Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit en de bijhorende uitvoeringsmaatregelen wordt verstaan onder :
1° "de ordonnantie" : de ordonnantie van 23 juli 2018 met betrekking tot de erkenning en de ondersteuning van de sociale ondernemingen;
2° "de minister" : de minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regeringbevoegd voor de Tewerkstelling;
3° "het bestuur" : de directie Werkgelegenheidsbeleid van Brussel Economie en Werkgelegenheid van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel;
4° "werkdag" : een dag van de week die niet valt op een zaterdag, een zondag, een wettelijke feestdag of tijdens de periode tussen 25 december en 1 januari;
5° "werknemer" : een werknemer tewerkgesteld met een arbeidsovereenkomst geregeld door de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
6° "rechtspersoon" : een rechtspersoon als bedoeld in artikel 3 of 7 van de ordonnantie;
7° "beginnende onderneming" : een privaatrechtelijke rechtspersoon die minder dan vier jaar is ingeschreven bij de Kruispuntbank van Ondernemingen;
8° "ARSO" : de Adviesraad voor sociaal ondernemerschap.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
20 DECEMBER 2018. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering met betrekking tot de erkenning van de sociale ondernemingen
Titre
20 DECEMBRE 2018. - Arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale relatif à l'agrément des entreprises sociales
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
HOOFDSTUK 1. - Definities
HOOFDSTUK 2. - Erkenning van sociale ondernemingen
Afdeling 1. - Procedure voor de toekenning en h...
Afdeling 2. - Procedures bij schorsing en intre...
Afdeling 3. - Procedure bij samenvoeging, omvor...
HOOFDSTUK 3. - Criteria die de toepassing aanto...
Afdeling 1. - Gemeenschappelijke bepaling voor ...
Afdeling 2. - Criteria die aantonen dat de soci...
Onderafdeling 1. - De uitvoering van een econom...
Onderafdeling 2. - Het nastreven van een sociaa...
Onderafdeling 3. - Het voeren van een democrati...
Afdeling 3. - Criteria die aantonen dat de publ...
Onderafdeling 1. - De uitvoering van een econom...
Onderafdeling 2. - Het nastreven van een sociaa...
Onderafdeling 3. - Het voeren van een democrati...
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingsbepaling
HOOFDSTUK 5. - Opheffingsbepaling
HOOFDSTUK 6. - Overgangsbepaling
HOOFDSTUK 7. - Slotbepalingen
Table des matières
CHAPITRE 1er. - Définitions
CHAPITRE 2. - Agrément des entreprises sociales
Section 1re. - Procédure d'octroi et de renouve...
Section 2. - Procédures en cas de suspension et...
Section 3. - Procédure en cas de fusion, de tra...
CHAPITRE 3. - Critères démontrant la mise en oe...
Section 1ère. - Disposition commune aux section...
Section 2. - Critères démontrant la mise en oeu...
Sous-section 1re. - La mise en oeuvre d'un proj...
Sous-section 2. - La poursuite d'une finalité s...
Sous-section 3. - L'exercice d'une gouvernance ...
Section 3. - Critères démontrant la mise en oeu...
Sous-section 1. - La mise en oeuvre d'un projet...
Sous-section 2. - La poursuite d'une finalité s...
Sous-section 3. - L'exercice d'une gouvernance ...
CHAPITRE 4. - Disposition modificative
CHAPITRE 5. - Disposition abrogatoire
CHAPITRE 6. - Disposition transitoire
CHAPITRE 7. - Dispositions finales
Tekst (37)
Texte (37)
HOOFDSTUK 1. - Definities
CHAPITRE 1er. - Définitions
Article 1er. Pour l'application du présent arrêté et de ses mesures d'exécution, l'on entend par :
1° " l'ordonnance " : l'ordonnance du 23 juillet 2018 relative à l'agrément et au soutien des entreprises sociales;
2° " le Ministre " : le Ministre du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale ayant l'Emploi dans ses attributions;
3° " l'Administration " : La direction de la Politique de l'Emploi de Bruxelles Economie et Emploi du Service Public régional de Bruxelles;
4° " jour ouvrable " : un jour de la semaine qui ne tombe pas un samedi, un dimanche, un jour férié légal ou au cours de la période située entre le 25 décembre et le 1er janvier;
5° " travailleur " : le travailleur occupé dans le cadre d'un contrat de travail régi par la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;
6° " personne morale " : la personne morale visée à l'article 3 ou 7 de l'ordonnance;
7° " entreprise débutante " : la personne morale de droit privée inscrite depuis moins de quatre ans auprès de la Banque-Carrefour des Entreprises;
8° " CCES " : le Conseil consultatif de l'entrepreneuriat social.
1° " l'ordonnance " : l'ordonnance du 23 juillet 2018 relative à l'agrément et au soutien des entreprises sociales;
2° " le Ministre " : le Ministre du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale ayant l'Emploi dans ses attributions;
3° " l'Administration " : La direction de la Politique de l'Emploi de Bruxelles Economie et Emploi du Service Public régional de Bruxelles;
4° " jour ouvrable " : un jour de la semaine qui ne tombe pas un samedi, un dimanche, un jour férié légal ou au cours de la période située entre le 25 décembre et le 1er janvier;
5° " travailleur " : le travailleur occupé dans le cadre d'un contrat de travail régi par la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;
6° " personne morale " : la personne morale visée à l'article 3 ou 7 de l'ordonnance;
7° " entreprise débutante " : la personne morale de droit privée inscrite depuis moins de quatre ans auprès de la Banque-Carrefour des Entreprises;
8° " CCES " : le Conseil consultatif de l'entrepreneuriat social.
HOOFDSTUK 2. - Erkenning van sociale ondernemingen
CHAPITRE 2. - Agrément des entreprises sociales
Afdeling 1. - Procedure voor de toekenning en hernieuwing van de erkenning
Section 1re. - Procédure d'octroi et de renouvellement de l'agrément
Art. 2. De rechtspersoon bedoeld in artikel 3 of 7 van de ordonnantie dient de erkenningsaanvraag in bij het bestuur via het formulier opgesteld door het bestuur, op om het even welk moment van het jaar, ofwel via een aangetekende zending met de post, ofwel via elektronische post.
Bij de aanvraag wordt een volledig dossier gevoegd met de bewijselementen met betrekking tot artikel 11, alsook de documenten bedoeld in artikel 12, § 2, 1° tot 4° van de ordonnantie.
De sjablonen voor de documenten waarin artikel 12, § 2, 1° en 2° van de ordonnantie voorziet, worden vastgesteld door de minister.
Bij de aanvraag wordt een volledig dossier gevoegd met de bewijselementen met betrekking tot artikel 11, alsook de documenten bedoeld in artikel 12, § 2, 1° tot 4° van de ordonnantie.
De sjablonen voor de documenten waarin artikel 12, § 2, 1° en 2° van de ordonnantie voorziet, worden vastgesteld door de minister.
Art. 2. La personne morale visée à l'article 3 ou 7 de l'ordonnance introduit sa demande d'agrément auprès de l'Administration au moyen du formulaire établi par l'administration, à tout moment de l'année, soit par envoi recommandé à la poste, soit par courrier électronique.
La demande est accompagnée d'un dossier complet comportant les éléments probants relatifs à l'article 11, ainsi que les documents visés à l'article 12, § 2, 1° à 4° de l'ordonnance.
Les modèles des documents prévus à l'article 12, § 2, 1° et 2° de l'ordonnance sont arrêtés par le Ministre.
La demande est accompagnée d'un dossier complet comportant les éléments probants relatifs à l'article 11, ainsi que les documents visés à l'article 12, § 2, 1° à 4° de l'ordonnance.
Les modèles des documents prévus à l'article 12, § 2, 1° et 2° de l'ordonnance sont arrêtés par le Ministre.
Art. 3. § 1. Het bestuur onderzoekt de erkenningsaanvraag en bepaalt of de rechtspersoon voldoet aan de voorwaarden vermeld in hoofdstuk 2 en in artikel 11 van de ordonnantie.
Binnen een termijn van tien werkdagen, te rekenen vanaf de ontvangst van de erkenningsaanvraag richt het bestuur aan de rechtspersoon, via een aangetekende brief of via elektronische post, ofwel een ontvangstbevestiging die vermeldt dat het dossier volledig is, ofwel een bericht waarbij de rechtspersoon gevraagd wordt het dossier te vervolledigen binnen de dertig kalenderdagen, te rekenen vanaf de ontvangst van het bericht.
Als het bestuur binnen de twintig werkdagen niet over alle ontbrekende documenten, stukken of gegevens zou beschikken, wordt de aanvraag definitief onontvankelijk.
De rechtspersoon kan ten vroegste zes maanden na de kennisgeving door het bestuur van de beslissing om de aanvraag onontvankelijk te verklaren een nieuwe erkenningsaanvraag indienen.
§ 2. Het bestuur onderzoekt de aanvraag wanneer die volledig is en bezorgt ze aan de ARSO, samen met een analyseverslag, binnen de vijftien werkdagen te rekenen vanaf de verzending van de ontvangstbevestiging die vermeldt dat het dossier volledig is naar de rechtspersoon.
Uiterlijk veertig werkdagen na de ontvangst van het volledige dossier brengt de ARSO een advies uit over de erkenningsaanvraag, dat bezorgd wordt aan het bestuur. De raad kan de aanvrager uit eigen beweging of op verzoek van de aanvrager horen.
Als de vertegenwoordigers van de rechtspersoon gehoord worden op initiatief van de ARSO, krijgen ze een oproeping toegestuurd per brief of per elektronische post. Dat bericht vermeldt de punten waarover ze gehoord zullen worden.
De ARSO mag aan de rechtspersoon elk programma of actieplan vragen, alsook elke andere verbintenis of akte, stuk of document waarmee ze aantoont de voorwaarden van de ordonnantie en van de bijhorende uitvoeringsmaatregelen na te leven.
Het bestuur bezorgt het volledige dossier aan de minister binnen de zeven werkdagen na de ontvangst van het advies van de ARSO.
§ 3. Uiterlijk tien werkdagen na de ontvangst van het volledige dossier en het advies van de ARSO doet de minister een uitspraak over de erkenningsaanvraag en bezorgt hij zijn beslissing aan het bestuur.
Het bestuur betekent de beslissing via een aangetekende postzending aan de aanvrager, en deelt ze ook mee aan de ARSO. De kennisgeving vermeldt de mogelijke beroepsmogelijkheden, de instanties die ze onderzoeken, alsook de formele vereisten en termijnen die moeten worden nageleefd.
Als er beslist wordt de erkenning toe te kennen, dan wordt de beslissing bekendgemaakt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad. De beslissing vermeldt de duur van de erkenning.
Binnen een termijn van tien werkdagen, te rekenen vanaf de ontvangst van de erkenningsaanvraag richt het bestuur aan de rechtspersoon, via een aangetekende brief of via elektronische post, ofwel een ontvangstbevestiging die vermeldt dat het dossier volledig is, ofwel een bericht waarbij de rechtspersoon gevraagd wordt het dossier te vervolledigen binnen de dertig kalenderdagen, te rekenen vanaf de ontvangst van het bericht.
Als het bestuur binnen de twintig werkdagen niet over alle ontbrekende documenten, stukken of gegevens zou beschikken, wordt de aanvraag definitief onontvankelijk.
De rechtspersoon kan ten vroegste zes maanden na de kennisgeving door het bestuur van de beslissing om de aanvraag onontvankelijk te verklaren een nieuwe erkenningsaanvraag indienen.
§ 2. Het bestuur onderzoekt de aanvraag wanneer die volledig is en bezorgt ze aan de ARSO, samen met een analyseverslag, binnen de vijftien werkdagen te rekenen vanaf de verzending van de ontvangstbevestiging die vermeldt dat het dossier volledig is naar de rechtspersoon.
Uiterlijk veertig werkdagen na de ontvangst van het volledige dossier brengt de ARSO een advies uit over de erkenningsaanvraag, dat bezorgd wordt aan het bestuur. De raad kan de aanvrager uit eigen beweging of op verzoek van de aanvrager horen.
Als de vertegenwoordigers van de rechtspersoon gehoord worden op initiatief van de ARSO, krijgen ze een oproeping toegestuurd per brief of per elektronische post. Dat bericht vermeldt de punten waarover ze gehoord zullen worden.
De ARSO mag aan de rechtspersoon elk programma of actieplan vragen, alsook elke andere verbintenis of akte, stuk of document waarmee ze aantoont de voorwaarden van de ordonnantie en van de bijhorende uitvoeringsmaatregelen na te leven.
Het bestuur bezorgt het volledige dossier aan de minister binnen de zeven werkdagen na de ontvangst van het advies van de ARSO.
§ 3. Uiterlijk tien werkdagen na de ontvangst van het volledige dossier en het advies van de ARSO doet de minister een uitspraak over de erkenningsaanvraag en bezorgt hij zijn beslissing aan het bestuur.
Het bestuur betekent de beslissing via een aangetekende postzending aan de aanvrager, en deelt ze ook mee aan de ARSO. De kennisgeving vermeldt de mogelijke beroepsmogelijkheden, de instanties die ze onderzoeken, alsook de formele vereisten en termijnen die moeten worden nageleefd.
Als er beslist wordt de erkenning toe te kennen, dan wordt de beslissing bekendgemaakt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad. De beslissing vermeldt de duur van de erkenning.
Art. 3. § 1er. L'Administration examine la demande d'agrément et détermine si la personne morale remplit les conditions visées au chapitre 2 et à l'article 11 de l'ordonnance.
Dans un délai de dix jours ouvrables à dater de la réception de la demande d'agrément, l'Administration adresse à la personne morale, par courrier recommandé ou par courrier électronique, soit un accusé de réception mentionnant que le dossier est complet, soit un avis l'invitant à compléter son dossier dans les trente jours calendriers à partir de la réception de cet avis.
Dans le cas où l'Administration ne disposerait pas de l'ensemble des documents, pièces ou données manquants dans les vingt jours ouvrables, la demande devient définitivement irrecevable.
La personne morale peut introduire une nouvelle demande d'agrément au plus tôt six mois après la notification par l'administration de la décision d'irrecevabilité de la demande.
§ 2. L'Administration examine la demande lorsqu'elle est complète et la transmet au CCES assortie d'un rapport d'analyse dans les quinze jours ouvrables à compter de l'envoi à la personne morale de l'accusé de réception mentionnant la complétude du dossier.
Au plus tard 40 jours ouvrables après la réception du dossier complet, le CCES émet un avis concernant la demande d'agrément et le transmet à l'Administration. Le Conseil peut entendre le demandeur d'initiative ou à la demande du demandeur.
Si les représentants de la personne morale sont entendus à l'initiative du CCES, une convocation leur est envoyée par courrier postal ou électronique. Ce courrier mentionne les points sur lesquels ils seront entendus.
Le CCES est autorisé à demander tout programme ou plan d'action auprès de la personne morale, ainsi que tout autre engagement ou acte, pièce ou document au travers desquels elle démontre qu'elle respecte les conditions de l'ordonnance et de ses mesures d'exécution.
L'Administration transmet le dossier complet au Ministre dans les sept jours ouvrables suivant la réception de l'avis du CCES.
§ 3. Au plus tard dix jours ouvrables à compter de la réception du dossier complet et de l'avis du CCES, le Ministre statue sur la demande d'agrément et transmet sa décision à l'Administration.
L'Administration notifie la décision par pli recommandé à la poste au demandeur et la communique au CCES. Cette notification mentionne les voies de recours possibles, les instances l'instruisant, ainsi que les exigences formelles et délais à respecter.
En cas de décision d'octroi d'agrément, la décision est publiée par extrait au Moniteur belge. La décision mentionne la durée de l'agrément.
Dans un délai de dix jours ouvrables à dater de la réception de la demande d'agrément, l'Administration adresse à la personne morale, par courrier recommandé ou par courrier électronique, soit un accusé de réception mentionnant que le dossier est complet, soit un avis l'invitant à compléter son dossier dans les trente jours calendriers à partir de la réception de cet avis.
Dans le cas où l'Administration ne disposerait pas de l'ensemble des documents, pièces ou données manquants dans les vingt jours ouvrables, la demande devient définitivement irrecevable.
La personne morale peut introduire une nouvelle demande d'agrément au plus tôt six mois après la notification par l'administration de la décision d'irrecevabilité de la demande.
§ 2. L'Administration examine la demande lorsqu'elle est complète et la transmet au CCES assortie d'un rapport d'analyse dans les quinze jours ouvrables à compter de l'envoi à la personne morale de l'accusé de réception mentionnant la complétude du dossier.
Au plus tard 40 jours ouvrables après la réception du dossier complet, le CCES émet un avis concernant la demande d'agrément et le transmet à l'Administration. Le Conseil peut entendre le demandeur d'initiative ou à la demande du demandeur.
Si les représentants de la personne morale sont entendus à l'initiative du CCES, une convocation leur est envoyée par courrier postal ou électronique. Ce courrier mentionne les points sur lesquels ils seront entendus.
Le CCES est autorisé à demander tout programme ou plan d'action auprès de la personne morale, ainsi que tout autre engagement ou acte, pièce ou document au travers desquels elle démontre qu'elle respecte les conditions de l'ordonnance et de ses mesures d'exécution.
L'Administration transmet le dossier complet au Ministre dans les sept jours ouvrables suivant la réception de l'avis du CCES.
§ 3. Au plus tard dix jours ouvrables à compter de la réception du dossier complet et de l'avis du CCES, le Ministre statue sur la demande d'agrément et transmet sa décision à l'Administration.
L'Administration notifie la décision par pli recommandé à la poste au demandeur et la communique au CCES. Cette notification mentionne les voies de recours possibles, les instances l'instruisant, ainsi que les exigences formelles et délais à respecter.
En cas de décision d'octroi d'agrément, la décision est publiée par extrait au Moniteur belge. La décision mentionne la durée de l'agrément.
Art. 4. De artikelen 2 en 3 zijn van toepassing op elke aanvraag tot hernieuwing van de erkenning die geformuleerd wordt door een erkende sociale onderneming.
De aanvraag tot hernieuwing van de erkenning wordt ten vroegste zes maanden en ten laatste drie maanden voor de vervaldatum van de lopende erkenning ingediend.
De aanvraag tot hernieuwing van de erkenning wordt ten vroegste zes maanden en ten laatste drie maanden voor de vervaldatum van de lopende erkenning ingediend.
Art. 4. Les articles 2 et 3 s'appliquent à toute demande de renouvellement de l'agrément formulée par une entreprise sociale agréée.
La demande de renouvellement de l'agrément est introduite au plus tôt six mois et au plus tard trois mois avant l'échéance de l'agrément en cours.
La demande de renouvellement de l'agrément est introduite au plus tôt six mois et au plus tard trois mois avant l'échéance de l'agrément en cours.
Afdeling 2. - Procedures bij schorsing en intrekking van de erkenning
Section 2. - Procédures en cas de suspension et de retrait de l'agrément
Art. 5. § 1. De minister schorst de erkenning of trekt ze in op voorstel van het bestuur en na ontvangst van het dossier bezorgd door het bestuur en, in voorkomend geval, door de gewestelijke werkgelegenheidsinspectie, in de gevallen waarbij de erkende sociale onderneming :
1° de bepalingen van de ordonnantie en de bijhorende uitvoeringsmaatregelen niet naleeft;
2° de erkenning op bedrieglijke wijze heeft verkregen, op basis van valse, onvolledige of onjuiste verklaringen;
3° op bedrieglijke wijze valse, onvolledige of onjuiste informatie opneemt in de documenten bedoeld in artikel 12, § 2, 1 tot 4° van de ordonnantie;
4° het toezicht hindert dat georganiseerd wordt op grond van de ordonnantie van 30 april 2009 betreffende het toezicht op de reglementeringen inzake werkgelegenheid die tot de bevoegdheid van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest behoren en de invoering van administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op deze reglementeringen, alsook de bijhorende uitvoeringsbesluiten.
§ 2. De schorsingsbeslissing wordt voorafgegaan door een ingebrekestelling van de erkende sociale onderneming, via een aangetekende brief, waarin de grondslag en de redenen voor de overwogen schorsing worden meegedeeld.
De erkende sociale onderneming beschikt over een termijn van vijftien werkdagen vanaf de verzendingsdatum van de ingebrekestelling via een aangetekende postzending als bedoeld in het eerste lid om haar opmerkingen te bezorgen via een aangetekende brief. Binnen diezelfde termijn en in dezelfde vorm kan de erkende sociale onderneming vragen gehoord te worden door het bestuur. De erkende sociale onderneming wordt minstens tien werkdagen op voorhand op de hoogte gebracht van de datum voor de hoorzitting, via een aangetekende brief. Er wordt een verslag opgesteld van de hoorzitting.
Het bestuur bezorgt het verslag van de hoorzitting aan de minister binnen een termijn van tien werkdagen na de hoorzitting.
De minister spreekt zich uit over de schorsingsbeslissing binnen de tien werkdagen, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het verslag van de hoorzitting.
Het bestuur maakt de schorsingsbeslissing bekend aan de erkende sociale onderneming via een aangetekende brief, uiterlijk binnen de tien werkdagen na de datum van beslissing door de minister. Bij gebrek aan kennisgeving binnen die termijn kan de minister afzien van de schorsing van de erkenning.
§ 3. De schorsing gaat pas in vanaf de vijftiende werkdag die volgt op de kennisgeving van de beslissing, behalve in geval van een bijzondere gemotiveerde omstandigheid.
§ 4. De intrekking wordt ambtshalve uitgesproken, is onherroepelijk en heeft onmiddellijk effect wanneer er onder de bestuurders, beheerders, mandaathouders en meer in het algemeen alle personen die gemachtigd zijn de erkende sociale onderneming te binden, personen hun functie behouden nadat ze het voorwerp hebben uitgemaakt van een of meerdere beslissingen of veroordelingen bedoeld in artikel 11, 4° van de ordonnantie.
§ 5. Onder voorbehoud van de mogelijkheid om de erkenning ambtshalve in te trekken zoals bedoeld in paragraaf 4, kan de minister een erkenning slechts intrekken als de erkende sociale onderneming de redenen voor de schorsing van haar erkenning niet heeft weggewerkt tijdens de schorsingsperiode.
Het bestuur bezorgt de minister, uiterlijk vijftien werkdagen na het einde van de schorsing, de redenen voor de schorsing waaraan niet werd verholpen. Uiterlijk tien werkdagen na ontvangst van het intrekkingsvoorstel spreekt de minister zich uit over het verzoek tot intrekking van de erkenning en geeft hij zijn beslissing door aan het bestuur voor kennisgeving aan de erkende sociale onderneming.
De onderneming wordt uitgesloten van de voordelen van de ordonnantie voor een periode van vijf jaar, te rekenen vanaf de kennisgeving van de intrekkingsbeslissing.
1° de bepalingen van de ordonnantie en de bijhorende uitvoeringsmaatregelen niet naleeft;
2° de erkenning op bedrieglijke wijze heeft verkregen, op basis van valse, onvolledige of onjuiste verklaringen;
3° op bedrieglijke wijze valse, onvolledige of onjuiste informatie opneemt in de documenten bedoeld in artikel 12, § 2, 1 tot 4° van de ordonnantie;
4° het toezicht hindert dat georganiseerd wordt op grond van de ordonnantie van 30 april 2009 betreffende het toezicht op de reglementeringen inzake werkgelegenheid die tot de bevoegdheid van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest behoren en de invoering van administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op deze reglementeringen, alsook de bijhorende uitvoeringsbesluiten.
§ 2. De schorsingsbeslissing wordt voorafgegaan door een ingebrekestelling van de erkende sociale onderneming, via een aangetekende brief, waarin de grondslag en de redenen voor de overwogen schorsing worden meegedeeld.
De erkende sociale onderneming beschikt over een termijn van vijftien werkdagen vanaf de verzendingsdatum van de ingebrekestelling via een aangetekende postzending als bedoeld in het eerste lid om haar opmerkingen te bezorgen via een aangetekende brief. Binnen diezelfde termijn en in dezelfde vorm kan de erkende sociale onderneming vragen gehoord te worden door het bestuur. De erkende sociale onderneming wordt minstens tien werkdagen op voorhand op de hoogte gebracht van de datum voor de hoorzitting, via een aangetekende brief. Er wordt een verslag opgesteld van de hoorzitting.
Het bestuur bezorgt het verslag van de hoorzitting aan de minister binnen een termijn van tien werkdagen na de hoorzitting.
De minister spreekt zich uit over de schorsingsbeslissing binnen de tien werkdagen, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het verslag van de hoorzitting.
Het bestuur maakt de schorsingsbeslissing bekend aan de erkende sociale onderneming via een aangetekende brief, uiterlijk binnen de tien werkdagen na de datum van beslissing door de minister. Bij gebrek aan kennisgeving binnen die termijn kan de minister afzien van de schorsing van de erkenning.
§ 3. De schorsing gaat pas in vanaf de vijftiende werkdag die volgt op de kennisgeving van de beslissing, behalve in geval van een bijzondere gemotiveerde omstandigheid.
§ 4. De intrekking wordt ambtshalve uitgesproken, is onherroepelijk en heeft onmiddellijk effect wanneer er onder de bestuurders, beheerders, mandaathouders en meer in het algemeen alle personen die gemachtigd zijn de erkende sociale onderneming te binden, personen hun functie behouden nadat ze het voorwerp hebben uitgemaakt van een of meerdere beslissingen of veroordelingen bedoeld in artikel 11, 4° van de ordonnantie.
§ 5. Onder voorbehoud van de mogelijkheid om de erkenning ambtshalve in te trekken zoals bedoeld in paragraaf 4, kan de minister een erkenning slechts intrekken als de erkende sociale onderneming de redenen voor de schorsing van haar erkenning niet heeft weggewerkt tijdens de schorsingsperiode.
Het bestuur bezorgt de minister, uiterlijk vijftien werkdagen na het einde van de schorsing, de redenen voor de schorsing waaraan niet werd verholpen. Uiterlijk tien werkdagen na ontvangst van het intrekkingsvoorstel spreekt de minister zich uit over het verzoek tot intrekking van de erkenning en geeft hij zijn beslissing door aan het bestuur voor kennisgeving aan de erkende sociale onderneming.
De onderneming wordt uitgesloten van de voordelen van de ordonnantie voor een periode van vijf jaar, te rekenen vanaf de kennisgeving van de intrekkingsbeslissing.
Art. 5. § 1er. Le Ministre, sur proposition de l'Administration et après réception du dossier transmis par l'Administration et, le cas échéant, par l'Inspection régionale de l'emploi, suspend ou retire l'agrément dans les cas où l'entreprise sociale agréée :
1° ne respecte pas les dispositions de l'ordonnance et de ses mesures d'exécution;
2° a obtenu frauduleusement l'agrément sur la base de déclarations fausses, incomplètes ou inexactes;
3° fait figurer frauduleusement dans les documents visés à l'article 12, § 2, 1 à 4°, de l'ordonnance des informations fausses, incomplètes ou inexactes;
4° fait obstacle à la surveillance organisée en vertu de l'ordonnance du 30 avril 2009 relative à la surveillance des réglementations en matière d'emploi qui relèvent de la compétence de la Région de Bruxelles-Capitale et à l'instauration d'amendes administratives applicables en cas d'infraction à ces réglementations et à leurs arrêtés d'exécution.
§ 2. La décision de suspension est précédée d'une mise en demeure de l'entreprise sociale agréée, par courrier recommandé, dans laquelle sont communiqués le fondement et les motifs de la suspension envisagée.
L'entreprise sociale agréée dispose d'un délai de quinze jours ouvrables à partir de la date d'envoi de la mise en demeure par lettre recommandée par la poste visée à l'alinéa 1er pour transmettre ses remarques par lettre recommandée. Endéans ce même délai et sous la même forme, l'entreprise sociale agréée peut demander à être entendue par l'Administration. L'entreprise sociale agréée est avisée de la date d'audition au moins dix jours ouvrables avant celle-ci, par courrier recommandé. Un compte rendu de l'audition est rédigé.
L'Administration transmet le compte-rendu de l'audition au Ministre dans un délai de dix jours ouvrables après l'audition.
Le Ministre statue sur la décision de suspension endéans les dix jours ouvrables à partir de la fin du terme visé à l'alinéa 1er ou de la date de réception du compte rendu de l'audition.
L'Administration notifie la décision de suspension à l'entreprise sociale agréée, par courrier recommandé à la poste, dans les dix jours ouvrables suivant la date de la décision du Ministre. A défaut de notification dans ce délai, le Ministre peut renoncer à la suspension de l'agrément.
§ 3. La suspension n'est effective qu'à partir du quinzième jour ouvrable qui suit la notification de la décision, sauf circonstance spécialement motivée.
§ 4. Le retrait est prononcé d'office, est irrévocable et d'effet immédiat lorsque, parmi les administrateurs, gérants, mandataires et plus généralement toutes les personnes qui sont habilitées à engager l'entreprise sociale agréée, sont maintenues dans leur fonction des personnes qui font l'objet d'une ou de plusieurs décisions ou condamnations visées à l'article 11, 4° de l'ordonnance.
§ 5. Sous réserve de la possibilité de retrait d'agrément d'office visée au paragraphe 4, le Ministre ne peut retirer un agrément que si l'entreprise sociale agréée n'a pas remédié aux motifs de la suspension de son agrément au cours de la période de suspension.
L'administration transmet au Ministre, au plus tard quinze jours ouvrables après la fin de la période de suspension, les motifs auxquels il n'a pas été remédié. Au plus tard dix jours ouvrables à compter de la réception de la proposition de retrait de l'Administration, le Ministre statue sur la demande et transmet sa décision à l'administration pour notification à l'entreprise sociale agréée.
L'entreprise est exclue du bénéfice de l'ordonnance pour une période de cinq ans à compter de la notification de la décision de retrait.
1° ne respecte pas les dispositions de l'ordonnance et de ses mesures d'exécution;
2° a obtenu frauduleusement l'agrément sur la base de déclarations fausses, incomplètes ou inexactes;
3° fait figurer frauduleusement dans les documents visés à l'article 12, § 2, 1 à 4°, de l'ordonnance des informations fausses, incomplètes ou inexactes;
4° fait obstacle à la surveillance organisée en vertu de l'ordonnance du 30 avril 2009 relative à la surveillance des réglementations en matière d'emploi qui relèvent de la compétence de la Région de Bruxelles-Capitale et à l'instauration d'amendes administratives applicables en cas d'infraction à ces réglementations et à leurs arrêtés d'exécution.
§ 2. La décision de suspension est précédée d'une mise en demeure de l'entreprise sociale agréée, par courrier recommandé, dans laquelle sont communiqués le fondement et les motifs de la suspension envisagée.
L'entreprise sociale agréée dispose d'un délai de quinze jours ouvrables à partir de la date d'envoi de la mise en demeure par lettre recommandée par la poste visée à l'alinéa 1er pour transmettre ses remarques par lettre recommandée. Endéans ce même délai et sous la même forme, l'entreprise sociale agréée peut demander à être entendue par l'Administration. L'entreprise sociale agréée est avisée de la date d'audition au moins dix jours ouvrables avant celle-ci, par courrier recommandé. Un compte rendu de l'audition est rédigé.
L'Administration transmet le compte-rendu de l'audition au Ministre dans un délai de dix jours ouvrables après l'audition.
Le Ministre statue sur la décision de suspension endéans les dix jours ouvrables à partir de la fin du terme visé à l'alinéa 1er ou de la date de réception du compte rendu de l'audition.
L'Administration notifie la décision de suspension à l'entreprise sociale agréée, par courrier recommandé à la poste, dans les dix jours ouvrables suivant la date de la décision du Ministre. A défaut de notification dans ce délai, le Ministre peut renoncer à la suspension de l'agrément.
§ 3. La suspension n'est effective qu'à partir du quinzième jour ouvrable qui suit la notification de la décision, sauf circonstance spécialement motivée.
§ 4. Le retrait est prononcé d'office, est irrévocable et d'effet immédiat lorsque, parmi les administrateurs, gérants, mandataires et plus généralement toutes les personnes qui sont habilitées à engager l'entreprise sociale agréée, sont maintenues dans leur fonction des personnes qui font l'objet d'une ou de plusieurs décisions ou condamnations visées à l'article 11, 4° de l'ordonnance.
§ 5. Sous réserve de la possibilité de retrait d'agrément d'office visée au paragraphe 4, le Ministre ne peut retirer un agrément que si l'entreprise sociale agréée n'a pas remédié aux motifs de la suspension de son agrément au cours de la période de suspension.
L'administration transmet au Ministre, au plus tard quinze jours ouvrables après la fin de la période de suspension, les motifs auxquels il n'a pas été remédié. Au plus tard dix jours ouvrables à compter de la réception de la proposition de retrait de l'Administration, le Ministre statue sur la demande et transmet sa décision à l'administration pour notification à l'entreprise sociale agréée.
L'entreprise est exclue du bénéfice de l'ordonnance pour une période de cinq ans à compter de la notification de la décision de retrait.
Afdeling 3. - Procedure bij samenvoeging, omvorming of splitsing
Section 3. - Procédure en cas de fusion, de transformation ou de scission
Art. 6. § 1. Bij een samenvoeging, omvorming of splitsing van de erkende sociale onderneming is het behoud, de overdracht of de opsplitsing van de erkenning mogelijk :
1° met het oog op de voortzetting van dezelfde activiteiten op stabiele en duurzame wijze;
2° voor zover ze plaatsvinden tussen twee entiteiten die de erkenning genieten als erkende sociale onderneming of die daartoe een aanvraag indienen.
§ 2. Binnen de dertig werkdagen, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het dossier, beslist de minister dat de samengevoegde of omgevormde entiteit, of een of meerdere gesplitste delen van de entiteit, de erkenning van de erkende sociale onderneming mag of mogen overnemen, ofwel dat het nodig is een nieuwe erkenningsaanvraag in te dienen.
§ 3. Het bestuur maakt de beslissing van de minister via een aangetekende brief bekend aan de sociale onderneming en deelt ze mee aan de ARSO.
1° met het oog op de voortzetting van dezelfde activiteiten op stabiele en duurzame wijze;
2° voor zover ze plaatsvinden tussen twee entiteiten die de erkenning genieten als erkende sociale onderneming of die daartoe een aanvraag indienen.
§ 2. Binnen de dertig werkdagen, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het dossier, beslist de minister dat de samengevoegde of omgevormde entiteit, of een of meerdere gesplitste delen van de entiteit, de erkenning van de erkende sociale onderneming mag of mogen overnemen, ofwel dat het nodig is een nieuwe erkenningsaanvraag in te dienen.
§ 3. Het bestuur maakt de beslissing van de minister via een aangetekende brief bekend aan de sociale onderneming en deelt ze mee aan de ARSO.
Art. 6. § 1er. En cas de fusion, de transformation ou de scission de l'entreprise sociale agréée, le maintien, la cession ou la division de l'agrément est possible :
1° en vue de la poursuite de mêmes activités de manière stable et durable;
2° pour autant qu'elles aient lieu entre deux entités qui bénéficient de l'agrément en tant qu'entreprise sociale agréée ou qui introduisent une demande à cet effet.
§ 2. Endéans les trente jours ouvrables, à compter de la date de réception du dossier, le Ministre décide de la reprise de l'agrément de l'entreprise sociale agréée par l'entité fusionnée ou transformée, ou par une ou plusieurs parties scindées de l'entité ou de la nécessité d'introduire une nouvelle demande d'agrément.
§ 3. L'Administration notifie la décision du Ministre par pli recommandé à la poste à l'entreprise sociale et la communique au CCES.
1° en vue de la poursuite de mêmes activités de manière stable et durable;
2° pour autant qu'elles aient lieu entre deux entités qui bénéficient de l'agrément en tant qu'entreprise sociale agréée ou qui introduisent une demande à cet effet.
§ 2. Endéans les trente jours ouvrables, à compter de la date de réception du dossier, le Ministre décide de la reprise de l'agrément de l'entreprise sociale agréée par l'entité fusionnée ou transformée, ou par une ou plusieurs parties scindées de l'entité ou de la nécessité d'introduire une nouvelle demande d'agrément.
§ 3. L'Administration notifie la décision du Ministre par pli recommandé à la poste à l'entreprise sociale et la communique au CCES.
HOOFDSTUK 3. - Criteria die de toepassing aantonen van de kenmerken van de principes als bedoeld in Hoofdstuk 2 van de ordonnantie
CHAPITRE 3. - Critères démontrant la mise en oeuvre des caractéristiques des principes visés au Chapitre 2 de l'ordonnance
Afdeling 1. - Gemeenschappelijke bepaling voor de afdelingen 2 tot 3
Section 1ère. - Disposition commune aux sections 2 à 3
Art. 7. § 1. Voor de toekenning van de erkenning en het behoud ervan is de voorlegging vereist, door de rechtspersoon van de elementen opgesomd in de afdelingen 2 tot 4 via het activiteitenverslag bedoeld in artikel 12, § 2, 2° van de ordonnantie.
Het activiteitenverslag omvat de volgende specifieke hoofdstukken over de beginselen vermeld in artikelen 4 tot 6 en 8 tot 10, evenals artikel 21 van de ordonnantie :
a) Een hoofdstuk over het economische project;
b) een hoofdstuk over het sociale doel;
c) een hoofdstuk over het democratische bestuur.
d) Een hoofdstuk over de zelfevaluatie van de wijze waarop de onderneming zich bevindt tegenover de drie principes gedefinieerd in afdeling 2 van hoofdstuk 3, evenals over de doelstellingen van de ondernemingen op dit vlak voor het komend jaar;
§ 2. Vanaf het eerste verzoek tot hernieuwing van de erkenning legt de erkende sociale onderneming, naast het activiteitenverslag, het formulier bedoeld in artikel 20 van de ordonnantie voor, waarvan het model door de Minister wordt vastgesteld.
§ 3. De criteria met het oog op de opname van specifieke gedeelten in het activiteitenverslag van de sociale onderneming bedoeld in de artikelen 8, 3°, b), 9, 2°, b), 10, 2° e), 10, 3°, c), 11, 3°, b) en 13, 3°, c) worden beschouwd als zijnde progressieve criteria in de zin van artikel 20, § 1 van de ordonnantie.
De onderneming moet eraan voldoen en de progressie toelichten, die beschouwd wordt als hun evolutie.
Het activiteitenverslag omvat de volgende specifieke hoofdstukken over de beginselen vermeld in artikelen 4 tot 6 en 8 tot 10, evenals artikel 21 van de ordonnantie :
a) Een hoofdstuk over het economische project;
b) een hoofdstuk over het sociale doel;
c) een hoofdstuk over het democratische bestuur.
d) Een hoofdstuk over de zelfevaluatie van de wijze waarop de onderneming zich bevindt tegenover de drie principes gedefinieerd in afdeling 2 van hoofdstuk 3, evenals over de doelstellingen van de ondernemingen op dit vlak voor het komend jaar;
§ 2. Vanaf het eerste verzoek tot hernieuwing van de erkenning legt de erkende sociale onderneming, naast het activiteitenverslag, het formulier bedoeld in artikel 20 van de ordonnantie voor, waarvan het model door de Minister wordt vastgesteld.
§ 3. De criteria met het oog op de opname van specifieke gedeelten in het activiteitenverslag van de sociale onderneming bedoeld in de artikelen 8, 3°, b), 9, 2°, b), 10, 2° e), 10, 3°, c), 11, 3°, b) en 13, 3°, c) worden beschouwd als zijnde progressieve criteria in de zin van artikel 20, § 1 van de ordonnantie.
De onderneming moet eraan voldoen en de progressie toelichten, die beschouwd wordt als hun evolutie.
Art. 7. § 1. L'octroi de l'agrément et son maintien est subordonné à la présentation par la personne morale, des éléments énoncés aux sections 2 à 4 au moyen du rapport d'activités visé à l'article 12, § 2, 2°, de l'ordonnance.
Le rapport d'activités comporte les chapitres spécifiques suivants relatifs aux principes énoncés aux articles 4 à 6 et 8 à 10 ainsi qu'à l'article 21 de l'ordonnance :
a) un chapitre relatif au projet économique;
b) un chapitre relatif à la finalité sociale;
c) un chapitre relatif à la gouvernance démocratique;
d) un chapitre relatif à l'autoévaluation de la manière dont l'entreprise se situe par rapport aux trois principes définis dans la section 2 du chapitre 3, ainsi que les objectifs de l'entreprise à cet égard pour l'année à venir;
§ 2. A partir de la première demande de renouvellement de l'agrément, l'entreprise sociale agréée transmet, en plus du rapport d'activité, le formulaire visé à l'article 20 de l'ordonnance dont le modèle est arrêté par le Ministre.
§ 3. Les critères, qui visent l'intégration de parties spécifiques dans le rapport d'activités de l'entreprise sociale, visés aux articles 8, 3°, b), 9, 2°, b), 10, 2° e), 10, 3°, c), 11, 3°, b) et 13, 3°, c) sont considérés comme les critères progressifs, au sens de l'article 20, § 1er de l'ordonnance.
L'entreprise doit répondre à ceux-ci et en expliquer la progression, qui s'entend comme leur évolution.
Le rapport d'activités comporte les chapitres spécifiques suivants relatifs aux principes énoncés aux articles 4 à 6 et 8 à 10 ainsi qu'à l'article 21 de l'ordonnance :
a) un chapitre relatif au projet économique;
b) un chapitre relatif à la finalité sociale;
c) un chapitre relatif à la gouvernance démocratique;
d) un chapitre relatif à l'autoévaluation de la manière dont l'entreprise se situe par rapport aux trois principes définis dans la section 2 du chapitre 3, ainsi que les objectifs de l'entreprise à cet égard pour l'année à venir;
§ 2. A partir de la première demande de renouvellement de l'agrément, l'entreprise sociale agréée transmet, en plus du rapport d'activité, le formulaire visé à l'article 20 de l'ordonnance dont le modèle est arrêté par le Ministre.
§ 3. Les critères, qui visent l'intégration de parties spécifiques dans le rapport d'activités de l'entreprise sociale, visés aux articles 8, 3°, b), 9, 2°, b), 10, 2° e), 10, 3°, c), 11, 3°, b) et 13, 3°, c) sont considérés comme les critères progressifs, au sens de l'article 20, § 1er de l'ordonnance.
L'entreprise doit répondre à ceux-ci et en expliquer la progression, qui s'entend comme leur évolution.
Afdeling 2. - Criteria die aantonen dat de sociale en democratische ondernemingen als bedoeld in afdeling 1 van hoofdstuk 2 van de ordonnantie de kenmerken van de principes toepassen
Section 2. - Critères démontrant la mise en oeuvre des caractéristiques des principes par les entreprises sociales et démocratiques visées à la section 1 du chapitre 2 de l'ordonnance
Onderafdeling 1. - De uitvoering van een economisch project
Sous-section 1re. - La mise en oeuvre d'un projet économique
Art. 8. De uitvoering van een economisch project als bedoeld in artikel 4 van de ordonnantie moet aangetoond worden op basis van de volgende criteria :
1° om een doorlopende activiteit van productie van goederen en/of diensten aan te tonen :
a) de opname van minstens één doorlopende activiteit van productie van goederen en/of diensten in de statuten of oprichtingsakte van de rechtspersoon bedoeld in artikel 3 van de ordonnantie;
b) het bijhouden van een boekhouding volgens de minimumindeling van het algemene rekeningenstelsel overeenkomstig het koninklijk besluit van 12 september 1983 tot bepaling van de minimumindeling van een algemeen rekeningstelsel of het koninklijk besluit van 19 december 2003 betreffende de boekhoudkundige verplichtingen en de openbaarmaking van de jaarrekening van bepaalde verenigingen zonder winstoogmerk, internationale verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen, met uitzondering van de beginnende ondernemingen die hun plan voorstellen over drie jaar;
c) het voorleggen van de resultatenrekening van de laatste drie jaar, behalve voor beginnende ondernemingen die hun plan voorstellen over drie jaar, en, in voorkomend geval, de resultatenrekeningen in hun bezit;
2° om een economisch levensvatbare activiteit aan te tonen :
a) de rechtspersoon maakt niet het voorwerp uit van een vrijwillige vereffening, juridische reorganisatie of faillissement;
b) voorleggen van de resultatenrekening van de laatste drie jaar, behalve voor beginnende ondernemingen die hun plan voorstellen over drie jaar, en, in voorkomend geval, de resultatenrekeningen in hun bezit;
3° om een minimumniveau van kwaliteitsvolle en duurzame bezoldigde arbeid te bepalen :
a) behalve voor beginnende ondernemingen moet het aantal werknemers minstens overeenstemmen met een voltijdsequivalent aangeworven voor onbepaalde tijd of drie zelfstandige werkende vennoten, waarvan minstens een zelfstandige in hoofdberoep;
b) de opname in het hoofdstuk van het activiteitenverslag dat het economisch project betreft, van een sectie "tewerkstelling" waarin de kwaliteitsvolle en duurzame bezoldigde arbeid bij de ondernemingen wordt beschreven en die minstens het volgende omvat : de evolutie van de tewerkstelling bij de onderneming beschrijft over de laatste drie jaar of sinds de meest recente erkenning in geval van verlenging, inclusief het aantal voltijdse equivalenten, de verhouding loonmassa/omzet, de uitsplitsing volgens soort arbeidsovereenkomst en het personeelsverloop.
1° om een doorlopende activiteit van productie van goederen en/of diensten aan te tonen :
a) de opname van minstens één doorlopende activiteit van productie van goederen en/of diensten in de statuten of oprichtingsakte van de rechtspersoon bedoeld in artikel 3 van de ordonnantie;
b) het bijhouden van een boekhouding volgens de minimumindeling van het algemene rekeningenstelsel overeenkomstig het koninklijk besluit van 12 september 1983 tot bepaling van de minimumindeling van een algemeen rekeningstelsel of het koninklijk besluit van 19 december 2003 betreffende de boekhoudkundige verplichtingen en de openbaarmaking van de jaarrekening van bepaalde verenigingen zonder winstoogmerk, internationale verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen, met uitzondering van de beginnende ondernemingen die hun plan voorstellen over drie jaar;
c) het voorleggen van de resultatenrekening van de laatste drie jaar, behalve voor beginnende ondernemingen die hun plan voorstellen over drie jaar, en, in voorkomend geval, de resultatenrekeningen in hun bezit;
2° om een economisch levensvatbare activiteit aan te tonen :
a) de rechtspersoon maakt niet het voorwerp uit van een vrijwillige vereffening, juridische reorganisatie of faillissement;
b) voorleggen van de resultatenrekening van de laatste drie jaar, behalve voor beginnende ondernemingen die hun plan voorstellen over drie jaar, en, in voorkomend geval, de resultatenrekeningen in hun bezit;
3° om een minimumniveau van kwaliteitsvolle en duurzame bezoldigde arbeid te bepalen :
a) behalve voor beginnende ondernemingen moet het aantal werknemers minstens overeenstemmen met een voltijdsequivalent aangeworven voor onbepaalde tijd of drie zelfstandige werkende vennoten, waarvan minstens een zelfstandige in hoofdberoep;
b) de opname in het hoofdstuk van het activiteitenverslag dat het economisch project betreft, van een sectie "tewerkstelling" waarin de kwaliteitsvolle en duurzame bezoldigde arbeid bij de ondernemingen wordt beschreven en die minstens het volgende omvat : de evolutie van de tewerkstelling bij de onderneming beschrijft over de laatste drie jaar of sinds de meest recente erkenning in geval van verlenging, inclusief het aantal voltijdse equivalenten, de verhouding loonmassa/omzet, de uitsplitsing volgens soort arbeidsovereenkomst en het personeelsverloop.
Art. 8. La mise en oeuvre d'un projet économique visé à l'article 4 de l'ordonnance doit être démontrée sur base des critères suivants :
1° pour démontrer une activité continue de production de biens et/ou de services :
a) l'inscription dans les statuts ou l'acte constitutif de la personne morale visée à l'article 3 de l'ordonnance d'au moins une activité continue de production de biens et/ou de services;
b) la tenue d'une comptabilité selon le plan comptable minimum normalisé telle que prévue par l'arrêté royal du 12 septembre 1983 déterminant la teneur et la présentation d'un plan comptable minimum normalisé ou l'arrêté royal du 19 décembre 2003 relatif aux obligations comptables et à la publicité des comptes annuels de certaines associations sans but lucratif, associations internationales sans but lucratif et fondations, à l'exception des entreprises débutantes qui présentent leur plan sur trois années;
c) fournir les comptes des résultats des trois dernières années, à l'exception des entreprises débutantes qui présentent leur plan financier sur trois années et les comptes des résultats en leur possession, le cas échéant;
2° pour démontrer une activité économiquement viable :
a) la personne morale n'est ni en liquidation volontaire, ni en redressement judiciaire, ni en faillite;
b) fournir les bilans des 3 dernières années, à l'exception des entreprises débutantes qui présentent leur plan financier sur trois années et les bilans en leur possession, le cas échant;
3° pour déterminer un niveau minimum de travail rémunéré de qualité et durable :
a) à l'exception des entreprises débutantes, le nombre de travailleurs doit être d'au moins un équivalent temps plein engagé pour une durée indéterminée, ou de trois travailleurs indépendants associés actifs dont au moins un est indépendant à titre principal;
b) l'inclusion dans le chapitre relatif au projet économique du rapport d'activités d'une section " emploi " décrivant le travail rémunéré de qualité et durable au sein de l'entreprises et comprenant au moins :l'évolution du travail au sein de l'entreprise sur les trois dernières années, ou depuis le dernier agrément en cas de renouvellement, y compris le nombre d'équivalents temps plein, le ratio masse salariale/chiffre d'affaire, la répartition des types de contrats et le taux de rotation du personnel.
1° pour démontrer une activité continue de production de biens et/ou de services :
a) l'inscription dans les statuts ou l'acte constitutif de la personne morale visée à l'article 3 de l'ordonnance d'au moins une activité continue de production de biens et/ou de services;
b) la tenue d'une comptabilité selon le plan comptable minimum normalisé telle que prévue par l'arrêté royal du 12 septembre 1983 déterminant la teneur et la présentation d'un plan comptable minimum normalisé ou l'arrêté royal du 19 décembre 2003 relatif aux obligations comptables et à la publicité des comptes annuels de certaines associations sans but lucratif, associations internationales sans but lucratif et fondations, à l'exception des entreprises débutantes qui présentent leur plan sur trois années;
c) fournir les comptes des résultats des trois dernières années, à l'exception des entreprises débutantes qui présentent leur plan financier sur trois années et les comptes des résultats en leur possession, le cas échéant;
2° pour démontrer une activité économiquement viable :
a) la personne morale n'est ni en liquidation volontaire, ni en redressement judiciaire, ni en faillite;
b) fournir les bilans des 3 dernières années, à l'exception des entreprises débutantes qui présentent leur plan financier sur trois années et les bilans en leur possession, le cas échant;
3° pour déterminer un niveau minimum de travail rémunéré de qualité et durable :
a) à l'exception des entreprises débutantes, le nombre de travailleurs doit être d'au moins un équivalent temps plein engagé pour une durée indéterminée, ou de trois travailleurs indépendants associés actifs dont au moins un est indépendant à titre principal;
b) l'inclusion dans le chapitre relatif au projet économique du rapport d'activités d'une section " emploi " décrivant le travail rémunéré de qualité et durable au sein de l'entreprises et comprenant au moins :l'évolution du travail au sein de l'entreprise sur les trois dernières années, ou depuis le dernier agrément en cas de renouvellement, y compris le nombre d'équivalents temps plein, le ratio masse salariale/chiffre d'affaire, la répartition des types de contrats et le taux de rotation du personnel.
Onderafdeling 2. - Het nastreven van een sociaal doel
Sous-section 2. - La poursuite d'une finalité sociale
Art. 9. Het nastreven van een sociaal doel als bedoeld in artikel 5 van de ordonnantie moet aangetoond worden op basis van de volgende criteria :
1° de opname in de statuten van de rechtspersoon van een uitdrukkelijk sociaal doel, dat gericht is op hetzij het belang van de gemeenschap hetzij van een specifieke groep personen of de leden ervan;
2° om de beperking van de uitkering van de winst en het nastreven van duurzame productie- en consumptiewijzen aan te tonen :
a) met uitzondering van de rechtspersonen in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk, de opname in de statuten of oprichtingsakte :
i) van de beperking van de dividenden tot de maximale rentevoeten vastgesteld in artikel 1, § 1, 5° van het koninklijk besluit van 8 januari 1962 tot vaststelling van de voorwaarden tot erkenning van de nationale groeperingen van coöperatieve vennootschappen en van de coöperatieve vennootschappen. Wanneer de statuten daarin voorzien, mag de beperking van de dividenden van een beginnende onderneming gespreid worden over de eerste zeven belastingjaren;
ii) van de beperking van de vermogenswinst tot maximaal 100 %, wanneer die niet verboden is.
b) de opname in het hoofdstuk van het activiteitenverslag met betrekking tot het sociaal doel :
i) van een sectie die het winstuitkeringsbeleid beschrijft;
ii) van een sectie over het nastreven van duurzame productie- en consumptiewijzen.
3° om een gematigde loonspanning aan te tonen :
a) de opname in de statuten of het activiteitenverslag van het principe van gematigde loonspanning, dat betrekking heeft op de verhouding tussen het hoogste en laagste aan het personeel van de rechtspersoon toegekende brutoloon, met inbegrip van de wettelijke en bovenwettelijke voordelen en, wat betreft de werkende vennoten, rekening houdend met de bruto emolumenten verhoogd met alle wettelijke en bovenwettelijke voordelen. De loonspanning bedraagt :
i) 1 tot maximaal 4 voor rechtspersonen met tot 50 werknemers of werkende vennoten;
ii) 1 tot maximaal 5 voor rechtspersonen met 51 tot 250 werknemers of werkende vennoten;
iii) 1 tot maximaal 6 voor rechtspersonen met 250 of meer werknemers of werkende vennoten.
De berekening van de loonspanning wordt geanalyseerd op grond van een geanonimiseerde tabel die de minimum- en maximumlonen opneemt. Deze berekening gebeurt op basis van :
i) het brutoloon;
ii) de diverse voordelen van alle aard;
iii) Voor de werkende vennoten worden bij de berekening de bruto emolumenten en alle in ii) bedoelde voordelen in aanmerking genomen.
De minimumvergoeding wordt berekend op grond van de laagste vergoeding voor een voltijdsequivalent in de rechtspersoon.
b) deopname in de statuten of het huishoudelijke reglement van de algemene vergadering en de raad van bestuur van de wijze waarop financiële belangenconflicten worden beheerd.
1° de opname in de statuten van de rechtspersoon van een uitdrukkelijk sociaal doel, dat gericht is op hetzij het belang van de gemeenschap hetzij van een specifieke groep personen of de leden ervan;
2° om de beperking van de uitkering van de winst en het nastreven van duurzame productie- en consumptiewijzen aan te tonen :
a) met uitzondering van de rechtspersonen in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk, de opname in de statuten of oprichtingsakte :
i) van de beperking van de dividenden tot de maximale rentevoeten vastgesteld in artikel 1, § 1, 5° van het koninklijk besluit van 8 januari 1962 tot vaststelling van de voorwaarden tot erkenning van de nationale groeperingen van coöperatieve vennootschappen en van de coöperatieve vennootschappen. Wanneer de statuten daarin voorzien, mag de beperking van de dividenden van een beginnende onderneming gespreid worden over de eerste zeven belastingjaren;
ii) van de beperking van de vermogenswinst tot maximaal 100 %, wanneer die niet verboden is.
b) de opname in het hoofdstuk van het activiteitenverslag met betrekking tot het sociaal doel :
i) van een sectie die het winstuitkeringsbeleid beschrijft;
ii) van een sectie over het nastreven van duurzame productie- en consumptiewijzen.
3° om een gematigde loonspanning aan te tonen :
a) de opname in de statuten of het activiteitenverslag van het principe van gematigde loonspanning, dat betrekking heeft op de verhouding tussen het hoogste en laagste aan het personeel van de rechtspersoon toegekende brutoloon, met inbegrip van de wettelijke en bovenwettelijke voordelen en, wat betreft de werkende vennoten, rekening houdend met de bruto emolumenten verhoogd met alle wettelijke en bovenwettelijke voordelen. De loonspanning bedraagt :
i) 1 tot maximaal 4 voor rechtspersonen met tot 50 werknemers of werkende vennoten;
ii) 1 tot maximaal 5 voor rechtspersonen met 51 tot 250 werknemers of werkende vennoten;
iii) 1 tot maximaal 6 voor rechtspersonen met 250 of meer werknemers of werkende vennoten.
De berekening van de loonspanning wordt geanalyseerd op grond van een geanonimiseerde tabel die de minimum- en maximumlonen opneemt. Deze berekening gebeurt op basis van :
i) het brutoloon;
ii) de diverse voordelen van alle aard;
iii) Voor de werkende vennoten worden bij de berekening de bruto emolumenten en alle in ii) bedoelde voordelen in aanmerking genomen.
De minimumvergoeding wordt berekend op grond van de laagste vergoeding voor een voltijdsequivalent in de rechtspersoon.
b) deopname in de statuten of het huishoudelijke reglement van de algemene vergadering en de raad van bestuur van de wijze waarop financiële belangenconflicten worden beheerd.
Art. 9. La poursuite d'une finalité sociale visée à l'article 5 de l'ordonnance doit être démontrée sur base des critères suivants :
1° l'inscription dans les statuts de la personne morale d'une finalité sociale explicite visant soit l'intérêt de la collectivité soit d'un groupe spécifique de personnes ou de ses membres;
2° pour démontrer la limitation de la distribution des bénéfices et la poursuite de modes de production et de consommation durables :
a) à l'exception des personnes morales sous forme d'association sans but lucratif, l'inscription dans les statuts ou actes constitutifs :
i) de la limitation des dividendes aux taux d'intérêt maximum fixés à l'article 1, § 1er, 5°, de l'arrêté royal du 8 janvier 1962 fixant les conditions d'agréation des groupements de sociétés coopératives et des sociétés coopératives. Dans le cas où les statuts le prévoient, la limitation des dividendes d'une entreprise débutante peut être étalée sur ses sept premiers exercices fiscaux;
ii) de la limitation des plus-values à un maximum de 100 % quand elles ne sont pas interdites.
b) l'inclusion dans le chapitre relatif à la finalité sociale du rapport d'activités :
i) d'une section relative à la description de la politique d'affectation du bénéfice;
ii) d'une section relative à la poursuite de modes de production et de consommation durables.
3° pour démontrer une tension salariale modérée :
a) l'inscription dans les statuts ou le rapport d'activités d'un principe de tension salariale modérée qui consiste en un rapport entre le plus élevé et le moins élevé des salaires bruts octroyés au personnel de la personne morale, en ce compris les avantages légaux et extralégaux et pour les associés actifs en tenant compte des émoluments bruts augmentés de tous les avantages légaux et extralégaux. La tension salariale est :
i) de 1 à maximum 4 pour les personnes morales comptant jusqu'à 50 travailleurs ou associés actifs;
ii) de 1 à maximum 5 pour les personnes morales comptant 51 à 250 travailleurs ou associés actifs;
iii) de 1 à maximum 6 pour les personnes morales comptant plus de 250 travailleurs et plus ou associés actifs.
Le calcul de la tension salariale s'analyse sur base d'un tableau anonymisé reprenant les salaires minimums et maximums. Ce calcul intègre :
i) la rémunération brute;
ii) les avantages divers et de toutes natures;
iii) pour les associés actifs, le calcul intègre les émoluments bruts et tous les avantages visés au ii).
La rémunération minimale est calculée sur base de la rémunération la plus basse en équivalent temps plein au sein de la personne morale.
b) l'inscription dans les statuts ou dans le règlement d'ordre intérieur de l'assemblée générale et du conseil d'administration, de la manière dont les conflits d'intérêts financiers sont gérés.
1° l'inscription dans les statuts de la personne morale d'une finalité sociale explicite visant soit l'intérêt de la collectivité soit d'un groupe spécifique de personnes ou de ses membres;
2° pour démontrer la limitation de la distribution des bénéfices et la poursuite de modes de production et de consommation durables :
a) à l'exception des personnes morales sous forme d'association sans but lucratif, l'inscription dans les statuts ou actes constitutifs :
i) de la limitation des dividendes aux taux d'intérêt maximum fixés à l'article 1, § 1er, 5°, de l'arrêté royal du 8 janvier 1962 fixant les conditions d'agréation des groupements de sociétés coopératives et des sociétés coopératives. Dans le cas où les statuts le prévoient, la limitation des dividendes d'une entreprise débutante peut être étalée sur ses sept premiers exercices fiscaux;
ii) de la limitation des plus-values à un maximum de 100 % quand elles ne sont pas interdites.
b) l'inclusion dans le chapitre relatif à la finalité sociale du rapport d'activités :
i) d'une section relative à la description de la politique d'affectation du bénéfice;
ii) d'une section relative à la poursuite de modes de production et de consommation durables.
3° pour démontrer une tension salariale modérée :
a) l'inscription dans les statuts ou le rapport d'activités d'un principe de tension salariale modérée qui consiste en un rapport entre le plus élevé et le moins élevé des salaires bruts octroyés au personnel de la personne morale, en ce compris les avantages légaux et extralégaux et pour les associés actifs en tenant compte des émoluments bruts augmentés de tous les avantages légaux et extralégaux. La tension salariale est :
i) de 1 à maximum 4 pour les personnes morales comptant jusqu'à 50 travailleurs ou associés actifs;
ii) de 1 à maximum 5 pour les personnes morales comptant 51 à 250 travailleurs ou associés actifs;
iii) de 1 à maximum 6 pour les personnes morales comptant plus de 250 travailleurs et plus ou associés actifs.
Le calcul de la tension salariale s'analyse sur base d'un tableau anonymisé reprenant les salaires minimums et maximums. Ce calcul intègre :
i) la rémunération brute;
ii) les avantages divers et de toutes natures;
iii) pour les associés actifs, le calcul intègre les émoluments bruts et tous les avantages visés au ii).
La rémunération minimale est calculée sur base de la rémunération la plus basse en équivalent temps plein au sein de la personne morale.
b) l'inscription dans les statuts ou dans le règlement d'ordre intérieur de l'assemblée générale et du conseil d'administration, de la manière dont les conflits d'intérêts financiers sont gérés.
Onderafdeling 3. - Het voeren van een democratisch bestuur
Sous-section 3. - L'exercice d'une gouvernance démocratique
Art. 10. Het voeren van een democratisch bestuur als bedoeld in artikel 6 moet worden aangetoond op grond van de volgende criteria :
1° om een hoge graad van beheersautonomie aan te tonen in zowel het beleid als het dagelijks bestuur :
a) de opname in de statuten of het huishoudelijke reglement van een specifiek hoofdstuk over de rechten en plichten van de bestuurders, waarin de organisatie van de vergaderingen en de interne orde van de raad van bestuur worden geregeld en waarin de rol van de voorzitter en de eventuele overige leden worden bepaald, evenals de betrekkingen met de algemene vergadering en het dagelijkse bestuur van de rechtspersoon. Dit hoofdstuk bevat met name :
i) de principes van collegialiteit en solidariteit van bestuurders;
ii) het principe dat een bestuurder verantwoordelijk is voor de belangen van de rechtspersoon en niet voor zijn persoonlijke belangen of die van instellingen die hij vertegenwoordigt of die hem afgevaardigd hebben;
iii) de manier waarop belangenconflicten tussen de bestuurders en de rechtspersoon worden beslecht;
iv) de manier waarop de vergoedingen bepaald worden;
v) het principe van geheimhouding van de besprekingen.
b) de raad van bestuur en de algemene vergadering zijn samengesteld uit :
i) maximaal 49 % vertegenwoordigers van ondernemingen zonder uitdrukkelijk sociaal doel;
ii) maximaal 25 % vertegenwoordigers van de overheid. Wordt beschouwd als vertegenwoordiger van de overheid, elke persoon die zetelt krachtens een mandaat gekregen op grond van statuten en/of voortvloeiend uit een beraadslaging van een overheidsinstelling of parastatale instelling.
2° om een democratische beslissingsmacht aan te tonen :
a) De statuten van de rechtspersoon vermelden minstens een van volgende regels :
i) het principe op grond waarvan een lid van de algemene vergadering gelijkstaat met één stem;
ii) de beperking van de stemrechten van een natuurlijke persoon die deelneemt aan de algemene vergadering tot maximaal 10 % van de in de algemene vergadering aanwezige en vertegenwoordigde aandelen, met inbegrip van de volmachten en vertegenwoordigingen.
b) De statuten of het huishoudelijk reglement van de algemene vergadering van de rechtspersoon bepalen het maximumaantal volmachten per persoon of deelnemer.
c) De statuten van de rechtspersoon tonen aan dat de raad van bestuur is samengesteld uit minstens vier leden, of minstens drie leden voor beginnende ondernemingen bij hun eerste erkenning;
d) De statuten of het huishoudelijke reglement voorzien in minstens een van de volgende maatregelen :
i) de verkiezing van een onafhankelijke bestuurder die noch de overheid, noch privéondernemingen zonder sociaal doel vertegenwoordigen;
ii) de mogelijkheid voor de werknemers om lid, coöperant of aandeelhouder van de rechtspersoon te worden. Het maatschappelijk aandeel bedraagt maximaal 150 euro;
e) de opname in het activiteitenverslag van een hoofdstuk "democratisch bestuur", dat de evolutie aangeeft van het aantal leden, coöperanten of aandeelhouders, alsook de besluitvormingswijzen op de verschillende niveaus van de rechtspersoon voor de voornaamste beleidsbeslissingen, de aanwezigheidsgraad op de algemene vergaderingen en het aantal algemene vergaderingen.
3° om een transparante en participatieve dynamiek, waarbij de voornaamste belanghebbende partijen betrokken worden, aan te tonen :
a) de publicatie op de website van de rechtspersoon of, bij ontstentenis daarvan, interne aanplakking van de lijst met de leden van de raad van bestuur, hun respectieve functies en een organogram dat de interne organisatie van de rechtspersoon weerspiegelt;
b) de opname in het huishoudelijke reglement of de statuten dat er eenmaal per jaar een vergadering wordt gehouden tijdens de werkuren, waarop alle personeelsleden of werkende vennoten en de belangrijkste belanghebbende partijen worden uitgenodigd en waarop met name de volgende thema's worden behandeld :
i) de huidige en toekomstige economische en sociale ontwikkeling van de rechtspersoon;
ii) het welzijn op het werk;
iii) de voorstelling van het activiteitenverslag en een samenvatting van de rekeningen van de rechtspersoon;
iv) het beleid op het vlak van personeelsbeheer, aanwerving en bijscholing.
c) de opname in het hoofdstuk "Democratisch bestuur" van het activiteitenverslag, van de beschrijving van het participatieproces, de doelstellingen en werking ervan en de toepassing tijdens het betrokken jaar.
1° om een hoge graad van beheersautonomie aan te tonen in zowel het beleid als het dagelijks bestuur :
a) de opname in de statuten of het huishoudelijke reglement van een specifiek hoofdstuk over de rechten en plichten van de bestuurders, waarin de organisatie van de vergaderingen en de interne orde van de raad van bestuur worden geregeld en waarin de rol van de voorzitter en de eventuele overige leden worden bepaald, evenals de betrekkingen met de algemene vergadering en het dagelijkse bestuur van de rechtspersoon. Dit hoofdstuk bevat met name :
i) de principes van collegialiteit en solidariteit van bestuurders;
ii) het principe dat een bestuurder verantwoordelijk is voor de belangen van de rechtspersoon en niet voor zijn persoonlijke belangen of die van instellingen die hij vertegenwoordigt of die hem afgevaardigd hebben;
iii) de manier waarop belangenconflicten tussen de bestuurders en de rechtspersoon worden beslecht;
iv) de manier waarop de vergoedingen bepaald worden;
v) het principe van geheimhouding van de besprekingen.
b) de raad van bestuur en de algemene vergadering zijn samengesteld uit :
i) maximaal 49 % vertegenwoordigers van ondernemingen zonder uitdrukkelijk sociaal doel;
ii) maximaal 25 % vertegenwoordigers van de overheid. Wordt beschouwd als vertegenwoordiger van de overheid, elke persoon die zetelt krachtens een mandaat gekregen op grond van statuten en/of voortvloeiend uit een beraadslaging van een overheidsinstelling of parastatale instelling.
2° om een democratische beslissingsmacht aan te tonen :
a) De statuten van de rechtspersoon vermelden minstens een van volgende regels :
i) het principe op grond waarvan een lid van de algemene vergadering gelijkstaat met één stem;
ii) de beperking van de stemrechten van een natuurlijke persoon die deelneemt aan de algemene vergadering tot maximaal 10 % van de in de algemene vergadering aanwezige en vertegenwoordigde aandelen, met inbegrip van de volmachten en vertegenwoordigingen.
b) De statuten of het huishoudelijk reglement van de algemene vergadering van de rechtspersoon bepalen het maximumaantal volmachten per persoon of deelnemer.
c) De statuten van de rechtspersoon tonen aan dat de raad van bestuur is samengesteld uit minstens vier leden, of minstens drie leden voor beginnende ondernemingen bij hun eerste erkenning;
d) De statuten of het huishoudelijke reglement voorzien in minstens een van de volgende maatregelen :
i) de verkiezing van een onafhankelijke bestuurder die noch de overheid, noch privéondernemingen zonder sociaal doel vertegenwoordigen;
ii) de mogelijkheid voor de werknemers om lid, coöperant of aandeelhouder van de rechtspersoon te worden. Het maatschappelijk aandeel bedraagt maximaal 150 euro;
e) de opname in het activiteitenverslag van een hoofdstuk "democratisch bestuur", dat de evolutie aangeeft van het aantal leden, coöperanten of aandeelhouders, alsook de besluitvormingswijzen op de verschillende niveaus van de rechtspersoon voor de voornaamste beleidsbeslissingen, de aanwezigheidsgraad op de algemene vergaderingen en het aantal algemene vergaderingen.
3° om een transparante en participatieve dynamiek, waarbij de voornaamste belanghebbende partijen betrokken worden, aan te tonen :
a) de publicatie op de website van de rechtspersoon of, bij ontstentenis daarvan, interne aanplakking van de lijst met de leden van de raad van bestuur, hun respectieve functies en een organogram dat de interne organisatie van de rechtspersoon weerspiegelt;
b) de opname in het huishoudelijke reglement of de statuten dat er eenmaal per jaar een vergadering wordt gehouden tijdens de werkuren, waarop alle personeelsleden of werkende vennoten en de belangrijkste belanghebbende partijen worden uitgenodigd en waarop met name de volgende thema's worden behandeld :
i) de huidige en toekomstige economische en sociale ontwikkeling van de rechtspersoon;
ii) het welzijn op het werk;
iii) de voorstelling van het activiteitenverslag en een samenvatting van de rekeningen van de rechtspersoon;
iv) het beleid op het vlak van personeelsbeheer, aanwerving en bijscholing.
c) de opname in het hoofdstuk "Democratisch bestuur" van het activiteitenverslag, van de beschrijving van het participatieproces, de doelstellingen en werking ervan en de toepassing tijdens het betrokken jaar.
Art. 10. L'exercice d'une gouvernance démocratique visé à l'article 6 de l'ordonnance doit être démontré sur base des critères suivants :
1° pour démontrer un degré élevé d'autonomie de gestion tant dans la stratégie que dans la gestion journalière :
a) l'inscription dans les statuts ou dans le règlement d'ordre intérieur d'un chapitre spécifique portant sur les droits et obligations des administrateurs organisant les réunions et la police du Conseil d'administration, définissant le rôle du président et des éventuels autres membres ainsi que les rapports avec l'assemblée générale et la direction quotidienne de la personne morale. Ce chapitre comprend notamment :
i) les principes de collégialité et de solidarité des administrateurs;
ii) le principe qu'un administrateur est en charge des intérêts de la personne morale et non de ses intérêts personnels ou de ceux des institutions qu'il représente ou qui l'ont mandaté;
iii) la manière dont sont réglés les conflits d'intérêts entre les administrateurs et la personne morale;
iv) la manière dont sont déterminées les rémunérations;
v) le principe de confidentialité des débats.
b) la composition du conseil d'administration et de l'assemblée générale inclut :
i) au maximum 49 % de représentants d'entreprises qui n'ont pas de finalité sociale explicite;
ii) au maximum 25 % de représentants de pouvoirs publics. Est considérée comme représentant des pouvoirs publics toute personne qui siège en vertu d'un mandat reçu sur base des statuts et/ou suite à un mandat résultant d'une délibération d'un pouvoir public ou parapublic.
2° pour démontrer un pouvoir de décision démocratique :
a) les statuts de la personne morale mentionnent au minimum l'une des règles suivantes :
i) le principe selon lequel un membre de l'assemblée générale est égal à une voix;
ii) la limitation des droits de vote d'un participant personne physique à l'assemblée générale à maximum 10 % des parts présentes et représentées en assemblée générale, en ce compris les procurations et représentations.
b) les statuts ou le règlement d'ordre intérieur de l'assemblée générale de la personne morale mentionnent le nombre maximum de procurations par membre ou participant.
c) les statuts de la personne morale démontrent que le conseil d'administration est composé de quatre membres au moins ou de trois membres au moins pour les entreprises débutantes durant leur premier agrément;
d) les statuts ou le règlement d'ordre intérieur prévoit au moins l'une des mesures suivantes :
i) l'élection d'un administrateur ne représentant ni les pouvoirs publics ni des entreprises privées sans finalité sociale;
ii) la faculté pour les travailleurs de devenir membre, coopérateur ou actionnaire de la personne morale. La part sociale s'élève à un maximum de 150 euros;
e) l'inclusion dans le rapport d'activités d'un chapitre " Gouvernance démocratique " présentant l'évolution du nombre de membres, coopérateurs ou actionnaires, les modes de prises de décisions aux différents niveaux de la personne morale pour les principales décisions stratégiques, le taux de participation aux assemblées générales et le nombre de celles-ci.
3° pour démontrer une dynamique transparente et participative incluant les principales parties-prenantes concernées :
a) la publication sur le site web de la personne morale ou à défaut via l'affichage en interne de la liste des membres composant le conseil d'administration, leurs fonctions respectives ainsi qu'un organigramme reflétant l'organisation interne de la personne morale;
b) l'inscription dans le règlement d'ordre intérieur ou dans les statuts de la tenue un fois par an d'une réunion devant se dérouler durant les heures de travail à laquelle sont invités tous les membres du personnel ou associés actifs ainsi que les principales parties prenantes abordant notamment les thèmes suivants :
i) le développement économique et social en cours et futur de la personne morale;
ii) le bien-être au travail;
iii) une présentation du rapport d'activités et d'un résumé des comptes de la personne morale;
iv) la politique de gestion du personnel, le recrutement et la formation continue.
c) l'inclusion dans le chapitre " Gouvernance démocratique " du rapport d'activités de la description du processus de participation, des objectifs, de ses modalités et de sa mise en oeuvre durant l'année concernée
1° pour démontrer un degré élevé d'autonomie de gestion tant dans la stratégie que dans la gestion journalière :
a) l'inscription dans les statuts ou dans le règlement d'ordre intérieur d'un chapitre spécifique portant sur les droits et obligations des administrateurs organisant les réunions et la police du Conseil d'administration, définissant le rôle du président et des éventuels autres membres ainsi que les rapports avec l'assemblée générale et la direction quotidienne de la personne morale. Ce chapitre comprend notamment :
i) les principes de collégialité et de solidarité des administrateurs;
ii) le principe qu'un administrateur est en charge des intérêts de la personne morale et non de ses intérêts personnels ou de ceux des institutions qu'il représente ou qui l'ont mandaté;
iii) la manière dont sont réglés les conflits d'intérêts entre les administrateurs et la personne morale;
iv) la manière dont sont déterminées les rémunérations;
v) le principe de confidentialité des débats.
b) la composition du conseil d'administration et de l'assemblée générale inclut :
i) au maximum 49 % de représentants d'entreprises qui n'ont pas de finalité sociale explicite;
ii) au maximum 25 % de représentants de pouvoirs publics. Est considérée comme représentant des pouvoirs publics toute personne qui siège en vertu d'un mandat reçu sur base des statuts et/ou suite à un mandat résultant d'une délibération d'un pouvoir public ou parapublic.
2° pour démontrer un pouvoir de décision démocratique :
a) les statuts de la personne morale mentionnent au minimum l'une des règles suivantes :
i) le principe selon lequel un membre de l'assemblée générale est égal à une voix;
ii) la limitation des droits de vote d'un participant personne physique à l'assemblée générale à maximum 10 % des parts présentes et représentées en assemblée générale, en ce compris les procurations et représentations.
b) les statuts ou le règlement d'ordre intérieur de l'assemblée générale de la personne morale mentionnent le nombre maximum de procurations par membre ou participant.
c) les statuts de la personne morale démontrent que le conseil d'administration est composé de quatre membres au moins ou de trois membres au moins pour les entreprises débutantes durant leur premier agrément;
d) les statuts ou le règlement d'ordre intérieur prévoit au moins l'une des mesures suivantes :
i) l'élection d'un administrateur ne représentant ni les pouvoirs publics ni des entreprises privées sans finalité sociale;
ii) la faculté pour les travailleurs de devenir membre, coopérateur ou actionnaire de la personne morale. La part sociale s'élève à un maximum de 150 euros;
e) l'inclusion dans le rapport d'activités d'un chapitre " Gouvernance démocratique " présentant l'évolution du nombre de membres, coopérateurs ou actionnaires, les modes de prises de décisions aux différents niveaux de la personne morale pour les principales décisions stratégiques, le taux de participation aux assemblées générales et le nombre de celles-ci.
3° pour démontrer une dynamique transparente et participative incluant les principales parties-prenantes concernées :
a) la publication sur le site web de la personne morale ou à défaut via l'affichage en interne de la liste des membres composant le conseil d'administration, leurs fonctions respectives ainsi qu'un organigramme reflétant l'organisation interne de la personne morale;
b) l'inscription dans le règlement d'ordre intérieur ou dans les statuts de la tenue un fois par an d'une réunion devant se dérouler durant les heures de travail à laquelle sont invités tous les membres du personnel ou associés actifs ainsi que les principales parties prenantes abordant notamment les thèmes suivants :
i) le développement économique et social en cours et futur de la personne morale;
ii) le bien-être au travail;
iii) une présentation du rapport d'activités et d'un résumé des comptes de la personne morale;
iv) la politique de gestion du personnel, le recrutement et la formation continue.
c) l'inclusion dans le chapitre " Gouvernance démocratique " du rapport d'activités de la description du processus de participation, des objectifs, de ses modalités et de sa mise en oeuvre durant l'année concernée
Afdeling 3. - Criteria die aantonen dat de publieke initiatieven in sociaal ondernemerschap als bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk 2 van de ordonnantie de kenmerken van de principes toepassen
Section 3. - Critères démontrant la mise en oeuvre des caractéristiques des principes par les initiatives publiques d'économie sociale visées au chapitre 2 Section 2 de l'ordonnance
Onderafdeling 1. - De uitvoering van een economisch project
Sous-section 1. - La mise en oeuvre d'un projet économique
Art. 11. De uitvoering van een economisch project als bedoeld in artikel 8 van de ordonnantie moet aangetoond worden op basis van de volgende verplichte criteria :
1° om een doorlopende activiteit van productie van goederen en/of diensten aan tonen :
a) de opname in de statuten, de oprichtingsakte of de beslissing van de overheid tot oprichting van een dienst, structuur of entiteit van minstens één doorlopende activiteit van productie van goederen en/of diensten;
b) het bijhouden van een boekhouding volgens de minimumindeling van het algemene rekeningenstelsel conform het koninklijk besluit van 19 december 2003 betreffende de boekhoudkundige verplichtingen en de openbaarmaking van de jaarrekening van bepaalde verenigingen zonder winstoogmerk, internationale verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen of he koninklijk besluit van 12 september 1983 tot bepaling van de minimumindeling van een algemeen rekeningstelsel, of zoals voorzien in het minimum genormaliseerd rekeningstelsel vastgesteld door de overheid die de publiekrechtelijke rechtspersoon heeft opgericht;
c) uitgezonderd de publiekrechtelijke rechtspersonen bedoeld in artikel 7, § 2, 1, het voorleggen van de resultatenrekening van de laatste drie jaren, met uitzondering van de beginnende ondernemingen die hun plan voorstellen over drie jaar, en, in voorkomend geval, de resultatenrekeningen in hun bezit.
2° om een economisch levensvatbare activiteit aan te tonen, behalve voor de publiekrechtelijke rechtspersonen bedoeld in artikel 7, § 2, 1° en 2° van de ordonnantie :
a) de rechtspersoon maakt niet het voorwerp uit van een vrijwillige vereffening, juridische reorganisatie of faillissement;
b) het voorleggen van de resultatenrekening van de laatste drie jaren, uitgezonderd de beginnende ondernemingen die hun plan voorstellen over drie jaar, en, in voorkomend geval, de resultatenrekeningen in hun bezit;
3° om een minimumniveau van kwaliteitsvolle en duurzame bezoldigde arbeid te bepalen :
a) behalve voor beginnende ondernemingen moet het aantal werknemers minstens overeenstemmen met een voltijdsequivalent aangeworven voor onbepaalde tijd;
b) de opname in het hoofdstuk van het activiteitenverslag dat het economisch project betreft, van een sectie "tewerkstelling" die de evolutie van de tewerkstelling bij de onderneming beschrijft over de laatste twee jaar of sinds de meest recente erkenning in geval van verlenging, inclusief het aantal voltijdse equivalenten, de verhouding loonmassa/omzet, de uitsplitsing volgens soort arbeidsovereenkomst en het personeelsverloop. Deze sectie maakt het mogelijk te beoordelen hoe de onderneming werk laat primeren op kapitaal bij de verdeling van de inkomsten.
1° om een doorlopende activiteit van productie van goederen en/of diensten aan tonen :
a) de opname in de statuten, de oprichtingsakte of de beslissing van de overheid tot oprichting van een dienst, structuur of entiteit van minstens één doorlopende activiteit van productie van goederen en/of diensten;
b) het bijhouden van een boekhouding volgens de minimumindeling van het algemene rekeningenstelsel conform het koninklijk besluit van 19 december 2003 betreffende de boekhoudkundige verplichtingen en de openbaarmaking van de jaarrekening van bepaalde verenigingen zonder winstoogmerk, internationale verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen of he koninklijk besluit van 12 september 1983 tot bepaling van de minimumindeling van een algemeen rekeningstelsel, of zoals voorzien in het minimum genormaliseerd rekeningstelsel vastgesteld door de overheid die de publiekrechtelijke rechtspersoon heeft opgericht;
c) uitgezonderd de publiekrechtelijke rechtspersonen bedoeld in artikel 7, § 2, 1, het voorleggen van de resultatenrekening van de laatste drie jaren, met uitzondering van de beginnende ondernemingen die hun plan voorstellen over drie jaar, en, in voorkomend geval, de resultatenrekeningen in hun bezit.
2° om een economisch levensvatbare activiteit aan te tonen, behalve voor de publiekrechtelijke rechtspersonen bedoeld in artikel 7, § 2, 1° en 2° van de ordonnantie :
a) de rechtspersoon maakt niet het voorwerp uit van een vrijwillige vereffening, juridische reorganisatie of faillissement;
b) het voorleggen van de resultatenrekening van de laatste drie jaren, uitgezonderd de beginnende ondernemingen die hun plan voorstellen over drie jaar, en, in voorkomend geval, de resultatenrekeningen in hun bezit;
3° om een minimumniveau van kwaliteitsvolle en duurzame bezoldigde arbeid te bepalen :
a) behalve voor beginnende ondernemingen moet het aantal werknemers minstens overeenstemmen met een voltijdsequivalent aangeworven voor onbepaalde tijd;
b) de opname in het hoofdstuk van het activiteitenverslag dat het economisch project betreft, van een sectie "tewerkstelling" die de evolutie van de tewerkstelling bij de onderneming beschrijft over de laatste twee jaar of sinds de meest recente erkenning in geval van verlenging, inclusief het aantal voltijdse equivalenten, de verhouding loonmassa/omzet, de uitsplitsing volgens soort arbeidsovereenkomst en het personeelsverloop. Deze sectie maakt het mogelijk te beoordelen hoe de onderneming werk laat primeren op kapitaal bij de verdeling van de inkomsten.
Art. 11. La mise en oeuvre d'un projet économique visé à l'article 8 de l'ordonnance doit être démontrée sur base des critères suivants :
1° pour démontrer une activité continue de production de biens et/ou de services :
a) l'inscription dans les statuts, l'acte constitutif ou dans la décision de l'autorité publique créant un service, une structure ou une entité d'au moins une activité continue de production de biens et/ou de services;
b) la tenue d' une comptabilité selon le plan comptable minimum normalisé telle que prévue par l'arrêté royal du 19 décembre 2003 relatif aux obligations comptables et à la publicité des comptes annuels de certaines associations sans but lucratif, associations internationales sans but lucratif et fondations ou par l'arrêté royal du 12 septembre 1983 déterminant la teneur et la présentation d'un plan comptable minimum normalisé ou tels que prévus dans le plan comptable minimum normalisé arrêté par l'autorité publique qui a créé la personne morale de droit public;
c) à l'exception des personnes morales de droit public visées à l'article 7, § 2, 1, fournir les comptes de résultats des 3 dernières années, à l'exception des entreprises débutantes qui présentent leur plan financier sur trois années et les comptes des résultats en leur possession, le cas échant.
2° à l'exception des personnes morales de droit public visées à l'article 7, § 2, 1° et 2° de l'ordonnance, pour démontrer une activité économiquement viable :
a) la personne morale n'est, ni en liquidation volontaire, ni en redressement judiciaire, ni en faillite;
b) fournir les comptes de résultats des 3 dernières années, à l'exception des entreprises débutantes qui présentent leur plan financier sur trois années et les comptes des résultats en leur possession, le cas échant;
3° pour déterminer un niveau minimum de travail rémunéré de qualité et durable :
a) à l'exception des entreprises débutantes, le nombre de travailleurs doit être d'au moins un équivalent temps plein à durée indéterminée;
b) l'inclusion dans le chapitre relatif au projet économique du rapport d'activités d'une section " emploi " décrivant l'évolution du travail au sein de l'entreprise sur les deux dernières années, ou depuis le dernier agrément en cas de renouvellement, y compris le nombre d'équivalents temps plein, le ratio masse salariale/chiffre d'affaire, la répartition des types de contrats et le taux de rotation du personnel. Cette section permet d'apprécier la manière dont l'entreprise privilégie le travail sur le capital dans la répartition des revenus.
1° pour démontrer une activité continue de production de biens et/ou de services :
a) l'inscription dans les statuts, l'acte constitutif ou dans la décision de l'autorité publique créant un service, une structure ou une entité d'au moins une activité continue de production de biens et/ou de services;
b) la tenue d' une comptabilité selon le plan comptable minimum normalisé telle que prévue par l'arrêté royal du 19 décembre 2003 relatif aux obligations comptables et à la publicité des comptes annuels de certaines associations sans but lucratif, associations internationales sans but lucratif et fondations ou par l'arrêté royal du 12 septembre 1983 déterminant la teneur et la présentation d'un plan comptable minimum normalisé ou tels que prévus dans le plan comptable minimum normalisé arrêté par l'autorité publique qui a créé la personne morale de droit public;
c) à l'exception des personnes morales de droit public visées à l'article 7, § 2, 1, fournir les comptes de résultats des 3 dernières années, à l'exception des entreprises débutantes qui présentent leur plan financier sur trois années et les comptes des résultats en leur possession, le cas échant.
2° à l'exception des personnes morales de droit public visées à l'article 7, § 2, 1° et 2° de l'ordonnance, pour démontrer une activité économiquement viable :
a) la personne morale n'est, ni en liquidation volontaire, ni en redressement judiciaire, ni en faillite;
b) fournir les comptes de résultats des 3 dernières années, à l'exception des entreprises débutantes qui présentent leur plan financier sur trois années et les comptes des résultats en leur possession, le cas échant;
3° pour déterminer un niveau minimum de travail rémunéré de qualité et durable :
a) à l'exception des entreprises débutantes, le nombre de travailleurs doit être d'au moins un équivalent temps plein à durée indéterminée;
b) l'inclusion dans le chapitre relatif au projet économique du rapport d'activités d'une section " emploi " décrivant l'évolution du travail au sein de l'entreprise sur les deux dernières années, ou depuis le dernier agrément en cas de renouvellement, y compris le nombre d'équivalents temps plein, le ratio masse salariale/chiffre d'affaire, la répartition des types de contrats et le taux de rotation du personnel. Cette section permet d'apprécier la manière dont l'entreprise privilégie le travail sur le capital dans la répartition des revenus.
Onderafdeling 2. - Het nastreven van een sociaal doel
Sous-section 2. - La poursuite d'une finalité sociale
Art. 12. Het nastreven van een sociaal doel als bedoeld in artikel 9 van de ordonnantie moet worden aangetoond op grond van de volgende criteria :
1° de opname in de statuten, de oprichtingsakte of de beslissing van de overheid tot oprichting van een dienst, structuur of entiteit van een uitdrukkelijk sociaal doel, gericht op hetzij het belang van de gemeenschap hetzij van een specifieke groep mensen of de leden ervan;
2° de beschrijving in het activiteitenverslag, in het hoofdstuk met betrekking tot het sociaal doel, van de wijze waarop de eventuele winst worden besteed aan deze doelstelling, evenals van de duurzame productie en consumptiewijzen.
3° om een gematigde loonspanning aan te tonen, behalve voor de publiekrechtelijke rechtspersonen bedoeld in artikel 7, § 2, 1° van de ordonnantie :
a) de opname in de statuten van het principe van gematigde loonspanning, dat betrekking heeft op de verhouding tussen het hoogste en laagste aan het personeel van de rechtspersoon toegekende brutoloon, met inbegrip van de wettelijke en bovenwettelijke voordelen. De loonspanning bedraagt :
i) 1 tot maximaal 4 voor rechtspersonen met tot 50 werknemers;
ii) 1 tot maximaal 5 voor rechtspersonen met 51 tot 250 werknemers;
iii) 1 tot maximaal 6 voor rechtspersonen met meer dan 250 werknemers.
De berekening van de loonspanning wordt geanalyseerd op grond van een geanonimiseerde tabel die de minimum- en maximumlonen opneemt. Deze berekening gebeurt op basis van :
i) het brutoloon;
ii) de diverse voordelen van alle aard;
iii) voor de werkende vennoten worden bij de berekening de bruto emolumenten en alle in ii) bedoelde voordelen in aanmerking genomen.
b) de opname in de statuten of het huishoudelijke reglement van de algemene vergadering en de raad van bestuur van de wijze waarop financiële belangenconflicten worden beheerd.
1° de opname in de statuten, de oprichtingsakte of de beslissing van de overheid tot oprichting van een dienst, structuur of entiteit van een uitdrukkelijk sociaal doel, gericht op hetzij het belang van de gemeenschap hetzij van een specifieke groep mensen of de leden ervan;
2° de beschrijving in het activiteitenverslag, in het hoofdstuk met betrekking tot het sociaal doel, van de wijze waarop de eventuele winst worden besteed aan deze doelstelling, evenals van de duurzame productie en consumptiewijzen.
3° om een gematigde loonspanning aan te tonen, behalve voor de publiekrechtelijke rechtspersonen bedoeld in artikel 7, § 2, 1° van de ordonnantie :
a) de opname in de statuten van het principe van gematigde loonspanning, dat betrekking heeft op de verhouding tussen het hoogste en laagste aan het personeel van de rechtspersoon toegekende brutoloon, met inbegrip van de wettelijke en bovenwettelijke voordelen. De loonspanning bedraagt :
i) 1 tot maximaal 4 voor rechtspersonen met tot 50 werknemers;
ii) 1 tot maximaal 5 voor rechtspersonen met 51 tot 250 werknemers;
iii) 1 tot maximaal 6 voor rechtspersonen met meer dan 250 werknemers.
De berekening van de loonspanning wordt geanalyseerd op grond van een geanonimiseerde tabel die de minimum- en maximumlonen opneemt. Deze berekening gebeurt op basis van :
i) het brutoloon;
ii) de diverse voordelen van alle aard;
iii) voor de werkende vennoten worden bij de berekening de bruto emolumenten en alle in ii) bedoelde voordelen in aanmerking genomen.
b) de opname in de statuten of het huishoudelijke reglement van de algemene vergadering en de raad van bestuur van de wijze waarop financiële belangenconflicten worden beheerd.
Art. 12. La poursuite d'une finalité sociale visée à l'article 9 de l'ordonnance doit être démontrée sur base des critères suivants :
1° l'inscription dans les statuts, dans l'acte constitutif ou la décision d'autorité publique créant un service, une structure ou une entité d'une finalité sociale explicite visant soit l'intérêt de la collectivité soit d'un groupe spécifique de personnes ou de ses membres;
2° la description dans le rapport d'activité au chapitre relatif à la finalité sociale de la manière dont les bénéfices éventuels sont alloués à la réalisation de cette finalité ainsi que des modes de production et de consommation durables.
3° à l'exception des personnes morales de droit public visées à l'article 7, § 2, 1° de l'ordonnance, pour démontrer une tension salariale modérée :
a) l'inscription dans les statuts d'un principe de tension salariale modérée qui consiste en un rapport entre le plus élevé et le moins élevé des salaires bruts octroyés au personnel de la personne morale, en ce compris les avantages légaux et extralégaux. La tension salariale est :
i) de 1 à maximum 4 pour les personnes morales comptant jusqu'à 50 travailleurs;
ii) de 1 à maximum 5 pour les personnes morales comptant 50 à 250 travailleurs;
iii) de 1 à maximum 6 pour les personnes morales comptant plus de 250 travailleurs.
Le calcul de la tension salariale s'analyse sur base d'un tableau anonymisé reprenant les salaires minimums et maximums. Ce calcul intègre :
i) la rémunération brute;
ii) les avantages divers et de toutes natures;
iii) pour les associés actifs, le calcul intègre les émoluments bruts et tous les avantages visés au ii).
b) l'inscription dans les statuts ou dans le règlement d'ordre intérieur de l'assemblée générale et du conseil d'administration, de la manière dont les conflits d'intérêts financiers sont gérés.
1° l'inscription dans les statuts, dans l'acte constitutif ou la décision d'autorité publique créant un service, une structure ou une entité d'une finalité sociale explicite visant soit l'intérêt de la collectivité soit d'un groupe spécifique de personnes ou de ses membres;
2° la description dans le rapport d'activité au chapitre relatif à la finalité sociale de la manière dont les bénéfices éventuels sont alloués à la réalisation de cette finalité ainsi que des modes de production et de consommation durables.
3° à l'exception des personnes morales de droit public visées à l'article 7, § 2, 1° de l'ordonnance, pour démontrer une tension salariale modérée :
a) l'inscription dans les statuts d'un principe de tension salariale modérée qui consiste en un rapport entre le plus élevé et le moins élevé des salaires bruts octroyés au personnel de la personne morale, en ce compris les avantages légaux et extralégaux. La tension salariale est :
i) de 1 à maximum 4 pour les personnes morales comptant jusqu'à 50 travailleurs;
ii) de 1 à maximum 5 pour les personnes morales comptant 50 à 250 travailleurs;
iii) de 1 à maximum 6 pour les personnes morales comptant plus de 250 travailleurs.
Le calcul de la tension salariale s'analyse sur base d'un tableau anonymisé reprenant les salaires minimums et maximums. Ce calcul intègre :
i) la rémunération brute;
ii) les avantages divers et de toutes natures;
iii) pour les associés actifs, le calcul intègre les émoluments bruts et tous les avantages visés au ii).
b) l'inscription dans les statuts ou dans le règlement d'ordre intérieur de l'assemblée générale et du conseil d'administration, de la manière dont les conflits d'intérêts financiers sont gérés.
Onderafdeling 3. - Het voeren van een democratisch bestuur
Sous-section 3. - L'exercice d'une gouvernance démocratique
Art. 13. Het voeren van een democratisch bestuur als bedoeld in artikel 10 van de ordonnantie moet worden aangetoond op grond van de volgende criteria :
1° om een hoge graad van beheersautonomie aan te tonen in zowel het beleid als het dagelijks bestuur, behalve voor de publiekrechtelijke rechtspersonen bedoeld in artikel 7, § 2, 1° en 2° van de ordonnantie, de opname in het huishoudelijke reglement van de raad van bestuur van :
a) de rechten en plichten van de bestuurders;
b) de rol van de voorzitter en de eventuele overige leden, evenals de betrekkingen met de algemene vergadering en het dagelijkse bestuur van de rechtspersoon. Dit hoofdstuk bevat met name :
i) de manier waarop belangenconflicten tussen de bestuurders en de rechtspersoon worden beslecht;
ii) In voorkomend geval, de manier waarop de vergoedingen bepaald worden.
2° om een democratische beslissingsmacht aan te tonen, behalve voor de publiekrechtelijke rechtspersonen bedoeld in artikel 7, § 2, 1° en 2° van de ordonnantie :
a) de statuten van de rechtspersoon vermelden minstens een van de volgende niet louter op kapitaalbezit gebaseerde beslissingsregels :
i) het principe op grond waarvan een lid van de algemene vergadering gelijkstaat met één stem;
ii) de beperking van het stemrecht van een natuurlijke persoon die deelneemt aan de algemene vergadering tot 10 % van de in de algemene vergadering aanwezige en vertegenwoordigde aandelen, met inbegrip van de volmachten en vertegenwoordigingen.
b) De statuten van de rechtspersoon vermelden het maximumaantal volmachten per lid of deelnemer.
c) De aanwezigheid in de raad van bestuur van maximaal 75 % bestuurders die een overheid vertegenwoordigen.
3° om een transparante en participatieve dynamiek, waarbij de voornaamste belanghebbende partijen betrokken worden, aan te tonen :
a) publicatie op de website van de rechtspersoon of, bij ontstentenis daarvan, interne aanplakking van de lijst van de leden van de raad van bestuur of het daarmee overeenstemmend orgaan bij publiekrechtelijke rechtspersonen, hun respectieve functies en een organigram dat de interne organisatie van het publieke initiatief weerspiegelt;
b) de opname in de statuten, de oprichtingsakte of de beslissing van de overheid dat er eenmaal per jaar een vergadering wordt gehouden tijdens de werkuren waarop alle personeelsleden en de belangrijkste belanghebbende partijen worden uitgenodigd en waarop met name de volgende thema's worden behandeld :
i) de huidige en toekomstige economische en sociale ontwikkeling van het publieke initiatief;
ii) het welzijn op het werk;
iii) de voorstelling van het activiteitenverslag en een samenvatting van de rekeningen van het publieke initiatief in sociaal ondernemerschap;
iv) de politiek van personeelsmanagement, de rekrutering en de permanente vorming.
c) de omvatting in het activiteitenverslag, in het hoofdstuk met betrekking tot het democratische bestuur, van het participatieproces en van de doelstellingen en werking ervan, waarbij ook de toepassing tijdens het betrokken jaar aan bod komt.
1° om een hoge graad van beheersautonomie aan te tonen in zowel het beleid als het dagelijks bestuur, behalve voor de publiekrechtelijke rechtspersonen bedoeld in artikel 7, § 2, 1° en 2° van de ordonnantie, de opname in het huishoudelijke reglement van de raad van bestuur van :
a) de rechten en plichten van de bestuurders;
b) de rol van de voorzitter en de eventuele overige leden, evenals de betrekkingen met de algemene vergadering en het dagelijkse bestuur van de rechtspersoon. Dit hoofdstuk bevat met name :
i) de manier waarop belangenconflicten tussen de bestuurders en de rechtspersoon worden beslecht;
ii) In voorkomend geval, de manier waarop de vergoedingen bepaald worden.
2° om een democratische beslissingsmacht aan te tonen, behalve voor de publiekrechtelijke rechtspersonen bedoeld in artikel 7, § 2, 1° en 2° van de ordonnantie :
a) de statuten van de rechtspersoon vermelden minstens een van de volgende niet louter op kapitaalbezit gebaseerde beslissingsregels :
i) het principe op grond waarvan een lid van de algemene vergadering gelijkstaat met één stem;
ii) de beperking van het stemrecht van een natuurlijke persoon die deelneemt aan de algemene vergadering tot 10 % van de in de algemene vergadering aanwezige en vertegenwoordigde aandelen, met inbegrip van de volmachten en vertegenwoordigingen.
b) De statuten van de rechtspersoon vermelden het maximumaantal volmachten per lid of deelnemer.
c) De aanwezigheid in de raad van bestuur van maximaal 75 % bestuurders die een overheid vertegenwoordigen.
3° om een transparante en participatieve dynamiek, waarbij de voornaamste belanghebbende partijen betrokken worden, aan te tonen :
a) publicatie op de website van de rechtspersoon of, bij ontstentenis daarvan, interne aanplakking van de lijst van de leden van de raad van bestuur of het daarmee overeenstemmend orgaan bij publiekrechtelijke rechtspersonen, hun respectieve functies en een organigram dat de interne organisatie van het publieke initiatief weerspiegelt;
b) de opname in de statuten, de oprichtingsakte of de beslissing van de overheid dat er eenmaal per jaar een vergadering wordt gehouden tijdens de werkuren waarop alle personeelsleden en de belangrijkste belanghebbende partijen worden uitgenodigd en waarop met name de volgende thema's worden behandeld :
i) de huidige en toekomstige economische en sociale ontwikkeling van het publieke initiatief;
ii) het welzijn op het werk;
iii) de voorstelling van het activiteitenverslag en een samenvatting van de rekeningen van het publieke initiatief in sociaal ondernemerschap;
iv) de politiek van personeelsmanagement, de rekrutering en de permanente vorming.
c) de omvatting in het activiteitenverslag, in het hoofdstuk met betrekking tot het democratische bestuur, van het participatieproces en van de doelstellingen en werking ervan, waarbij ook de toepassing tijdens het betrokken jaar aan bod komt.
Art. 13. L'exercice d'une gouvernance démocratique visé à l'article 10 de l'ordonnance doit être démontré sur base des critères suivants :
1° à l'exception des personnes morales de droit public visées à l'article 7, § 2, 1° et 2° de l'ordonnance, pour démontrer un degré élevé d'autonomie de gestion journalière, l'inscription dans le règlement d'ordre intérieur du conseil d'administration :
a) des droits et obligations des administrateurs;
b) du rôle du président et des éventuels autres membres ainsi que les rapports avec l'assemblée générale et la direction quotidienne de la personne morale. Ce chapitre comprend notamment :
i) la manière dont sont réglés les conflits d'intérêts entre les administrateurs et la personne morale;
ii) le cas échéant, la manière dont sont déterminées les rémunérations.
2° à l'exception des personnes morales de droit public visées à l'article 7, § 2, 1° et 2° de l'ordonnance, pour démontrer un pouvoir de décision démocratique :
a) les statuts de la personne morale mentionnent au minimum l'une des règles de décision non-basées sur la seule détention de capital, suivantes :
i) le principe selon lequel un membre de l'assemblée générale est égal à une voix;
ii) la limitation des droits de vote d'un participant personne physique à l'assemblée générale à 10 % des parts présentes et représentées en assemblée générale, en ce compris les procurations et représentations.
b) Les statuts de la personne morale mentionnent le nombre maximum de procurations par membre ou participant.
c) La présence au conseil d'administration de maximum 75 % d'administrateurs représentants les pouvoirs publics.
3° pour démontrer une dynamique transparente et participative incluant les principales parties-prenantes concernées :
a) la publication sur le site web de la personne morale ou à défaut via l'affichage en interne de la liste des membres composant le conseil d'administration ou équivalent au sein des personnes morales de droit public, leurs fonctions respectives ainsi qu'un organigramme reflétant l'organisation interne de l'initiative publique;
b) l'inscription dans les statuts, dans l'acte constitutif ou la décision d'autorité publique de la tenue d'une fois par an d'une réunion devant se dérouler durant les heures de travail à laquelle sont invités tous les membres du personnel ainsi que les principales parties prenantes abordant notamment les thèmes suivants :
i) le développement économique et social en cours et futur de l'initiative publique;
ii) le bien-être au travail;
iii) la présentation du rapport d'activités et d'un résumé des comptes de l'initiative publique d'économie sociale;
iv) La politique de gestion du personnel, le recrutement et la formation continue.
c) l'inclusion dans le rapport d'activité au chapitre relatif à la gouvernance démocratique du processus de participation, de ses objectifs, de ses modalités et de sa mise en oeuvre durant l'année concernée.
1° à l'exception des personnes morales de droit public visées à l'article 7, § 2, 1° et 2° de l'ordonnance, pour démontrer un degré élevé d'autonomie de gestion journalière, l'inscription dans le règlement d'ordre intérieur du conseil d'administration :
a) des droits et obligations des administrateurs;
b) du rôle du président et des éventuels autres membres ainsi que les rapports avec l'assemblée générale et la direction quotidienne de la personne morale. Ce chapitre comprend notamment :
i) la manière dont sont réglés les conflits d'intérêts entre les administrateurs et la personne morale;
ii) le cas échéant, la manière dont sont déterminées les rémunérations.
2° à l'exception des personnes morales de droit public visées à l'article 7, § 2, 1° et 2° de l'ordonnance, pour démontrer un pouvoir de décision démocratique :
a) les statuts de la personne morale mentionnent au minimum l'une des règles de décision non-basées sur la seule détention de capital, suivantes :
i) le principe selon lequel un membre de l'assemblée générale est égal à une voix;
ii) la limitation des droits de vote d'un participant personne physique à l'assemblée générale à 10 % des parts présentes et représentées en assemblée générale, en ce compris les procurations et représentations.
b) Les statuts de la personne morale mentionnent le nombre maximum de procurations par membre ou participant.
c) La présence au conseil d'administration de maximum 75 % d'administrateurs représentants les pouvoirs publics.
3° pour démontrer une dynamique transparente et participative incluant les principales parties-prenantes concernées :
a) la publication sur le site web de la personne morale ou à défaut via l'affichage en interne de la liste des membres composant le conseil d'administration ou équivalent au sein des personnes morales de droit public, leurs fonctions respectives ainsi qu'un organigramme reflétant l'organisation interne de l'initiative publique;
b) l'inscription dans les statuts, dans l'acte constitutif ou la décision d'autorité publique de la tenue d'une fois par an d'une réunion devant se dérouler durant les heures de travail à laquelle sont invités tous les membres du personnel ainsi que les principales parties prenantes abordant notamment les thèmes suivants :
i) le développement économique et social en cours et futur de l'initiative publique;
ii) le bien-être au travail;
iii) la présentation du rapport d'activités et d'un résumé des comptes de l'initiative publique d'économie sociale;
iv) La politique de gestion du personnel, le recrutement et la formation continue.
c) l'inclusion dans le rapport d'activité au chapitre relatif à la gouvernance démocratique du processus de participation, de ses objectifs, de ses modalités et de sa mise en oeuvre durant l'année concernée.
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingsbepaling
CHAPITRE 4. - Disposition modificative
Art. 14. In artikel 12 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 9 juni 2016 houdende bepaling van de met het toezicht en de controle belaste overheden in werkgelegenheidsaangelegenheden en houdende nadere regels met betrekking tot de werking van deze overheden wordt een 5° ingevoegd, dat luidt als volgt :
"de ordonnantie van 23 juli 2018 met betrekking tot de erkenning en de ondersteuning van de sociale ondernemingen en de bijhorende uitvoeringsmaatregelen."
"de ordonnantie van 23 juli 2018 met betrekking tot de erkenning en de ondersteuning van de sociale ondernemingen en de bijhorende uitvoeringsmaatregelen."
Art. 14. Dans l'article 12 de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 9 juin 2016 déterminant les autorités chargées de la surveillance et du contrôle en matière d'emploi et portant des modalités relatives au fonctionnement de ces autorités, il est inséré un 5°, rédigé comme suit :
" l'ordonnance du 23 juillet 2018 relative à l'agrément et au soutien des entreprises sociales et de ses mesures d'exécution. "
" l'ordonnance du 23 juillet 2018 relative à l'agrément et au soutien des entreprises sociales et de ses mesures d'exécution. "
HOOFDSTUK 5. - Opheffingsbepaling
CHAPITRE 5. - Disposition abrogatoire
Art. 15. Het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 22 december 2004 tot uitvoering van de ordonnantie van 18 maart 2004 betreffende de erkenning en de financiering van de plaatselijke initiatieven voor de ontwikkeling van de werkgelegenheid en de inschakelingsondernemingen, gewijzigd bij de besluiten van 13 december 2007 en 24 september 2010, wordt opgeheven.
Art. 15. L'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 22 décembre 2004 portant exécution de l'ordonnance du 18 mars 2004 relative à l'agrément et au financement des initiatives locales de développement de l'emploi et des entreprises d'insertion, modifié par les arrêtés du 13 décembre 2007 et 24 septembre 2010, est abrogé.
HOOFDSTUK 6. - Overgangsbepaling
CHAPITRE 6. - Disposition transitoire
Art. 16. De rechtspersonen bedoeld in artikel 7, § 2 van de ordonnantie, die erkend zijn overeenkomstig de bepalingen van de ordonnantie van 18 maart 2004 betreffende de erkenning en de financiering van de plaatselijke initiatieven voor de ontwikkeling van de werkgelegenheid en de inschakelingsondernemingen, die de maximale loonspanning bedoeld in artikel 9, 3° overschrijden omwille van overeenkomsten gesloten voor de inwerkingtreding van de ordonnantie zijn vrijgesteld van de navolging van dit criterium tot en met het einde van de overeenkomsten die deze overschrijding veroorzaken.
Art. 16. Les personnes morales, visées à l'article 7, § 2, de l'ordonnance agréées conformément aux dispositions de l'ordonnance du 18 mars 2004 relative à l'agrément et au financement des initiatives locales de développement de l'emploi et des entreprises d'insertion, dépassant la tension salariale maximale visée à l'article 9, 3° du fait de contrats établis avant l'entrée en vigueur de l'Ordonnance sont exemptées du respect de ce critère jusqu'à la fin du ou des contrats causant ce dépassement.
HOOFDSTUK 7. - Slotbepalingen
CHAPITRE 7. - Dispositions finales
Art. 17. Treden in werking op 1 februari 2019 :
1° de ordonnantie van 23 juli 2018 met betrekking tot de erkenning en de ondersteuning van de sociale ondernemingen;
2° dit besluit.
1° de ordonnantie van 23 juli 2018 met betrekking tot de erkenning en de ondersteuning van de sociale ondernemingen;
2° dit besluit.
Art. 17. Entrent en vigueur le 1er février 2019 :
1° l'ordonnance du 23 juillet 2018 relative à l'agrément et au soutien des entreprises sociales;
2° le présent arrêté.
1° l'ordonnance du 23 juillet 2018 relative à l'agrément et au soutien des entreprises sociales;
2° le présent arrêté.
Art. 18. De minister bevoegd voor Tewerkstelling wordt belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 18. Le Ministre qui a l'Emploi dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.