Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
29 JUNI 2018. - Koninklijk besluit tot bepaling van het administratief statuut van het operationeel personeel van de Civiele Bescherming(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 19-07-2018 en tekstbijwerking tot 19-03-2024)
Titre
29 JUIN 2018. - Arrêté royal relatif au statut administratif du personnel opérationnel de la Protection civile(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 19-07-2018 et mise à jour au 19-03-2024)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
BOEK I. - ALGEMENE BEPALINGEN
BOEK II. - BIJZONDERE RECHTEN EN PLICHTEN
BOEK III. - BIJZONDERE ONVERENIGBAARHEDEN
BOEK IV. - DE AANWERVING, DE AANWERVINGSSTAGE E...
TITEL I. - De aanwerving
HOOFDSTUK I. - Het federaal geschiktheidsattest
HOOFDSTUK II. - Oproep tot kandidaten
HOOFDSTUK III. - De aanwerving van het personee...
HOOFDSTUK IV. - De aanwerving van het personeel...
HOOFDSTUK V. - De aanwerving van het personeel ...
HOOFDSTUK VI. - Aanwerving van de vrijwilliger-...
TITEL II. - De aanwervingsstage
TITEL III. - De indiensttreding
BOEK V. - DE LOOPBAAN
TITEL I. - De hiërarchische bevordering
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
HOOFDSTUK II. - De bevorderingsvoorwaarden
HOOFDSTUK III. - De bevorderingsstage
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Afdeling 2. - Het verloop van de bevorderingsst...
Afdeling 3. - De evaluatie op het einde van de ...
TITEL II. - De fysieke geschiktheid
TITEL III. - De wedertewerkstelling
TITEL IV. - De verandering van graad
TITEL V. - Eindeloopbaanregime
TITEL VI. - Uitoefening van een hoger ambt
BOEK VI. - DE BIJZONDERE OPLEIDING
BOEK VII. - ORGANISATIE VAN DE DIENSTTIJD VAN D...
TITEL I. - Algemeen
TITEL II. - Dienst- en rusttijden
BOEK VII/1. [1 - ORGANISATIE VAN DE ARBEIDSTIJD...
BOEK VIII. - DE VERLOVEN EN DE OPSCHORTING
HOOFDSTUK I. - Verloven beroepspersoneel
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Afdeling 2. - Specifieke bepalingen voor de ber...
HOOFDSTUK II. - De opschorting van de benoeming...
BOEK IX. - DE TUCHTREGELING
BOEK IX/1. [1 - Uitvoeren van een alcohol- of d...
TITEL I. [1 - Algemene bepalingen]1
TITEL 2. [1 - Uitvoeren van een alcoholtest]1
TITEL 3. [1 - Uitvoeren van een drugstest]1
TITEL 4. [1 - Gemeenschappelijke bepalingen]1
BOEK X. - DE ARBEIDSONGEVALLEN VAN HET VRIJWILL...
BOEK XI. - DE BEEINDIGING VAN EEN AMBT
BOEK XII. - OVERGANGSBEPALINGEN
BOEK XIII. - WIJZIGINGS- EN SLOTBEPALINGEN
BIJLAGEN.
Table des matières
LIVRE Ier. - DISPOSITIONS GENERALES
LIVRE II. - DES DROITS ET DEVOIRS PARTICULIERS
LIVRE III. - DES INCOMPATIBILITES SPECIFIQUES
LIVRE IV. - DU RECRUTEMENT, DU STAGE DE RECRUTE...
TITRE Ier. - Du recrutement
CHAPITRE Ier. - Du certificat d'aptitude fédéral
CHAPITRE II. - De l'appel aux candidats
CHAPITRE III. - Du recrutement du personnel du ...
CHAPITRE IV. - Du recrutement du personnel du c...
CHAPITRE V. - Du recrutement du personnel du ca...
CHAPITRE VI. - Du recrutement du volontaire spé...
TITRE II. - Du stage de recrutement
TITRE III. - De l'entrée en service
LIVRE V. - DE LA CARRIERE
TITRE Ier. - De la promotion hiérarchique
CHAPITRE Ier. - Des dispositions générales
CHAPITRE II. - Des conditions relatives à la pr...
CHAPITRE III. - Du stage de promotion
Section 1re. - Dispositions générales
Section 2. - Du déroulement du stage de promoti...
Section 3. - De l'évaluation en fin de stage de...
TITRE II. - De l'aptitude physique
TITRE III. - De la réaffectation
TITRE IV. - Du changement de grade
TITRE V. - Du régime de fin de carrière
TITRE VI. - De l'exercice d'une fonction supéri...
LIVRE VI. - DE LA FORMATION SPECIFIQUE
LIVRE VII. - L'ORGANISATION DU TEMPS DE SERVICE...
TITRE Ier. - Généralités
TITRE II. - TEMPS DE SERVICE ET DE REPOS
LIVRE VII/1. [1 - L'ORGANISATION DU TEMPS DE TR...
LIVRE VIII. - DES CONGES ET DE LA SUSPENSION
CHAPITRE Ier. - Des Congés du personnel profess...
Section 1re. - Dispositions générales
Section 2. - Dispositions spécifiques, aux memb...
CHAPITRE II. - De la suspension de la nominatio...
LIVRE IX. - DU REGIME DISCIPLINAIRE
LIVRE IX/1. [1 - Exécution d'un test d'alcoolém...
TITRE Ier. [1 - Dispositions générales]1
TITRE II. [1 - Exécution d'un test d'alcoolémie]1
TITRE III. [1 - Exécution d'un test de détectio...
TITRE IV. [1 - Dispositions communes]1
LIVRE X. - DES ACCIDENTS DU TRAVAIL DU PERSONNE...
LIVRE XI. - DE LA CESSATION DE FONCTION
LIVRE XII. - DES DISPOSITIONS TRANSITOIRES
LIVRE XIII. - DES DISPOSITIONS MODIFICATIVES ET...
ANNEXES.
Tekst (168)
Texte (168)
BOEK I. - ALGEMENE BEPALINGEN
LIVRE Ier. - DISPOSITIONS GENERALES
Artikel 1. Boek 7 van dit besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn nr 2003/88/EG.
Article 1er. Le livre 7 du présent arrêté transpose partiellement la directive n° 2003/88/CE.
Art. 2. Voor de toepassing van dit besluit verstaat men onder :
1° de Minister: de Minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken;
2° de wet van 15 mei 2007: de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid;
3° de operationele eenheid: de operationele eenheid van de Civiele Bescherming, vermeld in artikel 153 van de wet van 15 mei 2007;
4° de Voorzitter: de Voorzitter van het Directiecomité van de FOD Binnenlandse Zaken;
5° de Directeur-generaal: de Directeur-generaal van de Algemene Directie Civiele Veiligheid van de FOD Binnenlandse Zaken;
6° de Directeur P&O: de Directeur van de Stafdienst P&O van de FOD Binnenlandse Zaken;
7° de eenheidschef: de ambtenaar die de operationele eenheid leidt;
8° de [3 directeur van de Civiele Bescherming]3 van de civiele veiligheid, hierna te noemen "[3 directeur van de Civiele Bescherming]3": de leidend ambtenaar van de centrale diensten van de Algemene Directie Civiele Veiligheid [3 belast met de Civiele Bescherming]3;
9° de representatieve vakorganisaties: de representatieve vakorganisaties, vermeld in het koninklijk besluit van 28 september 1984 houdende uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van zijn personeel;
10° het beroepspersoneelslid: het beroepslid van de Civiele Bescherming als vermeld in artikel 155, tweede lid, van de wet van 15 mei 2007;
11° het vrijwillig personeelslid: het vrijwillig lid van de Civiele Bescherming als vermeld in artikel 155, derde lid, van de wet van 15 mei 2007;
12° het personeelslid: de persoon die deel uitmaakt van het operationeel personeel van de Civiele Bescherming, ongeacht of het een vrijwillig personeelslid of een beroepspersoneelslid is;
13° het opleidingscentrum voor de civiele veiligheid: [1 opleidingscentra als vermeld in de artikelen 4 en 175/1 van de wet van 15 mei 2007]1;
14° het geldelijk statuut: het koninklijk besluit van 29 juni 2018 houdende de bezoldigingsregeling van het operationeel personeel van de Civiele Bescherming;
15° diploma van niveau A, B of C : diploma of getuigschrift dat toegang geeft tot de functies van niveau A, B of C binnen de federale overheidsdiensten bedoeld in de bijlage bij het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel;
16° het koninklijk besluit van 19 november 1998: het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen;
17° buitenlandse operationele opdrachten: de operationele opdrachten die het personeelslid uitvoert buiten het Belgische grondgebied [2 , die minstens vierentwintig uur duren]2 en die als dusdanig erkend zijn, ofwel door de voorzitter van de Coördinatieraad van de Belgian First Aid and Support Team, ofwel door de Directeur-generaal;
18° elke drager met bewijskracht en vaste datum: hetzij verzending langs elektronische weg waarbij de ontvangst ervan door het personeelslid wordt bevestigd; hetzij overhandiging aan het personeelslid in ruil voor een door hem ondertekend ontvangstbewijs dat de datum van ontvangst vermeldt;
19° het koninklijk besluit van 2 oktober 1937: het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel.
1° de Minister: de Minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken;
2° de wet van 15 mei 2007: de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid;
3° de operationele eenheid: de operationele eenheid van de Civiele Bescherming, vermeld in artikel 153 van de wet van 15 mei 2007;
4° de Voorzitter: de Voorzitter van het Directiecomité van de FOD Binnenlandse Zaken;
5° de Directeur-generaal: de Directeur-generaal van de Algemene Directie Civiele Veiligheid van de FOD Binnenlandse Zaken;
6° de Directeur P&O: de Directeur van de Stafdienst P&O van de FOD Binnenlandse Zaken;
7° de eenheidschef: de ambtenaar die de operationele eenheid leidt;
8° de [3 directeur van de Civiele Bescherming]3 van de civiele veiligheid, hierna te noemen "[3 directeur van de Civiele Bescherming]3": de leidend ambtenaar van de centrale diensten van de Algemene Directie Civiele Veiligheid [3 belast met de Civiele Bescherming]3;
9° de representatieve vakorganisaties: de representatieve vakorganisaties, vermeld in het koninklijk besluit van 28 september 1984 houdende uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van zijn personeel;
10° het beroepspersoneelslid: het beroepslid van de Civiele Bescherming als vermeld in artikel 155, tweede lid, van de wet van 15 mei 2007;
11° het vrijwillig personeelslid: het vrijwillig lid van de Civiele Bescherming als vermeld in artikel 155, derde lid, van de wet van 15 mei 2007;
12° het personeelslid: de persoon die deel uitmaakt van het operationeel personeel van de Civiele Bescherming, ongeacht of het een vrijwillig personeelslid of een beroepspersoneelslid is;
13° het opleidingscentrum voor de civiele veiligheid: [1 opleidingscentra als vermeld in de artikelen 4 en 175/1 van de wet van 15 mei 2007]1;
14° het geldelijk statuut: het koninklijk besluit van 29 juni 2018 houdende de bezoldigingsregeling van het operationeel personeel van de Civiele Bescherming;
15° diploma van niveau A, B of C : diploma of getuigschrift dat toegang geeft tot de functies van niveau A, B of C binnen de federale overheidsdiensten bedoeld in de bijlage bij het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel;
16° het koninklijk besluit van 19 november 1998: het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen;
17° buitenlandse operationele opdrachten: de operationele opdrachten die het personeelslid uitvoert buiten het Belgische grondgebied [2 , die minstens vierentwintig uur duren]2 en die als dusdanig erkend zijn, ofwel door de voorzitter van de Coördinatieraad van de Belgian First Aid and Support Team, ofwel door de Directeur-generaal;
18° elke drager met bewijskracht en vaste datum: hetzij verzending langs elektronische weg waarbij de ontvangst ervan door het personeelslid wordt bevestigd; hetzij overhandiging aan het personeelslid in ruil voor een door hem ondertekend ontvangstbewijs dat de datum van ontvangst vermeldt;
19° het koninklijk besluit van 2 oktober 1937: het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel.
Art. 2. Pour l'application du présent arrêté, l'on entend par :
1° le Ministre : le Ministre qui a l'Intérieur dans ses attributions;
2° la loi du 15 mai 2007 : la loi du 15 mai 2007 relative à la sécurité civile;
3° l'unité opérationnelle : l'unité opérationnelle de la Protection civile visée à l'article 153 de la loi du 15 mai 2007;
4° le Président : le Président du Comité de Direction du SPF Intérieur;
5° le Directeur général : le Directeur général de la Direction générale de la Sécurité civile du SPF Intérieur;
6° le Directeur P&O : le Directeur du Service d'Encadrement P&O du SPF Intérieur;
7° le chef d'unité : le fonctionnaire qui dirige l'unité opérationnelle;
8° le [3 directeur de la Protection civile]3 de la sécurité civile, dénommé ci-après " [3 directeur de la Protection civile]3 " : le fonctionnaire dirigeant des services centraux de la Direction générale de la Sécurité civile [3 chargé de la Protection civile]3;
9° les organisations syndicales représentatives : les organisations visées à l'arrêté royal du 28 septembre 1984 portant exécution de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités;
10° le membre du personnel professionnel : le membre professionnel de la Protection civile visé à l'article 155, alinéa 2, de la loi du 15 mai 2007;
11° le membre du personnel volontaire : le membre volontaire de la Protection civile visé à l'article 155, alinéa 3, de la loi du 15 mai 2007;
12° le membre du personnel : la personne faisant partie du personnel opérationnel de la Protection civile, qu'elle soit membre du personnel professionnel ou membre du personnel volontaire;
13° le centre de formation pour la sécurité civile : [1 les centres de formations visés aux articles 4 et 175/1 de la loi du 15 mai 2007]1;
14° le statut pécuniaire : l'arrêté royal du 29 juin 2018 portant statut pécuniaire du personnel opérationnel de la Protection civile;
15° diplôme de niveau A, B ou C : le diplôme ou certificat donnant accès à des fonctions respectivement de niveau A, B ou C au sein de l'administration fédérale, comme visé à l'annexe de l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat;
16° l'arrêté royal du 19 novembre 1998 : l'arrêté royal du 19 novembre 1998 relatif aux congés et aux absences accordés aux membres du personnel des administrations de l'Etat;
17° missions opérationnelles à l'étranger : les missions opérationnelles que le membre du personnel effectue hors du territoire de la Belgique [2 , qui durent au moins vingt-quatre heures]2 et reconnues comme telles, soit par le président du Conseil de Coordination de la Belgian First Aid and Support Team, soit par le Directeur général;
18° toutes autres voies qui confèrent au courrier valeur probante et date certaine: soit l'envoi par voie électronique dont la réception est confirmée par le membre du personnel, soit la remise en main propre au membre du personnel en échange d'un récépissé portant sa signature et la date de réception;
19° l'arrêté royal du 2 octobre 1937 : l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat.
1° le Ministre : le Ministre qui a l'Intérieur dans ses attributions;
2° la loi du 15 mai 2007 : la loi du 15 mai 2007 relative à la sécurité civile;
3° l'unité opérationnelle : l'unité opérationnelle de la Protection civile visée à l'article 153 de la loi du 15 mai 2007;
4° le Président : le Président du Comité de Direction du SPF Intérieur;
5° le Directeur général : le Directeur général de la Direction générale de la Sécurité civile du SPF Intérieur;
6° le Directeur P&O : le Directeur du Service d'Encadrement P&O du SPF Intérieur;
7° le chef d'unité : le fonctionnaire qui dirige l'unité opérationnelle;
8° le [3 directeur de la Protection civile]3 de la sécurité civile, dénommé ci-après " [3 directeur de la Protection civile]3 " : le fonctionnaire dirigeant des services centraux de la Direction générale de la Sécurité civile [3 chargé de la Protection civile]3;
9° les organisations syndicales représentatives : les organisations visées à l'arrêté royal du 28 septembre 1984 portant exécution de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités;
10° le membre du personnel professionnel : le membre professionnel de la Protection civile visé à l'article 155, alinéa 2, de la loi du 15 mai 2007;
11° le membre du personnel volontaire : le membre volontaire de la Protection civile visé à l'article 155, alinéa 3, de la loi du 15 mai 2007;
12° le membre du personnel : la personne faisant partie du personnel opérationnel de la Protection civile, qu'elle soit membre du personnel professionnel ou membre du personnel volontaire;
13° le centre de formation pour la sécurité civile : [1 les centres de formations visés aux articles 4 et 175/1 de la loi du 15 mai 2007]1;
14° le statut pécuniaire : l'arrêté royal du 29 juin 2018 portant statut pécuniaire du personnel opérationnel de la Protection civile;
15° diplôme de niveau A, B ou C : le diplôme ou certificat donnant accès à des fonctions respectivement de niveau A, B ou C au sein de l'administration fédérale, comme visé à l'annexe de l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat;
16° l'arrêté royal du 19 novembre 1998 : l'arrêté royal du 19 novembre 1998 relatif aux congés et aux absences accordés aux membres du personnel des administrations de l'Etat;
17° missions opérationnelles à l'étranger : les missions opérationnelles que le membre du personnel effectue hors du territoire de la Belgique [2 , qui durent au moins vingt-quatre heures]2 et reconnues comme telles, soit par le président du Conseil de Coordination de la Belgian First Aid and Support Team, soit par le Directeur général;
18° toutes autres voies qui confèrent au courrier valeur probante et date certaine: soit l'envoi par voie électronique dont la réception est confirmée par le membre du personnel, soit la remise en main propre au membre du personnel en échange d'un récépissé portant sa signature et la date de réception;
19° l'arrêté royal du 2 octobre 1937 : l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat.
Art. 3. § 1. Dit statuut is van toepassing op de leden van het beroepspersoneel die geselecteerd werden conform de artikelen 3 en 4 van het koninklijk besluit van 3 juli 2018 houdende diverse maatregelen betreffende de leden van het operationeel personeel van de Civiele Bescherming en op de leden van het beroepspersoneel die aangeworven worden in toepassing van de bepalingen van boek 4 van dit besluit.
§ 2. Behoudens tegenstrijdige bepalingen, is dit statuut van toepassing op de vrijwillige personeelsleden die benoemd werden conform het artikel 16 van het koninklijk besluit van 3 juli 2018 houdende diverse maatregelen betreffende de leden van het operationeel personeel van de Civiele Bescherming en op de leden van het vrijwillige personeel die aangeworven worden in toepassing van de bepalingen van boek 4 van dit besluit.
Ze bevinden zich in een sui generis statutaire situatie.
§ 3. Dit besluit is eveneens van toepassing op de stagiairs, behoudens andersluidende bepalingen.
§ 4. Onverminderd de toepassing van paragrafen 1, 2 en 3 en behoudens andersluidende bepalingen blijven de personeelsleden onderworpen aan de bepalingen die gelden voor de rijksambtenaren en aan de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken.
§ 2. Behoudens tegenstrijdige bepalingen, is dit statuut van toepassing op de vrijwillige personeelsleden die benoemd werden conform het artikel 16 van het koninklijk besluit van 3 juli 2018 houdende diverse maatregelen betreffende de leden van het operationeel personeel van de Civiele Bescherming en op de leden van het vrijwillige personeel die aangeworven worden in toepassing van de bepalingen van boek 4 van dit besluit.
Ze bevinden zich in een sui generis statutaire situatie.
§ 3. Dit besluit is eveneens van toepassing op de stagiairs, behoudens andersluidende bepalingen.
§ 4. Onverminderd de toepassing van paragrafen 1, 2 en 3 en behoudens andersluidende bepalingen blijven de personeelsleden onderworpen aan de bepalingen die gelden voor de rijksambtenaren en aan de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken.
Art. 3. § 1er. Le présent statut s'applique aux membres du personnel professionnel sélectionnés conformément aux articles 3 et 4 de l'arrêté royal du 3 juillet 2018 comprenant diverses mesures relatives aux membres du personnel opérationnel de la Protection civile et aux membres du personnel professionnel recrutés en application des dispositions du livre 4 du présent arrêté.
§ 2. Sauf dispositions contraires, le présent statut s'applique aux membres du personnel volontaire nommés conformément à l'article 16 de l'arrêté royal du 3 juillet 2018 comprenant diverses mesures relatives aux membres du personnel opérationnel de la Protection civile et aux membres du personnel volontaire recrutés en application des dispositions du livre 4 du présent arrêté.
Ils se trouvent dans une situation statutaire sui generis.
§ 3. Le présent statut est également applicable aux stagiaires, sauf dispositions contraires.
§ 4. Sans préjudice de l'application des paragraphes 1er, 2 et 3, et sauf dispositions contraires, les membres du personnel restent soumis aux prescriptions qui régissent les agents de l'Etat et à la loi du 22 juillet 1993 portant certaines mesures en matière de fonction publique.
§ 2. Sauf dispositions contraires, le présent statut s'applique aux membres du personnel volontaire nommés conformément à l'article 16 de l'arrêté royal du 3 juillet 2018 comprenant diverses mesures relatives aux membres du personnel opérationnel de la Protection civile et aux membres du personnel volontaire recrutés en application des dispositions du livre 4 du présent arrêté.
Ils se trouvent dans une situation statutaire sui generis.
§ 3. Le présent statut est également applicable aux stagiaires, sauf dispositions contraires.
§ 4. Sans préjudice de l'application des paragraphes 1er, 2 et 3, et sauf dispositions contraires, les membres du personnel restent soumis aux prescriptions qui régissent les agents de l'Etat et à la loi du 22 juillet 1993 portant certaines mesures en matière de fonction publique.
Art. 4. Wanneer een betrekking als beroeps vacant wordt verklaard door de Voorzitter, beslist hij of deze betrekking ingevuld wordt door aanwerving, door mutatie, door mobiliteit of door bevordering.
Een betrekking als vrijwilliger wordt vacant verklaard door de Directeur-generaal, die beslist of deze betrekking door aanwerving, door mutatie, door mobiliteit of door bevordering wordt ingevuld.
Een betrekking als vrijwilliger wordt vacant verklaard door de Directeur-generaal, die beslist of deze betrekking door aanwerving, door mutatie, door mobiliteit of door bevordering wordt ingevuld.
Art. 4. Quand un emploi professionnel est déclaré vacant par le Président, il décide si cet emploi est à pourvoir par recrutement, par mutation, par mobilité ou par promotion.
Un emploi volontaire est déclaré vacant par le Directeur général, qui décide si cet emploi est à pourvoir par recrutement, par mutation, par mobilité ou par promotion.
Un emploi volontaire est déclaré vacant par le Directeur général, qui décide si cet emploi est à pourvoir par recrutement, par mutation, par mobilité ou par promotion.
Art. 5. De verschillende functies binnen het operationeel kader van de Civiele Bescherming worden ingevuld door het basiskader, het middenkader en het hoger kader :
1° Het basiskader omvat de graden van sappeur en korporaal;
2° Het middenkader omvat de graden van onderofficier: sergeant en adjudant;
3° Het hoger kader omvat de graden van officier: luitenant, commandant, kapitein, majoor en kolonel.
De graad van commandant is uitdovend.
De vrijwilligers-specialisten bedoeld in artikel 19, tweede lid, maken geen deel uit van de kaders bedoeld in het eerste lid en zij dragen geen graad.
1° Het basiskader omvat de graden van sappeur en korporaal;
2° Het middenkader omvat de graden van onderofficier: sergeant en adjudant;
3° Het hoger kader omvat de graden van officier: luitenant, commandant, kapitein, majoor en kolonel.
De graad van commandant is uitdovend.
De vrijwilligers-specialisten bedoeld in artikel 19, tweede lid, maken geen deel uit van de kaders bedoeld in het eerste lid en zij dragen geen graad.
Art. 5. Les différentes fonctions à remplir à la Protection civile sont assurées par le cadre de base, le cadre moyen et le cadre supérieur :
1° Le cadre de base comprend les grades de sapeur et de caporal;
2° Le cadre moyen comprend les grades de sous-officiers : sergent et adjudant;
3° Le cadre supérieur comprend les grades d'officiers : lieutenant, commandant, capitaine, major et colonel.
Le grade de commandant est un grade en extinction.
Les volontaires spécialistes visés à l'article 19, alinéa 2, ne font pas partie des cadres visés à l'alinéa 1er et ils ne portent pas de grade.
1° Le cadre de base comprend les grades de sapeur et de caporal;
2° Le cadre moyen comprend les grades de sous-officiers : sergent et adjudant;
3° Le cadre supérieur comprend les grades d'officiers : lieutenant, commandant, capitaine, major et colonel.
Le grade de commandant est un grade en extinction.
Les volontaires spécialistes visés à l'article 19, alinéa 2, ne font pas partie des cadres visés à l'alinéa 1er et ils ne portent pas de grade.
Art. 6. Met het oog op de toepassing van artikel 43ter van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, ingevoegd bij de wet van 12 juni 2002, op de ambtenaren van de centrale diensten van de federale overheidsdiensten, bedoeld in het koninklijk besluit van 7 november 2000 houdende oprichting en samenstelling van de organen die gemeenschappelijk zijn aan iedere federale overheidsdienst, worden de verschillende betrekkingen die een trap van de hiërarchie vormen, vastgesteld als volgt:
Tweede trap: de graden van kolonel en majoor;
Derde trap: de graad van kapitein.
Tweede trap: de graden van kolonel en majoor;
Derde trap: de graad van kapitein.
Art. 6. En vue de l'application de l'article 43ter des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966, inséré par la loi du 12 juin 2002, aux agents des services centraux des services publics fédéraux, visés par l'arrêté royal du 7 novembre 2000 portant création et composition des organes communs à chaque service public fédéral, les différents emplois qui forment un degré de la hiérarchie, sont déterminés comme suit :
Deuxième degré: les grades de colonel et de major;
Troisième degré : le grade de capitaine.
Deuxième degré: les grades de colonel et de major;
Troisième degré : le grade de capitaine.
Art. 7. Bij gelijkheid in graad wordt het gezag uitgeoefend door het personeelslid met de grootste anciënniteit in dezelfde graad.
Ingeval van gelijke graadanciënniteit wordt het gezag uitgeoefend door het personeelslid met de grootste dienstanciënniteit.
De [1 directeur van de Civiele Bescherming]1 staat hiërarchisch boven de eenheidschef.
De vrijwilligers-specialisten oefenen geen bevelvoering uit.
Ingeval van gelijke graadanciënniteit wordt het gezag uitgeoefend door het personeelslid met de grootste dienstanciënniteit.
De [1 directeur van de Civiele Bescherming]1 staat hiërarchisch boven de eenheidschef.
De vrijwilligers-specialisten oefenen geen bevelvoering uit.
Modifications
Art. 7. En cas d'égalité de grade, l'autorité est exercée par le membre du personnel ayant le plus d'ancienneté dans ce grade.
En cas d'ancienneté de grade égale, l'autorité est exercée par le membre du personnel ayant la plus grande ancienneté de service.
Le [1 directeur de la Protection civile]1 se trouve hiérarchiquement au-dessus du chef d'unité.
Les volontaires spécialistes n'exercent pas l'autorité.
En cas d'ancienneté de grade égale, l'autorité est exercée par le membre du personnel ayant la plus grande ancienneté de service.
Le [1 directeur de la Protection civile]1 se trouve hiérarchiquement au-dessus du chef d'unité.
Les volontaires spécialistes n'exercent pas l'autorité.
Modifications
Art. 8. Bovenop de operationele opdrachten die hem voorbehouden zijn en conform de functiebeschrijvingen, kan het personeelslid ertoe gehouden worden om administratieve of logistieke opdrachten overeenkomstig zijn competenties in het kader van artikel 11 van de wet van 15 mei 2007 uit te voeren.
Art. 8. Outre les missions opérationnelles prévues qui lui sont réservées et conformément aux descriptions de fonction, le membre du personnel peut être astreint à effectuer des missions d'ordre administratif et logistique qui correspondent à ses compétences dans le cadre de l'article 11 de la loi du 15 mai 2007.
BOEK II. - BIJZONDERE RECHTEN EN PLICHTEN
LIVRE II. - DES DROITS ET DEVOIRS PARTICULIERS
Art. 9. Het personeelslid biedt zich, bij het begin van de dienst of bij oproeping wanneer hij van wacht is, niet aan wanneer hij onder invloed van alcohol of drugs of in een soortgelijke toestand verkeert door het gebruik van andere stoffen. Tijdens de dienst gebruikt het eveneens geen alcohol, geen drugs en geen geneesmiddelen die aanleiding geven tot een soortgelijke toestand als bij het gebruik van alcohol of drugs.
Art. 9. Le membre du personnel veille à se présenter, lors du début du service ou en cas de rappel s'il est de garde, en n'étant pas sous l'influence d'alcool, de drogues ou dans un état analogue résultant de la prise d'autres substances. Pendant le service, il s'interdit également toute consommation d'alcool, de drogues ou de médicaments qui impliquent un état analogue à la consommation d'alcool ou de drogue.
Art. 10. Het personeelslid werkt loyaal mee aan tuchtonderzoeken en aan de vaststelling van eventuele tuchtvergrijpen waarvan het zelf niet het voorwerp is of niet het voorwerp zou kunnen zijn. Het geeft een duidelijk antwoord op de vragen die hem worden gesteld en overhandigt op vraag van de autoriteiten de stukken of goederen die nuttig zijn voor het vaststellen van de waarheid.
Art. 10. Le membre du personnel collabore loyalement aux enquêtes disciplinaires et à la constatation des éventuelles transgressions disciplinaires dont il ne fait pas ou ne pourrait pas faire lui-même l'objet. Il répond précisément aux questions qui lui sont posées et remet, à la demande de l'autorité, les pièces ou effets utiles à l'établissement de la vérité.
Art. 11. § 1. Het personeelslid draagt zorg voor de kledings- en uitrustingsvoorwerpen, die hem ter beschikking gesteld worden door de operationele eenheid.
§ 2. De kledings- en uitrustingsstukken en de uitgaanstenue mogen slechts bij de uitoefening van de dienst of ter gelegenheid van vergaderingen voor beroepsbelangen of officiële plechtigheden gedragen worden.
Elk personeelslid in de reglementaire klederdracht is, zelfs buiten de diensturen, onderworpen aan de hiërarchie. Het dragen van het uitgaanstenue buiten de diensturen is onderworpen aan de goedkeuring van de eenheidschef of zijn afgevaardigde.
§ 3. Alleen het dragen van eretekens verleend door de Belgische regering is toegelaten. Door buitenlandse regeringen uitgereikte eretekens mogen slechts worden gedragen, wanneer daartoe toelating is verleend door Ons.
§ 2. De kledings- en uitrustingsstukken en de uitgaanstenue mogen slechts bij de uitoefening van de dienst of ter gelegenheid van vergaderingen voor beroepsbelangen of officiële plechtigheden gedragen worden.
Elk personeelslid in de reglementaire klederdracht is, zelfs buiten de diensturen, onderworpen aan de hiërarchie. Het dragen van het uitgaanstenue buiten de diensturen is onderworpen aan de goedkeuring van de eenheidschef of zijn afgevaardigde.
§ 3. Alleen het dragen van eretekens verleend door de Belgische regering is toegelaten. Door buitenlandse regeringen uitgereikte eretekens mogen slechts worden gedragen, wanneer daartoe toelating is verleend door Ons.
Art. 11. § 1er. Le membre du personnel prend soin des objets d'habillement et d'équipement qui lui sont fournis par l'unité opérationnelle.
§ 2. Les objets d'habillement et d'équipement et la tenue de sortie ne peuvent être portés que dans l'exercice du service ou à l'occasion de réunions professionnelles ou de cérémonies officielles.
Même en dehors des heures de prestation, tout membre du personnel qui est revêtu de la tenue réglementaire reste soumis à la hiérarchie. Le port de la tenue de sortie en dehors des heures de service est soumise à l'approbation du chef de l'unité ou de son délégué.
§ 3. Le port des décorations accordées par le gouvernement belge est seul autorisé. Le port de décorations décernées par des gouvernements étrangers n'est admis que s'il est autorisé par Nous.
§ 2. Les objets d'habillement et d'équipement et la tenue de sortie ne peuvent être portés que dans l'exercice du service ou à l'occasion de réunions professionnelles ou de cérémonies officielles.
Même en dehors des heures de prestation, tout membre du personnel qui est revêtu de la tenue réglementaire reste soumis à la hiérarchie. Le port de la tenue de sortie en dehors des heures de service est soumise à l'approbation du chef de l'unité ou de son délégué.
§ 3. Le port des décorations accordées par le gouvernement belge est seul autorisé. Le port de décorations décernées par des gouvernements étrangers n'est admis que s'il est autorisé par Nous.
Art. 12. Het personeelslid wordt opgeroepen om deel te nemen aan de interventies wanneer hij in de operationele eenheid aanwezig is of in oproepbaarheidsdienst is.
Art. 12. Le membre du personnel est appelé pour participer aux interventions lorsqu'il est présent dans l'unité opérationnelle ou en service de rappel.
Art. 13. De beroepspersoneelsleden die bekleed zijn met de graad van officier worden verplicht oproepbaarheidsdiensten uit te voeren in functie van de organisatie van de dienst.
Art. 13. Les membres du personnel professionnel revêtus d'un grade d'officier sont tenus d'effectuer des services de rappel en fonction de l'organisation du service.
Art. 14. Het beroepspersoneelslid kan tijdens interventies verplicht worden om de duur van zijn prestaties te verlengen. Uitzonderlijk, in het geval van een grootschalige interventie, veroorzaakt door een onvoorziene gebeurtenis waarvoor de basismiddelen niet meer voldoende zijn, kan het personeelslid dat niet in dienst is, teruggeroepen worden.
Art. 14. Au cours des interventions, le membre du personnel professionnel peut être obligé de prolonger la durée de ses prestations. Exceptionnellement, en cas d'intervention de grande ampleur, à savoir une intervention due à un événement imprévisible et pour laquelle les moyens de base ne suffisent pas, le membre du personnel qui n'est pas en service peut être rappelé.
Art. 15. [1 Elk personeelslid kan buitenlandse operationele opdrachten uitvoeren mits toestemming van de Directeur-generaal, of van zijn afgevaardigde.]1
Modifications
Art. 15. [1 Tout membre du personnel peut effectuer des missions opérationnelles à l'étranger moyennant l'accord du Directeur général, ou de son délégué.]1
Modifications
BOEK III. - BIJZONDERE ONVERENIGBAARHEDEN
LIVRE III. - DES INCOMPATIBILITES SPECIFIQUES
Art. 16. Er is onverenigbaarheid tussen:
1° de functie van beroepspersoneelslid en de functie van vrijwillig personeelslid;
2° de functie van personeelslid en de functie van lid van een politiedienst die deel uitmaakt van de openbare macht, vermeld in artikel 2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt.
1° de functie van beroepspersoneelslid en de functie van vrijwillig personeelslid;
2° de functie van personeelslid en de functie van lid van een politiedienst die deel uitmaakt van de openbare macht, vermeld in artikel 2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt.
Art. 16. Il y a incompatibilité entre :
1° les fonctions de membre du personnel professionnel et les fonctions de membre du personnel volontaire;
2° les fonctions de membre du personnel et les fonctions de membre d'un service de police faisant partie de la force publique visée à l'article 2 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police.
1° les fonctions de membre du personnel professionnel et les fonctions de membre du personnel volontaire;
2° les fonctions de membre du personnel et les fonctions de membre d'un service de police faisant partie de la force publique visée à l'article 2 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police.
Art. 17. In afwijking van het artikel 14 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937, zodra de Voorzitter het bestaan van één van de onverenigbaarheden vaststelt, die op de rijksambtenaren van toepassing zijn of één van de onverenigbaarheden die in deze titel vermeld zijn, stelt hij de betrokkene in gebreke om die situatie te beëindigen binnen een termijn van zes maanden.
Elk personeelslid dat bij het verstrijken van deze termijn niet heeft voldaan aan de ingebrekestelling van de Voorzitter, wordt ambtshalve ontslagen.
Elk personeelslid dat bij het verstrijken van deze termijn niet heeft voldaan aan de ingebrekestelling van de Voorzitter, wordt ambtshalve ontslagen.
Art. 17. Par dérogation à l'article 14 de l'arrêté royal du 2 octobre 1937, dès que le Président constate l'existence de l'une des incompatibilités qui s'appliquent aux agents de l'Etat ou de l'une des incompatibilités qui sont visées au présent titre, il met l'intéressé en demeure d'y mettre fin dans un délai de six mois.
Tout membre du personnel qui, à l'expiration de ce délai, n'a pas satisfait à la mise en demeure du Président est démis d'office.
Tout membre du personnel qui, à l'expiration de ce délai, n'a pas satisfait à la mise en demeure du Président est démis d'office.
Art. 18. De uitoefening van een functie van instructeur binnen een opleidingscentrum voor civiele veiligheid is niet onverenigbaar met de functie van personeelslid
Art. 18. L'exercice d'une fonction d'instructeur au sein d'un centre de formation pour la sécurité civile n'est pas incompatible avec la fonction de membre du personnel.
BOEK IV. - DE AANWERVING, DE AANWERVINGSSTAGE EN DE INDIENSTTREDING
LIVRE IV. - DU RECRUTEMENT, DU STAGE DE RECRUTEMENT ET DE L'ENTREE EN SERVICE
TITEL I. - De aanwerving
TITRE Ier. - Du recrutement
HOOFDSTUK I. - Het federaal geschiktheidsattest
CHAPITRE Ier. - Du certificat d'aptitude fédéral
Art. 19. De aanwerving van het personeel gebeurt in de graad van sappeur, voor wat betreft het basiskader, in de graad van sergeant, voor wat betreft het middenkader, en in de graad van kapitein, voor wat betreft het hoger kader.
Het vrijwillig personeel kan ook aangeworven worden als vrijwilliger-specialist.
De aanwerving in de graad van sergeant kan pas gebeuren bij gebrek aan voldoende laureaten in een procedure tot hiërarchische bevordering, bedoeld in titel 1 van boek 5.
Het vrijwillig personeel kan ook aangeworven worden als vrijwilliger-specialist.
De aanwerving in de graad van sergeant kan pas gebeuren bij gebrek aan voldoende laureaten in een procedure tot hiërarchische bevordering, bedoeld in titel 1 van boek 5.
Art. 19. Le recrutement du personnel a lieu soit dans le grade de sapeur, pour ce qui concerne le cadre de base, soit dans le grade de sergent, pour ce qui concerne le cadre moyen, soit dans le grade de capitaine, pour ce qui concerne le cadre supérieur.
Le personnel volontaire peut également être recruté comme volontaire spécialiste.
Le recrutement dans le grade de sergent ne peut avoir lieu que s'il n'y a pas assez de lauréats suite à une procédure de promotion hiérarchique, visée au titre 1er du livre 5.
Le personnel volontaire peut également être recruté comme volontaire spécialiste.
Le recrutement dans le grade de sergent ne peut avoir lieu que s'il n'y a pas assez de lauréats suite à une procédure de promotion hiérarchique, visée au titre 1er du livre 5.
Art. 20. § 1. De Voorzitter of zijn afgevaardigde organiseert conform de modaliteiten bepaald door de Minister, via de opleidingscentra voor de civiele veiligheid, per taalregeling minstens één keer per jaar en rekening houdend met de noden, specifieke geschiktheidsproeven, voor basis-, midden- en hoger kader als vermeld in artikel 5, [2 voorafgaand aan de eerste proef van]2 de aanwerving door de FOD Binnenlandse Zaken.
[2 ...]2
§ 2. De organisatie van de geschiktheidsproeven wordt bekendgemaakt, minstens in het Belgisch Staatsblad, via de website van [2 Werkenvoor.be]2 en via de website van de Algemene Directie Civiele Veiligheid van de FOD Binnenlandse Zaken, ten laatste dertig dagen voor de uiterste inschrijvingsdatum.
De bekendmaking vermeldt de te vervullen voorwaarden en de datum waarop ze moeten vervuld worden, de opgelegde proeven, de inhoud ervan en de uiterste datum voor de kandidaatstelling.
Om te kunnen deelnemen aan de geschiktheidsproeven vermeld in paragraaf 3 voldoen de kandidaten aan :
1° voor het basiskader : de voorwaarden, vermeld in artikel [2 23, § 1, 1°, 2°, 4° en 5°]2 ;
2° voor het middenkader : de voorwaarden, vermeld in artikel [2 24, § 1, 1°, 3°, 4° en 6°]2 ;
3° voor het hoger kader : de voorwaarden, vermeld in artikel [2 25, § 1, 1°, 3°, 4° en 6°]2.
§ 3. De kandidaten moeten [2 ...]2 slagen voor de volgende geschiktheidsproeven :
1° een competentietest, waarbij wordt nagegaan of een kandidaat beschikt over de competenties :
- Van het niveau van het zesde jaar middelbaar beroepsonderwijs voor het basiskader;
- gelijkwaardig aan deze vereist voor een diploma van niveau B voor het middenkader;
- gelijkwaardig aan deze vereist voor een diploma van niveau A voor het hoger kader.
2° een operationele handvaardigheidstest;
3° de lichamelijke geschiktheidsproeven, opgesomd in bijlage 1.
[2 In afwijking van het eerste lid, 1°, eerste streepje, wordt de kandidaat die in het bezit is van een diploma of een studiegetuigschrift van het zesde of zevende jaar secundair onderwijs, vrijgesteld van deze test voor het basiskader.]2
§ 4. De geschiktheidsproeven zijn eliminerend; de kandidaat wordt geschikt of ongeschikt verklaard.
§ 5. Om te kunnen deelnemen aan de proeven, vermeld in paragraaf 3, 3°, beschikken de kandidaten over een medisch attest. Dit attest, opgemaakt ten vroegste drie maanden voor de start van de lichamelijke proeven, verklaart dat de kandidaat in staat is de proeven af te leggen.
§ 6. De kandidaten die alle geschiktheidsproeven succesvol afleggen ontvangen een federaal geschiktheidsattest dat respectievelijk toegang geeft tot de aanwervingsproeven voor het personeel van het basiskader, het middenkader of het hoger kader. Het federaal geschiktheidsattest wordt verzonden in de maand die volgt op het afsluiten van het proces-verbaal van het geheel van de geschiktheidsproeven. Het federaal geschiktheidsattest is geldig voor onbepaalde duur, met uitzondering van de lichamelijke geschiktheidsproeven die gelden voor twee jaar vanaf de datum van het afsluiten van het proces-verbaal van het geheel van de geschiktheidsproeven.
[1 De geschiktheidsproeven worden georganiseerd onder de vorm van drie modules:
1° module 1: de competentietest;
2° module 2 : de operationele handvaardigheidstest;
3° module 3: de lichamelijke geschiktheidsproeven.]1
De kandidaten ontvangen een bewijs van deelname met vermelding "geslaagd" of "niet geslaagd" na elke module, met daarop de vermelding van de datum van het afleggen van de test.
§ 7. Zes maanden voor het verstrijken van de termijn van twee jaar, als vermeld in paragraaf 6, kan de kandidaat die de geldigheid van zijn federaal geschiktheidsattest wenst te verlengen voor het gedeelte van de lichamelijke geschiktheidsproeven, zich inschrijven voor de proeven. De kandidaat beschikt over het medisch attest, als vermeld in paragraaf 5, en het federaal geschiktheidsattest.
§ 8. De kandidaat die een federaal geschiktheidsattest voor het basiskader behaald heeft en die kandidaat is voor een betrekking van sergeant zoals bedoeld in artikel 24 of voor een betrekking van kapitein zoals bedoeld in artikel 25, wordt vrijgesteld van de operationele handvaardigheidstest en de lichamelijke geschiktheidsproeven bedoeld in § 3, 2° en 3°, onverminderd de beperkte geldigheid van de lichamelijke geschiktheidsproeven, zoals bedoeld in § 6.
De kandidaat die een federaal geschiktheidsattest voor het middenkader behaald heeft en die kandidaat is voor een betrekking van kapitein zoals bedoeld in artikel 25, wordt vrijgesteld van de operationele handvaardigheidstest en de lichamelijke geschiktheidsproeven bedoeld in artikel 20, § 3, 2° en 3°, onverminderd de beperkte geldigheid van de lichamelijke geschiktheidsproeven, zoals bedoeld in § 6.
[1 § 9. De federale geschiktheidsattesten voor het basis-, midden- en hoger kader bedoeld in dit artikel zijn gelijkgesteld met de respectievelijke federale geschiktheidsattesten voor het basis-, midden- en hoger kader bedoeld in artikel 35 van het koninklijk besluit van 19 april 2014 tot bepaling van het administratief statuut van het operationeel personeel van de hulpverleningszones.]1
[2 ...]2
§ 2. De organisatie van de geschiktheidsproeven wordt bekendgemaakt, minstens in het Belgisch Staatsblad, via de website van [2 Werkenvoor.be]2 en via de website van de Algemene Directie Civiele Veiligheid van de FOD Binnenlandse Zaken, ten laatste dertig dagen voor de uiterste inschrijvingsdatum.
De bekendmaking vermeldt de te vervullen voorwaarden en de datum waarop ze moeten vervuld worden, de opgelegde proeven, de inhoud ervan en de uiterste datum voor de kandidaatstelling.
Om te kunnen deelnemen aan de geschiktheidsproeven vermeld in paragraaf 3 voldoen de kandidaten aan :
1° voor het basiskader : de voorwaarden, vermeld in artikel [2 23, § 1, 1°, 2°, 4° en 5°]2 ;
2° voor het middenkader : de voorwaarden, vermeld in artikel [2 24, § 1, 1°, 3°, 4° en 6°]2 ;
3° voor het hoger kader : de voorwaarden, vermeld in artikel [2 25, § 1, 1°, 3°, 4° en 6°]2.
§ 3. De kandidaten moeten [2 ...]2 slagen voor de volgende geschiktheidsproeven :
1° een competentietest, waarbij wordt nagegaan of een kandidaat beschikt over de competenties :
- Van het niveau van het zesde jaar middelbaar beroepsonderwijs voor het basiskader;
- gelijkwaardig aan deze vereist voor een diploma van niveau B voor het middenkader;
- gelijkwaardig aan deze vereist voor een diploma van niveau A voor het hoger kader.
2° een operationele handvaardigheidstest;
3° de lichamelijke geschiktheidsproeven, opgesomd in bijlage 1.
[2 In afwijking van het eerste lid, 1°, eerste streepje, wordt de kandidaat die in het bezit is van een diploma of een studiegetuigschrift van het zesde of zevende jaar secundair onderwijs, vrijgesteld van deze test voor het basiskader.]2
§ 4. De geschiktheidsproeven zijn eliminerend; de kandidaat wordt geschikt of ongeschikt verklaard.
§ 5. Om te kunnen deelnemen aan de proeven, vermeld in paragraaf 3, 3°, beschikken de kandidaten over een medisch attest. Dit attest, opgemaakt ten vroegste drie maanden voor de start van de lichamelijke proeven, verklaart dat de kandidaat in staat is de proeven af te leggen.
§ 6. De kandidaten die alle geschiktheidsproeven succesvol afleggen ontvangen een federaal geschiktheidsattest dat respectievelijk toegang geeft tot de aanwervingsproeven voor het personeel van het basiskader, het middenkader of het hoger kader. Het federaal geschiktheidsattest wordt verzonden in de maand die volgt op het afsluiten van het proces-verbaal van het geheel van de geschiktheidsproeven. Het federaal geschiktheidsattest is geldig voor onbepaalde duur, met uitzondering van de lichamelijke geschiktheidsproeven die gelden voor twee jaar vanaf de datum van het afsluiten van het proces-verbaal van het geheel van de geschiktheidsproeven.
[1 De geschiktheidsproeven worden georganiseerd onder de vorm van drie modules:
1° module 1: de competentietest;
2° module 2 : de operationele handvaardigheidstest;
3° module 3: de lichamelijke geschiktheidsproeven.]1
De kandidaten ontvangen een bewijs van deelname met vermelding "geslaagd" of "niet geslaagd" na elke module, met daarop de vermelding van de datum van het afleggen van de test.
§ 7. Zes maanden voor het verstrijken van de termijn van twee jaar, als vermeld in paragraaf 6, kan de kandidaat die de geldigheid van zijn federaal geschiktheidsattest wenst te verlengen voor het gedeelte van de lichamelijke geschiktheidsproeven, zich inschrijven voor de proeven. De kandidaat beschikt over het medisch attest, als vermeld in paragraaf 5, en het federaal geschiktheidsattest.
§ 8. De kandidaat die een federaal geschiktheidsattest voor het basiskader behaald heeft en die kandidaat is voor een betrekking van sergeant zoals bedoeld in artikel 24 of voor een betrekking van kapitein zoals bedoeld in artikel 25, wordt vrijgesteld van de operationele handvaardigheidstest en de lichamelijke geschiktheidsproeven bedoeld in § 3, 2° en 3°, onverminderd de beperkte geldigheid van de lichamelijke geschiktheidsproeven, zoals bedoeld in § 6.
De kandidaat die een federaal geschiktheidsattest voor het middenkader behaald heeft en die kandidaat is voor een betrekking van kapitein zoals bedoeld in artikel 25, wordt vrijgesteld van de operationele handvaardigheidstest en de lichamelijke geschiktheidsproeven bedoeld in artikel 20, § 3, 2° en 3°, onverminderd de beperkte geldigheid van de lichamelijke geschiktheidsproeven, zoals bedoeld in § 6.
[1 § 9. De federale geschiktheidsattesten voor het basis-, midden- en hoger kader bedoeld in dit artikel zijn gelijkgesteld met de respectievelijke federale geschiktheidsattesten voor het basis-, midden- en hoger kader bedoeld in artikel 35 van het koninklijk besluit van 19 april 2014 tot bepaling van het administratief statuut van het operationeel personeel van de hulpverleningszones.]1
Art. 20. § 1er. En fonction des besoins, le Président ou son délégué organise conformément aux modalités imposées par le Ministre, par le biais des centres de formation pour la sécurité civile, des épreuves d'aptitude spécifiques pour le cadre de base, moyen et supérieur visés à l'article 5 [2 préalablement à la première épreuve de]2 recrutement par le SPF Intérieur.
[2 ...]2
§ 2. L'organisation des épreuves d'aptitude est publiée au moins dans le Moniteur belge, sur le site internet de [2 Travaillerpour.be]2 et sur le site internet de la Direction générale de la Sécurité civile du SPF Intérieur, au plus tard trente jours avant la date limite d'inscription.
La publication mentionne les conditions à remplir et la date à laquelle elles doivent être remplies, les épreuves imposées, leur contenu et la date limite de dépôt des candidatures.
Pour pouvoir participer aux épreuves d'aptitude mentionnées au paragraphe 3, les candidats remplissent :
1° Pour le cadre de base, les conditions visées à l'article [2 23, § 1er, 1°, 2°, 4° et 5°]2 ;
2° Pour le cadre moyen, les conditions visées à l'article [2 24, § 1er, 1°, 3°, 4° et 6°]2 ;
3° Pour le cadre supérieur, les conditions visées à l'article [2 25, § 1er, 1°, 3°, 4° et 6°]2.
§ 3. Les candidats doivent réussir les épreuves d'aptitude suivantes [2 ...]2 :
1° un test de compétences, lors duquel il est vérifié si le candidat dispose des compétences:
- du niveau de la sixième année de l'enseignement secondaire professionnel pour le cadre de base;
- équivalentes à celles exigées d'un titulaire de diplôme de niveau B, pour le cadre moyen;
- équivalentes à celles exigées d'un titulaire de diplôme de niveau A, pour le cadre supérieur.
2° un test d'habileté manuelle opérationnelle;
3° les épreuves d'aptitude physique énumérées à l'annexe 1ère.
[2 Par dérogation à l'alinéa 1er, 1°, premier tiret, le candidat titulaire d'un certificat d'enseignement secondaire de sixième ou septième année est dispensé de cette épreuve d'aptitude pour le cadre de base.]2
§ 4. Les épreuves d'aptitude sont éliminatoires; le candidat est déclaré apte ou inapte.
§ 5. Pour pouvoir participer aux épreuves visées au paragraphe 3, 3°, les candidats disposent d'une attestation médicale. Cette attestation, établie au plus tôt trois mois avant le début des épreuves, déclare que le candidat est apte à effectuer les épreuves d'aptitude physique.
§ 6. Les candidats qui réussissent toutes les épreuves d'aptitude reçoivent un certificat d'aptitude fédéral qui donne accès respectivement aux épreuves de recrutement du personnel du cadre de base, du personnel du cadre moyen ou du personnel du cadre supérieur. Le certificat d'aptitude fédéral est envoyé dans le mois qui suit la date de clôture du procès-verbal de l'ensemble des épreuves d'aptitude. Le certificat d'aptitude fédéral est valable pour une durée indéterminée, à l'exception des épreuves d'aptitude physique qui sont valables pendant deux ans à partir de la date de clôture du procès-verbal de l'ensemble des épreuves d'aptitude.
[1 Les épreuves d'aptitudes sont organisées sous la forme de trois modules :
1° module 1 : le test de compétence ;
2° module 2 : le test d'habileté manuelle opérationnelle ;
3° module 3 : les épreuves d'aptitude physiques.]1
Les candidats reçoivent une attestation de participation avec la mention "réussite" ou "échec" à l'issue de chaque module, avec mention de la date de présentation du test.
§ 7. Six mois avant l'expiration du délai de deux ans, visé au paragraphe 6, le candidat qui souhaite prolonger la validité du certificat d'aptitude fédéral pour la partie des épreuves d'aptitude physique peut s'inscrire à ces épreuves. Le candidat dispose de l'attestation médicale visée au paragraphe 5 et du certificat d'aptitude fédérale.
§ 8. Le candidat qui a obtenu un certificat d'aptitude fédéral pour le cadre de base et qui est candidat pour une fonction de sergent visée à l'article 24 ou pour une fonction de capitaine visée à l'article 25, est exempté du test d'habileté manuelle opérationnelle et des épreuves d'aptitude physique visés au § 3, 2° et 3°, sous réserve de la période de validité limitée des épreuves d'aptitude physique prévue au § 6.
Le candidat qui a obtenu un certificat d'aptitude fédéral pour le cadre moyen et qui est candidat pour une fonction de capitaine visée à l'article 25, est exempté du test d'habileté manuelle opérationnelle et des épreuves d'aptitude physique visées à l'article 20, § 3, 2° et 3°, sous réserve de la période de validité limitée des épreuves d'aptitude physique prévue au § 6.
[1 § 9. Les certificats d'aptitude fédéraux pour le cadre de base, pour le cadre moyen et pour le cadre supérieur visés au présent article sont équivalents respectivement aux certificats d'aptitude fédéraux pour le cadre de base, pour le cadre moyen et pour le cadre supérieur visés à l'article 35 de l'arrêté royal du 19 avril 2014 portant le statut administratif du personnel opérationnel des zones de secours.]1
[2 ...]2
§ 2. L'organisation des épreuves d'aptitude est publiée au moins dans le Moniteur belge, sur le site internet de [2 Travaillerpour.be]2 et sur le site internet de la Direction générale de la Sécurité civile du SPF Intérieur, au plus tard trente jours avant la date limite d'inscription.
La publication mentionne les conditions à remplir et la date à laquelle elles doivent être remplies, les épreuves imposées, leur contenu et la date limite de dépôt des candidatures.
Pour pouvoir participer aux épreuves d'aptitude mentionnées au paragraphe 3, les candidats remplissent :
1° Pour le cadre de base, les conditions visées à l'article [2 23, § 1er, 1°, 2°, 4° et 5°]2 ;
2° Pour le cadre moyen, les conditions visées à l'article [2 24, § 1er, 1°, 3°, 4° et 6°]2 ;
3° Pour le cadre supérieur, les conditions visées à l'article [2 25, § 1er, 1°, 3°, 4° et 6°]2.
§ 3. Les candidats doivent réussir les épreuves d'aptitude suivantes [2 ...]2 :
1° un test de compétences, lors duquel il est vérifié si le candidat dispose des compétences:
- du niveau de la sixième année de l'enseignement secondaire professionnel pour le cadre de base;
- équivalentes à celles exigées d'un titulaire de diplôme de niveau B, pour le cadre moyen;
- équivalentes à celles exigées d'un titulaire de diplôme de niveau A, pour le cadre supérieur.
2° un test d'habileté manuelle opérationnelle;
3° les épreuves d'aptitude physique énumérées à l'annexe 1ère.
[2 Par dérogation à l'alinéa 1er, 1°, premier tiret, le candidat titulaire d'un certificat d'enseignement secondaire de sixième ou septième année est dispensé de cette épreuve d'aptitude pour le cadre de base.]2
§ 4. Les épreuves d'aptitude sont éliminatoires; le candidat est déclaré apte ou inapte.
§ 5. Pour pouvoir participer aux épreuves visées au paragraphe 3, 3°, les candidats disposent d'une attestation médicale. Cette attestation, établie au plus tôt trois mois avant le début des épreuves, déclare que le candidat est apte à effectuer les épreuves d'aptitude physique.
§ 6. Les candidats qui réussissent toutes les épreuves d'aptitude reçoivent un certificat d'aptitude fédéral qui donne accès respectivement aux épreuves de recrutement du personnel du cadre de base, du personnel du cadre moyen ou du personnel du cadre supérieur. Le certificat d'aptitude fédéral est envoyé dans le mois qui suit la date de clôture du procès-verbal de l'ensemble des épreuves d'aptitude. Le certificat d'aptitude fédéral est valable pour une durée indéterminée, à l'exception des épreuves d'aptitude physique qui sont valables pendant deux ans à partir de la date de clôture du procès-verbal de l'ensemble des épreuves d'aptitude.
[1 Les épreuves d'aptitudes sont organisées sous la forme de trois modules :
1° module 1 : le test de compétence ;
2° module 2 : le test d'habileté manuelle opérationnelle ;
3° module 3 : les épreuves d'aptitude physiques.]1
Les candidats reçoivent une attestation de participation avec la mention "réussite" ou "échec" à l'issue de chaque module, avec mention de la date de présentation du test.
§ 7. Six mois avant l'expiration du délai de deux ans, visé au paragraphe 6, le candidat qui souhaite prolonger la validité du certificat d'aptitude fédéral pour la partie des épreuves d'aptitude physique peut s'inscrire à ces épreuves. Le candidat dispose de l'attestation médicale visée au paragraphe 5 et du certificat d'aptitude fédérale.
§ 8. Le candidat qui a obtenu un certificat d'aptitude fédéral pour le cadre de base et qui est candidat pour une fonction de sergent visée à l'article 24 ou pour une fonction de capitaine visée à l'article 25, est exempté du test d'habileté manuelle opérationnelle et des épreuves d'aptitude physique visés au § 3, 2° et 3°, sous réserve de la période de validité limitée des épreuves d'aptitude physique prévue au § 6.
Le candidat qui a obtenu un certificat d'aptitude fédéral pour le cadre moyen et qui est candidat pour une fonction de capitaine visée à l'article 25, est exempté du test d'habileté manuelle opérationnelle et des épreuves d'aptitude physique visées à l'article 20, § 3, 2° et 3°, sous réserve de la période de validité limitée des épreuves d'aptitude physique prévue au § 6.
[1 § 9. Les certificats d'aptitude fédéraux pour le cadre de base, pour le cadre moyen et pour le cadre supérieur visés au présent article sont équivalents respectivement aux certificats d'aptitude fédéraux pour le cadre de base, pour le cadre moyen et pour le cadre supérieur visés à l'article 35 de l'arrêté royal du 19 avril 2014 portant le statut administratif du personnel opérationnel des zones de secours.]1
Art. 21. De kandidaten die niet [1 opdagen]1 voor de geschiktheidsproeven bedoeld in artikel 20, kunnen zich pas opnieuw inschrijven voor de geschiktheidsproeven voor hetzelfde kader na een wachttermijn van zes maanden vanaf [1 de datum van het niet verschijnen]1, behoudens overmacht [1 of om redenen buiten de wil van de kandidaat]1 beoordeeld door de directeur van het opleidingscentrum voor de civiele veiligheid.
Modifications
Art. 21. Les candidats qui [1 ne se présentent pas]1 aux épreuves d'aptitude visées à l'article 20 ne peuvent se réinscrire aux épreuves d'aptitude pour le même cadre qu'à l'issue d'un délai d'attente de six mois à dater de la [1 non-présentation]1, sauf en cas de force majeure [1 ou pour des motifs indépendants de la volonté du candidat appréciés]1 par le directeur du centre de formation.
Modifications
HOOFDSTUK II. - Oproep tot kandidaten
CHAPITRE II. - De l'appel aux candidats
Art. 22. Bij een vacante betrekking in de graad van sappeur, sergeant, kapitein of specialist, richt de Voorzitter of zijn afgevaardigde een oproep tot kandidaten, of richt een oproep tot de geslaagde kandidaten van de wervingsreserve zoals vermeld in artikel 23, § 3, vierde lid, artikel 24, § 3, vierde lid, artikel 25, § 3, vierde lid of artikel 26, § 2, vierde lid, in de volgorde van rangschikking. De oproep vermeldt of het om een betrekking van vrijwillig personeelslid en/of een betrekking van beroepspersoneelslid gaat. De oproep vermeldt tevens of de betrekking vacant is in een operationele eenheid of in de centrale diensten.
De oproep tot de kandidaten wordt minstens bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, via de website van [1 Werkenvoor.be]1, via de website van de Algemene Directie Civiele Veiligheid van de FOD Binnenlandse Zaken ten laatste dertig dagen voor de uiterste inschrijvingsdatum.
De bekendmaking van de oproep tot kandidaten is verplicht op straffe van nietigheid van de procedure.
De oproep tot de kandidaten vermeldt de te vervullen voorwaarden en de datum waarop ze vervuld moeten worden, de opgelegde proef of proeven en de inhoud ervan, de uiterste datum voor de kandidaatstelling evenals de praktische modaliteiten voor de indiening ervan, de reserve, een verwijzing naar de functiebeschrijving van de vacante betrekking en of het om een onmiddellijke vacature en/of om de aanleg van een werfreserve gaat.
De oproep tot de kandidaten wordt minstens bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, via de website van [1 Werkenvoor.be]1, via de website van de Algemene Directie Civiele Veiligheid van de FOD Binnenlandse Zaken ten laatste dertig dagen voor de uiterste inschrijvingsdatum.
De bekendmaking van de oproep tot kandidaten is verplicht op straffe van nietigheid van de procedure.
De oproep tot de kandidaten vermeldt de te vervullen voorwaarden en de datum waarop ze vervuld moeten worden, de opgelegde proef of proeven en de inhoud ervan, de uiterste datum voor de kandidaatstelling evenals de praktische modaliteiten voor de indiening ervan, de reserve, een verwijzing naar de functiebeschrijving van de vacante betrekking en of het om een onmiddellijke vacature en/of om de aanleg van een werfreserve gaat.
Modifications
Art. 22. Lors d'une vacance d'emploi aux grades de sapeur, de sergent, de capitaine ou de spécialiste, le Président ou son délégué lance un appel aux candidats, ou fait appel aux lauréats de la réserve de recrutement visée à l'article 23, § 3, alinéa 4, à l'article 24, § 3, alinéa 4, à l'article 25, § 3, alinéa 4 ou à l'article 26, § 2, alinéa 4, dans l'ordre du classement. L'appel mentionne s'il s'agit d'un emploi de membre du personnel volontaire ou de membre du personnel professionnel. L'appel mentionne également si l'emploi est vacant dans une unité opérationnelle ou dans les services centraux.
L'appel aux candidats est publié au moins au Moniteur belge, sur le site internet de [1 Travaillerpour.be]1, sur le site internet de la Direction générale de la Sécurité civile du SPF Intérieur, au plus tard trente jours avant la date limite d'inscription.
La publication de l'appel aux candidats est obligatoire sous peine de nullité de la procédure.
L'appel aux candidats mentionne les conditions à remplir et la date à laquelle elles doivent être remplies, l'épreuve ou les épreuves imposées et leur contenu, la date limite de dépôt des candidatures ainsi que les modalités pratiques de leur introduction, la réserve, une référence à la description de fonction de l'emploi vacant, et s'il s'agit d'une vacance d'emploi immédiate et/ou de la création d'une réserve de recrutement.
L'appel aux candidats est publié au moins au Moniteur belge, sur le site internet de [1 Travaillerpour.be]1, sur le site internet de la Direction générale de la Sécurité civile du SPF Intérieur, au plus tard trente jours avant la date limite d'inscription.
La publication de l'appel aux candidats est obligatoire sous peine de nullité de la procédure.
L'appel aux candidats mentionne les conditions à remplir et la date à laquelle elles doivent être remplies, l'épreuve ou les épreuves imposées et leur contenu, la date limite de dépôt des candidatures ainsi que les modalités pratiques de leur introduction, la réserve, une référence à la description de fonction de l'emploi vacant, et s'il s'agit d'une vacance d'emploi immédiate et/ou de la création d'une réserve de recrutement.
Modifications
HOOFDSTUK III. - De aanwerving van het personeel van het basiskader
CHAPITRE III. - Du recrutement du personnel du cadre de base
Art. 23. § 1. Kandidaten voor een betrekking van sappeur voldoen aan de volgende voorwaarden :
1° Belg zijn of de nationaliteit hebben van een ander land behorende tot de Europese Economisch Ruimte of van Zwitserland;
2° ten minste 18 jaar oud zijn;
3° een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking. De kandidaat bezorgt een uittreksel uit het strafregister dat afgeleverd dient te zijn binnen een termijn van drie maanden voorafgaand aan de uiterste datum voor het indienen van de kandidaturen;
4° de burgerlijke en politieke rechten genieten;
5° in orde zijn met de dienstplichtwetten;
6° houder zijn van rijbewijs B;
7° houder zijn van een federaal geschiktheidsattest voor het basiskader, het middenkader of het hoger kader als vermeld in artikel 20.
§ 2. [1 Wordt geacht te hebben voldaan aan de in paragraaf 1, 7° bedoelde voorwaarde:
1° het operationeel personeelslid dat in dienst is binnen de Civiele Bescherming in een land dat deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte of in Zwitserland;
2° het brandweerlid dat in dienst is in een openbare brandweer in een land dat deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte of in Zwitserland.]1
§ 3. De aanwerving is onderworpen aan het slagen in een vergelijkend examen, georganiseerd door de Voorzitter of zijn afgevaardigde, onder het toezicht van [2 Werkenvoor.be]2 inzake kwaliteitscontrole en methodologie.
Het vergelijkend examen bestaat uit één of meerdere proeven, waarvan minstens een mondeling interview, bedoeld om de motivatie, de inzetbaarheid en de overeenstemming van de kandidaat met de functiebeschrijving en de eenheid te testen.
De proeven kunnen eliminerend zijn.
De Minister bepaalt de inhoud van de proeven. De praktische organisatie van het vergelijkend examen kan door de Directeur-generaal toevertrouwd worden aan een opleidingscentrum voor civiele veiligheid.
De jury is samengesteld uit:
1° de voorzitter, wiens competenties inzake selectie gecertificeerd zijn zoals bedoeld in artikel 42, § 1, eerste lid, b) van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937;
2° twee personeelsleden van de FOD, waarvan minimum 1 operationeel personeelslid dat minstens dezelfde graad als die van de vacante betrekking heeft.
Alle leden van de jury behoren tot de taalrol van de kandidaten.
De geslaagde kandidaten worden opgenomen in een wervingsreserve die twee jaar geldig is. De geldigheidsduur kan ten hoogste twee keer voor twee jaar verlengd worden door de Voorzitter of zijn afgevaardigde.
Het resultaat van het vergelijkend examen wordt aan de betrokkene ter kennis gebracht door de Voorzitter of zijn afgevaardigde via een aangetekende brief of via elke drager met bewijskracht en vaste datum.
1° Belg zijn of de nationaliteit hebben van een ander land behorende tot de Europese Economisch Ruimte of van Zwitserland;
2° ten minste 18 jaar oud zijn;
3° een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking. De kandidaat bezorgt een uittreksel uit het strafregister dat afgeleverd dient te zijn binnen een termijn van drie maanden voorafgaand aan de uiterste datum voor het indienen van de kandidaturen;
4° de burgerlijke en politieke rechten genieten;
5° in orde zijn met de dienstplichtwetten;
6° houder zijn van rijbewijs B;
7° houder zijn van een federaal geschiktheidsattest voor het basiskader, het middenkader of het hoger kader als vermeld in artikel 20.
§ 2. [1 Wordt geacht te hebben voldaan aan de in paragraaf 1, 7° bedoelde voorwaarde:
1° het operationeel personeelslid dat in dienst is binnen de Civiele Bescherming in een land dat deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte of in Zwitserland;
2° het brandweerlid dat in dienst is in een openbare brandweer in een land dat deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte of in Zwitserland.]1
§ 3. De aanwerving is onderworpen aan het slagen in een vergelijkend examen, georganiseerd door de Voorzitter of zijn afgevaardigde, onder het toezicht van [2 Werkenvoor.be]2 inzake kwaliteitscontrole en methodologie.
Het vergelijkend examen bestaat uit één of meerdere proeven, waarvan minstens een mondeling interview, bedoeld om de motivatie, de inzetbaarheid en de overeenstemming van de kandidaat met de functiebeschrijving en de eenheid te testen.
De proeven kunnen eliminerend zijn.
De Minister bepaalt de inhoud van de proeven. De praktische organisatie van het vergelijkend examen kan door de Directeur-generaal toevertrouwd worden aan een opleidingscentrum voor civiele veiligheid.
De jury is samengesteld uit:
1° de voorzitter, wiens competenties inzake selectie gecertificeerd zijn zoals bedoeld in artikel 42, § 1, eerste lid, b) van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937;
2° twee personeelsleden van de FOD, waarvan minimum 1 operationeel personeelslid dat minstens dezelfde graad als die van de vacante betrekking heeft.
Alle leden van de jury behoren tot de taalrol van de kandidaten.
De geslaagde kandidaten worden opgenomen in een wervingsreserve die twee jaar geldig is. De geldigheidsduur kan ten hoogste twee keer voor twee jaar verlengd worden door de Voorzitter of zijn afgevaardigde.
Het resultaat van het vergelijkend examen wordt aan de betrokkene ter kennis gebracht door de Voorzitter of zijn afgevaardigde via een aangetekende brief of via elke drager met bewijskracht en vaste datum.
Art. 23. § 1er. Les candidats à un emploi de sapeur remplissent les conditions suivantes :
1° être Belge ou avoir la nationalité d'un autre Etat faisant partie de l'Espace Economique Européen ou de la Suisse;
2° être âgé de 18 ans au minimum;
3° avoir une conduite conforme aux exigences de la fonction visée. Le candidat fournit un extrait de casier judiciaire délivré dans un délai de trois mois précédant la date limite de dépôt des candidatures;
4° jouir des droits civils et politiques;
5° satisfaire aux lois sur la milice;
6° être titulaire du permis de conduire B;
7° être titulaire d'un certificat d'aptitude fédéral du cadre de base, du cadre moyen ou du cadre supérieur, tel que visé à l'article 20.
§ 2. [1 Est réputé avoir satisfait à la condition visée au paragraphe 1er, 7° :
1° le membre du personnel opérationnel en service au sein de la Protection civile dans un Etat faisant partie de l'Espace Economique Européen ou en Suisse ;
2° le pompier en service dans un service public d'incendie dans un Etat faisant partie de l'Espace Economique Européen ou en Suisse.]1
§ 3. Le recrutement est subordonné à la réussite d'un concours, organisé par le Président ou son délégué, sous la surveillance de [2 Travaillerpour.be]2 en ce qui concerne le contrôle qualité et la méthodologie.
Le concours consiste en une ou plusieurs épreuves, dont au moins un entretien oral, destiné à tester la motivation, l'engagement et la conformité du candidat avec la description de fonction et l'unité.
Les épreuves peuvent être éliminatoires.
Le Ministre détermine le contenu des épreuves. L'organisation pratique du concours peut être confiée par le Directeur général à un centre de formation pour la sécurité civile.
Le jury est composé comme suit:
1° le président, dont les compétences en matière de sélection sont certifiées comme prévu à l'article 42, § 1er, alinéa premier, b) de l'arrêté royal du 2 octobre 1937;
2° deux membres du personnel du SPF, dont minimum 1 est un membre du personnel opérationnel revêtu au moins du même grade que celui de la fonction vacante.
Tous les membres du jury relèvent du rôle linguistique des candidats.
Les lauréats sont versés dans une réserve de recrutement valable deux ans. Ce délai de validité peut être prolongé de maximum deux fois deux ans par le Président ou son délégué.
Le résultat du concours est notifié à l'intéressé par le Président ou son délégué soit par lettre recommandée soit par toutes autres voies qui confèrent au courrier valeur probante et date certaine.
1° être Belge ou avoir la nationalité d'un autre Etat faisant partie de l'Espace Economique Européen ou de la Suisse;
2° être âgé de 18 ans au minimum;
3° avoir une conduite conforme aux exigences de la fonction visée. Le candidat fournit un extrait de casier judiciaire délivré dans un délai de trois mois précédant la date limite de dépôt des candidatures;
4° jouir des droits civils et politiques;
5° satisfaire aux lois sur la milice;
6° être titulaire du permis de conduire B;
7° être titulaire d'un certificat d'aptitude fédéral du cadre de base, du cadre moyen ou du cadre supérieur, tel que visé à l'article 20.
§ 2. [1 Est réputé avoir satisfait à la condition visée au paragraphe 1er, 7° :
1° le membre du personnel opérationnel en service au sein de la Protection civile dans un Etat faisant partie de l'Espace Economique Européen ou en Suisse ;
2° le pompier en service dans un service public d'incendie dans un Etat faisant partie de l'Espace Economique Européen ou en Suisse.]1
§ 3. Le recrutement est subordonné à la réussite d'un concours, organisé par le Président ou son délégué, sous la surveillance de [2 Travaillerpour.be]2 en ce qui concerne le contrôle qualité et la méthodologie.
Le concours consiste en une ou plusieurs épreuves, dont au moins un entretien oral, destiné à tester la motivation, l'engagement et la conformité du candidat avec la description de fonction et l'unité.
Les épreuves peuvent être éliminatoires.
Le Ministre détermine le contenu des épreuves. L'organisation pratique du concours peut être confiée par le Directeur général à un centre de formation pour la sécurité civile.
Le jury est composé comme suit:
1° le président, dont les compétences en matière de sélection sont certifiées comme prévu à l'article 42, § 1er, alinéa premier, b) de l'arrêté royal du 2 octobre 1937;
2° deux membres du personnel du SPF, dont minimum 1 est un membre du personnel opérationnel revêtu au moins du même grade que celui de la fonction vacante.
Tous les membres du jury relèvent du rôle linguistique des candidats.
Les lauréats sont versés dans une réserve de recrutement valable deux ans. Ce délai de validité peut être prolongé de maximum deux fois deux ans par le Président ou son délégué.
Le résultat du concours est notifié à l'intéressé par le Président ou son délégué soit par lettre recommandée soit par toutes autres voies qui confèrent au courrier valeur probante et date certaine.
HOOFDSTUK IV. - De aanwerving van het personeel van het middenkader
CHAPITRE IV. - Du recrutement du personnel du cadre moyen
Art. 24. § 1. Kandidaten voor een betrekking van sergeant voldoen aan de volgende voorwaarden :
1° Belg zijn of de nationaliteit hebben van een ander land behorende tot de Europese Economisch Ruimte of van Zwitserland;
2° een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking. De kandidaat bezorgt een uittreksel uit het strafregister dat afgeleverd dient te zijn binnen een termijn van drie maanden voorafgaand aan de uiterste datum voor het indienen van de kandidaturen;
3° de burgerlijke en politieke rechten genieten;
4° in orde zijn met de dienstplichtwetten;
5° houder zijn van rijbewijs B;
6° houder zijn van een diploma van niveau B;
7° houder zijn van een federaal geschiktheidsattest voor het middenkader of het hoger kader als vermeld in artikel 20.
§ 2. [1 Wordt geacht te hebben voldaan aan de in paragraaf 1, 7° bedoelde voorwaarde:
1° de onderofficier of de officier die in dienst is binnen de Civiele Bescherming in een land dat deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte of in Zwitserland;
2° de onderofficier of de officier die in dienst is in een openbare brandweer in een land dat deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte of in Zwitserland.
Het personeelslid van het basiskader wordt vrijgesteld van de operationele handvaardigheidstest en de lichamelijke geschiktheidsproeven bedoeld in artikel 20, § 3, 2° en 3°.]1
§ 3. De aanwerving is onderworpen aan het slagen in een vergelijkend examen, georganiseerd door de Voorzitter of zijn afgevaardigde, onder het toezicht van [2 Werkenvoor.be]2 inzake kwaliteitscontrole en methodologie.
Het vergelijkend examen bestaat uit één of meerdere proeven, waarvan minstens een mondeling interview, bedoeld om de motivatie, de inzetbaarheid en de overeenstemming van de kandidaat met de functiebeschrijving en de eenheid te testen.
De proeven kunnen eliminerend zijn.
De Minister bepaalt de inhoud van de proeven. De praktische organisatie van het vergelijkend examen kan door de Directeur-generaal toevertrouwd worden aan een opleidingscentrum voor civiele veiligheid.
De jury is samengesteld uit:
1° de voorzitter, wiens competenties inzake selectie gecertificeerd zijn zoals bedoeld in artikel 42, § 1, eerste lid, b) van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937;
2° twee personeelsleden van de FOD, waarvan minimum 1 operationeel personeelslid dat minstens dezelfde graad als die van de vacante betrekking heeft.
Alle leden van de jury behoren tot de taalrol van de kandidaten.
De geslaagde kandidaten worden opgenomen in een wervingsreserve die twee jaar geldig is. De geldigheidsduur kan ten hoogste twee keer voor twee jaar verlengd worden door de Voorzitter of zijn afgevaardigde.
Het resultaat van het vergelijkend examen wordt de betrokkene ter kennis gebracht door de Voorzitter of zijn afgevaardigde via een aangetekende brief of via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum.
1° Belg zijn of de nationaliteit hebben van een ander land behorende tot de Europese Economisch Ruimte of van Zwitserland;
2° een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking. De kandidaat bezorgt een uittreksel uit het strafregister dat afgeleverd dient te zijn binnen een termijn van drie maanden voorafgaand aan de uiterste datum voor het indienen van de kandidaturen;
3° de burgerlijke en politieke rechten genieten;
4° in orde zijn met de dienstplichtwetten;
5° houder zijn van rijbewijs B;
6° houder zijn van een diploma van niveau B;
7° houder zijn van een federaal geschiktheidsattest voor het middenkader of het hoger kader als vermeld in artikel 20.
§ 2. [1 Wordt geacht te hebben voldaan aan de in paragraaf 1, 7° bedoelde voorwaarde:
1° de onderofficier of de officier die in dienst is binnen de Civiele Bescherming in een land dat deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte of in Zwitserland;
2° de onderofficier of de officier die in dienst is in een openbare brandweer in een land dat deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte of in Zwitserland.
Het personeelslid van het basiskader wordt vrijgesteld van de operationele handvaardigheidstest en de lichamelijke geschiktheidsproeven bedoeld in artikel 20, § 3, 2° en 3°.]1
§ 3. De aanwerving is onderworpen aan het slagen in een vergelijkend examen, georganiseerd door de Voorzitter of zijn afgevaardigde, onder het toezicht van [2 Werkenvoor.be]2 inzake kwaliteitscontrole en methodologie.
Het vergelijkend examen bestaat uit één of meerdere proeven, waarvan minstens een mondeling interview, bedoeld om de motivatie, de inzetbaarheid en de overeenstemming van de kandidaat met de functiebeschrijving en de eenheid te testen.
De proeven kunnen eliminerend zijn.
De Minister bepaalt de inhoud van de proeven. De praktische organisatie van het vergelijkend examen kan door de Directeur-generaal toevertrouwd worden aan een opleidingscentrum voor civiele veiligheid.
De jury is samengesteld uit:
1° de voorzitter, wiens competenties inzake selectie gecertificeerd zijn zoals bedoeld in artikel 42, § 1, eerste lid, b) van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937;
2° twee personeelsleden van de FOD, waarvan minimum 1 operationeel personeelslid dat minstens dezelfde graad als die van de vacante betrekking heeft.
Alle leden van de jury behoren tot de taalrol van de kandidaten.
De geslaagde kandidaten worden opgenomen in een wervingsreserve die twee jaar geldig is. De geldigheidsduur kan ten hoogste twee keer voor twee jaar verlengd worden door de Voorzitter of zijn afgevaardigde.
Het resultaat van het vergelijkend examen wordt de betrokkene ter kennis gebracht door de Voorzitter of zijn afgevaardigde via een aangetekende brief of via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum.
Art. 24. § 1er. Les candidats à un emploi de sergent remplissent les conditions suivantes :
1° être Belge ou avoir la nationalité d'un autre Etat faisant partie de l'Espace Economique Européen ou de la Suisse;
2° avoir une conduite conforme aux exigences de la fonction visée. Le candidat fournit un extrait de casier judiciaire délivré dans un délai de trois mois précédant la date limite de dépôt des candidatures;
3° jouir des droits civils et politiques;
4° satisfaire aux lois sur la milice;
5° être titulaire du permis de conduire B;
6° être titulaire d'un diplôme de niveau B;
7° être titulaire d'un certificat d'aptitude fédéral du cadre moyen ou du cadre supérieur, tel que visé à l'article 20.
§ 2. [1 Est réputé avoir satisfait à la condition visée au paragraphe 1er, 7° :
1° le sous-officier ou l'officier en service au sein de la Protection civile dans un Etat faisant partie de l'Espace Economique Européen ou en Suisse ;
2° le sous-officier ou l'officier en service dans un service public d'incendie dans un Etat faisant partie de l'Espace Economique Européen ou en Suisse.
Le membre du personnel du cadre de base est dispensé du test d'habileté manuelle opérationnelle et des épreuves d'aptitude physiques visés à l'article 20, § 3, 2° et 3°.]1
§ 3. Le recrutement est subordonné à la réussite d'un concours, organisé par le Président ou son délégué, sous la surveillance de [2 Travaillerpour.be]2 en ce qui concerne le contrôle qualité et la méthodologie.
Le concours consiste en une ou plusieurs épreuves, dont au moins un entretien oral, destiné à tester la motivation, l'engagement et la conformité du candidat avec la description de fonction et l'unité.
Les épreuves peuvent être éliminatoires.
Le Ministre détermine le contenu des épreuves. L'organisation pratique du concours peut être confiée par le Directeur général à un centre de formation pour la sécurité civile.
Le jury est composé comme suit:
1° le président, dont les compétences en matière de sélection sont certifiées comme prévu à l'article 42, § 1er, alinéa premier, b) de l'arrêté royal du 2 octobre 1937;
2° deux membres du personnel du SPF, dont minimum 1 est un membre du personnel opérationnel revêtu au moins du même grade que celui de la fonction vacante.
Tous les membres du jury relèvent du rôle linguistique des candidats.
Les lauréats sont versés dans une réserve de recrutement valable deux ans. Cette validité peut être prolongée de maximum deux fois deux ans par le Président ou son délégué.
Le résultat du concours est notifié à l'intéressé par le Président ou son délégué soit par lettre recommandée soit par toutes autres voies qui confèrent au courrier valeur probante et date certaine.
1° être Belge ou avoir la nationalité d'un autre Etat faisant partie de l'Espace Economique Européen ou de la Suisse;
2° avoir une conduite conforme aux exigences de la fonction visée. Le candidat fournit un extrait de casier judiciaire délivré dans un délai de trois mois précédant la date limite de dépôt des candidatures;
3° jouir des droits civils et politiques;
4° satisfaire aux lois sur la milice;
5° être titulaire du permis de conduire B;
6° être titulaire d'un diplôme de niveau B;
7° être titulaire d'un certificat d'aptitude fédéral du cadre moyen ou du cadre supérieur, tel que visé à l'article 20.
§ 2. [1 Est réputé avoir satisfait à la condition visée au paragraphe 1er, 7° :
1° le sous-officier ou l'officier en service au sein de la Protection civile dans un Etat faisant partie de l'Espace Economique Européen ou en Suisse ;
2° le sous-officier ou l'officier en service dans un service public d'incendie dans un Etat faisant partie de l'Espace Economique Européen ou en Suisse.
Le membre du personnel du cadre de base est dispensé du test d'habileté manuelle opérationnelle et des épreuves d'aptitude physiques visés à l'article 20, § 3, 2° et 3°.]1
§ 3. Le recrutement est subordonné à la réussite d'un concours, organisé par le Président ou son délégué, sous la surveillance de [2 Travaillerpour.be]2 en ce qui concerne le contrôle qualité et la méthodologie.
Le concours consiste en une ou plusieurs épreuves, dont au moins un entretien oral, destiné à tester la motivation, l'engagement et la conformité du candidat avec la description de fonction et l'unité.
Les épreuves peuvent être éliminatoires.
Le Ministre détermine le contenu des épreuves. L'organisation pratique du concours peut être confiée par le Directeur général à un centre de formation pour la sécurité civile.
Le jury est composé comme suit:
1° le président, dont les compétences en matière de sélection sont certifiées comme prévu à l'article 42, § 1er, alinéa premier, b) de l'arrêté royal du 2 octobre 1937;
2° deux membres du personnel du SPF, dont minimum 1 est un membre du personnel opérationnel revêtu au moins du même grade que celui de la fonction vacante.
Tous les membres du jury relèvent du rôle linguistique des candidats.
Les lauréats sont versés dans une réserve de recrutement valable deux ans. Cette validité peut être prolongée de maximum deux fois deux ans par le Président ou son délégué.
Le résultat du concours est notifié à l'intéressé par le Président ou son délégué soit par lettre recommandée soit par toutes autres voies qui confèrent au courrier valeur probante et date certaine.
HOOFDSTUK V. - De aanwerving van het personeel van het hoger kader
CHAPITRE V. - Du recrutement du personnel du cadre supérieur
Art. 25. § 1. Kandidaten voor een betrekking van kapitein voldoen aan de volgende voorwaarden :
1° Belg zijn;
2° een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking. De kandidaat bezorgt een uittreksel uit het strafregister dat afgeleverd dient te zijn binnen een termijn van drie maanden voorafgaand aan de uiterste datum voor het indienen van de kandidaturen;
3° de burgerlijke en politieke rechten genieten;
4° in orde zijn met de dienstplichtwetten;
5° houder zijn van rijbewijs B;
6° houder zijn van een diploma van niveau A;
7° houder zijn van een federaal geschiktheidsattest voor het hoger kader als vermeld in artikel 20.
§ 2. [1 Wordt geacht te hebben voldaan aan de in paragraaf 1, 7° bedoelde voorwaarde:
1° de kapitein, majoor of kolonel die in dienst is binnen de Civiele Bescherming in een land dat deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte of in Zwitserland;
2° de kapitein, majoor of kolonel die in dienst is in een openbare brandweer in een land dat deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte of in Zwitserland.
Het personeelslid dat geen kapitein, majoor of kolonel is wordt vrijgesteld van de operationele handvaardigheidstest en de lichamelijke geschiktheidsproeven bedoeld in artikel 20, § 3, 2° en 3°.]1
§ 3. De aanwerving is onderworpen aan het slagen in een vergelijkend examen, georganiseerd door de Voorzitter of zijn afgevaardigde, onder het toezicht van [2 Werkenvoor.be]2 inzake kwaliteitscontrole en methodologie.
Het vergelijkend examen bestaat uit één of meerdere proeven, waarvan minstens een mondeling interview, bedoeld om de motivatie, de inzetbaarheid en de overeenstemming van de kandidaat met de functiebeschrijving en de eenheid of dienst te testen.
De proeven kunnen eliminerend zijn.
De Minister bepaalt de inhoud van de proeven. De praktische organisatie van het vergelijkend examen kan door de directeur-generaal toevertrouwd worden aan een opleidingscentrum voor civiele veiligheid
De jury is samengesteld uit:
1° de voorzitter, wiens competenties inzake selectie gecertificeerd zijn zoals bedoeld in artikel 42, § 1, eerste lid, b) van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937;
2° twee personeelsleden van de FOD, waarvan minimum 1 operationeel personeelslid dat minstens dezelfde graad als die van de vacante betrekking heeft.
Alle leden van de jury behoren tot de taalrol van de kandidaten.
De geslaagde kandidaten worden opgenomen in een wervingsreserve die twee jaar geldig is. De geldigheidsduur kan ten hoogste twee keer voor twee jaar verlengd worden door de Voorzitter of zijn afgevaardigde.
Het resultaat van het vergelijkend examen wordt aan de betrokkene ter kennis gebracht door de Voorzitter of zijn afgevaardigde via een aangetekende brief of via elke drager met bewijskracht en vaste datum.
1° Belg zijn;
2° een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking. De kandidaat bezorgt een uittreksel uit het strafregister dat afgeleverd dient te zijn binnen een termijn van drie maanden voorafgaand aan de uiterste datum voor het indienen van de kandidaturen;
3° de burgerlijke en politieke rechten genieten;
4° in orde zijn met de dienstplichtwetten;
5° houder zijn van rijbewijs B;
6° houder zijn van een diploma van niveau A;
7° houder zijn van een federaal geschiktheidsattest voor het hoger kader als vermeld in artikel 20.
§ 2. [1 Wordt geacht te hebben voldaan aan de in paragraaf 1, 7° bedoelde voorwaarde:
1° de kapitein, majoor of kolonel die in dienst is binnen de Civiele Bescherming in een land dat deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte of in Zwitserland;
2° de kapitein, majoor of kolonel die in dienst is in een openbare brandweer in een land dat deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte of in Zwitserland.
Het personeelslid dat geen kapitein, majoor of kolonel is wordt vrijgesteld van de operationele handvaardigheidstest en de lichamelijke geschiktheidsproeven bedoeld in artikel 20, § 3, 2° en 3°.]1
§ 3. De aanwerving is onderworpen aan het slagen in een vergelijkend examen, georganiseerd door de Voorzitter of zijn afgevaardigde, onder het toezicht van [2 Werkenvoor.be]2 inzake kwaliteitscontrole en methodologie.
Het vergelijkend examen bestaat uit één of meerdere proeven, waarvan minstens een mondeling interview, bedoeld om de motivatie, de inzetbaarheid en de overeenstemming van de kandidaat met de functiebeschrijving en de eenheid of dienst te testen.
De proeven kunnen eliminerend zijn.
De Minister bepaalt de inhoud van de proeven. De praktische organisatie van het vergelijkend examen kan door de directeur-generaal toevertrouwd worden aan een opleidingscentrum voor civiele veiligheid
De jury is samengesteld uit:
1° de voorzitter, wiens competenties inzake selectie gecertificeerd zijn zoals bedoeld in artikel 42, § 1, eerste lid, b) van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937;
2° twee personeelsleden van de FOD, waarvan minimum 1 operationeel personeelslid dat minstens dezelfde graad als die van de vacante betrekking heeft.
Alle leden van de jury behoren tot de taalrol van de kandidaten.
De geslaagde kandidaten worden opgenomen in een wervingsreserve die twee jaar geldig is. De geldigheidsduur kan ten hoogste twee keer voor twee jaar verlengd worden door de Voorzitter of zijn afgevaardigde.
Het resultaat van het vergelijkend examen wordt aan de betrokkene ter kennis gebracht door de Voorzitter of zijn afgevaardigde via een aangetekende brief of via elke drager met bewijskracht en vaste datum.
Art. 25. § 1er. Les candidats à un emploi de capitaine remplissent les conditions suivantes :
1° être Belge;
2° avoir une conduite conforme aux exigences de la fonction visée. Le candidat fournit un extrait du casier judiciaire délivré dans un délai de trois mois précédant la date limite de dépôt des candidatures;
3° jouir des droits civils et politiques;
4° satisfaire aux lois sur la milice;
5° être titulaire du permis de conduire B;
6° être titulaire d'un diplôme de niveau A;
7° être titulaire d'un certificat d'aptitude fédéral du cadre supérieur tel que visé à l'article 20.
§ 2. [1 Est réputé avoir satisfait à la condition visée au paragraphe 1er, 7° :
1° le capitaine, major ou colonel en service au sein de la Protection civile dans un Etat faisant partie de l'Espace Economique Européen ou en Suisse ;
2° le capitaine, major ou colonel en service dans un service public d'incendie dans un Etat faisant partie de l'Espace Economique Européen ou en Suisse.
Le membre du personnel qui n'est pas capitaine, major ou colonel est dispensé du test d'habileté manuelle opérationnelle et des épreuves d'aptitude physiques visés à l'article 20, § 3, 2° et 3°.]1
§ 3. Le recrutement est subordonné à la réussite d'un concours, organisé par le Président ou son délégué, sous la surveillance de [2 Travaillerpour.be]2 en ce qui concerne le contrôle qualité et la méthodologie.
Le concours consiste en une ou plusieurs épreuves, dont au moins un entretien oral, destiné à tester la motivation, l'engagement et la conformité du candidat avec la description de fonction et l'unité ou le service.
Les épreuves peuvent être éliminatoires.
Le Ministre détermine le contenu des épreuves. L'organisation pratique du concours peut être confiée par le directeur général à un centre de formation pour la sécurité civile.
Le jury est composé comme suit:
1° le président, dont les compétences en matière de sélection sont certifiées comme prévu à l'article 42, § 1er, alinéa premier, b) de l'arrêté royal du 2 octobre 1937;
2° deux membres du personnel du SPF, dont minimum 1 est un membre du personnel opérationnel revêtu au moins du même grade que celui de la fonction vacante.
Tous les membres du jury relèvent du rôle linguistique des candidats.
Les lauréats sont versés dans une réserve de recrutement valable deux ans. Cette validité peut être prolongée de maximum deux fois deux ans par le Président ou son délégué.
Le résultat du concours est notifié à l'intéressé par le Président ou son délégué soit par lettre recommandée soit par toutes autres voies qui confèrent au courrier valeur probante et date certaine.
1° être Belge;
2° avoir une conduite conforme aux exigences de la fonction visée. Le candidat fournit un extrait du casier judiciaire délivré dans un délai de trois mois précédant la date limite de dépôt des candidatures;
3° jouir des droits civils et politiques;
4° satisfaire aux lois sur la milice;
5° être titulaire du permis de conduire B;
6° être titulaire d'un diplôme de niveau A;
7° être titulaire d'un certificat d'aptitude fédéral du cadre supérieur tel que visé à l'article 20.
§ 2. [1 Est réputé avoir satisfait à la condition visée au paragraphe 1er, 7° :
1° le capitaine, major ou colonel en service au sein de la Protection civile dans un Etat faisant partie de l'Espace Economique Européen ou en Suisse ;
2° le capitaine, major ou colonel en service dans un service public d'incendie dans un Etat faisant partie de l'Espace Economique Européen ou en Suisse.
Le membre du personnel qui n'est pas capitaine, major ou colonel est dispensé du test d'habileté manuelle opérationnelle et des épreuves d'aptitude physiques visés à l'article 20, § 3, 2° et 3°.]1
§ 3. Le recrutement est subordonné à la réussite d'un concours, organisé par le Président ou son délégué, sous la surveillance de [2 Travaillerpour.be]2 en ce qui concerne le contrôle qualité et la méthodologie.
Le concours consiste en une ou plusieurs épreuves, dont au moins un entretien oral, destiné à tester la motivation, l'engagement et la conformité du candidat avec la description de fonction et l'unité ou le service.
Les épreuves peuvent être éliminatoires.
Le Ministre détermine le contenu des épreuves. L'organisation pratique du concours peut être confiée par le directeur général à un centre de formation pour la sécurité civile.
Le jury est composé comme suit:
1° le président, dont les compétences en matière de sélection sont certifiées comme prévu à l'article 42, § 1er, alinéa premier, b) de l'arrêté royal du 2 octobre 1937;
2° deux membres du personnel du SPF, dont minimum 1 est un membre du personnel opérationnel revêtu au moins du même grade que celui de la fonction vacante.
Tous les membres du jury relèvent du rôle linguistique des candidats.
Les lauréats sont versés dans une réserve de recrutement valable deux ans. Cette validité peut être prolongée de maximum deux fois deux ans par le Président ou son délégué.
Le résultat du concours est notifié à l'intéressé par le Président ou son délégué soit par lettre recommandée soit par toutes autres voies qui confèrent au courrier valeur probante et date certaine.
HOOFDSTUK VI. - Aanwerving van de vrijwilliger-specialist
CHAPITRE VI. - Du recrutement du volontaire spécialiste
Art. 26. § 1. Kandidaten voor een betrekking van vrijwilliger-specialist voldoen aan de volgende voorwaarden:
1° Belg zijn of de nationaliteit hebben van een ander land behorende tot de Europese Economisch Ruimte of van Zwitserland;
2° ten minste 18 jaar oud zijn;
3° een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking. De kandidaat bezorgt een uittreksel uit het strafregister dat afgeleverd dient te zijn binnen een termijn van drie maanden voorafgaand aan de uiterste datum voor het indienen van de kandidaturen;
4° de burgerlijke en politieke rechten genieten;
5° in orde zijn met de dienstplichtwetten;
6° houder zijn van rijbewijs B;
7° houder zijn:
a) van een diploma van niveau A voor de vrijwilligers-specialisten S4;
b) van een diploma van niveau B voor de vrijwilligers-specialisten S3;
c) van een diploma van niveau C voor de vrijwilligers-specialisten S2;
Er is geen diploma vereist voor de vrijwilligers-specialisten S1.
§ 2. De aanwerving is onderworpen aan het slagen in een vergelijkend examen, georganiseerd door de Voorzitter of zijn afgevaardigde, onder het toezicht van [1 Werkenvoor.be]1 inzake kwaliteitscontrole en methodologie.
Het vergelijkend examen bestaat uit één of meerdere proeven, waarvan minstens een mondeling interview, bedoeld om de motivatie, de inzetbaarheid en de overeenstemming van de kandidaat met de functiebeschrijving en de eenheid te testen.
De proeven kunnen eliminerend zijn.
De Minister bepaalt de inhoud van de proeven. De praktische organisatie van het vergelijkend examen kan door de Directeur-generaal toevertrouwd worden aan een opleidingscentrum voor civiele veiligheid.
De jury is samengesteld uit:
1° de voorzitter, wiens competenties inzake selectie gecertificeerd zijn zoals bedoeld in artikel 42, § 1, eerste lid, b) van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937;
2° twee personeelsleden van de FOD, waarvan minimum 1 operationeel personeelslid.
Alle leden van de jury behoren tot de taalrol van de kandidaten.
De geslaagde kandidaten worden opgenomen in een wervingsreserve die twee jaar geldig is. De geldigheidsduur kan ten hoogste twee keer voor twee jaar verlengd worden door de Voorzitter of zijn afgevaardigde.
Het resultaat van het vergelijkend examen wordt de betrokkene ter kennis gebracht door de Voorzitter of zijn afgevaardigde via een aangetekende brief of via elke drager met bewijskracht en vaste datum.
De kandidaten uit de reserve moeten slagen voor een eliminerend medisch onderzoek zoals bedoeld in artikel I.4-26 van de Codex over het welzijn op het werk, alvorens benoemd te kunnen worden.
1° Belg zijn of de nationaliteit hebben van een ander land behorende tot de Europese Economisch Ruimte of van Zwitserland;
2° ten minste 18 jaar oud zijn;
3° een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking. De kandidaat bezorgt een uittreksel uit het strafregister dat afgeleverd dient te zijn binnen een termijn van drie maanden voorafgaand aan de uiterste datum voor het indienen van de kandidaturen;
4° de burgerlijke en politieke rechten genieten;
5° in orde zijn met de dienstplichtwetten;
6° houder zijn van rijbewijs B;
7° houder zijn:
a) van een diploma van niveau A voor de vrijwilligers-specialisten S4;
b) van een diploma van niveau B voor de vrijwilligers-specialisten S3;
c) van een diploma van niveau C voor de vrijwilligers-specialisten S2;
Er is geen diploma vereist voor de vrijwilligers-specialisten S1.
§ 2. De aanwerving is onderworpen aan het slagen in een vergelijkend examen, georganiseerd door de Voorzitter of zijn afgevaardigde, onder het toezicht van [1 Werkenvoor.be]1 inzake kwaliteitscontrole en methodologie.
Het vergelijkend examen bestaat uit één of meerdere proeven, waarvan minstens een mondeling interview, bedoeld om de motivatie, de inzetbaarheid en de overeenstemming van de kandidaat met de functiebeschrijving en de eenheid te testen.
De proeven kunnen eliminerend zijn.
De Minister bepaalt de inhoud van de proeven. De praktische organisatie van het vergelijkend examen kan door de Directeur-generaal toevertrouwd worden aan een opleidingscentrum voor civiele veiligheid.
De jury is samengesteld uit:
1° de voorzitter, wiens competenties inzake selectie gecertificeerd zijn zoals bedoeld in artikel 42, § 1, eerste lid, b) van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937;
2° twee personeelsleden van de FOD, waarvan minimum 1 operationeel personeelslid.
Alle leden van de jury behoren tot de taalrol van de kandidaten.
De geslaagde kandidaten worden opgenomen in een wervingsreserve die twee jaar geldig is. De geldigheidsduur kan ten hoogste twee keer voor twee jaar verlengd worden door de Voorzitter of zijn afgevaardigde.
Het resultaat van het vergelijkend examen wordt de betrokkene ter kennis gebracht door de Voorzitter of zijn afgevaardigde via een aangetekende brief of via elke drager met bewijskracht en vaste datum.
De kandidaten uit de reserve moeten slagen voor een eliminerend medisch onderzoek zoals bedoeld in artikel I.4-26 van de Codex over het welzijn op het werk, alvorens benoemd te kunnen worden.
Modifications
Art. 26. § 1er. Les candidats à un emploi de volontaire spécialiste remplissent les conditions suivantes :
1° être Belge ou avoir la nationalité d'un autre Etat faisant partie de l'Espace Economique Européen ou de la Suisse;
2° être âgé de 18 ans au minimum;
3° avoir une conduite conforme aux exigences de la fonction visée. Le candidat fournit un extrait de casier judiciaire délivré dans un délai de trois mois précédant la date limite de dépôt des candidatures;
4° jouir des droits civils et politiques;
5° satisfaire aux lois sur la milice;
6° être titulaire du permis de conduire B;
7° être titulaire :
a) d'un diplôme de niveau A pour volontaires spécialistes S4;
b) d'un diplôme de niveau B pour les volontaires spécialistes S3;
c) d'un diplôme de niveau C pour les volontaires spécialistes S2;
Aucun diplôme particulier n'est requis pour les volontaires spécialistes S1.
§ 2. Le recrutement est subordonné à la réussite d'un concours, organisé par le Président ou son délégué, sous la surveillance de [1 Travaillerpour.be]1 en ce qui concerne le contrôle qualité et la méthodologie.
Le concours consiste en une ou plusieurs épreuves, dont au moins un entretien oral, destiné à tester la motivation, l'engagement et la conformité du candidat avec la description de fonction et l'unité.
Les épreuves peuvent être éliminatoires.
Le Ministre détermine le contenu des épreuves. L'organisation pratique du concours peut être confiée par le Directeur général à un centre de formation pour la sécurité civile.
Le jury est composé comme suit:
1° le président, dont les compétences en matière de sélection sont certifiées comme prévu à l'article 42, § 1, alinéa premier, b) de l'arrêté royal du 2 octobre 1937;
2° deux membres du personnel du SPF, dont minimum 1 est un membre du personnel opérationnel.
Tous les membres du jury relèvent du rôle linguistique des candidats.
Les lauréats sont versés dans une réserve de recrutement valable deux ans. Ce délai de validité peut être prolongé de maximum deux fois deux ans par le Président ou son délégué.
Le résultat du concours est notifié à l'intéressé par le Président ou son délégué soit par lettre recommandée soit par toutes autres voies qui confèrent au courrier valeur probante et date certaine.
Les candidats de la réserve doivent réussir un examen médical éliminatoire, tel que défini à l'article I.4-26 du Code du bien-être au travail, pour pouvoir être nommés.
1° être Belge ou avoir la nationalité d'un autre Etat faisant partie de l'Espace Economique Européen ou de la Suisse;
2° être âgé de 18 ans au minimum;
3° avoir une conduite conforme aux exigences de la fonction visée. Le candidat fournit un extrait de casier judiciaire délivré dans un délai de trois mois précédant la date limite de dépôt des candidatures;
4° jouir des droits civils et politiques;
5° satisfaire aux lois sur la milice;
6° être titulaire du permis de conduire B;
7° être titulaire :
a) d'un diplôme de niveau A pour volontaires spécialistes S4;
b) d'un diplôme de niveau B pour les volontaires spécialistes S3;
c) d'un diplôme de niveau C pour les volontaires spécialistes S2;
Aucun diplôme particulier n'est requis pour les volontaires spécialistes S1.
§ 2. Le recrutement est subordonné à la réussite d'un concours, organisé par le Président ou son délégué, sous la surveillance de [1 Travaillerpour.be]1 en ce qui concerne le contrôle qualité et la méthodologie.
Le concours consiste en une ou plusieurs épreuves, dont au moins un entretien oral, destiné à tester la motivation, l'engagement et la conformité du candidat avec la description de fonction et l'unité.
Les épreuves peuvent être éliminatoires.
Le Ministre détermine le contenu des épreuves. L'organisation pratique du concours peut être confiée par le Directeur général à un centre de formation pour la sécurité civile.
Le jury est composé comme suit:
1° le président, dont les compétences en matière de sélection sont certifiées comme prévu à l'article 42, § 1, alinéa premier, b) de l'arrêté royal du 2 octobre 1937;
2° deux membres du personnel du SPF, dont minimum 1 est un membre du personnel opérationnel.
Tous les membres du jury relèvent du rôle linguistique des candidats.
Les lauréats sont versés dans une réserve de recrutement valable deux ans. Ce délai de validité peut être prolongé de maximum deux fois deux ans par le Président ou son délégué.
Le résultat du concours est notifié à l'intéressé par le Président ou son délégué soit par lettre recommandée soit par toutes autres voies qui confèrent au courrier valeur probante et date certaine.
Les candidats de la réserve doivent réussir un examen médical éliminatoire, tel que défini à l'article I.4-26 du Code du bien-être au travail, pour pouvoir être nommés.
Modifications
TITEL II. - De aanwervingsstage
TITRE II. - Du stage de recrutement
Art. 27. Deze titel is niet van toepassing op de vrijwilliger-specialist bedoeld in artikel 26.
Art. 27. Ce titre ne s'applique pas au volontaire spécialiste visé à l'article 26.
Art. 28. De kandidaten uit de reserve die een eliminerend medisch onderzoek zoals bedoeld in artikel I.4-26 van de Codex over het welzijn op het werk ondergaan hebben [2 en die een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking gebaseerd op een uittreksel uit het strafregister afgeleverd binnen een termijn van drie maanden voorafgaand aan de datum van toelating tot de stage]2, worden toegelaten tot de aanwervingsstage in orde van rangschikking resulterend uit de proeven.
De toelating tot de stage gebeurt door de Voorzitter of zijn afgevaardigde voor de beroepspersoneelsleden en door de directeur-generaal voor de vrijwillige personeelsleden.
Elke benoeming wordt voorafgegaan door een stageperiode.
De aanwervingsstage begint de dag van de indiensttreding. Hij start met het volgen van de opleiding nodig voor het door Ons bepaalde brevet dat vereist is voor de functie waarvoor de stagiair aangeworven wordt. De directeur-generaal bepaalt de theoretische en praktische vorming die door de stagiair gevolgd wordt in de dienst.
De evaluator zoals bedoeld in [1 artikel 40 van het koninklijk besluit van 14 januari 2022 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt]1 wordt aangewezen door de eenheidschef.
De evaluator houdt door middel van een logboek bij welke opleidingen de stagiair volgt, en treedt op als referentiepersoon met ervaring. [4 De inzetbaarheid van een stagiair voor een opdracht is afhankelijk van de behaalde modulecertificaten, bedoeld in artikel 15 van het koninklijk besluit van 12 juli 2019 betreffende de opleiding van de leden van de Civiele Bescherming en tot wijziging van diverse koninklijke besluiten.]4 [4 De evaluator]4 waakt erover dat de stagiair enkel aan de operaties deelneemt of de operaties leidt, in functie van zijn graad, in de mate dat zijn theoretische en praktische vorming dat toelaat.
Tijdens de stage moet er om de drie maanden een functioneringsgesprek gehouden worden tussen de evaluator en de stagiair.
De aanwervingsstage eindigt één jaar na het behalen van het door Ons bepaalde brevet. [4 De periode van één jaar kan ingekort worden, op voorwaarde dat minstens drie stageverslagen werden opgemaakt door de evaluator en dat de inkorting gemotiveerd wordt door de vaststelling dat de stagiair beschikt over alle competenties bepaald in de functiebeschrijving van de overeenstemmende graad.]4 Onder voorbehoud van de toepassing van het negende lid, [3 eindigt de stage van de beroepsstagiair ten laatste drie jaar na de start van de opleiding tot het behalen van het brevet bedoeld in het vierde lid en kan de totale stageperiode niet langer zijn dan]3 en zes jaar voor de vrijwillige stagiair beginnend vanaf de dag van de indiensttreding.
[1 Artikel 38 van het koninklijk besluit van 14 januari 2022 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt]1 is enkel van toepassing op de beroepsstagiair; waarbij de dertig werkdagen moeten gelezen worden als 228 prestatie-uren.
[2 Ingeval van ziekte van minimum twee weken van de stagiair vrijwilliger tijdens de aanwervingsstage, wordt de stage verlengd met de duur van de ziekte, die aangetoond wordt met een geneeskundig getuigschrift.
Ingeval van zwangerschap van de stagiair vrijwilliger tijdens de aanwervingsstage, wordt de stage verlengd met de duur van de zwangerschap en de moederschapsrust, die aangetoond worden met een geneeskundig getuigschrift.]2
De toelating tot de stage gebeurt door de Voorzitter of zijn afgevaardigde voor de beroepspersoneelsleden en door de directeur-generaal voor de vrijwillige personeelsleden.
Elke benoeming wordt voorafgegaan door een stageperiode.
De aanwervingsstage begint de dag van de indiensttreding. Hij start met het volgen van de opleiding nodig voor het door Ons bepaalde brevet dat vereist is voor de functie waarvoor de stagiair aangeworven wordt. De directeur-generaal bepaalt de theoretische en praktische vorming die door de stagiair gevolgd wordt in de dienst.
De evaluator zoals bedoeld in [1 artikel 40 van het koninklijk besluit van 14 januari 2022 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt]1 wordt aangewezen door de eenheidschef.
De evaluator houdt door middel van een logboek bij welke opleidingen de stagiair volgt, en treedt op als referentiepersoon met ervaring. [4 De inzetbaarheid van een stagiair voor een opdracht is afhankelijk van de behaalde modulecertificaten, bedoeld in artikel 15 van het koninklijk besluit van 12 juli 2019 betreffende de opleiding van de leden van de Civiele Bescherming en tot wijziging van diverse koninklijke besluiten.]4 [4 De evaluator]4 waakt erover dat de stagiair enkel aan de operaties deelneemt of de operaties leidt, in functie van zijn graad, in de mate dat zijn theoretische en praktische vorming dat toelaat.
Tijdens de stage moet er om de drie maanden een functioneringsgesprek gehouden worden tussen de evaluator en de stagiair.
De aanwervingsstage eindigt één jaar na het behalen van het door Ons bepaalde brevet. [4 De periode van één jaar kan ingekort worden, op voorwaarde dat minstens drie stageverslagen werden opgemaakt door de evaluator en dat de inkorting gemotiveerd wordt door de vaststelling dat de stagiair beschikt over alle competenties bepaald in de functiebeschrijving van de overeenstemmende graad.]4 Onder voorbehoud van de toepassing van het negende lid, [3 eindigt de stage van de beroepsstagiair ten laatste drie jaar na de start van de opleiding tot het behalen van het brevet bedoeld in het vierde lid en kan de totale stageperiode niet langer zijn dan]3 en zes jaar voor de vrijwillige stagiair beginnend vanaf de dag van de indiensttreding.
[1 Artikel 38 van het koninklijk besluit van 14 januari 2022 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt]1 is enkel van toepassing op de beroepsstagiair; waarbij de dertig werkdagen moeten gelezen worden als 228 prestatie-uren.
[2 Ingeval van ziekte van minimum twee weken van de stagiair vrijwilliger tijdens de aanwervingsstage, wordt de stage verlengd met de duur van de ziekte, die aangetoond wordt met een geneeskundig getuigschrift.
Ingeval van zwangerschap van de stagiair vrijwilliger tijdens de aanwervingsstage, wordt de stage verlengd met de duur van de zwangerschap en de moederschapsrust, die aangetoond worden met een geneeskundig getuigschrift.]2
Art. 28. Les candidats de la réserve qui ont été soumis à un examen médical éliminatoire, tel que défini à l'article I.4-26 du Code du bien-être au travail, [2 et qui ont une conduite conforme aux exigences de la fonction sur la base d'un extrait du casier judiciaire délivré dans un délai de trois mois précédant la date d'admission au stage]2 sont admis au stage de recrutement dans l'ordre de classement résultant du concours.
Cette admission au stage relève du Président ou son délégué pour les membres du personnel professionnel et du directeur général pour les membres du personnel volontaire.
Toute nomination est précédée par une période de stage de recrutement.
Le stage de recrutement débute le jour de l'entrée en service. Il commence par la formation nécessaire à l'obtention du brevet, déterminé par Nous, exigé dans le cadre de la fonction pour laquelle le stagiaire est recruté. Le directeur général détermine la formation théorique et pratique suivie par le stagiaire dans le service.
L'évaluateur visé [1 à l'article 40 de l'arrêté royal du 14 janvier 2022 relatif à l'évaluation dans la fonction publique fédérale]1, est désigné par le chef d'unité.
L'évaluateur note dans un journal de bord les formations suivies par le stagiaire, et fait office de personne de référence expérimentée. [4 L'engagement d'un stagiaire pour une opération est conditionné par les certifications de modules obtenues, visées à l'article 15 de l'arrêté royal du 12 juillet 2019 relatif à la formation des membres de la Protection civile et modifiant divers arrêtés royaux.]4 [4 L'évaluateur]4 veille à ce que le stagiaire ne prenne part aux opérations ou ne gère les opérations, en fonction de son grade, que dans la mesure où sa formation théorique et pratique le permet.
Pendant le stage, des entretiens de fonctionnement doivent être tenus chaque trimestre entre l'évaluateur et le stagiaire.
Le stage de recrutement se termine un an après l'obtention du brevet, déterminé par Nous. [4 La période d'un an peut être réduite, à la condition qu'au moins trois rapports de stage aient été établis par l'évaluateur et que la réduction soit justifiée par la constatation que le stagiaire possède toutes les compétences définies dans la description de fonction du grade correspondant.]4 Sous réserve de l'application de l'alinéa 9, [3 le stage du stagiaire professionnel se termine au plus tard trois ans après le début de la formation nécessaire à l'obtention du brevet prévu à l'alinéa 4 et la période de stage complète ne peut excéder]3 six ans pour le stagiaire volontaire à compter du jour de l'entrée en service.
[1 L'article 38 de l'arrêté royal du 14 janvier 2022 relatif à l'évaluation dans la fonction publique fédérale]1 ne s'applique qu'au professionnel stagiaire; les trente jours ouvrables doivent être lus comme 228 heures de prestation.
[2 En cas d'absence pour maladie de minimum deux semaines pendant la période de stage de recrutement du volontaire stagiaire, la durée du stage est prolongée pour la durée de la maladie. Celle-ci doit être justifiée à l'aide d'un certificat médical.
En cas de grossesse de la stagiaire volontaire pendant la période de stage de recrutement, la durée du stage est prolongée pour la durée de la grossesse et du congé de maternité. Ceux-ci doivent être justifiés à l'aide d'un certificat médical.]2
Cette admission au stage relève du Président ou son délégué pour les membres du personnel professionnel et du directeur général pour les membres du personnel volontaire.
Toute nomination est précédée par une période de stage de recrutement.
Le stage de recrutement débute le jour de l'entrée en service. Il commence par la formation nécessaire à l'obtention du brevet, déterminé par Nous, exigé dans le cadre de la fonction pour laquelle le stagiaire est recruté. Le directeur général détermine la formation théorique et pratique suivie par le stagiaire dans le service.
L'évaluateur visé [1 à l'article 40 de l'arrêté royal du 14 janvier 2022 relatif à l'évaluation dans la fonction publique fédérale]1, est désigné par le chef d'unité.
L'évaluateur note dans un journal de bord les formations suivies par le stagiaire, et fait office de personne de référence expérimentée. [4 L'engagement d'un stagiaire pour une opération est conditionné par les certifications de modules obtenues, visées à l'article 15 de l'arrêté royal du 12 juillet 2019 relatif à la formation des membres de la Protection civile et modifiant divers arrêtés royaux.]4 [4 L'évaluateur]4 veille à ce que le stagiaire ne prenne part aux opérations ou ne gère les opérations, en fonction de son grade, que dans la mesure où sa formation théorique et pratique le permet.
Pendant le stage, des entretiens de fonctionnement doivent être tenus chaque trimestre entre l'évaluateur et le stagiaire.
Le stage de recrutement se termine un an après l'obtention du brevet, déterminé par Nous. [4 La période d'un an peut être réduite, à la condition qu'au moins trois rapports de stage aient été établis par l'évaluateur et que la réduction soit justifiée par la constatation que le stagiaire possède toutes les compétences définies dans la description de fonction du grade correspondant.]4 Sous réserve de l'application de l'alinéa 9, [3 le stage du stagiaire professionnel se termine au plus tard trois ans après le début de la formation nécessaire à l'obtention du brevet prévu à l'alinéa 4 et la période de stage complète ne peut excéder]3 six ans pour le stagiaire volontaire à compter du jour de l'entrée en service.
[1 L'article 38 de l'arrêté royal du 14 janvier 2022 relatif à l'évaluation dans la fonction publique fédérale]1 ne s'applique qu'au professionnel stagiaire; les trente jours ouvrables doivent être lus comme 228 heures de prestation.
[2 En cas d'absence pour maladie de minimum deux semaines pendant la période de stage de recrutement du volontaire stagiaire, la durée du stage est prolongée pour la durée de la maladie. Celle-ci doit être justifiée à l'aide d'un certificat médical.
En cas de grossesse de la stagiaire volontaire pendant la période de stage de recrutement, la durée du stage est prolongée pour la durée de la grossesse et du congé de maternité. Ceux-ci doivent être justifiés à l'aide d'un certificat médical.]2
Art. 29. Tijdens de aanwervingsstage van sappeur en sergeant moet de beroepsstagiair het getuigschrift gaspakdrager zoals bedoeld in het ministerieel besluit van 22 november 2004 betreffende het getuigschrift en de opleiding van gaspakdrager behalen.
Tijdens de aanwervingsstage van sappeur [1 en sergeant]1 moet de beroepsstagiair zijn rijbewijs C behalen indien hij meer dan 21 jaar is, of C1 indien hij minder dan 21 jaar is.
[1 De Voorzitter, of zijn afgevaardigde, kan beslissen dat de stagiair-kapitein tijdens de aanwervingsstage het rijbewijs C, indien hij meer dan 21 jaar is, of C1, indien hij minder dan 21 jaar is, en/of het getuigschrift gaspakdrager zoals bedoeld in het ministerieel besluit van 22 november 2004 betreffende het getuigschrift en de opleiding van gaspakdrager, moet behalen en vermeldt dit desgevallend in de oproep tot kandidaten.
De FOD Binnenlandse Zaken neemt de kosten voor het behalen van het rijbewijs C of C1 en van het getuigschrift gaspakdrager voor zijn rekening.]1
Tijdens de aanwervingsstage van sappeur [1 en sergeant]1 moet de beroepsstagiair zijn rijbewijs C behalen indien hij meer dan 21 jaar is, of C1 indien hij minder dan 21 jaar is.
[1 De Voorzitter, of zijn afgevaardigde, kan beslissen dat de stagiair-kapitein tijdens de aanwervingsstage het rijbewijs C, indien hij meer dan 21 jaar is, of C1, indien hij minder dan 21 jaar is, en/of het getuigschrift gaspakdrager zoals bedoeld in het ministerieel besluit van 22 november 2004 betreffende het getuigschrift en de opleiding van gaspakdrager, moet behalen en vermeldt dit desgevallend in de oproep tot kandidaten.
De FOD Binnenlandse Zaken neemt de kosten voor het behalen van het rijbewijs C of C1 en van het getuigschrift gaspakdrager voor zijn rekening.]1
Modifications
Art. 29. Pendant le stage de recrutement de sapeur et de sergent, le stagiaire professionnel doit obtenir le certificat de porteur de tenue anti-gaz visé dans l'arrêté ministériel du 22 novembre 2004 relatif au certificat et à la formation de porteur de tenue anti-gaz.
Pendant le stage de recrutement de sapeur [1 et de sergent]1, le stagiaire professionnel doit obtenir le permis de conduire C, s'il a plus de vingt et un an, ou C1 s'il a moins de vingt et un an.
[1 Le Président, ou son délégué, peut décider que le capitaine stagiaire est tenu d'obtenir, pendant son stage de recrutement, le permis de conduire C, s'il a plus de vingt et un an, ou C1, s'il a moins de vingt et un an, et/ou le certificat de porteur de tenue anti-gaz visé dans l'arrêté ministériel du 22 novembre 2004 relatif au certificat et à la formation de porteur de tenue anti-gaz, et le précise le cas échéant dans l'appel à candidatures.
Le SPF Intérieur prend en charge les coûts pour l'obtention du permis de conduire C ou C1 et du certificat de porteur de tenue anti-gaz.]1
Pendant le stage de recrutement de sapeur [1 et de sergent]1, le stagiaire professionnel doit obtenir le permis de conduire C, s'il a plus de vingt et un an, ou C1 s'il a moins de vingt et un an.
[1 Le Président, ou son délégué, peut décider que le capitaine stagiaire est tenu d'obtenir, pendant son stage de recrutement, le permis de conduire C, s'il a plus de vingt et un an, ou C1, s'il a moins de vingt et un an, et/ou le certificat de porteur de tenue anti-gaz visé dans l'arrêté ministériel du 22 novembre 2004 relatif au certificat et à la formation de porteur de tenue anti-gaz, et le précise le cas échéant dans l'appel à candidatures.
Le SPF Intérieur prend en charge les coûts pour l'obtention du permis de conduire C ou C1 et du certificat de porteur de tenue anti-gaz.]1
Modifications
Art. 30. In afwijking van [1 artikel 39 van het koninklijk besluit van 14 januari 2022 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt]1 kan de stage maximaal twee keer met zes maanden verlengd worden.
Modifications
Art. 30. Par dérogation à [1 l'article 39 de l'arrêté royal du 14 janvier 2022 relatif à l'évaluation dans la fonction publique fédérale]1, le stage peut être prolongé au maximum de deux fois six mois.
Modifications
Art. 31. [1 Artikel 52 van het koninklijk besluit van 14 januari 2022 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt]1 is niet van toepassing op de vrijwillig stagiair.
Modifications
Art. 31. [1 L'article 52 de l'arrêté royal du 14 janvier 2022 relatif à l'évaluation dans la fonction publique fédérale]1, ne s'applique pas au stagiaire volontaire.
Modifications
TITEL III. - De indiensttreding
TITRE III. - De l'entrée en service
Art. 32. De Directeur-generaal benoemt de vrijwillig stagiair en de vrijwilliger-specialist.
De benoeming van een vrijwillig stagiair en de vrijwilliger-specialist wordt rechtstreeks aan de betrokkene betekend.
De vrijwillig stagiair en de vrijwilliger-specialist wordt benoemd voor een duur van zes jaar.
Op advies van de eenheidschef, wordt de benoeming van een vrijwilliger stilzwijgend vernieuwd voor een nieuwe periode van zes jaar, behalve bij gemotiveerde beslissing tot niet-verlenging van de directeur-generaal.
[1 Als de eenheidschef voorstelt de benoeming niet te verlengen, wordt het voorstel, ten laatste drie maanden voor het verstrijken van de duur van zes jaar, tegelijk ter kennis gebracht aan de directeur-generaal en aan de betrokkene.
De betrokkene kan, ofwel per aangetekende brief, ofwel via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum binnen één maand na de kennisname van het voorstel, verzoeken verhoord te worden door de directeur-generaal. De directeur-generaal organiseert het verhoor en beslist voor het einde van de benoeming. Betrokkene kan zich tijdens het verhoor laten bijstaan door een persoon naar keuze. De eenheidschef neemt niet deel aan het verhoor.]1
De benoeming van een vrijwillig stagiair en de vrijwilliger-specialist wordt rechtstreeks aan de betrokkene betekend.
De vrijwillig stagiair en de vrijwilliger-specialist wordt benoemd voor een duur van zes jaar.
Op advies van de eenheidschef, wordt de benoeming van een vrijwilliger stilzwijgend vernieuwd voor een nieuwe periode van zes jaar, behalve bij gemotiveerde beslissing tot niet-verlenging van de directeur-generaal.
[1 Als de eenheidschef voorstelt de benoeming niet te verlengen, wordt het voorstel, ten laatste drie maanden voor het verstrijken van de duur van zes jaar, tegelijk ter kennis gebracht aan de directeur-generaal en aan de betrokkene.
De betrokkene kan, ofwel per aangetekende brief, ofwel via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum binnen één maand na de kennisname van het voorstel, verzoeken verhoord te worden door de directeur-generaal. De directeur-generaal organiseert het verhoor en beslist voor het einde van de benoeming. Betrokkene kan zich tijdens het verhoor laten bijstaan door een persoon naar keuze. De eenheidschef neemt niet deel aan het verhoor.]1
Modifications
Art. 32. Le Directeur général nomme le stagiaire volontaire et le volontaire spécialiste.
La nomination d'un stagiaire volontaire et du volontaire spécialiste est directement notifiée à l'intéressé.
Le stagiaire volontaire et le volontaire spécialiste sont nommés pour une durée de six ans.
Sur l'avis du chef d'unité, la nomination du volontaire est renouvelée tacitement pour une nouvelle durée de six ans, sauf décision motivée du directeur général de ne pas prolonger la nomination.
[1 Si le chef d'unité propose de ne pas renouveler la nomination, cette proposition est, au plus tard trois mois avant l'expiration de la durée de six ans, notifiée simultanément au directeur général et à l'intéressé.
L'intéressé peut soit par lettre recommandée soit par toutes autres voies qui confèrent au courrier valeur probante et date certaine, dans un délai d'un mois après avoir été informé de la proposition, demander à être entendu par le directeur général. Le directeur général organise l'audition et prend une décision avant la fin de la nomination. L'intéressé peut se faire assister par la personne de son choix lors de l'audition. Le chef d'unité ne participe pas à l'audition.]1
La nomination d'un stagiaire volontaire et du volontaire spécialiste est directement notifiée à l'intéressé.
Le stagiaire volontaire et le volontaire spécialiste sont nommés pour une durée de six ans.
Sur l'avis du chef d'unité, la nomination du volontaire est renouvelée tacitement pour une nouvelle durée de six ans, sauf décision motivée du directeur général de ne pas prolonger la nomination.
[1 Si le chef d'unité propose de ne pas renouveler la nomination, cette proposition est, au plus tard trois mois avant l'expiration de la durée de six ans, notifiée simultanément au directeur général et à l'intéressé.
L'intéressé peut soit par lettre recommandée soit par toutes autres voies qui confèrent au courrier valeur probante et date certaine, dans un délai d'un mois après avoir été informé de la proposition, demander à être entendu par le directeur général. Le directeur général organise l'audition et prend une décision avant la fin de la nomination. L'intéressé peut se faire assister par la personne de son choix lors de l'audition. Le chef d'unité ne participe pas à l'audition.]1
Modifications
BOEK V. - DE LOOPBAAN
LIVRE V. - DE LA CARRIERE
TITEL I. - De hiërarchische bevordering
TITRE Ier. - De la promotion hiérarchique
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
CHAPITRE Ier. - Des dispositions générales
Art. 33. De verschillende types bevorderingen zijn:
1° wat de administratieve loopbaan betreft: de hiërarchische bevordering;
2° wat de geldelijke loopbaan betreft, de bevordering in weddeschaal, zoals geregeld door de artikelen 9 tot 18 van het koninklijk besluit van 29 juni 2018 houdende bezoldigingsregeling van het operationeel personeel van de Civiele Bescherming.
De overgang naar het hoger niveau zoals bepaald door deel IX van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 is niet van toepassing op de personeelsleden.
1° wat de administratieve loopbaan betreft: de hiërarchische bevordering;
2° wat de geldelijke loopbaan betreft, de bevordering in weddeschaal, zoals geregeld door de artikelen 9 tot 18 van het koninklijk besluit van 29 juni 2018 houdende bezoldigingsregeling van het operationeel personeel van de Civiele Bescherming.
De overgang naar het hoger niveau zoals bepaald door deel IX van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 is niet van toepassing op de personeelsleden.
Art. 33. Les différents types de promotion sont :
1° pour ce qui concerne la carrière administrative: la promotion hiérarchique;
2° pour ce qui concerne la carrière pécuniaire, la promotion barémique, telle que réglée par les articles 9 à 18 de l'arrêté royal du 29 juin 2018 portant statut pécuniaire du personnel opérationnel de la Protection civile.
L'accession au niveau supérieur telle que réglée par la partie IX de l'arrêté royal du 2 octobre 1937 ne s'applique pas aux membres du personnel.
1° pour ce qui concerne la carrière administrative: la promotion hiérarchique;
2° pour ce qui concerne la carrière pécuniaire, la promotion barémique, telle que réglée par les articles 9 à 18 de l'arrêté royal du 29 juin 2018 portant statut pécuniaire du personnel opérationnel de la Protection civile.
L'accession au niveau supérieur telle que réglée par la partie IX de l'arrêté royal du 2 octobre 1937 ne s'applique pas aux membres du personnel.
Art. 34. § 1. De vacante betrekkingen worden ter kennis gebracht van de personeelsleden [1 die voldoen aan de bevorderingsvoorwaarde met betrekking tot de graad]1 via dienstnota aangeplakt in de eenheid en per e-mail.
De oproep tot de kandidaten vermeldt de te vervullen voorwaarden en de datum waarop ze vervuld moeten worden, de opgelegde proeven en de inhoud ervan, de uiterste datum voor de kandidaatstelling evenals de praktische modaliteiten voor de indiening ervan, de reserve, een verwijzing naar de functiebeschrijving van de vacante betrekking en of het om een onmiddellijke vacature en/of om de aanleg van een bevorderingsreserve gaat. De uiterste datum voor de kandidaatstelling kan niet minder zijn dan dertig dagen vanaf de dag van bekendmaking van de vacante betrekking.
§ 2. Worden enkel in aanmerking genomen, de kandidaturen van de personeelsleden die ingediend zijn binnen de in paragraaf 1 bepaalde termijn.
De oproep tot de kandidaten vermeldt de te vervullen voorwaarden en de datum waarop ze vervuld moeten worden, de opgelegde proeven en de inhoud ervan, de uiterste datum voor de kandidaatstelling evenals de praktische modaliteiten voor de indiening ervan, de reserve, een verwijzing naar de functiebeschrijving van de vacante betrekking en of het om een onmiddellijke vacature en/of om de aanleg van een bevorderingsreserve gaat. De uiterste datum voor de kandidaatstelling kan niet minder zijn dan dertig dagen vanaf de dag van bekendmaking van de vacante betrekking.
§ 2. Worden enkel in aanmerking genomen, de kandidaturen van de personeelsleden die ingediend zijn binnen de in paragraaf 1 bepaalde termijn.
Modifications
Art. 34. § 1er. La vacance des emplois est portée à la connaissance des membres du personnel [1 qui remplissent la condition de promotion concernant le grade]1 par note de service affichée dans l'unité et par e-mail.
L'appel à candidatures mentionne les conditions à remplir et la date à laquelle elles doivent être remplies, les épreuves imposées et leur contenu, la date limite de dépôt des candidatures ainsi que les modalités pratiques de leur introduction, la réserve, une référence à la description de fonction de l'emploi vacant, et s'il s'agit d'une vacance d'emploi immédiate et/ou de la création d'une réserve de promotion. La date limite de dépôt des candidatures ne peut pas être inférieure à trente jours, à partir du jour de la publication de la vacance d'emploi.
§ 2. Sont seules prises en considération les candidatures des membres du personnel qui ont été introduites dans le délai visé au paragraphe 1er.
L'appel à candidatures mentionne les conditions à remplir et la date à laquelle elles doivent être remplies, les épreuves imposées et leur contenu, la date limite de dépôt des candidatures ainsi que les modalités pratiques de leur introduction, la réserve, une référence à la description de fonction de l'emploi vacant, et s'il s'agit d'une vacance d'emploi immédiate et/ou de la création d'une réserve de promotion. La date limite de dépôt des candidatures ne peut pas être inférieure à trente jours, à partir du jour de la publication de la vacance d'emploi.
§ 2. Sont seules prises en considération les candidatures des membres du personnel qui ont été introduites dans le délai visé au paragraphe 1er.
Modifications
HOOFDSTUK II. - De bevorderingsvoorwaarden
CHAPITRE II. - Des conditions relatives à la promotion
Art. 35. Voor de toepassing van deze titel, staan de door bevordering toegankelijke beroepsbetrekkingen open voor de beroepspersoneelsleden en staan de door bevordering toegankelijke vrijwilligersbetrekkingen open voor de vrijwillige personeelsleden.
Art. 35. Pour l'application du présent titre, les emplois professionnels accessibles par promotion sont ouverts aux membres du personnel professionnel et les emplois volontaires accessibles par promotion sont ouverts aux membres du personnel volontaire.
Art. 36. De bevorderingsvoorwaarden zijn:
1° Voor de graad van korporaal:
a) benoemd zijn in de graad van sappeur;
b) [2 geen vermelding "onvoldoende" gekregen hebben]2 bij de laatste evaluatie;
c) houder zijn van het brevet B02-C, door Ons bepaald;
d) geslaagd zijn voor het bevorderingsexamen vermeld in artikel 37;
e) niet beschikken over een niet-doorgehaalde tuchtsanctie.
2° Voor de graad van sergeant:
a) benoemd zijn in de graad van sappeur of korporaal;
b) [2 geen vermelding "onvoldoende" gekregen hebben]2 bij de laatste evaluatie;
c) houder zijn van het [3 brevet M01-C door bevordering of het brevet NM01-C via aanwerving]3, door Ons bepaald;
d) geslaagd zijn voor het bevorderingsexamen, bedoeld in artikel 37;
e) niet beschikken over een niet-doorgehaalde tuchtsanctie.
3° Voor de graad van adjudant:
a) benoemd zijn in de graad van sergeant;
b) [2 geen vermelding "onvoldoende" gekregen hebben]2 bij de laatste evaluatie;
c) houder zijn van het [1 het brevet M02-C]1, door Ons bepaald;
d) geslaagd zijn voor het bevorderingsexamen, bedoeld in artikel 37;
e) niet beschikken over een niet-doorgehaalde tuchtsanctie.
4° Voor de graad van luitenant:
a) Belg zijn;
b) benoemd zijn in de graad van sergeant of adjudant;
c) [2 geen vermelding "onvoldoende" gekregen hebben]2 bij de laatste evaluatie;
d) houder zijn van het brevet OFF1-C, door Ons bepaald;
e) geslaagd zijn voor het bevorderingsexamen bedoeld in artikel 37;
f) niet beschikken over een niet-doorgehaalde tuchtsanctie.
5° Voor de graad van kapitein:
a) benoemd zijn in de graad van luitenant of commandant;
b) [2 geen vermelding "onvoldoende" gekregen hebben]2 bij de laatste evaluatie;
c) houder zijn van het [3 brevet OFF2-C door bevordering of het brevet NOFF2-C via aanwerving]3, door Ons bepaald:
d) geslaagd zijn voor het bevorderingsexamen bedoeld in artikel 37;
e) niet beschikken over een niet-doorgehaalde tuchtsanctie.
6° Voor de graad van majoor:
a) benoemd zijn in de graad van luitenant, commandant of kapitein;
b) [2 geen vermelding "onvoldoende" gekregen hebben]2 bij de laatste evaluatie;
c) houder zijn van [1 het brevet OFF3-C]1, door Ons bepaald;
d) geslaagd zijn voor het bevorderingsexamen bedoeld in artikel 37;
e) niet beschikken over een niet-doorgehaalde tuchtsanctie.
7° Voor de graad van kolonel:
a) benoemd zijn in de graad van kapitein of majoor;
b) [2 geen vermelding "onvoldoende" gekregen hebben]2 bij de laatste evaluatie;
c) houder zijn van één van de diploma's bepaald door Ons;
d) geslaagd zijn voor het bevorderingsexamen bedoeld in artikel 37;
e) niet beschikken over een niet-doorgehaalde tuchtsanctie.
1° Voor de graad van korporaal:
a) benoemd zijn in de graad van sappeur;
b) [2 geen vermelding "onvoldoende" gekregen hebben]2 bij de laatste evaluatie;
c) houder zijn van het brevet B02-C, door Ons bepaald;
d) geslaagd zijn voor het bevorderingsexamen vermeld in artikel 37;
e) niet beschikken over een niet-doorgehaalde tuchtsanctie.
2° Voor de graad van sergeant:
a) benoemd zijn in de graad van sappeur of korporaal;
b) [2 geen vermelding "onvoldoende" gekregen hebben]2 bij de laatste evaluatie;
c) houder zijn van het [3 brevet M01-C door bevordering of het brevet NM01-C via aanwerving]3, door Ons bepaald;
d) geslaagd zijn voor het bevorderingsexamen, bedoeld in artikel 37;
e) niet beschikken over een niet-doorgehaalde tuchtsanctie.
3° Voor de graad van adjudant:
a) benoemd zijn in de graad van sergeant;
b) [2 geen vermelding "onvoldoende" gekregen hebben]2 bij de laatste evaluatie;
c) houder zijn van het [1 het brevet M02-C]1, door Ons bepaald;
d) geslaagd zijn voor het bevorderingsexamen, bedoeld in artikel 37;
e) niet beschikken over een niet-doorgehaalde tuchtsanctie.
4° Voor de graad van luitenant:
a) Belg zijn;
b) benoemd zijn in de graad van sergeant of adjudant;
c) [2 geen vermelding "onvoldoende" gekregen hebben]2 bij de laatste evaluatie;
d) houder zijn van het brevet OFF1-C, door Ons bepaald;
e) geslaagd zijn voor het bevorderingsexamen bedoeld in artikel 37;
f) niet beschikken over een niet-doorgehaalde tuchtsanctie.
5° Voor de graad van kapitein:
a) benoemd zijn in de graad van luitenant of commandant;
b) [2 geen vermelding "onvoldoende" gekregen hebben]2 bij de laatste evaluatie;
c) houder zijn van het [3 brevet OFF2-C door bevordering of het brevet NOFF2-C via aanwerving]3, door Ons bepaald:
d) geslaagd zijn voor het bevorderingsexamen bedoeld in artikel 37;
e) niet beschikken over een niet-doorgehaalde tuchtsanctie.
6° Voor de graad van majoor:
a) benoemd zijn in de graad van luitenant, commandant of kapitein;
b) [2 geen vermelding "onvoldoende" gekregen hebben]2 bij de laatste evaluatie;
c) houder zijn van [1 het brevet OFF3-C]1, door Ons bepaald;
d) geslaagd zijn voor het bevorderingsexamen bedoeld in artikel 37;
e) niet beschikken over een niet-doorgehaalde tuchtsanctie.
7° Voor de graad van kolonel:
a) benoemd zijn in de graad van kapitein of majoor;
b) [2 geen vermelding "onvoldoende" gekregen hebben]2 bij de laatste evaluatie;
c) houder zijn van één van de diploma's bepaald door Ons;
d) geslaagd zijn voor het bevorderingsexamen bedoeld in artikel 37;
e) niet beschikken over een niet-doorgehaalde tuchtsanctie.
Art. 36. Les conditions de promotion sont :
1° Pour le grade de caporal :
a) être nommé au grade de sapeur;
b) [2 ne pas avoir obtenu la mention " insuffisant "]2 lors de la dernière évaluation;
c) être titulaire du brevet B02-C, déterminé par Nous;
d) avoir réussi l'examen de promotion visé à l'article 37;
e) ne pas être sous le coup d'une sanction disciplinaire non radiée.
2° Pour le grade de sergent :
a) être nommé au grade de sapeur ou de caporal;
b) [2 ne pas avoir obtenu la mention " insuffisant "]2 lors de la dernière évaluation;
c) être titulaire du [3 brevet M01-C par promotion ou du brevet NM01-C par recrutement]3, déterminé par Nous;
d) avoir réussi l'examen de promotion visé à l'article 37;
e) ne pas être sous le coup d'une sanction disciplinaire non radiée.
3° Pour le grade d'adjudant :
a) être nommé au grade de sergent;
b) [2 ne pas avoir obtenu la mention " insuffisant "]2 lors de la dernière évaluation;
c) être titulaire [1 du brevet M02-C]1, déterminé par Nous;
d) avoir réussi l'examen de promotion visé à l'article 37;
e) ne pas être sous le coup d'une sanction disciplinaire non radiée.
4° Pour le grade de lieutenant :
a) être Belge;
b) être nommé au grade de sergent ou d'adjudant;
c) [2 ne pas avoir obtenu la mention " insuffisant "]2 lors de la dernière évaluation;
d) être titulaire du brevet OFF1-C, déterminé par Nous;
e) avoir réussi l'examen de promotion visé à l'article 37;
f) ne pas être sous le coup d'une sanction disciplinaire non radiée.
5° Pour le grade de capitaine :
a) être nommé au grade de lieutenant ou de commandant;
b) [2 ne pas avoir obtenu la mention " insuffisant "]2 lors de la dernière évaluation;
c) être titulaire du [3 brevet OFF2-C par promotion ou du brevet NOFF2-C par recrutement]3, déterminé par Nous :
d) avoir réussi l'examen de promotion visé à l'article 37;
e) ne pas être sous le coup d'une sanction disciplinaire non radiée.
6° Pour le grade de major :
a) être nommé au grade de lieutenant, de commandant ou de capitaine;
b) [2 ne pas avoir obtenu la mention " insuffisant "]2 lors de la dernière évaluation;
c) être titulaire [1 du brevet OFF3-C]1, déterminé par Nous;
d) avoir réussi l'examen de promotion visé à l'article 37;
e) ne pas être sous le coup d'une sanction disciplinaire non radiée.
7° Pour le grade de colonel :
a) être nommé au grade de capitaine ou de major;
b) [2 ne pas avoir obtenu la mention " insuffisant "]2 lors de la dernière évaluation;
c) être titulaire d'un des diplômes déterminés par Nous;
d) avoir réussi l'examen de promotion visé à l'article 37;
e) ne pas être sous le coup d'une sanction disciplinaire non radiée.
1° Pour le grade de caporal :
a) être nommé au grade de sapeur;
b) [2 ne pas avoir obtenu la mention " insuffisant "]2 lors de la dernière évaluation;
c) être titulaire du brevet B02-C, déterminé par Nous;
d) avoir réussi l'examen de promotion visé à l'article 37;
e) ne pas être sous le coup d'une sanction disciplinaire non radiée.
2° Pour le grade de sergent :
a) être nommé au grade de sapeur ou de caporal;
b) [2 ne pas avoir obtenu la mention " insuffisant "]2 lors de la dernière évaluation;
c) être titulaire du [3 brevet M01-C par promotion ou du brevet NM01-C par recrutement]3, déterminé par Nous;
d) avoir réussi l'examen de promotion visé à l'article 37;
e) ne pas être sous le coup d'une sanction disciplinaire non radiée.
3° Pour le grade d'adjudant :
a) être nommé au grade de sergent;
b) [2 ne pas avoir obtenu la mention " insuffisant "]2 lors de la dernière évaluation;
c) être titulaire [1 du brevet M02-C]1, déterminé par Nous;
d) avoir réussi l'examen de promotion visé à l'article 37;
e) ne pas être sous le coup d'une sanction disciplinaire non radiée.
4° Pour le grade de lieutenant :
a) être Belge;
b) être nommé au grade de sergent ou d'adjudant;
c) [2 ne pas avoir obtenu la mention " insuffisant "]2 lors de la dernière évaluation;
d) être titulaire du brevet OFF1-C, déterminé par Nous;
e) avoir réussi l'examen de promotion visé à l'article 37;
f) ne pas être sous le coup d'une sanction disciplinaire non radiée.
5° Pour le grade de capitaine :
a) être nommé au grade de lieutenant ou de commandant;
b) [2 ne pas avoir obtenu la mention " insuffisant "]2 lors de la dernière évaluation;
c) être titulaire du [3 brevet OFF2-C par promotion ou du brevet NOFF2-C par recrutement]3, déterminé par Nous :
d) avoir réussi l'examen de promotion visé à l'article 37;
e) ne pas être sous le coup d'une sanction disciplinaire non radiée.
6° Pour le grade de major :
a) être nommé au grade de lieutenant, de commandant ou de capitaine;
b) [2 ne pas avoir obtenu la mention " insuffisant "]2 lors de la dernière évaluation;
c) être titulaire [1 du brevet OFF3-C]1, déterminé par Nous;
d) avoir réussi l'examen de promotion visé à l'article 37;
e) ne pas être sous le coup d'une sanction disciplinaire non radiée.
7° Pour le grade de colonel :
a) être nommé au grade de capitaine ou de major;
b) [2 ne pas avoir obtenu la mention " insuffisant "]2 lors de la dernière évaluation;
c) être titulaire d'un des diplômes déterminés par Nous;
d) avoir réussi l'examen de promotion visé à l'article 37;
e) ne pas être sous le coup d'une sanction disciplinaire non radiée.
Art. 37. § 1. Het bevorderingsexamen wordt georganiseerd door de Voorzitter of zijn afgevaardigde. Hij kan de uitvoering van deze taak aan een opleidingscentrum voor de civiele veiligheid toevertrouwen.
Het examen omvat geschiktheidstesten waaronder één praktische proef. De Voorzitter of zijn afgevaardigde bepaalt de inhoud en de modaliteiten van deze bevorderingsproeven. Het bevorderingsexamen voor de graden van sergeant, kapitein en majoor bevat minstens de competentietest voor respectievelijk het middenkader en het hoger kader zoals bedoeld in artikel 20, § 3, 1°. [2 Het bewijs van deelname aan de competentietest met vermelding "geslaagd" is geldig voor onbepaalde duur.]2
Enkel de personeelsleden die ten laatste op de dag van het examen voldoen aan de in artikel 36 vermelde bevorderingsvoorwaarden, mogen eraan deelnemen. De tijd nodig voor het afleggen van het bevorderingsexamen wordt voor de beroepspersoneelsleden beschouwd als arbeidstijd.
De Voorzitter of zijn afgevaardigde duidt de personen aan die de examenjury uitmaken, overeenkomstig het vijfde lid.
[1 De jury is voor minstens de helft samengesteld uit onderofficieren of officieren en bevat minstens één personeelslid van de FOD Binnenlandse Zaken dat niet tot de operationele eenheid van de kandidaten behoort, wanneer het een bevordering tot korporaal betreft. In de andere gevallen is de jury voor minstens de helft samengesteld uit officieren, waarvan minstens één behoort tot de operationele eenheid van de kandidaten, en bevat de jury minstens één personeelslid van de FOD Binnenlandse Zaken dat niet tot een de operationele eenheid van de kandidaten behoort.]1 Deze officieren hebben minstens dezelfde graad als die van de vacant verklaarde betrekking. De voorzitter is een personeelslid van de FOD wiens competenties inzake selectie gecertificeerd zijn zoals bedoeld in artikel 42, § 1, eerste lid, b) van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937.
Alle leden van de jury behoren tot de taalrol van de kandidaten.
Indien blijkt dat het onmogelijk is om de jury samen te stellen met voldoende officieren van minstens dezelfde graad overeenkomstig het vijfde lid, wordt beroep gedaan op personeelsleden van de FOD Binnenlandse Zaken die ten minste de graad van adviseur-generaal bekleden.
Geen enkel lid van de examenjury mag de echtgenoot, de ouder of een bloedverwant tot en met de derde graad zijn van een kandidaat.
Een afgevaardigde per representatieve syndicale organisatie in de operationele eenheid mag als waarnemer zetelen.
De jury stelt een rangschikking van de kandidaten op. De Voorzitter is gebonden door deze rangschikking voor de bevordering of de toelating tot de bevorderingsstage.
De Voorzitter of zijn afgevaardigde kan een bevorderingsreserve aanleggen waarvan de geldigheidsduur de twee jaar niet overschrijdt. De Voorzitter of zijn afgevaardigde kan de geldigheid van de bevorderingsreserve twee keer verlengen met twee jaar.
De kandidaten worden via een aangetekende brief of via elke drager met bewijskracht en vaste datum op de hoogte gebracht van hun resultaat.
§ 2. De beslissing tot toelating tot de bevorderingsstage voor de graden van sergeant en luitenant en de beslissing tot bevordering voor de andere graden wordt door de Voorzitter of zijn afgevaardigde via een aangetekende brief of via elke drager met bewijskracht en vaste datum aan de betrokkene meegedeeld.
Het examen omvat geschiktheidstesten waaronder één praktische proef. De Voorzitter of zijn afgevaardigde bepaalt de inhoud en de modaliteiten van deze bevorderingsproeven. Het bevorderingsexamen voor de graden van sergeant, kapitein en majoor bevat minstens de competentietest voor respectievelijk het middenkader en het hoger kader zoals bedoeld in artikel 20, § 3, 1°. [2 Het bewijs van deelname aan de competentietest met vermelding "geslaagd" is geldig voor onbepaalde duur.]2
Enkel de personeelsleden die ten laatste op de dag van het examen voldoen aan de in artikel 36 vermelde bevorderingsvoorwaarden, mogen eraan deelnemen. De tijd nodig voor het afleggen van het bevorderingsexamen wordt voor de beroepspersoneelsleden beschouwd als arbeidstijd.
De Voorzitter of zijn afgevaardigde duidt de personen aan die de examenjury uitmaken, overeenkomstig het vijfde lid.
[1 De jury is voor minstens de helft samengesteld uit onderofficieren of officieren en bevat minstens één personeelslid van de FOD Binnenlandse Zaken dat niet tot de operationele eenheid van de kandidaten behoort, wanneer het een bevordering tot korporaal betreft. In de andere gevallen is de jury voor minstens de helft samengesteld uit officieren, waarvan minstens één behoort tot de operationele eenheid van de kandidaten, en bevat de jury minstens één personeelslid van de FOD Binnenlandse Zaken dat niet tot een de operationele eenheid van de kandidaten behoort.]1 Deze officieren hebben minstens dezelfde graad als die van de vacant verklaarde betrekking. De voorzitter is een personeelslid van de FOD wiens competenties inzake selectie gecertificeerd zijn zoals bedoeld in artikel 42, § 1, eerste lid, b) van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937.
Alle leden van de jury behoren tot de taalrol van de kandidaten.
Indien blijkt dat het onmogelijk is om de jury samen te stellen met voldoende officieren van minstens dezelfde graad overeenkomstig het vijfde lid, wordt beroep gedaan op personeelsleden van de FOD Binnenlandse Zaken die ten minste de graad van adviseur-generaal bekleden.
Geen enkel lid van de examenjury mag de echtgenoot, de ouder of een bloedverwant tot en met de derde graad zijn van een kandidaat.
Een afgevaardigde per representatieve syndicale organisatie in de operationele eenheid mag als waarnemer zetelen.
De jury stelt een rangschikking van de kandidaten op. De Voorzitter is gebonden door deze rangschikking voor de bevordering of de toelating tot de bevorderingsstage.
De Voorzitter of zijn afgevaardigde kan een bevorderingsreserve aanleggen waarvan de geldigheidsduur de twee jaar niet overschrijdt. De Voorzitter of zijn afgevaardigde kan de geldigheid van de bevorderingsreserve twee keer verlengen met twee jaar.
De kandidaten worden via een aangetekende brief of via elke drager met bewijskracht en vaste datum op de hoogte gebracht van hun resultaat.
§ 2. De beslissing tot toelating tot de bevorderingsstage voor de graden van sergeant en luitenant en de beslissing tot bevordering voor de andere graden wordt door de Voorzitter of zijn afgevaardigde via een aangetekende brief of via elke drager met bewijskracht en vaste datum aan de betrokkene meegedeeld.
Art. 37. § 1er. L'examen de promotion est organisé par le Président ou son délégué. Il peut confier l'exécution de cette tâche à un centre de formation pour la sécurité civile.
L'examen comprend des tests d'aptitude parmi lesquels une épreuve pratique. Le Président ou son délégué détermine le contenu et les modalités de ces épreuves de promotion. L'examen de promotion pour les grades de sergent, de capitaine et de major comporte au minimum le test de compétences pour respectivement le cadre moyen et le cadre supérieur, comme prévu à l'article 20, § 3, 1°. [2 La preuve de participation au test de compétence portant la mention " réussi " est valable pour une durée indéterminée.]2
Seuls les membres du personnel répondant aux conditions de promotion visées à l'article 36 au plus tard le jour de l'examen peuvent y participer. Le temps nécessaire à la présentation de l'examen de promotion est considéré comme du temps de travail pour les membres du personnel professionnel.
Le Président ou son délégué désigne les personnes qui composent le jury d'examen, conformément à l'alinéa 5.
[1 Dans le cas d'une promotion au grade de caporal, le jury est composé au moins pour moitié de sous-officiers ou d'officiers et au moins d'un membre du personnel du SPF Intérieur qui n'appartient pas à l'unité opérationnelle des candidats. Dans les autres cas, le jury est composé au moins pour moitié d'officiers, dont l'un au moins appartient à l'unité opérationnelle des candidats et au moins d'un membre du personnel du SPF Intérieur qui n'appartient pas à l'unité opérationnelle des candidats.]1 Ces officiers disposent au moins du même grade que celui de l'emploi déclaré vacant. Le président est un membre du personnel du SPF dont les compétences en matière de sélection sont certifiées comme prévu à l'article 42, § 1er, alinéa premier, b) de l'arrêté royal du 2 octobre 1937.
Tous les membres du jury relèvent du rôle linguistique des candidats.
S'il s'avère impossible de composer le jury d'officiers disposant au moins du même grade conformément à l'alinéa 5, il est fait appel à des membres du personnel du SPF Intérieur revêtant au minimum le grade de conseiller général.
Aucun membre du jury d'examen ne peut être le conjoint, le parent ou l'allié jusqu'au troisième degré inclus d'un candidat.
Un délégué par organisation syndicale représentative dans l'unité opérationnelle peut siéger en tant qu'observateur.
Le jury établit un classement des candidats. Le Président est lié par ce classement en ce qui concerne la promotion ou l'admission au stage de promotion.
Le Président ou son délégué peut constituer une réserve de promotion dont la durée de validité ne dépasse pas deux ans. A deux reprises, le Président ou son délégué peut prolonger de deux ans la validité de la réserve de promotion.
Les candidats sont informés de leur résultat soit par lettre recommandée soit par toutes autres voies qui confèrent au courrier valeur probante et date certaine.
§ 2. La décision d'admission au stage de promotion pour les grades de sergent et de lieutenant et la décision de promotion pour les autres grades sont communiquées à l'intéressé par le Président ou son délégué soit par lettre recommandée soit par toutes autres voies qui confèrent au courrier valeur probante et date certaine.
L'examen comprend des tests d'aptitude parmi lesquels une épreuve pratique. Le Président ou son délégué détermine le contenu et les modalités de ces épreuves de promotion. L'examen de promotion pour les grades de sergent, de capitaine et de major comporte au minimum le test de compétences pour respectivement le cadre moyen et le cadre supérieur, comme prévu à l'article 20, § 3, 1°. [2 La preuve de participation au test de compétence portant la mention " réussi " est valable pour une durée indéterminée.]2
Seuls les membres du personnel répondant aux conditions de promotion visées à l'article 36 au plus tard le jour de l'examen peuvent y participer. Le temps nécessaire à la présentation de l'examen de promotion est considéré comme du temps de travail pour les membres du personnel professionnel.
Le Président ou son délégué désigne les personnes qui composent le jury d'examen, conformément à l'alinéa 5.
[1 Dans le cas d'une promotion au grade de caporal, le jury est composé au moins pour moitié de sous-officiers ou d'officiers et au moins d'un membre du personnel du SPF Intérieur qui n'appartient pas à l'unité opérationnelle des candidats. Dans les autres cas, le jury est composé au moins pour moitié d'officiers, dont l'un au moins appartient à l'unité opérationnelle des candidats et au moins d'un membre du personnel du SPF Intérieur qui n'appartient pas à l'unité opérationnelle des candidats.]1 Ces officiers disposent au moins du même grade que celui de l'emploi déclaré vacant. Le président est un membre du personnel du SPF dont les compétences en matière de sélection sont certifiées comme prévu à l'article 42, § 1er, alinéa premier, b) de l'arrêté royal du 2 octobre 1937.
Tous les membres du jury relèvent du rôle linguistique des candidats.
S'il s'avère impossible de composer le jury d'officiers disposant au moins du même grade conformément à l'alinéa 5, il est fait appel à des membres du personnel du SPF Intérieur revêtant au minimum le grade de conseiller général.
Aucun membre du jury d'examen ne peut être le conjoint, le parent ou l'allié jusqu'au troisième degré inclus d'un candidat.
Un délégué par organisation syndicale représentative dans l'unité opérationnelle peut siéger en tant qu'observateur.
Le jury établit un classement des candidats. Le Président est lié par ce classement en ce qui concerne la promotion ou l'admission au stage de promotion.
Le Président ou son délégué peut constituer une réserve de promotion dont la durée de validité ne dépasse pas deux ans. A deux reprises, le Président ou son délégué peut prolonger de deux ans la validité de la réserve de promotion.
Les candidats sont informés de leur résultat soit par lettre recommandée soit par toutes autres voies qui confèrent au courrier valeur probante et date certaine.
§ 2. La décision d'admission au stage de promotion pour les grades de sergent et de lieutenant et la décision de promotion pour les autres grades sont communiquées à l'intéressé par le Président ou son délégué soit par lettre recommandée soit par toutes autres voies qui confèrent au courrier valeur probante et date certaine.
HOOFDSTUK III. - De bevorderingsstage
CHAPITRE III. - Du stage de promotion
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1re. - Dispositions générales
Art. 38. § 1. Het personeelslid bevorderd in de graad van sergeant of luitenant voltooit een bevorderingsstage met een duur van zes maanden.
De bevorderingsstage verloopt onder leiding van de evaluator zoals bedoeld in [1 artikel 40 van het koninklijk besluit van 14 januari 2022 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt]1.
De evaluator noteert in een logboek de door de stagiair gevolgde opleidingen.
§ 2. [2 ...]2
De bevorderingsstage verloopt onder leiding van de evaluator zoals bedoeld in [1 artikel 40 van het koninklijk besluit van 14 januari 2022 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt]1.
De evaluator noteert in een logboek de door de stagiair gevolgde opleidingen.
§ 2. [2 ...]2
Art. 38. § 1er. Le membre du personnel promu dans le grade de sergent ou de lieutenant accomplit un stage de promotion d'une durée de six mois.
Le stage de promotion se déroule sous la direction de l'évaluateur visé [1 à l'article 40 de l'arrêté royal du 14 janvier 2022 relatif à l'évaluation dans la fonction publique fédérale]1.
L'évaluateur note, dans un journal de bord, les formations suivies par le stagiaire.
§ 2. [2 ...]2
Le stage de promotion se déroule sous la direction de l'évaluateur visé [1 à l'article 40 de l'arrêté royal du 14 janvier 2022 relatif à l'évaluation dans la fonction publique fédérale]1.
L'évaluateur note, dans un journal de bord, les formations suivies par le stagiaire.
§ 2. [2 ...]2
Art. 39. [1 Artikel 38, §§ 1 tot 3, van het koninklijk besluit van 14 januari 2022 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt]1 is van toepassing op de beroepsstagiair; waarbij de dertig werkdagen moeten gelezen worden als 228 prestatie-uren.
Modifications
Art. 39. [1 L'article 38, §§ 1er à 3, de l'arrêté royal du 14 janvier 2022 relatif à l'évaluation dans la fonction publique fédérale]1 s'applique au stagiaire professionnel; les trente jours ouvrables doivent être lus comme 228 heures de prestation.
Modifications
Afdeling 2. - Het verloop van de bevorderingsstage en de evaluatie ervan
Section 2. - Du déroulement du stage de promotion et de son évaluation
Art. 40. De evaluatie heeft tot doel de prestaties van de stagiair doorlopend te beoordelen in functie van zijn functiebeschrijving.
Art. 40. L'évaluation a pour but d'apprécier de manière continue les prestations effectuées par le stagiaire et leur adéquation avec la description de fonction.
Art. 41. De evaluator maakt, na de nodige informatie te hebben ingewonnen en na overleg met de stagiair, stageverslagen op.
De stageverslagen worden na drie maanden en op het einde van de bevorderingsstage opgemaakt. Ze worden door de evaluator ondertekend en na afloop van elke periode ter kennis gebracht van de stagiair, die ze ondertekent en er eventueel zijn opmerkingen aan toevoegt. De verslagen worden toegevoegd aan het evaluatiedossier van de stagiair.
De stageverslagen worden na drie maanden en op het einde van de bevorderingsstage opgemaakt. Ze worden door de evaluator ondertekend en na afloop van elke periode ter kennis gebracht van de stagiair, die ze ondertekent en er eventueel zijn opmerkingen aan toevoegt. De verslagen worden toegevoegd aan het evaluatiedossier van de stagiair.
Art. 41. L'évaluateur établit des rapports de stage après avoir recueilli les informations nécessaires et après concertation avec le stagiaire.
Les rapports de stage sont établis après trois mois et à la fin du stage de promotion. Ils sont signés par l'évaluateur et sont communiqués, à l'issue de chaque période, au stagiaire qui les signe et y joint éventuellement ses observations. Les rapports sont versés au dossier d'évaluation du stagiaire.
Les rapports de stage sont établis après trois mois et à la fin du stage de promotion. Ils sont signés par l'évaluateur et sont communiqués, à l'issue de chaque période, au stagiaire qui les signe et y joint éventuellement ses observations. Les rapports sont versés au dossier d'évaluation du stagiaire.
Art. 42. In het tussentijdse stageverslag wordt de stagiair geëvalueerd [1 en de evaluator kan een vermelding "onvoldoende" toekennen]1. Deze beoordeling wordt gemotiveerd aan de hand van concrete vaststellingen. In dit kader formuleert de evaluator aandachtspunten en reikt mogelijke oplossingen aan.
Modifications
Art. 42. Dans le rapport intermédiaire de stage, le stagiaire est évalué [1 et l'évaluateur peut attribuer une mention " insuffisant "]1. Cette évaluation est motivée au moyen de constatations concrètes. Dans ce cadre, l'évaluateur formule des points d'attention et apporte des possibilités de solution.
Modifications
Afdeling 3. - De evaluatie op het einde van de bevorderingsstage
Section 3. - De l'évaluation en fin de stage de promotion
Art. 43. Op het einde van de bevorderingsstage stelt de evaluator, na de stagiair te hebben gehoord, een samenvattend eindverslag op van de manier waarop de stagiair functioneert. Hij stelt voor :
1° hetzij de bevordering van de stagiair te bevestigen;
2° hetzij de bevordering van de stagiair niet te bevestigen;
3° hetzij de periode van de bevorderingsstage voor een duur van ten hoogste tweemaal zes maanden te verlengen.
1° hetzij de bevordering van de stagiair te bevestigen;
2° hetzij de bevordering van de stagiair niet te bevestigen;
3° hetzij de periode van de bevorderingsstage voor een duur van ten hoogste tweemaal zes maanden te verlengen.
Art. 43. A la fin du stage de promotion, l'évaluateur rédige, après avoir entendu le stagiaire, un rapport final récapitulatif sur la manière de servir du stagiaire. Il propose :
1° soit de confirmer la promotion du stagiaire;
2° soit de ne pas confirmer la promotion du stagiaire;
3° soit de prolonger la période de stage de promotion pour une durée de maximum deux fois six mois.
1° soit de confirmer la promotion du stagiaire;
2° soit de ne pas confirmer la promotion du stagiaire;
3° soit de prolonger la période de stage de promotion pour une durée de maximum deux fois six mois.
Art. 44. Het verslag wordt aan de betrokkene ter kennis gebracht via brief.
Als de evaluator voorstelt om de bevordering van de stagiair niet te bevestigen of om de periode van de bevorderingsstage te verlengen, kan de stagiair het geval voorleggen aan [1 de evaluatiecommissie bedoeld in artikel 26, eerste lid, van het koninklijk besluit van 14 januari 2022 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt]1. Het beroep verloopt conform de bepalingen van [1 de artikelen 32 en 33 van het koninklijk besluit van 14 januari 2022 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt]1.
Als de evaluator voorstelt om de bevordering van de stagiair niet te bevestigen of om de periode van de bevorderingsstage te verlengen, kan de stagiair het geval voorleggen aan [1 de evaluatiecommissie bedoeld in artikel 26, eerste lid, van het koninklijk besluit van 14 januari 2022 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt]1. Het beroep verloopt conform de bepalingen van [1 de artikelen 32 en 33 van het koninklijk besluit van 14 januari 2022 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt]1.
Modifications
Art. 44. Le rapport est notifié à l'intéressé par lettre.
Si l'évaluateur propose de ne pas confirmer la promotion du stagiaire ou de prolonger la période de stage de promotion, le stagiaire peut saisir [1 la commission d'évaluation visée à l'article 26, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 14 janvier 2022 relatif à l'évaluation dans la fonction publique fédérale]1. Le recours se déroule conformément aux dispositions [1 des articles 32 et 33 de l'arrêté royal du 14 janvier 2022 relatif à l'évaluation dans la fonction publique fédérale]1.
Si l'évaluateur propose de ne pas confirmer la promotion du stagiaire ou de prolonger la période de stage de promotion, le stagiaire peut saisir [1 la commission d'évaluation visée à l'article 26, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 14 janvier 2022 relatif à l'évaluation dans la fonction publique fédérale]1. Le recours se déroule conformément aux dispositions [1 des articles 32 et 33 de l'arrêté royal du 14 janvier 2022 relatif à l'évaluation dans la fonction publique fédérale]1.
Modifications
Art. 45. Als de Voorzitter de bevordering van het personeelslid niet bevestigt, neemt het personeelslid opnieuw zijn functie op in de graad die het bekleedde voor de bevordering.
Art. 45. Si le Président ne confirme pas la promotion du membre du personnel, celui-ci reprend sa fonction dans le grade dont il était revêtu avant la promotion.
TITEL II. - De fysieke geschiktheid
TITRE II. - De l'aptitude physique
Art. 46. Het personeelslid wordt onderworpen aan een periodieke beoordeling van de fysieke geschiktheid waarvan de modaliteiten bepaald worden door de Minister.
Art. 46. Le membre du personnel est soumis à une évaluation périodique de l'aptitude physique, dont les modalités sont fixées par le Ministre.
TITEL III. - De wedertewerkstelling
TITRE III. - De la réaffectation
Art. 47. Deze titel is van toepassing op de beroepspersoneelsleden.
Art. 47. Ce titre s'applique aux membres du personnel professionnel.
Art. 48. Naast de algemene bepalingen van artikel 73ter, 103bis en 111 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937, kan de wedertewerkstelling gebeuren wanneer het personeelslid medisch of fysiek ongeschikt verklaard wordt voor de uitoefening van zijn ambt, maar wel geschikt verklaard wordt om een ander ambt uit te oefenen dat verenigbaar is met zijn gezondheidstoestand.
Art. 48. Outre les dispositions générales des articles 73ter, 103bis et 111 de l'arrêté royal du 2 octobre 1937, la réaffectation peut avoir lieu si le membre du personnel est déclaré médicalement ou physiquement inapte à exercer son emploi, mais qu'il est déclaré apte à exercer un autre emploi compatible avec son état de santé.
Art. 49. De Voorzitter of zijn afgevaardigde beslist over de wedertewerkstelling, op advies van de eenheidschef of van de [1 directeur van de Civiele Bescherming]1.
Modifications
Art. 49. La réaffectation est décidée par le Président ou son délégué, sur avis du chef d'unité ou du [1 directeur de la Protection civile]1.
Modifications
Art. 50. De wedertewerkstelling in een betrekking gebeurt met inachtneming van de functiebeschrijving van die betrekking. De Voorzitter of zijn afgevaardigde kan opleggen dat het personeelslid slaagt voor een competentieproef en dat een bijscholing gevolgd wordt voor of na de wedertewerkstelling.
De wedertewerkstelling kan betrekking hebben op functies binnen de operationele eenheden en binnen de FOD Binnenlandse Zaken.
De wedertewerkstelling kan betrekking hebben op functies binnen de operationele eenheden en binnen de FOD Binnenlandse Zaken.
Art. 50. La réaffectation dans un emploi est effectuée en tenant compte de la description de fonction de cet emploi. Le Président ou son délégué peut imposer que le membre du personnel réussisse une épreuve de compétence et qu'un cours de perfectionnement soit suivi, avant ou après la réaffectation.
La réaffectation est possible dans une fonction au sein des unités ou au sein du SPF Intérieur.
La réaffectation est possible dans une fonction au sein des unités ou au sein du SPF Intérieur.
Art. 50/1. [1 Het personeelslid dat wedertewerkgesteld wordt naar een administratieve dienst, blijft onderworpen aan het administratief statuut bepaald in onderhavig besluit, uitgezonderd artikel 70.]1
Art. 50/1. [1 Le membre du personnel qui est réaffecté dans un service administratif reste soumis au statut administratif fixé au présent arrêté, à l'exception de l'article 70.]1
Modifications
Art. 51. Het wedertewerkgestelde personeelslid behoudt zijn rechten inzake weddeschaal totdat hij een voordeligere weddeschaal geniet in de functie waarin hij wedertewerkgesteld is.
Het personeelslid behoudt zijn aanspraken [1 op voortgang in de weddeschaal]1 en verliest zijn aanspraken op bevordering, vermeld in [1 artikel 33]1.
Het recht van het wedertewerkgestelde personeelslid op premies en toelagen wordt bepaald in het geldelijk statuut.
Het personeelslid behoudt zijn aanspraken [1 op voortgang in de weddeschaal]1 en verliest zijn aanspraken op bevordering, vermeld in [1 artikel 33]1.
Het recht van het wedertewerkgestelde personeelslid op premies en toelagen wordt bepaald in het geldelijk statuut.
Modifications
Art. 51. Le membre du personnel réaffecté conserve ses droits à son échelle barémique, jusqu'à ce qu'il obtienne une échelle barémique plus avantageuse dans la fonction dans laquelle il est réaffecté.
Le membre du personnel conserve ses titres à l'avancement dans l'échelle de traitement et perd ses titres à la promotion visés à l'[1 article 33]1.
Le droit du membre du personnel réaffecté aux primes et allocations est fixé dans le statut pécuniaire.
Le membre du personnel conserve ses titres à l'avancement dans l'échelle de traitement et perd ses titres à la promotion visés à l'[1 article 33]1.
Le droit du membre du personnel réaffecté aux primes et allocations est fixé dans le statut pécuniaire.
Modifications
Art. 52. Voor zover mogelijk dient de Voorzitter of zijn afgevaardigde het personeelslid tijdelijk wedertewerk te stellen, indien het personeelslid tijdelijk medisch of fysiek ongeschikt wordt verklaard voor de uitoefening van zijn functie, maar wel geschikt verklaard wordt om gedurende die periode een ander ambt in de operationele eenheid of de FOD Binnenlandse Zaken uit te oefenen dat verenigbaar is met zijn gezondheids - of fysieke toestand.
In de mate van het mogelijke, wordt het personeelslid definitief wedertewerkgesteld door de Voorzitter of zijn afgevaardigde indien hij of zij uit medisch of fysiek oogpunt definitief ongeschikt verklaard wordt voor de uitoefening van zijn of haar ambt, maar wel geschikt verklaard wordt om een ander ambt in de operationele eenheid of de FOD Binnenlandse Zaken uit te oefenen.
In de mate van het mogelijke, wordt het personeelslid definitief wedertewerkgesteld door de Voorzitter of zijn afgevaardigde indien hij of zij uit medisch of fysiek oogpunt definitief ongeschikt verklaard wordt voor de uitoefening van zijn of haar ambt, maar wel geschikt verklaard wordt om een ander ambt in de operationele eenheid of de FOD Binnenlandse Zaken uit te oefenen.
Art. 52. Dans la mesure du possible, le Président ou son délégué doit réaffecter temporairement le membre du personnel, si ce dernier est déclaré temporairement inapte d'un point de vue médical ou physique à l'exercice de sa fonction mais qu'il est déclaré apte à exercer, pendant cette période, un autre emploi dans l'unité opérationnelle ou le SPF Intérieur, compatible avec son état de santé ou avec sa condition médicale ou physique.
Dans la mesure du possible, le Président ou son délégué réaffecte définitivement le membre du personnel si celui-ci est déclaré définitivement inapte, du point de vue médical, à exercer sa fonction mais qu'il est déclaré médicalement apte à exercer un autre emploi dans l'unité opérationnelle ou le SPF Intérieur.
Dans la mesure du possible, le Président ou son délégué réaffecte définitivement le membre du personnel si celui-ci est déclaré définitivement inapte, du point de vue médical, à exercer sa fonction mais qu'il est déclaré médicalement apte à exercer un autre emploi dans l'unité opérationnelle ou le SPF Intérieur.
Art. 52/1. [1 In afwijking van de artikelen 50, tweede lid, en 52 kan de wedertewerkstelling betrekking hebben op functies binnen een andere federale overheidsdienst.
In dat geval is het akkoord van de voorzitter, of de afgevaardigde, van de betrokken federale overheidsdienst vereist.]1
In dat geval is het akkoord van de voorzitter, of de afgevaardigde, van de betrokken federale overheidsdienst vereist.]1
Art. 52/1. [1 Par dérogation aux articles 50, alinéa 2, et 52, la réaffectation est possible dans une fonction au sein d'un autre service public fédéral.
Dans ce cas, l'accord du président, ou du délégué, du service public fédéral concerné est requis.]1
Dans ce cas, l'accord du président, ou du délégué, du service public fédéral concerné est requis.]1
Modifications
TITEL IV. - De verandering van graad
TITRE IV. - Du changement de grade
Art. 53. De verandering van graad zoals bedoeld in artikel 71 van het Koninklijk besluit van 2 oktober 1937, verloopt conform de bepalingen van artikel 73 van het genoemde besluit en het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het rijkspersoneel en conform de bepalingen van titel 4 van onderhavig besluit.
Art. 53. Le changement de grade visé à l'article 71 de l'arrêté royal du 2 octobre 1937 est régi par les dispositions de l'article 73 de l'arrêté précité et l'arrêté royal du 7 août 1939 organisant l'évaluation et la carrière des agents de L'Etat et conformément aux dispositions du titre 4 du présent arrêté.
Art. 54. Deze titel is van toepassing op de beroepspersoneelsleden.
Art. 54. Ce titre s'applique aux membres du personnel professionnel.
Art. 55. § 1. De verandering van graad is de overgang van het personeelslid naar een vacant verklaarde betrekking binnen een federale dienst zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 15 januari 2007 betreffende de mobiliteit van de statutaire ambtenaren in het federaal administratief openbaar ambt.
§ 2. Verandering van graad is enkel mogelijk van de operationele graden van de linkerkolom naar de administratieve graden van de niveaus of klassen van de rechterkolom of het onmiddellijk lagere niveau respectievelijk klasse:
§ 2. Verandering van graad is enkel mogelijk van de operationele graden van de linkerkolom naar de administratieve graden van de niveaus of klassen van de rechterkolom of het onmiddellijk lagere niveau respectievelijk klasse:
Art. 55. § 1er. Le changement de grade est le transfert du membre du personnel à un emploi déclaré vacant au sein d'un service fédéral visé à l'arrêté royal du 15 janvier 2007 relatif à la mobilité des agents statutaires dans la fonction publique fédérale administrative.
§ 2. Le changement de grade n'est possible que des grades opérationnels de la colonne de gauche vers les grades administratifs des niveaux ou classes de la colonne de droite ou immédiatement inférieurs:
§ 2. Le changement de grade n'est possible que des grades opérationnels de la colonne de gauche vers les grades administratifs des niveaux ou classes de la colonne de droite ou immédiatement inférieurs:
| Sappeur | Niveau C | Sapeur | Niveau C |
| Korporaal | Niveau C | Caporal | Niveau C |
| Sergeant | Niveau B | Sergent | Niveau B |
| Adjudant | Niveau B | Adjudant | Niveau B |
| Luitenant | Niveau B | Lieutenant | Niveau B |
| Commandant | Niveau B | Commandant | Niveau B |
| Kapitein | Klasse A1 of A2 | Capitaine | Classe A1 ou A2 |
| Majoor | Klasse A3 | Major | Classe A3 |
| Kolonel | Klasse A4 of A5 | Colonel | Classe A4 ou A5 |
Titel 3 van het koninklijk besluit van 25 oktober 2013 betreffende de geldelijke loopbaan van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt is, wat deze verandering van graad betreft, van toepassing. Titel 2 van hetzelfde besluit is evenwel van toepassing op zij die op 1 januari 2019 van niveau veranderd zijn.
| Sappeur | Niveau C | Sapeur | Niveau C |
| Korporaal | Niveau C | Caporal | Niveau C |
| Sergeant | Niveau B | Sergent | Niveau B |
| Adjudant | Niveau B | Adjudant | Niveau B |
| Luitenant | Niveau B | Lieutenant | Niveau B |
| Commandant | Niveau B | Commandant | Niveau B |
| Kapitein | Klasse A1 of A2 | Capitaine | Classe A1 ou A2 |
| Majoor | Klasse A3 | Major | Classe A3 |
| Kolonel | Klasse A4 of A5 | Colonel | Classe A4 ou A5 |
Le Titre 3 de l'arrêté royal relatif à la carrière pécuniaire des membres du personnel de la fonction publique fédérale est d'application pour ce qui concerne ce changement de grade. Le Titre 2 du même arrêté est néanmoins d'application pour les personnes qui changent de grade au 1er janvier 2019.
TITEL V. - Eindeloopbaanregime
TITRE V. - Du régime de fin de carrière
Art. 56. Deze titel is van toepassing op de beroepspersoneelsleden.
Art. 56. Ce titre s'applique aux membres du personnel professionnel.
Art. 57. § 1. Het beroepspersoneelslid dat voldoet aan de volgende voorwaarden, kan ten vroegste één jaar hieraan voorafgaand bij de Voorzitter of zijn afgevaardigde een aanvraag voor toepassing van het eindeloopbaanregime indienen:
1° de leeftijd hebben van ten minste achtenvijftig jaar;
2° ten minste vijfentwintig jaar aanneembare dienstjaren tellen voor de opening van het recht op pensioen in de openbare sector, met uitsluiting van de bonificaties voor studies en van andere periodes die voor de vaststelling van de wedde in aanmerking worden genomen, waarvan ten minste vijftien jaar als beroepspersoneelslid met een operationele graad;
3° op het einde van het eindeloopbaanregime, dat een maximale duurtijd van vier jaar heeft, voldoen aan de voorwaarden om aanspraak te maken op vervroegd pensioen, zoals bedoeld in artikel 46 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering van de pensioenregelingen.
§ 2. De Voorzitter of zijn afgevaardigde neemt een beslissing binnen de termijn van zes maanden vanaf de ontvangst van de aanvraag.
1° de leeftijd hebben van ten minste achtenvijftig jaar;
2° ten minste vijfentwintig jaar aanneembare dienstjaren tellen voor de opening van het recht op pensioen in de openbare sector, met uitsluiting van de bonificaties voor studies en van andere periodes die voor de vaststelling van de wedde in aanmerking worden genomen, waarvan ten minste vijftien jaar als beroepspersoneelslid met een operationele graad;
3° op het einde van het eindeloopbaanregime, dat een maximale duurtijd van vier jaar heeft, voldoen aan de voorwaarden om aanspraak te maken op vervroegd pensioen, zoals bedoeld in artikel 46 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering van de pensioenregelingen.
§ 2. De Voorzitter of zijn afgevaardigde neemt een beslissing binnen de termijn van zes maanden vanaf de ontvangst van de aanvraag.
Art. 57. § 1er. Le membre du personnel professionnel qui répond aux conditions suivantes peut au plus tôt un an avant de répondre à ces conditions introduire auprès du Président ou son délégué une demande d'application du régime de fin de carrière :
1° être âgé d'au moins cinquante-huit ans;
2° compter au moins vingt-cinq années de services admissibles pour l'ouverture du droit à la pension dans le secteur public, à l'exclusion des bonifications pour études et d'autres périodes prises en compte pour la fixation du traitement, dont au moins quinze années en tant que membre du personnel professionnel dans un grade opérationnel;
3° à la fin du régime de fin de carrière, ayant une durée maximale de quatre ans, satisfaire aux conditions pour prétendre à la pension anticipée, telles que prévues à l'article 46 de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions.
§ 2. Le Président ou son délégué prend une décision dans le délai de six mois à dater de la réception de la demande.
1° être âgé d'au moins cinquante-huit ans;
2° compter au moins vingt-cinq années de services admissibles pour l'ouverture du droit à la pension dans le secteur public, à l'exclusion des bonifications pour études et d'autres périodes prises en compte pour la fixation du traitement, dont au moins quinze années en tant que membre du personnel professionnel dans un grade opérationnel;
3° à la fin du régime de fin de carrière, ayant une durée maximale de quatre ans, satisfaire aux conditions pour prétendre à la pension anticipée, telles que prévues à l'article 46 de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions.
§ 2. Le Président ou son délégué prend une décision dans le délai de six mois à dater de la réception de la demande.
Art. 58. De Voorzitter of zijn afgevaardigde bepaalt, na advies van de eindeloopbaancommissie, een lichtere, aangepaste betrekking waarin het betrokken personeelslid tewerkgesteld wordt. Het betrokken personeelslid moet de betrekking aanvaarden of zijn huidige betrekking behouden.
Onder lichtere, aangepaste betrekking moet begrepen worden een betrekking van operationele, administratieve, technische of logistieke aard, binnen de operationele eenheid [1 of een federale overheidsdienst]1, die aangepast is aan het profiel en de mogelijkheden van het betrokken personeelslid.
Onder lichtere, aangepaste betrekking moet begrepen worden een betrekking van operationele, administratieve, technische of logistieke aard, binnen de operationele eenheid [1 of een federale overheidsdienst]1, die aangepast is aan het profiel en de mogelijkheden van het betrokken personeelslid.
Modifications
Art. 58. Le Président ou son délégué détermine, après avis de la commission de fin de carrière, une fonction allégée, adaptée, dans laquelle le membre du personnel concerné est affecté. Le membre du personnel concerné est tenu d'accepter la fonction ou de conserver sa fonction actuelle.
Par fonction allégée, adaptée, il y a lieu de comprendre une fonction de nature opérationnelle, administrative, technique ou logistique, au sein [1 ou d'un service public fédéral]1 profil et aux possibilités du membre du personnel concerné.
Par fonction allégée, adaptée, il y a lieu de comprendre une fonction de nature opérationnelle, administrative, technique ou logistique, au sein [1 ou d'un service public fédéral]1 profil et aux possibilités du membre du personnel concerné.
Modifications
Art. 59. De eindeloopbaancommissie bestaat uit ten hoogste zes leden en is op paritaire wijze samengesteld met vertegenwoordigers van de werkgever en vertegenwoordigers van de representatieve vakorganisaties van de operationele eenheid. De delegatie van de werkgever omvat minstens de eenheidschef of zijn afgevaardigde.
De eindeloopbaancommissie hoort de aanvrager.
De eindeloopbaancommissie houdt in haar advies rekening met de functiebeschrijving van de lichtere, aangepaste betrekking en met het profiel en de mogelijkheden van het personeelslid.
De commissie kan slechts een beslissing nemen indien de meerderheid van haar leden aanwezig is en beslist bij geheime stemming en bij gewone meerderheid van de stemmen.
De eindeloopbaancommissie hoort de aanvrager.
De eindeloopbaancommissie houdt in haar advies rekening met de functiebeschrijving van de lichtere, aangepaste betrekking en met het profiel en de mogelijkheden van het personeelslid.
De commissie kan slechts een beslissing nemen indien de meerderheid van haar leden aanwezig is en beslist bij geheime stemming en bij gewone meerderheid van de stemmen.
Art. 59. La commission de fin de carrière est composée d'au maximum six membres et de manière paritaire de représentants de l'employeur et de représentants des organisations syndicales représentatives de l'unité opérationnelle. La délégation de l'employeur comporte au moins le chef d'unité ou son délégué.
La commission de fin de carrière entend le demandeur.
Dans son avis, la commission de fin de carrière tient compte de la description de la fonction allégée, adaptée, ainsi que du profil et des possibilités du membre du personnel.
La commission ne peut prendre de décision que si la majorité de ses membres est présente et décide au scrutin secret et à la majorité simple des voix.
La commission de fin de carrière entend le demandeur.
Dans son avis, la commission de fin de carrière tient compte de la description de la fonction allégée, adaptée, ainsi que du profil et des possibilités du membre du personnel.
La commission ne peut prendre de décision que si la majorité de ses membres est présente et décide au scrutin secret et à la majorité simple des voix.
Art. 60. Het personeelslid dat tewerkgesteld is in een lichtere, aangepaste betrekking behoudt zijn rechten op zijn weddeschaal en verliest zijn recht op bevordering bedoeld in artikel 33, 1°.
Het recht van het personeelslid dat tewerkgesteld is in een lichtere, aangepaste betrekking, op premies en toelagen wordt bepaald in het geldelijk statuut.
Het recht van het personeelslid dat tewerkgesteld is in een lichtere, aangepaste betrekking, op premies en toelagen wordt bepaald in het geldelijk statuut.
Art. 60. Le membre du personnel employé dans une fonction allégée, adaptée, conserve ses droits à son échelle de traitement et perd son droit à la promotion visée à l'article 33, 1°.
Le droit du membre du personnel affecté dans une fonction allégée, adaptée, aux primes et allocations est fixé dans le statut pécuniaire.
Le droit du membre du personnel affecté dans une fonction allégée, adaptée, aux primes et allocations est fixé dans le statut pécuniaire.
Art. 61. Het personeelslid dat tewerkgesteld is in een lichtere, aangepaste betrekking, is verplicht zijn oppensioenstelling aan te vragen wanneer het de leeftijd bereikt waarop het de voorwaarden voor vervroegd pensioen vervult.
Art. 61. Le membre du personnel qui est employé dans une fonction allégée, adaptée, est obligé de demander sa mise à la pension dès qu'il a atteint l'âge où il remplit les conditions de la pension anticipée.
Art. 62. Indien de eindeloopbaancommissie in haar advies geen aangepaste, lichtere betrekking voorstelt, en indien de Voorzitter of zijn afgevaardigde vaststelt dat het niet mogelijk is een aangepaste, lichtere betrekking te bepalen, kent hij een verlof voorafgaand aan het pensioen toe aan het personeelslid.
Art. 62. Si, dans son avis, la commission de fin de carrière ne propose pas de fonction allégée, adaptée, et si le Président ou son délégué constate qu'il est impossible de déterminer une fonction allégée, adaptée, il accorde au membre du personnel un congé préalable à la pension.
Art. 63. Het verlof voorafgaand aan het pensioen vangt aan op de eerste dag van een kalendermaand.
Art. 63. Le congé préalable à la pension débute le premier jour d'un mois calendrier.
Art. 64. Het personeelslid is met verlof voorafgaand aan het pensioen tot en met de eerste dag van de maand waarin het voldoet aan de voorwaarden voor het nemen van het vervroegd pensioen overeenkomstig artikel 46 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering van de pensioenregelingen.
De periode van voorafgaand verlof wordt met dienstactiviteit gelijkgesteld.
Het personeelslid dat in voorafgaand verlof wordt gesteld, is verplicht zijn oppensioenstelling aan te vragen wanneer het de leeftijd bereikt waarop het de voorwaarden voor vervroegd pensioen vervult.
De periode van voorafgaand verlof wordt met dienstactiviteit gelijkgesteld.
Het personeelslid dat in voorafgaand verlof wordt gesteld, is verplicht zijn oppensioenstelling aan te vragen wanneer het de leeftijd bereikt waarop het de voorwaarden voor vervroegd pensioen vervult.
Art. 64. Le membre du personnel est en congé préalable à la pension jusqu'au premier jour du mois pendant lequel il satisfait aux conditions pour prendre la pension anticipée conformément à l'article 46 de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions.
La période du congé préalable est assimilée à une période d'activité de service.
Le membre du personnel qui est mis en congé préalable est obligé de demander sa mise à la pension dès qu'il atteint l'âge où il remplit les conditions de la pension anticipée.
La période du congé préalable est assimilée à une période d'activité de service.
Le membre du personnel qui est mis en congé préalable est obligé de demander sa mise à la pension dès qu'il atteint l'âge où il remplit les conditions de la pension anticipée.
Art. 65. Het personeelslid met verlof voorafgaand aan de pensionering ontvangt een wachtgeld gelijk aan 75 % van zijn laatste activiteitswedde.
Onder laatste activiteitswedde wordt verstaan het over de laatste vijf jaar berekende gemiddelde van de toegekende jaarwedde voor volledige prestaties en van de ontvangen premie voor operationaliteit en onregelmatige prestaties, vermeld in [1 artikel 25]1 van het koninklijk besluit van 29 juni 2018 houdende bezoldigingsregeling van het operationeel personeel van de Civiele Bescherming.
Onder de toegekende jaarwedde en ontvangen premie voor operationaliteit en onregelmatige prestaties moet desgevallend begrepen worden de ontvangen vergoeding voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid veroorzaakt door een arbeidsongeval of een ander vervangingsinkomen of wachtgeld.
Het vakantiegeld en de eindejaarstoelage worden volgens de proporties, vermeld in het eerste lid, toegekend.
Onder laatste activiteitswedde wordt verstaan het over de laatste vijf jaar berekende gemiddelde van de toegekende jaarwedde voor volledige prestaties en van de ontvangen premie voor operationaliteit en onregelmatige prestaties, vermeld in [1 artikel 25]1 van het koninklijk besluit van 29 juni 2018 houdende bezoldigingsregeling van het operationeel personeel van de Civiele Bescherming.
Onder de toegekende jaarwedde en ontvangen premie voor operationaliteit en onregelmatige prestaties moet desgevallend begrepen worden de ontvangen vergoeding voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid veroorzaakt door een arbeidsongeval of een ander vervangingsinkomen of wachtgeld.
Het vakantiegeld en de eindejaarstoelage worden volgens de proporties, vermeld in het eerste lid, toegekend.
Modifications
Art. 65. L'agent en congé préalable à la pension perçoit un traitement d'attente égal à 75 % de son dernier traitement d'activité.
Par dernier traitement d'activité, il y a lieu d'entendre la moyenne, calculée pour les cinq dernières années, du traitement annuel alloué pour des prestations complètes, et de la prime d'opérationnalité et de prestations irrégulières reçue, telle que visée à [1 l'article 25]1 de l'arrêté royal du 29 juin 2018 portant statut pécuniaire du personnel opérationnel de la Protection civile..
Par traitement annuel alloué et prime d'opérationnalité et de prestations irrégulières, il y a lieu d'entendre l'indemnité reçue pour une incapacité de travail temporaire provoquée par un accident de travail ou un autre revenu de remplacement ou une indemnité d'attente.
Le pécule de vacances et la prime de fin d'année sont accordés dans les proportions visées à l'alinéa 1er.
Par dernier traitement d'activité, il y a lieu d'entendre la moyenne, calculée pour les cinq dernières années, du traitement annuel alloué pour des prestations complètes, et de la prime d'opérationnalité et de prestations irrégulières reçue, telle que visée à [1 l'article 25]1 de l'arrêté royal du 29 juin 2018 portant statut pécuniaire du personnel opérationnel de la Protection civile..
Par traitement annuel alloué et prime d'opérationnalité et de prestations irrégulières, il y a lieu d'entendre l'indemnité reçue pour une incapacité de travail temporaire provoquée par un accident de travail ou un autre revenu de remplacement ou une indemnité d'attente.
Le pécule de vacances et la prime de fin d'année sont accordés dans les proportions visées à l'alinéa 1er.
Modifications
Art. 66. § 1. De personeelsleden die het in artikel 63 vermelde verlof nemen, mogen, mits voorafgaande toelating, een beroepsactiviteit uitoefenen. Indien de inkomsten uit deze beroepsactiviteit echter de grenzen inzake cumulatie, voorzien door de artikelen 76, 80 en 84 tot en met 89 van de programmawet van 28 juni 2013, overschrijden, dan wordt het wachtgeld verminderd of geschorst op dezelfde wijze als het rustpensioen.
De voorafgaande toelating verloopt volgens de procedure voor cumulatie bepaald door het koninklijk besluit van 2 oktober 1937.
§ 2. De personeelsleden die van het verlof bedoeld in artikel 63 genieten, mogen de functie van vrijwilliger niet uitoefenen.
De voorafgaande toelating verloopt volgens de procedure voor cumulatie bepaald door het koninklijk besluit van 2 oktober 1937.
§ 2. De personeelsleden die van het verlof bedoeld in artikel 63 genieten, mogen de functie van vrijwilliger niet uitoefenen.
Art. 66. § 1er. Les membres du personnel qui bénéficient du congé prévu à l'article 63 peuvent, moyennant autorisation préalable, exercer une activité professionnelle. Toutefois lorsque les revenus de cette activité professionnelle dépassent les limites en matière de cumul prévues par les articles 76, 80 et 84 à 89 de la loi programme du 28 juin 2013, le traitement d'attente sera réduit ou supprimé de la même manière qu'une pension de retraite.
L'autorisation préalable est soumise à la procédure pour le cumul prévue dans l'arrêté royal du 2 octobre 1937.
§ 2. Les membres du personnel qui bénéficient du congé prévu à l'article 63 ne peuvent pas exercer les fonctions de volontaire.
L'autorisation préalable est soumise à la procédure pour le cumul prévue dans l'arrêté royal du 2 octobre 1937.
§ 2. Les membres du personnel qui bénéficient du congé prévu à l'article 63 ne peuvent pas exercer les fonctions de volontaire.
TITEL VI. - Uitoefening van een hoger ambt
TITRE VI. - De l'exercice d'une fonction supérieure
Art. 67. Afdeling 2 van Hoofdstuk 2 van Titel 2 van het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt is van toepassing, met uitzondering van:
a) artikel 26, eerste lid;
b) artikel 27;
c) artikel 28, § 2, derde en vierde lid;
d) artikel 34 enkel voor wat betreft de schaal- en klasseanciënniteit;
e) artikel 35.
Voor de toepassing van artikel 32, 4° van het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt moet het bedrag van de toelage berekend worden overeenkomstig artikel 28 van het geldelijk statuut.
a) artikel 26, eerste lid;
b) artikel 27;
c) artikel 28, § 2, derde en vierde lid;
d) artikel 34 enkel voor wat betreft de schaal- en klasseanciënniteit;
e) artikel 35.
Voor de toepassing van artikel 32, 4° van het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt moet het bedrag van de toelage berekend worden overeenkomstig artikel 28 van het geldelijk statuut.
Art. 67. La section 2 du chapitre 2 du Titre 2 de l'arrêté royal du 13 juillet 2017 fixant les allocations et indemnités des membres du personnel de la fonction publique fédérale s'applique, à l'exception de :
a) l'article 26, alinéa 1er;
b) l'article 27;
c) l'article 28, § 2, alinéas 3 et 4;
d) l'article 34 en ce qui concerne l'ancienneté d'échelle et de classe;
e) l'article 35.
Pour l'application de l'article 32, 4° de l'arrêté royal du 13 juillet 2017 fixant les allocations et indemnités des membres du personnel de la fonction publique fédérale, le montant de l'allocation doit être calculé en application de l'article 28 du statut pécuniaire.
a) l'article 26, alinéa 1er;
b) l'article 27;
c) l'article 28, § 2, alinéas 3 et 4;
d) l'article 34 en ce qui concerne l'ancienneté d'échelle et de classe;
e) l'article 35.
Pour l'application de l'article 32, 4° de l'arrêté royal du 13 juillet 2017 fixant les allocations et indemnités des membres du personnel de la fonction publique fédérale, le montant de l'allocation doit être calculé en application de l'article 28 du statut pécuniaire.
BOEK VI. - DE BIJZONDERE OPLEIDING
LIVRE VI. - DE LA FORMATION SPECIFIQUE
Art. 68. De inhoud van de bijzondere opleidingen van het personeelslid wordt door Ons bepaald.
Art. 68. Le contenu des formations spécifiques du membre du personnel est fixé par Nous.
Art. 69. De opleidingsuren vormen in elk opzicht een dienstactiviteit, gerekend in arbeidsuren of in diensturen.
Art. 69. Les heures de formation constituent à tout point de vue une activité de service, comptabilisée en heures de travail ou de service.
Art. 70. § 1. [2 Het personeelslid volgt minimaal 120 uur voortgezette opleiding per periode van vijf jaar om zijn vroeger verworven competenties te behouden en reactief aan te passen en om proactief nieuwe technieken en competenties aan te leren zodat de huidig uitgeoefende functie op efficiënte wijze kan blijven uitgeoefend worden, onverminderd de opleidingsverplichtingen van boek I, titel 2, van de codex over het welzijn op het werk.]2
De [2 ...]2 uren opleiding, bedoeld in het eerste lid, worden georganiseerd door de [3 directeur van de Civiele Bescherming]3. Hij kan de uitvoering van deze taak aan een opleidingscentrum voor de civiele veiligheid toevertrouwen.
[1 In afwijking van het eerste lid bestaat er, ten gevolge van de "Coronavirus COVID-19"-epidemie, geen verplichting om voortgezette opleiding te volgen in 2020.]1
[2 In afwijking van het eerste lid bestaat er, ten gevolge van de "Coronavirus COVID-19"-epidemie, geen verplichting om voortgezette opleiding te volgen in de eerste zes maanden van 2021. Het minimaal aantal uren voortgezette opleiding dat moet gevolgd worden per periode van vijf jaar wordt verminderd in verhouding tot de tewerkstelling van het personeelslid in het jaar 2021.
In afwijking van het eerste lid kan de Minister het aantal uren verplichte voortgezette opleiding verminderen omwille van uitzonderlijke omstandigheden. De uitzonderlijke omstandigheden kunnen enkel aanvaard worden in geval van afkondiging van een provinciale of federale fase, bedoeld in hoofdstuk V, Afdeling II, van het koninklijk besluit van 22 mei 2019 betreffende de noodplanning en het beheer van noodsituaties op het gemeentelijk en provinciaal niveau en betreffende de rol van de burgemeesters en de provinciegouverneurs in geval van crisisgebeurtenissen en -situaties die een coördinatie of een beheer op nationaal niveau vereisen. De Minister kan beslissen om de vermindering te beperken tot één operationele eenheid in functie van de omvang van de uitzonderlijke omstandigheden.
Het geven van voortgezette opleiding, in de operationele eenheid of in een opleidingscentrum, wordt beschouwd als arbeidstijd in de zin van de wet van 14 december 2000 tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de openbare sector voor de beroepspersoneelsleden, of diensttijd in de zin van artikel 72, 1°, van dit besluit voor de vrijwillige personeelsleden, onder de voorwaarde van het sluiten van een overeenkomst tussen de Algemene Directie van de Civiele Veiligheid, het opleidingscentrum en de instructeur.]2
§ 2. [2 In afwijking van paragraaf 1, wordt bij een afwezigheid van het personeelslid van in totaal minstens achttien maanden, de periode van vijf jaar bedoeld in § 1, eerste lid, verlengd met de duur van de afwezigheid. Voor de berekening van deze afwezigheid komen in aanmerking: de verloven en afwezigheden bedoeld in de artikelen 79 tot en met 84, evenals de voltijdse detacheringen.]2
§ 3. Het personeelslid volgt jaarlijks minimaal vierentwintig uur permanente opleiding. De organisatie en het aantal uren van deze opleiding worden bepaald door de [3 directeur van de Civiele Bescherming]3.
Dit aantal wordt vastgelegd onafhankelijk van het aantal uren voortgezette opleiding.
[1 In afwijking van het eerste lid bestaat er, ten gevolge van de "Coronavirus COVID-19"-epidemie, geen verplichting om permanente opleiding te volgen in 2020.]1
§ 4. In afwijking van paragraaf 3, wordt de duur van de permanente opleiding van het personeelslid dat tijdens een jaar gedurende minimaal zes maanden afwezig is verminderd met één twaalfde per volledige maand afwezigheid. Voor de berekening van deze afwezigheid komen in aanmerking de verloven en afwezigheden bedoeld in de artikelen 16 tot en met 37, 41 tot en met 68bis en 95 tot en met 143 van het koninklijk besluit van 19 november 1998, evenals de voltijdse detacheringen. Na de afwezigheidsperiode volgt het personeelslid een aan de functie aangepaste permanente opleiding, die wordt afgesloten met een operationaliteitstest. Na het slagen in de operationaliteitstest kan het personeelslid opnieuw ingezet worden voor interventies.
De [2 ...]2 uren opleiding, bedoeld in het eerste lid, worden georganiseerd door de [3 directeur van de Civiele Bescherming]3. Hij kan de uitvoering van deze taak aan een opleidingscentrum voor de civiele veiligheid toevertrouwen.
[1 In afwijking van het eerste lid bestaat er, ten gevolge van de "Coronavirus COVID-19"-epidemie, geen verplichting om voortgezette opleiding te volgen in 2020.]1
[2 In afwijking van het eerste lid bestaat er, ten gevolge van de "Coronavirus COVID-19"-epidemie, geen verplichting om voortgezette opleiding te volgen in de eerste zes maanden van 2021. Het minimaal aantal uren voortgezette opleiding dat moet gevolgd worden per periode van vijf jaar wordt verminderd in verhouding tot de tewerkstelling van het personeelslid in het jaar 2021.
In afwijking van het eerste lid kan de Minister het aantal uren verplichte voortgezette opleiding verminderen omwille van uitzonderlijke omstandigheden. De uitzonderlijke omstandigheden kunnen enkel aanvaard worden in geval van afkondiging van een provinciale of federale fase, bedoeld in hoofdstuk V, Afdeling II, van het koninklijk besluit van 22 mei 2019 betreffende de noodplanning en het beheer van noodsituaties op het gemeentelijk en provinciaal niveau en betreffende de rol van de burgemeesters en de provinciegouverneurs in geval van crisisgebeurtenissen en -situaties die een coördinatie of een beheer op nationaal niveau vereisen. De Minister kan beslissen om de vermindering te beperken tot één operationele eenheid in functie van de omvang van de uitzonderlijke omstandigheden.
Het geven van voortgezette opleiding, in de operationele eenheid of in een opleidingscentrum, wordt beschouwd als arbeidstijd in de zin van de wet van 14 december 2000 tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de openbare sector voor de beroepspersoneelsleden, of diensttijd in de zin van artikel 72, 1°, van dit besluit voor de vrijwillige personeelsleden, onder de voorwaarde van het sluiten van een overeenkomst tussen de Algemene Directie van de Civiele Veiligheid, het opleidingscentrum en de instructeur.]2
§ 2. [2 In afwijking van paragraaf 1, wordt bij een afwezigheid van het personeelslid van in totaal minstens achttien maanden, de periode van vijf jaar bedoeld in § 1, eerste lid, verlengd met de duur van de afwezigheid. Voor de berekening van deze afwezigheid komen in aanmerking: de verloven en afwezigheden bedoeld in de artikelen 79 tot en met 84, evenals de voltijdse detacheringen.]2
§ 3. Het personeelslid volgt jaarlijks minimaal vierentwintig uur permanente opleiding. De organisatie en het aantal uren van deze opleiding worden bepaald door de [3 directeur van de Civiele Bescherming]3.
Dit aantal wordt vastgelegd onafhankelijk van het aantal uren voortgezette opleiding.
[1 In afwijking van het eerste lid bestaat er, ten gevolge van de "Coronavirus COVID-19"-epidemie, geen verplichting om permanente opleiding te volgen in 2020.]1
§ 4. In afwijking van paragraaf 3, wordt de duur van de permanente opleiding van het personeelslid dat tijdens een jaar gedurende minimaal zes maanden afwezig is verminderd met één twaalfde per volledige maand afwezigheid. Voor de berekening van deze afwezigheid komen in aanmerking de verloven en afwezigheden bedoeld in de artikelen 16 tot en met 37, 41 tot en met 68bis en 95 tot en met 143 van het koninklijk besluit van 19 november 1998, evenals de voltijdse detacheringen. Na de afwezigheidsperiode volgt het personeelslid een aan de functie aangepaste permanente opleiding, die wordt afgesloten met een operationaliteitstest. Na het slagen in de operationaliteitstest kan het personeelslid opnieuw ingezet worden voor interventies.
Art. 70. § 1er. [2 Le membre du personnel suit au minimum 120 heures de formation continue par période de cinq ans en vue du maintien des compétences déjà acquises, de l'adaptation réactive des compétences acquises et de l'apprentissage proactif de nouvelles techniques et compétences afin de pouvoir continuer à exercer efficacement la fonction actuelle, sans préjudice des obligations de formation du livre Ier, titre 2, du code du bien-être au travail.]2
Les [2 ...]2 heures de formation visées à l'alinéa 1er sont organisées par le [3 directeur de la Protection civile]3. Il peut confier l'exécution de cette tâche à un centre de formation pour la sécurité civile.
[1 Par dérogation à l'alinéa 1er, en raison de l'épidémie de " Coronavirus - COVID - 19 ", il n'y a pas d'obligation de suivre la formation continue en 2020.]1
[2 Par dérogation à l'alinéa 1er, en raison de l'épidémie de "Coronavirus COVID-19", il n'y a pas d'obligation de suivre une formation continue au cours des six premiers mois de l'année 2021. Le nombre minimum d'heures de formation continue qui doit être suivi par période de cinq ans est réduit proportionnellement à l'occupation du membre du personnel en 2021.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le ministre peut réduire le nombre d'heures de formation continue obligatoire en raison de circonstances exceptionnelles. Les circonstances exceptionnelles ne peuvent être acceptées qu'en cas de déclenchement d'une phase provinciale ou fédérale, telle que visée au chapitre V, section II, de l'arrêté royal du 22 mai 2019 relatif à la planification d'urgence et la gestion de situations d'urgence à l'échelon communal et provincial et au rôle des bourgmestres et des gouverneurs de province en cas d'événements et de situations de crise nécessitant une coordination ou une gestion à l'échelon national. Le ministre peut décider de limiter la réduction à une unité opérationnelle en fonction de l'ampleur des circonstances exceptionnelles.
Dispenser une formation continue, dans l'unité opérationnelle ou dans un centre de formation, est considéré comme du temps de travail au sens de la loi du 14 décembre 2000 fixant certains aspects de l'aménagement du temps de travail dans le secteur public pour les membres du personnel professionnel, ou comme du temps de service au sens de l'article 72, 1°, pour les membres du personnel volontaires, à la condition qu'une convention soit conclue entre la Direction générale de la Sécurité civile, le centre de formation et l'instructeur.]2
§ 2. [2 Par dérogation au paragraphe 1er, en cas d'absence du membre du personnel d'au moins dix-huit mois au total, la période de cinq ans visée au § 1er, alinéa 1er est prolongée de la durée de l'absence. Entrent en ligne de compte pour le calcul de cette absence : les congés et absences visés aux articles 79 à 84, ainsi que les détachements à temps plein.]2
§ 3. Le membre du personnel suit chaque année minimum vingt-quatre heures de formation permanente. L'organisation et le nombre d'heures de cette formation sont fixés par le [3 directeur de la Protection civile]3.
Ce nombre est fixé indépendamment du nombre d'heures de formation continue.
[1 Par dérogation à l'alinéa 1er, en raison de l'épidémie de " Coronavirus - COVID - 19 ", il n'y a pas d'obligation de suivre la formation permanente en 2020.]1
§ 4. Par dérogation au paragraphe 3, la durée de la formation permanente du membre du personnel qui est absent pendant au minimum six mois sur une année est réduite d'un douzième par mois complet d'absence. Entrent en ligne de compte pour le calcul de cette absence, les congés et absences visés aux articles 16 à 37, 41 à 68bis et 95 à 143 de l'arrêté royal du 19 novembre 1998, ainsi que les détachements à temps plein. Après la période d'absence, le membre du personnel suit une formation permanente adaptée à la fonction, qui se clôture par un test d'opérationnalité. Après réussite du test d'opérationnalité, le membre du personnel peut de nouveau être engagé lors des interventions.
Les [2 ...]2 heures de formation visées à l'alinéa 1er sont organisées par le [3 directeur de la Protection civile]3. Il peut confier l'exécution de cette tâche à un centre de formation pour la sécurité civile.
[1 Par dérogation à l'alinéa 1er, en raison de l'épidémie de " Coronavirus - COVID - 19 ", il n'y a pas d'obligation de suivre la formation continue en 2020.]1
[2 Par dérogation à l'alinéa 1er, en raison de l'épidémie de "Coronavirus COVID-19", il n'y a pas d'obligation de suivre une formation continue au cours des six premiers mois de l'année 2021. Le nombre minimum d'heures de formation continue qui doit être suivi par période de cinq ans est réduit proportionnellement à l'occupation du membre du personnel en 2021.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le ministre peut réduire le nombre d'heures de formation continue obligatoire en raison de circonstances exceptionnelles. Les circonstances exceptionnelles ne peuvent être acceptées qu'en cas de déclenchement d'une phase provinciale ou fédérale, telle que visée au chapitre V, section II, de l'arrêté royal du 22 mai 2019 relatif à la planification d'urgence et la gestion de situations d'urgence à l'échelon communal et provincial et au rôle des bourgmestres et des gouverneurs de province en cas d'événements et de situations de crise nécessitant une coordination ou une gestion à l'échelon national. Le ministre peut décider de limiter la réduction à une unité opérationnelle en fonction de l'ampleur des circonstances exceptionnelles.
Dispenser une formation continue, dans l'unité opérationnelle ou dans un centre de formation, est considéré comme du temps de travail au sens de la loi du 14 décembre 2000 fixant certains aspects de l'aménagement du temps de travail dans le secteur public pour les membres du personnel professionnel, ou comme du temps de service au sens de l'article 72, 1°, pour les membres du personnel volontaires, à la condition qu'une convention soit conclue entre la Direction générale de la Sécurité civile, le centre de formation et l'instructeur.]2
§ 2. [2 Par dérogation au paragraphe 1er, en cas d'absence du membre du personnel d'au moins dix-huit mois au total, la période de cinq ans visée au § 1er, alinéa 1er est prolongée de la durée de l'absence. Entrent en ligne de compte pour le calcul de cette absence : les congés et absences visés aux articles 79 à 84, ainsi que les détachements à temps plein.]2
§ 3. Le membre du personnel suit chaque année minimum vingt-quatre heures de formation permanente. L'organisation et le nombre d'heures de cette formation sont fixés par le [3 directeur de la Protection civile]3.
Ce nombre est fixé indépendamment du nombre d'heures de formation continue.
[1 Par dérogation à l'alinéa 1er, en raison de l'épidémie de " Coronavirus - COVID - 19 ", il n'y a pas d'obligation de suivre la formation permanente en 2020.]1
§ 4. Par dérogation au paragraphe 3, la durée de la formation permanente du membre du personnel qui est absent pendant au minimum six mois sur une année est réduite d'un douzième par mois complet d'absence. Entrent en ligne de compte pour le calcul de cette absence, les congés et absences visés aux articles 16 à 37, 41 à 68bis et 95 à 143 de l'arrêté royal du 19 novembre 1998, ainsi que les détachements à temps plein. Après la période d'absence, le membre du personnel suit une formation permanente adaptée à la fonction, qui se clôture par un test d'opérationnalité. Après réussite du test d'opérationnalité, le membre du personnel peut de nouveau être engagé lors des interventions.
Art. 71. De aanvraag om opleiding wordt schriftelijk ingediend door het personeelslid.
De gemotiveerde beslissing om de aanvraag te aanvaarden of te weigeren wordt door de eenheidschef of zijn afgevaardigde aan het personeelslid overgemaakt binnen de dertig dagen volgend op de indiening van de aanvraag.
De beslissing tot weigering die betrekking heeft op uren voortgezette opleiding bedoeld in artikel 70, § 1, wordt in het bijzonder gemotiveerd en wordt vergezeld van een voorstel voor een andere voortgezette opleiding.
De gemotiveerde beslissing om de aanvraag te aanvaarden of te weigeren wordt door de eenheidschef of zijn afgevaardigde aan het personeelslid overgemaakt binnen de dertig dagen volgend op de indiening van de aanvraag.
De beslissing tot weigering die betrekking heeft op uren voortgezette opleiding bedoeld in artikel 70, § 1, wordt in het bijzonder gemotiveerd en wordt vergezeld van een voorstel voor een andere voortgezette opleiding.
Art. 71. La demande pour suivre une formation est introduite par écrit par le membre du personnel.
La décision motivée d'accepter ou de refuser la demande est transmise par le chef d'unité ou son délégué au membre du personnel dans les trente jours qui suivent l'introduction de la demande.
La décision de refus qui porte sur des heures de formation continue visées à l'article 70, § 1er, est spécialement motivée et accompagnée d'une proposition alternative de formation continue.
La décision motivée d'accepter ou de refuser la demande est transmise par le chef d'unité ou son délégué au membre du personnel dans les trente jours qui suivent l'introduction de la demande.
La décision de refus qui porte sur des heures de formation continue visées à l'article 70, § 1er, est spécialement motivée et accompagnée d'une proposition alternative de formation continue.
BOEK VII. - ORGANISATIE VAN DE DIENSTTIJD VAN DE VRIJWILLIGE PERSONEELSLEDEN
LIVRE VII. - L'ORGANISATION DU TEMPS DE SERVICE DES MEMBRES DU PERSONNEL VOLONTAIRE
TITEL I. - Algemeen
TITRE Ier. - Généralités
Art. 72. Voor de toepassing van dit boek wordt verstaan onder :
1° diensttijd : de uren die een vrijwillig personeelslid presteert, verdeeld in vijf categorieën :
- interventies;
- oefeningen en opleidingen;
- onderhouds- en administratieve taken;
- wachtdiensten in de kazerne;
- deelname aan het bevorderingsexamen.
2° rust : de tijd die geen diensttijd is;
3° wachtdienst in de kazerne: een periode waarin het vrijwillige personeelslid verplicht is op de arbeidsplaats aanwezig te zijn. Deze periode wordt volledig als diensttijd aangerekend;
4° oproepbaarheidsdienst : een periode waarin het vrijwillige personeelslid, zonder op een plaats bepaald door de werkgever te moeten zijn, zich beschikbaar verklaart om gevolg te geven aan een oproep voor een interventie. Enkel de periode van de interventie wordt als diensttijd aangerekend.
1° diensttijd : de uren die een vrijwillig personeelslid presteert, verdeeld in vijf categorieën :
- interventies;
- oefeningen en opleidingen;
- onderhouds- en administratieve taken;
- wachtdiensten in de kazerne;
- deelname aan het bevorderingsexamen.
2° rust : de tijd die geen diensttijd is;
3° wachtdienst in de kazerne: een periode waarin het vrijwillige personeelslid verplicht is op de arbeidsplaats aanwezig te zijn. Deze periode wordt volledig als diensttijd aangerekend;
4° oproepbaarheidsdienst : een periode waarin het vrijwillige personeelslid, zonder op een plaats bepaald door de werkgever te moeten zijn, zich beschikbaar verklaart om gevolg te geven aan een oproep voor een interventie. Enkel de periode van de interventie wordt als diensttijd aangerekend.
Art. 72. Pour l'application du présent livre, l'on entend par :
1° temps de service : les heures prestées par un membre du personnel volontaire, réparties en cinq catégories :
- interventions;
- exercices et formations;
- tâches d'entretien et administratives;
- services de garde en caserne;
- participation à l'examen de promotion.
2° repos : le temps qui n'est pas du temps de service;
3° service de garde en caserne : une période durant laquelle le membre du personnel volontaire est tenu d'être présent sur le lieu du travail. Cette période est entièrement comptabilisée comme temps de service;
4° service de rappel : une période durant laquelle le membre du personnel volontaire se déclare disponible, sans devoir être dans un lieu fixé par l'employeur, pour donner suite à un appel pour une intervention. Seule la période relative à l'intervention est comptabilisée comme temps de service.
1° temps de service : les heures prestées par un membre du personnel volontaire, réparties en cinq catégories :
- interventions;
- exercices et formations;
- tâches d'entretien et administratives;
- services de garde en caserne;
- participation à l'examen de promotion.
2° repos : le temps qui n'est pas du temps de service;
3° service de garde en caserne : une période durant laquelle le membre du personnel volontaire est tenu d'être présent sur le lieu du travail. Cette période est entièrement comptabilisée comme temps de service;
4° service de rappel : une période durant laquelle le membre du personnel volontaire se déclare disponible, sans devoir être dans un lieu fixé par l'employeur, pour donner suite à un appel pour une intervention. Seule la période relative à l'intervention est comptabilisée comme temps de service.
Art. 73. De artikelen 74, 76 en 78 zijn niet van toepassing op de vrijwillige personeelsleden met de graad van majoor en kolonel.
Art. 73. Les articles 74, 76 et 78 ne sont pas applicables aux membres du personnel volontaire porteurs des grades de major et de colonel.
TITEL II. - Dienst- en rusttijden
TITRE II. - TEMPS DE SERVICE ET DE REPOS
Art. 74. § 1. De eenheidschef of zijn afgevaardigde organiseert de dienst zodanig dat de diensttijd maximaal vierentwintig uren per week bedraagt berekend over een referentieperiode van twaalf maanden.
§ 2. De duur van elke werkperiode mag nooit vierentwintig uren overschrijden, behoudens voor het verrichten van :
- dringende interventies om het hoofd te bieden aan een voorgekomen of dreigend ongeval;
- dringende interventies die door een onvoorziene noodzakelijkheid worden vereist.
Deze overschrijdingen worden binnen de veertien dagen gecompenseerd met een even lange periode waarin het vrijwillige personeelslid geen oproepbaarheidsdienst kan uitoefenen.
In het geval van dergelijke overschrijdingen worden alle maatregelen genomen om zo snel mogelijk het vrijwillige personeelslid te vervangen.
§ 3. Elke dienstprestatie waarvan de duur tussen twaalf uren en vierentwintig uren bedraagt moet worden gevolgd door een rustperiode van minimum twaalf opeenvolgende uren.
§ 2. De duur van elke werkperiode mag nooit vierentwintig uren overschrijden, behoudens voor het verrichten van :
- dringende interventies om het hoofd te bieden aan een voorgekomen of dreigend ongeval;
- dringende interventies die door een onvoorziene noodzakelijkheid worden vereist.
Deze overschrijdingen worden binnen de veertien dagen gecompenseerd met een even lange periode waarin het vrijwillige personeelslid geen oproepbaarheidsdienst kan uitoefenen.
In het geval van dergelijke overschrijdingen worden alle maatregelen genomen om zo snel mogelijk het vrijwillige personeelslid te vervangen.
§ 3. Elke dienstprestatie waarvan de duur tussen twaalf uren en vierentwintig uren bedraagt moet worden gevolgd door een rustperiode van minimum twaalf opeenvolgende uren.
Art. 74. § 1er. Le chef d'unité ou son délégué organise le service d'une telle façon que le temps de service comporte au maximum vingt-quatre heures par semaine calculé sur une période de référence de douze mois.
§ 2. La durée de chaque prestation de travail ne peut excéder vingt-quatre heures sauf pour l'exécution :
- des interventions urgentes entreprises en vue de faire face à un accident survenu ou imminent;
- des interventions urgentes commandées par une nécessité imprévue.
Ces dépassements d'heures sont compensés dans les quatorze jours par une période aussi longue pendant laquelle le membre du personnel volontaire ne peut pas exercer un service de rappel.
En cas de ces dépassements d'heures, toutes les mesures nécessaires sont prises pour remplacer le membre du personnel volontaire le plus vite possible.
§ 3. Chaque prestation de service dont la durée est comprise entre douze heures et vingt-quatre heures doit être suivie d'une période de repos minimale de douze heures consécutives.
§ 2. La durée de chaque prestation de travail ne peut excéder vingt-quatre heures sauf pour l'exécution :
- des interventions urgentes entreprises en vue de faire face à un accident survenu ou imminent;
- des interventions urgentes commandées par une nécessité imprévue.
Ces dépassements d'heures sont compensés dans les quatorze jours par une période aussi longue pendant laquelle le membre du personnel volontaire ne peut pas exercer un service de rappel.
En cas de ces dépassements d'heures, toutes les mesures nécessaires sont prises pour remplacer le membre du personnel volontaire le plus vite possible.
§ 3. Chaque prestation de service dont la durée est comprise entre douze heures et vingt-quatre heures doit être suivie d'une période de repos minimale de douze heures consécutives.
Art. 75. § 1. De minimale beschikbaarheden voor de diensttijd van het vrijwillige personeelslid en de modaliteiten waaronder hij wordt opgeroepen en terugkeert naar de operationele eenheid worden door de Directeur-generaal vastgelegd in een huishoudelijk reglement.
§ 2. De eenheidschef of zijn afgevaardigde vult in overleg met het vrijwillige personeelslid zijn beschikbaarheden voor de diensttijd in, overeenkomstig het in paragraaf 1 vermelde reglement.
§ 2. De eenheidschef of zijn afgevaardigde vult in overleg met het vrijwillige personeelslid zijn beschikbaarheden voor de diensttijd in, overeenkomstig het in paragraaf 1 vermelde reglement.
Art. 75. § 1er. Les disponibilités minimales du membre du personnel volontaire pour le temps de service et les modalités selon lesquelles il est rappelé et rejoint l'unité opérationnelle sont fixées dans un règlement d'ordre intérieur établi par le directeur général.
§ 2. Le chef d'unité ou son délégué remplit en concertation avec le membre du personnel volontaire ses disponibilités pour le temps de service, conformément au règlement visé au paragraphe 1er.
§ 2. Le chef d'unité ou son délégué remplit en concertation avec le membre du personnel volontaire ses disponibilités pour le temps de service, conformément au règlement visé au paragraphe 1er.
Art. 76. Wanneer de arbeidstijd per dag meer dan zes uur bedraagt, wordt een half uur pauze toegekend, met uitzondering van de interventies waar uit hun aard blijkt dat een pauze onmogelijk is. Bij dergelijke interventies neemt het vrijwillige personeelslid de pauze na afloop van de interventie.
Tijdens deze pauze blijft het vrijwillige personeelslid beschikbaar om gevolg te geven aan een oproep voor interventie.
De precieze modaliteiten van de pauze worden opgenomen in het huishoudelijk reglement.
De duur van de pauze wordt mee in rekening genomen voor de berekening van de vergoeding van de prestaties.
Tijdens deze pauze blijft het vrijwillige personeelslid beschikbaar om gevolg te geven aan een oproep voor interventie.
De precieze modaliteiten van de pauze worden opgenomen in het huishoudelijk reglement.
De duur van de pauze wordt mee in rekening genomen voor de berekening van de vergoeding van de prestaties.
Art. 76. Lorsque le temps de service par jour excède six heures, il est accordé une demi-heure de pause, à l'exception des interventions dont la nature est telle que la prise d'une pause est impossible. Lors de telles interventions, le membre du personnel volontaire prend sa pause lorsque l'intervention est terminée.
Durant cette pause, le membre du personnel volontaire reste disponible pour donner suite à un appel pour une intervention.
Les modalités précises de la pause figurent dans le règlement d'ordre intérieur.
La durée de la pause est prise en compte pour le calcul des indemnités des prestations.
Durant cette pause, le membre du personnel volontaire reste disponible pour donner suite à un appel pour une intervention.
Les modalités précises de la pause figurent dans le règlement d'ordre intérieur.
La durée de la pause est prise en compte pour le calcul des indemnités des prestations.
Art. 77. De diensttijd kan worden vervuld gedurende alle dagen van de week en alle uren van de dag.
Art. 77. Le temps de service peut être accompli chaque jour de la semaine et à chaque heure de la journée.
Art. 78. Per periode van zeven dagen, wordt minstens een ononderbroken periode van zesendertig uren rust toegekend.
Van het eerste lid kan worden afgeweken op voorwaarde dat gelijkwaardige periodes van inhaalrust toegekend worden in de loop van de veertien volgende dagen.
Bovendien, indien objectieve, technische of arbeidsorganisatorische omstandigheden dit rechtvaardigen, kan voor een minimumrusttijd van vierentwintig uren worden gekozen.
Van het eerste lid kan worden afgeweken op voorwaarde dat gelijkwaardige periodes van inhaalrust toegekend worden in de loop van de veertien volgende dagen.
Bovendien, indien objectieve, technische of arbeidsorganisatorische omstandigheden dit rechtvaardigen, kan voor een minimumrusttijd van vierentwintig uren worden gekozen.
Art. 78. Une période ininterrompue de trente-six heures de repos au moins est accordée par période de sept jours.
Il peut être dérogé à l'alinéa 1er à la condition que des périodes équivalentes de repos compensatoires soient octroyées au cours des quatorze jours qui suivent.
En outre, si des conditions objectives, techniques ou d'organisation de travail le justifient, une période minimale de repos de vingt-quatre heures pourra être retenue.
Il peut être dérogé à l'alinéa 1er à la condition que des périodes équivalentes de repos compensatoires soient octroyées au cours des quatorze jours qui suivent.
En outre, si des conditions objectives, techniques ou d'organisation de travail le justifient, une période minimale de repos de vingt-quatre heures pourra être retenue.
BOEK VII/1. [1 - ORGANISATIE VAN DE ARBEIDSTIJD VAN DE BEROEPSPERSONEELSLEDEN]1
LIVRE VII/1. [1 - L'ORGANISATION DU TEMPS DE TRAVAIL DES MEMBRES DU PERSONNEL PROFESSIONEL]1
Art. 78/1. [1 § 1. De duur van elke arbeidsperiode mag vierentwintig uren niet overschrijden, behoudens voor het verrichten van:
- dringende interventies om het hoofd te bieden aan een voorgekomen of dreigend ongeval;
- dringende interventies die door een onvoorziene noodzakelijkheid worden vereist.
Deze overschrijdingen worden binnen de veertien dagen gecompenseerd met een gelijkwaardige periode van inhaalrust.
§ 2. Elke dienstprestatie waarvan de duur tussen twaalf uren en vierentwintig uren bedraagt moet worden gevolgd door een rustperiode van minimum twaalf opeenvolgende uren.]1
- dringende interventies om het hoofd te bieden aan een voorgekomen of dreigend ongeval;
- dringende interventies die door een onvoorziene noodzakelijkheid worden vereist.
Deze overschrijdingen worden binnen de veertien dagen gecompenseerd met een gelijkwaardige periode van inhaalrust.
§ 2. Elke dienstprestatie waarvan de duur tussen twaalf uren en vierentwintig uren bedraagt moet worden gevolgd door een rustperiode van minimum twaalf opeenvolgende uren.]1
Art. 78/1. [1 § 1er. La durée de chaque prestation de travail ne peut excéder vingt-quatre heures sauf pour l'exécution :
- des interventions urgentes entreprises en vue de faire face à un accident survenu ou imminent;
- des interventions urgentes commandées par une nécessité imprévue.
Ces dépassements d'heures sont compensés dans les quatorze jours par une période équivalente de repos compensatoire.
§ 2. Chaque prestation de service dont la durée est comprise entre douze heures et vingt-quatre heures doit être suivie d'une période de repos minimale de douze heures consécutives.]1
- des interventions urgentes entreprises en vue de faire face à un accident survenu ou imminent;
- des interventions urgentes commandées par une nécessité imprévue.
Ces dépassements d'heures sont compensés dans les quatorze jours par une période équivalente de repos compensatoire.
§ 2. Chaque prestation de service dont la durée est comprise entre douze heures et vingt-quatre heures doit être suivie d'une période de repos minimale de douze heures consécutives.]1
Modifications
Art. 78/2. [1 Het uurrooster wordt door de Voorzitter vastgelegd in het arbeidsreglement.]1
Art. 78/2. [1 L'horaire est fixé par le Président dans le rèlement de travail.]1
Modifications
Art. 78/3. [1 Wanneer de arbeidstijd per dag meer dan zes opeenvolgende uren ononderbroken bedraagt, wordt een half uur pauze toegekend aan het beroepspersoneelslid, met uitzondering van de interventies die van die aard zijn dat een pauze onmogelijk is.
Bij dergelijke interventies neemt het beroepspersoneelslid de pauze na afloop van de interventie.
Tijdens deze pauze blijft het beroepspersoneelslid beschikbaar om gevolg te geven aan een oproep voor interventie.
De nadere regels van de pauze worden opgenomen in het arbeidsreglement.]1
Bij dergelijke interventies neemt het beroepspersoneelslid de pauze na afloop van de interventie.
Tijdens deze pauze blijft het beroepspersoneelslid beschikbaar om gevolg te geven aan een oproep voor interventie.
De nadere regels van de pauze worden opgenomen in het arbeidsreglement.]1
Art. 78/3. [1 Lorsque le temps de service par jour excède six heures, il est accordé une demi-heure de pause, à l'exception des interventions dont la nature est telle que la prise d'une pause est impossible.
Lors de telles interventions, le membre du personnel professionnel prend sa pause lorsque l'intervention est terminée.
Durant cette pause, le membre du personnel professionnel reste disponible pour donner suite à un appel pour une intervention.
Les modalités précises de la pause figurent dans le règlement de travail.]1
Lors de telles interventions, le membre du personnel professionnel prend sa pause lorsque l'intervention est terminée.
Durant cette pause, le membre du personnel professionnel reste disponible pour donner suite à un appel pour une intervention.
Les modalités précises de la pause figurent dans le règlement de travail.]1
Modifications
Art. 78/4. [1 Het beroepspersoneelslid kan worden tewerkgesteld op zaterdagen, zondagen, feestdagen en `s nachts indien hij in continudienst werkt.]1
Art. 78/4. [1 Le membre du personnel professionnel peut être occupé les samedis, dimanches et jours férié et la nuit s'il travaille en service continu.]1
Modifications
BOEK VIII. - DE VERLOVEN EN DE OPSCHORTING
LIVRE VIII. - DES CONGES ET DE LA SUSPENSION
HOOFDSTUK I. - Verloven beroepspersoneel
CHAPITRE Ier. - Des Congés du personnel professionnel
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1re. - Dispositions générales
Art. 79. Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op de beroepspersoneelsleden.
Art. 79. Le présent chapitre est uniquement d'application aux membres du personnel professionnels.
Art. 80. In afwijking van het artikel 14, §§ 2 tot en met 4 van het koninklijk besluit van 19 november 1998, geniet het beroepspersoneelslid in continudienst, per kalenderjaar, dertien bijkomende jaarlijkse verlofdagen ter compensatie van de feestdagen bedoeld in artikel 14, § 1 van het koninklijk besluit van 19 november 1998.
Art. 80. Par dérogation à l'article 14, §§ 2 à 4 de l'arrêté royal du 19 novembre 1998, le membre du personnel professionnel en service continu bénéficie, par année civile, de treize jours de congés annuels de vacances supplémentaires en compensation des jours fériés visés à l'article 14, § 1er de l'arrêté royal du 19 novembre 1998.
Art. 81. In afwijking van de artikelen 19, 23bis, 140 tot en met 143 en 116, § 1 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 heeft het beroepspersoneelslid geen recht:
1° op het verlof om in vredestijd prestaties te verrichten bij het Korps Civiele Bescherming als vrijwillige dienstnemer bij dit korps;
2° op verlof voor het geven van bloed, bloedplasma en bloedplaatjes
3° op verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden;
4° op halftijdse loopbaanonderbreking, behalve bij loopbaanonderbreking voor palliatieve zorgen, voor zorg voor een zwaar ziek gezins- en familielid en voor ouderschapsverlof.
1° op het verlof om in vredestijd prestaties te verrichten bij het Korps Civiele Bescherming als vrijwillige dienstnemer bij dit korps;
2° op verlof voor het geven van bloed, bloedplasma en bloedplaatjes
3° op verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden;
4° op halftijdse loopbaanonderbreking, behalve bij loopbaanonderbreking voor palliatieve zorgen, voor zorg voor een zwaar ziek gezins- en familielid en voor ouderschapsverlof.
Art. 81. Par dérogation aux articles 19, 23bis, 140 à 143 et 116, § 1er de l'arrêté royal du 19 novembre 1998, le membre du personnel professionnel n'a pas droit:
1° au congé pour remplir en temps de paix des prestations au Corps de protection civile, en qualité d'engagé volontaire à ce Corps;
2° à un congé pour don de sang, de plasma sanguin et de plaquettes;
3° à des prestations réduites pour convenance personnelle;
4° à une interruption de la carrière à mi-temps, excepté en cas d'interruption de carrière pour soins palliatifs, soins à un membre du ménage ou de la famille gravement malade, ou congé parental.
1° au congé pour remplir en temps de paix des prestations au Corps de protection civile, en qualité d'engagé volontaire à ce Corps;
2° à un congé pour don de sang, de plasma sanguin et de plaquettes;
3° à des prestations réduites pour convenance personnelle;
4° à une interruption de la carrière à mi-temps, excepté en cas d'interruption de carrière pour soins palliatifs, soins à un membre du ménage ou de la famille gravement malade, ou congé parental.
Art. 82. De artikelen 128 en 129 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 zijn niet van toepassing op de beroepspersoneelsleden.
Art. 82. Les articles 128 et 129 de l'arrêté royal du 19 novembre 1998 ne s'appliquent pas aux membres du personnel professionnel.
Afdeling 2. - Specifieke bepalingen voor de beroepspersoneelsleden van het hoger kader, de eenheidschef, de [1 directeur van de Civiele Bescherming]1 en de beroepspersoneelsleden in continudienst
Section 2. - Dispositions spécifiques, aux membres du personnel professionnel du cadre supérieur, au chef d'unité, au [1 directeur de la Protection civile]1 et aux membres du personnel professionnel en service continu
Art. 83. § 1. De beroepspersoneelsleden die houder zijn van de graad van kolonel, majoor en kapitein hebben geen recht op:
1° verlof voor stage of een proefperiode in een andere betrekking in een openbare dienst of het gesubsidieerd onderwijs;
2° verlof voor loopbaanonderbreking, met uitzondering van loopbaanonderbreking voor palliatieve zorgen, voor het bijstaan van of het verstrekken van verzorging aan een ziek familielid en voor ouderschapsverlof;
3° afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden;
4° het eindeloopbaanregime vermeld in titel 5 van boek 5.
5° de vierdagenweek met en zonder premie voor de federale overheidsdiensten;
6° het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar voor de federale overheidsdiensten.
§ 2. De eenheidschef en de [1 directeur van de Civiele Bescherming]1 hebben geen recht op:
1° verlof voor stage of een proefperiode in een andere betrekking in een openbare dienst of het gesubsidieerd onderwijs;
2° verlof voor loopbaanonderbreking, met uitzondering van loopbaanonderbreking voor palliatieve zorgen, voor het bijstaan van of het verstrekken van verzorging aan een ziek familielid en voor ouderschapsverlof;
3° afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden;
4° verlof om een ambt uit te oefenen bij een secretariaat, een beleidscel, de cel algemene beleidscoördinatie, een cel algemeen beleid, bij het kabinet van een federaal, gemeenschaps-, gewestelijk, provinciaal of lokaal politiek mandataris of bij het kabinet van een politiek mandataris van de wetgevende macht;
5° verlof voor opdracht van algemeen belang;
6° verlof om minder-validen en zieken te vergezellen en bij te staan;
7° verloven zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 12 augustus 1993 betreffende het verlof toegekend aan bepaalde, ter beschikking van de Koning of de Prinsen en Prinsessen van België gestelde personeelsleden van de Rijksdiensten en in het koninklijk besluit van 2 april 1975 betreffende het verlof dat aan sommige personeelsleden in overheidsdienst wordt verleend voor het verrichten van bepaalde prestaties ten behoeve van erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de gemeenschappen of de gewesten;
8° het eindeloopbaanregime vermeld in titel 5 van boek 5;
9° de vierdagenweek met en zonder premie voor de federale overheidsdiensten;
10° het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar voor de federale overheidsdiensten.
§ 3. De beroepspersoneelsleden in continudienst hebben geen recht op:
1° de vierdagenweek met en zonder premie voor de federale overheidsdiensten;
2° het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar voor de federale overheidsdiensten.
§ 4. De Voorzitter kan, voor zover de noodwendigheden van de dienst zich hiertegen niet verzetten, het beroepspersoneelslid, vermeld in § 1, dat hierom vraagt, machtigen om te genieten van de verloven en afwezigheden, vermeld in paragraaf 1, 1° tot 4°.
1° verlof voor stage of een proefperiode in een andere betrekking in een openbare dienst of het gesubsidieerd onderwijs;
2° verlof voor loopbaanonderbreking, met uitzondering van loopbaanonderbreking voor palliatieve zorgen, voor het bijstaan van of het verstrekken van verzorging aan een ziek familielid en voor ouderschapsverlof;
3° afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden;
4° het eindeloopbaanregime vermeld in titel 5 van boek 5.
5° de vierdagenweek met en zonder premie voor de federale overheidsdiensten;
6° het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar voor de federale overheidsdiensten.
§ 2. De eenheidschef en de [1 directeur van de Civiele Bescherming]1 hebben geen recht op:
1° verlof voor stage of een proefperiode in een andere betrekking in een openbare dienst of het gesubsidieerd onderwijs;
2° verlof voor loopbaanonderbreking, met uitzondering van loopbaanonderbreking voor palliatieve zorgen, voor het bijstaan van of het verstrekken van verzorging aan een ziek familielid en voor ouderschapsverlof;
3° afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden;
4° verlof om een ambt uit te oefenen bij een secretariaat, een beleidscel, de cel algemene beleidscoördinatie, een cel algemeen beleid, bij het kabinet van een federaal, gemeenschaps-, gewestelijk, provinciaal of lokaal politiek mandataris of bij het kabinet van een politiek mandataris van de wetgevende macht;
5° verlof voor opdracht van algemeen belang;
6° verlof om minder-validen en zieken te vergezellen en bij te staan;
7° verloven zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 12 augustus 1993 betreffende het verlof toegekend aan bepaalde, ter beschikking van de Koning of de Prinsen en Prinsessen van België gestelde personeelsleden van de Rijksdiensten en in het koninklijk besluit van 2 april 1975 betreffende het verlof dat aan sommige personeelsleden in overheidsdienst wordt verleend voor het verrichten van bepaalde prestaties ten behoeve van erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de gemeenschappen of de gewesten;
8° het eindeloopbaanregime vermeld in titel 5 van boek 5;
9° de vierdagenweek met en zonder premie voor de federale overheidsdiensten;
10° het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar voor de federale overheidsdiensten.
§ 3. De beroepspersoneelsleden in continudienst hebben geen recht op:
1° de vierdagenweek met en zonder premie voor de federale overheidsdiensten;
2° het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar voor de federale overheidsdiensten.
§ 4. De Voorzitter kan, voor zover de noodwendigheden van de dienst zich hiertegen niet verzetten, het beroepspersoneelslid, vermeld in § 1, dat hierom vraagt, machtigen om te genieten van de verloven en afwezigheden, vermeld in paragraaf 1, 1° tot 4°.
Modifications
Art. 83. § 1er. Les membres du personnel professionnel revêtus du grade de colonel, de major et de capitaine n'ont pas droit :
1° à un congé pour accomplir un stage ou une période d'essai dans un autre emploi dans un service public ou dans l'enseignement subventionné;
2° à un congé pour interruption de la carrière, à l'exception de l'interruption de la carrière pour soins palliatifs, pour l'assistance ou les soins d'un membre de la famille malade et pour le congé parental;
3° à une absence de longue durée pour raisons personnelles;
4° au régime de fin de carrière, prévu au titre 5 du livre 5;
5° à la semaine de quatre jours avec et sans prime pour les services publics fédéraux;
6° au travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans pour les services publics fédéraux.
§ 2. Le chef d'unité et le [1 directeur de la Protection civile]1 n'ont pas droit à :
1° un congé pour accomplir un stage ou une période d'essai dans un autre emploi dans un service public ou dans l'enseignement subventionné;
2° un congé pour interruption de la carrière, à l'exception de l'interruption de la carrière pour soins palliatifs, pour l'assistance ou les soins d'un membre de la famille malade et pour le congé parental;
3° une absence de longue durée pour raisons personnelles;
4° un congé pour exercer une fonction au sein d'un secrétariat, d'une cellule stratégique, de la cellule de coordination générale de la politique, d'une cellule de politique générale, au sein du cabinet d'un mandataire politique fédéral, communautaire, régional, provincial ou local ou au sein du cabinet d'un mandataire politique du pouvoir législatif;
5° un congé pour mission d'intérêt général;
6° un congé pour accompagner et assister des handicapés et des malades;
7° un congé tel que visé à l'arrêté royal du 12 août 1993 relatif au congé accordé à certains agents des services de l'Etat mis à la disposition du Roi ou des Princes et Princesses de Belgique et à l'arrêté royal du 2 avril 1975 relatif au congé accordé a certains membres du personnel des services publics pour accomplir certaines prestations au bénéfice des groupes politiques reconnus des assemblées législatives nationales, communautaires ou régionales ou au bénéfice des présidents de ces groupe;
8° au régime de fin de carrière, prévu au titre 5 du livre 5;
9° à la semaine de quatre jours avec et sans prime pour les services publics fédéraux;
10° au travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans pour les services publics fédéraux.
§ 3. Les membres du personnel professionnel en service continu n'ont pas droit :
1° à la semaine de quatre jours avec et sans prime pour les services publics fédéraux;
2° au travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans pour les services publics fédéraux
§ 4. Le Président peut, pour autant que les nécessités du service ne s'y opposent pas, autoriser le membre du personnel professionnel visé au paragraphe 1er, qui en fait la demande, à profiter des congés et des absences visés au paragraphe 1er, 1° à 4°.
1° à un congé pour accomplir un stage ou une période d'essai dans un autre emploi dans un service public ou dans l'enseignement subventionné;
2° à un congé pour interruption de la carrière, à l'exception de l'interruption de la carrière pour soins palliatifs, pour l'assistance ou les soins d'un membre de la famille malade et pour le congé parental;
3° à une absence de longue durée pour raisons personnelles;
4° au régime de fin de carrière, prévu au titre 5 du livre 5;
5° à la semaine de quatre jours avec et sans prime pour les services publics fédéraux;
6° au travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans pour les services publics fédéraux.
§ 2. Le chef d'unité et le [1 directeur de la Protection civile]1 n'ont pas droit à :
1° un congé pour accomplir un stage ou une période d'essai dans un autre emploi dans un service public ou dans l'enseignement subventionné;
2° un congé pour interruption de la carrière, à l'exception de l'interruption de la carrière pour soins palliatifs, pour l'assistance ou les soins d'un membre de la famille malade et pour le congé parental;
3° une absence de longue durée pour raisons personnelles;
4° un congé pour exercer une fonction au sein d'un secrétariat, d'une cellule stratégique, de la cellule de coordination générale de la politique, d'une cellule de politique générale, au sein du cabinet d'un mandataire politique fédéral, communautaire, régional, provincial ou local ou au sein du cabinet d'un mandataire politique du pouvoir législatif;
5° un congé pour mission d'intérêt général;
6° un congé pour accompagner et assister des handicapés et des malades;
7° un congé tel que visé à l'arrêté royal du 12 août 1993 relatif au congé accordé à certains agents des services de l'Etat mis à la disposition du Roi ou des Princes et Princesses de Belgique et à l'arrêté royal du 2 avril 1975 relatif au congé accordé a certains membres du personnel des services publics pour accomplir certaines prestations au bénéfice des groupes politiques reconnus des assemblées législatives nationales, communautaires ou régionales ou au bénéfice des présidents de ces groupe;
8° au régime de fin de carrière, prévu au titre 5 du livre 5;
9° à la semaine de quatre jours avec et sans prime pour les services publics fédéraux;
10° au travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans pour les services publics fédéraux.
§ 3. Les membres du personnel professionnel en service continu n'ont pas droit :
1° à la semaine de quatre jours avec et sans prime pour les services publics fédéraux;
2° au travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans pour les services publics fédéraux
§ 4. Le Président peut, pour autant que les nécessités du service ne s'y opposent pas, autoriser le membre du personnel professionnel visé au paragraphe 1er, qui en fait la demande, à profiter des congés et des absences visés au paragraphe 1er, 1° à 4°.
Modifications
HOOFDSTUK II. - De opschorting van de benoeming van de leden van het vrijwillig personeel
CHAPITRE II. - De la suspension de la nomination des membres du personnel volontaire
Art. 84. De Directeur-generaal kan, op vraag van de betrokkene, omwille van specifieke redenen, met name omwille van persoonlijke of professionele redenen, de benoeming van een vrijwillig personeelslid gedurende een ononderbroken periode van zes maanden opschorten op vraag van de betrokkene. De opschortingsperiode mag niet meer bedragen dan twee jaar voor de totale duur van zijn benoeming. Het vrijwillig personeelslid dat zijn functies niet opnieuw opneemt na de opschortingsperiode, wordt als ontslaggevend beschouwd.
De Directeur-generaal kan op gemotiveerd verzoek van de betrokkene de benoeming opschorten voor een kortere periode dan zes maanden.
De betrokkene dient zijn aanvraag schriftelijk in bij de Directeur-generaal. Deze laatste doet uitspraak binnen de twee maand te rekenen vanaf de ontvangst van de aanvraag. Bij gebrek aan beslissing genomen binnen deze termijn, wordt de aanvraag geacht aanvaard te zijn.
De periode gedurende dewelke de benoeming van het vrijwillig personeelslid wordt opgeschort, wordt in aanmerking genomen voor de berekening van de dienstanciënniteit. Het vrijwillig personeelslid behoudt zijn rechten op bevordering door verhoging in graad gedurende deze periode.
Gedurende deze periode heeft het vrijwillig personeelslid geen recht op om het even welke toelage of premie.
De Directeur-generaal kan op gemotiveerd verzoek van de betrokkene de benoeming opschorten voor een kortere periode dan zes maanden.
De betrokkene dient zijn aanvraag schriftelijk in bij de Directeur-generaal. Deze laatste doet uitspraak binnen de twee maand te rekenen vanaf de ontvangst van de aanvraag. Bij gebrek aan beslissing genomen binnen deze termijn, wordt de aanvraag geacht aanvaard te zijn.
De periode gedurende dewelke de benoeming van het vrijwillig personeelslid wordt opgeschort, wordt in aanmerking genomen voor de berekening van de dienstanciënniteit. Het vrijwillig personeelslid behoudt zijn rechten op bevordering door verhoging in graad gedurende deze periode.
Gedurende deze periode heeft het vrijwillig personeelslid geen recht op om het even welke toelage of premie.
Art. 84. Le directeur général peut, à la demande de l'intéressé, pour des motifs spécifiques, notamment pour des raisons personnelles ou professionnelles, suspendre la nomination du membre du personnel volontaire pendant une période ininterrompue de six mois. La période de suspension ne peut pas être supérieure à deux ans pour la durée totale de sa nomination. Le membre du personnel volontaire qui ne reprend pas ses fonctions après la période de suspension, est considéré avoir remis sa démission.
Le Directeur général peut, sur demande motivée de l'intéressé, suspendre la nomination pour une période inférieure à six mois.
L'intéressé introduit sa demande par écrit auprès du Directeur général. Ce dernier statue dans un délai de deux mois à compter de la réception de la demande. En l'absence de décision prise dans ce délai, la demande est réputée acceptée.
La période pendant laquelle la nomination du membre du personnel volontaire est suspendue n'est prise en compte que pour le calcul de l'ancienneté de service. Le membre du personnel volontaire maintient ses droits à la promotion par avancement de grade pendant cette période.
Pendant cette période, le membre du personnel volontaire n'a droit à aucune allocation ou prime.
Le Directeur général peut, sur demande motivée de l'intéressé, suspendre la nomination pour une période inférieure à six mois.
L'intéressé introduit sa demande par écrit auprès du Directeur général. Ce dernier statue dans un délai de deux mois à compter de la réception de la demande. En l'absence de décision prise dans ce délai, la demande est réputée acceptée.
La période pendant laquelle la nomination du membre du personnel volontaire est suspendue n'est prise en compte que pour le calcul de l'ancienneté de service. Le membre du personnel volontaire maintient ses droits à la promotion par avancement de grade pendant cette période.
Pendant cette période, le membre du personnel volontaire n'a droit à aucune allocation ou prime.
BOEK IX. - DE TUCHTREGELING
LIVRE IX. - DU REGIME DISCIPLINAIRE
Art. 85. Onverminderd de toepassing van de strafwetten, kan een tuchtstraf zoals bepaald voor de rijksambtenaren opgelegd worden voor elke tekortkoming aan de regels die op de rijksambtenaren van toepassing zijn en aan de artikelen van boek 2 van dit besluit.
Art. 85. Tout manquement aux règles qui s'appliquent aux agents de l'Etat et aux articles du livre 2 du présent arrêté est passible de l'une des peines disciplinaires prévues pour les agents de l'Etat, sans préjudice de l'application des lois pénales.
BOEK IX/1. [1 - Uitvoeren van een alcohol- of drugstest]1
LIVRE IX/1. [1 - Exécution d'un test d'alcoolémie ou de détection de drogues]1
TITEL I. [1 - Algemene bepalingen]1
TITRE Ier. [1 - Dispositions générales]1
Art. 85/1. [1 § 1. De bevoegdheden van de hiërarchische meerdere vermeld in dit boek kunnen enkel uitgeoefend worden door een hiërarchische meerdere met een graad van officier.
§ 2. Indien de eenheidschef het voorwerp is van het afnemen van een test, worden de bevoegdheden die door dit boek toegekend zijn aan de hiërarchische meerdere, uitgevoerd door de Directeur- generaal of zijn afgevaardigde.]1
§ 2. Indien de eenheidschef het voorwerp is van het afnemen van een test, worden de bevoegdheden die door dit boek toegekend zijn aan de hiërarchische meerdere, uitgevoerd door de Directeur- generaal of zijn afgevaardigde.]1
Art. 85/1. [1 § 1er. Les compétences du supérieur hiérarchique visé au présent livre peuvent seulement être exercées par un supérieur hiérarchique avec un grade d'officier.
§ 2. Si le chef d'unité fait l'objet de l'exécution d'un test, les compétences attribuées par le présent livre au supérieur hiérarchique sont exercées par le Directeur général ou son délégué.]1
§ 2. Si le chef d'unité fait l'objet de l'exécution d'un test, les compétences attribuées par le présent livre au supérieur hiérarchique sont exercées par le Directeur général ou son délégué.]1
Modifications
TITEL 2. [1 - Uitvoeren van een alcoholtest]1
TITRE II. [1 - Exécution d'un test d'alcoolémie]1
Art. 85/2. [1 § 1. De ademtest, vermeld in artikel 156/1 van de wet van 15 mei 2007, bestaat erin te blazen in een toestel dat het niveau van de alcoholopname in de uitgeademde alveolaire lucht aangeeft.
§ 2. Alleen de ademtoestellen die overeenkomstig artikel 59, § 4, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, gehomologeerd zijn, mogen voor de ademtest gebruikt worden. Op het gebruikte toestel moet het homologatiemerk van dit model op duurzame en onuitwisbare wijze aangebracht zijn.
Het gebruik, het onderhoud en het justeren van deze toestellen gebeurt in overeenstemming met de gebruiksmodaliteiten, vastgesteld in uitvoering van artikel 59, § 4, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer.]1
§ 2. Alleen de ademtoestellen die overeenkomstig artikel 59, § 4, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, gehomologeerd zijn, mogen voor de ademtest gebruikt worden. Op het gebruikte toestel moet het homologatiemerk van dit model op duurzame en onuitwisbare wijze aangebracht zijn.
Het gebruik, het onderhoud en het justeren van deze toestellen gebeurt in overeenstemming met de gebruiksmodaliteiten, vastgesteld in uitvoering van artikel 59, § 4, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer.]1
Art. 85/2. [1 § 1er. Le test d'haleine visé à l'article 156/1 de la loi du 15 mai 2007 consiste à souffler dans un appareil qui détecte le niveau d'imprégnation alcoolique de l'air alvéolaire expiré.
§ 2. Seuls les appareils de test d'haleine homologués conformément à l'article 59, § 4, de la loi du 16 mars 1968 relative à la police de la circulation routière, peuvent être utilisés pour le test d'haleine. Sur l'appareil utilisé doit figurer de manière durable et ineffaçable la marque d'homologation de ce modèle.
L'usage, l'entretien et le réglage de ces appareils ont lieu conformément aux modalités d'utilisation fixées en exécution de l'article 59, § 4, de la loi du 16 mars 1968 relative à la police de la circulation routière.]1
§ 2. Seuls les appareils de test d'haleine homologués conformément à l'article 59, § 4, de la loi du 16 mars 1968 relative à la police de la circulation routière, peuvent être utilisés pour le test d'haleine. Sur l'appareil utilisé doit figurer de manière durable et ineffaçable la marque d'homologation de ce modèle.
L'usage, l'entretien et le réglage de ces appareils ont lieu conformément aux modalités d'utilisation fixées en exécution de l'article 59, § 4, de la loi du 16 mars 1968 relative à la police de la circulation routière.]1
Modifications
Art. 85/3. [1 De hiërarchische meerdere die de ademtest uitvoert, vermeldt in een voorlichtingsrapport de kennelijke tekenen van onder invloed van alcohol zijn die de test rechtvaardigen en de mogelijke psychomotorische testen, geschiktheidstesten en reactietesten.]1
Art. 85/3. [1 Le supérieur hiérarchique qui procède au test d'haleine mentionne dans un rapport d'information les signes manifestes d'intoxication alcoolique qui le justifient et les éventuels tests psychomoteurs, tests d'aptitude et tests de réactivité.]1
Modifications
Art. 85/4. [1 Vooraleer het ademtesttoestel te gebruiken, toont de in artikel 85/3 vermelde overheid een verpakt mondstuk, opent de verpakking en brengt het mondstuk op het toestel aan zonder dit mondstuk aan te raken.
De betrokkene wordt vervolgens verzocht te blazen in het toestel.]1
De betrokkene wordt vervolgens verzocht te blazen in het toestel.]1
Art. 85/4. [1 Avant d'utiliser l'appareil, l'autorité visée à l'article 85/3 présente à l'intéressé un embout emballé, ouvre l'emballage et fixe l'embout sur l'appareil sans toucher cet embout.
L'intéressé est ensuite invité à souffler dans l'appareil.]1
L'intéressé est ensuite invité à souffler dans l'appareil.]1
Modifications
Art. 85/5. [1 Het personeelslid dat verzocht wordt de ademtest te ondergaan mag een wachttijd vragen van vijftien minuten.]1
Art. 85/5. [1 Le membre du personnel invité à subir un test d'haleine a droit à un temps d'attente de quinze minutes.]1
Modifications
Art. 85/6. [1 § 1. Op verzoek van het betrokken personeelslid kan de ademtest gevolgd worden door een ademanalyse die erin bestaat te blazen in een toestel dat de alcoholconcentratie in de uitgeademde alveolaire lucht meet.
De ademanalyse wordt uitgevoerd op kosten van de belanghebbende indien het meetresultaat ten minste gelijk is aan de norm bepaald in [2 artikel 60, § 1, van de wet van 16 maart 1968]2 betreffende de politie over het wegverkeer.
§ 2. Alleen de ademanalysetoestellen die overeenkomstig artikel 59, § 4, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, gehomologeerd zijn, mogen voor de ademanalyse worden gebruikt. Op het gebruikte toestel moet het homologatiemerk van dit model op duurzame en onuitwisbare wijze aangebracht zijn.
Het gebruik, het onderhoud en het justeren van deze toestellen gebeurt in overeenstemming met de gebruiksmodaliteiten, vastgesteld in uitvoering van artikel 59, § 4, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer.]1
De ademanalyse wordt uitgevoerd op kosten van de belanghebbende indien het meetresultaat ten minste gelijk is aan de norm bepaald in [2 artikel 60, § 1, van de wet van 16 maart 1968]2 betreffende de politie over het wegverkeer.
§ 2. Alleen de ademanalysetoestellen die overeenkomstig artikel 59, § 4, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, gehomologeerd zijn, mogen voor de ademanalyse worden gebruikt. Op het gebruikte toestel moet het homologatiemerk van dit model op duurzame en onuitwisbare wijze aangebracht zijn.
Het gebruik, het onderhoud en het justeren van deze toestellen gebeurt in overeenstemming met de gebruiksmodaliteiten, vastgesteld in uitvoering van artikel 59, § 4, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer.]1
Art. 85/6. [1 § 1er. A la demande du membre du personnel intéressé, le test d'haleine peut être suivi d'une analyse d'haleine consistant à souffler dans un appareil qui mesure la concentration d'alcool dans l'air alvéolaire expiré.
L'analyse de l'haleine est réalisée aux frais de l'intéressé si le résultat mesuré est au moins égal à la norme visée à [2 l'article 60, § 1er, de la loi du 16 mars 1968]2 relative à la police de la circulation routière.
§ 2. Seuls les appareils d'analyse d'haleine homologués conformément à l'article 59, § 4, de la loi du 16 mars 1968 relative à la police de la circulation routière, peuvent être utilisés pour l'analyse d'haleine. Sur l'appareil utilisé doit figurer de manière durable et ineffaçable la marque d'homologation de ce modèle.
L'usage, l'entretien et le réglage de ces appareils se font conformément aux modalités d'utilisation telles que fixées en exécution de l'article 59, § 4, de la loi du 16 mars 1968 relative à la police de la circulation routière.]1
L'analyse de l'haleine est réalisée aux frais de l'intéressé si le résultat mesuré est au moins égal à la norme visée à [2 l'article 60, § 1er, de la loi du 16 mars 1968]2 relative à la police de la circulation routière.
§ 2. Seuls les appareils d'analyse d'haleine homologués conformément à l'article 59, § 4, de la loi du 16 mars 1968 relative à la police de la circulation routière, peuvent être utilisés pour l'analyse d'haleine. Sur l'appareil utilisé doit figurer de manière durable et ineffaçable la marque d'homologation de ce modèle.
L'usage, l'entretien et le réglage de ces appareils se font conformément aux modalités d'utilisation telles que fixées en exécution de l'article 59, § 4, de la loi du 16 mars 1968 relative à la police de la circulation routière.]1
TITEL 3. [1 - Uitvoeren van een drugstest]1
TITRE III. [1 - Exécution d'un test de détection de drogues]1
Art. 85/7. [1 De drugstest, vermeld in artikel 156/1 van de wet van 15 mei 2007, is de speekseltest, vermeld in artikel 61bis van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer.]1
Art. 85/7. [1 Le test de détection de drogues visé à l'article 156/1 de la loi du 15 mai 2007 est le test salivaire visé à l'article 61 bis de la loi du 16 mars 1968 relative à la police de la circulation routière.]1
Modifications
Art. 85/8. [1 De hiërarchische meerdere die de drugstest uitvoert, vermeldt in een voorlichtingsrapport de kennelijke tekenen van beïnvloeding door drugs die de test rechtvaardigen.]1
Art. 85/8. [1 Le supérieur hiérarchique qui procède au test de détection de drogues mentionne dans un rapport d'information les signes manifestes de consommation de drogues qui le justifient.]1
Modifications
TITEL 4. [1 - Gemeenschappelijke bepalingen]1
TITRE IV. [1 - Dispositions communes]1
Art. 85/9. [1 Neemt niet deel aan de uitvoering van de opdrachten, vermeld in artikel 11 van de wet van 15 mei 2007, tot het einde van de dienst, het personeelslid waarvan de ademtest of de ademanalyse voor de opsporing van alcohol een resultaat meet dat ten minste gelijk is aan de norm bepaald in [2 artikel 60, § 1, van de wet van 16 maart 1968]2 betreffende de politie over het wegverkeer, of waarvan de drugstest een resultaat meet dat hoger is dan de resultaten, vermeld in [2 artikel 61 bis, § 2, tweede lid]2, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer.
De hiërarchische meerdere kan beslissen dat het personeelslid dat weigert om zich aan de alcoholtest of aan de drugstest te onderwerpen, niet deelneemt aan de uitvoering van de opdrachten, vermeld in artikel 11 van de wet van 15 mei 2007, tot aan het einde van de dienst.]1
De hiërarchische meerdere kan beslissen dat het personeelslid dat weigert om zich aan de alcoholtest of aan de drugstest te onderwerpen, niet deelneemt aan de uitvoering van de opdrachten, vermeld in artikel 11 van de wet van 15 mei 2007, tot aan het einde van de dienst.]1
Art. 85/9. [1 Ne participe pas à l'exécution des missions visées à l'article 11 de la loi du 15 mai 2007 jusqu'à la fin du service, le membre du personnel dont le test ou l'analyse de l'haleine pour la détection d'alcool mesure un résultat au moins égal à la norme visée à l'[2 article 60, § 1er, de la loi du 16 mars 1968]2 relative à la police de la circulation routière ou le test salivaire pour la détection de drogue mesure un résultat supérieur aux résultats visés à [2 l'article 61 bis, § 2, alinéa 2]2, de la loi du 16 mars 1968 relative à la police de la circulation routière.
Le supérieur hiérarchique peut décider que ne participe pas à l'exécution des missions visées à l'article 11 de la loi du 15 mai 2007 jusqu'à la fin du service, le membre du personnel qui refuse de se soumettre au test d'alcoolémie ou au test de détection de drogues.]1
Le supérieur hiérarchique peut décider que ne participe pas à l'exécution des missions visées à l'article 11 de la loi du 15 mai 2007 jusqu'à la fin du service, le membre du personnel qui refuse de se soumettre au test d'alcoolémie ou au test de détection de drogues.]1
Art. 85/10. [1 Het personeelslid kan tuchtrechtelijk vervolgd worden voor overdreven alcohol- of druggebruik, wanneer de ademtest of de ademanalyse voor de opsporing van alcohol een resultaat meet dat ten minste gelijk is aan de norm bepaald in [2 artikel 60, § 1, van de wet van 16 maart 1968]2 betreffende de politie over het wegverkeer, of waarvan de drugstest een resultaat meet dat hoger is dan de resultaten, vermeld in [2 artikel 61 bis, § 2, tweede lid]2, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer.]1
Art. 85/10. [1 Le membre du personnel peut être poursuivi disciplinairement pour consommation excessive d'alcool ou de drogues, dont le test ou l'analyse de l'haleine pour la détection d'alcool mesure un résultat au moins égal à la norme visée à l'[2 article 60, § 1er, de la loi du 16 mars 1968]2 relative à la police de la circulation routière ou le test salivaire pour la détection de drogue mesure un résultat supérieur aux résultats visés à l'[2 article 61 bis, § 2, alinéa 2]2, de la loi du 16 mars 1968 relative à la police de la circulation routière.]1
Art. 85/11. [1 Het verzamelen van de gegevens die nodig zijn om een adem- of speekseltest uit te voeren, moet zich beperken tot de gegevens die strikt noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de overtredingen in artikel 9. Deze gegevens kunnen enkel voor tuchtdoeleinden met betrekking tot de bestraffing van deze overtredingen gebruikt worden.]1
Art. 85/11. [1 La collecte des données nécessaires en vue d'effectuer le test d'haleine ou de salive doit se limiter aux données strictement nécessaires à l'établissement des infractions visées à l'article 9. Ces données ne peuvent être utilisées qu'aux fins disciplinaires relatives à la répression de ces infractions.]1
Modifications
BOEK X. - DE ARBEIDSONGEVALLEN VAN HET VRIJWILLIG PERSONEEL
LIVRE X. - DES ACCIDENTS DU TRAVAIL DU PERSONNEL VOLONTAIRE
Art. 86. Het vrijwillig personeelslid geniet ten laste van de FOD het recht op herstel van de schade die veroorzaakt is aan het vrijwillig personeelslid naar aanleiding van een arbeidsongeval en die niet vergoed wordt in toepassing van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding, ten gunste van de personeelsleden der rijksbesturen en der andere rijksdiensten en van sommige leden van het personeel der gesubsidieerde onderwijsinrichtingen, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk, en beperkt tot 123.946,76 euro.
De schade die in aanmerking komt is enkel de schade zoals bepaald in de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector en in het koninklijk besluit van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding, ten gunste van de personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk, waarbij rekening gehouden wordt met het reëel beroepsinkomen van het vrijwillig personeelslid op basis van een door het personeelslid jaarlijkse met bewijsstukken gestaafde aangifte.
De schade die in aanmerking komt is enkel de schade zoals bepaald in de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector en in het koninklijk besluit van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding, ten gunste van de personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk, waarbij rekening gehouden wordt met het reëel beroepsinkomen van het vrijwillig personeelslid op basis van een door het personeelslid jaarlijkse met bewijsstukken gestaafde aangifte.
Art. 86. Le membre du personnel volontaire bénéficie, à charge du SPF, du droit à la réparation des dommages que le membre du personnel volontaire subit à la suite d'un accident du travail et qui ne sont pas indemnisés en application de l'arrêté royal du 24 janvier 1969 relatif à la réparation, en faveur des membres du personnel des administrations et des autres services de l'Etat et de certains membres du personnel des établissements d'enseignement subventionnés, des dommages résultant des accidents du travail et des accidents survenus sur le chemin du travail, plafonnés à 123.946,76 euros.
Les dommages pris en compte sont uniquement ceux définis dans la loi du 3 juillet 1967 sur la prévention ou la réparation des dommages résultant des accidents du travail, des accidents survenus sur le chemin du travail et des maladies professionnelles dans le secteur public et dans l'arrêté royal du 24 janvier 1969 relatif à la réparation, en faveur des membres du personnel des administrations et des autres services de l'Etat et de certains membres du personnel des établissements d'enseignement subventionnés, des dommages résultant des accidents du travail et des accidents survenus sur le chemin du travail, compte tenu des revenus professionnels réels du membre du personnel volontaire, sur la base d'une déclaration annuelle étayée par des justificatifs.
Les dommages pris en compte sont uniquement ceux définis dans la loi du 3 juillet 1967 sur la prévention ou la réparation des dommages résultant des accidents du travail, des accidents survenus sur le chemin du travail et des maladies professionnelles dans le secteur public et dans l'arrêté royal du 24 janvier 1969 relatif à la réparation, en faveur des membres du personnel des administrations et des autres services de l'Etat et de certains membres du personnel des établissements d'enseignement subventionnés, des dommages résultant des accidents du travail et des accidents survenus sur le chemin du travail, compte tenu des revenus professionnels réels du membre du personnel volontaire, sur la base d'une déclaration annuelle étayée par des justificatifs.
Art. 87. Het vrijwillig personeelslid geniet ten laste van de FOD het recht op een schadevergoeding van minimum 12.394,68 euro ten gunste van de rechthebbenden in geval van overlijden tijdens de dienst of als gevolg van tijdens de dienst opgelopen verwondingen of ziekten. Dit bedrag wordt aan de schommelingen van de index der consumptieprijzen gekoppeld overeenkomstig de regelen voorgeschreven bij de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. Het bedrag wordt aan de spilindex 138.01 gekoppeld.
Art. 87. Le membre du personnel volontaire bénéficie, à charge du SPF, d'une indemnité de minimum 12.394,68 euros en faveur de ses ayants droit, en cas de décès survenu en service ou résultant de blessures reçues ou de maladies contractées en service. Ce montant est lié aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation conformément aux règles prescrites par la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public. Le montant est rattaché à l'indice-pivot 138.01.
BOEK XI. - DE BEEINDIGING VAN EEN AMBT
LIVRE XI. - DE LA CESSATION DE FONCTION
Art. 88. Het ontslag van ambtswege wordt uitgesproken door de benoemende overheid, wanneer het personeelslid:
1° niet langer aan een aanwervingsvoorwaarde voldoet die vastgelegd is in de artikelen 23, 24, 25 en 26 [2 of niet langer voldoet aan een toelatingsvoorwaarde tot de stage als vermeld in artikel 28, eerste lid, [3 of niet langer voldoet aan een benoemingsvoorwaarde als vermeld in artikel 29 voor zover deze benoemingsvoorwaarde nog steeds noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie,]3 onverminderd de artikelen 48 en 52]2;
2° niet [1 het aantal]1 uren voortgezette opleiding bedoeld in artikel 70 [1 ...]1 volgt.
In het geval bedoeld in het eerste lid, 2°, hoort de eenheidschef het personeelslid. Enkel overmacht kan de niet-naleving van de bepalingen bedoeld in artikel 70, eerste lid, rechtvaardigen.
1° niet langer aan een aanwervingsvoorwaarde voldoet die vastgelegd is in de artikelen 23, 24, 25 en 26 [2 of niet langer voldoet aan een toelatingsvoorwaarde tot de stage als vermeld in artikel 28, eerste lid, [3 of niet langer voldoet aan een benoemingsvoorwaarde als vermeld in artikel 29 voor zover deze benoemingsvoorwaarde nog steeds noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie,]3 onverminderd de artikelen 48 en 52]2;
2° niet [1 het aantal]1 uren voortgezette opleiding bedoeld in artikel 70 [1 ...]1 volgt.
In het geval bedoeld in het eerste lid, 2°, hoort de eenheidschef het personeelslid. Enkel overmacht kan de niet-naleving van de bepalingen bedoeld in artikel 70, eerste lid, rechtvaardigen.
Art. 88. La démission d'office est prononcée par l'autorité compétente pour nommer le membre du personnel, lorsque le membre du personnel :
1° cesse de remplir une condition de recrutement fixée aux articles 23, 24, 25 et 26 [2 ou cesse de remplir une condition d'admission au stage visée à l'article 28, alinéa 1er, [3 ou cesse de remplir une condition de nomination visée à l'article 29 dans la mesure où cette condition de nomination est toujours nécessaire à l'exercice de la fonction,]3 sans préjudice des articles 48 et 52]2;
2° ne suit pas [1 le nombre d'heures]1 de formation continue visées à l'article 70 [1 ...]1.
Dans le cas visé à l'alinéa 1er, 2°, le chef d'unité procède, préalablement, à l'audition du membre du personnel. Seule la force majeure est de nature à justifier le non-respect des dispositions visées à l'article 70, alinéa 1er.
1° cesse de remplir une condition de recrutement fixée aux articles 23, 24, 25 et 26 [2 ou cesse de remplir une condition d'admission au stage visée à l'article 28, alinéa 1er, [3 ou cesse de remplir une condition de nomination visée à l'article 29 dans la mesure où cette condition de nomination est toujours nécessaire à l'exercice de la fonction,]3 sans préjudice des articles 48 et 52]2;
2° ne suit pas [1 le nombre d'heures]1 de formation continue visées à l'article 70 [1 ...]1.
Dans le cas visé à l'alinéa 1er, 2°, le chef d'unité procède, préalablement, à l'audition du membre du personnel. Seule la force majeure est de nature à justifier le non-respect des dispositions visées à l'article 70, alinéa 1er.
Art. 89. Het eervol ontslag wordt ambtshalve verleend door de benoemende overheid:
1° aan het beroepspersoneelslid [1 bij het begin]1 van de maand waarin het op pensioen gaat;
[1 1° /1 aan het beroepspersoneelslid wanneer het de grensleeftijd bepaald door het koninklijk besluit van 12 mei 1927 betreffende de ouderdom van de oppensioenstelling van de ambtenaren, de beambten en het dienstpersoneel van de Staat bereikt;]1
2° aan het vrijwillige personeelslid op het einde van de maand waarin het de leeftijd van vijfenzestig jaar bereikt.
[1 In afwijking van het eerste lid, 1° /1, kan de Voorzitter, op verzoek van het beroepspersoneelslid en na advies van de eenheidschef, het personeelslid toelaten in dienst te blijven na het bereiken van de leeftijdsgrens, overeenkomstig het ministerieel besluit van 11 september 2012 tot uitvoering van artikel 3 van het koninklijk besluit van 12 mei 1927 betreffende de ouderdom van de oppensioenstelling van de ambtenaren, de beambten en het dienstpersoneel van de Staat.]1
In afwijking van het eerste lid, 2°, kan de Directeur-generaal, op aanvraag van het vrijwillige personeelslid en na advies van de eenheidschef, het personeelslid toelaten in dienst te blijven na het bereiken van de leeftijdsgrens.
De Directeur-generaal kent de verlenging toe voor de maximale duur van één jaar, telkens verlengbaar met ten hoogste één jaar.
[1 Om toegelaten te worden om in dienst te blijven na de leeftijdsgrens moet het beroeps- en vrijwillig personeelslid]1 medisch geschikt bevonden worden door de arbeidsgeneesheer.
1° aan het beroepspersoneelslid [1 bij het begin]1 van de maand waarin het op pensioen gaat;
[1 1° /1 aan het beroepspersoneelslid wanneer het de grensleeftijd bepaald door het koninklijk besluit van 12 mei 1927 betreffende de ouderdom van de oppensioenstelling van de ambtenaren, de beambten en het dienstpersoneel van de Staat bereikt;]1
2° aan het vrijwillige personeelslid op het einde van de maand waarin het de leeftijd van vijfenzestig jaar bereikt.
[1 In afwijking van het eerste lid, 1° /1, kan de Voorzitter, op verzoek van het beroepspersoneelslid en na advies van de eenheidschef, het personeelslid toelaten in dienst te blijven na het bereiken van de leeftijdsgrens, overeenkomstig het ministerieel besluit van 11 september 2012 tot uitvoering van artikel 3 van het koninklijk besluit van 12 mei 1927 betreffende de ouderdom van de oppensioenstelling van de ambtenaren, de beambten en het dienstpersoneel van de Staat.]1
In afwijking van het eerste lid, 2°, kan de Directeur-generaal, op aanvraag van het vrijwillige personeelslid en na advies van de eenheidschef, het personeelslid toelaten in dienst te blijven na het bereiken van de leeftijdsgrens.
De Directeur-generaal kent de verlenging toe voor de maximale duur van één jaar, telkens verlengbaar met ten hoogste één jaar.
[1 Om toegelaten te worden om in dienst te blijven na de leeftijdsgrens moet het beroeps- en vrijwillig personeelslid]1 medisch geschikt bevonden worden door de arbeidsgeneesheer.
Modifications
Art. 89. La démission honorable est accordée d'office par l'autorité [1 investie du pouvoir de nomination]1 :
1° au membre du personnel professionnel [1 au début]1 du mois au cours duquel il prend sa retraite;
[1 1° /1 au membre du personnel professionnel lorsqu'il atteint l'âge limite fixé par l'arrêté royal du 12 mai 1927 relatif à l'âge de la mise à la retraite des fonctionnaires, employés et gens de service des administrations de l'Etat;]1
2° au membre du personnel volontaire à la fin du mois au cours duquel il atteint l'âge de soixante-cinq ans.
[1 Par dérogation à l'alinéa 1er, 1° /1, le Président peut, à la demande du membre du personnel professionnel et après avis du chef d'unité, autoriser le membre du personnel à rester en service après avoir atteint la limite d'âge, conformément à l'arrêté ministériel du 11 septembre 2012 portant exécution de l'article 3 de l'arrêté royal du 12 mai 1927 relatif à l'âge de la mise à la retraite des fonctionnaires, employés et gens de service des administrations de l'Etat.]1
Par dérogation à l'alinéa 1er, 2°, le Directeur général peut, à la demande du membre du personnel volontaire et après avis du chef d'unité, autoriser le membre du personnel à rester en service après avoir atteint la limite d'âge.
Le Directeur général autorise la prolongation pour une durée maximale d'une année, prolongeable à chaque fois pour une période d'un an maximum.
[1 Pour être autorisé à rester en service au-delà de la limite d'âge, le membre du personnel professionnel et volontaire]1 doit être jugé apte médicalement par le médecin du travail.
1° au membre du personnel professionnel [1 au début]1 du mois au cours duquel il prend sa retraite;
[1 1° /1 au membre du personnel professionnel lorsqu'il atteint l'âge limite fixé par l'arrêté royal du 12 mai 1927 relatif à l'âge de la mise à la retraite des fonctionnaires, employés et gens de service des administrations de l'Etat;]1
2° au membre du personnel volontaire à la fin du mois au cours duquel il atteint l'âge de soixante-cinq ans.
[1 Par dérogation à l'alinéa 1er, 1° /1, le Président peut, à la demande du membre du personnel professionnel et après avis du chef d'unité, autoriser le membre du personnel à rester en service après avoir atteint la limite d'âge, conformément à l'arrêté ministériel du 11 septembre 2012 portant exécution de l'article 3 de l'arrêté royal du 12 mai 1927 relatif à l'âge de la mise à la retraite des fonctionnaires, employés et gens de service des administrations de l'Etat.]1
Par dérogation à l'alinéa 1er, 2°, le Directeur général peut, à la demande du membre du personnel volontaire et après avis du chef d'unité, autoriser le membre du personnel à rester en service après avoir atteint la limite d'âge.
Le Directeur général autorise la prolongation pour une durée maximale d'une année, prolongeable à chaque fois pour une période d'un an maximum.
[1 Pour être autorisé à rester en service au-delà de la limite d'âge, le membre du personnel professionnel et volontaire]1 doit être jugé apte médicalement par le médecin du travail.
Modifications
Art. 90. Het eervol ontslag uit zijn ambt kan worden verleend, op zijn vraag, aan het personeelslid:
1° dat ten minste twintig jaar dienst telt;
2° dat van ambtswege ontslagen is ingevolge een ongeval tijdens de dienst of door het feit van de dienst.
1° dat ten minste twintig jaar dienst telt;
2° dat van ambtswege ontslagen is ingevolge een ongeval tijdens de dienst of door het feit van de dienst.
Art. 90. La démission honorable de ses fonctions peut aussi être accordée, à sa demande, au membre du personnel :
1° qui compte au moins vingt ans de service;
2° qui a été démissionné d'office à la suite d'un accident survenu en service ou par le fait du service.
1° qui compte au moins vingt ans de service;
2° qui a été démissionné d'office à la suite d'un accident survenu en service ou par le fait du service.
Art. 91. Het personeelslid dat eervol uit zijn ambt ontslagen wordt, kan:
1° de eretitel van zijn graad krijgen;
2° het uitgangsuniform dragen voor het bijwonen van plechtigheden of van officiële feesten georganiseerd door de Staat of andere openbare besturen.
1° de eretitel van zijn graad krijgen;
2° het uitgangsuniform dragen voor het bijwonen van plechtigheden of van officiële feesten georganiseerd door de Staat of andere openbare besturen.
Art. 91. Le membre du personnel qui obtient la démission honorable de ses fonctions peut :
1° se voir accorder l'honorariat de son grade;
2° porter la tenue de sortie pour assister à des cérémonies ou à des fêtes officielles organisées par l'Etat ou d'autres autorités publiques.
1° se voir accorder l'honorariat de son grade;
2° porter la tenue de sortie pour assister à des cérémonies ou à des fêtes officielles organisées par l'Etat ou d'autres autorités publiques.
Art. 92. § 1. Het beroepspersoneelslid dat vrijwillig ontslag neemt of dat verandert van graad overeenkomstig titel 4 van boek 5, kan vragen om benoemd te worden als vrijwillig personeelslid in dezelfde of een lagere graad.
Daartoe richt het personeelslid een gemotiveerde aanvraag naar de Directeur-generaal ten laatste op het moment van de betekening van zijn vrijwillig ontslag of van de melding van zijn verandering van graad.
§ 2. Het personeelslid komt in aanmerking om als vrijwillig personeelslid benoemd te worden in dezelfde of een lagere graad wanneer het aan de volgende voorwaarden voldoet:
1° geen stagiair zijn;
2° [1 geen vermelding "onvoldoende" gekregen hebben]1 bij zijn laatste evaluatie;
3° niet beschikken over een niet-doorgehaalde tuchtsanctie.
§ 3. De kandidaat begint binnen de drie maanden vanaf de datum van zijn verzoek aan de stage.
De stage duurt drie maanden voor alle graden.
Ingeval van ziekte van minimum twee weken van de stagiair tijdens de stage, wordt de stage verlengd met de duur van de ziekte, die aangetoond wordt met een geneeskundig getuigschrift.
[2 Ingeval van zwangerschap van de stagiair vrijwilliger tijdens de stage, wordt de stage verlengd met de duur van de zwangerschap en de moederschapsrust, die aangetoond worden met een geneeskundig getuigschrift.]2
§ 4. De stage verloopt onder leiding van de evaluator zoals bedoeld in [1 artikel 40 van het koninklijk besluit van 14 januari 2022 `betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt]1, aangewezen door de eenheidschef.
§ 5. De evaluatie heeft tot doel de prestaties van de stagiair te beoordelen in functie van zijn functiebeschrijving.
§ 6. Op het einde van de stage maakt de evaluator, na de nodige informatie te hebben ingewonnen en na overleg met de stagiair, het stageverslag op.
§ 7. Het stageverslag stelt voor :
1° hetzij het personeelslid te benoemen;
2° hetzij het personeelslid niet te benoemen.
Het wordt door de stagebegeleider ondertekend en ter kennis gebracht aan de stagiair, die het ondertekent en er eventueel zijn opmerkingen aan toevoegt. Het verslag wordt toegevoegd aan het evaluatiedossier van de stagiair.
§ 8. Het verslag wordt aan de betrokkene ter kennis gebracht via een aangetekende brief of via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum.
§ 9. Als de evaluator voorstelt om het personeelslid niet te benoemen, kan de stagiair het geval voorleggen aan [1 de evaluatiecommissie bedoeld in artikel 26, eerste lid, van het koninklijk besluit van 14 januari 2022 `betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt]1. Het beroep verloopt conform de bepalingen van [1 de artikelen 32 en 33 van het koninklijk besluit van 14 januari 2022 `betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt]1.
Daartoe richt het personeelslid een gemotiveerde aanvraag naar de Directeur-generaal ten laatste op het moment van de betekening van zijn vrijwillig ontslag of van de melding van zijn verandering van graad.
§ 2. Het personeelslid komt in aanmerking om als vrijwillig personeelslid benoemd te worden in dezelfde of een lagere graad wanneer het aan de volgende voorwaarden voldoet:
1° geen stagiair zijn;
2° [1 geen vermelding "onvoldoende" gekregen hebben]1 bij zijn laatste evaluatie;
3° niet beschikken over een niet-doorgehaalde tuchtsanctie.
§ 3. De kandidaat begint binnen de drie maanden vanaf de datum van zijn verzoek aan de stage.
De stage duurt drie maanden voor alle graden.
Ingeval van ziekte van minimum twee weken van de stagiair tijdens de stage, wordt de stage verlengd met de duur van de ziekte, die aangetoond wordt met een geneeskundig getuigschrift.
[2 Ingeval van zwangerschap van de stagiair vrijwilliger tijdens de stage, wordt de stage verlengd met de duur van de zwangerschap en de moederschapsrust, die aangetoond worden met een geneeskundig getuigschrift.]2
§ 4. De stage verloopt onder leiding van de evaluator zoals bedoeld in [1 artikel 40 van het koninklijk besluit van 14 januari 2022 `betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt]1, aangewezen door de eenheidschef.
§ 5. De evaluatie heeft tot doel de prestaties van de stagiair te beoordelen in functie van zijn functiebeschrijving.
§ 6. Op het einde van de stage maakt de evaluator, na de nodige informatie te hebben ingewonnen en na overleg met de stagiair, het stageverslag op.
§ 7. Het stageverslag stelt voor :
1° hetzij het personeelslid te benoemen;
2° hetzij het personeelslid niet te benoemen.
Het wordt door de stagebegeleider ondertekend en ter kennis gebracht aan de stagiair, die het ondertekent en er eventueel zijn opmerkingen aan toevoegt. Het verslag wordt toegevoegd aan het evaluatiedossier van de stagiair.
§ 8. Het verslag wordt aan de betrokkene ter kennis gebracht via een aangetekende brief of via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum.
§ 9. Als de evaluator voorstelt om het personeelslid niet te benoemen, kan de stagiair het geval voorleggen aan [1 de evaluatiecommissie bedoeld in artikel 26, eerste lid, van het koninklijk besluit van 14 januari 2022 `betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt]1. Het beroep verloopt conform de bepalingen van [1 de artikelen 32 en 33 van het koninklijk besluit van 14 januari 2022 `betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt]1.
Art. 92. § 1er. Le membre du personnel professionnel qui démissionne volontairement ou qui change de grade conformément au titre 4 du livre 5, peut demander d'être nommé comme membre du personnel volontaire dans le même grade ou dans un grade inférieur.
Le membre du personnel adresse à cet effet une demande motivée au directeur général au plus tard au moment de la notification de sa démission volontaire ou de la notification de son changement de grade.
§ 2. Le membre du personnel entre en ligne de compte pour être nommé comme membre du personnel volontaire dans le même grade ou dans un grade inférieur lorsqu'il satisfait aux conditions suivantes :
1° ne pas être stagiaire;
2° [1 ne pas avoir obtenu la mention " insuffisant "]1 lors de sa dernière évaluation;
3° ne pas être sous le coup d'une sanction disciplinaire non radiée.
§ 3. Le candidat commence son stage dans les trois mois à partir de la date de sa demande.
Le stage dure trois mois pour tous les grades.
En cas de maladie de minimum deux semaines du stagiaire pendant son stage, ce dernier est prolongé de la durée de la maladie, qui doit être justifiée à l'aide d'un certificat médical.
[2 En cas de grossesse de la stagiaire volontaire pendant la période de stage, la durée du stage est prolongée de la durée de la grossesse et du congé de maternité. Ceux-ci doivent être justifiés à l'aide d'un certificat médical.]2
§ 4. Le stage se déroule sous la direction de l'évaluateur visé [1 à l'article 40 de l'arrêté royal du 14 janvier 2022 relatif à l'évaluation dans la Fonction publique fédérale]1, désigné par le chef de l'unité.
§ 5. L'évaluation a pour but d'apprécier les prestations effectuées par le stagiaire et leur adéquation avec la description de fonction.
§ 6. A la fin du stage, l'évaluateur établit le rapport de stage après avoir recueilli les informations nécessaires et après concertation avec le stagiaire.
§ 7. Le rapport de stage propose :
1° soit de nommer le membre du personnel;
2° soit de ne pas nommer le membre du personnel.
Il est signé par le maître de stage et est communiqué au stagiaire qui le signe et y joint éventuellement ses observations. Le rapport est versé au dossier d'évaluation du stagiaire.
§ 8. Le rapport est notifié à l'intéressé soit par lettre recommandée soit par toutes autres voies qui confèrent au courrier valeur probante et date certaine.
§ 9. Si l'évaluateur propose de ne pas confirmer la nomination du membre du personnel, le stagiaire peut saisir [1 la commission d'évaluation visée à l'article 26, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 14 janvier 2022 relatif à l'évaluation dans la Fonction publique fédérale]1. Le recours se déroule conformément aux dispositions [1 des articles 32 et 33 de l'arrêté royal du 14 janvier 2022 relatif à l'évaluation dans la Fonction publique fédérale]1.
Le membre du personnel adresse à cet effet une demande motivée au directeur général au plus tard au moment de la notification de sa démission volontaire ou de la notification de son changement de grade.
§ 2. Le membre du personnel entre en ligne de compte pour être nommé comme membre du personnel volontaire dans le même grade ou dans un grade inférieur lorsqu'il satisfait aux conditions suivantes :
1° ne pas être stagiaire;
2° [1 ne pas avoir obtenu la mention " insuffisant "]1 lors de sa dernière évaluation;
3° ne pas être sous le coup d'une sanction disciplinaire non radiée.
§ 3. Le candidat commence son stage dans les trois mois à partir de la date de sa demande.
Le stage dure trois mois pour tous les grades.
En cas de maladie de minimum deux semaines du stagiaire pendant son stage, ce dernier est prolongé de la durée de la maladie, qui doit être justifiée à l'aide d'un certificat médical.
[2 En cas de grossesse de la stagiaire volontaire pendant la période de stage, la durée du stage est prolongée de la durée de la grossesse et du congé de maternité. Ceux-ci doivent être justifiés à l'aide d'un certificat médical.]2
§ 4. Le stage se déroule sous la direction de l'évaluateur visé [1 à l'article 40 de l'arrêté royal du 14 janvier 2022 relatif à l'évaluation dans la Fonction publique fédérale]1, désigné par le chef de l'unité.
§ 5. L'évaluation a pour but d'apprécier les prestations effectuées par le stagiaire et leur adéquation avec la description de fonction.
§ 6. A la fin du stage, l'évaluateur établit le rapport de stage après avoir recueilli les informations nécessaires et après concertation avec le stagiaire.
§ 7. Le rapport de stage propose :
1° soit de nommer le membre du personnel;
2° soit de ne pas nommer le membre du personnel.
Il est signé par le maître de stage et est communiqué au stagiaire qui le signe et y joint éventuellement ses observations. Le rapport est versé au dossier d'évaluation du stagiaire.
§ 8. Le rapport est notifié à l'intéressé soit par lettre recommandée soit par toutes autres voies qui confèrent au courrier valeur probante et date certaine.
§ 9. Si l'évaluateur propose de ne pas confirmer la nomination du membre du personnel, le stagiaire peut saisir [1 la commission d'évaluation visée à l'article 26, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 14 janvier 2022 relatif à l'évaluation dans la Fonction publique fédérale]1. Le recours se déroule conformément aux dispositions [1 des articles 32 et 33 de l'arrêté royal du 14 janvier 2022 relatif à l'évaluation dans la Fonction publique fédérale]1.
BOEK XII. - OVERGANGSBEPALINGEN
LIVRE XII. - DES DISPOSITIONS TRANSITOIRES
Art. 93. Vanaf de inwerkingtreding van dit besluit, worden de laureaten die opgenomen zijn in een wervingsreserve voor operationeel medewerker voor de Civiele Bescherming, gevormd door Selor, vrijgesteld van proeven 1° en 2° van het federaal geschiktheidsattest voor het basiskader, vermeld in artikel 20.
Vanaf de inwerkingtreding van dit besluit, worden de laureaten die opgenomen zijn in een wervingsreserve voor attaché in de functie van "Ingénieur industriel - Chef d'unité adjoint", "Ingénieur industriel Opérations" of "Industrieel ingenieur Civiele Veiligheid" voor de Civiele Bescherming, gevormd door Selor, vrijgesteld van proeven 1° en 2° van het federaal geschiktheidsattest voor het hoger kader, vermeld in artikel 20.
Vanaf de inwerkingtreding van dit besluit, worden de laureaten die opgenomen zijn in een wervingsreserve voor attaché in de functie van "Ingénieur industriel - Chef d'unité adjoint", "Ingénieur industriel Opérations" of "Industrieel ingenieur Civiele Veiligheid" voor de Civiele Bescherming, gevormd door Selor, vrijgesteld van proeven 1° en 2° van het federaal geschiktheidsattest voor het hoger kader, vermeld in artikel 20.
Art. 93. A partir de l'entrée en vigueur de cet arrêté, les lauréats repris dans une réserve de recrutement de collaborateur opérationnel pour la Protection civile, constituée par le SELOR, sont dispensés des épreuves 1° et 2° du certificat d'aptitude fédéral pour le cadre de base visé à l'article 20.
A partir de l'entrée en vigueur de cet arrêté, les lauréats repris dans une réserve de recrutement d'attaché dans la fonction de " Ingénieur industriel - Chef d'unité adjoint", " Ingénieur industriel Opérations " ou " Industrieel ingenieur Civiele Veiligheid " pour la Protection civile, constituée par le SELOR, sont dispensés des épreuves 1° et 2° du certificat d'aptitude fédéral pour le cadre supérieur visé à l'article 20.
A partir de l'entrée en vigueur de cet arrêté, les lauréats repris dans une réserve de recrutement d'attaché dans la fonction de " Ingénieur industriel - Chef d'unité adjoint", " Ingénieur industriel Opérations " ou " Industrieel ingenieur Civiele Veiligheid " pour la Protection civile, constituée par le SELOR, sont dispensés des épreuves 1° et 2° du certificat d'aptitude fédéral pour le cadre supérieur visé à l'article 20.
Art. 94. Voor het vrijwillig personeel is de evaluatievoorwaarde [1 geen vermelding "onvoldoende" gekregen hebben]1, vermeld in artikel 36 slechts van toepassing na het einde van de eerste evaluatieperiode gevoerd krachtens dit besluit.
Modifications
Art. 94. Pour le personnel volontaire, la condition d'évaluation [1 ne pas avoir obtenu une mention " insuffisant "]1 visée à l'article 36 n'est d'application qu'après une première période d'évaluation organisée en vertu du présent arrêté.
Modifications
Art. 95. De luitenant met uitdovende schaal en de commandant in uitdovende graad die geslaagd is voor de eerste twee reeksen van proeven voor bevordering tot het niveau A zoals bedoeld in artikel 31 van het Koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het rijkspersoneel wordt vrijgesteld van het bevorderingsexamen voor de graad van kapitein bedoeld in artikel 36, 5°, d) voor de duur van vijf jaar vanaf de inwerkingtreding van onderhavig besluit.
Hij wordt als eerste gerangschikt in de rangschikking bedoeld in artikel 37, § 1, negende lid.
Indien er meerdere kandidaten in dit geval zijn, worden zij onderling gerangschikt volgens de hoogste graadanciënniteit; in geval van gelijke graadanciënniteit, volgens de hoogste dienstanciënniteit; in geval van gelijke dienstanciënniteit, volgens de hoogste leeftijd.
Hij wordt als eerste gerangschikt in de rangschikking bedoeld in artikel 37, § 1, negende lid.
Indien er meerdere kandidaten in dit geval zijn, worden zij onderling gerangschikt volgens de hoogste graadanciënniteit; in geval van gelijke graadanciënniteit, volgens de hoogste dienstanciënniteit; in geval van gelijke dienstanciënniteit, volgens de hoogste leeftijd.
Art. 95. Le lieutenant avec échelle en extinction et le commandant dans un grade en extinction qui ont réussi les deux premières séries d'épreuves de promotion au niveau A prévues à l'article 31 de l'arrêté royal du 7 août 1939 organisant l'évaluation et la carrière des agents de l'Etat sont dispensés de l'examen de promotion au grade de capitaine visée à l'article 36, 5°, d) pour une durée de cinq ans à partir de l'entrée en vigueur du présent arrêté.
Il est classé premier dans le classement visé à l'article 37, § 1er, alinéa 9.
Si plusieurs candidats sont dans ce cas, ils sont classés en fonction de l'ancienneté de grade la plus élevée; en cas d'ancienneté de grade équivalente, ils sont classés selon l'ancienneté de service la plus élevée; en cas d'ancienneté de service équivalente, ils seront classés selon l'âge le plus élevé.
Il est classé premier dans le classement visé à l'article 37, § 1er, alinéa 9.
Si plusieurs candidats sont dans ce cas, ils sont classés en fonction de l'ancienneté de grade la plus élevée; en cas d'ancienneté de grade équivalente, ils sont classés selon l'ancienneté de service la plus élevée; en cas d'ancienneté de service équivalente, ils seront classés selon l'âge le plus élevé.
Art. 95/1. [1 Het personeelslid benoemd in de graad van luitenant met uitdovende schaal, ingeschaald overeenkomstig artikel 5 van het koninklijk besluit van 3 juli 2018 houdende diverse maatregelen betreffende de leden van het operationeel personeel van de civiele bescherming, kan deelnemen aan de bevorderingsprocedure bedoeld in boek V, titel 1, voor de graad van luitenant, zoals bedoeld in artikel 5, 3°, bekomen mits het voldoen aan volgende voorwaarden:
a) Belg zijn;
b) geen vermelding "onvoldoende" gekregen hebben bij de laatste evaluatie;
c) houder zijn van de modulecertificaten van de modules 1 en 2 van het brevet OFF1-C, door Ons bepaald;
d) geslaagd zijn voor het bevorderingsexamen bedoeld in artikel 37;
e) niet beschikken over een niet-doorgehaalde tuchtsanctie.]1
a) Belg zijn;
b) geen vermelding "onvoldoende" gekregen hebben bij de laatste evaluatie;
c) houder zijn van de modulecertificaten van de modules 1 en 2 van het brevet OFF1-C, door Ons bepaald;
d) geslaagd zijn voor het bevorderingsexamen bedoeld in artikel 37;
e) niet beschikken over een niet-doorgehaalde tuchtsanctie.]1
Art. 95/1. [1 Le membre du personnel nommé dans le grade de lieutenant avec échelle en extinction, classé conformément à l'article 5 de l'arrêté royal du 3 juillet 2018 comprenant diverses mesures relatives aux membres du personnel opérationnel de la Protection civile, peut participer à la procédure de promotion visée par le livre V, titre 1er, pour le grade de lieutenant, tel que visé à l'article 5, 3°, sous réserve du respect des conditions suivantes :
a) être Belge;
b) ne pas avoir obtenu la mention " insuffisant " lors de la dernière évaluation;
c) être titulaire des certifications de module des modules 1 et 2 du brevet OFF1-C, déterminé par Nous;
d) avoir réussi l'examen de promotion visé à l'article 37;
e) ne pas être sous le coup d'une sanction disciplinaire non radiée.]1
a) être Belge;
b) ne pas avoir obtenu la mention " insuffisant " lors de la dernière évaluation;
c) être titulaire des certifications de module des modules 1 et 2 du brevet OFF1-C, déterminé par Nous;
d) avoir réussi l'examen de promotion visé à l'article 37;
e) ne pas être sous le coup d'une sanction disciplinaire non radiée.]1
Modifications
Art. 96. De Voorzitter kan toestaan dat een personeelslid de functie van vrijwillig personeelslid blijft uitoefenen terwijl hij lid is van een politiedienst die deel uitmaakt van de openbare macht, vermeld in artikel 2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt. Deze afwijking op artikel 16, 2°, van dit besluit, wordt toegestaan aan het personeelslid in functie voor 1 april 1999 indien dit nodig is om de continuïteit van de dienst te verzekeren.
Art. 96. Le Président peut autoriser un membre du personnel à poursuivre l'exercice de la fonction du membre de personnel volontaire tout en étant membre d'un service de police faisant partie de la force publique visée à l'article 2 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police. Cette dérogation à l'article 16, 2°, du présent arrêté, est accordée au membre du personnel en fonction avant le 1er avril 1999 si cela est nécessaire pour assurer la continuité du service concerné.
Art. 97. De personeelsleden die, op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit een verlof genieten dat volgens Boek 8 van dit besluit niet op hen van toepassing is, blijven voor de duur ervan en voor wat betreft hun administratieve stand, onderworpen aan de bepalingen die op hen van toepassing waren vóór de inwerkingtreding van dit besluit.
Art. 97. Les membres du personnel qui au moment de l'entrée en vigueur du présent arrêté bénéficient d'un congé qui ne leur est pas applicable en vertu du Livre 8 du présent arrêté restent pour la durée de celui-ci, et en ce qui concerne leur position administrative, soumis aux dispositions qui leur étaient d'application avant l'entrée en vigueur du présent arrêté.
Art. 97/1. [1 Voor het personeelslid aan wie het verlof voorafgaand aan pensionering wordt toegekend voor 1 januari 2024, wordt de ontvangen premie voor operationaliteit en onregelmatige prestaties, bedoeld in artikel 65, tweede lid, beperkt tot de in aanmerking komende periode na 1 januari 2019. Ze wordt aangevuld met de premie voor onregelmatige prestaties, bedoeld in het ministerieel besluit van 31 juli 1969 houdende toekenning van een toelage voor onregelmatige prestaties aan het personeel van de permanente eenheden van de Civiele Bescherming die tot vierentwintig-urendienst gehouden zijn, ontvangen voor de in aanmerking komende periode voor 1 januari 2019.]1
Art. 97/1. [1 Pour le membre du personnel à qui le congé préalable à la pension est octroyé avant le 1er janvier 2024, la prime d'opérationnalité et de prestations irrégulières reçue, telle que visée à l'article 65, alinéa 2, est limitée à la période admissible après le 1er janvier 2019. Elle est complétée par la prime pour les prestations irrégulières, telle que visée à l'arrêté ministériel du 31 juillet 1969 réglant l'octroi d'une allocation pour prestations irrégulières au personnel des unités permanentes de la Protection civile, astreint au service des vingt-quatre heures, reçue pour la période admissible avant le 1er janvier 2019.]1
Modifications
BOEK XIII. - WIJZIGINGS- EN SLOTBEPALINGEN
LIVRE XIII. - DES DISPOSITIONS MODIFICATIVES ET FINALES
Art. 98. Worden opgeheven :
1° het Koninklijk besluit van 11 maart 1954 houdende statuut van het korps burgerlijke bescherming;
2° het Koninklijk Besluit van 16 november 2006 houdende hervorming van de loopbaan van bepaalde personeelsleden die houder zijn van operationele graden van de FOD Binnenlandse Zaken;
3° het Koninklijk besluit van 11 mei 2009 tot vaststelling van de bijzondere toelaatbaarheidsvereisten voor sommige graden en functies bij de Algemene Directie van de Civiele Veiligheid van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken;
4° het Koninklijk besluit van 29 augustus 2009 tot organisatie van de opleidingscursussen betreffende brevet I voor de operationele personeelsleden van de Civiele Bescherming;
5° het Ministerieel Besluit van 22 november 1985 tot vaststelling van de werking van de permanente eenheden en van de grote wachten van de Civiele Bescherming;
6° Het Ministerieel besluit van 26 september 2002 tot uitvoering van het koninklijk besluit van 13 mei 1999 tot regeling van het medisch toezicht op het personeel van sommige overheidsdiensten.
1° het Koninklijk besluit van 11 maart 1954 houdende statuut van het korps burgerlijke bescherming;
2° het Koninklijk Besluit van 16 november 2006 houdende hervorming van de loopbaan van bepaalde personeelsleden die houder zijn van operationele graden van de FOD Binnenlandse Zaken;
3° het Koninklijk besluit van 11 mei 2009 tot vaststelling van de bijzondere toelaatbaarheidsvereisten voor sommige graden en functies bij de Algemene Directie van de Civiele Veiligheid van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken;
4° het Koninklijk besluit van 29 augustus 2009 tot organisatie van de opleidingscursussen betreffende brevet I voor de operationele personeelsleden van de Civiele Bescherming;
5° het Ministerieel Besluit van 22 november 1985 tot vaststelling van de werking van de permanente eenheden en van de grote wachten van de Civiele Bescherming;
6° Het Ministerieel besluit van 26 september 2002 tot uitvoering van het koninklijk besluit van 13 mei 1999 tot regeling van het medisch toezicht op het personeel van sommige overheidsdiensten.
Art. 98. Sont abrogés :
1° l'arrêté royal du 11 mars 1954 portant statut du Corps de protection civile;
2° l'arrêté royal du 16 novembre 2006 portant réforme de la carrière de certains agents titulaires de grades opérationnels du SPF Intérieur;
3° l'arrêté royal du 11 mai 2009 fixant des conditions particulières d'admissibilité à certains grades et fonctions de la Direction générale de la Sécurité civile du Service public fédéral Intérieur;
4° l'arrêté royal du 29 août 2009 organisant les cours de formation relatifs au brevet I pour les agents opérationnels de la Protection civile;
5° l'arrêté ministériel du 22 novembre 1985 déterminant le fonctionnement des unités permanentes et de la grand garde de la protection civile;
6° l'arrêté ministériel du 26 septembre 2002 portant exécution de l'arrêté royal du 13 mai 1999 organisant le contrôle médical des agents de certains services publics.
1° l'arrêté royal du 11 mars 1954 portant statut du Corps de protection civile;
2° l'arrêté royal du 16 novembre 2006 portant réforme de la carrière de certains agents titulaires de grades opérationnels du SPF Intérieur;
3° l'arrêté royal du 11 mai 2009 fixant des conditions particulières d'admissibilité à certains grades et fonctions de la Direction générale de la Sécurité civile du Service public fédéral Intérieur;
4° l'arrêté royal du 29 août 2009 organisant les cours de formation relatifs au brevet I pour les agents opérationnels de la Protection civile;
5° l'arrêté ministériel du 22 novembre 1985 déterminant le fonctionnement des unités permanentes et de la grand garde de la protection civile;
6° l'arrêté ministériel du 26 septembre 2002 portant exécution de l'arrêté royal du 13 mai 1999 organisant le contrôle médical des agents de certains services publics.
Art. 99. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2019.
In afwijking van het eerste lid, treden in werking op de datum van bekendmaking van onderhavig besluit:
1° de artikelen 2, 4, 5, en 19 tot en met 26 van onderhavig besluit;
2° artikel 156 van de wet van 15 mei 2007.
In afwijking van het eerste lid, treden in werking op de datum van bekendmaking van onderhavig besluit:
1° de artikelen 2, 4, 5, en 19 tot en met 26 van onderhavig besluit;
2° artikel 156 van de wet van 15 mei 2007.
Art. 99. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er janvier 2019.
Par dérogation à l'alinéa 1er entrent en vigueur à la date de publication du présent arrêté :
1° les articles 2, 4, 5 et 19 à 26 du présent arrêté;
2° l'article 156 de la loi du 15 mai 2007.
Par dérogation à l'alinéa 1er entrent en vigueur à la date de publication du présent arrêté :
1° les articles 2, 4, 5 et 19 à 26 du présent arrêté;
2° l'article 156 de la loi du 15 mai 2007.
Art. 100. De minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 100. Le ministre de l'Intérieur est chargé de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage 1.
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 19-07-2018, p. 57789)
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 19-07-2018, p. 57789)
Art. N1. Annexe 1.
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 19-07-2018, p. 57796)
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 19-07-2018, p. 57796)