Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
11 MAART 2018. - Wet betreffende het statuut van en het toezicht op de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, en de toegang tot betalingssystemen(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 26-03-2018 en tekstbijwerking tot 24-12-2025)
Titre
11 MARS 2018. - Loi relative au statut et au contrôle des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l'accès à l'activité de prestataire de services de paiement, et à l'activité d'émission de monnaie électronique, et à l'accès aux systèmes de paiement(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 26-03-2018 et mise à jour au 24-12-2025)
Informations sur le document
Numac: 2018030643
Datum: 2018-03-11
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2018030643
Date: 2018-03-11
Moniteur: Voir
Table des matières
BOEK I. - DOEL - DEFINITIES - ALGEMENE BEPALINGEN TITEL I. - Algemene bepaling en doel TITEL II. - Definities TITEL III. - Algemene bepalingen BOEK II. - BETALINGSDIENSTAANBIEDERS TITEL I. - Monopolie ten gunste van betalingsdi... TITEL II. - Betalingsinstellingen naar Belgisch... HOOFDSTUK I. - Vergunninghoudende betalingsinst... Afdeling I. - Toegang tot het bedrijf Onderafdeling 1. - Vergunningsplicht Onderafdeling 2. - Procedure Afdeling II. - Vergunningsvoorwaarden Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen Onderafdeling 2. - Vennootschapsvorm Onderafdeling 3. - Aanvangskapitaal Onderafdeling 4. - Beroepsaansprakelijkheidsver... Onderafdeling 5. - Aandeelhouders of vennoten Onderafdeling 6. - Leiding Onderafdeling 7. - Organisatie Onderafdeling 8. - Hoofdbestuur Afdeling III. - Bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden Onderafdeling 1. - Algemene bepaling Onderafdeling 2. - Wijzigingen in de kapitaalst... Onderafdeling 3. - Minimum eigen vermogen Onderafdeling 4. - Leiding en leiders 4.1. Toezicht en beoordeling door het wettelijk... 4.2. Maatregelen die moeten worden genomen door... 4.2./1 [1 Vereisten inzake de samenstelling van... 4.3. Benoemingen en ontslagen Onderafdeling 5. - Uitbesteding Onderafdeling 6. - Bijzondere verrichtingen 6.1. Fusies, splitsingen, overdrachten en ander... 6.2. Deelnemingen Onderafdeling 7. - Verbod tot gebruik van en be... Onderafdeling 8. - Uitoefening van andere werkz... 8.1. Operationele of nevenactiviteiten die nauw... 8.2. [1 Andere werkzaamheden]1 8.3. Verboden werkzaamheden Onderafdeling 9. - Beheer van betalingsgegevens... 9.1. Beginsel 9.2. Authenticatie - algemene verplichtingen 9.3. Bescherming van bepaalde gegevens in het g... Onderafdeling 10. - Beveiligde communicatie Onderafdeling 11. - Beveiligingsbeleid 11.1. Analyse van de operationele en veiligheid... 11.2. Maatregelen om de gebruikers te bescherme... 11.3. Beheer van veiligheidsrisico's en operati... Onderafdeling 12. - Beheer en melding van veili... Onderafdeling 13. - Verstrekking van statistisc... Onderafdeling 14. - Uitgifte van op kaarten geb... Onderafdeling 15. - Specifieke verplichtingen v... Onderafdeling 16. - Uitoefening van werkzaamhed... 16.1. Uitoefening van het recht van vrije vesti... 16.2. Uitoefening van het recht tot het vrij ve... 16.3. Uitoefening van werkzaamheden in een ande... Onderafdeling 17. - Dienstverlening via een agent Onderafdeling 18. - Bewaring van gegevens Afdeling IV. - Periodieke informatieverstrekkin... HOOFDSTUK II. - Geregistreerde betalingsinstell... Afdeling I. - Beperkte betalingsinstellingen Onderafdeling 1. - Voorwaarden om in aanmerking... Onderafdeling 2. - Toegang tot de registratie Onderafdeling 3. - Voorwaarden voor het verkrij... Onderafdeling 4. - Uitoefeningsvoorwaarden Onderafdeling 5. - Periodieke en boekhoudkundig... Afdeling II. - Betalingsinstellingen die rekeni... Onderafdeling 1. - Verplichting tot registratie... Onderafdeling 2. - Voorwaarden voor het verkrij... Onderafdeling 3. - Uitoefeningsvoorwaarden Onderafdeling 4. - Periodieke informatieverstre... HOOFDSTUK III. - Toezicht op betalingsinstellin... Afdeling I. - Toezicht op de betalingsinstellin... Onderafdeling 1. - Toezicht van de Bank 1.1. Beginselen 1.2. Prerogatieven Onderafdeling 2. - Toezicht door de Bank op in ... 2.1. Definities en beginsel 2.2. Controle ter plaatse 2.3. Samenwerking 2.4.Buitengewone maatregelen van de Bank Onderafdeling 3. - Revisoraal toezicht Afdeling II. - In moeilijkheden of in een onreg... Onderafdeling 1. - Dwingende maatregelen Onderafdeling 2. - Uitzonderlijke herstelmaatre... Afdeling III. - Beëindiging van de vergunning e... TITEL III. - Betalingsinstellingen die onder ee... HOOFDSTUK I. - Bijkantoren, agenten en in het k... Afdeling I. - Toegang tot het bedrijf in België Onderafdeling 1. - Bijkantoren Onderafdeling 2. - Vrij verrichten van diensten Onderafdeling 3. - Agenten Afdeling II. - Bedrijfsuitoefening Afdeling III. - Periodieke informatieverstrekki... Afdeling IV. - Toezicht op de werkzaamheden Onderafdeling 1. - Definitie en beginsel Onderafdeling 2. - Samenwerking Onderafdeling 3. - Prerogatieven Afdeling V. - Buitengewone maatregelen HOOFDSTUK II. - Bijkantoren in België van betal... TITEL IV. - Bepalingen die van toepassing zijn ... TITEL V. - Dwangsommen, andere dwangmaatregelen... HOOFDSTUK I. - Dwangsommen, andere dwangmaatreg... HOOFDSTUK II. - Strafrechtelijke sancties BOEK III. - TOEGANG TOT DE BETALINGSSYSTEMEN IN... TITEL I. - Toegang tot de betalingssystemen in ... TITEL I/1. [1 Voorwaarden voor deelname aan aan... TITEL II. - Interoperabiliteit TITEL III. - Scheiding tussen betaalkaartschema... TITEL IV. - Toezicht TITEL V. - Dwangsommen en sancties BOEK IV. - TOEGANG TOT DE ACTIVITEIT VAN UITGIF... TITEL I. - Uitgevers van elektronisch geld TITEL II. - Instellingen voor elektronisch geld... HOOFDSTUK I. - Vergunninghoudende instellingen ... Afdeling I. - Toegang tot het bedrijf Afdeling II. - Vergunningsvoorwaarden Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen Onderafdeling 2. - Vennootschapsvorm Onderafdeling 3. - Aanvangskapitaal Onderafdeling 4. - Aandeelhouders of vennoten Onderafdeling 5. - Leiding Onderafdeling 6. - Organisatie Onderafdeling 7. - Hoofdbestuur Afdeling III. - Bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden Onderafdeling 1. - Algemene bepaling Onderafdeling 2. - Leiding en leiders 2.1. Toezicht en beoordeling door het wettelijk... 2.2. Maatregelen die moeten worden genomen door... 2.2./1 [1 Vereisten inzake de samenstelling van... 2.3. Benoemingen en ontslagen Onderafdeling 3. - Minimum eigen vermogen Onderafdeling 4. - Wijzigingen in de kapitaalst... Onderafdeling 5. - Bijzondere verrichtingen 5.1. Fusies, splitsingen, overdrachten en ander... 5.2. Deelnemingen Onderafdeling 6. - Uitoefening van werkzaamhede... 6.1. Uitoefening van het recht van vrije vestig... 6.2. Uitgifte van elektronisch geld in het kade... 6.3. Overmaking van elektronisch geld in een an... 6.4. Uitoefening van het betalingsdienstenbedri... Onderafdeling 7. - Dienstverlening via een dist... Onderafdeling 8. - Uitoefening van andere werkz... 8.1. Betalingsdiensten, operationele of nevenac... 8.2. Andere hybride werkzaamheden 8.2/1. [1 Activiteiten met betrekking tot crypt... 8.3. Verboden werkzaamheden Onderafdeling 9. - Bescherming van geldmiddelen Onderafdeling 10. - Uitbesteding Onderafdeling 11. - Bewaring van gegevens Afdeling IV. - Boekhoudregels en periodieke inf... HOOFDSTUK II. - Beperkte instellingen voor elek... Afdeling I. - Voorwaarden om in aanmerking te k... Afdeling II. - Toegang tot de registratie Afdeling III. - Voorwaarden voor het verkrijgen... Afdeling IV. - Uitoefeningsvoorwaarden Afdeling V. - Periodieke en boekhoudkundige inf... HOOFDSTUK III. - Toezicht op instellingen voor ... Afdeling I. - Toezicht op de instellingen voor ... Onderafdeling 1. - Toezicht van de Bank 1.1. Beginselen 1.2. Prerogatieven Onderafdeling 2. - Toezicht door de Bank op in ... 2.1. Definities en beginselen 2.2. Controle ter plaatse 2.3. Samenwerking 2.4. Buitengewone maatregelen van de Bank Onderafdeling 3. - Revisoraal toezicht Afdeling II. - In moeilijkheden of in een onreg... Onderafdeling 1. - Dwingende maatregelen Onderafdeling 2. - Uitzonderlijke herstelmaatre... Afdeling III. - Beëindiging van de vergunning o... TITEL III. - Instellingen voor elektronisch gel... HOOFDSTUK I. - Bijkantoren, agenten, distribute... Afdeling 1. - Toegang tot het bedrijf in België Onderafdeling 1. - Bijkantoren Onderafdeling 2. - Vrij verrichten van diensten Onderafdeling 3. - Agenten Onderafdeling 4. - Distributeurs Afdeling II. - Bedrijfsuitoefening Afdeling III. - Periodieke informatieverstrekki... Afdeling IV. - Toezicht op de werkzaamheden Onderafdeling 1. - Definities en beginsel Onderafdeling 2. - Samenwerking Onderafdeling 3. - Prerogatieven Afdeling V. - Buitengewone maatregelen HOOFDSTUK II. - Bijkantoren in België van inste... TITEL IV. - Dwangsommen en sancties HOOFDSTUK I. - Dwangsommen en administratieve s... HOOFDSTUK II. - Strafrechtelijke sancties BOEK IV/1. [1 - BIJZONDERE REGELS IN GEVAL VAN ... BOEK V. - OVERGANGS-, WIJZIGINGS- EN OPHEFFINGS... TITEL I. - Overgangsbepalingen HOOFDSTUK I. - Betalingsinstellingen HOOFDSTUK II. - Instellingen voor elektronisch ... TITEL II. - Wijzigingsbepalingen HOOFDSTUK I. - Wijzigingen van de wet van 22 fe... HOOFDSTUK II. - Wijzigingen van de wet van 25 a... Afdeling I. - Diverse wijzigingen Afdeling II. - Wijzigingen tot omzetting van Ri... HOOFDSTUK III. - Wijzigingen van de wet van 25 ... TITEL III. - Opheffingsbepaling BOEK VI. - INWERKINGTREDING BIJLAGE.
Table des matières
LIVRE Ier. - OBJET - DEFINITIONS - GENERALITES TITRE Ier. - Disposition générale et objet TITRE II. - Définitions TITRE III. - Généralités LIVRE II. - LES PRESTATAIRES DE SERVICES DE PAI... TITRE Ier. - Monopole au profit des prestataire... TITRE II. - Les établissements de paiement de d... CHAPITRE Ier. - Les établissements de paiement ... Section Ire. - L'accès à l'activité Sous-section 1re. - Obligation d'agrément Sous-section 2. - Procédure Section II. - Conditions d'agrément Sous-section 1re. - Généralités Sous-section 2. - Forme sociétaire Sous-section 3. - Capital initial Sous-section 4. - Assurance de responsabilité c... Sous-section 5. - Détenteurs du capital Sous-section 6. - Dirigeants Sous-section 7. - Organisation Sous-section 8. - Administration centrale Section III. - Conditions d'exercice de l'activité Sous-section 1re. - Généralité Sous-section 2. - Des modifications dans la str... Sous-section 3. - Des fonds propres minimums Sous-section 4. - La direction et les dirigeants 4.1. Du contrôle et de l'évaluation par l'organ... 4.2. Des mesures à prendre par les personnes ch... 4.2./1 [1 Exigences relatives à la composition ... 4.3. Nominations et démissions Sous-section 5. - Recours à la sous-traitance Sous-section 6. - Opérations particulières 6.1. Des fusions, scissions, cessions et autres... 6.2. Des prises de participations Sous-section 7. - De l'interdiction de l'utilis... Sous-section 8. - Exercice d'autres activités 8.1. Activités opérationnelles ou auxiliaires, ... 8.2. [1 Autres activités]1 8.3. Activités interdites Sous-section 9. - La gestion des données de pai... 9.1. Principe 9.2. Authentification - obligations générales 9.3. Protection de certaines données en cas d'i... Sous-section 10. - Communication sécurisée Sous-section 11. - Politique de sécurité 11.1. Analyse des risques opérationnels et de s... 11.2. Mesures de protection des utilisateurs co... 11.3. Gestion des risques de sécurité et des ri... Sous-section 12. - Gestion et notification des ... Sous-section 13. - Fourniture de données statis... Sous-section 14. - Emission d'instruments de pa... Sous-section 15. - Obligations spécifiques des ... Sous-section 16. - De l'exercice d'activités à ... 16.1. Exercice du libre établissement à l'étran... 16.2. Exercice de la libre prestation de servic... 16.3. Exercice d'une activité dans un autre Eta... Sous-section 17. - Recours à un agent Sous-section 18. - Conservation des données Section IV. - Des informations périodiques et d... CHAPITRE II. - Les établissements de paiement e... Section Ire. - Les établissements de paiement l... Sous-section 1re. - Conditions d'éligibilité au... Sous-section 2. - Accès à l'enregistrement Sous-section 3. - Conditions d'accès à l'enregi... Sous-section 4. - Conditions d'exercice Sous-section 5. - Les informations périodiques ... Section II. - Les établissements de paiement ag... Sous-section 1re. - Obligation d'enregistrement... Sous-section 2. - Conditions d'accès à l'enregi... Sous-section 3. - Conditions d'exercice Sous-section 4. - Des informations périodiques ... CHAPITRE III. - Contrôle des établissements de ... Section Ire. - Contrôle des établissements de p... Sous-section 1re. - Contrôle exercé par la Banque 1.1. Principes 1.2.Prérogatives Sous-section 2. - Contrôle exercé par la Banque... 2.1. Définitions et principe 2.2. Contrôle sur place 2.3. Coopération 2.4. Mesures exceptionnelles prises par la Banque Sous-section 3. - Contrôle révisoral Section II. - Des établissements de paiement en... Sous-section 1re. - Des mesures contraignantes Sous-section 2. - Mesures de redressement excep... Section III. - De la fin de l'agrément et de l'... TITRE III. - Des établissements de paiement rel... CHAPITRE Ier. - Des succursales, des agents et ... Section Ire. - De l'accès à l'activité en Belgique Sous-section 1re. - Succursales Sous-section 2. - Libre prestation de services Sous-section 3. - Agents Section II. - De l'exercice de l'activité Section III. - Informations périodiques, statis... Section IV. - Du contrôle des activités Sous-section 1re. - Définition et principe Sous-section 2. - Coopération Sous-section 3. - Prérogatives Section V. - Des mesures exceptionnelles CHAPITRE II. - Succursales en Belgique des étab... TITRE IV. - Dispositions applicables aux presta... TITRE V. - Astreintes, autres dispositions coer... CHAPITRE Ier. - Astreintes, autres dispositions... CHAPITRE II. - Sanctions pénales LIVRE III. - ACCES AUX SYSTEMES DE PAIEMENT EN ... TITRE Ier. - Accès aux systemes de paiement en ... TITRE I/1. [1 Conditions applicables à la part... 154/1. [1 Afin de préserver la stabilité et l'... TITRE II. - Interopérabilité TITRE III. - Séparation des schémas de carte de... TITRE IV. - Surveillance TITRE V. - Astreintes et sanctions LIVRE IV. - ACCES A L'ACTIVITE D'EMISSION DE MO... TITRE Ier. - Emetteurs de monnaie électronique TITRE II. - Les établissements de monnaie élect... CHAPITRE Ier. - Les établissements de monnaie é... Section Ire. - L'accès à l'activité Section II. - Conditions d'agrément Sous-section 1re. - Généralités Sous-section 2. - Forme sociétaire Sous-section 3. - Capital initial Sous-section 4. - Détenteurs du capital Sous-section 5. - Dirigeants Sous-section 6. - Organisation Sous-section 7. - Administration centrale Section III. - Conditions d'exercice de l'activité Sous-section 1re. - Généralité Sous-section 2. - La direction et les dirigeants 2.1. Du contrôle et de l'évaluation par l'organ... 2.2. Des mesures à prendre par les personnes ch... 2.2./1 [1 Exigences relatives à la composition ... 2.3. Nominations et démissions Sous-section 3. - Des fonds propres minimums Sous-section 4. - Des modifications dans la str... Sous-section 5. - Opérations particulières 5.1. Des fusions, scissions, cessions et autres... 5.2. Des prises de participations Sous-section 6. - De l'exercice d'activités à l... 6.1. Exercice du libre établissement à l'étrang... 6.2. Emission de monnaie électronique en libre ... 6.3. Distribution de la monnaie électronique da... 6.4. Exercice d'une activité de services de pai... Sous-section 7. - Recours à un distributeur et/... Sous-section 8. - Exercice d'autres activités 8.1. Services de paiement, activités opérationn... 8.2. Autres activités hybrides 8.2/1. [1 Activités en matière de crypto-actifs]1 8.3. Activités interdites Sous-section 9. - De la protection des fonds Sous-section 10. - Recours à la sous-traitance Sous-section 11. - Conservation des données Section IV. - Règles comptables et informations... CHAPITRE II. - Etablissements de monnaie électr... Section Ire. - Conditions d'éligibilité au statut Section II. - Accès à l'enregistrement Section III. - Conditions d'accès à l'enregistr... Section IV. - Conditions d'exercice Section V. - Les informations périodiques et co... CHAPITRE III. - Contrôle des établissements de ... Section Ire. - Contrôle des établissements de m... Sous-section 1re. - Contrôle exercé par la Banque 1.1. Principes 1.2. Prérogatives Sous-section 2. - Contrôle exercé par la Banque... 2.1. Définitions et principes 2.2. Contrôle sur place 2.3. Coopération 2.4. Mesures exceptionnelles prises par la Banque Sous-section 3. - Contrôle révisoral Section II. - Des établissements de monnaie éle... Sous-section 1re. - Des mesures contraignantes Sous-section 2. - Mesures de redressement excep... Section III. - De la fin de l'agrément ou de l'... TITRE III. - Des établissements de monnaie élec... CHAPITRE Ier. - Des succursales, des agents, de... Section 1re. - De l'accès à l'activité en Belgique Sous-section 1re. - Succursales Sous-section 2. - Libre prestation de services Sous-section 3. - Agents Sous-section 4. - Distributeurs Section II. - De l'exercice de l'activité Section III. - Informations périodiques, statis... Section IV. - Du contrôle des activités Sous-section 1re. - Définition et principe Sous-section 2. - Coopération Sous-section 3. - Prérogatives Section V. - Des mesures exceptionnelles CHAPITRE II. - Succursales en Belgique des étab... TITRE IV. - Astreintes et sanctions CHAPITRE Ier. - Astreintes et sanctions adminis... CHAPITRE II. - Sanctions pénales LIVRE IV/1. [1 - DES RÈGLES PARTICULIÈRES EN CA... LIVRE V. - DISPOSITIONS TRANSITOIRES, MODIFICAT... TITRE Ier. - Dispositions transitoires CHAPITRE Ier. - Les établissements de paiement CHAPITRE II. - Les établissements de monnaie él... TITRE II. - Dispositions modificatives CHAPITRE Ier. - Modifications de la loi du 22 f... CHAPITRE II. - Modifications de la loi du 25 av... Section Ire. - Modifications diverses Section II. - Modifications visant à transposer... CHAPITRE III. - Modifications de la loi du 25 o... TITRE III. - Disposition abrogatoire LIVRE VI. - ENTREE EN VIGUEUR ANNEXE.
Tekst (487)
Texte (487)
BOEK I. - DOEL - DEFINITIES - ALGEMENE BEPALINGEN
LIVRE Ier. - OBJET - DEFINITIONS - GENERALITES
TITEL I. - Algemene bepaling en doel
TITRE Ier. - Disposition générale et objet
Artikel 1. § 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
  § 2. Deze wet regelt de oprichting en de werkzaamheden van en het toezicht op in België bedrijvige betalingsinstellingen en instellingen voor elektronisch geld, evenals bepaalde verplichtingen die gelden voor de verschillende categorieën van betalingsdienstaanbieders en de toegang tot betalingssystemen [1 , teneinde de veiligheid van de betalingsdiensten te waarborgen en de gebruikers ervan op passende wijze te beschermen en aldus niet alleen bij te dragen tot de goede werking van de markt voor betalingsdiensten, maar ook de efficiëntie van het betalingssysteem als geheel te bevorderen en het financiële stelsel beter te beschermen]1.
  § 3. De bepalingen van Boek II van deze wet, die strekken tot omzetting van de bepalingen van de Titels I en II en van de artikelen 65 tot 67 en 95 tot 98 van Titel IV van Richtlijn (EU) 2015/2366, regelen de werkzaamheden van betalingsdienstaanbieders, het statuut van betalingsinstellingen en het toezicht op de naleving van de regels waaruit dit statuut bestaat.
  Boek III van deze wet strekt met name tot omzetting van artikel 35 van Richtlijn (EU) 2015/2366 en regelt de toegang tot en de interoperabiliteit van betalingssystemen in België en de scheiding tussen betaalkaartschema's en verwerkingsentiteiten.
  Boek IV van deze wet strekt tot omzetting van Richtlijn 2009/110/EG.
  Boek IV regelt bijgevolg de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, het statuut van instellingen voor elektronisch geld, evenals het toezicht op de naleving van de regels waaruit dit statuut bestaat.
  Tot slot voorzien de bepalingen van Boek V, Titel II, Hoofdstuk II, Afdeling II met name in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad. Deze artikelen strekken er met name toe de artikelen 2, punten 48, 82 en 84, 4, lid 7, 65, lid 2, 74, lid 2 en lid 3 en 86, lid 3 van de voornoemde richtlijn om te zetten.
  
Article 1er. § 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
  § 2. La présente loi a pour objet de régler l'établissement, l'activité et le contrôle des établissements de paiements et des établissements de monnaie électronique opérant en Belgique ainsi que certaines obligations incombant aux différentes catégories de prestataires de services de paiement et l'accès aux systèmes de paiement [1 et ce, dans le but d'assurer la sécurité des services de paiement et une protection adéquate de leurs utilisateurs et dès lors, non seulement de contribuer au bon fonctionnement du marché des services de paiement mais également de renforcer l'efficacité du système de paiement dans son ensemble et la protection du système financier]1.
  § 3. Les dispositions du Livre II de la présente loi assurent la transposition des dispositions des Titres Ier et II et des articles 65 à 67 et 95 à 98 du Titre IV de la Directive (UE) 2015/2366, en ce qu'elles règlent l'activité des prestataires de services de paiement, le statut des établissements de paiement ainsi que le contrôle du respect des règles qui forment ce statut.
  Le Livre III de la présente loi assure notamment la transposition de l'article 35 de la Directive (UE) 2015/2366 et vise les règles applicables à l'accès aux systèmes de paiement en Belgique et à leur interopérabilité, ainsi qu'à la séparation des schémas de carte de paiement et des entités de traitement.
  Le Livre IV de la présente loi assure la transposition de la Directive 2009/110/CE.
  A cet égard, le Livre IV règle l'activité d'émission de monnaie électronique, le statut des établissements de monnaie électronique, ainsi que le contrôle du respect des règles qui forment ce statut.
  Enfin, les dispositions du Livre V, Titre II, Chapitre II, Section II ont notamment pour objet la transposition partielle de la directive 2014/59/UE du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 établissant un cadre pour le redressement et la résolution des établissements de crédit et des entreprises d'investissement et modifiant la directive 82/891/CEE du Conseil ainsi que les directives du Parlement européen et du Conseil 2001/24/CE, 2002/47/CE, 2004/25/CE, 2005/56/CE, 2007/36/CE, 2011/35/UE, 2012/30/UE et 2013/36/UE et les règlements du Parlement européen et du Conseil (UE) n° 1093/2010 et (UE) n° 648/2012. Ces dispositions assurent en particulier la transposition des articles 2, points 48, 82 et 84, 4, paragraphe 7, 65, paragraphe 2, 74, paragraphes 2 et 3 et 86, paragraphe 3 de la directive précitée.
  
TITEL II. - Definities
TITRE II. - Définitions
Art. 2. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder :
  1° "betalingsdienst" : de in Bijlage I.A bedoelde betalingsdiensten;
  2° "uitvoering van een overschrijving" : een betalingsdienst voor het crediteren van de betaalrekening van een begunstigde met een betalingstransactie of een reeks betalingstransacties van een betaalrekening van een betaler door de betalingsdienstaanbieder die de betaalrekening van de betaler beheert, op basis van een door de betaler gegeven instructie;
  3° "acceptatie van betalingstransacties" : een door een betalingsdienstaanbieder aangeboden betalingsdienst waarbij met een begunstigde een overeenkomst wordt gesloten voor de acceptatie en de verwerking van betalingstransacties, waardoor een geldovermaking naar de begunstigde ontstaat;
  4° "geldtransfer" : een betalingsdienst waarbij, zonder opening van betaalrekeningen op naam van de betaler of de begunstigde, van een betaler geldmiddelen worden ontvangen met als enig doel het daarmee overeenstemmende bedrag over te maken aan een begunstigde of aan een andere, voor rekening van de begunstigde handelende betalingsdienstaanbieder, en/of waarbij de geldmiddelen voor rekening van de begunstigde worden ontvangen en aan de begunstigde beschikbaar worden gesteld;
  5° "betalingsinitiatie" : een dienst voor het initiëren van een betalingsopdracht, op verzoek van de betalingsdienstgebruiker, om een betaalrekening te debiteren die door die gebruiker bij een andere betalingsdienstaanbieder wordt aangehouden, [2 en om een andere rekening te crediteren]2;
  6° "rekeninginformatiedienst" : een onlinedienst voor het verstrekken van geconsolideerde informatie over een of meer betaalrekeningen die de betalingsdienstgebruiker bij een andere betalingsdienstaanbieder of bij meer dan één betalingsdienstaanbieder aanhoudt;
  7° "uitgifte van betaalinstrumenten" : een door een betalingsdienstaanbieder aangeboden betalingsdienst waarbij een overeenkomst wordt gesloten om aan een betaler een betaalinstrument voor het initiëren en het verwerken van de betalingstransacties van de betaler te verstrekken;
  8° "betalingsinstelling" : een instelling als bedoeld in Boek II, Titel II;
  9° "geregistreerde betalingsinstelling" : een betalingsinstelling als bedoeld in Boek II, Titel II, Hoofdstuk II;
  10° "vergunninghoudende betalingsinstelling" : een betalingsinstelling als bedoeld in Boek II, Titel II, Hoofdstuk I;
  11° "betalingsdienstaanbieder" : de in artikel 5 bedoelde instellingen, overheden en entiteiten;
  12° "rekeninghoudende betalingsdienstaanbieder" : een betalingsdienstaanbieder die ten behoeve van een betalingsdienstgebruiker een betaalrekening aanbiedt en beheert;
  13° "rekeninghoudende betalingsinstelling" : een betalingsinstelling die ten behoeve van een betalingsdienstgebruiker een betaalrekening aanbiedt en beheert;
  14° "betalingsinitiatiedienstaanbieder" : een betalingsdienstaanbieder die de in Bijlage I.A, punt 7, bedoelde werkzaamheden uitoefent;
  15° "betalingsinstelling die betalingsinitiatiediensten aanbiedt" : een betalingsinstelling die de in Bijlage I.A, punt 7, bedoelde werkzaamheden uitoefent;
  16° "rekeninginformatiedienstaanbieder" : een betalingsdienstaanbieder die de in Bijlage I.A, punt 8, bedoelde werkzaamheden uitoefent;
  17° "betalingsinstelling die rekeningaggregatiediensten aanbiedt" : een betalingsinstelling die de in Bijlage I.A, punt 8, bedoelde werkzaamheden uitoefent;
  18° "betaalrekening" : een op naam van een of meer betalingsdienstgebruikers aangehouden rekening die voor de uitvoering van betalingstransacties wordt gebruikt;
  19° "betalingsdienstgebruiker" : een natuurlijke of rechtspersoon die als betaler, begunstigde of beide van een betalingsdienst gebruikmaakt;
  20° "betaler" : hetzij een natuurlijke of rechtspersoon die houder is van een betaalrekening en een betalingsopdracht vanaf die betaalrekening toestaat, hetzij, bij ontbreken van een betaalrekening, een natuurlijke of rechtspersoon die een betalingsopdracht geeft;
  21° "begunstigde" : een natuurlijke of rechtspersoon die de beoogde ontvanger is van de geldmiddelen waarop een betalingstransactie betrekking heeft;
  22° "betalingstransactie" : een door of voor rekening van de betaler of door de begunstigde geïnitieerde handeling waarbij geldmiddelen worden gedeponeerd, overgemaakt of opgenomen, ongeacht of er onderliggende verplichtingen tussen de betaler en de begunstigde zijn;
  23° "betalingstransactie op afstand" : een betalingstransactie die via internet of met een voor communicatie op afstand bruikbaar apparaat wordt geïnitieerd;
  24° "betalingsopdracht" : door een betaler of begunstigde aan zijn betalingsdienstaanbieder gegeven instructie om een betalingstransactie uit te voeren;
  25° "geldmiddelen" : bankbiljetten en muntstukken, giraal geld en elektronisch geld in de zin van de bepaling onder 77° ;
  26° "betaalinstrument" : gepersonaliseerd(e) instrument(en) en/of geheel van procedures, overeengekomen tussen de betalingsdienstgebruiker en de betalingsdienstaanbieder, waarvan de betalingsdienstgebruiker gebruikmaakt voor het initiëren van een betalingsopdracht;
  27° "derde land" : een staat die geen partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
  28° "lidstaat" : een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
  29° "lidstaat van herkomst" : de lidstaat waar aan een betalingsinstelling een vergunning is verleend;
  30° "lidstaat van ontvangst" : andere lidstaat dan de lidstaat van herkomst, waar een betalingsinstelling een bijkantoor of agenten heeft, dan wel diensten verricht;
  31° "betalingssysteem" : systeem voor de overmaking van geldmiddelen met formele en gestandaardiseerde regelingen en gemeenschappelijke regels voor de verwerking, verrekening en/of afwikkeling van betalingstransacties;
  32° "retailbetalingssysteem" : een betalingssysteem dat hoofdzakelijk bedoeld is voor de verwerking, verrekening of afwikkeling van overschrijvingen of domiciliëringen die in het algemeen zijn gebundeld met het oog op het versturen ervan en voornamelijk kleine bedragen betreffen en een lage prioriteit hebben, en dat geen betalingssysteem voor grote bedragen is;
  33° "bijkantoor" : een bedrijfsvestiging die niet het hoofdkantoor is en die een onderdeel zonder rechtspersoonlijkheid vormt van een betalingsinstelling en rechtstreeks alle of bepaalde handelingen verricht die eigen zijn aan de werkzaamheden van een betalingsinstelling; alle in eenzelfde lidstaat gelegen bedrijfsvestigingen van een betalingsinstelling met hoofdkantoor in een andere lidstaat worden samen als één bijkantoor beschouwd;
  34° "agent" : een natuurlijke of rechtspersoon die bij het aanbieden van betalingsdiensten voor rekening van een betalingsinstelling optreedt;
  35° "nauwe banden" :
  a) een situatie waarin een deelnemingsverhouding bestaat, of
  b) een situatie waarin ondernemingen verbonden ondernemingen zijn, of
  c) een band van dezelfde aard als bedoeld in a) en b) hierboven tussen een natuurlijke persoon en een rechtspersoon;
  36° "uitbesteding" : een overeenkomst van om het even welke vorm tussen een betalingsinstelling en een dienstverlener op grond waarvan deze dienstverlener een proces, een dienst of een activiteit verricht die anders door de betalingsinstelling zelf zou worden verricht;
  37° "een gereglementeerde onderneming" : een onderneming met het statuut van :
  - kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3 van de bankwet;
  - verzekerings- of herverzekeringsonderneling in de zin van artikel 5 van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;
  - beleggingsonderneming in de zin van artikel 3, § 1 van de wet van 25 oktober 2016 betreffende de toegang tot het beleggingsdienstenbedrijf en betreffende het statuut van en het toezicht op de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies;
  - beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging in de zin van artikel 3, 12° van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen;
  - beheerder van alternatieve instellingen voor collectieve belegging in de zin van artikel 3, 13° van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders; en
  - elke andere onderneming opgericht naar buitenlands recht die, indien ze haar zetel in België zou hebben, een vergunning zou moeten verkrijgen voor de uitoefening van het bedrijf van beleggingsonderneming;
  38° "elektronischecommunicatienetwerk" : een netwerk als gedefinieerd in artikel 2, onder a), van Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten;
  39° "elektronischecommunicatiedienst" : een dienst als gedefinieerd in artikel 2, onder c), van Richtlijn 2002/21/EG;
  40° "digitale inhoud" : in digitale vorm geproduceerde en geleverde goederen of diensten die uitsluitend binnen een technisch apparaat kunnen worden gebruikt of verbruikt, en waarbij op geen enkele wijze fysieke goederen of diensten worden gebruikt of verbruikt;
  41° "eigen vermogen" : vermogen als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 118, van Verordening (EU) nr. 575/2013, met dien verstande dat ten minste 75 % van het tier 1-kapitaal bestaat uit tier 1-kernkapitaal als bedoeld in artikel 50 van die verordening en het tier 2-kapitaal ten hoogste een derde van het tier 1-kapitaal uitmaakt;
  42° "groep" : een groep van ondernemingen die onderling verbonden zijn door een betrekking als bedoeld in artikel 22, leden 1, 2 of 7 van Richtlijn 2013/34/EU, of ondernemingen als bedoeld in de artikelen 4, 5, 6 en 7 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014 van de Commissie (1), die met elkaar verbonden zijn door een betrekking als bedoeld in artikel 10, lid 1, of in artikel 113, lid 6 of lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013;
  43° "gekwalificeerde deelneming" : een gekwalificeerde deelneming als gedefinieerd in artikel 3, 28°, van de bankwet;
  44° "authenticatie" : een procedure waarmee een betalingsdienstaanbieder de identiteit van een betalingsdienstgebruiker dan wel de validiteit van het gebruik van een specifiek betaalinstrument kan verifiëren, het gebruik van de persoonlijke beveiligingsgegevens van de gebruiker inbegrepen;
  45° "sterke cliëntauthenticatie" : authenticatie met gebruikmaking van twee of meer factoren die worden aangemerkt als kennis (iets wat alleen de gebruiker weet), bezit (iets wat alleen de gebruiker heeft) en inherente eigenschap (iets wat de gebruiker is) en die onderling onafhankelijk zijn, in die zin dat compromittering van één ervan geen afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van de andere en die zodanig is opgezet dat de vertrouwelijkheid van de authenticatiegegevens wordt beschermd;
  46° "gevoelige betalingsgegevens" : gegevens waarmee fraude kan worden gepleegd, waaronder persoonlijke beveiligingsgegevens. Voor de activiteiten van betalingsinitiatiedienstaanbieders en rekeninginformatiedienstaanbieders vormen de naam van de rekeninghouder en het rekeningnummer geen gevoelige betalingsgegevens;
  47° "techniek voor communicatie op afstand" : middel dat, zonder dat de betalingsdienstaanbieder en de betalingsdienstgebruiker gelijktijdig fysiek aanwezig zijn, kan worden gebruikt voor de sluiting van een betalingsdienstovereenkomst;
  48° "strategische beslissing" : een beslissing die een zeker belang heeft en daardoor een globalere impact kan hebben op de instelling, in de mate dat zij gevolgen heeft voor verschillende functies van de instelling, en die betrekking heeft op elke investering, desinvestering, deelneming of strategische samenwerkingsrelatie van de instelling, met name een beslissing tot aankoop of oprichting van een andere instelling, tot oprichting van een joint venture, tot vestiging in een andere staat, tot het sluiten van een samenwerkingsovereenkomst, tot het inbrengen of het kopen van een bedrijfstak, tot het aangaan van een fusie of een splitsing. Bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998 kan de Bank nader bepalen welke beslissingen als strategisch moeten worden beschouwd in de zin van deze bepaling, met name rekening houdend met het risicoprofiel en de aard van de werkzaamheden van de instellingen. Zij maakt dat reglement openbaar;
  49° "persoonlijke beveiligingsgegevens" : voor doeleinden van authenticatie door de betalingsdienstaanbieder aan een betalingsdienstgebruiker verstrekte gepersonaliseerde gegevens;
  50° "onafhankelijke controlefunctie" : de compliancefunctie, de risicobeheerfunctie of de interneauditfunctie als respectievelijk bedoeld in artikel 21, § 1, 5°, 6° en 7°, en in artikel 176, § 1;
  51° "exploitant" : entiteit of entiteiten die wettelijk aansprakelijk is of zijn voor de werking van een systeem;
  52° "domiciliëring" : een betalingsdienst voor het debiteren van de betaalrekening van een betaler, waarbij een betalingstransactie wordt geïnitieerd door de begunstigde op basis van een door de betaler aan de begunstigde, aan de betalingsdienstaanbieder van de begunstigde, dan wel aan de betalingsdienstaanbieder van de betaler verleende instemming;
  53° "de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten" : de instelling bedoeld in artikel 44 van de wet van 2 augustus 2002, hierna "de FSMA" genoemd;
  54° "de Bank" : de Nationale Bank van België, als bedoeld in de wet van 22 februari 1998;
  55° "Richtlijn 2009/110/EG" : Richtlijn 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de Richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking van Richtlijn 2000/46/EG;
  56° "Richtlijn 2013/36/EU" : Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen [3 ...]3, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG;
  57° "Verordening (EU) nr. 575/2013" : Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen [3 ...]3 en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012;
  58° "Richtlijn (EU) 2015/849" : Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie;
  59° "Richtlijn (EU) 2015/2366" : Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de Richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van Richtlijn 2007/64/EG;
  60° "uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn (EU) 2015/2366" : het geheel van uitvoeringsmaatregelen genomen ter uitvoering van Richtlijn (EU) 2015/2366;
  61° "Verordening (EU) nr. 648/2012" : Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters;
  [1 61° /1 "Verordening (EU) nr. 2015/2365: Verordening (EU) 2015/2365 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende de transparantie van effectenfinancieringstransacties en van hergebruik en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012;]1
  62° "Verordening (EU) nr. 260/2012" : Verordening (EU) nr. 260/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2012 tot vaststelling van technische en bedrijfsmatige vereisten voor overschrijvingen en automatische afschrijvingen in euro en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 924/2009;
  63° "GTM-verordening" : Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid op het gebied van het prudentieel toezicht op kredietinstellingen;
  64° "Verordening (EU) nr. 2015/751" : Verordening (EU) nr. 2015/751 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende afwikkelingsvergoedingen voor op kaarten gebaseerde betalingstransacties;
  65° [6 "Verordening (EU) 2023/1113": Verordening (EU) 2023/1113 van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2023 betreffende bij geldovermakingen en overdrachten van bepaalde cryptoactiva te voegen informatie en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2015/849;]6
  [4 65° /1 Verordening (EU) 2017/2402: Verordening (EU) 2017/2402 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 tot vaststelling van een algemeen kader voor securitisatie en tot instelling van een specifiek kader voor eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde securitisatie, en tot wijziging van de Richtlijnen 2009/65/EG, 2009/138/EG en 2011/61/EU en de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 648/2012;]4
  [4 65° /2 Verordening (EU) 2022/2554: Verordening (EU) 2022/2554 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 betreffende digitale operationele weerbaarheid voor de financiële sector en tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1060/2009, (EU) nr. 648/2012, (EU) nr. 600/2014, (EU) nr. 909/2014 en (EU) 2016/1011;]4
  [6 65° /3 "Verordening 2023/1114": Verordening (EU) 2023/1114 van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2023 betreffende cryptoactivamarkten en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 1095/2010 en Richtlijnen 2013/36/EU en (EU) 2019/1937;]6
  66° "de wet van 22 februari 1998" : de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België;
  [5 66° /1 de wet van 28 april 1999: de wet van 28 april 1999 houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen;]5
  67° [6 "de wet van 11 juli 2018": de wet van 11 juli 2018 op de aanbieding van beleggingsinstrumenten aan het publiek en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt;]6
  68° "de wet van 21 december 2009" : de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen;
  69° "de bankwet" : de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen;
  70° "de wet van 18 september 2017" : de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, en de uitvoeringsmaatregelen ervan;
  71° "de wet van 2 mei 2007" : de wet van 2 mei 2007 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in emittenten waarvan aandelen zijn toegelaten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt en houdende diverse bepalingen;
  72° "de wet van 25 oktober 2016" : de wet van 25 oktober 2016 betreffende de toegang tot het beleggingsdienstenbedrijf en betreffende het statuut van en het toezicht op de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies;
  73° "instelling voor elektronisch geld" : een instelling als bedoeld in Boek IV, Titels II en III;
  74° "beperkte instelling voor elektronisch geld" : een instelling als bedoeld in Boek IV, Titel II, Hoofdstuk II;
  75° "vergunninghoudende instelling voor elektronisch geld" : een instelling voor elektronisch geld als bedoeld in Boek IV, Titel II, Hoofdstuk I;
  76° "uitgevers van elektronisch geld" : de instellingen en andere entiteiten bedoeld in artikel 163, waarvan de werkzaamheden bestaan in het uitgeven van elektronisch geld;
  77° "elektronisch geld" : elektronisch, met inbegrip van magnetisch, opgeslagen monetaire waarde vertegenwoordigd door een vordering op de uitgever, die is uitgegeven in ruil voor ontvangen geld om betalingstransacties te verrichten in de zin van de bepaling onder 22° van dit artikel, en die wordt aanvaard door een andere natuurlijke of rechtspersoon dan de uitgever van elektronisch geld;
  78° "houder van elektronisch geld" : een natuurlijke of rechtspersoon die geld overhandigt aan een uitgever van elektronisch geld in ruil voor de uitgifte van elektronisch geld door die uitgever;
  79° "gemiddeld uitstaand elektronisch geld" : het gemiddelde totale bedrag van de met elektronisch geld verband houdende financiële verplichtingen dat op het einde van elke kalenderdag in omloop is gedurende de zes voorafgaande kalendermaanden, berekend op de eerste kalenderdag van elke kalendermaand en toegepast voor die kalendermaand;
  80° "distributeur" : een natuurlijke of rechtspersoon die voor rekening van een instelling voor elektronisch geld elektronisch geld overmaakt en/of terugbetaalt overeenkomstig artikel 190;
  81° "werkdag" : een dag zoals omschreven in artikel I.9, 17°, van hoofdstuk 5, Titel 2, Boek I van het Wetboek van Economisch Recht.
  
Art. 2. Pour l'application de la présente loi, il y a lieu d'entendre par :
  1° "service de paiement", les services de paiement qui sont visés à l'Annexe I.A;
  2° "l'exécution de virement", un service de paiement fourni par le prestataire de services de paiement qui détient le compte de paiement du payeur et consistant à créditer, sur la base d'une instruction du payeur, le compte de paiement d'un bénéficiaire par une opération ou une série d'opérations de paiement réalisées à partir du compte de paiement du payeur;
  3° "acquisition d'opérations de paiement", un service de paiement fourni par un prestataire de services de paiement convenant par contrat avec un bénéficiaire d'accepter et de traiter des opérations de paiement, de telle sorte que les fonds soient transférés au bénéficiaire;
  4° "transmission de fonds", un service de paiement pour lequel les fonds sont reçus de la part d'un payeur, sans création de comptes de paiement au nom du payeur ou du bénéficiaire, à la seule fin de transférer un montant correspondant vers un bénéficiaire ou un autre prestataire de services de paiement agissant pour le compte du bénéficiaire, et/ou pour lequel de tels fonds sont reçus pour le compte du bénéficiaire et mis à la disposition de celui-ci;
  5° "initiation de paiement", un service consistant à initier un ordre de paiement à la demande de l'utilisateur de services de paiement visant à débiter un compte de paiement détenu par cet utilisateur auprès d'un autre prestataire de services de paiement [2 et à créditer un autre compte]2;
  6° "service d'information sur les comptes", un service en ligne consistant à fournir des informations consolidées concernant un ou plusieurs comptes de paiement détenus par l'utilisateur de services de paiement soit auprès d'un autre prestataire de services de paiement, soit auprès de plus d'un prestataire de services de paiement;
  7° "émission d'instruments de paiement", un service de paiement fourni par un prestataire de services de paiement convenant par contrat de fournir au payeur un instrument de paiement en vue d'initier et de traiter les opérations de paiement du payeur;
  8° "établissement de paiement", un établissement visé au Livre II, Titre II;
  9° "établissement de paiement enregistré", un établissement de paiement visé au Livre II, Titre II, Chapitre II;
  10° "établissement de paiement agréé", un établissement de paiement visé au Livre II, Titre II, Chapitre Ier;
  11° "prestataire de services de paiement", les établissements, autorités et entités visés à l'article 5;
  12° "prestataire de services de paiement gestionnaire du compte", un prestataire de services de paiement qui fournit et gère un compte de paiement pour un utilisateur de services de paiement;
  13° "établissement de paiement gestionnaire du compte", un établissement de paiement qui fournit et gère un compte de paiement pour un utilisateur de services de paiement;
  14° "prestataire de services d'initiation de paiement", un prestataire de services de paiement exerçant des activités visées à l'Annexe I.A, point 7;
  15° "établissement de paiement initiateur de paiement", un établissement de paiement qui exerce des activités visées à l'Annexe I.A, point 7;
  16° "prestataire de services d'information sur les comptes", un prestataire de services de paiement exerçant des activités visées à l'Annexe I.A, point 8;
  17° "établissement de paiement agrégateur de comptes", un établissement de paiement qui exerce des activités visées à l'Annexe I.A, point 8;
  18° "compte de paiement", un compte qui est détenu au nom d'un ou de plusieurs utilisateurs de services de paiement et qui est utilisé aux fins de l'exécution d'opérations de paiement;
  19° "utilisateur de services de paiement", une personne physique ou morale qui utilise un service de paiement en qualité de payeur ou de bénéficiaire, ou des deux;
  20° "payeur", une personne physique ou morale qui est titulaire d'un compte de paiement et autorise un ordre de paiement à partir de ce compte de paiement, ou, en l'absence de compte de paiement, une personne physique ou morale qui donne un ordre de paiement;
  21° "bénéficiaire", une personne physique ou morale qui est le destinataire prévu de fonds ayant fait l'objet d'une opération de paiement;
  22° "opération de paiement", une action, initiée par le payeur ou pour son compte ou par le bénéficiaire, consistant à verser, transférer ou retirer des fonds, indépendamment de toute obligation sous-jacente entre le payeur et le bénéficiaire;
  23° "opération de paiement à distance", une opération de paiement initiée par l''intermédiaire de l'internet ou au moyen d'un dispositif pouvant être utilisé pour la communication à distance;
  24° "ordre de paiement", une instruction d'un payeur ou d'un bénéficiaire à son prestataire de services de paiement demandant l'exécution d'une opération de paiement;
  25° "fonds", les billets de banque et les pièces, la monnaie scripturale et la monnaie électronique au sens du 77° ;
  26° "instrument de paiement", tout dispositif personnalisé et/ou ensemble de procédures convenu entre l'utilisateur de services de paiement et le prestataire de services de paiement et auquel l'utilisateur de services de paiement a recours pour initier un ordre de paiement;
  27° "pays tiers", un état qui n'est pas partie à l'Accord sur l'Espace économique européen;
  28° "Etat membre", un Etat partie à l'Accord sur l'Espace économique européen;
  29° "Etat membre d'origine", l'Etat membre dans lequel un agrément est octroyé à un établissement de paiement;
  30° "Etat membre d'accueil", l'Etat membre autre que l'Etat membre d'origine, dans lequel un établissement de paiement a une succursale ou des agents, ou fournit des services;
  31° "système de paiement", un système permettant de transférer des fonds régi par des procédures formelles standardisées et des règles communes pour le traitement, la compensation et/ou le règlement d'opérations de paiement;
  32° "système de paiement de détail", un système de paiement qui n'est pas un système de paiement de montant élevé dont la finalité principale consiste à traiter, compenser ou régler des virements ou des domiciliations principalement d'un faible montant et peu urgents qui sont généralement regroupés en vue de leur transmission;
  33° "succursale", un siège d'exploitation autre que l'administration centrale qui constitue une partie d'un établissement de paiement, qui n'a pas de personnalité juridique, et qui effectue directement, en tout ou en partie, les opérations inhérentes à l'activité d'établissement de paiement; tous les sièges d'exploitation créés dans le même Etat membre par un établissement de paiement ayant son administration centrale dans un autre Etat membre sont considérés comme une seule succursale;
  34° "agent", une personne physique ou morale qui agit pour le compte d'un établissement de paiement pour la fourniture des services de paiement;
  35° "liens étroits" :
  a) une situation dans laquelle il existe un lien de participation, ou
  b) une situation dans laquelle des entreprises sont des entreprises liées, ou
  c) une relation de même nature que sous les a) et b) ci-dessus entre une personne physique et une personne morale;
  36° "externalisation", tout accord, quelle que soit sa forme, entre un établissement de paiement et un prestataire de services en vertu duquel ce prestataire prend en charge un processus, un service ou une activité qui aurait autrement été pris en charge par l'établissement de paiement lui-même;
  37° "une entreprise réglementée", une entreprise ayant le statut :
  - d'établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3 de la loi bancaire;
  - d'entreprise d'assurance ou de réassurance au sens de l'article 5 de la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance;
  - d'entreprise d'investissement au sens de l'article 3, § 1er de la loi du 25 octobre 2016 relative à l'accès à l'activité de prestation de services d'investissement et au statut et au contrôle des sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement;
  - de société de gestion d'organismes de placement collectif au sens de l'article 3, 12° de la loi du 3 août 2012 relative aux organismes de placement collectif répondant aux conditions de la directive 2009/65/CE et aux organismes de placement en créances;
  - de gestionnaire d'organismes de placement collectif alternatifs au sens de l'article 3, 13° de la loi du 19 avril 2014 relative aux organismes de placement collectif alternatifs et à leurs gestionnaires; et
  - toute autre entreprise constituée selon un droit étranger qui, si elle avait son siège social en Belgique, serait tenue d'obtenir un agrément pour exercer l'activité d'entreprise d'investissement;
  38° "réseau de communications électroniques", un réseau au sens de l'article 2, point a), de la directive 2002/21/CE du Parlement européen et du Conseil du 7 mars 2002 relative à un cadre réglementaire commun pour les réseaux et services de communications électroniques;
  39° "service de communications électroniques", un service au sens de l'article 2, point c), de la directive 2002/21/CE;
  40° "contenu numérique", des biens ou des services produits et fournis sous forme numérique, dont l'utilisation ou la consommation est limitée à un dispositif technique et ne prévoyant en aucune façon l'utilisation ou la consommation de biens et de services physiques;
  41° "fonds propres", les fonds au sens de l'article 4, paragraphe 1er, point 118), du Règlement (UE) n° 575/2013, les fonds propres de catégorie 1 étant constitués à 75 % minimum de fonds propres de base de catégorie 1 visés à l'article 50 dudit règlement et les fonds propres de catégorie 2 représentant au maximum un tiers des fonds propres de catégorie 1;
  42° "groupe", un groupe d'entreprises qui sont liées entre elles par une relation au sens de l'article 22, paragraphes 1, 2 ou 7, de la directive 2013/34/UE ou d'établissements au sens des articles 4, 5, 6 et 7 du règlement délégué (UE) n° 241/2014 de la Commission qui sont liés entre eux par une relation au sens de l'article 10, paragraphe 1er, ou de l'article 113, paragraphe 6 ou 7, du Règlement (UE) n° 575/2013;
  43° "participation qualifiée", une participation qualifiée au sens de l'article 3, 28° de la loi bancaire;
  44° "authentification", une procédure permettant au prestataire de services de paiement de vérifier l'identité d'un utilisateur de services de paiement ou la validité de l'utilisation d'un instrument de paiement spécifique, y compris l'utilisation des données de sécurité personnalisées de l'utilisateur;
  45° "authentification forte du client", une authentification reposant sur l'utilisation de deux éléments ou plus appartenant aux catégories "connaissance" (quelque chose que seul l'utilisateur connaît), "possession" (quelque chose que seul l'utilisateur possède) et "inhérence" (quelque chose que l'utilisateur est) et indépendants en ce sens que la compromission de l'un ne remet pas en question la fiabilité des autres, et qui est conçue de manière à protéger la confidentialité des données d'authentification;
  46° "données de paiement sensibles", des données, y compris les données de sécurité personnalisées, qui sont susceptibles d'être utilisées pour commettre une fraude. En ce qui concerne les activités des prestataires de services d'initiation de paiement et des prestataires de services d'information sur les comptes, le nom du titulaire du compte et le numéro de compte ne constituent pas des données de paiement sensibles;
  47° "moyen de communication à distance", toute méthode qui peut être utilisée pour conclure un contrat de services de paiement sans la présence physique simultanée du prestataire de services de paiement et de l'utilisateur de services de paiement;
  48° "décision stratégique", une décision, dès lors qu'elle est d'une certaine importance et dès lors susceptible d'avoir un impact plus global sur l'établissement dans la mesure où différentes fonctions de l'établissement seraient touchées ou remises en question à la suite de pareille décision, qui concerne tout investissement, désinvestissement, participation ou relation de coopération stratégique de l'établissement, notamment, une décision d'acquisition ou de constitution d'un autre établissement, de constitution d'une joint venture, d'établissement dans un autre Etat, de conclusion d'accords de coopération, d'apport ou d'acquisition d'une branche d'activité, de fusion ou de scission. La Banque, par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, peut préciser les décisions qui sont à considérer comme stratégiques au sens de la présente disposition en tenant notamment compte du profil de risque et de la nature des activités des établissements. Elle publie ce règlement;
  49° "données de sécurité personnalisées", des données personnalisées fournies à un utilisateur de services de paiement par le prestataire de services de paiement à des fins d'authentification;
  50° "fonction de contrôle indépendante", la fonction de conformité (compliance), la fonction de gestion des risques ou la fonction d'audit interne, visées respectivement à l'article 21, § 1er, 5°, 6° et 7°, et à l'article 176, § 1er;
  51° "opérateur", l'entité ou les entités juridiquement responsables de l'exploitation d'un système;
  52° "domiciliation", un service de paiement visant à débiter le compte de paiement d'un payeur, lorsqu'une opération de paiement est initiée par le bénéficiaire sur la base du consentement donné par le payeur au bénéficiaire, au prestataire de services de paiement du bénéficiaire ou au propre prestataire de services de paiement du payeur;
  53° "l'Autorité des services et marchés financiers", l'organisme visé à l'article 44 de la loi du 2 août 2002, ci-après désignée "la FSMA";
  54° "la Banque", la Banque nationale de Belgique, visée dans la loi du 22 février 1998;
  55° "Directive 2009/110/CE", la Directive 2009/110/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 concernant l'accès à l'activité des établissements de monnaie électronique et son exercice ainsi que la surveillance prudentielle de ces établissements, modifiant les Directives 2005/60/CE et 2006/48/CE et abrogeant la directive 2000/46/CE;
  56° "Directive 2013/36/UE", la Directive 2013/36/UE du Parlement européen et du Conseil du 26 juin 2013 concernant l'accès à l'activité des établissements de crédit et la surveillance prudentielle des établissements de crédit [3 ...]3, modifiant la directive 2002/87/CE et abrogeant les directives 2006/48/CE et 2006/49/CE;
  57° "Règlement (UE) n° 575/2013", le Règlement (UE) n° 575/2013 du Parlement européen et du Conseil du 26 juin 2013 concernant les exigences prudentielles applicables aux établissements de crédit [3 ...]3 et modifiant le règlement (UE) n° 648/2012;
  58° "Directive (UE) 2015/849", la Directive (UE) 2015/849 du Parlement européen et du Conseil du 20 mai 2015 relative à la prévention de l'utilisation du système financier aux fins du blanchiment de capitaux ou du financement du terrorisme, modifiant le règlement (UE) n° 648/2012 du Parlement européen et du Conseil et abrogeant la directive 2005/60/CE du Parlement européen et du Conseil et la directive 2006/70/CE de la Commission;
  59° "Directive (UE) 2015/2366", la Directive (UE) 2015/2366 du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2015 concernant les services de paiement dans le marché intérieur, modifiant les directives 2002/65/CE, 2009/110/CE et 2013/36/UE et le règlement (UE) n° 1093/2010, et abrogeant la directive 2007/64/CE;
  60° "mesures d'exécution de la Directive (UE) 2015/2366", l'ensemble des mesures d'exécution prises en exécution de la Directive (UE) 2015/2366;
  61° "Règlement (UE) n° 648/2012", le règlement (UE) n° 648/2012 du Parlement européen et du Conseil du 4 juillet 2012 sur les produits dérivés de gré à gré, les contreparties centrales et les référentiels centraux;
  [1 61° /1 "Règlement (UE) n° 2015/2365", le Règlement (UE) 2015/2365 du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2015 relatif à la transparence des opérations de financement sur titres et de la réutilisation et modifiant le Règlement (UE) n° 648/2012;]1
  62° "Règlement (UE) n° 260/2012", le Règlement (UE) n° 260/2012 du Parlement européen et du Conseil du 14 mars 2012 établissant des exigences techniques et commerciales pour les virements et les prélèvements en euros et modifiant le règlement (CE) n° 924/2009;
  63° "Règlement MSU", le Règlement (UE) n° 1024/2013 du Conseil du 15 octobre 2013 confiant à la Banque centrale européenne des missions spécifiques ayant trait aux politiques en matière de contrôle prudentiel des établissements de crédit;
  64° "Règlement (UE) n° 2015/751", Règlement (UE) n° 2015/751 du Parlement européen et du Conseil du 29 avril 2015 relatif aux commissions d'interchange pour les opérations de paiement liées à une carte;
  65° [6 "Règlement (UE) 2023/1113": le règlement (UE) 2023/1113 du Parlement européen et du Conseil du 31 mai 2023 sur les informations accompagnant les transferts de fonds et de certains crypto-actifs, et modifiant la directive (UE) 2015/849;]6
  [4 65° /1 Règlement (UE) 2017/2402: le Règlement (UE) 2017/2402 du Parlement Européen et du Conseil du 12 décembre 2017 créant un cadre général pour la titrisation ainsi qu'un cadre spécifique pour les titrisations simples, transparentes et standardisées, et modifiant les directives 2009/65/CE, 2009/138/CE et 2011/61/UE et les règlements (CE) n° 1060/2009 et (UE) n° 648/2012;]4
  [4 65° /2 Règlement (UE) 2022/2554: le Règlement (UE) 2022/2554 du Parlement européen et du Conseil du 14 décembre 2022 sur la résilience opérationnelle numérique du secteur financier et modifiant les règlements (CE) n° 1060/2009, (UE) n° 648/2012, (UE) n° 600/2014, (UE) n° 909/2014 et (UE) 2016/1011 ;]4
  [6 65° /3 "Règlement 2023/1114": le règlement (UE) 2023/1114 du Parlement européen et du Conseil du 31 mai 2023 sur les marchés de crypto-actifs, et modifiant les règlements (UE) n° 1093/2010 et (UE) n° 1095/2010 et les directives 2013/36/UE et (UE) 2019/1937;]6
  66° "loi du 22 février 1998", la loi du 22 février 1998 fixant le statut organique de la Banque nationale de Belgique;
  [5 66° /1 la loi du 28 avril 1999: la loi du 28 avril 1999 visant à transposer la directive 98/26/CE du 19 mai 1998 concernant le caractère définitif du règlement dans les systèmes de paiement et de règlement des opérations sur titres ;]5
  67° [6 "la loi du 11 juillet 2018": la loi du 11 juillet 2018 relative aux offres au public d'instruments de placement et aux admissions d'instruments de placement à la négociation sur des marchés réglementés;]6
  68° "la loi du 21 décembre 2009", la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l'accès à l'activité de prestataire de services de paiement, à l'activité d'émission de monnaie électronique et à l'accès aux systèmes de paiement;
  69° "la loi bancaire", la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse;
  70° "la loi du 18 septembre 2017", la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation d'espèces, ainsi que ses mesures d'exécution;
  71° "la loi du 2 mai 2007", la loi du 2 mai 2007 relative à la publicité des participations importantes dans des émetteurs dont les actions sont admises à la négociation sur un marché réglementé et portant des dispositions diverses;
  72° "la loi du 25 octobre 2016", la loi du 25 octobre 2016 relative à l'accès à l'activité de prestation de services d'investissement et au statut et au contrôle des sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement;
  73° "établissement de monnaie électronique", un établissement visé au Livre IV, Titres II et III;
  74° "établissement de monnaie électronique limité", un établissement visé au Livre IV, Titre II, Chapitre II;
  75° "établissement de monnaie électronique agréé", un établissement de monnaie électronique visé au Livre IV, Titre II, Chapitre Ier;
  76° "émetteurs de monnaie électronique", les établissements et autres entités visés à l'article 163, dont l'activité consiste à émettre de la monnaie électronique;
  77° "monnaie électronique", une valeur monétaire qui est stockée sous une forme électronique, y compris magnétique, représentant une créance sur l'émetteur, qui est émise contre la remise de fonds aux fins d'opérations de paiement au sens du 22° du présent article et qui est acceptée par une personne physique ou morale autre que l'émetteur de monnaie électronique;
  78° "détenteur de monnaie électronique", une personne physique ou morale qui remet des fonds à un émetteur de monnaie électronique en échange de l'émission de monnaie électronique par cet émetteur;
  79° "moyenne de la monnaie électronique en circulation", la moyenne du montant total des engagements financiers liés à la monnaie électronique émise à la fin de chaque jour calendaire pour les six mois calendaires précédents, calculée sur le premier jour calendaire de chaque mois calendaire et appliquée pour le mois calendaire en question;
  80° "distributeur", une personne physique ou morale qui distribue et/ou rembourse de la monnaie électronique pour le compte d'un établissement de monnaie électronique conformément à l'article 190;
  81° "jour ouvrable", un jour tel que défini à l'article I.9, 17°, du chapitre 5, Titre 2, Livre 1er, du Code de droit économique;
  
TITEL III. - Algemene bepalingen
TITRE III. - Généralités
Art. 3. In België mogen alleen betalingsinstellingen die in België zijn gevestigd en betalingsinstellingen die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat en die op grond van artikel 124 in België werkzaam zijn in het kader van het vrij verrichten van diensten, publiekelijk gebruik maken van de term "betalingsinstelling" of meer in het algemeen van de termen die verwijzen naar het statuut van betalingsinstelling, inzonderheid in hun naam, in de opgave van hun doel, in hun effecten, waarden, stukken of in hun reclame.
Art. 3. Seuls les établissements de paiement établis en Belgique et les établissements de paiement relevant du droit d'un autre Etat membre opérant en Belgique sous le régime de la libre prestation de services en vertu de l'article 124 sont autorisés à faire usage public en Belgique du terme "établissement de paiement", ou plus généralement des termes faisant référence au statut d'établissement de paiement, notamment dans leur dénomination sociale, dans la désignation de leur objet social, dans leurs titres, effets ou documents ou dans leur publicité.
Art. 4. In België mogen alleen instellingen voor elektronisch geld die in België zijn gevestigd en instellingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat en die op grond van artikel 219 in België werkzaam zijn in het kader van het vrij verrichten van diensten, publiekelijk gebruik maken van de term "instelling voor elektronisch geld" of meer in het algemeen van de termen die verwijzen naar het statuut van instelling voor elektronisch geld, inzonderheid in hun naam, in de opgave van hun doel, in hun effecten, waarden, stukken of in hun reclame.
Art. 4. Seuls les établissements de monnaie électronique établis en Belgique et les établissements de monnaie électronique relevant du droit d'un autre Etat membre opérant en Belgique sous le régime de la libre prestation de services en vertu de l'article 219, sont autorisés à faire usage public en Belgique du terme "établissement de monnaie électronique", ou plus généralement des termes faisant référence au statut d'établissement de monnaie électronique, notamment dans leur dénomination sociale, dans la désignation de leur objet social, dans leurs titres, effets ou documents ou dans leur publicité.
BOEK II. - BETALINGSDIENSTAANBIEDERS
LIVRE II. - LES PRESTATAIRES DE SERVICES DE PAIEMENT
TITEL I. - Monopolie ten gunste van betalingsdienstaanbieders
TITRE Ier. - Monopole au profit des prestataires de services de paiement
Art. 5. § 1. Onverminderd de bepalingen betreffende hun statuut, mogen alleen de hiernavolgende instellingen, overheden en entiteiten, binnen de bij of krachtens deze wet vastgestelde beperkingen, beroepsmatig betalingsdiensten aanbieden in België :
  1° [1 kredietinstellingen naar Belgisch recht in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1°, van de bankwet, kredietinstellingen die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren, die gemachtigd zijn om in hun land van herkomst betalingsdiensten aan te bieden en die in België werkzaam zijn op grond van de artikelen 312 en 313 van de bankwet, en bijkantoren van kredietinstellingen die onder het recht van een derde land ressorteren, die in België zijn gevestigd overeenkomstig artikel 333 van de bankwet en die op grond van het recht van dat derde land gemachtigd zijn om betalingsdiensten aan te bieden;]1
  2° instellingen voor elektronisch geld naar Belgisch recht, instellingen voor elektronisch geld die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren en die in België werkzaam zijn op grond van de artikelen 218 tot 221, en, voor de betalingsdiensten die voor hun activiteit van uitgifte van elektronisch geld vereist zijn, bijkantoren van instellingen voor elektronisch geld die onder het recht van een derde land ressorteren, die in België zijn gevestigd op grond van artikel 228;
  3° de naamloze vennootschap van publiek recht bpost;
  4° de Nationale Bank van België en de Europese Centrale Bank, wanneer zij niet handelen in hun hoedanigheid van monetaire of publieke autoriteit;
  5° de Belgische federale, gewestelijke en lokale overheden en de overheden van de gemeenschappen in België, wanneer zij niet handelen in hun hoedanigheid van publieke autoriteit;
  6° betalingsinstellingen naar Belgisch recht als bedoeld in Titel II, met inbegrip van geregistreerde betalingsinstellingen, betalingsinstellingen die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren en die in België werkzaam zijn op grond van de artikelen 120, 124 of 127, en bijkantoren van betalingsinstellingen die onder het recht van een derde land ressorteren, die in België zijn gevestigd op grond van artikel 144.
  § 2. Voor de toepassing van deze wet worden de in paragraaf 1 bedoelde instellingen, overheden en entiteiten als betalingsdienstaanbieders aangemerkt.
  
Art. 5. § 1er. Sans préjudice des dispositions régissant leur statut, seuls sont, dans les limites définies par ou en vertu de la présente loi, autorisés à fournir des services de paiement à titre professionnel en Belgique :
  1° [1 les établissements de crédit de droit belge au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1° de la loi bancaire, les établissements de crédit relevant du droit d'un autre Etat membre, habilités à fournir des services de paiement dans leur Etat d'origine, et opérant en Belgique en vertu des articles 312 ou 313 de la loi bancaire, ainsi que les succursales d'établissements de crédit relevant du droit d'un pays tiers qui sont établies en Belgique conformément à l'article 333 de la loi bancaire et qui sont habilitées à fournir des services de paiement en vertu du droit de ce pays tiers ;]1
  2° les établissements de monnaie électronique de droit belge, les établissements de monnaie électronique relevant du droit d'un autre Etat membre et opérant en Belgique en vertu des articles 218 à 221, ainsi que, pour les services de paiement nécessaires à leur activité d'émission de monnaie électronique, les succursales d'établissements de monnaie électronique relevant du droit de pays tiers, établies en Belgique en vertu de l'article 228;
  3° la société anonyme de droit public bpost;
  4° la Banque nationale de Belgique et la Banque centrale européenne, lorsqu'elles n'agissent pas en qualité d'autorité monétaire ou d'autorité publique;
  5° les autorités fédérales, régionales, communautaires et locales belges, lorsqu'elles n'agissent pas en qualité d'autorité publique;
  6° les établissements de paiement de droit belge visés au Titre II, en ce compris les établissements de paiement enregistrés, les établissements de paiement relevant du droit d'un autre Etat membre et opérant en Belgique en application des articles 120, 124 ou 127, ainsi que les succursales d'établissements de paiement relevant du droit d'un pays tiers, établies en Belgique en vertu de l'article 144.
  § 2. Pour les besoins de la présente loi, les établissements, autorités et entités visés au paragraphe 1er sont qualifiés de "prestataires de services de paiement".
  
Art. 6. § 1. In afwijking van artikel 5, § 1, mag een onderneming naar Belgisch recht betalingsdiensten verrichten met betaalinstrumenten, voor zover die instrumenten enkel kunnen worden gebruikt in het kader van een beperkt netwerk.
  Een betaalinstrument wordt gebruikt in het kader van een beperkt netwerk, als bedoeld in het eerste lid, wanneer :
  1° het betaalinstrument door de houder ervan uitsluitend kan worden gebruikt om in de bedrijfsgebouwen van de uitgever of, in het kader van een handelsovereenkomst met de uitgever, binnen een beperkt netwerk van dienstaanbieders goederen of diensten aan te schaffen; of
  2° met het betaalinstrument uitsluitend goederen of diensten uit een zeer beperkt gamma kunnen worden aangeschaft; of
  3° het betaalinstrument enkel kan worden gebruikt in België, met name op initiatief van een onderneming of een openbare instelling wordt aangeboden, door een Belgische overheidsinstantie voor specifieke sociale of fiscale doeleinden wordt gereguleerd en er specifieke goederen of diensten mee kunnen worden aangeschaft bij leveranciers die een handelsovereenkomst met de uitgever hebben gesloten.
  § 2. Ondernemingen die betalingsdiensten aanbieden die gebaseerd zijn op betaalinstrumenten die in het kader van een beperkt netwerk kunnen worden gebruikt, als bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 1° of 2°, moeten aan de Bank de volgende gegevens meedelen wanneer de totale waarde van de betalingstransacties die tijdens de voorgaande twaalf maanden door de onderneming zijn verricht, 1 000 000 euro overschrijdt :
  1° een gedetailleerde beschrijving van de betrokken betalingsdiensten;
  2° het bewijs dat het betaalinstrument voldoet aan de in paragraaf 1, tweede lid, 1° of 2°, bedoelde voorwaarden om als een in het kader van een beperkt netwerk gebruikt betaalinstrument te worden beschouwd.
  Indien de Bank op grond van die gegevens vaststelt dat de voorwaarden om als een in het kader van een beperkt netwerk gebruikt betaalinstrument te worden beschouwd, niet vervuld zijn, brengt zij de betrokken onderneming daarvan op de hoogte binnen twee maanden volgend op de ontvangst van een volledige kennisgeving en stelt zij de termijn vast waarbinnen de onderneming aan die voorwaarden moet voldoen of het statuut van betalingsinstelling moet verkrijgen.
  Indien de Bank geen beslissing neemt binnen deze termijn, moet ervan uitgegaan worden dat de voorwaarden om als een in het kader van een beperkt netwerk gebruikt betaalinstrument te worden beschouwd, vervuld zijn.
  De ondernemingen die de in het eerste lid bedoelde kennisgeving hebben verricht en die betalingsdiensten mogen aanbieden die gebaseerd zijn op betaalinstrumenten die in het kader van een beperkt netwerk kunnen worden gebruikt als bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 1° of 2°, worden opgenomen in de lijst bedoeld in artikel 8, § 1, 3°.
  De Bank deelt de Europese Bankautoriteit mee van welke betalingsdiensten haar overeenkomstig het eerste lid kennis is gegeven.
  [1 § 3. De paragrafen 1 en 2 zijn ook van toepassing op ondernemingen die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat en die in België betalingsdiensten verrichten met betaalinstrumenten die enkel kunnen worden gebruikt in het kader van een beperkt netwerk.]1
  
Art. 6. § 1er. Par exception à l'article 5, § 1er, une entreprise de droit belge est autorisée à fournir des services de paiement au moyen d'instruments de paiement pour autant que ces instruments soient uniquement utilisables dans le cadre d'un réseau limité.
  Un instrument de paiement est utilisé dans le cadre d'un réseau limité au sens de l'alinéa 1erlorsque :
  1° l'instrument de paiement ne permet à son détenteur d'acquérir des biens ou des services que dans les locaux de l'émetteur ou, dans le cadre d'un accord commercial avec l'émetteur, à l'intérieur d'un réseau limité de prestataires de services; ou
  2° l'instrument de paiement ne peut être utilisé que pour acquérir un éventail très limité de biens ou de services; ou
  3° l'instrument de paiement n'est utilisable qu'en Belgique, est notamment fourni à l'initiative d'une entreprise ou d'un organisme public, est réglementé par une autorité publique belge, à des fins sociales ou fiscales spécifiques, et permet d'acquérir des biens ou des services spécifiques auprès de fournisseurs ayant conclu un accord commercial avec l'émetteur.
  § 2. Une entreprise qui offre des services de paiement reposant sur des instruments de paiement utilisables dans le cadre d'un réseau limité visé au paragraphe 1er, alinéa 2, 1° ou 2°, doit notifier à la Banque les informations suivantes lorsque la valeur totale des opérations de paiement exécutées par l'entreprise au cours des douze mois précédents dépasse 1 000 000 euros :
  1° une description détaillée des services de paiement concernés;
  2° la démonstration du respect des conditions du réseau limité visées au paragraphe 1er, alinéa 2, 1° ou 2°.
  Si, sur la base de ces informations, la Banque constate que les conditions du réseau limité ne sont pas satisfaites, elle en informe l'entreprise concernée dans les deux mois qui suivent la réception d'une notification complète et fixe le délai endéans lequel l'entreprise doit respecter les conditions du réseau limité concerné ou obtenir le statut d'établissement de paiement.
  L'absence de décision de la Banque dans ce délai présume la conformité aux conditions du réseau limité.
  Les entreprises qui ont procédé à la notification visée à l'alinéa 1er et qui sont autorisées à offrir des services de paiement reposant sur des instruments de paiement utilisables dans le cadre d'un réseau limité visé au paragraphe 1er, alinéa 2, 1° ou 2° sont inscrites à la liste visée à l'article 8, § 1er, 3°.
  La Banque notifie à l'Autorité bancaire européenne les services de paiement qui ont fait l'objet d'une notification conformément à l'alinéa 1er.
  [1 § 3. Les paragraphes 1er et 2 s'appliquent également aux entreprises relevant du droit d'un autre Etat membre qui fournissent des services de paiement en Belgique au moyen d'instruments de paiement uniquement utilisables dans le cadre d'un réseau limité.]1
  
Art. 7. § 1. In afwijking van artikel 5, § 1, mag een aanbieder van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten naar Belgisch recht, mits hij de in paragraaf 2 bedoelde kennisgeving verricht, betalingstransacties uitvoeren, voor zover die betalingsdienst voor zijn abonnees wordt verricht ter aanvulling op elektronischecommunicatiediensten en de volgende voorwaarden vervuld zijn :
  1° de waarde van de afzonderlijke betalingstransacties bedraagt niet meer dan 50 euro en de totale waarde van de betalingstransacties voor één enkele abonnee bedraagt niet meer dan 300 euro per maand, ongeacht of de abonnee zijn rekening bij de aanbieder van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten heeft voorgefinancierd of niet; en
  2° het bedrag van de betalingstransacties wordt in rekening gebracht via de factuur voor elektronischecommunicatiediensten en de betalingstransacties worden verricht :
  a) voor de aankoop van digitale inhoud en spraakgestuurde diensten, ongeacht het voor de aankoop of consumptie van de digitale inhoud gebruikte apparaat;
  b) voor de financiering van liefdadigheidsactiviteiten die door de Staat zijn erkend als recht gevend op aftrekbaarheid van de giften, en dit via een elektronisch apparaat. De Koning kan bij koninklijk besluit de lijst vaststellen van de in dit punt bedoelde liefdadigheidsactiviteiten; of nog
  c) voor de aankoop van elektronische tickets, en dit via een elektronisch apparaat.
  § 2. Aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten die betalingstransacties wensen te verrichten onder de voorwaarden van paragraaf 1, moeten de Bank daar voorafgaandelijk van in kennis stellen.
  Bij deze kennisgeving dienen de volgende documenten te worden gevoegd :
  1° een beschrijving van de betrokken activiteit;
  2° het bewijs dat voldaan is aan de voorwaarden van paragraaf 1.
  Indien de Bank op grond van die gegevens vaststelt dat de voorwaarden van paragraaf 1 niet vervuld zijn, brengt zij de betrokken onderneming daarvan op de hoogte binnen twee maanden volgend op de ontvangst van een volledige kennisgeving en stelt zij de termijn vast waarbinnen de onderneming aan de voorwaarden van paragraaf 1 moet voldoen of het statuut van betalingsinstelling moet verkrijgen.
  Indien de Bank geen beslissing neemt binnen deze termijn, moet ervan uitgegaan worden dat de voorwaarden van paragraaf 1 vervuld zijn.
  § 3. Aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten die op grond van dit artikel gemachtigd zijn om betalingstransacties te verrichten, worden opgenomen in de lijst bedoeld in artikel 8, 4°.
  De Bank deelt aan de Europese Bankautoriteit de voorwaarden van paragraaf 1 mee waaraan de aanbieder voldoet en waarvan hij haar met toepassing van paragraaf 2, eerste lid, kennis heeft gegeven.
  § 4. De aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten verstrekken aan de Bank jaarlijks een advies van hun commissaris, en, bij ontstentenis, van een bedrijfsrevisor, waaruit blijkt dat de activiteit wordt verricht met inachtneming van de in paragraaf 1 vastgestelde maximumbedragen.
  Zij delen haar ook jaarlijks een bijgewerkte versie mee van de beschrijving van hun werkzaamheden inzake betalingstransacties.
  [1 § 5. De paragrafen 1 tot 4 zijn ook van toepassing op aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat en die in België betalingstransacties uitvoeren, mits voldaan is aan de voorwaarden van paragraaf 1.]1
  
Art. 7. § 1er. Par exception à l'article 5, § 1er, un fournisseur de réseaux ou de services de communications électroniques de droit belge est autorisé, moyennant la notification visée au paragraphe 2, à exécuter des opérations de paiement pour autant que ce service de paiement soit offert à ses abonnés en plus des services de communication électronique et que les conditions suivantes soient en outre satisfaites :
  1° la valeur de chaque opération de paiement isolée ne dépasse pas 50 euros et la valeur cumulée des opérations de paiement pour un même abonné ne dépasse pas 300 euros par mois, que l'abonné ait ou non préfinancé son compte auprès du fournisseur de réseaux ou de services de communication électronique; et
  2° le montant des opérations de paiements est imputé sur la facture relative aux services de communication électronique et les opérations de paiement sont effectuées :
  a) pour l'achat de contenu numérique et de services vocaux et ce, quel que soit le dispositif utilisé pour l'achat ou la consommation du contenu numérique;
  b) pour le financement d'activités caritatives reconnues par l'Etat comme donnant droit à une déductibilité des dons effectués et ce, au moyen d'un dispositif électronique. Le Roi peut préciser par arrêté royal la liste des activités caritatives visées au présent point; ou encore
  c) pour l'achat de tickets électroniques et ce, au moyen d'un dispositif électronique.
  § 2. Le fournisseur de réseaux ou de services de communication électronique qui souhaite exécuter des opérations de paiement dans les conditions visées au paragraphe 1er doit notifier préalablement son intention à la Banque.
  La notification est accompagnée des documents suivants :
  1° une description de l'activité concernée;
  2° la démonstration du respect des conditions visées au paragraphe 1er.
  Si, sur la base de ces informations, la Banque constate que les conditions visées au paragraphe 1er ne sont pas satisfaites, elle en informe l'entreprise concernée dans les deux mois qui suivent la réception d'une notification complète et fixe le délai endéans lequel elle est appelée à respecter les conditions prévues au paragraphe 1er ou à obtenir le statut d'établissement de paiement.
  L'absence de décision de la Banque dans ce délai présume la conformité aux conditions visées au paragraphe 1er.
  § 3. Les fournisseurs de réseaux ou de services de communication électronique autorisés à exécuter des opérations de paiement en vertu du présent article sont inscrits à la liste visée à l'article 8, 4°.
  La Banque notifie à l'Autorité bancaire européenne les conditions visées au paragraphe 1erauxquelles le prestataire répond telles que communiquées dans la notification en application du paragraphe 2, alinéa 1er.
  § 4. Les fournisseurs de réseaux ou de services de communication électronique communiquent annuellement à la Banque un avis de leur commissaire et à défaut, d'un réviseur d'entreprise attestant que l'activité respecte les limites prévues au paragraphe 1er.
  Ils communiquent également annuellement une mise à jour de la description de leur activité en matière d'opérations de paiement.
  [1 § 5. Les paragraphes 1er à 4 s'appliquent également aux fournisseurs de réseaux ou de services de communications électroniques relevant du droit d'un autre Etat membre qui exécutent des opérations de paiement en Belgique moyennant le respect des conditions visées au paragraphe 1er.]1
  
Art. 8. § 1. De Bank houdt een lijst bij van de entiteiten die gemachtigd zijn om in België betalingsdiensten aan te bieden. In deze lijst wordt een onderscheid gemaakt tussen :
  1° betalingsinstellingen waaraan op grond van artikel 12 een vergunning is verleend;
  2° betalingsinstellingen die geregistreerd zijn als :
  a) beperkte betalingsinstelling, op grond van artikel 82; of
  b) betalingsinstelling die rekeningaggregatiediensten aanbiedt, op grond van artikel 91;
  3° andere personen dan die bedoeld in de punten 1° en 2°, die op grond van artikel 6 gemachtigd zijn om betalingsdiensten aan te bieden;
  4° aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten die op grond van artikel 7 gemachtigd zijn om betalingsdiensten aan te bieden.
  De lijst verschaft ten minste de volgende gegevens :
  1° de betalingsdiensten die in België mogen worden uitgeoefend, voor elke in paragraaf 1 bedoelde entiteit;
  2° het adres van de bijkantoren in België en in het buitenland, voor elke in het eerste lid, 1° en 2°, b) bedoelde instelling, en het adres van de bijkantoren in België, voor de in paragraaf 1, eerste lid, 2°, a) bedoelde instellingen;
  3° de identiteit van de agenten in België en in het buitenland, voor elke in paragraaf 1, eerste lid, 1° en 2°, b) bedoelde instelling, en de identiteit van de agenten in België, voor de in het eerste lid, 2°, a) bedoelde instellingen;
  4° in voorkomend geval, het type beperkt netwerk als bedoeld in artikel 6, § 1, waarbinnen de betalingsdiensten worden aangeboden;
  5° in voorkomend geval, de voorwaarde van artikel 7, § 1, 2°, waaraan de aanbieder voldoet.
  § 2. De Bank stelt de Europese Bankautoriteit onverwijld in kennis van de in paragraaf 1 bedoelde gegevens en van de actualiseringen daarvan.
  § 3. De Bank maakt de lijst bekend op haar website en werkt de erin opgenomen gegevens regelmatig bij.
Art. 8. § 1er. La Banque tient une liste des entités habilitées à fournir des services de paiement en Belgique. Cette liste distingue :
  1° les établissements de paiement agréés en vertu de l'article 12;
  2° les établissements de paiement enregistrés qu'ils le soient en qualité :
  a) d'établissement de paiement limité en vertu de l'article 82; ou
  b) d'établissement de paiement agrégateur de comptes en vertu de l'article 91;
  3° les personnes, autres que celles visées aux points 1° et 2°, qui sont autorisées à fournir des services de paiement en vertu de l'article 6;
  4° les fournisseurs de réseaux ou de services de communication électronique qui sont autorisés à fournir des services de paiement en vertu de l'article 7.
  La liste fournit au moins les informations suivantes :
  1° les services de paiement pouvant être exercés en Belgique pour chaque entité visée au paragraphe 1er;
  2° l'adresse des succursales en Belgique et à l'étranger, pour chaque établissement visé à l'alinéa 1er, 1° et 2°, b) et l'adresse des succursales en Belgique pour les établissements visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, a);
  3° l'identité des agents en Belgique et à l'étranger, pour chaque établissement visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1° et 2°, b), et l'identité des agents en Belgique pour les établissements visés à l'alinéa 1er, 2,° a);
  4° le cas échéant, le type de réseau limité visé à l'article 6, § 1er, au sein duquel les services de paiement sont offerts;
  5° le cas échéant, la condition visée à l'article 7, § 1er, 2°, à laquelle le prestataire répond.
  § 2. La Banque notifie sans tarder à l'Autorité bancaire européenne les informations visées au paragraphe 1er, ainsi que leurs mises à jour.
  § 3. La Banque publie la liste sur son site internet et actualise régulièrement les informations qu'elle contient.
TITEL II. - Betalingsinstellingen naar Belgisch recht
TITRE II. - Les établissements de paiement de droit belge
HOOFDSTUK I. - Vergunninghoudende betalingsinstellingen
CHAPITRE Ier. - Les établissements de paiement agréés
Afdeling I. - Toegang tot het bedrijf
Section Ire. - L'accès à l'activité
Onderafdeling 1. - Vergunningsplicht
Sous-section 1re. - Obligation d'agrément
Art. 9. Eenieder die in België de in de punten 1 tot 7 van Bijlage I.A bedoelde betalingsdiensten wil aanbieden als betalingsinstelling, moet, vooraleer hij zijn werkzaamheden aanvat, een vergunning verkrijgen van de Bank, ongeacht de overige plaatsen waar hij zijn werkzaamheden uitoefent.
Art. 9. Toute personne qui entend fournir en Belgique des services de paiement visés aux points 1 à 7 de l'Annexe I.A, en qualité d'établissement de paiement, est tenue, avant de commencer cette activité, de se faire agréer auprès de la Banque, quels que soient les autres lieux d'exercice de ses activités.
Onderafdeling 2. - Procedure
Sous-section 2. - Procédure
Art. 10. Bij de vergunningsaanvraag die bij de Bank wordt ingediend, wordt een administratief dossier gevoegd dat voldoet aan de door de Bank gestelde voorwaarden en dat met name het volgende bevat :
  1° een programma van werkzaamheden waarin vermeld wordt welke van de in de punten 1 tot 8 van Bijlage I.A bedoelde betalingsdiensten de instelling voornemens is te verrichten, en, eventueel, welke andere werkzaamheden als bedoeld in de artikelen 43 en 44;
  2° een bedrijfsplan met inbegrip van een financieel plan voor de eerste drie boekjaren, dat aantoont dat de aanvrager beschikt over de voor zijn voorgenomen werkzaamheden passende middelen om voor de betalingsdiensten een gezonde bedrijfsvoering te garanderen;
  3° het bewijs dat de aanvrager beschikt over het in artikel 17 bedoelde aanvangskapitaal;
  4° voor de betalingsinstellingen die voornemens zijn de in de punten 1 tot 6 van Bijlage I.A bedoelde betalingsdiensten aan te bieden : een omschrijving van de maatregelen die overeenkomstig artikel 42, § 1, zijn genomen ter bescherming van de geldmiddelen van de betalingsdienstgebruiker;
  5° een beschrijving van de beleidsstructuur en van de organisatieregeling van de aanvrager, waaruit blijkt dat voldaan is aan artikel 21;
  6° een beschrijving van de wijze waarop het betalingsdienstenbedrijf zal worden uitgeoefend door de aanvrager, in voorkomend geval met inbegrip van een beschrijving van het gebruik dat zal worden gemaakt van uitbesteding, agenten en bijkantoren en van de planning van inspecties ter plaatse en aan de hand van documenten, als bedoeld in de artikelen 64 en 73, en, in voorkomend geval, van de voorgenomen deelname van de aanvrager aan een nationaal of internationaal betalingssysteem;
  7° de identiteit van de aandeelhouders of vennoten als bedoeld in artikel 19, de omvang van hun deelneming in kapitaalfracties van de aanvrager en stemrechten, alsmede alle gegevens waarmee kan worden aangetoond dat voldaan is aan de vereisten van artikel 19;
  8° de identiteit van de leiders bedoeld in artikel 20 en alle gegevens waarmee kan worden aangetoond dat voldaan is aan de vereisten van artikel 20;
  9° de identiteit van de commissaris(sen);
  10° de rechtsvorm en de statuten van de aanvrager;
  11° het adres van de zetel van de aanvrager;
  12° een beschrijving van de procedure voor het beheer van gevoelige betalingsgegevens, met inbegrip van de maatregelen die de naleving garanderen van de regels voor de authenticatie en de toegang tot betaalrekeningen in het geval van betalingsinitiatiediensten, waaruit blijkt dat voldaan is aan de artikelen 46 tot 48;
  13° een beschrijving van de regeling die garandeert dat de in artikel 49 bedoelde gemeenschappelijke en beveiligde open communicatienormen worden nageleefd;
  14° een beschrijving van het beveiligingsbeleid van de aanvrager, waaruit blijkt dat voldaan is aan de artikelen 50 tot 52, en met name een overeenkomstig artikel 50 uitgevoerde gedetailleerde analyse van de risico's verbonden aan de betalingsdiensten, en een beschrijving van de maatregelen op het gebied van risicobeheersing en -beperking die worden genomen om de gebruikers te beschermen en de in de artikelen 51 en 52 bedoelde operationele en veiligheidsrisico's te beheersen;
  15° een beschrijving van de procedure voor het beheer en de melding van veiligheidsincidenten, waaruit blijkt dat voldaan is aan [1 de vereisten bedoeld in artikel 53]1;
  16° een beschrijving van de beginselen en definities voor het verzamelen van statistische gegevens over prestaties, transacties en fraude, waaruit blijkt dat voldaan is aan artikel 54;
  17° een beschrijving van de bedrijfscontinuïteitsregelingen, met daarin een duidelijke uiteenzetting van de [1 kritieke bedrijfsactiviteiten]1, alsmede noodplannen en een procedure om de toereikendheid van deze plannen periodiek te toetsen, overeenkomstig artikel 21, § 1, 9° ;
  18° voor het verstrekken van betalingsinitiatiediensten :
  a) een kopie van de ontwerpovereenkomst of van de beroepsaansprakelijkheidsverzekering of van een andere vergelijkbare waarborg, waaruit blijkt dat voldaan is aan de vereisten van artikel 18;
  b) de relevante informatie op grond waarvan de Bank kan beoordelen of het bedrag dat gedekt is door de in a) bedoelde verzekering of waarborg voldoende is om te voldoen aan de vereisten van artikel 18;
  19° voor het verstrekken van diensten die bestaan in de uitgifte van op kaarten gebaseerde betaalinstrumenten : een beschrijving van de procedure waaruit blijkt dat voldaan is aan artikel 55;
  20° voor het beheer van rekeningen : een beschrijving van de procedure waaruit blijkt dat voldaan is aan de artikelen 56 tot 58.
  Bovendien moet de aanvrager op verzoek van de Bank alle aanvullende inlichtingen verstrekken die nodig zijn om zijn aanvraag te kunnen beoordelen.
  
Art. 10. La demande d'agrément est soumise à la Banque, accompagnée d'un dossier administratif répondant aux conditions qu'elle fixe et comprenant notamment :
  1° un programme d'activités indiquant les services de paiement envisagés parmi les services de paiement visés aux points 1 à 8 de l'Annexe I.A, et les éventuelles autres activités visées aux articles 43 et 44;
  2° un plan d'affaires contenant notamment un plan financier afférent aux trois premiers exercices, démontrant que le demandeur dispose, pour garantir une gestion saine en matière de services de paiement, de ressources appropriées aux activités qu'il entend exercer;
  3° la preuve que le demandeur dispose du capital initial visé à l'article 17;
  4° pour les établissements de paiement qui entendent offrir les services de paiement visés aux points 1 à 6 de l'Annexe I.A, une description des mesures visées à l'article 42, § 1er, pour protéger les fonds de l'utilisateur de services de paiement;
  5° une description de la structure de gestion et du dispositif organisationnel du demandeur justifiant du respect de l'article 21;
  6° une description des modalités d'exercice de l'activité de services de paiement du demandeur, y compris, le cas échéant, une description du projet de recours à de la sous-traitance, à des agents et à des succursales ainsi que de la programmation d'inspections sur pièces et sur place visées aux articles 64 et 73, et, le cas échéant, du projet de participation du demandeur à un système de paiement national ou international;
  7° l'identité des détenteurs de capital visés à l'article 19, l'importance de leur participation en fractions du capital du demandeur et en droits de vote, ainsi que tout élément permettant de démontrer le respect des exigences de l'article 19;
  8° l'identité des dirigeants visés à l'article 20 et tout élément permettant de démontrer le respect des exigences de l'article 20;
  9° l'identité du ou des commissaire(s);
  10° la forme juridique et les statuts du demandeur;
  11° l'adresse du siège social du demandeur;
  12° une description du processus de gestion des données de paiement sensibles, en ce compris les mesures assurant le respect des règles relatives à l'authentification et à l'accès aux comptes de paiement en cas de services d'initiation de paiement, justifiant du respect des articles 46 à 48;
  13° une description du dispositif assurant le respect des normes ouvertes communes et sécurisées de communication prévues à l'article 49;
  14° une description de la politique de sécurité du demandeur justifiant du respect des articles 50 à 52, et notamment une analyse détaillée des risques liés aux services de paiement réalisée conformément à l'article 50 et une description des mesures de contrôle et d'atténuation des risques prises pour protéger les utilisateurs et gérer les risques opérationnels et de sécurité visées aux articles 51 et 52;
  15° une description de la procédure de gestion et de notification des incidents de sécurité justifiant [1 le respect des exigences visées à l'article 53]1;
  16° une description des principes et des définitions appliqués pour la collecte de données statistiques relatives aux performances, aux opérations et à la fraude justifiant le respect de l'article 54;
  17° une description des dispositifs en matière de continuité des activités, y compris une désignation claire des [1 opérations critiques]1, des plans d'urgence et une procédure relative à l'examen périodique de leur adéquation et ce, conformément à l'article 21, § 1er, 9° ;
  18° pour la fourniture du service d'initiation de paiement :
  a) une copie du projet de contrat ou du contrat d'assurance de responsabilité civile professionnelle ou une autre garantie comparable établissant la conformité aux exigences de l'article 18;
  b) les informations pertinentes permettant à la Banque de déterminer si le montant couvert par l'assurance ou la garantie visée au a) est suffisant au regard des exigences de l'article 18;
  19° pour la fourniture du service d'émission d'instruments de paiement liés à une carte, une description du processus justifiant le respect de l'article 55;
  20° pour la gestion de comptes, une description du processus justifiant le respect des articles 56 à 58.
  En outre, le demandeur doit, à la demande de la Banque, fournir tous renseignements complémentaires nécessaires à l'appréciation de sa demande.
  
Art. 11. § 1. De Bank beslist over de vergunningsaanvraag na advies van de FSMA over de professionele betrouwbaarheid van de personen bedoeld in artikel 20, indien zij voor het eerst voor een dergelijke functie worden voorgedragen bij een onderneming die onder het toezicht staat van de Bank krachtens artikel 36/2 van de wet van 22 februari 1998, of van de Europese Centrale Bank krachtens de GTM-verordening.
  De FSMA deelt haar advies mee aan de Bank binnen een termijn van veertien dagen na het verzoek om advies dat haar door de Bank werd bezorgd, en uiterlijk binnen een maand na dit verzoek.
  Afwezigheid van advies binnen deze termijn van een maand geldt als positief advies. Vóór het verstrijken van de termijn van een maand kan de FSMA de Bank er evenwel van in kennis stellen dat zij haar advies uiterlijk binnen 15 dagen na het verstrijken van deze termijn zal verstrekken.
  § 2. Indien de Bank geen rekening houdt met het advies van de FSMA, wordt dat met de redenen voor de afwijking vermeld in haar beslissing over de vergunningsaanvraag.
Art. 11. § 1er. La Banque se prononce sur la demande d'agrément sur avis de la FSMA pour ce qui concerne l'honorabilité professionnelle des personnes visées à l'article 20, si ces personnes sont proposées pour la première fois pour une telle fonction dans une entreprise relevant du contrôle de la Banque en vertu de l'article 36/2 de la loi du 22 février 1998 ou de la Banque centrale européenne en vertu du Règlement MSU.
  La FSMA communique son avis à la Banque dans un délai de quatorze jours à compter de la demande d'avis qui lui aura été transmise par la Banque et au plus tard, dans le mois de cette dernière.
  L'absence d'avis dans ce délai d'un mois est considérée comme un avis positif. Avant l'expiration du délai d'un mois, la FSMA peut cependant informer la Banque qu'elle communiquera son avis au plus tard dans les 15 jours qui suivent l'expiration dudit délai.
  § 2. Si la Banque ne tient pas compte de l'avis de la FSMA elle en fait état et en indique les raisons dans sa décision relative à la demande d'agrément.
Art. 12. De Bank spreekt zich uit over de vergunningsaanvraag binnen drie maanden na indiening van een volledig dossier en uiterlijk binnen twaalf maanden na indiening van de aanvraag.
  De Bank verleent een vergunning aan de betalingsinstellingen die voldoen aan de voorwaarden van Afdeling II.
  Indien de Bank oordeelt dat de voorwaarden van Afdeling II niet vervuld zijn, weigert zij de vergunning.
  De beslissingen inzake vergunning worden per aangetekende zending of met een brief met ontvangstbewijs ter kennis gebracht van de aanvragers.
  In de beslissing van de Bank wordt gespecificeerd voor welke betalingsdiensten de vergunning wordt verleend. Deze diensten kunnen ook de in punt 8 van Bijlage I.A bedoelde betalingsdiensten omvatten.
Art. 12. La Banque se prononce sur la demande d'agrément dans les trois mois de l'introduction d'un dossier complet et au plus tard dans les douze mois de l'introduction de la demande.
  La Banque agrée les établissements de paiement qui répondent aux conditions prévues à la Section II.
  Lorsqu'elle considère que les conditions prévues à la Section II ne sont pas remplies, la Banque refuse l'agrément.
  Les décisions en matière d'agrément sont notifiées aux demandeurs par envoi recommandé ou avec accusé de réception.
  La décision de la Banque précise les services de paiement pour lesquels l'agrément est octroyé. Ces services peuvent également inclure le service de paiement visé au point 8 de l'Annexe I.A.
Art. 13. Teneinde een gezonde en prudente bedrijfsvoering van de betalingsinstelling te garanderen, kan de Bank in de vergunning voorwaarden stellen voor de uitoefening van bepaalde van de werkzaamheden.
Art. 13. La Banque peut, en vue d'une gestion saine et prudente de l'établissement de paiement, assortir l'agrément de conditions relatives à l'exercice de certaines des activités.
Art. 14. De instellingen waaraan krachtens dit Hoofdstuk een vergunning is verleend als betalingsinstelling, worden opgenomen in de lijst bedoeld in artikel 8, § 1, eerste lid, 1°.
Art. 14. Les établissements agréés en qualité d'établissement de paiement en vertu du présent Chapitre, sont inscrits à la liste visée à l'article 8, § 1er, alinéa 1er, 1°.
Afdeling II. - Vergunningsvoorwaarden
Section II. - Conditions d'agrément
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen
Sous-section 1re. - Généralités
Art. 15. Behalve met de voorwaarden van deze Afdeling houdt de Bank ook rekening met het vermogen van de aanvragende instelling om te voldoen aan de in Afdeling III vastgestelde bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden en om haar ontwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken onder de voorwaarden die nodig zijn voor de goede werking van het financiële stelsel en voor de veiligheid van de betalingsdienstgebruikers.
Art. 15. Outre les conditions prévues par la présente Section, la Banque tient également compte de l'aptitude de l'établissement demandeur à satisfaire aux conditions d'exercice de l'activité prévues à la Section III, ainsi qu'à réaliser ses objectifs de développement dans les conditions que requièrent le bon fonctionnement du système financier et la sécurité des utilisateurs de services de paiement.
Onderafdeling 2. - Vennootschapsvorm
Sous-section 2. - Forme sociétaire
Art. 16. [1 Iedere betalingsinstelling naar Belgisch recht moet worden opgericht in een van de volgende vennootschapsvormen: coöperatieve vennootschap, naamloze vennootschap, Europese vennootschap of Europese coöperatieve vennootschap, met inachtneming van de specifieke vereisten die neergelegd zijn in deze wet of in de Europese regelgeving.]1
  
Art. 16. [1 Les établissements de paiement de droit belge doivent être constitués sous la forme d'une société parmi les formes sociétaires suivantes : la société coopérative, la société anonyme, la société européenne et la société coopérative européenne, moyennant le respect des exigences spécifiques prévues par la présente loi ou la réglementation européenne.]1
  
Onderafdeling 3. - Aanvangskapitaal
Sous-section 3. - Capital initial
Art. 17. Om een vergunning te kunnen verkrijgen is een volgestort kapitaal vereist dat :
  1° ten minste 20 000 euro bedraagt, wanneer de betalingsinstelling enkel de in punt 6 van Bijlage I.A bedoelde geldtransferdiensten verricht;
  2° ten minste 50 000 euro bedraagt, wanneer de betalingsinstelling enkel de in punt 7 van Bijlage I.A bedoelde betalingsinitiatiediensten verricht;
  3° ten minste 125 000 euro bedraagt, wanneer de instelling een of meerdere van de in de punten 1 tot 5 van Bijlage I.A bedoelde betalingsdiensten verricht.
  Voor bestaande vennootschappen die een vergunning aanvragen, worden de uitgiftepremies, de reserves en het overgedragen resultaat, met uitzondering van de herwaarderingsmeerwaarden, gelijkgesteld met kapitaal. Dit kapitaal moet echter de helft bedragen van de in het eerste lid bedoelde bedragen en ten belope van die bedragen zijn gestort. De Bank bepaalt bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis van de wet van 22 februari 1998, welke elementen in aanmerking moeten worden genomen voor de berekening van het in het eerste lid bedoelde aanvangskapitaal.
  [2 In afwijking van artikel 6:4 en van de bepalingen van Boek 6, Titel 6 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen moet iedere betalingsinstelling die is opgericht als coöperatieve vennootschap over een kapitaal beschikken waarvan het vast gedeelte, dat vastgesteld is in de statuten, niet lager mag zijn dan het in het eerste lid bedoelde bedrag, en dat volgestort moet zijn ten belope van het dit bedrag. Artikel 7:6 van het genoemd wetboek is van overeenkomstige toepassing.]2]1
  
Art. 17. L'agrément est subordonné à l'existence d'un capital entièrement libéré réunissant les conditions suivantes :
  1° s'élever à 20 000 euros minimum lorsque l'établissement de paiement fournit uniquement le service de paiement de transmission de fond visé au point 6 de l'Annexe I.A;
  2° s'élever à 50 000 euros minimum lorsque l'établissement de paiement fournit uniquement le service d'initiation de paiement visé au point 7 de l'Annexe I.A;
  3° s'élever à 125 000 euros minimum lorsque l'établissement exerce un ou plusieurs des services de paiement visés aux points 1 à 5 de l'Annexe I.A.
  En cas de préexistence de la société demanderesse, les primes d'émission, les réserves et le résultat reporté, à l'exclusion des plus-values de réévaluation, sont assimilés au capital, celui-ci seul doit cependant s'élever à la moitié des montants visés à l'alinéa 1er et être libéré à concurrence de ces montants. La Banque précise, par voie de règlement pris en application de l'article 12bis de la loi du 22 février 1998, les éléments à prendre en compte pour le calcul du capital initial visé à l'alinéa 1er.
  [2 Par dérogation à l'article 6 :4 et aux dispositions du Livre 6 du Code des sociétés et associations, les établissements de paiement constitués sous la forme d'une société coopérative doivent être dotés d'un capital dont la part fixe, prévue dans les statuts, ne peut pas être inférieure au montant visé à l'alinéa 1er, et qui doit être entièrement libéré à concurrence dudit montant, l'article 7:6 dudit Code étant d'application par analogie.]2
  
Onderafdeling 4. - Beroepsaansprakelijkheidsverzekering
Sous-section 4. - Assurance de responsabilité civile professionnelle
Art. 18. De betalingsinstellingen die betalingsinitiatiediensten aanbieden, moeten over een beroepsaansprakelijkheidsverzekering beschikken voor de gebieden waarin zij diensten aanbieden, of over een andere vergelijkbare voldoende grote waarborg, waarmee zij gedekt zijn voor hun aansprakelijkheid, overeenkomstig [1 de artikelen 73, 90 en 92 van richtlijn (EU) 2015/2366]1.
  De Bank beoordeelt de toereikendheid van het door de verzekering of waarborg gedekte bedrag op grond van de richtsnoeren die door de Europese Bankautoriteit zijn opgesteld krachtens artikel 5, lid 4, van Richtlijn (EU) 2015/2366. Bij deze berekening wordt met name rekening gehouden met :
  1° het risicoprofiel van de instelling;
  2° het feit of de instelling andere in Bijlage I.A vermelde betalingsdiensten aanbiedt, of andere bedrijfswerkzaamheden verricht;
  3° het belang van de verrichte werkzaamheden; en
  4° het bedrag van de geïnitieerde betalingen.
  
Art. 18. Les établissements de paiement qui offrent le service d'initiation de paiement contractent et maintiennent une assurance de responsabilité civile professionnelle couvrant les territoires où ils proposent des services ou une autre garantie comparable d'un montant suffisant pour couvrir l'engagement de leur responsabilité conformément [1 aux articles 73, 90 et 92 de la directive (UE) 2015/2366]1.
  La Banque évalue le caractère suffisant du montant couvert par l'assurance ou la garantie sur la base des orientations émises par l'Autorité bancaire européenne en application de l'article 5, paragraphe 4, de la Directive (UE) 2015/2366. Ce calcul prend notamment en compte :
  1° le profil de risque de l'établissement;
  2° la circonstance que l'établissement fournit d'autres services de paiement visés à l'Annexe I.A ou exerce d'autres activités;
  3° l'importance de l'activité exercée; et
  4° le montant des paiements initiés.
  
Onderafdeling 5. - Aandeelhouders of vennoten
Sous-section 5. - Détenteurs du capital
Art. 19. De vergunning wordt geweigerd wanneer de Bank redenen heeft om aan te nemen dat de natuurlijke of rechtspersonen die, rechtstreeks of onrechtstreeks, in het kapitaal van de betalingsinstelling een gekwalificeerde deelneming bezitten, niet geschikt zijn om een gezonde en prudente bedrijfsvoering van de betalingsinstelling te garanderen.
  De beoordeling van de geschiktheid om een gezonde en prudente bedrijfsvoering van de betalingsinstelling te garanderen, gebeurt aan de hand van de volgende criteria :
  1° de betrouwbaarheid van de in het eerste lid bedoelde natuurlijke of rechtspersonen;
  2° de professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid van elke in artikel 20 bedoelde persoon die het bedrijf van de betalingsinstelling feitelijk gaat leiden;
  3° de financiële soliditeit van de in het eerste lid bedoelde natuurlijke of rechtspersonen, op grond van hun vermogen om aan de instelling de nodige financiële steun te verlenen, rekening houdend met haar bedrijfswerkzaamheden;
  4° het vermogen van de betalingsinstelling om te voldoen en te blijven voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit deze wet en haar uitvoeringsreglementen, evenals, in voorkomend geval, uit de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn (EU) 2015/2366;
  5° of er gegronde redenen zijn om te vermoeden dat in hoofde van de in het eerste lid bedoelde natuurlijke of rechtspersonen geld wordt of werd witgewassen of terrorisme wordt of werd gefinancierd dan wel dat gepoogd wordt of werd geld wit te wassen of terrorisme te financieren, of dat hun hoedanigheid van aandeelhouder van de betalingsinstelling het risico daarop zou kunnen vergroten.
Art. 19. L'agrément est refusé si la Banque a des raisons de considérer que les personnes physiques ou morales détenant directement ou indirectement une participation qualifiée dans le capital de l'établissement de paiement ne présentent pas les qualités nécessaires en vue de garantir une gestion saine et prudente de l'établissement de paiement.
  L'appréciation des qualités nécessaires en vue de garantir une gestion saine et prudente de l'établissement de paiement s'effectue au regard des critères suivants :
  1° l'honorabilité des personnes physiques ou morales visées à l'alinéa 1er;
  2° l'honorabilité professionnelle et l'expertise adéquate de toute personne visée à l'article 20 qui assurera la direction des activités de l'établissement de paiement;
  3° la solidité financière des personnes physiques ou morales visées à l'alinéa 1er au regard de leur capacité à fournir le soutien financier nécessaire à l'établissement compte tenu de ses activités;
  4° la capacité de l'établissement de paiement de satisfaire et de continuer à satisfaire aux obligations découlant de la présente loi et des règlements pris pour son exécution ainsi que, le cas échéant, des mesures d'exécution de la Directive (UE) 2015/2366;
  5° l'existence de motifs raisonnables de soupçonner qu'une opération ou une tentative d'opération de blanchiment de capitaux ou de financement du terrorisme est en cours ou aurait été commise dans le chef des personnes physiques ou morales visées à alinéa 1er ou que leur qualité d'actionnaire de l'établissement de paiement pourrait en augmenter le risque.
Onderafdeling 6. - Leiding
Sous-section 6. - Dirigeants
Art. 20. § 1. De leden van het wettelijk bestuursorgaan van de betalingsinstelling, de personen belast met de effectieve leiding van de betalingsinstelling, evenals de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties, zijn uitsluitend natuurlijke personen.
  De in het eerste lid bedoelde personen moeten permanent over de voor de uitoefening van hun functies vereiste professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid beschikken. [1 Deze personen moeten in het bijzonder eerlijk, integer en met onafhankelijkheid van geest handelen. Wat de leden van het wettelijk bestuursorgaan betreft, moet dit hen in staat stellen om daadwerkelijk de besluiten van de effectieve leiding te beoordelen en deze ter discussie te stellen indien zulks noodzakelijk is en om daadwerkelijk toe te zien en controle uit te oefenen op de bestuurlijke besluitvorming.]1
  § 2. De effectieve leiding van de betalingsinstelling moet worden toevertrouwd aan ten minste twee natuurlijke personen.
  § 3. Artikel 20 van de bankwet is van toepassing op de in paragraaf 1 bedoelde personen.
  
Art. 20. § 1er. Les membres de l'organe légal d'administration de l'établissement de paiement, les personnes chargées de la direction effective de l'établissement de paiement, ainsi que les responsables des fonctions de contrôle indépendantes sont exclusivement des personnes physiques.
  Les personnes visées à l'alinéa 1er doivent disposer en permanence de l'honorabilité professionnelle nécessaire et de l'expertise adéquate pour l'exercice de leurs fonctions. [1 En particulier, ces personnes doivent faire preuve d'une honnêteté, d'une intégrité et d'une indépendance d'esprit qui, s'agissant des membres de l'organe légal d'administration, permettent d'évaluer et de remettre en question effectivement, si nécessaire, les décisions de la direction effective et d'assurer la supervision et le suivi effectifs des décisions prises en matière de gestion.]1
  § 2. La direction effective des établissements de paiement doit être confiée à deux personnes physiques au moins.
  § 3. L'article 20 de la loi bancaire est d'application aux personnes visées au paragraphe 1er.
  
Onderafdeling 7. - Organisatie
Sous-section 7. - Organisation
Art. 21. § 1. Iedere betalingsinstelling beschikt over een solide en passende regeling voor de bedrijfsorganisatie, waaronder toezichtsmaatregelen, om een doeltreffende en prudente bedrijfsvoering van de instelling te garanderen, die met name berust op :
  1° een passende beleidsstructuur die op het hoogste niveau gebaseerd is op een duidelijk onderscheid tussen, enerzijds, de effectieve leiding van de instelling en, anderzijds, het toezicht op die leiding, en die binnen de instelling voorziet in een passende functiescheiding en in een duidelijk omschreven, transparante en coherente regeling voor de toewijzing van verantwoordelijkheden;
  2° een passende administratieve en boekhoudkundige organisatie en interne controle, waaronder met name een controlesysteem dat enerzijds een redelijke mate van zekerheid verschaft over de betrouwbaarheid van het financiëleverslaggevingsproces, zodat de jaarrekening in overeenstemming is met de geldende boekhoudreglementering, en er anderzijds voor zorgt dat de verplichtingen opgelegd door de wet van 18 september 2017 en door [7 Verordening (EU) 2023/1113]7, worden nageleefd;
  3° passende controle- en beveiligingsmaatregelen op informaticagebied, die er met name voor zorgen dat de bepalingen van de artikelen 46 tot 49 en 51 [6 en de in Verordening (EU) 2022/2554 opgenomen bepalingen betreffende het gebruik van diensten op het gebied van informatie- en communicatietechnologie (ICT)]6 worden nageleefd;
  4° doeltreffende procedures voor de identificatie, de meting, het beheer, de opvolging en de interne rapportering van de risico's waaraan de betalingsinstelling blootstaat of bloot kan komen te staan door haar bedrijfswerkzaamheden, en in het bijzonder procedures voor [1 het beheer van de operationele en veiligheidsrisico's]1 en voor de beveiliging die voldoen aan de artikelen 50 tot 52 en procedures voor de rapportering van incidenten die voldoen aan artikel 53;
  5° een passende onafhankelijke compliance functie, om te verzekeren dat de wettelijke en reglementaire voorschriften in verband met de integriteit van de werkzaamheden van de betalingsinstellingen worden nageleefd door de instelling, de leden van haar wettelijk bestuursorgaan, haar effectieve leiding, werknemers en gevolmachtigden;
  6° een passende onafhankelijke risicobeheerfunctie;
  7° een passende onafhankelijke interne auditfunctie die toelaat redelijke maatregelen vast te stellen om de belangen van de betalingsdienstgebruikers te beschermen en om de continuïteit en betrouwbaarheid bij het verstrekken van betalingsdiensten te garanderen;
  8° een passend integriteitsbeleid;
  9° [6 de invoering van passende maatregelen op het vlak van bedrijfscontinuïteit om te garanderen dat de kritieke bedrijfsactiviteiten kunnen worden behouden of zo spoedig mogelijk kunnen worden hersteld en dat de normale dienstverlening en activiteit binnen een redelijke tijdspanne kunnen worden hervat. Dit houdt met name in dat de kritieke bedrijfsactiviteiten duidelijk geïdentificeerd worden, dat er passende beleidslijnen en plannen inzake de continuïteit van de bedrijfsactiviteiten op het gebied van informatie- en communicatietechnologie (ICT) en doeltreffende herstelplannen voor deze technologieën worden opgesteld, en dat er een procedure wordt ingesteld om de toereikendheid en efficiëntie van deze plannen regelmatig te beproeven en te herzien overeenkomstig Verordening (EU) 2022/2554;]6
  [4 10° een passend intern waarschuwingssysteem, dat in overeenstemming is met de wetgeving tot omzetting van richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden en dat met name voorziet in een specifieke onafhankelijke en autonome melding van inbreuken op de normen en de gedragscodes die van toepassing zijn op de instelling.]4
  [2 § 1/1. In het bijzonder is het de betalingsinstellingen verboden een bijzonder mechanisme in te stellen.
   Onder "bijzonder mechanisme" wordt een procedé verstaan dat aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoet:
   1° het heeft als doel of gevolg fiscale fraude door derden mogelijk te maken of te bevorderen;
   2° het initiatief ertoe wordt door de betalingsinstelling zelf genomen of de betalingsinstelling neemt er duidelijk actief aan deel, of het is het gevolg van een grove nalatigheid van de betalingsinstelling;
   3° het bestaat uit een reeks gedragingen of onthoudingen;
   4° het heeft een bijzonder karakter, wat betekent dat de betalingsinstelling weet of zou moeten weten dat het mechanisme afwijkt van de normen en de normale praktijken inzake verrichtingen die in het kader van betalingsdiensten worden uitgevoerd en, meer in het algemeen, inzake financiële verrichtingen.]2

  § 2. De in paragraaf 1 bedoelde organisatorische regeling is gedetailleerd uitgewerkt en is passend voor de aard, schaal en complexiteit van de risico's die inherent zijn aan het bedrijfsmodel en aan de werkzaamheden van de instelling, met inbegrip van de in artikel 43, § 1, bedoelde werkzaamheden en de werkzaamheden die toegelaten zijn op grond van artikel 44.
  § 3. [3 Onverminderd het bepaalde bij de paragrafen 1, 1/1, en 2]3, [5 en de artikelen 20 en 36/1]5, kan de Bank, bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998, nader bepalen wat moet worden verstaan onder een passende beleidsstructuur, een passende administratieve en boekhoudkundige organisatie, een passende interne controle, passende controle- en beveiligingsmaatregelen op informaticagebied, doeltreffende procedures voor de identificatie, de meting, het beheer, de opvolging en de interne rapportering van de risico's, een passende onafhankelijke compliancefunctie, een passende onafhankelijke interneauditfunctie, een passend integriteitsbeleid, een passende onafhankelijke risicobeheerfunctie en passende maatregelen op het vlak van de bedrijfscontinuïteit, en nadere regels opstellen conform de Europese regelgeving, met name regels waarin de minimumvoorwaarden worden vastgesteld die moeten worden vervuld wat betreft het in artikel 20 bedoelde vereiste om over passende deskundigheid te beschikken, met inbegrip van de modaliteiten met betrekking tot de procedure voor de beoordeling van dat vereiste.
  
Art. 21. § 1er. Tout établissement de paiement doit disposer d'un dispositif solide et adéquat d'organisation d'entreprise, dont des mesures de surveillance, en vue de garantir une gestion efficace et prudente de l'établissement, reposant notamment sur :
  1° une structure de gestion adéquate basée, au plus haut niveau, sur une distinction claire entre la direction effective de l'établissement d'une part, et le contrôle sur cette direction d'autre part, et prévoyant, au sein de l'établissement, une séparation adéquate des fonctions et un dispositif d'attribution des responsabilités qui est bien défini, transparent et cohérent;
  2° une organisation administrative et comptable et un contrôle interne adéquats, impliquant notamment un système de contrôle procurant, d'une part, un degré de certitude raisonnable quant à la fiabilité du processus de reporting financier, de manière à ce que les comptes annuels soient conformes à la réglementation comptable en vigueur et, d'autre part, permettant d'assurer le respect des obligations prévues par la loi du 18 septembre 2017 et le [6 Règlement (UE) 2023/1113]6;
  3° des mesures de contrôle et de sécurité adéquates dans le domaine informatique, permettant notamment d'assurer le respect des dispositions prévues par les articles 46 à 49 et 51 [5 et les dispositions relatives à l'utilisation des services de technologie de l'information et de la communication (TIC) prévues par le règlement (UE) 2022/2554]5;
  4° des procédures efficaces d'identification, de mesure, de gestion, de suivi et de reporting interne des risques auxquels l'établissement de paiement est ou pourrait être exposé en raison de ses activités, et en particulier des procédures de gestion des risques opérationnels et de sécurité conformes aux articles 50 à 52 et des procédures de reporting des incidents conformes à l'article 53;
  5° une fonction de conformité (compliance) indépendante adéquate, destinée à assurer le respect, par l'établissement, les membres de son organe légal d'administration, ses dirigeants effectifs, ses salariés et ses mandataires, des règles légales et réglementaires relatives à l'intégrité de l'activité des établissements de paiement;
  6° une fonction de gestion des risques indépendante adéquate;
  7° une fonction d'audit interne indépendante adéquate permettant d'identifier les mesures raisonnables pour protéger les intérêts des utilisateurs de services de paiement et garantir la continuité et la fiabilité de la fourniture de services de paiement;
  8° une politique d'intégrité adéquate;
  9° [5 la mise en place de mesures adéquates de continuité de l'activité afin d'assurer le maintien des opérations critiques ou leur rétablissement le plus rapidement possible, ainsi que la reprise dans un délai raisonnable de la fourniture des services habituels et de l'exercice des activités normales. Cela implique notamment la désignation claire des opérations critiques, l'établissement de politiques et de plans appropriés en matière de continuité des activités de technologies de l'information et de la communication (TIC) et des plans de rétablissement efficaces de ces technologies, ainsi qu'une procédure prévoyant, conformément au règlement (UE) 2022/2554, de soumettre ces plans à des tests et de réexaminer périodiquement leur adéquation et leur efficience ;]5
  [3 10° un système adéquat d'alerte interne, conforme à la législation prise en vue de la transposition de la directive (UE) 2019/1937 du Parlement européen et du Conseil du 23 octobre 2019 sur la protection des personnes qui signalent des violations du droit de l'Union, prévoyant notamment un mode de transmission spécifique, indépendant et autonome, des infractions aux normes et aux codes de conduite applicables à l'établissement.]3
  [1 § 1er/1. En particulier, il est interdit aux établissements de paiement de mettre en place un mécanisme particulier.
   Par "mécanisme particulier", on entend un procédé qui remplit cumulativement les conditions suivantes :
   1° il a pour but ou pour effet de rendre possible ou de favoriser la fraude fiscale par des tiers ;
   2° son initiative procède de l'établissement de paiement lui-même ou implique de toute évidence la coopération active de l'établissement de paiement ou, encore, procède d'une négligence manifeste de l'établissement de paiement ;
   3° il implique un ensemble de comportements ou d'omissions ;
   4° il présente un caractère particulier, c'est-à-dire que l'établissement de paiement sait ou devrait savoir que le mécanisme s'écarte des normes et des usages normaux en matière d'opérations réalisées dans le cadre de services de paiement, et, plus généralement, d'opérations financières.]1

  § 2. Les dispositifs organisationnels visés au paragraphe 1er présentent un caractère exhaustif et sont appropriés à la nature, à l'échelle et à la complexité des risques inhérents au modèle d'entreprise et aux activités de l'établissement, en ce compris les activités visées à l'article 43, § 1er,et celles autorisées en vertu de l'article 44.
  § 3. La Banque peut, [2 sans préjudice des dispositions des paragraphes 1er, 1er/1, et 2]2, [4 et des articles 20 et 36/1]4, préciser, par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998, ce qu'il y a lieu d'entendre par structure de gestion adéquate, organisation administrative et comptable adéquate, contrôle interne adéquat, mesures de contrôle et de sécurité adéquate dans le domaine informatique, procédures efficaces d'identification, de mesure, de gestion, de suivi et de reporting interne des risques, fonction de compliance indépendante adéquate, fonction d'audit interne indépendante adéquate, politique d'intégrité adéquate, fonction de gestion des risques indépendante adéquate et mesures adéquates de continuité de l'activité et élaborer des règles plus précises conformément à la réglementation européenne, notamment des règles précisant les conditions minimales auxquelles il doit être satisfait en ce qui concerne l'exigence d'expertise adéquate visée à l'article 20, en ce compris les modalités de la procédure d'évaluation de cette exigence.
  
Art. 22. Als de betalingsinstelling nauwe banden heeft met andere natuurlijke of rechtspersonen, mogen die banden geen belemmering vormen voor het toezicht op de betalingsinstelling.
  Als de betalingsinstelling nauwe banden heeft met een natuurlijke of rechtspersoon die onder het recht van een derde land ressorteert, mogen de voor die persoon geldende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen of de tenuitvoerlegging ervan, geen belemmering vormen voor het toezicht op de betalingsinstelling.
Art. 22. S'il existe des liens étroits entre l'établissement de paiement et d'autres personnes physiques ou morales, ces liens ne peuvent entraver l'exercice du contrôle de l'établissement de paiement.
  Si l'établissement de paiement a des liens étroits avec une personne physique ou morale relevant du droit d'un pays tiers, les dispositions légales, réglementaires et administratives applicables à cette personne ou leur mise en oeuvre ne peuvent entraver l'exercice du contrôle de l'établissement de paiement.
Onderafdeling 8. - Hoofdbestuur
Sous-section 8. - Administration centrale
Art. 23. Het hoofdbestuur van een betalingsinstelling moet in België zijn gevestigd. Een substantieel deel van de bedrijfswerkzaamheden van de betalingsinstelling wordt in België uitgevoerd.
Art. 23. L'administration centrale de l'établissement de paiement doit être établie en Belgique. L'établissement de paiement exerce une partie substantielle de son activité en Belgique.
Afdeling III. - Bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden
Section III. - Conditions d'exercice de l'activité
Onderafdeling 1. - Algemene bepaling
Sous-section 1re. - Généralité
Art. 24. Iedere betalingsinstelling moet blijvend voldoen aan de bij of krachtens de artikelen 15 tot 23 vastgelegde voorwaarden.
  De betalingsinstelling brengt de Bank onverwijld op de hoogte van alle wijzigingen die zij in de loop van de uitoefening van haar bedrijf heeft aangebracht in de gegevens die overeenkomstig artikel 10 zijn meegedeeld.
Art. 24. Les établissements de paiement doivent en permanence satisfaire aux conditions prévues par ou en vertu des articles 15 à 23.
  L'établissement de paiement informe sans tarder la Banque de toutes modifications apportées, au cours de l'exercice de son activité, aux informations communiquées conformément à l'article 10.
Onderafdeling 2. - Wijzigingen in de kapitaalstructuur
Sous-section 2. - Des modifications dans la structure du capital
Art. 25. Onverminderd artikel 19 en onverminderd de wet van 2 mei 2007, moet iedere alleen of in onderling overleg handelende natuurlijke of rechtspersoon die besloten heeft om, rechtstreeks of onrechtstreeks, een gekwalificeerde deelneming in een betalingsinstelling naar Belgisch recht te verwerven of te vergroten, waardoor het percentage van de door hem gehouden stemrechten of aandelen in het kapitaal de drempel van 20 %, 30 % of 50 % zou bereiken of overschrijden, dan wel de betalingsinstelling zijn dochteronderneming zou worden, de Bank daarvan vooraf schriftelijk kennis geven met vermelding van de omvang van de beoogde deelneming en de relevante informatie die vereist is voor de beoordeling van de kennisgeving in het licht van de in artikel 19, tweede lid, bedoelde criteria.
  De Bank publiceert op haar website een lijst met de voor de beoordeling vereiste relevante informatie die in verhouding staat tot en afgestemd is op de aard van de kandidaat-verwerver en de voorgenomen verwerving en die haar samen met de in het eerste lid bedoelde kennisgeving moet worden verstrekt.
Art. 25. Sans préjudice de l'article 19 et de la loi du 2 mai 2007, toute personne physique ou morale agissant seule ou de concert avec d'autres, qui a pris la décision soit d'acquérir, directement ou indirectement, une participation qualifiée dans un établissement de paiement de droit belge, soit de procéder, directement ou indirectement, à une augmentation de cette participation qualifiée dans un tel établissement, de telle façon que la proportion de droits de vote ou de parts de capital détenue atteigne ou dépasse les seuils de 20 %, de 30 % ou de 50 %, ou que l'établissement de paiement devienne sa filiale, est tenue de notifier par écrit au préalable à la Banque le montant envisagé de sa participation et les informations pertinentes nécessaires à l'évaluation de la notification au regard des critères visés à l'article 19, alinéa 2.
  La Banque publie sur son site internet une liste spécifiant les informations pertinentes, proportionnées et adaptées à la nature du candidat acquéreur et de l'acquisition envisagée, qui sont nécessaires pour procéder à l'évaluation et qui doivent lui être communiquées au moment de la notification visée à l'alinéa 1er.
Art. 26. De periode waarover de Bank beschikt om haar beslissing met betrekking tot de in artikel 27 bedoelde beoordeling te nemen, bedraagt ten hoogste drie maanden te rekenen vanaf de datum van ontvangst van de kennisgeving en van alle documenten die vereist zijn conform de in artikel 25, tweede lid, bedoelde lijst.
  De Bank kan uit eigen beweging tijdens de beoordelingsperiode aanvullende informatie opvragen die noodzakelijk is om de beoordeling af te ronden. In dit verzoek, dat schriftelijk moet worden gedaan, is vermeld welke aanvullende informatie nodig is.
  De beoordelingsperiode wordt onderbroken vanaf de datum van het verzoek van de Bank om informatie tot de ontvangst van een antwoord daarop van de kandidaat-verwerver.
Art. 26. La période dont dispose la Banque pour rendre sa décision concernant l'évaluation visée à l'article 27 est de maximum trois mois à compter de la date de réception de la notification et de tous les documents requis sur la base de la liste visée à l'article 25, alinéa 2.
  Pendant la période d'évaluation, la Banque peut d'initiative demander un complément d'information nécessaire pour mener à bien l'évaluation. Cette demande est faite par écrit et précise les informations complémentaires nécessaires.
  Pendant la période comprise entre la date de la demande d'information par la Banque et la réception d'une réponse du candidat acquéreur à cette demande, la période d'évaluation est suspendue.
Art. 27. Bij de beoordeling van de in artikel 25 bedoelde kennisgeving en informatie, en van de in artikel 26 bedoelde aanvullende informatie, toetst de Bank, met het oog op een gezonde en prudente bedrijfsvoering van de betalingsinstelling die het doelwit is van de voorgenomen verwerving en rekening houdend met de vermoedelijke invloed van de kandidaat-verwerver op de betalingsinstelling, de geschiktheid van de kandidaat-verwerver en de financiële soliditeit van de voorgenomen verwerving aan alle in artikel 19, tweede lid, bedoelde criteria.
  De Bank kan zich in de loop van de beoordelingsperiode bedoeld in artikel 26 verzetten tegen de voorgenomen verwerving indien zij, uitgaande van de in artikel 19, tweede lid, vastgestelde criteria, gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de kandidaat-verwerver niet geschikt is om een gezonde en prudente bedrijfsvoering van de betalingsinstelling te garanderen, of indien de informatie die de kandidaat-verwerver heeft verstrekt, onvolledig of onjuist is.
  Wanneer de Bank na voltooiing van de beoordeling besluit zich tegen de voorgenomen verwerving te verzetten, stelt zij de kandidaat-verwerver daarvan schriftelijk in kennis.
  Indien de Bank zich na afloop van de beoordelingsperiode niet heeft verzet tegen de voorgenomen verwerving, wordt deze geacht te zijn goedgekeurd.
  De Bank mag voor de voltooiing van de voorgenomen verwerving een maximumtermijn vaststellen en deze in voorkomend geval verlengen.
Art. 27. En procédant à l'évaluation de la notification et des informations visées à l'article 25 et des informations complémentaires visées à l'article 26, la Banque apprécie, afin de garantir une gestion saine et prudente de l'établissement de paiement visé par l'acquisition envisagée et en tenant compte de l'influence probable du candidat acquéreur sur l'établissement de paiement, le caractère approprié du candidat acquéreur et la solidité financière de l'acquisition envisagée en appliquant l'ensemble des critères visés à l'article 19, alinéa 2.
  La Banque peut, dans le courant de la période d'évaluation visée à l'article 26, s'opposer à la réalisation de l'acquisition si elle a des motifs raisonnables de considérer, sur la base des critères prévus à l'article 19, alinéa 2, que le candidat acquéreur ne présente pas les qualités nécessaires en vue de garantir une gestion saine et prudente de l'établissement de paiement ou si les informations fournies par le candidat acquéreur sont incomplètes ou inexactes.
  Si la Banque décide, au terme de l'évaluation, de s'opposer à l'acquisition envisagée, elle le notifie par écrit au candidat acquéreur.
  Si, au terme de la période d'évaluation, la Banque ne s'est pas opposée à l'acquisition envisagée, celle-ci est réputée approuvée.
  La Banque peut fixer un délai maximal pour la conclusion de l'acquisition envisagée et, le cas échéant, le prolonger.
Art. 28. Voor het verrichten van de in artikel 27 bedoelde beoordeling werkt de Bank in nauw overleg samen met alle andere betrokken bevoegde autoriteiten of, al naargelang het geval, in overleg met de FSMA, indien de kandidaat-verwerver een onderneming is die onderworpen is aan een bancair of financieel toezichtsstatuut dat onder de bevoegdheid van de FSMA valt of die een zeggenschapsband heeft met een dergelijke onderneming.
  Hiertoe wisselt de Bank met deze autoriteiten zo spoedig mogelijk alle informatie uit die relevant of van essentieel belang is voor de beoordeling. In dit verband verstrekt zij op verzoek alle relevante informatie en, uit eigen beweging, alle essentiële informatie. In de in het eerste lid bedoelde gevallen vermeldt de Bank in haar besluit de eventuele standpunten of bedenkingen van de autoriteit die bevoegd is voor de kandidaat-verwerver of, al naargelang het geval, van de FSMA.
Art. 28. La Banque procède à l'évaluation visée à l'article 27 en consultation étroite avec toute autre autorité compétente concernée, ou, selon le cas, en concertation avec la FSMA, si le candidat acquéreur est une entreprise soumise à un statut de contrôle dans les domaines bancaires ou financiers relevant des compétences de la FSMA ou exerce un lien de contrôle à l'égard d'une telle entreprise.
  A cette fin, la Banque échange, dans les meilleurs délais, avec ces autorités toute information essentielle ou pertinente pour l'évaluation. Dans ce cadre, elle communique, sur demande, toute information pertinente et, de sa propre initiative, toute information essentielle. Dans les cas visés à l'alinéa 1er, la décision de la Banque mentionne les éventuels avis ou réserves formulés par l'autorité compétente à l'égard du candidat acquéreur ou, selon le cas, par la FSMA.
Art. 29. Iedere natuurlijke of rechtspersoon die besloten heeft om niet langer een rechtstreekse of onrechtstreekse gekwalificeerde deelneming in een betalingsinstelling te bezitten, stelt de Bank daarvan vooraf schriftelijk in kennis met vermelding van de omvang van de deelneming na de afstoting. Die persoon stelt de Bank eveneens in kennis van zijn beslissing om de omvang van zijn gekwalificeerde deelneming zodanig te verkleinen dat het percentage van de door hem gehouden stemrechten of aandelen in het kapitaal onder de drempel van 20 %, 30 % of 50 % daalt of dat de betalingsinstelling ophoudt zijn dochteronderneming te zijn.
Art. 29. Toute personne physique ou morale qui a pris la décision de cesser de détenir, directement ou indirectement, une participation qualifiée dans un établissement de paiement le notifie par écrit au préalable à la Banque et lui communique le montant envisagé de sa participation après cession. Une telle personne notifie de même à la Banque sa décision de diminuer sa participation qualifiée de telle façon que la proportion de droits de vote ou de parts de capital détenue descende en-dessous des seuils de 20 %, de 30 % ou de 50 %, ou que l'établissement de paiement cesse d'être sa filiale.
Art. 30. Indien de bij de artikelen 25 of 29 voorgeschreven voorafgaande kennisgevingen niet worden verricht of indien een deelneming wordt verworven of vergroot ondanks het in artikel 27, tweede lid, bedoelde verzet, kan de voorzitter van de [1 ondernemingsrechtbank]1 van het rechtsgebied waar de betalingsinstelling haar zetel heeft, uitspraak doende als in kort geding, [2 de in artikel 7:84, § 1, van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen bedoelde maatregelen]2 nemen.
  De procedure wordt ingeleid bij dagvaarding uitgaande van de Bank.
  [2 Artikel 7:84, § 3, van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen is van toepassing.]2
  
Art. 30. En cas d'abstention de procéder aux notifications préalables prescrites par les articles 25 ou 29 ou en cas d'acquisition ou d'accroissement d'une participation en dépit de l'opposition visée à l'article 27, alinéa 2, le président du [1 tribunal de l'entreprise]1 dans le ressort duquel l'établissement de paiement a son siège, statuant comme en référé, peut prendre les mesures [2 visées à l'article 7:84, § 1er, du Code des sociétés et des associations]2.
  La procédure est engagée par citation émanant de la Banque.
  [2 L'article 7:84, § 3, du Code des sociétés et des associations est d'application.]2
  
Art. 31. Zodra zij daarvan kennis hebben, stellen de betalingsinstellingen de Bank in kennis van de verwervingen of vervreemdingen van hun aandelen die een stijging boven of daling onder een van de drempels bedoeld in de artikelen 25 en 29 tot gevolg hebben.
  Tevens delen zij aan de Bank onmiddellijk alle informatie mee waarvan zij kennis hebben en die een invloed kan hebben op de situatie van hun aandeelhouders of vennoten ten aanzien van de in artikel 19, tweede lid, bedoelde beoordelingscriteria. Deze informatieverplichting geldt eveneens voor de in artikel 19, eerste lid, bedoelde personen.
  Zij delen de Bank ten minste eens per jaar de identiteit mee van de alleen of in onderling overleg handelende aandeelhouders of vennoten die rechtstreeks of onrechtstreeks een gekwalificeerde deelneming bezitten in hun kapitaal, alsook welke kapitaalfractie en hoeveel stemrechten zij aldus bezitten.[1 ...]1
  
Art. 31. Dès qu'ils en ont connaissance, les établissements de paiement communiquent à la Banque les acquisitions ou aliénations de leurs titres ou parts qui font franchir vers le haut ou vers le bas l'un des seuils visés aux articles 25 et 29.
  De même, ils communiquent immédiatement à la Banque toutes informations dont ils ont connaissance et de nature à influencer la situation de leurs actionnaires ou associés au regard des critères d'appréciation visés à l'article 19, alinéa 2. La même obligation d'information incombe aux personnes visées à l'article 19, alinéa 1er.
  Ils communiquent à la Banque, une fois par an au moins, l'identité des actionnaires ou associés qui possèdent, directement ou indirectement, agissant seuls ou de concert, des participations qualifiées dans leur capital, ainsi que la quotité du capital et celle des droits de vote ainsi détenus. [1 ...]1
  
Art. 31/1. [1 De in de artikelen 25, 29 en 31 bedoelde kennisgevingsverplichtingen gelden ook ingeval het percentage van de gehouden stemrechten of aandelen in het kapitaal de in die bepalingen bedoelde drempels zou bereiken of overschrijden of, in voorkomend geval, zou worden verlaagd tot onder voornoemde drempels als gevolg van een situatie die een wijziging van het niveau van een deelneming inhoudt die niet voortvloeit uit een verwerving of overdracht, met name het bestaan van meervoudige stemrechten of een verwerving van eigen aandelen door de betalingsinstelling.
   Ingeval een in artikel 25 bedoelde drempel wordt bereikt of overschreden als gevolg van de toepassing van het eerste lid, is de in de artikelen 26 tot en met 28 bedoelde beoordeling van toepassing, met dien verstande dat de in die bepalingen bedoelde verwerving in dat geval moet worden opgevat als een wijziging van het niveau van deelneming.]1

  
Art.31/1. [1 Les obligations de notification visées aux article 25, 29 et 31 sont également applicables dans les cas où la proportion de droits de vote ou de parts de capital détenue atteint, dépasse ou, le cas échéant, est réduite en-deçà des seuils visés à ces dispositions à la suite d'une situation impliquant une modification du niveau d'une participation qui n'est pas la conséquence d'une acquisition ou d'une cession, notamment de l'existence de droits de vote multiples ou encore d'une acquisition d'actions propres par l'établissement de paiement.
   Dans le cas où un seuil visé à l'article 25 est atteint ou dépassé à la suite de l'application de l'alinéa 1er, l'évaluation prévue aux articles 26 à 28 est applicable étant entendu que l'acquisition prévue auxdites dispositions vise alors la modification du niveau de participation.]1

  
Art. 32. Indien de Bank grond heeft om aan te nemen dat de invloed van een natuurlijke of rechtspersoon die rechtstreeks of onrechtstreeks een gekwalificeerde deelneming bezit in een betalingsinstelling, een gezonde en prudente bedrijfsvoering van deze betalingsinstelling kan belemmeren, kan zij, onverminderd de andere bij deze wet bepaalde maatregelen :
  1° de uitoefening schorsen van de aan de aandelen verbonden stemrechten die in bezit zijn van de betrokken aandeelhouder of vennoot; zij kan, op verzoek van elke belanghebbende, toestaan dat de door haar bevolen maatregelen worden opgeheven; haar beslissing wordt op de meest geschikte wijze ter kennis gebracht van de betrokken aandeelhouder of vennoot; haar beslissing is uitvoerbaar zodra zij ter kennis is gebracht; de Bank kan haar beslissing openbaar maken;
  2° de betrokken aandeelhouder of vennoot aanmanen om, binnen de termijn die zij bepaalt, de aandeelhoudersrechten in zijn bezit over te dragen.
  Als zij binnen de vastgestelde termijn niet worden overgedragen, kan de Bank bevelen de aandeelhoudersrechten te sekwestreren bij de instelling of de persoon die zij bepaalt. Het sekwester brengt dit ter kennis van de betalingsinstelling die het register van de aandelen op naam dienovereenkomstig wijzigt of, in voorkomend geval, die de betrokken effectenrekeningen laat wijzigen door het sekwester om de rekeninghouder te vervangen, en die de uitoefening van de hieraan verbonden rechten enkel aanvaardt vanwege het sekwester. Het sekwester handelt in het belang van een gezonde en prudente bedrijfsvoering van de betalingsinstelling en in het belang van de houder van de gesekwestreerde aandeelhoudersrechten. Het oefent alle rechten uit die aan de aandelen zijn verbonden. De bedragen die het sekwester als dividend of anderszins int, worden slechts aan de voornoemde houder overgemaakt indien hij gevolg heeft gegeven aan de in het eerste lid, 2°, bedoelde aanmaning.
  Om in te schrijven op kapitaalverhogingen of andere al dan niet stemrechtverlenende effecten, om te kiezen voor dividenduitkering in aandelen van de vennootschap, om in te gaan op openbare overname- of ruilaanbiedingen en om nog niet volgestorte aandelen vol te storten, is de instemming van de voornoemde houder vereist. De aandeelhoudersrechten die zijn verworven in het kader van dergelijke verrichtingen worden van rechtswege toegevoegd aan het voornoemde sekwester.
  De vergoeding van het sekwester wordt vastgesteld door de Bank en betaald door de voornoemde houder. Het sekwester kan deze vergoeding aftrekken van de bedragen die hem worden gestort in zijn hoedanigheid van sekwester of die hem worden gestort door de voornoemde houder in het vooruitzicht of na uitvoering van de verrichtingen.
  Indien na afloop van de overeenkomstig het eerste lid, 2°, vastgestelde termijn, stemrechten werden uitgeoefend door de oorspronkelijke houder of door een andere persoon, buiten het sekwester, die optreedt voor rekening van deze houder, niettegenstaande een schorsing van hun uitoefening overeenkomstig het eerste lid, 1°, kan de [1 ondernemingsrechtbank]1 van het rechtsgebied waar de vennootschap haar zetel heeft, op verzoek van de Bank, alle of een deel van de beslissingen van de algemene vergadering nietig verklaren wanneer de voorwaarden met betrekking tot het aanwezigheids- of meerderheidsquorum voor de genoemde beslissingen, buiten de onwettig uitgeoefende stemrechten niet zouden zijn vervuld.
  
Art. 32. Lorsque la Banque a des raisons de considérer que l'influence exercée par une personne physique ou morale détenant, directement ou indirectement, une participation qualifiée dans un établissement de paiement est de nature à compromettre sa gestion saine et prudente, et sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, elle peut :
  1° suspendre l'exercice des droits de vote attachés aux actions ou parts détenues par l'actionnaire ou l'associé en question; elle peut, à la demande de tout intéressé, accorder la levée des mesures ordonnées par elle; sa décision est notifiée de la manière la plus appropriée à l'actionnaire ou à l'associé en cause; sa décision est exécutoire dès qu'elle a été notifiée; la Banque peut rendre sa décision publique;
  2° donner injonction à l'actionnaire ou à l'associé en cause de céder, dans le délai qu'elle fixe, les droits d'associé qu'il détient.
  A défaut de cession dans le délai fixé, la Banque peut ordonner la mise sous séquestre des droits d'associés auprès de telle institution ou personne qu'elle détermine. Le séquestre en donne connaissance à l'établissement de paiement qui modifie en conséquence le registre des actions ou parts d'associés nominatives ou, le cas échéant, fait modifier les comptes-titres concernés afin de substituer le titulaire du compte par le séquestre, et qui n'accepte l'exercice des droits qui y sont attachés que par le seul séquestre. Celui-ci agit dans l'intérêt d'une gestion saine et prudente de l'établissement de paiement et dans celui du détenteur des droits d'associés ayant fait l'objet du séquestre. Il exerce tous les droits attachés aux actions ou parts d'associés. Les sommes encaissées par lui au titre de dividende ou à un autre titre ne sont remises par lui au détenteur précité que si celui-ci a satisfait à l'injonction visée à l'alinéa 1er, 2°.
  La souscription à des augmentations de capital ou à d'autres titres conférant ou non le droit de vote, l'option en matière de dividende payable en titres de la société, la réponse à des offres publiques d'acquisition ou d'échange et la libération de titres non entièrement libérés sont subordonnés à l'accord du détenteur précité. Les droits d'associés acquis en vertu de ces opérations font, de plein droit, l'objet du séquestre prévu ci-dessus.
  La rémunération du séquestre est fixée par la Banque et est à charge du détenteur précité. Le séquestre peut imputer cette rémunération sur les sommes qui lui sont versées en sa qualité de séquestre ou par le détenteur précité aux fins ou comme conséquence des opérations effectuées.
  Lorsque des droits de vote ont été exercés par le détenteur originaire ou par une personne, autre que le séquestre, agissant pour le compte de ce détenteur après l'échéance du délai fixé conformément à l'alinéa 1er, 2°, nonobstant une suspension de leur exercice prononcée conformément à l'alinéa 1er, 1°, le [1 tribunal de l'entreprise]1 dans le ressort duquel la société a son siège peut, sur requête de la Banque, prononcer la nullité de tout ou partie des délibérations de l'assemblée générale si, sans les droits de vote illégalement exercés, les conditions de quorum de présence ou de majorité requises pour lesdites délibérations n'auraient pas été réunies.
  
Onderafdeling 3. - Minimum eigen vermogen
Sous-section 3. - Des fonds propres minimums
Art. 33. § 1. Het eigen vermogen van een betalingsinstelling mag op geen enkel moment dalen onder het bedrag van het op grond van artikel 17 vastgestelde aanvangskapitaal.
  Er mag geen kapitaal worden terugbetaald als dit voor de instelling tot gevolg zou hebben dat zij niet meer zou voldoen aan de krachtens paragraaf 2 vastgestelde eigenvermogensvereisten. [1 Wanneer het gaat om een coöperatieve vennootschap zijn de artikelen 7:208, 7:209 en 7:210 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen van overeenkomstige toepassing op elke vermindering van het in artikel 17, lid 3 bedoelde vast gedeelde van het kapitaal, die onderworpen zijn aan de voorafgaande goedkeuring van de Bank.]1
  [1 Elke verhoging van het in artikel 17, lid 3 bedoelde vast gedeelde van het kapitaal moet volledig geplaatst en gestort zijn en bij authentieke akte vastgesteld worden. De artikelen 7:179 en 7:195 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen zijn van overeenkomstige toepassing.]1
  § 2. De Bank bepaalt bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis van de wet van 22 februari 1998 de in aanmerking komende en kwalificerende eigenvermogensbestanddelen, met inbegrip van wat mag worden afgetrokken van deze bestanddelen, evenals de solvabiliteitsverplichtingen die moeten worden nageleefd door de betalingsinstellingen die de in de punten 1 tot 6 van Bijlage I.A bedoelde betalingsdiensten aanbieden of per categorie van betalingsinstelling, met uitzondering van de betalingsinstellingen waarvan de diensten beperkt zijn tot punt 7 van Bijlage I.A en stelt in voorkomend geval verschillende methodes vast naargelang van de categorie van betalingsinstelling.
  § 3. Onverminderd de solvabiliteitsverplichtingen bepaald bij de paragrafen 1 en 2, kan de Bank aanvullende maatregelen nemen in het geval van een betalingsinstelling die rechtstreeks of onrechtstreeks andere werkzaamheden dan betalingsdiensten verricht, als bedoeld in de artikelen 43 en 44, wanneer die andere werkzaamheden afbreuk doen of dreigen te doen aan de financiële soliditeit van de betalingsinstelling.
  § 4. In specifieke gevallen kan de Bank afwijkingen toestaan van de bepalingen van de krachtens dit artikel vastgestelde reglementen.
  In het bijzonder, indien de voorwaarden van artikel 7 van Verordening (EU) nr. 575/2013 vervuld zijn, kan de Bank afwijken van de toepassing van de vereisten van paragraaf 2 voor betalingsinstellingen die onder het geconsolideerde toezicht op een moederkredietinstelling vallen uit hoofde van Richtlijn 2013/36/EU.
  
Art. 33. § 1er. Les fonds propres d'un établissement de paiement ne peuvent à aucun moment devenir inférieurs au montant du capital initial fixé en application de l'article 17.
  Il ne peut être procédé à un remboursement de capital s'il en résultait que l'établissement ne respecterait plus les exigences en matière de fonds propres établies en vertu du paragraphe 2. [1 S'il s'agit d'une société coopérative, les articles 7:208, 7:209 et 7:210 du Code des sociétés et associations sont applicables, par analogie, à toute réduction de la part fixe du capital visée à l'article 17, alinéa 3, qui requiert l'accord préalable de la Banque.]1
  [1 Toute augmentation de la part fixe du capital visée à l'article 17, alinéa 3 doit être intégralement souscrite et libérée et être constatée par acte authentique. Les articles 7:179 et 7:195 du Code des sociétés et associations sont d'application par analogie.]1
  § 2. La Banque détermine par voie de règlement adopté en application de l'article 12bis de la loi du 22 février 1998, les éléments de fonds propres éligibles et reconnaissables, en ce compris les déductions de ces éléments, ainsi que les obligations en matière de solvabilité à respecter par les établissements de paiement exerçant les services de paiement visés aux points 1 à 6 de l'Annexe I.A ou par catégorie d'établissements de paiement à l'exception des établissements de paiement dont les services sont limités au point 7 de l'Annexe I.A et ce, le cas échéant, en établissant des méthodes différentes applicables selon les catégories d'établissement de paiement.
  § 3. Sans préjudice des obligations en matière de solvabilité prévues aux paragraphes 1er et 2, la Banque peut prendre des mesures complémentaires dans le cas d'un établissement de paiement qui exerce directement ou indirectement d'autres activités que les services de paiement, visées aux articles 43 et 44, lorsque ces autres activités portent ou risquent de porter atteinte à la solidité financière de l'établissement de paiement.
  § 4. La Banque peut, dans des cas particuliers, autoriser des dérogations aux dispositions des règlements adoptés en vertu du présent article.
  En particulier, si les conditions prévues à l'article 7 du Règlement (UE) n° 575/2013 sont réunies, la Banque peut déroger à l'application des exigences prévues en vertu du paragraphe 2 pour les établissements de paiement qui relèvent de la surveillance sur base consolidée d'un établissement de crédit mère conformément à la Directive 2013/36/UE.
  
Onderafdeling 4. - Leiding en leiders
Sous-section 4. - La direction et les dirigeants
4.1. Toezicht en beoordeling door het wettelijk bestuursorgaan
4.1. Du contrôle et de l'évaluation par l'organe légal d'administration
Art. 34. § 1. Het wettelijk bestuursorgaan beoordeelt periodiek en minstens eenmaal per jaar de doeltreffendheid van en de overeenstemming met de wettelijke en reglementaire bepalingen van :
  1° de organisatieregelingen van de instelling, als bedoeld in de artikelen 21 en 38, § 1, tweede lid, 1° ;
  2° de maatregelen die noodzakelijk zijn om de naleving van artikel 42, §§ 1 en 2 te verzekeren.
  Het ziet erop toe dat de personen belast met de effectieve leiding van de betalingsinstelling de nodige maatregelen nemen om eventuele tekortkomingen aan te pakken.
  § 2. Het wettelijk bestuursorgaan oefent effectief toezicht uit op de personen belast met de effectieve leiding en is verantwoordelijk voor het toezicht op hun beslissingen.
  Daarnaast beoordeelt het de goede werking van de in artikel 21 bedoelde onafhankelijke controlefuncties.
Art. 34. § 1er. L'organe légal d'administration évalue périodiquement, et au moins une fois par an, l'efficacité et la conformité aux obligations légales et réglementaires :
  1° des dispositifs d'organisation de l'établissement visés aux articles 21 et 38, § 1er, alinéa 2, 1° ;
  2° des mesures nécessaires pour assurer le respect de l'article 42, §§ 1er et 2.
  Il veille à ce que les personnes chargées de la direction effective de l'établissement de paiement prennent les mesures nécessaires pour remédier aux éventuels manquements constatés.
  § 2. L'organe légal d'administration exerce un contrôle effectif sur les personnes chargées de la direction effective et assure la surveillance de leurs décisions.
  Il évalue en outre le bon fonctionnement des fonctions de contrôle indépendantes visées à l'article 21.
Art. 35. Het wettelijk bestuursorgaan ziet toe op de integriteit van de boekhoud- en financiëleverslaggevingssystemen. Het beoordeelt de werking van de interne controle minstens eenmaal per jaar en waakt erover dat deze controle een redelijke mate van zekerheid verschaft over de betrouwbaarheid van het financiëleverslaggevingsproces, zodat de jaarrekening en de financiële informatie in overeenstemming is met de geldende reglementering.
  Het wettelijk bestuursorgaan gaat regelmatig over tot de toetsing en beoordeling van het veiligheidsbeleid voor het aangaan, beheren, opvolgen en beperken van de operationele en veiligheidsrisico's waaraan de instelling is blootgesteld en van de procedures en maatregelen voor het beheer van gevoelige betalingsgegevens.
Art. 35. L'organe légal d'administration veille à l'intégrité des systèmes de comptabilité et de déclaration d'information financière. Il évalue le fonctionnement du contrôle interne au moins une fois par an et s'assure que ce contrôle procure un degré de certitude raisonnable quant à la fiabilité du processus de reporting financier, de manière à ce que les comptes annuels et l'information financière soient conformes à la réglementation en vigueur.
  L'organe légal d'administration revoit et évalue régulièrement les politiques de sécurité régissant la prise, la gestion, le suivi et l'atténuation des risques opérationnels et de sécurité auxquels l'établissement est exposé ainsi que les processus et mesures pour gérer les données de paiement sensibles.
4.2. Maatregelen die moeten worden genomen door de personen belast met de effectieve leiding
4.2. Des mesures à prendre par les personnes chargées de la direction effective
Art. 36. Onverminderd de bevoegdheden van het wettelijk bestuursorgaan nemen de personen belast met de effectieve leiding van de betalingsinstelling onder toezicht van het wettelijk bestuursorgaan de nodige maatregelen voor de naleving en de tenuitvoerlegging van de artikelen 21, 38, § 1, tweede lid en 42, §§ 1 et 2.
  De personen belast met de effectieve leiding brengen minstens eenmaal per jaar verslag uit aan het wettelijk bestuursorgaan, de Bank en de erkend commissaris, over de naleving van de bepalingen van het eerste lid en over de maatregelen die in voorkomend geval worden genomen om eventuele tekortkomingen aan te pakken.
  De informatieverstrekking aan de Bank en de commissaris gebeurt volgens de modaliteiten die de Bank bepaalt.
Art. 36. Sans préjudice des pouvoirs dévolus à l'organe légal d'administration et sous sa surveillance, les personnes chargées de la direction effective de l'établissement de paiement prennent les mesures nécessaires pour assurer le respect et la mise en oeuvre des articles 21, 38, § 1er, alinéa 2, et 42, §§ 1eret 2.
  Les personnes chargées de la direction effective font rapport au moins une fois par an à l'organe légal d'administration, à la Banque et au commissaire sur le respect des dispositions visées à l'alinéa 1er et les mesures prises, le cas échéant, pour remédier aux déficiences qui auraient été constatées.
  Ces informations sont transmises à la Banque et au commissaire selon les modalités que la Banque détermine.
4.2./1 [1 Vereisten inzake de samenstelling van het wettelijk bestuursorgaan en de samenstelling van de effectieve leiding]1
4.2./1 [1 Exigences relatives à la composition de l'organe légal d'administration et à la composition de la direction effective]1
Art. 36/1. [1 Het wettelijk bestuursorgaan en de effectieve leiding zijn zodanig samengesteld dat zij in hun geheel genomen over voldoende kennis, vaardigheden en ervaring beschikken om inzicht te hebben in alle bedrijfsactiviteiten van de betalingsinstelling, met inbegrip van de voornaamste risico's waaraan zij is blootgesteld.]1
  
Art.36/1. [1 La composition de l'organe légal d'administration et de la direction effective assure que ces derniers disposent collectivement des connaissances, des compétences et de l'expérience nécessaires à la compréhension de l'ensemble des activités de l'établissement de paiement, y compris des principaux risques auxquels il est exposé.]1
  
4.3. Benoemingen en ontslagen
4.3. Nominations et démissions
Art. 37. § 1. De betalingsinstellingen stellen de Bank voorafgaandelijk in kennis van het voorstel tot benoeming van de leden van het wettelijk bestuursorgaan van de betalingsinstelling, van de personen belast met de effectieve leiding ervan, evenals van de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties.
  [1 In het kader van de krachtens het eerste lid vereiste kennisgeving delen de betalingsinstellingen aan de Bank alle documenten en informatie mee die haar toelaten te beoordelen of:
   - de personen waarvan de benoeming wordt voorgesteld, overeenkomstig artikel 20 over de voor de uitoefening van hun functie vereiste professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid beschikken;
   - het profiel van de betrokken personen zodanig is dat voldaan wordt aan het vereiste van collectieve bekwaamheid van artikel 36/1.]1

  Het eerste lid is eveneens van toepassing op het voorstel tot hernieuwing van de benoeming van de in het eerste lid bedoelde personen, evenals op de niet-hernieuwing van hun benoeming, hun afzetting of hun ontslag.
  § 2. De benoeming van de in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde personen wordt voorafgaandelijk ter goedkeuring voorgelegd aan de Bank. [1 De goedkeuring van de Bank wordt enkel verleend indien de betrokken benoeming waarborgt dat de betrokken persoon voldoet aan artikel 20 en de betalingsinstelling aan die van artikel 36/1.]1
  Wanneer het de benoeming betreft van een persoon die voor het eerst voor een functie als bedoeld in paragraaf 1 wordt voorgedragen bij een financiële onderneming die onder het toezicht staat van de Bank krachtens artikel 36/2 van de wet van 22 februari 1998, of van de Europese Centrale Bank krachtens de GTM-verordening, raadpleegt de Bank eerst de FSMA.
  De FSMA deelt haar advies mee aan de Bank binnen een termijn van een week na ontvangst van het verzoek om advies.
  § 3. De betalingsinstellingen informeren de Bank over de eventuele taakverdeling tussen de leden van het wettelijk bestuursorgaan en tussen de personen belast met de effectieve leiding.
  Belangrijke wijzigingen in de taakverdeling als bedoeld in het eerste lid, geven aanleiding tot de toepassing van de paragrafen 1 en 2.
  
Art. 37. § 1er. Les établissements de paiement informent préalablement la Banque de la proposition de nomination des membres de l'organe légal d'administration de l'établissement de paiement, des personnes chargées de sa direction effective ainsi que des responsables des fonctions de contrôle indépendantes.
  [1 Dans le cadre de l'information requise en vertu de l'alinéa 1er, les établissements de paiement communiquent à la Banque tous les documents et informations lui permettant d'évaluer si :
   - les personnes dont la nomination est proposée disposent de l'honorabilité professionnelle nécessaire et de l'expertise adéquate à l'exercice de leur fonction conformément à l'article 20 ;
   - le profil des personnes concernées permet de satisfaire à l'exigence de compétence collective prévue par l'article 36/1.]1

  L'alinéa 1er est également applicable à la proposition de renouvellement de la nomination des personnes qui y sont visées ainsi qu'au non-renouvellement de leur nomination, à leur révocation ou à leur démission.
  § 2. La nomination des personnes visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, est soumise à l'approbation préalable de la Banque. [1 L'approbation de la Banque n'est donnée que si la nomination considérée assure le respect de l'article 20 dans le chef de la personne concernée et de l'article 36/1 dans le chef de l'établissement de paiement.]1
  Lorsqu'il s'agit de la nomination d'une personne qui est proposée pour la première fois à une fonction visée au paragraphe 1er dans une entreprise financière relevant du contrôle de la Banque en vertu de l'article 36/2 de la loi du 22 février 1998 ou de la Banque centrale européenne en vertu du Règlement MSU, la Banque consulte préalablement la FSMA.
  La FSMA communique son avis à la Banque dans un délai d'une semaine à compter de la réception de la demande d'avis.
  § 3. Les établissements de paiement informent la Banque de la répartition éventuelle des tâches entre les membres de l'organe légal d'administration et entre les personnes chargées de la direction effective.
  Les modifications importantes intervenues dans la répartition des tâches visée à l'alinéa 1er donnent lieu à l'application des paragraphes 1er et 2.
  
Art. 37/1. [1 De leden van het wettelijk bestuursorgaan en, in voorkomend geval, de leden van de raad van toezicht en de leden van de directieraad, mogen geen functie als loontrekkende uitoefenen in de betalingsinstelling of in een vennootschap waarin de betalingsinstelling een deelneming heeft.
   De Bank kan per geval toestaan dat een betalingsinstelling voor de leden van haar wettelijk bestuursorgaan afwijkt van de in het eerste lid bedoelde verplichting wanneer zij voornemens is in haar wettelijk bestuursorgaan personen te benoemen die loontrekkende en werknemersvertegenwoordiger zijn in bijkantoren die gevestigd zijn in een lidstaat waar de medezeggenschap van werknemersvertegenwoordigers in het toezichthoudend orgaan wettelijk is verankerd of in entiteiten waarin de betalingsinstelling een deelneming heeft, vanwege haar internationale dimensie of omdat zij deel uitmaakt van een groep waartoe entiteiten behoren die onderworpen zijn aan een ander rechtsstelsel waarin de medezeggenschap van werknemersvertegenwoordigers in het toezichthoudend orgaan wettelijk verankerd is, indien deze afwijking naar het oordeel van de Bank geen afbreuk doet aan het passende karakter van het governancesysteem van de betalingsinstelling, en met name niet aan de adequaatheid van het toezicht op de effectieve leiding. De Bank kan aan een op grond van dit lid verleende afwijking voorwaarden verbinden om het passende karakter van de governance van de instelling te waarborgen.]1

  
Art.37/1. [1 Les membres de l'organe légal d'administration et, le cas échéant, les membres du conseil de surveillance et les membres du conseil de direction, ne peuvent pas exercer de fonction en qualité de salarié au sein de l'établissement de paiement ou d'une société dans laquelle l'établissement de paiement détient une participation.
   La Banque peut, au cas par cas, autoriser un établissement de paiement à déroger à l'obligation visée à l'alinéa 1er en ce qu'elle concerne les membres de son organe légal d'administration, lorsque cet établissement entend procéder à la nomination au sein de son organe légal d'administration de personnes ayant la qualité de salarié et de représentant du personnel auprès de succursales situées dans un Etat au sein duquel la participation de représentants des travailleurs au sein de l'organe de surveillance est légalement consacrée ou d'entités dans laquelle l'établissement de paiement détient une participation, en raison de sa dimension internationale ou de son appartenance à un groupe dont des entités relèvent d'un autre ordre juridique au sein duquel la participation de représentants des travailleurs au sein de l'organe de surveillance est légalement consacrée si, à l'appréciation de la Banque, une telle dérogation ne porte pas atteinte au caractère adéquat du système de gouvernance de l'établissement de paiement, en particulier l'adéquation de la surveillance de la direction effective. La Banque peut assortir une dérogation accordée en application du présent alinéa de conditions visant à assurer le caractère adéquat de la gouvernance de l'établissement.]1

  
Onderafdeling 5. - Uitbesteding
Sous-section 5. - Recours à la sous-traitance
Art. 38. § 1. Iedere betalingsinstelling die functies, werkzaamheden of operationele taken uitbesteedt, blijft volledig verantwoordelijk voor de nakoming van al haar verplichtingen uit hoofde van deze wet of de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn (EU) 2015/2366.
  In het bijzonder mag de uitbesteding van operationele taken, vooral wanneer deze belangrijk zijn, niet tot het volgende leiden :
  1° er wordt afbreuk gedaan aan de kwaliteit van de organisatie en er wordt in het bijzonder afbreuk gedaan aan de kwaliteit van de interne controle van de betalingsinstelling;
  2° het operationele risico neemt onnodig toe;
  3° er wordt afbreuk gedaan aan het vermogen van de Bank om na te gaan of de betalingsinstelling de verplichtingen nakomt die door of krachtens deze wet of door de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn (EU) 2015/2366 zijn opgelegd;
  4° de continuïteit en toereikendheid van de dienstverlening aan de betalingsdienstgebruikers wordt ondermijnd.
  § 2. Vóór de uitbesteding, in België of in het buitenland, van functies, werkzaamheden of operationele taken die belangrijk of kritiek zijn, stellen de betalingsinstellingen de Bank tijdig in kennis daarvan evenals van iedere latere belangrijke ontwikkelingen met betrekking tot deze taken.
  Voor de toepassing van het eerste lid wordt een operationele taak als belangrijk of kritiek aangemerkt indien het gebrekkig of niet uitvoeren ervan de betalingsinstelling zou hinderen bij de continue naleving van de bepalingen die door of krachtens deze wet of door de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn (EU) 2015/2366 zijn vastgesteld, of indien hierdoor wezenlijk afbreuk zou worden gedaan aan haar rentabiliteit of aan de financiële soliditeit of continuïteit van de betalingsdienstverlening.
  § 3. De Bank kan de voorgenomen uitbesteding met het oog op de naleving van paragraaf 1 aan voorwaarden of beperkingen onderwerpen.
Art. 38. § 1er. L'établissement de paiement qui sous-traite des fonctions, activités ou tâches opérationnelles conserve l'entière responsabilité du respect de l'ensemble des obligations qui lui incombe en vertu de la présente loi ou des mesures d'exécution de la Directive (UE) 2015/2366.
  En particulier, la sous-traitance de tâches opérationnelles, spécialement lorsqu'elles sont importantes, ne peut entraîner l'une des conséquences suivantes :
  1° compromettre la qualité de l'organisation, et en particulier porter atteinte à la qualité du contrôle interne de l'établissement de paiement;
  2° accroître indûment le risque opérationnel;
  3° compromettre la capacité de la Banque de vérifier que l'établissement de paiement respecte ses obligations prévues par ou en vertu de la présente loi ou par les mesures d'exécution de la Directive (UE) 2015/2366;
  4° nuire à la prestation continue d'un niveau de service satisfaisant à l'égard des utilisateurs de services de paiement.
  § 2. Les établissements de paiement informent préalablement et en temps utile la Banque de leur intention de sous-traiter, en Belgique ou à l'étranger, des fonctions, activités ou tâches opérationnelles, qui sont importantes ou critiques, ainsi que de toute évolution ultérieure importante concernant ces tâches.
  Aux fins de l'alinéa 1er, une tâche opérationnelle est considérée comme importante ou critique lorsqu'une anomalie ou une défaillance dans son exercice est susceptible de porter atteinte à la capacité de l'établissement de paiement de se conformer de manière continue aux dispositions prévues par ou en vertu de la présente loi ou par les mesures d'exécution de la Directive (UE) 2015/2366, à sa rentabilité, ou à la solidité financière ou encore à la continuité de ses services de paiement.
  § 3. La Banque peut imposer des conditions ou restrictions à la sous-traitance envisagée en vue du respect du paragraphe 1er.
Onderafdeling 6. - Bijzondere verrichtingen
Sous-section 6. - Opérations particulières
6.1. Fusies, splitsingen, overdrachten en andere verrichtingen waarvoor toestemming is vereist
6.1. Des fusions, scissions, cessions et autres opérations soumises à autorisation
Art. 39. De toestemming van de Bank is vereist voor :
  1° strategische beslissingen van een betalingsinstelling;
  2° fusies tussen betalingsinstellingen en fusies tussen betalingsinstellingen en andere financiële instellingen, evenals splitsingen van betalingsinstellingen; en
  3° de volledige of gedeeltelijke overdrachten van het betalingsdienstenbedrijf of van het netwerk van agentschappen van de betrokken betalingsinstelling.
  De Bank kan haar toestemming enkel weigeren binnen twee maanden nadat zij van het project in kennis is gesteld met voorlegging van een volledig dossier, om redenen die verband houden met het vermogen van de instelling om te voldoen aan de bepalingen die door of krachtens deze wet of de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn (EU) 2015/2366 zijn vastgesteld of die verband houden met een gezonde en prudente bedrijfsvoering van de betalingsinstelling of indien de beslissing de stabiliteit van het financiële stelsel ernstig zou kunnen aantasten. In voorkomend geval kan de Bank aan haar toestemming specifieke voorwaarden verbinden. Als die toestemming niet wordt gegeven binnen de voornoemde termijn, wordt ze geacht te zijn verkregen.
Art. 39. Sont soumises à l'autorisation de la Banque :
  1° les décisions stratégiques de l'établissement de paiement;
  2° les fusions entre établissements de paiement et les fusions entre établissements de paiement et d'autres institutions financières, ainsi que les scissions d'établissements de paiement; et
  3° les cessions de l'ensemble ou d'une partie de l'activité de service de paiement ou du réseau d'agences de l'établissement de paiement concerné.
  La Banque ne peut refuser l'autorisation que dans les deux mois de la notification préalable qui lui a été faite du projet avec présentation d'un dossier complet, et pour des motifs tenant à la capacité de l'établissement à satisfaire aux dispositions prévues par ou en vertu de la présente loi ou des mesures d'exécution de la Directive (UE) 2015/2366 ou à la gestion saine et prudente de l'établissement de paiement ou si la décision est susceptible d'affecter de façon significative la stabilité du système financier. La Banque peut le cas échéant soumettre son autorisation à des conditions particulières. Si elle n'intervient pas dans le délai précité, l'autorisation est réputée acquise.
Art. 39/1. [1 Iedere volledige of gedeeltelijke overdracht van het betalingsdienstenbedrijf of van het netwerk van agentschappen van de betrokken betalingsinstelling, waarvoor toestemming is verleend overeenkomstig artikel 39 is tegenstelbaar aan derden, met inbegrip van iedere derde die een recht van voorkoop heeft of de begunstigde is van een goedkeuringsclausule ten aanzien van een actief dat het voorwerp uitmaakt van een dergelijke overdracht, ongeacht of dit recht of deze clausule is vastgelegd in een overeenkomst, in statuten of in de wet, zodra die toestemming is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
   Het is niet mogelijk om de overdrachten waarvoor toestemming is verleend overeenkomstig artikel 39, nietig of niet-tegenwerpbaar te verklaren, met name krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek of de artikelen XX.111, XX.112 of XX.114 van het Wetboek van economisch recht.
   Niettegenstaande elke strijdige contractuele bepaling mogen de in het eerste lid bedoelde gehele of gedeeltelijke overdrachten niet leiden tot het rechtvaardigen van een wijziging van de bepalingen van een overeenkomst die werd afgesloten tussen de betalingsinstelling en een of meer derden, en geen einde stellen aan een dergelijke overeenkomst, noch aan enige partij het recht geven om deze eenzijdig te beëindigen of een schuld van de betalingsinstelling opeisbaar maken.]1

  
Art.39/1. [1 Toute cession de l'ensemble ou d'une partie de l'activité de service de paiement ou du réseau d'agences de l'établissement de paiement concerné autorisée conformément à l'article 39 est opposable aux tiers, en ce compris tout tiers titulaire d'un droit de préemption ou bénéficiaire d'une clause d'agrément à l'égard d'un actif faisant l'objet d'une telle cession et ce, que ce droit ou cette clause trouve sa source dans un contrat, dans des statuts ou dans la loi dès la publication au Moniteur belge de cette autorisation.
   Les cessions autorisées conformément à l'article 39 ne peuvent faire l'objet d'une nullité ou inopposabilité, notamment en vertu de l'article 5.243 du Code civil ou des articles XX.111, XX.112 ou XX.114 du Code de droit économique.
   Nonobstant toute disposition conventionnelle contraire, les cessions totales ou partielles visées à l'alinéa 1er ne peuvent avoir pour effet de justifier une modification des termes d'une convention conclue entre l'établissement de paiement et un ou plusieurs tiers, ou de mettre fin à une telle convention, ni de donner à aucune partie le droit de la résilier unilatéralement ou encore de rendre exigible une dette de l'établissement de paiement.]1

  
6.2. Deelnemingen
6.2. Des prises de participations
Art. 40. Betalingsinstellingen mogen geen deelnemingen bezitten [1 in vennootschappen]1, tenzij met de toestemming van de Bank.
  Het eerste lid is niet van toepassing op deelnemingen in vennootschappen die alle of een deel van de in artikel 43 bedoelde betalingsdiensten, nevendiensten van betalingsdiensten of diensten inzake het beheer van betalingssystemen of krachtens artikel 44 toegelaten werkzaamheden verrichten of in vennootschappen waarvan het doel in hoofdzaak bestaat in het aanhouden van deelnemingen in dergelijke vennootschappen.
  Teneinde een gezonde en prudente bedrijfsvoering van de betalingsinstelling en een passende risicobeheersing te verzekeren, kan de Bank voorwaarden verbinden aan deelnemingen die krachtens dit artikel worden genomen.
  
Art. 40. Les établissements de paiement ne peuvent détenir des participations [1 dans des sociétés]1 sauf autorisation de la Banque.
  L'alinéa 1er ne s'applique pas aux participations dans des sociétés exerçant, en tout ou en partie, des services de paiement, des services auxiliaires à des services de paiement ou des services de gestion de systèmes de paiement visés à l'article 43 ou des activités autorisées en vertu de l'article 44 ou dans des sociétés dont l'objet consiste à titre principal en la détention de participations dans de telles sociétés.
  En vue d'une gestion saine et prudente de l'établissement de paiement et d'une maîtrise adéquate des risques, la Banque peut soumettre la prise de participations autorisée en application du présent article à des conditions.
  
Onderafdeling 7. - Verbod tot gebruik van en bescherming van geldmiddelen
Sous-section 7. - De l'interdiction de l'utilisation des fonds et de leur protection
Art. 41. Betalingsinstellingen mogen in het kader van betalingsdiensten uitsluitend geldmiddelen van cliënten aanhouden op betaalrekeningen die voor betalingstransacties worden gebruikt.
  De betalingsinstelling mag de geldmiddelen die zij van de betalingsdienstgebruikers heeft ontvangen, uitsluitend gebruiken voor de uitvoering van betalingstransacties.
Art. 41. Les établissements de paiement ne peuvent, dans le cadre des services de paiement, détenir des fonds de clients qu'exclusivement sur des comptes de paiement utilisés pour des opérations de paiement.
  L'établissement de paiement ne peut utiliser les fonds reçus des utilisateurs de services de paiement qu'exclusivement pour l'exécution des opérations de paiement.
Art. 42. § 1. De geldmiddelen die een betalingsinstelling die de in de punten 1 tot 6 van Bijlage I.A bedoelde betalingsdiensten verricht, rechtstreeks of via andere betalingsdienstaanbieders van betalingsdienstgebruikers ontvangt voor de uitvoering van betalingstransacties, moeten :
  1° in haar boekhouding te allen tijde afzonderlijk kunnen worden geïdentificeerd, met name ten opzichte van andere geldmiddelen, en
  2° wanneer ze op het einde van de werkdag volgend op de dag waarop zij zijn ontvangen, nog steeds door de betalingsinstelling worden aangehouden en nog niet aan de begunstigde of een andere betalingsdienstaanbieder zijn overgemaakt :
  a) worden gedeponeerd op een afzonderlijke gezamenlijke of geïndividualiseerde cliëntenrekening bij een of meer entiteiten die de hoedanigheid hebben van :
  i) kredietinstelling die ressorteert onder het recht van een lidstaat, of
  ii) bijkantoor in België van een kredietinstelling die ressorteert onder het recht van een derde land, of
  [2 iii) centrale bank van een lidstaat, naar diens eigen discretionaire beoordeling, of]2
  b) worden belegd in een erkend geldmarktfonds in de zin van artikel 4, 8° van het koninklijk besluit van 19 december 2017 tot bepaling van nadere regels tot omzetting van de richtlijn betreffende markten voor financiële instrumenten; of
  c) worden belegd in veilige, liquide activa met een lage risicograad, zoals gedefinieerd door de Bank overeenkomstig het recht van de Unie; of
  3° naar tevredenheid van de Bank gedekt zijn door een verzekering, garantie of waarborg van een verzekeringsonderneming of kredietinstelling die ressorteert onder het recht van een lidstaat of een derde land en die een vestiging heeft in België, en die niet tot dezelfde groep behoort als de betalingsinstelling. Die verzekering, garantie of waarborg moet een bedrag dekken dat minstens gelijk is aan het bedrag dat toegewezen geweest zou zijn met toepassing van punt 2°, en dat onvoorwaardelijk betaalbaar is ingeval de betalingsinstelling niet in staat is haar financiële verplichtingen na te komen.
  Wanneer een betalingsinstelling een betalingstransactie uitvoert voor zowel de betaler als de begunstigde, en aan de betaler een kredietlijn wordt verleend, zijn de regels van het eerste lid van toepassing en geldt de in het eerste lid, 2° of 3°, bedoelde bescherming voor de begunstigde zodra de betaler de betrokken kredietlijn gebruikt voor de uitvoering van een betalingstransactie ten gunste van die begunstigde.
  De in het eerste lid, 2°, bedoelde betrokken entiteiten mogen op de geldmiddelen die op een afzonderlijke rekening zijn geplaatst of die belegd zijn overeenkomstig het eerste lid, 2°, b) of c), geen recht doen gelden ingevolge eigen vorderingen op de betalingsinstelling die deze rekening heeft geopend. Beslag onder derden door de schuldeisers van de betalingsinstelling op deze rekeningen en hun saldo is evenmin toegestaan.
  De in het eerste lid, 3°, bedoelde entiteiten mogen op de geldmiddelen die in hoofde van de verzekeringsovereenkomst, garantie of waarborg verschuldigd zijn, geen recht doen gelden ingevolge eigen vorderingen op de betalingsinstelling die deze verzekeringsovereenkomst, garantie of waarborg heeft afgesloten. Beslag onder derden door de schuldeisers van de betalingsinstelling op deze geldmiddelen is evenmin toegestaan.
  De Bank kan toestaan dat de in het eerste lid, 2°, bedoelde geldmiddelen gedeponeerd worden bij een kredietinstelling die ressorteert onder het recht van een derde land en die geen vestiging heeft in België, of dat de in het eerste lid, 3° ) bedoelde verzekeringen, garanties of waarborgen verstrekt worden door een verzekeringsonderneming of een kredietinstelling die ressorteert onder het recht van een derde land en die geen vestiging heeft in België, indien deze kredietinstelling of verzekeringsonderneming onderworpen is aan een toezicht dat gelijkwaardig is met het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en verzekeringsondernemingen zoals bepaald in de Europese regelgeving.
  § 2. Wanneer een gedeelte van de in paragraaf 1 bedoelde geldmiddelen bestemd is voor toekomstige betalingstransacties terwijl het resterende bedrag voor andere diensten dan betalingsdiensten gebruikt moet worden, zijn de verplichtingen van paragraaf 1 ook van toepassing op het voor toekomstige betalingstransacties ontvangen gedeelte van de geldmiddelen. Wanneer dat gedeelte variabel is of niet van tevoren gekend is, kunnen de betalingsinstellingen dit bedrag berekenen op basis van een gedeelte dat geacht wordt voor betalingsdiensten te worden gebruikt, mits een dergelijk gedeelte naar tevredenheid van de Bank redelijkerwijs op basis van historische gegevens kan worden geraamd. Zo niet is paragraaf 1 van toepassing op alle geldmiddelen.
  § 3. [1 In geval van een tegen een betalingsinstelling geopende collectieve procedure bestaande uit het faillissement of de vereffening in de zin van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, worden de schuldvorderingen die voortvloeien uit de deponering, de belegging of de dekking met toepassing van paragraaf 1, eerste lid, 2° en 3°, bij bijzonder voorrecht aangewend voor de terugbetaling van de voor de uitvoering van betalingstransacties ontvangen geldmiddelen bedoeld in paragraaf 1.
   In afwijking van de artikelen XX.155, § 1, XX.156, eerste en tweede lid, en XX.165 van het Wetboek van Economisch Recht, vereist de invordering van geldmiddelen in toepassing van het eerste lid, geen individuele aangifte van schuldvordering van de betalingsdienstgebruikers die hiervan de titularissen zijn. De curator of de vereffenaar informeert de betrokken betalingsdienstgebruikers schriftelijk van het bedrag van de geldmiddelen waarop zij recht hebben, in voorkomend geval verminderd met het bedrag van de aan de toewijzing van het voorwerp van het bijzonder voorrecht verbonden kosten, en nodigt hen uit om hem, door middel van een vooraf opgesteld formulier dat een bijlage vormt aan zijn schrijven of toegankelijk is via een door de curator of de vereffenaar ter beschikking gesteld elektronisch platform voor het delen van informatie, in kennis te stellen van de noodzakelijke informatie die hem zal toelaten over te gaan tot de terugbetaling van dit bedrag in het kader van het proces van de vereffening van het faillissement in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen van het boek XX van het Wetboek van Economisch Recht of, in voorkomend geval, de afwikkeling van de vereffening in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen van boek 2, titel 8, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen. Bij gebreke aan mededeling aan de curator of aan de vereffenaar van het voormelde formulier of van een equivalent verzoek volgens de door de curator of de vereffenaar voorziene modaliteiten binnen een termijn van zes maanden vanaf zijn het schrijven aan de betrokken betalingsdienstgebruikers, verliezen deze het voordeel van het in het eerste lid bedoelde voorrecht alsook het recht om opname te vorderen van hun schuldvordering.]1

  
Art. 42. § 1er. Les fonds reçus par un établissement de paiement exerçant des services de paiement visés aux points 1 à 6 de l'Annexe I.A directement des utilisateurs de services de paiement ou par le biais d'autres prestataires de services de paiement pour l'exécution d'opérations de paiement doivent :
  1° pouvoir être à tout moment identifiés distinctement dans sa comptabilité, notamment par rapport à d'autres fonds, et
  2° lorsqu'à la fin du jour ouvrable suivant le jour où ils ont été reçus, ils sont encore détenus par l'établissement de paiement et n'ont pas encore été remis au bénéficiaire ou virés à un autre prestataire de services de paiement, être :
  a) déposés sur un compte client global ou individualisé distinct auprès d'une ou plusieurs entités ayant la qualité :
  i) d'établissement de crédit relevant du droit d'un Etat membre, ou
  ii) de succursale en Belgique d'un établissement de crédit relevant du droit d'un pays tiers, ou
  [2 iii) de banque centrale d'un Etat membre, à la discrétion de celle-ci, ou"]2
  b) investis auprès de fonds du marché monétaire qualifié au sens de l'article 4, 8° de l'arrêté royal du 19 décembre 2017 portant les règles et modalités visant à transposer la Directive concernant les marchés d'instruments financiers; ou
  c) investis dans des actifs à faible risque, liquides et sûrs, tels que définis par la Banque conformément au droit de l'Union; ou
  3° être couverts, d'une manière jugée satisfaisante par la Banque, par une assurance, une garantie ou une caution d'une entreprise d'assurance ou d'un établissement de crédit relevant du droit d'un Etat membre ou relevant du droit d'un pays tiers et disposant d'un établissement en Belgique, laquelle entreprise d'assurance ou lequel établissement de crédit ne peut appartenir au même groupe que l'établissement de paiement. Cette assurance, garantie ou caution doit couvrir un montant qui est au moins équivalent au montant qui aurait été affecté en application du point 2°, et qui est payable inconditionnellement si l'établissement de paiement n'est pas en mesure d'honorer ses obligations financières.
  Lorsque le même établissement de paiement exécute une opération de paiement à la fois pour le payeur et le bénéficiaire et qu'une ligne de crédit est octroyée au payeur, les règles prévues à l'alinéa 1er s'appliquent et la protection prévue à l'alinéa 1er, 2° ou 3° s'applique en faveur du bénéficiaire dès que le payeur utilise la ligne de crédit concernée pour l'exécution d'une opération de paiement au profit dudit bénéficiaire.
  Les entités concernées visées à l'alinéa 1er, 2°, ne peuvent, sur les fonds déposés sur un compte distinct ou investis conformément à l'alinéa 1er, 2°, b) ou c), faire valoir de droit résultant de créances propres sur l'établissement de paiement qui a ouvert ce compte. De même, ces comptes et leur solde ne peuvent faire l'objet d'aucune saisie-arrêt par les créanciers de l'établissement de paiement.
  Les entités visées à l'alinéa 1er, 3°, ne peuvent, sur les fonds dus en exécution du contrat d'assurance, de la garantie ou de la caution, faire valoir de droit résultant de créances propres sur l'établissement de paiement qui a contracté cette assurance, garantie ou caution. De même, ces fonds ne peuvent faire l'objet d'aucune saisie-arrêt par les créanciers de l'établissement de paiement.
  La Banque peut autoriser que les fonds visés à l'alinéa 1er, 2°, soient déposés auprès d'un établissement de crédit relevant du droit d'un pays tiers et ne disposant pas d'un établissement en Belgique, ou que les assurances, garanties ou cautions visées à l'alinéa 1er, 3°, soient fournies par une entreprise d'assurance ou un établissement de crédit relevant du droit d'un pays tiers et ne disposant pas d'un établissement en Belgique, si cet établissement de crédit ou cette entreprise d'assurances est soumis(e) à un contrôle qui soit équivalent au contrôle prudentiel des établissements de crédit et des entreprises d'assurance défini par la réglementation européenne.
  § 2. Lorsqu'une partie des fonds visés au paragraphe 1er est destinée à être utilisée pour de futures opérations de paiement, et que le montant restant est destiné à être affecté à d'autres services que ceux de paiement, la partie des fonds devant être utilisée pour de futures opérations de paiement est également soumise aux obligations prévues par le paragraphe 1er. Si cette partie est variable ou ne peut être déterminée à l'avance, les établissements de paiement peuvent calculer ce montant en supposant qu'une partie des fonds servira aux services de paiement, à condition que, sur la base de données historiques, il soit raisonnablement possible d'estimer cette partie d'une manière jugée satisfaisante par la Banque. Dans la négative, le paragraphe 1er s'applique à l'ensemble des fonds.
  § 3. [1 En cas de procédure collective consistant dans la faillite ou dans la liquidation au sens du Code des sociétés et des associations, ouverte à l'encontre d'un établissement de paiement, les créances résultant du dépôt, de l'investissement ou de la couverture en application du paragraphe 1er, alinéa 1er, 2° et 3°, sont affectées par privilège spécial au remboursement des fonds reçus pour l'exécution d'opérations de paiement visés au paragraphe 1er.
   Par dérogation aux articles XX.155, § 1er, XX.156, alinéas 1er et 2, et XX.165 du Code de droit économique, le recouvrement des fonds visés au paragraphe 1er en application de l'alinéa 1er ne requiert pas de déclaration de créance individuelle des utilisateurs de services de paiement qui en sont les titulaires. Le curateur ou le liquidateur informe les utilisateurs de services de paiement concernés par écrit du montant des fonds auquel ils ont droit, le cas échéant, déduit du montant des frais relatifs à l'affectation de l'assiette du privilège spécial, et les invite à lui communiquer, par le biais d'un formulaire préétabli joint à son courrier ou accessible via une plateforme électronique de partage d'informations mise à disposition par le curateur ou le liquidateur, les informations nécessaires lui permettant de procéder au remboursement de ce montant dans le cadre du processus de liquidation conformément aux dispositions applicables du livre XX du Code de droit de la faillite économique ou, le cas échéant, du déroulement de la liquidation conformément aux dispositions applicables du livre 2, titre 8, du Code des sociétés et des associations. A défaut de communication au curateur ou au liquidateur du formulaire précité ou d'une demande équivalente selon les modalités prévues par le curateur ou le liquidateur dans un délai de six mois à dater de son courrier aux utilisateurs de services de paiement concernés, ceux-ci perdent le bénéfice du privilège prévu à l'alinéa 1er et leur droit d'agir en admission de leur créance.]1

  
Onderafdeling 8. - Uitoefening van andere werkzaamheden
Sous-section 8. - Exercice d'autres activités
8.1. Operationele of nevenactiviteiten die nauw samenhangen met betalingsdiensten en beheer van betalingssystemen
8.1. Activités opérationnelles ou auxiliaires, étroitement liées aux services de paiement et gestion des systèmes de paiement
Art. 43. § 1. Onverminderd artikel 13 mogen de betalingsinstellingen de volgende werkzaamheden uitoefenen :
  1° het verstrekken van operationele diensten en nevendiensten die nauw samenhangen met betalingsdiensten, zoals het zorgen voor de goede uitvoering van betalingstransacties, valutawisseldiensten, bewaringsactiviteiten en de opslag en verwerking van gegevens;
  2° het beheer van betalingssystemen, onverminderd de bepalingen van Boek III.
  § 2. De betalingsinstellingen stellen de Bank voorafgaandelijk in kennis van hun voornemen om een van de in paragraaf 1 bedoelde werkzaamheden uit te oefenen.
  § 3. Paragraaf 1 is van toepassing onverminderd de naleving van de elders opgenomen specifieke wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende het verstrekken van de betrokken operationele diensten en nevendiensten.
Art. 43. § 1er. Sans préjudice de l'article 13, les établissements de paiement sont autorisés à exercer les activités suivantes :
  1° la fourniture de services opérationnels et de services auxiliaires, étroitement liés à des services de paiement, tels que la garantie de la bonne exécution d'opérations de paiement, des services de change, des services de garde et l'enregistrement et le traitement de données;
  2° la gestion de systèmes de paiement, sans préjudice des dispositions du Livre III.
  § 2. Les établissements de paiement informent préalablement la Banque de leur intention d'exercer une des activités visées au paragraphe 1er.
  § 3. Le paragraphe 1er est applicable sans préjudice du respect des dispositions légales et réglementaires particulières régissant par ailleurs la fourniture des services opérationnels et auxiliaires concernés.
8.2. [1 Andere werkzaamheden]1
8.2. [1 Autres activités]1
Art. 44. § 1. Betalingsinstellingen mogen geen [1 andere werkzaamheden dan betalingsdiensten of dan de in artikel 43 bedoelde werkzaamheden]1 verrichten, tenzij hiervoor voorafgaandelijk toestemming is verleend door de Bank.
  [2 § 1/1. Betalingsinstellingen mogen binnen de Europese Unie een activagerelateerde token uitgeven en aan het publiek aanbieden of verzoeken om toelating tot de handel van een activagerelateerde token mits wordt voldaan aan de vereisten van Titel III van Verordening 2023/1114, met name de artikelen 18 en 21, en aan de andere specifieke wettelijke en reglementaire bepalingen die voor dergelijke activiteiten gelden.
   Mits zij overeenkomstig artikel 63 van Verordening 2023/1114 een vergunning hebben verkregen, mogen betalingsinstellingen de in artikel 3, lid 1, punt 16 van de genoemde verordening bedoelde cryptoactivadiensten aanbieden.]2

  § 2. Gelet op de noodzaak om een gezonde en prudente bedrijfsvoering van de betalingsinstelling en een passende risicobeheersing te verzekeren of met het oog op het toezicht op deze instelling, kan de Bank aan de uitoefening van de in [2 de paragrafen 1 en 1/1]2 bedoelde werkzaamheden bepaalde voorwaarden verbinden.
  Zo kan de Bank verlangen dat er voor het verrichten van betalingsdiensten een duidelijke scheiding gehanteerd wordt op organisatorisch vlak en, in voorkomend geval, dat de betalingsdiensten door een afzonderlijke juridische entiteit worden geleverd die overeenkomstig artikel 40 eigendom is van de betalingsinstelling.
  § 3. Onverminderd paragraaf 2 mogen betalingsinstellingen alleen onder de hiernavolgende voorwaarden kredieten verlenen aan betalingsdienstgebruikers :
  1° het krediet wordt verleend door een betalingsinstelling die betalingsdiensten aanbiedt als bedoeld in de punten 4 of 5 van Bijlage I.A;
  2° het krediet wordt uitsluitend als aanvulling op de uitvoering van een betalingstransactie verleend;
  3° het krediet wordt uitsluitend verleend uit het eigen vermogen van de betalingsinstelling en niet uit geldmiddelen van cliënten die zijn ontvangen of die worden aangehouden voor de uitvoering van betalingstransacties;
  4° het eigen vermogen van de betalingsinstelling staat te allen tijde en naar genoegen van de Bank, in redelijke verhouding tot het totale bedrag van de verleende kredieten.
  Het verlenen van kredieten als bedoeld in het eerste lid doet geen afbreuk aan de naleving van de bepalingen van het Wetboek van Economisch Recht inzake kredietverlening.
  Wanneer het krediet in de context van de artikelen 59 tot 70 in een andere lidstaat wordt verleend, moet het uiterlijk binnen twaalf maanden worden terugbetaald, onverminderd de bepalingen van algemeen belang die van toepassing zijn in de lidstaat van ontvangst.
  
Art. 44. § 1er. Les établissements de paiement ne peuvent exercer [1 des activités autres que les services de paiement ou que les activités visées à l'article 43, que moyennant]1 l'autorisation préalable de la Banque.
  [2 § 1er/1. Les établissements de paiement peuvent émettre et offrir au public un jeton se référant à un ou des actifs ou demander l'admission à la négociation d'un jeton se référant à un ou des actifs, au sein de l'Union européenne moyennant le respect des exigences prévues par le Titre III du règlement 2023/1114, en particulier ses articles 18 et 21, et les dispositions légales et réglementaires particulières régissant par ailleurs ces activités.
   Moyennant l'obtention d'un agrément en application de l'article 63 du règlement 2023/1114, les établissements de paiement peuvent exercer les services sur crypto-actifs visés à l'article 3, paragraphe 1er, point 16) dudit Règlement.]2

  § 2. La Banque peut subordonner à certaines conditions l'exercice des activités visées [2 aux paragraphes 1er et 1er/1]2 et ce, en vue d'une gestion saine et prudente de l'établissement de paiement et d'une maîtrise appropriée des risques, ou pour les besoins du contrôle dudit établissement.
  Parmi ces conditions, la Banque peut imposer que l'exercice des services de paiement fasse l'objet d'une séparation claire sous l'angle organisationnel et, le cas échéant, soit fourni par une entité juridique distincte détenue par l'établissement de paiement conformément à l'article 40.
  § 3. Sans préjudice du paragraphe 2, l'octroi par des établissements de paiement de crédits aux utilisateurs de services de paiement est subordonné aux conditions suivantes :
  1° le crédit ne peut être consenti que par des établissements de paiement qui fournissent des services de paiement visés aux points 4 ou 5 de l'Annexe I.A;
  2° le crédit est octroyé exclusivement comme accessoire à l'exécution d'une opération de paiement;
  3° le crédit est octroyé exclusivement au moyen de fonds propres de l'établissement de paiement, à l'exclusion des fonds de clients, reçus ou détenus aux fins de l'exécution d'une opération de paiement;
  4° les fonds propres de l'établissement de paiement sont à tout moment, de l'avis de la Banque, appropriés au regard du montant global des crédits octroyés.
  L'octroi de crédits visé à l'alinéa 1er est sans préjudice du respect des dispositions du Code de droit économique régissant l'octroi de crédit.
  En outre, lorsque l'octroi de crédit s'effectue sous le bénéfice des articles 59 à 70, le crédit consenti dans un autre Etat membre ne peut excéder un délai de remboursement de douze mois sans préjudice des dispositions d'intérêt général applicable dans l'Etat membre d'accueil.
  
8.3. Verboden werkzaamheden
8.3. Activités interdites
Art. 45. Artikel 44 voorziet niet in de mogelijkheid voor betalingsinstellingen om werkzaamheden te verrichten die bestaan in het in ontvangst nemen van gelddeposito's of andere terugbetaalbare geldmiddelen in de zin van artikel 1 van de bankwet en van [1 artikel 28 van de wet van 11 juli 2018]1, of in de uitgifte van betaalinstrumenten in de vorm van elektronisch geld.
  De geldmiddelen die betalingsinstellingen in het kader van betalingsdiensten van betalingsdienstgebruikers ontvangen, zijn geen gelddeposito's of andere terugbetaalbare geldmiddelen in de zin van artikel 1 van de bankwet en [2 artikel 28 van de wet van 11 juli 2018]2, noch elektronisch geld.
  
Art. 45. L'article 44 ne couvre pas la possibilité pour les établissements de paiement d'exercer une activité de réception de dépôts d'argent ou d'autres fonds remboursables au sens de l'article 1er de la loi bancaire et de [1 l'article 28 de la loi du 11 juillet 2018]1, ou une activité d'émission d'instruments de paiement sous la forme de monnaie électronique.
  A cet égard, les fonds d'utilisateurs de services de paiement reçus par des établissements de paiement en vue de la fourniture de services de paiement ne constituent pas des dépôts d'argent ou d'autres fonds remboursables au sens de l'article 1er de la loi bancaire et de [2 l'article 28 de la loi du 11 juillet 2018]2, ni de la monnaie électronique.
  
Onderafdeling 9. - Beheer van betalingsgegevens van betalingsdienstgebruikers
Sous-section 9. - La gestion des données de paiement des utilisateurs de services de paiement
9.1. Beginsel
9.1. Principe
Art. 46. § 1. De betalingsinstellingen zorgen ervoor dat de toegang tot gevoelige betalingsgegevens wordt opgeslagen, gemonitord, beperkt en getraceerd overeenkomstig de bepalingen van de technische reguleringsnormen die door de Europese Commissie zijn vastgesteld met toepassing van artikel 98 van Richtlijn (EU) 2015/2366.
  § 2. Voor de toepassing van paragraaf 1 nemen de betalingsinstellingen in het bijzonder de regels van de artikelen 47 en 48 in acht.
Art. 46. § 1er. Les établissements de paiement enregistrent, surveillent et restreignent l'accès aux données de paiement sensibles et gardent la trace de ces accès et ce, conformément aux dispositions des normes techniques de réglementation adoptées par la Commission européenne en application de l'article 98 de la Directive (UE) 2015/2366.
  § 2. Aux fins du paragraphe 1er, les établissements de paiement se conforment en particulier aux règles visées aux articles 47 et 48.
9.2. Authenticatie - algemene verplichtingen
9.2. Authentification - obligations générales
Art. 47. § 1. De betalingsinstellingen voorzien in sterke cliëntauthenticatie indien een betaler :
  1° zich online toegang tot zijn betaalrekening verschaft;
  2° een elektronische betalingstransactie initieert;
  3° via een communicatiemiddel op afstand een verrichting uitvoert die een risico op betalingsfraude of andere vormen van misbruik of bedrog met zich mee kan brengen.
  § 2. In het geval van een initiatie van een in paragraaf 1, 2°, bedoelde elektronische betalingstransactie bevat de sterke cliëntauthenticatie voor elektronische betalingstransacties op afstand elementen die transacties op dynamische wijze aan een specifiek bedrag en een specifieke begunstigde verbinden.
  § 3. Voor de toepassing van paragraaf 1 beschermen de betalingsinstellingen de vertrouwelijkheid en integriteit van de persoonlijke beveiligingsgegevens van betalingsdienstgebruikers en voorzien zij in adequate veiligheidsmaatregelen.
  § 4. De paragrafen 2 en 3 zijn tevens van toepassing op betalingen die geïnitieerd worden via een betalingsinstelling die betalingsinitiatiediensten aanbiedt.
  De paragrafen 1 en 3 zijn ook van toepassing wanneer de informatie wordt opgevraagd via een betalingsinstelling die rekeningaggregatiediensten aanbiedt.
  § 5. De maatregelen die met toepassing van de paragrafen 1 tot 3 worden genomen, zijn in overeenstemming met de technische reguleringsnormen die door de Europese Commissie zijn vastgesteld met toepassing van artikel 98, lid 1, a) en c) van Richtlijn (EU) 2015/2366.
  § 6. De betalingsinstellingen kunnen afwijken van de paragrafen 1 tot 3 mits voldaan is aan de voorwaarden van de technische reguleringsnormen die door de Europese Commissie zijn vastgesteld met toepassing van artikel 98, leden 1, b) en 3 van Richtlijn (EU) 2015/2366.
Art. 47. § 1er. Les établissements de paiement appliquent l'authentification forte du client lorsque le payeur :
  1° accède à son compte de paiement en ligne;
  2° initie une opération de paiement par voie électronique;
  3° exécute une opération par communication à distance, susceptible de comporter un risque de fraude en matière de paiement ou de toute autre utilisation frauduleuse ou abusive.
  § 2. Dans le cas de l'initiation d'opérations de paiement visées au paragraphe 1er, 2°, pour les opérations de paiement électronique à distance, l'authentification forte du client comprend des éléments qui établissent un lien dynamique entre l'opération, le montant et le bénéficiaire donnés.
  § 3. Pour l'application du paragraphe 1er, les établissements de paiement protègent la confidentialité et l'intégrité des données de sécurité personnalisées des utilisateurs de services de paiement et mettent en place les mesures de sécurité adéquates.
  § 4. Les paragraphes 2 et 3 s'appliquent également lorsque les paiements sont initiés par l'intermédiaire d'un établissement de paiement initiateur de paiement.
  Les paragraphes 1er et 3 s'appliquent également lorsque l'information est demandée par l'intermédiaire d'un établissement de paiement agrégateur de comptes.
  § 5. Les mesures prises en application des paragraphes 1er à 3 sont conformes aux normes techniques de réglementation adoptées par la Commission européenne en application de l'article 98, paragraphe 1, a) et c) de la Directive (UE) 2015/2366.
  § 6. Les établissements de paiement peuvent déroger aux paragraphes 1er à 3 moyennant le respect des conditions établies par les normes techniques de réglementation adoptées par la Commission européenne en application de l'article 98, paragraphes 1, b) et 3 de la Directive (UE) 2015/2366.
9.3. Bescherming van bepaalde gegevens in het geval van betalingsinitiatie door een betalingsinstelling die betalingsinitiatiediensten aanbiedt
9.3. Protection de certaines données en cas d'initiation de paiement par un établissement de paiement initiateur de paiement
Art. 48. § 1. Betalingsinstellingen die betalingsinitiatiediensten aanbieden voldoen aan de volgende voorwaarden :
  1° de persoonlijke beveiligingsgegevens van de betalingsdienstgebruiker zijn niet toegankelijk voor andere partijen, met uitzondering van de gebruiker en de uitgever van die gegevens;
  2° de in punt 1° bedoelde gegevens worden via veilige en efficiënte kanalen verzonden;
  3° andere informatie dan de in punt 1° bedoelde gegevens die betrekking heeft op de betalingsdienstgebruiker en die is verkregen bij het verstrekken van de betalingsinitiatiedienst, wordt alleen aan de begunstigde en alleen met de uitdrukkelijke instemming van de betalingsdienstgebruiker verstrekt;
  4° zij zijn op geen enkel moment in het bezit van de met het aanbieden van de betalingsinitiatiedienst verband houdende geldmiddelen van de betaler.
  § 2. De betalingsinstellingen die betalingsinitiatiediensten aanbieden voldoen bovendien aan de volgende verplichtingen :
  1° zij identificeren zich bij elke betalingsinitiatie ten overstaan van de rekeninghoudende betalingsdienstaanbieder(s) van de betaler;
  2° zij communiceren met de rekeninghoudende betalingsdienstaanbieder(s), de betaler en de begunstigde op een veilige manier, overeenkomstig artikel 49;
  3° zij bewaren geen gevoelige betalingsgegevens van de betalingsdienstgebruiker;
  4° zij vragen geen gegevens van de betalingsdienstgebruiker die niet nodig zijn voor het verstrekken van de betalingsinitiatiedienst;
  5° zij gaan niet over tot het gebruiken, zich toegang verschaffen tot of bewaren van gegevens voor andere doelstellingen dan het verstrekken van de door de betaler uitdrukkelijk gevraagde betalingsinitiatiedienst;
  6° zij brengen geen wijzigingen aan in het bedrag, de begunstigde of enig ander element van de transactie.
Art. 48. § 1er. Les établissements de paiement initiateurs de paiement satisfont aux conditions suivantes :
  1° les données de sécurité personnalisées de l'utilisateur de services de paiement ne sont pas accessibles à d'autres parties que l'utilisateur et l'émetteur desdites données;
  2° les données visées au point 1° sont transmises au moyen de canaux sûrs et efficaces;
  3° les informations autres que les données visées au point 1° qui sont relatives à l'utilisateur de services de paiement et qui sont obtenues lors de la fourniture du service d'initiation de paiement, ne sont communiquées qu'au bénéficiaire et uniquement avec le consentement explicite de l'utilisateur de services de paiement;
  4° ils ne détiennent à aucun moment les fonds du payeur en liaison avec la fourniture du service d'initiation de paiement.
  § 2. Les établissements de paiement initiateur de paiement respectent en outre les obligations suivantes :
  1° ils s'identifient auprès du ou des prestataires de services de paiement gestionnaire de comptes du payeur chaque fois qu'un paiement est initié;
  2° ils communiquent avec le ou les prestataires de services de paiement gestionnaire de comptes, le payeur et le bénéficiaire de manière sécurisée, conformément à l'article 49;
  3° ils ne conservent pas de données de paiement sensibles concernant l'utilisateur de services de paiement;
  4° ils ne demandent pas à l'utilisateur de services de paiement des données autres que celles nécessaires pour fournir le service d'initiation de paiement;
  5° ils n'utilisent, ne consultent ou ne conservent des données à des fins autres que la fourniture du service d'initiation de paiement expressément sollicitée par le payeur;
  6° ils ne modifient pas le montant, le bénéficiaire ou tout autre caractéristique de l'opération.
Onderafdeling 10. - Beveiligde communicatie
Sous-section 10. - Communication sécurisée
Art. 49. De betalingsinstellingen voldoen aan de gemeenschappelijke en beveiligde open communicatienormen ten behoeve van identificatie, authenticatie en informatieverstrekking, alsmede voor de uitvoering van beveiligingsmaatregelen, tussen rekeninghoudende betalingsdienstaanbieders, betalingsinitiatiedienstaanbieders, rekeninginformatiedienstaanbieders, betalers, begunstigden en andere betalingsdienstaanbieders, overeenkomstig de technische reguleringsnormen die met toepassing van artikel 98, lid 1, d), van Richtlijn 2015/2366 (EU) zijn vastgesteld.
Art. 49. Les établissements de paiement satisfont aux normes ouvertes communes et sécurisées de communication aux fins de l'identification, de l'authentification et de la notification de l'information, ainsi que pour la mise en oeuvre des mesures de sécurité, entre les prestataires de services de paiement gestionnaires de comptes, les prestataires de services d'initiation de paiement, les prestataires de services d'information sur les comptes, les payeurs, les bénéficiaires et d'autres prestataires de services de paiement et ce, conformément aux normes techniques de réglementation prises en application de l'article 98, paragraphe 1, d), de la Directive 2015/2366 (UE).
Onderafdeling 11. - Beveiligingsbeleid
Sous-section 11. - Politique de sécurité
11.1. Analyse van de operationele en veiligheidsrisico's
11.1. Analyse des risques opérationnels et de sécurité
Art. 50. § 1. De betalingsinstellingen verrichten een gedetailleerde analyse van de operationele en veiligheidsrisico's die verbonden zijn aan de door hen aangeboden betalingsdiensten.
  § 2. De betalingsinstellingen verstrekken de Bank jaarlijks, of, op haar verzoek, met kortere intervallen, een geactualiseerde en uitgebreide beoordeling van zowel de operationele en veiligheidsrisico's die aan de door hen aangeboden betalingsdiensten zijn verbonden, als van de toereikendheid van de in reactie op deze risico's getroffen risicobeperkende maatregelen en ingevoerde controlemechanismen, overeenkomstig artikel 52.
Art. 50. § 1er. Les établissements de paiement procèdent à une analyse détaillée des risques opérationnels et de sécurité liés aux services de paiement qu'ils fournissent.
  § 2. Les établissements de paiement fournissent chaque année à la Banque ou, sur demande de celle-ci, à des intervalles plus rapprochés, une évaluation à jour et exhaustive des risques opérationnels et de sécurité liés aux services de paiement qu'ils fournissent et des informations sur le caractère adéquat des mesures d'atténuation des risques et des mécanismes de contrôle mis en oeuvre pour faire face à ces risques conformément à l'article 52.
11.2. Maatregelen om de gebruikers te beschermen tegen veiligheidsrisico's
11.2. Mesures de protection des utilisateurs contre les risques de sécurité
Art. 51. De betalingsinstellingen nemen maatregelen om de betalingsdienstgebruikers afdoende tegen de vastgestelde veiligheidsrisico's, waaronder fraude en illegaal gebruik van gevoelige gegevens en persoonsgegevens, te beschermen. Die maatregelen zijn in overeenstemming met de voorwaarden van de technische reguleringsnormen die door de Europese Commissie zijn vastgesteld met toepassing van artikel 98, lid 2, van Richtlijn (EU) 2015/2366.
  [1 De in het eerste lid bedoelde maatregelen waarborgen een hoog niveau van digitale operationele weerbaarheid overeenkomstig hoofdstuk II van Verordening (EU) 2022/2554, met name wat betreft technische beveiliging en gegevensbescherming, ook voor de software en de systemen voor informatie- en communicatietechnologie (ICT) die worden gebruikt door hen of door de ondernemingen waaraan zij werkzaamheden uitbesteden.]1
  
Art. 51. Les établissements de paiement prennent les mesures permettant d'assurer une protection adéquate des utilisateurs de services de paiement contre les risques détectés en matière de sécurité, y compris la fraude et l'utilisation illicite de données sensibles ou à caractère personnel. Les mesures qu'ils appliquent sont conformes aux conditions fixées par les normes techniques de réglementation adoptées par la Commission européenne en application de l'article 98, paragraphe 2 de la Directive (UE) 2015/2366.
  [1 Les mesures visées à l'alinéa 1er assurent un niveau élevé de résilience opérationnelle numérique conformément au chapitre II du règlement (UE) 2022/2554, notamment en ce qui concerne la sécurité technique et de protection des données, y compris pour les logiciels et les systèmes de technologie de l'information et de la communication (TIC) qui sont utilisés par eux-mêmes ou par les entreprises auprès desquelles ils sous-traitent des activités.]1
  
11.3. Beheer van veiligheidsrisico's en operationele risico's
11.3. Gestion des risques de sécurité et des risques opérationnels
Art. 52. De betalingsinstellingen voorzien in passende risicobeperkende maatregelen en controlemechanismen ter beheersing van de operationele en veiligheidsrisico's die verbonden zijn aan de door hen aangeboden betalingsdiensten.
  De betalingsinstellingen handhaven doelmatige procedures voor het beheersen van incidenten, waaronder detectie en classificatie van grote operationele incidenten en veiligheidsincidenten.
  Die maatregelen en procedures voldoen aan de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn (EU) 2015/2366, met name die welke zijn opgesteld ter uitvoering van artikel 95, leden 3 en 4, van Richtlijn (EU) 2015/2366 [1 , evenals aan de in hoofdstuk III van Verordening (EU) 2022/2554 bedoelde vereisten]1.
  
Art. 52. Les établissements de paiement prennent les mesures d'atténuation et les mécanismes de contrôle adéquats en vue de gérer les risques opérationnels et de sécurité liés aux services de paiement qu'ils fournissent.
  Les établissements de paiement maintiennent des procédures efficaces de gestion des incidents, y compris pour la détection et la classification des incidents opérationnels et de sécurité majeurs.
  Ces mesures et procédures satisfont par ailleurs aux mesures d'exécution de la Directive (UE) 2015/2366, notamment celles élaborées en exécution de l'article 95, paragraphes 3 et 4 de la Directive (UE) 2015/2366 [1 , et aux exigences visées au chapitre III du règlement (UE) 2022/2554]1.
  
Onderafdeling 12. - Beheer en melding van veiligheidsincidenten
Sous-section 12. - Gestion et notification des incidents de sécurité
Art. 53. [1 § 1. Onverminderd Verordening (EU) 2022/2554 zorgen de betalingsinstellingen ervoor dat veiligheidsincidenten en veiligheidsgerelateerde klachten van cliënten worden gemonitord, afgehandeld en opgevolgd.
   § 2. Incidenten worden gemeld overeenkomstig de vereisten van Verordening (EU) 2022/2554.]1

  
Art. 53. [1 § 1er. Sans préjudice du règlement (UE) 2022/2554, les établissements de paiement assurent la surveillance, le traitement et le suivi des incidents de sécurité et des réclamations de clients en lien avec la sécurité.
   § 2. Les notifications des incidents sont effectuées conformément aux exigences prévues dans le règlement (UE) 2022/2554.]1

  
Onderafdeling 13. - Verstrekking van statistische gegevens
Sous-section 13. - Fourniture de données statistiques
Art. 54. De betalingsinstellingen verstrekken de Bank en de Federale Overheidsdienst Economie jaarlijks of, op verzoek van de Bank of de Federale Overheidsdienst Economie, met kortere intervallen, statistische gegevens over fraude met betrekking tot verschillende betaalwijzen. De Bank deelt die gegevens in geaggregeerde vorm mee aan de Europese Bankautoriteit en aan de Europese Centrale Bank.
  De betalingsinstellingen verstrekken de Bank ook jaarlijks, of, op haar verzoek, met kortere intervallen, statistische gegevens over de prestaties en transacties.
Art. 54. Les établissements de paiement fournissent à la Banque et au Service Public Fédéral Economie, annuellement ou, sur demande de la Banque ou du Service Public Fédéral Economie, à un intervalle plus rapproché, des données statistiques relatives à la fraude liée aux différentes méthodes de paiement. La Banque communique ces données sous forme agrégée à l'Autorité bancaire européenne et à la Banque centrale européenne.
  Ils fournissent également, annuellement ou, sur demande de la Banque, à un intervalle plus rapproché, des données statistiques relatives aux performances et aux opérations.
Onderafdeling 14. - Uitgifte van op kaarten gebaseerde betaalinstrumenten - specifieke verplichtingen van betalingsinstellingen die op kaarten gebaseerde betaalinstrumenten uitgeven
Sous-section 14. - Emission d'instruments de paiement liés à une carte - obligations spécifiques des établissements de paiement qui émettent des instruments de paiement liés à une carte
Art. 55. Wanneer de betalingsinstelling die een op een kaart gebaseerd betaalinstrument uitgeeft en de betalingsdienstaanbieder die de rekening beheert waaraan die kaart is gekoppeld, verschillende entiteiten zijn, beschikt de betalingsinstelling die het op de kaart gebaseerd betaalinstrument uitgeeft, over passende procedures om zich ervan te verzekeren dat wanneer zij aan de rekeninghoudende betalingsdienstaanbieder de in artikel 58 bedoelde bevestiging die bestaat uit een antwoord in de vorm van een "ja/nee" vraagt, de volgende voorwaarden vervuld zijn :
  1° de betaler heeft er uitdrukkelijk mee ingestemd dat de betalingsdienstaanbieder om de bevestiging verzoekt;
  2° de betaler heeft de op de kaart gebaseerde betalingstransactie voor het betreffende bedrag geïnitieerd aan de hand van een betaalinstrument dat gebaseerd is op een door de betalingsinstelling uitgegeven kaart;
  3° vóór elk verzoek om bevestiging authenticeert zij zich bij de rekeninghoudende betalingsdienstaanbieder en zij communiceert op een veilige manier met de rekeninghoudende betalingsdienstaanbieder, overeenkomstig artikel 49.
  De bevestiging van de rekeninghouder wordt niet bewaard of voor andere doeleinden gebruikt dan voor de uitvoering van een op kaarten gebaseerde betalingstransactie.
  Dit artikel is niet van toepassing op betalingstransacties die worden geïnitieerd aan de hand van betaalinstrumenten die gebaseerd zijn op een kaart waarop elektronisch geld is opgeslagen.
Art. 55. Lorsque l'établissement de paiement qui émet un instrument de paiement lié à une carte et le prestataire de services de paiement gestionnaire du compte auquel cette carte est liée sont des entités différentes, l'établissement de paiement qui émet l'instrument de paiement lié à une carte dispose de procédures adéquates lui permettant de s'assurer que lorsqu'il demande au prestataire de service gestionnaire de compte la confirmation "oui/non" visée à l'article 58, les conditions suivantes sont satisfaites :
  1° le payeur lui a donné son consentement explicite pour qu'il demande la confirmation;
  2° le payeur a initié l'opération de paiement liée à une carte pour le montant en question au moyen d'un instrument de paiement lié à une carte émise par l'établissement de paiement;
  3° il s'authentifie auprès du prestataire de services de paiement gestionnaire de comptes concerné avant chaque demande de confirmation et communique avec le prestataire de services de paiement gestionnaire de comptes de manière sécurisée, conformément à l'article 49.
  La confirmation du gestionnaire de comptes n'est ni conservée ni utilisée à d'autres fins que l'exécution d'une opération de paiement liée à une carte.
  Le présent article ne s'applique pas aux opérations de paiement initiées au moyen d'instruments de paiement liés à une carte sur laquelle est stockée de la monnaie électronique.
Onderafdeling 15. - Specifieke verplichtingen van rekeninghoudende betalingsinstellingen
Sous-section 15. - Obligations spécifiques des établissements de paiement gestionnaires de comptes
Art. 56. De rekeninghoudende betalingsinstellingen staan toe :
  1° dat de rekeninginformatiedienstaanbieders zich voor hun tussenkomst op de authenticatieprocedures baseren die overeenkomstig artikel 47, §§ 1 en 3, door die rekeninghoudende betalingsinstellingen worden geboden;
  2° dat de betalingsinitiatiedienstaanbieders zich voor hun tussenkomst op de authenticatieprocedures baseren die overeenkomstig artikel 47, §§ 1 tot 3, door die rekeninghoudende betalingsinstellingen worden geboden.
Art. 56. Aux fins de leur intervention, les établissements de paiement gestionnaires de comptes autorisent :
  1° les prestataires de services d'information sur les comptes à se fonder sur les procédures d'authentification prévues par ces gestionnaires de comptes conformément à l'article 47, §§ 1er et 3;
  2° les prestataires de service d'initiation de paiement à se fonder sur les procédures d'authentification prévues par ces gestionnaires de comptes conformément à l'article 47, §§ 1er à 3.
Art. 57. § 1. Teneinde te garanderen dat de betalers een beroep mogen doen op een betalingsinitiatiedienstaanbieder of op een rekeninginformatiedienstaanbieder voor de diensten die respectievelijk zijn opgesomd in de punten 7 of 8 van Bijlage I.A met betrekking tot een online toegankelijke betaalrekening, voldoen de rekeninghoudende betalingsinstellingen aan de voorwaarden van dit artikel.
  § 2. De rekeninghoudende betalingsinstelling communiceert op een veilige manier met betalingsinitiatiedienstaanbieders en rekeninginformatiedienstaanbieders overeenkomstig artikel 49.
  § 3. Een rekeninghoudende betalingsinstelling kan een betalingsinitiatiedienstaanbieder of een rekeninginformatiedienstaanbieder de toegang tot een betaalrekening ontzeggen om objectief gerechtvaardigde redenen in verband met niet-toegestane of frauduleuze toegang tot de betaalrekening door die aanbieder, waaronder de niet-toegestane of frauduleuze initiëring van een betalingstransactie.
  De rekeninghoudende betalingsinstelling verleent toegang tot de betaalrekening zodra de redenen voor het ontzeggen van de toegang niet langer bestaan.
  De rekeninghoudende betalingsinstelling meldt het incident betreffende de betalingsinitiatiedienstaanbieder of de rekeninginformatiedienstaanbieder onmiddellijk aan de Bank. Daarbij moeten de relevante gegevens over het incident worden vermeld, en de redenen voor het nemen van maatregelen. De Bank bezorgt die inlichtingen aan de Federale Overheidsdienst Economie, beoordeelt het incident en neemt, indien noodzakelijk, passende maatregelen.
Art. 57. § 1er. Afin de garantir le droit des payeurs de s'adresser à un prestataire de service d'initiation de paiement ou à un prestataire de service d'information sur les comptes pour obtenir respectivement les services visés aux points 7 ou 8 de l'Annexe I.A concernant un compte de paiement accessible en ligne, les établissements de paiement gestionnaires de comptes satisfont aux conditions prévues par le présent article.
  § 2. L'établissement de paiement gestionnaire de compte communique de manière sécurisée avec les prestataires de service d'initiation de paiement et les prestataires de service d'information sur les comptes conformément à l'article 49.
  § 3. Un établissement de paiement gestionnaire de comptes peut refuser à un prestataire de services d'initiation de paiement ou un prestataire de service d'information sur les comptes, l'accès à un compte de paiement pour des raisons objectivement motivées liées à un accès non autorisé ou frauduleux au compte de paiement de la part dudit prestataire, y compris l'initiation non autorisée ou frauduleuse d'une opération de paiement.
  L'établissement de paiement gestionnaire de comptes permet l'accès au compte de paiement dès lors que les raisons ayant justifié le refus n'existent plus.
  L'établissement de paiement gestionnaire de comptes notifie immédiatement à la Banque l'incident concernant le prestataire de services d'initiation de paiement ou le prestataire de service d'information sur les comptes. La notification contient les informations pertinentes relatives à l'incident et les raisons justifiant les mesures prises. La Banque transmet cette information au Service Public Fédéral Economie, évalue l'incident et prend au besoin des mesures appropriées.
Art. 58. § 1. Wanneer de betalingsdienstaanbieder die een op een kaart gebaseerd betaalinstrument uitgeeft en de betalingsinstelling die de rekening beheert waaraan die kaart is gekoppeld, verschillende entiteiten zijn, beschikt de rekeninghoudende betalingsinstelling over passende procedures om op verzoek van de betalingsdienstaanbieder die het op de kaart gebaseerd betaalinstrument uitgeeft, onmiddellijk te bevestigen of de geldmiddelen die nodig zijn voor de uitvoering van een op de kaart gebaseerde betalingstransactie, beschikbaar zijn op de betaalrekening van de betaler waaraan de kaart gekoppeld is, mits aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan :
  1° de betaalrekening van de betaler is online toegankelijk op het moment van het verzoek;
  2° de betaler heeft er uitdrukkelijk mee ingestemd dat de rekeninghoudende betalingsinstelling antwoordt op verzoeken van de betrokken betalingsdienstaanbieder om te bevestigen dat het bedrag dat overeenkomt met een bepaalde op kaarten gebaseerde betalingstransactie, op de betaalrekening van de betaler beschikbaar is;
  3° de in punt 2° genoemde instemming is verleend voordat het eerste verzoek om bevestiging is gedaan.
  De in het eerste lid bedoelde bevestiging bestaat uit een antwoord in de vorm van een eenvoudige "ja" of "nee".
  De bevestiging dat het geld beschikbaar is laat de rekeninghoudende betalingsinstelling niet toe de geldmiddelen op de betaalrekening van de betaler te blokkeren.
  § 2. De rekeninghoudende betalingsinstelling communiceert op een veilige manier met betalingsinstellingen die op kaarten gebaseerde betaalinstrumenten uitgeven overeenkomstig artikel 49.
Art. 58. § 1er. Lorsque le prestataire de services de paiement qui émet un instrument de paiement lié à une carte et l'établissement de paiement gestionnaire du compte auquel cette carte est liée sont des entités différentes, l'établissement de paiement gestionnaire de comptes dispose de procédures adéquates lui permettant de confirmer immédiatement, à la demande du prestataire de service de paiement qui émet l'instrument de paiement lié à une carte, si les fonds nécessaires à l'exécution d'une opération de paiement effectuée au moyen de la carte sont disponibles sur le compte de paiement du payeur auquel la carte est liée, pour autant que toutes les conditions suivantes soient remplies :
  1° le compte de paiement du payeur est accessible en ligne au moment de la demande;
  2° le payeur a donné son consentement explicite à l'établissement de paiement gestionnaire de comptes pour qu'il réponde aux demandes du prestataire de services de paiement concerné en vue de confirmer que le montant correspondant à une certaine opération de paiement liée à une carte est disponible sur le compte de paiement du payeur;
  3° le consentement visé au point 2° a été donné avant la première demande de confirmation.
  La confirmation mentionnée à l'alinéa 1er prend la forme d'un simple "oui" ou "non".
  La confirmation de disponibilité des fonds ne permet pas à l'établissement de paiement gestionnaire de comptes de bloquer des fonds sur le compte de paiement du payeur.
  § 2. L'établissement de paiement gestionnaire de comptes communique de manière sécurisée avec les établissements de paiement qui émettent des instruments de paiement liés à une carte conformément à l'article 49.
Onderafdeling 16. - Uitoefening van werkzaamheden in het buitenland
Sous-section 16. - De l'exercice d'activités à l'étranger
16.1. Uitoefening van het recht van vrije vestiging in het buitenland via een bijkantoor
16.1. Exercice du libre établissement à l'étranger par la voie d'une succursale
Art. 59. § 1. Iedere betalingsinstelling die voornemens is in het buitenland een bijkantoor te vestigen om daar alle of een deel van de in Bijlage I.A opgesomde betalingsdiensten [1 of de in artikel 44, § 1/1 bedoelde werkzaamheden]1 aan te bieden die zij in België mag verrichten, stelt de Bank hiervan in kennis.
  § 2. Naast de gegevens vermeld in de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn (EU) 2015/2366 worden bij deze kennisgeving het volgende gevoegd :
  1° een programma van werkzaamheden, waarin met name vermeld wordt welke betalingsdiensten en andere werkzaamheden als bedoeld in artikel 43 [1 of in artikel 44, § 1/1]1 de betalingsinstelling voornemens is te verrichten;
  2° de lidsta(a)t(en) of (het) derde land(en) waar de betalingsinstelling voornemens is haar werkzaamheden uit te oefenen;
  3° de organisatiestructuur van het bijkantoor en het adres ervan in het buitenland;
  4° een bedrijfsplan voor de verstrekking van betalingsdiensten door het bijkantoor, met inbegrip van een financieel plan voor de eerste drie boekjaren, dat aantoont dat de middelen die aan het bedrijf van het bijkantoor zijn toegewezen passend zijn en met name van die aard zijn om een gezonde bedrijfsvoering inzake betalingsdiensten te garanderen;
  5° een beschrijving van de beleidsstructuur en de organisatieregeling van de betalingsinstelling waaruit blijkt dat voldaan is aan artikel 21 met betrekking tot de werkzaamheden van het bijkantoor en de bepalingen die van toepassing zijn inzake de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme;
  6° de naam van de effectieve leiders van het bijkantoor en, in voorkomend geval, van de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties.
  § 3. De artikelen 20 en 37 zijn van overeenkomstige toepassing op de effectieve leiders en de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties van het bijkantoor van de betalingsinstelling.
  
Art. 59. § 1er. L'établissement de paiement qui projette d'établir une succursale à l'étranger en vue de fournir tout ou partie des services de paiement énumérés à l'Annexe I.A [1 ou des activités visées à l'article 44, § 1er/1]1 et qui lui sont autorisés en Belgique notifie son intention à la Banque.
  § 2. Cette notification est accompagnée, outre les éléments d'information définis par les mesures d'exécution de la Directive (UE) 2015/2366, des informations suivantes :
  1° un programme d'activités dans lequel sont notamment indiquées les catégories de services de paiement et des autres activités visées à l'article 43 [1 ou à l'article 44, § 1er/1]1 qui sont envisagées par l'établissement de paiement;
  2° le ou les Etats membres ou pays tiers dans lesquels l'établissement de paiement envisage d'exercer son activité;
  3° la structure organisationnelle de la succursale et son adresse à l'étranger;
  4° un plan d'affaires relatif à la fourniture de services de paiement par la succursale contenant notamment un plan financier afférent aux trois premiers exercices, démontrant que les ressources allouées à l'activité de la succursale sont appropriées et notamment de nature à garantir une gestion saine en matière de services de paiement;
  5° une description de la structure de gestion et du dispositif organisationnel de l'établissement de paiement justifiant du respect de l'article 21 au regard des activités de la succursale et des dispositions applicables à la lutte contre le blanchiment de capitaux et le financement du terrorisme;
  6° le nom des dirigeants effectifs de la succursale et, le cas échéant, des responsables des fonctions de contrôle indépendantes.
  § 3. Les articles 20 et 37 sont applicables par analogie aux dirigeants effectifs de la succursale de l'établissement de paiement et aux responsables des fonctions de contrôle indépendantes.
  
Art. 60. § 1. Wanneer het vestigingsland van het bijkantoor een lidstaat is, legt de Bank de met toepassing van artikel 59 ontvangen gegevens binnen een maand na ontvangst ervan ter beoordeling voor aan de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat.
  Indien de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst in haar beoordeling die zij aan de Bank heeft overgemaakt, bezorgdheden heeft geuit, houdt de Bank daar rekening mee in haar besluit.
  Indien de Bank in haar besluit geen rekening houdt met de in het tweede lid bedoelde bezorgdheden, stelt zij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst in kennis van de redenen daarvoor.
  § 2. Wanneer het vestigingsland van het bijkantoor een derde land is, kan de Bank in overleg met de toezichthouder op de betalingsinstellingen van dat land, regels vaststellen voor de opening van en het toezicht op het bijkantoor, alsook voor de informatie-uitwisseling tussen de twee autoriteiten, met inachtneming van de bepalingen van Hoofdstuk IV/1, Afdeling 4, van de wet van 22 februari 1998.
Art. 60. § 1er. Lorsque l'Etat d'implantation de la succursale est un Etat membre, la Banque communique, pour évaluation, à l'autorité compétente de l'Etat concerné les informations reçues en application de l'article 59 et ce, dans le mois de leur réception.
  Si, suite à l'évaluation à laquelle elle a procédé, l'autorité compétente de l'Etat membre d'accueil communique à la Banque des préoccupations, la Banque en tient compte lors de sa prise de décision.
  Si la décision de la Banque ne fait pas suite aux préoccupations visées à l'alinéa 2,la Banque en communique les raisons à l'autorité compétente de l'Etat membre d'accueil.
  § 2. Lorsque l'Etat d'implantation de la succursale est un pays tiers, la Banque peut convenir avec l'autorité de contrôle des établissements de paiement de cet Etat des modalités d'ouverture et de contrôle de la succursale ainsi que des échanges d'informations entre les deux autorités dans le respect des dispositions du Chapitre IV/1, section 4, de la loi du 22 février 1998.
Art. 61. § 1. De Bank kan zich verzetten tegen de voorgenomen opening van het bijkantoor bij beslissing die is ingegeven door de nadelige gevolgen van de opening van een bijkantoor op de organisatie, de financiële positie of het toezicht op de betalingsinstelling, met inbegrip van de specifieke risico's die voortvloeien uit dergelijke werkzaamheid.
  Wanneer het land van vestiging van het bijkantoor een derde land is, welke ook de geplande werkzaamheden voor dit bijkantoor zijn, kan de Bank zich ook verzetten tegen de opening van het bijkantoor indien zij redenen heeft om te twijfelen aan de naleving van de regels voor de toegang tot het bedrijf waarin de wetgeving van het derde land voorziet, of, rekening houdend met de voorgenomen activiteit en met de regeling betreffende de samenwerking met de toezichthouders van het derde land, aan de mogelijkheid om effectief toezicht uit te oefenen op het bijkantoor dat op het grondgebied van dit derde land is gevestigd.
  § 2. De Bank brengt haar beslissing uiterlijk drie maanden na ontvangst van het volledige dossier met alle in artikel 59 bedoelde gegevens ter kennis van de betalingsinstelling. Zij stelt de buitenlandse toezichthouder gelijktijdig in kennis van haar beslissing.
  Wanneer het land van vestiging van het bijkantoor een lidstaat is, wordt de beslissing van de Bank ten vroegste na ontvangst van de in artikel 60, § 1, tweede lid, bedoelde bezorgdheden genomen of, bij ontstentenis, bij het verstrijken van een termijn van een maand na indiening van het in artikel 60, § 1, eerste lid, bedoelde dossier.
  § 3. Zodra de betalingsinstelling overeenkomstig paragraaf 2 in kennis is gesteld van de beslissing van de Bank om zich niet te verzetten tegen de voorgenomen opening van een bijkantoor, wordt dit bijkantoor door de Bank opgenomen in de lijst bedoeld in artikel 8.
Art. 61. § 1er. La Banque peut s'opposer à la réalisation du projet d'ouverture de la succursale par décision motivée par les répercussions préjudiciables de l'ouverture de la succursale sur l'organisation, la situation financière ou le contrôle de l'établissement de paiement, en ce compris les risques spécifiques générés par une telle activité.
  Lorsque l'Etat d'implantation de la succursale est un pays tiers, quelles que soient les activités que projette d'exercer la succursale, la Banque peut également s'opposer à l'ouverture de la succursale si elle a des raisons de douter du respect des règles d'accès à l'activité prescrites par la législation du pays tiers ou, compte tenu de l'activité envisagée et du régime de coopération avec les autorités de contrôle du pays tiers, de la possibilité d'exercer un contrôle effectif de la succursale sur le territoire de ce pays tiers.
  § 2. La Banque notifie sa décision à l'établissement de paiement au plus tard trois mois après la réception du dossier complet comprenant les informations prévues à l'article 59. Elle notifie simultanément sa décision à l'autorité de contrôle étrangère.
  Lorsque l'Etat d'implantation de la succursale est un Etat membre, la décision de la Banque est prise au plus tôt après la réception des préoccupations visées à l'article 60, § 1er, alinéa 2 ou, à défaut, à l'expiration d'un délai d'un mois à partir de la communication du dossier de l'article 60, § 1er, alinéa 1er.
  § 3. Dès la notification à l'établissement de paiement visée au paragraphe 2 d'une décision de ne pas s'opposer au projet, la Banque enregistre la succursale sur la liste visée à l'article 8.
Art. 62. § 1. Wanneer het land van vestiging van het bijkantoor een lidstaat is, mag de betrokken betalingsinstelling haar werkzaamheden via een bijkantoor in de lidstaat van ontvangst aanvatten zodra de betalingsinstelling met toepassing van artikel 61, § 2, in kennis is gesteld van de beslissing van de Bank om zich niet tegen de voorgenomen werkzaamheid te verzetten, onder voorbehoud van de bepalingen die van toepassing zijn in die lidstaat.
  De betalingsinstelling stelt de Bank in kennis van de datum waarop zij haar werkzaamheden via haar bijkantoor in de betrokken lidstaat van ontvangst effectief zal aanvatten. De Bank deelt die datum onverwijld mee aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat van ontvangst.
  § 2. Wanneer het land van vestiging van het bijkantoor een derde land is, is paragraaf 1 van toepassing onverminderd de naleving van de wettelijke bepalingen van het betrokken land inzake de toegang tot het betalingsdienstenbedrijf.
Art. 62. § 1er. Lorsque l'Etat d'implantation de la succursale est un Etat membre, l'établissement de paiement concerné est autorisé à exercer ses activités dans l'Etat membre d'accueil par la voie d'une succursale dès la notification faite à l'établissement de paiement en application de l'article 61, § 2d'une décision de ne pas s'opposer au projet, sous réserve des dispositions applicables dans cet Etat.
  L'établissement de paiement informe la Banque de la date à laquelle il commencera effectivement à exercer ses activités dans l'Etat membre d'accueil concerné par la voie de sa succursale. La Banque communique sans délai cette date aux autorités compétentes de l'Etat membre d'accueil concerné.
  § 2. Lorsque l'Etat d'implantation de la succursale est un pays tiers, le paragraphe 1er s'applique sans préjudice du respect des dispositions légales dudit pays en matière d'accès à l'activité de services de paiement.
Art. 63. § 1. De betalingsinstelling stelt de Bank minstens een maand op voorhand in kennis van significante wijzigingen in de krachtens artikel 59 meegedeelde gegevens.
  De impact van die wijzigingen op de naleving door de betalingsinstelling van de bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden wordt door de Bank beoordeeld in het licht van de criteria van artikel 61, § 1.
  § 2. Elke uitbesteding, in het land van vestiging van het bijkantoor, die verband houdt met het bedrijf van het in die lidstaat gevestigde bijkantoor van de betalingsinstelling, wordt voor de toepassing van artikel 38 beschouwd als een belangrijke uitbesteding.
Art. 63. § 1er. L'établissement de paiement notifie à la Banque, au moins un mois à l'avance, les modifications significatives relatives aux informations communiquées en vertu de l'article 59.
  La Banque apprécie l'impact de ces modifications sur le respect par l'établissement de paiement des conditions d'exercice de son activité au regard des critères d'appréciation prévus par l'article 61, § 1er.
  § 2. Toute sous-traitance, dans l'Etat d'implantation de la succursale, concernant l'activité de la succursale de l'établissement de paiement établie dans cet Etat est, pour les besoins de l'article 38, considérée comme une sous-traitance importante.
Art. 64. De betalingsinstellingen voeren minstens jaarlijks een controle uit van de werkzaamheden van hun bijkantoren in het buitenland, aan de hand van documenten en een controle ter plaatse.
Art. 64. Les établissements de paiement effectuent au moins annuellement un contrôle des activités de leurs succursales à l'étranger tant sur la base de pièces que sur la base d'un contrôle sur place.
Art. 64/1. [1 Met betrekking tot de werkzaamheden als bedoeld in artikel 44, § 1/1, laten de bepalingen van deze Onderafdeling de procedure van artikel 65 van Verordening 2023/1114 onverlet. Niettegenstaande lid 4 van het voormelde artikel 65 is artikel 61, § 1 van deze wet van toepassing.]1
  
Art.64/1. [1 S'agissant des activités visées à l'article 44, § 1er/1, les dispositions de la présente Sous-section sont sans préjudice de la procédure prévue par l'article 65 du règlement 2023/1114. Nonobstant le paragraphe 4 dudit article 65, l'article 61, § 1er de la présente loi est applicable.]1
  
16.2. Uitoefening van het recht tot het vrij verrichten van betalingsdiensten in een andere lidstaat
16.2. Exercice de la libre prestation de services de paiement dans un autre Etat membre
Art. 65. § 1. Iedere betalingsinstelling die voornemens is in een andere lidstaat alle of een deel van de in Bijlage I.A opgesomde betalingsdiensten [1 of de in artikel 44, § 1/1 bedoelde werkzaamheden]1 aan te bieden die zij in België mag verrichten, zonder er een bijkantoor te vestigen, stelt de Bank daarvan in kennis.
  § 2. Naast de gegevens vermeld in de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn (EU) 2015/2366 wordt bij deze kennisgeving een dossier gevoegd waarin het volgende wordt vermeld :
  1° een programma van werkzaamheden, waarin met name vermeld wordt welke betalingsdiensten en andere werkzaamheden als bedoeld in artikel 43 [1 of in artikel 44, § 1/1]1 de betalingsinstelling voornemens is te verrichten;
  2° de lidsta(a)t(en) waar de betalingsinstelling voornemens is haar werkzaamheden uit te oefenen;
  3° een beschrijving van de beleidsstructuur en de organisatieregeling van de betalingsinstelling waaruit blijkt dat voldaan is aan artikel 21 met betrekking tot de werkzaamheden en de bepalingen die van toepassing zijn inzake de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme.
  
Art. 65. § 1er. L'établissement de paiement qui projette de fournir dans un autre Etat membre, sans y établir de succursale, tout ou partie des services de paiement énumérés à l'Annexe I.A [1 ou des activités visées à l'article 44, § 1er/1]1 et qui lui sont autorisées en Belgique, notifie son intention à la Banque.
  § 2. Cette notification est accompagnée, outre les éléments d'information définis par les mesures d'exécution de la Directive (UE) 2015/2366, d'un dossier dans lequel sont indiquées les informations suivantes :
  1° un programme d'activités dans lequel sont notamment indiquées les catégories de services de paiement et des autres activités visées à l'article 43 [1 ou à l'article 44, § 1er/1]1 qui sont envisagées par l'établissement de paiement;
  2° le ou les Etats membres dans lesquels l'établissement de paiement envisage d'exercer son activité;
  3° une description de la structure de gestion et du dispositif organisationnel de l'établissement de paiement justifiant du respect de l'article 21 au regard des activités et des dispositions applicables à la lutte contre le blanchiment de capitaux et le financement du terrorisme.
  
Art. 66. De Bank legt de met toepassing van artikel 65, § 2, ontvangen gegevens binnen een maand na ontvangst ervan ter beoordeling voor aan de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat.
  Indien de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst in haar beoordeling bezorgdheden heeft geuit, houdt de Bank daar rekening mee in haar besluit.
  Indien de Bank in haar besluit geen rekening houdt met de in het tweede lid bedoelde bezorgdheden, stelt zij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst in kennis van de redenen daarvoor.
Art. 66. La Banque communique, pour évaluation, à l'autorité compétente de l'Etat membre concerné les informations reçues en application de l'article 65, § 2 et ce, dans le mois de leur réception.
  Si, suite à l'évaluation à laquelle elle a procédé, l'autorité compétente de l'Etat membre d'accueil communique à la Banque des préoccupations, la Banque en tient compte lors de sa prise de décision.
  Si la décision de la Banque ne fait pas suite aux préoccupations visées à l'alinéa 2,la Banque en communique les raisons à l'autorité compétente de l'Etat membre d'accueil.
Art. 67. § 1. De Bank kan zich verzetten tegen de uitvoering van het project bij beslissing die is ingegeven door de nadelige gevolgen van de grensoverschrijdende dienstverlening op de organisatie, de financiële positie of het toezicht op de betalingsinstelling, met inbegrip van de specifieke risico's die voortvloeien uit deze activiteit.
  § 2. De Bank brengt haar beslissing om zich niet te verzetten tegen het project uiterlijk drie maanden na ontvangst van het volledige dossier met alle in artikel 65, § 2, bedoelde gegevens ter kennis van de betalingsinstelling. Zij stelt de buitenlandse toezichthouder gelijktijdig in kennis van haar beslissing.
  De beslissing van de Bank wordt ten vroegste genomen na ontvangst van de bezorgdheden bedoeld in artikel 66, § 1, tweede lid, of, bij ontstentenis van een dergelijke kennisgeving, na het verstrijken van een termijn van een maand na indiening van het in artikel 66, § 1, bedoelde dossier.
  [1 § 3. "Met betrekking tot de werkzaamheden als bedoeld in artikel 44, § 1/1, laat dit artikel de procedure van artikel 65 van Verordening 2023/1114 onverlet. Niettegenstaande lid 4 van het voormelde artikel 65 zijn paragraaf 1 van dit artikel en artikel 68 van deze wet van toepassing.]1
  
Art. 67. § 1er. La Banque peut s'opposer à la réalisation du projet par décision motivée par les répercussions préjudiciables de la prestation transfrontalière de services sur l'organisation, la situation financière ou le contrôle de l'établissement de paiement, en ce compris les risques spécifiques générés par une telle activité.
  § 2. La Banque notifie à l'établissement de paiement sa décision de ne pas s'opposer au projet au plus tard trois mois après la réception du dossier complet comprenant les informations prévues à l'article 65, § 2. La Banque notifie simultanément sa décision à l'autorité de contrôle étrangère.
  La décision de la Banque est prise au plus tôt après réception des préoccupations visées à l'article 66, § 1er, alinéa 2 ou, à défaut d'une telle communication, après l'expiration d'un délai d'un mois à partir de la communication du dossier visé par l'article 66, § 1er.
  [1 § 3. S'agissant des activités visées à l'article 44, § 1er/1, le présent article est sans préjudice de la procédure prévue par l'article 65 du règlement 2023/1114. Nonobstant le paragraphe 4 dudit article 65, le paragraphe 1er du présent article et l'article 68 de la présente loi sont applicables.]1
  
Art. 68. De grensoverschrijdende activiteiten mogen aanvangen zodra de betalingsinstelling overeenkomstig artikel 67 in kennis is gesteld van een gunstige beslissing.
Art. 68. Les activités transfrontalières peuvent débuter dès la notification d'une décision favorable faite à l'établissement de paiement en application de l'article 67.
Art. 69. § 1. De betalingsinstelling stelt de Bank minstens een maand op voorhand in kennis van significante wijzigingen in de krachtens artikel 65 meegedeelde gegevens.
  De impact van die wijzigingen op de naleving door de betalingsinstelling van de bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden wordt door de Bank beoordeeld in het licht van de criteria van artikel 67, § 1.
  § 2. Elke uitbesteding in de lidstaat van ontvangst die verband houdt met het bedrijf van de in die lidstaat gevestigde betalingsinstelling, wordt voor de toepassing van artikel 38 beschouwd als een belangrijke uitbesteding.
Art. 69. § 1er. L'établissement de paiement notifie à la Banque, au moins un mois à l'avance, les modifications significatives relatives aux informations communiquées en vertu de l'article 65.
  La Banque apprécie l'impact de ces modifications sur le respect par l'établissement de paiement des conditions d'exercice de son activité au regard des critères d'appréciation prévus à l'article 67, § 1er.
  § 2. Toute sous-traitance, dans l'Etat membre d'accueil, concernant l'activité de l'établissement de paiement dans cet Etat est, pour les besoins de l'article 38, considérée comme une sous-traitance importante.
16.3. Uitoefening van werkzaamheden in een andere lidstaat via een agent
16.3. Exercice d'une activité dans un autre Etat membre par l'intermédiaire d'un agent
Art. 70. § 1. Iedere betalingsinstelling die voornemens is op het grondgebied van een andere lidstaat via een agent alle of een deel van de in Bijlage I.A bedoelde betalingsdiensten aan te bieden die zij in België mag verrichten, stelt de Bank daarvan in kennis.
  Bij deze kennisgeving worden de in artikel 71 bedoelde inlichtingen gevoegd.
  § 2. De artikelen 59, § 1 en 60 tot 64 zijn van overeenkomstige toepassing.
  In afwijking van het eerste lid stelt de Bank de betalingsinstelling en de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst in kennis wanneer zij op grond van de inlichtingen die zij van de betalingsinstelling heeft ontvangen of de door de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat geformuleerde bemerkingen, oordeelt dat de betrokken agent niet kan worden beschouwd als een vestiging in de lidstaat van ontvangst. De artikelen 65 tot 69 zijn in dat geval van overeenkomstige toepassing.
Art. 70. § 1er. L'établissement de paiement qui projette d'exercer sur le territoire d'un autre Etat membre, par l'intermédiaire d'un agent tout ou partie des services de paiement visés à l'Annexe I.A et qui lui sont autorisés en Belgique notifie son intention à la Banque.
  Cette notification est accompagnée des informations visées à l'article 71.
  § 2. Les articles 59, § 1er et 60 à 64 sont applicables par analogie.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, si la Banque considère, sur la base des informations reçues de l'établissement de paiement ou des observations formulées par l'autorité compétente de l'Etat membre concerné, que l'agent concerné ne constitue pas un établissement dans l'Etat membre d'accueil, la Banque en informe l'établissement de paiement et les autorités compétentes de l'Etat membre d'accueil. Les articles 65 à 69 sont alors applicables par analogie.
Onderafdeling 17. - Dienstverlening via een agent
Sous-section 17. - Recours à un agent
Art. 71. Het is de betalingsinstellingen toegelaten betalingsdiensten te verrichten via een agent.
  Wanneer een betalingsinstelling voornemens is betalingsdiensten te verrichten via een agent die in België of in het buitenland is gevestigd, verstrekt zij de Bank voorafgaandelijk de volgende gegevens in verband met de agent :
  1° de naam, de voornamen, de woonplaats en verblijfplaats, en de geboortedatum van de agent, indien hij een natuurlijke persoon is;
  2° de naam, de rechtsvorm en het adres van de zetel van de agent, indien hij een rechtspersoon is;
  3° de betalingsdiensten waartoe de agent door de instelling wordt gemachtigd;
  4° een beschrijving van de internecontrolemechanismen die de agent heeft opgezet om te voldoen aan de verplichtingen van [1 Verordening (EU) 2023/1113]1 en van de wet van 18 september 2017;
  5° de naam, de voornamen, de woonplaats en verblijfplaats, en de geboortedatum van de personen belast met het bestuur en de effectieve leiding;
  6° voor de personen bedoeld in de punten 1° en 5°, de gegevens op grond waarvan kan worden vastgesteld dat zij over de voor hun functies vereiste professionele betrouwbaarheid en deskundigheid beschikken;
  7° de organisatiestructuur van de agent;
  8° in voorkomend geval, de unieke identificatiecode of het unieke identificatienummer van de agent.
  De betalingsinstellingen verstrekken de Bank op haar verzoek alle nuttige informatie teneinde haar toe te laten de juistheid en volledigheid van de in het eerste lid bedoelde gegevens te verifiëren.
  
Art. 71. Les établissements de paiement sont autorisés à exercer des services de paiement par l'intermédiaire d'un agent.
  Lorsqu'un établissement de paiement projette d'exercer des services de paiement par l'intermédiaire d'un agent établi en Belgique ou à l'étranger, il communique préalablement à la Banque les renseignements suivants concernant l'agent :
  1° le nom, les prénoms, le domicile et le lieu de résidence, et la date de naissance de l'agent qui est une personne physique;
  2° la dénomination, la forme juridique et l'adresse du siège social de l'agent qui est une personne morale;
  3° les services de paiement de l'établissement pour lesquels l'agent est mandaté;
  4° une description des mécanismes de contrôle interne que l'agent a mis en place pour se conformer aux obligations prévues par le [1 Règlement (UE) 2023/1113]1 et par la loi du 18 septembre 2017;
  5° le nom, les prénoms, le domicile et le lieu de résidence, et la date de naissance des personnes chargées de l'administration et de la direction effective;
  6° pour les personnes visées aux points 1° et 5°, les éléments permettant d'établir leur honorabilité professionnelle et l'expertise requise pour l'exercice de leurs fonctions;
  7° la structure organisationnelle de l'agent;
  8° le cas échéant, le code ou numéro d'identification unique de l'agent.
  Les établissements de paiement fournissent à la Banque, à la demande de celle-ci, toutes les informations nécessaires pour lui permettre de vérifier que les renseignements visés à l'alinéa 1er sont exacts et complets.
  
Art. 72. Indien na verificatie blijkt dat de in artikel 71 bedoelde gegevens juist en volledig zijn en dat ze geen aanleiding geven tot opmerkingen in verband met een gezonde en prudente bedrijfsvoering van de instelling, neemt de Bank de agent op in de lijst bedoeld in artikel 8 en brengt zij de instelling hiervan op de hoogte binnen twee manden na ontvangst van de in artikel 71 bedoelde gegevens.
  Zo niet weigert de Bank de agent op te nemen in de lijst bedoeld in artikel 8 en brengt zij de instelling daarvan onverwijld, en uiterlijk binnen twee maanden na ontvangst van de betrokken gegevens, op de hoogte.
  De agent mag voor rekening van de betalingsinstelling die hij vertegenwoordigt betalingsdiensten beginnen aanbieden zodra hij in de in het eerste lid bedoelde lijst is opgenomen.
Art. 72. Si, après vérification, les renseignements visés à l'article 71, outre leur caractère exact et complet, n'appellent pas de remarques au regard d'une gestion saine et prudente de l'établissement, la Banque inscrit l'agent à la liste visée à l'article 8 et en informe l'établissement et ce, dans les deux mois de la réception des informations visées à l'article 71.
  Dans le cas contraire, la Banque refuse d'inscrirel'agent à la liste visée à l'article 8, et en informe l'établissement sans retard, et au plus tard dans les deux mois de la réception desdites informations.
  L'agent peut commencer à fournir des services de paiement pour le compte de l'établissement de paiement qu'il représente dès qu'il est inscrit sur la liste visée à l'alinéa 1er.
Art. 73. De betalingsinstellingen voeren minstens jaarlijks een controle uit met betrekking tot de agent, om na te gaan of de bij of krachtens deze wet opgelegde verplichtingen worden nageleefd door de betalingsinstelling, en dit aan de hand van documenten en een controle ter plaatse bij de agenten waarop zij een beroep doen.
Art. 73. Les établissements de paiement effectuent au moins annuellement un contrôle de l'agent au regard du respect par l'établissement de paiement des obligations prévues par ou en vertu de la présente loi et ce, tant sur base de pièces que sur la base d'un contrôle sur place des agents auxquels il a recours.
Art. 74. De betalingsinstelling brengt de Bank onverwijld op de hoogte van alle wijzigingen die zij heeft aangebracht in de gegevens die met toepassing van artikel 71 zijn meegedeeld.
Art. 74. L'établissement de paiement informe sans tarder la Banque de toutes modifications apportées aux informations communiquées en application de l'article 71.
Onderafdeling 18. - Bewaring van gegevens
Sous-section 18. - Conservation des données
Art. 75. Met het oog op het toezicht dat door de Bank wordt uitgeoefend, bewaren de betalingsinstellingen alle documenten die betrekking hebben op hun werkzaamheden gedurende minstens vijf jaar op hun zetel of op elke andere plaats die vooraf door de Bank is goedgekeurd.
  Onverminderd andere wettelijke of reglementaire bepalingen betreffende de bewaring van documenten, kan de Bank bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998 de modaliteiten bepalen voor de bewaring van de in het eerste lid bedoelde documenten.
Art. 75. Aux fins du contrôle exercé par la Banque, les établissements de paiement conservent pendant au moins cinq ans tous documents concernant leurs activités à leur siège ou en tout autre lieu préalablement autorisé par la Banque.
  Sans préjudice d'autres dispositions légales ou réglementaires régissant la conservation de documents, la Banque peut fixer, par voie de règlement pris conformément à l'article 12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998, les modalités de conservation des documents visés à l'alinéa 1er.
Afdeling IV. - Periodieke informatieverstrekking en boekhoudregels
Section IV. - Des informations périodiques et des règles comptables
Art. 76. § 1. De betalingsinstellingen leggen hun jaarrekening en hun geconsolideerde jaarrekening neer bij de Bank.
  Na advies van de Bank bepaalt de Koning de regels volgens dewelke alle betalingsinstellingen of bepaalde categorieën van betalingsinstellingen :
  1° hun boekhouding voeren, inventarisramingen verrichten en hun jaarrekening opmaken en openbaar maken;
  2° hun geconsolideerde jaarrekening opmaken, controleren en openbaar maken en het jaar- en controleverslag over deze geconsolideerde jaarrekening opmaken en openbaar maken.
  De in het tweede lid bedoelde regels bepalen dat in de boekhouding van de door de betalingsinstelling verrichte transacties een duidelijk onderscheid moet worden gemaakt tussen transacties die verband houden met het betalingsdienstenbedrijf en die welke verband houden met andere werkzaamheden die op grond van de artikelen 43 en 44 mogen worden verricht.
  § 2. De Bank kan bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998 de toepassingsmodaliteiten bepalen van de krachtens paragraaf 1 vastgestelde regels.
  Deze reglementen worden vastgesteld na raadpleging van de betalingsinstellingen, in voorkomend geval via hun beroepsverenigingen.
Art. 76. § 1er. Les établissements de paiement déposent leurs comptes annuels et leurs comptes consolidés à la Banque.
  Le Roi détermine, sur avis de la Banque, pour l'ensemble des établissements de paiement ou par catégorie d'établissements de paiement :
  1° les règles selon lesquelles les établissements de paiement tiennent leur comptabilité, procèdent aux évaluations d'inventaire et établissent et publient leurs comptes annuels;
  2° les règles à respecter par les établissements de paiement pour l'établissement, le contrôle et la publication de leurs comptes consolidés, ainsi que pour l'établissement et la publication des rapports de gestion et de contrôle relatifs à ces comptes consolidés.
  Les règles visées à l'alinéa 2 prévoient que la comptabilisation des opérations de l'établissement de paiement distingue clairement celles qui relèvent de l'activité de service de paiement de celles qui relèvent des autres activités autorisées en application des articles 43 et 44.
  § 2. La Banque peut, par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998, préciser les modalités d'application des règles définies en vertu du paragraphe 1er.
  Ces règlements sont pris après consultation des établissements de paiement, le cas échéant représentés par leurs associations professionnelles.
Art. 77. De betalingsinstellingen leggen periodiek een gedetailleerde financiële staat voor aan de Bank. Die staat wordt opgemaakt overeenkomstig de regels die zijn vastgesteld door de Bank, die ook de rapporteringsfrequentie bepaalt. Bovendien kan de Bank eisen dat haar geregeld andere cijfergegevens of uitleg worden verstrekt, zodat zij kan nagaan of de bepalingen van deze wet of van haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen of de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn (EU) 2015/2366 zijn nageleefd.
Art. 77. Les établissements de paiement communiquent périodiquement à la Banque une situation financière détaillée. Celle-ci est établie conformément aux règles fixées par la Banque, qui en détermine également la fréquence. La Banque peut, en outre, prescrire la transmission régulière d'autres informations chiffrées ou descriptives nécessaires à la vérification du respect des dispositions de la présente loi ou des arrêtés et règlements pris pour son exécution ou des mesures d'exécution de la Directive (UE) 2015/2366.
Art. 78. De effectieve leiding van de betalingsinstelling verklaart aan de Bank dat de voornoemde periodieke staten die zij in voorkomend geval aan het einde van het eerste halfjaar en in elk geval aan het einde van het boekjaar overmaakt, in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen. Daartoe moeten de periodieke staten :
  1° volledig zijn, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan ze worden opgesteld, en;
  2° juist zijn, wat wil zeggen dat ze exact overeenstemmen met de gegevens uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan ze worden opgesteld.
  De effectieve leiding bevestigt het nodige gedaan te hebben opdat de voornoemde staten volgens de voorschriften van de Bank zijn opgemaakt en opgesteld zijn met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening, of, voor de periodieke rapporteringsstaten die geen betrekking hebben op het einde van het boekjaar, met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening met betrekking tot het laatste boekjaar.
Art. 78. La direction effective de l'établissement de paiement déclare à la Banque que les états périodiques précités qui lui sont transmis le cas échéant à la fin du premier semestre social et en tout état de cause à la fin de l'exercice social, sont conformes à la comptabilité et aux inventaires. A cet effet, les états périodiques sont :
  1° complets, c'est-à-dire qu'ils mentionnent toutes les données figurant dans la comptabilité et dans les inventaires sur la base desquels ils sont établis, et;
  2° corrects, c'est-à-dire qu'ils concordent exactement avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base desquels ils sont établis.
  La direction effective confirme avoir fait le nécessaire pour que les états précités soient établis selon les prescriptions de la Banque, ainsi que par application des règles de comptabilisation et d'évaluation présidant à l'établissement des comptes annuels, ou, s'agissant des états périodiques qui ne se rapportent pas à la fin de l'exercice, par application des règles de comptabilisation et d'évaluation qui ont présidé à l'établissement des comptes annuels afférents au dernier exercice.
Art. 79. Voor bepaalde categorieën van betalingsinstellingen of in bijzondere gevallen kan de Bank, met eerbiediging van het recht van de Unie, afwijkingen toestaan van de in de artikelen 76 en 77 bedoelde besluiten en reglementen.
Art. 79. La Banque peut, dans le respect du droit de l'Union, pour certaines catégories d'établissements de paiement ou dans des cas particuliers, autoriser des dérogations aux arrêtés et règlements visés aux articles 76 et 77.
Art. 80. De leden van het wettelijk bestuursorgaan zijn zowel jegens de betalingsinstelling als jegens derden, hoofdelijk aansprakelijk voor alle schade die het gevolg is van de overtreding van artikel 76 en van de ter uitvoering van artikel 76 vastgestelde bepalingen.
  Wat de overtredingen betreft waaraan zij geen deel hebben gehad, worden de leden van het wettelijk bestuursorgaan slechts van de in het eerste lid bedoelde aansprakelijkheid ontheven indien hen geen schuld kan worden verweten en zij die overtredingen, naargelang het geval, hebben aangeklaagd op de eerste algemene vergadering of de eerstkomende zitting van het wettelijk bestuursorgaan nadat zij er kennis van hebben gekregen.
Art. 80. Les membres de l'organe légal d'administration sont solidairement responsables aussi bien envers l'établissement de paiement qu'envers les tiers, de tous dommages résultant d'infractions à l'article 76 et aux dispositions prises en exécution de l'article 76.
  En ce qui concerne les infractions auxquelles ils n'ont pas pris part, les membres de l'organe légal d'administration ne sont déchargés de la responsabilité visée à l'alinéa 1er que si aucune faute ne leur est imputable et s'ils ont dénoncé ces infractions selon le cas, lors de la première assemblée générale ou lors de la première séance de l'organe légal d'administration suivant le moment où ils en ont eu connaissance.
HOOFDSTUK II. - Geregistreerde betalingsinstellingen
CHAPITRE II. - Les établissements de paiement enregistrés
Afdeling I. - Beperkte betalingsinstellingen
Section Ire. - Les établissements de paiement limités
Onderafdeling 1. - Voorwaarden om in aanmerking te komen voor het statuut
Sous-section 1re. - Conditions d'éligibilité au statut
Art. 81. Rechtspersonen naar Belgisch recht die voldoen aan de voorwaarden van het tweede lid kunnen vragen om in aanmerking te komen voor de regeling van deze Afdeling.
  Dit geldt voor rechtspersonen :
  1° die voornemens zijn één of meerdere betalingsdiensten te verrichten als bedoeld in de punten 1 tot 5 van Bijlage I.A;
  2° waarvan het bedrijfsplan aangeeft dat het maandelijkse gemiddelde van de totale waarde van de betalingstransacties die in de komende twaalf maanden zullen worden verricht door hen, met inbegrip van de agenten waarvoor zij aansprakelijk zijn, niet hoger is dan 1 000 000 euro; en
  3° waarvan de leiders zich niet in één van de situaties bevinden die in artikel 20 van de bankwet zijn beschreven.
Art. 81. Les personnes morales de droit belge qui répondent aux conditions prévues à l'alinéa 2 peuvent solliciter le bénéfice du régime prévu par la présente Section.
  Sont visées les personnes morales :
  1° qui entendent exercer un ou plusieurs services de paiement visés aux points 1 à 5 de l'Annexe I.A;
  2° dont le plan d'affaires établit que la moyenne mensuelle de la valeur totale des opérations de paiement à exécuter, au cours des douze mois à venir, par elles, en ce compris tout agent dont elles assument la responsabilité, ne dépasse pas 1 000 000 d'euros; et
  3° dont les dirigeants ne se trouvent pas dans une des situations visées à l'article 20 de la loi bancaire.
Onderafdeling 2. - Toegang tot de registratie
Sous-section 2. - Accès à l'enregistrement
Art. 82. § 1. Om in aanmerking te komen voor de regeling van deze Afdeling dienen de betrokken ondernemingen bij de Bank een registratieaanvraag in die vergezeld gaat van een administratief dossier dat voldoet aan de door haar vastgestelde voorwaarden en waarin met name de gegevens worden verstrekt op grond waarvan beoordeeld kan worden of voldaan is aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een registratie en of de aanvrager in staat is om te voldoen aan de uitoefeningsvoorwaarden die respectievelijk in de artikelen 86 en 87 zijn vastgesteld.
  Op verzoek van de Bank moet de aanvrager alle inlichtingen verstrekken die nodig zijn om de aanvraag te kunnen beoordelen.
  § 2. De Bank spreekt zich uit over de registratieaanvraag binnen drie maanden na indiening van een volledig dossier en uiterlijk twaalf maanden na indiening van de aanvraag.
  De in artikel 81 bedoelde rechtspersonen die voldoen aan de in artikel 86 vastgestelde voorwaarden voor het verkrijgen van een registratie, worden door de Bank geregistreerd als beperkte betalingsinstellingen.
  Teneinde een gezonde en prudente bedrijfsvoering van de instelling te garanderen, kan de Bank in de registratie voorwaarden stellen voor de uitoefening van bepaalde van de voorgenomen werkzaamheden.
  De beslissingen inzake registratie worden ter kennis gebracht van de aanvragers.
  In de beslissing van de Bank wordt gespecificeerd voor welke van de in de punten 1 tot 5 van Bijlage I.A vermelde betalingsdiensten de registratie wordt verleend.
Art. 82. § 1er. Aux fins de bénéficier du régime prévu par la présente Section, les entreprises concernées soumettent à la Banque une demande d'enregistrement, accompagnée d'un dossier administratif répondant aux conditions qu'elle fixe et dans lequel sont notamment fournies les informations permettant d'apprécier le respect des conditions d'accès à l'enregistrement et l'aptitude du demandeur à satisfaire aux conditions d'exercice prévues respectivement par les articles 86 et 87 .
  A la demande de la Banque, le demandeur doit fournir tous renseignements nécessaires à l'appréciation de sa demande.
  § 2. La Banque se prononce sur la demande d'enregistrement dans les trois mois de l'introduction d'un dossier complet et au plus tard dans les douze mois de l'introduction de la demande.
  La Banque enregistre en qualité d'établissements de paiement limités les personnes morales visées à l'article 81 quirépondent aux conditions d'accès à l'enregistrement prévues à l'article 86.
  La Banque peut en vue d'une gestion saine et prudente de l'établissement assortir l'enregistrement de conditions relatives à l'exercice de certaines des activités projetées.
  Les décisions en matière d'enregistrement sont notifiées aux demandeurs.
  La décision de la Banque précise les services de paiement visés aux points 1 à 5 de l'Annexe I.A pour lesquels l'enregistrement est octroyé.
Art. 83. De beperkte betalingsinstellingen die krachtens artikel 82 geregistreerd zijn, worden opgenomen in de lijst bedoeld in artikel 8, § 1, eerste lid, 2°, a).
Art. 83. Les établissements de paiement limités enregistrés en vertu de l'article 82 sont inscrits à la liste visée à l'article 8, § 1er, alinéa 1er, 2°, a).
Art. 84. De beperkte betalingsinstelling brengt de Bank onverwijld op de hoogte van alle wijzigingen die zij in de loop van de uitoefening van haar bedrijf heeft aangebracht in de gegevens die overeenkomstig artikel 82 zijn meegedeeld.
Art. 84. L'établissement de paiement limité informe sans tarder la Banque de toutes modifications apportées, au cours de l'exercice de son activité, aux informations communiquées en application de l'article 82.
Art. 85. De Bank stelt de Europese Commissie jaarlijks in kennis van het aantal beperkte betalingsinstellingen die zij geregistreerd heeft en van de totale waarde van de betalingstransacties die op 31 december van elk kalenderjaar door hen zijn verricht.
Art. 85. La Banque notifie annuellement à la Commission européenne le nombre d'établissements de paiement limités enregistrés et la valeur totale de leurs opérations de paiement effectuées au 31 décembre de chaque année civile.
Onderafdeling 3. - Voorwaarden voor het verkrijgen van een registratie
Sous-section 3. - Conditions d'accès à l'enregistrement
Art. 86. De bepalingen van Titel II, Hoofdstuk I, Afdeling II zijn van toepassing op de beperkte betalingsinstellingen. Op grond van een na advies van de Bank vastgesteld besluit kan de Koning de beperkte betalingsinstellingen echter vrijstellen van de toepassing van alle of een deel van deze bepalingen.
  Bij de beoordeling van de registratieaanvraag houdt de Bank ook rekening met het vermogen van de aanvragende instelling om te voldoen aan de in Onderafdeling 4 bedoelde bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden en om haar ontwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken onder de voorwaarden die nodig zijn voor de goede werking van het financiële stelsel en voor de veiligheid van de gebruikers.
Art. 86. Les dispositions du Titre II, Chapitre Ier, Section 2 s'appliquent aux établissements de paiements limités. Toutefois, le Roi, par arrêté adopté sur avis de la Banque, peut exempter les établissements de paiement limités de l'application de tout ou partie de ces dispositions.
  Lors de l'appréciation de la demande d'enregistrement, la Banque tient également compte de l'aptitude de l'établissement demandeur à satisfaire aux conditions d'exercice de l'activité visées à la Sous-section 4, ainsi qu'à réaliser ses objectifs de développement dans les conditions que requièrent le bon fonctionnement du système financier et la sécurité des utilisateurs.
Onderafdeling 4. - Uitoefeningsvoorwaarden
Sous-section 4. - Conditions d'exercice
Art. 87. § 1. De beperkte betalingsinstellingen mogen enkel de in de punten 1 tot 5 van Bijlage I.A bedoelde betalingsdiensten aanbieden. [1 Zij mogen geen cryptoactivadiensten aanbieden.]1
  § 2. De bepalingen van Titel II, Hoofdstuk I, Afdeling III zijn van toepassing op de beperkte betalingsinstellingen. Op grond van een na advies van de Bank vastgesteld besluit kan de Koning de beperkte betalingsinstellingen echter vrijstellen van de toepassing van alle of een deel van deze artikelen met uitzondering van de artikelen 41 tot 43, § 3 en 44 en 45, met dien verstande dat :
  1° de Koning kan bepalen dat de personen die overeenkomstig artikel 82 geregistreerd zijn, slechts een aantal van de in de artikelen 43 en 44 opgesomde werkzaamheden mogen verrichten;
  2° de Bank de agent van de beperkte betalingsinstelling opneemt in de lijst bedoeld in artikel 8, § 1, eerste lid, 2°.
  § 3. Het maandelijkse gemiddelde van de totale waarde van de betalingstransacties die tijdens de voorgaande twaalf maanden zijn verricht door de betalingsinstellingen zelf, met inbegrip van de agenten waarvoor zij aansprakelijk zijn, is niet hoger dan 1 000 000 euro.
  De beperkte betalingsinstellingen delen dit maandelijkse gemiddelde mee aan de Bank volgens een frequentie en op een wijze die door de Bank wordt bepaald.
  Wanneer de voorwaarde van het eerste lid niet langer vervuld is, vragen de beperkte betalingsinstellingen die geregistreerd zijn, binnen dertig kalenderdagen een vergunning aan overeenkomstig artikel 10 en volgende.
  § 4. De beperkte betalingsinstellingen moeten voldoen aan de verplichtingen van [1 Verordening (EU) 2023/1113]1 en van de wet van 18 september 2017.
  § 5. De beperkte betalingsinstellingen stellen de Bank in kennis van elke verandering in hun situatie die relevant is voor de naleving van de voorwaarden van de artikelen 86 en 87.
  § 6. De beperkte betalingsinstellingen komen niet in aanmerking voor het Europees paspoort bedoeld in de artikelen 59 tot 70.
  
Art. 87. § 1er. Les établissements de paiement limités ne peuvent fournir que les services de paiement visés aux points 1 à 5 de l'Annexe I.A. [1 Ils ne peuvent fournir de services sur crypto-actifs.]1
  § 2. Les dispositions du Titre II, Chapitre Ier, Section III s'appliquent aux établissements de paiement limités. Toutefois, le Roi peut, par arrêté adopté sur avis de la Banque, exempter les établissements de paiement limités de l'application de tout ou partie de ces articles, à l'exception des articles 41 à 43, § 3 et 44 et 45, étant entendu que :
  1° le Roi peut prévoir que les personnes enregistrées conformément à l'article 82 ne peuvent exercer que certaines des activités énumérées aux articles 43 et 44;
  2° la Banque inscrit l'agent de l'établissement de paiement limité à la liste visé à l'article 8, § 1er, alinéa 1er, 2°.
  § 3. La moyenne mensuelle de la valeur totale des opérations de paiement exécutées, au cours des douze mois précédents, par les établissements de paiement eux-mêmes, en ce compris tout agent dont elles assument la responsabilité, ne dépasse pas 1 000 000 euros.
  Les établissements de paiement limités communiquent cette moyenne mensuelle à la Banque selon une fréquence et des modalités de transmission déterminées par la Banque.
  Lorsque la condition visée à l'alinéa 1er n'est plus remplie, les établissements de paiement limités enregistrés demandent l'agrément dans un délai de trente jours calendaires conformément aux articles 10 et suivants.
  § 4. Les établissements de paiement limités sont soumis aux obligations prévues par le [1 Règlement (UE) 2023/1113]1 ainsi que par la loi du 18 septembre 2017.
  § 5. Les établissements de paiement limités informent la Banque de tout changement de leur situation ayant une incidence sur le respect des conditions prévues aux articles 86 et 87.
  § 6. Les établissements de paiement limités ne bénéficient pas du passeport européen prévu aux articles 59 à 70.
  
Onderafdeling 5. - Periodieke en boekhoudkundige informatie, toezicht en regels voor instellingen die in moeilijkheden of in een onregelmatige situatie verkeren
Sous-section 5. - Les informations périodiques et comptables, le contrôle et les règles régissant les établissements en situation irrégulière ou en difficulté
Art. 88. De bepalingen van Titel II, Hoofdstuk I, Afdeling IV en van Hoofdstuk III zijn van toepassing op beperkte betalingsinstellingen. Op grond van een na advies van de Bank vastgesteld koninklijk besluit kan de Koning de beperkte betalingsinstellingen echter vrijstellen van de toepassing van alle of een deel van deze artikelen.
Art. 88. Les dispositions du Titre II, Chapitre Ier, Section IV et Chapitre III s'appliquent aux établissements de paiement limités. Toutefois, le Roi, par arrêté royal adopté sur avis de la Banque, peut exempter les établissements de paiement limités de l'application de tout ou partie de ces articles.
Afdeling II. - Betalingsinstellingen die rekeningaggregatiediensten aanbieden
Section II. - Les établissements de paiement agrégateurs de comptes
Onderafdeling 1. - Verplichting tot registratie en procedure
Sous-section 1re. - Obligation d'enregistrement et procédure
Art. 89. Iedere rechtspersoon naar Belgisch recht die voornemens is in België de in punt 8 van Bijlage I.A bedoelde betalingsdiensten aan te bieden, met uitsluiting van alle andere betalingsdiensten, moet, vooraleer hij zijn werkzaamheden aanvat, door de Bank geregistreerd zijn als betalingsinstelling die rekeningaggregatiediensten aanbiedt.
Art. 89. Toute personne morale de droit belge qui entend fournir en Belgique des services de paiement visés au point 8 de l'Annexe I.A, à l'exclusion de tout autre service de paiement, est tenue, avant de commencer ses opérations, d'être enregistrée par la Banque en qualité d'établissement de paiement agrégateur de comptes.
Art. 90. § 1. De registratieaanvraag wordt ingediend bij de Bank en gaat vergezeld van een administratief dossier dat voldoet aan de door haar vastgestelde voorwaarden en waarin met name de gegevens worden verstrekt op grond waarvan de Bank kan beoordelen of :
  1° voldaan is aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een registratie die vastgesteld zijn in de artikelen 94 en 95; en
  2° of de aanvrager in staat is om te voldoen aan de in de artikelen 96 tot 98 vastgestelde uitoefeningsvoorwaarden.
  § 2. De aanvrager verstrekt bovendien de gegevens bedoeld in artikel 10, eerste lid, met uitzondering van de gegevens bedoeld in de volgende punten :
  1° de punten 3° en 4° ;
  2° punt 7°, in de mate dat dit punt refereert aan artikel 19;
  3° punt 9° ;
  4° punt 12° voor wat betreft de regels voor de toegang tot betaalrekeningen in het geval van betalingsinitiatiediensten;
  5° punt 16° voor wat betreft de statistische gegevens over betalingstransacties en prestaties; en
  6° de punten 19° en 20°.
  De procedures van artikel 10, eerste lid, punt 12°, waarvoor de aanvrager de gegevens wel degelijk moet verstrekken, omvatten de procedures die de naleving garanderen van de in artikel 98 vastgestelde regels voor de toegang tot de rekeningen.
  De gegevens bedoeld in artikel 10, eerste lid, 18°, moeten aantonen dat voldaan is aan de vereisten van artikel 95, § 2.
Art. 90. § 1er. La demande d'enregistrement est soumise à la Banque, accompagnée d'un dossier administratif répondant aux conditions qu'elle fixe et dans lequel sont notamment fournies les informations permettant à la Banque d'apprécier :
  1° le respect des conditions d'accès à l'enregistrement prévues aux articles 94 et 95; et
  2° l'aptitude du demandeur à satisfaire aux conditions d'exercice prévues aux articles 96 à 98.
  § 2. Le demandeur fournit en outre les informations visées à l'article 10, alinéa 1er, à l'exception de celles visées aux points suivants :
  1° points 3° et 4° ;
  2° point 7° dans la mesure où ce point se réfère à l'article 19;
  3° point 9° ;
  4° point 12° pour ce qui concerne les règles relatives à l'accès aux comptes de paiement en cas de service d'initiation de paiement;
  5° point 16° pour ce qui concerne les données statistiques relatives aux opérations et aux performances; et
  6° points 19° et 20°.
  Les procédures visées à l'article 10, alinéa 1er, point 12°, pour lesquelles le demandeur reste tenu de fournir les informations incluent les procédures assurant le respect des règles relatives à l'accès aux comptes prévues à l'article 98.
  Les informations visées à l'article 10, alinéa 1er, 18°, doivent établir la conformité aux exigences de l'article 95, § 2.
Art. 91. De Bank spreekt zich uit over de registratieaanvraag binnen drie maanden na indiening van een volledig dossier en uiterlijk twaalf maanden na indiening van de aanvraag.
  De instellingen die voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 94 en 95 worden door de Bank geregistreerd als betalingsinstelling die rekeningaggregatiediensten aanbiedt.
  De beslissingen inzake de registratie worden ter kennis gebracht van de aanvragers.
  Teneinde een gezonde en prudente bedrijfsvoering te garanderen, kan de Bank in de registratie voorwaarden stellen voor de uitoefening van bepaalde van de voorgenomen werkzaamheden.
Art. 91. La Banque se prononce sur la demande d'enregistrement dans les trois mois de l'introduction d'un dossier complet et au plus tard dans les douze mois de l'introduction de la demande.
  La Banque enregistre en qualité d'établissement de paiement agrégateur de comptes les établissements qui répondent aux conditions prévues aux articles 94 et 95.
  Les décisions en matière d'enregistrement sont notifiées aux demandeurs.
  La Banque peut en vue d'une gestion saine et prudente assortir l'enregistrement de conditions relatives à l'exercice de certaines des activités projetées.
Art. 92. De betalingsinstellingen die rekeningaggregatiediensten aanbieden en die geregistreerd zijn, worden opgenomen in de lijst bedoeld in artikel 8, § 1, eerste lid, 2°, b).
Art. 92. Les établissements de paiement agrégateurs de comptes enregistrés sont inscrits à la liste visée à l'article 8, § 1er, alinéa 1er, 2°, b).
Art. 93. De betalingsinstelling brengt de Bank onverwijld op de hoogte van alle wijzigingen die zij in de loop van de uitoefening van haar bedrijf heeft aangebracht in de gegevens die overeenkomstig artikel 90 zijn meegedeeld.
Art. 93. L'établissement de paiement informe sans tarder la Banque de toutes modifications apportées, en cours d'exercice de son activité, aux informations communiquées en application de l'article 90.
Onderafdeling 2. - Voorwaarden voor het verkrijgen van een registratie
Sous-section 2. - Conditions d'accès à l'enregistrement
Art. 94. Behalve met de voorwaarden van deze Onderafdeling houdt de Bank ook rekening met het vermogen van de aanvragende instelling om te voldoen aan de in Onderafdeling 3 bedoelde bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden en om haar ontwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken onder de voorwaarden die nodig zijn voor de goede werking van het financiële stelsel en voor de veiligheid van de gebruikers.
Art. 94. Outre les conditions prévues par la présente Sous-section, la Banque tient également compte de l'aptitude de l'établissement demandeur à satisfaire aux conditions d'exercice de l'activité visées à la Sous-section 3, ainsi qu'à réaliser ses objectifs de développement dans les conditions que requièrent le bon fonctionnement du système financier et la sécurité des utilisateurs.
Art. 95. § 1. De bepalingen van Titel II, Hoofdstuk I, Afdeling II zijn van toepassing op betalingsinstellingen die rekeningaggregatiediensten aanbieden, met uitzondering van de artikelen 17 en 19.
  [1 In afwijking van artikel 16 mogen de in deze afdeling bedoelde instellingen ook de vorm aannemen van een besloten vennootschap.]1
  § 2. Artikel 18 is van toepassing op betalingsinstellingen die rekeningaggregatiediensten aanbieden, met dien verstande dat het bedrag van de beroepsaansprakelijkheidsverzekering of van een andere vergelijkbare waarborg dekking moet verlenen voor hun aansprakelijkheid ten aanzien van de rekeninghoudende betalingsdienstaanbieder of de betalingsdienstgebruiker als gevolg van niet-toegestane of frauduleuze toegang tot of niet-toegestaan of frauduleus gebruik van betaalrekeninginformatie.
  
Art. 95. § 1er. Les dispositions du Titre II, Chapitre Ier, Section II sont applicables aux établissements de paiement agrégateurs de comptes à l'exception des articles 17 et 19.
  [1 Par dérogation à l'article 16, les établissements visés à la présente section peuvent également revêtir la forme de la société à responsabilité limitée.]1
  § 2. L'article 18 est applicable aux établissements de paiement agrégateur de comptes étant entendu que le montant de l'assurance de responsabilité civile professionnelle ou d'une autre garantie comparable doit couvrir leur responsabilité vis-à-vis du prestataire de services de paiement gestionnaire de comptes ou de l'utilisateur de services de paiement à la suite d'un accès non autorisé ou frauduleux aux données des comptes de paiement ou d'une utilisation non autorisée ou frauduleuse de ces données.
  
Onderafdeling 3. - Uitoefeningsvoorwaarden
Sous-section 3. - Conditions d'exercice
Art. 96. Iedere betalingsinstelling die rekeningaggregatiediensten aanbiedt moet blijvend voldoen aan de bij of krachtens artikel 95 vastgelegde voorwaarden.
Art. 96. L'établissement de paiement agrégateur de comptes doit en permanence satisfaire aux conditions prévues par ou en vertu à l'article 95.
Art. 97. De uitoefeningsvoorwaarden die vastgesteld zijn in Titel II, Hoofdstuk I, Afdeling III, zijn van toepassing op de betalingsinstellingen die rekeningaggregatiediensten aanbieden, met uitzondering van de artikelen 25 tot 32, 33, 38, 41, 42, 48, 54, tweede lid, 55 tot 58 en 71 voor wat de in België gevestigde agenten betreft, met dien verstande dat :
  1° de artikelen 34 tot 37 van toepassing zijn, met uitzondering van de verplichtingen die verband houden met de bescherming van geldmiddelen;
  2° de Bank de rekeninginformatiedienstaanbieder opneemt in de lijst bedoeld in artikel 92.
Art. 97. Les conditions d'exercice visées au Titre II, Chapitre Ier, Section III sont applicables aux établissements de paiement agrégateurs de comptes à l'exception des articles 25 à 32, 33, 38, 41, 42, 48, 54, alinéa 2, 55 à 58 et 71 pour ce qui concerne les agents établis en Belgique, étant entendu que :
  1° les articles 34 à 37 s'appliquent à l'exception des obligations inhérentes à la protection des fonds;
  2° la Banque inscrit l'agent des prestataires de service d'information sur les comptes à la liste visée à l'article 92.
Art. 98. § 1. Om te garanderen dat de betalingsdienstgebruikers een beroep mogen doen op een betalingsinstelling die rekeningaggregatiediensten aanbiedt voor de rekeninginformatiediensten bedoeld in punt 8 van Bijlage I.A met betrekking tot een online toegankelijke betaalrekening, voldoen de betalingsinstellingen die rekeningaggregatiediensten aanbieden aan de voorwaarden van dit artikel.
  § 2. De betalingsinstelling die rekeningaggregatiediensten aanbiedt waakt erover dat de persoonlijke beveiligingsgegevens van de betalingsdienstgebruiker :
  1° niet toegankelijk zijn voor andere partijen, met uitzondering van de gebruiker en de uitgever van die gegevens;
  2° via veilige en efficiënte kanalen worden verzonden.
  § 3. De betalingsinstelling die rekeningaggregatiediensten aanbiedt :
  1° identificeert zich bij elke communicatiesessie bij de betalingsdienstaanbieder(s) waarbij de rekening van de betaler wordt aangehouden;
  2° communiceert op een veilige manier met de rekeninghoudende betalingsdienstaanbieder(s) en de betalingsdienstgebruiker, overeenkomstig artikel 49;
  3° heeft alleen toegang tot de informatie van de aangewezen betaalrekeningen en de betrokken betalingstransacties;
  4° vraagt geen gevoelige betalingsgegevens met betrekking tot de betaalrekeningen op;
  5° gaat niet over tot het gebruiken van, zich toegang verschaffen tot en bewaren van gegevens voor andere doelstellingen dan het uitvoeren van de door de betalingsdienstgebruiker uitdrukkelijk gevraagde rekeninginformatiedienst, overeenkomstig de wettelijke en reglementaire bepalingen, in voorkomend geval van buitenlands recht, die betrekking hebben op de bescherming van persoonsgegevens;
  6° verricht de diensten alleen met de uitdrukkelijke instemming van de betalingsdienstgebruiker.
Art. 98. § 1er Afin de garantir le droit des utilisateurs de services de paiement de s'adresser à un établissement de paiement agrégateur de comptes pour obtenir le service d'information sur les comptes visé au point 8 de l'Annexe I.A à l'égard d'un compte de paiement accessible en ligne, les établissements de paiement agrégateurs de comptes satisfont aux conditions prévues au présent article.
  § 2. L'établissement de paiement agrégateur de comptes s'assure que les données de sécurité personnalisées de l'utilisateur de services de paiement :
  1° ne sont pas accessibles à d'autres parties que l'utilisateur et l'émetteur desdites données;
  2° sont transmises au moyen de canaux sûrs et efficaces.
  § 3. L'établissement de paiement agrégateur de comptes :
  1° s'identifie auprès du ou des prestataires de services de paiement gestionnaire du compte du payeur lors de chaque session de communication;
  2° communique avec le ou les prestataires de services de paiement gestionnaire du compte et l'utilisateur de service de paiement de manière sécurisée, conformément à l'article 49;
  3° accède uniquement aux informations provenant des comptes de paiement désignés et des opérations de paiement y relatives;
  4° ne sollicite pas de données de paiement sensibles liées à des comptes de paiement;
  5° n'utilise, ne consulte et ne conserve des données à des fins autres que la fourniture du service d'information sur les comptes expressément demandé par l'utilisateur de services de paiement, conformément aux dispositions légales et réglementaires, le cas échéant de droit étranger, régissant la protection des données à caractère personnel;
  6° fournit des services uniquement sur la base du consentement explicite de l'utilisateur de services de paiement.
Onderafdeling 4. - Periodieke informatieverstrekking en boekhoudregels
Sous-section 4. - Des informations périodiques et des règles comptables
Art. 99. De Bank kan bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998 de rapporteringsverplichtingen vaststellen waaraan betalingsinstellingen die rekeningaggregatiediensten aanbieden moeten voldoen.
Art. 99. La Banque est habilitée à déterminer par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998, les obligations de reporting auxquelles les établissements de paiement agrégateurs de comptes doivent satisfaire.
HOOFDSTUK III. - Toezicht op betalingsinstellingen, in moeilijkheden of in een onregelmatige situatie verkerende betalingsinstellingen en beëindiging van de vergunning of de registratie
CHAPITRE III. - Contrôle des établissements de paiement, des établissements de paiement en difficulté ou en situation irrégulière et fin de l'agrément ou de l'enregistrement
Afdeling I. - Toezicht op de betalingsinstellingen naar Belgisch recht
Section Ire. - Contrôle des établissements de paiement de droit belge
Onderafdeling 1. - Toezicht van de Bank
Sous-section 1re. - Contrôle exercé par la Banque
1.1. Beginselen
1.1. Principes
Art. 100. § 1. De betalingsinstellingen zijn onderworpen aan het toezicht van de Bank.
  De Bank ziet erop toe dat elke betalingsinstelling doorlopend werkt overeenkomstig de bepalingen van deze wet en van haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen, evenals van de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn (EU) 2015/2366 [1 , en overeenkomstig de bepalingen van Verordening (EU) 2017/2402]1 [1 en van Verordening (EU) 2022/2554]1.
  Het toezicht van de Bank staat in verhouding tot en is aangepast aan de aard, de omvang en de complexiteit van de door de betalingsinstelling verrichte betalingsdiensten en de eraan verbonden risico's.
  § 2. Het toezicht van de Bank slaat evenwel niet op de werkzaamheden van de betalingsinstelling die overeenkomstig artikel 44 zijn toegelaten, tenzij dit vereist is voor het toezicht op de naleving door de betalingsinstelling van de bepalingen van deze wet en van haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen evenals van de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn (EU) 2015/2366 [1 , en van de bepalingen van Verordening (EU) 2017/2402]1 [1 en van Verordening (EU) 2022/2554]1.
  
Art. 100. § 1er. Les établissements de paiement sont soumis au contrôle de la Banque.
  La Banque veille à ce que chaque établissement de paiement opère en permanence conformément aux dispositions de la présente loi, des arrêtés et règlements pris pour son exécution, ainsi que des mesures d'exécution de la Directive (UE) 2015/2366 [1 et aux dispositions du règlement (UE) 2017/2402]1 [1 et du règlement (UE) 2022/2554]1.
  Le contrôle exercé par la Banque est proportionné et adéquat, au regard de la nature, du volume et de la complexité des services de paiement fournis par l'établissement de paiement, ainsi que des risques y afférents.
  § 2. Le contrôle de la Banque ne porte toutefois pas sur les activités de l'établissement de paiement autorisé conformément à l'article 44, sauf dans la mesure requise pour le contrôle du respect par l'établissement de paiement des dispositions de la présente loi, des arrêtés et règlements pris pour son exécution, ainsi que des mesures d'exécution de la Directive (UE) 2015/2366 [1 et des dispositions du règlement (UE) 2017/2402]1 [1 et du règlement (UE) 2022/2554]1.
  
Art. 101. Relaties tussen een betalingsinstelling of haar agent en een bepaalde cliënt behoren niet tot de bevoegdheid van de Bank, tenzij het toezicht op de betalingsinstelling dit vergt.
Art. 101. La Banque ne connaît des relations entre un établissement de paiement ou son agent et un client déterminé que dans la mesure requise pour le contrôle de l'établissement de paiement.
1.2. Prerogatieven
1.2.Prérogatives
Art. 102. Met het oog op haar toezichtsopdracht kan de Bank zich door de betalingsinstellingen alle inlichtingen doen verstrekken over hun organisatie, werking, financiële positie en verrichtingen.
  Met dat doel kan de Bank zich ook inlichtingen doen verstrekken door agenten van betalingsinstellingen of door entiteiten waaraan de betalingsinstelling taken heeft uitbesteed.
Art. 102. Aux fins de sa mission de contrôle, la Banque peut se faire communiquer par les établissements de paiement toutes informations relatives à leur organisation, à leur fonctionnement, à leur situation financière et à leurs opérations.
  A cette fin, la Banque peut également se faire communiquer des informations par les agents d'établissements de paiement ou par des entités auprès desquelles l'établissement de paiement sous-traite l'exécution de tâches.
Art. 103. § 1. Met het oog op haar toezichtsopdracht kan de Bank bij de betalingsinstellingen ook inspecties ter plaatse verrichten en ter plaatse kennis nemen en een kopie maken van alle gegevens waarover de betalingsinstelling beschikt,
  1° om na te gaan of de bepalingen van deze wet en van haar uitvoeringsbesluiten- en reglementen, evenals de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn (EU) 2015/2366 [1 en de bepalingen van Verordening (EU) 2017/2402]1 [1 en van Verordening (EU) 2022/2554]1 zijn nageleefd en/of de boekhouding en jaarrekening, alsmede de haar door de betalingsinstelling voorgelegde staten en andere inlichtingen, juist en waarheidsgetrouw zijn;
  2° om het passende karakter te toetsen van de beleidsstructuren, de administratieve en boekhoudkundige organisatie en de interne controle van de betalingsinstelling;
  3° om zich ervan te vergewissen dat de bedrijfsvoering van de betalingsinstelling gezond en prudent is, en dat haar positie of haar verrichtingen haar liquiditeit, rendabiliteit of solvabiliteit niet in gevaar kunnen brengen.
  De in het eerste lid bedoelde prerogatieven omvatten ook de toegang tot de agenda's en de notulen van de vergaderingen van de verschillende organen van de instelling en van hun interne comités, evenals tot de bijbehorende documenten en tot de resultaten van de interne en/of externe beoordeling van de werking van die organen.
  § 2. In het kader van haar toezicht en met name van haar inspecties, zijn de personeelsleden van de Bank gemachtigd om van de leiders en de werknemers van de betalingsinstelling alle inlichtingen en uitleg te verkrijgen die zij nodig achten voor de uitvoering van hun opdrachten en kunnen zij te dien einde eisen dat er gesprekken plaatsvinden met leiders of personeelsleden van de instelling die zij aanduiden.
  § 3. De inspectieverslagen en meer in het algemeen alle documenten die uitgaan van de Bank, waarvan zij aangeeft dat ze vertrouwelijk zijn, mogen niet openbaar worden gemaakt door de betalingsinstellingen zonder uitdrukkelijke toestemming van de Bank.
  De niet-naleving van deze verplichting wordt bestraft met de straffen waarin voorzien is in artikel 458 van het Strafwetboek.
  § 4. Met het oog op het bepaalde in paragraaf 1 kan de Bank ook ter plaatse inspecties verrichten bij agenten van betalingsinstellingen of bij entiteiten waaraan de betalingsinstelling taken heeft uitbesteed, en ter plaatse kennis nemen en een kopie maken van alle gegeven waarover zij beschikken.
  § 5. Voor de uitvoering van haar toezichtsopdracht mag de Bank een beroep doen op deskundigen die zij aanstelt om de nuttige controles en onderzoeken te verrichten. De bezoldiging en de kosten van deze deskundigen worden door de betalingsinstelling gedragen.
  
Art. 103. § 1er. Aux fins de sa mission de contrôle, la Banque peut également procéder auprès des établissements de paiement à des inspections sur place et prendre connaissance et copie, sans déplacement, de toute information détenue par l'établissement de paiement en vue :
  1° de vérifier le respect des dispositions de la présente loi, des arrêtés et règlements pris pour son exécution ainsi que des mesures d'exécution de la Directive (UE) 2015/2366 [1 et des dispositions du règlement (UE) 2017/2402]1 [1 et du règlement (UE) 2022/2554]1 ainsi que l'exactitude et la sincérité de la comptabilité et des comptes annuels ainsi que des états et autres informations qui lui sont transmis par l'établissement de paiement;
  2° de vérifier le caractère adéquat des structures de gestion, de l'organisation administrative et comptable et du contrôle interne de l'établissement de paiement;
  3° de s'assurer que la gestion de l'établissement de paiement est saine et prudente et que sa situation ou ses opérations ne sont pas de nature à mettre en péril sa liquidité, sa rentabilité ou sa solvabilité.
  Les prérogatives visées à l'alinéa 1er couvrent également l'accès aux ordres du jour et aux procès-verbaux des réunions des différents organes de l'établissement et de leurs comités internes, ainsi qu'aux documents y afférents et aux résultats de l'évaluation interne et/ou externe du fonctionnement desdits organes.
  § 2. Dans le cadre de son contrôle et notamment de ses inspections, les agents de la Banque sont habilités à recevoir des dirigeants et des employés de l'établissement de paiement toutes informations et explications qu'ils estiment nécessaires pour l'exercice de leurs missions et peuvent, à cette fin, requérir la tenue d'entretiens avec des dirigeants ou membres du personnel de l'établissement qu'ils désignent.
  § 3. Les rapports d'inspection et plus généralement tous les documents émanant de la Banque dont elle indique qu'ils sont confidentiels ne peuvent être divulgués par les établissements de paiement sans le consentement exprès de la Banque.
  Le non-respect de cette obligation est puni des peines prévues par l'article 458 du Code pénal.
  § 4. Aux fins visées au paragraphe 1er, la Banque peut également procéder à des inspections sur place auprès des agents d'établissements de paiement ou des entités auprès desquelles l'établissement de paiement sous-traite l'exécution de tâches et prendre connaissance et copie, sans déplacement, de toutes informations détenues par ces derniers.
  § 5. La Banque peut, pour l'exécution de sa mission de contrôle, recourir à des experts qu'elle désigne en vue d'effectuer les vérifications et expertises utiles. La rémunération et les frais de ces experts sont à charge de l'établissement de paiement.
  
Onderafdeling 2. - Toezicht door de Bank op in een andere lidstaat uitgeoefende werkzaamheden
Sous-section 2. - Contrôle exercé par la Banque à l'égard des activités exercées dans un autre Etat membre
2.1. Definities en beginsel
2.1. Définitions et principe
Art. 104. Voor de toepassing van deze Onderafdeling 2 wordt de Bank in haar hoedanigheid van bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst beschouwd.
Art. 104. Pour l'application de la présente Sous-section 2, la Banque est visée en sa qualité d'autorité compétente de l'Etat membre d'origine.
Art. 105. Het toezicht bedoeld in artikel 100 heeft eveneens betrekking op de werkzaamheden die de betalingsinstellingen uitoefenen via een bijkantoor, via een agent of via het vrij verrichten van diensten in een andere lidstaat.
Art. 105. Le contrôle visé à l'article 100, porte également sur les activités que les établissements de paiement exercent par voie de succursale, par l'intermédiaire d'un agent ou par voie de libre prestation de services dans un autre Etat membre.
2.2. Controle ter plaatse
2.2. Contrôle sur place
Art. 106. Met het oog op de controle die zij op in het buitenland verrichte werkzaamheden uitoefent, kan de Bank, na voorafgaande kennisgeving aan de autoriteiten van de betrokken lidstaat die belast zijn met het toezicht op de betalingsinstellingen, bij de in die lidstaat gevestigde bijkantoren van de betalingsinstellingen naar Belgisch recht, evenals bij de aldaar gevestigde agenten en entiteiten waaraan de betalingsinstelling taken heeft uitbesteed, de in artikel 103 bedoelde inspecties verrichten, met name alle inspecties met als doel ter plaatse gegevens te verzamelen of te toetsen over de leiding en de bedrijfsvoering van het bijkantoor, alsook alle gegevens die het toezicht op de betalingsinstelling kunnen vergemakkelijken, inzonderheid op het vlak van haar financiële positie, administratieve en boekhoudkundige organisatie en interne controle.
  Met hetzelfde doel en na kennisgeving aan de betrokken bevoegde autoriteiten, kan zij een deskundige die zij aanstelt, gelasten met alle nuttige controles en onderzoeken. De bezoldiging en de kosten van deze deskundige worden door de betalingsinstelling gedragen.
  Evenzo kan de Bank deze autoriteiten verzoeken bepaalde controles en onderzoeken te verrichten.
Art. 106. Aux fins de son contrôle en ce qu'il porte sur des activités exercées à l'étranger, la Banque peut, moyennant l'information préalable des autorités de l'Etat membre concerné en charge du contrôle des établissements de paiement, procéder auprès des succursales des établissements de paiement de droit belge, des agents, et des entités auprès desquels l'établissement de paiement sous-traite l'exécution de tâches, établis dans cet Etat, aux inspections visées à l'article 103, notamment à toute inspection en vue de recueillir ou de vérifier sur place les informations relatives à la direction et à la gestion de la succursale ainsi que toutes informations susceptibles de faciliter le contrôle de l'établissement de paiement, spécialement sur le plan de sa situation financière, de son organisation administrative et comptable et de son contrôle interne.
  Elle peut, aux mêmes fins, et après en avoir avisé les autorités compétentes concernées, charger un expert, qu'elle désigne, d'effectuer les vérifications et expertises utiles. La rémunération et les frais de l'expert sont à charge de l'établissement de paiement.
  Elle peut, de même, demander à ces autorités de procéder aux vérifications et expertises qu'elle leur précise.
2.3. Samenwerking
2.3. Coopération
Art. 107. Onverminderd de artikelen 35 en 36/13 tot 36/15 van de wet van 22 februari 1998, werkt de Bank nauw samen met de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst teneinde de controle door die autoriteiten op de werkzaamheden die op hun grondgebied worden verricht door betalingsinstellingen naar Belgisch recht die daar via een bijkantoor of een agent of in het kader van het vrij verrichten van diensten werkzaam zijn, te vergemakkelijken.
  Hiertoe verstrekt de Bank uit eigen beweging aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten van ontvangst alle essentiële informatie waarover zij beschikt en verstrekt zij hen op verzoek alle relevante informatie, in het bijzonder wanneer er sprake is van inbreuken of vermoedelijke inbreuken door een agent of een bijkantoor.
Art. 107. Sans préjudice des articles 35 et 36/13 à 36/15 de la loi du 22 février 1998, en vue de faciliter le contrôle par les autorités compétentes de l'Etat membre d'accueil de l'activité menée sur leur territoire par des établissements de droit belge opérant par l'intermédiaire d'une succursale ou d'un agent ou en libre prestation de service, la Banque collabore étroitement avec ces autorités.
  A cet effet, la Banque fournit d'initiative aux autorités compétentes des Etats membres d'accueil concernés les informations essentielles dont elle dispose et communique sur demande, toutes les informations pertinentes, notamment en cas de manquement ou de présomption de manquement de la part d'un agent ou d'une succursale.
2.4.Buitengewone maatregelen van de Bank
2.4. Mesures exceptionnelles prises par la Banque
Art. 108. § 1. De Bank stelt de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst waar een betalingsinstelling naar Belgisch recht een bijkantoor heeft gevestigd of werkzaamheden verricht via een agent of in het kader van het vrij verrichten van diensten, onverwijld in kennis van de maatregelen die zij overeenkomstig de artikelen 116 en 117 heeft genomen. Zij houdt deze autoriteiten op de hoogte van de behandeling van het eventuele beroep tegen deze beslissingen.
  § 2. Indien de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst in een noodsituatie bewarende maatregelen heeft getroffen in afwachting dat de Bank passende maatregelen neemt, kan deze laatste een maatregel waartegen zij bezwaar maakt, voorleggen aan de Europese Bankautoriteit overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 en haar om bijstand verzoeken.
Art. 108. § 1er. La Banque informe sans délai les autorités compétentes de l'Etat membre d'accueil dans lequel un établissement de paiement de droit belge a établi une succursale ou exerce des activités par l'intermédiaire d'un agent ou sous le régime de la libre prestation de services, des mesures qu'elle a prises en application des articles 116 et 117. Elle tient ces autorités informées des suites données aux éventuels recours pris à l'encontre de ces décisions.
  § 2. Lorsque, dans une situation d'urgence, l'autorité compétente de l'Etat membre d'accueil a pris des mesures conservatoires dans l'attente de mesures adéquates prises par la Banque, cette dernière peut saisir l'Autorité bancaire européenne et solliciter son assistance conformément à l'article 19 du Règlement n° 1093/2010 à propos d'une mesure à l'égard de laquelle elle émet des objections.
Onderafdeling 3. - Revisoraal toezicht
Sous-section 3. - Contrôle révisoral
Art. 109. Deze Onderafdeling is niet van toepassing op de overeenkomstig artikel 91 geregistreerde betalingsinstellingen die rekeningaggregatiediensten aanbieden.
Art. 109. La présente Sous-section ne s'applique pas aux établissements de paiement agrégateurs de compte enregistrés conformément à l'article 91.
Art. 110. De opdracht van commissaris als bedoeld in het [2 Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen]2 mag in een betalingsinstelling enkel worden toevertrouwd aan één of meer erkende revisoren of één of meer erkende revisorenvennootschappen die daartoe door de Bank erkend zijn [1 overeenkomstig artikel 110/1 of]1 overeenkomstig artikel 222 van de bankwet.
  Bij wijze van uitzondering kan de Koning bepalen dat wanneer een beperkte betalingsinstelling die overeenkomstig artikel 82 geregistreerd is, hoofdzakelijk commerciële activiteiten uitoefent die geen verband houden met het betalingsdienstenbedrijf, en mits de Bank hiervoor voorafgaandelijk toestemming heeft verleend, zij de opdracht van commissaris mag toevertrouwen aan één of meer revisoren die niet erkend zijn door de Bank [1 overeenkomstig artikel 110/1 of]1 overeenkomstig artikel 222 van de bankwet. Deze revisor dient niettemin ten aanzien van de Bank de verplichtingen na te leven die door deze wet zijn opgelegd aan de erkend commissaris.
  [3 Artikel 3:72, 2° van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen]3 is niet van toepassing op betalingsinstellingen.
  In betalingsinstellingen die met toepassing van het voornoemde Wetboek geen commissaris moeten hebben, stelt de algemene vergadering van de vennoten een of meer erkende revisoren of een of meer erkende revisorenvennootschappen aan als bedoeld in het eerste lid. Zij nemen de taak waar van commissaris en dragen die titel. De voorschriften van het [2 Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen]2 met betrekking tot de commissarissen van naamloze vennootschappen zijn van toepassing op de aanstelling en de opdracht van commissaris in deze instellingen. Voor de toepassing van het [2 Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen]2 met betrekking tot wat voorafgaat, vervangt de algemene vergadering van vennoten de algemene vergadering van aandeelhouders in vennootschappen waar de wet die niet instelt.
  De betalingsinstellingen mogen plaatsvervangende commissarissen aanstellen, die in geval van langdurige verhindering van de commissaris diens taak waarnemen. De voorschriften van dit artikel en van artikel 111 zijn van toepassing op deze plaatsvervangers.
  De overeenkomstig dit artikel aangestelde commissarissen certificeren de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van de betalingsinstellingen. Wanneer een betalingsinstelling werkzaamheden verricht als bedoeld in de artikelen 43 of 44, worden die werkzaamheden in het schriftelijk verslag van de commissarissen als bedoeld in artikel 115, § 3, afzonderlijk beschouwd, losstaand van het betalingsdienstenbedrijf.
  
Art. 110. [4 La mission de commissaire prévue par le Code des sociétés et des associations ne peut être confiée, dans un établissement de paiement, qu'à un ou plusieurs réviseurs agréés ou à une ou plusieurs sociétés de réviseurs agréées par la Banque conformément à l'article 110/1 ou conformément à l'article 222 de la loi bancaire.]4
  Par exception, le Roi peut prévoir que lorsqu'un établissement de paiement limité enregistré conformément à l'article 82 exerce principalement des activités commerciales sans lien avec la prestation de services de paiement, il peut, moyennant l'approbation préalable de la Banque, confier [4 la mission]4 de commissaire à un ou plusieurs réviseurs qui n'ont pas été agréés par la Banque [1 conformément à l'article 110/1 ou]1 conformément à l'article 222 de la loi bancaire. Ce réviseur est néanmoins tenu de respecter les obligations imposées par la présente loi au commissaire agréé à l'égard de la Banque.
  [3 L'article 3:72, 2° du Code des sociétés et des associations]3 n'est pas applicable aux établissements de paiement.
  Dans les établissements de paiement qui ne sont pas tenus d'avoir un commissaire en application dudit Code, l'assemblée générale des associés nomme un ou plusieurs réviseurs ou une ou plusieurs sociétés de reviseurs agréés comme prévu à l'alinéa 1er. Ceux-ci exercent [4 la mission]4 et portent le titre de commissaire. Les dispositions du Code des sociétés relatives aux commissaires de sociétés anonymes sont applicables à la désignation et [4 à la mission de commissaire exercée]4 dans ces établissements. Pour l'application du [2 Code des sociétés et des associations]2 relativement à ce qui précède, l'assemblée générale des associés remplace l'assemblée générale des actionnaires dans les sociétés où la loi n'organise pas celle-ci.
  Les établissements de paiement peuvent désigner des commissaires suppléants qui exercent [4 la mission]4 de commissaire en cas d'empêchement durable de leur titulaire. Les dispositions du présent article et de l'article 111 sont applicables à ces suppléants.
  Les commissaires désignés conformément au présent article certifient les comptes annuels et les comptes consolidés des établissements de paiement. Lorsqu'un établissement de paiement exerce des activités visées aux articles 43 ou 44, les commissaires traitent, dans leur rapport écrit visé à l'article 115, § 3, ces activités séparément de l'activité de prestation de services de paiement.
  
Art. 110/1. [1 De Bank legt bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998 het reglement vast voor de erkenning van revisoren en revisorenvennootschappen.
   Het erkenningsreglement wordt uitgevaardigd na raadpleging van de erkende revisoren via hun representatieve beroepsvereniging.
   Het College van toezicht op de bedrijfsrevisoren dat opgericht is bij artikel 32 van de wet van 7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren, brengt de Bank op de hoogte telkens als een procedure wordt ingeleid of een maatregel en/of sanctie wordt genomen door dit College tegen een erkende revisor of een erkende revisorenvennootschap wegens een tekortkoming in de uitoefening van zijn of haar opdracht, met opgave van de motivering, en telkens als een verslag wordt opgesteld met toepassing van artikel 56, § 1, van de voornoemde wet van 7 december 2016. Het College brengt de Bank ook op de hoogte van alle soortgelijke procedures, maatregelen en/of sancties die in het buitenland worden opgelegd aan een erkende revisor of een erkende revisorenvennootschap en waarvan het College kennis heeft.]1

  
Art.110/1.[1 La Banque arrête, par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998, le règlement d'agrément des reviseurs et des sociétés de reviseurs.
   Le règlement d'agrément est pris après consultation des reviseurs agréés représentés par leur organisation professionnelle.
   Le Collège de supervision des réviseurs d'entreprises créé par l'article 32 de la loi du 7 décembre 2016 portant organisation de la profession et de la supervision publique des réviseurs d'entreprises informe la Banque de toute procédure ouverte et de toute mesure et/ou sanction prise par ledit Collège à l'encontre d'un réviseur agréé ou d'une société de réviseurs agréée pour manquement commis dans l'exercice de [2 sa mission]2 ainsi que de ses motifs, y compris de tout rapport rédigé en application de l'article 56, § 1er, de la loi précitée du 7 décembre 2016. Le Collège informe également la Banque de toute procédure, mesure et/ou sanction similaire dont un réviseur agréé ou une société de réviseurs agréée fait l'objet à l'étranger dont le Collège a connaissance.]1

  
Art. 111. De erkende revisorenvennootschappen doen voor de uitoefening van de opdracht van commissaris als bedoeld in artikel 110 een beroep op een erkende revisor die zij aanstellen overeenkomstig [1 artikel 3:60 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen]1. De bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, die de aanstelling, de taak, de verplichtingen en verbodsbepalingen voor commissarissen, alsmede de voor hen geldende andere dan strafrechtelijke sancties regelen, gelden zowel voor de revisorenvennootschappen als voor de erkende revisoren die hen vertegenwoordigen.
  Een erkende revisorenvennootschap mag een plaatsvervangend vertegenwoordiger aanstellen onder haar leden die voldoen aan de aanstellingsvoorwaarden.
  
Art. 111. Les sociétés de réviseurs agréées exercent [2 la mission de commissaire visée]2 à l'article 110 par l'intermédiaire d'un réviseur agréé qu'elles désignent conformément à [1 l'article 3:60 du Code des sociétés et des associations]1. Les dispositions de la présente loi et des arrêtés pris pour son exécution et qui sont relatives à la désignation, [2 à la mission]2, aux obligations et aux interdictions des commissaires, ainsi qu'aux sanctions, autres que pénales, qui sont applicables à ces derniers, s'appliquent tant aux sociétés de réviseurs qu'aux réviseurs agréés qui les représentent.
  Une société de réviseurs agréée peut désigner un représentant suppléant parmi ses membres remplissant les conditions pour être désigné.
  
Art. 112. Het college van toezicht op de bedrijfsrevisoren brengt de Bank op de hoogte telkens als een tuchtprocedure wordt ingeleid tegen een commissaris bij een betalingsinstelling wegens een tekortkoming in de uitoefening van zijn taak als revisor, alsook telkens als tegen hem een tuchtmaatregel wordt genomen.
Art. 112. Le Collège de supervision des réviseurs d'entreprises informe la Banque de l'ouverture de toute procédure disciplinaire à l'encontre d'un commissaire auprès d'un établissement de paiement pour manquement commis dans l'exercice de [1 sa mission révisorale]1, ainsi que de toute mesure disciplinaire prise à son encontre.
  
Art. 113. Voor de aanstelling van commissarissen en plaatsvervangende commissarissen bij betalingsinstellingen is de voorafgaande instemming vereist van de Bank. Deze instemming moet worden gevraagd door het vennootschapsorgaan dat de aanstelling voorstelt. Bij aanstelling van een erkende revisorenvennootschap slaat deze instemming zowel op de vennootschap als op haar vertegenwoordiger.
  Deze instemming is ook vereist voor de hernieuwing van een opdracht.
  Wanneer de aanstelling van de commissaris krachtens de wet geschiedt door de voorzitter van de [1 ondernemingsrechtbank]1 of het hof van beroep, kiest hij uit een lijst van erkende revisoren die door de Bank is goedgekeurd.
  
Art. 113. La désignation des commissaires et des commissaires suppléants auprès des établissements de paiement est subordonnée à l'accord préalable de la Banque. Cet accord doit être recueilli par l'organe social qui fait la proposition de désignation. En cas de désignation d'une société de réviseurs agréée, l'accord porte conjointement sur la société et son représentant.
  Le même accord est requis pour le renouvellement du mandat.
  Lorsque, en vertu de la loi, la nomination du commissaire est faite par le président du [1 tribunal de l'entreprise]1 ou la cour d'appel, ceux-ci font leur choix sur une liste de réviseurs agréés ayant obtenu l'accord de la Banque.
  
Art. 114. De Bank kan de krachtens artikel 113 verleende instemming met een commissaris, een plaatsvervangend commissaris, een erkende revisorenvennootschap of een vertegenwoordiger of plaatsvervangend vertegenwoordiger van een dergelijke vennootschap, steeds herroepen bij beslissing die is ingegeven door redenen die verband houden met hun statuut of hun opdracht als erkende revisor of erkende revisorenvennootschap, zoals bepaald door of krachtens deze wet. Met deze herroeping eindigt de opdracht van revisor.
  Wanneer een commissaris ontslag neemt, wordt de Bank hiervan vooraf in kennis gesteld, met opgave van de redenen.
  Het erkenningsreglement bedoeld in [1 artikel 110/1 of]1 artikel 222 van de bankwet regelt ook de procedure.
  Bij afwezigheid van een plaatsvervangende commissaris of een plaatsvervangende vertegenwoordiger van een erkende revisorenvennootschap zorgt de betalingsinstelling, met inachtneming van artikel 113, binnen twee maanden voor zijn vervanging.
  Het voorstel om een commissaris in een betalingsinstelling van zijn opdracht te ontslaan, zoals geregeld bij [2 de artikelen 3:66 en 3:67 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen]2, wordt ter advies voorgelegd aan de Bank. Dit advies wordt meegedeeld aan de algemene vergadering.
  
Art. 114. La Banque peut, en tout temps, révoquer, par décision motivée par des raisons tenant à leur statut ou à l'exercice de [3 leur mission]3 de réviseur agréé ou de société de réviseurs agréée, tels que prévus par ou en vertu de la présente loi, l'accord donné en application de l'article 113 à un commissaire, un commissaire suppléant, une société de réviseurs agréée ou un représentant ou représentant suppléant d'une telle société. Cette révocation met fin [3 à sa mission révisorale]3.
  En cas de démission d'un commissaire, la Banque est préalablement informée, ainsi que des motifs de la démission.
  Le règlement d'agrément visé à [1 l'article 110/1 ou à]1 l'article 222 de la loi bancaire règle, pour le surplus, la procédure.
  En l'absence d'un commissaire suppléant ou d'un représentant suppléant d'une société de réviseurs agréée, l'établissement de paiement pourvoit, dans le respect de l'article 113, au remplacement dans les deux mois.
  La proposition de révocation des mandats de commissaire dans les établissements de paiement, telle que réglée par [2 les articles 3:66 et 3:67 du Code des sociétés et des associations]2, est soumise à l'avis de la Banque. Cet avis est communiqué à l'assemblée générale.
  
Art. 115. § 1. De erkend commissarissen verlenen hun medewerking aan het toezicht van de Bank, op hun eigen en uitsluitende verantwoordelijkheid en overeenkomstig dit artikel, volgens de regels van het vak en de richtlijnen van de Bank.
  § 2. De erkend commissarissen beoordelen de internecontrolemaatregelen die de betalingsinstellingen hebben getroffen overeenkomstig de artikelen 21, § 1, 2°, en 38, 1, tweede lid, 1°, en delen hun bevindingen ter zake mee aan de Bank.
  § 3. De erkend commissarissen brengen verslag uit bij de Bank over de resultaten van het beperkt nazicht van de periodieke staten die de betalingsinstellingen aan het einde van het eerste halfjaar aan de Bank bezorgen, waarin bevestigd wordt dat :
  1° zij geen kennis hebben van feiten waaruit zou blijken dat de periodieke staten per einde van het halfjaar niet in alle materieel belangrijke opzichten zijn opgesteld (i) volgens de geldende richtlijnen van de Bank en/of (ii) met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening met betrekking tot het laatste boekjaar;
  2° de periodieke staten per einde van het halfjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft, in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen, inzake volledigheid, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld, en juistheid, wat wil zeggen dat ze de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld.
  De Bank kan de hier bedoelde periodieke staten nader bepalen.
  De erkend commissarissen brengen eveneens verslag uit bij de Bank over de resultaten van het beperkt nazicht van de periodieke staten die de betalingsinstellingen aan het einde van het boekjaar aan de Bank bezorgen, waarin bevestigd wordt dat die periodieke staten :
  1° in alle materieel belangrijke opzichten zijn opgesteld volgens de geldende richtlijnen van de Bank en met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening; en
  2° voldoen aan het criterium [1 van het eerste lid, 2°]1.
  § 4. De erkend commissarissen brengen bij de Bank op haar verzoek een bijzonder verslag uit over de organisatie, de werkzaamheden en de financiële structuur van de betalingsinstelling; de kosten voor de opstelling van dit verslag worden door de betrokken betalingsinstelling gedragen.
  § 5. In het kader van hun opdracht bij de betalingsinstelling of een revisorale opdracht bij een met de betalingsinstelling verbonden onderneming, brengen de erkend commissarissen op eigen initiatief verslag uit bij de Bank, zodra zij kennis krijgen van :
  1° beslissingen, feiten of ontwikkelingen die de positie van de betalingsinstelling financieel of op het vlak van haar administratieve en boekhoudkundige organisatie of van haar interne controle, op betekenisvolle wijze beïnvloeden of kunnen beïnvloeden;
  2° beslissingen of feiten die kunnen wijzen op een overtreding van het [3 Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen]3, de statuten, de bepalingen van deze wet en van haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen of van de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn (EU) 2015/2366 [4 , of van de bepalingen van Verordening (EU) 2017/2402]4 [4 of van Verordening (EU) 2022/2554]4;
  3° andere beslissingen of feiten die kunnen leiden tot een weigering van de certificering van de jaarrekening of tot het formuleren van voorbehoud.
  § 6. De erkend commissarissen brengen aan de Bank minstens eenmaal per jaar verslag uit over de deugdelijkheid van de maatregelen die de betalingsinstellingen hebben getroffen ter vrijwaring van de geldmiddelen die zij van betalingsdienstgebruikers ontvangen, overeenkomstig de artikelen 41 en 42.
  [2 § 6/1. De erkende commissarissen maken jaarlijks aan de toezichthouder een verklaring over waarin wordt aangegeven of zij al dan niet bijzondere mechanismen in de zin van artikel 21, § 1/1, hebben vastgesteld.]2
  § 7. Tegen erkend commissarissen die te goeder trouw informatie hebben verstrekt als bedoeld in paragraaf 5, kunnen geen burgerrechtelijke, strafrechtelijke of tuchtrechtelijke vorderingen worden ingesteld, noch professionele sancties worden uitgesproken.
  § 8. De erkende commissarissen delen aan de personen belast met de effectieve leiding de verslagen mee die zij overeenkomstig paragraaf 4 aan de Bank richten.
  Artikel 103, § 3 is op deze mededelingen van toepassing.
  Zij bezorgen de Bank een kopie van de mededelingen die zij aan de personen belast met de effectieve leiding richten en die betrekking hebben op zaken die van belang kunnen zijn voor haar toezicht.
  § 9. De erkend commissarissen en de erkende revisorenvennootschappen mogen bij de buitenlandse bijkantoren van de instelling waarop zij toezicht houden, het toezicht uitoefenen en de onderzoeken verrichten die bij hun opdracht horen.
  § 10. Zij kunnen door de Bank, in voorkomend geval op verzoek van de Europese Centrale Bank in haar hoedanigheid van monetaire autoriteit, worden gelast te bevestigen dat de gegevens die deze betalingsinstellingen aan deze autoriteiten moeten verstrekken, volledig, juist en conform de geldende regels zijn opgesteld.
  § 11. De erkend commissaris brengt bij het wettelijk bestuursorgaan tijdig verslag uit over de belangrijke zaken die bij de uitoefening van zijn wettelijke controleopdracht aan het licht zijn gekomen, en meer bepaald over ernstige tekortkomingen in het financiëleverslaggevingsproces met betrekking tot de werkzaamheden inzake betalingsdiensten en de werkzaamheden bedoeld in artikel 43, § 1, 1°.
  § 12. De erkend commissarissen van beperkte betalingsinstellingen brengen de Bank om de zes maanden op de hoogte van de naleving van artikel 87, § 3, eerste lid.
  
Art. 115. § 1er. Les commissaires agréés collaborent au contrôle exercé par la Banque, sous leur responsabilité personnelle et exclusive et conformément au présent article, aux règles de la profession et aux instructions de la Banque.
  § 2. Les commissaires agréés évaluent les mesures de contrôle interne adoptées par les établissements de paiement conformément aux articles 21, § 1er, 2°, et 38, § 1er, alinéa 2, 1°, et ils communiquent leurs conclusions en la matière à la Banque.
  § 3. Les commissaires agréés font rapport à la Banque sur les résultats de l'examen limité des états périodiques transmis par les établissements de paiement à la Banque à la fin du premier semestre social, confirmant :
  1° qu'ils n'ont pas connaissance de faits dont il apparaîtrait que ces états périodiques arrêtés en fin de semestre, n'ont pas, sous tous égards significativement importants, été établis (i) selon les instructions en vigueur de la Banque et/ou (ii) par application des règles de comptabilisation et d'évaluation qui ont présidé à l'établissement des comptes annuels afférents au dernier exercice;
  2° que les états périodiques arrêtés en fin de semestre sont, pour ce qui est des données comptables, sous tous égards significativement importants, conformes à la comptabilité et aux inventaires, en ce sens qu'ils sont complets, c'est-à-dire qu'ils mentionnent toutes les données figurant dans la comptabilité et dans les inventaires sur la base desquels ils sont établis et qu'ils sont corrects, c'est-à-dire qu'ils concordent exactement avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base desquels ils sont établis.
  La Banque peut préciser quels sont les états périodiques visés.
  Les commissaires agréés font également rapport à la Banque sur les résultats du contrôle des états périodiques transmis par les établissements de paiement à la Banque à la fin de l'exercice social, confirmant que ces états périodiques :
  1° ont, sous tous égards significativement importants, été établis selon les instructions en vigueur de la Banque et par application des règles de comptabilisation et d'évaluation présidant à l'établissement des comptes annuels; et
  2° répondent au critère visé à l'alinéa 1er, 2°.
  § 4. Les commissaires agréés font à la Banque, à sa demande, des rapports spéciaux portant sur l'organisation, les activités et la structure financière de l'établissement de paiement, rapports dont les frais d'établissement sont supportés par l'établissement concerné.
  § 5. Dans le cadre de leur mission auprès de l'établissement de paiement ou d'une mission révisorale auprès d'une entreprise liée à l'établissement de paiement, les commissaires agréés font d'initiative rapport à la Banque dès qu'ils constatent :
  1° des décisions, des faits ou des évolutions qui influencent ou peuvent influencer de façon significative la situation de l'établissement de paiement sous l'angle financier ou sous l'angle de son organisation administrative et comptable ou de son contrôle interne;
  2° des décisions ou des faits qui peuvent constituer des violations du [2 Code des sociétés et des associations]2, des statuts, des dispositions de la présente loi, des arrêtés et règlements pris pour son exécution ou des mesures d'exécution de la Directive (UE) 2015/2366 [4 , ainsi que des dispositions du règlement (UE) 2017/2402]4 [4 ou du règlement (UE) 2022/2554]4;
  3° des autres décisions ou des faits qui sont de nature à entraîner le refus ou des réserves en matière de certification des comptes.
  § 6. Les commissaires agréés font rapport au moins tous les ans à la Banque sur l'adéquation des dispositions prises par les établissements de paiement pour préserver les fonds qu'ils reçoivent d'utilisateurs de services de paiement, conformément aux articles 41 et 42.
  [1 § 6/1. Les commissaires agréés transmettent chaque année à l'autorité de contrôle une déclaration précisant s'ils ont (ou non) constaté des mécanismes particuliers au sens de l'article 21, § 1er/1.]1
  § 7. Aucune action civile, pénale ou disciplinaire ne peut être intentée ni aucune sanction professionnelle prononcée contre les commissaires agréés qui ont procédé de bonne foi à une information visée au paragraphe 5.
  § 8. Les commissaires agréés communiquent aux personnes en charge de la direction effective les rapports qu'ils adressent à la Banque conformément au paragraphe 4.
  Ces communications sont soumises à l'article 103, § 3.
  Ils transmettent à la Banque copie des communications qu'ils adressent aux personnes en charge de la direction effective et qui portent sur des questions de nature à intéresser son contrôle.
  § 9. Les commissaires agréés et les sociétés de réviseurs agréées peuvent effectuer les vérifications et expertises relevant de [3 leur mission]3 auprès des succursales à l'étranger de l'établissement qu'ils contrôlent.
  § 10. Ils peuvent être chargés par la Banque, le cas échéant à la demande de la Banque centrale européenne, en sa qualité d'autorité monétaire, de confirmer que les informations que les établissements de paiement sont tenus de communiquer à ces autorités sont complètes, correctes et établies selon les règles qui s'y appliquent.
  § 11. Le commissaire agréé adresse en temps utile à l'organe légal d'administration un rapport sur les questions importantes apparues dans l'exercice de sa mission légale de contrôle, et en particulier sur les lacunes graves constatées dans le processus de reporting financier concernant les activités en matière de services de paiement et les activités visées à l'article 43, § 1er, 1°.
  § 12. Les commissaires agréés d'établissements de paiement limités informent tous les six mois la Banque du respect de l'article 87, § 3, alinéa 1er.
  
Afdeling II. - In moeilijkheden of in een onregelmatige situatie verkerende betalingsinstellingen
Section II. - Des établissements de paiement en difficulté ou en situation irrégulière
Onderafdeling 1. - Dwingende maatregelen
Sous-section 1re. - Des mesures contraignantes
Art. 116. § 1. [1 Wanneer de Bank vaststelt dat een betalingsinstelling niet werkt overeenkomstig de volgende bepalingen of wanneer zij over gegevens beschikt waaruit blijkt dat het gevaar bestaat dat deze instelling in de komende 12 maanden niet meer zal werken overeenkomstig deze bepalingen:
   1° de bepalingen van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
   2° de bepalingen van Titel II van Verordening (EU) nr. 648/2012 [2 of van Verordening (EU) 2022/2554]2;
   3° de artikelen 4 en 15 van Verordening (EU) nr. 2015/2365 [2 of de artikelen 6 tot 9 en 18 tot 27 van Verordening (EU) 2017/2402]2;
   4° de bepalingen van de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet; of
   5° de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt 4° bedoelde gedelegeerde handelingen,
   stelt zij de termijn vast waarbinnen deze toestand moet worden verholpen.]1

  § 2. Zolang de betalingsinstelling de in paragraaf 1 bedoelde toestand niet heeft verholpen, kan de Bank te allen tijde :
  1° de toepassing opleggen van bijzondere regels inzake waardering of waardeaanpassing voor de berekening van de eigenvermogensvereisten die opgelegd zijn door of krachtens deze wet of door de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn (EU) 2015/2366;
  2° eigenvermogensvereisten opleggen die strenger zijn of een aanvulling vormen op deze waarin voorzien is krachtens de artikelen 17 en 33;
  3° de gehele of gedeeltelijke reservering van uitkeerbare winst opleggen;
  4° alle dividenduitkeringen of betalingen, met name van interesten, aan aandeelhouders, beperken of verbieden, voor zover de schorsing van de betalingen die daaruit zou voortvloeien, niet leidt tot de opening van een faillissementsprocedure met toepassing van de bepalingen van Boek XX, Titel VI, Hoofdstuk 1 van het Wetboek van Economisch Recht;
  5° eisen dat de instelling het risico dat verbonden is aan bepaalde werkzaamheden of aan haar organisatie, beperkt, in voorkomend geval door de integrale of gedeeltelijke overdracht op te leggen van haar bedrijf of haar net;
  6° een aanvullende rapporteringsverplichting opleggen of een frequentere rapportering opleggen dan waarin voorzien is bij of krachtens artikel 77, met name voor de rapportering over risico's;
  7° de openbaarmaking eisen van informatie waarvan het onderwerp wordt bepaald door de Bank.
  § 3. Wanneer de Bank van oordeel is dat de maatregelen die de betalingsinstelling binnen de met toepassing van paragraaf 1 vastgestelde termijn heeft genomen om de vastgestelde toestand te verhelpen, bevredigend zijn, heft zij volgens de modaliteiten die zij bepaalt, alle of een deel van de maatregelen op waartoe zij met toepassing van paragraaf 2 heeft besloten.
  
Art. 116. § 1er. [1 Lorsque la Banque constate qu'un établissement de paiement ne fonctionne pas en conformité avec les dispositions suivantes ou qu'elle dispose d'éléments indiquant que cet établissement risque de ne plus fonctionner en conformité avec ces dispositions au cours des douze prochains mois :
   1° les dispositions de la présente loi ou des arrêtés et règlements pris pour son exécution ;
   2° les dispositions du Titre II du Règlement (UE) n° 648/2012 [2 ou du règlement (UE) 2022/2554]2;
   3° les articles 4 et 15 du Règlement (UE) n° 2015/2365 [2 ou les articles 6 à 9 et 18 à 27 du règlement (UE) 2017/2402]2;
   4° les dispositions des actes délégués adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou 3° ou en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ; of
   5° les dispositions des actes d'exécution adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou 3°, en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ou en vertu des actes délégués visés au 4°,
   la Banque fixe le délai dans lequel il doit être remédié à cette situation.]1

  § 2. Aussi longtemps qu'il n'a pas été remédié par l'établissement de paiement à la situation visée au paragraphe 1er, la Banque peut, à tout moment :
  1° imposer l'application de règles particulières en matière d'évaluation ou d'ajustement de valeur pour le calcul des exigences de fonds propres prévues par ou en vertu de la présente loi ou par les mesures d'exécution de la Directive (UE) 2015/2366;
  2° imposer des exigences de fonds propres plus sévères que, ou complémentaires à, celles prévues en vertu des articles 17 et 33;
  3° imposer la mise en réserve totale ou partielle de bénéfices distribuables;
  4° limiter ou interdire toute distribution de dividendes ou tout paiement, notamment d'intérêts, aux actionnaires, dans la mesure où la suspension des versements qui en résulterait n'entraîne pas les conditions d'ouverture d'une procédure de faillite en application des dispositions du Livre XX, Titre VI, Chapitre 1er du Code de droit économique;
  5° imposer que l'établissement diminue le risque inhérent à certaines activités ou à son organisation, le cas échéant en imposant la cession de tout ou partie de ses activités ou de son réseau;
  6° imposer une obligation d'information (reporting) supplémentaire ou imposer une fréquence d'information (reporting) plus élevée que ce qui est prévu par ou en vertu de l'article 77, notamment en matière de risques;
  7° imposer la publication d'informations dont l'objet est déterminé par la Banque.
  § 3. Lorsque la Banque estime que les mesures prises par l'établissement de paiement dans le délai fixé en application du paragraphe 1er pour remédier à la situation constatée sont satisfaisantes, elle lève, selon les modalités qu'elle détermine, tout ou partie des mesures décidées en application du paragraphe 2.
  
Onderafdeling 2. - Uitzonderlijke herstelmaatregelen
Sous-section 2. - Mesures de redressement exceptionnelles
Art. 117. § 1. Wanneer de Bank vaststelt dat een betalingsinstelling niet of niet langer voldoet aan de met toepassing van artikel 116, § 2, genomen maatregelen, of dat zij de toestand na het verstrijken van de met toepassing van artikel 116, § 1, vastgestelde termijn niet heeft verholpen, kan de Bank, onverminderd de andere bepalingen die bij of krachtens deze wet zijn vastgesteld :
  1° een speciaal commissaris aanstellen.
  In dit geval is voor alle handelingen en beslissingen van alle organen van de instelling, inclusief de algemene vergadering, alsook voor die van de personen die instaan voor het beleid, zijn schriftelijke, algemene of bijzondere toestemming vereist; de verrichtingen waarvoor een toestemming is vereist, kan de Bank evenwel beperken.
  De speciaal commissaris mag elk voorstel dat hij nuttig acht aan alle organen van de instelling voorleggen, inclusief de algemene vergadering.
  De bezoldiging van de speciaal commissaris wordt vastgesteld door de Bank en gedragen door de instelling.
  De leden van de bestuurs- en de beleidsorganen en de personen die instaan voor het beleid, die handelingen stellen of beslissingen nemen zonder de vereiste toestemming van de speciaal commissaris, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het nadeel dat hieruit voor de instelling of voor derden voortvloeit.
  Indien de Bank de aanstelling van een speciaal commissaris in het Belgisch Staatsblad heeft bekendgemaakt, met opgave van de handelingen en beslissingen waarvoor zijn toestemming is vereist, zijn alle handelingen en beslissingen zonder deze vereiste toestemming nietig, tenzij de speciaal commissaris die bekrachtigt. Onder dezelfde voorwaarden zijn alle beslissingen van de algemene vergadering zonder de vereiste toestemming van de speciaal commissaris nietig, tenzij hij die bekrachtigt.
  De Bank kan een plaatsvervangend commissaris aanstellen;
  2° voor de termijn die zij bepaalt, de rechtstreekse of onrechtstreekse uitoefening van het bedrijf van de betalingsinstelling geheel of ten dele schorsen dan wel verbieden; deze schorsing kan, in de door de Bank bepaalde mate, de volledige of gedeeltelijke schorsing van de uitvoering van de lopende overeenkomsten tot gevolg hebben.
  De leden van de bestuurs- en beleidsorganen en de personen die instaan voor het beleid, die handelingen stellen of beslissingen nemen ondanks de schorsing, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het nadeel dat hieruit voor de betalingsinstelling of voor derden voortvloeit.
  Indien de Bank de schorsing in het Belgisch Staatsblad heeft bekendgemaakt, zijn alle hiermee strijdige handelingen en beslissingen nietig;
  3° inzake solvabiliteit, strengere vereisten opleggen dan deze bedoeld in de artikelen 17 en 33;
  4° [4 de vervanging gelasten van alle of een deel van de leden van het wettelijk bestuursorgaan, van het directiecomité en/of, in voorkomend geval, van de personen belast met de effectieve leiding van de betalingsinstelling, binnen een termijn die zij bepaalt en, zo binnen deze termijn geen vervanging geschiedt, een of meerdere leden van het wettelijk bestuursorgaan of van het directiecomité en/of, in voorkomend geval, een of meer personen belast met de effectieve leiding van de betalingsinstelling ontslaan, of in de plaats van de voltallige bestuurs- en beleidsorganen van de instelling een of meer voorlopige bestuurders aanstellen die alleen of collegiaal, naargelang van het geval, de bevoegdheden hebben van de vervangen personen. De Bank maakt haar beslissing bekend in het Belgisch Staatsblad.
   Wanneer de omstandigheden dit rechtvaardigen, kan de Bank een of meer voorlopige bestuurders aanstellen zonder vooraf de vervanging te gelasten van alle of een deel van de leiders van de betalingsinstelling.
   Mits de Bank hiermee instemt, kan of kunnen de voorlopige bestuurder(s) een algemene vergadering bijeenroepen en de agenda ervan vaststellen.
   Het mandaat van de vervangen personen, met name dat van lid van het wettelijk bestuursorgaan of van het directiecomité, eindigt na de kennisgeving van de beslissing van de Bank om hen door een of meer voorlopige bestuurders te vervangen. De betalingsinstelling vervult de openbaarmakingsformaliteiten die vereist zijn in geval van beëindiging van de betrokken mandaten.
   De Bank kan met inachtneming van de bepalingen van het recht van de Europese Unie afwijken van de door of krachtens deze wet vastgestelde rapporteringsverplichtingen voor de betalingsinstelling ten aanzien waarvan zij een maatregel bestaande in de benoeming van een of meer voorlopige bestuurders heeft genomen.
   De bezoldiging van de voorlopige bestuurder(s) wordt vastgesteld door de Bank en gedragen door de betrokken betalingsinstelling.
   De Bank kan de voorlopige bestuurder(s) te allen tijde vervangen, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een meerderheid van aandeelhouders of vennoten, wanneer zij aantonen dat het beleid van de betrokkenen niet langer de nodige waarborgen biedt;]4

  5° de betalingsinstelling gelasten binnen de door haar vastgestelde termijn een algemene vergadering van aandeelhouders bijeen te roepen waarvan zij de agenda vaststelt;
  6° de betalingsinstelling gelasten deelnemingen over te dragen die zij in voorkomend geval bezit overeenkomstig artikel 40;
  7° de vergunning of de registratie herroepen.
  De Bank stelt de Europese Bankautoriteit in kennis van de redenen voor de herroeping van de vergunning of de registratie.
  [5 Naast en onverminderd artikel XX.1 van het Wetboek van economisch recht, behoort de benoeming van een speciaal commissaris of van een voorlopig bestuurder, onder welke benaming dan ook, bij een betalingsinstelling tot de exclusieve bevoegdheid van de Bank.]5
  § 2. Niettegenstaande de voorwaarden voor de toepassing van paragraaf 1, kan de Bank in uiterst spoedeisende gevallen of indien de ernst van de feiten dit rechtvaardigt, de maatregelen als bedoeld in de genoemde paragraaf 1 treffen zonder vooraf een termijn op te leggen.
  § 3. De in paragraaf 1 bedoelde beslissingen van de Bank hebben voor de betalingsinstelling uitwerking vanaf de datum van de kennisgeving ervan met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs en, voor derden, vanaf de datum van de bekendmaking ervan of de vervulling van de formaliteiten overeenkomstig de voorschriften van paragraaf 1.
  § 4. De Bank kan de in dit artikel bedoelde maatregelen ook nemen wanneer een betalingsinstelling een vergunning of registratie heeft verkregen door middel van valse verklaringen of op enige andere onregelmatige wijze.
  § 5. Artikel 116 en artikel 117, § 1, punten 1°, 2°, 4° en 7°, en § 2, zijn van toepassing wanneer de Bank kennis heeft van het feit dat een betalingsinstelling of haar agenten [2 een bijzonder mechanisme hebben ingesteld in de zin van artikel 21, § 1/1]2.
  § 6. Wanneer de Bank vaststelt dat de in artikel 71, tweede lid, bedoelde gegevens die haar verstrekt zijn, onjuist of onvolledig zijn, kan zij de inschrijving van de agent in het register schorsen of schrappen.
  § 7. Bij een ernstige overtreding van de bepalingen van Boek VII, Titel III van het Wetboek van Economisch Recht kan de Bank de in paragraaf 1 bedoelde maatregelen nemen. In dat geval beslist de Bank na advies van de Federale Overheidsdienst Economie.
  § 8. De [1 ondernemingsrechtbank]1 spreekt op verzoek van elke belanghebbende de nietigverklaringen uit als bedoeld in paragraaf 1.
  De nietigheidsvordering wordt ingesteld tegen de betalingsinstelling. Indien verantwoord om ernstige redenen, kan de eiser in kort geding de voorlopige schorsing vorderen van de gewraakte handelingen of beslissingen. Het schorsingsbevel en het vonnis van nietigverklaring hebben uitwerking ten aanzien van iedereen. Ingeval de geschorste of vernietigde handeling of beslissing bekendgemaakt is, worden het schorsingsbevel en het vonnis van nietigverklaring bij uittreksel op dezelfde wijze bekendgemaakt.
  Wanneer de nietigheid afbreuk kan doen aan de rechten die een derde te goeder trouw ten aanzien van de instelling heeft verworven, kan de rechtbank verklaren dat die nietigheid geen uitwerking heeft ten aanzien van de betrokken rechten, onverminderd het eventuele recht van de eiser op schadevergoeding.
  De nietigheidsvordering kan niet meer worden ingesteld na afloop van een termijn van zes maanden vanaf de datum waarop de betrokken handelingen of beslissingen kunnen worden tegengeworpen aan wie hun nietigheid inroept, of hem bekend zijn.
  
Art. 117. § 1er. Sans préjudice des autres dispositions prévues par ou en vertu de la présente loi, lorsque la Banque constate qu'un établissement de paiement ne se conforme pas ou cesse de se conformer aux mesures adoptées en application de l'article 116, § 2, ou qu'à l'issue du délai fixé en application de l'article 116, § 1er, il n'a pas remédié à la situation, la Banque peut :
  1° désigner un commissaire spécial.
  Dans ce cas, l'autorisation écrite, générale ou spéciale de celui-ci est requise pour tous les actes et décisions de tous les organes de l'établissement, y compris l'assemblée générale, et pour ceux des personnes chargées de la gestion; la Banque peut toutefois limiter le champ des opérations soumises à autorisation.
  Le commissaire spécial peut soumettre à la délibération de tous les organes de l'établissement, y compris l'assemblée générale, toutes propositions qu'il juge opportunes.
  La rémunération du commissaire spécial est fixée par la Banque et supportée par l'établissement.
  Les membres des organes d'administration et de gestion et les personnes chargées de la gestion qui accomplissent des actes ou prennent des décisions sans avoir recueilli l'autorisation requise du commissaire spécial sont responsables solidairement du préjudice qui en est résulté pour l'établissement ou les tiers.
  Si la Banque a publié au Moniteur belge la désignation du commissaire spécial et spécifié les actes et décisions soumis à son autorisation, les actes et décisions intervenus sans cette autorisation alors qu'elle était requise sont nuls, à moins que le commissaire spécial ne les ratifie. Dans les mêmes conditions toute décision d'assemblée générale prise sans avoir recueilli l'autorisation requise du commissaire spécial est nulle, à moins que le commissaire spécial ne la ratifie.
  La Banque peut désigner un commissaire suppléant;
  2° suspendre pour la durée qu'elle détermine l'exercice direct ou indirect de tout ou partie de l'activité de l'établissement de paiement ou interdire cet exercice; cette suspension peut, dans la mesure déterminée par la Banque, impliquer la suspension totale ou partielle de l'exécution des contrats en cours.
  Les membres des organes d'administration et de gestion et les personnes chargées de la gestion qui accomplissent des actes ou prennent des décisions en violation de la suspension sont responsables solidairement du préjudice qui en est résulté pour l'établissement de paiement ou les tiers.
  Si la Banque a publié la suspension au Moniteur belge, les actes et décisions intervenus à l'encontre de celle-ci sont nuls;
  3° imposer, en matière de solvabilité, des exigences plus strictes que celles visées aux articles 17 et 33;
  4° [4 enjoindre le remplacement de tout ou partie des membres de l'organe légal d'administration, du comité de direction et/ou, le cas échéant, des personnes chargées de la direction effective de l'établissement de paiement, dans un délai qu'elle fixe et, à défaut d'un tel remplacement dans ce délai, démettre un ou plusieurs membres de l'organe légal d'administration ou du comité de direction et/ou, le cas échéant, une ou plusieurs personnes chargées de la direction effective de l'établissement de paiement ou substituer à l'ensemble des organes d'administration et de gestion de l'établissement un ou plusieurs administrateurs provisoires qui disposent, seuls ou collégialement selon le cas, des pouvoirs des personnes remplacées. La Banque publie sa décision au Moniteur belge.
   Lorsque les circonstances le justifient, la Banque peut procéder à la désignation d'un ou plusieurs administrateurs provisoires sans procéder préalablement à l'injonction de remplacer tout ou partie des dirigeants de l'établissement de paiement.
   Moyennant l'autorisation de la Banque, le ou les administrateurs provisoires peuvent convoquer une assemblée générale et en établir l'ordre du jour.
   Les fonctions, notamment le mandat de membre de l'organe légal d'administration ou du comité de direction, des personnes remplacées prennent fin dès la notification de la décision de la Banque substituant un ou plusieurs administrateurs provisoires. L'établissement de paiement accomplit les formalités de publicité requises par la fin des mandats concernés.
   La Banque peut, dans le respect des dispositions du droit de l'Union européenne, déroger aux obligations de reporting prévues par ou en vertu de la présente loi à l'égard de l'établissement de paiement faisant l'objet d'une mesure de nomination d'un ou plusieurs administrateurs provisoires.
   La rémunération du ou des administrateurs provisoires est fixée par la Banque et supportée par l'établissement de paiement concerné.
   La Banque peut, à tout moment, remplacer le ou les administrateurs provisoires, soit d'office, soit à la demande d'une majorité des actionnaires ou associés lorsque ceux-ci justifient que la gestion des intéressés ne présente plus les garanties nécessaires]4

  5° enjoindre à l'établissement de paiement de convoquer, dans le délai qu'elle fixe, une assemblée générale des actionnaires, dont elle établit l'ordre du jour;
  6° enjoindre à un établissement de paiement de céder des participations qu'il détient, le cas échéant, conformément à l'article 40;
  7° révoquer l'agrément ou l'enregistrement.
  La Banque communique à l'Autorité bancaire européenne les raisons de la révocation de l'agrément ou de l'enregistrement.
  [5 Outre et sans préjudice de l'article XX.1er du Code de droit économique, la nomination d'un commissaire spécial ou d'un administrateur provisoire, quelle qu'en soit l'appellation auprès d'un établissement de paiement relève de la compétence exclusive de la Banque.]5
  § 2. Nonobstant les conditions d'application du paragraphe 1er, en cas d'extrême urgence ou lorsque la gravité des faits le justifie, la Banque peut adopter les mesures visées audit paragraphe 1er sans qu'un délai soit préalablement fixé.
  § 3. Les décisions de la Banque visées au paragraphe 1er sortent leurs effets à l'égard de l'établissement de paiement à dater de leur notification à celle-ci par lettre recommandée ou avec accusé de réception et, à l'égard des tiers, à dater de leur publication ou formalités accomplies conformément aux dispositions du paragraphe 1er.
  § 4. La Banque peut également adopter les mesures visées au présent article dans le cas où un établissement de paiement a obtenu un agrément ou un enregistrement au moyen de fausses déclarations ou par tout autre moyen irrégulier.
  § 5. L'article 116 et l'article 117, § 1er, points 1°, 2°, 4° et 7°, et § 2, sont applicables au cas où la Banque a connaissance du fait qu'un établissement de paiement ou ses agents ont mis en place [2 un mécanisme particulier au sens de l'article 21, § 1er/1]2.
  § 6. Lorsque la Banque constate que les renseignements visés à l'article 71, alinéa 2, qui lui ont été communiqués, sont inexacts ou incomplets, elle peut suspendre ou radier l'inscription de l'agent dans le registre.
  § 7. En cas d'infraction grave aux dispositions du Livre VII, Titre III du Code de droit économique, la Banque peut prendre des mesures prévues au paragraphe 1er. Dans ce cas, la Banque statue sur avis du Service Public Fédéral Economie.
  § 8. Le [1 tribunal de l'entreprise]1 prononce à la requête de tout intéressé, les nullités prévues au paragraphe 1er.
  L'action en nullité est dirigée contre l'établissement de paiement. Si des motifs graves le justifient, le demandeur en nullité peut solliciter en référé la suspension provisoire des actes ou décisions attaqués. L'ordonnance de suspension et le jugement prononçant la nullité produisent leurs effets à l'égard de tous. Au cas où l'acte ou la décision suspendu ou annulé a fait l'objet d'une publication, l'ordonnance de suspension et le jugement prononçant la nullité sont publiés en extrait dans les mêmes formes.
  Lorsque la nullité est de nature à porter atteinte aux droits acquis de bonne foi par un tiers à l'égard de l'établissement, le tribunal peut déclarer sans effet la nullité à l'égard de ces droits, sans préjudice du droit du demandeur à des dommages et intérêts s'il y a lieu.
  L'action en nullité ne peut plus être intentée après l'expiration d'un délai de six mois à compter de la date à laquelle les actes ou décisions intervenus sont opposables à celui qui invoque la nullité ou sont connus de lui.
  
Art. 117/1. [1 § 1. De speciaal commissaris en de voorlopige bestuurder(s) bedoeld in artikel 117, § 1, dragen voor rekening van de Bank bij aan de uitoefening van haar wettelijke opdracht. In het kader van deze opdracht:
   - handelen zij uitsluitend in het kader van het in artikel 1, § 2, van deze wet vastgelegde doel;
   - volgen zij de instructies van de Bank met betrekking tot de wijze waarop de hun toevertrouwde specifieke opdracht moet worden uitgevoerd;
   - zijn zij onderworpen aan dezelfde verplichtingen inzake beroepsgeheim als die welke voor de Bank gelden in het kader van de in deze wet vastgelegde toezichtsopdracht; voor het gebruik van wettelijke uitzonderingen is de voorafgaande toestemming van de Bank vereist;
   - brengen zij op verzoek van de Bank, volgens de modaliteiten die zij bepaalt, verslag uit over de financiële positie van de instelling en over de maatregelen die zij in het kader van hun opdracht hebben genomen, evenals over de financiële positie aan het begin en aan het einde van die opdracht.
   § 2. Hun ondersteunende rol ten aanzien van de Bank, als omschreven in paragraaf 1, impliceert dat zij als dusdanig niet als administratieve autoriteit kunnen worden beschouwd.
   De vervanging van de voltallige bestuurs- en beleidsorganen van de betalingsinstelling door voorlopige bestuurders, overeenkomstig artikel 117, § 1, 4°, impliceert niet dat deze laatsten moeten worden beschouwd als bestuurders of leden van het wettelijk bestuursorgaan in de zin van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen, maar enkel dat zij de bevoegdheden hebben van de vervangen personen, met name om de handelingen te verrichten die de betalingsinstelling in staat stellen te voldoen aan haar wettelijke en reglementaire verplichtingen, in het bijzonder deze die door of krachtens het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen zijn vastgesteld. Er wordt aan hen geen kwijting verleend bij een beslissing of stemming als bedoeld in het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen; zij zijn voor hun opdracht uitsluitend verantwoording verschuldigd ten aanzien van de Bank, die hen in voorkomend geval kwijting verleent.]1

  
Art.117/1. [1 § 1er. Le commissaire spécial et le ou les administrateurs provisoires visés à l'article 117, § 1er contribuent à l'exercice de la mission légale de la Banque, pour compte de celle-ci. Dans le cadre de cette mission,
   - ils agissent exclusivement dans le cadre de la finalité prévue par l'article 1er, § 2 de la présente loi ;
   - ils suivent les instructions de la Banque quant à la manière d'accomplir la mission particulière qui leur est confiée ;
   - ils sont assujettis aux mêmes obligations en matière de secret professionnel que celles applicables à la Banque en ce qui concerne la mission de contrôle prévue par la présente loi, l'usage des exceptions légales étant soumis à une autorisation préalable de la Banque ;
   - ils font, à la requête de la Banque, selon les modalités qu'elle détermine, rapport sur la situation financière de l'établissement et sur les mesures prises dans le cadre de leur mission, ainsi que sur la situation financière au début et à la fin de cette mission.
   § 2. Leur qualité d'auxiliaire de la Banque précisée au paragraphe 1er implique qu'ils ne peuvent, comme tels, être considérés comme une autorité administrative.
   La substitution de l'ensemble des organes d'administration et de gestion de l'établissement de paiement par les administrateurs provisoires opérée en application de l'article 117, § 1er, 4° n'implique pas que ces derniers doivent être considérés comme des administrateurs ou membres de l'organe légal d'administration au sens du Code des sociétés et des associations mais seulement qu'ils bénéficient des pouvoirs des personnes remplacées, notamment aux fins d'accomplir les actes permettant à l'établissement de paiement de satisfaire à ses obligations légales et réglementaires, en particulier celles prévues par ou en vertu du Code des sociétés et des associations. A ce titre, ils ne font pas l'objet d'une décision ou d'un vote sur la décharge tel que prévu par le Code des sociétés et des associations mais répondent de leur mission à l'égard de la Banque exclusivement qui leur donne décharge s'il y échet.]1

  
Afdeling III. - Beëindiging van de vergunning en de registratie
Section III. - De la fin de l'agrément et de l'enregistrement
Art. 118. § 1. Onverminderd artikel 117, § 1, 7°, en § 4, trekt de Bank, bij beslissing die met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs ter kennis wordt gebracht, de vergunning of registratie in van betalingsinstellingen die :
  1° hun werkzaamheden niet hebben aangevat binnen twaalf maanden nadat zij de vergunning of de registratie hebben verkregen;
  2° afstand doen van hun vergunning of registratie;
  3° hun werkzaamheden gedurende meer dan zes maanden hebben gestaakt;
  4° failliet zijn verklaard.
  Overeenkomstig dezelfde formaliteiten trekt zij eveneens de registratie in van beperkte betalingsinstellingen die niet langer voldoen aan de voorwaarde van artikel 87, § 3, eerste lid, of aan artikel 23, wanneer zij vaststelt dat die instellingen geen vergunning hebben aangevraagd binnen een termijn van dertig kalenderdagen overeenkomstig artikel 87, § 3, derde lid, of indien zij die vergunning niet hebben verkregen na afloop van de in artikel 12 bedoelde termijn.
  § 2. De Bank maakt alle beslissingen tot herroeping of intrekking van een vergunning of registratie bekend op haar website. Indien de vergunning of registratie van een betalingsinstelling wordt herroepen of ingetrokken, wordt zij van de in artikel 8 bedoelde lijst afgehaald.
  De Bank stelt de Europese Bankautoriteit in kennis van de redenen voor de intrekking van de vergunning en de registratie.
Art. 118. § 1er. Sans préjudice de l'article 117, § 1er, 7°, et § 4 la Banque radie, par décision notifiée par lettre recommandée à la poste ou avec accusé de réception, l'agrément ou l'enregistrement des établissements de paiement qui :
  1° n'ont pas entamé leurs activités dans les douze mois de l'agrément ou de l'enregistrement;
  2° renoncent à l'agrément ou l'enregistrement;
  3° ont arrêté leurs activités pendant une période supérieure à six mois;
  4° ont été déclarés en faillite.
  Elle radie également, selon les mêmes formalités, l'enregistrement des établissements de paiement limités qui ne satisfont plus à la condition visée à l'article 87, § 3, alinéa 1er, ou à l'article 23, lorsqu'elle constate que ces établissements n'ont pas demandé l'agrément dans un délai de trente jours calendaires conformément à l'article 87, § 3, alinéa 3, ou si, au terme du délai visé à l'article 12, ils n'ont pas obtenu cet agrément.
  § 2. La Banque rend public, sur son site internet, toute décision de révocation ou radiation d'un agrément ou d'un enregistrement. L'établissement de paiement dont l'agrément ou l'enregistrement est révoqué ou radié est omis de la liste visée à l'article 8.
  La Banque communique à l'Autorité bancaire européenne les raisons du retrait de l'agrément et l'enregistrement.
Art. 119. De betalingsinstellingen waarvan de vergunning of registratie is ingetrokken of herroepen op grond van deze wet, blijven aan deze wet onderworpen tot hun verbintenissen ten aanzien van de gebruikers van hun betalingsdiensten zijn vereffend, tenzij de Bank hen vrijstelt van bepaalde voorschriften.
  Dit artikel is niet van toepassing in geval van intrekking van de vergunning of registratie van een failliet verklaarde betalingsinstelling.
Art. 119. Les établissements de paiement dont l'agrément ou l'enregistrement a été radié ou révoqué en vertu de la présente loi, restent soumis à la présente loi jusqu'à la liquidation de leurs engagements vis-à-vis des utilisateurs de leurs services de paiement, à moins que la Banque ne les en dispense pour certaines dispositions.
  Le présent article n'est pas applicable en cas de radiation de l'agrément ou de l'enregistrement d'un établissement de paiement déclaré en faillite.
Art. 119/1. [1 Ingeval de Bank van oordeel is dat in hoofde van een betalingsinstelling aan de in artikel XX.99 van het Wetboek van economisch recht bepaalde voorwaarden is voldaan,, kan de Bank, in afwijking van artikel XX.100 van het Wetboek van Economisch Recht, de zaak uit eigen beweging bij dagvaarding aanhangig maken bij de insolventierechtbank.]1
  
Art.119/1. [1 Lorsque la Banque estime que les conditions fixées à l'article XX.99 du Code de droit économique sont réunies dans le chef d'un établissement de paiement, la Banque peut, par dérogation à l'article XX.100 du Code de droit économique, d'initiative saisir le tribunal de l'insolvabilité par voie de citation.]1
  
TITEL III. - Betalingsinstellingen die onder een buitenlands recht ressorteren
TITRE III. - Des établissements de paiement relevant d'un droit étranger
HOOFDSTUK I. - Bijkantoren, agenten en in het kader van het vrij verrichten van diensten in België uitgeoefende werkzaamheden van betalingsinstellingen die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren
CHAPITRE Ier. - Des succursales, des agents et des activités en libre prestation de services en Belgique des établissements de paiement relevant du droit d'un autre Etat membre
Afdeling I. - Toegang tot het bedrijf in België
Section Ire. - De l'accès à l'activité en Belgique
Onderafdeling 1. - Bijkantoren
Sous-section 1re. - Succursales
Art. 120. Iedere betalingsinstelling die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert en die op grond van haar nationaal recht in haar lidstaat van herkomst de in Bijlage I.A vermelde betalingsdiensten mag aanbieden, mag deze werkzaamheden uitoefenen in België via de vestiging van een bijkantoor, zodra de Bank de betrokken instelling ervan in kennis heeft gesteld dat zij de beslissing van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst om zich niet te verzetten tegen het verrichten van de betrokken betalingsdiensten in België heeft ontvangen, en zodra dit bijkantoor in de officiële registers van de lidstaat van herkomst is ingeschreven.
Art. 120. Les établissements de paiement relevant du droit d'un autre Etat membre, qui sont autorisés en vertu de leur droit national à exercer dans leur Etat d'origine des services de paiement mentionnés à l'Annexe I.A sont autorisés à exercer, par voie d'installation de succursales, ces activités en Belgique dès que la Banque a notifié à ces établissements la réception de la décision des autorités compétentes de l'Etat membre d'origine de ne pas s'opposer à l'exercice des services de paiement concernés en Belgique et dès que l'inscription de ladite succursale est effectuée dans les registres officiels tenus dans l'Etat membre d'origine.
Art. 121. Niettegenstaande artikel 120 mag een betalingsinstelling haar werkzaamheden in België niet daadwerkelijk aanvatten vóór de datum die door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst is meegedeeld.
Art. 121. Nonobstant l'article 120, l'établissement de paiement ne peut débuter effectivement ses activités en Belgique avant la date communiquée par les autorités compétentes de l'Etat membre d'origine.
Art. 122. De Bank beschikt over een termijn van een maand na ontvangst van de gegevens bedoeld in artikel 59, § 2, die door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst worden meegedeeld, om deze gegevens te beoordelen en om deze autoriteiten in kennis te stellen van haar bezorgdheden en van de relevante gegevens in verband met het verstrekken van de voorgenomen betalingsdiensten, met inbegrip van de wettelijke en reglementaire bepalingen die om redenen van algemeen belang in België van toepassing zijn op betalingsinstellingen die hun werkzaamheden via een bijkantoor verrichten en op hun verrichtingen.
  De Bank deelt in verband met de voorgenomen opening van een bijkantoor aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst in het bijzonder alle redelijke gronden tot ongerustheid mee wat betreft het witwassen van geld of de financiering van terrorisme in de zin van Richtlijn (EU) 2015/849.
Art. 122. La Banque dispose d'un délai d'un mois à partir de la réception des informations telles que visées à l'article 59, § 2 communiquées par les autorités compétentes de l' Etat membre d'origine pour évaluer ces informations et communiquer à ces autorités ses préoccupations et les informations pertinentes en rapport avec la fourniture des services de paiement envisagés, en ce compris les dispositions légales et réglementaires applicables en Belgique aux établissements de paiement exerçant leurs activités par voie de succursale et à leurs opérations pour des raisons d'intérêt général.
  La Banque communique, en particulier, aux autorités compétentes de l'Etat membre d'origine tout motif raisonnable de préoccupation, en liaison avec le projet d'ouverture d'une succursale, lié au blanchiment de capitaux ou au financement du terrorisme au sens de la Directive (UE) 2015/849.
Art. 123. Ter informatie maakt de Bank op haar website de lijst bekend van de betalingsinstellingen die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren en in België actief zijn via een bijkantoor, in voorkomend geval door te verwijzen naar de website van de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat van herkomst.
Art. 123. La Banque publie à titre informatif sur son site internet la liste des établissements de paiement qui relèvent du droit d'un autre Etat membre et qui exercent des activités en Belgique par voie de succursale, le cas échéant moyennant un renvoi au site internet de l'autorité compétente de l'Etat d'origine concerné.
Onderafdeling 2. - Vrij verrichten van diensten
Sous-section 2. - Libre prestation de services
Art. 124. Iedere betalingsinstelling die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert en die op grond van haar nationaal recht in haar lidstaat van herkomst betalingsdiensten mag verrichten, mag deze werkzaamheden in België uitoefenen in het kader van het vrij verrichten van diensten, zodra de Bank de betrokken instelling ervan in kennis heeft gesteld dat zij de beslissing van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst om zich niet te verzetten tegen de uitoefening van de betrokken grensoverschrijdende activiteiten in België heeft ontvangen.
Art. 124. Les établissements de paiement relevant du droit d'un autre Etat membre, qui sont autorisés en vertu de leur droit national à exercer dans leur Etat d'origine des activités de services de paiement, peuvent exercer ces activités en Belgique sous le régime de la libre prestation de services, dès que la Banque a notifié à ces établissements la réception de la décision de l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine de ne pas s'opposer à l'exercice des activités transfrontalières concernées en Belgique.
Art. 125. De Bank beschikt over een termijn van een maand na ontvangst van de gegevens bedoeld in artikel 65, § 2, die door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst worden meegedeeld, om deze gegevens te beoordelen en om deze autoriteiten in kennis te stellen van haar bezorgdheden en van de relevante gegevens in verband met het verstrekken van de voorgenomen betalingsdiensten, met inbegrip van de wettelijke en reglementaire bepalingen die om redenen van algemeen belang in België van toepassing zijn op betalingsinstellingen die in het kader van het vrij verrichten van diensten werkzaam zijn en op hun grensoverschrijdende verrichtingen.
Art. 125. La Banque dispose d'un délai d'un mois à partir de la réception des informations telles que visées à l'article 65, § 2, communiquées par les autorités compétentes de l'Etat membre d'origine pour évaluer ces informations et indiquer à ces autorités ses préoccupations et les informations pertinentes en rapport avec la fourniture de service de paiement envisagé, en ce compris les dispositions légales et réglementaires applicables en Belgique aux établissements de paiement agissant en libre prestation de services et à leurs opérations transfrontalières pour des raisons d'intérêt général.
Art. 126. Ter informatie maakt de Bank op haar website de lijst bekend van de betalingsinstellingen die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren en in België actief zijn in het kader van het vrij verrichten van diensten, in voorkomend geval door te verwijzen naar de website van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van die betalingsinstellingen.
Art. 126. La Banque publie à titre informatif sur son site internet la liste des établissements de paiement qui relèvent du droit d'un autre Etat membre et qui exercent des activités en Belgique par voie de libre prestation de services, le cas échéant, moyennant un renvoi au site internet de l'autorité compétente dans l'Etat d'origine de ces établissements de paiement.
Onderafdeling 3. - Agenten
Sous-section 3. - Agents
Art. 127. Iedere betalingsinstelling die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert en die op grond van haar nationaal recht in haar lidstaat van herkomst de in Bijlage I.A bedoelde betalingsdiensten mag verrichten, mag deze werkzaamheden in België aanvatten via agenten, mits de bepalingen van Onderafdeling 1 mutatis mutandis worden toegepast.
  In afwijking van het eerste lid stelt de Bank de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst in kennis wanneer zij op grond van de inlichtingen die zij van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst heeft ontvangen, oordeelt dat de betrokken agent niet kan worden beschouwd als een vestiging in België.
Art. 127. Les établissements de paiement relevant du droit d'un autre Etat membre, qui sont habilités en vertu de leur droit national à exercer dans leur Etat d'origine des services de paiement visés à l'Annexe I.A peuvent, par l'intermédiaire d'agents, entamer ces activités en Belgique sous réserve de l'application mutatis mutandis des dispositions de la Sous-section 1re.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, si la Banque considère, sur la base des informations fournies par l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine, que l'agent concerné ne constitue pas un établissement en Belgique, elle en informe l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine.
Art. 128. Indien de Bank en de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst het oneens zijn over de aard van de werkzaamheden van de agent in België, kan de Bank de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de Europese Bankautoriteit voorleggen en haar om bijstand verzoeken.
Art. 128. En cas de désaccord entre la Banque et l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine quant à la nature de l'activité de l'agent en Belgique, la Banque peut saisir l'Autorité bancaire européenne et demander son assistance conformément à l'article 19 du Règlement n° 1093/2010.
Afdeling II. - Bedrijfsuitoefening
Section II. - De l'exercice de l'activité
Art. 129. De in de artikelen 120 , 124 en 127 bedoelde betalingsinstellingen moeten bij de uitoefening van hun werkzaamheden in België naast hun naam, hun land van herkomst vermelden en, indien zij werkzaam zijn in het kader van het vrij verrichten van diensten, hun zetel.
Art. 129. Les établissements de paiement visés aux articles 120 , 124 et 127 font, dans l'exercice de leurs activités en Belgique, accompagner leur dénomination de la mention de leur Etat d'origine et, en cas de libre prestation de services, de leur siège social.
Art. 130. De bepalingen van dit Hoofdstuk doen geen afbreuk aan de naleving, bij het aanbieden en uitvoeren van betalingsdiensten, van de wettelijke en reglementaire bepalingen die om redenen van algemeen belang in België van toepassing zijn op de betalingsinstellingen en hun verrichtingen.
  De Bank stelt de betalingsinstellingen die in België werkzaam zijn via een bijkantoor of een in België gevestigde agent in kennis van de bepalingen die bij haar weten van algemeen belang zijn.
Art. 130. Les dispositions du présent Chapitre ne portent pas préjudice au respect, lors de la fourniture et de l'exécution de services de paiement, des dispositions légales et réglementaires applicables en Belgique aux établissements de paiement et à leurs opérations pour des raisons d'intérêt général.
  La Banque donne aux établissements de paiement exerçant leurs activités en Belgique par voie de succursale ou d'un agent établi en Belgique communication des dispositions qui, à sa connaissance, revêtent ce caractère.
Art. 131. De leiders van het bijkantoor brengen minstens eenmaal per jaar verslag uit aan de Bank over de deugdelijkheid van de internecontrolemaatregelen die de bijkantoren hebben getroffen om zich te conformeren aan de bepalingen die krachtens artikel 130 van toepassing zijn.
Art. 131. Les dirigeants de la succursale font rapport au moins une fois par an à la Banque sur l'adéquation des mesures de contrôle interne adoptées par les succursales en vue de se conformer aux dispositions applicables en vertu de l'article 130.
Art. 132. Iedere betalingsinstelling die in België werkzaam is via agenten die in het kader van de vrijheid van vestiging optreden in België, wijst onder de door de Bank bepaalde voorwaarden, bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998, conform de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn (EU) 2015/2366 als bedoeld in artikel 29, leden 4 en 5 van deze richtlijn, een in België gevestigd centraal contactpunt aan om namens de betalingsinstelling de toezichtsopdracht van de Bank te vergemakkelijken, onder meer door haar op haar verzoek documentatie of informatie te verstrekken.
  Dit centraal contactpunt mag eveneens de in artikel 15 van de wet van 18 september 2017 bedoelde opdrachten uitoefenen.
  Het in het eerste lid bedoelde reglement bepaalt met name welke opdrachten de aldus aangewezen centrale contactpunten dienen uit te voeren.
Art. 132. Les établissements de paiement exerçant leurs activités en Belgique via des agents agissant dans le cadre de la liberté d'établissement en Belgique désignent, dans les conditions fixées par la Banque par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998 en conformité avec les mesures d'exécution de la Directive (UE) 2015/2366 visées à l'article 29, paragraphes 4 et 5, de ladite directive, un point de contact central situé en Belgique chargé de faciliter, au nom de l'établissement de paiement, l'exercice, par la Banque de sa mission de contrôle, notamment en fournissant, à sa demande, tous documents ou informations.
  Ce point de contact central peut également assurer les fonctions visées à l'article 15 de la loi du 18 septembre 2017.
  Le règlement visé à l'alinéa 1er précise notamment les fonctions à remplir par les points de contact centraux ainsi désignés.
Afdeling III. - Periodieke informatieverstrekking, statistieken en boekhoudregels
Section III. - Informations périodiques, statistiques et règles comptables
Art. 133. § 1. Iedere betalingsinstelling die in België werkzaam is via een bijkantoor of een agent brengt voor informatie- of statistische doeleinden periodiek verslag uit aan de Bank over de verrichtingen die zij in België uitvoert.
  De wijze waarop en de frequentie waarmee deze periodieke verslagen moeten worden verstrekt, worden bepaald in de technische reguleringsnormen die met toepassing van artikel 29, lid 6, van Richtlijn 2015/2366 (EU) zijn vastgesteld
  § 2. Na advies van Bank bepaalt de Koning de regels volgens dewelke de in artikel 120 bedoelde bijkantoren :
  1° hun boekhouding voeren en inventarisramingen verrichten;
  2° hun jaarrekening opmaken;
  3° de jaarlijkse boekhoudkundige gegevens in verband met hun verrichtingen openbaar maken.
Art. 133. § 1er. Les établissements de paiement exerçant leur activité en Belgique par voie de succursale ou d'un agent transmettent à la Banque, des états périodiques relatifs aux opérations effectuées en Belgique à des fins d'information ou statistiques.
  Les modalités et la fréquence de ces rapports périodiques sont déterminées par les normes techniques de réglementation prises en application de l'article 29, paragraphe 6, de la Directive (UE) 2015/2366.
  § 2. Le Roi détermine, sur avis de la Banque, les règles selon lesquelles les succursales visées à l'article 120 :
  1° tiennent leur comptabilité et procèdent aux évaluations d'inventaire;
  2° établissent des comptes annuels;
  3° publient des informations comptables annuelles relatives à leurs opérations.
Afdeling IV. - Toezicht op de werkzaamheden
Section IV. - Du contrôle des activités
Onderafdeling 1. - Definitie en beginsel
Sous-section 1re. - Définition et principe
Art. 134. Voor de toepassing van deze Onderafdeling wordt onder "de Bank" de toezichthouder in haar hoedanigheid van bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst verstaan.
Art. 134. Pour l'application de la présente Sous-section, il y a lieu d'entendre par "la Banque", l'autorité de contrôle en sa qualité d'autorité compétente de l'Etat membre d'accueil.
Art. 135. Buiten het toezicht waaraan zij onderworpen zijn krachtens andere wettelijke of reglementaire bepalingen die hun werkzaamheden regelen, staan de in dit Hoofdstuk bedoelde betalingsinstellingen onder het toezicht van de Bank voor wat betreft de naleving van de Afdelingen II en III, voor zover de inhoud van deze bepalingen onder de bevoegdheid van de Bank valt.
Art. 135. Outre le contrôle dont ils font l'objet par ailleurs en vertu de dispositions légales ou réglementaires régissant leurs activités, les établissements de paiement visés au présent Chapitre sont soumis au contrôle de la Banque en ce qui concerne le respect des Sections II et III, dans la mesure où les matières visées par ces dispositions relèvent de la compétence de la Banque.
Onderafdeling 2. - Samenwerking
Sous-section 2. - Coopération
Art. 136. Met het oog op het vergemakkelijken van het toezicht door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de instellingen die onder het recht van die lidstaat ressorteren en die via een bijkantoor of een agent of in het kader van het vrij verrichten van diensten in België en, in voorkomend geval, in andere lidstaten werkzaam zijn, werkt de Bank nauw samen met de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten.
  Hiertoe verstrekt de Bank uit eigen beweging aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst alle essentiële informatie waarover zij beschikt, en verstrekt zij hen op verzoek alle relevante informatie.
  Het kader voor de samenwerking en de uitwisseling van informatie als bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn vastgelegd in de technische reguleringsnormen die met toepassing van artikel 29, lid 6 van Richtlijn 2015/2366 (EU) zijn vastgesteld.
  Wanneer de Bank redenen heeft om te vermoeden dat door een bijkantoor, een agent of een betalingsinstelling die werkzaamheden uitoefent in het kader van het vrij verrichten van diensten, geld wordt of werd witgewassen of terrorisme wordt of werd gefinancierd, dan wel dat gepoogd wordt of werd geld wit te wassen of terrorisme te financieren in de zin van de wet van 18 september 2017, of dat hun werkzaamheden het risico op witwassen van geld of financiering van terrorisme zouden kunnen vergroten, stelt zij de betrokken bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst hiervan in kennis.
Art. 136. En vue de faciliter la surveillance par les autorités compétentes de l'Etat membre d'origine des établissements relevant du droit de cet Etat qui opèrent, par voie de succursale ou d'un agent ou en libre prestation de service, en Belgique et, le cas échéant, dans d'autres Etats membres, la Banque collabore étroitement avec les autorités compétentes des Etats membres concernés.
  A cet effet, la Banque fournit d'initiative aux autorités compétentes de l'Etat membre d'origine les informations essentielles dont elle dispose et communique sur demande toutes les informations pertinentes.
  Le cadre de la coopération et de l'échange d'informations visés aux alinéas 1eret 2 sont précisés par les normes techniques de règlementation prises en application de l'article 29, paragraphe 6 de la Directive (UE) 2015/2366.
  Lorsque la Banque a des raisons de soupçonner qu'une opération de blanchiment de capitaux ou de financement du terrorisme au sens de la loi du 18 septembre 2017 ou une tentative est en cours ou a été effectuée par la succursale, un agent ou un établissement de paiement exerçant des activités sous le régime de la libre prestation de services, ou que leurs activités pourraient accroître le risque de blanchiment de capitaux ou de financement du terrorisme, elle en informe les autorités compétentes de l'Etat membre d'origine concernées.
Art. 137. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst kunnen, na de Bank daarvan voorafgaandelijk in kennis te hebben gesteld, bij de in België gevestigde bijkantoren en agenten controles en inspecties ter plaatse verrichten om zelf of, in voorkomend geval, via de personen die zij daartoe machtigen, de gegevens die voor het toezicht op de betalingsinstelling noodzakelijk zijn, te verifiëren of op te vragen. De Bank kan deelnemen aan deze verificatie.
  Op verzoek van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de betalingsinstelling kan de Bank, als een vorm van bijstand aan deze autoriteiten, bij deze bijkantoren en agenten inspecties verrichten. De kosten van deze inspecties en controles worden gedragen door de autoriteit die erom verzoekt.
Art. 137. Les autorités compétentes de l'Etat membre d'origine sont habilitées, après en avoir préalablement informé la Banque, à procéder à des contrôles et inspections sur place auprès des succursales et agents établis en Belgique en vue de vérifier ou recueillir, le cas échéant, par l'intermédiaire des personnes qu'elles mandatent, les informations qui sont nécessaires pour assurer le contrôle de l'établissement de paiement. La Banque peut participer à cette vérification.
  La Banque peut accepter de se charger, à la demande des autorités compétentes de l'Etat membre d'origine de l'établissement de paiement, d'effectuer auprès de ces succursales et agents des inspections dans un but d'assistance à ces autorités. Les frais relatifs à ces inspections et vérifications sont à la charge de l'autorité requérante.
Onderafdeling 3. - Prerogatieven
Sous-section 3. - Prérogatives
Art. 138. Met het oog op de uitoefening van haar bevoegdheden of, in voorkomend geval, om bijstand te verlenen aan de lidstaat van herkomst, kan de Bank gebruikmaken van de in de artikelen 102 en 103 bedoelde prerogatieven.
Art. 138. Aux fins de l'exercice de ses compétences ou, le cas échéant, aux fins de fournir une assistance à l'Etat membre d'origine, la Banque peut faire usage des prérogatives prévues aux articles 102 et 103.
Art. 139. Wanneer de Bank in het Belgische bijkantoor of bij de in België gevestigde agent inspecties ter plaatse verricht, stelt zij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst hiervan in kennis.
Art. 139. Lorsque la Banque procède à des inspections sur place dans la succursale belge ou auprès de l'agent établi en Belgique, elle en informe les autorités compétentes de l'Etat membre d'origine.
Afdeling V. - Buitengewone maatregelen
Section V. - Des mesures exceptionnelles
Art. 140. De Bank stelt de betrokken bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst in kennis wanneer zij vaststelt dat een betalingsinstelling die onder het recht van die lidstaat ressorteert en die in België werkzaam is via een bijkantoor of een agent, niet voldoet aan de bepalingen van de Afdelingen II en III, of dreigt er niet langer aan te voldoen.
Art. 140. La Banque informe l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine concernée lorsqu'elle constate qu'un établissement de paiement relevant du droit de cet Etat opérant en Belgique par la voie d'une succursale ou d'un agent ne respecte pas, ou risque de ne plus respecter, les dispositions des Sections II et III.
Art. 141. Indien de Bank van oordeel is dat de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst geen maatregelen heeft genomen om de onregelmatige situatie of het risico op een onregelmatige situatie als bedoeld in artikel 140 te verhelpen, kan zij de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de Europese Bankautoriteit voorleggen en haar om bijstand verzoeken.
Art. 141. Si la Banque considère que l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine n'a pas pris les mesures en vue de remédier à la situation de non-conformité ou de risque de non-conformité visée à l'article 140, elle peut saisir l'Autorité bancaire européenne et demander son assistance conformément à l'article 19 du Règlement n° 1093/2010.
Art. 142. § 1. Alvorens de in artikel 141 bedoelde procedure toe te passen, kan de Bank in noodsituaties, in afwachting van maatregelen van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst of van alle andere in die lidstaat genomen administratieve of gerechtelijke maatregelen, en zonder afbreuk te doen aan de mogelijkheid voor de betrokken autoriteiten om de zaak voor te leggen aan de Europese Bankautoriteit overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010, alle bewarende maatregelen treffen die noodzakelijk zijn om bescherming te bieden tegen de financiële instabiliteit, die een ernstige bedreiging voor de collectieve belangen van betalingsdienstgebruikers in België zou kunnen vormen.
  Deze maatregelen kunnen bestaan in de maatregelen bedoeld in artikel 117, § 1, 1°, 2°, 4° en §§ 2 en 3.
  § 2. Wanneer dat verenigbaar is met de noodsituatie, stelt de Bank de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en van alle andere betrokken lidstaten, de Commissie en de Europese Bankautoriteit vooraf en in ieder geval zo spoedig mogelijk in kennis van de bewarende maatregelen die krachtens paragraaf 1 zijn genomen en van de motivering daarvoor.
  § 3. De Bank maakt een einde aan de maatregelen bedoeld in paragraaf 1 zodra deze niet langer verantwoord blijken.
Art. 142. § 1er. Avant d'appliquer la procédure visée à l'article 141 la Banque peut, en situation d'urgence et dans l'attente des mesures à arrêter par les autorités compétentes de l'Etat membre d'origine ou de toutes autres mesures administratives ou judiciaires adoptées dans cet Etat, et sans préjudice de la possibilité pour les autorités concernées de saisir l'Autorité bancaire européenne en application de l'article 19 du Règlement n° 1093/2010, prendre toute mesure conservatoire nécessaire pour assurer une protection contre l'instabilité du système financier susceptible de menacer gravement les intérêts collectifs des utilisateurs de services de paiement en Belgique.
  Ces mesures peuvent consister dans les mesures visées à l'article 117, § 1er, 1°, 2°, 4° et §§ 2 et 3.
  § 2. Lorsque cela est compatible avec la situation d'urgence, la Banque informe préalablement et, en tout état de cause, sans retard injustifié les autorités compétentes de l'Etat membre d'origine et celles de tout autre Etat membre concerné, la Commission et l'Autorité bancaire européenne des mesures conservatoires visées au paragraphe 1er et de leur justification.
  § 3. La Banque met fin aux mesures visées au paragraphe 1er dès que celles-ci ne s'avèrent plus justifiées.
Art. 143. Bij intrekking van de vergunning van een betalingsinstelling door de bevoegde autoriteit van haar lidstaat van herkomst, beveelt de Bank de sluiting van het bijkantoor dat deze instelling in België heeft gevestigd. Zij kan een voorlopige zaakvoerder aanstellen die toeziet op de vrijwaring van de tegoeden van het bijkantoor in afwachting van een uitspraak omtrent hun bestemming en die gemachtigd is in het belang van de cliënten van het bijkantoor alle bewarende maatregelen te treffen.
Art. 143. En cas de retrait de l'agrément de l'établissement de paiement par l'autorité compétente de son Etat membre d'origine, la Banque ordonne la fermeture de la succursale que cet établissement a établie en Belgique. Elle peut désigner un gérant provisoire qui veille à la préservation des avoirs de la succursale en attendant qu'il soit statué sur leur destination, et qui est habilité à prendre toutes mesures conservatoires dans l'intérêt des clients de la succursale.
Art. 143/1. [1 Artikel 117, § 5, is van toepassing op de in de artikelen 120, 124 en 127 bedoelde betalingsinstellingen.]1
  
Art.143/1. [1 L'article 117, § 5, est d'application à l'égard des établissements de paiement visés aux articles 120, 124 et 127.]1
  
HOOFDSTUK II. - Bijkantoren in België van betalingsinstellingen die onder het recht van een derde land ressorteren
CHAPITRE II. - Succursales en Belgique des établissements de paiement relevant du droit de pays tiers
Art. 144. Na advies van de Bank kan de Koning een regeling vaststellen voor het statuut van en het toezicht op de bijkantoren van betalingsinstellingen die onder het recht van een derde land ressorteren.
Art. 144. Le Roi peut, sur avis de la Banque, régler le statut et le contrôle des succursales d'établissements de paiement relevant du droit d'un pays tiers.
TITEL IV. - Bepalingen die van toepassing zijn op andere betalingsdienstaanbieders naar belgisch recht dan betalingsinstellingen
TITRE IV. - Dispositions applicables aux prestataires de services de paiement de droit belge autres que les établissements de paiement
Art. 145. Andere betalingsdienstaanbieders dan betalingsinstellingen die betalingsdiensten aanbieden zijn onderworpen aan de volgende artikelen :
  1° a) de artikelen 46 en 47, die betrekking hebben op de bescherming van betalingsgegevens en de authenticatieprocedure;
  b) artikel 49, dat betrekking heeft op de beveiligde communicatie;
  c) de artikelen 50 tot 52, die betrekking hebben op het beveiligingsbeleid;
  d) artikel 53, dat betrekking heeft op het beheer en de melding van veiligheidsincidenten;
  e) artikel 54, dat betrekking heeft op het verstrekken van statistische gegevens, met uitzondering van artikel 54, tweede lid, wanneer de enige betalingsdiensten die worden aangeboden, rekeninginformatiediensten zijn;
  2° evenals
  a) wanneer ze op kaarten gebaseerde betalingsinstrumenten uitgeven, artikel 55;
  b) wanneer ze betalingsinitiatiediensten aanbieden, artikel 48;
  c) wanneer ze optreden als rekeninghouder, de artikelen 56 tot 58;
  d) wanneer ze rekeninginformatiediensten aanbieden, artikel 98,
  3° evenals de bepalingen van Titel II, voor zover de toepassing ervan verband houdt met de bepalingen van de punten 1° en 2°, met name artikel 10, punten 12° tot 20°, artikel 21, § 1, punten 3° en 4° en artikel 35, tweede lid.
Art. 145. Les prestataires de services de paiement autres que les établissements de paiement qui offrent des services de paiement sont soumis aux articles suivants :
  1° a) les articles 46 et 47 relatifs à la protection des données de paiement et à la procédure d'authentification;
  b) l'article 49 relatif à la communication sécurisée;
  c) les articles 50 à 52 relatifs à la politique de sécurité;
  d) l'article 53 relatif à la gestion et la notification des incidents de sécurité;
  e) l'article 54 relatif à la fourniture de données statistiques, à l'exception de l'article 54, alinéa 2, lorsque le seul service de paiement offert est le service d'information sur les comptes,
  2° ainsi que
  a) lorsqu'ils émettent des instruments de paiement liés à une carte, l'article 55;
  b) lorsqu'ils offrent le service d'initiation de paiement, l'article 48;
  c) lorsqu'ils agissent en qualité de gestionnaire de comptes les articles 56 à 58,
  d) lorsqu'ils offrent le service d'information sur les comptes, l'article 98,
  3° ainsi que les dispositions du Titre II dans la mesure où leur application est corrélative aux dispositions visées aux 1° et 2°, notamment l'article 10, point 12° à 20°, l'article 21, § 1er, points 3° et 4° et l'article 35, alinéa 2.
Art. 146. Wanneer een rekeninghoudende betalingsdienstaanbieder die geen betalingsinstelling is, andere rekeningen dan betaalrekeningen aanbiedt en beheert en toegang tot deze rekeningen geeft aan betalingsinitiatiedienstaanbieders of aan rekeninginformatiedienstaanbieders worden deze rekeningen voor de toepassing van deze wet beschouwd als betaalrekeningen en zijn de bepalingen van artikel 145 van toepassing op deze rekeningen.
Art. 146. Lorsqu'un prestataire de services de paiement, gestionnaire de comptes, autre qu'un établissement de paiement fournit et gère des comptes autres que des comptes de paiement et autorise l'accès à ces comptes aux prestataires de services d'initiation de paiement ou aux prestataires de service d'information sur les comptes, ces comptes sont considérés, pour les besoins de la présente loi, comme des comptes de paiement et les dispositions visés à l'article 145 sont applicables en ce qui concerne ces comptes.
Art. 146/1. [1 § 1. De Bank ziet toe op de naleving door de kredietinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld van de artikelen 145 en 146. In het kader van deze toezichtsopdracht kan de Bank alle rechtsinstrumenten en prerogatieven aannemen die bij of krachtens deze wet zijn vastgesteld voor het toezicht op de betalingsinstellingen, met name die welke zijn opgenomen in de artikelen 102, 103, 106, 116, 117, 144 en 147, die van overeenkomstige toepassing zijn, met dien verstande dat ten aanzien van de kredietinstellingen, de in artikel 117, § 1, 7° bedoelde beslissing tot herroeping wordt genomen overeenkomstig de GTM-verordening.
   § 2. De erkend commissarissen die met toepassing van artikel 223 van de bankwet zijn aangesteld bij de kredietinstellingen, en de erkend commissarissen die met toepassing van artikel 113 van deze wet zijn aangesteld bij de instellingen voor elektronisch geld, verlenen hun medewerking aan het toezicht dat de Bank krachtens dit artikel uitoefent, op hun eigen en uitsluitende verantwoordelijkheid en overeenkomstig de regels van het vak en de richtlijnen van de Bank. Daartoe is artikel 115, § 4, § 5, 1° en 2°, en §§ 8 tot en met 11 op hen van toepassing. Tegen erkend commissarissen die te goeder trouw informatie hebben verstrekt als bedoeld in artikel 115, § 5 kunnen geen burgerrechtelijke, strafrechtelijke of tuchtrechtelijke vorderingen worden ingesteld, noch professionele sancties worden uitgesproken.]1

  
Art.146/1. [1 § 1er. La Banque veille au respect par les établissements de crédit et les établissements de monnaie électronique des articles 145 et 146. Aux fins de cette mission de contrôle, la Banque peut adopter tous les instruments juridiques et prérogatives prévus par ou vertu de la présente loi pour le contrôle des établissements de paiement, notamment ceux prévus aux articles 102, 103, 106, 116, 117, 144 et 147 qui sont applicables par analogie, étant entendu qu'à l'égard des établissements de crédit, la décision de révocation visée à l'article 117, § 1er, 7° est prise en conformité avec le Règlement MSU.
   § 2. Les commissaires agréés désignés au sein des établissements de crédits en application de l'article 223 de la loi bancaire et les commissaires agréés désignés au sein des établissements de monnaie électronique en application de l'article 113 de la présente loi collaborent au contrôle exercé par la Banque en vertu du présent article et ce, sous leur responsabilité personnelle et exclusive et conformément aux règles de la profession et aux instructions de la Banque. A cette fin, l'article 115, § 4, § 5, 1° et 2°, et §§ 8 à 11 leur est applicable. Aucune action civile, pénale ou disciplinaire ne peut être intentée ni aucune sanction professionnelle prononcée contre les commissaires agréés qui ont procédé de bonne foi à une information visée à l'article 115, § 5.]1

  
TITEL V. - Dwangsommen, andere dwangmaatregelen en sancties
TITRE V. - Astreintes, autres dispositions coercitives et sanctions
HOOFDSTUK I. - Dwangsommen, andere dwangmaatregelen en administratieve sancties
CHAPITRE Ier. - Astreintes, autres dispositions coercitives et sanctions administratives
Art. 147. § 1. [4 Onverminderd de andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen kan de Bank bekendmaken dat een betalingsinstelling naar Belgisch of buitenlands recht geen gevolg heeft gegeven aan haar aanmaningen om zich binnen de termijn die zij bepaalt te conformeren aan de bepalingen van:
   1° Boek II van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
   2° Titel II van Verordening (EU) nr. 648/2012 [5 of van Verordening (EU) 2022/2554]5;
   3° de artikelen 4 en 15 van Verordening (EU) nr. 2015/2365 [5 of de artikelen 6 tot 9 en 18 tot 27 van Verordening (EU) 2017/2402]5;
   4° de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet;
   5° de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt 4° bedoelde gedelegeerde handelingen.]4

  § 2. [4 Onverminderd de andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen kan de Bank voor een betalingsinstelling naar Belgisch of buitenlands recht een termijn bepalen:
   1° waarbinnen zij zich moet conformeren aan welbepaalde voorschriften van:
   a) deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
   b) Titel II van Verordening (EU) nr. 648/2012 [5 of van Verordening (EU) 2022/2554]5;
   c) de artikelen 4 en 15 van Verordening (EU) nr. 2015/2365 [5 of de artikelen 6 tot 9 en 18 tot 27 van Verordening (EU) 2017/2402]5;
   d) de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten b) of c) bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet;
   e) de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten b) of c) bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt d) bedoelde gedelegeerde handelingen;
   2° waarbinnen zij de nodige aanpassingen moet aanbrengen in haar beleidsstructuur, haar administratieve en boekhoudkundige organisatie of haar interne controle;
   3° waarbinnen zij zich moet conformeren aan een vereiste dat door de Bank is opgelegd met toepassing van de in punt 1° bedoelde bepalingen;
   4° waarbinnen zij zich moet conformeren aan de vereisten die door de Bank zijn vastgesteld als voorwaarden voor een besluit genomen met toepassing van de in punt 1° bedoelde bepalingen, met name het verlenen van toestemming of van een afwijking.]4

  De in het eerste lid, 2°, bedoelde aanmaning geldt niet voor de bijkantoren van betalingsinstellingen die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren.
  Indien de betalingsinstelling in gebreke blijft bij het verstrijken van de termijn, kan de Bank, na de instelling gehoord of tenminste opgeroepen te hebben, haar een dwangsom opleggen [3 van maximum 2 500 000 euro per overtreding en maximum 50 000 euro per dag vertraging]3.
  § 3. Bij de vaststelling van het bedrag van de dwangsom wordt met name rekening gehouden met :
  1° de ernst van de vastgestelde tekortkomingen en, in voorkomend geval, de potentiële impact van die tekortkomingen op de stabiliteit van het financiële stelsel en van de betalingssystemen;
  2° de financiële draagkracht van de betrokken instelling, zoals die met name blijkt uit haar omzet.
  § 4. De dwangsommen die met toepassing van paragraaf 2 worden opgelegd, worden ingevorderd ten bate van de Schatkist door de diensten van de Administratie binnen de Federale Overheidsdienst Financiën die bevoegd zijn inzake niet-fiscale vorderingen.
  
Art. 147. § 1er. [4 Sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, la Banque peut publier qu'un établissement de paiement de droit belge ou de droit étranger ne s'est pas conformé aux injonctions qui lui ont été faites de respecter dans le délai qu'elle détermine les dispositions :
   1° du Livre II de la présente loi ou des arrêtés ou règlements pris pour son exécution ;
   2° du Titre II du Règlement (UE) n° 648/2012 [5 ou du règlement (UE) 2022/2554]5;
   3° des articles 4 et 15 du Règlement (UE) n° 2015/2365 [5 ou des articles 6 à, 9 et 18 à 27 du règlement (UE) 2017/2402]5;
   4° des actes délégués adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou 3° ou en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ;
   5° des actes d'exécution adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou 3°, en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ou en vertu des actes délégués visés au 4°.]4

  § 2. [4 Sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, la Banque peut fixer à un établissement de paiement de droit belge ou de droit étranger, un délai dans lequel :
   1° il doit se conformer à des dispositions déterminées :
   a) de la présente loi ou des arrêtés ou règlements pris pour son exécution ;
   b) du Titre II du Règlement (UE) n° 648/2012 [5 ou du règlement (UE) 2022/2554]5;
   c) des articles 4 et 15 du Règlement (UE) n° 2015/2365 [5 ou des articles 6 à 9 et 18 à 27 du règlement (UE) 2017/2402]5;
   d) des actes délégués adoptés en vertu des dispositions visées au b) ou au c) ou en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ;
   e) des actes d'exécution adoptés en vertu des dispositions visées au b) ou au c), en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ou en vertu des actes délégués visés au d) ;
   2° il doit apporter les adaptations qui s'imposent à sa structure de gestion, à son organisation administrative et comptable ou à son contrôle interne ;
   3° il doit se conformer à une exigence imposée par la Banque en application de dispositions visées au 1° ;
   4° il doit se conformer aux exigences fixées par la Banque comme conditions à une décision prise en application des dispositions visées au 1°, notamment l'octroi d'une autorisation ou d'une dérogation.]4

  L'injonction visée à l'alinéa 1er, 2°, n'est pas applicable aux succursales d'établissements de paiement relevant du droit d'un autre Etat membre.
  Si l'établissement de paiement reste en défaut à l'expiration du délai, la Banque peut, après avoir entendu l'établissement ou à tout le moins l'avoir convoqué, lui infliger une astreinte à raison [3 d'un montant maximum de 2 500 000 euros par infraction et de maximum 50 000 euros par jour de retard]3.
  § 3. Le montant de l'astreinte est fixé en tenant notamment compte :
  1° de la gravité des manquements rencontrés et, le cas échéant, de l'impact potentiel de ces manquements sur la stabilité du système financier et des systèmes de paiement;
  2° de l'assise financière de l'établissement en cause, telle qu'elle ressort notamment de son chiffre d'affaires.
  § 4. Les astreintes imposées en application du paragraphe 2 sont recouvrées au profit du Trésor par les Services de l'Administration au sein du Service Public Fédéral Finances compétents en matière de recouvrements non fiscaux.
  
Art. 148. § 1. [3 Onverminderd andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen en onverminderd de bij andere wetten, besluiten of reglementen voorgeschreven maatregelen, kan de Bank, indien zij:
   a) een inbreuk vaststelt op de bepalingen van Boek II van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
   b) een inbreuk vaststelt op de bepalingen van Titel II van Verordening (EU) nr. 648/2012 [4 of van Verordening (EU) 2022/2554]4;
   c) een inbreuk vaststelt op de artikelen 4 en 15 van Verordening (EU) nr. 2015/2365 [4 of de artikelen 6 tot 9 en 18 tot 27 van Verordening (EU) 2017/2402]4;
   d) een inbreuk vaststelt op de bepalingen van de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten b) of c) bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet; of
   e) een inbreuk vaststelt op de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten b) of c) bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt d) bedoelde gedelegeerde handelingen;
   f) vaststelt dat een vereiste dat door de Bank is opgelegd met toepassing van het bepaalde in de punten a) tot e) niet wordt nageleefd;
   g) vaststelt dat vereisten die door de Bank zijn vastgesteld als voorwaarden voor een besluit genomen met toepassing van het bepaalde in de punten a) tot e), met name het verlenen van toestemming of van een afwijking, niet worden nageleefd,
   een administratieve geldboete opleggen aan een betalingsinstelling naar Belgisch of buitenlands recht, aan een in artikel 5, § 1, 1° en 2°, bedoelde betalingsdienstverlener die zich niet conformeert aan artikel 145, aan een of meer leden van het wettelijk bestuursorgaan van deze entiteiten en/of aan de personen die deelnemen aan hun effectieve leiding, die voor de vastgestelde tekortkoming verantwoordelijk zijn.]3

  § 2. De in paragraaf 1 bedoelde administratieve geldboete bedraagt voor hetzelfde feit of hetzelfde geheel van feiten :
  1° [3 ...]3 maximum 10 % van de jaarlijkse netto-omzet van het voorbije boekjaar, indien het om een rechtspersoon gaat;
  2° [3 ...]3 maximum 5 000 000 euro, indien het om een natuurlijke persoon gaat.
  [1 In geval van een inbreuk op de artikelen 4 en 15 van Verordening (EU) nr. 2015/2365 [3 , op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig deze artikelen of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig deze artikelen of een dergelijke gedelegeerde handeling]3, kan de Bank aan een betalingsinstelling naar Belgisch of buitenlands recht die in België is gevestigd een administratieve geldboete opleggen van
   a) in het geval van een natuurlijke persoon: maximum 5 000 000 euro;
   b) [3 in het geval van een rechtspersoon: maximaal:
   - 5 000 000 euro in geval van een inbreuk op artikel 4 van Verordening (EU) nr. 2015/2365, op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of een dergelijke gedelegeerde handeling; en
   - 15 000 000 euro in geval van een inbreuk op artikel 15 van Verordening (EU) nr. 2015/2365, op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of een dergelijke gedelegeerde handeling;
   of, indien dit hoger is, 10 % van de totale jaaromzet van die instelling van het voorbije boekjaar.]3

  Wanneer de inbreuk voor de overtreder winst heeft opgeleverd of hem heeft toegelaten verlies te vermijden, mag dit maximum worden verhoogd tot het drievoud van deze winst of dit verlies, onverminderd de punten a) en b).]1

  [4 In geval van een inbreuk op de artikelen 6 tot 9 en 18 tot 27 van Verordening 2017/2402, op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig deze artikelen of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig deze artikelen of een dergelijke gedelegeerde handeling, bedraagt de in het eerste lid bedoelde administratieve geldboete in het geval van een rechtspersoon maximaal 5.000.000 euro of 10 % van de totale jaaromzet van die vennootschap van het voorbije boekjaar.
   Wanneer de inbreuk voor de overtreder winst heeft opgeleverd of hem heeft toegelaten verlies te vermijden, mag het maximumbedrag van de administratieve geldboete worden verhoogd tot het tweevoud van deze winst of dit verlies, onverminderd het eerste lid, 2° en het vierde lid.]4

  § 3. De geldboetes die met toepassing van paragraaf 2 worden opgelegd door de Bank, worden ingevorderd ten bate van de Schatkist door de diensten van de Administratie binnen de Federale Overheidsdienst Financiën die bevoegd zijn inzake niet-fiscale vorderingen.
  § 4. Het bedrag van de geldboete wordt met name vastgesteld op grond van :
  1° de ernst en de duur van de tekortkomingen;
  2° de mate van verantwoordelijkheid van de betrokkene;
  3° de financiële draagkracht van de betrokkene, zoals die met name blijkt uit de totale omzet van de betrokken rechtspersoon of uit het jaarinkomen van de betrokken natuurlijke persoon;
  4° het voordeel of de winst die deze tekortkomingen eventueel opleveren;
  5° het nadeel dat derden door deze tekortkomingen hebben geleden, voor zover dit kan worden bepaald;
  6° de mate van medewerking van de betrokken natuurlijke of rechtspersoon met de Bank;
  7° vroegere tekortkomingen van de betrokkene;
  8° de potentiële negatieve impact van de tekortkomingen op de stabiliteit van het financiële stelsel en van de betalingssystemen.
  § 5. De Bank kan de overeenkomstig dit artikel opgelegde maatregelen openbaar maken.
  [1 De Bank stelt de Europese Autoriteit voor effecten en markten in kennis van haar besluiten over inbreuken op de artikelen 4 en 15 van Verordening (EU) nr. 2015/2365, wanneer die besluiten niet openbaar worden gemaakt overeenkomstig het vorige lid.]1
  
Art. 148. § 1er. [3 Sans préjudice d'autres mesures prévues par la présente loi et sans préjudice des mesures prévues par d'autres lois, arrêtés ou règlements, la Banque peut, lorsqu'elle constate :
   a) une infraction aux dispositions du Livre II de la présente loi ou des arrêtés ou règlements pris pour son exécution ;
   b) une infraction aux dispositions du Titre II du Règlement (UE) n° 648/2012 [4 ou du règlement (UE) 2022/2554]4;
   c) une infraction aux articles 4 et 15 du Règlement (UE) n° 2015/2365 [4 ou aux articles 6 à 9 et 18 à 27 du règlement (UE) 2017/2402]4;
   d) une infraction aux dispositions des actes délégués adoptés en vertu des dispositions visées au b) ou c) ou en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ; ou
   e) une infraction aux dispositions des actes d'exécution adoptés en vertu des dispositions visées au b) ou c), en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ou en vertu des actes délégués visés au d) ;
   f) le non-respect d'une exigence imposée par la Banque en application de dispositions visées aux a) à e) ;
   g) le non-respect d'exigences fixées par la Banque comme conditions à une décision prise en application de dispositions visées aux a) à e), notamment l'octroi d'une autorisation ou d'une dérogation,
   infliger une amende administrative à un établissement de paiement de droit belge ou de droit étranger, à un prestataire de services de paiement visé à l'article 5, § 1er, 1° et 2° ne se conformant pas à l'article 145, à un ou plusieurs des membres de l'organe légal d'administration de ces entités et/ou aux personnes qui participent à leur direction effective, responsables du manquement constaté.]3

  § 2. Le montant de l'amende administrative visée au paragraphe 1er s'élève, pour le même fait ou pour le même ensemble de faits :
  1° [3 ...]3 maximum de 10 % du chiffre d'affaires annuel net de l'exercice précédent, s'il s'agit d'une personne morale;
  2° [3 ...]3 maximum 5 000 000 euros, s'il s'agit d'une personne physique.
  [1 En cas d'infraction aux articles 4 et 15 du Règlement (UE) n° 2015/2365 [3 , à un acte délégué adopté en vertu desdits articles ou à un acte d'exécution adopté en vertu desdits articles ou d'un tel acte délégué]3, la Banque peut infliger à un établissement de paiement de droit belge ou étranger établi en Belgique une amende administrative qui est
   a) dans le cas d'une personne physique, de maximum 5 000 000 euros;
   b) [3 dans le cas d'une personne morale, de maximum :
   - 5 000 000 euros en cas d'infraction à l'article 4 du Règlement (UE) n° 2015/2365, à un acte délégué adopté en vertu dudit article ou à un acte d'exécution adopté en vertu dudit article ou d'un tel acte délégué ; et
   - 15 000 000 euros en cas d'infraction à l'article 15 du Règlement (UE) n° 2015/2365, à un acte délégué adopté en vertu dudit article ou à un acte d'exécution adopté en vertu dudit article ou d'un tel acte délégué ;
   ou, si le montant obtenu par l'application de ce pourcentage est plus élevé, 10 % du chiffre d'affaires annuel total réalisé par cet établissement au cours de l'exercice précédent.]3

   Sans préjudice des points a) et b), lorsque l'infraction a procuré un profit au contrevenant ou a permis à ce dernier d'éviter une perte, ce maximum peut être porté au triple du montant de ce profit ou de cette perte.]1

  [4 En cas d'infraction aux articles 6 à 9 et 18 à 27 du règlement 2017/2402, à un acte délégué adopté en vertu desdits articles ou à un acte d'exécution adopté en vertu desdits articles ou d'un tel acte délégué, le montant de l'amende administrative visée à alinéa 1er est dans le cas d'une personne morale, de maximum 5.000.000 euros ou 10 % du chiffre d'affaires annuel total réalisé par cette société au cours de l'exercice précédent.
   Sans préjudice de l'alinéa 1er, 2° et de l'alinéa 4, lorsque l'infraction a procuré un profit au contrevenant ou a permis à ce dernier d'éviter une perte, le montant maximum de l'amende administrative peut être porté au double du montant de ce profit ou de cette perte.]4

  § 3. Les amendes imposées par la Banque en application du paragraphe 2 sont recouvrées au profit du Trésor par les Services de l'Administration au sein du Service Public Fédéral Finances compétents en matière de recouvrements non fiscaux.
  § 4. Le montant de l'amende est notamment fixé en fonction :
  1° de la gravité et de la durée des manquements;
  2° du degré de responsabilité de la personne en cause;
  3° de l'assise financière de la personne en cause, telle qu'elle ressort notamment du chiffre d'affaires total de la personne morale en cause ou des revenus annuels de la personne physique en cause;
  4° des avantages ou profits éventuellement tirés de ces manquements;
  5° d'un préjudice subi par des tiers du fait des manquements, dans la mesure où il peut être déterminé;
  6° du degré de coopération avec la Banque dont a fait preuve la personne physique ou morale en cause;
  7° des manquements antérieurs commis par la personne en cause;
  8° de l'impact négatif potentiel des manquements sur la stabilité du système financier et des systèmes de paiement.
  § 5. La Banque peut rendre publique les mesures imposées conformément au présent article.
  [1 La Banque informe l'Autorité européenne des marchés financiers de ses décisions concernant un manquement aux articles 4 et 15 du Règlement (UE) n° 2015/2365 lorsque ces décisions ne sont pas rendues publiques conformément à l'alinéa précédent.]1
  
HOOFDSTUK II. - Strafrechtelijke sancties
CHAPITRE II. - Sanctions pénales
Art. 149. § 1. Met een gevangenisstraf van één maand tot één jaar en met een geldboete van 50 euro tot 10 000 euro of met één van die straffen alleen wordt gestraft :
  1° wie zich niet conformeert aan de artikelen 3 of 5;
  2° wie het bedrijf uitoefent van een betalingsinstelling als bedoeld in de artikelen 9, 82, 91 of 144, zonder een vergunning of een registratie te hebben verkregen of wanneer de vergunning of de registratie is ingetrokken of herroepen;
  3° wie met opzet de kennisgevingen als bedoeld in de artikelen 25 en 29 niet verricht, wie het verzet negeert als bedoeld in artikel 27, tweede lid, of wie de schorsing negeert als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1° ;
  4° de betalingsinstellingen en de leden van hun wettelijk bestuursorgaan of de personen belast met de effectieve leiding van de instelling, die de artikelen 38 tot 40 en 43 tot 45 overtreden;
  5° de betalingsinstellingen en de leden van hun wettelijk bestuursorgaan of de personen belast met de effectieve leiding van de instelling die in het buitenland een bijkantoor openen of er diensten verstrekken, zonder de kennisgevingen te hebben verricht als bepaald in de artikelen 59, 65 en 70 of die zich niet conformeren aan de artikelen 63 en 69;
  6° de betalingsinstellingen en de leden van hun wettelijk bestuursorgaan of de personen belast met de effectieve leiding van de instelling, die [2 de artikelen 76 tot 78 en 133]2 of de in die artikelen bedoelde besluiten of reglementen overtreden;
  7° wie handelingen stelt of verrichtingen uitvoert zonder daartoe de toestemming te hebben verkregen van de speciaal commissaris als bedoeld in artikel 117, § 1, eerste lid, 1°, of die indruisen tegen een schorsingsbeslissing genomen overeenkomstig artikel 117, § 1, eerste lid, 2°, of zich niet conformeren aan de maatregelen bedoeld in de artikelen 116, § 2 en 142;
  8° wie als commissaris, erkende revisor of onafhankelijk deskundige, rekeningen, jaarrekeningen, balansen en resultatenrekeningen of geconsolideerde jaarrekeningen van ondernemingen dan wel periodieke staten of inlichtingen certificeert, goedkeurt of bekrachtigt terwijl niet is voldaan aan de voorschriften van deze wet of van haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen en daarvan kennis heeft, of niet heeft gedaan wat hij normaal had moeten doen om zich te vergewissen of aan die bepalingen was voldaan;
  9° wie de onderzoeken en controles verhindert waartoe hij verplicht is in het land of in het buitenland dan wel weigert de gegevens te verstrekken waartoe hij verplicht is op grond van deze wet of wie bewust onjuiste of onvolledige inlichtingen verstrekt;
  10° elke bestuurder en zaakvoerder die zich niet houdt aan de voorschriften van artikel 110, eerste en vierde lid;
  [1 11° wie met opzet een bijzonder mechanisme instelt in de zin van artikel 21, § 1/1.]1
  § 2. Overtredingen van het verbod van artikel 20 van de bankwet worden gestraft met een gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar en met een geldboete van 1 000 euro tot 10 000 euro.
  
Art. 149. § 1er. Sont punis d'un emprisonnement d'un mois à un an et d'une amende de 50 euros à 10 000 euros ou d'une de ces peines seulement :
  1° ceux qui ne se conforment pas aux articles 3 ou 5;
  2° ceux qui exercent l'activité d'un établissement de paiement visé aux articles 9, 82, 91 ou 144, sans que cet établissement soit agréé ou enregistré ou alors que l'agrément ou l'enregistrement a été radié ou révoqué;
  3° ceux qui, sciemment, s'abstiennent de faire les notifications prévues aux articles 25 et 29, ceux qui passent outre à l'opposition visée à l'article 27, alinéa 2, ou ceux qui passent outre à la suspension visée à l'article 32, alinéa 1er, 1° ;
  4° les établissements de paiement ainsi que les membres de leur organe légal d'administration ou les personnes en charge de la direction effective de l'établissement qui contreviennent aux articles 38 à 40 et 43 à 45;
  5° les établissements de paiement ainsi que les membres de leur organe légal d'administration ou les personnes en charge de la direction effective qui, à l'étranger, ouvrent une succursale ou y fournissent des services sans avoir procédé aux notifications prévues par les articles 59, 65 et 70 ou qui ne se conforment pas aux articles 63 et 69;
  6° les établissements de paiement, ainsi que les membres de leur organe légal d'administration ou les personnes en charge de la direction effective de l'établissement qui contreviennent aux [2 articles 76 à 78 et 133]2 ou aux arrêtés ou règlements visés à ces articles;
  7° ceux qui accomplissent des actes ou opérations sans avoir obtenu l'autorisation du commissaire spécial prévue à l'article 117, § 1er, alinéa 1er, 1°, ou à l'encontre d'une décision de suspension prise en application de l'article 117, § 1er, alinéa 1er, 2°, ou qui ne se conforment pas aux mesures prises en application des articles 116, § 2 et 142;
  8° ceux qui, en qualité de commissaire, de reviseur agréé ou d'expert indépendant, ont attesté, approuvé ou confirmé des comptes, des comptes annuels, des bilans et comptes de résultats ou des comptes consolidés d'entreprises ou des états périodiques ou des renseignements, lorsque les dispositions de la présente loi ou des arrêtés et règlements pris pour son exécution, n'ont pas été respectées, soit en sachant qu'elles ne l'avaient pas été, soit en n'ayant pas accompli les diligences normales pour s'assurer qu'elles avaient été respectées;
  9° ceux qui font obstacle aux inspections et vérifications auxquelles ils sont tenus dans le pays ou à l'étranger ou refusent de donner des renseignements qu'ils sont tenus de fournir en vertu de la présente loi ou qui donnent sciemment des renseignements inexacts ou incomplets;
  10° les administrateurs et gérants qui ne respectent pas les dispositions de l'article 110, alinéas 1er et 4;
  [1 11° ceux qui, sciemment, mettent en place un mécanisme particulier au sens de l'article 21, § 1er/1.]1
  § 2. Toute infraction à l'interdiction édictée par l'article 20 de la loi bancaire, est punie d'un emprisonnement de trois mois à deux ans et d'une amende de 1 000 euros à 10 000 euros.
  
Art. 150. De voorschriften van Boek I van het Strafwetboek, Hoofdstuk VII en artikel 85 niet uitgezonderd, zijn van toepassing op de misdrijven die door dit Hoofdstuk worden bestraft.
Art. 150. Les dispositions du Livre Ier du Code pénal, sans exception du chapitre VII et de l'article 85, sont applicables aux infractions punies par le présent Chapitre.
Art. 151. De betalingsinstellingen zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de geldboetes waartoe de leden van hun wettelijk bestuursorgaan, de personen belast met hun effectieve leiding of de lasthebbers met toepassing van de voorschriften van dit Hoofdstuk worden veroordeeld.
Art. 151. Les établissements de paiement sont civilement responsables des amendes auxquelles sont condamnés les membres de leur organe légal d'administration, personnes en charge de la direction effective ou mandataires en application des dispositions du présent Chapitre.
Art. 152. Ieder opsporingsonderzoek ten gevolge van de overtreding van deze wet of één van de in artikel 20 van de bankwet bedoelde wetgevingen, tegen leden van het wettelijk bestuursorgaan, personen belast met de effectieve leiding, lasthebbers of erkend commissarissen van betalingsinstellingen en ieder opsporingsonderzoek ten gevolge van een overtreding van deze wet tegen iedere andere natuurlijke of rechtspersoon, moet ter kennis worden gebracht van de Bank en van de Federale Overheidsdienst Economie, ieder voor wat zijn bevoegdheden betreft, door de gerechtelijke of bestuursrechtelijke autoriteit waar dit aanhangig is gemaakt.
  Iedere strafrechtelijke vordering op grond van in het eerste lid bedoelde misdrijven moet ter kennis worden gebracht van de Bank en van de Federale Overheidsdienst Economie, ieder voor wat zijn bevoegdheden betreft, door het openbaar ministerie.
Art. 152. Toute information du chef d'infraction à la présente loi ou à l'une des législations visées à l'article 20 de la loi bancaire à l'encontre de membres de l'organe légal d'administration, de personnes en charge de la direction effective, de mandataires ou de commissaires agréés d'établissements de paiement et toute information du chef d'infraction à la présente loi à l'encontre de toute autre personne physique ou morale doit être portée à la connaissance de la Banque et du Service Public Fédéral Economie, chacune dans son domaine de compétence, par l'autorité judiciaire ou administrative qui en est saisie.
  Toute action pénale du chef des infractions visées au premier alinéa doit être portée à la connaissance de la Banque et du Service Public Fédéral Economie, chacune dans son domaine de compétence, à la diligence du ministère public.
Art. 153. De Bank en de Federale Overheidsdienst Economie zijn gerechtigd in elke stand van het geding tussen te komen voor de strafrechter bij wie een door deze wet bestraft misdrijf aanhangig is, zonder dat zij daarom het bestaan van enig nadeel hoeven aan te tonen. De tussenkomst geschiedt volgens de regels die gelden voor de burgerlijke partij.
Art. 153. La Banque et le Service Public Fédéral Economie sont habilités à intervenir en tout état de cause devant la juridiction répressive saisie d'une infraction punie par la présente loi, sans qu'elles aient à justifier d'un dommage. L'intervention suit les règles applicables à la partie civile.
BOEK III. - TOEGANG TOT DE BETALINGSSYSTEMEN IN BELGIE EN INTEROPERABILITEIT
LIVRE III. - ACCES AUX SYSTEMES DE PAIEMENT EN BELGIQUE ET INTEROPERABILITE
TITEL I. - Toegang tot de betalingssystemen in België
TITRE Ier. - Accès aux systemes de paiement en Belgique
Art. 154. § 1. Onverminderd paragraaf 2 hebben de in artikel 5 bedoelde betalingsdienstaanbieders en de betalingsdienstaanbieders uit andere lidstaten, die rechtspersonen zijn, in België toegang tot de betalingssystemen mits zij voldoen aan de toetredingsvoorwaarden die door deze systemen zijn bepaald.
  Deze toegang tot de betalingssystemen is onderworpen aan objectieve, niet-discriminerende en proportionele regels, die in verhouding staan tot de noodzaak om risico's zoals het afwikkelings- en bedrijfsrisico en het operationeel risico te voorkomen, en om de financiële en operationele stabiliteit van het betalingssysteem te beschermen.
  Betalingssystemen mogen aan betalingsdienstaanbieders, betalingsdienstgebruikers of andere betalingssystemen geen van de volgende eisen opleggen :
  1° regels die de effectieve deelneming aan andere betalingssystemen belemmeren;
  2° regels die discrimineren tussen betalingsdienstaanbieders wat betreft de rechten, plichten en voordelen van de deelnemers aan het betalingssysteem; of
  3° beperkingen op grond van de vennootschapsvorm.
  § 2. Paragraaf 1 is niet van toepassing op :
  1°[1 ...]1
  2° betalingssystemen die uitsluitend zijn samengesteld uit betalingsdienstaanbieders die tot eenzelfde groep behoren.
  [1 ...]1
  [1 § 3. Wanneer een deelnemer aan een betalingssysteem dat is aangemerkt bij of krachtens de wet van 28 april 1999, toestaat dat vergunninghoudende of geregistreerde betalingsdienstaanbieders die geen deelnemers zijn aan dat systeem overboekingsopdrachten doorgeven via dat systeem, dient deze deelnemer op verzoek, met name op objectieve, proportionele en niet-discriminerende wijze, dezelfde toegangsmogelijkheid te bieden aan deze vergunninghoudende of geregistreerde betalingsdienstaanbieders als die welke is vastgelegd met toepassing van paragraaf 1. Bij een eventuele afwijzing bezorgt de deelnemer een volledige motivering aan de betalingsdienstaanbieder.]1
  
Art. 154. § 1er. Sans préjudice du paragraphe 2, les prestataires de services de paiement visés à l'article 5 ainsi que les prestataires de services de paiement d'un autre Etat membre, qui sont des personnes morales, ont accès en Belgique aux systèmes de paiement à condition de satisfaire aux conditions d'adhésion fixées par ces systèmes.
  Cet accès aux systèmes de paiement est soumis à des règles objectives, non discriminatoires et proportionnées compte tenu toutefois de la nécessité de prévenir certains risques, tels que le risque de règlement, le risque opérationnel et le risque d'entreprise, et de protéger la stabilité financière et opérationnelle du système de paiement.
  Les systèmes de paiement ne peuvent imposer aux prestataires de services de paiement, aux utilisateurs de services de paiement ou aux autres systèmes de paiement aucune des exigences suivantes :
  1° des règles restrictives en ce qui concerne la participation effective à d'autres systèmes de paiement;
  2° des règles établissant des discriminations entre les prestataires de services de paiement en ce qui concerne les droits, obligations et avantages des participants au système de paiement; ou
  3° des restrictions fondées sur la forme sociétaire.
  § 2. Le paragraphe 1er ne s'applique pas aux :
  1°[1 ...]1
  2° systèmes de paiement exclusivement composés de prestataires de services de paiement appartenant à un même groupe;
  [1 ...]1
  [1 § 3. Lorsqu'un participant à un système de paiement désigné par ou en vertu de la loi du 28 avril 1999, permet à des prestataires de services de paiement agréés ou enregistrés qui ne sont pas participants au système de transmettre des ordres de transfert via ledit système, ce participant offre, sur demande, la même possibilité d'accès à ces prestataires de services de paiement agréés ou enregistrés que celle établie en application du paragraphe 1er, notamment s'agissant de l'objectivité, de la proportionnalité et de la non-discrimination. Le participant communique au prestataire de services de paiement demandeur les raisons de tout refus.]1
  
TITEL I/1. [1 Voorwaarden voor deelname aan aangemerkte betalingssystemen ]1
TITRE I/1. [1 Conditions applicables à la participation à des systèmes de paiement désignés ]1
Art. 154/1.Om de stabiliteit en integriteit van betalingssystemen veilig te stellen, beschikken betalingsinstellingen en instellingen voor elektronisch geld die verzoeken om deelname aan en deelnemen aan een betalingssysteem dat is aangemerkt bij of krachtens de wet van 28 april 1999 of uit hoofde van de wetgeving van een andere lidstaat tot omzetting van Richtlijn 98/26/EG, over het volgende:
154/1. [1 Afin de préserver la stabilité et l'intégrité des systèmes de paiement, les établissements de paiement et les établissements de monnaie électronique qui demandent à participer et qui participent à un système de paiement désigné par ou en vertu de la loi du 28 avril 1999 ou de la législation d'un autre Etat membre prise en vue de la transposition de la directive 98/26/CE, disposent des éléments suivants :
Art. 154/2. [1 . § 1. Indien de betalingsinstelling of instelling voor elektronisch geld geldmiddelen van betalingsdienstgebruikers veiligstelt door overeenkomstig artikel 42, § 1, eerste lid, 2°, of artikel 194, § 1, eerste lid, 2°, geldmiddelen op een afzonderlijke rekening te storten bij een kredietinstelling of bijkantoor in België van een kredietinstelling of door te beleggen in een erkend geldmarktfonds of in veilige, liquide activa met een lage risicograad, geldt voor de toepassing van artikel 154/1, 1°, dat de beschrijving van de genomen maatregelen voor een dergelijke bescherming, naar gelang het geval, het volgende omvat:
   1° een beschrijving van het beleggingsbeleid om ervoor te zorgen dat de gekozen activa veilig en liquide zijn en een lage risicograad hebben;
   2° het aantal personen dat toegang heeft tot de beschermingsrekening en hun functies;
   3° een beschrijving van het administratie- en afstemmingsproces dat waarborgt dat geldmiddelen van betalingsdienstgebruikers in het belang van die gebruikers gevrijwaard zijn tegen vorderingen van andere schuldeisers van de betalingsinstelling of instelling voor elektronisch geld, in het bijzonder in het geval van insolventie;
   4° een kopie van het ontwerpcontract met de kredietinstelling of het bijkantoor;
   5° een expliciete verklaring van de betalingsinstelling of instelling voor elektronisch geld dat is voldaan aan artikel 42 of artikel 194.
   § 2. Indien de betalingsinstelling of instelling voor elektronisch geld de geldmiddelen van de betalingsdienstgebruiker krachtens artikel 42, § 1, eerste lid, 3°, of artikel 194, § 1, eerste lid, 3°, veiligstelt door middel van een verzekeringspolis, garantie of waarborg van een verzekeringsonderneming of kredietinstelling, geldt voor de toepassing van artikel 154/1, 1°, dat de beschrijving van de genomen maatregelen voor een dergelijke bescherming het volgende omvat:
   1° een bevestiging dat de verzekeringspolis, garantie of waarborg van een entiteit afkomstig is die niet tot dezelfde groep van ondernemingen behoort als de betalingsinstelling of instelling voor elektronisch geld;
   2° nadere gegevens over het ingestelde afstemmingsproces dat waarborgt dat de verzekeringspolis, garantie of waarborg toereikend is om te allen tijde aan de beschermingsverplichtingen van de betalingsinstelling of instelling voor elektronisch geld te voldoen;
   3° de duur en de voorwaarden voor de verlenging van de dekking;
   4° een kopie van de verzekeringsovereenkomst, garantie of waarborg, of ontwerpen daarvan. ]1

  
Art.154/2. [1 § 1er. Lorsque l'établissement de paiement ou l'établissement de monnaie électronique protège les fonds des utilisateurs de services de paiement en vertu de l'article 42, § 1er, alinéa 1er, 2°, ou de l'article 194, § 1er, alinéa 1er, 2°, en déposant les fonds sur un compte distinct auprès d'un établissement de crédit ou d'une succursale en Belgique d'un établissement de crédit, ou au moyen d'un investissement auprès de fonds du marché monétaire qualifié ou dans des actifs à faible risque, liquides et sûrs, la description aux fins de l'article 154/1, 1°, des mesures prises pour assurer cette protection contient, selon le cas :
   1° une description de la politique d'investissement visant à garantir que les actifs choisis sont liquides, sûrs et à faible risque ;
   2° le nombre de personnes ayant accès au compte de protection et leurs fonctions ;
   3° une description du processus d'administration et de rapprochement visant à garantir que, dans l'intérêt des utilisateurs de services de paiement, les fonds de ces utilisateurs sont soustraits aux recours d'autres créanciers de l'établissement de paiement ou de l'établissement de monnaie électronique, notamment en cas d'insolvabilité ;
   4° une copie du projet de contrat avec l'établissement de crédit ou la succursale ;
   5° une déclaration explicite de conformité avec l'article 42 ou l'article 194 de la part de l'établissement de paiement ou de l'établissement de monnaie électronique.
   § 2. Lorsque l'établissement de paiement ou l'établissement de monnaie électronique protège les fonds de l'utilisateur de services de paiement en vertu de l'article 42, § 1er, alinéa 1er, 3°, ou de l'article 194, § 1er, alinéa 1er, 3°, au moyen d'une police d'assurance, une garantie ou une caution d'une entreprise d'assurance ou d'un établissement de crédit, la description aux fins de l'article 154/1, 1°, des mesures prises pour assurer cette protection contient les éléments suivants :
   1° une confirmation que la police d'assurance, la garantie ou la caution provient d'une entité n'appartenant pas au même groupe d'entreprises que l'établissement de paiement ou l'établissement de monnaie électronique ;
   2° les détails du processus de rapprochement mis en place pour garantir que la police d'assurance, la garantie ou la caution est suffisante pour permettre à l'établissement de paiement ou à l'établissement de monnaie électronique de respecter ses obligations de protection à tout moment ;
   3° la durée et les conditions de renouvellement de la couverture ;
   4° une copie du contrat d'assurance, de la garantie ou de la caution, ou des projets de ces documents. ]1

  
Art. 154/3. [1 Voor de toepassing van artikel 154/1, 2°, blijkt uit de beschrijving dat de governanceregelingen, mechanismen voor interne controle en regelingen voor het gebruik van ICT evenredig, passend, degelijk en adequaat zijn. Daarnaast omvatten de governanceregelingen en mechanismen voor interne controle:
   1° een overzicht van de door de betalingsinstelling of instelling voor elektronisch geld vastgestelde risico's, met inbegrip van het soort risico's en de procedures die de betalingsinstelling of instelling voor elektronisch geld heeft ingesteld of zal instellen om deze risico's te analyseren en te voorkomen;
   2° de verschillende procedures voor de uitvoering van periodieke en permanente controles, met inbegrip van de frequentie ervan en de personele middelen die eraan worden besteed;
   3° de boekhoudkundige procedures aan de hand waarvan de betalingsinstelling of instelling voor elektronisch geld haar financiële informatie registreert en rapporteert;
   4° de identiteit van de persoon of personen die verantwoordelijk is of zijn voor de taken op het gebied van interne controle, waaronder de periodieke, permanente en nalevingscontroles, alsook een recent curriculum vitae van die persoon of die personen;
   5° de identiteit van alle auditors die geen erkende revisoren zijn overeenkomstig artikel 110/1 of overeenkomstig artikel 222 van de bankwet;
   6° de samenstelling van het wettelijk bestuursorgaan en, in voorkomend geval, elk ander toezichthoudend orgaan of comité;
   7° een beschrijving van de wijze waarop uitbestede taken worden gemonitord en gecontroleerd om te voorkomen dat afbreuk wordt gedaan aan de kwaliteit van de interne controles van de betalingsinstelling of instelling voor elektronisch geld;
   8° een beschrijving van de wijze waarop eventuele agenten en bijkantoren worden gemonitord en gecontroleerd binnen het kader van de interne controles van de betalingsinstelling of instelling voor elektronisch geld;
   9° indien de betalingsinstelling of instelling voor elektronisch geld een dochteronderneming is van een gereglementeerde onderneming in een andere lidstaat, een beschrijving van de groepsgovernance. ]1

  
Art.154/3. [1 Aux fins de l'article 154/1, 2°, la description démontre que les dispositifs de gouvernance, les mécanismes de contrôle interne et les dispositions prises en ce qui concerne l'utilisation des technologies de l'information et de la communication sont proportionnés, appropriés, solides et suffisants. En outre, les dispositifs de gouvernance et les mécanismes de contrôle interne comprennent :
   1° une cartographie des risques identifiés par l'établissement de paiement ou l'établissement de monnaie électronique, incluant le type de risques et les procédures que l'établissement de paiement ou l'établissement de monnaie électronique a mises en place ou mettra en place pour évaluer et prévenir de tels risques ;
   2° les différentes procédures visant à effectuer des contrôles périodiques et permanents, y compris la fréquence et les ressources humaines allouées ;
   3° les procédures comptables au moyen desquelles l'établissement de paiement ou l'établissement de monnaie électronique enregistre et notifie ses informations financières ;
   4° l'identité de la ou des personnes responsables des fonctions de contrôle interne, y compris du contrôle périodique et permanent et du contrôle de conformité, ainsi qu'un curriculum vitae à jour de cette ou de ces personnes ;
   5° l'identité de tout contrôleur des comptes qui n'est pas un réviseur agréé conformément à l'article 110/1 ou conformément à l'article 222 de la loi bancaire ;
   6° la composition de l'organe légale d'administration et, le cas échéant, de tout autre organe ou comité de surveillance ;
   7° une description de la manière dont les fonctions externalisées sont suivies et contrôlées afin d'éviter une altération de la qualité des contrôles internes de l'établissement de paiement ou de l'établissement de monnaie électronique ;
   8° une description de la manière dont les éventuels agents et succursales sont suivis et contrôlés dans le cadre des contrôles internes de l'établissement de paiement ou de l'établissement de monnaie électronique ;
   9° lorsque l'établissement de paiement ou l'établissement de monnaie électronique est la filiale d'une entreprise réglementée dans un autre Etat membre, une description de la gouvernance du groupe. ]1

  
Art. 154/4. [1 Voor de toepassing van artikel 154/1, 3°, wordt het afwikkelingsplan afgestemd op de voorgenomen omvang en het voorgenomen bedrijfsmodel van de betalingsinstelling of instelling voor elektronisch geld en bevat dit plan een beschrijving van de door de instelling in geval van beëindiging van haar betalingsdiensten te nemen maatregelen op het gebied van risicobeperking die de uitvoering van nog niet volledig uitgevoerde betalingstransacties en de beëindiging van bestaande contracten waarborgen.]1
  
Art.154/4. [1 Aux fins de l'article 154/1, 3°, le plan de liquidation est adapté à la taille et au modèle économique envisagés de l'établissement de paiement ou de l'établissement de monnaie électronique et comprend une description des mesures d'atténuation à adopter par l'établissement en cas de résiliation de ses services de paiement, qui garantiraient l'exécution des opérations de paiement en attente et la résiliation des contrats existants. ]1
  
Art. 154/5. [1 De Bank kan bij reglement als vastgesteld met toepassing van artikel 8, § 2, van de wet van 22 februari 1998, preciseren en aanvullen wat dient verstaan te worden onder het bepaalde in de artikelen 154/1 tot en met 154/4. ]1
  
Art.154/5. [1 La Banque peut, par voie de règlement pris en application de l'article 8, § 2, de la loi du 22 février 1998, préciser et compléter ce qu'il y a lieu d'entendre par les dispositions des articles 154/1 à 154/4. ]1
  
Art. 154/6. [1 . § 1. Betalingsinstellingen en instellingen voor elektronisch geld dienen de in artikel 154/1 bedoelde informatie in bij de Bank, samen met een administratief dossier dat voldoet aan de door de Bank gestelde voorwaarden.
   Op verzoek van de Bank verstrekt de aanvrager alle aanvullende inlichtingen die nodig zijn om de aanvraag te kunnen beoordelen.
   § 2. De Bank spreekt zich uit over de aanvraag binnen drie maanden na indiening van een volledig dossier en uiterlijk binnen twaalf maanden na indiening van de aanvraag.
   De Bank verleent toestemming aan de instellingen die voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 154/1.
   De beslissingen inzake toestemming worden per aangetekende zending of met een brief met ontvangstbewijs ter kennis gebracht van de aanvragers.
   § 3. De Bank houdt een lijst bij van de betalingsinstellingen en instellingen voor elektronisch geld die toestemming hebben gekregen om deel te nemen aan een betalingssysteem dat is aangemerkt bij of krachtens de wet van 28 april 1999 of uit hoofde van de wetgeving van een andere lidstaat tot omzetting van Richtlijn 98/26/EG. De Bank maakt de lijst bekend op haar website en werkt de erin opgenomen gegevens regelmatig bij. ]1

  
Art.154/6. [1 § 1er. Les établissements de paiement et les établissements de monnaie électronique soumettent à la Banque les informations visées à l'article 154/1, accompagnées d'un dossier administratif répondant aux conditions fixées par la Banque.
   A la demande de la Banque, le demandeur fournit tous renseignements complémentaires nécessaires à l'appréciation de la demande.
   § 2. La Banque se prononce sur la demande dans les trois mois de l'introduction d'un dossier complet et au plus tard dans les douze mois de l'introduction de la demande.
   La Banque donne l'autorisation aux établissements qui répondent aux conditions visées à l'article 154/1.
   Les décisions en matière d'autorisation sont notifiées aux demandeurs par envoi recommandé ou avec accusé de réception.
   § 3. La Banque tient une liste des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique autorisés à participer à un système de paiement désigné par ou en vertu de la loi du 28 avril 1999 ou de la législation d'un autre Etat membre prise en vue de la transposition de la directive 98/26/CE. La Banque publie la liste sur son site internet et actualise régulièrement les informations qu'elle contient. ]1

  
TITEL II. - Interoperabiliteit
TITRE II. - Interopérabilité
Art. 155. Wanneer betalingsdienstaanbieders overschrijvingen en domiciliëringen uitvoeren, moeten ze de nodige maatregelen treffen om de betalingsschema's te gebruiken die voldoen aan de voorwaarden van artikel 4, lid 1 van Verordening (EU) nr. 260/2012.
Art. 155. Lorsqu'ils effectuent des virements et des domiciliations, les prestataires de services de paiement doivent prendre les mesures nécessaires pour utiliser les schémas de paiement répondant aux conditions prévues par l'article 4, paragraphe 1 du Règlement (UE) n° 260/2012.
Art. 156. De exploitant van een retailbetalingssysteem dat onder het Belgische recht ressorteert of, indien er geen exploitant is, de deelnemers aan dit systeem, zien erop toe dat hun systeem interoperabel is met andere retailbetalingssystemen binnen de Unie, overeenkomstig de bepalingen van artikel 4, leden 2 en 3, van Verordening (EU) nr. 260/2012.
Art. 156. L'opérateur d'un système de paiement de détail qui relève du droit belge ou, en l'absence d'opérateur, les participants audit système, veillent à ce que leur système soit interopérable avec d'autres systèmes de paiement de détail au sein de l'Union, conformément aux dispositions prévues à l'article 4, paragraphes 2 et 3 du Règlement (UE) n° 260/2012.
TITEL III. - Scheiding tussen betaalkaartschema's en verwerkingsentiteiten
TITRE III. - Séparation des schémas de carte de paiement et des entités de traitement
Art. 157. Uitbaters van betaalkaartschema's die onder het Belgische recht ressorteren en hun verwerkingsentiteiten werken overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EU) nr. 2015/751.
Art. 157. Les exploitants de schémas de carte de paiement qui relèvent du droit belge et leurs entités de traitement opèrent conformément à l'article 7 du Règlement (UE) n° 2015/751.
TITEL IV. - Toezicht
TITRE IV. - Surveillance
Art. 158. De Bank ziet erop toe dat alle exploitanten van een betalingssysteem of, indien er geen exploitant is, alle deelnemers aan dit systeem alsook alle betalingsdienstaanbieders, alle uitbaters van betaalkaartschema's en alle verwerkingsentiteiten te allen tijde werken in overeenstemming met de voor hen geldende bepalingen van dit Boek, met de uitvoeringsbesluiten en -reglementen van deze bepalingen en met de rechtstreeks toepasbare Europese verordeningen.
  Het toezicht van de Bank staat in verhouding tot en is afgestemd op de aard, de omvang en de complexiteit van zowel de werkzaamheden die worden uitgeoefend door de in het eerste lid bedoelde entiteiten als de daaraan verbonden risico's.
  De in dit artikel bedoelde opdracht van de Bank sluit aan bij de opdracht bedoeld in artikel 8 van de wet van 22 februari 1998.
Art. 158. La Banque veille à ce que chaque opérateur d'un système de paiement ou, en l'absence d'opérateur, les participants audit système, chaque prestataire de services de paiement, chaque exploitant d'un schéma de carte de paiement et chaque entité de traitement opère en permanence conformément aux dispositions du présent Livre qui leur sont applicables, des arrêtés et règlements pris en exécution de celles-ci ainsi que des règlements européens directement applicables.
  La surveillance exercée par la Banque est proportionnée et adéquate au regard de la nature, du volume et de la complexité des activités exercées par les entités visées à l'alinéa 1er, ainsi que des risques y afférents.
  La mission de la Banque visée au présent article s'inscrit dans la mission visée à l'article 8 de la loi du 22 février 1998.
Art. 159. Met het oog op haar toezichtsopdracht en onverminderd artikel XV 18/4 van het Wetboek van Economisch Recht kan de Bank zich door de in artikel 158, eerste lid, bedoelde entiteiten alle inlichtingen doen verstrekken over hun organisatie, werking, financiële positie en verrichtingen.
  Hiertoe kan de Bank zich ook inlichtingen doen verstrekken door personeelsleden van deze entiteiten en door andere entiteiten waaraan taken zijn uitbesteed.
Art. 159. Aux fins de sa mission de surveillance, et sans préjudice de l'article XV 18/4 du Code de droit économique, la Banque peut se faire communiquer par les entités visées à l'article 158, alinéa 1er toutes informations relatives à leur organisation, à leur fonctionnement, à leur situation financière et à leurs opérations.
  A cette fin, la Banque peut également se faire communiquer des informations par leurs agents et par d'autres entités auprès desquelles des tâches sont externalisées.
Art. 160. Met het oog op haar toezichtsopdracht kan de Bank bij de in artikel 159 bedoelde entiteiten ook inspecties ter plaatse verrichten en ter plaatse kennis nemen en een kopie maken van alle gegevens waarover de entiteit beschikt, om na te gaan of de bepalingen van dit Boek zijn nageleefd en of de gegevens die haar met toepassing van artikel 159 zijn verstrekt, juist en waarheidsgetrouw zijn.
  De in het eerste lid bedoelde prerogatieven omvatten ook de toegang tot de agenda's en de notulen van de vergaderingen van de verschillende organen van de in artikel 159 bedoelde entiteiten en van hun interne comités, evenals tot de bijbehorende documenten en tot de resultaten van de interne en/of externe beoordeling van de werking van de genoemde organen.
  In het kader van deze inspecties zijn de personeelsleden van de Bank gemachtigd om van de leiders en de werknemers van de in artikel 159 bedoelde entiteiten alle inlichtingen en uitleg te verkrijgen die zij nodig achten voor de uitvoering van hun opdrachten, en kunnen zij te dien einde eisen dat er gesprekken plaatsvinden met leiders of personeelsleden van de entiteit die zij aanduiden.
Art. 160. Aux fins de sa mission de surveillance, la Banque peut également procéder auprès des entités visées à l'article 159 à des inspections sur place et prendre connaissance et copie, sur place, de toute information détenue par l'entité en vue de vérifier le respect des dispositions du présent Livre ainsi que l'exactitude et la sincérité des informations qui lui sont fournies en application de l'article 159.
  Les prérogatives visées à l'alinéa 1er couvrent également l'accès aux ordres du jour et aux procès-verbaux des réunions des différents organes des entités visées à l'article 159 et de leurs comités internes, ainsi qu'aux documents y afférents et aux résultats de l'évaluation interne et/ou externe du fonctionnement desdits organes.
  Dans le cadre de ces inspections, les agents de la Banque sont habilités à recevoir des dirigeants et des employés des entités visées à l'article 159 toutes informations et explications qu'ils estiment nécessaires pour l'exercice de leurs missions et peuvent, à cette fin, requérir la tenue d'entretiens avec des dirigeants ou membres du personnel de l'entité qu'ils désignent.
TITEL V. - Dwangsommen en sancties
TITRE V. - Astreintes et sanctions
Art. 161. § 1. Onverminderd de andere maatregelen die zijn vastgelegd in deze wet of in andere wetten, besluiten of reglementen, kunnen de volgende maatregelen en sancties worden genomen ten aanzien van de in artikel 158, eerste lid, bedoelde entiteiten die de voor hen geldende bepalingen van dit Boek, de uitvoeringbesluiten en -reglementen van deze bepalingen of de rechtstreeks toepasbare Europese verordeningen overtreden :
  1° de Bank kan een termijn bepalen waarbinnen de betrokken entiteit zich dient te conformeren aan de voor haar geldende bepalingen en de nodige aanpassingen dient aan te brengen;
  2° als de betrokken entiteit zich bij het verstrijken van de termijn niet geconformeerd heeft aan de voor haar geldende bepalingen, kan de Bank, na de entiteit te hebben gehoord of haar ten minste te hebben opgeroepen, haar een dwangsom opleggen van maximum 2 500 000 euro per overtreding en maximum 50 000 euro per dag vertraging;
  3° de Bank kan openbaar maken dat de betrokken entiteit geen gevolg heeft gegeven aan haar aanmaningen om zich binnen de door haar vastgestelde termijn te conformeren aan de voor haar geldende bepalingen;
  4° indien de Bank een inbreuk vaststelt op de bepalingen van dit Boek of op de uitvoeringsmaatregelen ervan, kan ze aan de betrokken entiteit een administratieve geldboete opleggen die niet minder mag bedragen dan 10 000 euro, noch meer dan 10 % van de jaarlijkse netto-omzet van het voorbije boekjaar voor hetzelfde feit of hetzelfde geheel van feiten.
  § 2. Indien artikel 156 wordt overtreden en er geen exploitant is, kunnen de in paragraaf 1 bedoelde maatregelen en sancties worden genomen ten aanzien van de deelnemers aan het retailbetalingssysteem dat onder het Belgische recht ressorteert.
  [1 § 3. Onverminderd het bepaalde in paragraaf 1, kan de Bank, na de entiteit te hebben gehoord of haar ten minste te hebben opgeroepen, een krachtens artikel 154/6, § 2, verleende toestemming intrekken wanneer zij vaststelt dat een betalingsinstelling of instelling voor elektronisch geld zich binnen de met toepassing van paragraaf 1, 1°, vastgestelde termijn niet geconformeerd heeft aan de voorwaarden bedoeld in artikel 154/1.
   De Bank brengt haar beslissing per aangetekende zending of met een brief met ontvangstbewijs ter kennis van de betrokken instelling en verwijdert deze instelling van de lijst bedoeld in artikel 154/6, § 3.]1

  
Art. 161. § 1er. Sans préjudice des autres mesures prévues dans la présente loi ou dans d'autres lois, arrêtés ou règlements, les mesures et sanctions suivantes peuvent être prises à l'égard des entités visées à l'article 158, alinéa 1er, qui contreviennent aux dispositions du présent Livre qui leur sont applicables, aux arrêtés et règlements pris en exécution de celles-ci ainsi qu'aux règlements européens directement applicables :
  1° la Banque peut fixer un délai dans lequel l'entité concernée doit se conformer aux dispositions qui lui sont applicables et apporter les adaptations qui s'imposent;
  2° si l'entité concernée reste en défaut de se conformer aux dispositions qui lui sont applicables à l'expiration du délai, la Banque peut, l'entité entendue ou à tout le moins convoquée, lui infliger une astreinte à raison d'un montant maximum de 2 500 000 euros par infraction et de maximum 50 000 euros par jour de retard;
  3° la Banque peut publier que l'entité concernée ne s'est pas conformée aux injonctions qui lui ont été faites de respecter dans le délai qu'elle détermine, les dispositions qui lui sont applicables;
  4° la Banque peut, lorsqu'elle constate une infraction aux dispositions du présent Livre ou aux mesures prises en exécution de ces dispositions, infliger à l'entité concernée une amende administrative qui ne peut être inférieure à 10 000 euros ni supérieure, à 10 % du chiffre d'affaires annuel net de l'exercice précédent, pour le même fait ou pour le même ensemble de faits.
  § 2. En cas d'infraction à l'article 156 et en l'absence d'opérateur, les mesures et sanctions prévues au paragraphe 1er peuvent être prises à l'égard des participants au système de paiement de détail qui relève du droit belge.
  [1 § 3. Sans préjudice du paragraphe 1er, la Banque peut, l'entité entendue ou à tout le moins convoquée, révoquer une autorisation donnée en vertu de l'article 154/6, § 2, lorsqu'elle constate que, à l'issue du délai fixé en application du paragraphe 1er, 1°, un établissement de paiement ou un établissement de monnaie électronique ne s'est pas conformé aux conditions de l'article 154/1.
   La Banque notifie sa décision à l'établissement concerné par envoi recommandé ou avec accusé de réception et radie cet établissement de la liste visée à l'article 154/6, § 3.]1

  
Art. 162. De met toepassing van artikel 161 opgelegde dwangsommen en geldboetes worden ingevorderd ten bate van de Schatkist door de diensten van de Administratie binnen de Federale Overheidsdienst Financiën die bevoegd zijn inzake niet-fiscale vorderingen.
Art. 162. Les astreintes et amendes imposées en application de l'article 161 sont recouvrées au profit du Trésor par les Services de l'Administration au sein du Service Public Fédéral Finances compétents en matière de recouvrements non fiscaux.
BOEK IV. - TOEGANG TOT DE ACTIVITEIT VAN UITGIFTE VAN ELEKTRONISCH GELD EN STATUUT VAN DE INSTELLINGEN VOOR ELEKTRONISCH GELD
LIVRE IV. - ACCES A L'ACTIVITE D'EMISSION DE MONNAIE ELECTRONIQUE ET STATUT DES ETABLISSEMENTS DE MONNAIE ELECTRONIQUE
TITEL I. - Uitgevers van elektronisch geld
TITRE Ier. - Emetteurs de monnaie électronique
Art. 163. Onverminderd de bepalingen betreffende hun statuut, mogen alleen de hiernavolgende instellingen, overheden en entiteiten elektronisch geld uitgeven in België :
  1° [1 kredietinstellingen naar Belgisch recht in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1°, van de bankwet]1, kredietinstellingen die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren, die in hun land van herkomst elektronisch geld mogen uitgeven en die in België werkzaam zijn op grond van de artikelen 312 en 313 van de bankwet, en bijkantoren van kredietinstellingen die onder het recht van een derde land ressorteren, die in België zijn gevestigd overeenkomstig artikel 333 van de bankwet en die op grond van het recht van dat derde land gemachtigd zijn om elektronisch geld uit te geven;
  2° instellingen voor elektronisch geld naar Belgisch recht, met inbegrip van beperkte instellingen voor elektronisch geld die geregistreerd zijn overeenkomstig artikel 200, instellingen voor elektronisch geld die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren en die in België werkzaam zijn op grond van de artikelen 218 tot 221, en bijkantoren van instellingen voor elektronisch geld die onder het recht van een derde land ressorteren, die in België zijn gevestigd met toepassing van Boek IV, Titel III, Hoofdstuk II;
  3° de naamloze vennootschap van publiek recht bpost;
  4° de Bank en de Europese Centrale Bank, wanneer zij niet handelen in hun hoedanigheid van monetaire of andere publieke autoriteit;
  5° de Belgische federale, gewestelijke en lokale overheden en de overheden van de gemeenschappen in België, wanneer zij handelen in hun hoedanigheid van publieke autoriteit.
  
Art. 163. Sans préjudice des dispositions régissant le statut des établissements, autorités et entités énumérés ci-après, seuls peuvent exercer l'activité d'émission de monnaie électronique en Belgique :
  1° les [1 établissements de crédit de droit belge au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1° de la loi bancaire]1, les établissements de crédit relevant du droit d'un autre Etat membre, autorisés à émettre de la monnaie électronique dans leur Etat d'origine et opérant en Belgique en vertu des articles 312 et 313 de la loi bancaire, ainsi que les succursales d'établissements de crédit relevant du droit d'un pays tiers, établies en Belgique conformément à l'article 333 de la loi bancaire et qui sont habilités à émettre de la monnaie électronique en vertu du droit de ce pays tiers;
  2° les établissements de monnaie électronique de droit belge, en ce compris les établissement de monnaie électronique limités enregistrés conformément à l'article 200, les établissements de monnaie électronique relevant du droit d'un autre Etat membre et opérant en Belgique en vertu des articles 218 à 221, ainsi que les succursales d'établissements de monnaie électronique relevant du droit d'un pays tiers, établies en Belgique en application du Livre IV, Titre III, Chapitre II;
  3° la société anonyme de droit public bpost;
  4° la Banque et la Banque centrale européenne, lorsqu'elles n'agissent pas en qualité d'autorité monétaire ou autre autorité publique;
  5° les autorités fédérales, régionales, communautaires et locales belges, lorsqu'elles agissent en qualité d'autorité publique.
  
Art. 164. [1 § 1.]1 In afwijking van artikel 163 mag een onderneming naar Belgisch recht elektronisch geld uitgeven indien dit elektronisch geld opgeslagen is op betaalinstrumenten die enkel kunnen worden gebruikt in het kader van een beperkt netwerk als bedoeld in artikel 6, § 1, tweede lid.
  Artikel 6, § 2, eerste tot vierde lid is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat :
  1° de verwijzing naar het statuut van betalingsinstelling in artikel 6, § 2, tweede lid, moet worden gelezen als een verwijzing naar het statuut van instelling voor elektronisch geld;
  2° de verwijzing naar de lijst bedoeld in artikel 6, § 2, vierde lid moet worden gelezen als een verwijzing naar de lijst bedoeld in artikel 166.
  [1 § 2. Paragraaf 1 is ook van toepassing op ondernemingen die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat en die in België elektronisch geld uitgeven dat enkel kan worden gebruikt in het kader van een beperkt netwerk.]1
  
Art. 164. [1 § 1.]1 Par exception à l'article 163, une entreprise de droit belge est autorisée à émettre de la monnaie électronique si cette dernière est stockée sur des instruments de paiement utilisables uniquement dans le cadre d'un réseau limité visé à l'article 6, § 1er, alinéa 2.
  L'article 6, § 2, alinéas 1er à 4 est applicable par analogie, étant entendu que :
  1° la référence faite à l'article 6, § 2, alinéa 2 au statut d'établissement de paiement doit être lue comme une référence au statut d'établissement de monnaie électronique;
  2° la référence faite à la liste visée à l'article 6, § 2, alinéa 4 doit être lue comme une référence à la liste visée à l'article 166.
  [1 § 2. Le paragraphe 1er s'applique également aux entreprises relevant du droit d'un autre Etat membre qui émettent de la monnaie électronique en Belgique uniquement utilisable dans le cadre d'un réseau limité.]1
  
Art. 165. § 1. In afwijking van artikel 163 mag een aanbieder van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten, mits hij de in paragraaf 2 bedoelde kennisgeving verricht, elektronisch geld uitgeven dat wordt gebruikt om betalingstransacties uit te voeren, voor zover de uitgifte van dat geld een dienst is die voor zijn abonnees wordt verricht en de voorwaarden van artikel 7, § 1 vervuld zijn.
  § 2. Artikel 7, § 2, § 3, eerste lid en § 4 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat :
  1° de verwijzing naar het statuut van betalingsinstelling in artikel 7, § 2, derde lid, moet worden gelezen als een verwijzing naar het statuut van instelling voor elektronisch geld;
  2° de verwijzing naar de lijst bedoeld in artikel 7, § 3 moet worden gelezen als een verwijzing naar de lijst bedoeld in artikel 166.
Art. 165. § 1er. Par exception à l'article 163, un fournisseur de réseaux ou de services de communications électroniques est autorisé, moyennant la notification visée au paragraphe 2, à émettre de la monnaie électronique utilisée pour exécuter des opérations de paiement pour autant que l'émission de cette monnaie soit un service offert à ses abonnés et que les conditions de l'article 7, § 1er soient remplies.
  § 2. L'article 7, § 2, § 3, alinéa 1er et § 4 est applicable par analogie, étant entendu que :
  1° la référence faite à l'article 7 § 2, alinéa 3 au statut d'établissement de paiement doit être lue comme une référence au statut d'établissement de monnaie électronique;
  2° la référence faite à la liste visée à l'article 7, § 3 doit être lue comme une référence à la liste visée à l'article 166.
Art. 166. § 1. De Bank houdt een lijst bij van de entiteiten die gemachtigd zijn om in België elektronisch geld uit te geven. In deze lijst wordt een onderscheid gemaakt tussen :
  1° instellingen voor elektronisch geld waaraan op grond van artikel 169 een vergunning is verleend;
  2° beperkte instellingen voor elektronisch geld die krachtens artikel 200 geregistreerd zijn;
  3° andere personen dan die bedoeld in de punten 1° en 2°, die op grond van artikel 164 gemachtigd zijn om elektronisch geld uit te geven;
  4° aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten die op grond van artikel 165 gemachtigd zijn om elektronisch geld uit te geven.
  De lijst verschaft ten minste de volgende gegevens :
  1° voor elke instelling voor elektronisch geld bedoeld in het eerste lid, punt 1°, in voorkomend geval, de betalingsdiensten die mogen worden verricht, het adres van de bijkantoren in België en in het buitenland en de identiteit van haar agenten in België en in het buitenland;
  2° voor elke instelling voor elektronisch geld bedoeld in het eerste lid, punt 2°, in voorkomend geval, de betalingsdiensten die mogen worden verricht, het adres van de bijkantoren in België en de identiteit van de agenten in België;
  3° voor elke instelling bedoeld in het eerste lid, punt 3°, de voorwaarden van artikel 6, § 1, waaraan de aanbieder voldoet.
  4° voor elke instelling bedoeld in het eerste lid, punt 4°, de voorwaarden van artikel 7, § 1, tweede lid waaraan de aanbieder voldoet.
  § 2. De Bank stelt de Europese Bankautoriteit onverwijld in kennis van de in paragraaf 1 bedoelde gegevens en van de actualiseringen daarvan.
  § 3. De Bank maakt de lijst bekend op haar website en zorgt ervoor dat de erin opgenomen gegevens regelmatig worden bijgewerkt.
  Ter informatie maakt de Bank op haar website ook de gegevens bekend als bedoeld in de artikelen 123 en 126, waarnaar de artikelen 218 en 219 verwijzen.
Art. 166. § 1er. La Banque tient une liste des entités habilitées à émettre de la monnaie électronique en Belgique. Cette liste distingue :
  1° les établissements de monnaie électronique agréés en vertu de l'article 169;
  2° les établissements de monnaie électronique limités enregistrés en vertu de l'article 200;
  3° les personnes, autres que celles visées aux points 1° et 2°, qui sont autorisées à émettre de la monnaie électronique en vertu de l'article 164;
  4° les fournisseurs de réseaux ou de services de communication électronique qui sont autorisés à émettre de la monnaie électronique en vertu de l'article 165.
  La liste fournit au moins les informations suivantes :
  1° pour chaque établissement de monnaie électronique visé à l'alinéa 1er, point 1°, le cas échéant, les services de paiement dont la fourniture est autorisée, l'adresse de ses succursales en Belgique et à l'étranger et l'identité de ses agents en Belgique et à l'étranger;
  2° pour chaque établissement de monnaie électronique visé à l'alinéa 1er, point 2°, le cas échéant, les services de paiement dont la fourniture est autorisée, l'adresse des succursales en Belgique et l'identité des agents en Belgique;
  3° pour chaque établissement visé à l'alinéa 1er, point 3°, le type de réseau limité visé à l'article 6, § 1er, au sein duquel l'émission de monnaie électronique est autorisée.
  4° pour chaque établissement visé à l'alinéa 1er, point 4°, les conditions visées à l'article 7, § 1er, alinéa 2 auxquelles le prestataire satisfait.
  § 2. La Banque notifie sans tarder à l'Autorité bancaire européenne les informations visées au paragraphe 1er ainsi que leurs mises à jour.
  § 3. La Banque publie la liste sur son site internet et veille à actualiser régulièrement les informations qu'elle contient.
  La Banque publie également, à titre informatif, sur son site internet, les informations visées aux articles 123 et 126 auxquels renvoient les articles 218 et 219.
TITEL II. - Instellingen voor elektronisch geld naar Belgisch recht
TITRE II. - Les établissements de monnaie électronique de droit belge
HOOFDSTUK I. - Vergunninghoudende instellingen voor elektronisch geld
CHAPITRE Ier. - Les établissements de monnaie électronique agréés
Afdeling I. - Toegang tot het bedrijf
Section Ire. - L'accès à l'activité
Art. 167. Iedere rechtspersoon naar Belgisch recht die in België elektronisch geld wil uitgeven als instelling voor elektronisch geld, moet, vooraleer hij zijn werkzaamheden aanvat, een vergunning verkrijgen van de Bank, ongeacht de overige plaatsen waar hij zijn werkzaamheden uitoefent.
Art. 167. Toute personne morale de droit belge qui entend émettre de la monnaie électronique en Belgique en qualité d'établissement de monnaie électronique, est tenue, avant de commencer ses opérations, de se faire agréer auprès de la Banque, quels que soient les autres lieux d'exercice de ses activités.
Art. 168. § 1. Bij de vergunningsaanvraag die bij de Bank wordt ingediend, wordt een administratief dossier gevoegd dat voldoet aan de door de Bank gestelde voorwaarden en dat met name het volgende bevat :
  1° een programma van werkzaamheden waarin vermeld wordt welke activiteit van uitgifte van elektronisch geld de instelling voornemens is te verrichten, en, eventueel, [1 welke andere werkzaamheden als bedoeld in de artikelen 191, 192 en 192/1]1;
  2° een bedrijfsplan met inbegrip van een financieel plan voor de eerste drie boekjaren, dat aantoont dat de aanvrager beschikt over de voor zijn voorgenomen werkzaamheden passende middelen om voor de uitgifte van elektronisch geld een gezonde bedrijfsvoering te garanderen;
  3° het bewijs dat de aanvrager beschikt over het in artikel 173 bedoelde aanvangskapitaal;
  4° een omschrijving van de overeenkomstig artikel 194 genomen maatregelen voor de bescherming van geldmiddelen die in ruil voor uitgegeven elektronisch geld zijn ontvangen;
  5° een beschrijving van de beleidsstructuur en van de organisatieregeling van de aanvrager, waaruit blijkt dat voldaan is aan artikel 176;
  6° een beschrijving van de wijze waarop de activiteit van uitgifte van elektronisch geld zal worden uitgeoefend door de aanvrager, in voorkomend geval met inbegrip van een beschrijving van het gebruik dat zal worden gemaakt van uitbesteding, distributeurs, agenten en bijkantoren en van de planning van inspecties ter plaatse en aan de hand van documenten, als bedoeld in de artikelen 64 en 73, waarnaar de artikelen 186 en 190, § 2 verwijzen, en, in voorkomend geval, van de voorgenomen deelname van de aanvrager aan een nationaal of internationaal betalingssysteem;
  7° de identiteit van de aandeelhouders of vennoten als bedoeld in artikel 174, de omvang van hun deelneming in kapitaalfracties en stemrechten, alsmede alle gegevens waarmee kan worden aangetoond dat voldaan is aan de vereisten van artikel 174;
  8° de identiteit van de leiders bedoeld in artikel 175 en alle gegevens waarmee kan worden aangetoond dat voldaan is aan de vereisten van artikel 175;
  9° de identiteit van de commissaris(sen);
  10° de rechtsvorm en de statuten van de aanvrager;
  11° het adres van de zetel van de aanvrager.
  Bovendien moet de aanvrager op verzoek van de Bank alle aanvullende inlichtingen verstrekken die nodig zijn om zijn aanvraag te kunnen beoordelen.
  § 2. De Bank beslist over de vergunningsaanvraag na advies van de FSMA over de professionele betrouwbaarheid van de personen bedoeld in artikel 175, indien zij voor het eerst voor een dergelijke functie worden voorgedragen bij een onderneming die onder het toezicht staat van de Bank krachtens artikel 36/2 van de wet van 22 februari 1998, of van de Europese Centrale Bank krachtens de GTM-verordening.
  De FSMA deelt haar advies mee aan de Bank binnen een termijn van veertien dagen na het verzoek om advies dat haar door de Bank werd bezorgd, en uiterlijk binnen een maand na dit verzoek.
  Afwezigheid van advies binnen deze termijn van een maand geldt als positief advies. Vóór het verstrijken van de termijn van een maand kan de FSMA de Bank er evenwel van in kennis stellen dat zij haar advies uiterlijk binnen 15 dagen na het verstrijken van deze termijn zal verstrekken.
  § 3. Indien de Bank geen rekening houdt met het advies van de FSMA, wordt dat met de redenen voor de afwijking vermeld in haar beslissing over de vergunningsaanvraag.
  
Art. 168. § 1er. La demande d'agrément est soumise à la Banque, accompagnée d'un dossier administratif répondant aux conditions qu'elle fixe et comprenant notamment :
  1° un programme d'activités indiquant l'activité d'émission de monnaie électronique envisagée et [1 les éventuelles autres activités visées aux articles 191, 192 et 192/1]1;
  2° un plan d'affaires contenant notamment un plan financier afférent aux trois premiers exercices, démontrant que le demandeur dispose, pour garantir une gestion saine en matière d'émission de monnaie électronique, de ressources appropriées aux activités qu'il entend exercer;
  3° la preuve que le demandeur dispose du capital initial visé à l'article 173;
  4° une description des mesures prises conformément à l'article 194, pour protéger les fonds qui ont été reçus en échange de la monnaie électronique émise;
  5° une description de la structure de gestion et du dispositif organisationnel du demandeur justifiant du respect de l'article 176;
  6° une description des modalités d'exercice de l'activité d'émission de monnaie électronique du demandeur, y compris, le cas échéant, une description du projet de recours à de la sous-traitance, à des distributeurs, des agents et à des succursales ainsi que de la programmation d'inspections sur pièces et sur place visées aux articles 64 et 73 auxquels renvoient les articles 186 et 190, § 2, et, le cas échéant, du projet de participation du demandeur à un système de paiement national ou international;
  7° l'identité des détenteurs de capital visés à l'article 174, l'importance de leur participation en fractions du capital et en droits de vote ainsi que tout élément permettant de démontrer le respect des exigences de l'article 174;
  8° l'identité des dirigeants visés à l'article 175 et tout élément permettant de démontrer le respect des exigences prévues à l'article 175;
  9° l'identité du ou des commissaire(s);
  10° la forme juridique et les statuts du demandeur;
  11° l'adresse du siège social du demandeur.
  En outre, le demandeur doit, à la demande de la Banque, fournir tous renseignements complémentaires nécessaires à l'appréciation de sa demande.
  § 2. La Banque se prononce sur la demande d'agrément sur avis de la FSMA pour ce qui est de l'honorabilité professionnelle des personnes visées à l'article 175, si ces personnes sont proposées pour la première fois pour une telle fonction dans une entreprise relevant du contrôle de la Banque en vertu de l'article 36/2 de la loi du 22 février 1998 ou de la Banque centrale européenne en vertu du Règlement MSU.
  La FSMA communique son avis à la Banque dans un délai de quatorze jours à compter de la demande d'avis qui lui aura été transmise par la Banque et au plus tard, dans le mois de cette dernière.
  L'absence d'avis dans ce délai d'un mois est considérée comme un avis positif. Avant l'expiration du délai d'un mois, la FSMA peut cependant informer la Banque qu'elle communiquera son avis au plus tard dans les 15 jours qui suivent l'expiration dudit délai.
  § 3. Si la Banque ne tient pas compte de l'avis de la FSMA elle en fait état et en indique les raisons dans sa décision relative à la demande l'agrément.
  
Art. 169. De Bank spreekt zich uit over de vergunningsaanvraag binnen drie maanden na indiening van een volledig dossier en uiterlijk binnen twaalf maanden na indiening van de aanvraag.
  De Bank verleent een vergunning aan de instellingen voor elektronisch geld die voldoen aan de voorwaarden van Afdeling II.
  Indien de Bank oordeelt dat de voorwaarden van Afdeling II niet vervuld zijn, weigert zij de vergunning.
  De beslissingen inzake vergunning worden met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs ter kennis gebracht van de aanvragers.
  Gelet op de noodzaak om een gezonde en prudente bedrijfsvoering van de instelling te garanderen, kan de Bank in de vergunning voorwaarden stellen voor de uitoefening van bepaalde van de voorgenomen werkzaamheden.
Art. 169. La Banque se prononce sur la demande d'agrément dans les trois mois de l'introduction d'un dossier complet et au plus tard dans les douze mois de l'introduction de la demande.
  La Banque agrée les établissements de monnaie électronique qui répondent aux conditions de la Section II.
  Lorsqu'elle considère que les conditions prévues à la Section II ne sont pas remplies, la Banque refuse l'agrément.
  Les décisions en matière d'agrément sont notifiées aux demandeurs par lettre recommandée à la poste ou avec accusé de réception.
  La Banque peut, au regard du besoin de garantir une gestion saine et prudente de l'établissement, subordonner l'agrément à des conditions relatives à l'exercice de certaines des activités envisagées.
Art. 170. De instellingen waaraan krachtens dit Hoofdstuk een vergunning is verleend als instelling voor elektronisch geld, worden opgenomen in de lijst bedoeld in artikel 166, § 1, eerste lid, 1°.
Art. 170. Les établissements agréés au titre d'établissement de monnaie électronique en vertu du présent Chapitre, sont inscrits à la liste visée à l'article 166, § 1er, alinéa 1er, 1°.
Afdeling II. - Vergunningsvoorwaarden
Section II. - Conditions d'agrément
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen
Sous-section 1re. - Généralités
Art. 171. Behalve met de voorwaarden van deze Afdeling houdt de Bank ook rekening met het vermogen van de aanvragende instelling om te voldoen aan de in Afdeling III vastgestelde bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden en om haar ontwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken onder de voorwaarden die nodig zijn voor de goede werking van het financiële stelsel en voor de veiligheid van de houders van elektronisch geld.
Art. 171. Outre les conditions prévues par la présente Section, la Banque tient également compte de l'aptitude de l'établissement demandeur à satisfaire aux conditions d'exercice de l'activité prévues à la Section III ainsi qu'à réaliser ses objectifs de développement dans les conditions que requièrent le bon fonctionnement du système financier et la sécurité des détenteurs de monnaie électronique.
Onderafdeling 2. - Vennootschapsvorm
Sous-section 2. - Forme sociétaire
Art. 172. [1 Iedere instelling voor elektronisch geld naar Belgisch recht moet worden opgericht in een van de volgende vennootschapsvormen: coöperatieve vennootschap, naamloze vennootschap, Europese vennootschap of Europese coöperatieve vennootschap, met inachtneming van de specifieke vereisten die neergelegd zijn in deze wet of in de Europese regelgeving.]1
  
Art. 172. [1 Les établissements de monnaie électronique de droit belge doivent être constitués sous la forme d'une société parmi les formes sociétaires suivantes : la société coopérative, la société anonyme, la société européenne et la société coopérative européenne, moyennant le respect des exigences spécifiques prévues par la présente loi ou la réglementation européenne.]1
  
Onderafdeling 3. - Aanvangskapitaal
Sous-section 3. - Capital initial
Art. 173. Iedere instelling voor elektronisch geld moet op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend, over een volgestort kapitaal van minstens 350 000 euro beschikken.
  Voor bestaande vennootschappen die een vergunning aanvragen, worden de uitgiftepremies, de reserves en het overgedragen resultaat, met uitzondering van de herwaarderingsmeerwaarden, gelijkgesteld met kapitaal. Dit kapitaal moet echter minstens 140 000 euro bedragen en ten belope van dit bedrag zijn gestort.
  [2 In afwijking van artikel 6:4 en van de bepalingen van Boek 6, Titel 6 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen moet iedere instelling voor elektronisch geld die is opgericht als coöperatieve vennootschap over een kapitaal beschikken waarvan het vast gedeelte,dat vastgesteld is in de statuten, niet lager mag zijn dan het in het eerste lid bedoelde bedrag, en dat volgestort moet zijn ten belope van het dit bedrag. Artikel 7:6 van het genoemd wetboek is van overeenkomstige toepassing.]2
  
Art. 173. Tout établissement de monnaie électronique doit, au moment de l'agrément, disposer d'un capital entièrement libéré de 350 000 euros au moins.
  En cas de préexistence de la société demanderesse, les primes d'émission, les réserves et le résultat reporté, à l'exclusion des plus-values de réévaluation, sont assimilés au capital, celui-ci seul doit cependant s'élever à 140 000 euros au moins et être libéré à concurrence de ce montant.
  [2 Par dérogation à l'article 6:4 et aux dispositions du Livre 6 du Code des sociétés et associations, les établissements de monnaie électronique constitués sous la forme d'une société coopérative doivent être dotés d'un capital dont la part fixe, prévue dans les statuts, ne peut pas être inférieure au montant visé à l'alinéa 1er, et qui doit être entièrement libéré à concurrence dudit montant, l'article 7 :6 dudit Code étant d'application par analogie.]2
  
Onderafdeling 4. - Aandeelhouders of vennoten
Sous-section 4. - Détenteurs du capital
Art. 174. De vergunning wordt geweigerd wanneer de Bank redenen heeft om aan te nemen dat de natuurlijke of rechtspersonen die, rechtstreeks of onrechtstreeks, in het kapitaal van de instelling voor elektronisch geld een gekwalificeerde deelneming bezitten als bedoeld in artikel 3, 28°, van de bankwet, niet geschikt zijn om een gezonde en prudente bedrijfsvoering van de instelling voor elektronisch geld te garanderen.
  De beoordeling van de geschiktheid om een gezonde en prudente bedrijfsvoering van de instelling voor elektronisch geld te garanderen, gebeurt aan de hand van de criteria van artikel 19, tweede lid, met dien verstande dat artikel 19, tweede lid, 2° moet worden gelezen als betrekking hebbend op de personen bedoeld in artikel 175.
Art. 174. L'agrément est refusé si la Banque a des raisons de considérer que les personnes physiques ou morales détenant directement ou indirectement une participation qualifiée au sens de l'article 3, 28° de la loi bancaire dans le capital de l'établissement de monnaie électronique ne présentent pas les qualités nécessaires au regard du besoin de garantir une gestion saine et prudente de l'établissement de monnaie électronique.
  L'appréciation des qualités nécessaires en vue de garantir une gestion saine et prudente de l'établissement de monnaie électronique s'effectue au regard des critères visés à l'article 19, alinéa 2 étant entendu que l'article 19, alinéa 2, 2° doit être lu comme visant les personnes visées à l'article 175.
Onderafdeling 5. - Leiding
Sous-section 5. - Dirigeants
Art. 175. § 1. De leden van het wettelijk bestuursorgaan van de instelling voor elektronisch geld, de personen belast met de effectieve leiding van de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en, in voorkomend geval, van het betalingsdienstenbedrijf in de instelling voor elektronisch geld, evenals de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties, zijn uitsluitend natuurlijke personen.
  De in het eerste lid bedoelde personen moeten permanent over de vereiste professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid beschikken om hun taken inzake uitgifte van elektronisch geld en, in voorkomend geval, inzake betalingsdiensten, uit te kunnen oefenen. [1 Deze personen moeten in het bijzonder eerlijk, integer en met onafhankelijkheid van geest handelen. Wat de leden van het wettelijk bestuursorgaan betreft, moet dit hen in staat stellen om daadwerkelijk de besluiten van de effectieve leiding te beoordelen en deze ter discussie te stellen indien zulks noodzakelijk is en om daadwerkelijk toe te zien en controle uit te oefenen op de bestuurlijke besluitvorming.]1
  § 2. De effectieve leiding van de instelling voor elektronisch geld moet worden toevertrouwd aan ten minste twee natuurlijke personen.
  § 3. Artikel 20 van de bankwet is van toepassing op de in paragraaf 1 bedoelde personen.
  
Art. 175. § 1er. Les membres de l'organe légal d'administration de l'établissement de monnaie électronique, les personnes chargées de la direction effective de l'activité d'émission de monnaie électronique et, le cas échéant, de services de paiement au sein de l'établissement de monnaie électronique ainsi que les responsables des fonctions de contrôle indépendantes sont exclusivement des personnes physiques.
  Les personnes visées à l'alinéa 1erdoivent disposer en permanence de l'honorabilité professionnelle nécessaire et de l'expertise adéquate pour assumer leurs tâches en matière d'émission de monnaie électronique et, le cas échéant, de services de paiement. [1 En particulier, ces personnes doivent faire preuve d'une honnêteté, d'une intégrité et d'une indépendance d'esprit qui, s'agissant des membres de l'organe légal d'administration, permettent d'évaluer et de remettre en question effectivement, si nécessaire, les décisions de la direction effective et d'assurer la supervision et le suivi effectifs des décisions prises en matière de gestion.]1
  § 2. La direction effective des établissements de monnaie électronique doit être confiée à deux personnes physiques au moins.
  § 3. L'article 20 de la loi bancaire est d'application aux personnes visées au paragraphe 1er.
  
Onderafdeling 6. - Organisatie
Sous-section 6. - Organisation
Art. 176. § 1. Iedere instelling voor elektronisch geld beschikt over een solide en passende regeling voor de bedrijfsorganisatie, waaronder toezichtsmaatregelen, om een doeltreffende en prudente bedrijfsvoering van de instelling te garanderen, die met name berust op de elementen bedoeld in artikel 21, § 1, punten 1°, 2°, 4°, 5° [2 tot 10°]2, die van overeenkomstige toepassing zijn, evenals, in voorkomend geval, passende controle- en beveiligingsmaatregelen op informaticagebied.
  [1 § 1/1. In het bijzonder is het de instellingen voor elektronisch geld verboden een bijzonder mechanisme in te stellen.
   Onder "bijzonder mechanisme" wordt een procedé verstaan dat aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoet:
   1° het heeft als doel of gevolg fiscale fraude door derden mogelijk te maken of te bevorderen;
   2° het initiatief ertoe wordt door de instelling voor elektronisch geld zelf genomen of de instelling voor elektronisch geld neemt er duidelijk aan deel, of het is het gevolg van een grove nalatigheid van de instelling voor elektronisch geld;
   3° het bestaat uit een reeks gedragingen of onthoudingen;
   4° het heeft een bijzonder karakter, wat betekent dat de instelling voor elektronisch geld weet of zou moeten weten dat het mechanisme afwijkt van de normen en de normale praktijken inzake verrichtingen die in het kader van de uitgifte van elektronisch geld en van betalingsdiensten worden uitgevoerd, en, meer in het algemeen, inzake financiële verrichtingen.]1

  § 2. De in paragraaf 1 bedoelde organisatorische regeling is gedetailleerd uitgewerkt en is passend voor de aard, schaal en complexiteit van de risico's die inherent zijn aan het bedrijfsmodel en aan de werkzaamheden van de instelling, met inbegrip van de in artikel 191 bedoelde werkzaamheden en de werkzaamheden die toegelaten zijn op grond van artikel 192.
  Zij houdt daarbij rekening met de aard, de omvang en de complexiteit van deze werkzaamheden en de eraan verbonden risico's.
  § 3. Artikel 21, § 3 is van overeenkomstige toepassing.
  § 4. Als de instelling voor elektronisch geld nauwe banden heeft met andere natuurlijke of rechtspersonen, mogen die banden geen belemmering vormen voor het prudentieel toezicht op de instelling voor elektronisch geld.
  Als de instelling voor elektronisch geld nauwe banden heeft met een natuurlijke of rechtspersoon die onder het recht van een derde land ressorteert, mogen de voor die persoon geldende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen of de tenuitvoerlegging ervan, geen belemmering vormen voor het prudentieel toezicht op de instelling voor elektronisch geld.
  
Art. 176. § 1er. Tout établissement de monnaie électronique doit disposer d'un dispositif solide et adéquat d'organisation d'entreprise, dont des mesures de surveillance, en vue de garantir une gestion efficace et prudente de l'établissement, reposant notamment sur les éléments visés à l'article 21, § 1er, points 1°, 2°, 4°, 5° [2 à 10°]2 applicables par analogie ainsi que, le cas échéant, des mesures de contrôle et de sécurité adéquates dans le domaine informatique.
  [1 § 1er/1. En particulier, il est interdit aux établissements de monnaie électronique de mettre en place un mécanisme particulier.
   Par "mécanisme particulier", on entend un procédé qui remplit cumulativement les conditions suivantes :
   1° il a pour but ou pour effet de rendre possible ou de favoriser la fraude fiscale par des tiers ;
   2° son initiative procède de l'établissement de monnaie électronique lui-même ou implique de toute évidence la coopération active de l'établissement de monnaie électronique ou, encore, procède d'une négligence manifeste de l'établissement de monnaie électronique ;
   3° il implique un ensemble de comportements ou d'omissions ;
   4° il présente un caractère particulier, c'est-à-dire que l'établissement de monnaie électronique sait ou devrait savoir que le mécanisme s'écarte des normes et des usages normaux en matière d'opérations réalisées dans le cadre de l'émission de monnaie électronique, de services de paiement, et, plus généralement, d'opérations financières.]1

  § 2. Les dispositifs organisationnels visés au paragraphe 1er présentent un caractère exhaustif et sont appropriés à la nature, à l'échelle et à la complexité des risques inhérents au modèle d'entreprise et aux activités de l'établissement, en ce compris les activités visées à l'article 191 et celles autorisées en application de l'article 192.
  Ils tiennent compte à cet égard de la nature, du volume et de la complexité de ces activités, ainsi que des risques y afférents.
  § 3. L'article 21, § 3 s'applique par analogie.
  § 4. S'il existe des liens étroits entre l'établissement de monnaie électronique et d'autres personnes physiques ou morales, ces liens ne peuvent entraver l'exercice du contrôle prudentiel de l'établissement de monnaie électronique.
  Si l'établissement de monnaie électronique a des liens étroits avec une personne physique ou morale relevant du droit d'un pays tiers, les dispositions législatives, réglementaires et administratives applicables à cette personne ou leur mise en oeuvre ne peuvent entraver l'exercice du contrôle prudentiel de l'établissement de monnaie électronique.
  
Onderafdeling 7. - Hoofdbestuur
Sous-section 7. - Administration centrale
Art. 177. Het hoofdbestuur van de instelling voor elektronisch geld moet in België zijn gevestigd. Een substantieel deel van de bedrijfswerkzaamheden van de instelling voor elektronisch geld wordt in België uitgevoerd.
Art. 177. L'administration centrale de l'établissement de monnaie électronique doit être fixée en Belgique. L'établissement de monnaie électronique exerce une partie substantielle de son activité en Belgique.
Afdeling III. - Bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden
Section III. - Conditions d'exercice de l'activité
Onderafdeling 1. - Algemene bepaling
Sous-section 1re. - Généralité
Art. 178. Iedere instelling voor elektronisch geld moet te allen tijde voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 172 tot 177.
  Wanneer de overeenkomstig artikel 168 bij de vergunningsaanvraag verstrekte gegevens gewijzigd zijn, brengt de instelling voor elektronisch geld de Bank hiervan onverwijld op de hoogte.
Art. 178. Les établissements de monnaie électronique sont tenus de satisfaire à tout moment aux conditions prévues aux articles 172 à 177.
  Lorsque les renseignements fournis pour les besoins de la demande d'agrément en vertu de l'article 168 subissent des modifications, l'établissement de monnaie électronique en informe sans tarder la Banque.
Onderafdeling 2. - Leiding en leiders
Sous-section 2. - La direction et les dirigeants
2.1. Toezicht en beoordeling door het wettelijk bestuursorgaan
2.1. Du contrôle et de l'évaluation par l'organe légal d'administration
Art. 179. § 1. Het wettelijk bestuursorgaan beoordeelt periodiek en minstens eenmaal per jaar de doeltreffendheid van en de overeenstemming met de wettelijke en reglementaire bepalingen van :
  1° de organisatieregelingen van de instelling, als bedoeld in de artikelen 38, § 1, tweede lid, 1°, 1°, waarnaar artikel 195 verwijst, en 176;
  2° de maatregelen die noodzakelijk zijn om de naleving van artikel 194 te verzekeren.
  § 2. Het wettelijk bestuursorgaan oefent effectief toezicht uit op de personen belast met de effectieve leiding en is verantwoordelijk voor het toezicht op hun beslissingen.
  Daarnaast beoordeelt het de goede werking van de in artikel 176 bedoelde onafhankelijke controlefuncties.
  Artikel 35 is van overeenkomstige toepassing.
Art. 179. § 1er. L'organe légal d'administration évalue périodiquement, et au moins une fois par an, l'efficacité et la conformité aux obligations légales et réglementaires :
  1° des dispositifs d'organisation de l'établissement visés aux articles 38, § 1er, alinéa 2, 1°, 1° auquel l'article 195 renvoie, et 176;
  2° des mesures nécessaires pour assurer le respect de l'article 194.
  § 2. L'organe légal d'administration exerce un contrôle effectif sur les personnes chargées de la direction effective et assure la surveillance de leurs décisions.
  Il évalue en outre le bon fonctionnement des fonctions de contrôle indépendantes visées à l'article 176.
  L'article 35 s'applique par analogie.
2.2. Maatregelen die moeten worden genomen door de personen belast met de effectieve leiding
2.2. Des mesures à prendre par les personnes chargées de la direction effective
Art. 180. Onverminderd de bevoegdheden van het wettelijk bestuursorgaan nemen de personen belast met de effectieve leiding van de instelling voor elektronisch geld onder toezicht van het wettelijk bestuursorgaan de nodige maatregelen voor de naleving en de tenuitvoerlegging van de artikelen 38, § 1, tweede lid, waarnaar artikel 195 verwijst, 176 en 194.
  De personen belast met de effectieve leiding brengen minstens eenmaal per jaar verslag uit aan het wettelijk bestuursorgaan, de Bank en de erkend commissaris, over de naleving van de bepalingen van het eerste lid en over de maatregelen die in voorkomend geval worden genomen om eventuele tekortkomingen aan te pakken.
  De informatieverstrekking aan de Bank en de commissaris gebeurt volgens de modaliteiten die de Bank bepaalt.
Art. 180. Sans préjudice des pouvoirs dévolus à l'organe légal d'administration et sous sa surveillance, les personnes chargées de la direction effective de l'établissement de monnaie électronique prennent les mesures nécessaires pour assurer le respect et la mise en oeuvre des articles 38, § 1er, alinéa 2, auquel l'article 195 renvoie, 176 et 194.
  Les personnes chargées de la direction effective font rapport au moins une fois par an à l'organe légal d'administration, à la Banque et au commissaire sur le respect des dispositions visées à l'alinéa 1er et les mesures prises, le cas échéant, pour remédier aux déficiences qui auraient été constatées.
  Ces informations sont transmises à la Banque et au commissaire selon les modalités que la Banque détermine.
2.2./1 [1 Vereisten inzake de samenstelling van het wettelijk bestuursorgaan en de samenstelling van de effectieve leiding]1
2.2./1 [1 Exigences relatives à la composition de l'organe légal d'administration et à la composition de la direction effective]1
Art. 180/1. [1 Het wettelijk bestuursorgaan en de effectieve leiding zijn zodanig samengesteld dat zij in hun geheel genomen over voldoende kennis, vaardigheden en ervaring beschikken om inzicht te hebben in alle bedrijfsactiviteiten van de instelling voor elektronisch geld, met inbegrip van de voornaamste risico's waaraan zij is blootgesteld.]1
  
Art.180/1. [1 La composition de l'organe légal d'administration et de la direction effective assure que ces derniers disposent collectivement des connaissances, des compétences et de l'expérience nécessaires à la compréhension de l'ensemble des activités de l'établissement de monnaie électronique, y compris des principaux risques auxquels il est exposé.]1
  
2.3. Benoemingen en ontslagen
2.3. Nominations et démissions
Art. 181. § 1. De instellingen voor elektronisch geld stellen de Bank voorafgaandelijk in kennis van het voorstel tot benoeming van de leden van het wettelijk bestuursorgaan, van de personen belast met de effectieve leiding van de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en, in voorkomend geval, van het betalingsdienstenbedrijf in de instelling voor elektronisch geld, evenals van de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties.
  [1 In het kader van de krachtens het eerste lid vereiste kennisgeving delen de instellingen voor elektronisch geld aan de Bank alle documenten en informatie mee die haar toelaten te beoordelen of:
   - de personen waarvan de benoeming wordt voorgesteld, overeenkomstig artikel 175 over de voor de uitoefening van hun functie vereiste professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid beschikken;
   - het profiel van de betrokken personen zodanig is dat voldaan wordt aan het vereiste van collectieve bekwaamheid van artikel 180/1.]1

  Het eerste lid is eveneens van toepassing op het voorstel tot hernieuwing van de benoeming van de in het eerste lid bedoelde personen, evenals op de niet-hernieuwing van hun benoeming, hun afzetting of hun ontslag.
  § 2. De benoeming van de in paragraaf 1 bedoelde personen wordt voorafgaandelijk ter goedkeuring voorgelegd aan de Bank. [1 De goedkeuring van de Bank wordt enkel verleend indien de betrokken benoeming waarborgt dat de betrokken persoon voldoet aan de vereisten van artikel 175 en de instelling voor elektronisch geld aan die van artikel 180/1.]1
  Wanneer het de benoeming betreft van een persoon die voor het eerst voor een functie als bedoeld in paragraaf 1 wordt voorgedragen bij een financiële onderneming die onder het toezicht staat van de Bank krachtens artikel 36/2 van de wet van 22 februari 1998, of van de Europese Centrale Bank krachtens de GTM-verordening, raadpleegt de Bank eerst de FSMA.
  De FSMA deelt haar advies mee aan de Bank binnen een termijn van een week na ontvangst van het verzoek om advies.
  § 3. De instellingen voor elektronisch geld informeren de Bank over de eventuele taakverdeling tussen de leden van het wettelijk bestuursorgaan en tussen de personen belast met de effectieve leiding.
  Belangrijke wijzigingen in de taakverdeling als bedoeld in het eerste lid, geven aanleiding tot de toepassing van de paragrafen 1 en 2.
  
Art. 181. § 1er. Les établissements de monnaie électronique informent préalablement la Banque de la proposition de nomination des membres de l'organe légal d'administration, des personnes chargées de la direction effective de l'activité d'émission de monnaie électronique et, le cas échéant, de services de paiement au sein de l'établissement de monnaie électronique, ainsi que des responsables des fonctions de contrôle indépendantes.
  [1 Dans le cadre de l'information requise en vertu de l'alinéa 1er, les établissements de monnaie électronique communiquent à la Banque tous les documents et informations lui permettant d'évaluer si :
   - les personnes dont la nomination est proposée disposent de l'honorabilité professionnelle nécessaire et de l'expertise adéquate à l'exercice de leur fonction conformément à l'article 175 ;
   - le profil des personnes concernées permet de satisfaire à l'exigence de compétence collective prévue par l'article 180/1.]1

  L'alinéa 1er est également applicable à la proposition de renouvellement de la nomination des personnes qui y sont visées ainsi qu'au non-renouvellement de leur nomination, à leur révocation ou à leur démission.
  § 2. La nomination des personnes visées au paragraphe 1er est soumise à l'approbation préalable de la Banque. [1 L'approbation de la Banque n'est donnée que si la nomination considérée assure le respect de l'article 175 dans le chef de la personne concernée et de l'article 180/1 dans le chef de l'établissement de monnaie électronique.]1
  Lorsqu'il s'agit de la nomination d'une personne qui est proposée pour la première fois à une fonction visée au paragraphe 1er dans une entreprise financière relevant du contrôle de la Banque par application de l'article 36/2 de la loi du 22 février 1998 ou de la Banque centrale européenne en vertu du Règlement MSU, la Banque consulte préalablement la FSMA.
  La FSMA communique son avis à la Banque dans un délai d'une semaine à compter de la réception de la demande d'avis.
  § 3. Les établissements de monnaie électronique informent la Banque de la répartition éventuelle des tâches entre les membres de l'organe légal d'administration et entre les personnes chargées de la direction effective.
  Les modifications importantes intervenues dans la répartition des tâches visées à l'alinéa 1er donnent lieu à l'application des paragraphes 1er et 2.
  
Art. 181/1. [1 De leden van het wettelijk bestuursorgaan en, in voorkomend geval, de leden van de raad van toezicht en de leden van de directieraad, mogen geen functie als loontrekkende uitoefenen in de instelling voor elektronisch geld of in een vennootschap waarin de instelling voor elektronisch geld een deelneming heeft.
   De Bank kan per geval toestaan dat een instelling voor elektronisch geld voor de leden van haar wettelijk bestuursorgaan afwijkt van de in het eerste lid bedoelde verplichting wanneer zij voornemens is in haar wettelijk bestuursorgaan personen te benoemen die loontrekkende en werknemersvertegenwoordiger zijn in bijkantoren die gevestigd zijn in een lidstaat waar de medezeggenschap van werknemersvertegenwoordigers in het toezichthoudend orgaan wettelijk is verankerd of in entiteiten waarin de instelling voor elektronisch geld een deelneming heeft, vanwege haar internationale dimensie of omdat zij deel uitmaakt van een groep waartoe entiteiten behoren die onderworpen zijn aan een ander rechtsstelsel waarin de medezeggenschap van werknemersvertegenwoordigers in het toezichthoudend orgaan wettelijk verankerd is, indien deze afwijking naar het oordeel van de Bank geen afbreuk doet aan het passende karakter van het governancesysteem van de instelling voor elektronisch geld, en met name niet aan de adequaatheid van het toezicht op de effectieve leiding. De Bank kan aan een op grond van dit lid verleende afwijking voorwaarden verbinden om het passende karakter van de governance van de instelling te waarborgen.]1

  
Art.181/1. [1 Les membres de l'organe légal d'administration et, le cas échéant, les membres du conseil de surveillance et les membres du conseil de direction, ne peuvent pas exercer de fonction en qualité de salarié au sein de l'établissement de monnaie électronique ou d'une société dans laquelle l'établissement de monnaie électronique détient une participation.
   La Banque peut, au cas par cas, autoriser un établissement de monnaie électronique à déroger à l'obligation visée à l'alinéa 1er en ce qu'elle concerne les membres de son organe légal d'administration, lorsque cet établissement entend procéder à la nomination au sein de son organe légal d'administration de personnes ayant la qualité de salarié et de représentant du personnel auprès de succursales situées dans un Etat au sein duquel la participation de représentants des travailleurs au sein de l'organe de surveillance est légalement consacrée ou d'entités dans laquelle l'établissement de monnaie électronique détient une participation, en raison de sa dimension internationale ou de son appartenance à un groupe dont des entités relèvent d'un autre ordre juridique au sein duquel la participation de représentants des travailleurs au sein de l'organe de surveillance est légalement consacrée si, à l'appréciation de la Banque, une telle dérogation ne porte pas atteinte au caractère adéquat du système de gouvernance de l'établissement de monnaie électronique, en particulier l'adéquation de la surveillance de la direction effective. La Banque peut assortir une dérogation accordée en application du présent alinéa de conditions visant à assurer le caractère adéquat de la gouvernance de l'établissement.]1

  
Onderafdeling 3. - Minimum eigen vermogen
Sous-section 3. - Des fonds propres minimums
Art. 182. § 1. Het eigen vermogen van een instelling voor elektronisch geld mag op geen enkel moment dalen onder het bedrag van het krachtens artikel 173 vereiste kapitaal.
  Er mag geen kapitaal worden terugbetaald als dit voor de instelling tot gevolg zou hebben dat zij niet meer zou voldoen aan de krachtens paragraaf 2 vastgestelde eigenvermogensvereisten. [1 Wanneer het gaat om een coöperatieve vennootschap zijn de artikelen 7:208, 7:209 en 7:210 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen van overeenkomstige toepassing op elke vermindering van het in artikel 173, lid 3 bedoelde vast gedeelde van het kapitaal, die onderworpen zijn aan de voorafgaande goedkeuring van de Bank.]1
  [1 Elke verhoging van het in artikel 173, lid 3 bedoelde vast gedeelde van het kapitaal moet volledig geplaatst en gestort zijn en bij authentieke akte vastgesteld worden. De artikelen 7:179 en 7:195 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen zijn van overeenkomstige toepassing.]1
  § 2. Overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 2009/110/EG bepaalt de Bank bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis van de wet van 22 februari 1998 de elementen die in aanmerking worden genomen als eigenvermogensbestanddelen en de aanpassingen die vereist zijn voor de berekening van het eigen vermogen, evenals de verplichtingen inzake solvabiliteit die door alle instellingen voor elektronisch geld of per categorie van instellingen voor elektronisch geld moeten worden nageleefd, zowel voor wat betreft hun activiteit van uitgifte van elektronisch geld als voor wat de betalingsdiensten betreft die zij overeenkomstig artikel 191, eerste lid, mogen aanbieden en die geen verband houden met de uitgifte van elektronisch geld.
  § 3. Onverminderd de solvabiliteitsverplichtingen bepaald bij de paragrafen 1 en 2, kan de Bank aanvullende maatregelen nemen in het geval van een instelling voor elektronisch geld die rechtstreeks of onrechtstreeks andere werkzaamheden dan het aanbieden van betalingsdiensten en de uitgifte van elektronisch geld mag verrichten overeenkomstig de artikelen 191, tweede lid en 192, wanneer die andere werkzaamheden afbreuk doen of dreigen te doen aan de financiële soliditeit van de instelling voor elektronisch geld.
  § 4. In specifieke gevallen kan de Bank met redenen omklede afwijkingen toestaan van de bepalingen van de krachtens dit artikel vastgestelde reglementen.
  
Art. 182. § 1er. Les fonds propres d'un établissement de monnaie électronique ne peuvent à aucun moment devenir inférieurs au montant du capital requis en vertu de l'article 173.
  Il ne peut être procédé à un remboursement de capital s'il en résultait que l'établissement ne respecterait plus les exigences en matière de fonds propres établies en vertu du paragraphe 2. [1 S'il s'agit d'une société coopérative, les articles 7:208, 7:209 et 7:210 du Code des sociétés et associations sont applicables, par analogie, à toute réduction de la part fixe du capital visée à l'article 173, alinéa 3, qui requiert l'accord préalable de la Banque.]1
  [1 Toute augmentation de la part fixe du capital visée à l'article 173, alinéa 3 doit être intégralement souscrite et libérée et être constatée par acte authentique. Les articles 7:179 et 7:195 du Code des sociétés et associations sont d'application par analogie.]1
  § 2. La Banque précise, conformément aux dispositions de la Directive 2009/110/CE, par voie de règlement adopté en application de l'article 12bis de la loi du 22 février 1998, les éléments pris en considération comme éléments de fonds propres et les ajustements nécessaires pour le calcul des fonds propres, de même que les obligations en matière de solvabilité qui doivent être respectées par tous les établissements de monnaie électronique ou par catégorie d'établissements de monnaie électronique tant en ce qui concerne leur activité d'émission de monnaie électronique, qu'en ce qui concerne les services de paiement qu'ils sont autorisés à fournir conformément à l'article 191, alinéa 1er et qui ne sont pas liés à l'émission de monnaie électronique.
  § 3. Sans préjudice des obligations en matière de solvabilité prévues aux paragraphes 1er et 2, la Banque peut prendre des mesures complémentaires dans le cas d'un établissement de monnaie électronique autorisé à exercer, directement ou indirectement, d'autres activités que la fourniture de services de paiement et l'émission de monnaie électronique conformément aux articles 191, alinéa 2 et 192, lorsque ces autres activités nuisent ou risquent de nuire à la solidité financière de l'établissement de monnaie électronique.
  § 4. La Banque peut, dans des cas particuliers, autoriser des dérogations motivées aux dispositions des règlements pris en vertu du présent article.
  
Onderafdeling 4. - Wijzigingen in de kapitaalstructuur
Sous-section 4. - Des modifications dans la structure du capital
Art. 183. De artikelen 25 tot 32 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de verwijzing naar artikel 19 in de artikelen 25, eerste lid, 27, eerste en tweede lid en 31, tweede lid, als een verwijzing naar artikel 174 moet worden gelezen.
Art. 183. Les articles 25 à 32 s'appliquent par analogie, étant entendu qu'aux articles 25, alinéa 1er, 27, alinéas 1er et 2 et 31, alinéa 2, la référence à l'article 19 doit être lue comme une référence à l'article 174.
Onderafdeling 5. - Bijzondere verrichtingen
Sous-section 5. - Opérations particulières
5.1. Fusies, splitsingen, overdrachten en andere verrichtingen waarvoor toestemming is vereist
5.1. Des fusions, scissions, cessions et autres opérations soumises à autorisation
Art. 184. [1 De artikelen 39 en 39/1 zijn van overeenkomstige toepassing.]1
  
Art. 184. [1 Les articles 39 et 39/1 s'appliquent par analogie.]1
  
5.2. Deelnemingen
5.2. Des prises de participations
Art. 185. Artikel 40 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat artikel 40, tweede lid betrekking heeft op deelnemingen in vennootschappen die alle of een deel van de in artikel 191 bedoelde werkzaamheden inzake uitgifte van elektronisch geld, betalingsdiensten, nevendiensten in verband met de uitgifte van elektronisch geld of het aanbieden van betalingsdiensten, of het beheer van betalingssystemen uitoefenen, of op deelnemingen in vennootschappen waarvan het doel in hoofdzaak bestaat in het aanhouden van deelnemingen in dergelijke vennootschappen.
Art. 185. L'article 40 s'applique par analogie étant entendu que l'article 40, alinéa 2 vise les participations dans des sociétés exerçant en tout ou en partie des activités en matière d'émission de monnaie électronique, de services de paiement, de services auxiliaires à l'émission de monnaie électronique ou à la fourniture de services de paiement, ou de gestion de systèmes de paiement, visés à l'article 191, ou dans des sociétés dont l'objet consiste à titre principal en la détention de participations dans de telles sociétés.
Onderafdeling 6. - Uitoefening van werkzaamheden in het buitenland
Sous-section 6. - De l'exercice d'activités à l'étranger
6.1. Uitoefening van het recht van vrije vestiging in het buitenland via een bijkantoor
6.1. Exercice du libre établissement à l'étranger par la voie d'une succursale
Art. 186. De artikelen 59 tot 64 zijn van overeenkomstige toepassing op instellingen voor elektronisch geld naar Belgisch recht die voornemens zijn in het buitenland een bijkantoor te openen, met dien verstande dat :
  1° in het in artikel 59, § 2, 1° bedoelde programma van werkzaamheden met name vermeld wordt welke activiteit van uitgifte van elektronisch geld en, in voorkomend geval, [1 welke andere werkzaamheden als bedoeld in de artikelen 191, 192 en 192/1]1 de instelling voornemens is te verrichten;
  2° de verwijzing naar artikel 21 in artikel 59, § 2, 5° moet worden gelezen als een verwijzing naar artikel 176;
  3° de verwijzing naar de artikelen 20 en 37 in artikel 59, § 3 moet worden gelezen als een verwijzing naar de artikelen 175 en 181;
  4° de verwijzing naar artikel 8 in artikel 61, § 3 moet worden gelezen als een verwijzing naar artikel 166;
  5° de verwijzing naar artikel 38 in artikel 63, § 2 moet worden gelezen als een verwijzing naar artikel 195.
  [1 Met betrekking tot de werkzaamheden als bedoeld in artikel 192/1, § 3, laat dit artikel de procedure van artikel 65 van Verordening 2023/1114 onverlet. Niettegenstaande artikel 16, lid 3, en artikel 65, lid 4, van de voornoemde verordening is artikel 61, § 1, van deze wet van toepassing.]1
  
Art. 186. Les articles 59 à 64 sont applicables par analogie lorsqu'un établissement de monnaie électronique de droit belge projette d'ouvrir une succursale à l'étranger, étant entendu que :
  1° à l'article 59, § 2, 1°, le programme d'activités indique notamment l'activité d'émission de monnaie électronique envisagée ainsi que, le cas échéant, [1 les autres activités visées aux articles 191, 192 et 192/1]1;
  2° à l'article 59, § 2, 5°, la référence à l'article 21 doit être lue comme une référence à l'article 176;
  3° à l'article 59, § 3 la référence aux articles 20 et 37 doit être lue comme une référence aux articles 175 et 181;
  4° à l'article 61, § 3, la référence à l'article 8 doit être lue comme une référence à l'article 166;
  5° à l'article 63, § 2, la référence à l'article 38 doit être lue comme une référence à l'article 195.
  [1 S'agissant des activités visées à l'article 192/1, § 3, le présent article est sans préjudice de la procédure prévue par l'article 65 du règlement 2023/1114. Nonobstant l'article 16, paragraphe 3 et l'article 65, paragraphe 4 dudit Règlement, l'article 61, § 1er de la présente loi est applicable.]1
  
6.2. Uitgifte van elektronisch geld in het kader van het vrij verrichten van diensten in een andere lidstaat
6.2. Emission de monnaie électronique en libre prestation de service dans un autre Etat membre
Art. 187. De artikelen 65 tot 69 zijn van overeenkomstige toepassing op [1 instellingen voor elektronisch geld naar Belgisch recht die voornemens zijn in een andere lidstaat een activiteit van uitgifte van elektronisch geld of een activiteit als bedoeld in artikel 192/1 uit te oefenen]1 zonder er een bijkantoor te vestigen, met dien verstande dat :
  1° in het in artikel 65, § 2 bedoelde dossier met name vermeld wordt welke activiteit van uitgifte van elektronisch geld en, in voorkomend geval, [1 welke andere werkzaamheden als bedoeld in de artikelen 191 tot en met 192/1]1 de instelling voornemens is te verrichten;
  2° de verwijzing naar artikel 38 in artikel 69, § 2 moet worden gelezen als een verwijzing naar artikel 195.
  [1 Met betrekking tot de werkzaamheden als bedoeld in artikel 192/1, § 3, laat dit artikel de procedure van artikel 65 van Verordening 2023/1114 onverlet. Niettegenstaande artikel 16, lid 3, en artikel 65, lid 4, van de voornoemde verordening zijn de artikelen 67, § 1, en 68 van deze wet van toepassing.]1
  
Art. 187. Les articles 65 à 69 sont applicables par analogie [1 lorsqu'un établissement de monnaie électronique de droit belge projette d'exercer une activité d'émission de monnaie électronique ou une activité visée à l'article 192/1 dans un autre Etat membre]1, sans y établir de succursale, étant entendu que :
  1° à l'article 65, § 2, le dossier indique notamment l'activité d'émission de monnaie électronique envisagée ainsi que, le cas échéant, [1 les autres activités visées aux articles 191 à 192/1]1;
  2° à l'article 69, § 2, la référence à l'article 38 doit être lue comme une référence à l'article 195.
  [1 S'agissant des activités visées à l'article 192/1, § 3, le présent article est sans préjudice de la procédure prévue par l'article 65 du règlement 2023/1114. Nonobstant le l'article 16, paragraphe 3 et l'article 65, paragraphe 4 dudit Règlement, les article 67, § 1er et 68 de la présente loi sont applicables.]1
  
6.3. Overmaking van elektronisch geld in een andere lidstaat via een distributeur
6.3. Distribution de la monnaie électronique dans un autre Etat membre par l'intermédiaire d'un distributeur
Art. 188. Artikel 70, § 1, eerste lid en § 2 is van overeenkomstige toepassing op instellingen voor elektronisch geld naar Belgisch recht die voornemens zijn op het grondgebied van een andere lidstaat elektronisch geld over te maken via een distributeur.
Art. 188. L'article 70, § 1er, alinéa 1er et § 2 est applicable par analogie lorsqu'un établissement de monnaie électronique de droit belge projette de distribuer de la monnaie électronique sur le territoire d'un autre Etat membre, par l'intermédiaire d'un distributeur.
6.4. Uitoefening van het betalingsdienstenbedrijf in een andere lidstaat via een agent
6.4. Exercice d'une activité de services de paiement dans un autre Etat membre par l'intermédiaire d'un agent
Art. 189. Artikel 70 is van overeenkomstige toepassing op instellingen voor elektronisch geld naar Belgisch recht die voornemens zijn op het grondgebied van een andere lidstaat via een agent alle of een deel van de in artikel 191, eerste lid bedoelde betalingsdiensten aan te bieden, met dien verstande dat de verwijzing naar artikel 71 in artikel 70, § 1, tweede lid, moet worden gelezen als een verwijzing naar artikel 71, waarnaar artikel 190, § 2 verwijst.
Art. 189. L'article 70 est applicable par analogie lorsqu'un établissement de monnaie électronique de droit belge projette d'exercer sur le territoire d'un autre Etat membre, par l'intermédiaire d'un agent, tout ou partie des services de paiement visés à l'article 191, alinéa 1er, étant entendu qu'à l'article 70, § 1er, alinéa 2, la référence à l'article 71 doit être lue comme une référence à l'article 71 auquel l'article 190, § 2 renvoie.
Onderafdeling 7. - Dienstverlening via een distributeur en/of een agent
Sous-section 7. - Recours à un distributeur et/ou à un agent
Art. 190. § 1. Onverminderd artikel 169, vijfde lid, mogen instellingen voor elektronisch geld via distributeurs elektronisch geld overmaken en terugbetalen.
  Instellingen voor elektronisch geld mogen geen elektronisch geld uitgeven via agenten.
  § 2. Instellingen voor elektronisch geld mogen met toepassing van artikel 191, eerste lid, betalingsdiensten aanbieden via agenten. In dat geval zijn de artikelen 71 tot 74 van overeenkomstige toepassing.
  § 3. Instellingen voor elektronisch geld zijn verantwoordelijk voor de handelingen die door hun distributeurs en agenten worden gesteld.
Art. 190. § 1er. Sans préjudice de l'article 169, alinéa 5, les établissements de monnaie électronique sont autorisés à distribuer et à rembourser de la monnaie électronique par l'intermédiaire de distributeurs.
  Les établissements de monnaie électronique ne sont pas autorisés à émettre de la monnaie électronique par l'intermédiaire d'agents.
  § 2. Les établissements de monnaie électronique sont autorisés à fournir les services de paiement en application de l'article 191, alinéa 1er, par l'intermédiaire d'agents. Dans ce cas, les articles 71 à 74 s'appliquent par analogie.
  § 3. Les établissements de monnaie électronique sont responsables des actes posés par leurs distributeurs et leurs agents.
Onderafdeling 8. - Uitoefening van andere werkzaamheden
Sous-section 8. - Exercice d'autres activités
8.1. Betalingsdiensten, operationele of nevenactiviteiten die nauw samenhangen met betalingsdiensten en beheer van betalingssystemen
8.1. Services de paiement, activités opérationnelles ou auxiliaires, étroitement liées aux services de paiement et gestion des systèmes de paiement
Art. 191. § 1. Onverminderd artikel 169, vijfde lid, mogen de instellingen voor elektronisch geld de in Bijlage I.A van deze wet opgesomde betalingsdiensten aanbieden.
  Onverminderd artikel 169, vijfde lid, mogen de instellingen voor elektronisch geld bovendien de volgende werkzaamheden uitoefenen :
  1° het verstrekken van operationele diensten en nevendiensten die nauw samenhangen met de uitgifte van elektronisch geld of het aanbieden van de in het eerste lid bedoelde betalingsdiensten;
  2° het beheer van betalingssystemen, onverminderd de bepalingen van Boek III.
  Het eerste en het tweede lid zijn van toepassing onverminderd de naleving van de elders opgenomen specifieke wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende het verstrekken van de betrokken diensten.
  § 2. Wanneer de verrichte diensten betalingsdiensten zijn als bedoeld in de punten 7 en/of 8 van Bijlage I.A, zijn de artikelen 18 en 95, § 2 respectievelijk van toepassing.
  [1 § 3. De instellingen voor elektronisch geld stellen de Bank voorafgaandelijk in kennis van hun voornemen om een van de in dit artikel bedoelde werkzaamheden uit te oefenen.]1
  
Art. 191. § 1er. Sans préjudice de l'article 169, alinéa 5, les établissements de monnaie électronique sont autorisés à fournir des services de paiement énumérés à l'Annexe I.A de la présente loi.
  En outre, sans préjudice de l'article 169, alinéa 5, les établissements de monnaie électronique sont autorisés à exercer les activités suivantes :
  1° la fourniture de services opérationnels et de services auxiliaires, étroitement liés à l'émission de monnaie électronique ou à la fourniture de services de paiement visés à l'alinéa 1er;
  2° la gestion de systèmes de paiement, sans préjudice des dispositions du Livre III.
  Les alinéas 1er et 2 sont applicables sans préjudice du respect des dispositions légales et réglementaires particulières régissant par ailleurs la fourniture des services concernés.
  § 2. Lorsque la fourniture de services concerne les services de paiement visés aux points 7 et/ou 8 de l'Annexe I.A, les articles 18 et 95, § 2 sont respectivement applicables.
  [1 § 3. Les établissements de monnaie électronique informent préalablement la Banque de leur intention d'exercer une des activités visées au présent article.]1
  
8.2. Andere hybride werkzaamheden
8.2. Autres activités hybrides
Art. 192. § 1. Instellingen voor elektronisch geld mogen geen andere werkzaamheden uitoefenen dan deze die toegelaten zijn op grond van artikel 191, tenzij hiervoor voorafgaandelijk toestemming is verleend door de Bank.
  Indien de Bank toestaat dat een instelling voor elektronisch geld andere werkzaamheden dan de uitgifte van elektronisch geld of de in artikel 191 bedoelde werkzaamheden verricht, kan zij, onverminderd artikel 205, § 2, en gelet op de noodzaak van een gezonde en prudente bedrijfsvoering en een passende risicobeheersing door de instelling voor elektronisch geld of op de vereiste van een passend prudentieel toezicht op deze instelling, de uitoefening van deze andere werkzaamheden aan aanvullende voorwaarden onderwerpen.
  Zo kan de Bank verlangen dat er voor het verrichten van die werkzaamheden een duidelijke scheiding gehanteerd wordt op organisatorisch vlak en, in voorkomend geval, dat ze door een afzonderlijke juridische entiteit worden verricht die overeenkomstig artikel 185 eigendom is van de instelling voor elektronisch geld.
  § 2. Onverminderd paragraaf 1 mogen instellingen voor elektronisch geld alleen onder de voorwaarden van artikel 44, § 3, die van overeenkomstige toepassing zijn, kredieten verlenen aan betalingsdienstgebruikers.
Art. 192. § 1er. Les établissements de monnaie électronique ne peuvent exercer d'autres activités que celles autorisées en vertu de l'article 191 que moyennant l'autorisation préalable de la Banque.
  Sans préjudice de l'article 205, § 2, si la Banque autorise un établissement de monnaie électronique à exercer des activités autres que l'émission de monnaie électronique ou les activités visées à l'article 191, elle peut, en vue d'une gestion saine et prudente et d'une maîtrise des risques appropriée par l'établissement de monnaie électronique, ou pour les besoins d'un contrôle prudentiel adapté dudit établissement, subordonner l'exercice de ces activités à certaines conditions complémentaires.
  Parmi ces conditions, la Banque peut imposer que ces activités fassent l'objet d'une séparation claire sous l'angle organisationnel et, le cas échéant, soient fournies par une entité juridique distincte détenue par l'établissement de monnaie électronique conformément à l'article 185.
  § 2. Sans préjudice du paragraphe 1er, l'octroi par des établissements de monnaie électronique de crédits aux utilisateurs de services de paiement est subordonné aux conditions prévues à l'article 44, § 3, applicables par analogie.
8.2/1. [1 Activiteiten met betrekking tot cryptoactiva]1
8.2/1. [1 Activités en matière de crypto-actifs]1
Art. 192/1. [1 § 1. Instellingen voor elektronisch geld mogen binnen de Europese Unie een activagerelateerde token uitgeven en aan het publiek aanbieden of verzoeken om toelating tot de handel van een activagerelateerde token mits wordt voldaan aan de vereisten van Titel III van Verordening 2023/1114, met name de artikelen 18 en 21, en aan de andere specifieke wettelijke en reglementaire bepalingen die voor dergelijke activiteiten gelden.
   § 2. Instellingen voor elektronisch geld mogen binnen de Europese Unie een e-moneytoken uitgeven en aan het publiek aanbieden of verzoeken om toelating tot de handel van een e-moneytoken mits wordt voldaan aan de vereisten van Titel IV van Verordening 2023/1114 en aan de andere specifieke wettelijke en reglementaire bepalingen die voor dergelijke activiteiten gelden.
   Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald door of krachtens deze wet en onverminderd eventuele specifieke bepalingen uit hoofde van Titel IV van Verordening 2023/1114, worden e-moneytokens voor de toepassing van de door of krachtens deze wet vastgestelde bepalingen geacht elektronisch geld te zijn.
   § 3. Mits wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 60, leden 4, 7, 8 en 9, van Verordening 2023/1114, mogen instellingen voor elektronisch geld, overeenkomstig de bepalingen van Titel V van die verordening die op hen van toepassing zijn, cryptoactiva namens cliënten bewaren en beheren en cryptoactivaoverdrachtdiensten namens cliënten verlenen met betrekking tot de e-moneytokens die zij hebben uitgegeven.
   Mits zij overeenkomstig artikel 63 van Verordening 2023/1114 een vergunning hebben verkregen, mogen instellingen voor elektronisch geld de in artikel 3, lid 1, punt 16) van de genoemde verordening bedoelde cryptoactivadiensten aanbieden.
   § 4. De instellingen voor elektronisch geld stellen de Bank voorafgaandelijk in kennis van hun voornemen om een van de in dit artikel bedoelde werkzaamheden uit te oefenen. Indien een werkzaamheid als bedoeld in de paragrafen 1 tot en met 3 wordt uitgeoefend, kan de Bank, met het oog op een gezonde en prudente bedrijfsvoering en een passende risicobeheersing door de instelling voor elektronisch geld, of met het oog op passend prudentieel toezicht op die instelling, bepaalde aanvullende voorwaarden verbinden aan het uitoefenen van dergelijke werkzaamheden. Zo kan de Bank verlangen dat er voor het verrichten van deze werkzaamheden een duidelijke scheiding gehanteerd wordt op organisatorisch vlak en, in voorkomend geval, dat deze werkzaamheden worden geleverd door een afzonderlijke juridische entiteit die overeenkomstig artikel 185 eigendom is van de instelling voor elektronisch geld.]1

  
Art.192/1. [1 § 1er. Les établissements de monnaie électronique peuvent émettre et offrir au public un jeton se référant à un ou des actifs ou demander l'admission à la négociation d'un jeton se référant à un ou des actifs, au sein de l'Union européenne moyennant le respect des exigences prévues par le Titre III du règlement 2023/1114, en particulier ses articles 18 et 21, et les dispositions légales et réglementaires particulières régissant par ailleurs ces activités.
   § 2. Les établissements de monnaie électronique peuvent émettre et offrir au public un jeton de monnaie électronique ou demander l'admission à la négociation d'un jeton de monnaie électronique, au sein de l'Union européenne moyennant le respect des exigences prévues par le Titre IV du règlement 2023/1114 et les dispositions légales et réglementaires particulières régissant par ailleurs ces activités.
   Sauf dispositions expresses particulières prévues par ou en vertu de la présente loi et sans préjudice de dispositions particulières prévues par le Titre IV du règlement 2023/1114, pour les besoins de l'application des dispositions prévues par ou en vertu de la présente loi, les jetons de monnaie électronique sont réputés être de la monnaie électronique.
   § 3. Moyennant le respect des conditions prévues par l'article 60, paragraphes 4, 7, 8 et 9 du règlement 2023/1114, les établissements de monnaie électronique peuvent, dans le respect des dispositions du Titre V dudit Règlement qui leur sont applicables, fournir des services de conservation et d'administration de crypto-actifs pour le compte de clients et des services de transfert de crypto-actifs pour le compte de clients en ce qui concerne les jetons de monnaie électronique qu'ils ont émis.
   Moyennant l'obtention d'un agrément en application de l'article 63 du règlement 2023/1114, les établissements de monnaie électronique peuvent exercer les services sur crypto-actifs visés à l'article 3, paragraphe 1, point 16) dudit Règlement.
   § 4. Les établissements de monnaie électronique informent préalablement la Banque de leur intention d'exercer une des activités visées au présent article. En cas d'exercice d'une activité visée aux paragraphes 1er à 3, la Banque peut, en vue d'une gestion saine et prudente et d'une maîtrise des risques appropriée par l'établissement de monnaie électronique, ou pour les besoins d'un contrôle prudentiel adapté dudit établissement, subordonner l'exercice de ces activités à certaines conditions complémentaires. Parmi ces conditions, la Banque peut imposer que ces activités fassent l'objet d'une séparation claire sous l'angle organisationnel et, le cas échéant, soient fournies par une entité juridique distincte détenue par l'établissement de monnaie électronique conformément à l'article 185.]1

  
8.3. Verboden werkzaamheden
8.3. Activités interdites
Art. 193. § 1. Artikel 192 voorziet niet in de mogelijkheid voor instellingen voor elektronisch geld om werkzaamheden te verrichten die bestaan in het in ontvangst nemen van gelddeposito's of andere terugbetaalbare geldmiddelen in de zin van artikel 1 van de bankwet en van [1 artikel 28 van de wet van 11 juli 2018]1.
  § 2. Geldmiddelen die instellingen voor elektronisch geld van houders van elektronisch geld ontvangen, worden onverwijld gewisseld voor elektronisch geld.
  Dergelijke geldmiddelen zijn noch gelddeposito's, noch andere terugbetaalbare gelden in de zin van artikel 1 van de bankwet en van artikel 68bis van de wet van 16 juni 2006, op voorwaarde dat de in het eerste lid bedoelde verplichting vervuld is.
  Indien de in het eerste lid bedoelde verplichting niet vervuld is, wordt het in ontvangst nemen van die geldmiddelen gelijkgesteld met een in ontvangst nemen van gelddeposito's of andere terugbetaalbare gelden dat in strijd is met paragraaf 1 en met artikel 68bis van de wet van 16 juni 2006.
  § 3. De artikelen 41 en 45 zijn van toepassing op de geldmiddelen die worden ontvangen in het kader van betalingsdiensten die mogen worden verricht op grond van artikel 191, eerste lid en die geen verband houden met de uitgifte van elektronisch geld.
  
Art. 193. § 1er. L'article 192 ne couvre pas la possibilité pour les établissements de monnaie électronique d'exercer une activité de réception de dépôts d'argent ou d'autres fonds remboursables au sens de l'article 1er de la loi bancaire et de [1 l'article 28 de la loi du 11 juillet 2018]1.
  § 2. Les fonds reçus des détenteurs de monnaie électronique par des établissements de monnaie électronique sont échangés sans délai contre de la monnaie électronique.
  Ces fonds ne constituent pas des dépôts d'argent ou d'autres fonds remboursables au sens de l'article 1er de la loi bancaire et de l'article 68bis de la loi du 16 juin 2006, à condition que l'obligation visée à l'alinéa 1er soit respectée.
  A défaut de respecter l'obligation visée à l'alinéa 1er, la réception de ces fonds est assimilée à une réception de dépôts d'argent ou d'autres fonds remboursables en violation du paragraphe 1er et de l'article 68bis de la loi du 16 juin 2006.
  § 3. Les articles 41 et 45 s'appliquent aux fonds reçus dans le cadre de la fourniture de services de paiement autorisée en application de l'article 191, alinéa 1er qui ne sont pas liés à l'activité d'émission de monnaie électronique.
  
Onderafdeling 9. - Bescherming van geldmiddelen
Sous-section 9. - De la protection des fonds
Art. 194. § 1. De geldmiddelen die in ruil voor elektronisch geld door een instelling voor elektronisch geld worden ontvangen, moeten :
  1° in haar boekhouding te allen tijde afzonderlijk kunnen worden geïdentificeerd, met name ten opzichte van andere geldmiddelen; en
  2° wanneer ze op het einde van de werkdag volgend op de dag waarop ze zijn ontvangen, nog niet zijn overgemaakt door de instelling voor elektronisch geld als gevolg van het gebruik van het elektronisch geld of van de terugbetaling ervan :
  a) [2 worden gedeponeerd op een afzonderlijke gezamenlijke of geïndividualiseerde rekening bij een entiteit die de hoedanigheid heeft van kredietinstelling die ressorteert onder het recht van een lidstaat, van een bijkantoor in België van een kredietinstelling die ressorteert onder het recht van een derde land, of van een centrale bank van een lidstaat naar diens eigen discretionaire beoordeling; of"]2
  b) worden belegd in een erkend geldmarktfonds in de zin van artikel 4, 8° van het koninklijk besluit van 19 december 2017 tot bepaling van nadere regels tot omzetting van de richtlijn betreffende markten voor financiële instrumenten; of
  c) worden belegd in veilige, liquide activa met een lage risicograad, zoals gedefinieerd door de Bank overeenkomstig het recht van de Unie; of
  3° naar tevredenheid van de Bank gedekt zijn door een verzekering, garantie of waarborg van een verzekeringsonderneming of kredietinstelling die ressorteert onder het recht van een lidstaat of die een vestiging heeft in België en die ressorteert onder het recht van een derde land, en die niet tot dezelfde groep behoort als de instelling voor elektronisch geld. Die verzekering, garantie of waarborg moet een bedrag dekken dat minstens gelijk is aan het bedrag dat toegewezen geweest zou zijn met toepassing van punt 2°, en dat betaalbaar is ingeval de instelling voor elektronisch geld niet in staat is haar financiële verplichtingen na te komen.
  De in het eerste lid, 2°, a) bedoelde entiteiten mogen op de geldmiddelen die op een afzonderlijke rekening zijn gedeponeerd, geen recht doen gelden ingevolge eigen vorderingen op de instelling voor elektronisch geld die deze rekening heeft geopend. Beslag onder derden door de schuldeisers van de instelling voor elektronisch geld op deze rekeningen en hun saldo is evenmin toegestaan.
  De in het eerste lid, 3°, bedoelde entiteiten mogen op de geldmiddelen die in hoofde van de verzekeringsovereenkomst, garantie of waarborg verschuldigd zijn, geen recht doen gelden ingevolge eigen vorderingen op de instelling voor elektronisch geld die deze verzekeringsovereenkomst, garantie of waarborg heeft afgesloten. Beslag onder derden door de schuldeisers van de instelling voor elektronisch geld op deze geldmiddelen is evenmin toegestaan.
  De Bank kan toestaan dat de in het eerste lid, 2°, bedoelde geldmiddelen gedeponeerd worden bij een kredietinstelling die ressorteert onder het recht van een derde land en die geen vestiging heeft in België, of dat de in het eerste lid, c) bedoelde verzekeringen, garanties of waarborgen verstrekt worden door een verzekeringsonderneming of een kredietinstelling die ressorteert onder het recht van een derde land en die geen vestiging heeft in België, indien deze kredietinstelling of verzekeringsonderneming onderworpen is aan een toezicht dat gelijkwaardig is met het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en verzekeringsondernemingen zoals bepaald in de Europese regelgeving.
  Wanneer het elektronisch geld wordt verworven door middel van een betaalinstrument, moeten de geldmiddelen die in ruil voor het elektronisch geld worden ontvangen, beschermd worden vanaf het moment dat de betaalrekening van de instelling voor elektronisch geld ermee gecrediteerd is of vanaf het moment dat ze op een andere manier ter beschikking worden gesteld van de instelling voor elektronisch geld. De in dit artikel vastgestelde voorschriften inzake de bescherming van geldmiddelen moeten in ieder geval uiterlijk vijf werkdagen na de uitgifte van het elektronisch geld zijn nageleefd.
  § 2. Wanneer een gedeelte van de geldmiddelen die in ruil voor het uitgegeven elektronisch geld zijn ontvangen, potentieel bestemd is om door de cliënt te worden gebruikt om van de instelling voor elektronisch geld diensten te ontvangen in het kader van andere werkzaamheden van de instelling voor elektronisch geld die op grond van artikel 192 zijn toegelaten, zijn de verplichtingen van paragraaf 1 niet van toepassing op dit gedeelte van de geldmiddelen. Wanneer dat gedeelte variabel is of niet van tevoren gekend is, kunnen de instellingen voor elektronisch geld dit bedrag berekenen op basis van een representatief gedeelte van de geldmiddelen dat geacht wordt voor de uitgifte van elektronisch geld te worden gebruikt, mits het redelijkerwijs mogelijk is een dergelijk representatief gedeelte naar tevredenheid van de Bank op basis van historische gegevens te ramen. Zo niet is paragraaf 1 van toepassing op alle geldmiddelen.
  § 3. Artikel 42 is van toepassing op de instellingen voor elektronisch geld die krachtens artikel 191, eerste lid betalingsdiensten aanbieden die geen verband houden met de uitgifte van elektronisch geld.
  § 4. [1 In geval van een tegen een instelling voor elektronisch geld geopende collectieve procedure bestaande uit het faillissement of de vereffening van de instelling voor elektronisch geld in de zin van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, worden de schuldvorderingen die voortvloeien uit de deponering, de belegging of de dekking met toepassing van paragraaf 1, eerste lid, 2° en 3°, bij bijzonder voorrecht aangewend voor de terugbetaling van de in ruil voor het uitgegeven elektronisch geld ontvangen geldmiddelen bedoeld in paragraaf 1.
   In afwijking van de artikelen XX.155, § 1, XX.156, eerste en tweede lid, en XX.165 van het Wetboek van Economisch Recht, vereist de invordering van de in ruil voor elektronisch geld gestorte geldmiddelen in toepassing van het eerste lid geen individuele aangifte van schuldvordering van de titularissen ervan. De curator of de vereffenaar informeert de betrokken titularissen van geldmiddelen schriftelijk van het bedrag van de geldmiddelen waarop zij recht hebben, in voorkomend geval verminderd met het bedrag van de aan de toewijzing van het voorwerp van het bijzonder voorrecht verbonden kosten, en nodigt hen uit om hem, door middel van een vooraf opgesteld formulier dat een bijlage vormt aan zijn schrijven of toegankelijk is via een door de curator of de vereffenaar ter beschikking gesteld elektronisch platform voor het delen van informatie, in kennis te stellen van de noodzakelijke informatie die hem zal toelaten over te gaan tot de terugbetaling van dit bedrag in het kader van het proces van de vereffening van het faillissement in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen van het boek XX van het Wetboek van Economisch Recht of, in voorkomend geval, de afwikkeling van de vereffening in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen van boek 2, titel 8, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen. Bij gebreke aan mededeling aan de curator of aan de vereffenaar van het voormelde formulier of van een equivalent verzoek volgens de door de curator of de vereffenaar voorziene modaliteiten, binnen een termijn van zes maanden vanaf zijn schrijven aan de betrokken titularissen van geldmiddelen, verliezen deze het voordeel van het in het eerste lid bedoelde voorrecht alsook het recht om opname te vorderen van hun schuldvordering.]1

  § 5. De instellingen voor elektronisch geld lichten de Bank op voorhand in over elke substantiële wijziging in de maatregelen die met toepassing van paragraaf 1 worden genomen.
  
Art. 194. § 1er. Les fonds reçus par un établissement de monnaie électronique en échange de la monnaie électronique émise doivent :
  1° pouvoir être à tout moment distinctement identifiés dans sa comptabilité, notamment par rapport à d'autres fonds; et
  2° lorsqu'à la fin du jour ouvrable suivant le jour où ils ont été reçus, ils n'ont pas encore été transférés par l'établissement de monnaie électronique à la suite de l'utilisation de la monnaie électronique ou de son remboursement :
  a) [2 être déposés sur un compte global ou individualisé distinct auprès d'une entité ayant la qualité d'établissement de crédit relevant du droit d'un Etat membre, d'une succursale en Belgique d'établissement de crédit relevant du droit d'un pays tiers, ou d'une banque centrale d'un Etat membre, à la discrétion de celle-ci ; ou"]2
  b) être investis auprès de fonds du marché monétaire qualifié au sens de l'article 4, 8° de l'arrêté royal du 19 décembre 2017 portant les règles et modalités visant à transposer la Directive concernant les marchés d'instruments financiers; ou
  c) être investis dans des actifs à faible risque, liquides et sûrs, tels que définis par la Banque conformément au droit de l'Union; ou
  3° être couverts, d'une manière jugée satisfaisante par la Banque, par une assurance, une garantie ou une caution d'une entreprise d'assurance ou d'un établissement de crédit relevant du droit d'un Etat membre ou disposant d'un établissement en Belgique et relevant du droit d'un pays tiers, laquelle entreprise d'assurance ou lequel établissement de crédit ne peut appartenir au même groupe que l'établissement de monnaie électronique, pour un montant qui est égal au montant qui aurait été affecté en application du point 2°, et qui est payable si l'établissement de monnaie électronique n'est pas en mesure d'honorer ses obligations financières.
  Les entités visées à l'alinéa 1er, 2°, a) ne peuvent, sur les fonds déposés sur un compte distinct, faire valoir de droit résultant de créances propres sur l'établissement de monnaie électronique qui a ouvert ce compte. De même, ces comptes et leur solde ne peuvent faire l'objet d'aucune saisie-arrêt par les créanciers de l'établissement de monnaie électronique.
  Les entités visées à l'alinéa 1er, 3°, ne peuvent, sur les fonds dus en exécution du contrat d'assurance, de la garantie ou de la caution, faire valoir de droit résultant de créances propres sur l'établissement de monnaie électronique qui a contracté cette assurance, garantie ou caution. De même, ces fonds ne peuvent faire l'objet d'aucune saisie-arrêt par les créanciers de l'établissement de monnaie électronique.
  La Banque peut autoriser que les fonds visés à l'alinéa 1er, 2°, soient déposés auprès d'un établissement de crédit relevant du droit d'un pays tiers et ne disposant pas d'un établissement en Belgique, ou que les assurances, garanties ou cautions visées à l'alinéa 1er, c), soient fournies par une entreprise d'assurance ou un établissement de crédit relevant du droit d'un pays tiers et ne disposant pas d'un établissement en Belgique, si cet établissement de crédit ou cette entreprise d'assurance est soumis(e) à un contrôle qui soit équivalent au contrôle prudentiel des établissements de crédit et des entreprises d'assurance défini par la réglementation européenne.
  Lorsque la monnaie électronique est acquise par le moyen d'un instrument de paiement, la protection afférente aux fonds reçus en échange de la monnaie électronique ne doit être assurée qu'à partir du moment où les fonds sont portés au crédit du compte de paiement de l'établissement de monnaie électronique ou mis par tout autre moyen à la disposition de l'établissement de monnaie électronique. En tout état de cause, les règles de protection des fonds prévues par le présent article doivent être respectées au plus tard cinq jours ouvrables après l'émission de la monnaie électronique.
  § 2. Lorsqu'une partie des fonds reçus en échange de la monnaie électronique émise est potentiellement destinée à être utilisée par le client aux fins de bénéficier de services fournis par l'établissement de monnaie électronique dans le cadre d'autres activités de l'établissement de monnaie électronique permises en vertu de l'article 192, cette partie des fonds ne relève pas des obligations prévues par le paragraphe 1er. Si cette partie est variable ou ne peut être déterminée à l'avance, les établissements de monnaie électronique peuvent calculer ce montant en supposant qu'une partie représentative des fonds servira à l'émission de monnaie électronique, à condition que, sur la base de données historiques, il soit raisonnablement possible d'estimer cette partie représentative d'une manière jugée satisfaisante par la Banque. Dans la négative, le paragraphe 1er s'applique à l'ensemble des fonds.
  § 3. L'article 42 s'applique aux établissements de monnaie électronique qui fournissent des services de paiement en vertu de l'article 191, alinéa 1er lorsque ceux-ci ne sont pas liés à l'activité d'émission de monnaie électronique.
  § 4. [1 En cas de procédure de liquidation collective consistant dans la faillite ou dans la liquidation au sens du Code des sociétés et des associations, ouverte à l'encontre de l'établissement de monnaie électronique, les créances résultant du dépôt, de l'investissement ou de la couverture en application du paragraphe 1er, alinéa 1er, 2° et 3°, sont affectées par privilège spécial au remboursement des fonds reçus en échange de la monnaie électronique émise visés au paragraphe 1er.
   Par dérogation aux articles XX.155, § 1er, XX.156, alinéas 1er et 2, et XX.165 du Code de droit économique, le recouvrement des fonds versés en échange de monnaie électronique visés au paragraphe 1er en application de l'alinéa 1er ne requiert pas de déclaration de créance individuelle des titulaires de ceux-ci. Le curateur ou liquidateur informe les titulaires des fonds concernés par écrit du montant des fonds auquel ils ont droit, le cas échéant, déduit du montant des frais relatifs à l'affectation de l'assiette du privilège spécial, et les invite à lui communiquer, par le biais d'un formulaire préétabli joint à son courrier ou accessible via une plateforme électronique de partage d'informations mise à disposition par le curateur ou le liquidateur, les informations nécessaires lui permettant de procéder au remboursement de ce montant dans le cadre du processus de liquidation conformément aux dispositions applicables du livre XX du Code de droit économique ou, le cas échéant, du déroulement de la liquidation de la faillite conformément aux dispositions applicables du livre 2, titre 8, du Code des sociétés et des associations. A défaut de communication au curateur ou au liquidateur du formulaire précité ou d'une demande équivalente selon les modalités prévues par le curateur ou le liquidateur dans un délai de six mois à dater son courrier aux titulaires des fonds concernés, ceux-ci perdent le bénéfice du privilège prévu à l'alinéa 1er et leur droit d'agir en admission de leur créance.]1

  § 5. Les établissements de monnaie électronique informent la Banque à l'avance de tout changement significatif affectant les mesures prises en application du paragraphe 1er.
  
Onderafdeling 10. - Uitbesteding
Sous-section 10. - Recours à la sous-traitance
Art. 195. Artikel 38 is van overeenkomstige toepassing.
Art. 195. L'article 38 est applicable par analogie.
Onderafdeling 11. - Bewaring van gegevens
Sous-section 11. - Conservation des données
Art. 196. Artikel 75 is van overeenkomstige toepassing.
Art. 196. L'article 75 s'applique par analogie.
Afdeling IV. - Boekhoudregels en periodieke informatieverstrekking
Section IV. - Règles comptables et informations périodiques
Art. 197. § 1. De instellingen voor elektronisch geld leggen hun jaarrekening en hun geconsolideerde jaarrekening neer bij de Bank.
  Na advies van de Bank bepaalt de Koning voor alle instellingen voor elektronisch geld of per categorie van instellingen voor elektronisch geld volgens welke regels :
  1° zij hun boekhouding voeren, inventarisramingen verrichten en hun jaarrekening opmaken en openbaar maken;
  2° zij hun geconsolideerde jaarrekening opmaken, controleren en openbaar maken en het jaar- en controleverslag over deze geconsolideerde jaarrekening opmaken en openbaar maken.
  De in het tweede lid bedoelde regels bepalen dat in de boekhouding van de door de instelling voor elektronisch geld verrichte transacties een duidelijk onderscheid moet worden gemaakt tussen transacties die verband houden met de uitgifte van elektronisch geld en die welke verband houden met andere werkzaamheden die op grond van de artikelen 191 en 192 zijn toegelaten.
  De Bank kan bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 de toepassingsmodaliteiten bepalen van de krachtens het tweede en het derde lid vastgestelde regels.
  Deze reglementen worden vastgesteld na raadpleging van de instellingen voor elektronisch geld, in voorkomend geval via hun beroepsverenigingen.
  Voor bepaalde categorieën van instellingen voor elektronisch geld of in bijzondere gevallen kan de Bank met name met redenen omklede afwijkingen toestaan van de in het vierde lid bedoelde besluiten en reglementen, voor alle instellingen voor elektronisch geld die zich in vergelijkbare omstandigheden bevinden.
  § 2. De instellingen voor elektronisch geld leggen periodiek een gedetailleerde financiële staat voor aan de Bank. Die staat wordt opgemaakt overeenkomstig de regels die zijn vastgesteld door de Bank, die ook de rapporteringsfrequentie bepaalt.
  Bovendien kan de Bank eisen dat haar geregeld andere cijfergegevens of uitleg worden verstrekt, zodat zij kan nagaan of de bepalingen van deze wet of van haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen of de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/110/EG zijn nageleefd.
  § 3. De effectieve leiding van de instelling voor elektronisch geld verklaart aan de Bank dat de voornoemde periodieke staten die zij in voorkomend geval aan het einde van het eerste halfjaar en in elk geval aan het einde van het boekjaar aan haar overmaakt, in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen. Daartoe moeten de periodieke staten :
  1° volledig zijn, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan ze worden opgesteld; en
  2° juist zijn, wat wil zeggen dat ze exact overeenstemmen met de gegevens uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan ze worden opgesteld.
  De effectieve leiding bevestigt het nodige gedaan te hebben opdat de voornoemde staten volgens de voorschriften van de Bank zijn opgemaakt en opgesteld zijn met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening, of, voor de periodieke rapporteringsstaten die geen betrekking hebben op het einde van het boekjaar, met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening met betrekking tot het laatste boekjaar.
Art. 197. § 1er. Les établissements de monnaie électronique déposent leurs comptes annuels et leurs comptes consolidés à la Banque.
  Le Roi détermine, sur avis de la Banque, pour l'ensemble des établissements de monnaie électronique ou par catégorie d'établissements de monnaie électronique :
  1° les règles selon lesquelles les établissements de monnaie électronique tiennent leur comptabilité, procèdent aux évaluations d'inventaire et établissent et publient leurs comptes annuels;
  2° les règles à respecter par les établissements de monnaie électronique pour l'établissement, le contrôle et la publication de leurs comptes consolidés, ainsi que pour l'établissement et la publication des rapports de gestion et de contrôle relatifs à ces comptes consolidés.
  Les règles visées à l'alinéa 2 prévoient que la comptabilisation des opérations de l'établissement de monnaie électronique distingue clairement celles qui relèvent de l'activité d'émission de monnaie électronique de celles qui relèvent des autres activités autorisées en application des articles 191 et 192.
  La Banque peut, par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, préciser les modalités d'application des règles définies en vertu des alinéas 2 et 3.
  Ces règlements sont pris après consultation des établissements de monnaie électronique, le cas échéant représentés par leurs associations professionnelles.
  La Banque peut notamment, pour certaines catégories d'établissements de monnaie électronique ou dans des cas particuliers, autoriser des dérogations motivées aux arrêtés et règlements visés à l'alinéa 4, pour tous les établissements de monnaie électronique se trouvant dans des circonstances comparables.
  § 2. Les établissements de monnaie électronique communiquent périodiquement à la Banque une situation financière détaillée. Celle-ci est établie conformément aux règles fixées par la Banque, qui en détermine également la fréquence.
  La Banque peut, en outre, prescrire la transmission régulière d'autres informations chiffrées ou descriptives nécessaires à la vérification du respect des dispositions de la présente loi ou des arrêtés et règlements pris pour son exécution ou des mesures d'exécution de la Directive 2009/110/CE.
  § 3. La direction effective de l'établissement de monnaie électronique déclare à la Banque que les états périodiques précités qui lui sont transmis par l'établissement le cas échéant à la fin du premier semestre social et en tout état de cause à la fin de l'exercice social, sont conformes à la comptabilité et aux inventaires. A cet effet, les états périodiques sont :
  1° complets, c'est-à-dire qu'ils mentionnent toutes les données figurant dans la comptabilité et dans les inventaires sur la base desquels ils sont établis; et
  2° corrects, c'est-à-dire qu'ils concordent exactement avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base desquels ils sont établis.
  La direction effective confirme avoir fait le nécessaire pour que les états précités soient établis selon les instructions en vigueur de la Banque, ainsi que par application des règles de comptabilisation et d'évaluation présidant à l'établissement des comptes annuels, ou, s'agissant des états périodiques qui ne se rapportent pas à la fin de l'exercice, par application des règles de comptabilisation et d'évaluation qui ont présidé à l'établissement des comptes annuels afférents au dernier exercice.
Art. 198. De leden van het wettelijk bestuursorgaan zijn zowel jegens de instelling voor elektronisch geld als jegens derden, hoofdelijk aansprakelijk voor alle schade die het gevolg is van de overtreding van artikel 197 en van de ter uitvoering van artikel 197, § 1 vastgestelde bepalingen.
  Wat de overtredingen betreft waaraan zij geen deel hebben gehad, worden de leden van het wettelijk bestuursorgaan slechts van de in het eerste lid bedoelde aansprakelijkheid ontheven indien hen geen schuld kan worden verweten en zij die overtredingen, naargelang het geval, hebben aangeklaagd op de eerste algemene vergadering of de eerstkomende zitting van het wettelijk bestuursorgaan nadat zij er kennis van hebben gekregen.
Art. 198. Les membres de l'organe légal d'administration sont solidairement responsables aussi bien envers l'établissement de monnaie électronique qu'envers les tiers, de tous dommages résultant d'infractions à l'article 197 et aux dispositions prises en exécution de l'article 197, § 1er.
  En ce qui concerne les infractions auxquelles ils n'ont pas pris part, les membres de l'organe légal d'administration ne sont déchargés de la responsabilité visée à l'alinéa 1er que si aucune faute ne leur est imputable et s'ils ont dénoncé ces infractions selon le cas, lors de la première assemblée générale ou lors de la première séance de l'organe légal d'administration suivant le moment où ils en ont eu connaissance.
HOOFDSTUK II. - Beperkte instellingen voor elektronisch geld
CHAPITRE II. - Etablissements de monnaie électronique limités
Afdeling I. - Voorwaarden om in aanmerking te komen voor het statuut
Section Ire. - Conditions d'éligibilité au statut
Art. 199. Rechtspersonen naar Belgisch recht die voldoen aan de voorwaarden van het tweede lid kunnen vragen om in aanmerking te komen voor de regeling van dit Hoofdstuk.
  Dit geldt voor rechtspersonen :
  1° waarvan het bedrijfsplan aangeeft dat de totale bedrijfswerkzaamheden een gemiddeld bedrag aan uitstaand elektronisch geld zullen genereren dat niet hoger is dan 1 500 000 euro; en
  2° waarvan de leiders zich niet in één van de situaties bevinden die in artikel 20 van de bankwet zijn beschreven.
Art. 199. Les personnes morales de droit belge qui répondent aux conditions prévues à l'alinéa 2 peuvent solliciter le bénéfice du régime prévu par le présent Chapitre.
  Sont visées les personnes morales :
  1° dont le plan d'affaires établit que les activités commerciales dans leur ensemble généreront une moyenne de monnaie électronique en circulation ne dépassant pas 1 500 000 euros; et
  2° dont les dirigeants ne se trouvent pas dans une des situations visées à l'article 20 de la loi bancaire.
Afdeling II. - Toegang tot de registratie
Section II. - Accès à l'enregistrement
Art. 200. § 1. Om in aanmerking te komen voor de regeling van deze Afdeling dienen de betrokken ondernemingen bij de Bank een registratieaanvraag in die vergezeld gaat van een administratief dossier dat voldoet aan de door haar vastgestelde voorwaarden en waarin met name de gegevens worden verstrekt op grond waarvan beoordeeld kan worden of voldaan is aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een registratie en of de aanvrager in staat is om te voldoen aan de uitoefeningsvoorwaarden die respectievelijk in de artikelen 202 en 203 zijn vastgesteld.
  Op verzoek van de Bank moet de aanvrager alle inlichtingen verstrekken die nodig zijn om de aanvraag te kunnen beoordelen.
  § 2. De Bank spreekt zich uit over de registratieaanvraag binnen drie maanden na indiening van een volledig dossier en uiterlijk twaalf maanden na indiening van de aanvraag.
  De in artikel 199 bedoelde rechtspersonen die voldoen aan de in artikel 202 vastgestelde voorwaarden voor het verkrijgen van een registratie, worden door de Bank geregistreerd als beperkte instellingen voor elektronisch geld.
  Teneinde een gezonde en prudente bedrijfsvoering van de instelling te garanderen, kan de Bank in de registratie voorwaarden stellen voor de uitoefening van bepaalde van de voorgenomen werkzaamheden.
  De beslissingen inzake registratie worden ter kennis gebracht van de aanvragers.
  In de beslissing van de Bank wordt gespecificeerd voor welke van de in de punten 1 tot 5 van Bijlage I.A vermelde betalingsdiensten de registratie wordt verleend.
Art. 200. § 1er. Aux fins de bénéficier du régime prévu par la présente Section, les entreprises concernées soumettent à la Banque une demande d'enregistrement, accompagnée d'un dossier administratif répondant aux conditions qu'elle fixe et dans lequel sont notamment fournies les informations permettant d'apprécier le respect des conditions d'accès à l'enregistrement et l'aptitude du demandeur à satisfaire aux conditions d'exercice prévues respectivement par les articles 202 et 203.
  A la demande de la Banque, le demandeur doit fournir tous renseignements nécessaires à l'appréciation de sa demande.
  § 2. La Banque se prononce sur la demande d'enregistrement dans les trois mois de l'introduction d'un dossier complet et au plus tard dans les douze mois de l'introduction de la demande.
  La Banque enregistre en qualité d'établissement de monnaie électronique limité les personnes morales visées à l'article 199 quirépondent aux conditions d'accès à l'enregistrement prévues à l'article 202.
  La Banque peut en vue d'une gestion saine et prudente de l'établissement, assortir l'enregistrement de conditions relatives à l'exercice de certaines des activités projetées.
  Les décisions en matière d'enregistrement sont notifiées aux demandeurs.
  La décision de la Banque précise les services de paiement visés aux points 1 à 5 de l'Annexe I.A qui, le cas échéant, sont couverts par l'enregistrement.
Art. 201. De beperkte instellingen voor elektronisch geld die krachtens artikel 200 geregistreerd zijn, worden opgenomen in de lijst bedoeld in artikel 166, § 1, eerste lid, 2°.
  De beperkte instelling voor elektronisch geld brengt de Bank onverwijld op de hoogte van alle wijzigingen die zij in de loop van de uitoefening van haar bedrijf heeft aangebracht in de gegevens die overeenkomstig artikel 200 zijn meegedeeld.
Art. 201. Les établissements de monnaie électronique limités enregistrés en vertu de l'article 200 sont inscrits à la liste visée à l'article 166, § 1er, alinéa 1er, 2°.
  L'établissement de monnaie électronique limité informe sans tarder la Banque de toutes modifications apportées, au cours de l'exercice de son activité, aux informations communiquées en application de l'article 200.
Afdeling III. - Voorwaarden voor het verkrijgen van een registratie
Section III. - Conditions d'accès à l'enregistrement
Art. 202. De bepalingen van Titel II, Hoofdstuk I, Afdeling II van dit Boek zijn van toepassing op de beperkte instellingen voor elektronisch geld. Na advies van de Bank kan de Koning de beperkte instellingen voor elektronisch geld echter vrijstellen van de toepassing van alle of een deel van deze bepalingen.
  Bij de beoordeling van de registratieaanvraag houdt de Bank ook rekening met het vermogen van de aanvragende instelling om te voldoen aan de in Afdeling IV bedoelde bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden en om haar ontwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken onder de voorwaarden die nodig zijn voor de goede werking van het financiële stelsel en voor de veiligheid van de gebruikers.
Art. 202. Les dispositions du Titre II, Chapitre Ier, Section II du présent Livre s'appliquent aux établissements de monnaie électronique limités. Toutefois, le Roi peut exempter, sur avis de la Banque, les établissements de monnaie électronique limités de l'application de tout ou partie de ces dispositions.
  Lors de l'appréciation de la demande d'enregistrement, la Banque tient également compte de l'aptitude de l'établissement demandeur à satisfaire aux conditions d'exercice de l'activité visées à la Section IV ainsi qu'à réaliser ses objectifs de développement dans les conditions que requièrent le bon fonctionnement du système financier et la sécurité des utilisateurs.
Afdeling IV. - Uitoefeningsvoorwaarden
Section IV. - Conditions d'exercice
Art. 203. § 1. De beperkte instellingen voor elektronisch geld mogen geen betalingsdiensten aanbieden :
  1° die geen verband houden met het elektronisch geld dat overeenkomstig dit artikel is uitgegeven, tenzij de voorwaarden van Boek II, Titel II, Hoofdstuk II, Afdeling I vervuld zijn;
  2° als bedoeld in de punten 6 tot 8 van Bijlage I.A.
  [1 § 1/1. Beperkte instellingen voor elektronisch geld mogen geen cryptoactivadiensten als bedoeld in artikel 3, lid 1, punt 16), van Verordening 2023/1114 aanbieden.]1
  § 2. De bepalingen van Titel II, Hoofdstuk I, Afdeling III van dit Boek zijn van toepassing op de beperkte instellingen voor elektronisch geld. Na advies van de Bank kan de Koning de beperkte instellingen voor elektronisch geld echter vrijstellen van de toepassing van alle of een deel van deze bepalingen, met uitzondering van de artikelen 191 tot 194, met dien verstande dat :
  1° de Koning kan bepalen dat de personen die overeenkomstig artikel 200 geregistreerd zijn, slechts een aantal van de in de artikelen 191 en 192 opgesomde werkzaamheden mogen verrichten;
  2° de Bank de agent van de beperkte instelling voor elektronisch geld opneemt in de lijst bedoeld in artikel 201.
  § 3. Het gemiddeld bedrag aan uitstaand elektronisch geld dat gegenereerd wordt door alle bedrijfswerkzaamheden van de instelling voor elektronisch geld is niet hoger dan 1 500 000 euro.
  Wanneer een instelling voor elektronisch geld overeenkomstig artikel 191, eerste lid betalingsdiensten aanbiedt die geen verband houden met de uitgifte van elektronisch geld, of andere werkzaamheden verricht als bedoeld in artikel 191, tweede lid of artikel 192, en het uitstaande bedrag aan elektronisch geld niet van te voren is gekend, mag deze instelling voor elektronisch geld het eerste lid toepassen op basis van een representatief gedeelte van de geldmiddelen dat geacht wordt voor de uitgifte van elektronisch geld te worden gebruikt, mits dit representatief gedeelte redelijkerwijs kan worden gerechtvaardigd op basis van historische gegevens. Wanneer een instelling voor elektronisch geld haar werkzaamheden niet lang genoeg heeft uitgeoefend, wordt deze voorwaarde beoordeeld op basis van het uitstaande bedrag aan elektronisch geld als geraamd in haar bedrijfsplan, rekening houdend met de eventuele aanpassingen in dit plan die de Bank heeft verlangd.
  De beperkte instellingen voor elektronisch geld delen dit gemiddelde mee aan de Bank volgens een frequentie en op een wijze die door de Bank wordt bepaald.
  Wanneer de voorwaarde van het eerste lid niet langer vervuld is, vragen de beperkte instellingen voor elektronisch geld die geregistreerd zijn, binnen dertig kalenderdagen een vergunning aan overeenkomstig artikel 169 en volgende.
  § 4. De beperkte instellingen voor elektronisch geld zijn onderworpen aan de wet van 18 september 2017.
  § 5. De beperkte instellingen voor elektronisch geld stellen de Bank in kennis van elke verandering in hun situatie die relevant is voor de naleving van de voorwaarden van de artikelen 202 en van dit artikel.
  § 6. De beperkte instellingen voor elektronisch geld komen niet in aanmerking voor een Europees paspoort en mogen onder dit statuut geen elektronisch geld uitgeven en overmaken buiten België.
  § 7. De beperkte instellingen voor elektronisch geld moeten in de overeenkomst tot regeling van de uitgifte van elektronisch geld bepalen dat het bedrag dat op de elektronische drager mag worden opgeslagen, beperkt is tot 150 euro.
  
Art. 203. § 1er. Les établissements de monnaie électronique limités ne peuvent fournir des services de paiement :
  1° qui ne sont pas liés à la monnaie électronique émise conformément au présent article que si les conditions énoncées au Livre II, Titre II, Chapitre II, Section Ire sont remplies;
  2° visés aux points 6 à 8 de l'Annexe I.A.
  [1 § 1er/1. Les établissements de monnaie électronique limités ne peuvent fournir de services sur crypto-actifs visés à l'article 3, paragraphe 1, point 16) du règlement 2023/1114.]1
  § 2. Les dispositions du Titre II, Chapitre Ier, Section III du présent Livre s'appliquent aux établissements de monnaie électronique limités. Toutefois, le Roi peut exempter, sur avis de la Banque les établissements de monnaie électronique limités de l'application de tout ou partie de ces dispositions, à l'exception des articles 191 à 194, étant entendu que :
  1° le Roi peut prévoir que les personnes enregistrées conformément à l'article 200 ne peuvent exercer que certaines des activités énumérées aux articles 191 et 192;
  2° la Banque inscrit l'agent de l'établissement de monnaie électronique limité à la liste visé à l'article 201.
  § 3. La moyenne de monnaie électronique en circulation que génère l'ensemble des activités commerciales de l'établissement de monnaie électronique limité ne dépasse pas 1 500 000 euros.
  Lorsqu'un établissement de monnaie électronique offre, conformément à l'article 191, alinéa 1er,des services de paiement qui ne sont pas liés à l'émission de monnaie électronique ou exerce d'autres activités visées à l'article 191, alinéa 2 ou 192, et que le montant de la monnaie électronique en circulation ne peut être déterminé à l'avance, cet établissement de monnaie électronique peut bénéficier de l'application de l'alinéa 1er sur la base d'une partie représentative des fonds qui est présumée utilisée pour l'émission de monnaie électronique, à condition qu'elle puisse être raisonnablement justifiée sur la base de données historiques. Lorsqu'un établissement de monnaie électronique n'a pas accompli une période d'activité suffisamment longue, cette condition est évaluée sur la base de l'estimation de la monnaie électronique en circulation résultant de son plan d'affaires, et sous réserve d'un éventuel ajustement de ce plan exigé par la Banque.
  Les établissements de monnaie électronique limités communiquent cette moyenne à la Banque selon une fréquence et des modalités déterminées par la Banque.
  Lorsque la condition visée à l'alinéa 1er n'est plus remplie, les établissements de monnaie électronique limités enregistrés demandent l'agrément dans un délai de trente jours calendaires conformément aux articles 169 et suivants.
  § 4. Les établissements de monnaie électronique limités sont soumis à la loi du 18 septembre 2017.
  § 5. Les établissements de monnaie électronique limités informent la Banque de tout changement de leur situation ayant une incidence sur le respect des conditions prévues aux articles 202 et au présent article.
  § 6. Les établissements de monnaie électronique limités ne bénéficient pas du passeport européen et ne peuvent, sous ce statut, émettre et distribuer de la monnaie électronique en dehors de la Belgique.
  § 7. Les établissements de monnaie électronique limités doivent prévoir, dans le contrat régissant l'émission de monnaie électronique, que le montant chargé sur le support électronique stockant la monnaie électronique ne peut dépasser 150 euros.
  
Afdeling V. - Periodieke en boekhoudkundige informatie, toezicht en regels voor instellingen die in moeilijkheden of in een onregelmatige situatie verkeren
Section V. - Les informations périodiques et comptables, le contrôle et les règles régissant les établissements en situation irrégulière ou en difficulté
Art. 204. De bepalingen van Titel II, Hoofdstuk I, Afdeling IV en Hoofdstuk III van dit Boek zijn van toepassing op de beperkte instellingen voor elektronisch geld. Na advies van de Bank kan de Koning de beperkte instellingen voor elektronisch geld echter vrijstellen van de toepassing van alle of een deel van deze artikelen.
Art. 204. Les dispositions du Titre II, Chapitre Ier, Section IV et Chapitre III du présent Livre s'appliquent aux établissements de monnaie électronique limités. Toutefois, le Roi peut exempter, sur avis de la Banque, les établissements de paiement limités de l'application de tout ou partie de ces articles.
HOOFDSTUK III. - Toezicht op instellingen voor elektronisch geld, in moeilijkheden of in een onregelmatige situatie verkerende instellingen voor elektronisch geld en beëindiging van de vergunning of registratie
CHAPITRE III. - Contrôle des établissements de monnaie électronique, établissements de monnaie électronique en difficulté ou en situation irrégulière et fin de l'agrément ou de l'enregistrement
Afdeling I. - Toezicht op de instellingen voor elektronisch geld naar Belgisch recht
Section Ire. - Contrôle des établissements de monnaie électronique de droit belge
Onderafdeling 1. - Toezicht van de Bank
Sous-section 1re. - Contrôle exercé par la Banque
1.1. Beginselen
1.1. Principes
Art. 205. § 1. De instellingen voor elektronisch geld zijn onderworpen aan het toezicht van de Bank.
  De Bank ziet erop toe dat elke instelling voor elektronisch geld doorlopend werkt overeenkomstig de bepalingen van deze wet en van haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen, evenals van de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/110/EG [1 , en overeenkomstig de bepalingen van Verordening (EU) 2017/2402]1 [1 en van Verordening (EU) 2022/2554]1. Het toezicht van de Bank staat in verhouding tot en is aangepast aan de aard, de omvang en de complexiteit van de door de instelling voor elektronisch geld verrichte werkzaamheden en de eraan verbonden risico's.
  § 2. Het toezicht van de Bank slaat evenwel niet op de werkzaamheden van de instelling voor elektronisch geld die krachtens artikel 192 zijn toegelaten, tenzij dit vereist is voor het toezicht op de naleving door de instelling voor elektronisch geld van de bepalingen van deze wet en van haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen evenals van de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/110/EG [1 , en van de bepalingen van Verordening (EU) 2017/2402]1 [1 en van Verordening (EU) 2022/2554]1.
  
Art. 205. § 1er. Les établissements de monnaie électronique sont soumis au contrôle de la Banque.
  La Banque veille à ce que chaque établissement de monnaie électronique opère en permanence conformément aux dispositions de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution ainsi que des mesures d'exécution de la Directive 2009/110/CE [1 et aux dispositions du règlement (UE) 2017/2402]1 [1 et du règlement (UE) 2022/2554]1. Le contrôle exercé par la Banque est proportionné et adéquat, au regard de la nature, du volume et de la complexité des activités de l'établissement de monnaie électronique, ainsi que des risques y afférents.
  § 2. Le contrôle de la Banque ne porte toutefois pas sur les activités de l'établissement de monnaie électronique autorisées en application de l'article 192, sauf dans la mesure requise pour le contrôle du respect par l'établissement de monnaie électronique des dispositions de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution ainsi que des mesures d'exécution de la Directive 2009/110/CE [1 et des dispositions du règlement (UE) 2017/2402]1 [1 et du règlement (UE) 2022/2554]1.
  
Art. 206. Relaties tussen een instelling voor elektronisch geld, haar agent of haar distributeur en een bepaalde cliënt behoren niet tot de bevoegdheid van de Bank, tenzij het toezicht op de instelling voor elektronisch geld dit vergt.
Art. 206. La Banque ne connaît des relations entre l'établissement de monnaie électronique, son agent ou son distributeur et un client déterminé que dans la mesure requise pour le contrôle de l'établissement de monnaie électronique.
1.2. Prerogatieven
1.2. Prérogatives
Art. 207. Met het oog op haar toezichtsopdracht kan de Bank zich door de instellingen voor elektronisch geld alle inlichtingen doen verstrekken over hun organisatie, werking, financiële positie en verrichtingen. Met dat doel kan de Bank zich ook inlichtingen doen verstrekken door agenten of distributeurs van instellingen voor elektronisch geld of door entiteiten waaraan de instelling taken heeft uitbesteed.
Art. 207. Aux fins de sa mission de contrôle, la Banque peut se faire communiquer par les établissements de monnaie électronique toutes informations relatives à leur organisation, à leur fonctionnement, à leur situation financière et à leurs opérations. A cette fin, la Banque peut également se faire communiquer des informations par les agents ou distributeurs d'établissements de monnaie électronique ou par des entités auprès desquelles l'établissement sous-traite l'exécution de tâches.
Art. 208. § 1. Met het oog op haar toezichtsopdracht kan de Bank bij de instellingen voor elektronisch geld inspecties ter plaatse verrichten en ter plaatse kennis nemen en een kopie maken van alle gegevens waarover de instelling voor elektronisch geld beschikt,
  1° om na te gaan of de wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende het statuut van de instellingen voor elektronisch geld zijn nageleefd en of de boekhouding en de jaarrekening, alsmede de haar door de instelling voor elektronisch geld voorgelegde staten en andere inlichtingen, juist en waarheidsgetrouw zijn;
  2° om het passende karakter te toetsen van de beleidsstructuren, de administratieve en boekhoudkundige organisatie en de interne controle van de instelling voor elektronisch geld;
  3° om zich ervan te vergewissen dat de bedrijfsvoering van de instelling voor elektronisch geld gezond en prudent is, en dat haar positie of haar verrichtingen haar liquiditeit, rendabiliteit of solvabiliteit niet in gevaar kunnen brengen.
  De in het eerste lid bedoelde prerogatieven omvatten ook de toegang tot de agenda's en de notulen van de vergaderingen van de verschillende organen van de instelling en van hun interne comités, evenals tot de bijbehorende documenten en tot de resultaten van de interne en/of externe beoordeling van de werking van die organen.
  § 2. In het kader van haar toezicht en met name van haar inspecties, zijn de personeelsleden van de Bank gemachtigd om van de leiders en de werknemers van de instelling voor elektronisch geld alle inlichtingen en uitleg te verkrijgen die zij nodig achten voor de uitvoering van hun opdrachten en kunnen zij te dien einde eisen dat er gesprekken plaatsvinden met leiders of personeelsleden van de instelling die zij aanduiden.
  § 3. De inspectieverslagen en meer in het algemeen alle documenten die uitgaan van de Bank, waarvan zij aangeeft dat ze vertrouwelijk zijn, mogen niet openbaar worden gemaakt door de instellingen voor elektronisch geld zonder uitdrukkelijke toestemming van de Bank.
  De niet-naleving van deze verplichting wordt bestraft met de straffen waarin voorzien is in artikel 458 van het Strafwetboek.
  § 4. Met het oog op het bepaalde in paragraaf 1 kan de Bank ook ter plaatse inspecties verrichten bij agenten of distributeurs van instellingen voor elektronisch geld of bij entiteiten waaraan de instelling voor elektronisch geld taken heeft uitbesteed, en ter plaatse kennis nemen en een kopie maken van alle gegeven waarover zij beschikken.
  § 5. Voor de uitvoering van haar toezichtsopdracht mag de Bank een beroep doen op deskundigen die zij aanstelt om de nuttige controles en onderzoeken te verrichten. De bezoldiging en de kosten van deze deskundigen worden door de instelling voor elektronisch geld gedragen.
Art. 208. § 1er. Aux fins de sa mission de contrôle, la Banque peut procéder auprès des établissements de monnaie électronique à des inspections sur place et prendre connaissance et copie, sans déplacement, de toute information détenue par l'établissement de monnaie électronique, en vue :
  1° de vérifier le respect des dispositions légales et réglementaires relatives au statut des établissements de monnaie électronique ainsi que l'exactitude et la sincérité de la comptabilité et des comptes annuels ainsi que des états et autres informations qui lui sont transmis par l'établissement de monnaie électronique;
  2° de vérifier le caractère adéquat des structures de gestion, de l'organisation administrative et comptable et du contrôle interne de l'établissement de monnaie électronique;
  3° de s'assurer que la gestion de l'établissement de monnaie électronique est saine et prudente et que sa situation ou ses opérations ne sont pas de nature à mettre en péril sa liquidité, sa rentabilité ou sa solvabilité.
  Les prérogatives visées à l'alinéa 1er couvrent également l'accès aux ordres du jour et aux procès-verbaux des réunions des différents organes de l'établissement et de leurs comités internes, ainsi qu'aux documents y afférents et aux résultats de l'évaluation interne et/ou externe du fonctionnement desdits organes.
  § 2. Dans le cadre de son contrôle et notamment de ses inspections, les agents de la Banque sont habilités à recevoir des dirigeants et des employés de l'établissement de monnaie électronique toutes informations et explications qu'ils estiment nécessaires pour l'exercice de leurs missions et peuvent, à cette fin, requérir la tenue d'entretiens avec des dirigeants ou membres du personnel de l'établissement qu'ils désignent.
  § 3. Les rapports d'inspection et plus généralement tous les documents émanant de la Banque dont elle indique qu'ils sont confidentiels ne peuvent être divulgués par les établissements de monnaie électronique sans le consentement exprès de la Banque.
  Le non-respect de cette obligation est puni des peines prévues par l'article 458 du Code pénal.
  § 4. Aux fins visées au paragraphe 1er, la Banque peut également procéder à des inspections sur place auprès des agents ou distributeurs d'établissements de monnaie électronique ou des entités auprès desquelles l'établissement sous-traite l'exécution de tâches, et prendre connaissance et copie, sans déplacement, de toute information détenue par ces derniers.
  § 5. La Banque peut, pour l'exécution de sa mission de contrôle, recourir à des experts qu'elle désigne en vue d'effectuer les vérifications et expertises utiles. La rémunération et les frais de ces experts sont à charge de l'établissement de monnaie électronique.
Onderafdeling 2. - Toezicht door de Bank op in een andere lidstaat uitgeoefende werkzaamheden
Sous-section 2. - Contrôle exercé par la Banque à l'égard des activités exercées dans un autre Etat membre
2.1. Definities en beginselen
2.1. Définitions et principes
Art. 209. Voor de toepassing van deze Onderafdeling wordt de Bank in haar hoedanigheid van bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst beschouwd.
  Het toezicht bedoeld in artikel 205 heeft eveneens betrekking op de werkzaamheden die de instellingen voor elektronisch geld uitoefenen via een bijkantoor, via een agent of een distributeur of via het vrij verrichten van diensten in een andere lidstaat.
Art. 209. Pour l'application de la présente Sous-section, la Banque est visée en sa qualité d'autorité compétente de l'Etat membre d'origine.
  Le contrôle visé à l'article 205, porte également sur les activités que les établissements de monnaie électronique exercent par voie de succursale, par l'intermédiaire d'un agent ou d'un distributeur ou en libre prestation de services dans un autre Etat membre.
2.2. Controle ter plaatse
2.2. Contrôle sur place
Art. 210. Met het oog op de controle die zij op in het buitenland verrichte werkzaamheden uitoefent, kan de Bank, na voorafgaande kennisgeving aan de autoriteiten van de betrokken lidstaat die belast zijn met het toezicht op de instellingen voor elektronisch geld, bij de in het buitenland gevestigde bijkantoren van de instellingen voor elektronisch geld naar Belgisch recht, evenals bij de in het buitenland gevestigde agenten, distributeurs en entiteiten waaraan de instelling voor elektronisch geld taken heeft uitbesteed, de in artikel 205 bedoelde inspecties verrichten, met name alle inspecties met als doel ter plaatse gegevens te verzamelen of te toetsen over de leiding en de bedrijfsvoering van het bijkantoor, alsook alle gegevens die het toezicht op de instelling voor elektronisch geld kunnen vergemakkelijken, inzonderheid op het vlak van haar financiële positie, administratieve en boekhoudkundige organisatie en interne controle.
  Met hetzelfde doel en na kennisgeving aan de betrokken toezichthouders, kan zij een deskundige die zij aanstelt, gelasten met alle nuttige controles en onderzoeken. De bezoldiging en de kosten van deze deskundige worden door de instelling voor elektronisch geld gedragen.
  Evenzo kan de Bank deze autoriteiten verzoeken bepaalde controles en onderzoeken te verrichten.
Art. 210. Aux fins de son contrôle en ce qu'il porte sur des activités exercées à l'étranger, la Banque peut procéder auprès des succursales des établissements de monnaie électronique de droit belge, des agents, des distributeurs, des entités auprès desquelles l'établissement de monnaie électronique sous-traite l'exécution de tâches, établis à l'étranger, moyennant l'information préalable des autorités de l'Etat concerné chargées du contrôle des établissements de monnaie électronique, aux inspections visées à l'article 205, notamment à toute inspection en vue de recueillir ou de vérifier sur place les informations relatives à la direction et à la gestion de la succursale ainsi que toutes informations susceptibles de faciliter le contrôle de l'établissement de monnaie électronique, spécialement sur le plan de sa situation financière, de son organisation administrative et comptable et de son contrôle interne.
  Elle peut, aux mêmes fins, et après en avoir avisé les autorités de contrôle concernées, charger un expert, qu'elle désigne, d'effectuer les vérifications et expertises utiles. La rémunération et les frais de l'expert sont à charge de l'établissement de monnaie électronique.
  Elle peut, de même, demander à ces autorités de procéder aux vérifications et expertises qu'elle leur précise.
2.3. Samenwerking
2.3. Coopération
Art. 211. Artikel 107 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat dit artikel ook van toepassing is wanneer de instellingen voor elektronisch geld naar Belgisch recht via een distributeur actief zijn.
Art. 211. L'article 107 s'applique par analogie, étant entendu qu'il s'applique également lorsque les établissements de monnaie électronique de droit belge opèrent par l'intermédiaire d'un distributeur.
2.4. Buitengewone maatregelen van de Bank
2.4. Mesures exceptionnelles prises par la Banque
Art. 212. Artikel 108 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat :
  1° artikel 108 ook van toepassing is wanneer de instelling voor elektronisch geld naar Belgisch recht werkzaamheden verricht via een distributeur;
  2° de verwijzing naar de artikelen 116 en 117 moet worden gelezen als een verwijzing naar de artikelen 214 en 215.
Art. 212. L'article 108 s'applique par analogie, étant entendu que :
  1° l'article 108 s'applique également lorsque l'établissement de monnaie électronique de droit belge exerce des activités par l'intermédiaire d'un distributeur;
  2° la référence aux articles 116 et 117 doit être lue comme une référence aux articles 214 et 215.
Onderafdeling 3. - Revisoraal toezicht
Sous-section 3. - Contrôle révisoral
Art. 213. De artikelen 110 tot 115 zijn van overeenkomstige toepassing op de instellingen voor elektronisch geld, met dien verstande dat :
  1° de artikelen 110, tweede lid, en 115, § 12, moeten worden gelezen als betrekking hebbend op beperkte instellingen voor elektronisch geld die overeenkomstig artikel 200 geregistreerd zijn;
  2° de verwijzing naar de artikelen 43 en 44 in artikel 110, zesde lid, moet worden gelezen als een verwijzing naar de artikelen 191 en 192;
  3° de verwijzing naar de artikelen 21, § 1, 2° en 38, § 1, tweede lid, 1° in artikel 115, § 2 moet worden gelezen als een verwijzing naar de artikelen 176 en 195;
  4° de verwijzing naar de artikelen 41 en 42 in artikel 115, § 6, moet worden gelezen als een verwijzing naar artikel 194;
  5° de verwijzing naar artikel 103, § 3, in artikel 115, § 8, moet worden gelezen als een verwijzing naar artikel 208, § 3;
  6° de verwijzing naar artikel 43, § 1, 1°, in artikel 115, § 11, moet worden gelezen als een verwijzing naar artikel 191, tweede lid, 1° ;
  7° de verwijzing naar artikel 87, § 3, eerste lid in artikel 115, § 12, moet worden gelezen als een verwijzing naar artikel 203, § 3;
  8° de verwijzing naar de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn (EU) 2015/2366 in artikel 115, § 5, 2°, moet worden gelezen als een verwijzing naar de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/110/EG.
Art. 213. Les articles 110 à 115 s'appliquent par analogie aux établissements de monnaie électronique, étant entendu que :
  1° les articles 110, alinéa 2, et 115, § 12, doivent être lus comme se référant aux établissements de monnaie électronique limités enregistrés conformément à l'article 200;
  2° à l'article 110, alinéa 6, la référence aux articles 43 et 44 doit être lue comme une référence aux articles 191 et 192;
  3° à l'article 115, § 2, la référence aux articles 21, § 1er, 2° et 38, § 1er, alinéa 2, 1°, doit être lue comme une référence aux articles 176 et 195;
  4° à l'article 115, § 6, la référence à articles 41 et 42 doit être lue comme une référence à l'article 194;
  5° à l'article 115, § 8, la référence à l'article 103, § 3 doit être lue comme une référence à l'article 208, § 3;
  6° à l'article 115, § 11, la référence à l'article 43, § 1er, 1°, doit être lue comme une référence à l'article 191, alinéa 2, 1° ;
  7° à l'article 115, § 12, la référence à l'article 87, § 3, alinéa 1er, doit être lue comme une référence à l'article 203, § 3;
  8° à l'article 115, § 5, 2°, la référence aux mesures d'exécution de la Directive (UE) 2015/2366 doit être lue comme une référence aux mesures d'exécution de la Directive 2009/110/CE.
Afdeling II. - In moeilijkheden of in een onregelmatige situatie verkerende instellingen voor elektronisch geld
Section II. - Des établissements de monnaie électronique en difficulté ou en situation irrégulière
Onderafdeling 1. - Dwingende maatregelen
Sous-section 1re. - Des mesures contraignantes
Art. 214. Artikel 116 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat :
  1° [1 ...]1
  2° de verwijzing naar de artikelen 17 en 33 in artikel 116, § 2, 2°, moet worden gelezen als een verwijzing naar de artikelen 173 en 182;
  3° de verwijzing naar artikel 77 in artikel 116, § 2, 6°, moet worden gelezen als een verwijzing naar artikel 197, § 2, eerste en tweede lid.
  
Art. 214. L'article 116 est applicable par analogie, étant entendu que :
  1° [1 ...]1
  2° à l'article 116, § 2, 2°, la référence aux articles 17 et 33 doit être lue comme une référence aux articles 173 et 182;
  3° à l'article 116, § 2, 6°, la référence à l'article 77 doit être lue comme une référence à l'article 197, § 2, alinéas 1er et 2.
  
Onderafdeling 2. - Uitzonderlijke herstelmaatregelen
Sous-section 2. - Mesures de redressement exceptionnelles
Art. 215. § 1. Wanneer de Bank vaststelt dat een instelling voor elektronisch geld niet of niet langer voldoet aan de maatregelen die zijn genomen met toepassing van artikel 116, § 2, waarnaar artikel 214 verwijst, of dat zij de toestand na het verstrijken van de met toepassing van artikel 116, § 1, vastgestelde termijn niet heeft verholpen, kan de Bank, onverminderd de andere bepalingen die bij of krachtens deze wet zijn vastgesteld :
  1° een speciaal commissaris aanstellen.
  In dit geval is voor alle handelingen en beslissingen van alle organen van de instelling, inclusief de algemene vergadering, alsook voor die van de personen die instaan voor het beleid, zijn schriftelijke, algemene of bijzondere toestemming vereist; de verrichtingen waarvoor een toestemming is vereist, kan de Bank evenwel beperken.
  De speciaal commissaris mag elk voorstel dat hij nuttig acht aan alle organen van de instelling voorleggen, inclusief de algemene vergadering. De bezoldiging van de speciaal commissaris wordt vastgesteld door de Bank en gedragen door de instelling.
  De leden van de bestuurs- en de beleidsorganen en de personen die instaan voor het beleid, die handelingen stellen of beslissingen nemen zonder de vereiste toestemming van de speciaal commissaris, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het nadeel dat hieruit voor de instelling of voor derden voortvloeit.
  Indien de Bank de aanstelling van een speciaal commissaris in het Belgisch Staatsblad heeft bekendgemaakt, met opgave van de handelingen en beslissingen waarvoor zijn toestemming is vereist, zijn alle handelingen en beslissingen zonder deze vereiste toestemming nietig, tenzij de speciaal commissaris die bekrachtigt. Onder dezelfde voorwaarden zijn alle beslissingen van de algemene vergadering zonder de vereiste toestemming van de speciaal commissaris nietig, tenzij hij die bekrachtigt.
  De Bank kan een plaatsvervangend commissaris aanstellen;
  2° voor de termijn die zij bepaalt, de rechtstreekse of onrechtstreekse uitoefening van het bedrijf van de instelling voor elektronisch geld geheel of ten dele schorsen dan wel verbieden; deze schorsing kan, in de door de Bank bepaalde mate, de volledige of gedeeltelijke schorsing van de uitvoering van de lopende overeenkomsten tot gevolg hebben.
  De leden van de bestuurs- en beleidsorganen en de personen die instaan voor het beleid, die handelingen stellen of beslissingen nemen ondanks de schorsing, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het nadeel dat hieruit voor de instelling voor elektronisch geld of voor derden voortvloeit.
  Indien de Bank de schorsing in het Belgisch Staatsblad heeft bekendgemaakt, zijn alle hiermee strijdige handelingen en beslissingen nietig;
  3° inzake solvabiliteit, strengere vereisten opleggen dan deze bedoeld in de artikelen 173 en 182;
  4° [2 de vervanging gelasten van alle of een deel van de leden van het wettelijk bestuursorgaan, van het directiecomité en/of, in voorkomend geval, van de personen belast met de effectieve leiding van de instelling voor elektronisch geld, binnen een termijn die zij bepaalt en, zo binnen deze termijn geen vervanging geschiedt, een of meerdere leden van het wettelijk bestuursorgaan of van het directiecomité en/of, in voorkomend geval, een of meer personen belast met de effectieve leiding van de instelling voor elektronisch geld ontslaan, of in de plaats van de voltallige bestuurs- en beleidsorganen van de instelling een of meer voorlopige bestuurders aanstellen die alleen of collegiaal, naargelang van het geval, de bevoegdheden hebben van de vervangen personen. De Bank maakt haar beslissing bekend in het Belgisch Staatsblad.
   Wanneer de omstandigheden dit rechtvaardigen, kan de Bank een of meer voorlopige bestuurders aanstellen zonder vooraf de vervanging te gelasten van alle of een deel van de leiders van de instelling.
   Mits de Bank hiermee instemt, kan of kunnen de voorlopige bestuurder(s) een algemene vergadering bijeenroepen en de agenda ervan vaststellen.
   Het mandaat van de vervangen personen, met name dat van lid van het wettelijk bestuursorgaan of van het directiecomité, eindigt na de kennisgeving van de beslissing van de Bank om hen door een of meer voorlopige bestuurders te vervangen. De instelling voor elektronisch geld vervult de openbaarmakingsformaliteiten die vereist zijn in geval van beëindiging van de betrokken mandaten.
   De Bank kan met inachtneming van de bepalingen van het recht van de Europese Unie afwijken van de door of krachtens deze wet vastgestelde rapporteringsverplichtingen voor de instelling voor elektronisch geld ten aanzien waarvan zij een maatregel bestaande in de benoeming van een of meer voorlopige bestuurders heeft genomen.
   De bezoldiging van de voorlopige bestuurder(s) wordt vastgesteld door de Bank en gedragen door de betrokken instelling voor elektronisch geld.
   De Bank kan de voorlopige bestuurder(s) te allen tijde vervangen, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een meerderheid van aandeelhouders of vennoten, wanneer zij aantonen dat het beleid van de betrokkenen niet langer de nodige waarborgen biedt;]2

  5° de instelling voor elektronisch geld gelasten binnen de door haar vastgestelde termijn een algemene vergadering van aandeelhouders bijeen te roepen waarvan zij de agenda vaststelt;
  6° de instelling voor elektronisch geld gelasten deelnemingen over te dragen die zij in voorkomend geval bezit overeenkomstig artikel 183;
  7° de vergunning of de registratie herroepen. De Bank maakt alle beslissingen tot herroeping van een vergunning of registratie bekend op haar website.
  De Bank stelt de Europese Bankautoriteit in kennis van de redenen voor de herroeping van de vergunning of registratie.
  [3 Naast en onverminderd artikel XX.1 van het Wetboek van economisch recht, behoort de benoeming van een speciaal commissaris of van een voorlopig bestuurder, onder welke benaming dan ook, bij een instelling voor elektronisch geld tot de exclusieve bevoegdheid van de Bank.]3
  § 2. Niettegenstaande de voorwaarden voor de toepassing van het eerste lid kan de Bank in uiterst spoedeisende gevallen of indien de ernst van de feiten dit rechtvaardigt, de maatregelen bedoeld in deze paragraaf treffen zonder vooraf een hersteltermijn op te leggen.
  § 3. De in paragraaf 1 bedoelde beslissingen van de Bank hebben voor de instelling voor elektronisch geld uitwerking vanaf de datum van de kennisgeving ervan met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs en, voor derden, vanaf de datum van de bekendmaking ervan overeenkomstig paragraaf 1.
  § 4. De Bank kan de in dit artikel bedoelde maatregelen ook nemen wanneer een instelling voor elektronisch geld een vergunning of registratie heeft verkregen door middel van valse verklaringen of op enige andere onregelmatige wijze.
  § 5. Paragraaf 1, eerste lid, 1°, 2°, 4° en 7°, en derde lid, en artikel 214 zijn van toepassing wanneer de Bank kennis heeft van het feit dat een instelling voor elektronisch geld, haar agenten of distributeurs [1 een bijzonder mechanisme hebben ingesteld in de zin van artikel 176, § 1/1]1.
  Wanneer de Bank vaststelt dat de in artikel 71 bedoelde gegevens die haar door een instelling voor elektronisch geld zijn verstrekt krachtens artikel 190, § 2, onjuist of onvolledig zijn, kan zij de inschrijving van de agent op de lijst bedoeld in artikel 166 schorsen of schrappen.
  § 6. Artikel 117, § 8, is van overeenkomstige toepassing.
  
Art. 215. § 1er. Sans préjudice des autres dispositions prévues par ou en vertu de la présente loi, lorsque la Banque constate qu'un établissement de monnaie électronique ne se conforme pas ou cesse de se conformer aux mesures adoptées en application de l'article 116, § 2, auquel l'article 214 renvoie, ou qu'à l'issue du délai fixé en application de l'article 116, § 1er, elle n'a pas remédié à la situation, la Banque peut :
  1° désigner un commissaire spécial.
  Dans ce cas, l'autorisation écrite, générale ou spéciale de celui-ci est requise pour tous les actes et décisions de tous les organes de l'établissement, y compris l'assemblée générale, et pour ceux des personnes chargées de la gestion; la Banque peut toutefois limiter le champ des opérations soumises à autorisation.
  Le commissaire spécial peut soumettre à la délibération de tous les organes de l'établissement, y compris l'assemblée générale, toutes propositions qu'il juge opportunes. La rémunération du commissaire spécial est fixée par la Banque et supportée par l'établissement.
  Les membres des organes d'administration et de gestion et les personnes chargées de la gestion qui accomplissent des actes ou prennent des décisions sans avoir recueilli l'autorisation requise du commissaire spécial sont responsables solidairement du préjudice qui en est résulté pour l'établissement ou les tiers.
  Si la Banque a publié au Moniteur belge la désignation du commissaire spécial et spécifié les actes et décisions soumis à son autorisation, les actes et décisions intervenus sans cette autorisation alors qu'elle était requise sont nuls, à moins que le commissaire spécial ne les ratifie. Dans les mêmes conditions toute décision d'assemblée générale prise sans avoir recueilli l'autorisation requise du commissaire spécial est nulle, à moins que le commissaire spécial ne la ratifie.
  La Banque peut désigner un commissaire suppléant;
  2° suspendre pour la durée qu'elle détermine l'exercice direct ou indirect de tout ou partie de l'activité de l'établissement de monnaie électronique ou interdire cet exercice; cette suspension peut, dans la mesure déterminée par la Banque, impliquer la suspension totale ou partielle de l'exécution des contrats en cours.
  Les membres des organes d'administration et de gestion et les personnes chargées de la gestion qui accomplissent des actes ou prennent des décisions en violation de la suspension sont responsables solidairement du préjudice qui en est résulté pour l'établissement de monnaie électronique ou les tiers.
  Si la Banque a publié la suspension au Moniteur belge, les actes et décisions intervenus à l'encontre de celle-ci sont nuls;
  3° imposer, en matière de solvabilité, des exigences plus strictes que celles visées aux articles 173 et 182;
  4° [2 enjoindre le remplacement de tout ou partie des membres de l'organe légal d'administration, du comité de direction et/ou, le cas échéant, des personnes chargées de la direction effective de l'établissement de monnaie électronique, dans un délai qu'elle fixe et, à défaut d'un tel remplacement dans ce délai, démettre un ou plusieurs membres de l'organe légal d'administration ou du comité de direction et/ou, le cas échéant, une ou plusieurs personnes chargées de la direction effective de l'établissement de monnaie électronique ou substituer à l'ensemble des organes d'administration et de gestion de l'établissement un ou plusieurs administrateurs provisoires qui disposent, seuls ou collégialement selon le cas, des pouvoirs des personnes remplacées. La Banque publie sa décision au Moniteur belge.
   Lorsque les circonstances le justifient, la Banque peut procéder à la désignation d'un ou plusieurs administrateurs provisoires sans procéder préalablement à l'injonction de remplacer tout ou partie des dirigeants de l'établissement.
   Moyennant l'autorisation de la Banque, le ou les administrateurs provisoires peuvent convoquer une assemblée générale et en établir l'ordre du jour.
   Les fonctions, notamment le mandat de membre de l'organe légal d'administration ou du comité de direction, des personnes remplacées prennent fin dès la notification de la décision de la Banque substituant un ou plusieurs administrateurs provisoires. L'établissement de monnaie électronique accomplit les formalités de publicité requises par la fin des mandats concernés.
   La Banque peut, dans le respect des dispositions du droit de l'Union européenne, déroger aux obligations de reporting prévues par ou en vertu de la présente loi à l'égard de l'établissement de monnaie électronique faisant l'objet d'une mesure de nomination d'un ou plusieurs administrateurs provisoires.
   La rémunération du ou des administrateurs provisoires est fixée par la Banque et supportée par l'établissement de monnaie électronique concerné.
   La Banque peut, à tout moment, remplacer le ou les administrateurs provisoires, soit d'office, soit à la demande d'une majorité des actionnaires ou associés lorsque ceux-ci justifient que la gestion des intéressés ne présente plus les garanties nécessaires ;]2

  5° enjoindre à l'établissement de monnaie électronique de convoquer, dans le délai qu'elle fixe, une assemblée générale des actionnaires, dont elle établit l'ordre du jour;
  6° enjoindre à un établissement de monnaie électronique de céder des participations qu'il détient, le cas échéant, conformément à l'article 183;
  7° révoquer l'agrément ou l'enregistrement. La Banque rend publique, sur son site internet, toute décision de révocation d'un agrément ou d'un enregistrement.
  La Banque communique à l'Autorité bancaire européenne les raisons de la révocation de l'agrément ou de l'enregistrement.
  [3 Outre et sans préjudice de l'article XX.1er du Code de droit économique, la nomination d'un commissaire spécial ou d'un administrateur provisoire, quelle qu'en soit l'appellation, auprès d'un établissement de monnaie électronique relève de la compétence exclusive de la Banque.]3
  § 2. Nonobstant les conditions d'application de l'alinéa 1er,en cas d'extrême urgence ou lorsque la gravité des faits le justifie, la Banque peut adopter les mesures visées au présent paragraphe sans qu'un délai de redressement ne soit préalablement fixé.
  § 3. Les décisions de la Banque visées au paragraphe 1er produisent leurs effets à l'égard de l'établissement de monnaie électronique à dater de leur notification à celui-ci par lettre recommandée ou avec accusé de réception et, à l'égard des tiers, à dater de leur publication conformément au paragraphe 1er.
  § 4. La Banque peut également adopter les mesures visées au présent article dans le cas où un établissement de monnaie électronique a obtenu un agrément ou un enregistrement au moyen de fausses déclarations ou par tout autre moyen irrégulier.
  § 5. Le paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, 2°, 4° et 7°, et alinéa 3 et l'article 214 sont applicables au cas où la Banque a connaissance du fait qu'un établissement de monnaie électronique, ses agents ou ses distributeurs ont mis en place [1 un mécanisme particulier au sens de l'article 176, § 1er/1]1.
  Lorsque la Banque constate que les renseignements visés à l'article 71, qui lui ont été communiqués par un établissement de monnaie électronique en vertu de l'article 190, § 2, sont inexacts ou incomplets, elle peut suspendre ou radier l'inscription de l'agent sur la liste visée à l'article 166.
  § 6. L'article 117, § 8, s'applique par analogie.
  
Art. 215/1. [1 § 1. De speciaal commissaris en de voorlopige bestuurder(s) bedoeld in artikel 215, § 1, dragen voor rekening van de Bank bij aan de uitoefening van haar wettelijke opdracht. In het kader van deze opdracht:
   - handelen zij uitsluitend in het kader van het in artikel 1, § 2, van deze wet vastgelegde doel;
   - volgen zij de instructies van de Bank met betrekking tot de wijze waarop de hun toevertrouwde specifieke opdracht moet worden uitgevoerd;
   - zijn zij onderworpen aan dezelfde verplichtingen inzake beroepsgeheim als die welke voor de Bank gelden in het kader van de in deze wet vastgelegde toezichtsopdracht; voor het gebruik van wettelijke uitzonderingen is de voorafgaande toestemming van de Bank vereist;
   - brengen zij op verzoek van de Bank, volgens de modaliteiten die zij bepaalt, verslag uit over de financiële positie van de instelling en over de maatregelen die zij in het kader van hun opdracht hebben genomen, evenals over de financiële positie aan het begin en aan het einde van die opdracht.
   § 2. Hun ondersteunende rol ten aanzien van de Bank, als omschreven in paragraaf 1, impliceert dat zij als dusdanig niet als administratieve autoriteit kunnen worden beschouwd.
   De vervanging van de voltallige bestuurs- en beleidsorganen van de instelling voor elektronisch geld door voorlopige bestuurders, overeenkomstig artikel 215, § 1, 4°, impliceert niet dat deze laatsten moeten worden beschouwd als bestuurders of leden van het wettelijk bestuursorgaan in de zin van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen, maar enkel dat zij de bevoegdheden hebben van de vervangen personen, met name om de handelingen te verrichten die de instelling voor elektronisch geld in staat stellen te voldoen aan haar wettelijke en reglementaire verplichtingen, in het bijzonder deze die door of krachtens het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen zijn vastgesteld. Er wordt aan hen geen kwijting verleend bij een beslissing of stemming als bedoeld in het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen; zij zijn voor hun opdracht uitsluitend verantwoording verschuldigd ten aanzien van de Bank, die hen in voorkomend geval kwijting verleent.]1

  
Art.215/1. [1 § 1er. Le commissaire spécial et le ou les administrateurs provisoires visés à l'article 215, § 1er contribuent à l'exercice de la mission légale de la Banque, pour compte de celle-ci. Dans le cadre de cette mission,
   - ils agissent exclusivement dans le cadre de la finalité prévue par l'article 1er, § 2 de la présente loi ;
   - ils suivent les instructions de la Banque quant à la manière d'accomplir la mission particulière qui leur est confiée ;
   - ils sont assujettis aux mêmes obligations en matière de secret professionnel que celles applicables à la Banque en ce qui concerne la mission de contrôle prévue par la présente loi, l'usage des exceptions légales étant soumis à une autorisation préalable de la Banque ;
   - ils font, à la requête de la Banque, selon les modalités qu'elle détermine, rapport sur la situation financière de l'établissement et sur les mesures prises dans le cadre de leur mission, ainsi que sur la situation financière au début et à la fin de cette mission.
   § 2. Leur qualité d'auxiliaire de la Banque précisée au paragraphe 1er implique qu'ils ne peuvent, comme tels, être considérés comme une autorité administrative.
   La substitution de l'ensemble des organes d'administration et de gestion de l'établissement de monnaie électronique par les administrateurs provisoires opérée en application de l'article 215, § 1er, 4° n'implique pas que ces derniers doivent être considérés comme des administrateurs ou membres de l'organe légal d'administration au sens du Code des sociétés et des associations mais seulement qu'ils bénéficient des pouvoirs des personnes remplacées, notamment aux fins d'accomplir les actes permettant à l'établissement de monnaie électronique de satisfaire à ses obligations légales et réglementaires, en particulier celles prévues par ou en vertu du Code des sociétés et des associations. A ce titre, ils ne font pas l'objet d'une décision ou d'un vote sur la décharge tel que prévu par le Code des sociétés et des associations mais répondent de leur mission à l'égard de la Banque exclusivement qui leur donne décharge s'il y échet.]1

  
Afdeling III. - Beëindiging van de vergunning of registratie
Section III. - De la fin de l'agrément ou de l'enregistrement
Art. 216. § 1. Onverminderd artikel 215, § 1, eerste lid, 7°, en § 4, trekt de Bank, bij beslissing die met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs ter kennis wordt gebracht, de vergunning of registratie in van instellingen voor elektronisch geld die :
  1° hun werkzaamheden niet hebben aangevat binnen twaalf maanden nadat zij de vergunning of de registratie hebben verkregen;
  2° afstand doen van hun vergunning of registratie;
  3° hun werkzaamheden gedurende meer dan zes maanden hebben gestaakt;
  4° failliet zijn verklaard.
  Overeenkomstig dezelfde formaliteiten trekt zij eveneens de registratie in van beperkte instellingen voor elektronisch geld die niet langer voldoen aan de voorwaarde van artikel 177 of 203, § 1, 1°, of § 3, eerste lid, wanneer zij vaststelt dat die instellingen geen vergunning hebben aangevraagd binnen een termijn van dertig kalenderdagen overeenkomstig artikel 203, § 3, of indien zij die vergunning niet hebben verkregen na afloop van de in artikel 169 bedoelde termijn.
  § 2. De Bank maakt alle beslissingen tot intrekking van een vergunning of registratie bekend op haar website. Indien de vergunning of registratie van een instelling voor elektronisch geld wordt herroepen of ingetrokken, wordt zij van de in artikel 166 bedoelde lijst afgehaald.
  De Bank stelt de Europese Bankautoriteit in kennis van de redenen voor de intrekking van de vergunning of de registratie.
Art. 216. § 1er. Sans préjudice de l'article 215, § 1er, alinéa 1er, 7°, et § 4, la Banque radie, par décision notifiée par lettre recommandée ou avec accusé de réception, l'agrément ou l'enregistrement des établissements de monnaie électronique qui :
  1° n'ont pas entamé leurs activités dans les douze mois de l'agrément ou de l'enregistrement;
  2° renoncent à l'agrément ou l'enregistrement;
  3° ont arrêté leurs activités pendant une période supérieure à six mois;
  4° ont été déclarés en faillite.
  Elle radie également, selon les mêmes formalités, l'enregistrement des établissements de monnaie électronique limités qui ne satisfont plus à la condition visée à l'article 177 ou 203, § 1er, 1°, ou § 3, alinéa 1er, lorsqu'elle constate que ces établissements n'ont pas demandé un agrément dans un délai de trente jours calendaires conformément à l'article 203, § 3, ou si, au terme du délai visé à l'article 169, ils n'ont pas obtenu cet agrément.
  § 2. La Banque rend publique, sur son site internet, toute décision de radiation d'un agrément ou d'un enregistrement. L'établissement de monnaie électronique dont l'agrément ou l'enregistrement est révoqué ou radié est omis de la liste visée à l'article 166.
  La Banque communique à l'Autorité bancaire européenne les raisons du retrait de l'agrément ou de l'enregistrement.
Art. 217. De instellingen voor elektronisch geld waarvan de vergunning of registratie is ingetrokken of herroepen op grond van deze wet, blijven aan deze wet onderworpen tot hun verbintenissen ten aanzien van de houders van elektronisch geld en, in voorkomend geval, van de betalingsdienstgebruikers, zijn vereffend, tenzij de Bank hen vrijstelt van bepaalde voorschriften.
  Dit artikel is niet van toepassing in geval van intrekking van de vergunning of registratie van een failliet verklaarde instelling voor elektronisch geld.
Art. 217. Les établissements de monnaie électronique dont l'agrément ou l'enregistrement a été radié ou révoqué en vertu de la présente loi, restent soumis à cette loi jusqu'à la liquidation de leurs engagements vis-à-vis des détenteurs de monnaie électronique, et le cas échéant, des utilisateurs de services de paiement, à moins que la Banque ne les en dispense pour certaines dispositions.
  Le présent article n'est pas applicable en cas de radiation de l'agrément ou de l'enregistrement d'un établissement de monnaie électronique déclaré en faillite.
Art. 217/1. [1 Ingeval de Bank van oordeel is dat in hoofde van een instelling voor elektronisch geld aan de in artikel XX.99 van het Wetboek van economisch recht bepaalde voorwaarden is voldaan, verslechtert, kan de Bank, in afwijking van artikel XX.100 van het Wetboek van Economisch Recht, de zaak uit eigen beweging bij dagvaarding aanhangig maken bij de insolventierechtbank.]1
  
Art.217/1. [1 Lorsque la Banque estime que les conditions fixées à l'article XX.99 du Code de droit économique sont réunies dans le chef d'un établissement de monnaie électronique, la Banque peut, par dérogation à l'article XX.100 du Code de droit économique, d'initiative saisir le tribunal de l'insolvabilité par voie de citation.]1
  
TITEL III. - Instellingen voor elektronisch geld die onder een buitenlands recht ressorteren
TITRE III. - Des établissements de monnaie électronique relevant d'un droit étranger
HOOFDSTUK I. - Bijkantoren, agenten, distributeurs en in het kader van het vrij verrichten van diensten in België uitgeoefende werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren
CHAPITRE Ier. - Des succursales, des agents, des distributeurs et des activités en libre prestation de services en Belgique des établissements de monnaie électronique relevant du droit d'un autre Etat membre
Afdeling 1. - Toegang tot het bedrijf in België
Section 1re. - De l'accès à l'activité en Belgique
Onderafdeling 1. - Bijkantoren
Sous-section 1re. - Succursales
Art. 218. De artikelen 120 tot 123 zijn van overeenkomstige toepassing op de onder het recht van een andere lidstaat ressorterende instellingen voor elektronisch geld die op grond van hun nationaal recht elektronisch geld mogen uitgeven en die deze werkzaamheid in België willen uitoefenen via de vestiging van een bijkantoor.
Art. 218. Les articles 120 à 123 sont applicables par analogie aux établissements de monnaie électronique relevant du droit d'un autre Etat membre, qui sont habilités en vertu de leur droit national à émettre de la monnaie électronique et qui souhaitent exercer, par voie d'installation de succursales, cette activité en Belgique.
Onderafdeling 2. - Vrij verrichten van diensten
Sous-section 2. - Libre prestation de services
Art. 219. De artikelen 124 tot 126 zijn van overeenkomstige toepassing op de onder het recht van een andere lidstaat ressorterende instellingen voor elektronisch geld die op grond van hun nationaal recht elektronisch geld mogen uitgeven en die deze werkzaamheid in België willen uitoefenen via het vrij verrichten van diensten.
Art. 219. Les articles 124 à 126 sont applicables par analogie aux établissements de monnaie électronique relevant du droit d'un autre Etat membre, qui sont habilités en vertu de leur droit national à émettre de la monnaie électronique et qui souhaitent exercer cette activité en Belgique sous le régime de la libre prestation de services.
Onderafdeling 3. - Agenten
Sous-section 3. - Agents
Art. 220. De artikelen 127 en 128 zijn van overeenkomstige toepassing op de onder het recht van een andere lidstaat ressorterende instellingen voor elektronisch geld die op grond van hun nationaal recht elektronisch geld mogen uitgeven en de in Bijlage I.A bedoelde betalingsdiensten mogen aanbieden en die deze betalingsdiensten in België willen aanbieden via agenten.
Art. 220. Les articles 127 et 128 sont applicables par analogie aux établissements de monnaie électronique relevant du droit d'un autre Etat membre, qui sont habilités en vertu de leur droit national à émettre de la monnaie électronique et à offrir des services de paiement visés à l'Annexe I.A et qui souhaitent fournir ces services de paiement en Belgique par l'intermédiaire d'agents.
Onderafdeling 4. - Distributeurs
Sous-section 4. - Distributeurs
Art. 221. Artikel 127 is van overeenkomstige toepassing op de onder het recht van een andere lidstaat ressorterende instellingen voor elektronisch geld die op grond van hun nationaal recht elektronisch geld mogen uitgeven en die België elektronisch geld overmaken via distributeurs.
Art. 221. L'article 127 est applicable par analogie aux établissements de monnaie électronique relevant du droit d'un autre Etat membre, qui sont habilités en vertu de leur droit national à émettre de la monnaie électronique et qui distribuent la monnaie électronique en Belgique par l'intermédiaire de distributeurs.
Afdeling II. - Bedrijfsuitoefening
Section II. - De l'exercice de l'activité
Art. 222. De artikelen 129 tot 132 zijn van overeenkomstige toepassing op de in de artikelen 218 tot 221 bedoelde instellingen voor elektronisch geld, met dien verstande dat :
  1° de verwijzing naar de artikelen 120 ,124 en 127 in artikel 129 moet worden gelezen als een verwijzing naar de artikelen 218 tot 221;
  2° artikel 132 van toepassing is op instellingen voor elektronisch geld die betalingsdiensten aanbieden via agenten en niet op instellingen voor elektronisch geld die uitsluitend elektronisch geld overmaken in België via distributeurs.
Art. 222. Les articles 129 à 132 sont applicables par analogie aux établissements de monnaie électronique visés aux articles 218 et 221, étant entendu que :
  1° à l'article 129, la référence aux articles 120 , 124 et 127 doit être lue comme une référence aux articles 218 à 221;
  2° l'article 132 s'applique aux établissements de monnaie électronique qui offrent des services de paiement par l'intermédiaire d'agents et non pas aux établissements de monnaie électronique qui se limitent à distribuer de la monnaie électronique en Belgique par l'intermédiaire de distributeurs.
Afdeling III. - Periodieke informatieverstrekking, statistieken en boekhoudregels
Section III. - Informations périodiques, statistiques et règles comptables
Art. 223. Artikel 133 is van overeenkomstige toepassing op instellingen voor elektronisch geld die in België werkzaam zijn via een bijkantoor, een agent of een distributeur, met dien verstande dat de verwijzing naar artikel 120 moet worden gelezen als een verwijzing naar artikel 218.
Art. 223. L'article 133 s'applique par analogie aux établissements de monnaie électronique exerçant leurs activités en Belgique par voie de succursale, d'un agent ou d'un distributeur, étant entendu que la référence à l'article 120 doit être lue comme une référence à l'article 218.
Afdeling IV. - Toezicht op de werkzaamheden
Section IV. - Du contrôle des activités
Onderafdeling 1. - Definities en beginsel
Sous-section 1re. - Définition et principe
Art. 224. De artikelen 134 en 135 zijn van overeenkomstige toepassing op de in dit Hoofdstuk bedoelde instellingen voor elektronisch geld, met dien verstande dat de verwijzing naar de artikelen 100 en 101 moet worden gelezen als een verwijzing naar de artikelen 205 en 206.
Art. 224. Les articles 134 et 135 sont applicables par analogie aux établissements de monnaie électronique visés au présent Chapitre étant entendu que la référence aux articles 100 et 101 doit être lue comme une référence aux articles 205 et 206.
Onderafdeling 2. - Samenwerking
Sous-section 2. - Coopération
Art. 225. De artikelen 136 en 137 zijn van overeenkomstige toepassing, ook wanneer de instellingen voor elektronisch geld die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren, in België werkzaam zijn via een distributeur.
Art. 225. Les articles 136 et 137 sont applicables par analogie, également lorsque les établissements de monnaie électronique relevant du droit d'un autre Etat membre opèrent en Belgique par voie d'un distributeur.
Onderafdeling 3. - Prerogatieven
Sous-section 3. - Prérogatives
Art. 226. De artikelen 138 en 139 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de verwijzing naar de artikelen 102 en 103 in artikel 138 moet worden gelezen als een verwijzing naar de artikelen 207 en 208.
Art. 226. Les articles 138 et 139 sont applicables par analogie, étant entendu qu'à l'article 138, la référence aux articles 102 et 103 doit être lue comme une référence aux articles 207 et 208.
Afdeling V. - Buitengewone maatregelen
Section V. - Des mesures exceptionnelles
Art. 227. [1 De artikelen 140 tot 143/1 zijn van overeenkomstige toepassing]1, met dien verstande dat :
  1° artikel 140 ook van toepassing is wanneer de instelling in het buitenland werkzaam is via distributeurs;
  2° de verwijzing naar artikel 117, § 1, 1°, 2° en 4° en §§ 2 en 3 in artikel 142, § 1, tweede lidmoet worden gelezen als een verwijzing naar artikel 215, § 1, eerste lid, 1°, 2° en 4° en derde lid en § 2;
  [1 3° in artikel 143/1 moet de verwijzing naar de artikelen 117, § 5, 120, 124 en 127 worden gelezen als een verwijzing naar de artikelen 215, § 5, 218, 219 en 220.]1
  
Art. 227. [1 Les articles 140 à 143/1 sont applicables]1 par analogie, étant entendu que :
  1° l'article 140 s'applique également lorsque l'établissement opère à l'étranger par l'intermédiaire de distributeurs;
  2° à l'article 142, § 1er, alinéa 2, la référence à l'article 117, § 1er, 1°, 2° et 4° et §§ 2 et 3 doit être lue comme une référence à l'article 215, § 1er, alinéa 1er, 1°, 2° et 4°, et alinéa 3 et § 2;
  [1 3° à l'article 143/1, la référence aux articles 117, § 5, 120, 124 et 127 doit être lue comme une référence aux articles 215, § 5, 218, 219 et 220.]1
  
HOOFDSTUK II. - Bijkantoren in België van instellingen voor elektronisch geld die onder het recht van een derde land ressorteren
CHAPITRE II. - Succursales en Belgique des établissements de monnaie électronique relevant du droit d'un pays tiers
Art. 228. Na advies van de Bank kan de Koning een regeling vaststellen voor het statuut van en het toezicht op de bijkantoren van betalingsinstellingen die onder het recht van een derde land ressorteren.
Art. 228. Le Roi peut, sur avis de la Banque, régler le statut et le contrôle des succursales d'établissements de paiement relevant du droit d'un pays tiers.
TITEL IV. - Dwangsommen en sancties
TITRE IV. - Astreintes et sanctions
HOOFDSTUK I. - Dwangsommen en administratieve sancties
CHAPITRE Ier. - Astreintes et sanctions administratives
Art. 229. § 1. [3 Onverminderd de andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen kan de Bank bekendmaken dat een instelling voor elektronisch geld naar Belgisch of buitenlands recht geen gevolg heeft gegeven aan haar aanmaningen om zich binnen de termijn die zij bepaalt te conformeren aan de bepalingen van:
   1° Boek IV van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
   2° Titel II van Verordening (EU) nr. 648/2012 [4 of van Verordening (EU) 2022/2554]4;
   3° de artikelen 4 en 15 van Verordening (EU) nr. 2015/2365 [4 of de artikelen 6 tot 9 en 18 tot 27 van Verordening (EU) 2017/2402]4;
   4° de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet;
   5° de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt 4° bedoelde gedelegeerde handelingen.]3

  § 2. [3 Onverminderd de andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen kan de Bank voor een instelling voor elektronisch geld naar Belgisch of buitenlands recht een termijn bepalen:
   1° waarbinnen zij zich moet conformeren aan welbepaalde voorschriften van:
   a) deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
   b) Titel II van Verordening (EU) nr. 648/2012 [4 of van Verordening (EU) 2022/2554]4;
   c) de artikelen 4 en 15 van Verordening (EU) nr. 2015/2365 [4 of de artikelen 6 tot 9 en 18 tot 27 van Verordening (EU) 2017/2402]4;
   d) de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten b) of c) bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet;
   e) de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten b) of c) bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt d) bedoelde gedelegeerde handelingen;
   2° waarbinnen zij de nodige aanpassingen moet aanbrengen in haar beleidsstructuur, haar administratieve en boekhoudkundige organisatie of haar interne controle;
   3° waarbinnen zij zich moet conformeren aan een vereiste dat door de Bank is opgelegd met toepassing van de in punt 1° bedoelde bepalingen;
   4° waarbinnen zij zich moet conformeren aan de vereisten die door de Bank zijn vastgesteld als voorwaarden voor een besluit genomen met toepassing van de in punt 1° bedoelde bepalingen, met name het verlenen van toestemming of van een afwijking.]3

  De in het eerste lid, 2°, bedoelde aanmaning geldt niet voor de bijkantoren van instellingen voor elektronisch geld die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren.
  Indien de instelling voor elektronisch geld in gebreke blijft bij het verstrijken van de termijn, kan de Bank, na de instelling gehoord of tenminste opgeroepen te hebben, haar een dwangsom opleggen van maximum 2 500 000 euro per overtreding of maximum 50 000 euro per dag vertraging.
  § 3. Bij de vaststelling van het bedrag van de dwangsom wordt met name rekening gehouden met :
  a) de ernst van de vastgestelde tekortkomingen en, in voorkomend geval, de potentiële impact van die tekortkomingen op de stabiliteit van het financiële stelsel en van de betalingssystemen;
  b) de financiële draagkracht van de betrokken instelling, zoals die met name blijkt uit haar omzet.
  § 4. De dwangsommen die met toepassing van paragraaf 2 worden opgelegd, worden ingevorderd ten bate van de Schatkist door de diensten van de Administratie binnen de Federale Overheidsdienst Financiën die bevoegd zijn inzake niet-fiscale vorderingen.
  
Art. 229. § 1er. [3 Sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, la Banque peut publier qu'un établissement de monnaie électronique de droit belge ou de droit étranger ne s'est pas conformé aux injonctions qui lui ont été faites de respecter dans le délai qu'elle détermine les dispositions :
   1° du Livre IV de la présente loi ou des arrêtés ou règlements pris pour son exécution ;
   2° du Titre II du Règlement (UE) n° 648/2012 [4 ou du règlement (UE) 2022/2554]4;
   3° des articles 4 et 15 du Règlement (UE) n° 2015/2365 [4 ou des articles 6 à 9 et 18 à 27 du règlement (UE) 2017/2402]4;
   4° des actes délégués adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou 3° ou en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ;
   5° des actes d'exécution adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou 3°, en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ou en vertu des actes délégués visés au 4°.]3

  § 2. [3 Sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, la Banque peut fixer à un établissement de monnaie électronique de droit belge ou de droit étranger, un délai dans lequel :
   1° il doit se conformer à des dispositions déterminées :
   a) de la présente loi ou des arrêtés ou règlements pris pour son exécution ;
   b) du Titre II du Règlement (UE) n° 648/2012 [4 ou du règlement (UE) 2022/2554]4;
   c) des articles 4 et 15 du Règlement (UE) n° 2015/2365 [4 ou des articles 6 à 9 et 18 à 27 du règlement (UE) 2017/2402]4;
   d) des actes délégués adoptés en vertu des dispositions visées au b) ou au c) ou en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ;
   e) des actes d'exécution adoptés en vertu des dispositions visées au b) ou au c), en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ou en vertu des actes délégués visés au d) ;
   2° il doit apporter les adaptations qui s'imposent à sa structure de gestion, à son organisation administrative et comptable ou à son contrôle interne ;
   3° il doit se conformer à une exigence imposée par la Banque en application de dispositions visées au 1° ;
   4° il doit se conformer aux exigences fixées par la Banque comme conditions à une décision prise en application des dispositions visées au 1°, notamment l'octroi d'une autorisation ou d'une dérogation.]3

  L'injonction visée à l'alinéa 1er, 2°, n'est pas applicable aux succursales d'établissements de monnaie électronique relevant du droit d'un autre Etat membre.
  Si l'établissement de monnaie électronique reste en défaut à l'expiration du délai, la Banque peut, l'établissement entendu ou à tout le moins convoqué, lui infliger une astreinte à raison d'un montant maximum de 2 500 000 euros par infraction ou de maximum 50 000 euros par jour de retard.
  § 3. Le montant de l'astreinte est fixé en tenant notamment compte :
  a) de la gravité des manquements rencontrés et, le cas échéant, de l'impact potentiel de ces manquements sur la stabilité du système financier et des systèmes de paiement;
  b) de l'assise financière de l'établissement en cause, telle qu'elle ressort notamment de son chiffre d'affaires.
  § 4. Les astreintes imposées en application du paragraphe 2 sont recouvrées au profit du Trésor par les Services de l'Administration au sein du Service Public Fédéral Finances compétents en matière de recouvrements non fiscaux.
  
Art. 230. § 1. [3 Onverminderd andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen en onverminderd de bij andere wetten, besluiten of reglementen voorgeschreven maatregelen, kan de Bank, indien zij:
   a) een inbreuk vaststelt op de bepalingen van Boek IV van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
   b) een inbreuk vaststelt op de bepalingen van Titel II van Verordening (EU) nr. 648/2012 [4 of van Verordening (EU) 2022/2554]4;
   c) een inbreuk vaststelt op de artikelen 4 en 15 van Verordening (EU) nr. 2015/2365 [4 of de artikelen 6 tot 9 en 18 tot 27 van Verordening (EU) 2017/2402]4;
   d) een inbreuk vaststelt op de bepalingen van de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten b) of c) bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet; of
   e) een inbreuk vaststelt op de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten b) of c) bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt d) bedoelde gedelegeerde handelingen;
   f) vaststelt dat een vereiste dat door de Bank is opgelegd met toepassing van het bepaalde in de punten a) tot e) niet wordt nageleefd;
   g) vaststelt dat vereisten die door de Bank zijn vastgesteld als voorwaarden voor een besluit genomen met toepassing van het bepaalde in de punten a) tot e), met name het verlenen van toestemming of van een afwijking, niet worden nageleefd,
   een administratieve geldboete opleggen aan een instelling voor elektronisch geld naar Belgisch of buitenlands recht, aan een of meer leden van het wettelijk bestuursorgaan van deze entiteiten en/of aan de personen die deelnemen aan hun effectieve leiding, die voor de vastgestelde tekortkoming verantwoordelijk zijn.]3

  § 2. De in paragraaf 1 bedoelde administratieve geldboete bedraagt voor hetzelfde feit of hetzelfde geheel van feiten :
  1° [3 ...]3 maximum 10 % van de jaarlijkse netto-omzet van het voorbije boekjaar, indien het om een rechtspersoon gaat;
  2° [3 ...]3 maximum 5 000 000 euro, indien het om een natuurlijke persoon gaat.
  [1 In geval van een inbreuk op de artikelen 4 en 15 van Verordening (EU) nr. 2015/2365 [3 op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig deze artikelen of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig deze artikelen of een dergelijke gedelegeerde handeling,]3, kan de Bank aan een [3 instelling voor elektronisch geld]3 naar Belgisch of buitenlands recht die in België is gevestigd een administratieve geldboete opleggen van
   a) in het geval van een natuurlijke persoon: maximum 5 000 000 euro;
   b) [3 in het geval van een rechtspersoon: maximaal:
   - 5 000 000 euro in geval van een inbreuk op artikel 4 van Verordening (EU) nr. 2015/2365, op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of een dergelijke gedelegeerde handeling; en
   - 15 000 000 euro in geval van een inbreuk op artikel 15 van Verordening (EU) nr. 2015/2365, op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of een dergelijke gedelegeerde handeling;
   of, indien dit hoger is, 10 % van de totale jaaromzet van die instelling van het voorbije boekjaar.]3

   Wanneer de inbreuk voor de overtreder winst heeft opgeleverd of hem heeft toegelaten verlies te vermijden, mag dit maximum worden verhoogd tot het drievoud van deze winst of dit verlies, onverminderd de punten a) en b).]1

  [4 In geval van een inbreuk op de artikelen 6 tot 9 en 18 tot 27 van Verordening 2017/2402, op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig deze artikelen of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig deze artikelen of een dergelijke gedelegeerde handeling, bedraagt de in het eerste lid bedoelde administratieve geldboete in het geval van een rechtspersoon maximaal 5.000.000 euro of 10 % van de totale jaaromzet van die vennootschap van het voorbije boekjaar.
   Wanneer de inbreuk voor de overtreder winst heeft opgeleverd of hem heeft toegelaten verlies te vermijden, mag het maximumbedrag van de administratieve geldboete worden verhoogd tot het tweevoud van deze winst of dit verlies, onverminderd het eerste lid, 2°, en het vierde lid.]4

  § 3. De geldboetes die met toepassing van paragraaf 2 worden opgelegd door de Bank, worden ingevorderd ten bate van de Schatkist door de diensten van de Administratie binnen de Federale Overheidsdienst Financiën die bevoegd zijn inzake niet-fiscale vorderingen.
  § 4. Het bedrag van de geldboete wordt met name vastgesteld op grond van :
  1° de ernst en de duur van de tekortkomingen;
  2° de mate van verantwoordelijkheid van de betrokkene;
  3° de financiële draagkracht van de betrokkene, zoals die met name blijkt uit de totale omzet van de betrokken rechtspersoon of uit het jaarinkomen van de betrokken natuurlijke persoon;
  4° het voordeel of de winst die deze tekortkomingen eventueel opleveren;
  5° het nadeel dat derden door deze tekortkomingen hebben geleden, voor zover dit kan worden bepaald;
  6° de mate van medewerking van de betrokken natuurlijke of rechtspersoon met de Bank;
  7° vroegere tekortkomingen van de betrokkene;
  8° de potentiële negatieve impact van de tekortkomingen op de stabiliteit van het financiële stelsel en van de betalingssystemen.
  § 5. De Bank kan de overeenkomstig dit artikel opgelegde maatregelen openbaar maken.
  [1 De Bank stelt de Europese autoriteit voor effecten en markten in kennis van haar besluiten over inbreuken op de artikelen 4 en 15 van Verordening (EU) nr. 2015/2365, wanneer die besluiten niet openbaar worden gemaakt overeenkomstig het vorige lid.]1
  
Art. 230. § 1er. [3 Sans préjudice d'autres mesures prévues par la présente loi et sans préjudice des mesures prévues par d'autres lois, arrêtés ou règlements, la Banque peut, lorsqu'elle constate :
   a) une infraction aux dispositions du Livre IV de la présente loi ou des arrêtés ou règlements pris pour son exécution ;
   b) une infraction aux dispositions du Titre II du Règlement (UE) n° 648/2012 [4 ou du règlement (UE) 2022/2554]4;
   c) une infraction aux articles 4 et 15 du Règlement (UE) n° 2015/2365 [4 ou aux articles 6 à 9 et 18 à 27 du règlement (UE) 2017/2402]4;
   d) une infraction aux dispositions des actes délégués adoptés en vertu des dispositions visées au b) ou c) ou en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ; ou
   e) une infraction aux dispositions des actes d'exécution adoptés en vertu des dispositions visées au b) ou c), en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ou en vertu des actes délégués visés au d) ;
   f) le non-respect d'une exigence imposée par la Banque en application de dispositions visées aux a) à e) ;
   g) le non-respect d'exigences fixées par la Banque comme conditions à une décision prise en application de dispositions visées aux a) à e), notamment l'octroi d'une autorisation ou d'une dérogation,
   infliger une amende administrative à un établissement de monnaie électronique de droit belge ou de droit étranger, à un ou plusieurs des membres de l'organe légal d'administration de ces entités et/ou aux personnes qui participent à leur direction effective, responsables du manquement constaté.]3

  § 2. Le montant de l'amende administrative visée au paragraphe 1ers'élève, pour le même fait ou pour le même ensemble de faits :
  1° [3 ...]3 maximum de 10 % du chiffre d'affaires annuel net de l'exercice précédent, s'il s'agit d'une personne morale;
  2° [3 ...]3 maximum 5 000 000 euros, s'il s'agit d'une personne physique.
  [1 En cas d'infraction aux articles 4 et 15 du Règlement (UE) n° 2015/2365 [3 , à un acte délégué adopté en vertu desdits articles ou à un acte d'exécution adopté en vertu desdits articles ou d'un tel acte délégué]3, la Banque peut infliger à un [3 établissement de monnaie électronique]3 de droit belge ou étranger établi en Belgique une amende administrative qui est
   a) dans le cas d'une personne physique, de maximum 5 000 000 euros;
   b) [3 dans le cas d'une personne morale, de maximum :
   - 5 000 000 euros en cas d'infraction à l'article 4 du Règlement (UE) n° 2015/2365, à un acte délégué adopté en vertu dudit article ou à un acte d'exécution adopté en vertu dudit article ou d'un tel acte délégué ; et
   - 15 000 000 euros en cas d'infraction à l'article 15 du Règlement (UE) n° 2015/2365, à un acte délégué adopté en vertu dudit article ou à un acte d'exécution adopté en vertu dudit article ou d'un tel acte délégué ;
   ou, si le montant obtenu par l'application de ce pourcentage est plus élevé, 10 % du chiffre d'affaires annuel total réalisé par cet établissement au cours de l'exercice précédent.]3

   Sans préjudice des points a) et b), lorsque l'infraction a procuré un profit au contrevenant ou a permis à ce dernier d'éviter une perte, ce maximum peut être porté au triple du montant de ce profit ou de cette perte.]1

  [4 En cas d'infraction articles 6 à 9 et 18 à 27 du règlement 2017/2402, à un acte délégué adopté en vertu desdits articles ou à un acte d'exécution adopté en vertu desdits articles ou d'un tel acte délégué, le montant de l'amende administrative visée à alinéa 1er est dans le cas d'une personne morale, de maximum 5.000.000 d'euros ou 10 % du chiffre d'affaires annuel total réalisé par cette société au cours de l'exercice précédent.
   Sans préjudice de l'alinéa 1er, 2°, et de l'alinéa 4, lorsque l'infraction a procuré un profit au contrevenant ou a permis à ce dernier d'éviter une perte, le montant maximum de l'amende administrative peut être porté au double du montant de ce profit ou de cette perte.]4

  § 3. Les amendes imposées par la Banque en application du paragraphe 2 sont recouvrées au profit du Trésor par les Services de l'Administration au sein du Service Public Fédéral Finances compétents en matière de recouvrements non fiscaux.
  § 4. Le montant de l'amende est notamment fixé en fonction :
  1° de la gravité et de la durée des manquements;
  2° du degré de responsabilité de la personne en cause;
  3° de l'assise financière de la personne en cause, telle qu'elle ressort notamment du chiffre d'affaires total de la personne morale en cause ou des revenus annuels de la personne physique en cause;
  4° des avantages ou profits éventuellement tirés de ces manquements;
  5° d'un préjudice subi par des tiers du fait des manquements, dans la mesure où il peut être déterminé;
  6° du degré de coopération avec la Banque dont a fait preuve la personne physique ou morale en cause;
  7° des manquements antérieurs commis par la personne en cause;
  8° de l'impact négatif potentiel des manquements sur la stabilité du système financier et des systèmes de paiement.
  § 5. La Banque peut rendre publiques les mesures imposées conformément au présent article.
  [1 La Banque informe l'Autorité européenne des marchés financiers de ses décisions concernant un manquement aux articles 4 et 15 du Règlement (UE) n° 2015/2365 lorsque ces décisions ne sont pas rendues publiques conformément à l'alinéa précédent.]1
  
HOOFDSTUK II. - Strafrechtelijke sancties
CHAPITRE II. - Sanctions pénales
Art. 231. § 1. Met een gevangenisstraf van één maand tot één jaar en met een geldboete van 50 euro tot 10 000 euro of met één van die straffen alleen wordt gestraft :
  1° wie zich niet conformeert aan de artikelen 4 of 163;
  2° wie in België elektronisch geld uitgeeft zonder te voldoen aan de bepalingen van de artikelen 167, 200, 218 tot 221 en 229, § 1, 1° ;
  3° wie met opzet de kennisgeving bedoeld in artikel 178, tweede lid niet verricht, voor wat de gegevens bedoeld in artikel 168, § 1, 7°, betreft;
  4° wie met opzet de kennisgevingen niet verricht als bedoeld in de artikelen 25 en 29, waarnaar artikel 183 verwijst, wie het verzet negeert als bedoeld in artikel 27, tweede lid, waarnaar artikel 183 verwijst, of wie de schorsing negeert als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°, waarnaar artikel 183 verwijst;
  5° de instellingen voor elektronisch geld en de leden van hun wettelijk bestuursorgaan of de personen belast met de effectieve leiding van de instelling, die de artikelen 184, 185, 191 tot 193 en 195 overtreden;
  6° de instellingen voor elektronisch geld en de leden van hun wettelijk bestuursorgaan of de personen belast met de effectieve leiding die in het buitenland een bijkantoor openen of er diensten verstrekken, in voorkomend geval via agenten of distributeurs, zonder de kennisgevingen te hebben verricht als bepaald in de artikelen 186 tot 189 of die zich niet conformeren aan de artikelen 63 en 69, waarnaar de artikelen 186 tot 189 verwijzen;
  7° de instellingen voor elektronisch geld en de leden van hun wettelijk bestuursorgaan of de personen belast met de effectieve leiding van de instelling, die de artikelen 182, 197 en 223 of de uitvoeringsbesluiten en -reglementen van deze artikelen overtreden;
  8° wie handelingen stelt of verrichtingen uitvoert zonder daartoe de toestemming te hebben verkregen van de speciaal commissaris als bedoeld in artikel 215, § 1, eerste lid, 1°, of die indruisen tegen een schorsingsbeslissing die is genomen overeenkomstig artikel 215, § 1, eerste lid, 2°, of zich niet conformeren aan de maatregelen die zijn genomen met toepassing van artikel 116, § 2, waarnaar artikel 214 verwijst, en 142, waarnaar artikel 27 verwijst;
  9° wie als commissaris, erkende revisor of onafhankelijk deskundige, rekeningen, jaarrekeningen of geconsolideerde jaarrekeningen van instellingen voor elektronisch geld dan wel periodieke staten of alle andere inlichtingen certificeert, goedkeurt of bekrachtigt terwijl niet is voldaan aan de bepalingen van de wetten, besluiten en reglementen over het wettelijk statuut van de instellingen voor elektronisch geld, en daarvan kennis heeft, of niet heeft gedaan wat hij normaal had moeten doen om zich te vergewissen of aan die bepalingen was voldaan;
  10° wie de onderzoeken en controles verhindert waartoe hij verplicht is in het land of in het buitenland dan wel weigert de gegevens te verstrekken waartoe hij verplicht is op grond van deze wet en van haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen, of wie bewust onjuiste of onvolledige inlichtingen verstrekt;
  11° elke bestuurder en zaakvoerder die zich niet houdt aan de voorschriften van artikel 110, eerste en vierde lid, waarnaar artikel 213 verwijst;
  [1 12° wie met opzet een bijzonder mechanisme instelt in de zin van artikel 176, § 1/1.]1
  § 2. Overtredingen van het verbod van artikel 20 van de bankwet worden gestraft met een gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar en met een geldboete van 1 000 euro tot 10 000 euro.
  
Art. 231. § 1er. Sont punis d'un emprisonnement d'un mois à un an et d'une amende de 50 euros à 10 000 euros, ou d'une de ces peines seulement :
  1° ceux qui ne se conforment pas aux articles 4 ou 163;
  2° ceux qui émettent de la monnaie électronique en Belgique sans satisfaire aux dispositions des articles 167, 200, 218 à 221 et 229, § 1er, 1° ;
  3° ceux qui, sciemment, s'abstiennent de faire la déclaration prévue à l'article 178, alinéa 2, en ce qui concerne les renseignements visés à l'article 168, § 1er, 7° ;
  4° ceux qui sciemment s'abstiennent de faire les notifications prévues aux articles 25 et 29 auxquels l'article 183 renvoie, ceux qui passent outre à l'opposition visée à l'article 27, alinéa 2, auquel l'article 183 renvoie ou ceux qui passent outre à la suspension visée à l'article 32, alinéa 1er, 1°, auquel l'article 183 renvoie;
  5° les établissements de monnaie électronique, ainsi que les membres de leur organe légal d'administration ou les personnes en charge de la direction effective de l'établissement, qui contreviennent aux articles 184, 185, 191 à 193 et 195;
  6° les établissements de monnaie électronique, ainsi que les membres de leur organe légal d'administration ou les personnes en charge de la direction effective qui ouvrent une succursale à l'étranger ou y fournissent des services, le cas échéant en recourant à des agents ou à des distributeurs, sans avoir procédé aux notifications prévues par les articles 186 à 189 ou qui ne se conforment pas aux articles 63 et 69 auxquels les articles 186 à 189 renvoient;
  7° les établissements de monnaie électronique, ainsi que les membres de leur organe légal d'administration ou les personnes en charge de la direction effective de l'établissement, qui contreviennent aux articles 182, 197, et 223 ou aux arrêtés ou règlements pris en exécution de ces articles;
  8° ceux qui accomplissent des actes ou opérations sans avoir obtenu l'autorisation du commissaire spécial prévue à l'article 215, § 1er, alinéa 1er, 1°, ou à l'encontre d'une décision de suspension prise en application de l'article 215, § 1er, alinéa 1er, 2°, ou qui ne se conforment pas aux mesures prises en application de l'article 116, § 2, auquel l'article 214 renvoie et 142 auquel l'article 27 renvoie;
  9° ceux qui, en qualité de commissaire, de réviseur agréé ou d'expert indépendant, ont attesté, approuvé ou confirmé des comptes, des comptes annuels ou des comptes consolidés d'établissements de monnaie électronique, ou des états périodiques ou tous autres renseignements, alors que les dispositions des lois, arrêtés et règlements relatifs au statut légal des établissements de monnaie électronique n'ont pas été respectées, soit en sachant qu'elles ne l'avaient pas été, soit en n'ayant pas accompli les diligences normales pour s'assurer qu'elles avaient été respectées;
  10° ceux qui font obstacle aux inspections et vérifications auxquelles ils sont tenus dans le pays ou à l'étranger ou refusent de donner des renseignements qu'ils sont tenus de fournir en vertu de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution, ou qui donnent sciemment des renseignements inexacts ou incomplets;
  11° les administrateurs et gérants qui ne respectent pas les dispositions de l'article 110, alinéas 1er et 4, auquel l'article 213 renvoie;
  [1 12° ceux qui, sciemment, mettent en place un mécanisme particulier au sens de l'article 176, § 1er/1.]1
  § 2. Toute infraction à l'interdiction édictée par l'article 20 de la loi bancaire, est punie d'un emprisonnement de trois mois à deux ans et d'une amende de 1 000 euros à 10 000 euros.
  
Art. 232. De voorschriften van Boek I van het Strafwetboek, Hoofdstuk VII en artikel 85 niet uitgezonderd, zijn van toepassing op de misdrijven die door dit Hoofdstuk worden bestraft.
Art. 232. Les dispositions du Livre Ier du Code pénal, sans exception du chapitre VII et de l'article 85, sont applicables aux infractions punies par le présent Chapitre.
Art. 233. De instellingen voor elektronisch geld zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de geldboetes waartoe de leden van hun wettelijk bestuursorgaan, de personen belast met hun effectieve leiding of de lasthebbers met toepassing van de voorschriften van dit Hoofdstuk worden veroordeeld.
Art. 233. Les établissements de monnaie électronique sont civilement responsables des amendes auxquelles sont condamnés leurs membres de l'organe légal d'administration, personnes en charge de la direction effective ou mandataires en application des dispositions du présent Chapitre.
Art. 234. Ieder opsporingsonderzoek ten gevolge van de overtreding van deze wet of één van de in artikel 20 van de bankwet bedoelde wetgevingen, tegen leden van het wettelijk bestuursorgaan, personen belast met de effectieve leiding, lasthebbers of erkend commissarissen van instellingen voor elektronisch geld en ieder opsporingsonderzoek ten gevolge van een overtreding van deze wet tegen iedere andere natuurlijke of rechtspersoon, moet ter kennis worden gebracht van de Bank en van de Federale Overheidsdienst Economie, ieder voor wat zijn bevoegdheden betreft, door de gerechtelijke autoriteit waar dit aanhangig is gemaakt.
Art. 234. Toute information du chef d'infraction à la présente loi ou à l'une des législations visées à l'article 20 de la loi bancaire à l'encontre de membres de l'organe légal d'administration, de personnes en charge de la direction effective, de mandataires ou de commissaires agréés d'établissements de monnaie électronique et toute information du chef d'infraction à la présente loi à l'encontre de toute autre personne physique ou morale doit être portée à la connaissance de la Banque et du Service Public Fédéral Economie, chacun dans son domaine de compétence, par l'autorité judiciaire qui en est saisie.
Art. 235. Iedere strafrechtelijke vordering op grond van in artikel 234 bedoelde misdrijven moet ter kennis worden gebracht van de Bank en van de Federale Overheidsdienst Economie, ieder voor wat zijn bevoegdheden betreft, door het openbaar ministerie.
Art. 235. Toute action pénale du chef des infractions visées à l'article 234 doit être portée à la connaissance de la Banque et du Service Public Fédéral Economie, chacun dans son domaine de compétence, à la diligence du Ministère public.
Art. 236. De Bank en de Federale Overheidsdienst Economie zijn gerechtigd in elke stand van het geding tussen te komen voor de strafrechter bij wie een door deze wet bestraft misdrijf aanhangig is, zonder dat zij daarom het bestaan van enig nadeel hoeven aan te tonen. De tussenkomst geschiedt volgens de regels die gelden voor de burgerlijke partij.
  [1 Hetzelfde geldt voor inbreuken als bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen, die bij een strafrechter aanhangig zijn gemaakt tegen een persoon als bedoeld in artikel 20, § 1, eerste lid.]1
  
Art. 236. La Banque et le Service Public Fédéral Economie sont habilités à intervenir en tout état de cause devant la juridiction répressive saisie d'une infraction punie par la présente loi, sans qu'elles aient à justifier d'un dommage. L'intervention suit les règles applicables à la partie civile.
  [1 Il en est de même en ce qui concerne les infractions visées à l'article 1er de l'arrêté royal n° 22 du 24 octobre 1934 relatif à l'interdiction judiciaire faite à certains condamnés et aux faillis d'exercer certaines fonctions, professions ou activités dont est saisie une juridiction répressive à l'encontre d'une personne visée à l'article 20, § 1er, alinéa 1er.]1
  
BOEK IV/1. [1 - BIJZONDERE REGELS IN GEVAL VAN EEN COLLECTIEVE PROCEDURE]1
LIVRE IV/1. [1 - DES RÈGLES PARTICULIÈRES EN CAS DE PROCÉDURE COLLECTIVE]1
Art. 236/1. [1 § 1. Behalve wanneer er een dagvaarding wordt verricht met toepassing van artikel 119/1 of 217/1, kan de opening van een faillissementsprocedure tegen een betalingsinstelling of een instelling voor elektronisch geld enkel worden uitgesproken na eensluidend advies van de Bank.
   § 2. Het verzoek om advies wordt schriftelijk aan de Bank gericht. Bij dit verzoek worden de nodige documenten ter informatie gevoegd.
   De Bank brengt haar advies uit binnen vijftien dagen na de ontvangst van het verzoek om advies. Ingeval een procedure betrekking heeft op een betalingsinstelling of op een instelling voor elektronisch geld waarvan de Bank vermoedt dat er zich belangrijke verwikkelingen kunnen voordoen op het vlak van het systeemrisico of waarvoor een voorafgaande coördinatie met buitenlandse autoriteiten vereist is, beschikt de Bank over een ruimere termijn om haar advies uit te brengen, met dien verstande dat de totale termijn niet meer dan dertig dagen mag bedragen. Indien de Bank van oordeel is dat zij gebruik moet maken van deze uitzonderlijke termijn, brengt zij dit ter kennis van de rechterlijke instantie die een uitspraak moet doen. De termijn waarover de Bank beschikt om een advies uit te brengen, schorst de termijn waarbinnen de rechterlijke instantie uitspraak moet doen. Indien de Bank geen advies verstrekt binnen de vastgestelde termijn, kan de insolventierechtbank uitspraak doen.
   De Bank verstrekt haar advies schriftelijk. Het wordt door ongeacht welk middel bezorgd aan de griffier, die het doorgeeft aan de voorzitter van de insolventierechtbank en aan de procureur des Konings. Het advies wordt toegevoegd aan het dossier.]1

  
Art.236/1. [1 § 1er. Sauf en ce qui concerne les cas de citation effectuée en application de l'article 119/1 ou 217/1, l'ouverture d'une procédure de faillite à l'encontre d'un établissement de paiement ou d'un établissement de monnaie électronique ne peut être prononcée que sur avis conforme de la Banque.
   § 2. La saisine de la Banque est écrite. Elle est accompagnée des pièces nécessaires à son information.
   La Banque rend son avis dans un délai de quinze jours à compter de la réception de la demande d'avis. La Banque peut, dans le cas d'une procédure relative à un établissement de paiement ou à un établissement de monnaie électronique susceptible de présenter, selon son appréciation, des implications systémiques importantes ou qui nécessite au préalable une coordination avec des autorités étrangères, rendre son avis dans un délai plus long, sans toutefois que le délai total ne puisse excéder trente jours. Lorsqu'elle estime devoir faire usage de ce délai exceptionnel, la Banque le notifie à la juridiction appelée à statuer. Le délai dont dispose la Banque pour rendre son avis suspend le délai dans lequel la juridiction doit statuer. En l'absence de réponse de la Banque dans le délai imparti, le tribunal de l'insolvabilité peut statuer.
   L'avis de la Banque est écrit. Il est transmis par tout moyen au greffier, qui le remet au président du tribunal de l'insolvabilité et au procureur du Roi. L'avis est versé au dossier.]1

  
Art. 236/2. [1 De curator of curatoren bedoeld in artikel XX.122, § 1, van het Wetboek van Economisch Recht, evenals de personen die als curator zijn toegevoegd met toepassing van hetzelfde artikel XX.122, § 2, worden aangewezen op advies van de Bank.]1
  
Art.236/2. [1 Le ou les curateurs visés à l'article XX.122, § 1er du Code de droit économique, ainsi que les personnes adjointes en application dudit article XX.122, § 2 sont désignés sur avis de la Banque.]1
  
Art. 236/3. [1 § 1. Voor de ontbinding van een betalingsinstelling of een instelling voor elektronisch geld, ongeacht of deze vrijwillig of gerechtelijk geschiedt, en voor de daaropvolgende vereffening in de zin van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen, is het eensluidend advies van de Bank vereist.
   Alvorens uitspraak te doen over een in het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen vastgelegde grond tot gerechtelijke ontbinding van een betalingsinstelling of een instelling voor elektronisch geld, richt de ondernemingsrechtbank een verzoek om advies aan de Bank volgens de procedure van artikel 236/1, § 2.
   § 2. Bij vrijwillige of gerechtelijke ontbinding van de betalingsinstelling of de instelling voor elektronisch geld kan de liquidateur, die aangewezen wordt overeenkomstig de statutaire of wettelijke regels, slechts worden benoemd met goedkeuring van de Bank.
   Onverminderd de wettelijke bepalingen die van toepassing zijn op de vennootschappen en onverminderd de artikelen 119 en 217, kan de Koning op advies van de Bank de bevoegdheden en verplichtingen van de liquidateur bepalen, in het bijzonder wat de vereffening betreft van de verbintenissen ten aanzien van de houders van elektronisch geld en in voorkomend geval de betalingsdienstgebruikers. De liquidateur moet in elk geval voldoen aan verzoeken om informatie van de Bank en moet de Bank ook uit eigen beweging inlichten over het verloop van zijn opdracht.
   § 3. De Bank stelt de toezichthouders van alle andere betrokken lidstaten en de Federale Overheidsdienst Economie onverwijld in kennis van elke ontbinding, alsmede van de mogelijke concrete gevolgen ervan.]1

  
Art.236/3. [1 § 1er. Toute dissolution d'un établissement de paiement ou d'un établissement de monnaie électronique, qu'elle soit volontaire ou judicaire, et la liquidation au sens du Code des sociétés et des associations qui s'ensuit, requiert l'avis conforme de la Banque.
   Avant qu'il ne soit statué sur une cause de dissolution judiciaire prévue par le Code des sociétés et des associations à l'égard d'un établissement de paiement ou d'un établissement de monnaie électronique, le tribunal de l'entreprise saisit la Banque d'une demande d'avis selon la procédure prévue à l'article 236/1, § 2.
   § 2. En cas de dissolution volontaire ou judiciaire de l'établissement de paiement ou de l'établissement de monnaie électronique, le liquidateur, qui est désigné conformément aux règles statutaires ou légales, ne peut être nommé qu'avec l'approbation de la Banque.
   Sans préjudice des dispositions légales applicables aux sociétés et des articles 119 et 217, le Roi peut déterminer, sur avis de la Banque, les pouvoirs et les obligations du liquidateur, spécialement en ce qui concerne la liquidation des engagements vis-à-vis des détenteurs de monnaie électronique et le cas échéant des utilisateurs de services de paiement. En tout état de cause, le liquidateur est tenu de répondre aux demandes d'information que lui adresse la Banque et doit, en outre, informer d'initiative la Banque de l'évolution de sa mission.
   § 3. La Banque informe sans délai les autorités de contrôle de tous les autres Etats membres concernés et, le Service public fédéral Economie de toute dissolution ainsi que de ses effets concrets possibles.]1

  
BOEK V. - OVERGANGS-, WIJZIGINGS- EN OPHEFFINGSBEPALINGEN
LIVRE V. - DISPOSITIONS TRANSITOIRES, MODIFICATIVES ET ABROGATOIRES
TITEL I. - Overgangsbepalingen
TITRE Ier. - Dispositions transitoires
HOOFDSTUK I. - Betalingsinstellingen
CHAPITRE Ier. - Les établissements de paiement
Art. 237. § 1. Niettegenstaande het bepaalde in Boek II, Titel II, Hoofdstuk I mogen betalingsinstellingen naar Belgisch recht die op de datum van inwerkingtreding van deze wet over een vergunning als betalingsinstelling beschikken om betalingsdiensten aan te bieden als bedoeld in de punten 1 tot 6 van Bijlage I.A, in voorkomend geval in combinatie met betalingsdiensten als bedoeld in punt 7 van Bijlage I.A, deze werkzaamheden tot en met 13 juli 2018 blijven uitoefenen, met uitsluiting van alle andere betalingsdiensten.
  Gedurende die periode worden de betrokken instellingen opgenomen in de lijst bedoeld in artikel 8, § 1, 1°.
  § 2. De in paragraaf 1 bedoelde betalingsinstellingen moeten binnen een maand na de datum van inwerkingtreding van deze wet aan de Bank de volgende gegevens meedelen met betrekking tot de door hen aangeboden betalingsdiensten :
  1° de gegevens waarmee kan worden aangetoond dat de bepalingen van artikel 10, eerste lid, punten 8° en 13° tot 21° worden nageleefd;
  2° de gegevens waarmee kan worden aangetoond dat voldaan is aan de vergunningsvoorwaarden van de artikelen 19, 20, 21, § 1, 2°, 3°, 4°, 9° en 23;
  3° de gegevens waarmee kan worden aangetoond dat de betrokken instellingen kunnen voldoen aan de bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden van Boek II, Titel II, Hoofdstuk I, Afdeling III, Onderafdelingen 3, 4, 5 en 9 tot 15.
  § 3. Wanneer de Bank op basis van de krachtens paragraaf 2 ontvangen gegevens van oordeel is dat de in paragraaf 1 bedoelde betalingsinstellingen voldoen aan de vergunningsvoorwaarden van Boek II, Titel II, Hoofdstuk I, Afdeling II, verleent zij aan die instellingen een vergunning overeenkomstig artikel 12 en stelt zij de betrokken instellingen van haar beslissing in kennis met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs. De Bank stelt de Europese Bankautoriteit onverwijld in kennis van haar beslissing en handhaaft de inschrijving van die instellingen op de lijst bedoeld in artikel 8, § 1, 1°.
  Wanneer de Bank van oordeel is dat de in paragraaf 1 bedoelde betalingsinstellingen niet voldoen aan de vergunningsvoorwaarden van Boek II, Titel II, Hoofdstuk I, Afdeling II, weigert zij aan deze instellingen een vergunning te verlenen en stelt zij hen van haar beslissing in kennis met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs. Deze instellingen zetten het betalingsdienstenbedrijf onmiddellijk stop.
  Indien de vergunning wordt geweigerd, wordt de betrokken betalingsinstelling van de in artikel 8 bedoelde lijst afgehaald.
  § 4. De Bank beschikt in ieder geval over een termijn van twee maanden na de ontvangst van de krachtens paragraaf 2 meegedeelde gegevens om haar beslissing te nemen. Indien die termijn van twee maanden tot na 13 juli 2018 loopt, wordt de in paragraaf 1 bedoelde toelating verlengd tot het verstrijken van die termijn van twee maanden. Indien de Bank na het verstrijken van die termijn geen beslissing heeft genomen, wordt de vergunning geacht te zijn verleend krachtens paragraaf 3, eerste lid.
Art. 237. § 1er. Nonobstant les dispositions du Livre II, Titre II, Chapitre Ier, les établissements de paiement de droit belge qui, à la date d'entrée en vigueur de la présente loi, sont agrées en qualité d'établissement de paiement pour la fourniture des services de paiement visés aux points 1 à 6 de l'Annexe I.A, le cas échéant en combinaison avec le service de paiement visé au point 7 de l'Annexe I.A, sont autorisés à poursuivre ces activités, à l'exclusion de tout autre service de paiement, jusqu'au 13 juillet 2018 inclus.
  Durant cette période, les établissements concernés sont mentionnés à la liste visée à l'article 8, § 1er, 1°.
  § 2. Les établissements de paiement visés au paragraphe 1er sont tenus de communiquer à la Banque, dans un délai d'un mois après la date d'entrée en vigueur de la présente loi, les éléments d'informations suivants eu égard au service de paiement qu'ils offrent :
  1° les éléments permettant de démontrer le respect des dispositions visés à l'article 10, alinéa 1er, points 8° et 13° à 21° ;
  2° les éléments permettant de démontrer le respect des conditions d'agrément visées aux articles 19, 20, 21, § 1er, 2°, 3°, 4°, 9° et 23;
  3° les éléments permettant de démontrer l'aptitude des établissements concernés à satisfaire aux conditions d'exercice de l'activité visés au Livre II, Titre II, Chapitre Ier, Section III, Sous-sections 3, 4, 5 et 9 à 15.
  § 3. Lorsque la Banque estime, sur la base des informations reçues en application du paragraphe 2, que les établissements de paiement visés au paragraphe 1ersatisfont auxconditions d'agrément visées au Livre II, Titre II, Chapitre Ier, Section II, elle agrée ces établissements conformément à l'article 12 et notifie sa décision aux établissements concernés par lettre recommandée à la poste ou avec accusé de réception. La Banque notifie sans tarder sa décision à l'Autorité bancaire européenne et maintient l'inscription de ces établissements à la liste visée à l'article 8, § 1er, 1°.
  Lorsque la Banque estime que les établissements de paiement visés au paragraphe 1ernesatisfont pas auxconditions d'agrément fixées par le Livre II, Titre II, Chapitre Ier, Section II, elle refuse l'agrément de ces établissements et leur notifie sa décision par lettre recommandée à la poste ou avec accusé de réception. Ces derniers cessent immédiatement leurs activités de services de paiement.
  L'établissement de paiement dont l'agrément est refusé est omis de la liste visée à l'article 8.
  § 4. En tout état de cause, la Banque dispose d'un délai de deux mois à compter de la réception des informations communiquées en application du paragraphe 2 pour prendre sa décision. Si ce délai de deux mois excède la date du 13 juillet 2018, l'autorisation visée au paragraphe 1er est étendue jusqu'à l'écoulement de ce délai de deux mois. Si passé ce délai, la Banque n'a pas statué, l'agrément est censé avoir été octroyé en application du paragraphe 3, alinéa 1er.
Art. 238. § 1. Niettegenstaande het bepaalde in Titel II, Hoofdstuk II, Afdeling I mogen rechtspersonen naar Belgisch recht die op de datum van inwerkingtreding van deze wet de in de punten 1 tot 5 van Bijlage I.A bedoelde betalingsdiensten mogen aanbieden op grond van de vrijstellingsregeling van artikel 48 van de wet van 21 december 2009, deze werkzaamheden tot en met 13 januari 2019 blijven uitoefenen in België, met uitsluiting van alle andere betalingsdiensten.
  Gedurende die periode worden de betrokken instellingen opgenomen in de lijst bedoeld in artikel 8, § 1, 2°, a).
  § 2. De in paragraaf 1 bedoelde rechtspersonen moeten aan de Bank de gegevens meedelen waarmee kan worden aangetoond dat voldaan is aan de voorwaarden van de artikelen 81, tweede lid, 2° en 3°, en 82, § 1 en die nog niet zijn meegedeeld aan de Bank. Die gegevens worden meegedeeld binnen een maand na de datum van inwerkingtreding van deze wet.
  § 3. Wanneer de Bank van oordeel is dat de in paragraaf 1 bedoelde rechtspersonen voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 81, tweede lid, 3° en 82, eerste lid, registreert zij hen en stelt zij de betrokken rechtspersonen van haar beslissing in kennis met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs. De Bank stelt de Europese Bankautoriteit onverwijld in kennis van haar beslissing en handhaaft de inschrijving van die instellingen op de lijst bedoeld in artikel 8, § 1, 2°, a). Wanneer die voorwaarden niet vervuld zijn, weigert de Bank deze rechtspersonen te registreren en stelt zij hen van haar beslissing in kennis met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs. Deze rechtspersonen zetten het betalingsdienstenbedrijf onmiddellijk stop.
  Indien de registratie wordt geweigerd, wordt de betrokken rechtspersoon van de in artikel 8 bedoelde lijst afgehaald.
  § 4. De Bank beschikt in ieder geval over een termijn van twee maanden na de ontvangst van de krachtens paragraaf 2 meegedeelde gegevens om haar beslissing te nemen. Indien die termijn van twee maanden tot na 13 januari 2019 loopt, wordt de in paragraaf 1 bedoelde toelating verlengd tot het verstrijken van die termijn van twee maanden. Indien de Bank na het verstrijken van die termijn geen beslissing heeft genomen, wordt de registratie geacht te zijn verleend krachtens paragraaf 3, eerste lid.
  § 5. Rechtspersonen naar Belgisch recht die op de datum van inwerkingtreding van deze wet de in punt 6 van Bijlage I.A bedoelde betalingsdiensten mogen aanbieden op grond van de vrijstellingsregeling van artikel 48 van de wet van 21 december 2009, mogen deze werkzaamheden tot en met 13 juli 2018 blijven uitoefenen, met uitsluiting van alle andere betalingsdiensten.
  Gedurende die periode worden de betrokken rechtspersonen opgenomen in de lijst bedoeld in artikel 8, § 1, 2°, a).
  De in het eerste lid bedoelde rechtspersonen moeten binnen een maand na de inwerkingtreding van deze wet bij de Bank een vergunningsaanvraag indienen die vergezeld gaat van de in artikel 10 bedoelde gegevens.
  Artikel 237, §§ 3 en 4 is van overeenkomstige toepassing.
Art. 238. § 1er. Nonobstant les dispositions du Titre II, Chapitre II, Section Ire, les personnes morales de droit belge qui, à la date d'entrée en vigueur de la présente loi, sont autorisées à offrir des services de paiement visés aux points 1 à 5 de l'Annexe I.A sous le régime de l'exemption visée à l'article 48 de la loi du 21 décembre 2009, sont autorisées à poursuivre ces activités en Belgique, à l'exclusion de tout autre service de paiement, jusqu'au 13 janvier 2019 inclus.
  Durant cette période, les établissements concernés sont mentionnés à la liste visée à l'article 8, § 1er, 2°, a).
  § 2. Les personnes morales visées au paragraphe 1ersont tenues de communiquer à la Banque les informations qui démontrent le respect des conditions visées aux articles 81, alinéa 2, 2° et 3° et 82, § 1er qui n'auraient pas encore été communiquées à la Banque. Ces informations sont communiquées dans un délai d'un mois après la date d'entrée en vigueur de la présente loi.
  § 3. Lorsque la Banque estime que les personnes morales visées au paragraphe 1ersatisfont auxconditions visés aux articles 81, alinéa 2, 3° et 82, alinéa 1er, la Banque les enregistre et notifie sa décision aux personnes concernées par lettre recommandée à la poste ou avec accusé de réception. La Banque notifie sans tarder sa décision à l'Autorité bancaire européenne et maintient l'inscription de ces établissements à la liste visée à l'article 8, § 1er, 2°, a). Lorsque ces conditions ne sont pas satisfaites, la Banque refuse l'enregistrement de ces personnes et leur notifie sa décision par lettre recommandée à la poste ou avec accusé de réception. Ces dernières cessent immédiatement leurs activités de services de paiement.
  La personne morale dont l'enregistrement est refusé est omise de la liste visée à l'article 8.
  § 4. En tout état de cause, la Banque dispose d'un délai de deux mois à compter de la réception des informations communiquées en application du paragraphe 2 pour prendre sa décision. Si ce délai de deux mois excède la date du 13 janvier 2019, l'autorisation visée au paragraphe 1er est étendue jusqu'à l'écoulement de ce délai de deux mois. Si passé ce délai, la Banque n'a pas statué, l'enregistrement est censé avoir été octroyé en application du paragraphe 3, alinéa 1er.
  § 5. Les personnes morales de droit belge qui, à la date d'entrée en vigueur de la présente loi, sont autorisées à offrir le service de paiement visé au point 6 de l'Annexe I.A sous le régime de l'exemption visée à l'article 48 de la loi du 21 décembre 2009, sont autorisées à poursuivre ces activités, à l'exclusion de tout autre service de paiement, jusqu'au 13 juillet 2018 inclus.
  Durant cette période, les personnes morales concernées sont mentionnées à la liste visée à l'article 8, § 1er, 2°, a).
  Les personnes morales visées à l'alinéa 1ersont tenues de soumettre à la Banque une demande d'agrément accompagnée des informations visées à l'article 10 et ce, dans un délai d'un mois après la date d'entrée en vigueur de la présente loi.
  L'article 237, §§ 3 et 4 s'applique par analogie.
Art. 239. § 1. Niettegenstaande de artikelen 9 en 89 mogen rechtspersonen naar Belgisch recht die op de datum van inwerkingtreding van deze wet de in de punten 7 en/of 8 van Bijlage I.A bedoelde betalingsdiensten aanbieden, deze werkzaamheid blijven uitoefenen in België, voor zover zij overeenkomstig de bepalingen van deze wet een vergunnings- of registratieaanvraag indienen binnen drie maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wet. Bij ontstentenis hiervan moeten de betrokken rechtspersonen het betalingsdienstenbedrijf stopzetten.
  § 2. Wanneer de Bank op basis van de krachtens paragraaf 1 ontvangen gegevens van oordeel is dat de in paragraaf 1 bedoelde rechtspersonen voldoen aan de vergunningsvoorwaarden van Boek II, Titel II, Hoofdstuk I, Afdeling II of aan de registratievoorwaarden van Boek II, Titel II, Hoofdstuk II, Afdeling II, Onderafdeling 2, verleent zij aan die rechtspersonen een vergunning of registratie overeenkomstig de artikelen 12 of 91 en stelt zij hen van haar beslissing in kennis met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs. De Bank stelt de Europese Bankautoriteit onverwijld in kennis van haar beslissing en schrijft deze instellingen in op de lijst bedoeld in artikel 8, § 1, 1°, indien zij een vergunning hebben verkregen, of op de lijst bedoeld in artikel 8, § 1, 2°, b), indien zij een registratie hebben verkregen.
  Wanneer de Bank op basis van de ontvangen gegevens van oordeel is dat de in paragraaf 1 bedoelde rechtspersonen niet voldoen aan de vergunningsvoorwaarden van Boek II, Titel II, Hoofdstuk I, Afdeling II of aan de registratievoorwaarden van Boek II, Titel II, Hoofdstuk II, Afdeling II, Onderafdeling 2, weigert zij een vergunning of registratie te verlenen en stelt zij hen van haar beslissing in kennis met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs. Deze rechtspersonen zetten het betalingsdienstenbedrijf onmiddellijk stop.
Art. 239. § 1er. Nonobstant les articles 9 et 89, les personnes morales de droit belge qui, à la date d'entrée en vigueur de la présente loi, fournissent les services de paiement visés aux points 7 et/ou 8 de l'Annexe I.A, peuvent continuer à exercer cette activité en Belgique pour autant qu'elles introduisent une demande d'agrément ou d'enregistrement conformément aux dispositions de la présente loi dans les trois mois de la date d'entrée en vigueur de la présente loi. A défaut, les personnes morales concernées doivent cesser leurs activités de services de paiement.
  § 2. Lorsque la Banque estime, sur la base des informations reçues en application du paragraphe 1er, que les personnes visées au paragraphe 1ersatisfont auxconditions d'agrément prévues par le Livre II, Titre II, Chapitre Ier, Section II ou aux conditions d'enregistrement prévues par le Livre II, Titre II, Chapitre II, Section II, Sous-section 2, elle agrée ou enregistre ces personnes conformément aux articles 12 ou 91 et leur notifie sa décision par lettre recommandée à la poste ou avec accusé de réception. La Banque notifie sans tarder sa décision à l'Autorité bancaire européenne et inscrit ces établissements à la liste visée à l'article 8, § 1er, 1°, s'ils sont agrées, ou à celle visée à l'article 8, § 1er, 2°, b), s'ils sont enregistrés.
  Lorsque la Banque estime, sur la base des informations reçues, que les personnes visées au paragraphe 1ernesatisfont pas auxconditions d'agrément prévues par le Livre II, Titre II, Chapitre Ier, Section II ou aux conditions d'enregistrement prévues par le Livre II, Titre II, Chapitre II, Section II, Sous-section 2, elle refuse l'agrément ou l'enregistrement et leur notifie sa décision par lettre recommandée à la poste ou avec accusé de réception. Ces personnes cessent immédiatement leurs activités de services de paiement.
Art. 240. § 1. De koninklijke besluiten, de reglementen van de Bank en alle andere handelingen van reglementaire aard die ter uitvoering van de wet van 21 december 2009 zijn vastgesteld, blijven van toepassing in de mate dat de bepalingen van deze wet voorzien in de algemene of specifieke juridische machtigingen die nodig zijn voor deze reglementaire handelingen en dat hun inhoud niet in strijd is met deze wet.
  § 2. De machtigingen en afwijkingen die door de Bank zijn verleend en alle handelingen met individuele draagwijdte die eerder zijn vastgesteld op grond van de voornoemde wet van 21 december 2009 of van de reglementaire handelingen die ter uitvoering ervan zijn vastgesteld, blijven geldig, tenzij zij overeenkomstig deze wet worden herroepen of gewijzigd.
Art. 240. § 1er. Les arrêtés royaux, les règlements de la Banque ainsi que tous autres actes de nature réglementaire adoptés en exécution de la loi du 21 décembre 2009 demeurent applicables dans la mesure où les dispositions de la présente loi prévoient les habilitations juridiques, générales ou spécifiques, nécessaires à ces actes réglementaires et que leur contenu n'est pas contraire à la présente loi.
  § 2. Les autorisations et dérogations données par la Banque ainsi que tous actes de portée individuelle adoptés antérieurement sur base de la loi précitée du 21 décembre 2009 ou des actes réglementaires adoptés pour son exécution, restent en vigueur, sauf leur révocation ou modification décidée conformément à la présente loi.
HOOFDSTUK II. - Instellingen voor elektronisch geld
CHAPITRE II. - Les établissements de monnaie électronique
Art. 241. § 1. Niettegenstaande het bepaalde in Boek IV, Titel II, Hoofdstuk I, mogen de instellingen voor elektronisch geld naar Belgisch recht die op de datum van inwerkingtreding van deze wet over een vergunning als instelling voor elektronisch geld beschikken, de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en het betalingsdienstenbedrijf tot en met 13 juli 2018 blijven uitoefenen, met uitsluiting van alle andere, nieuwe werkzaamheden.
  Gedurende die periode worden de betrokken instellingen opgenomen in de lijst bedoeld in artikel 166, § 1, 1°.
  § 2. De in paragraaf 1bedoelde instellingen voor elektronisch geld moeten aan de Bank, binnen een maand na de datum van inwerkingtreding van deze wet, de volgende gegevens meedelen met betrekking tot hun werkzaamheden :
  1° de gegevens waarmee kan worden aangetoond dat artikel 168, § 1, eerste lid, 7° en 8° wordt nageleefd;
  2° de gegevens waarmee kan worden aangetoond dat voldaan is aan de vergunningsvoorwaarden van de artikelen 174 tot 175 en 177;
  3° de gegevens waarmee kan worden aangetoond dat de betrokken instellingen kunnen voldoen aan de bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden van Boek IV, Titel II, Hoofdstuk I, Afdeling III, Onderafdelingen 2, 7 en 8.
  4° wanneer ze betalingsdiensten aanbieden op de datum van inwerkingtreding van de wet, de in Boek V, Titel I, Hoofdstuk I bedoelde gegevens.
  § 3. Wanneer de Bank op basis van de overeenkomstig paragraaf 2 ontvangen gegevens van oordeel is dat de in paragraaf 1 bedoelde instellingen voor elektronisch geld voldoen aan de vergunningsvoorwaarden van Boek IV, Titel II, Hoofdstuk I, Afdeling II, verleent zij aan die instellingen een vergunning overeenkomstig artikel 169 en stelt zij de betrokken instellingen van haar beslissing in kennis met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs. De Bank stelt de Europese Bankautoriteit onverwijld in kennis van haar beslissing en handhaaft de inschrijving van die instellingen op de lijst bedoeld in artikel 166.
  Wanneer de Bank van oordeel is dat de in paragraaf 1 bedoelde instellingen voor elektronisch geld niet voldoen aan de vergunningsvoorwaarden van Boek IV, Titel II, Hoofdstuk I, Afdeling II, weigert zij aan die instellingen een vergunning te verlenen en stelt zij hen van haar beslissing in kennis met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs. Deze instellingen zetten hun activiteit van uitgifte van elektronisch geld en het betalingsdienstenbedrijf onmiddellijk stop.
  Indien de vergunning wordt geweigerd, wordt de betrokken instelling voor elektronisch geld van de in artikel 166 bedoelde lijst afgehaald.
  § 4. De Bank beschikt in ieder geval over een termijn van twee maanden na de ontvangst van de krachtens paragraaf 2 meegedeelde gegevens om haar beslissing te nemen. Indien die termijn van twee maanden tot na 13 juli 2018 loopt, wordt de in paragraaf 1 bedoelde toelating verlengd tot het verstrijken van die termijn van twee maanden. Indien de Bank na het verstrijken van die termijn geen beslissing heeft genomen, wordt de vergunning geacht te zijn verleend krachtens paragraaf 3, eerste lid.
  § 5. Niettegenstaande het bepaalde in Boek IV, Titel II, Hoofdstuk II, Afdeling I zijn rechtspersonen naar Belgisch recht die op de datum van inwerkingtreding van deze wet elektronisch geld mogen uitgeven en betalingsdiensten mogen aanbieden op grond van de vrijstellingsregeling van artikel 105 van de wet van 21 december 2009, onderworpen aan artikel 238 voor wat betreft die betalingsdiensten.
Art. 241. § 1er. Nonobstant les dispositions du Livre IV, Titre II, Chapitre Ier, les établissements de monnaie électronique de droit belge qui, à la date d'entrée en vigueur de la présente loi, sont agréés en qualité d'établissement de monnaie électronique sont autorisés à poursuivre leurs activités d'émission de monnaie électronique et de services de paiement, à l'exclusion de tout autre nouvelle activité, jusqu'au 13 juillet 2018 inclus.
  Durant cette période, les établissements concernés sont mentionnés à la liste visée à l'article 166, § 1er, 1°.
  § 2. Les établissements de monnaie électronique visés au paragraphe 1ersont tenus de communiquer à la Banque, dans un délai d'un mois après la date d'entrée en vigueur de la présente loi, les informations suivantes, eu égard à leurs activités :
  1° les éléments permettant de démontrer le respect de l'article 168, § 1er, alinéa 1er, 7° et 8° ;
  2° les éléments permettant de démontrer le respect des conditions d'agrément prévues aux articles 174 à 175 et 177;
  3° les éléments permettant de démontrer l'aptitude des établissements concernés à satisfaire aux conditions d'exercice de l'activité prévues au Livre IV, Titre II, Chapitre Ier, Section III, Sous-sections 2, 7 et 8.
  4° lorsqu'ils offrent des services de paiement à la date d'entrée en vigueur de la loi, les éléments visés au Livre V, Titre Ier, Chapitre Ier.
  § 3. Lorsque la Banque estime, sur la base des informations reçues conformément au paragraphe 2, que les établissements de monnaie électronique visés au paragraphe 1ersatisfont auxconditions d'agrément prévues au Livre IV, Titre II, Chapitre Ier, Section II, elle agrée ces établissements conformément à l'article 169 et notifie sa décision aux établissements concernés par lettre recommandée à la poste ou avec accusé de réception. La Banque notifie sans tarder sa décision à l'Autorité bancaire européenne et maintient l'inscription de ces établissements à la liste visée à l'article 166.
  Lorsque la Banque estime que les établissements de monnaie électronique visés au paragraphe 1ernesatisfont pas auxconditions d'agrément fixées par le Livre IV, Titre II, Chapitre Ier, Section II, elle refuse l'agrément de ces établissements et leur notifie sa décision par lettre recommandée à la poste ou avec accusé de réception. Ces derniers cessent immédiatement leurs activités d'émission de monnaie électronique et de services de paiement.
  L'établissement de monnaie électronique dont l'agrément est refusé est omis de la liste visée à l'article 166.
  § 4. En tout état de cause, la Banque dispose d'un délai de deux mois à compter de la réception des informations communiquées en application du paragraphe 2 pour prendre sa décision. Si ce délai de deux mois excède la date du 13 juillet 2018, l'autorisation visée au paragraphe 1er est étendue jusqu'à l'écoulement de ce délai de deux mois. Si passé ce délai, la Banque n'a pas statué, l'agrément est censé avoir été octroyé en application du paragraphe 3, alinéa 1er.
  § 5. Nonobstant les dispositions du Livre IV, Titre II, Chapitre II, Section Ire, les personnes morales de droit belge qui, à la date d'entrée en vigueur de la présente loi, sont autorisées à émettre de la monnaie électronique et à offrir des services de paiement sous le régime de l'exemption visée à l'article 105 de la loi du 21 décembre 2009, sont soumises à l'article 238 pour ce qui concerne lesdits services de paiement.
TITEL II. - Wijzigingsbepalingen
TITRE II. - Dispositions modificatives
HOOFDSTUK I. - Wijzigingen van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België
CHAPITRE Ier. - Modifications de la loi du 22 février 1998 fixant le statut organique de la Banque nationale de Belgique
Art. 242. In artikel 36/1 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 oktober 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de bepaling onder 4° wordt vervangen als volgt :
  "4° "instelling voor elektronisch geld" : een instelling als bedoeld in artikel 2, 74° van de wet van 11 maart 2018 op het statuut van en het toezicht op de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, en de toegang tot betalingssystemen;";
  2° de bepaling onder 9° wordt vervangen als volgt :
  "9° "betalingsinstelling" : een instelling als bedoeld in artikel 2, 8° van de wet van 11 maart 2018 op het statuut van en het toezicht op de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, en de toegang tot betalingssystemen;".
Art. 242. Dans l'article 36/1 de la loi du 22 février 1998 fixant le statut organique de la Banque nationale de Belgique, modifié en dernier lieu par la loi du 25 octobre 2016, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le 4° est remplacé par ce qui suit :
  "4° "établissement de monnaie électronique" : tout établissement visé à l'article 2, 74° de la loi du 11 mars 2018 relative au statut et au contrôle des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l'accès à l'activité de prestataire de services de paiement et à l'activité d'émission de monnaie électronique, et à l'accès aux systèmes de paiement;";
  2° le 9° est remplacé par ce qui suit :
  "9° "établissement de paiement" : tout établissement visé à l'article 2, 8° de la loi du 11 mars 2018 relative au statut et au contrôle des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l'accès à l'activité de prestataire de services de paiement et à l'activité d'émission de monnaie électronique, et à l'accès aux systèmes de paiement;".
Art. 243. In artikel 36/3, § 2, eerste lid, van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 oktober 2016, worden de woorden ", de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld" ingevoegd tussen de woorden "met uitzondering van de kredietinstellingen, de beursvennootschappen" en de woorden "en de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen".
Art. 243. Dans l'article 36/3, § 2, alinéa 1er de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 25 octobre 2016, les mots ", des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique" sont insérés entre les mots "à l'exception des établissements de crédit, des sociétés de bourse" et les mots "et des entreprises d'assurance et de réassurance".
Art. 244. In artikel 36/8, § 1 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 24 maart 2017, worden de woorden "en in de artikelen 50/1 en 50/2 van de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen" vervangen door de woorden "en in artikel 161 van de wet van 11 maart 2018 op het statuut van en het toezicht op de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, en de toegang tot betalingssystemen".
Art. 244. Dans l'article 36/8, § 1er de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 24 mars 2017, les mots "et aux articles 50/1 et 50/2 de la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l'accès à l'activité de prestataire de services de paiement, à l'activité d'émission de monnaie électronique et à l'accès aux systèmes de paiement" sont remplacés par les mots "et à l'article 161 de la loi du 11 mars 2018 relative au statut et au contrôle des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l'accès à l'activité de prestataire de services de paiement et à l'activité d'émission de monnaie électronique, et à l'accès aux systèmes de paiement".
HOOFDSTUK II. - Wijzigingen van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen
CHAPITRE II. - Modifications de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse
Afdeling I. - Diverse wijzigingen
Section Ire. - Modifications diverses
Art. 245. In artikel 4, eerste lid, 4) van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen worden de woorden "in de zin van artikel 4, 1°, van de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen" vervangen door de woorden "in de zin van artikel 2, 1°, van de wet van 11 maart 2018 op het statuut van en het toezicht op de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, en de toegang tot betalingssystemen".
Art. 245. Dans l'article 4, alinéa 1er, 4) de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse, les mots "au sens de l'article 4, 1°, de la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l'accès à l'activité de prestataire de services de paiement, à l'activité d'émission de monnaie électronique et à l'accès aux systèmes de paiement" sont remplacés par les mots "au sens de l'article 2, 1°, de la loi du 11 mars 2018 au statut et au contrôle des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l'accès à l'activité de prestataire de services de paiement et à l'activité d'émission de monnaie électronique, et à l'accès aux systèmes de paiement".
Art. 246. In artikel 222 van dezelfde wet wordt het derde lid vervangen als volgt :
  "Het College van toezicht op de bedrijfsrevisoren dat opgericht is bij artikel 32 van de wet van 7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren, brengt de Bank op de hoogte telkens als een procedure wordt ingeleid of een maatregel en/of sanctie wordt genomen door dit College tegen een erkende revisor of een erkende revisorenvennootschap wegens een tekortkoming in de uitoefening van zijn of haar opdracht, met opgave van de motivering, en telkens als een verslag wordt opgesteld met toepassing van artikel 56, § 1 van de voornoemde wet van 7 december 2016. Het College brengt de Bank ook op de hoogte van alle soortgelijke procedures, maatregelen en/of sancties die in het buitenland worden opgelegd aan een erkende revisor of een erkende revisorenvennootschap en waarvan het College kennis heeft.".
Art. 246. Dans l'article 222 de la même loi, l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
  "Le Collège de supervision des réviseurs d'entreprises créé par l'article 32 de la loi du 7 décembre 2016 portant organisation de la profession et de la supervision publique des réviseurs d'entreprises informe la Banque de toute procédure ouverte et de toute mesure et/ou sanction prise par ledit Collège à l'encontre d'un réviseur agréé ou d'une société de réviseurs agréée pour manquement commis dans l'exercice de ses fonctions ainsi que de ses motifs, y compris de tout rapport rédigé en application de l'article 56, § 1er de la loi précitée du 7 décembre 2016. Le Collège informe également la Banque de toute procédure, mesure et/ou sanction similaire dont un réviseur agréé ou une société de réviseurs agréée fait l'objet à l'étranger dont le Collège a connaissance.".
Afdeling II. - Wijzigingen tot omzetting van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad
Section II. - Modifications visant à transposer la directive 2014/59/UE du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 établissant un cadre pour le redressement et la résolution des établissements de crédit et des entreprises d'investissement et modifiant la directive 82/891/CEE du Conseil ainsi que les directives du Parlement européen et du Conseil 2001/24/CE, 2002/47/CE, 2004/25/CE, 2005/56/CE, 2007/36/CE, 2011/35/UE, 2012/30/UE et 2013/36/UE et les règlements du Parlement européen et du Conseil (UE) n° 1093/2010 et (UE) n° 648/2012
Art. 247. Artikel 113 van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen, gewijzigd bij de wet van 18 december 2015, wordt aangevuld met een paragraaf 6, luidende :
  " § 6. De toezichthouder stelt de EBA in kennis van de wijze waarop hij de bepalingen van dit artikel heeft toegepast.".
Art. 247. L'article 113 de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse, modifié par la loi du 18 décembre 2015, est complété par un paragraphe 6 rédigé comme suit :
  " § 6. L'autorité de contrôle informe l'ABE de la manière dont elle a appliqué les dispositions de cet article.".
Art. 248. Artikel 229 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 5 december 2017, wordt aangevuld met een paragraaf 5, luidende :
  " § 5. De afwikkelingsautoriteit stelt de EBA in kennis van de wijze waarop zij de bepalingen van dit artikel heeft toegepast.".
Art. 248. L'article 229 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 5 décembre 2017, est complété par un paragraphe 5 rédigé comme suit :
  " § 5. L'autorité de résolution informe l'ABE de la manière dont elle a appliqué les dispositions de cet article.".
Art. 249. Artikel 242 van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 december 2015 en bekrachtigd bij de wet van 27 juni 2016, wordt aangevuld met de bepalingen onder 20° en 21°, luidende :
  "20° beëindigingsrecht : een recht om een contract te beëindigen, een recht om een verplichting te versnellen, voortijdig te beëindigen of te verrekenen, dan wel een soortgelijke bepaling die een verplichting van een partij bij het contract opschort, wijzigt of nietig verklaart of een bepaling die het ontstaan belet van een verplichting uit hoofde van het contract die anders zou zijn ontstaan;
  21° schuldinstrumenten : voor de toepassing van artikel 276, § 2, 4° /3 en 4° /4, obligaties en andere vormen van overdraagbare schuld, instrumenten die een schuld creëren of erkennen en instrumenten die recht geven op het verwerven van schuldinstrumenten.".
Art. 249. L'article 242 de la même loi, modifié par l'arrêté royal du 18 décembre 2015 et confirmé par la loi du 27 juin 2016, est complété par les 20° et 21° rédigés comme suit :
  "20° droit de résiliation, le droit de résilier un contrat, le droit d'anticiper l'exigibilité, de liquider ou de compenser des obligations, ainsi que toute disposition similaire prévoyant la suspension, la modification ou l'extinction d'une obligation imposée à une partie au contrat ou une disposition empêchant la survenance d'une obligation résultant du contrat qui surviendrait en l'absence de cette disposition;
  21° instruments de dette, pour l'application de l'article 276, § 2, 4° /3 et 4° /4, les obligations et autres formes de dette négociables et les instruments créant ou reconnaissant une dette ou conférant le droit d'acquérir des instruments de dette.".
Art. 250. In dezelfde wet wordt een artikel 273/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 273/1. Onverminderd een krachtens artikel 280, § 1, 2° opgelegde maatregel, kan de afwikkelingsautoriteit de rechtbank waarbij de zaak aanhangig is gemaakt verzoeken om gedurende een in het licht van de nagestreefde doelstellingen passende termijn opschorting te verlenen van een gerechtelijke maatregel of procedure waarbij een kredietinstelling in afwikkeling partij is of wordt, indien zulks voor de doeltreffende toepassing van de afwikkelingsinstrumenten en -bevoegdheden noodzakelijk is.".
Art. 250. Dans la même loi il est inséré un article 273/1 rédigé comme suit :
  "Art. 273/1. Sans préjudice d'une mesure imposée en vertu de l'article 280, § 1er, 2°, l'autorité de résolution peut demander au tribunal saisi, si cela est nécessaire à la bonne application des instruments et des pouvoirs de résolution, de surseoir à statuer pour une période appropriée conformément à l'objectif poursuivi, dans toute action ou procédure judiciaire à laquelle un établissement de crédit faisant l'objet de la résolution est ou devient partie.".
Art. 251. Artikel 279, § 1 van dezelfde wet wordt aangevuld met een tweede lid, luidende :
  "De afwikkelingsautoriteit is bevoegd om de nakoming af te dwingen van de verplichtingen die met toepassing van artikel 65, lid 1 van Richtlijn 2014/59/EU door afwikkelingsautoriteiten in andere lidstaten zijn opgelegd aan in België gevestigde groepsentiteiten.".
Art. 251. L'article 279, § 1er de la même loi est complété par un alinéa 2 rédigé comme suit :
  "L'autorité de résolution dispose du pouvoir de faire respecter par les entités du groupe établies en Belgique les obligations imposées, en vertu de l'article 65, paragraphe 1 de la directive 2014/59/UE, par les autorités de résolution d'autres Etats membres.".
Art. 252. In artikel 283 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt :
  " § 2. Bij de waardering bedoeld in paragraaf 1 wordt het volgende bepaald :
  1° de behandeling die aandeelhouders en schuldeisers, of de desbetreffende depositogarantiestelsels, zouden hebben genoten, mocht op het moment dat het in artikel 293 bedoelde besluit werd genomen een liquidatieprocedure zijn geopend ten aanzien van de kredietinstelling in afwikkeling waarop de afwikkelingsmaatregelen betrekking hadden;
  2° de daadwerkelijke behandeling die aandeelhouders en schuldeisers hebben genoten bij de afwikkeling van de kredietinstelling in afwikkeling; en
  3° of er sprake is van een verschil tussen de onder 1° bedoelde behandeling en de onder 2° bedoelde behandeling.";
  2° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 3, luidende :
  " § 3. Bij de waardering wordt :
  1° aangenomen dat tegen de kredietinstelling in afwikkeling waarop de afwikkelingsmaatregelen betrekking hadden, op het moment dat het in artikel 293 bedoelde besluit werd genomen, een liquidatieprocedure zou zijn geopend;
  2° aangenomen dat de afwikkelingsmaatregelen niet hadden plaatsgevonden;
  3° geen rekening gehouden met de toekenning van uitzonderlijke overheidssteun aan de kredietinstelling in afwikkeling.".
Art. 252. A l'article 283 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. La valorisation visée au paragraphe 1er établit :
  1° le traitement dont auraient bénéficié les actionnaires et les créanciers, ou le système de garantie des dépôts, si l'établissement de crédit soumis à une procédure de résolution par rapport auquel des mesures de résolution ont été exécutées avait été soumis à une procédure de liquidation au moment où la décision visée à l'article 293 a été prise;
  2° le traitement réel dont les actionnaires et les créanciers ont bénéficié dans la résolution de l'établissement de crédit soumis à une procédure de résolution; et
  3° s'il existe une différence entre le traitement visé au point 1° et celui visé au point 2°. ";
  2° l'article est complété par un paragraphe 3 rédigé comme suit :
  " § 3. La valorisation :
  1° pose l'hypothèse que l'établissement de crédit soumis à une procédure de résolution par rapport auquel des mesures de résolution ont été exécutées aurait été soumis à une procédure de liquidation au moment où la décision visée à l'article 293 a été prise;
  2° pose l'hypothèse que les mesures de résolution n'ont pas été exécutées;
  3° ne tient pas compte de l'apport éventuel d'un soutien financier exceptionnel des pouvoirs publics à l'établissement de crédit soumis à une procédure de résolution.".
Art. 253. Artikel 429 van dezelfde wet, ingevoegd bij koninklijk besluit van 26 december 2015 en bekrachtigd bij wet van 27 juni 2016, wordt aangevuld met een paragraaf 3, luidende :
  " § 3. De toezichthouder stelt de EBA in kennis van de wijze waarop hij de bepalingen van dit artikel heeft toegepast.".
Art. 253. L'article 429 de la même loi, inséré par l'arrêté royal du 26 décembre 2015 et confirmé par la loi du 27 juin 2016, est complété par un paragraphe 3 rédigé comme suit :
  " § 3. L'autorité de contrôle informe l'ABE de la manière dont elle a appliqué les dispositions de cet article.".
Art. 254. Artikel 443 van dezelfde wet, ingevoegd bij koninklijk besluit van 26 december 2015 en bekrachtigd bij wet van 27 juni 2016, wordt aangevuld met een paragraaf 5, luidende :
  " § 5. De afwikkelingsautoriteit stelt de EBA in kennis van de wijze waarop zij de bepalingen van dit artikel heeft toegepast.".
Art. 254. L'article 443 de la même loi, inséré par l'arrêté royal du 26 décembre 2015 et confirmé par la loi du 27 juin 2016, est complété par un paragraphe 5 rédigé comme suit :
  " § 5. L'autorité de résolution informe l'ABE de la manière dont elle a appliqué les dispositions de cet article.".
Art. 255. Artikel 480 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 5 december 2017, wordt aangevuld met een derde lid, luidende :
  "Voor de toepassing van het eerste lid, 3° is een EER-dochterkredietinstelling een kredietinstelling die een dochteronderneming is van een kredietinstelling van een derde land of van een moederonderneming van een derde land.".
Art. 255. L'article 480 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 5 décembre 2017, est complété par un alinéa 3 rédigé comme suit :
  "Pour l'application de l'alinéa 1er, 3° un établissement de crédit filiale dans l'EEE est un établissement de crédit qui est une filiale d'un établissement de crédit dans un pays tiers ou d'une entreprise mère dans un pays tiers.".
HOOFDSTUK III. - Wijzigingen van de wet van 25 oktober 2016 betreffende de toegang tot het beleggingsdienstenbedrijf en betreffende het statuut van en het toezicht op de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies
CHAPITRE III. - Modifications de la loi du 25 octobre 2016 relative à l'activité de prestation de services d'investissement et au statut et au contrôle des sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement
Art. 256. In artikel 2 van de wet van 25 oktober 2016 betreffende de toegang tot het beleggingsdienstenbedrijf en betreffende het statuut van en het toezicht op de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, gewijzigd bij de wet van 21 november 2017, wordt de bepaling onder 42° vervangen als volgt :
  "42° wet van 11 maart 2018 : de wet van 11 maart 2018 op het statuut van en het toezicht op de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, en de toegang tot betalingssystemen;".
Art. 256. A l'article 2 de la loi du 25 octobre 2016 relative à l'activité de prestation de services d'investissement et au statut et au contrôle des sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement, modifié par la loi du 21 novembre 2017, le 42° est remplacé par ce qui suit :
  "42° par la loi du 11 mars 2018 : la loi du 11 mars 2018 relative au statut et au contrôle des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l'accès à l'activité de prestataire de services de paiement et à l'activité d'émission de monnaie électronique, et à l'accès aux systèmes de paiement;".
Art. 257. Artikel 102 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  "Zijn enkel gemachtigd om in België voor eigen rekening of als commissionair dan wel als lasthebber deviezen te verhandelen, ongeacht of het om termijnverrichtingen dan wel om contantverrichtingen gaat :
  1° de Nationale Bank van België en de Europese Centrale Bank;
  2° de kredietinstellingen naar Belgisch recht;
  3° de buitenlandse kredietinstellingen die hun werkzaamheden in België mogen uitoefenen krachtens de wet van 25 april 2014;
  4° de beursvennootschappen naar Belgisch recht bedoeld in titel II van boek XII van de wet van 25 april 2014;
  5° de buitenlandse beursvennootschappen die hun werkzaamheden in België mogen uitoefenen krachtens Boek XII, Titel III van de wet van 25 april 2014;
  6° de betalingsinstellingen naar Belgisch recht waaraan de Bank een vergunning heeft verleend conform artikel 9 van de wet van 11 maart 2018;
  7° de betalingsinstellingen die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren en die hun werkzaamheden in België mogen uitoefenen krachtens de wet van 11 maart 2018;
  8° de instellingen voor elektronisch geld naar Belgisch recht waaraan de Bank een vergunning heeft verleend overeenkomstig artikel 169 van de wet van 11 maart 2018;
  9° de instellingen voor elektronisch geld die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren en die hun werkzaamheden in België mogen uitoefenen krachtens de wet van 11 maart 2018;
  10° de naamloze vennootschap van publiek recht bpost.
  Voor de bemiddelaars bedoeld in het eerste lid, 7° en 9°, geldt het eerste lid enkel voor valutawisseldiensten die nauw samenhangen met het aanbieden van betalingsdiensten en/of de uitgifte van elektronisch geld.
  Buiten de in het eerste lid bedoelde personen kunnen de personen die overeenkomstig artikel 103 geregistreerd zijn ook verrichtingen uitvoeren voor de contante aankoop of verkoop van deviezen, met name in contanten of met cheques in deviezen dan wel met gebruik van een krediet- of betaalkaart.".
Art. 257. L'article 102 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
  "Sont seuls habilités à effectuer en Belgique, pour compte propre ou comme commissionnaire ou mandataire, le commerce des devises, qu'il s'agisse d'opérations à terme ou au comptant :
  1° la Banque nationale de Belgique et la Banque centrale européenne;
  2° les établissements de crédit de droit belge;
  3° les établissements de crédit étrangers autorisés à exercer leurs activités en Belgique en vertu de la loi du 25 avril 2014;
  4° les sociétés de bourse de droit belge visées au titre II du livre XII de la loi du 25 avril 2014;
  5° les sociétés de bourse étrangères autorisées à exercer leurs activités en en Belgique en vertu du Livre XII, Titre III de la loi du 25 avril 2014;
  6° les établissements de paiement de droit belge agréés par la Banque conformément à l'article 9 de la loi du 11 mars 2018;
  7° les établissements de paiement relevant du droit d'un autre Etat membre autorisés à exercer leurs activités en Belgique en vertu de la loi du 11 mars 2018;
  8° les établissements de monnaie électronique de droit belge agréés par la Banque conformément à l'article 169 de la loi du 11 mars 2018;
  9° les établissements de monnaie électronique relevant du droit d'un autre Etat membre autorisés à exercer leurs activités en Belgique en vertu de la loi du 11 mars 2018;
  10° la société anonyme de droit public bpost.
  S'agissant des intermédiaires visées à l'alinéa 1er, 7° et 9°, le bénéfice de l'alinéa 1er ne vaut que pour les services de change étroitement liés à la fourniture de services de paiement et/ou à l'émission de monnaie électronique.
  Outre les personnes visées à l'alinéa 1er, les personnes enregistrées conformément à l'article 103 peuvent également effectuer des opérations d'achat ou de vente au comptant de devises notamment sous forme d'espèces ou de chèques libellés en devises ou par l'utilisation d'une carte de crédit ou de paiement.".
TITEL III. - Opheffingsbepaling
TITRE III. - Disposition abrogatoire
Art. 258. De wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen wordt opgeheven.
Art. 258. La loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l'accès à l'activité de prestataire de services de paiement, à l'activité d'émission de monnaie électronique et à l'accès aux systèmes de paiement est abrogée.
BOEK VI. - INWERKINGTREDING
LIVRE VI. - ENTREE EN VIGUEUR
Art. 259. Deze wet treedt in werking de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
  Bij wijze van uitzondering zijn de beveiligingsmaatregelen bedoeld in de artikelen 48, § 1, 2° en § 2, 1° en 2°, 55, eerste lid, 3°, 57, § 2, en 98, § 3, 1° en 2°, van toepassing achttien maanden na de inwerkingtreding van de in artikel 98 van de Richtlijn bedoelde technische reguleringsnormen.
  In afwachting van het verstrijken van de in het tweede lid bedoelde termijn van achttien maanden mogen er betalingsinitiatiediensten of rekeninginformatiediensten worden aangeboden voor zover de betrokken vergunning of registratie deze diensten dekt.
Art. 259. La présente loi entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge.
  Par exception, les mesures de sécurité visées aux articles 48, § 1er, 2° et § 2, 1° et 2°, 55, alinéa 1er, 3°, 57, § 2, et 98, § 3, 1° et 2°, sont d'application dix-huit mois après l'entrée en vigueur des normes techniques de réglementation visées à l'article 98 de la Directive.
  La non-expiration du délai de dix-huit mois visé à l'alinéa 2 n'empêche pas la fourniture des services d'initiation de paiement ou d'information sur les comptes, pour autant que l'agrément ou l'enregistrement concerné couvre lesdits services.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. Bijlage I.A.
  Voor de toepassing van deze wet worden als betalingsdiensten beschouwd:
  1. Diensten die het mogelijk maken contanten op een betaalrekening te storten, alsmede alle verrichtingen die voor het beheren van een betaalrekening vereist zijn
  2. Diensten die het mogelijk maken contanten van een betaalrekening op te nemen, alsmede alle verrichtingen die voor het beheren van een betaalrekening vereist zijn
  3. Uitvoering van betalingstransacties, met inbegrip van geldovermakingen, op een betaalrekening bij de betalingsdienstaanbieder van de gebruiker of bij een andere betalingsdienstaanbieder:
  - uitvoering van domiciliëringen, met inbegrip van eenmalige domiciliëringen;
  - uitvoering van betalingstransacties via een betaalkaart of een soortgelijk instrument;
  - uitvoering van overschrijvingen, met inbegrip van doorlopende betalingsopdrachten
  4. Uitvoering van betalingstransacties waarbij de geldmiddelen zijn gedekt door een kredietlijn die aan de betalingsdienstgebruiker wordt verstrekt:
  - uitvoering van domiciliëringen, met inbegrip van eenmalige domiciliëringen;
  - uitvoering van betalingstransacties via een betaalkaart of een soortgelijk instrument;
  - uitvoering van overschrijvingen, met inbegrip van doorlopende betalingsopdrachten
  5. Uitgifte van betaalinstrumenten en/of acceptatie van betalingstransacties
  6. Geldtransfers
  7. Betalingsinitiatie
  8. Rekeninginformatie.
  Bijlage I.B.
  Voor de toepassing van deze wet worden niet als betalingsdiensten beschouwd:
  1. Uitvoering van betalingstransacties die uitsluitend in contanten, rechtstreeks door de betaler aan de begunstigde worden verricht, zonder enige tussenkomst
  2. Uitvoering van betalingstransacties tussen de betaler en de begunstigde via een handelsagent die gemachtigd is om voor rekening van alleen de betaler of alleen de begunstigde of voor rekening van de betaler en de begunstigde de verkoop of aankoop van goederen of diensten via onderhandelingen tot stand te brengen of te sluiten, voor zover de agent niet in het bezit komt van de geldmiddelen
  3. Beroepsmatig fysiek transport van bankbiljetten en muntstukken, inclusief het ophalen, verwerken en afleveren ervan
  4. Uitvoering van betalingstransacties die bestaan in het niet-beroepsmatig ophalen en afleveren van contanten in het kader van een activiteit zonder winstoogmerk of voor liefdadigheidsdoeleinden
  5. Diensten waarbij de begunstigde aan de betaler contanten verstrekt in het kader van een betalingstransactie, nadat de betalingsdienstgebruiker hierom uitdrukkelijk heeft verzocht net voordat de betalingstransactie wordt uitgevoerd door middel van een betaling voor de aankoop van goederen of diensten
  6. Geldwisseltransacties, dat wil zeggen contante transacties waarbij de geldmiddelen niet op een betaalrekening worden aangehouden
  7. Uitvoering van betalingstransacties die zijn gebaseerd op een van de volgende documenten die door een betalingsdienstaanbieder zijn uitgegeven met de bedoeling geldmiddelen beschikbaar te stellen aan de begunstigde:
  i) een papieren cheque als bedoeld in artikel 1 van de wet van 1 maart 1961 betreffende de invoering in de nationale wetgeving van de eenvormige wet op de cheque en de inwerkingtreding van deze wet, en iedere andere gelijkaardige vorm van papieren cheque, zoals een postcheque in de zin van de wet van 2 mei 1956 op de postcheck, een circulaire cheque, of elke andere titel die, ongeacht de benaming of de vorm ervan, dezelfde rechtsgevolgen heeft;
  ii) een papieren wisselbrief als bedoeld in artikel 1 van de gecoördineerde wetten op de wisselbrieven en orderbriefjes, als ingevoegd in Titel VIII van Boek I van het Wetboek van Koophandel, en iedere soortgelijke vorm van papieren wisselbrief die, ongeacht de benaming of de vorm ervan, dezelfde rechtsgevolgen heeft;
  iii) een papieren tegoedbon, zoals bijvoorbeeld een papieren dienstencheque als bedoeld in artikel 2, 1°, van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen, of een papieren maaltijdcheque;
  iv) een papieren reischeque
  8. Uitvoering van betalingstransacties die binnen een betalings- of een effecten-afwikkelingssysteem worden uitgevoerd tussen afwikkelingsinstellingen, centrale tegenpartijen, verrekenkamers en/of centrale banken en andere deelnemers aan het systeem, en betalingsdienstaanbieders, onverminderd het bepaalde bij Boek III
  9. Uitvoering van betalingstransacties in verband met dienstverlening op effecten, met inbegrip van uitkeringen van dividend, inkomsten en dergelijke, en aflossing en verkoop, uitgevoerd door personen als bedoeld in punt 8 of door beleggingsondernemingen, kredietinstellingen, instellingen voor collectieve belegging of vermogensbeheerders die beleggingsdiensten aanbieden, alsmede andere instellingen waaraan bewaarneming van financiële instrumenten is toegestaan
  10. Door technischedienstaanbieders verrichte diensten ter ondersteuning van het aanbieden van betalingsdiensten, waarbij de betrokken aanbieders op geen enkel moment in het bezit komen van de over te maken geldmiddelen, met inbegrip van verwerking en opslag van gegevens, diensten ter bescherming van het vertrouwen en het privéleven, authenticatie van gegevens en entiteiten, levering van informatietechnologie (IT)- en communicatienetwerken, alsmede levering en onderhoud van voor betalingsdiensten gebruikte automaten en instrumenten, met uitzondering van betalingsinitiatiediensten en rekeninginformatiediensten
  11. Uitvoering van betalingstransacties tussen betalingsdienstaanbieders, hun agenten of bijkantoren, voor eigen rekening
  12. Uitvoering van betalingstransacties en aanverwante diensten tussen een moeder-onderneming en haar dochteronderneming of tussen dochterondernemingen van dezelfde moederonderneming, zonder tussenkomst van een andere betalingsdienstaanbieder dan een tot dezelfde groep behorende onderneming
  13. Geldopnamediensten die via geldautomaten worden aangeboden door namens een of meer kaartuitgevers handelende dienstaanbieders die geen partij zijn bij de raamovereenkomst met de cliënt die geld van een betaalrekening opneemt, mits die aanbieders geen andere betalingsdiensten verrichten.
  ".
Art. N. Annexe 1.A.
  Sont des services de paiement au sens de la présente loi:
  1. Les services permettant de verser des espèces sur un compte de paiement et toutes les opérations qu'exige la gestion d'un compte de paiement
  2. Les services permettant de retirer des espèces d'un compte de paiement et toutes les opérations qu'exige la gestion d'un compte de paiement
  3. L'exécution d'opérations de paiement, y compris les transferts de fonds sur un compte de paiement auprès du prestataire de services de paiement de l'utilisateur ou auprès d'un autre prestataire de services de paiement:
  - l'exécution de domiciliations, y compris de domiciliations autorisées unitairement;
  - l'exécution d'opérations de paiement par le biais d'une carte de paiement ou d'un dispositif similaire;
  - l'exécution de virements, y compris d'ordres de paiement permanents
  4. L'exécution d'opérations de paiement dans le cadre desquelles les fonds sont couverts par une ligne de crédit accordée à l'utilisateur de services de paiement:
  - l'exécution de domiciliations, y compris de domiciliations autorisées unitairement;
  - l'exécution d'opérations de paiement par le biais d'une carte de paiement ou d'un dispositif similaire;
  - l'exécution de virements, y compris d'ordres de paiement permanents
  5. L'émission d'instruments de paiement et/ou l'acquisition d'opérations de paiement
  6. Les transmissions de fonds
  7. L'initiation de paiement
  8. L'information sur les comptes.
  Annexe I.B.
  Ne sont pas considérés comme des services de paiement au sens de la présente loi:
  1. L'exécution d'opérations de paiement exclusivement effectuées en espèces et allant directement du payeur au bénéficiaire, sans l'intervention du moindre intermédiaire
  2. L'exécution d'opérations de paiement allant du payeur au bénéficiaire, effectuées par l'intermédiaire d'un agent commercial habilité à négocier ou à conclure la vente ou l'achat de biens ou de services pour le compte du payeur uniquement ou du bénéficiaire uniquement ou pour le compte du payeur et du bénéficiaire pour autant que l'agent ne rentre pas en possession des fonds
  3. Le transport physique de billets de banque et de pièces à titre professionnel, y compris leur collecte, leur traitement et leur remise
  4. L'exécution d'opérations de paiement consistant en la collecte et la remise d'espèces à titre non professionnel, dans le cadre d'une activité à but non lucratif ou caritative
  5. Les services pour lesquels des espèces sont fournies par le bénéficiaire au bénéfice du payeur dans le cadre d'une opération de paiement, à la demande expresse de l'utilisateur de services de paiement formulée juste avant l'exécution de l'opération de paiement via un paiement pour l'achat de biens ou de services
  6. Les activités de change, c'est-à-dire les opérations "espèces contre espèces" dans lesquelles les fonds ne sont pas détenus sur un compte de paiement
  7. L'exécution d'opérations de paiement fondées sur l'un des documents suivants, tiré sur le prestataire de services de paiement en vue de mettre des fonds à la disposition du bénéficiaire:
  i) un chèque papier, tel que visé à l'article 1er de la loi du 1er mars 1961 concernant l'introduction dans la législation nationale de la loi uniforme sur le chèque et sa mise en vigueur, ainsi que toute autre forme similaire de chèque papier, telle qu'un chèque postal au sens de la loi du 2 mai 1956 sur le chèque postal, un chèque circulaire, ou tout autre titre qui, quelle que soit sa dénomination ou sa forme, est assorti des mêmes effets juridiques;
  ii) une lettre de change sur support papier, telle que visée à l'article 1er des lois coordonnées sur la lettre de change et le billet à ordre, insérées dans le titre VIII du livre Ier du Code de commerce, ainsi que toute autre forme similaire de lettre de change sur support papier qui, quelle que soit sa dénomination ou sa forme, est assortie des mêmes effets juridiques;
  iii) un titre de service sur support papier, comme par exemple un chèque service sur support papier tel que visé à l'article 2, 1°, de la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité, ou un chèque-repas sur support papier;
  iv) un chèque de voyage sur support papier
  8. L'exécution d'opérations de paiement effectuées au sein d'un système de paiement ou de règlement des opérations sur titres entre des agents de règlement, des contreparties centrales, des chambres de compensation et/ou des banques centrales et d'autres participants au système, et des prestataires de services de paiement, sans préjudice des dispositions du Livre III
  9. L'exécution d'opérations de paiement liées aux services portant sur des titres, y compris la distribution de dividendes, de revenus ou autres, les remboursements ou les ventes, effectuées par les personnes visées au point 8 ou par des entreprises d'investissement, des établissements de crédit, des organismes de placement collectif ou des sociétés de gestion de portefeuille fournissant des services d'investissement et toute autre entité autorisée à garder en dépôt des instruments financiers
  10. Les services fournis par des prestataires de services techniques à l'appui de la fourniture de services de paiement, sans qu'ils entrent, à aucun moment, en possession des fonds à transférer et consistant notamment dans le traitement et l'enregistrement des données, les services de protection de la confiance de la vie privée, l'authentification des données et des entités, les technologies de l'information et la fourniture de réseaux de communication, ainsi que la fourniture et la maintenance des terminaux et dispositifs utilisés aux fins des services de paiement, à l'exception des services d'initiation de paiement et des services d'information sur les comptes
  11. L'exécution d'opérations de paiement effectuées entre prestataires de services de paiement, leurs agents ou succursales pour leur propre compte
  12. L'exécution d'opérations de paiement et services connexes entre une entreprise mère et sa filiale, ou entre filiales d'une même entreprise mère, sans qu'aucun autre prestataire de services de paiement qu'une entreprise du même groupe ne fasse office d'intermédiaire
  13. Les services de retrait d'espèces proposés, au moyen de distributeurs automatiques de billets, par des prestataires agissant pour le compte d'un ou de plusieurs émetteurs de cartes, qui ne sont pas parties au contrat-cadre avec le client retirant de l'argent d'un compte de paiement, à condition que ces prestataires n'assurent pas d'autres services de paiement.
  ".