieurs des enfants dans un groupement est un enfant bénéficiaire tel que visé à l'article 8, § 2, 4°, le montant auquel cet enfant bénéficiaire a droit le 31 décembre 2018 est maintenu pour la durée du droit.
§ 4. Les allocations familiales dont le montant est fixé conformément au paragraphe 2, sont liées à l'enfant bénéficiaire, visé au paragraphe 1er.
Si cet enfant bénéficiaire ne donne plus droit aux allocations familiales ou si l'enfant quitte la famille de son allocataire ou ses bénéficiaires, seules les allocations familiales liées à cet enfant bénéficiaire ne sont plus accordées. Les autres enfants bénéficiaires continuent, le cas échéant, à donner droit aux allocations familiales telles qu'elles sont fixées pour eux conformément au paragraphe 2.
Si le droit aux allocations familiales est temporairement interrompu pour l'enfant bénéficiaire après le 31 décembre 2018 et l'enfant donne à nouveau droit, à une date ultérieure, aux allocations familiales parce qu'il répond à nouveau aux conditions visées à l'article 8, l'enfant donne à nouveau droit aux allocations familiales liées à l'enfant, telles qu'elles sont fixées conformément au paragraphe 2.
§ 5. Si un enfant bénéficiaire qui reçoit des allocations familiales conformément au paragraphe 1er, était placé dans une institution le 31 décembre 2018 et n'est plus placé dans l'institution à partir du ou après le 1er janvier 2019, les allocations familiales telles qu'elles sont fixées le 31 décembre 2018 conformément à la clé de répartition proportionnelle sur la base de la réglementation relative aux allocations familiales, sont modifiées. Cette modification s'applique à chacun des enfants bénéficiaires de la famille de l'enfant placé qui reçoivent des allocations familiales conformément au paragraphe 1er, comme la famille est connue en dernier lieu.
Si un enfant bénéficiaire qui donne droit aux allocations familiales conformément au paragraphe 1er, et qui fait partie de la famille d'un enfant qui était placé dans une institution le 31 décembre 2018, ne donne plus droit aux allocations familiales ou quitte la famille de l'allocataire ou des bénéficiaire à partir du ou après le 1er janvier 2019, les allocations familiales pour ces enfants bénéficiaires, telles qu'elles sont fixées le 31 décembre 2018 conformément à la clé de répartition proportionnelle, sont également modifiées.
Si, à partir du ou après le 1er janvier 2019, un nouvel enfant bénéficiaire vient dans la famille de l'enfant bénéficiaire qui était placé dans une institution le 31 décembre 2018, qui donne droit, conformément au paragraphe 1er, aux allocations familiales le 31 décembre 2018, les allocations familiales pour les autres enfants bénéficiaires de la famille, telles qu'elles étaient fixées le 31 décembre 2018 conformément à la clé de répartition proportionnelle, sont modifiées.
Dans les situations visées aux alinéas 1er, 2 et 3, chacun des enfants bénéficiaires de la famille de l'enfant placé donne droit, à partir de ce moment-là, aux allocations familiales, telles qu'elles sont fixées pour ces enfants conformément au paragraphe 2, indépendamment du placement dans une institution.
L'enfant bénéficiaire qui vient dans la famille, visé à l'alinéa 3, continue toutefois à maintenir ses allocations familiales, telles qu'elles sont fixées pour cet enfant conformément au paragraphe 2.
Par dérogation à l'alinéa 1er, si l'enfant bénéficiaire qui donne droit aux allocations familiales conformément au paragraphe 1er, était placé dans une institution le 31 décembre 2018, et si un tiers des allocations familiales est payé à l'enfant sur un compte bancaire à son nom, conformément à l'article 70bis, alinéa 4, de la Loi générale relative aux allocations familiales, cet enfant donne droit, s'il n'est plus placé dans cette institution à partir du ou après le 1er janvier 2019, aux allocations familiales visées au livre 2, partie 1, titres 3 à 5, après la cessation du placement.
Art. 211. Een rechtgevend kind dat valt onder de toepassing van individuele en algemene afwijkingen van de kinderbijslag, die op 31 december 2018 zijn toegekend in overeenstemming met de kinderbijslagreglementering, blijft recht geven op kinderbijslag overeenkomstig artikel 210, in afwijking van artikel 8, telkens voor de duur en met naleving van de uitvoeringsregels die nader bepaald zijn door de Vlaamse Regering.
Als het kind aansluitend op het einde van de individuele of algemene afwijking recht geeft overeenkomstig artikel 8, behoudt het de bedragen die toegekend zijn overeenkomstig artikel 210.
Art. 211. Un enfant bénéficiaire qui relève de l'application de dérogations individuelles et générales aux allocations familiales, qui sont accordées le 31 décembre 2018 conformément à la réglementation relative aux allocations familiales, continue à donner droit aux allocations familiales conformément à l'article 210, par dérogation à l'article 8, chaque fois pour la durée et dans le respect des règles d'exécution arrêtées par le Gouvernement flamand.
Si l'enfant donne droit, suite à la fin de la dérogation individuelle ou générale, conformément à l'article 8, il maintient les montants qui sont accordés conformément à l'article 210.
HOOFDSTUK 2. - Leeftijdsbijslag
CHAPITRE 2. - Supplément d'âge
Art. 212. § 1. Een rechtgevend kind dat recht geeft op kinderbijslag als vermeld in artikel 210, § 1, zal recht geven op de maandelijkse leeftijdsbijslag, vermeld in artikel 44, § 2, van de Algemene kinderbijslagwet, namelijk:
1° 31,99 euro voor een rechtgevend kind van minstens zes jaar;
2° 48,88 euro voor een rechtgevend kind van minstens twaalf jaar;
3° 62,15 euro voor een rechtgevend kind van minstens achttien jaar.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 geeft een oudste rechtgevend kind, [1 waarvoor een bijslagtrekkende of begunstigden, aan wie kinderbijslag wordt [2 toegekend]2 voor een rechtgevend kind dat recht geeft op kinderbijslag van 92,09 euro, de gezinsbijslagen ontvangen]1, recht op de maandelijkse leeftijdsbijslag, vermeld in artikel 44, § 1, van de Algemene kinderbijslagwet, namelijk:
1° 16,04 euro voor een rechtgevend kind van minstens zes jaar;
2° 24,43 euro voor een rechtgevend kind van minstens twaalf jaar;
3° 28,16 euro voor een rechtgevend kind van minstens achttien jaar.
§ 3. Als het oudste rechtgevende kind, vermeld in paragraaf 2, niet langer recht geeft op kinderbijslag als vermeld in artikel 210, § 1, krijgt het volgende oudste rechtgevende kind van [1 de bijslagtrekkende of begunstigden waarvan sprake in paragraaf 2]1, dat recht geeft op kinderbijslag als vermeld in artikel 210, § 1, de leeftijdsbijslag, vermeld in paragraaf 2, in plaats van de leeftijdsbijslag, vermeld in paragraaf 1.
Als het oudste rechtgevende kind, vermeld in paragraaf 2, na een onderbreking opnieuw recht geeft op de kinderbijslag, vermeld in artikel 210, § 1, zal dat kind opnieuw recht hebben op de maandelijkse leeftijdsbijslag overeenkomstig paragraaf 2. Het tweede oudste rechtgevende kind, vermeld in het vorige lid, krijgt opnieuw de leeftijdsbijslag, vermeld in paragraaf 1.
§ 4. In afwijking van paragraaf 2 geeft het oudste rechtgevende kind, vermeld in paragraaf 2, recht op de maandelijkse leeftijdsbijslag, vermeld in paragraaf 1, als dat kind recht geeft op een sociale toeslag als vermeld in artikel 222, of op de zorgtoeslag, vermeld in artikel 218. Het kind blijft vervolgens verder recht geven op de maandelijkse leeftijdsbijslag overeenkomstig paragraaf 1.
Art. 212. § 1er. Un enfant bénéficiaire qui donne droit aux allocations familiales telles que visées à l'article 210, § 1er, donnera droit au supplément d'âge mensuel, visé à l'article 44, § 2, de la Loi générale relative aux allocations familiales, à savoir :
1° 31,99 euros pour un enfant bénéficiaire de 6 ans au moins ;
2° 48,88 euros pour un enfant bénéficiaire de 12 ans au moins ;
3° 62,15 euros pour un enfant bénéficiaire de 18 ans au moins.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, un enfant bénéficiaire aîné [1 pour lequel l'allocataire ou les bénéficiaires à qui des allocations familiales sont [2 accordées]2 pour un enfant bénéficiaire ouvrant le droit à des allocations familiales de 92,09 euros, perçoivent les prestations familiales,]1 donne droit au supplément d'âge mensuel, visé à l'article 44, § 1er, de la Loi générale relative aux allocations familiales, à savoir :
1° 16,04 euros pour un enfant bénéficiaire de 6 ans au moins ;
2° 24,43 euros pour un enfant bénéficiaire de 12 ans au moins ;
3° 28,16 euros pour un enfant bénéficiaire de 18 ans au moins.
§ 3. Si l'enfant bénéficiaire aîné, visé au paragraphe 2, ne donne plus droit aux allocations familiales telles que visées à l'article 210, § 1er, le suivant enfant bénéficiaire aîné [1 de l'allocataire ou des bénéficiaires dont il est question au paragraphe 2]1, qui donne droit aux allocations familiales telles que visées à l'article 210, § 1er, reçoit le supplément d'âge, visé au paragraphe 2, au lieu du supplément d'âge, visé au paragraphe 1er.
Si l'enfant bénéficiaire aîné, visé au paragraphe 2, donne à nouveau droit, après une interruption, aux allocations familiales visées à l'article 210, § 1er, cet enfant aura à nouveau droit au supplément d'âge mensuel conformément au paragraphe 2. Le deuxième enfant bénéficiaire aîné, visé à l'alinéa précédent, reçoit à nouveau le supplément d'âge, visé au paragraphe 1er.
§ 4. Par dérogation au paragraphe 2, l'enfant bénéficiaire aîné, visé au paragraphe 2, donne droit au supplément d'âge mensuel, visé au paragraphe 1er, si cet enfant donne droit à un supplément social tel que visé à l'article 222, ou à l'allocation de soins, visée à l'article 218. Ensuite, l'enfant continue à donner droit au supplément d'âge mensuel conformément au paragraphe 1er.
Art. 213. In afwijking van artikel 212 geeft het rechtgevende kind, vermeld in artikel 8, § 2, eerste lid, 4°, dat op 31 december 2018 recht had op de leeftijdsbijslag, vermeld in artikel 44bis van de Algemene kinderbijslagwet, recht op de leeftijdsbijslag van 53,94 euro. Als het kind, vermeld in dit artikel, recht geeft op de verhoogde eenoudertoeslag bij de sociale toeslagen, vermeld in artikel 41, eerste en tweede streepje, van de Algemene kinderbijslagwet, geeft het kind recht op de maandelijkse leeftijdsbijslag, vermeld in artikel 212, § 1, 3°.
Art. 213. Par dérogation à l'article 212, l'enfant bénéficiaire visé à l'article 8, § 2, alinéa 1er, 4°, qui avait droit, le 31 décembre 2018, au supplément d'âge visé à l'article 44bis de la Loi générale relative aux allocations familiales, donne droit au supplément d'âge de 53,94 euros. Si l'enfant visé au présent article, donne droit au supplément monoparental pour les suppléments sociaux, visés à l'article 41, premier et deuxième tirets, de la Loi générale relative aux allocations familiales, l'enfant donne droit au supplément d'âge mensuel, visé à l'article 212, § 1er, 3°.
Titel 2. - Kinderbijslag voor wezen
Titre 2. - Allocations familiales pour orphelins
Art. 214. § 1. Het rechtgevende kind dat geboren is vóór 1 januari 2019, dat wees is en aan wie op grond van de kinderbijslagreglementering een verhoogde kinderbijslag voor wezen is toegekend op 31 december 2018, blijft recht geven op de maandelijkse verhoogde kinderbijslag voor wezen van 353,76 euro.
§ 2. Het kind, vermeld in paragraaf 1, geeft echter geen recht meer op die verhoogde kinderbijslag voor wezen als de overlevende ouder vanaf of na 1 januari 2019 een gezin vormt met een persoon die geen bloed- of aanverwant is tot en met de derde graad.
Het kind geeft vanaf de eerste maand nadat het nieuwe gezin is gevormd, recht op het bedrag van de gewone wezenbijslag overeenkomstig artikel 56bis, § 2, van de Algemene kinderbijslagwet.
In afwijking van het tweede lid, als verschillende rechtgevende kinderen als vermeld in paragraaf 1, behoren tot de groepering rond de bijslagtrekkende op 31 december 2018, wordt het bedrag van de gewone wezenbijslag waarop die kinderen recht geven, aflopend aangepast in functie van de leeftijd die de rechtgevende kinderen binnen de groepering innemen. Het jongste kind krijgt daardoor altijd de laagste gewone wezenbijslag, het tweede jongste kind de tweede laagste gewone wezenbijslag en het derde jongste en alle oudere kinderen de hoogste gewone wezenbijslag. De bedragen van de gewone wezenbijslag worden verbonden aan het rechtgevende kind op de wijze, vermeld in artikel 210, § 4.
In afwijking van het tweede lid en van artikel 210, § 2, als verschillende rechtgevende kinderen als vermeld in paragraaf 1, behoren tot de groepering rond de bijslagtrekkende op 31 december 2018 alsook kinderen die recht geven op kinderbijslag overeenkomstig artikel 210, § 1, wordt het bedrag van de gewone wezenbijslag én van deze kinderbijslag, aflopend gezamenlijk aangepast in functie van de leeftijd die de rechtgevende kinderen binnen de groepering innemen.
Het jongste kind krijgt daardoor altijd de laagste gewone wezenbijslag of kinderbijslag, het tweede jongste kind de tweede laagste gewone wezenbijslag of kinderbijslag en het derde jongste en oudere kinderen de hoogste gewone wezenbijslag of kinderbijslag. Dit is enkel van toepassing op kinderen uit de groepering op 31 december 2018 die gewone kinderbijslag ontvangen en zich nog steeds in het gezin van een betrokken wees bevinden.
De bedragen van de gewone wezenbijslag en van de kinderbijslag worden verbonden aan het rechtgevende kind op de wijze, vermeld in artikel 210, § 4.
Op een kind dat gewone wezenbijslag of kinderbijslag ontvangt overeenkomstig deze paragraaf en geplaatst is in een instelling op 31 december 2018 of behoort tot een gezin van een kind dat op 31 december 2018 geplaatst was in een instelling, is artikel 210, § 5, van toepassing.
In afwijking van het eerste lid is de gewone wezenbijslag niet van toepassing op het rechtgevende kind als het kind door de overlevende ouder is verlaten. De Vlaamse Regering bepaalt onder welke voorwaarden de wees als verlaten wordt beschouwd.
§ 3. Het kind, vermeld in paragraaf 2, dat recht geeft op een gewone wezenbijslag, geeft opnieuw recht op een verhoogde kinderbijslag voor wezen als de overlevende ouder vanaf of na 1 januari 2019 overlijdt of als de overlevende ouder vanaf of na 1 januari 2019 geen gezin meer vormt met een persoon die geen bloed- of aanverwant is tot en met de derde graad, vanaf de maand na deze gebeurtenis.
Art. 214. § 1er. L'enfant bénéficiaire qui est né avant le 1er janvier 2019, qui est orphelin et à qui une allocation familiale majorée pour orphelins est accordée le 31 décembre 2018 sur la base de la réglementation relative aux allocations familiales, continue à donner droit à l'allocation familiale majorée mensuelle pour orphelins de 353,76 euros.
§ 2. L'enfant, visé au paragraphe 1er, ne donne toutefois plus droit à cette allocation familiale majorée pour orphelins si le parent survivant constitue une famille, à partir du ou après le 1er janvier 2019, avec une personne qui n'est pas de parent ou allié jusqu'au troisième degré.
A partir du premier mois après la constitution de la nouvelle famille, l'enfant donne droit au montant des allocations d'orphelin ordinaires conformément à l'article 56bis, § 2, de la Loi générale relative aux allocations familiales.
Par dérogation à l'alinéa 2, si plusieurs enfants bénéficiaires tels que visés au paragraphe 1er, appartiennent au groupement autour de l'allocataire le 31 décembre 2018, le montant des allocations d'orphelin ordinaires auquel ces enfants donnent droit, est adapté en ordre décroissant en fonction de l'âge des enfants bénéficiaires dans ce groupement. Par conséquent, l'enfant le plus jeune reçoit toujours les allocations d'orphelin ordinaires les plus basses, le deuxième enfant le plus jeune reçoit les deuxièmes allocations d'orphelin ordinaires les plus basses, et le troisième enfant le plus jeune et tous les enfants plus âgés reçoivent les allocations d'orphelin ordinaires les plus élevées. Les montants des allocations d'orphelin ordinaires sont liés à l'enfant bénéficiaire de la manière, visée à l'article 210, § 4.
Par dérogation à l'alinéa 2 et à l'article 210, § 2, si plusieurs enfants bénéficiaires tels que visés au paragraphe 1er, appartiennent au groupement autour de l'allocataire le 31 décembre 2018, ainsi que des enfants donnant droit aux allocations familiales conformément à l'article 210, § 1er, le montant des allocations d'orphelin ordinaires et de ces allocations familiales, est conjointement adapté en ordre décroissant en fonction de l'âge des enfants bénéficiaires dans ce groupement.
Par conséquent, l'enfant le plus jeune reçoit toujours les allocations d'orphelin ordinaires ou allocations familiales les plus basses, le deuxième enfant le plus jeune reçoit les deuxièmes allocations d'orphelin ordinaires ou allocations familiales les plus basses, et le troisième enfant le plus jeune et tous les enfants plus âgés reçoivent les allocations d'orphelin ordinaires ou allocations familiales les plus élevées. Cette disposition s'applique uniquement aux enfants du groupement le 31 décembre 2018 qui reçoivent des allocations familiales ordinaires et se trouvent toujours dans la famille d'un orphelin concerné.
Les montants des allocations d'orphelin ordinaires et des allocations familiales sont liés à l'enfant bénéficiaire de la manière, visée à l'article 210, § 4.
L'article 210, § 5, s'applique à l'enfant qui reçoit des allocations d'orphelin ordinaires ou des allocations familiales conformément au présent paragraphe et est placé dans une institution le 31 décembre 2018 ou fait partie d'une famille d'un enfant qui était placé dans une institution le 31 décembre 2018.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les allocations d'orphelin ordinaires ne s'appliquent pas à l'enfant bénéficiaire si l'enfant est abandonné par le parent survivant. Le Gouvernement flamand arrête les conditions auxquelles l'orphelin est considéré comme abandonné.
§ 3. L'enfant, visé au paragraphe 2, qui donne droit aux allocations d'orphelin ordinaires, donne à nouveau droit à une allocation familiale majorée pour orphelins si le parent survivant décède à partir du ou après le 1er janvier 2019 ou si le parent survivant ne constitue plus de famille, à partir du ou après le 1er janvier 2019, avec une personne qui n'est pas de parent ou allié jusqu'au troisième degré, à partir du mois suivant cet évènement.
Art. 215. § 1. Een rechtgevend kind dat geboren is vóór 1 januari 2019, dat op 31 december 2018 wees is omdat een van zijn ouders vóór 1 januari 2019 is overleden en voor wie op 31 december 2018 een recht op de gewone wezenbijslag is toegekend als vermeld in artikel 56bis, § 2, van de Algemene kinderbijslagwet, behoudt de gewone wezenbijslag.
In afwijking van het eerste lid en artikel 210, § 2, als verschillende rechtgevende kinderen als vermeld in het eerste lid, behoren tot de groepering rond de bijslagtrekkende op 31 december 2018, wordt het bedrag van de gewone wezenbijslag waarop die kinderen recht geven, en in gebeurlijk geval de kinderbijslag waarop andere kinderen binnen die groepering overeenkomstig artikel 210, § 1, recht hebben, aflopend aangepast in functie van de leeftijd die de kinderen binnen de groepering hebben. Het jongste kind krijgt daardoor altijd de laagste gewone wezenbijslag of kinderbijslag, het tweede jongste kind de tweede laagste gewone wezenbijslag of kinderbijslag en het derde jongste en oudere kinderen de hoogste gewone wezenbijslag of kinderbijslag. De bedragen van de gewone wezenbijslag, en in gebeurlijk geval van de kinderbijslag, worden verbonden aan het rechtgevende kind op de wijze, vermeld in artikel 210, § 4.
Op een kind dat gewone wezenbijslag, of in gebeurlijk geval de kinderbijslag, ontvangt overeenkomstig deze paragraaf en geplaatst is in een instelling op 31 december 2018 of behoort tot een gezin van een kind dat op 31 december 2018 geplaatst was in een instelling, is artikel 210, § 5, van toepassing.
§ 2. Het kind, vermeld in paragraaf 1, dat recht geeft op gewone wezenbijslag geeft wel recht op een verhoogde kinderbijslag voor wezen als vermeld in artikel 56bis, § 1, juncto artikel 50bis van de Algemene kinderbijslagwet en artikel 8, § 1, 2°, van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot uitvoering van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van de gewaarborgde gezinsbijslag, als de overlevende ouder vanaf of na 1 januari 2019 overlijdt, als de overlevende ouder het kind heeft verlaten, of als de overlevende ouder vanaf of na 1 januari 2019 geen gezin meer vormt met een persoon die geen bloed- of aanverwant is tot en met de derde graad, vanaf de maand volgend op deze gebeurtenis.
Als de overlevende ouder op een later tijdstip echter opnieuw een gezin vormt met een persoon die geen bloed- of aanverwant is tot en met de derde graad, geeft het kind opnieuw recht op de gewone wezenbijslag, vermeld in paragraaf 1, vanaf de maand volgend op deze gebeurtenis.
Art. 215. § 1er. Un enfant bénéficiaire qui est né avant le 1er janvier 2019, qui est orphelin le 31 décembre 2018 parce qu'un de ses parents est décédé avant le 1er janvier 2019 et pour qui un droit aux allocations d'orphelin ordinaires est accordé tel que visé à l'article 56bis, § 2, de la Loi générale relative aux allocations familiales, maintient les allocations d'orphelin ordinaires.
Par dérogation à l'alinéa 1er et l'article 210, § 2, si plusieurs enfants bénéficiaires tels que visés à l'alinéa 1er, appartiennent au groupement autour de l'allocataire le 31 décembre 2018, le montant des allocations d'orphelin ordinaires auquel ces enfants donnent droit, et le cas échéant, les allocations familiales auxquelles d'autres enfants dans ce groupement ont droit conformément à l'article 210, § 1er, est adapté en ordre décroissant en fonction de l'âge des enfants bénéficiaires dans ce groupement. Par conséquent, l'enfant le plus jeune reçoit toujours les allocations d'orphelin ordinaires ou allocations familiales les plus basses, le deuxième enfant le plus jeune reçoit les deuxièmes allocations d'orphelin ordinaires ou allocations familiales les plus basses, et le troisième enfant le plus jeune et tous les enfants plus âgés reçoivent les allocations d'orphelin ordinaires ou allocations familiales les plus élevées. Les montants des allocations d'orphelin ordinaires et, le cas échéant, des allocations familiales sont liés à l'enfant bénéficiaire de la manière, visée à l'article 210, § 4.
L'article 210, § 5, s'applique à l'enfant qui reçoit des allocations d'orphelin ordinaires ou, le cas échéant, des allocations familiales conformément au présent paragraphe et est placé dans une institution le 31 décembre 2018 ou fait partie d'une famille d'un enfant qui était placé dans une institution le 31 décembre 2018.
§ 2. L'enfant, visé au paragraphe 1er, qui donne droit aux allocations d'orphelin ordinaires, donne effectivement droit à une allocation familiale majorée pour orphelins telle que visée à l'article 56bis, § 1er, en combinaison avec l'article 50bis de la Loi générale relative aux allocations familiales, et l'article 8, § 1er, 2°, de l'arrêté royal du 25 octobre 1971 portant exécution de la loi du 20 juillet 1971 instituant des prestations familiales garanties, si le parent survivant décède à partir du ou après le 1er janvier 2019, si le parent survivant a abandonné l'enfant, ou si le parent survivant ne constitue plus de famille, à partir du ou après le 1er janvier 2019, avec une personne qui n'est pas de parent ou allié jusqu'au troisième degré, à partir du mois suivant cet évènement.
Si le parent survivant constitue toutefois, à une date ultérieure, à nouveau une famille avec une personne qui n'est pas de parent ou allié jusqu'au troisième degré, l'enfant donne à nouveau droit aux allocations d'orphelin ordinaires, visées au paragraphe 1er, à partir du mois suivant cet évènement.
Art. 216. Een rechtgevend kind dat geboren is vóór 1 januari 2019, dat recht geeft op kinderbijslag als vermeld in artikel 210, § 1, en dat vanaf of na 1 januari 2019 wees wordt, geeft vanaf dat ogenblik recht op de gezinsbijslagen, vermeld in boek 2, deel 1, titels 3 tot en met 5, waaronder de wezentoeslag, vermeld in artikel 15.
[1 § 2. Paragraaf 1 is niet van toepassing als voor de rechtgevende kinderen in het gezin van een begunstigde door toepassing van paragraaf 1 het bedrag dat overeenstemt met het basisbedrag, vermeld in artikel 13, en de wezentoeslag, vermeld in artikel 15, voor de voormelde kinderen samen lager is dan het basisbedrag, vermeld in artikel 210, § 1, en de leeftijdsbijslag, vermeld in artikel 212 en 213, zoals ze zijn toegekend voor de voormelde kinderen in de maand voor de maand waarin de voormelde kinderen wees zijn geworden.
In geval van toepassing van het eerste lid geven de rechtgevende kinderen in het gezin van de begunstigde nadat de voormelde kinderen wees zijn geworden, samen recht op het bedrag dat overeenstemt met het basisbedrag, vermeld in artikel 210, § 1, en de leeftijdsbijslag, vermeld in artikel 212 en 213, zoals ze zijn toegekend voor de voormelde kinderen in de maand voor de maand waarin de voormelde kinderen wees zijn geworden.
§ 3. De rechtgevende kinderen, vermeld in paragraaf 2, geven wel recht op de gezinsbijslagen conform paragraaf 1 als een van de weeskinderen in kwestie niet langer recht geeft op gezinsbijslagen binnen het gezin van de begunstigde.]1

Art. 216. [1 § 1.]1 Un enfant bénéficiaire qui est né avant le 1er janvier 2019, qui a droit aux allocations familiales telles que visées à l'article 210, § 1er, et qui, à partir du ou après le 1er janvier 2019, devient orphelin, donne droit aux allocations familiales visées au livre 2, partie 1, titres 3 à 5, y compris les allocations d'orphelin, visées à l'article 15.
[1 " § 2. Le paragraphe 1er ne s'applique pas si, pour les enfants bénéficiaires du ménage d'un bénéficiaire, par application du paragraphe 1er, le montant correspondant au montant de base visé à l'article 13, et à l'allocation d'orphelin visée à l'article 15 est inférieur, pour les enfants précités réunis, au montant de base visé à l'article 210, § 1er, et au supplément d'âge visé aux articles 212 et 213, tels qu'ils ont été octroyés pour les enfants précités durant le mois qui précède celui au cours duquel les enfants précités sont devenus orphelins.
En cas d'application de l'alinéa premier, les enfants bénéficiaires du ménage du bénéficiaire ouvrent conjointement le droit, après que les enfants précités sont devenus orphelins, au montant correspondant au montant de base visé à l'article 210, § 1er, et au supplément d'âge visé aux articles 212 et 213, tels qu'ils ont été octroyés pour les enfants précités durant le mois qui précède celui au cours duquel les enfants précités sont devenus orphelins.
§ 3. Les enfants bénéficiaires visés au paragraphe 2 ouvrent bel et bien le droit aux allocations familiales conformément au paragraphe 1er si l'un des orphelins en question n'ouvre plus le droit aux allocations familiales au sein du ménage du bénéficiaire. ]1

Art. 217. Het rechtgevende kind dat de verhoogde kinderbijslag voor wezen ontvangt overeenkomstig deze titel, geeft recht op de maandelijkse leeftijdsbijslagen, vermeld in artikel 212, § 1.
Het rechtgevende kind dat de gewone kinderbijslag voor wezen ontvangt overeenkomstig deze titel, geeft recht op de maandelijkse leeftijdsbijslagen, vermeld in artikel 212.
Art. 217. L'enfant bénéficiaire qui reçoit l'allocation familiale majorée pour orphelins conformément au présent titre, donne droit aux suppléments d'âge mensuels, visés à l'article 212, § 1er.
L'enfant bénéficiaire qui reçoit les allocations d'orphelin ordinaires conformément au présent titre, donne droit aux suppléments d'âge mensuels, visés à l'article 212.
Titel 3. - Zorgtoeslagen
Titre 3. - Allocations de soins
HOOFDSTUK 1. - Zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte
CHAPITRE 1er. - Allocation de soins pour les enfants ayant des besoins de soutien spécifiques
Art. 218. Een rechtgevend kind dat een specifieke ondersteuningsbehoefte heeft die voortvloeit uit een aandoening die gevolgen heeft voor hemzelf op het vlak van lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid of op het vlak van activiteit en participatie, of voor zijn familiale omgeving, vermeld in artikel 16, § 1, eerste lid, geeft recht op de vermelde zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte, vermeld in artikel 16, § 1, tweede lid, naargelang de ernst van de ondersteuningsbehoefte, onder de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt.
Als de toekenning van de toeslag, vermeld in het eerste lid, het gevolg is van een weigering van behandeling, wordt de toeslag niet toegekend. De Vlaamse Regering bepaalt door wie en volgens welke regels de weigering van behandeling wordt vastgesteld.
Art. 218. Un enfant bénéficiaire qui a un besoin de soutien spécifique qui résulte d'une affection qui a des conséquences pour lui-même, au niveau d'une incapacité physique ou mentale, ou au niveau de l'activité et de la participation, visé à l'article 16, § 1er, alinéa 1er, donne droit à l'allocation de soins majorée pour les enfants ayant un besoin de soutien spécifique, visée à l'article 16, § 1er, alinéa 2, selon la gravité du besoin de soutien spécifique, aux conditions fixées par le Gouvernement flamand.
Si l'octroi de l'allocation, visée à l'alinéa 1er, résulte d'un refus de traitement, l'allocation n'est pas accordée. Le Gouvernement flamand détermine qui établit le refus de traitement, et selon quelles règles.
HOOFDSTUK 2. - Pleegzorgtoeslag
CHAPITRE 2. - Allocation de placement familial
Art. 219. Een rechtgevend kind dat recht geeft op kinderbijslag als vermeld in artikel 210, § 1, of dat recht geeft op kinderbijslag voor wezen overeenkomstig titel 2, en dat vóór 1 januari 2019 geplaatst is bij een particulier door bemiddeling van of ten laste van een overheidsinstantie, blijft recht geven op een forfaitaire pleegzorgbijslag van 61,79 euro zolang er geen wijziging in de plaatsing in het pleeggezin plaatsvindt.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels wanneer de oorspronkelijke begunstigde niet langer regelmatig contact onderhoudt met of belangstelling toont voor het kind, overeenkomstig de toepassing van artikel 70ter van de Algemene kinderbijslagwet.
Art. 219. Un enfant bénéficiaire qui donne droit aux allocations familiales telles que visées à l'article 210, § 1er, ou qui donne droit aux allocations d'orphelin conformément au titre 2, et qui est placé, avant le 1er janvier 2019, auprès d'une personne privée par l'intermédiaire ou à charge d'une autorité publique, continue à donner droit à une allocation forfaitaire de placement familial de 61,79 euros tant que le placement dans la famille d'accueil n'est pas modifié.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités lorsque le bénéficiaire initial ne maintient plus régulièrement des contact avec l'enfant ou ne lui porte plus intérêt, conformément à l'application de l'article 70ter de la Loi générale relative aux allocations familiales.
Art. 220. Een rechtgevend kind dat recht geeft op kinderbijslag als vermeld in artikel 210, § 1, of dat recht geeft op kinderbijslag voor wezen, overeenkomstig titel 2, en dat vanaf of na 1 januari 2019 geplaatst of herplaatst wordt door bemiddeling of ten laste van een openbare overheid in een pleeggezin, respectievelijk in een nieuw pleeggezin als vermeld in artikel 2, 12°, van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg, geeft recht op de pleegzorgtoeslag, vermeld in artikel 17.
Art. 220. Un enfant bénéficiaire qui donne droit aux allocations familiales telles que visées à l'article 210, § 1er, ou qui donne droit aux allocations pour orphelin, conformément au titre 2, et qui, à partir du ou après le 1er janvier 2019, est placé ou replacé par l'intermédiaire ou à charge d'une autorité publique, dans une famille d'accueil, respectivement dans une nouvelle famille d'accueil telle que visée à l'article 2, 12°, du décret du 29 juin 2012 portant organisation du placement familial, donne droit à l'allocation de placement familial, visée à l'article 17.
HOOFDSTUK 3. - Forfaitaire bijslag voor een kind dat in een instelling geplaatst is
CHAPITRE 3. - Allocation forfaitaire pour un enfant placé dans une institution
Art. 221. Een rechtgevend kind dat op 31 december 2018 recht gaf op een forfaitaire bijzondere bijslag overeenkomstig artikel 10, § 3, van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag, blijft recht geven op de forfaitaire bijzondere bijslag, namelijk 61,79 euro, zolang er geen wijziging in de plaatsing plaatsvindt.
Art. 221. Un enfant bénéficiaire qui donnait droit, le 31 décembre 2018, à une allocation spéciale forfaitaire conformément à l'article 10, § 3, de la loi du 20 juillet 1971 instituant des prestations familiales garanties, continue à donner droit à l'allocation spéciale forfaitaire, à savoir 61,79 euros, tant que le placement n'est pas modifié.
Titel 4. - Sociale toeslagen
Titre 4. - Suppléments sociaux
Art. 222. § 1. Een rechtgevend kind dat recht geeft op kinderbijslag als vermeld in artikel 210, § 1, of dat recht geeft op de gewone wezenbijslag, vermeld in titel 2, kan recht geven op een maandelijkse sociale toeslag als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 18, tweede lid, 1° en 2°.
Een rechtgevend kind dat recht geeft op kinderbijslag als vermeld in artikel 210, § 1, of dat recht geeft op de gewone wezenbijslag, vermeld in titel 2, kan recht geven op een maandelijkse sociale toeslag als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 18, tweede lid, 3°, op voorwaarde dat er in het gezin van zijn bijslagtrekkende of begunstigden een derde of volgend rechtgevend kind bij komt vanaf 1 januari 2019, dat recht geeft op de gezinsbijslagen, vermeld in boek 2, deel 1, titel 3 tot en met 5.
Het bedrag van de toeslag, vermeld in het eerste en tweede lid, [2 ...]2 bedraagt:
[2 60,74]2 euro voor het rechtgevende kind dat recht geeft op kinderbijslag van 92,09 euro;
[2 42,92]2 euro voor het rechtgevende kind dat recht geeft op kinderbijslag van 170,39 euro;
[2 18,96]2 euro voor het rechtgevende kind dat recht geeft op kinderbijslag van 254,40 euro.
[1 Een rechtgevend kind dat recht geeft op kinderbijslag als vermeld in artikel 210, § 1, of dat recht geeft op de gewone wezenbijslag, vermeld in titel 2, kan recht geven op een maandelijkse sociale toeslag van 32,33 euro als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 18, tweede lid, 1/1°.]1
§ 2. Het bedrag van de toeslag, vermeld in paragraaf 1, derde lid, 1°, wordt verhoogd tot [2 114,72]2 euro voor het betrokken rechtgevende kind, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, als de bijslagtrekkende of de begunstigden van de kinderbijslag voor dat rechtgevende kind in aanmerking komt of komen voor de toeslag voor langdurig zieken en arbeidsongeschikten en mindervaliden, vermeld in artikel 50ter juncto artikel 56, § 2, artikel 56quinquies, § 1, en artikel 57, eerste lid, van de Algemene kinderbijslagwet.
De Vlaamse Regering breidt de toepassing van het eerste lid uit tot andere personen dan de bijslagtrekkende of begunstigden, op voorwaarde dat die andere personen een gezin vormen met het rechtgevende kind.
Het bedrag van de toeslag, vermeld in paragraaf 1, derde lid, 1°, wordt ook verhoogd tot [2 114,72]2 euro voor het betrokken rechtgevende kind, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, als de bijslagtrekkende of begunstigde van de kinderbijslag voor dat rechtgevende kind in aanmerking komt voor een toeslag voor een persoon die een overlevingsuitkering geniet, waarbij is voldaan aan de vereiste, vermeld in artikel 56quater, vierde lid, van de Algemene kinderbijslagwet.
Het bedrag van de toeslag, vermeld in paragraaf 1, derde lid, 1°, wordt ook verhoogd tot [2 114,72]2 euro voor het betrokken rechtgevende kind, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, als dat kind, met toepassing van artikel 56septies van de Algemene kinderbijslagwet, op 31 december 2018 de toeslag, vermeld in artikel 50ter van de Algemene kinderbijslagwet, ontving. Het betrokken rechtgevende kind blijft recht houden op die toeslag zolang dat kind het gezin van de natuurlijke persoon die op 31 december 2018 ten minste zes maanden minstens 66 percent arbeidsongeschikt was, niet verlaat.
De Vlaamse Regering kan de nadere uitvoeringsbepalingen voor deze paragraaf vaststellen.
§ 3. Het bedrag van de toeslag, vermeld in paragraaf 1, derde lid, 3°, wordt verhoogd tot [2 37,29]2 euro voor de betrokken kinderen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, als de bijslagtrekkende of begunstigde van de kinderbijslag voor die rechtgevende kinderen in aanmerking komt voor de toeslag voor eenoudergezinnen, vermeld in artikel 41 van de Algemene kinderbijslagwet.
De Vlaamse Regering kan nadere uitvoeringsbepalingen voor deze paragraaf vaststellen.
§ 4. Voor de toepassing van dit artikel wordt het alleenwonende rechtgevende kind als een gezin aangezien.
Art. 222. § 1er. Un enfant bénéficiaire qui donne droit aux allocations familiales telles que visées à l'article 210, § 1er, ou qui donne droit aux allocations d'orphelin ordinaires, visées au titre 2, peut donner droit à un supplément social mensuel si les conditions visées à l'article 18, alinéa 2, 1° et 2°, sont remplies.
Un enfant bénéficiaire qui donne droit aux allocations familiales telles que visées à l'article 210, § 1er, ou qui donne droit aux allocations d'orphelin ordinaires, visées au titre 2, peut donner droit à un supplément social mensuel si les conditions visées à l'article 18, alinéa 2, 3°, sont remplies, à condition qu'un troisième enfant bénéficiaire ou un enfant bénéficiaire suivant vient dans la famille de son allocataire ou ses bénéficiaires à partir du 1er janvier 2019, qui donne droit aux allocations familiales visées au livre 2, partie 1, titres 3 à 5 inclus.
Le montant du supplément, visé aux alinéas 1er et 2, [2 ...]2 s'élève à :
[2 60,74]2 euros pour l'enfant bénéficiaire donnant droit à l'allocation familiale de 92,09 euros ;
[2 42,92]2 euros pour l'enfant bénéficiaire donnant droit à l'allocation familiale de 170,39 euros ;
[2 18,96]2 euros pour l'enfant bénéficiaire donnant droit à l'allocation familiale de 254,40 euros.
[1 Un enfant bénéficiaire donnant droit aux allocations familiales telles que visées à l'article 210, § 1er, ou donnant droit aux allocations d'orphelin ordinaires, visées au titre 2, peut donner droit à un supplément social mensuel de 32,33 euros si les conditions visées à l'article 18, alinéa 2, 1/1°, sont remplies.]1
§ 2. Le montant du supplément, visé au paragraphe 1er, alinéa 3, 1°, est majoré à [2 114,72]2 euros pour l'enfant bénéficiaire concerné, visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, si l'allocataire ou les bénéficiaires des allocations familiales pour cet enfant bénéficiaire est ou sont éligibles au supplément pour malades de longue durée, travailleurs invalides et personnes handicapées, visés à l'article 50ter en combinaison avec l'article 56, § 2, l'article 56quinquies, § 1er, et l'article 57, alinéa 1er, de la Loi générale relative aux allocations familiales.
Le Gouvernement flamand étend l'application de l'alinéa 1er à d'autres personnes que l'allocataire ou les bénéficiaires, à condition que ces autres personnes constituent une famille avec l'enfant bénéficiaire.
Le montant du supplément, visé au paragraphe 1er, alinéa 3, 1°, est majoré à [2 114,72]2 euros pour l'enfant bénéficiaire concerné, visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, si l'allocataire ou le bénéficiaire des allocations familiales pour cet enfant bénéficiaire est éligible à l'allocation pour une personne bénéficiant d'une prestation de survie, où l'exigence, visée à l'article 56quater, alinéa 4, de la Loi générale relative aux allocations familiales, est remplie.
Le montant du supplément, visé au paragraphe 1er, alinéa 3, 1°, est également majoré à [2 114,72]2 euros pour l'enfant bénéficiaire concerné, visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, si cet enfant bénéficiait au 31 décembre 2018 de l'allocation visée à l'article 50ter de la Loi générale relative aux allocations familiales, en application de l'article 56septies de la Loi générale relative aux allocations familiales. L'enfant bénéficiaire concerné maintient le droit à cette allocation tant que l'enfant ne quitte pas la famille de la personne physique qui était atteinte, au 31 décembre 2018, d'une incapacité de travail d'au moins 66 % depuis au moins six mois.
Le Gouvernement flamand peut arrêter les dispositions d'exécution de ce paragraphe.
§ 3. Le montant du supplément, visé au paragraphe 1er, alinéa 3, 3°, est majoré à [2 37,29]2 euros pour les enfants concernés, visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, si l'allocataire ou le bénéficiaire des allocations familiales pour ces enfants bénéficiaires est éligible à l'allocation pour des familles monoparentales, visée à l'article 41 de la Loi générale relative aux allocations familiales.
Le Gouvernement flamand peut arrêter les dispositions d'exécution de ce paragraphe.
§ 4. Pour l'application du présent article, l'enfant bénéficiaire isolé est considéré comme une famille.
Art.222/1.[1 Voor elk kind dat in november 2022 recht geeft op een maandelijkse sociale toeslag als vermeld in artikel 222, wordt het bedrag, vermeld in artikel 222, voor de maand november 2022 eenmalig verhoogd met 100 euro.
[2 oor elk kind dat in april 2023 recht geeft op een maandelijkse sociale toeslag als vermeld in artikel 222, wordt het bedrag, vermeld in artikel 222, voor de maand april 2023 eenmalig verhoogd met 100 euro.]2
Het bedrag van 100 euro, vermeld in het eerste [2 en tweede]2 lid, wordt in afwijking van artikel 4 niet geïndexeerd.]1

Art.222/1.[1 Pour chaque enfant bénéficiant en novembre 2022 d'un supplément social mensuel tel que visé à l'article 222, le montant visé à l'article 222 est majoré une fois de 100 euros pour le mois de novembre 2022.
[2 Pour chaque enfant donnant droit en avril 2023 à un supplément social mensuel tel que visé à l'article 222, le montant visé à l'article 222, est majoré une fois de 100 euros pour le mois d'avril 2023.]2
Par dérogation à l'article 4, le montant de 100 euros visé à l'alinéa 1er [2 et 2]2 n'est pas indexé.]1

Art. 223. Het rechtgevende kind dat recht geeft op een verhoogde kinderbijslag voor wezen als vermeld in artikel 214, § 1 of § 3, of artikel 215, § 2, geeft geen recht op een maandelijkse sociale toeslag.
Art. 223. L'enfant bénéficiaire qui donne droit à une allocation familiale majorée pour orphelins, telle que visée à l'article 214, § 1er ou § 3, ou l'article 215, § 2, ne donne pas droit à un supplément social mensuel.
Art. 224. Een rechtgevend kind als vermeld in artikel 8, § 2, eerste lid, 4°, heeft recht op een maandelijkse sociale toeslag als vermeld in artikel 222, § 1, derde lid, als het kind voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 41 van de Algemene kinderbijslagwet, eerste en tweede streepje.
Art. 224. Un enfant bénéficiaire tel que visé à l'article 8, § 2, alinéa 1er, 4°, a droit à un supplément social mensuel tel que visé à l'article 222, § 1er, alinéa 3, si l'enfant répond aux conditions visées à l'article 41 de la Loi générale relative aux allocations familiales, premier et deuxième tirets.
Titel 5. - Begunstigden
Titre 5. - Bénéficiaires
Art. 225. § 1. De bijslagtrekkende voor het rechtgevende kind op 31 december 2018 blijft de bijslagtrekkende voor dat kind, tenzij een wijziging in het ouderlijk gezag of in de opvoedingssituatie van het kind zich voordoet. In dat geval worden de bepalingen voor de aanwijzing van de begunstigden en de regels van de uitbetaling overeenkomstig boek 2, deel 4, titel 1, hoofdstuk 1, en boek 2, deel 4, titel 2, hoofdstuk 1, toegepast. De bepalingen van [1 artikel 68 en artikel 75 tot en met 78 ]1, zijn van toepassing zowel op de bijslagtrekkende als de begunstigde.
De wijziging in het ouderlijk gezag wordt vastgesteld door de bevoegde rechtbank.
De bijslagtrekkende die de forfaitaire pleegzorgbijslag, vermeld in artikel 219, ontving op 31 december 2018, blijft die pleegzorgbijslag ontvangen zolang zich geen wijziging in de plaatsing in het pleeggezin voordoet ten aanzien van het rechtgevende kind en zolang de toekenning ervan niet wordt herroepen onder de voorwaarden die de Vlaamse Regering daarvoor heeft bepaald.
De bijslagtrekkende kan van bankrekening veranderen mits naleving van de regels opgelegd door artikel 64.
§ 2. Een bijslagtrekkende die een gezin vormt met een persoon die in aanmerking komt voor de toeslag voor langdurig zieken en arbeidsongeschikten en mindervaliden, vermeld in artikel 50ter juncto artikel 56, § 2, artikel 56quinquies, § 1, en artikel 57, eerste lid, van de Algemene kinderbijslagwet, kan de uitbetalingsactor schriftelijk verzoeken onmiddellijk de bepalingen over de aanwijzing van begunstigden en over de uitvoeringsregels van uitbetaling, vermeld in boek 2, deel 4, titel 1, hoofdstuk 1, en boek 2, deel 4, titel 2, hoofdstuk 1, toe te passen.
De Vlaamse Regering kan het eerste lid van deze paragraaf uitbreiden tot andere personen dan de bijslagtrekkende.
§ 3. Vanaf 1 januari 2020 kan een bijslagtrekkende of een mogelijke begunstigde die dat wil, in afwijking van paragraaf 1 en met een schriftelijk verzoek, de uitbetalingsactor vragen om de bepalingen over de aanwijzing van begunstigden en over de regels over de uitbetaling, vermeld in boek 2, deel 4, titel 1, hoofdstuk 1, en deel 4, titel 2, hoofdstuk 1, toe te passen.
In afwijking van het eerste lid kan een bijslagtrekkende niet vragen om de bepalingen inzake begunstigden toe te passen wanneer onder toepassing van artikel 210, § 5, nog een proportionele verdeling loopt. Deze kan wel van bankrekening wijzigingen onder toepassing van paragraaf 1, vierde lid, en van uitbetalingsactor wijzigen overeenkomstig artikel 227, § 2, van dit decreet.
Art. 225. § 1er. L'allocataire pour l'enfant bénéficiaire le 31 décembre 2018 reste l'allocataire pour cet enfant, sauf si une modification de l'autorité parentale ou de la situation pédagogique de l'enfant se produit. Dans ce cas, les dispositions relatives à la désignation des bénéficiaires et les règles du paiement sont appliquées conformément au livre 2, partie 4, titre 1er, chapitre 1er, et livre 2, partie 4, titre 2, chapitre 1er. Les dispositions [1 de l'article 68 et des articles 75 à 78]1 s'appliquent tant à l'allocataire qu'au bénéficiaire.
La modification de l'autorité parentale est établie par le tribunal compétent.
L'allocataire qui recevait l'allocation forfaitaire de placement familial, visée à l'article 219, continue à recevoir cette allocation de placement familial tant que le placement dans la famille d'accueil n'est pas modifié à l'égard de l'enfant bénéficiaire, et tant que son octroi n'est pas révoqué aux conditions fixées à cet effet par le Gouvernement flamand.
L'allocataire peut changer son compte bancaire moyennant le respect des règles imposées par l'article 64.
§ 2. Un allocataire qui constitue une famille avec une personne éligible au supplément pour malades de longue durée, travailleurs invalides et personnes handicapées, visé à l'article 50ter en combinaison avec l'article 56, § 2, l'article 56quinquies, § 1er, et l'article 57, alinéa 1er, de la Loi générale relative aux allocations familiales, peut demander par écrit à l'acteur de paiement d'appliquer immédiatement les dispositions relatives à la désignation des bénéficiaires et aux règles d'exécution de paiement, visées au livre 2, partie 4, titre 1er, chapitre 1er, et livre 2, partie 4, titre 2, chapitre 1er.
Le Gouvernement flamand peut étendre l'alinéa 1er de ce paragraphe à d'autres personnes que l'allocataire.
§ 3. A partir du 1er janvier 2020, un allocataire ou un bénéficiaire éventuel qui le souhaite, peut demander à l'acteur de paiement, par dérogation au paragraphe 1er et par demande écrite, d'appliquer les dispositions relatives à la désignation des bénéficiaires et aux règles d'exécution de paiement, visées au livre 2, partie 4, titre 1er, chapitre 1er, et partie 4, titre 2, chapitre 1er.
Par dérogation à l'alinéa 1er, un allocataire ne peut pas demander d'appliquer les dispositions relatives aux bénéficiaires lorsqu'une répartition proportionnelle est encore en cours en application de l'article 210, § 5. Il peut bien changer de compte bancaire en application du paragraphe 1er, alinéa 4, et d'acteur de paiement conformément à l'article 227, § 2, du présent décret.
Art. 226.
Art. 226.
Titel 6. - Keuze van de uitbetalingsactor
Titre 6. - Choix de l'acteur de paiement
Art. 227. § 1. De rechtsopvolger van het kinderbijslagfonds dat instond voor de uitbetaling van de kinderbijslag overeenkomstig de kinderbijslagreglementering, staat na de inwerkingtreding van dit decreet, in voor de uitbetaling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid voor een rechtgevend kind dat recht geeft op kinderbijslag als vermeld in artikel 210, § 1, of op kinderbijslag voor wezen als vermeld in titel 2.
§ 2. De personen aan wie de toelagen worden uitbetaald in het kader van het gezinsbeleid voor een rechtgevend kind dat recht geeft op kinderbijslag als vermeld in artikel 210, § 1, of op kinderbijslag voor wezen als vermeld in titel 2, kunnen op zijn vroegst na het verstrijken van een periode van één jaar na de inwerkingtreding van dit decreet met een schriftelijk verzoek een andere uitbetalingsactor aanwijzen, overeenkomstig artikel 64 en 65.
§ 3. De personen die onder toepassing van artikel 225, § 1, eerste lid, en § 2, reeds voor het verstrijken van de in de tweede paragraaf bepaalde termijn begunstigde werden, kunnen ook voorafgaand aan het verstrijken van de periode in deze paragraaf een andere uitbetalingsactor aanwijzen.
[1 § 4. In afwijking van de paragrafen 1 tot en met 3 worden, wanneer een bijslagtrekkende rechtgevende kinderen heeft voor wie de gezinsbijslagen worden uitbetaald door verschillende uitbetalingsactoren, deze dossiers vanaf 1 januari 2019 samengevoegd bij de uitbetalingsactor van het oudste rechtgevende kind.
Deze samenvoeging gebeurt ten laatste op 30 juni 2019 en zal vanaf 1 januari 2019 ook gebeuren op het ogenblik dat een van de volgende situaties zich voordoet:
1° elke wijziging in de gezinssituatie van de bijslagtrekkende uit het eerste lid, in het ouderlijk gezag voor een van de kinderen van de bijslagtrekkende of in de opvoedingssituatie van een van de kinderen van de bijslagtrekkende uit het eerste lid;
2° elke wijziging in de plaatsing van een kind bij de bijslagtrekkende uit het eerste lid;
3° een recht op wezenbijslag als vermeld in artikel 214, § 1 en § 3, artikel 215, § 2, eerste lid, en artikel 216 ontstaat of verdwijnt voor een kind van de bijslagtrekkende uit het eerste lid;
4° het recht op een sociale toeslag of een hogere sociale toeslag, vermeld in artikel 222, ontstaat of verdwijnt voor een kind van de bijslagtrekkende uit het eerste lid;
5° er ontstaat of verdwijnt een recht op een zorgtoeslag als vermeld in artikel 218 voor een kind van de bijslagtrekkende uit het eerste lid;
6° het recht op kinderbijslag, vermeld in artikel 210, of op de gewone wezenbijslag, vermeld in artikel 214, § 2, eindigt voor een kind van de bijslagtrekkende uit het eerste lid.
Na het verstrijken van een periode van een jaar na de inwerkingtreding van dit decreet kan de bijslagtrekkende uit het eerste lid met een schriftelijk verzoek een andere uitbetalingsactor aanwijzen, overeenkomstig artikel 64 en 65.]1

Art. 227. § 1er. L'ayant cause de la caisse d'allocations familiales qui assurait le paiement des allocations familiales conformément à la réglementation relative aux allocations familiales, est responsable, après l'entrée en vigueur du présent décret, du paiement des allocations dans le cadre de la politique familiale pour un enfant bénéficiaire donnant droit aux allocations familiales telles que visées à l'article 210, § 1er, ou aux allocations familiales pour orphelins, telles que visées au titre 2.
§ 2. Les personnes auxquelles les allocations sont payées dans le cadre de la politique familiale pour un enfant bénéficiaire qui donne droit aux allocations familiales telles que visées à l'article 210, § 1er, ou aux allocations familiales pour orphelins telles que visées au titre 2, peuvent désigner un autre acteur de paiement, par demande écrite au plus tôt à l'expiration d'une période de deux ans après l'entrée en vigueur du présent décret, conformément aux articles 64 et 65.
§ 3. Les personnes qui devenaient bénéficiaire en application de l'article 225, § 1er, alinéa 1er, et § 2, déjà avant l'expiration du délai fixé au paragraphe 2, peuvent également désigner un autre acteur de paiement préalablement à l'expiration de la période mentionnée dans ce paragraphe.
[1 § 4. Par dérogation aux paragraphes 1 à 3, si un allocataire a des enfants bénéficiaires pour lesquels les prestations familiales sont versées par différents acteurs de paiement, ces fichiers sont fusionnés chez l'acteur de paiement de l'enfant bénéficiaire aîné à compter du 1er janvier 2019.
Cette fusion a lieu au plus tard le 30 juin 2019 et, à partir du 1er janvier 2019, elle aura également lieu lorsque l'une des situations suivantes se présentera :
1° tout changement dans la situation familiale de l'allocataire visé à l'alinéa 1er, dans l'autorité parentale de l'un des enfants de l'allocataire, ou dans la situation parentale de l'un des enfants de l'allocataire visé à l'alinéa 1er ;
2° chaque changement dans le placement d'un enfant auprès de l'allocataire visé à l'alinéa 1er ;
3° le droit aux allocations d'orphelin visées à l'article 214, § 1 et § 3, à l'article 215, § 2, alinéa 1er, et à l'article 216 naît ou disparaît pour un enfant de l'allocataire visé à l'alinéa 1er ;
4° le droit à un supplément social ou à un supplément social supérieur, visé à l'article 222, naît ou disparaît pour un enfant de l'allocataire visé à l'alinéa 1er ;
5° un droit à l'allocation de soins telle que visée à l'article 218 naît ou disparaît pour un enfant de l'allocataire visé à l'alinéa 1er ;
6° le droit aux allocations familiales visées à l'article 210 ou aux allocations d'orphelin ordinaires visées à l'article 214, § 2, prend fin pour l'enfant de l'allocataire visé à l'alinéa 1er.
Au terme d'une période d'un an après l'entrée en vigueur du présent décret, l'allocataire visé à l'alinéa 1er peut, par demande écrite, désigner un autre acteur de paiement conformément aux articles 64 et 65.]1

Deel 3. - Inwerkingtredingsbepalingen
Partie 3. - Dispositions d'entrée en vigueur
Art. 228. Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2019.
Een rechtgevend kind dat geboren is na 31 december 2018, geeft recht op gezinsbijslagen als vermeld in boek 2, deel 1.
Een rechtgevend kind dat geboren is vóór 1 januari 2019 en voor wie op 31 december 2018 geen recht op kinderbijslag is geopend overeenkomstig de kinderbijslagreglementering, geeft recht op de gezinsbijslagen, vermeld in boek 2, deel 1.
In afwijking van het eerste lid treden de bepalingen over de selectieve participatietoeslagen in boek 2, deel 2, in werking op 1 september 2019.
In afwijking van het eerste lid treedt artikel 10 in werking op 1 oktober 2018.
Art. 228. Le présent décret entre en vigueur le 1er janvier 2019.
Un enfant bénéficiaire né après le 31 décembre 2018 donne droit aux allocations familiales telles que visées au livre 2, partie 1.
Un enfant bénéficiaire qui est né avant le 1er janvier 2019 et pour qui aucun droit aux allocations familiales n'est ouvert le 31 décembre 2018 conformément à la réglementation relative aux allocations familiales, donne droit aux allocations familiales visées au livre 2, partie 1.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les dispositions relatives aux allocations de participation sélectives du livre 2, partie 2, entrent en vigueur le 1er septembre 2019.
Par dérogation à l'alinéa 1er, l'article 10 entre en vigueur le 1er octobre 2018.