Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
18 JUNI 2018. - Wet houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 02-07-2018 en tekstbijwerking tot 02-10-2023)
Titre
18 JUIN 2018. - Loi portant dispositions diverses en matière de droit civil et des dispositions en vue de promouvoir des formes alternatives de résolution des litiges(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 02-07-2018 et mise à jour au 02-10-2023)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
TITEL 1. - Algemene bepaling TITEL 2. - Modernisering van de burgerlijke stand HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het Burgerlijk W... HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het Gerechtelijk... HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het Wetboek Inte... HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van de wet van 15 de... HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van het Consulair We... HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen van het Wetboek van ... HOOFDSTUK 7. - Wijzigingen van het Strafwetboek HOOFDSTUK 8. - Wijzigingen van het Wetboek van ... HOOFDSTUK 9. - Wijzigingen van de wet van 6 jul... HOOFDSTUK 9/1. [1 - Wijzigingen van de wet van ... HOOFDSTUK 10. - Overgangsbepalingen Afdeling 1. - Opname van papieren akten in de D... Afdeling 2. - Aangifte van geboorte, huwelijk, ... Afdeling 3. - Doorsturen van gegevens via de DABS Afdeling 4. - Verbetering van akten van de burg... Afdeling 5. [1 - Voornaamsverandering]1 Afdeling 6. [1 - Genealogische opzoekingen]1 Afdeling 7. [1 - Elektronische randmelding op ... HOOFDSTUK 11. - Opheffingsbepalingen HOOFDSTUK 12. - Inwerkingtreding TITEL 3. - Diverse wijzigingen inzake het naamr... HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van de wet van 15 me... HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het Wetboek der ... TITEL 4. - Diverse wijzigingen inzake het natio... HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het Wetboek van ... HOOFDSTUK 2. - Wijziging van het Gerechtelijk W... HOOFDSTUK 3. - Wijziging van het Wetboek der re... HOOFDSTUK 4. - Wijziging van het Wetboek van in... TITEL 5. - Diverse wijzigingen inzake adoptie TITEL 6. - Diverse wijzigingen inzake de wetgev... HOOFDSTUK 1. - Gewone mede-eigendom en gedwonge... HOOFDSTUK 2. - Gedwongen mede-eigendom van gebo... Afdeling 1. - Wijzigingen van het Burgerlijk We... Afdeling 2. - Wijziging van de hypotheekwet van... Afdeling 3. - Wijziging van het Gerechtelijk We... Afdeling 4. - Overgangsbepalingen Afdeling 5. [1 - Inwerkingtreding]1 TITEL 7. - Bepalingen tot uitvoering en aanvull... HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het Gerechtelijk... HOOFDSTUK 3. - Andere verduidelijkende en aanvu... TITEL 8. - Wijzigingen van boek III, titel XVII... TITEL 9. - Diverse wijzigingen van het Gerechte... HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het Gerechtelijk... HOOFDSTUK 2. - Wijziging van het Strafwetboek HOOFDSTUK 3. - Overgangsbepaling HOOFDSTUK 4. - Inwerkingtreding TITEL 10. - Wijzigingen van de wet van 31 janua...
Table des matières
TITRE 1er. - Disposition générale TITRE 2. - Modernisation de l'état civil CHAPITRE 1er. - Modifications du Code civil CHAPITRE 2. - Modifications du Code judiciaire CHAPITRE 3. - Modifications du Code de droit in... CHAPITRE 4. - Modifications de la loi du 15 déc... CHAPITRE 5. - Modifications du Code consulaire CHAPITRE 6. - Modifications du Code de la natio... CHAPITRE 7. - Modifications du Code pénal CHAPITRE 8. - Modifications du Code d'instructi... CHAPITRE 9. - Modifications de la loi du 6 juil... CHAPITRE 9/1. [1 - Modifications de la loi du 8... CHAPITRE 10. - Dispositions transitoires Section 1re. - De l'enregistrement des actes so... Section 2. - De la déclaration de naissance, de... Section 3. - De la transmission des données au ... Section 4. - De la rectification des actes de l... Section 5. [1 - Changement de prénoms]1 Section 6. [1 - Des recherches généalogiques]1 Section 7. [1 - Mention marginale électronique ... CHAPITRE 11. - Dispositions abrogatoires CHAPITRE 12. - Entrée en vigueur TITRE 3. - Dispositions diverses en matière de ... CHAPITRE 1er. - Modifications de la loi du 15 m... CHAPITRE 2. - Modifications du Code des droits ... TITRE 4. - Modifications diverses en matière de... CHAPITRE 1er. - Modifications du Code de la nat... CHAPITRE 2. - Modification du Code judiciaire CHAPITRE 3. - Modification du Code des droits d... CHAPITRE 4. - Modification du Code du droit int... TITRE 5. - Modifications diverses en matière d'... TITRE 6. - Modifications diverses concernant la... CHAPITRE 1. - Copropriété ordinaire et copropri... CHAPITRE 2. - Copropriété forcée d'immeubles et... Section 1re. - Modifications du Code civil Art.176. L'article 27 de la loi hypothécaire du... Art.178. L'article 591, 2° bis du Code judiciai... Art.179.[1 ...]1 TITRE 7. - Dispositions mettant en oeuvre et co... Art.180. Le présent titre vise à mettre en oeuv... Art.181. Dans l'article 552, § 2, alinéa 1er, d... Art.195. Pour l'application de l'article 10, pa... Art.202. Dans le livre III, titre XVII, chapitr... TITRE 9. - Modifications diverses du Code judic... Art.204. Dans l'article 298 du Code judiciaire,... Art.238. Dans le Code pénal, il est inséré un a... Art.239.Les membres de la commission fédérale d... Art.240. Les articles 215 à 221 et les articles... Art.241. L'article 3, alinéa 2, de la loi du 31...
Tekst (304)
Texte (304)
TITEL 1. - Algemene bepaling
TITRE 1er. - Disposition générale
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
TITEL 2. - Modernisering van de burgerlijke stand
TITRE 2. - Modernisation de l'état civil
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek
CHAPITRE 1er. - Modifications du Code civil
Art.2. De Inleidende titel van het Burgerlijk Wetboek wordt gewijzigd als volgt :
  1° artikel 2 wordt vernummerd tot artikel 1;
  2° artikel 6 wordt vernummerd tot artikel 2.
Art.2. Le Titre préliminaire du Code civil est modifié comme suit :
  1° l'article 2 est renuméroté en article 1er;
  2° l'article 6 est renuméroté en article 2.
Art.3. In boek I, titel I, van hetzelfde Wetboek worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het opschrift van hoofdstuk I wordt geschrapt;
  2° artikel 7 wordt vernummerd tot artikel 3;
  3° artikel 8 wordt vernummerd tot artikel 4;
  4° artikel 11 wordt vernummerd tot artikel 5;
  5° het opschrift van hoofdstuk II, van afdeling I en van afdeling II wordt geschrapt.
Art.3. Dans le livre Ier, titre Ier, du même Code, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'intitulé du chapitre Ier est supprimé;
  2° l'article 7 est renuméroté en article 3;
  3° l'article 8 est renuméroté en article 4;
  4° l'article 11 est renuméroté en article 5;
  5° les intitulés du chapitre II, de la section Ire et de la section II sont supprimés.
Art.4. Boek I, titel II, van hetzelfde Wetboek, dat de artikelen 34 tot 101 bevat, wordt vervangen als volgt :
  "TITEL 2. DE BURGERLIJKE STAND
  Hoofdstuk 1. Algemene principes van de burgerlijke stand
  Afdeling 1. Doelstellingen van de burgerlijke stand
  Art. 6. § 1. De burgerlijke stand heeft als voornaamste doelstellingen :
  - de rechtsfeiten en rechtshandelingen vast te stellen die de staat van een persoon bepalen of wijzigen;
  - de rechtzekerheid inzake de staat van de persoon te garanderen;
  - het bewijs van de staat van de persoon te verzekeren, door middel van de akten van de burgerlijke stand, en dit bewijs zorgvuldig te bewaren.
  § 2. De staat van een persoon is het geheel van bepaalde hoedanigheden van een persoon die zijn rechtspositie in de familie en in de maatschappij bepalen en die hem onderscheiden van de andere personen wat het bezit en de uitoefening van bepaalde rechten betreft.
  Afdeling 2. De ambtenaar van de burgerlijke stand
  Art. 7. Het college van burgemeester en schepenen is bevoegd voor het beheer van de burgerlijke stand.
  De burgemeester, of een hiertoe door het college aangeduide schepen, vervult de taak van ambtenaar van de burgerlijke stand. Hij zorgt in het bijzonder voor het nauwkeurig naleven van alle bepalingen in verband met de akten van de burgerlijke stand.
  Bij verhindering van de ambtenaar van de burgerlijke stand wordt deze tijdelijk vervangen door de burgemeester, een schepen of een raadslid in de volgorde van hun benoemingen.
  Art. 8. Wanneer binnengemeentelijke territoriale organen werden opgericht overeenkomstig artikel 41 van de Grondwet, kan het college van burgemeester en schepenen, in afwijking van artikel 7, één of meer schepenen aanwijzen voor de taak van de ambtenaar van de burgerlijke stand wanneer de burgemeester deze taak niet uitoefent, die elk voor één of meer binnengemeentelijke territoriale organen bevoegd zullen zijn.
  Art. 9. De ambtenaar van de burgerlijke stand kan voor alle taken inzake het opmaken van akten van burgerlijke stand, met inbegrip van het afleveren van afschriften en uittreksels ervan, een speciale schriftelijke machtiging verlenen aan één of meer beambten van het gemeentebestuur.
  Deze machtiging is niet mogelijk voor de opmaak van de akte van huwelijk.
  Art. 10. De consulaire ambtenaren, bij het Consulair Wetboek bevoegd verklaard inzake burgerlijke stand, zijn bevoegd voor de bediening van de burgerlijke stand onder de voorwaarden bepaald in het Consulair Wetboek.
  Art. 11. De officieren aangeduid door de minister van Defensie of door de hiertoe gedelegeerde autoriteit maken de akten van overlijden op van de personen van Belgische nationaliteit in dienst van de Belgische strijdkrachten, alsook van het personeel van Defensie van Belgische nationaliteit waarvan de aanwezigheid bij deze Strijdkrachten is vereist, overeenkomstig de bepalingen van dit Wetboek indien het, bij militaire operaties buiten het Belgisch grondgebied, onmogelijk is om een akte van overlijden op te stellen volgens de bepalingen van het Consulair wetboek.
  Art. 12. De ambtenaar van de burgerlijke stand of zijn gemachtigde mag geen akte van de burgerlijke stand opmaken die betrekking heeft op zichzelf, zijn echtgenoot of echtgenote, zijn wettelijk samenwonende partner, zijn bloedverwanten in de opgaande en in de nederdalende lijn of zijn bloedverwanten in de zijlijn tot de tweede graad.
  Artikel 7, derde lid, is in dit geval van toepassing.
  Art. 13. Tenzij de wet anders bepaalt, is de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand deze van :
  - de plaats van inschrijving in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister van de betrokkene, de betrokkenen of één van hen; of bij gebrek hieraan,
  - de actuele verblijfplaats van de betrokkene, de betrokkenen of één van hen; of bij gebrek hieraan,
  - Brussel.
  Afdeling 3. De akten van de burgerlijke stand
  Art. 14. De akten van de burgerlijke stand zijn authentieke akten.
  De akten van de burgerlijke stand worden, behoudens wettelijke uitzonderingen, in gedematerialiseerde vorm opgemaakt in de Databank Akten Burgerlijke Stand (afgekort DABS).
  Ze worden bewaard via een gekwalificeerde dienst van elektronische archivering, beoogd in artikel I.18, 18°, van het Wetboek van economisch recht en beantwoorden aan de voorwaarden van boek XII, titel 2 van hetzelfde wetboek.
  Indien het door uitzonderlijke omstandigheden onmogelijk is om een akte in gedematerialiseerde vorm op te maken, maakt de ambtenaar van de burgerlijke stand in de plaats hiervan een proces-verbaal op. Van zodra mogelijk maakt de ambtenaar van de burgerlijke stand een akte in gedematerialiseerde vorm op. Het proces-verbaal wordt als bijlage in de DABS opgenomen. Het op papier opgemaakte proces-verbaal wordt bewaard door de ambtenaar van de burgerlijke stand die de akte heeft opgemaakt, tot op het ogenblik van de overdracht van het proces-verbaal aan het [1 Algemeen Rijksarchief en Rijksarchief in de Provinciën]1.
  Art. 15. De bijlagen worden slechts in de DABS gevoegd, bij de akten van de burgerlijke stand waarop ze betrekking hebben, wanneer de wet dit uitdrukkelijk vermeldt en voor zover ze niet beschikbaar zijn in een andere authentieke bron.
  Indien de partijen bijlagen hebben overgelegd aan de ambtenaar van de burgerlijke stand, worden de originelen van deze bijlagen aan hen teruggeven.
  Art. 16. De ambtenaar van de burgerlijke stand vermeldt in de akten die hij opmaakt niets anders dan wat hem door de partijen moet worden verklaard en wat hem door de wet wordt opgelegd.
  Art. 17. De personen waarop de akte betrekking heeft of die betrokken zijn bij de totstandkoming ervan zijn verplicht de ambtenaar van de burgerlijke stand alle informatie mee te delen die de ambtenaar nodig heeft om de akte op te maken, voor zover deze informatie niet beschikbaar is in een andere authentieke bron.
  Art. 18. § 1. De ambtenaar van de burgerlijke stand tekent de door hem opgemaakte of, overeenkomstig afdeling 6, gewijzigde akten, tenzij de wet anders bepaalt.
  § 2. Onverminderd het artikel 1317, bestaat de handtekening uit een handgeschreven handtekening, of een gekwalificeerde elektronische handtekening, als bedoeld in artikel 3.12 van verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG.
  Art. 19. Door de ondertekening van de in artikel 18, § 1, bedoelde akten waarborgt de ambtenaar van de burgerlijke stand :
  - de juiste verbinding van die akten met de akten waarop deze akten betrekking hebben, van de betrokkene of, in voorkomend geval, van zijn afstammelingen tot de eerste graad, en
  - de wijziging van de akten waarop deze akten betrekking hebben, van de betrokkene of, in voorkomend geval, van zijn afstammelingen tot de eerste graad,
  tenzij de wet anders bepaalt.
  De akten van de burgerlijke stand die de wijziging van de in het eerste lid bedoelde akten tot stand brengen zijn zichtbaar in de DABS.
  Art. 20. Er wordt niets bij afkorting in de akten van de burgerlijke stand vermeld.
  De data worden in cijfers uitgedrukt.
  Art. 21. De belanghebbende partijen kunnen zich bij alle akten, met uitzondering van de huwelijksakte, laten vertegenwoordigen door een lasthebber door middel van een bijzondere en authentieke volmacht.
  De volmacht wordt als bijlage in de DABS opgenomen.
  Art. 22. De ambtenaar van de burgerlijke stand kan de akte voorlezen. In elk geval wordt de akte voorgelezen op verzoek van één van de verschijnende partijen.
  Afdeling 4. Bewijskracht van akten van de burgerlijke stand
  Art. 23. Enkel de akten van de burgerlijke stand gelden als enige bewijs van de staat van de persoon, tenzij de wet het anders bepaalt.
  Enkel de processen-verbaal als bedoeld in de artikelen 14, vierde lid, 47 en 57 gelden als enige bewijs van de staat van de persoon, zolang er op basis hiervan geen akte van de burgerlijke stand werd opgemaakt.
  Art. 24. De na de inwerkingtreding van de wet van 18 juni 2018 houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing in de DABS opgenomen akten, alsook de afschriften en uittreksels daarvan, gelden tot bewijs van valsheid in geschrifte.
  Art. 25. § 1. De in gedematerialiseerde vorm in de DABS opgenomen akten van de burgerlijke stand op basis van de vóór de inwerkingtreding van de wet van 18 juni 2018 houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing op papier opgemaakte akten, gelden tot bewijs van het tegendeel.
  De oorspronkelijke papieren akten gelden tot bewijs van valsheid in geschrifte.
  In geval van tegenstrijdigheid tussen een oorspronkelijke papieren akte en dezelfde, in gedematerialiseerde vorm in de DABS opgenomen akte, heeft de oorspronkelijke papieren akte voorrang op deze laatste.
  § 2. De in gedematerialiseerde vorm in de DABS opgenomen akten van de burgerlijke stand op basis van op papier opgemaakte processen-verbaal als bedoeld in de artikelen 14, vierde lid, 47 en 57 gelden tot bewijs van het tegendeel.
  De oorspronkelijke op papier opgemaakte processen-verbaal als bedoeld in de artikelen 14, vierde lid, 47 en 57 gelden tot bewijs van valsheid in geschrifte.
  Art. 26. Indien een akte van de burgerlijke stand vernietigd of verloren is gegaan, kan de akte vervangen worden overeenkomstig artikel 35.
  De vernietiging of het verlies en de inhoud van de akte kunnen bewezen worden door geschriften, door andere authentieke bronnen of door getuigen.
  Art. 27. Elke persoon kan de vervangende akte van de burgerlijke stand aan elke verzoekende overheid overleggen, indien hij aantoont dat hij nog steeds in de onmogelijkheid verkeert de betrokken akte van de burgerlijke stand te verkrijgen, voor zover de juistheid van de erin vervatte gegevens niet wordt weerlegd.
  Afdeling 5. Uittreksels en afschriften
  Art. 28. § 1. Er kunnen zowel uittreksels als afschriften worden afgeleverd van de akten van de burgerlijke stand.
  § 2. Een uittreksel vermeldt de actuele gegevens van de akte, zonder de historiek van de staat van de persoon op wie de akte betrekking heeft.
  Een afschrift vermeldt de oorspronkelijke gegevens van de akte en de historiek van de staat van de persoon op wie de akte betrekking heeft.
  Afschriften vermelden, in voorkomend geval, de basis voor de opmaak van de akte zoals bepaald in artikel [1 41, § 1, 5°]1.
  [1 § 3. Voor akten van de burgerlijke stand opgemaakt op basis van een buitenlandse akte vermeldt een afschrift de oorspronkelijke gegevens van de Belgische akte op basis van een buitenlandse akte, de afdruk van de in gedematerialiseerde vorm in de DABS als bijlage opgenomen buitenlandse akte en, in voorkomend geval, de beëdigde vertaling ervan en de metadata van de wijzigingen van deze akte.]1
  Art. 29. § 1. [1 Eenieder heeft recht op een uittreksel of afschrift van:
   - akten van overlijden van meer dan vijftig jaar oud;
   - akten van huwelijk van meer dan vijfenzeventig jaar oud;
   - anderen akten van meer dan honderd jaar oud.]1

  De persoon op wie de akte betrekking heeft, zijn echtgenoot of echtgenote, zijn wettelijk samenwonende, zijn wettelijke vertegenwoordiger, zijn bloedverwanten in de opgaande of nederdalende lijn, zijn erfgenamen, hun notaris en hun advocaat hebben recht op een uittreksel of afschrift van akten [1 bedoeld in het eerste lid van respectievelijk minder dan vijftig, vijfenzeventig en honderd jaar oud]1.
  Voor akten die gewijzigd werden met toepassing van Titel IV/1 of met toepassing van artikel 1385quaterdecies, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek wordt het recht op een afschrift beperkt tot de persoon op wie de akte betrekking heeft, zijn wettelijke vertegenwoordiger, zijn erfgenamen, hun notaris en hun advocaat.
  § 2 Uittreksels en afschriften worden afgeleverd door de ambtenaar van de burgerlijke stand die erom wordt verzocht dan wel elektronisch via de DABS.
  De uittreksels en afschriften worden bij aflevering voorzien van een elektronisch zegel, zoals voorzien in artikel 3.27 van de verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG.
  De Koning stelt vast door wie en op welke wijze de afschriften en uittreksels voor akten [1 bedoeld in § 1, eerste lid, van respectievelijk meer dan vijftig, vijfenzeventig en honderd jaar oud]1 worden afgeleverd.
  § 3. De uittreksels en afschriften bestemd om in het buitenland te worden gebruikt, worden, voor zover vereist, gelegaliseerd door de minister van Buitenlandse Zaken of door de door hem gemachtigde ambtenaar.
  § 4. De uittreksels en afschriften vermelden de gegevens zoals voorzien in de modellen die hiertoe door de Koning worden bepaald.
  § 5. De uittreksels en afschriften vermelden de datum van afgifte en worden geauthentificeerd door het elektronisch zegel van de DABS.
  Art. 30. § 1. Voor akten van de burgerlijke stand opgemaakt vóór de inwerkingtreding van de wet van 18 juni 2018. houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing neemt een afschrift van een akte de vorm aan van een afdruk van de in gedematerialiseerde vorm in de DABS opgenomen oorspronkelijke akte met de hierop aangebrachte randmeldingen en de metadata van de wijzigingen van deze akte na inwerkingtreding van die wet.
  § 2. Voor akten van de burgerlijke stand opgemaakt vóór de inwerkingtreding van de wet van 18 juni 2018 houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing worden de uittreksels opgemaakt op dezelfde wijze als deze afgeleverd voor akten opgemaakt na de inwerkingtreding van deze wet.
  § 3. Wanneer het afgeleverde uittreksel of afschrift op basis van een op papier opgemaakte akte voor de inwerkingtreding van deze wet niet wordt aanvaard of wanneer het wordt betwist voor het doel waartoe het dient, wordt een uittreksel of afschrift afgeleverd op basis van het papieren register met toevoeging van de bijwerkingen op de akte in de DABS.
  Afdeling 6. Wijzigingen van akten van de burgerlijke stand ten gevolge van een rechterlijke beslissing die de akte verbetert of de afstamming wijzigt of vaststelt of ten gevolge van de verbetering van een materiële vergissing
  Art. 31. § 1. In geval een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing een wijziging van één of meerdere akten van de burgerlijke stand tot gevolg heeft, en voor zover hiervan geen akte van de burgerlijke stand kan worden opgemaakt zoals bepaald in hoofdstuk 2, maakt de bevoegde ambtenaar de gewijzigde akte of akten op.
  Indien het een Belgische rechterlijke beslissing betreft, stuurt de griffier onmiddellijk de gegevens nodig voor de wijziging via de DABS naar de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand en neemt de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing als bijlage op in de DABS.
  De gewijzigde akte vermeldt :
  1° de rechterlijke instantie die de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing heeft uitgesproken en de datum van de uitspraak;
  2° de aard van het beschikkend gedeelte van de rechterlijke beslissing, met name of het gaat om :
  a) een betwisting van de afstamming en/of vaststelling van een afstammingsband;
  b) een verbetering van een akte;
  c) een naams- of voornaamsverandering.
  § 2. De bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand die een akte of akten van de burgerlijke stand verbetert overeenkomstig artikel 33, maakt onmiddellijk de gewijzigde akte of akten op ten gevolge van de verbetering.
  De gewijzigde akte vermeldt de verbetering van de akte.
  § 3. De ambtenaar van de burgerlijke stand tekent de gewijzigde akte of akten.
  Afdeling 7. Meldingen op akten van de burgerlijke stand
  Art. 32. § 1. De meldingen bedoeld in de artikelen 122, vierde lid, 134, vierde lid, 193ter, derde lid, 330/3, § 2, derde lid, 370/7, tweede lid, en 370/8, tweede lid, en de meldingen bedoeld in de artikelen 1275, § 2, tweede lid, en 1303, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, in artikel 391octies, § 4, tweede lid, van het Strafwetboek, en in artikel 79quater, § 4, tweede lid, en § 6, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, worden onder verantwoordelijkheid van het beheerscomité als bedoeld in artikel 73, § 1, opgemaakt en verbonden met de akten waarop ze betrekking hebben.
  De melding wordt ondertekend door een elektronisch zegel, zoals voorzien in artikel 3.27 van de verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG.
  § 2. De meldingen bevatten :
  1° de vermelding van de basis bedoeld in artikel 41, § 1, 5°, a) en c);
  2° het aktenummer van de akte waarop de melding betrekking heeft;
  3° in het geval van een vergunning tot naamsverandering : de gegevens bedoeld in [1 artikel 63, 1°, 2° en 4°]1;
  4° in het geval van een echtscheiding : de gegevens bedoeld in [1 artikel 64, 1° en 3°]1.
  Afdeling 8. Verbetering van akten van de burgerlijke stand
  Onderafdeling 1. Verbetering door de ambtenaar van de burgerlijke stand
  Art. 33. § 1. [1 De bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand of de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats van opmaak van de akte die een materiële vergissing vaststellen op een akte van de burgerlijke stand,]1 op basis van een authentieke akte of officieel attest, verbetert deze akte van de burgerlijke stand.
  De ambtenaar van de burgerlijke stand gaat na of de akten die de materiële vergissing staven beschikbaar zijn in de DABS.
  Indien de akten niet beschikbaar zijn in de DABS verzoekt hij, voor akten die in België werden opgemaakt of in België werden overgeschreven vóór de inwerkingtreding van de wet van 18 juni 2018 houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing, de ambtenaar van de burgerlijke stand die de akte heeft opgemaakt of overgeschreven tot opname van de akten in de DABS.
  In zoverre [1 de ambtenaar]1 van de burgerlijke stand niet beschikt over de officiële attesten, vraagt hij deze zelf op bij de bevoegde Belgische instanties of instellingen.
  Indien de ambtenaar van de burgerlijke stand niet over de documenten beschikt op basis van de voorgaande leden, legt de betrokkene de akten of officiële attesten die de materiële vergissing staven zelf voor.
  § 2. De [1 ambtenaar van de burgerlijke stand als bedoeld in § 1, eerste lid,]1 maakt de gewijzigde akte of akten van de burgerlijke stand ten gevolge van de verbetering op.
  De authentieke akte of het officiële attest, op basis waarvan de akte wordt verbeterd, wordt als bijlage in de DABS opgenomen.
  Art. 34. Een materiële vergissing houdt in dat een ambtenaar van de burgerlijke stand, bij de opmaak van een akte van de burgerlijke stand, bij vergissing een gegeven heeft opgenomen in deze akte dat niet volledig overeenstemt met de vermelding van dit gegeven op de authentieke akten of officiële attesten die hij op dat ogenblik in zijn bezit had.
  Onder een materiële vergissing wordt verstaan :
  - een schrijf- of typfout in namen en voornamen;
  - een fout in datum, plaats of uur van het rechtsfeit of de rechtshandeling die de akte vaststelt.
  Onderafdeling 2. Verbetering door de familierechtbank
  Art. 35. § 1. De persoon die een akte wil laten verbeteren of een ontbrekende akte wil laten vervangen overeenkomstig artikel 27 kan hiertoe een verzoekschrift indienen bij de familierechtbank.
  [1 De ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats van opmaak van de akte die deze akte wil laten verbeteren, kan hiertoe een verzoekschrift indienen bij de familierechtbank.
   De procureur des Konings vordert de verbetering van een akte bij de familierechtbank indien hij een fout in de akte vaststelt.]1

  § 2. De griffier van de kamer waar de zaak aan toebedeeld is, zendt het verzoekschrift over aan het openbaar ministerie. Na ontvangst van het advies van het openbaar ministerie roept de griffier de verzoeker, bij gerechtsbrief, op om te verschijnen op de door de voorzitter van de kamer vastgestelde zitting.
  § 3. De griffier stuurt de gegevens nodig voor de opmaak van de gewijzigde akte overeenkomstig afdeling 6 ten gevolge van de verbetering of voor de opmaak van de vervangende akte via de DABS onmiddellijk naar de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand en neemt de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing als bijlage op in de DABS.
  De bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand maakt onmiddellijk de gewijzigde akte of akten van de burgerlijke stand ten gevolge van de verbetering of de vervangende akte op.
  Afdeling 9. Aansprakelijkheid van en controle op de ambtenaar van de burgerlijke stand
  Art. 36. De ambtenaar van de burgerlijke stand is verantwoordelijk voor de door hem opgemaakte, verbeterde of gewijzigde akten van de burgerlijke stand.
  Art. 37. In geval van ernstige twijfel omtrent het opmaken van de akten van de burgerlijke stand kan de ambtenaar van de burgerlijke stand de procureur des Konings verzoeken hierover advies uit te brengen.
  Art. 38. Onder voorbehoud van de aansprakelijkheid van de operationele beheerder als bepaald in artikel 73, § 1, en de verantwoordelijke voor de verwerking van de persoonsgegevens bedoeld in artikel 73, § 2, is de ambtenaar van de burgerlijke stand burgerrechtelijk aansprakelijk voor het niet naleven van de in het kader van zijn functie opgelegde voorschriften, behoudens verhaal op de personen die hem verhinderd hebben deze voorschriften uit te voeren, indien daartoe grond bestaat.
  Art. 39. Elke onrechtmatige verandering en elke valsheid in de akten van de burgerlijke stand leveren grond op tot schadevergoeding aan de partijen, onverminderd de straffen voorzien in het Strafwetboek.
  Art. 40. De procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement waartoe de gemeente van de ambtenaar van de burgerlijke stand behoort die de akte heeft opgemaakt houdt toezicht op de naleving van de bepalingen inzake de burgerlijke stand. De ambtenaar van de burgerlijke stand brengt hem onmiddellijk op de hoogte van elke fout of onregelmatigheid die hij vaststelt.
  De procureur des Konings onderzoekt en vervolgt de door de ambtenaar van de burgerlijke stand in de uitoefening van zijn functie gepleegde inbreuken.
  Het College van procureurs-generaal kan richtlijnen uitvaardigen ter verduidelijking van de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde controle wordt uitgeoefend. Deze richtlijnen zijn bindend voor alle leden van het openbaar ministerie. De procureurs-generaal bij de hoven van beroep waken over de uitvoering van deze richtlijnen binnen hun rechtsgebied.
  Hoofdstuk 2. De verschillende akten van de burgerlijke stand
  Afdeling 1. Algemene bepaling
  Art. 41. § 1. De akten van de burgerlijke stand vermelden steeds :
  1° de naam, de voornaam en de handtekening van de ambtenaar van de burgerlijke stand of de overeenkomstig artikel 9 gemachtigde beambte, die de akte heeft opgemaakt;
  2° de datum van opmaak van de akte;
  3° de plaats van opmaak van de akte;
  4° het aktenummer;
  5° in voorkomend geval, de vermelding van de basis voor de opmaak van de akte, met name :
  a) de rechterlijke beslissing, alsook de rechterlijke instantie, de datum van de uitspraak, de datum van het in kracht van gewijsde treden ervan, en het identificatienummer van deze rechterlijke beslissing;
  b) het proces-verbaal, zoals voorzien in de artikelen 14, vierde lid, 47, 55, § 2 of 57;
  c) het koninklijk besluit, bedoeld in artikel 370/4, § 1, of artikel 370/8, alsook de datum ervan, en in voorkomend geval, de datum van publicatie in het Belgisch Staatsblad;
  d) de buitenlandse akte, alsook de autoriteit die de akte heeft opgemaakt en de datum en plaats van opmaak;
  e) de buitenlandse rechterlijke of administratieve beslissing, alsook de buitenlandse autoriteit die de beslissing heeft genomen [1 en de datum van de beslissing]1.
  De basis voor de opmaak van de akte wordt als bijlage in de DABS opgenomen.
  [1 De akten van de burgerlijke stand vermelden, voor zover nodig, de datum waarop het proces-verbaal, de beslissing of de akte op basis waarvan ze werden opgemaakt, uitwerking heeft.]1
  § 2. De personen op wie de akte betrekking heeft worden geïdentificeerd aan de hand van het identificatienummer toegekend in uitvoering van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een rijksregister van de natuurlijke personen of bij gebreke hiervan het identificatienummer toegekend in uitvoering van artikel 4 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid.
  Het identificatienummer maakt geen deel uit van de akte van de burgerlijke stand. Hoofdstuk 1, afdeling 8, is hierop niet van toepassing.
  § 3. De akten van de burgerlijke stand vermelden verder de gegevens zoals voorzien in dit hoofdstuk.
  Afdeling 2. De akten van geboorte
  Onderafdeling 1. De akte van geboorte
  Art. 42. De kennisgeving van de geboorte, met medisch attest, wordt gedaan aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de geboorteplaats, uiterlijk de eerst volgende werkdag na de geboorte door :
  1° in geval van geboorte in een ziekenhuis of andere verzorgingsinrichting, de verantwoordelijke van de inrichting of zijn afgevaardigde;
  2° in de overige gevallen de arts, vroedvrouw, de andere personen die bij de geboorte aanwezig waren of de persoon bij wie de geboorte heeft plaatsgehad.
  Art. 43. § 1. De vader of de meemoeder, en de moeder, of één van hen, doen de geboorteaangifte bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de geboorteplaats, binnen vijftien dagen na de geboorte. Is de laatste dag van die termijn een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, dan wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag.
  § 2. Indien er geen aangifte werd gedaan overeenkomstig § 1, of wanneer de ouders zich hiervan onthouden, maakt de ambtenaar van de burgerlijke stand de geboorteakte op, op basis van de kennisgeving bedoeld in artikel 42.
  § 3. De Koning kan de voorwaarden bepalen voor een elektronische aangifte van de geboorte.
  § 4. De ambtenaar van de burgerlijke stand maakt de akte van geboorte onmiddellijk op.
  Art. 44. De akte van geboorte vermeldt :
  1° de geboortedatum, de geboorteplaats, het uur van geboorte, het geslacht, de naam en de voornamen van het kind, hetzij, in de gevallen bedoeld in artikel 43, § 2, en artikel 45, de op het ogenblik van de opmaak van de akte beschikbare gegevens;
  2° de naam, de voornamen, de geboortedatum en de geboorteplaats van de moeder en van de vader, indien de afstamming langs vaderszijde vaststaat, of van de meemoeder, indien de afstamming langs haar zijde vaststaat;
  3° in voorkomend geval, het aktenummer van de akte van prenatale erkenning, of de erkenning door de vader of de meemoeder, met vermelding van :
  a) de toestemming van de personen bedoeld in artikel 329bis;
  b) de naam en de voornamen van de wettelijke vertegenwoordiger van het kind indien deze in de erkenning heeft toegestemd;
  c) de datum, plaats en autoriteit waar de toestemming werd gegeven, of de rechterlijke instantie, de datum en het identificatienummer van de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing waarin de toestemming werd vastgesteld.
  Onderafdeling 2. Akte van geboorte van een vondeling
  Art. 45. Elke persoon die een pasgeboren kind gevonden heeft, geeft hiervan onmiddellijk kennis aan de openbare hulpdiensten en deelt hen alle nuttige informatie hierover mee.
  De hulpdienst doet aangifte van de geboorte van de vondeling bij de ambtenaar van de burgerlijke stand.
  De ambtenaar van de burgerlijke stand maakt de akte van geboorte op. Het proces-verbaal van de politie wordt als bijlage opgenomen in de DABS.
  Art. 46. De akte van geboorte vermeldt in dit geval de gegevens bedoeld in artikel 44, 1°.
  Onderafdeling 3. Akte van geboorte in geval van geboorte aan boord van een schip of een luchtvaartuig
  Art. 47. § 1. In geval van geboorte tijdens een zeereis aan boord van een schip onder Belgische vlag, of tijdens de vlucht van een Belgisch luchtvaartuig, ontvangt de gezagvoerder persoonlijk de geboorteaangifte van de vader of de meemoeder en de moeder of één van hen, of, bij gebrek hieraan, van een persoon die bij de geboorte aanwezig was. Het kind wordt ingeschreven op de passagierslijst. De gezagvoerder maakt, van zodra mogelijk en uiterlijk bij het eerste aanleggen of de eerste landing, van de geboorteaangifte een proces-verbaal op dat de gegevens bedoeld in artikel 44 bevat.
  § 2. Indien de eerstvolgende aanlegplaats of landingsplaats in België is, bezorgt de gezagvoerder zo spoedig mogelijk het proces-verbaal aan de dichtstbijzijnde ambtenaar van de burgerlijke stand, die onmiddellijk een akte van geboorte opmaakt op basis van het proces-verbaal. Het proces-verbaal wordt als bijlage bij de akte van geboorte in de DABS opgenomen. Het op papier opgemaakte proces-verbaal wordt bewaard door de ambtenaar van de burgerlijke stand die de akte heeft opgemaakt tot op het ogenblik van de overdracht van het proces-verbaal aan het [1 Algemeen Rijksarchief en Rijksarchief in de Provinciën]1.
  § 3. Indien de eerstvolgende aanlegplaats of landingsplaats in het buitenland is, bezorgt de gezagvoerder zo spoedig mogelijk het proces-verbaal aan de consulaire beroepspost in wiens consulair ressort de haven of landingsplaats zich bevindt.
  Onderafdeling 4. - Gemeenschappelijke bepalingen
  Art. 48. Indien het geslacht van een kind onduidelijk is, kunnen de vader of de meemoeder en de moeder, of één van hen, aangifte doen van het geslacht binnen drie maanden na de geboorte, met voorlegging van een medisch attest.
  Art. 49. De ambtenaar van de burgerlijke stand die een akte van geboorte opmaakt van een kind van wie de afstamming ten aanzien van zijn ouders niet vaststaat of die een akte van de burgerlijke stand wijzigt ten gevolge van een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing waarbij een vordering betreffende de betwisting van de afstamming wordt toegewezen ten aanzien van de ouders of ten aanzien van de enige ouder met betrekking tot wie de afstamming vaststaat, notificeert dit binnen drie dagen elektronisch via de DABS aan de vrederechter bedoeld in artikel 390.
  De vervaldag is in de termijn begrepen. Is die dag echter een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, dan wordt de vervaldag uitgesteld tot de eerstvolgende werkdag.
  Afdeling 3. De akten van erkenning
  Onderafdeling 1. Akte van prenatale erkenning
  Art. 50. De akte van prenatale erkenning vermeldt :
  1° de naam, de voornamen, de geboortedatum en de geboorteplaats van de moeder;
  2° de naam, de voornamen, de geboortedatum, de geboorteplaats en de hoedanigheid van de erkenner;
  3° de toestemming van de moeder, met vermelding van de datum, plaats en autoriteit voor wie de toestemming werd gegeven, of de rechterlijke instantie, de datum en het identificatienummer van de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing waarin de toestemming werd vastgesteld. De rechterlijke beslissing wordt als bijlage in de DABS opgenomen.
  Onderafdeling 2. Akte van erkenning
  Art. 51. De akte van erkenning vermeldt :
  1° de naam, de voornamen, de geboortedatum en de geboorteplaats van het kind;
  2° de naam, de voornamen, de geboortedatum, de geboorteplaats, en, in voorkomend geval de overlijdensdatum en de overlijdensplaats van de ouder ten aanzien van wie de afstamming vaststond voor de erkenning;
  3° de naam, de voornamen, de geboortedatum en de geboorteplaats en de hoedanigheid van de erkenner;
  4° in voorkomend geval, de toestemming van de personen bedoeld in artikel 329bis of de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing waarin de vervangende toestemming of de machtiging tot erkenning werd vastgesteld, met vermelding van :
  a) de naam en de voornamen van de wettelijke vertegenwoordiger van het kind indien deze in de erkenning heeft toegestemd;
  b) de datum, plaats en autoriteit voor wie de toestemming werd gegeven, of de rechterlijke instantie, de datum en het identificatienummer van de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing waarin de vervangende toestemming of de machtiging tot erkenning werd vastgesteld;
  5° in voorkomend geval, de nieuwe naam en de verklaring van naamskeuze door de vader of de meemoeder en de moeder;
  6° in voorkomend geval, de nieuwe voornaam;
  7° in voorkomend geval, het feit dat de in artikel 329bis, § 3, bedoelde personen niet hebben toegestemd.
  Afdeling 4. Akte van verklaring van naamskeuze
  Art. 52. De akte van verklaring van naamskeuze vermeldt :
  1° de naam, de voornamen, de geboortedatum en de geboorteplaats van het kind of de kinderen op wie de verklaring betrekking heeft;
  2° de naam, de voornamen, de geboortedatum, en de geboorteplaats van de moeder en de vader of de meemoeder;
  3° de verklaring van naamskeuze door de ouders en de nieuwe naam van het kind of de kinderen;
  4° de wettelijke basis van de verklaring op basis waarvan de akte werd opgesteld.
  Afdeling 5. Akte van aanpassing van de registratie van het geslacht
  Art. 53. De akte van aanpassing van de registratie van het geslacht vermeldt :
  - de naam, de voornamen, de geboortedatum en de geboorteplaats van de betrokkene;
  - het nieuwe geslacht van de betrokkene.
  Afdeling 6. Akte van huwelijk
  Art. 54. De akte van huwelijk vermeldt :
  1° de naam, de voornamen, de geboortedatum en de geboorteplaats van de echtgenoten;
  2° de datum van het huwelijk;
  3° de door een echtgenoot gekozen naam na voltrekking van het huwelijk, overeenkomstig het recht van de Staat waarvan hij de nationaliteit heeft;
  4° in voorkomend geval, de naam, voornamen, de geboortedatum en geboorteplaats van de getuigen.
  Afdeling 7. Akten van overlijden
  Onderafdeling 1. Akte van overlijden
  Art. 55. § 1. De ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats van overlijden maakt onmiddellijk een akte van overlijden op, van zodra hem een overlijdensattest wordt voorgelegd dat werd opgesteld door de arts die het overlijden heeft vastgesteld.
  § 2. In geval van overlijden van een onbekend persoon, maakt de ambtenaar van de burgerlijke stand een proces-verbaal op dat alle informatie bevat die hij heeft kunnen inwinnen omtrent de overledene.
  Het proces-verbaal wordt als bijlage opgenomen bij de akte van overlijden in de DABS.
  Art. 56. De akte van overlijden vermeldt :
  1° de naam, de voornamen, de geboortedatum en geboorteplaats van de overledene, of, in geval het gaat om een onbekende, de op het ogenblik van de opmaak van de akte beschikbare gegevens;
  2° de plaats, de datum en het uur van het overlijden of het levenloos aantreffen.
  Onderafdeling 2. Akte van overlijden in geval van een overlijden aan boord van een schip of een luchtvaartuig
  Art. 57. § 1. In geval van overlijden tijdens een zeereis, aan boord van een schip onder Belgische vlag, of tijdens de vlucht van een Belgisch luchtvaartuig, maakt de gezagvoerder, van zodra mogelijk en uiterlijk bij het eerste aanleggen of de eerste landing, een proces-verbaal op dat de gegevens bedoeld in artikel 56 bevat. Het overlijden wordt vermeld op de passagierslijst.
  § 2. Indien de eerstvolgende aanlegplaats of landingsplaats in België is, bezorgt de gezagvoerder zo spoedig mogelijk het proces-verbaal aan de dichtstbijzijnde ambtenaar van de burgerlijke stand, die onmiddellijk een akte van overlijden opmaakt op basis van het proces-verbaal. Het proces-verbaal wordt als bijlage opgenomen. Het op papier opgemaakte proces-verbaal wordt bewaard door de ambtenaar van de burgerlijke stand die de akte heeft opgemaakt tot op het ogenblik van de overdracht van het proces-verbaal aan het [1 Algemeen Rijksarchief en Rijksarchief in de Provinciën]1.
  § 3. Indien de eerstvolgende aanlegplaats of landingsplaats in het buitenland gelegen is, bezorgt de gezagvoerder zo spoedig mogelijk het proces-verbaal aan de consulaire beroepspost in wiens consulair ressort de haven of landingsplaats zich bevindt.
  Onderafdeling 3. Akte van een levenloos kind
  Art. 58. [2 § 1. Wanneer een kind overleden is op het ogenblik van de vaststelling van de bevalling door de arts of de vroedvrouw na een zwangerschapsduur van honderdtachtig dagen te rekenen van de verwekking, maakt de ambtenaar van de burgerlijke stand een akte van een levenloos kind op, op basis van een medisch attest voorgelegd door een persoon die de inlichtingen kan meedelen welke vereist zijn voor het opmaken van de voornoemde akte.
   § 2. Wanneer een kind overleden is op het ogenblik van de vaststelling van de bevalling door de arts of de vroedvrouw na een zwangerschapsduur van honderdveertig dagen tot honderdnegenenzeventig dagen te rekenen van de verwekking, maakt de ambtenaar van de burgerlijke stand op basis van een medisch attest en op verzoek van de moeder of op verzoek van de vader of de meemoeder die is gehuwd met de moeder of die een prenatale erkenning heeft gedaan, of, op verzoek van de vader of de meemoeder die niet is gehuwd met de moeder noch het verwekt kind heeft erkend en met toestemming van de moeder, een akte van een levenloos kind op.
   § 3. Het kind dat overleden is op het ogenblik van de vaststelling van de bevalling door de arts of de vroedvrouw, heeft geen rechtspersoonlijkheid.
   De akte van een levenloos kind heeft geen rechtsgevolgen uitgezonderd deze uitdrukkelijk door de wet bepaald.]2

  Art. 59. [2 De akte van een levenloos kind vermeldt:
   1° de datum, de plaats, het uur van de bevalling en het geslacht van het kind;
   2° de zwangerschapsduur;
   3° de naam, de voornamen, de geboortedatum en de geboorteplaats van de moeder;
   4° de naam, de voornamen, de geboortedatum en de geboorteplaats van de vader of de meemoeder, die gehuwd is met de moeder of die een prenatale erkenning heeft gedaan, of, op zijn of haar verzoek en met toestemming van de moeder, de naam, de voornamen, de geboortedatum en de geboorteplaats van de vader of de meemoeder die niet gehuwd is met de moeder noch het verwekt kind heeft erkend;
   5° de voornamen van het kind, indien om de vermelding ervan wordt verzocht;
   6° de naam van het kind waarvan de moeder bevallen is na een zwangerschapsduur van honderdtachtig dagen te rekenen van de verwekking, indien om de vermelding ervan wordt verzocht.
   Voor de toekenning van de naam bedoeld in het eerste lid, 6°, zijn de artikelen 335 en 335ter van overeenkomstige toepassing.]2

  Onderafdeling 4. Gemeenschappelijke bepaling
  Art. 60. De ambtenaar van de burgerlijke stand die een akte van overlijden opmaakt van de enige ouder of adoptieve ouder van een minderjarige of van een persoon die optrad als voogd over een minderjarige, notificeert dit binnen drie dagen elektronisch via de DABS aan de vrederechter bedoeld in artikel 390.
  De ambtenaar van de burgerlijke stand die een akte van overlijden opmaakt, notificeert dit binnen drie dagen elektronisch via de DABS aan de in artikel 628, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde vrederechter, ingeval de overledene een krachtens artikel 492/1 beschermde persoon of zijn bewindvoerder was.
  De vervaldag is in de termijn begrepen. Is die dag echter een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, dan wordt de vervaldag uitgesteld tot de eerstvolgende werkdag.
  Afdeling 8. Akte van afwezigheid
  Art. 61. De akte van afwezigheid vermeldt de naam, de voornamen, de geboortedatum en de geboorteplaats van de afwezige.
  Afdeling 9. Akte van voornaamsverandering
  Art. 62. De akte van voornaamsverandering vermeldt :
  1° de naam, de voornaam of voornamen, de geboortedatum en de geboorteplaats van de betrokkene;
  2° de nieuwe voornaam of voornamen van de betrokkene.
  Afdeling 10. Akte van naamsverandering
  Art. 63. [1 De akte van naamsverandering vermeldt:
   1° de datum van het verzoek;
   2° de naam en de voornamen van de betrokkene;
   3° de geboortedatum en geboorteplaats van de betrokkene;
   4° de nieuwe naam van de betrokkene.]1

  Afdeling 11. Akte van echtscheiding
  Art. 64. [1 De akte van echtscheiding vermeldt:
   1° in voorkomend geval, het aktenummer van de Belgische huwelijksakte;
   2° de autoriteit die de huwelijksakte heeft opgemaakt en de datum en plaats van opmaak;
   3° de naam en de voornamen van de personen die uit de echt gescheiden zijn;
   4° de geboortedatum en geboorteplaats van de personen die uit de echt gescheiden zijn.]1

  Afdeling 12. Akte van adoptie
  Art. 65. De akte van adoptie vermeldt :
  1° de naam, de voornamen, de geboorteplaats en de geboortedatum van de adoptanten;
  2° de naam, de voornamen, de geboorteplaats en de geboortedatum van de geadopteerde;
  3° de nieuwe naam en, in voorkomend geval, de nieuwe voornaam van de geadopteerde na de adoptie;
  4° de vorm van adoptie : gewone of volle adoptie;
  5° in voorkomend geval, de datum van de erkenning van de buitenlandse adoptie door de federale centrale autoriteit.
  Afdeling 13. Akte van herroeping of herziening van adoptie, van nieuwe aanpassing van de geslachtsregistratie of van nietigverklaring
  Art. 66. De akte van herroeping of herziening van adoptie, van nieuwe aanpassing van de geslachtsregistratie of van nietigverklaring, vermeldt :
  1° het aktenummer van de akte waarop het betrekking heeft;
  2° de aard van het beschikkend gedeelte van de rechterlijke beslissing, met name of het gaat om :
  - een herroeping of herziening van een adoptie;
  - een nieuwe aanpassing van de geslachtsregistratie;
  - een nietigverklaring van een aanpassing van de registratie van het geslacht;
  - een nietigverklaring van een volledige akte;
  - een nietigverklaring van een volledige akte ten gevolge van een beslissing genomen op basis van artikel 463 van het Wetboek van strafvordering.
  Afdeling 14. Akten van Belgische nationaliteit
  Art. 67. § 1. De akten van nationaliteit bedoeld in de artikelen 15 en 22, § 4, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit vermelden :
  1° de naam, de voornamen, de geboortedatum en de geboorteplaats van de persoon op wie de akte betrekking heeft;
  2° de wettelijke basis van de verklaring op basis waarvan de akte werd opgesteld;
  3° in geval van nationaliteitstoekenning op basis van de artikelen 8, § 1, 2°, b), 9, 2°, b), en 11bis van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, de naam, de voornamen, de geboortedatum en de geboorteplaats van de verklaarder of verklaarders.
  § 2. De akte van vervallenverklaring van Belgische nationaliteit vermeldt de naam, de voornamen, de geboortedatum en de geboorteplaats van de persoon op wie de akte betrekking heeft.
  Afdeling 15. Akte opgemaakt op basis van een buitenlandse akte
  Art. 68. § 1. Iedere Belg, of zijn wettelijke vertegenwoordiger, kan de ambtenaar van de burgerlijke stand verzoeken om een akte van de burgerlijke stand, bedoeld in dit hoofdstuk, op te maken op basis van een buitenlandse akte van de burgerlijke stand die op hem betrekking heeft.
  Het verzoek kan gericht worden aan hetzij de ambtenaar van de burgerlijke stand van zijn plaats van inschrijving in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister, of bij gebrek hieraan, van zijn plaats van laatste inschrijving in één van deze registers, of bij gebrek hieraan, van Brussel.
  Ook de Procureur des Konings kan hierom verzoeken.
  § 2. De ambtenaar van de burgerlijke stand maakt een akte bedoeld in paragraaf 1 op indien hem een buitenlandse akte wordt voorgelegd bij de opmaak [1 of wijziging]1 van een akte van de burgerlijke stand.
  Art. 69. § 1. De akte van de burgerlijke stand op basis van een buitenlandse akte vermeldt uitsluitend de gegevens zoals voorzien in dit hoofdstuk [1 en die erkend kunnen worden overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Internationaal Privaatrecht]1.
  [1 Indien de buitenlandse akte een materiële vergissing zoals bedoeld in artikel 34 bevat, vastgesteld op basis van een in de DABS opgenomen akte, vermeldt de akte op basis van een buitenlandse akte de door de ambtenaar van de burgerlijke stand verbeterde of aangevulde gegevens van de buitenlandse akte.]1
  § 2. Een afschrift [1 of een uittreksel]1 van de buitenlandse akte en, in voorkomend geval, de beëdigde vertaling ervan, wordt als bijlage in de DABS opgenomen.
  Afdeling 16. Akte opgemaakt op basis van een buitenlandse rechterlijke of buitenlandse administratieve beslissing
  Art. 70. De ambtenaar van de burgerlijke stand maakt een akte van de burgerlijke stand, bedoeld in dit hoofdstuk, op basis van een buitenlandse in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing of van een buitenlandse definitieve administratieve beslissing op, voor zover deze een wijziging van de staat van een persoon tot gevolg heeft, en de staat niet gewijzigd kan worden op een akte van de burgerlijke stand overeenkomstig hoofdstuk 1, afdeling 6.
  Een afschrift van de buitenlandse rechterlijke beslissing of de buitenlandse administratieve beslissing en, in voorkomend geval, de beëdigde vertaling ervan, wordt als bijlage in de DABS opgenomen.
  Hoofdstuk 3. De databank voor de akten van de burgerlijke stand
  Afdeling 1. Algemene bepalingen
  Art. 71. In de DABS worden opgenomen :
  1° alle in gedematerialiseerde vorm opgemaakte akten van de burgerlijke stand, de wijzigingen van akten van de burgerlijke stand, de meldingen op akten van de burgerlijke stand en de door de wet vereiste bijlagen, voor zover deze niet beschikbaar zijn in een andere authentieke bron;
  2° alle administratieve bijwerkingen van de akten van de burgerlijke stand sinds de inwerkingtreding van de wet van 18 juni 2018 houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing;
  3° de metadata en de gedematerialiseerde kopieën van de door de gemeenten en Belgische consulaten opgenomen akten van de burgerlijke stand die op papier werden opgemaakt voor de inwerkingtreding van de wet van 18 juni 2018 houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing;
  4° de metadata en de gedematerialiseerde kopieën van de in toepassing van artikel 31 van het Wetboek van internationaal privaatrecht geregistreerde, geweigerde of erkende buitenlandse akten en rechterlijke beslissingen van de burgerlijke stand.
  De DABS geldt als authentieke bron voor alle akten opgemaakt na de inwerkingtreding van de wet van 18 juni 2018 houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing en de gegevens die erin zijn opgenomen.
  Art. 72. De DABS heeft tot taak :
  1° het ondersteunen van de ambtenaren van de burgerlijke stand en van de consulaire ambtenaren in hun wettelijke opdrachten inzake het opmaken en bijhouden van de akten en de registers van de burgerlijke stand;
  2° het als authentieke bron waarborgen van de opslag, bewaring en ter beschikkingstelling van alle in de DABS opgenomen akten van de burgerlijke stand, zonder te raken aan de wettelijke opdrachten van het Rijksregister als authentieke bron voor de identificatiegegevens van natuurlijke personen;
  3° het verzekeren van een dienstverlening aan de burgers, ongeacht waar ze zich bevinden;
  4° het vereenvoudigen van administratieve procedures door het verplicht hergebruik van de in de DABS beschikbare akten en gegevens;
  5° het ondersteunen van de rechterlijke orde bij de uitvoering van hun opdrachten;
  6° te voorzien in een uniform en centraal toezicht op het opmaken en bewaren van de akten en het afleveren van uittreksels en afschriften ervan;
  7° de uitvoering van de internationale verdragen en akkoorden op het gebied van de burgerlijke stand mogelijk te maken;
  8° het opmaken van globale en geanonimiseerde statistieken met betrekking tot de burgerlijke stand mogelijk te maken;
  9° het instaan voor de bewaring van de akten van de burgerlijke stand tot op het ogenblik van de overdracht ervan aan het [1 Algemeen Rijksarchief en Rijksarchief in de Provinciën]1;
  10° te voorzien in een gelijktijdige actualisatie van de gegevens van het Rijksregister op basis van de gegevens opgenomen in de DABS.
  Afdeling 2. Beheer van de DABS
  Art. 73. § 1. De DABS wordt, in opdracht van de Federale Overheidsdienst Justitie, opgericht bij de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken die verantwoordelijk is voor het operationeel beheer ervan, onverminderd de bevoegdheid van de minister van Justitie betreffende de burgerlijke stand.
  § 2. De Federale Overheidsdienst Justitie is de verantwoordelijke voor de verwerking van de gegevens in de DABS in de zin van [1 artikel 4, 7), van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG]1.
  Art. 74. § 1. De DABS wordt beheerd door het Beheerscomité DABS, hierna genoemd "beheerscomité".
  § 2. Het beheerscomité staat in voor de inrichting en het beheer van de DABS en bepaalt de noodzakelijke maatregelen om de onveranderlijkheid, de vertrouwelijkheid en de bewaring van de akten van de burgerlijke stand in de DABS te waarborgen.
  § 3. Het beheerscomité is samengesteld uit :
  1° negen vertegenwoordigers van de gemeentelijke overheden;
  2° twee vertegenwoordigers van de Federale Overheidsdienst justitie;
  3° een vertegenwoordiger van het College van het openbaar ministerie;
  4° een vertegenwoordiger van het College van de hoven en rechtbanken;
  5° twee vertegenwoordigers van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken;
  6° een vertegenwoordiger van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken;
  7° een vertegenwoordiger van het [1 Algemeen Rijksarchief en Rijksarchief in de Provinciën]1.
  § 4. Het beheerscomité wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de gemeentelijke overheden.
  § 5. De Koning bepaalt de nadere regels van de samenstelling en de werking van het beheerscomité.
  Art. 75. De Federale Overheidsdienst Justitie stelt een functionaris voor de gegevensbescherming aan voor de persoonsgegevens en de informatie die in het kader van deze wet worden verwerkt.
  Deze is meer bepaald belast met :
  1° het verstrekken van deskundige adviezen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de beveiliging van de persoonsgegevens en informatie en inzake hun verwerking;
  2° het informeren en adviseren van de Federale Overheidsdienst Justitie [1 ...]1 over haar verplichtingen binnen het kader van deze wet en binnen het algemeen kader van de bescherming van de gegevens en de privacy;
  3° het opstellen, het toepassen, het bijwerken en het controleren van een beleid inzake de beveiliging en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer;
  4° het vormen van het contactpunt voor de Gegevensbeschermingsautoriteit;
  5° de uitvoering van de andere opdrachten inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de beveiliging die door de Koning worden bepaald, na advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit.
  [1 Bij het uitoefenen van zijn opdrachten handelt de functionaris voor de gegevensbescherming volledig onafhankelijk. Hij brengt rechtstreeks verslag uit aan de Federale Overheidsdienst Justitie die het beheerscomité daarvan in kennis stelt, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van zijn opdrachten.]1
  De Koning kan, na advies van de Gegevens-beschermingsautoriteit, nadere regels volgens dewelke de functionaris voor de gegevensbescherming zijn opdrachten uitvoert, bepalen.
  Art. 76. De gegevens bedoeld in artikel 71, worden bewaard tot op het ogenblik van de overdracht ervan aan het [1 Algemeen Rijksarchief en Rijksarchief in de Provinciën]1.
  De Koning bepaalt, na advies te hebben ingewonnen van het beheerscomité, de nadere regels van deze overdracht.
  Art. 77. De Koning bepaalt, na het advies te hebben ingewonnen van het beheerscomité en de Gegevensbeschermingsautoriteit, de bijkomende nadere regels voor de inrichting en werking van de DABS.
  Afdeling 3. Toegang tot de DABS
  Art. 78. De gegevens van de DABS kunnen meegedeeld worden aan of zijn rechtstreeks toegankelijk voor de volgende personen, overheden of instellingen :
  1° de personen waarop de akte betrekking heeft, voor de akten die op hen betrekking hebben, of hun advocaat;
  2° de ambtenaren van de burgerlijke stand en de door hen gemachtigde beambten in het kader van de uitoefening van hun wettelijke opdrachten;
  3° de consulaire beambten in het kader van de uitoefening van hun wettelijke opdrachten;
  4° de magistraten, bij de rechtscolleges en hun griffies, in de uitoefening van hun ambt;
  5° de ambtenaren van de Dienst Naamsverandering, van de Federale Centrale Autoriteit Adoptie en van de Centrale autoriteit Burgerlijke Stand van de Federale Overheidsdienst Justitie in het kader van de uitoefening van hun wettelijke opdrachten;
  6° de notarissen, in de uitoefening van hun ambt;
  7° de parketten, in de uitoefening van hun ambt;
  8° [1 ...]1
  De personen, overheden of instellingen bedoeld in de bepalingen onder 2° tot 5° van het eerste lid beschikken zowel over lees- als schrijfrechten in de DABS. De personen, overheden of instellingen bedoeld in de bepalingen onder 1°, 6°, 7° en 8° hebben enkel leesrechten over de gegevens in de DABS. De Koning bepaalt de nadere regels voor de toegang voor deze overheden, instellingen en personen.
  De aanpassing van de registratie van het geslacht in de akten die gewijzigd werden met toepassing van titel IV/1 of met toepassing van artikel 1385quaterdecies, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek mag slechts geraadpleegd worden door de personen, overheden en instellingen bedoeld in de bepalingen onder 4° tot 8° van het eerste lid, voor zover wordt aangetoond dat dit noodzakelijk is om redenen die verband houden met de staat van de persoon.
  Art. 79. De Koning bepaalt, na het advies te hebben ingewonnen van de Gegevensbeschermingsautoriteit, op welke wijze akten raadpleegbaar zijn voor genealogische, historische of andere wetenschappelijke doeleinden.
  Art. 80. De Koning kan, op voordracht van het beheerscomité en na advies van de Gegevens-beschermingsautoriteit, andere categorieën van personen, overheden of instellingen aanduiden die toegang kunnen hebben tot de DABS onder de door hem bepaalde voorwaarden [1 en voor zover het voorleggen van de gegevens van de akten van de burgerlijke stand noodzakelijk is voor de uitvoering van hun wettelijke opdrachten]1.
  Art. 81. De overheden, de instellingen en de personen die gemachtigd zijn de gegevens van de DABS te raadplegen, met uitzondering van de personen bedoeld in artikel 78, 1°, mogen de betreffende gegevens niet meer opvragen via de betrokkene, een lokaal bestuur of om het even welk ander kanaal.
  Art. 82. § 1. Iedere belanghebbende en iedere gebruiker van de DABS kan bij het secretariaat van het beheerscomité de verbetering van elke onjuiste vermelding in een inschrijving of wijziging in de DABS vragen, alsook de verbetering van de in strijd met deze wet of haar uitvoeringsbesluiten aanvaarde inschrijvingen of wijzigingen. De DABS notificeert de vraag tot verbetering aan de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand. De ambtenaar van de burgerlijke stand verbetert de vermelding, de inschrijving of de wijziging, in voorkomend geval, overeenkomstig hoofdstuk 1, afdeling 8.
  § 2. Alle overheden en instellingen, die toegang hebben tot de gegevens van de DABS zijn gehouden, van zodra zij hetzij foutieve of het ontbreken van gegevens vaststellen in de DABS, hetzij vaststellen dat een inschrijving of wijziging niet is gebeurd, dit te melden aan het secretariaat van het beheerscomité.
  Art. 83. Hij die in welke hoedanigheid ook deelneemt aan de verzameling, de verwerking of de mededeling van de in artikel 71 bedoelde gegevens of kennis heeft van die gegevens, moet het vertrouwelijk karakter ervan in acht nemen.
  Artikel 458 van het Strafwetboek is op hen toepasselijk.".
  
Art.4. Le livre Ier, titre II, du même Code, qui comprend les articles 34 à 101, est remplacé par ce qui suit :
  "TITRE 2. DE L'ETAT CIVIL
  Chapitre 1er. Principes généraux de l'état civil
  Section 1re. Objectifs de l'état civil
  Art. 6. § 1er. L'état civil a pour objectifs principaux :
  - d'établir des faits et des actes juridiques qui fixent ou modifient l'état d'une personne;
  - d'assurer la sécurité juridique en matière d'état de la personne;
  - d'assurer la preuve de l'état de la personne, au moyen des actes de l'état civil, et de conserver soigneusement cette preuve.
  § 2. L'état d'une personne est constitué par l'ensemble des qualités d'une personne qui définissent sa situation juridique par rapport à sa famille et à la société et qui la distinguent des autres personnes en ce qui concerne la possession et l'exercice de certains droits.
  Section 2. De l'officier de l'état civil
  Art. 7. Le collège des bourgmestre et échevins est compétent pour la gestion de l'état civil.
  Le bourgmestre, ou l'échevin désigné à cet effet par le collège, remplit la tâche d'officier de l'état civil. Il veille particulièrement au respect scrupuleux de toutes les dispositions relatives aux actes de l'état civil.
  En cas d'empêchement de l'officier de l'état civil, celui-ci est remplacé temporairement par le bourgmestre, un échevin ou un membre du conseil dans leur ordre de nomination respectifs.
  Art. 8. Lorsque des organes territoriaux intracommunaux ont été créés conformément à l'article 41 de la Constitution, le collège des bourgmestre et échevins peut, par dérogation à l'article 7, désigner un ou plusieurs échevins qui seront compétents pour un ou plusieurs organes territoriaux intracommunaux, pour la tâche d'officier de l'état civil lorsque le bourgmestre ne l'exerce pas.
  Art. 9. L'officier de l'état civil peut octroyer une autorisation spéciale écrite à un ou plusieurs agents de l'administration communale pour toutes les tâches relatives à l'établissement d'actes de l'état civil, en ce compris la délivrance des copies et d'extraits d'actes.
  Cette autorisation n'est pas possible pour l'établissement de l'acte de mariage.
  Art. 10. Les fonctionnaires consulaires, déclarés compétents en matière d'état civil par le Code consulaire, sont compétents pour remplir la fonction d'officier de l'état civil, dans les conditions fixées par le Code consulaire.
  Art. 11. Lorsqu'il est impossible d'établir un acte de décès conformément aux dispositions du Code consulaire en cas d'opérations militaires en dehors du territoire belge, les actes de décès des personnes de nationalité belge au service des Forces armées belges, ainsi que du personnel de la Défense de nationalité belge dont la présence est requise auprès de ces Forces, sont établis, conformément aux dispositions du présent Code, par les officiers désignés par le ministre de la Défense ou l'autorité déléguée à cet effet.
  Art. 12. L'officier de l'état civil ou son délégué ne peut pas établir un acte de l'état civil qui se rapporte à lui-même, son époux ou épouse, son cohabitant légal, ses ascendants, ses descendants ou ses parents collatéraux jusqu'au deuxième degré.
  Dans ce cas, l'article 7, alinéa 3, s'applique.
  Art. 13. A moins que la loi n'en dispose autrement, l'officier de l'état civil compétent est celui :
  - du lieu d'inscription au registre de la population, au registre des étrangers ou au registre d'attente de l'intéressé, des intéressés ou de l'un d'entre eux; ou à défaut,
  - de la résidence actuelle de l'intéressé, des intéressés ou de l'un d'entre eux; ou à défaut,
  - de Bruxelles.
  Section 3. Des actes de l'état civil
  Art. 14. Les actes de l'état civil sont des actes authentiques.
  Sauf exceptions prévues par la loi, les actes de l'état civil sont établis sous forme dématérialisée dans la banque de données d'actes de l'état civil (abrégée BAEC).
  Ils sont conservés au moyen d'un service d'archivage électronique qualifié visé à l'article I.18, 18°, du Code de droit économique et répondant aux conditions du livre XII, titre 2, du même Code.
  Si en raison de circonstances exceptionnelles, il est impossible d'établir un acte sous forme dématérialisée, l'officier de l'état civil établit un procès-verbal. Dès que possible, l'officier de l'état civil établit un acte sous forme dématérialisée. Le procès-verbal est joint en annexe dans la BAEC. Le procès-verbal établi sur papier est conservé par l'officier de l'état civil qui a établi l'acte, jusqu'au moment du transfert du procès-verbal aux [1 Archives générales du Royaume et Archives de l'Etat dans les Provinces]1.
  Art. 15. Les annexes requises par la loi ne sont jointes aux actes de l'état civil auxquels elles se rapportent, dans la BAEC que lorsque la loi le mentionne explicitement et pour autant qu'elles ne soient pas disponibles auprès d'une autre source authentique.
  Si les parties ont remis des annexes à l'officier de l'état civil, les originaux de ces annexes leurs sont remis.
  Art. 16. L'officier de l'état civil ne mentionne rien d'autre dans les actes qu'il dresse que ce qui doit lui être déclaré par les parties et ce qui lui est imposé par la loi.
  Art. 17. Les personnes concernées par l'acte ou participant à son élaboration doivent communiquer à l'officier de l'état civil toutes les informations dont ce dernier a besoin pour établir l'acte, pour autant que ces informations ne soient pas disponibles dans une autre source authentique.
  Art. 18. § 1er. L'officier de l'état civil signe les actes établis ou modifiés par lui conformément à la section 6, à moins que la loi n'en dispose autrement.
  § 2. Sans préjudice de l'article 1317, la signature est soit une signature manuscrite soit une signature électronique qualifiée, visée à l'article 3.12. du règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE.
  Art. 19. Par la signature des actes visés à l'article 18, § 1er, l'officier de l'état civil garantit :
  - l'association correcte de ces actes avec les actes auxquels ils se rapportent, de la personne concernée ou, le cas échéant, de ses descendants jusqu'au premier degré, et
  - la modification des actes de la personne concernée ou, le cas échéant, de ses descendants jusqu'au premier degré auxquels ces actes se rapportent,
  à moins que la loi n'en dispose autrement.
  Les actes de l'état civil qui entraînent la modification des actes visés à l'alinéa 1er apparaîtront dans la BAEC.
  Art. 20. Il n'est rien énoncé par abréviation dans les actes de l'état civil.
  Les dates sont exprimées en chiffres.
  Art. 21. Exception faite pour les actes de mariage, les parties intéressées peuvent se faire représenter pour tous les actes par un fondé de procuration spéciale et authentique.
  La procuration est jointe en annexe dans la BAEC.
  Art. 22. L'officier de l'état civil peut donner lecture de l'acte. Il donne en tout cas lecture de l'acte à la demande d'une des parties comparantes.
  Section 4. De la valeur probante des actes de l'état civil
  Art. 23. Seuls les actes de l'état civil font preuve de l'état de la personne, à moins que la loi n'en dispose autrement.
  Seuls les procès-verbaux visés aux articles 14, alinéa 4, 47 et 57 font preuve de l'état de la personne, aussi longtemps qu'aucun acte de l'état civil n'est établi sur base de ceux-ci.
  Art. 24. Les actes enregistrés dans la BAEC après l'entrée en vigueur de la loi du 18 juin 2018 portant dispositions diverses en matière de droit civil et des dispositions en vue de promouvoir des formes alternatives de résolution des litiges, ainsi que leurs copies et extraits, font foi jusqu'à inscription de faux en écriture.
  Art. 25. § 1er. Les actes de l'état civil enregistrés dans la BAEC sous forme dématérialisée sur la base d'actes établis sur papier avant l'entrée en vigueur de la loi du 18 juin 2018 portant dispositions diverses en matière de droit civil et des dispositions en vue de promouvoir des formes alternatives de résolution des litiges, font foi jusqu'à preuve du contraire.
  Les actes originaux sur papier font foi jusqu'à inscription de faux en écriture.
  En cas de discordance entre un acte original sur papier et le même acte enregistré sous forme dématérilalisée dans la BAEC, l'acte original sur papier a priorité sur ce dernier.
  § 2. Les actes de l'état civil enregistrés dans la BAEC sous forme dématérialisée sur la base des procès-verbaux établis sur papier, visés aux articles 14, alinéa 4, 47 et 57, font foi jusqu'à preuve du contraire.
  Les procès-verbaux originaux sur papier, visés aux articles 14, alinéa 4, 47 et 57, font foi jusqu'à inscription de faux en écriture.
  Art. 26. Si un acte de l'état civil a été détruit ou perdu, l'acte peut être remplacé conformément à l'article 35.
  La preuve de la destruction ou de la perte et du contenu de l'acte peut être reçue par des écrits, d'autres sources authentiques ou par des témoins.
  Art. 27. Toute personne peut produire l'acte supplétif de l'état civil devant toute autorité requérante, s'il prouve qu'il demeure impossible de se procurer l'acte de l'état civil, et pour autant que l'exactitude des données qu'il contient ne soit pas réfutée.
  Section 5. Des extraits et copies
  Art. 28. § 1er. Tant des copies que des extraits des actes de l'état civil peuvent être délivrés.
  § 2. Un extrait mentionne les données actuelles de l'acte sans l'historique de l'état de la personne que l'acte concerne.
  Une copie mentionne les données originales de l'acte et l'historique de l'état de la personne que l'acte concerne.
  Les copies mentionnent, le cas échéant, la base sur laquelle l'acte est établi, conformément à l'article [1 41, § 1er, 5°]1.
  [1 § 3. Pour les actes de l'état civil établis sur la base d'un acte étranger, une copie mentionne les données originales de l'acte belge sur la base d'un acte étranger, l'impression de l'acte étranger enregistré dans la BAEC sous forme dématérialisée et, le cas échéant, sa traduction jurée et les métadonnées des modifications de cet acte.]1
  Art. 29. § 1er. [1 Toute personne a droit à un extrait ou une copie:
   - d'actes de décès de plus de cinquante ans;
   - d'actes de mariage de plus de septante-cinq ans;
   - d'autres actes de plus de cent ans.]1

  La personne que l'acte concerne, son époux ou son épouse, son cohabitant légal, son représentant légal, ses ascendants ou ses descendants, ses héritiers, leur notaire et leur avocat ont droit à un extrait ou une copie d'actes [1 visés à l'alinéa 1er de respectivement moins de cinquante, septante-cinq et cent ans]1.
  Pour les actes modifiés en application du Titre IV/1 ou en application de l'article 1385quaterdecies, § 3, du Code judiciaire, le droit à une copie est limité à la personne que l'acte concerne, son représentant légal, ses héritiers, leur notaire et leur avocat.
  § 2. Les extraits et les copies sont délivrés par l'officier de l'état civil à qui la demande a été adressée ou par voie électronique via la BAEC.
  Les extraits et des copies lors de la délivrance sont pourvus d'un cachet électronique, visé à l'article 3.27. du règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE.
  Le Roi détermine par qui des copies et extraits d'actes [1 visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, de respectivement plus de cinquante, septante-cinq et cent ans]1 peuvent être délivrés et leur mode de délivrance.
  § 3. Les extraits et les copies destinés à être utilisés à l'étranger sont, pour autant que cela soit exigé, légalisés par le ministre des Affaires étrangères ou le fonctionnaire délégué par lui.
  § 4. Les extraits et les copies mentionnent les données prévues dans les modèles fixés à cet effet par le Roi.
  § 5. Les extraits et les copies mentionnent la date de délivrance et sont authentifiés par le sceau électronique de la BAEC.
  Art. 30. § 1er. Pour les actes de l'état civil établis avant l'entrée en vigueur de la loi du 18 juin 2018 portant dispositions diverses en matière de droit civil et des dispositions en vue de promouvoir des formes alternatives de résolution des litiges, une copie d'un acte prend la forme d'une impression de l'acte original enregistré dans la BAEC sous forme dématérialisée avec les mentions marginales y apportées et les métadonnées des modifications de cet acte après l'entrée en vigueur de cette loi.
  § 2. Pour les actes de l'état civil établis avant l'entrée en vigueur de la loi du 18 juin 2018 portant dispositions diverses en matière de droit civil et des dispositions en vue de promouvoir des formes alternatives de résolution des litiges, les extraits sont délivrés de la même manière que pour les actes établis après l'entrée en vigueur de cette loi.
  § 3. Lorsque l'extrait ou la copie délivrés sur la base d'un acte établi sur papier avant l'entrée en vigueur de la présente loi n'est pas accepté ou lorsqu'il est contesté pour l'usage auquel il est destiné, un extrait ou une copie est délivré sur la base du registre papier accompagné des mises à jour de l'acte dans la BAEC.
  Section 6. Des modifications des actes de l'état civil suite à une décision judiciaire qui rectifie l'acte ou qui modifie ou établit la filiation, ou suite à la rectification d'une erreur matérielle
  Art. 31. § 1er. Lorsqu'une décision judiciaire passée en force de chose jugée a pour conséquence la modification d'un ou de plusieurs actes de l'état civil, et pour autant qu'un acte de l'état civil visé au chapitre 2 ne peut être établi, l'officier de l'état civil compétent établit le ou les actes modifiés.
  S'il s'agit d'une décision judiciaire belge, le greffier transmet immédiatement les données nécessaires à cette modification via la BAEC vers l'officier de l'état civil compétent et joint la décision judiciaire passée en force de chose jugée en tant qu'annexe dans la BAEC.
  L'acte modifié mentionne :
  1° l'instance judiciaire qui a prononcé la décision judiciaire passée en force de chose jugée et la date du prononcé;
  2° la nature du dispositif de la décision judiciaire, en particulier s'il s'agit :
  a) d'une contestation de la filiation et/ou de l'établissement d'un lien de filiation;
  b) d'une rectification d'un acte;
  c) d'un changement de nom ou de prénoms.
  § 2. L'officier de l'état civil qui rectifie un ou des actes de l'état civil conformément à l'article 33, établit immédiatement le ou les actes modifiés à la suite de la rectification.
  L'acte modifié mentionne la rectification de l'acte.
  § 3. L'officier de l'état civil signe le ou les actes modifiés.
  Section 7. Mentions aux actes de l'état civil
  Art. 32. § 1er. Les mentions visées aux articles 122, alinéa 4, 134, alinéa 4, 193ter, alinéa 3, 330/3, § 2, alinéa 3, 370/7, alinéa 2, et 370/8, alinéa 2, et les mentions visées aux articles 1275, § 2, alinéa 2, et 1303, alinéa 2, du Code judiciaire, à l'article 391octies, § 4, alinéa 2, du Code pénal, et à l'article 79quater, § 4, alinéa 2, et § 6, alinéa 2, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, sont établies et associées aux actes auxquelles elles se rapportent, sous la responsabilité du comité de gestion visé à l'article 73, § 1er.
  La mention est signée au moyen d'un cachet électronique, visé à l'article 3.27 du règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE.
  § 2. Les mentions comprennent :
  1° la mention de la base visée à l'article 41, § 1er, 5°, a) et c);
  2° le numéro d'acte de l'acte auquel la mention se rapporte;
  3° dans le cas d'une autorisation de changement de nom : les données visées à l'[1 article 63, 1°, 2° et 4°]1;
  4° dans le cas d'un divorce : les données visées à l'[1 article 64, 1° et 3°]1.
  Section 8. De la rectification des actes de l'état civil
  Sous-section 1re. De la rectification par l'officier de l'état civil
  Art. 33. § 1er. [1 L'officier de l'état civil compétent ou l'officier de l'état civil du lieu de l'établissement de l'acte, qui constatent une erreur matérielle dans un acte de l'état civil,]1 sur la base d'un acte authentique ou d'une attestation officielle, rectifie cet acte de l'état civil.
  L'officier de l'état civil vérifie si les actes qui confirment l'erreur matérielle sont disponibles dans la BAEC.
  Si les actes ne sont pas disponibles dans la BAEC, il invite, pour les actes établis ou transcrits en Belgique avant l'entrée en vigueur de la loi du 18 juin 2018 portant dispositions diverses en matière de droit civil et des dispositions en vue de promouvoir des formes alternatives de résolution des litiges, l'officier de l'état civil qui a établi ou transcrit l'acte à enregistrer les actes dans la BAEC.
  Dans la mesure où l'officier de l'état civil ne dispose pas des attestations officielles, il les réclame lui-même auprès des instances ou établissements belges compétents.
  Si l'officier de l'état civil n'obtient pas les documents sur base des alinéas précédents, la personne concernée produit elle-même les actes ou les attestations officielles qui confirment l'erreur matérielle.
  § 2. [1 L'officier de l'état civil visé au paragraphe 1er, alinéa 1er,]1 établit l'acte ou les actes de l'état civil modifiés à la suite de la rectification.
  L'acte authentique ou l'attestation officielle, sur la base desquels l'acte est rectifié, sont enregistrés en tant qu'annexe dans la BAEC.
  Art. 34. Une erreur matérielle implique que lors de l'établissement d'un acte de l'état civil, un officier de l'état civil a enregistré par erreur dans cet acte une donnée qui ne correspond pas entièrement à la mention de cette donnée sur les actes authentiques ou les attestations officielles dont il était en possession à ce moment-là.
  On entend par erreur matérielle :
  - une faute d'orthographe ou une faute de frappe dans les noms et prénoms;
  - une erreur relative à la date, le lieu ou l'heure du fait juridique ou de l'acte juridique établi par l'acte.
  Sous-section 2. De la rectification par le tribunal de la famille
  Art. 35. § 1er. La personne voulant faire rectifier un acte ou faire suppléer un acte manquant conformément à l'article 27, peut adresser une demande à cet effet auprès du tribunal de la famille.
  [1 L'officier de l'état civil du lieu de l'établissement de l'acte qui veut faire rectifier cet acte, peut adresser une requête à cet effet auprès du tribunal de la famille.
   Le procureur du Roi poursuit la rectification d'un acte auprès du tribunal de la famille lorsqu'il constate une erreur dans l'acte.]1

  § 2. Le greffier de la chambre à laquelle l'affaire a été attribuée transmet la demande au ministère public. Après la réception de l'avis du ministère public, le greffier convoque le demandeur, par pli judiciaire, afin qu'il comparaisse à l'audience fixée à cet effet par le président de la chambre.
  § 3. Le greffier transmet immédiatement les données nécessaires à l'établissement résultant de la rectification de l'acte modifié conformément à la section 6, ou à l'établissement de l'acte supplétif, via la BAEC et joint la décision judiciaire passée en force de chose jugée en tant qu'annexe dans la BAEC.
  L'officier de l'état civil compétent établit immédiatement l'acte ou les actes de l'état civil modifiés à la suite de la rectification ou établit l'acte supplétif.
  Section 9. De la responsabilité et du contrôle de l'officier de l'état civil
  Art. 36. L'officier de l'état civil est responsable des actes de l'état civil qu'il a établis, rectifiés ou modifiés.
  Art. 37. En cas de doute sérieux quant à l'établissement des actes de l'état civil, l'officier de l'état civil peut demander au procureur du Roi de rendre un avis en la matière.
  Art. 38. Sous réserve de la responsabilité du gestionnaire opérationnel visée à l'article 73, § 1er, et du responsable du traitement des données personnelles visés à l'article 73, § 2, l'officier de l'état civil est civilement responsable du non-respect des prescriptions imposées dans le cadre de sa fonction, sauf s'il y a recours contre les personnes qui l'ont empêché de suivre ces prescriptions, pour autant que celui-ci soit fondé.
  Art. 39. Toute altération illicite et tout faux dans les actes de l'état civil, donnent lieu à des dommages-intérêts aux parties, sans préjudice des peines prévues dans le Code pénal.
  Art. 40. Le procureur du Roi près le tribunal de première instance de l'arrondissement judiciaire auquel appartient la commune de l'officier de l'état civil qui a établi l'acte vérifie le respect des dispositions relatives aux actes de l'état civil. L'officier de l'état civil l'informe sans délai de toute erreur ou irrégularité qu'il constate.
  Le procureur du Roi recherche et poursuit les infractions commises par l'officier de l'état civil dans l'exercice de ses fonctions.
  Le Collège des procureurs généraux peut arrêter des directives précisant les modalités de contrôle visées à l'alinéa 1er. Ces directives sont contraignantes pour tous les membres du ministère public. Les procureurs généraux près les cours d'appel veillent à l'exécution de ces directives au sein de leur ressort.
  Chapitre 2. Des différents actes de l'état civil
  Section 1re. Disposition générale
  Art. 41. § 1er. Les actes de l'état civil mentionnent toujours :
  1° le nom, le prénom et la signature de l'officier de l'état civil ou de l'agent habilité conformément à l'article 9, qui a établi l'acte;
  2° la date de l'établissement de l'acte;
  3° le lieu de l'établissement de l'acte;
  4° le numéro de l'acte;
  5° le cas échéant, la mention de la base sur laquelle l'acte est établi, notamment :
  a) la décision judiciaire, ainsi que l'instance judiciaire, la date du prononcé, la date à laquelle celle-ci est passée en force de chose jugée, et le numéro d'identification de cette décision judiciaire;
  b) le procès-verbal, visé aux articles 14, alinéa 4, 47, 55, § 2, ou 57;
  c) l'arrêté royal, visé à l'article 370/4, § 1er, ou à l'article 370/8, ainsi que la date de celui-ci et, le cas échéant, la date de publication au Moniteur belge;
  d) l'acte étranger, ainsi que l'autorité qui a établi l'acte et sa date et lieu d'établissement;
  e) la décision étrangère judiciaire ou administrative, ainsi que l'autorité étrangère qui a pris la décision [1 et la date de la décision]1.
  La base sur laquelle l'acte est établi, est enregistrée comme annexe dans la BAEC.
  [1 Les actes de l'état civil mentionnent, autant que de besoin, la date à laquelle le procès-verbal, la décision ou l'acte sur la base duquel ils sont établis, produit ses effets.]1
  § 2. Les personnes auxquelles l'acte se rapporte, sont identifiées à l'aide du numéro d'identification attribué en application de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques, ou à défaut de celui-ci, du numéro d'identification attribué en application de l'article 4 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale.
  Le numéro d'identification ne fait pas partie de l'acte de l'état civil. Le chapitre 1er, section 8, ne lui est pas applicable.
  § 3. Les actes de l'état civil mentionnent en outre les données telles que prévues dans le présent chapitre.
  Section 2. Des actes de naissance
  Sous-section 1re. De l'acte de naissance
  Art. 42. La notification de la naissance, avec attestation médicale, est faite à l'officier de l'état civil du lieu de naissance au plus tard le premier jour ouvrable qui suit celui de la naissance, par :
  1° en cas de naissance dans des hôpitaux ou autres établissements de soins, le responsable de l'établissement ou son délégué;
  2° dans les autres cas, le médecin, l'accoucheuse ou les autres personnes qui ont assisté à l'accouchement ou chez qui l'accouchement a eu lieu.
  Art. 43. § 1er. Le père ou la coparente, et la mère, ou l'un d'eux, font la déclaration de naissance à l'officier de l'état civil du lieu de naissance dans les quinze jours qui suivent celui de la naissance. Lorsque le dernier jour de ce délai est un samedi, un dimanche, ou un jour férié légal, le délai est prolongé jusqu'au premier jour ouvrable qui suit.
  § 2. Lorsqu'aucune déclaration n'a été faite conformément au paragraphe 1er, ou, lorsque les parents s'abstiennent de la faire, l'officier de l'état civil établit l'acte de naissance sur la base de la notification visée à l'article 42.
  § 3. Le Roi peut déterminer les conditions liées à une déclaration de naissance électronique.
  § 4. L'officier de l'état civil établit l'acte de naissance sans délai.
  Art. 44. L'acte de naissance mentionne :
  1° la date de naissance, le lieu de la naissance, l'heure de la naissance, le sexe, le nom et les prénoms de l'enfant, soit, dans les cas visés à l'article 43, § 2, et à l'article 45, les données disponibles au moment de l'établissement de l'acte;
  2° le nom, les prénoms, la date de naissance et le lieu de naissance de la mère et du père, si la filiation paternelle est établie, ou de la coparente, si la filiation à l'égard de celle-ci est établie;
  3° le cas échéant, le numéro d'acte de l'acte de reconnaissance prénatale, ou la reconnaissance par le père ou la coparente, en mentionnant :
  a) le consentement des personnes visées à l'article 329bis;
  b) le nom et les prénoms du représentant légal de l'enfant lorsqu'il a consenti à la reconnaissance;
  c) la date, le lieu et l'autorité où le consentement a été donné, ou l'autorité judiciaire, la date et le numéro d'identification de la décision judiciaire passée en force de chose jugée dans laquelle le consentement a été constaté.
  Sous-section 2. De l'acte de naissance d'un enfant trouvé
  Art. 45. Toute personne qui a trouvé un enfant nouveau-né en informe sans délai les services publics de secours et leur communique toutes les informations utiles à cet égard.
  Le service de secours déclare la naissance de l'enfant abandonné à l'officier de l'état civil.
  L'officier de l'état civil établit l'acte de naissance. Le procès-verbal de la police est enregistré en tant qu'annexe dans la BAEC.
  Art. 46. L'acte de naissance mentionne dans ce cas les données visées à l'article 44, 1°.
  Sous-section 3. De l'acte de naissance en cas de naissance à bord d'un navire ou d'un aéronef
  Art. 47. § 1er. En cas de naissance à bord d'un navire qui bat pavillon belge pendant un voyage en mer, ou d'un aéronef belge en vol, le commandant reçoit personnellement la déclaration de naissance du père ou de la coparente et de la mère ou de l'un d'eux, ou, à défaut, d'une personne ayant assisté à la naissance. Le nouveau-né est inscrit sur la liste des passagers. Le commandant établit, dès que possible et au plus tard au premier accostage ou atterrissage, un procès-verbal de la déclaration de naissance qui mentionne les données visées à l'article 44.
  § 2. Si le prochain lieu d'accostage ou d'atterrissage est situé en Belgique, le commandant remet le procès-verbal le plus rapidement possible à l'officier de l'état civil le plus proche qui établit immédiatement un acte de naissance sur base du procès-verbal. Le procès-verbal est joint en annexe de l'acte de naissance dans la BAEC. Le procès-verbal établi sur papier est conservé par l'officier de l'état civil qui a établi l'acte, jusqu'au moment du transfert du procès-verbal aux [1 Archives générales du Royaume et Archives de l'Etat dans les Provinces]1.
  § 3. Si le premier lieu d'accostage ou d'atterrissage est situé à l'étranger, le commandant transmet le plus rapidement possible le procès-verbal au poste consulaire de carrière dans la circonscription consulaire dans laquelle se trouve le port ou le lieu d'atterrissage.
  Sous-section 4. - Dispositions communes
  Art. 48. Lorsque le sexe de l'enfant est ambigu, le père ou la coparente et la mère, ou l'un d'eux, peuvent déclarer le sexe de l'enfant dans un délai de trois mois, moyennant une attestation médicale.
  Art. 49. L'officier de l'état civil qui établit l'acte de naissance d'un enfant dont la filiation n'est pas établie à l'égard de ses père et mère, ou qui modifie un acte de l'état civil suite à une décision judiciaire passée en force de chose jugée faisant droit à une contestation du lien de filiation à l'égard des père et mère, ou à l'égard du seul parent à l'égard duquel la filiation est établie, en informe, dans les trois jours, par voie électronique via la BAEC, le juge de paix visé à l'article 390.
  Le jour de l'échéance est compris dans le délai. Toutefois, lorsque ce jour est un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, le jour de l'échéance est reporté au plus prochain jour ouvrable.
  Section 3. Des actes de reconnaissance
  Sous-section 1re. De l'acte de reconnaissance prénatale
  Art. 50. L'acte de reconnaissance prénatale mentionne :
  1° le nom, les prénoms, la date de naissance et le lieu de naissance de la mère;
  2° le nom, les prénoms, la date de naissance, le lieu de naissance et la qualité de l'auteur de la reconnaissance;
  3° le consentement de la mère, en mentionnant la date, le lieu et l'autorité devant laquelle le consentement a été donné, ou l'autorité judiciaire, la date et le numéro d'identification de la décision judiciaire dans laquelle le consentement a été constaté. La décision judiciaire est jointe en annexe dans la BAEC.
  Sous-section 2. De l'acte de reconnaissance
  Art. 51. L'acte de reconnaissance mentionne :
  1° le nom, les prénoms, la date de naissance et le lieu de naissance de l'enfant;
  2° le nom, les prénoms, la date de naissance, le lieu de naissance et, le cas échéant, la date du décès et le lieu de décès du parent à l'égard de qui le lien de filiation a déjà été établi avant la reconnaissance;
  3° le nom, les prénoms, la date de naissance et le lieu de naissance et la qualité de l'auteur de la reconnaissance;
  4° le cas échéant, le consentement des personnes visées à l'article 329bis, ou la décision judiciaire passée en force de chose jugée par laquelle le consentement de substitution ou l'autorisation de reconnaissance a été constaté, en mentionnant :
  a) le nom et les prénoms du représentant légal de l'enfant lorsqu'il a consenti à la reconnaissance;
  b) la date, le lieu et l'autorité devant laquelle le consentement a été donné, ou l'autorité judiciaire, la date et le numéro d'identification de la décision judiciaire passée en force de chose jugée par laquelle le consentement de substitution ou l'autorisation de reconnaissance, a été constaté;
  5° le cas échéant, le nouveau nom et la déclaration de choix de nom par le père ou la coparente, et la mère;
  6° le cas échéant, le nouveau prénom;
  7° le cas échéant, le fait que les personnes visées à l'article 329bis, § 3, n'ont pas consenti.
  Section 4. De l'acte de déclaration de choix de nom
  Art. 52. L'acte de déclaration de choix de nom mentionne :
  1° le nom, les prénoms, la date de naissance et le lieu de naissance de l'enfant ou les enfants auxquels l'acte se rapporte;
  2° le nom, les prénoms, la date de naissance et le lieu de naissance de la mère et du père ou de la coparente;
  3° la déclaration du choix de nom par les parents et le nouveau nom de l'enfant ou des enfants;
  4° la base légale de la déclaration sur la base de laquelle l'acte est établi.
  Section 5. De l'acte de modification de l'enregistrement du sexe
  Art. 53. L'acte de modification de l'enregistrement du sexe mentionne :
  - le nom, les prénoms, la date de naissance et le lieu de naissance de l'intéressé;
  - le nouveau sexe de l'intéressé.
  Section 6. De l'acte de mariage
  Art. 54. L'acte de mariage mentionne :
  1° le nom, les prénoms, la date de naissance et le lieu de naissance des époux;
  2° la date de mariage;
  3° le nom choisi par un époux après la célébration du mariage, conformément au droit de l'Etat dont il a la nationalité;
  4° le cas échéant, le nom, les prénoms, la date de naissance et le lieu de naissance des témoins.
  Section 7. Des actes de décès
  Sous-section 1re. De l'acte de décès
  Art. 55. § 1er. L'officier de l'état civil du lieu du décès établit sans délai un acte de décès, dès qu'une attestation de décès établie par le médecin qui a constaté le décès lui est soumise.
  § 2. En cas de décès d'une personne inconnue, l'officier de l'état civil établit un procès-verbal qui mentionne toutes les informations qu'il a pu recueillir au sujet de la personne décédée.
  Le procès-verbal est joint en annexe à l'acte de décès dans la BAEC.
  Art. 56. L`acte de décès mentionne :
  1° le nom, les prénoms, la date de naissance et le lieu de naissance de la personne décédée, ou, s'il s'agit d'une personne inconnue, les données disponibles au moment de l'établissement de l'acte;
  2° le lieu, la date et l'heure du décès ou de la découverte du corps sans vie.
  Sous-section 2. De l'acte de décès en cas de décès à bord d'un navire ou d'un aéronef
  Art. 57. § 1er. En cas de décès pendant un voyage en mer à bord d'un navire qui bat pavillon belge, ou d'un aéronef belge en cours de vol, le commandant établit aussitôt que possible et au plus tard lors du premier abordage ou du premier atterrissage, un procès-verbal qui mentionne les données visées à l'article 56. Le décès est mentionné sur la liste des passagers.
  § 2. Si le prochain lieu d'accostage ou d'atterrissage est situé en Belgique, le commandant remet le procès-verbal le plus rapidement possible à l'officier de l'état civil le plus proche qui établit immédiatement un acte de décès sur base du procès-verbal. Le procès-verbal est joint en annexe. Le procès-verbal établi sur papier est conservé par l'officier de l'état civil qui a établi l'acte, jusqu'au moment du transfert du procès-verbal aux [1 Archives générales du Royaume et Archives de l'Etat dans les Provinces]1.
  § 3. Si le premier lieu d'accostage ou d'atterrissage est situé à l'étranger, le commandant transmet le plus rapidement possible le procès-verbal au poste consulaire de carrière dans la circonscription consulaire dans laquelle se trouve le port ou le lieu d'atterrissage.
  Sous-section 3. De l'acte d'enfant sans vie
  Art. 58. [2 § 1er. Lorsqu'un enfant est décédé au moment de la constatation de l'accouchement par le médecin ou l'accoucheuse, après une grossesse de cent-quatre-vingts jours à dater de la conception, l'officier de l'état civil dresse un acte d'enfant sans vie sur la base d'une attestation médicale soumise par une personne apte à communiquer les renseignements requis pour l'établissement de cet acte.
   § 2. Lorsqu'un enfant est décédé au moment de la constatation de l'accouchement par le médecin ou l'accoucheuse, après une grossesse de cent-quarante jours à cent-septante-neuf jours à dater de la conception, l'officier de l'état civil dresse, sur la base d'un certificat médical et à la demande de la mère ou à la demande du père ou de la coparente qui est marié(e) avec la mère, ou qui a fait une reconnaissance prénatale, ou, à la demande du père ou de la coparente non marié(e) avec la mère et qui n'a pas reconnu l'enfant conçu et avec l'autorisation de la mère, un acte d'enfant sans vie.
   § 3. L'enfant décédé au moment de la constatation de l'accouchement par le médecin ou l'accoucheuse n'a pas de personnalité juridique.
   L'acte d'enfant sans vie ne produit pas d'effets juridiques sauf si la loi le prévoit expressément.]2

  Art. 59. [2 L'acte d'enfant sans vie mentionne:
   1° la date, le lieu, l'heure de l'accouchement et le sexe de l'enfant;
   2° la durée de la grossesse;
   3° le nom, les prénoms, la date de naissance et le lieu de la naissance de la mère;
   4° le nom, les prénoms, la date de naissance et le lieu de la naissance du père ou de la coparente qui est marié(e) avec la mère ou qui a fait une reconnaissance prénatale, ou, à sa demande, et avec l'autorisation de la mère, le nom, les prénoms, la date de naissance et le lieu de la naissance du père ou de la coparente, non marié(e) avec la mère et qui n'a pas reconnu l'enfant conçu;
   5° les prénoms de l'enfant, si leur mention est demandée;
   6° le nom de l'enfant dont la mère a accouché après une grossesse de cent-quatre-vingts jours à dater de la conception, si sa mention est demandée.
   Pour l'attribution du nom visé à l'alinéa 1er, 6°, les articles 335 et 335ter s'appliquent par analogie.]2

  Sous-section 4. Disposition commune
  Art. 60. L'officier de l'état civil qui dresse un acte de décès du seul parent ou parent adoptif d'un mineur ou d'une personne qui était le tuteur d'un mineur, le notifie, dans les trois jours, par voie électronique via la BAEC au juge de paix visé à l'article 390.
  L'officier de l'état civil qui dresse un acte de décès le notifie, dans les trois jours, par voie électronique via la BAEC au juge de paix visé à l'article 628, 3°, du Code judiciaire, lorsque le défunt était une personne protégée en vertu de l'article 492/1 ou son administrateur.
  Le jour de l'échéance est compris dans le délai. Toutefois, lorsque ce jour est un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, le jour de l'échéance est reporté au premier jour ouvrable qui suit.
  Section 8. De l'acte d'absence
  Art. 61. L'acte d'absence mentionne le nom, les prénoms, la date de naissance et le lieu de naissance de l'absent.
  Section 9. De l'acte de changement de prénom
  Art. 62. L'acte de changement de prénom mentionne :
  1° le nom, le ou les prénoms, la date de naissance et le lieu de naissance de l'intéressé;
  2° le ou les nouveaux prénoms de l'intéressé.
  Section 10. De l'acte de changement de nom
  Art. 63. [1 L'acte de changement de nom mentionne:
   1° la date de la demande;
   2° le nom et les prénoms de l'intéressé;
   3° la date et le lieu de naissance de l'intéressé;
   4° le nouveau nom de l'intéressé.]1

  Section 11. De l'acte de divorce
  Art. 64. [1 L'acte de divorce mentionne:
   1° le cas échéant, le numéro d'acte de l'acte de mariage belge;
   2° l'autorité qui a établi l'acte de mariage ainsi que la date et le lieu d'établissement;
   3° le nom et les prénoms des personnes divorcées;
   4° la date et le lieu de naissance des personnes divorcées.]1

  Section 12. De l'acte d'adoption
  Art. 65. L'acte d'adoption mentionne :
  1° le nom, les prénoms, la date de naissance et le lieu de naissance des adoptants;
  2° le nom, les prénoms, la date de naissance et le lieu de naissance de l'adopté;
  3° le nouveau nom et, le cas échéant, le nouveau prénom de l'adopté après l'adoption;
  4° la sorte d'adoption : adoption simple ou plénière;
  5° le cas échéant, la date de la reconnaissance de l'adoption étrangère par l'autorité centrale fédérale.
  Section 13. De l'acte de révocation ou de révision de l'adoption, de nouvelle modification d'enregistrement du sexe ou d'annulation
  Art. 66. L'acte de révocation ou de révision de l'adoption ou de nouvelle modification d'enregistrement du sexe ou d'annulation, mentionne :
  1° le numéro d'acte de l'acte auquel il se rapporte;
  2° la nature du dispositif de la décision judiciaire, notamment s'il s'agit :
  - d'une révocation ou d'une révision d'une adoption;
  - d'une nouvelle modification d'enregistrement du sexe;
  - d'une annulation d'une modification d'enregistrement du sexe;
  - d'une annulation d'un acte complet;
  - d'une annulation d'un acte complet suite à une décision prise sur la base de l'article 463 du Code d'instruction criminelle.
  Section 14. Des actes de nationalité belge
  Art. 67. § 1er. Les actes de nationalité visés aux articles 15 et 22, § 4, du Code de la nationalité belge, mentionnent :
  1° le nom, les prénoms, la date de naissance et le lieu de naissance de la personne à laquelle l'acte se rapporte;
  2° la base légale de la déclaration sur la base de laquelle l'acte est établi;
  3° en cas d'attribution de nationalité sur la base des articles 8, § 1er, 2°, b), 9, 2°, b), et 11bis du Code de la nationalité belge, le nom, les prénoms, la date de naissance et le lieu de naissance du déclarant ou des déclarants.
  § 2. L'acte de déchéance de la nationalité belge mentionne le nom, les prénoms, la date de naissance et le lieu de naissance de la personne à laquelle l'acte se rapporte.
  Section 15. De l'acte établi sur la base d'un acte étranger
  Art. 68. § 1er. Chaque belge, ou son représentant légal, peut demander à l'officier de l'état civil d'établir un acte de l'état civil, visé par le présent chapitre, sur la base d'un acte de l'état civil étranger qui le concerne.
  La demande peut être adressée soit à l'officier de l'état civil de son lieu d'inscription dans le registre de la population, dans le registre des étrangers ou dans le registre d'attente, ou, à défaut, de son lieu de dernière inscription dans un de ces registres, ou, à défaut, de Bruxelles.
  Le Procureur du Roi peut également en faire la demande.
  § 2. L'officier de l'état civil établit un acte visé au paragraphe 1er si un acte de l'état civil étranger lui est présenté lors de l'établissement [1 ou de la modification]1 d'un acte de l'état civil.
  Art. 69. § 1er. L'acte de l'état civil sur la base d'un acte étranger mentionne uniquement les données telles que prévues dans ce chapitre [1 et qui peuvent être reconnues conformément à l'article 27 du Code de droit international privé]1.
  [1 Lorsque l'acte étranger contient une erreur matérielle visée à l'article 34, constatée sur la base d'un acte enregistré dans la BAEC, l'acte sur la base d'un acte étranger mentionne les données de l'acte étranger rectifiées ou complétées par l'officier de l'état civil.]1
  § 2. Une copie [1 ou un extrait]1 de l'acte étranger ainsi que, le cas échéant, sa traduction jurée, est enregistrée en tant qu'annexe dans la BAEC.
  Section 16. De l'acte établi sur la base d'une décision judiciaire étrangère ou administrative étrangère
  Art. 70. L'officier de l'état civil établit un acte de l'état civil, visé par le présent chapitre, sur la base d'une décision judiciaire étrangère coulée en force de chose jugée ou d'une décision administrative étrangère qui est définitive, pour autant que celle-ci entraîne une modification de l'état de la personne et que l'état ne peut pas être modifié sur la base d'un acte de l'état civil conformément au chapitre 1er, section 6.
  Une copie de la décision judiciaire étrangère ou de la décision administrative étrangère ainsi que, le cas échéant, sa traduction jurée, est enregistrée en tant qu'annexe dans la BAEC.
  Chapitre 3. De la banque de données des actes de l'état civil
  Section 1re. Dispositions générales
  Art. 71. Sont enregistrés dans la BAEC :
  1° tous les actes de l'état civil établis sous forme dématérialisée, les modifications des actes de l'état civil, les mentions aux actes de l'état civil et les annexes requises par la loi, pour autant que ceux-ci ne soient pas disponibles auprès d'une autre source authentique;
  2° toutes les mises à jour administratives des actes de l'état civil depuis l'entrée en vigueur de la loi du 18 juin 2018 portant dispositions diverses en matière de droit civil et des dispositions en vue de promouvoir des formes alternatives de résolution des litiges;
  3° les métadonnées et les copies dématérialisées des actes de l'état civil enregistrés par les communes et les consulats belges qui ont été établis sur papier avant l'entrée en vigueur de la loi du 18 juin 2018 portant dispositions diverses en matière de droit civil et des dispositions en vue de promouvoir des formes alternatives de résolution des litiges;
  4° Les métadonnées et les copies dématérialisées des actes et décisions judiciaires d'état civil étrangers enregistrés, refusés ou reconnus en application de l'article 31 du Code de droit international privé.
  La BAEC a valeur de source authentique pour tous les actes établis après l'entrée en vigueur de la loi du 18 juin 2018 portant dispositions diverses en matière de droit civil et des dispositions en vue de promouvoir des formes alternatives de résolution des litiges et pour les données qu'ils contiennent.
  Art. 72. La BAEC a pour mission :
  1° d'assister les officiers de l'état civil et les agents consulaires dans l'exercice de leurs missions légales en matière d'établissement et de tenue à jour des actes et des registres de l'état civil;
  2° de garantir en tant que source authentique le stockage, la conservation et la mise à disposition de tous les actes de l'état civil repris dans la BAEC, sans porter atteinte aux missions légales du Registre national en tant que source authentique des données d'identification des personnes physiques;
  3° d'assurer un service aux citoyens, quel que soit l'endroit où ils se trouvent;
  4° de simplifier les procédures administratives via l'obligation de réutilisation des actes et des données disponibles dans la BAEC;
  5° d'assister l'ordre judiciaire dans l'exercice de ses missions;
  6° de prévoir un contrôle central et uniforme au niveau de l'établissement et de la conservation des actes, ainsi que de la délivrance d'extraits et de copies de ceux-ci;
  7° de permettre l'application des traités et accords internationaux en matière d'état civil;
  8° de permettre l'établissement de statistiques globales et anonymes relatives à l'état civil;
  9° d'assurer la conservation des actes de l'état civil jusqu'au moment de leur transfert aux [1 Archives générales du Royaume et Archives de l'Etat dans les Provinces]1;
  10° de prévoir une mise à jour simultanée des données du Registre national sur la base des données répertoriées dans la BAEC.
  Section 2. De la gestion de la BAEC
  Art. 73. § 1er. La BAEC est créée, pour le compte du Service Public Fédéral Justice, auprès du Service Public Fédéral Intérieur qui est responsable de la gestion opérationnelle, sans préjudice de la compétence du ministre de la Justice en matière d'état civil.
  § 2. Le Service Public Fédéral Justice est le responsable du traitement des données dans la BAEC au sens de [1 l'article 4, 7), du Règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE]1.
  Art. 74. § 1er. La BAEC est gérée par le Comité de gestion BAEC, ci-après dénommé "comité de gestion".
  § 2. Le comité de gestion assure l'organisation et la gestion de la BAEC et détermine les mesures nécessaires pour garantir le caractère immuable, la confidentialité et la conservation des actes de l'état civil contenus dans la BAEC.
  § 3. La composition du comité de gestion est la suivante :
  1° neuf représentants des autorités communales;
  2° deux représentants du Service Public Fédéral Justice;
  3° un représentant du Collège du ministère public;
  4° un représentant du Collège des cours et tribunaux;
  5° deux représentants du Service Public Fédéral Intérieur;
  6° un représentant du Service Public Fédéral Affaires étrangères;
  7° un représentant des [1 Archives générales du Royaume et Archives de l'Etat dans les Provinces]1.
  § 4. La présidence du comité de gestion est assurée par un représentant des autorités communales.
  § 5. Le Roi fixe les modalités de composition et de fonctionnement du comité de gestion.
  Art. 75. Le Service Public Fédéral Justice désigne un délégué à la protection des données pour les données à caractère personnel et les informations qui sont traitées dans le cadre de la présente loi.
  Plus précisément, celui-ci est chargé :
  1° de la remise d'avis qualifiés s'agissant de la protection de la vie privée et de la sécurisation des données à caractère personnel et des informations et de leur traitement;
  2° de la fourniture d'informations et d'avis au Service Public Fédéral Justice [1 ...]1 sur ses obligations dans le cadre de la présente loi et dans le cadre général de la protection des données et de la vie privée;
  3° de l'élaboration, de l'application, de la mise à jour et du contrôle d'une politique en matière de sécurisation et de protection de la vie privée;
  4° de la création d'un point de contact pour l'Autorité de protection des données;
  5° de l'exécution des autres missions en matière de protection de la vie privée et de sécurisation qui sont déterminées par le Roi, après avis de l'Autorité de protection des données.
  [1 Dans l'exercice de ses missions, le délégué à la protection des données agit en totale indépendance. Il fait directement rapport au Service Public Fédéral Justice qui donne connaissance de celui-ci au comité de gestion, pour autant que ce soit nécessaire pour l'exécution de ses missions.]1
  Le Roi peut déterminer, après avoir sollicité l'avis de l'Autorité de protection des données, des modalités en la matière en vertu desquelles le délégué à la protection des données exécutera ses missions.
  Art. 76. Les données visées à l'article 71 sont conservées jusqu'au moment de leur transfert aux [1 Archives générales du Royaume et Archives de l'Etat dans les Provinces]1.
  Le Roi détermine, après avoir sollicité l'avis du comité de gestion, les modalités de ce transfert.
  Art. 77. Le Roi détermine, après avoir sollicité l'avis du comité de gestion et de l'Autorité de protection des données, les modalités supplémentaires concernant l'organisation et le fonctionnement de la BAEC.
  Section 3. De l'accès à la BAEC
  Art. 78. Les données de la BAEC peuvent être communiquées ou sont directement accessibles aux personnes, autorités ou institutions suivantes :
  1° les personnes visées par l'acte ou les actes, pour les actes qui les concernent, ou leur avocat;
  2° les officiers de l'état civil et les fonctionnaires habilités par ces derniers dans le cadre de l'exercice de leurs missions légales;
  3° les agents consulaires dans le cadre de l'exercice de leurs missions légales;
  4° les magistrats, auprès des juridictions et leurs greffes dans l'exercice de leurs fonctions;
  5° les fonctionnaires du Service Changement de nom, de l'Autorité centrale fédérale Adoption et de l'Autorité Centrale de l'état civil du Service Public Fédéral Justice dans le cadre de l'exercice de leurs missions légales;
  6° les notaires, dans l'exercice de leurs fonctions;
  7° les parquets, dans l'exercice de leurs fonctions;
  8° [1 ...]1
  Les personnes, autorités ou institutions visées aux 2° à 5° de l'alinéa premier disposent à la fois d'un droit de lecture et d'un droit d'écriture dans la BAEC. Les personnes, les autorités ou les institutions visées aux 1°, 6°, 7° et 8° disposent seulement d'un droit de lecture des données contenues dans la BAEC. Le Roi précise les modalités d'accès de ces autorités, ces institutions et ces personnes.
  La modification de l'enregistrement du sexe dans les actes qui sont modifiés en application du titre IV/1 ou en application de l'article 1385quaterdecies, § 3, du Code judiciaire, peut être consultée uniquement par les personnes, les autorités et les organismes visés aux 4° à 8° pour autant qu'il est démontré que cette consultation est nécessaire pour des motifs en lien avec l'état de la personne.
  Art. 79. Le Roi détermine, après avoir sollicité l'avis de l'Autorité de protection des données, la manière dont les actes de l'état civil peuvent être consultés à des fins généalogiques, historiques ou scientifiques.
  Art. 80. Le Roi peut, sur proposition du comité de gestion et après avis de l'Autorité de protection des données, désigner d'autres catégories de personnes, d'autorités ou d'institutions qui peuvent avoir accès à la BAEC aux conditions qu'il a déterminées [1 et dans la mesure où il est nécessaire de produire des données des actes de l'état civil dans l'exercice de leurs missions légales]1.
  Art. 81. Les autorités, institutions et personnes habilitées à consulter les données de la BAEC, à l'exception des personnes visées à l'article 78, 1°, ne sont plus autorisées à demander les données en question par l'intermédiaire de la personne concernée, d'une administration locale ou par toute autre voie possible.
  Art. 82. § 1er. Toute personne et tout utilisateur de la BAEC peut demander auprès du secrétariat du comité de gestion la rectification de toute mention inexacte d'une inscription ou d'une modification dans la BAEC, ainsi que la rectification des inscriptions ou modifications acceptées en violation de la présente loi ou de ses arrêtés d'exécution. La BAEC notifie la demande de rectification à l'officier de l'état civil compétent. L'officier de l'état civil rectifie, le cas échéant, la mention, l'inscription ou la modification, conformément au chapitre 1er, section 8.
  § 2. Les autorités et les organismes qui ont accès aux données de la BAEC, sont tenus, dès qu'ils constatent dans la BAEC, soit des données inexactes ou l'absence de données, soit qu'une inscription ou une modification n'est pas faite, d'en informer le secrétariat du comité de gestion.
  Art. 83. Quiconque participe, en quelque qualité que ce soit, à la collecte, au traitement ou à la communication des données visées à l'article 71 ou quiconque a connaissance de ces données doit en respecter le caractère confidentiel.
  L'article 458 du Code pénal leur est applicable.".
  
Art.5. Artikel 121 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 9 mei 2007, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 121. § 1. Het beschikkend gedeelte van de beslissing houdende verklaring van afwezigheid vermeldt de gegevens opgesomd in artikel 56; het stelt, in voorkomend geval, de onmogelijkheid vast om sommige van die gegevens te vermelden.
  Op verzoek van de procureur des Konings stuurt de griffier onmiddellijk de gegevens nodig voor de opmaak van de akte van afwezigheid ten gevolge van de in kracht van gewijsde gegane beslissing houdende verklaring van afwezigheid via de DABS naar de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand.
  De ambtenaar van de burgerlijke stand van de laatste plaats van inschrijving van de afwezige in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister in België, of bij gebrek hieraan, deze van Brussel, maakt onmiddellijk de akte van afwezigheid ten gevolge van de rechterlijke beslissing op.
  § 2. De beslissing houdende verklaring van afwezigheid heeft alle gevolgen van het overlijden vanaf de datum van de opmaak van de akte van afwezigheid.".
Art.5. L'article 121 du même Code, remplacé par la loi du 9 mai 2007, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 121. § 1er. Le dispositif de la décision déclarative d'absence contient les énonciations prévues à l'article 56; il constate le cas échéant l'impossibilité de faire mention de certaines d'entre elles.
  A la demande du procureur du Roi, le greffier transmet immédiatement via la BAEC à l'officier de l'état civil compétent les données nécessaires à l'établissement de l'acte d'absence suite à la décision déclarative d'absence coulée en force de chose jugée.
  L'officier de l'état civil du dernier lieu d'inscription de l'absent dans le registre de la population, le registre des étrangers ou le registre d'attente en Belgique, ou, à défaut, celui de Bruxelles, établit immédiatement l'acte d'absence à la suite de la décision judiciaire.
  § 2. La décision déclarative d'absence produit tous les effets du décès à la date de l'établissement de l'acte d'absence.".
Art.6. In artikel 122 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 9 mei 2007 en gewijzigd bij de wet van 30 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden "waarna artikel 121, § 2, derde lid wordt toegepast" vervangen door de woorden "waarna de akte van afwezigheid kan worden verbeterd overeenkomstig artikel 35";
  2° in het tweede lid worden de woorden "wordt artikel 121, § 2, derde lid, toegepast" vervangen door de woorden "kan de akte van afwezigheid worden verbeterd overeenkomstig artikel 35";
  3° het artikel wordt aangevuld met twee leden, luidende :
  "In de gevallen bedoeld in het eerste en tweede lid stuurt de griffier onmiddellijk de gegevens van het vonnis of arrest door naar de DABS, met vermelding van de dag van het in kracht van gewijsde treden.
  De DABS maakt op basis hiervan een melding op en verbindt deze met de akte van afwezigheid.".
Art.6. A l'article 122 du même Code, remplacé par la loi du 9 mai 2007 et modifié par la loi du 30 juillet 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 1er, les mots "il sera ensuite fait application de l'article 121, § 2, alinéa 3" sont remplacés par les mots "l'acte d'absence peut ensuite être rectifié conformément à l'article 35";
  2° dans l'alinéa 2, les mots "il est fait application de l'article 121, § 2, alinéa 3" sont remplacés par les mots "l'acte d'absence peut être rectifié conformément à l'article 35";
  3° l'article est complété par deux alinéas rédigés comme suit :
  "Dans les cas visés aux alinéas 1er et 2, le greffier transmet immédiatement les données du jugement ou de l'arrêt à la BAEC, avec mention de la date où la décision a acquis force de chose jugée.
  La BAEC établit une mention sur base de celui-ci et l'associe à l'acte d'absence.".
Art.7. In artikel 131, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 9 mei 2007, worden de woorden "artikel 79" vervangen door de woorden "artikel 56".
Art.7. Dans l'article 131, alinéa 2, du même Code, remplacé par la loi du 9 mai 2007, les mots "article 79" sont remplacés par les mots "article 56".
Art.8. Artikel 132 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 9 mei 2007, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 132. Op verzoek van de procureur des Konings stuurt de griffier onmiddellijk de gegevens nodig voor de opmaak van de akte van overlijden ten gevolge van de in kracht van gewijsde gegane gerechtelijke beslissing tot verklaring van overlijden via de DABS naar de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand.
  De ambtenaar van de burgerlijke stand van de laatste plaats van inschrijving van de overledene in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister in België, of bij gebrek hieraan, deze van Brussel, maakt de akte van overlijden ingevolge de rechterlijke beslissing onmiddellijk op.
  In geval van een collectief vonnis wordt een akte van overlijden per betrokkene opgemaakt.".
Art.8. L'article 132 du même Code, remplacé par la loi du 9 mai 2007, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 132. A la demande du procureur du Roi, le greffier transmet immédiatement via la BAEC à l'officier de l'état civil compétent les données nécessaires à l'établissement de l'acte de décès suite à la décision judiciaire déclarative de décès coulée en force de chose jugée.
  L'officier de l'état civil du dernier lieu d'inscription du défunt dans le registre de la population, le registre des étrangers ou le registre d'attente en Belgique, ou, à défaut, celui de Bruxelles, établit immédiatement l'acte de décès suite à la décision judiciaire.
  En cas de jugement collectif, un acte de décès est établi pour chaque personne concernée.".
Art.9. In artikel 133 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 9 mei 2007, worden het eerste tot en met het derde lid opgeheven.
Art.9. Dans l'article 133 du même Code, remplacé par la loi du 9 mai 2007, les alinéas 1er à 3 sont abrogés.
Art.10. Artikel 134 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 9 mei 2007, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 134. Indien de persoon die gerechtelijk overleden is verklaard terugkeert kan hij derdenverzet instellen tegen de rechterlijke beslissing tot gerechtelijke verklaring van overlijden uitgesproken door de familierechtbank, waarna de akte van overlijden kan verbeterd worden overeenkomstig artikel 35.
  Indien het bewijs van het bestaan van de gerechtelijk overleden verklaarde geleverd wordt na de datum waarop de rechterlijke beslissing tot gerechtelijke verklaring van overlijden in kracht van gewijsde is gegaan, kan de akte van overlijden verbeterd worden overeenkomstig artikel 35.
  In de gevallen bedoeld in het eerste en tweede lid stuurt de griffier onmiddellijk de gegevens van het vonnis of arrest door naar de DABS, met vermelding van de dag van het in kracht van gewijsde treden.
  De DABS maakt op basis hiervan een melding op en verbindt deze met de akte van overlijden.
  Het verbeterende vonnis wordt bij uittreksel bekendgemaakt overeenkomstig artikel 119 binnen de door de rechtbank bepaalde termijn.
  Indien de persoon die gerechtelijk overleden is verklaard terugkeert, is artikel 124 van toepassing.".
Art.10. L'article 134 du même Code, remplacé par la loi du 9 mai 2007, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 134. Si la personne dont le décès a été judiciairement déclaré reparaît, il peut faire tierce opposition au jugement déclaratif de décès prononcé par le tribunal de la famille; l'acte de décès peut ensuite être rectifié conformément à l'article 35.
  Si l'existence de la personne déclarée judiciairement décédée est prouvée après le jour où la décision déclarative de décès est coulée en force de chose jugée, l'acte de décès peut être rectifié conformément à l'article 35.
  Dans les cas visés aux alinéas 1er et 2, le greffier transmet immédiatement les données du jugement ou de l'arrêt à la BAEC, avec mention de la date où la décision a acquis force de chose jugée.
  La BAEC établit une mention de celui-ci et l'associe à l'acte de décès.
  Le jugement rectificatif est publié par extrait conformément à l'article 119 dans le délai fixé par le tribunal.
  Si la personne dont le décès a été judiciairement déclaré reparaît, il est fait application de l'article 124.".
Art.11. In boek I van hetzelfde Wetboek wordt een titel IV/1 ingevoegd, luidende : "Aanpassing van de registratie van het geslacht".
Art.11. Dans le livre Ier du même Code, il est inséré un titre IV/1 intitulé "De la modification de l'enregistrement du sexe".
Art.12. In titel IV/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 11, wordt een artikel 135/1 ingevoegd, luidende als volgt :
  "Art. 135/1. § 1. Elke meerderjarige of ontvoogde minderjarige Belg of in de bevolkingsregisters ingeschreven vreemdeling die de overtuiging heeft dat het geslacht vermeld in zijn akte van geboorte niet overeenstemt met zijn innerlijk beleefde genderidentiteit kan van die overtuiging aangifte doen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand.
  § 2. De aangifte wordt gedaan bij de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand.
  Bij de aangifte geeft de Belg die niet is ingeschreven in de bevolkingsregisters de ambtenaar van de burgerlijke stand het adres waarop hem een weigering om de akte van aanpassing van de registratie van het geslacht op te maken kan worden meegedeeld.
  § 3. Bij de aangifte overhandigt de betrokkene aan de ambtenaar van de burgerlijke stand een door hem ondertekende verklaring, die vermeldt dat hij er al een hele tijd van overtuigd is dat het geslacht vermeld in zijn akte van geboorte niet overeenstemt met zijn innerlijk beleefde genderidentiteit en dat hij de administratieve en juridische gevolgen van een aanpassing van de registratie van het geslacht in zijn akte van geboorte wenst.
  De ambtenaar van de burgerlijke stand wijst de betrokkene op het in beginsel onherroepelijk karakter van de aanpassing van de registratie van het geslacht vermeld in de akte van geboorte, licht deze in over het verdere verloop van de procedure, de administratieve en juridische gevolgen ervan en stelt de in het vijfde lid bedoelde informatiebrochure ter beschikking evenals de contactgegevens van transgenderorganisaties.
  De ambtenaar neemt akte van de verklaring en geeft een ontvangstbewijs af aan de betrokkene.
  De ambtenaar van de burgerlijke stand die akte neemt van de verklaring, geeft hiervan binnen drie dragen kennis aan de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg. De procureur des Konings geeft hiervan onverwijld een ontvangstmelding.
  De Koning stelt een informatiebrochure op.
  § 4. De procureur des Konings kan, binnen drie maanden te rekenen van de datum van het ontvangstbewijs, een negatief advies uitbrengen wegens strijdigheid met de openbare orde.
  Bij gebrek aan een negatief advies of in geval van overzending van een attest dat er geen negatief advies wordt uitgebracht bij het verstrijken van de termijn van drie maanden, wordt het advies geacht positief te zijn.
  § 5. Ten vroegste drie maanden en ten laatste zes maanden na afgifte van het ontvangstbewijs verschijnt de betrokkene een tweede keer voor de ambtenaar van de burgerlijke stand voor wie de aangifte werd gedaan.
  De betrokkene overhandigt hierbij aan de ambtenaar van de burgerlijke stand een ondertekende verklaring die vermeldt dat deze :
  1° er nog steeds van overtuigd is dat het geslacht vermeld in zijn akte van geboorte niet overeenstemt met zijn innerlijk beleefde genderidentiteit;
  2° zich bewust is van de administratieve en juridische gevolgen die deze aanpassing van de registratie van het geslacht in de akte van geboorte met zich meebrengt;
  3° zich bewust is van het in beginsel onherroepelijke karakter van de aanpassing van de registratie van het geslacht in de akte van geboorte.
  Bij gebrek aan negatief advies van de procureur des Konings kan de ambtenaar van de burgerlijke stand de akte van aanpassing van de registratie van het geslacht opmaken en deze verbinden met de andere akten van de burgerlijke stand van de betrokkene die zijn geslacht vermelden.
  De ambtenaar van de burgerlijke stand weigert de akte van aanpassing van de registratie van het geslacht op te maken bij negatief advies van de procureur des Konings.
  § 6. De ambtenaar van de burgerlijke stand die weigert een akte van aanpassing van de registratie van het geslacht op te maken, brengt zijn met reden omklede beslissing en, in voorkomend geval, het negatief advies van de procureur des Konings onverwijld ter kennis van de betrokkene.
  § 7. De betrokkene kan tegen de weigering door de ambtenaar van de burgerlijke stand verhaal instellen overeenkomstig artikel 1385duodecies van het Gerechtelijk Wetboek.
  § 8. De procureur des Konings vordert de nietigheid van een aanpassing van de registratie van het geslacht in de akte van geboorte wegens strijdigheid met de openbare orde.
  § 9. De aanpassing van de registratie van het geslacht in de akte van geboorte is in beginsel onherroepelijk.
  Mits bewijs van uitzonderlijke omstandigheden kan de betrokkene, overeenkomstig de procedure bedoeld in artikel 1385duodecies, §§ 1 en 3, van het Gerechtelijk Wetboek, de familierechtbank vragen een nieuwe aanpassing van de registratie van het geslacht in de akte van geboorte toe te staan.
  Indien het bewijs bedoeld in het tweede lid is geleverd, verklaart de familierechtbank dat de aanpassing van de registratie van het geslacht in de akte van geboorte geen gevolgen meer heeft vanaf de opmaak van de akte van nieuwe aanpassing van de geslachtsregistratie.
  Wanneer de nieuwe aanpassing van de geslachtsregistratie is uitgesproken bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest stuurt de griffier onmiddellijk de gegevens nodig voor de opmaak van de akte van nieuwe aanpassing van de geslachtsregistratie via de DABS naar de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand. De ambtenaar van de burgerlijke stand maakt de akte van nieuwe aanpassing van de registratie van het geslacht onmiddellijk op.
  Vanaf dat ogenblik behoort de betrokkene opnieuw tot het oorspronkelijk in zijn akte van geboorte geregistreerde geslacht. De regels tot vaststelling van de afstamming van toepassing op dat oorspronkelijk geregistreerde geslacht zijn opnieuw van toepassing op kinderen geboren na de opmaak van de akte als bedoeld in het vierde lid.
  § 10. De niet-ontvoogde minderjarige met onderscheidingsvermogen kan vanaf de leeftijd van zestien jaar aangifte doen overeenkomstig dit artikel, mits overhandiging bij de aangifte van een verklaring van een kinder- en jeugdpsychiater, die bevestigt dat de betrokkene over voldoende onderscheidingsvermogen beschikt om de voortdurende overtuiging te hebben dat het geslacht vermeld in zijn akte van geboorte niet overeenstemt met zijn innerlijk beleefde genderidentiteit. Bij de aangifte wordt de betrokkene bijgestaan door zijn ouders of zijn wettelijke vertegenwoordiger.
  Ingeval deze personen weigeren om de niet-ontvoogde minderjarige bij te staan, kan de minderjarige, bij verzoekschrift ondertekend door hemzelf of zijn advocaat, de familierechtbank verzoeken hem te machtigen om deze handeling met bijstand van een voogd ad hoc te verrichten.".
Art.12. Dans le titre IV/1 du même Code, inséré par l'article 11, il est inséré un article 135/1, rédigé comme suit :
  "Art. 135/1. § 1er. Tout Belge majeur ou Belge mineur émancipé ou tout étranger inscrit aux registres de la population qui a la conviction que le sexe mentionné dans son acte de naissance ne correspond pas à son identité de genre vécue intimement peut faire déclaration de cette conviction à l'officier de l'état civil.
  § 2. La déclaration est faite à l'officier de l'état civil compétent.
  Lors de la déclaration, le Belge qui n'est pas inscrit aux registres de la population informe l'officier de l'état civil de l'adresse à laquelle un refus d'établir l'acte de modification de l'enregistrement du sexe peut lui être communiqué.
  § 3. Lors de la déclaration, l'intéressé remet à l'officier de l'état civil une déclaration qu'il a signée, indiquant que, depuis un certain temps déjà, il a la conviction que le sexe mentionné dans son acte de naissance ne correspond pas à son identité de genre vécue intimement et qu'il souhaite les conséquences administratives et juridiques d'une modification de l'enregistrement du sexe dans son acte de naissance.
  L'officier de l'état civil indique à l'intéressé le caractère en principe irrévocable de la modification de l'enregistrement du sexe mentionné dans l'acte de naissance, l'informe sur la suite de la procédure et ses conséquences administratives et juridiques et met à sa disposition la brochure d'information visée à l'alinéa 5, ainsi que les coordonnées d'organisations destinées aux personnes transgenres.
  L'officier de l'état civil prend acte de la déclaration et délivre un accusé de réception à l'intéressé.
  L'officier de l'état civil qui prend acte de la déclaration en informe dans les trois jours le procureur du Roi près le tribunal de première instance. Le procureur du Roi en accuse réception sans délai.
  Le Roi rédige une brochure d'information.
  § 4. Le procureur du Roi peut, dans les trois mois à compter de la date de l'accusé de réception, rendre un avis négatif en raison d'une contrariété à l'ordre public.
  En l'absence d'avis négatif ou en cas d'envoi d'un document attestant qu'aucun avis négatif n'a été émis avant l'écoulement du délai de trois mois, l'avis est réputé favorable.
  § 5. Au plus tôt trois mois et au plus tard six mois après la délivrance de l'accusé de réception, l'intéressé se présente une seconde fois devant l'officier de l'état civil devant qui la déclaration avait été faite.
  L'intéressé remet à l'officier de l'état civil une déclaration signée indiquant :
  1° qu'il a toujours la conviction que le sexe mentionné dans son acte de naissance ne correspond pas à son identité de genre vécue intimement;
  2° qu'il est conscient des conséquences administratives et juridiques qu'entraîne cette modification de l'enregistrement du sexe dans l'acte de naissance;
  3° qu'il est conscient du caractère en principe irrévocable de la modification de l'enregistrement du sexe dans l'acte de naissance.
  En l'absence d'avis négatif du procureur du Roi, l'officier de l'état civil peut établir l'acte de modification de l'enregistrement du sexe et l'associer aux autres actes de l'état civil de l'intéressé qui mentionnent son sexe.
  En cas d'avis négatif du procureur du Roi, l'officier de l'état civil refuse d'établir l'acte de modification de l'enregistrement du sexe.
  § 6. L'officier de l'état civil qui refuse d'établir un acte de modification de l'enregistrement du sexe notifie sa décision motivée et, le cas échéant, l'avis négatif du procureur du Roi à l'intéressé sans délai.
  § 7. L'intéressé peut introduire un recours contre le refus de l'officier de l'état civil conformément à l'article 1385duodecies du Code judiciaire.
  § 8. Le procureur du Roi poursuit la nullité d'une modification de l'enregistrement du sexe dans l'acte de naissance en raison d'une contrariété à l'ordre public.
  § 9. La modification de l'enregistrement du sexe dans l'acte de naissance est en principe irrévocable.
  Moyennant la preuve de circonstances exceptionnelles, l'intéressé peut, conformément à la procédure visée à l'article 1385duodecies, §§ 1er et 3, du Code judiciaire, demander au tribunal de la famille d'autoriser une nouvelle modification de l'enregistrement du sexe dans l'acte de naissance.
  Si la preuve visée à l'alinéa 2 est établie, le tribunal de la famille déclare que la modification de l'enregistrement du sexe dans l'acte de naissance cessera de produire ses effets à partir de l'établissement de l'acte de nouvelle modification de l'enregistrement du sexe.
  Lorsque la nouvelle modification de l'enregistrement du sexe a été prononcée par un jugement ou un arrêt coulé en force de chose jugée, le greffier transmet immédiatement les données nécessaires à l'établissement de l'acte de nouvelle modification de l'enregistrement du sexe à l'officier de l'état civil compétent via la BAEC. L'officier de l'état civil établit l'acte de nouvelle modification de l'enregistrement du sexe immédiatement.
  A partir de ce moment, la personne concernée retrouve son sexe d'origine enregistré sur son acte de naissance. Les dispositions relatives à l'établissement de la filiation, applicables au sexe d'origine enregistré, s'appliquent à nouveau aux enfants nés après l'établissement de l'acte visé à l'alinéa 4.
  § 10. Le mineur non émancipé doué de discernement peut, à partir de l'âge de seize ans, faire la déclaration prévue par le présent article, en remettant une attestation établie par un pédopsychiatre qui confirme que l'intéressé dispose d'une faculté de discernement suffisante pour avoir la conviction durable que le sexe mentionné dans son acte de naissance ne correspond pas à son identité de genre vécue intimement. Lors de sa déclaration, l'intéressé est assisté par ses parents ou son représentant légal.
  Si ces personnes refusent d'assister le mineur non-émancipé, celui-ci peut, par une requête signée par lui-même ou son avocat, demander au tribunal de la famille de l'autoriser à poser cet acte assisté d'un tuteur ad hoc.".
Art.13. In titel IV/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 11, wordt een artikel 135/2 ingevoegd, luidende :
  "Art. 135/2. § 1. De akte van aanpassing van de registratie van het geslacht laat de afstamming ten aanzien van reeds geboren kinderen en de daaruit voortvloeiende rechten, bevoegdheden en verplichtingen onverlet.
  Alle vorderingen met betrekking tot deze afstamming en de daaruit voortvloeiende rechten, bevoegdheden en verplichtingen kunnen nog worden ingesteld na de opmaak van de akte van aanpassing van de registratie van het geslacht.
  § 2. Indien de betrokkene na de aanpassing van de registratie van het geslacht van vrouw naar man in de akte van geboorte een kind baart, is boek I, titel VII, hoofdstuk I naar analogie van toepassing evenals de hoofdstukken 3, 4 en 5.
  In geval de betrokkene een kind verwekt of heeft toegestemd in de verwekking overeenkomstig de wet van 6 juli 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo's en de gameten waarvan de verwekking van het kind het gevolg is, en het kind wordt geboren na de aanpassing van de registratie van het geslacht van man naar vrouw in de akte van geboorte, is boek I, titel VII, hoofdstuk 2 naar analogie van toepassing evenals de hoofdstukken 3, 4 en 5.
  De persoon ten aanzien van wie de afstamming wordt vastgesteld volgens de bepalingen van het tweede lid wordt in de akte van geboorte steeds als meemoeder vermeld.
  In alle overige gevallen wordt voor de toepassing van boek I, titel VII, uitgegaan van het nieuwe geslacht.".
Art.13. Dans le titre IV/1 du même Code, inséré par l'article 11, il est inséré un article 135/2, rédigé comme suit :
  "Art. 135/2. § 1er. L'acte de modification de l'enregistrement du sexe ne modifie ni les liens de filiation à l'égard d'enfants déjà nés, ni les droits, pouvoirs et obligations qui en découlent.
  Toutes les actions concernant ces liens de filiation et celles relatives aux droits, pouvoirs et obligations qui en découlent peuvent encore être intentées après l'établissement de l'acte de modification de l'enregistrement du sexe.
  § 2. Si l'intéressé donne naissance à un enfant après la modification de l'enregistrement du sexe féminin en sexe masculin dans l'acte de naissance, le livre Ier, titre VII, chapitre Ier, est d'application par analogie, ainsi que les chapitres 3, 4 et 5.
  Si l'intéressé conçoit un enfant ou a consenti à la conception de l'enfant conformément à la loi du 6 juillet 2007 relative à la procréation médicalement assistée et à la destination des embryons surnuméraires et des gamètes dont la conception de l'enfant est la conséquence et que l'enfant est né après la modification de l'enregistrement du sexe masculin en sexe féminin sur l'acte de naissance, le livre Ier, titre VII, chapitre 2, est d'application par analogie, ainsi que les chapitres 3, 4 et 5.
  La personne à l'égard de laquelle la filiation est établie conformément aux dispositions de l'alinéa 2 est mentionnée comme coparente sur l'acte de naissance.
  Dans tous les autres cas, l'application du livre Ier, titre VII, est fondée sur le nouveau sexe.".
Art.14. In artikel 145/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 maart 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het vierde lid worden de woorden "artikel 63" vervangen door de woorden "artikel 164/1";
  2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "De beschikking wordt als bijlage bij de huwelijksakte in de DABS opgenomen.".
Art.14. A l'article 145/1 du même Code, inséré par la loi du 17 mars 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 4, les mots "l'article 63" sont remplacés par les mots "l'article 164/1";
  2° l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  "La décision est jointe en annexe de l'acte de mariage dans la BAEC.".
Art.15. In boek I, titel V, van hetzelfde Wetboek wordt het opschrift van hoofdstuk II vervangen als volgt : "Hoofdstuk II. Formaliteiten betreffende het huwelijk".
Art.15. Dans le livre Ier, titre V, du même Code, l'intitulé du chapitre II est remplacé par ce qui suit : "Chapitre II. Des formalités relatives au mariage".
Art.16. In boek I, titel V, hoofdstuk II van hetzelfde Wetboek wordt een afdeling 1 ingevoegd, luidende "Aangifte van het huwelijk".
Art.16. Dans le livre Ier, titre V, chapitre II, du même Code, il est inséré une section 1re intitulée : "De la déclaration de mariage".
Art.17. In afdeling 1, ingevoegd bij artikel 16, wordt een artikel 164/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 164/1. § 1. Personen die willen huwen, moeten hiervan aangifte doen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente waar één van de toekomstige echtgenoten zijn inschrijving in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister heeft op die datum, met voorlegging van de in artikel 164/2 bedoelde documenten.
  Indien geen van de toekomstige echtgenoten een inschrijving heeft in één van de in het eerste lid bedoelde registers, of indien de actuele verblijfplaats van één of elk van hen om gegronde redenen niet met deze inschrijving overeenstemt, kan de aangifte gebeuren bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de actuele verblijfplaats van één van de toekomstige echtgenoten.
  Voor Belgen die in het buitenland verblijven en die niet zijn ingeschreven in het bevolkingsregister van een Belgische gemeente, kan de aangifte gebeuren bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente van de laatste inschrijving in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister van één van de toekomstige echtgenoten, of van de gemeente waar een bloedverwant tot en met de tweede graad van één van de toekomstige echtgenoten zijn inschrijving heeft op de datum van de aangifte, of van de geboorteplaats van één van de toekomstige echtgenoten. Bij gebrek hieraan kan de aangifte gebeuren bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van Brussel.
  § 2. De aangifte gebeurt door één of beide toekomstige echtgenoten.
  De ambtenaar van de burgerlijke stand ondertekent de aangifte binnen een maand na de afgifte van het in artikel 164/2, § 5, bedoelde bericht van ontvangst, behalve indien hij twijfels heeft over de geldigheid of echtheid van de in artikel 164/2 bedoelde overgelegde documenten. In dat geval geeft hij hiervan kennis aan de toekomstige echtgenoten en spreekt hij zich ten laatste drie maanden na de afgifte van het in artikel 164/2, § 5, bedoelde bericht van ontvangst uit over de geldigheid of echtheid van de overgelegde documenten en het ondertekenen van de aangifte. Indien hij binnen deze termijn geen beslissing heeft genomen, dient de ambtenaar van de burgerlijke stand onverwijld de aangifte te ondertekenen.
  § 3. Wanneer de belanghebbende partijen in gebreke blijven de in artikel 164/2 bedoelde documenten over te leggen of indien hij de geldigheid of echtheid van deze documenten niet erkent, weigert de ambtenaar van de burgerlijke stand over te gaan tot de ondertekening van de aangifte.
  De ambtenaar van de burgerlijke stand brengt zijn met redenen omklede beslissing onmiddellijk ter kennis van de belanghebbende partijen. Op hetzelfde ogenblik wordt een afschrift hiervan, samen met een kopie van alle nuttige documenten, overgemaakt aan de procureur des Konings van het gerechtelijk arrondissement waarin de weigering plaatsvond.
  Door de belanghebbende partijen kan tegen de weigering door de ambtenaar van de burgerlijke stand binnen de maand na de kennisgeving van zijn beslissing, beroep worden ingesteld bij de familierechtbank.
  De Koning bepaalt een model van aangifte, de wijze van verzending van de documenten en de wijze waarop de meldingen gebeuren.
  De Koning kan de voorwaarden bepalen voor een elektronische aangifte van huwelijk.
  § 4. De ambtenaar van de burgerlijke stand die de aangifte heeft ondertekend gaat na of er geen huwelijksbeletselen zijn.".
Art.17. Dans la section 1re, insérée par l'article 16, il est inséré un article 164/1 rédigé comme suit :
  "Art. 164/1. § 1er. Les personnes qui veulent se marier sont tenues d'en faire la déclaration, moyennant le dépôt des documents visés à l'article 164/2, à l'officier de l'état civil de la commune où l'un des futurs époux est inscrit à cette date dans les registres de la population, le registre des étrangers ou le registre d'attente.
  Si aucun des futurs époux n'est inscrit dans l'un des registres visés à l'alinéa 1er ou si la résidence actuelle de l'un d'eux ou des deux ne correspond pas, pour des raisons légitimes, à cette inscription, la déclaration peut être faite à l'officier de l'état civil de la résidence actuelle de l'un des futurs époux.
  Pour les Belges qui résident à l'étranger et qui ne sont pas inscrits dans les registres de la population d'une commune belge, la déclaration peut être faite à l'officier de l'état civil de la commune de la dernière inscription, dans les registres de la population, le registre des étrangers ou le registre d'attente de l'un des futurs époux, ou de la commune où un parent jusqu'au deuxième degré de l'un des futurs époux est inscrit à la date de la déclaration, ou du lieu de naissance de l'un des futurs époux. A défaut, la déclaration peut être faite à l'officier de l'état civil de Bruxelles.
  § 2. La déclaration est faite par l'un des futurs époux ou par les deux.
  L'officier de l'état civil signe la déclaration dans le mois qui suit la délivrance de l'accusé de réception visé à l'article 164/2, § 5 sauf s'il a des doutes sur la validité ou l'authenticité des documents remis visés à l'article 164/2. Dans ce cas, il en informe les futurs époux et il se prononce, au plus tard trois mois après la délivrance de l'accusé de réception visé à l'article 164/2, § 5, sur la validité ou l'authenticité des documents remis et la signature de la déclaration. S'il n'a pris aucune décision dans ce délai, l'officier de l'état civil est tenu de signer sans délai la déclaration.
  § 3. Lorsque les parties intéressées restent en défaut de déposer les documents visés à l'article 164/2 ou s'il ne reconnaît pas la validité ou l'authenticité de ces documents, l'officier de l'état civil refuse de signer la déclaration.
  L'officier de l'état civil notifie sans délai sa décision motivée aux parties intéressées. Une copie, accompagnée d'une copie de tous documents utiles, est transmise en même temps au procureur du Roi de l'arrondissement judiciaire dans lequel le refus a été exprimé.
  Le refus de l'officier de l'état civil est susceptible de recours dans le délai d'un mois suivant la notification de sa décision par les parties intéressées devant le tribunal de la famille.
  Le Roi détermine un modèle de déclaration, les modalités de l'expédition des documents et les modalités des mentions.
  Le Roi peut déterminer les conditions liées à une déclaration électronique de mariage.
  § 4. L'officier de l'état civil qui a signé la déclaration vérifie s'il n'existe pas d'empêchements à mariage.".
Art.18. In dezelfde afdeling 1 wordt een artikel 164/2 ingevoegd, luidende :
  "Art. 164/2. § 1. Bij ontvangst van de aangifte gaat de ambtenaar van de burgerlijke stand na of voor elk van de echtgenoten de akte van geboorte beschikbaar is in de DABS. Indien de akte van geboorte in België werd opgemaakt of in België werd overgeschreven voor de inwerkingtreding van de wet 18 juni 2018 houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing, verzoekt hij de ambtenaar die de akte heeft opgemaakt of overgeschreven tot opname van de akte in de DABS.
  Indien de akte van geboorte niet op deze wijze beschikbaar is, leggen de toekomstige echtgenoten, voor elk van hen, zelf een uittreksel van de geboorteakte voor.
  De ambtenaar van de burgerlijke stand controleert de identiteit van de echtgenoten aan de hand van het identiteisbewijs zoals bedoeld in de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen en gaat na of de echtgenoten ingeschreven zijn in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister.
  § 2. De echtgenoten voegen bij de aangifte de volgende documenten :
  1° voor zover zij niet beschikken over een identiteitsbewijs bedoeld in paragraaf 1, een ander bewijs van identiteit;
  2° in voorkomend geval, een bewijs van de actuele verblijfplaats evenals, in voorkomend geval, een bewijs van de gewone verblijfplaats in België sinds meer dan drie maanden;
  3° in voorkomend geval, een gelegaliseerd schriftelijk bewijs van de bij de aangifte van het huwelijk afwezige toekomstige echtgenoot, waaruit diens instemming met de aangifte blijkt;
  4° ieder ander authentiek stuk of bewijs waaruit blijkt dat in hoofde van de betrokkene is voldaan aan de door de wet gestelde voorwaarden om een huwelijk te mogen aangaan.
  § 3. De echtgenoot die niet is ingeschreven in het bevolkings- of vreemdelingenregister, voegt bovendien de volgende documenten bij de aangifte :
  1° een bewijs van nationaliteit;
  2° een bewijs van de ongehuwde staat of van de ontbinding of nietigverklaring van het laatste voor een Belgisch ambtenaar van de burgerlijke stand voltrokken huwelijk en in voorkomend geval een bewijs van de ontbinding of de nietigverklaring van de huwelijken gesloten voor een buitenlandse overheid, tenzij ze een voor een Belgisch ambtenaar van de burgerlijke stand voltrokken huwelijk voorafgaan. Het bewijs van de ontbinding of nietigverklaring van een vorig huwelijk dient niet te worden voorgelegd indien de rechterlijke belissing in België werd ingeschreven. De ambtenaar van de burgerlijke stand gaat dit na in de DABS.
  § 4. De documenten bedoeld in paragraaf 2, 1° en paragraaf 3, 1°, worden als bijlage in de DABS opgenomen.
  § 5. Indien de ambtenaar van de burgerlijke stand op basis van de paragrafen 1 tot 3 over al deze documenten beschikt voor elk van de echtgenoten, levert hij een ontvangstbewijs af van de aangifte.
  § 6. Indien hij zich onvoldoende ingelicht acht, kan de ambtenaar van de burgerlijke stand een afschrift van de desbetreffende akten van de burgerlijke stand opvragen, en de belanghebbende verzoeken om ieder ander bewijs tot staving van die gegevens over te leggen.
  § 7. Indien de overgelegde documenten in een vreemde taal zijn opgemaakt, kan de ambtenaar van de burgerlijke stand om een voor eensluidend verklaarde vertaling ervan verzoeken.
  § 8. Bij de aangifte van het huwelijk deelt de ambtenaar van de burgerlijke stand de toekomstige echtgenoten mee dat ze een beroep kunnen doen op ten hoogste vier getuigen, die ze zelf kiezen en die minimum achttien jaar oud zijn.".
Art.18. Dans la même section 1re, il est inséré un article 164/2 rédigé comme suit :
  "Art. 164/2. § 1er. Lors de la réception de la déclaration, l'officier de l'état civil vérifie si pour chacun des époux l'acte de naissance est disponible dans la BAEC. Si l'acte de naissance est établi en Belgique ou transcrit en Belgique avant l'entrée en vigueur de la loi du 18 juin 2018 portant dispositions diverses en matière de droit civil et des dispositions en vue de promouvoir des formes alternatives de résolution des litiges, il invite l'officier de l'état civil qui a établi ou transcrit l'acte à enregistrer l'acte dans la BAEC.
  Si l'acte de naissance n'est pas disponible de cette manière, les futurs époux produisent eux-mêmes, pour chacun d'eux, un extrait de l'acte de naissance.
  L'officier de l'état civil vérifie l'identité des époux sur la base de la preuve d'identité visée dans la loi du 19 juillet 1991 relative aux registres de la population, aux cartes d'identité, aux cartes d'étranger et aux documents de séjour et modifiant la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques et il vérifie si les époux sont inscrits au registre de la population, au registre des étrangers ou au registre d'attente.
  § 2. Les époux joignent à la déclaration, les documents suivants :
  1° pour autant qu'ils ne disposent pas de la preuve d'identité visée au paragraphe 1er, une autre preuve d'identité;
  2° le cas échéant, une preuve de la résidence actuelle ainsi que, le cas échéant, une preuve de la résidence habituelle en Belgique depuis plus de trois mois;
  3° le cas échéant, une preuve écrite légalisée, émanant du futur époux absent lors de la déclaration du mariage, dont il ressort que celui-ci consent à la déclaration;
  4° toute autre pièce authentique ou attestation dont il ressort que l'intéressé remplit les conditions requises par la loi pour pouvoir contracter mariage.
  § 3. L'époux qui n'est pas inscrit dans les registres de population ou le registre des étrangers, joint en outre à la déclaration, les documents suivants :
  1° une preuve de nationalité;
  2° une preuve de célibat ou une preuve de la dissolution ou de l'annulation du dernier mariage célébré devant un officier de l'état civil belge et, le cas échéant, une preuve de la dissolution ou de l'annulation des mariages célébrés devant une autorité étrangère, à moins qu'ils ne soient antérieurs à un mariage célébré devant un officier de l'état civil belge. La preuve de la dissolution ou de l'annulation d'un mariage précédent ne doit pas être produite lorsque la décision judiciaire est inscrite en Belgique. L'officier de l'état civil le vérifie dans la BAEC.
  § 4. Les documents visés au paragraphe 2, 1°, et paragraphe 3, 1°, sont joints en annexe dans la BAEC.
  § 5. Si l'officier de l'état civil dispose sur la base des paragraphes 1er à 3, de tous ces documents pour chacun des époux, il délivre un accusé de réception de la déclaration.
  § 6. S'il s'estime insuffisamment informé, l'officier de l'état civil peut réclamer une copie des actes de l'état civil en question et demander à l'intéressé de lui remettre toute autre preuve étayant ces données.
  § 7. Si les documents remis sont établis dans une langue étrangère, l'officier de l'état civil peut en demander une traduction certifiée conforme.
  § 8. Lors de la déclaration de mariage, l'officier de l'état civil informe les futurs époux de la possibilité de recourir à la présence de quatre témoins au plus, qu'ils choisissent eux-mêmes et qui ont au moins dix-huit ans.".
Art.19. In dezelfde afdeling 1 wordt een artikel 164/3 ingevoegd, luidende :
  "Art. 164/3. Onverminderd artikel 368-10 kan de echtgenoot, die in de onmogelijkheid verkeert zich een akte van geboorte te verschaffen, de akte van geboorte vervangen door :
  1° indien zijn akte van geboorte werd opgesteld in een land waarvoor de onmogelijkheid of zware moeilijkheden om de bedoelde akte van de burgerlijke stand te verkrijgen, werden aanvaard :
  a) hetzij een gelijkwaardig document afgegeven door de diplomatieke of consulaire overheden van zijn land van geboorte;
  b) hetzij, ingeval van onmogelijkheid of zware moeilijkheden om zich voornoemd document te verschaffen, een akte van bekendheid, afgegeven door de vrederechter van zijn hoofdverblijfplaats;
  2° indien zijn akte van geboorte niet werd opgesteld in een land waarvoor de onmogelijkheid of zware moeilijkheden om de akte van de burgerlijke stand in kwestie te verkrijgen, werden aanvaard een akte van bekendheid, afgegeven door de vrederechter van hun hoofdverblijfplaats.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en op voordracht van de minister van Buitenlandse Zaken, een lijst van landen waarvoor de in lid 1, 1°, bedoelde onmogelijkheid of zware moeilijkheden worden aanvaard."
Art.19. Dans la même section 1re, il est inséré un article 164/3 rédigé comme suit :
  "Art. 164/3. Sans préjudice de l'article 368-10, en cas d'impossibilité de se procurer un acte de naissance, l'époux peut produire afin de suppléer à l'acte de naissance :
  1° si son acte de naissance a été dressé dans un pays pour lequel l'impossibilité ou les difficultés sérieuses d'obtenir l'acte d'état civil en question ont été admises :
  a) soit un document équivalent délivré par les autorités diplomatiques ou consulaires de son pays de naissance;
  b) soit en cas d'impossibilité ou de difficultés sérieuses à se procurer ce dernier document, un acte de notoriété délivré par le juge de paix de sa résidence principale;
  2° si son acte de naissance n'a pas été dressé dans un pays pour lequel l'impossibilité ou les difficultés sérieuses d'obtenir l'acte d'état civil en question ont été admises, un acte de notoriété délivré par le juge de paix de sa résidence principale.
  Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres et sur proposition du ministre des Affaires étrangères, une liste des pays pour lesquels l'impossibilité ou les difficultés sérieuses, visées à l'alinéa 1er, 1°, sont admises.".
Art.20. In dezelfde afdeling 1 wordt een artikel 164/4 ingevoegd, luidende :
  "Art. 164/4. In de akte van bekendheid verklaren twee getuigen, van minimum achttien jaar oud, de voornamen, de naam, het beroep en de plaats van inschrijving in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister van de toekomstige echtgenoot, en die van zijn ouders, indien deze bekend zijn, de geboorteplaats en, zo mogelijk, de geboortedatum en de redenen die beletten de akte over te leggen. De getuigen tekenen met de vrederechter de akte van bekendheid. Indien een getuige niet kan tekenen wordt dit vermeld.".
Art.20. Dans la même section 1re, il est inséré un article 164/4 rédigé comme suit :
  "Art. 164/4. L'acte de notoriété contient la déclaration faite par deux témoins, d'au moins dix-huit ans, les prénoms, nom, profession et lieu d'inscription dans le registre de la population, le registre des étrangers ou le registre d'attente du futur époux et de ceux de ses parents, s'ils sont connus, le lieu et, autant que possible, la date de naissance et les causes qui empêchent de transmettre l'acte. Les témoins signent l'acte de notoriété avec le juge de paix. Si un témoin ne peut pas signer, il en est fait mention.".
Art.21. In dezelfde afdeling 1 wordt een artikel 164/5 ingevoegd, luidende :
  "Art. 164/5. De vrederechter bedoeld in artikel 164/3 maakt de akte van bekendheid onmiddellijk over aan de familierechtbank van de plaats waar het huwelijk moet worden voltrokken. De familierechtbank, na de procureur des Konings te horen, weigert te homologeren indien zij oordeelt dat de verklaringen van de getuigen en de redenen die het overleggen van de akte van geboorte beletten onvoldoende zijn.
  De gehomologeerde akte van bekendheid wordt als bijlage in de DABS opgenomen.".
Art.21. Dans la même section 1re, il est inséré un article 164/5 rédigé comme suit :
  "Art. 164/5. Le juge de paix visé à l'article 164/3 transmet immédiatement l'acte de notoriété au tribunal de la famille du lieu où doit se célébrer le mariage. Le tribunal de la famille, après avoir entendu le procureur du Roi, refuse d'homologuer l'acte de notoriété s'il juge insuffisantes les déclarations des témoins et les causes qui empêchent de rapporter l'acte de naissance.
  L'acte de notoriété homologué est enregistré en tant qu'annexe dans la BAEC.".
Art.22. In dezelfde afdeling 1 wordt een artikel 164/6 ingevoegd, luidende :
  "Art. 164/6. Indien één van de toekomstige echtgenoten geen akte van bekendheid kan verkrijgen, kan die akte vervangen worden door een beëdigde verklaring van de toekomstige echtgenoot zelf voor de ambtenaar van de burgerlijke stand, met toelating van de familierechtbank, op verzoekschrift verleend en na het horen van het openbaar ministerie.
  De toelating tot afleggen van een beëdigde verklaring wordt als bijlage in de DABS opgenomen.".
Art.22. Dans la même section 1re, il est inséré un article 164/6 rédigé comme suit :
  "Art. 164/6. Si l'un des futurs époux ne peut pas se procurer un acte de notoriété, il peut y être suppléé par une déclaration sous serment du futur époux lui-même devant l'officier de l'état civil, avec l'autorisation du tribunal de la famille donnée sur requête, après que le ministère public ait été entendu.
  L'autorisation de faire une déclaration sous serment est enregistrée en tant qu'annexe dans la BAEC.".
Art.23. In dezelfde afdeling 1 wordt een artikel 164/7 ingevoegd, luidende :
  "Art. 164/7. Een ieder die reeds een akte van bekendheid heeft verkregen of aan wie de rechtbank krachtens de artikelen 164/3 tot 164/6 reeds toelating heeft verleend een beëdigde verklaring af te leggen, en die aantoont dat hij nog steeds in de onmogelijkheid verkeert de akte van geboorte over te leggen, kan deze vervangen door de akte van bekendheid of door de toelating, voor zover de juistheid van de gegevens die zij bevat, niet wordt weerlegd.".
Art.23. Dans la même section 1re, il est inséré un article 164/7 rédigé comme suit :
  "Art. 164/7. Toute personne qui a déjà obtenu un acte de notoriété ou qui a déjà été autorisée par le tribunal à faire une déclaration sous serment, en vertu des articles 164/3 à 164/6 et qui établit qu'elle est toujours dans l'impossibilité de produire son acte de naissance, peut le suppléer par cet acte de notoriété ou cette autorisation, pour autant que l'exactitude des données qu'il contient ne soit pas réfutée.".
Art.24. In boek I, titel V, hoofdstuk 2 van hetzelfde Wetboek wordt een afdeling 2 ingevoegd, die de huidige artikelen 165, 166 en 167 bevat, luidende "Voltrekking van het huwelijk".
Art.24. Dans le livre Ier, titre V, chapitre 2, du même Code, il est inséré une section 2, comportant les articles 165, 166 et 167 actuels, intitulée "De la célébration du mariage".
Art.25. In artikel 165 van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 4 mei 1999 en gewijzigd bij de wetten van 19 februari 2009 en 21 december 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1 worden de woorden "opmaak van de akte van aangifte van het huwelijk zoals bedoeld in artikel 63" vervangen door de woorden "ondertekening van de aangifte zoals bedoeld in artikel 164/1";
  2° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden "nieuwe aangifte van het huwelijk werd gedaan in de vorm zoals bepaald in artikel 63" vervangen door de woorden "nieuwe aangifte ondertekend werd zoals bedoeld in artikel 164/1".
Art.25. A l'article 165 du même Code, rétabli par la loi du 4 mai 1999 et modifié par les lois des 19 février 2009 et 21 décembre 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, les mots "de l'établissement de l'acte de déclaration de mariage, visé à l'article 63" sont remplacés par les mots "de la signature de la déclaration, visée à l'article 164/1";
  2° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots "une nouvelle déclaration de mariage faite dans la forme prévue à l'article 63" sont remplacés par les mots "la signature d'une nouvelle déclaration visée à l'article 164/1".
Art.26. In afdeling 2, ingevoegd bij artikel 24, wordt een artikel 165/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 165/1. Op de door de partijen gekozen dag, met uitzondering van zon- en feestdagen, na verloop van de termijn bedoeld in artikel 165, licht de ambtenaar van de burgerlijke stand in het gemeentehuis, eventueel in aanwezigheid van de getuigen, aan de partijen de inhoud toe van hoofdstuk VI van deze titel. Om de beurt verklaren de partijen dat zij elkaars echtgenoot willen zijn. Daarna verklaart de ambtenaar in naam van de wet dat zij door het huwelijk verbonden zijn. Hij maakt daarvan zonder vertraging de akte op in de DABS.
  In afwijking van het eerste lid, kan de gemeenteraad op het grondgebied van de gemeente andere openbare plaatsen met een neutraal karakter, waarvan de gemeente het uitsluitend gebruiksrecht heeft, aanwijzen om huwelijken te voltrekken.".
Art.26. Dans la section 2, insérée par l'article 24, il est inséré un article 165/1 rédigé comme suit :
  "Art. 165/1. Le jour désigné par les parties, à l'exception des dimanches et jours fériés, après le délai visé à l'article 165, l'officier de l'état civil explique aux parties à la maison communale, éventuellement en présence des témoins, le contenu du chapitre VI du présent titre. Les parties déclarent à tour de rôle qu'elles veulent se prendre pour époux. L'officier de l'état civil déclare ensuite, au nom de la loi, qu'elles sont unies par le mariage. Il en établit l'acte sans délai dans la BAEC.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, le conseil communal peut désigner, sur le territoire de la commune, d'autres lieux publics à caractère neutre, dont la commune a l'usage exclusif, pour célébrer les mariages.".
Art.27. Artikel 193ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 2 juni 2013, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 193ter. Elk exploot van betekening van een vonnis of arrest dat een huwelijk nietig verklaart, wordt door de instrumenterende gerechtsdeurwaarder onmiddellijk in afschrift meegedeeld aan het openbaar ministerie en de griffier van het gerecht dat de beslissing heeft uitgesproken.
  Wanneer de nietigheid van het huwelijk is uitgesproken bij een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing, stuurt de griffier onmiddellijk de gegevens van de rechtelijke beslissing door naar de DABS, met de vermelding van de dag van het in kracht van gewijsde treden ervan.
  De DABS maakt op basis hiervan een melding op en verbindt deze met de huwelijksakte.
  De griffier brengt de partijen hiervan onmiddellijk in kennis.
  Indien het gaat om de nietigverklaring van een huwelijk dat is aangegaan met overtreding van de artikelen 146bis of 146ter notificeert de DABS de rechterlijke beslissing, met vermelding van de datum van het in kracht van gewijsde treden, onmiddellijk aan de Dienst Vreemdelingenzaken.".
Art.27. L'article 193ter du même Code, inséré par la loi du 2 juin 2013, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 193ter. Tout exploit de signification d'un jugement ou arrêt portant annulation d'un mariage est immédiatement communiqué en copie par l'huissier de justice instrumentant au ministère public et au greffier de la juridiction qui a prononcé la décision.
  Lorsque la nullité du mariage a été prononcée par une décision judiciaire coulée en force de chose jugée, le greffier transmet immédiatement les données du jugement ou de l'arrêt à la BAEC, avec mention du jour où la décision judiciaire a acquis force de chose jugée.
  La BAEC établit une mention sur cette base et l'associe à l'acte de mariage.
  Le greffier en avertit immédiatement les parties.
  Lorsqu'il s'agit de l'annulation d'un mariage contracté en contravention des articles 146bis ou 146ter, la BAEC notifie immédiatement la décision judiciaire, en mentionnant le jour où elle a acquis force de chose jugée, à l'Office des étrangers.".
Art.28. Artikel 198 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
  "Art. 198. Wanneer het bewijs van de wettelijke voltrekking van een huwelijk is verkregen als gevolg van een strafrechtelijke procedure, verzekert de opmaak van de akte van huwelijk ten gevolge van de rechterlijke beslissing, vanaf de dag van de voltrekking, alle burgerlijke gevolgen aan het huwelijk zowel ten aanzien van de echtgenoten als de uit het huwelijk geboren kinderen.".
Art.28. L'article 198 du même Code est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 198. Lorsque la preuve d'une célébration légale du mariage se trouve acquise par le résultat d'une procédure pénale, l'établissement de l'acte de mariage suite à la décision judiciaire assure au mariage, à compter du jour de sa célébration, tous les effets civils, tant à l'égard des époux, qu'à l'égard des enfants issus de ce mariage.".
Art.29. (vroeger art. 30) In artikel 313, § 3, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 31 maart 1987 en gewijzigd bij de wetten van 13 februari 2003 en 19 september 2017, worden de woorden "binnen drie dagen" ingevoegd tussen de woorden "geeft deze" en de woorden "kennis van de akte".
Art.29. Dans l'article 313, § 3, alinéa 2, du même Code, remplacé par la loi du 31 mars 1987 et modifié par les lois des 13 février 2003 et 19 septembre 2017, les mots "dans les trois jours" sont insérés entre les mots "par celui-ci" et les mots "; s'il n'est pas reçu".
Art.30. Artikel 316bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 1 juli 2006 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2013, wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "Indien een gemeenschappelijke verklaring overeenkomstig het eerste lid werd afgelegd, wordt deze als bijlage opgenomen in de DABS.".
Art.30. L'article 316bis du même Code, inséré par la loi du 1er juillet 2006 et modifié en dernier lieu par la loi du 30 juillet 2013, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  "Si une déclaration conjointe est faite conformément à l'alinéa 1er, elle est enregistrée en tant qu'annexe dans la BAEC.".
Art.31. In artikel 319bis, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 1 juli 2006 en gewijzigd bij de wet van 19 september 2017, worden de woorden "binnen drie dagen" ingevoegd tussen de woorden "wordt" en de woorden "een afschrift".
Art.31. Dans l'article 319bis, alinéa 2, du même Code, remplacé par la loi du 1er juillet 2006 et modifié par la loi du 19 septembre 2017, les mots "dans les trois jours" sont insérés entre les mots "l'acte est envoyée" et les mots "par lettre recommandée".
Art.32. In artikel 325/6, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 mei 2014 en gewijzigd bij de wet van 19 september 2017, worden de woorden "binnen drie dagen" ingevoegd tussen de woorden "wordt" en de woorden "een afschrift".
Art.32. Dans l'article 325/6, alinéa 2, du même Code, inséré par la loi du 5 mai 2014 et modifié par la loi du 19 septembre 2017, les mots "dans les trois jours" sont insérés entre les mots "l'acte est envoyée" et les mots "par lettre recommandée".
Art.33. In artikel 327, § 2, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 19 september 2017, worden de woorden "die de akte van aangifte bedoeld in artikel 327/1, § 1, eerste lid heeft opgemaakt." vervangen door de woorden "die de aangifte heeft ondertekend, overeenkomstig artikel 327/1, § 1, eerste lid.".
Art.33. Dans l'article 327, § 2, du même Code, remplacé par la loi du 19 septembre 2017, les mots "qui a dressé l'acte de déclaration visée à l'article 327/1, § 1er, alinéa 1er." sont remplacés par les mots "qui a signé la déclaration, conformément à l'article 327/1, § 1er, alinéa 1er.".
Art.34. In artikel 327/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 september 2017, worden de paragrafen 2 en 3 vervangen als volgt :
  " § 2. De ambtenaar van de burgerlijke stand ondertekent de aangifte binnen een maand na de afgifte van het in artikel 327/2, § 1, eerste lid, bedoelde bericht van ontvangst, behalve indien hij twijfels heeft over de geldigheid of echtheid van de in artikel 327/2 bedoelde overgelegde documenten. In dat geval geeft hij hiervan kennis aan de aangever en spreekt hij zich ten laatste drie maanden na de afgifte van het in artikel 327/2, § 1, eerste lid, bedoelde bericht van ontvangst uit over de geldigheid of echtheid van de overgelegde documenten en het ondertekenen van de aangifte. Indien hij binnen deze termijn geen beslissing heeft genomen, dient de ambtenaar van de burgerlijke stand onverwijld de aangifte te ondertekenen.
  § 3. Wanneer de aangever in gebreke blijft de in artikel 327/2 bedoelde documenten over te leggen of indien de ambtenaar van de burgerlijke stand binnen de in paragraaf 2 bepaalde termijn de geldigheid of echtheid van deze documenten niet erkent, weigert de ambtenaar van de burgerlijke stand over te gaan tot de ondertekening van de aangifte bedoeld in paragraaf 2.
  De ambtenaar van de burgerlijke stand brengt zijn met redenen omklede beslissing onmiddellijk ter kennis van de aangever.
  Op hetzelfde ogenblik wordt een afschrift hiervan, samen met een kopie van alle nuttige documenten, overgemaakt aan de procureur des Konings van het gerechtelijk arrondissement waarin de weigering plaatsvond.
  De aangever kan tegen de weigering door de ambtenaar van de burgerlijke stand beroep instellen bij de familierechtbank binnen de maand na de kennisgeving van zijn beslissing.
  De Koning bepaalt een model van aangifte, de wijze van verzending van de documenten en de wijze waarop de meldingen gebeuren.
  De Koning kan de voorwaarden bepalen voor een elektronische aangifte van erkenning.".
Art.34. Dans l'article 327/1 du même Code, inséré par la loi du 19 septembre 2017, les paragraphes 2 et 3 sont remplacés par ce qui suit :
  " § 2. L'officier de l'état civil signe la déclaration dans le mois qui suit la délivrance de l'accusé de réception visé à l'article 327/2, § 1er, alinéa 1er, sauf s'il a des doutes sur la validité ou l'authenticité des documents remis visés à l'article 327/2. Dans ce cas, il en informe le déclarant et il se prononce au plus tard dans les trois mois qui suivent la délivrance de l'accusé de réception visé à l'article 327/2, § 1er, alinéa 1er, sur la validité ou l'authenticité des documents remis et sur la signature de la déclaration. S'il n'a pris aucune décision dans ce délai, l'officier de l'état civil est tenu de signer sans délai la déclaration.
  § 3. Lorsque le déclarant reste en défaut de déposer les documents visés à l'article 327/2 ou si l'officier de l'état civil ne reconnaît pas la validité ou l'authenticité de ces documents dans le délai prévu au paragraphe 2, l'officier de l'état civil refuse de procéder à la signature de la déclaration visée au paragraphe 2.
  L'officier de l'état civil notifie sans délai sa décision motivée au déclarant.
  Une copie de celle-ci, accompagnée d'une copie de tous documents utiles, est transmise en même temps au procureur du Roi de l'arrondissement judiciaire dans lequel le refus a été exprimé.
  Le déclarant peut introduire un recours contre le refus de l'officier de l'état civil devant le tribunal de la famille dans le mois suivant la notification de sa décision.
  Le Roi détermine un modèle de déclaration, les modalités de l'expédition des documents et les modalités des mentions.
  Le Roi peut déterminer les conditions liées à une déclaration de reconnaissance électronique.".
Art.35. Artikel 327/2 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 september 2017, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 327/2. § 1. Bij ontvangst van de aangifte van een erkenning gaat de ambtenaar van de burgerlijke stand voor het kind [1 ...]1 na of de akte van geboorte beschikbaar is in de DABS. Indien de akte van geboorte in België werd opgemaakt of in België werd overgeschreven voor de inwerkingtreding van de wet van 18 juni 2018 houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing, verzoekt hij de ambtenaar van de burgerlijke stand die de akte heeft opgemaakt of overgeschreven tot opname van de akte in de DABS.
  Indien de akte van geboorte niet op deze wijze beschikbaar is, legt de persoon die het kind wil erkennen zelf een uittreksel van de [1 akte van geboorte]1 voor.
  Hij controleert de identiteit van de persoon die het kind wil erkennen en, in voorkomend geval, van de ouder ten aanzien van wie de afstamming vaststaat, aan de hand van het identiteitsbewijs zoals bedoeld in de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen en gaat na of deze personen ingeschreven zijn in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister.
  § 2. De persoon die het kind wil erkennen voegt bij de aangifte de volgende documenten :
  1° voor zover deze persoon niet beschikt over een identiteitsbewijs bedoeld in paragraaf 1, een ander bewijs van identiteit;
  2° in voorkomend geval, een bewijs van zijn actuele verblijfplaats of, in voorkomend geval, van de persoon die voorafgaande toestemming moet geven of van het kind;
  3° in voorkomend geval, een authentieke akte waaruit de toestemming blijkt van de persoon die zijn voorafgaande toestemming in de erkenning moet geven;
  4° in geval van een erkenning voor de geboorte, een attest van een arts of een vroedvrouw dat de zwangerschap bevestigt en de vermoedelijke bevallingsdatum aangeeft;
  5° ieder ander authentiek stuk waaruit blijkt dat in hoofde van de betrokkene is voldaan aan de door de wet gestelde voorwaarden om een kind te erkennen.
  § 3. De persoon die het kind wil erkennen en die niet is ingeschreven in het bevolkings- of vreemdelingenregister, voegt bovendien de volgende documenten bij de aangifte :
  1° een bewijs van nationaliteit van hem en, in voorkomend geval, van de ouder ten aanzien van wie de afstamming vaststaat;
  2° een bewijs van de ongehuwde staat of van de ontbinding of nietigverklaring van het laatste voor een Belgisch ambtenaar van de burgerlijke stand voltrokken huwelijk en in voorkomend geval een bewijs van de ontbinding of de nietigverklaring van de huwelijken gesloten voor een buitenlandse overheid, tenzij ze een voor een Belgisch ambtenaar van de burgerlijke stand voltrokken huwelijk voorafgaan, indien het krachtens artikel 62 van het Wetboek van Internationaal Privaatrecht toepasselijk recht, bepaalt dat een gehuwd persoon geen kind kan erkennen bij een ander persoon dan zijn echtgenoot of echtgenote;
  3° in voorkomend geval, een bewijs van de ongehuwde staat of van de ontbinding of nietigverklaring van het laatste voor een Belgisch ambtenaar van de burgerlijke stand voltrokken huwelijk en in voorkomend geval een bewijs van de ontbinding of de nietigverklaring van de huwelijken gesloten voor een buitenlandse overheid, tenzij ze een voor een Belgisch ambtenaar van de burgerlijke stand voltrokken huwelijk voorafgaan, van de moeder ingeval van een erkenning voor de geboorte of in de akte van geboorte.
  § 4. De documenten bedoeld in paragraaf 2, 1°, en paragraaf 3, 1°, worden als bijlage in de DABS opgenomen.
  § 5. Indien de ambtenaar van de burgerlijke stand op basis van de paragrafen 1 tot 3 over al deze documenten beschikt, levert hij een ontvangstbewijs af van de aangifte.
  § 6. Indien hij zich onvoldoende ingelicht acht kan de ambtenaar van de burgerlijke stand een afschrift van de desbetreffende akten van de burgerlijke stand opvragen, en de belanghebbende verzoeken om ieder ander bewijs tot staving van die gegevens over te leggen.
  § 7. Indien de overgelegde documenten in een vreemde taal zijn opgemaakt, kan de ambtenaar van de burgerlijke stand om een voor eensluidend verklaarde vertaling ervan verzoeken.
  § 8. De artikelen 164/3 tot 164/7 zijn naar analogie van toepassing.
  In afwijking van artikel 164/5 maakt de vrederechter de akte van bekendheid onmiddellijk over aan de familierechtbank van de plaats van de aangifte van de erkenning.".
  
Art.35. L'article 327/2 du même Code, inséré par la loi du 19 septembre 2017, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 327/2. § 1er. A la réception de la déclaration d'une reconnaissance, l'officier de l'état civil vérifie si l'acte de naissance est disponible dans la BAEC pour l'enfant [1 ...]1. Si l'acte de naissance a été établi en Belgique ou a été transcrit en Belgique avant l'entrée en vigueur de la loi du 18 juin 2018 portant dispositions diverses en matière de droit civil et des dispositions en vue de promouvoir des formes alternatives de résolution des litiges, il demande à l'officier de l'état civil qui a établi ou transcrit cet acte de l'enregistrer dans la BAEC.
  Si l'acte de naissance n'est pas disponible de cette manière, le candidat à la reconnaissance de l'enfant produit lui-même un extrait [1 de l'acte de naissance]1.
  Il contrôle l'identité du candidat à la reconnaissance de l'enfant et, le cas échéant, du parent à l'égard duquel la filiation est établie, au moyen de la pièce d'identité visée dans la loi du 19 juillet 1991 relative aux registres de la population, aux cartes d'identité, aux cartes d'étranger et aux documents de séjour et modifiant la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques, et vérifie si ces personnes sont inscrites dans le registre de la population, le registre des étrangers ou le registre d'attente.
  § 2. Le candidat à la reconnaissance de l'enfant joint à la déclaration les documents suivants :
  1° pour autant que cette personne ne possède pas de pièce d'identité visée au paragraphe 1er, une autre pièce d'identité;
  2° le cas échéant, une preuve de sa résidence actuelle ou, le cas échéant, de la personne qui doit donner le consentement préalable ou de l'enfant;
  3° le cas échéant, un acte authentique attestant le consentement de la personne qui doit donner son consentement préalable à la reconnaissance;
  4° dans le cas d'une reconnaissance prénatale, une attestation d'un médecin ou d'une sage-femme qui confirme la grossesse et qui indique la date probable de l'accouchement;
  5° toute autre pièce authentique dont il ressort que l'intéressé remplit les conditions requises par la loi pour reconnaître un enfant.
  § 3. Le candidat à la reconnaissance de l'enfant qui n'est pas inscrit dans le registre de la population ou dans le registre des étrangers, joint en outre les documents suivants à la déclaration :
  1° une preuve de nationalité le concernant, et, le cas échéant, concernant le parent à l'égard duquel la filiation est établie;
  2° une preuve de célibat ou une preuve de la dissolution ou de l'annulation du dernier mariage célébré devant un officier de l'état civil belge et, le cas échéant, une preuve de la dissolution ou de l'annulation des mariages célébrés devant une autorité étrangère, à moins qu'elles ne soient antérieures à un mariage célébré devant un officier de l'état civil belge, de la personne voulant reconnaître l'enfant si le droit applicable en vertu de l'article 62 du Code de droit international privé établit qu'une personne mariée ne peut reconnaître un enfant avec une autre personne que son époux ou son épouse;
  3° le cas échéant, une preuve de célibat ou une preuve de la dissolution ou de l'annulation du dernier mariage célébré devant un officier de l'état civil belge et, le cas échéant, une preuve de la dissolution ou de l'annulation des mariages célébrés devant une autorité étrangère, à moins qu'elles ne soient antérieures à un mariage célébré devant un officier de l'état civil belge, de la mère dans le cas d'une reconnaissance avant la naissance ou dans l'acte de naissance.
  § 4. Les documents visés au paragraphe 2, 1°, et au paragraphe 3, 1°, sont enregistrés en tant qu'annexe dans la BAEC.
  § 5. Si l'officier de l'état civil dispose sur la base des paragraphes 1er à 3 de tous ces documents, il délivre un accusé de réception de la déclaration.
  § 6. S'il s'estime insuffisamment informé, l'officier de l'état civil peut réclamer une copie des actes de l'état civil en question, et demander à l'intéressé de lui remettre toute autre preuve étayant ces données.
  § 7. Si les documents remis sont établis dans une langue étrangère, l'officier de l'état civil peut en demander une traduction certifiée conforme.
  § 8. Les articles 164/3 à 164/7 sont d'application par analogie.
  Par dérogation à l'article 164/5, le juge de paix transmet immédiatement l'acte de notoriété au tribunal de la famille du lieu de la déclaration de reconnaissance.".
  
Art.36. Artikel 328, § 2, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 17 maart 2013 en gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "De beschikking wordt als bijlage opgenomen in de DABS.".
Art.36. L'article 328, § 2, du même Code, remplacé par la loi du 17 mars 2013 et modifié par la loi du 25 avril 2014, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  "La décision est enregistrée en tant qu'annexe dans la BAEC.".
Art.37. In artikel 329bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 1 juli 2006 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 19 september 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° paragraaf 1/1 wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "De beschikking wordt als bijlage opgenomen in de DABS.";
  2° in paragraaf 2 wordt een lid ingevoegd tussen het tweede en het derde lid, luidende :
  "De beschikking wordt als bijlage opgenomen in de DABS.".
Art.37. A l'article 329bis du même Code, inséré par la loi du 1er juillet 2006 et modifié en dernier lieu par la loi du 19 septembre 2017, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 1er/1 est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  "La décision est enregistrée en tant qu'annexe dans la BAEC.";
  2° dans le paragraphe 2, un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 2 et 3 :
  "La décision est enregistrée en tant qu'annexe dans la BAEC.".
Art.38. In artikel 330/2, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 september 2017, worden de woorden "opmaak van de akte van aangifte" vervangen door de woorden "ondertekening van de aangifte".
Art.38. Dans l'article 330/2, alinéa 2, du même Code, inséré par la loi du 19 septembre 2017, les mots "l'établissement de l'acte de déclaration" sont remplacés par les mots "la signature de la déclaration".
Art.39. In artikel 330/3, § 2, ingevoegd bij de wet van 19 september 2017, worden het tweede tot vierde lid vervangen als volgt :
  "Wanneer de nietigheid van de erkenning is uitgesproken bij een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing, stuurt de griffier onmiddellijk de gegevens van de rechterlijke beslissing door naar de DABS, met de vermelding van de dag van het in kracht van gewijsde treden ervan.
  De DABS maakt op basis hiervan een melding op en verbindt deze met de akte van erkenning en de akte van geboorte van het kind.
  De griffier brengt de partijen hiervan onmiddellijk in kennis.
  Indien het gaat om de nietigverklaring van een erkenning die is gedaan met overtreding van artikel 330/1 notificeert de DABS de rechterlijke beslissing, met vermelding van de datum van het in kracht van gewijsde treden, onmiddellijk aan de Dienst Vreemdelingenzaken.".
Art.39. Dans l'article 330/3, § 2, inséré par la loi du 19 septembre 2017, les alinéas 2 à 4 sont remplacés par ce qui suit :
  "Lorsque la nullité de la reconnaissance a été prononcée par une décision judiciaire coulée en force de chose jugée, le greffier transmet immédiatement les données de la décision judiciaire à la BAEC, en mentionnant le jour où elle a acquis force de chose jugée.
  La BAEC établit une mention sur cette base et l'associe à l'acte de reconnaissance et à l'acte de naissance de l'enfant.
  Le greffier en avertit immédiatement les parties.
  Lorsqu'il s'agit de l'annulation d'une reconnaissance effectuée en violation de l'article 330/1, la BAEC notifie immédiatement la décision judiciaire, en mentionnant le jour où elle a acquis force de chose jugée, à l'Office des étrangers.".
Art.40. In het opschrift van boek I, titel VII, hoofdstuk 4, afdeling 3, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 31 maart 1987, worden de woorden "de registers van de burgerlijke stand" vervangen door de woorden "de DABS".
Art.40. Dans l'intitulé du livre Ier, titre VII, chapitre IV, section 3, du même Code, remplacé par la loi du 31 mars 1987, les mots "sur les registres de l'état civil" sont remplacés par les mots "dans la BAEC".
Art.41. In artikel 333 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 31 maart 1987, wordt paragraaf 2 vervangen als volgt :
  " § 2. Na het verstrijken van de termijn van hoger beroep of van voorziening in cassatie of, in voorkomend geval, na de uitspraak van het arrest waarbij de voorziening wordt afgewezen, stuurt de griffier onmiddellijk de gegevens nodig voor de opmaak van de gewijzigde akte van de burgerlijke stand ingevolge een rechterlijke beslissing waarbij een vordering betreffende de afstamming wordt toegewezen via de DABS naar de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand.
  De bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand wijzigt de akten van de burgerlijke stand van het kind en van zijn afstammelingen.".
Art.41. Dans l'article 333 du même Code, remplacé par la loi du 31 mars 1987, le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. Après l'expiration du délai d'appel ou de pourvoi en cassation ou, le cas échéant, après le prononcé de l'arrêt rejetant le pourvoi, le greffier transmet immédiatement via la BAEC à l'officier de l'état civil compétent, les données nécessaires à l'établissement de l'acte modifié de l'état civil suite à une décision judiciaire faisant droit à une demande relative à la filiation.
  L'officier de l'état civil compétent modifie les actes de l'état civil de l'enfant et de ses descendants.".
Art.42. [1 In artikel 335, § 3, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 8 mei 2014 en gewijzigd bij de wet van 18 december 2014, wordt het vijfde lid vervangen als volgt:
   "De bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand maakt de akte van verklaring van naamskeuze op ten gevolge van de in het tweede lid bedoelde verklaring en verbindt deze met de akte van geboorte van het kind en met de akten van de burgerlijke stand waarop ze betrekking heeft of wijzigt de akte van geboorte van het kind en de akten van de burgerlijke stand waarop ze betrekking heeft ten gevolge van het in het vierde lid bedoelde vonnis.]1

  
Art.42. [1 Dans l'article 335, § 3, du même Code, remplacé par la loi du 8 mai 2014 et modifié par la loi du 18 décembre 2014, l'alinéa 5 est remplacé par ce qui suit:
   "L'officier de l'état civil compétent établit l'acte de déclaration de choix de nom suite à la déclaration visée à l'alinéa 2 et l'associe à l'acte de naissance de l'enfant et aux actes de l'état civil auxquels il se rapporte, ou modifie l'acte de naissance de l'enfant et les actes de l'état civil auxquels il se rapporte suite au jugement visé à l'alinéa 4.]1

  
Art.43. [1 In artikel 335ter, § 2, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 mei 2014, wordt het vijfde lid vervangen als volgt:
   "De bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand maakt de akte van verklaring van naamskeuze op ten gevolge van de in het tweede lid bedoelde verklaring en verbindt deze met de akte van geboorte van het kind en met de akten van de burgerlijke stand waarop ze betrekking heeft of wijzigt de akte van geboorte van het kind en de akten van de burgerlijke stand waarop ze betrekking heeft ten gevolge van het in het vierde lid bedoelde vonnis.]1

  
Art.43. [1 Dans l'article 335ter, § 2, du même Code, inséré par la loi du 5 mai 2014, l'alinéa 5 est remplacé ce qui suit:
   "L'officier de l'état civil compétent établit l'acte de déclaration de choix de nom suite à la déclaration visée à l'alinéa 2 et l'associe à l'acte de naissance de l'enfant et aux actes de l'état civil auxquels il se rapporte, ou modifie l'acte de naissance de l'enfant et les actes de l'état civil auxquels il se rapporte suite au jugement visé à l'alinéa 4.]1

  
Art. 43/1. [1 Artikel 335quater, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 6 juli 2017, wordt vervangen als volgt:
   "De bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand maakt de akte van verklaring van naamskeuze op ten gevolge van de in het eerste lid bedoelde verklaring en verbindt deze met de akte van geboorte van het kind en met de akten van de burgerlijke stand waarop ze betrekking heeft.]1

  
Art. 43/1. [1 L'article 335quater, alinéa 2, du Code civil, inséré par la loi du 6 juillet 2017, est remplacé par ce qui suit:
   "L'officier de l'état civil compétent établit l'acte de déclaration de choix de nom suite à la déclaration visée à l'alinéa 1er et l'associe à l'acte de naissance de l'enfant et aux actes de l'état civil auxquels il se rapporte.]1

  
Art.44. In artikel 349-1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 24 april 2003, wordt het woord "overgeschreven" vervangen door de woorden "waarvan een akte van adoptie werd opgemaakt.".
Art.44. Dans l'article 349-1 du même Code, inséré par la loi du 24 avril 2003, le mot "transcrite" est remplacé par les mots "sur base de laquelle un acte d'adoption a été établi.".
Art.45. In artikel 351 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 24 april 2003 en gewijzigd bij de wet van 30 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het derde lid wordt vervangen als volgt :
  "Indien het bewijs van de feiten als bedoeld in het eerste lid is geleverd, verklaart de familierechtbank dat de adoptie wordt herzien.";
  2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "De adoptie heeft geen gevolgen meer vanaf de opmaak van de akte van herziening van adoptie.".
Art.45. A l'article 351 du même Code, remplacé par la loi du 24 avril 2003 et modifié par la loi du 30 juillet 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
  "Si la preuve des faits visés à l'alinéa 1er est établie, le tribunal de la famille déclare que l'adoption est révisée.";
  2° l'article est complété par un alinéa, rédigé comme suit :
  "L'adoption cesse de produire ses effets à partir de l'établissement de l'acte de révision de l'adoption.".
Art.46. In artikel 354-2, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 24 april 2003 en gewijzigd bij de wet van 30 juli 2013, wordt de zin "In dit geval stelt de ambtenaar van de burgerlijke stand de bevoegde vrederechter onmiddellijk in kennis van de overschrijving van het vonnis waarbij de herroeping wordt uitgesproken." vervangen door de zin "In dit geval stelt de ambtenaar van de burgerlijke stand de bevoegde vrederechter onmiddellijk in kennis van de opmaak van de akte van herroeping van adoptie.".
Art.46. Dans l'article 354-2, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 24 avril 2003 et modifié par la loi du 30 juillet 2013, la phrase "Dans ce cas, l'officier de l'état civil informe immédiatement le juge de paix compétent de la transcription du jugement prononçant la révocation." est remplacée par la phrase "Dans ce cas, l'officier de l'état civil informe immédiatement le juge de paix compétent de l'établissement de l'acte de révocation de l'adoption.".
Art.47. Artikel 354-3 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 24 april 2003, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 354-3. De adoptie heeft geen gevolgen meer vanaf de opmaak van de akte van herroeping. De huwelijksbeletsels bedoeld in artikel 353-13 blijven van toepassing.".
Art.47. L'article 354-3 du même Code, inséré par la loi du 24 avril 2003, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 354-3. L'adoption ne produit plus aucun effet à compter du jour de l'établissement de l'acte de révocation. Les empêchements à mariage visés à l'article 353-13 restent d'application.".
Art.48. Artikel 365-4 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 24 april 2003 en gewijzigd bij de wet van 6 december 2005, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 365-4. § 1. Bij ontvangst van het verzoek gaat de federale centrale autoriteit na of de akte van geboorte van de geadopteerde beschikbaar is in de DABS.
  Indien de akte van geboorte in België werd opgemaakt of in België werd overgeschreven voor de inwerkingtreding van de wet 18 juni 2018 houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing, verzoekt de federale centrale autoriteit de ambtenaar die de akte heeft opgemaakt of overgeschreven tot opname van de akte in de DABS.
  De federale centrale autoriteit gaat ook na of de geadopteerde en de adoptant of adoptanten zijn ingeschreven in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister.
  De federale centrale autoriteit vraagt een uittreksel uit het strafregister (model 2) op aan het Centraal Strafregister voor de adoptant of adoptanten met gewone verblijfplaats in België.
  § 2. Het verzoek bevat voor de adoptant of adoptanten die niet zijn ingeschreven in het bevolkings- of vreemdelingenregister, de volgende documenten :
  1° een bewijs van identiteit;
  2° een bewijs van datum en plaats van geboorte;
  3° een bewijs van nationaliteit;
  4° een bewijs van de gewone verblijfplaats.
  Het verzoek bevat voor de geadopteerde die niet is ingeschreven in het bevolkings- of vreemdelingenregister, de volgende documenten :
  1° een bewijs van nationaliteit;
  2° een bewijs van de gewone verblijfplaats.
  § 3. Het verzoek bevat voorts de volgende documenten :
  1° een afschrift van de beslissing of van de akte houdende adoptie;
  2° een beëdigde vertaling van de beslissing of van de akte houdende adoptie;
  3° een afschrift van de akte van geboorte van de geadopteerde, indien deze niet beschikbaar is in de DABS;
  4° een bewijs van de gewone verblijfplaats van de adoptant of adoptanten en de geadopteerde indien deze niet overeenkomt met de gewone verblijfplaats vermeld in het bevolkingsregister of vreemdelingenregister;
  5° een stuk waarin de identiteit is vermeld van de moeder en van de vader van het kind, ingeval deze gekend is en mag worden meegedeeld, of bij gebreke daarvan de identiteit en de hoedanigheid van de persoon die het kind tijdens de buitenlandse adoptieprocedure heeft vertegenwoordigd alsook, in voorkomend geval, het bewijs dat zij evenals het kind in de adoptie hebben toegestemd, tenzij zulks formeel blijkt uit de buitenlandse beslissing of akte;
  6° indien het kind zijn gewone verblijfplaats had in het buitenland en de adoptie daarna is totstandgekomen in een andere Staat dan die waar het gewoonlijk verbleef, een stuk uitgereikt door een autoriteit van de Staat waar het kind zijn gewone verblijfplaats had, waaruit blijkt dat machtiging is verleend om het kind over te brengen met het oog op zijn adoptie, tenzij dit formeel blijkt uit de buitenlandse beslissing of akte;
  7° een afschrift van het vonnis betreffende de geschiktheid van de adoptanten, van het verslag opgesteld overeenkomstig artikel 1231-32 van het Gerechtelijk Wetboek en van de schriftelijke toestemming bedoeld in artikel 361-3, 5°, wanneer het kind van zijn Staat van herkomst naar België werd, wordt of moet worden overgebracht, na adoptie in die Staat door een persoon of personen die op dat tijdstip hun gewone verblijfplaats in België hadden;
  8° alle stukken waaruit blijkt dat de personen of openbare en particuliere instellingen die desgevallend in het kader van de adoptieprocedure als tussenpersoon zijn opgetreden, voldeden aan de voorwaarden die terzake worden gesteld door de wet van de andere Staat onder wiens bevoegdheid zij vallen;
  9° een uittreksel uit het strafregister voor de adoptant of adoptanten zonder gewone verblijfplaats in België.
  § 4. Indien voornoemde stukken niet worden overgelegd, kan de federale centrale autoriteit een termijn bepalen waarbinnen dit moet geschieden. Met uitzondering van de stukken bedoeld in paragraaf 3, 1° en 2°, kan zij ook documenten aanvaarden welke met die stukken zijn gelijkgesteld.
  Indien zij van oordeel is voldoende te zijn ingelicht, kan zij vrijstelling verlenen van de overlegging van één of meer stukken bedoeld in paragraaf 2 en paragraaf 3, 4° en 6° tot 9°, wanneer de overlegging ervan materieel onmogelijk blijkt.
  Wanneer het verzoek tot erkenning betrekking heeft op een adoptie die geen interlandelijke adoptie is in de zin van artikel 360-2, kan de federale centrale autoriteit, wanneer zij zich voldoende ingelicht acht, vrijstelling verlenen van de overlegging van een of meer stukken bedoeld in paragraaf 2 en paragraaf 3, 3° tot 9°. ".
Art.48. L'article 365-4 du même Code, inséré par la loi du 24 avril 2003 et modifié par la loi du 6 décembre 2005, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 365-4. § 1er. Lors de la réception de la demande, l'autorité centrale fédérale vérifie si l'acte de naissance de l'adopté est disponible dans la BAEC.
  Si l'acte de naissance est établi en Belgique ou transcrit en Belgique avant l'entrée en vigueur de la loi du 18 juin 2018 portant dispositions diverses en matière de droit civil et des dispositions en vue de promouvoir des formes alternatives de résolution des litiges, l'autorité centrale fédérale invite l'officier de l'état civil qui a établi ou transcrit l'acte à enregistrer l'acte dans le BAEC.
  L'autorité centrale fédérale vérifie en plus si l'adopté et l'adoptant ou les adoptants sont inscrits au registre de la population, au registre des étrangers ou au registre d'attente.
  L'autorité centrale fédérale demande un extrait du casier judiciaire (modèle 2) au Casier judiciaire central, pour l'adoptant ou les adoptants qui ont leur résidence habituelle en Belgique.
  § 2. La demande comprend pour l'adoptant ou les adoptants qui ne sont pas inscrits dans le registre de la population ou le registre des étrangers les documents suivants :
  1° une preuve d'identité;
  2° une preuve de la date et du lieu de naissance;
  3° une preuve de la nationalité;
  4° une preuve de la résidence habituelle.
  La demande comprend pour l'adopté qui n'est pas inscrit dans le registre de la population ou le registre des étrangers, les documents suivants :
  1° une preuve de la nationalité;
  2° une preuve de la résidence habituelle.
  § 3. La demande comprend ensuite les documents suivants :
  1° une copie de la décision ou de l'acte d'adoption;
  2° une traduction jurée de la décision ou de l'acte d'adoption;
  3° une copie de l'acte de naissance de l'adopté, s'il n'est pas disponible dans la BAEC;
  4° une preuve de la résidence habituelle de l'adoptant ou des adoptants et de l'adopté lorsque celle-ci ne correspond pas à la résidence habituelle mentionnée dans le registre de la population ou le registre des étrangers;
  5° un document mentionnant l'identité de la mère et du père de l'enfant, si elle est connue et peut être divulguée, ou, à défaut, l'identité et la qualité de la personne qui l'a représenté dans la procédure d'adoption étrangère, ainsi que, le cas échéant, la preuve de leur consentement et de celui de l'enfant à l'adoption, à moins que la décision ou l'acte étranger n'atteste formellement ces faits;
  6° si l'enfant résidait habituellement à l'étranger avant l'adoption établie dans un autre Etat que celui de cette résidence, un document émanant d'une autorité du pays où l'enfant résidait habituellement et attestant que l'autorisation de déplacer l'enfant en vue de son adoption a été donnée, à moins que la décision ou l'acte étranger n'atteste formellement ce fait;
  7° une copie du jugement sur l'aptitude des adoptants, du rapport établi conformément à l'article 1231-32 du Code judiciaire et de l'approbation écrite visée à l'article 361-3, 5°, lorsque l'enfant a été, est ou doit être déplacé de son Etat d'origine vers la Belgique après son adoption dans cet Etat par une personne ou des personnes qui résidaient habituellement en Belgique au moment de celle-ci;
  8° tout document attestant que toute personne ou organisme public ou privé qui a éventuellement joué un rôle d'intermédiaire dans le processus d'adoption répondait aux conditions pour ce faire fixées par la loi de l'Etat étranger dont il relève;
  9° un extrait de casier judiciaire pour l'adoptant ou les adoptants qui n'ont pas de résidence habituelle en Belgique.
  § 4. A défaut de production des documents mentionnés ci-dessus, l'autorité centrale fédérale peut impartir un délai pour les produire. Elle peut également accepter des documents équivalents, sauf en ce qui concerne les documents mentionnés au paragraphe 3, 1° et 2°.
  Si elle s'estime suffisamment éclairée, elle peut dispenser de produire un ou plusieurs des documents mentionnés aux paragraphe 2 et paragraphe 3, 4°, et 6° à 9°, lorsque leur production s'avère matériellement impossible.
  Lorsque la demande de reconnaissance porte sur une adoption qui n'est pas une adoption internationale au sens de l'article 360-2, l'autorité centrale fédérale peut, si elle s'estime suffisamment éclairée, dispenser de produire un ou plusieurs des documents mentionnés aux paragraphe 2 et paragraphe 3, 3° à 9°. ".
Art.49. Het opschrift van boek I, titel VIII, hoofdstuk II, afdeling 3, § 4, ingevoegd bij de wet van 24 april 2003, wordt vervangen als volgt : " § 4. Akte van adoptie".
Art.49. L'intitulé du livre Ier, titre VIII, chapitre II, section 3, § 4, inséré par la loi du 24 avril 2003, est remplacé par ce qui suit " § 4. De l'acte d'adoption".
Art.50. Artikel 367-2 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 24 april 2003, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 367-2. Wanneer is voldaan aan de voorwaarden voor de erkenning in België van een in een andere Staat gewezen beslissing houdende totstandkoming, omzetting, herroeping of herziening van een adoptie, stuurt de federale centrale autoriteit de gegevens nodig voor de opmaak van volgende akten via de DABS naar de ambtenaar van de burgerlijke stand :
  - de akte van adoptie;
  - de akte van geboorte, op basis van de buitenlandse akte.
  De overeenkomstig artikel 368-1 bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand maakt de akte van adoptie en de akte van geboorte op. De ambtenaar van de burgerlijke stand stelt de federale centrale autoriteit hiervan in kennis.
  De federale centrale autoriteit stelt de centrale autoriteiten van de gemeenschappen hiervan in kennis.
  De akte van adoptie geldt als bewijs van de erkenning van de buitenlandse beslissing door de federale centrale autoriteit.
  De Koning bepaalt de nadere regels voor de opmaak van de akte van adoptie en voor de afgifte van het bewijs ervan. Dit geschiedt zonder heffing van enige rechten of taksen.
  Onverminderd beroep tegen een beslissing die overeenkomstig deze afdeling door de federale centrale autoriteit is gewezen, wordt iedere op grond van het eerste lid gewezen beslissing, op eenvoudig vertoon van een afschrift van de akte van adoptie, door iedere overheid of rechtsmacht, erkend, alsook door ieder ander persoon.".
Art.50. L'article 367-2 du même Code, inséré par la loi du 24 avril 2003, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 367-2. Lorsque les conditions de la reconnaissance en Belgique d'une décision portant établissement, conversion, révocation ou révision d'une adoption, rendue dans un Etat étranger, sont réunies, l'autorité centrale fédérale transmet via la BAEC à l'officier de l'état civil les données nécessaires à l'établissement des actes suivants :
  - l'acte d'adoption;
  - l'acte de naissance, sur la base de l'acte étranger.
  L'officier de l'état civil compétent conformément à l'article 368-1 établit l'acte d'adoption et l'acte de naissance. L'officier de l'état civil en avise l'autorité centrale fédérale.
  L'autorité centrale fédérale en avise les autorités centrales communautaires.
  L'acte d'adoption fait preuve de la reconnaissance de la décision étrangère par l'autorité centrale fédérale.
  Le Roi fixe les modalités de l'établissement de l'acte d'adoption et de la délivrance du document qui l'atteste. Cette délivrance a lieu en exemption de tous droits ou taxes.
  Sans préjudice de recours contre une décision rendue, en vertu de la présente section, par l'autorité centrale fédérale, toute décision rendue conformément à l'alinéa premier est reconnue par toute autorité ou juridiction, ainsi que par toute autre personne, sur simple présentation d'une copie de l'acte d'adoption.".
Art.51. In artikel 367-3 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 27 december 2004 en gewijzigd bij de wet van 30 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, tweede lid, wordt het woord "registratie" vervangen door de woorden "akte van adoptie en akte van geboorte";
  2° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt :
  " § 2. Wanneer het vonnis in kracht van gewijsde treedt, stuurt de griffier onmiddellijk via de DABS de gegevens nodig voor de opmaak van de akte van adoptie ten gevolge van dit vonnis, met vermelding van de datum van het in kracht van gewijsde treden, alsook, voor zover mogelijk, de gegevens nodig voor de akte van geboorte op basis van de buitenlandse akte, voor zover deze nog niet opgenomen zijn in de DABS, naar de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand.
  De ambtenaar van de burgerlijke stand maakt onmiddellijk de akte van adoptie en, voor zover mogelijk, de geboorteakte op, die met elkaar worden verbonden.
  De ambtenaar van de burgerlijke stand brengt onmiddellijk de federale centrale autoriteit, de partijen en de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op de hoogte van de opmaak van de akte van adoptie en, in voorkomend geval, van de geboorteakte.
  De federale centrale autoriteit stelt de centrale autoriteiten van de gemeenschappen hiervan in kennis.
  De partijen kunnen steeds om een afschrift van de akte van adoptie verzoeken aan de ambtenaar van de burgerlijke stand, als bewijs van erkenning van de buitenlandse beslissing door de federale centrale autoriteit.
  De bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand is deze bedoeld in artikel 368-1, § 2.";
  3° paragraaf 3 wordt opgeheven.
Art.51. A l'article 367-3 du même Code, inséré par la loi du 27 décembre 2004 et modifié par la loi du 30 juillet 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, les mots "de l'enregistrement visé" sont remplacés par les mots "de l'acte d'adoption et de l'acte de naissance visés";
  2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. Lorsque le jugement a acquis force de chose jugée, le greffier transmet immédiatement via la BAEC à l'officier de l'état civil compétent les données nécessaires à l'établissement de l'acte d'adoption suite à ce jugement, avec mention de la date à laquelle celui-ci a acquis force de chose jugée ainsi que, autant que possible, les données nécessaires à l'établissement de l'acte de naissance, sur base de l'acte étranger, pour autant que celles-ci ne soient pas encore inscrites dans la BAEC.
  L'officier de l'état civil établit immédiatement l'acte d'adoption et, autant que possible, l'acte de naissance, qui sont associés l'un avec l'autre.
  L'officier de l'état civil avise immédiatement l'autorité centrale fédérale, les parties et le procureur du Roi près le tribunal de première instance de Bruxelles de l'établissement de l'acte d'adoption et, le cas échéant, de l'acte de naissance.
  L'autorité centrale fédérale en avise immédiatement les autorités centrales communautaires.
  Les parties peuvent toujours demander une copie de l'acte d'adoption à l'officier de l'état civil comme preuve de la reconnaissance de la décision étrangère par l'autorité centrale fédérale.
  L'officier de l'état civil compétent est celui visé à l'article 368-1, § 2.";
  3° le paragraphe 3 est abrogé.
Art.52. Artikel 368-1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 24 april 2003, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 368-1. § 1. De ambtenaar van de burgerlijke stand is bevoegd voor de opmaak van :
  - een akte van adoptie ten gevolge van een in België gewezen beslissing houdende uitspraak, omzetting, herroeping of herziening van een adoptie;
  - een akte van geboorte van de geadopteerde, op basis van de buitenlandse akte van geboorte, wanneer de adoptie in België is uitgesproken of erkend.
  De buitenlandse akten en buitenlandse beslissingen worden als bijlage in de DABS opgenomen.
  § 2. De bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand is deze van :
  - de plaats van inschrijving in het bevolkings-, vreemdelingen-, of wachtregister van de geadopteerde, of bij gebrek hieraan, van de adoptant, van de adoptanten of van één van hen,
  - of bij gebrek hieraan, van de actuele verblijfplaats in België van de geadopteerde, of bij gebrek hieraan, van de adoptant, van de adoptanten of van één van hen,
  - of bij gebrek hieraan, van Brussel.
  § 3. De ambtenaar van de burgerlijke stand stelt de federale centrale autoriteit onmiddellijk in kennis van de opmaak van de akte van adoptie, en in voorkomend geval, van de akte van geboorte. De federale centrale autoriteit stelt vervolgens de centrale autoriteiten van de gemeenschappen hiervan in kennis.".
Art.52. L'article 368-1 du même Code, inséré par la loi du 24 avril 2003, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 368-1. § 1er . L'officier de l'état civil est compétent pour établir :
  - un acte d'adoption à la suite d'une décision rendue en Belgique qui prononce, convertit, révoque ou révise une adoption;
  - un acte de naissance de l'adopté, sur la base de l'acte de naissance étranger lorsque l'adoption est prononcée ou reconnue en Belgique.
  Les actes étrangers et les décisions étrangères sont enregistrés en tant qu'annexe dans la BAEC.
  § 2. L'officier de l'état civil compétent est celui :
  - du lieu d'inscription dans le registre de la population, le registre des étrangers ou le registre d'attente de l'adopté, ou, à défaut, de l'adoptant, des adoptants ou de l'un d'eux,
  - ou, à défaut, de la résidence actuelle en Belgique de l'adopté, ou, à défaut, de l'adoptant, des adoptants ou de l'un d'eux,
  - ou, à défaut, de Bruxelles.
  § 3. L'officier de l'état civil avise immédiatement l'autorité centrale fédérale de l'établissement de l'acte d'adoption et, le cas échéant, de l'acte de naissance. L'autorité centrale fédérale en informe ensuite les autorités centrales communautaires.".
Art.53. In artikel 368-2 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 24 april 2003, worden de woorden "Wanneer de beslissing waarbij een adoptie overeenkomstig het Verdrag wordt uitgesproken of omgezet in de registers van de burgerlijke stand wordt overgeschreven" vervangen door de woorden "Wanneer een akte van adoptie wordt opgemaakt ten gevolge van een buitenlandse beslissing waarbij een adoptie overeenkomstig het Verdrag wordt uitgesproken of omgezet".
Art.53. Dans l'article 368-2 du même Code, inséré par la loi du 24 avril 2003, les mots "Lorsque la décision prononçant ou convertissant une adoption, conforme à la Convention est transcrite sur les registres de l'état civil" sont remplacés par les mots "Lorsqu'un acte d'adoption est établi à la suite d'une décision prononçant ou convertissant une adoption conformément à la Convention".
Art.54. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 368-9 ingevoegd, luidende :
  "Art. 368-9. De ambtenaar van de burgerlijke stand die een akte van herroeping van adoptie opmaakt ten gevolge van een rechterlijke beslissing waarbij de adoptie van een minderjarig kind wordt herroepen zonder dat beslist wordt dat het weer onder het ouderlijk gezag van zijn ouders wordt geplaatst, notificeert dit binnen drie dagen elektronisch via de DABS aan de vrederechter, bedoeld in artikel 390.".
Art.54. Dans le même Code, il est inséré un article 368-9 rédigé comme suit :
  "Art. 368-9. L'officier de l'état civil qui établit un acte de révocation de l'adoption à la suite d'une décision judiciaire révoquant l'adoption d'un mineur, sans ordonner qu'il soit à nouveau placé sous l'autorité parentale de ses parents, le notifie, dans les trois jours, par voie électronique via la BAEC au juge de paix visé à l'article 390.".
Art.55. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 368-10 ingevoegd, luidende :
  "Art. 368-10. § 1. Elke persoon van wie de adoptie in België is uitgesproken of erkend en die onmogelijk zijn akte van geboorte kan verkrijgen, kan de akte van adoptie overleggen.
  § 2. Indien de gegevens in de akte van adoptie onvoldoende zijn voor het doel waarvoor zij moeten worden gebruikt, start de verzoekende overheid onmiddellijk zelf een onderzoek naar bijkomende gegevens, zonder de termijn van drie maanden te overschrijden. Indien de verzoekende overheid deze gegevens niet zelf kan verkrijgen, of de door haar verkregen gegevens onvoldoende zijn, stelt zij de belanghebbende hiervan onmiddellijk en uiterlijk binnen dezelfde periode van drie maanden op de hoogte en kan zij deze verzoeken om ieder ander bewijs tot staving van die gegevens over te leggen.".
Art.55. Dans le même Code, il est inséré un article 368-10 rédigé comme suit :
  "Art. 368-10. § 1er. Toute personne dont l'adoption a été prononcée ou reconnue en Belgique et qui se trouve dans l'impossibilité de se procurer son acte de naissance peut produire l'acte d'adoption.
  § 2. Si les données contenues dans l'acte d'adoption ne suffisent pas aux fins pour lesquelles elles doivent être utilisées, l'autorité requérante initie elle-même, immédiatement et dans un délai qui ne peut excéder trois mois, une enquête visant à obtenir des données complémentaires. Si elle n'est pas en mesure de les obtenir elle-même ou si les données qu'elle a obtenu sont insuffisantes, l'autorité requérante en informe l'intéressé immédiatement et au plus tard dans le même délai de trois mois et peut lui demander de lui remettre toute autre preuve étayant ces données.".
Art.56. In boek I van hetzelfde Wetboek wordt een titel VIII/1 ingevoegd, luidende "Namen en voornamen".
Art.56. Dans le livre Ier du même Code, il est inséré un titre VIII/1 intitulé "Des noms et prénoms".
Art.57. In titel VIII/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 56, wordt een hoofdstuk 1 ingevoegd, luidende "Vastheid van naam".
Art.57. Dans le titre VIII/1 du même Code, inséré par l'article 56, il est inséré un chapitre 1er, intitulé "Fixité du nom".
Art.58. In hoofdstuk 1, ingevoegd bij artikel 57, wordt een artikel 370/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 370/1. Niemand mag publiekelijk een andere naam of andere voornamen dragen dan deze vermeld in zijn akte van geboorte.
  Deze namen en voornamen kunnen slechts gewijzigd of verbeterd worden op de wijze en in de gevallen bepaald door de wet.".
Art.58. Dans le chapitre 1er, inséré par l'article 57, il est inséré un article 370/1, rédigé comme suit :
  "Art. 370/1. Nul ne peut porter publiquement de nom ou de prénoms autres que ceux mentionnés dans son acte de naissance.
  Ces noms et ces prénoms ne peuvent être modifiés ou rectifiés que de la manière et dans les cas visés par la loi.".
Art.59. In titel VIII/1 van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 56, wordt een hoofdstuk 2 ingevoegd, luidende "Toegelaten voornamen".
Art.59. Dans le titre VIII/1 du Code civil, inséré par l'article 56, il est inséré un chapitre 2, intitulé "Prénoms autorisés".
Art.60. In hoofdstuk 2, ingevoegd bij artikel 59, wordt een artikel 370/2 ingevoegd, luidende :
  "Art. 370/2. De ambtenaar van de burgerlijke stand mag in de akte van geboorte geen voornamen opnemen die aanleiding geven tot verwarring dan wel het kind of derden kunnen schaden.".
Art.60. Dans le chapitre 2, inséré par l'article 59, il est inséré un article 370/2, rédigé comme suit :
  "Art. 370/2. L'officier de l'état civil ne peut recevoir dans l'acte de naissance des prénoms prêtant à confusion ou pouvant nuire à l'enfant ou à des tiers.".
Art.61. In titel VIII/1 van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 56, wordt een hoofdstuk 3 ingevoegd, luidende "Verandering van naam en voornamen".
Art.61. Dans le titre VIII/1 du Code civil, inséré par l'article 56, il est inséré un chapitre 3, intitulé "Changement de nom et de prénoms".
Art.62. In hoofdstuk 3, ingevoegd bij artikel 61, wordt een artikel 370/3 ingevoegd, luidende :
  "Art. 370/3. § 1. Elk verzoek tot verandering van naam of voornamen wordt geformuleerd door de betrokkene zelf of door zijn wettelijke vertegenwoordiger.
  § 2. Elke persoon die om het even welke reden heeft om van naam te veranderen, kan daartoe aan de minister van Justitie een verzoek richten.
  Het verzoek is ontvankelijk indien het registratierecht bedoeld in artikel 249 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten werd voldaan.
  § 3. Elke persoon die van voornamen wenst te veranderen, dient daartoe een verzoek in bij de ambtenaar van de burgerlijke stand :
  - van de gemeente waar de betrokkene in de bevolkingsregisters, het vreemdelingenregister of het wachtregister is ingeschreven, of;
  - indien de betrokkene in het buitenland verblijft, van de gemeente waar hij het laatst was ingeschreven in de bevolkingsregisters, vreemdelingenregister of wachtregister, of bij ontstentenis;
  - van Brussel.
  § 4. Elke persoon die de overtuiging heeft dat het geslacht vermeld in zijn akte van geboorte niet overeenkomt met zijn innerlijk beleefde genderidentiteit, voegt bij zijn verzoek een verklaring op eer daarover. De gekozen voornaam moet in overeenstemming zijn met deze overtuiging. Onverminderd het vierde lid, kan er slechts éénmaal om deze reden om een voornaamsverandering worden verzocht, behalve indien de verandering van de voornaam werd toegestaan door de familierechtbank na een nieuwe aanpassing van de registratie van het geslacht.
  De niet-ontvoogde minderjarige kan vanaf de leeftijd van twaalf jaar om de voornaamsverandering verzoeken om deze reden, met bijstand van zijn ouders of zijn wettelijke vertegenwoordiger.
  Ingeval deze personen weigeren om de niet-ontvoogde minderjarige bij te staan, kan de minderjarige de familierechtbank bij verzoekschrift, ondertekend door hemzelf of zijn advocaat verzoeken hem te machtigen om deze handeling met bijstand van een voogd ad hoc te verrichten.
  De niet-ontvoogde minderjarige wiens voornaam werd veranderd overeenkomstig het tweede lid kan een tweede maal om dezelfde reden om een voornaamsverandering verzoeken, voor zover hij niet overgaat tot de aanpassing van de registratie van zijn geslacht overeenkomstig artikel 135/1 van het Burgerlijk Wetboek.".
Art.62. Dans le chapitre 3, inséré par l'article 61, il est inséré un article 370/3, rédigé comme suit :
  "Art. 370/3. § 1er. Toute demande de changement de nom ou de prénoms est formulée par l'intéressé lui-même ou son représentant légal.
  § 2. Toute personne qui a quelque motif de changer de nom peut adresser une demande au ministre de la Justice.
  La demande est recevable si le droit d'enregistrement visé à l'article 249 du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe a été acquitté.
  § 3. Toute personne qui souhaite changer de prénoms en fait la demande à l'officier de l'état civil :
  - de la commune où elle est inscrite dans les registres de la population, le registre des étrangers ou le registre d'attente, ou;
  - si elle réside à l'étranger, de la commune de la dernière inscription dans les registres de la population, le registre des étrangers ou le registre d'attente ou à défaut;
  - de Bruxelles.
  § 4. Toute personne qui a la conviction que le sexe mentionné dans son acte de naissance ne correspond pas à son identité de genre vécue intimement joint à sa requête une déclaration sur l'honneur à ce propos. Le prénom choisi doit être conforme à cette conviction. Sans préjudice de l'alinéa 4, un changement de prénom ne peut être demandé qu'une seule fois pour ce motif sauf lorsque le changement de prénom est autorisé par le tribunal de la famille après une nouvelle modification de l'enregistrement du sexe.
  Le mineur non émancipé peut demander le changement de son prénom pour ce motif à partir de l'âge de douze ans, avec l'assistance de ses parents ou de son représentant légal.
  Si ces personnes refusent d'assister le mineur non émancipé, celui-ci peut saisir le tribunal de la famille par requête, signée par lui ou son avocat, afin de l'autoriser à poser cet acte avec l'assistance d'un tuteur ad hoc.
  Le mineur non émancipé dont le prénom a été changé conformément à l'alinéa 2 peut demander un changement de prénom une deuxième fois pour le même motif, pour autant qu'il ne modifie pas l'enregistrement de son sexe conformément à l'article 135/1 du Code civil.".
Art.63. In hetzelfde hoofdstuk 3 wordt een artikel 370/4 ingevoegd, luidende :
  "Art. 370/4. § 1. De Koning kan, na controle van de gerechtelijke antecedenten van de betrokkene, de naamsverandering uitzonderlijk toestaan indien hij van oordeel is dat het verzoek op ernstige redenen steunt en dat de gevraagde naam geen aanleiding geeft tot verwarring en de verzoeker of derden niet kan schaden.
  De naamsverandering geldt voor de betrokkene, voor de minderjarige kinderen tot wie het verzoek is uitgebreid en voor de kinderen geboren na de indiening van het verzoek.
  § 2. De ambtenaar van de burgerlijke stand kan, na controle van de gerechtelijke antecedenten van de betrokkene, de voornaamsverandering toestaan indien de gevraagde voornamen geen aanleiding geven tot verwarring en de verzoeker of derden niet kunnen schaden.
  In geval van ernstige twijfel bij de beoordeling van de in het eerste lid bedoelde voorwaarden, kan de ambtenaar van de burgerlijke stand het advies van de procureur des Konings inwinnen.
  [1 De ambtenaar van de burgerlijke stand staat de voornaamsverandering toe aan de in artikel 370/3, § 4, bedoelde personen.]1
  De gemeentelijke retributie mag niet hoger zijn dan 10 procent van het normale tarief in het geval van de personen bedoeld in artikel 370/3, § 4.
  De personen bedoeld in de artikelen 11 bis, § 3, lid 3, 15, § 1, vijfde lid, en 21, § 2, tweede lid, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, worden vrijgesteld van gemeentelijke retributie.
  § 3. In geval van weigering van de naams- of voornaamsverandering wordt de verzoeker daarvan in kennis gesteld door de minister van Justitie, ingeval het een verzoek tot naamsverandering betreft, dan wel door de ambtenaar van de burgerlijke stand, ingeval het een verzoek tot voornaamswijziging betreft.".
  
Art.63. Dans le même chapitre 3, il est inséré un article 370/4, rédigé comme suit :
  "Art. 370/4. § 1er. Le Roi peut, exceptionnellement, après vérification des antécédents judiciaires de l'intéressé, autoriser le changement de nom s'il estime que la demande est fondée sur des motifs graves et que le nom sollicité ne prête pas à confusion et ne peut nuire au requérant ou à des tiers.
  Le changement de nom s'applique à l'intéressé, aux enfants mineurs au bénéfice desquels la demande a été étendue, et aux enfants qui sont nés après l'introduction de la requête.
  § 2. L'officier de l'état civil peut, après vérification des antécédents judiciaires de l'intéressé, autoriser le changement de prénoms lorsque les prénoms sollicités ne prêtent pas à confusion et ne peuvent nuire au requérant ou à des tiers.
  En cas de doute sérieux lors de l'appréciation des conditions visées à l'alinéa 1er, l'officier de l'état civil peut demander l'avis du procureur du Roi.
  [1 L'officier de l'état civil autorise le changement de prénoms aux personnes visées à l'article 370/3, § 4.]1
  La redevance communale ne peut excéder 10 pourcent du tarif ordinaire dans le cas des personnes visées à l'article 370/3, § 4.
  Les personnes visées aux articles 11 bis, § 3, alinéa 3, 15, § 1er, alinéa 5, et 21, § 2, alinéa 2, du Code de la nationalité belge sont exonérées de redevance communale.
  § 3. En cas de refus de changement de nom ou de prénoms, le ministre de la Justice en cas de demande de changement de nom ou l'officier de l'état civil en cas de demande de changement de prénoms en informe le requérant.".
  
Art.64. In hetzelfde hoofdstuk 3 wordt een artikel 370/5 ingevoegd, luidende :
  "Art. 370/5. Binnen drie maanden na het verzoek maakt de ambtenaar van de burgerlijke stand die de voornaamsverandering toestaat, een akte van voornaamsverandering op en verbindt deze met de akten van de burgerlijke stand die betrekking hebben op de begunstigde en de geboorteakten van diens afstammelingen tot de eerste graad.
  De voornaamsverandering heeft gevolg vanaf de datum van de opmaak van de akte.".
Art.64. Dans le même chapitre 3, il est inséré un article 370/5, rédigé comme suit :
  "Art. 370/5. Dans les trois mois de la demande, l'officier de l'état civil qui autorise le changement de prénoms, établit un acte de changement de prénoms et associe celui-ci aux actes de l'état civil relatifs au bénéficiaire et aux actes de naissance de ses descendants jusqu'au premier degré.
  Le changement de prénoms produit ses effets à la date de l'établissement de l'acte.".
Art.65. In hetzelfde hoofdstuk 3, wordt een artikel 370/6 ingevoegd, luidende :
  "Art. 370/6. In het Belgisch Staatsblad wordt melding gemaakt van de vergunning tot naamsverandering.
  De vergunning tot naamsverandering is definitief te rekenen van die vermelding in het Belgisch Staatsblad.
  Op basis van uitzonderlijke omstandigheden die naar behoren zijn vastgesteld en na advies van het openbaar ministerie, kan de Koning vrijstelling verlenen van de vermelding bedoeld in het eerste lid. De vergunning tot naamsverandering vermeldt deze vrijstelling en is definitief op datum van haar ondertekening.".
Art.65. Dans le même chapitre 3, il est inséré un article 370/6, rédigé comme suit :
  "Art. 370/6. Il est fait mention au Moniteur belge de l'autorisation de changer de nom.
  L'autorisation de changer de nom est définitive à compter de cette mention au Moniteur belge.
  Sur la base de circonstances exceptionnelles dûment établies et sur avis du ministère public, le Roi peut dispenser de la mention prévue à l'alinéa 1er. L'autorisation de changer de nom mentionne cette dispense et est définitive à la date de sa signature.".
Art.66. In hetzelfde hoofdstuk 3, wordt een artikel 370/7 ingevoegd, luidende :
  "Art. 370/7. Binnen vijftien dagen na het definitief worden van de vergunning tot naamsverandering stuurt de bevoegde ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Justitie de gegevens van de vergunning tot naamsverandering naar de DABS.
  De DABS maakt op basis hiervan een melding op en verbindt deze met de akten van de burgerlijke stand die betrekking hebben op de begunstigden bedoeld in artikel 370/4, § 1, tweede lid.
  Indien een begunstigde niet beschikt over een akte van geboorte in de DABS, stuurt de ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Justitie onmiddellijk de gegevens nodig voor de opmaak van een akte van naamsverandering naar de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand.
  De ambtenaar van de burgerlijke stand maakt voor deze persoon onmiddellijk de akte van naamsverandering op en verbindt deze met de akten van de burgerlijke stand die betrekking hebben op de begunstigde.
  De naamsverandering heeft gevolg vanaf de datum van de opmaak van de melding of, in voorkomend geval, van de akte van naamsverandering.".
Art.66. Dans le même chapitre 3, il est inséré un article 370/7, rédigé comme suit :
  "Art. 370/7. Dans les quinze jours de la date à laquelle l'autorisation de changement de nom est devenue définitive, le fonctionnaire compétent du Service Public Fédéral Justice transmet les données de l'autorisation de changer de nom à la BAEC.
  La BAEC établit une mention sur la base de celles-ci et l'associe aux actes de l'état civil concernant les bénéficiaires visés à l'article 370/4, § 1er, alinéa 2.
  Si l'un des bénéficiaires ne dispose pas d'un acte de naissance dans la BAEC, le fonctionnaire compétent du Service Public Fédéral Justice transmet immédiatement à l'officier de l'état civil compétent les données nécessaires à l'établissement d'un acte de changement de nom.
  L'officier de l'état civil établit immédiatement l'acte pour cette personne et l'associe aux actes de l'état civil concernant le bénéficiaire.
  Le changement de nom produit ses effets à la date de l'établissement de la mention ou, le cas échéant, de l'acte de changement de nom.".
Art.67. In hetzelfde hoofdstuk 3, wordt een artikel 370/8 ingevoegd, luidende :
  "Art. 370/8. Wanneer de vergunning tot naamsverandering wordt ingetrokken of vernietigd stuurt de bevoegde ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Justitie onmiddellijk de gegevens van de beslissing tot intrekking of het arrest tot vernietiging naar de DABS, met vermelding van de dag waarop het arrest in kracht van gewijsde is gegaan.
  De DABS maakt op basis hiervan een melding op en verbindt deze met de melding en de akten bedoeld in artikel 370/7, tweede lid.".
Art.67. Dans le même chapitre 3, il est inséré un article 370/8, rédigé comme suit :
  "Art. 370/8. Lorsque l'autorisation de changer de nom est retirée ou annulée, le fonctionnaire compétent du Service Public Fédéral Justice transmet immédiatement les données de la décision de retrait ou l'arrêt d'annulation à la BAEC, avec mention du jour où l'arrêt a acquis force de chose jugée.
  La BAEC établit une mention sur cette base et l'associe à la mention et aux actes visés à l'article 370/7, alinéa 2.".
Art.68. In hetzelfde hoofdstuk 3 wordt een artikel 370/9 ingevoegd, luidende :
  "Art. 370/9. § 1. Wanneer de minister van Justitie de naamswijziging weigert toe te staan, dan kan de betrokkene, overeenkomstig artikel 370/4, § 1, een vordering instellen via een verzoekschrift dat wordt gericht aan de familierechtbank.
  Wanneer de ambtenaar van de burgerlijke stand de voornaamsverandering weigert toe te staan, dan kan de betrokkene, overeenkomstig artikel 370/4, § 2, een vordering instellen via een verzoekschrift dat wordt gericht aan de familierechtbank.
  § 2. De vordering moet worden ingesteld binnen dertig dagen te rekenen vanaf de dag waarop de minister van Justitie dan wel de ambtenaar van de burgerlijke stand kennis geeft van de weigering de naams- dan wel voornaamsverandering toe te staan.
  § 3. De familierechtbank beoordeelt de ernst van de redenen die aan het verzoek tot naamsverandering ten grondslag liggen en gaat na of de gewenste naam al dan niet aanleiding geeft tot verwarring en de aanvrager of derden al dan niet kunnen schaden.
  De familierechtbank gaat na of de gewenste voornaam al dan niet aanleiding geeft tot verwarring en de aanvrager of derden al dan niet kunnen schaden.
  § 4. Wanneer het vonnis of het arrest dat de naamsverandering toestaat in kracht van gewijsde is getreden, stuurt de griffier onmiddellijk via de DABS de gegevens nodig voor de opmaak, overeenkomstig artikel 31, van de gewijzigde akten van geboorte van de begunstigden zoals bedoeld in artikel 370/4, § 1, tweede lid naar de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand.
  Indien een begunstigde niet beschikt over een akte van geboorte in de DABS, stuurt de griffier onmiddellijk via de DABS de gegevens nodig voor de opmaak van een akte van naamsverandering naar de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand.
  De ambtenaar van de burgerlijke stand maakt onmiddellijk deze akten op en verbindt ze met de akten van de burgerlijke stand van de begunstigden.
  De naamsverandering heeft gevolg vanaf de datum van de opmaak van de gewijzigde akte of, in voorkomend geval, van de akte van naamsverandering.
  § 5. Wanneer het vonnis of het arrest dat de voornaamsverandering toestaat in kracht van gewijsde is getreden, stuurt de griffier onmiddellijk via de DABS de gegevens nodig voor de opmaak, overeenkomstig artikel 31, van de gewijzigde akte van geboorte van de begunstigde naar de ambtenaar van de burgerlijke stand bedoeld in artikel 370/3, § 3.
  Indien de begunstigde niet beschikt over een akte van geboorte in de DABS, stuurt de griffier onmiddellijk via de DABS de gegevens nodig voor de opmaak van een akte van voornaamsverandering naar de ambtenaar van de burgerlijke stand bedoeld in artikel 370/3, § 3.
  De ambtenaar van de burgerlijke stand maakt onmiddellijk deze akte op en verbindt ze met de andere akten van de burgerlijke stand die betrekking hebben op de begunstigde en met de akten van geboorte van zijn afstammelingen in de eerste graad.
  De voornaamsverandering heeft gevolg vanaf de datum van de opmaak van de gewijzigde akte van geboorte of, in voorkomend geval, van de akte van voornaamsverandering.".
Art.68. Dans le même chapitre 3, il est inséré un article 370/9, rédigé comme suit :
  "Art. 370/9. § 1er. En cas de refus du ministre de la Justice d'autoriser le changement de nom, conformément à l'article 370/4, § 1er, l'intéressé peut introduire un recours par une requête adressée au Tribunal de la famille.
  En cas de refus de l'officier de l'état civil d'autoriser le changement de prénoms, conformément à l'article 370/4, § 2, l'intéressé peut introduire un recours par une requête adressée au Tribunal de la famille.
  § 2. Le recours doit être introduit dans les trente jours à compter du jour de la notification par le ministre de la Justice ou l'officier de l'état civil du refus d'autoriser le changement de nom ou de prénoms.
  § 3. Le tribunal de la famille apprécie la gravité des motifs qui soutiennent la demande de changement de nom, et vérifie si le nom sollicité prête ou non à confusion et s'il peut ou non nuire au requérant ou à des tiers.
  Le tribunal de la famille vérifie si les prénoms sollicités prêtent ou non à confusion et s'ils peuvent ou non nuire au requérant ou à des tiers.
  § 4. Lorsque le jugement ou l'arrêt qui autorise le changement de nom est coulé en force de chose jugée, le greffier transmet immédiatement à l'officier de l'état civil compétent, via la BAEC, les données nécessaires à l'établissement, conformément à l'article 31, des actes de naissance modifiés des bénéficiaires visés à l'article 370/4, § 1er, alinéa 2.
  Si l'un des bénéficiaires ne dispose pas d'un acte de naissance dans la BAEC, le greffier transmet immédiatement à l'officier de l'état civil compétent, via la BAEC, les données nécessaires à l'établissement d'un acte de changement de nom.
  L'officier de l'état civil établit immédiatement ces actes et les associe aux actes de l'état civil concernant les bénéficiaires.
  Le changement de nom produit ses effets à la date de l'établissement de l'acte modifié ou, le cas échéant, de l'acte de changement de nom.
  § 5. Lorsque le jugement ou l'arrêt qui autorise le changement de prénom est coulé en force de chose jugée, le greffier transmet immédiatement à l'officier de l'état civil visé à l'article 370/3, § 3, via la BAEC, les données nécessaires à l'établissement, conformément à l'article 31, des actes de naissances modifiés du bénéficiaire.
  Si le bénéficiaire ne dispose pas d'un acte de naissance dans la BAEC, le greffier transmet immédiatement à l'officier de l'état civil visé à l'article 370/3, § 3, via la BAEC, les données nécessaires à l'établissement d'un acte de changement de prénoms.
  L'officier de l'état civil établit immédiatement cet acte et l'associe aux actes de l'état civil concernant le bénéficiaire et aux actes de naissance concernant ses descendants au premier degré.
  Le changement de prénoms produit ses effets à la date de l'établissement de l'acte de naissance modifié, ou le cas échéant, de l'acte de changement de prénoms.".
Art.69. Artikel 1426, § 2, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976, wordt vervangen als volgt :
  " § 2. De griffier van het rechtscollege dat een rechterlijke beslissing heeft uitgesproken waarbij aan een van de echtgenoten zijn bestuursbevoegdheden worden ontnomen of teruggeven, stelt, wanneer deze beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, het centraal huwelijksovereenkomstenregister hiervan in kennis overeenkomstig artikel 4 van de wet van 13 januari 1977 houdende goedkeuring van de overeenkomst inzake de vaststelling van een stelsel van registratie van testamenten, opgemaakt te Bazel op 16 mei 1972 en tot invoering van een centraal huwelijksovereenkomstenregister.".
Art.69. L'article 1426, § 2, du même Code, remplacé par la loi du 14 juillet 1976, est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. Toute décision judiciaire retirant à l'un des époux ses pouvoirs de gestion ou lui rendant ses pouvoirs, est communiquée, lorsque cette décision est coulée en force de chose jugée par le greffier de la juridiction qui a rendu la décision au registre central des contrats de mariage, conformément à l'article 4 de la loi du 13 janvier 1977 portant approbation de la Convention relative à l'établissement d'un système d'inscription des testaments, faite à Bâle le 16 mai 1972 et portant introduction d'un registre central des contrats de mariage.".
Art. 69/1. [1 In artikel 1428, derde lid, van hetzelfde Wetboek, wordt het woord "overschrijving" vervangen door het woord "melding" en worden de woorden "op de huwelijksakte" ingevoegd tussen de woorden "scheiding van tafel en bed" en de woorden "of de bekendmaking".]1
  
Art. 69/1. [1 Dans l'article 1428, alinéa 3, du même Code, le mot "transcription" est remplacé par le mot "mention" et les mots "à l'acte de mariage" sont insérés entre les mots "la séparation de corps" et les mots "ou de la publication".]1
  
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
CHAPITRE 2. - Modifications du Code judiciaire
Art.70. Artikel 723, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, vervangen bij de wet van 3 mei 1990, wordt vervangen als volgt :
  " § 2. De bij akte van gerechtsdeurwaarder ingestelde voorziening tegen een beslissing waarvoor, om gevolg te hebben, binnen een door de wet bepaalde termijn een akte van de burgerlijke stand moet worden opgemaakt of gewijzigd, wordt binnen vijf dagen na de dag waarop de voorziening is ingesteld, bij akte van gerechtsdeurwaarder ter kennis gebracht van de griffier van de rechtsmacht die de bestreden beslissing heeft gewezen, op straffe van verval indien de laattijdige kennisgeving aanleiding gaf tot opmaak of wijziging van de akte van de burgerlijke stand.".
Art.70. L'article 723, § 2 du Code judiciaire, remplacé par la loi du 3 mai 1990, est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. Le recours formé par acte d'huissier de justice contre une décision dont un acte de l'état civil doit être établi ou modifié pour produire ses effets dans un délai établi par la loi, est dénoncé, dans les cinq jours après la formation du recours, par acte d'huissier de justice au greffier de la juridiction qui a rendu la décision attaquée, à peine de déchéance si la dénonciation tardive a donné lieu à l'établissement ou modification de l'acte de l'état civil.".
Art. 70/1. [1 Artikel 1231-4 van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 24 april 2003 en laatst gewijzigd bij de wet van 6 juli 2017, wordt vervangen als volgt:
   "Art. 1231-4. § 1. Om ontvankelijk te zijn worden bij het verzoekschrift volgende stukken of gegevens gevoegd, voor zover ze niet beschikbaar zijn in de DABS of in het bevolkings- of vreemdelingenregister:
   1° een afschrift van de akte van geboorte of een hiermee gelijkgesteld stuk;
   2° een bewijs van de nationaliteit;
   3° een verklaring betreffende de plaats van inschrijving in het bevolkings- of vreemdelingenregister, of bij gebrek hieraan, van de gewone verblijfplaats van de adoptant of van de adoptanten en van de geadopteerde;
   4° een uittreksel van de huwelijksakte of een uittreksel van de verklaring van wettelijke samenwoning of nog het bewijs van meer dan drie jaar samenwonen.
   § 2. Bij ontvangst van het verzoekschrift gaat de griffier na of de bij het verzoekschrift ontbrekende documenten of gegevens beschikbaar zijn in de DABS of in het bevolkings- of vreemdelingenregister.
   Indien de akte van geboorte of de huwelijksakte in België werd opgemaakt of in België werd overgeschreven vóór de inwerkingtreding van de wet van 18 juni 2018 houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing verzoekt hij de ambtenaar die de akte heeft opgemaakt of overgeschreven tot opname van de akte in de DABS.
   § 3. Als de vermeldingen van het verzoekschrift onvolledig zijn, of bepaalde informatie ontbreekt voor de inleidende zitting, nodigt de rechter de meest gerede partij uit om de nodige informatie te verstrekken of het dossier van de procedure te vervolledigen.
   Elke partij kan ook zelf het initiatief nemen om het dossier samen te stellen.
   § 4. Binnen drie dagen na de ontvangst van het verzoekschrift, geeft de griffier ervan kennis aan de afstammelingen van de geadopteerde. De griffier maakt ook een afschrift van het verzoekschrift over aan de federale centrale autoriteit. De federale centrale autoriteit stelt vervolgens de centrale autoriteiten van de gemeenschappen hiervan in kennis.".]1

  
Art. 70/1. [1 L'article 1231-4 du Code judiciaire, inséré par la loi du 24 avril 2003 et modifié en dernier lieu par la loi du 6 juillet 2017, est remplacé par ce qui suit:
   "Art. 1231-4. § 1er. Pour que la requête soit recevable, les actes ou données suivants y sont annexés, pour autant qu'ils ne soient pas disponibles dans la BAEC, dans le registre de la population ou dans le registre des étrangers:
   1° une copie de l'acte de naissance ou un acte équivalent;
   2° une preuve de la nationalité;
   3° une attestation relative au lieu d'inscription au registre de la population ou au registre des étrangers ou, à défaut, une attestation de résidence habituelle de l'adoptant ou des adoptants, et de l'adopté;
   4° un extrait d'acte de mariage ou un extrait de déclaration de cohabitation légale ou encore la preuve d'une cohabitation de plus de trois ans.
   § 2. A la réception de la requête, le greffier vérifie si les documents ou données qui font défaut dans la requête sont disponibles dans la BAEC ou dans le registre de la population ou le registre des étrangers.
   Si l'acte de naissance ou l'acte de mariage a été établi en Belgique ou a été transcrit en Belgique avant l'entrée en vigueur de la loi du 18 juin 2018 portant dispositions diverses en matière de droit civil et des dispositions en vue de promouvoir des formes alternatives de résolution des litiges, il demande à l'officier qui a établi ou transcrit cet acte, de l'enregistrer dans la BAEC.
   § 3. Si les mentions de la requête sont incomplètes, ou que certaines informations manquent pour l'audience d'introduction, le juge invite la partie la plus diligente à communiquer les informations requises ou à compléter le dossier de la procédure.
   Chaque partie peut aussi prendre elle-même l'initiative de constituer le dossier.
   § 4. Dans les trois jours de la réception de la requête, le greffier en avise les descendants de l'adopté. Le greffier transmet en outre une copie de la requête à l'autorité centrale fédérale. L'autorité centrale fédérale en avise ensuite les autorités centrales communautaires.]1

  
Art.71. Artikel 1231-19 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 24 april 2003, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 1231-19. Na het verstrijken van de termijn om beroep of cassatieberoep in te stellen of, in voorkomend geval, na de uitspraak van het arrest waarbij het beroep wordt afgewezen, stuurt de griffier onmiddellijk de gegevens nodig voor de opmaak van de akte van adoptie ten gevolge van de rechterlijke beslissing waarbij de adoptie wordt uitgesproken via de DABS naar de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand.
  De ambtenaar van de burgerlijke stand die overeenkomstig artikel 368-1 van het Burgerlijk Wetboek daartoe bevoegd is maakt onmiddellijk de akte van adoptie op, die wordt verbonden met de akten van de burgerlijke stand van de geadopteerde en van zijn afstammelingen.
  De federale centrale autoriteit stelt de centrale autoriteiten van de gemeenschappen hiervan in kennis.".
Art.71. L'article 1231-19 du même Code, inséré par la loi du 24 avril 2003, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 1231-19. Après l'expiration du délai d'appel ou de pourvoi en cassation ou, le cas échéant, après le prononcé de l'arrêt rejetant le pourvoi, le greffier, via la BAEC, transmet immédiatement à l'officier de l'état civil compétent, les données nécessaires à l'établissement de l'acte d'adoption à la suite de la décision judiciaire prononçant l'adoption.
  L'officier de l'état civil compétent en vertu de l'article 368-1 du Code civil établit immédiatement l'acte d'adoption, lequel est associé aux actes de l'état civil de l'adopté et de ses descendants.
  L'autorité centrale fédérale en avise les autorités centrales communautaires.".
Art.72. In artikel 1231-20 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 24 april 2003, worden de woorden "maar voor de overschrijving van het beschikkend gedeelte van het vonnis of van het arrest door de ambtenaar van de burgerlijke stand" vervangen door de woorden "maar voor de opmaak van de akte van adoptie ten gevolge van het vonnis of van het arrest door de ambtenaar van de burgerlijke stand".
Art.72. Dans l'article 1231-20 du même Code, inséré par la loi du 24 avril 2003, les mots "mais avant la transcription du dispositif du jugement ou de l'arrêt par l'officier de l'état civil" sont remplacés par les mots "mais avant l'établissement de l'acte d'adoption à la suite du jugement ou de l'arrêt par l'officier de l'état civil".
Art.73. In artikel 1231-21, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 24 april 2003, worden de woorden "de overschrijving" vervangen door de woorden "de opmaak van de akte van adoptie".
Art.73. Dans l'article 1231-21, alinéa 1er du même Code, inséré par la loi du 24 avril 2003, les mots "de la transcription prévue" sont remplacés par les mots "de l'établissement de l'acte d'adoption prévu".
Art.74. Artikel 1231-28 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 24 april 2003, vervangen bij de wet van 6 december 2005 en gewijzigd bij de wet van 14 januari 2013, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 1231-28. § 1. Om ontvankelijk te zijn worden bij het verzoekschrift volgende stukken of gegevens gevoegd, voor zover ze niet beschikbaar zijn in de DABS of in het bevolkings- of vreemdelingenregister :
  1° een afschrift van de akte van geboorte of een hiermee gelijkgesteld stuk;
  2° een bewijs van de nationaliteit;
  3° een verklaring betreffende de plaats van inschrijving in het bevolkings- of, vreemdelingenregister, of bij gebrek hieraan, van de gewone verblijfplaats van de adoptant of van de adoptanten en van de geadopteerde;
  4° een uittreksel van de huwelijksakte of een uittreksel van de verklaring van wettelijke samenwoning of nog het bewijs van meer dan drie jaar samenwonen.
  § 2. Bij ontvangst van het verzoekschrift gaat de griffier na of de bij het verzoekschrift ontbrekende documenten of gegevens beschikbaar zijn in de DABS of in het bevolkings- of vreemdelingenregister.
  Indien de akte van geboorte of de huwelijksakte in België werd opgemaakt of in België werd overgeschreven voor de inwerkingtreding van de wet van 18 juni 2018 houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing verzoekt hij de ambtenaar die de akte heeft opgemaakt of overgeschreven tot opname van de akte in de DABS.
  § 3. Als de vermeldingen van het verzoekschrift onvolledig zijn, of bepaalde informatie ontbreekt voor de inleidende zitting, nodigt de rechter de meest gerede partij uit om de nodige informatie te verstrekken of het dossier van de procedure te vervolledigen.
  Elke partij kan ook zelf het initiatief nemen om het dossier samen te stellen.".
Art.74. L'article 1231-28 du même Code, inséré par la loi du 24 avril 2003, remplacé par la loi du 6 décembre 2005 et modifié par la loi du 14 janvier 2013, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 1231-28. § 1er. Pour que la requête soit recevable, y sont annexés, pour autant que les pièces ou les données ne soient pas disponibles dans la BAEC ou dans les registres de la population ou le registre des étrangers :
  1° une copie de l'acte de naissance, ou un acte équivalent;
  2° une preuve de la nationalité;
  3° une déclaration concernant le lieu d'inscription dans les registres de la population ou le registre des étrangers, ou, à défaut, la résidence habituelle de l'adoptant ou des adoptants et de l'adopté;
  4° un extrait d'acte de mariage ou un extrait de déclaration de cohabitation légale ou encore la preuve d'une cohabitation de plus de trois ans.
  § 2. Lors de la réception de la requête, le greffier vérifie si les documents ou les données manquants sont disponibles dans la BAEC ou dans les registres de la population ou le registre des étrangers.
  Si l'acte de naissance ou l'acte de mariage est établi en Belgique ou transcrit en Belgique avant l'entrée en vigueur de la loi du18 juin 2018 portant dispositions diverses en matière de droit civil et des dispositions en vue de promouvoir des formes alternatives de résolution des litiges, il invite l'officier de l'état civil qui a établi ou transcrit l'acte à enregistrer l'acte dans la BAEC.
  § 3. Si les mentions de la requête sont incomplètes, ou certaines informations manquent pour l'audience d'introduction, le juge invite la partie la plus diligente à communiquer les informations requises ou à compléter le dossier de la procédure.
  Chaque partie peut aussi prendre elle-même l'initiative de constituer le dossier.".
Art.75. Artikel 1231-52 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 24 april 2003, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 1231-52. § 1. De artikelen 1231-16 tot 1231-18/1 en 1231-20 tot 1231-21 zijn van toepassing op procedures inzake de herroeping van adoptie.
  § 2. Wanneer een beslissing tot herroeping of herziening in kracht van gewijsde treedt, stuurt de griffier onmiddellijk de gegevens nodig voor de opmaak van de akte van herroeping of de akte van herziening van adoptie, met vermelding van de dag van het in kracht van gewijsde treden, via de DABS naar de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand.
  De overeenkomstig artikel 368-1 van het Burgerlijk Wetboek bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand maakt onmiddellijk de akte van herroeping of de akte van herziening van adoptie op, die wordt verbonden met de akte van adoptie.
  De federale centrale autoriteit stelt de centrale autoriteiten van de gemeenschappen hiervan in kennis.".
Art.75. L'article 1231-52 du même Code, inséré par la loi du 24 avril 2003, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 1231-52. § 1er. Les articles 1231-16 à 1231-18/1 et 1231-20 à 1231-21 sont applicables aux procédures de révocation de l'adoption.
  § 2. Lorsqu'une décision de révocation ou de révision est coulée en force de chose jugée, le greffier transmet immédiatement, en mentionnant le jour où elle a acquis force de chose jugée, via la BAEC, les données nécessaires à l'établissement de l'acte de révocation ou de l'acte de révision de l'adoption à l'officier de l'état civil compétent.
  L'officier de l'état civil compétent conformément à l'article 368-1 du Code civil établit immédiatement l'acte de révocation ou l'acte de révision de l'adoption, lequel est associé à l'acte d'adoption.
  L'autorité centrale fédérale en avise les autorités centrales communautaires.".
Art.76. In artikel 1254 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 27 april 2007 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 6 juli 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1 worden het zevende en het achtste lid opgeheven;
  2° de paragrafen 2 tot 4 worden vervangen als volgt :
  " § 2. Voor zover de documenten of gegevens niet beschikbaar zijn in de DABS, in het bevolkings- of vreemdelingenregister of in het centraal register van huwelijksovereenkomsten, voegt de verzoekende partij bij de gedinginleidende akte, voor ieder van de echtgenoten en de eventuele kinderen, hiervoor opgesomd, de volgende documenten toe :
  1° een bewijs van identiteit;
  2° een bewijs van nationaliteit;
  3° een bewijs van de actuele verblijfplaats indien deze afwijkt van de verblijfplaats in het bevolkings-, of vreemdelingenregister, evenals, in voorkomend geval, een bewijs van de gewone verblijfplaats in België sinds meer dan drie maanden;
  4° uittreksels van de akten van geboorte van de hierboven vermelde kinderen;
  5° een uittreksel van de laatste akte van huwelijk;
  6° een afschrift van de laatste huwelijksovereenkomst.
  Bij ontvangst van de gedinginleidende akte gaat de griffier voor ieder van de echtgenoten en de eventuele kinderen na of zij ingeschreven zijn in het bevolkings-, vreemdelingen-, of wachtregister en of de bij de geding-inleidende akte ontbrekende documenten of gegevens beschikbaar zijn in de DABS of in het bevolkings- of vreemdelingenregister.
  Indien de akte van geboorte of de huwelijksakte in België werd opgemaakt of in België werd overgeschreven voor de inwerkingtreding van de wet van 18 juni 2018 houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing, verzoekt hij de ambtenaar die de akte heeft opgemaakt of ingeschreven tot opname van de akte in de DABS. [1 Indien de huwelijksakte in het buitenland werd opgemaakt, verzoekt hij de verzoekende partij om een akte van huwelijk te laten opmaken op basis van de buitenlandse akte naar analogie met afdeling 15 van boek I, titel II, hoofdstuk 2, van het Burgerlijk Wetboek door de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand.]1
  Indien de voorgelegde documenten in een vreemde taal zijn opgemaakt, kan de griffie om een voor eensluidend verklaarde vertaling ervan verzoeken.
  § 3. Als de vermeldingen van de gedinginleidende akte onvolledig zijn, of bepaalde informatie ontbreekt voor de inleidende zitting, nodigt de rechter de meest gerede partij uit om de nodige informatie te verstrekken of het dossier van de procedure te vervolledigen.
  Indien de rechter zich niet voldoende ingelicht acht door de uittreksels van de akten van de burgerlijke stand, kan hij steeds een afschrift van deze akten opvragen.
  Elke partij kan ook zelf het initiatief nemen om het dossier samen te stellen.".
  
Art.76. A l'article 1254 du même Code, remplacé par la loi du 27 avril 2007 et modifié en dernier lieu par la loi du 6 juillet 2017, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, les alinéas 7 et 8 sont abrogés;
  2° les paragraphes 2 à 4 sont remplacés par ce qui suit :
  " § 2. Pour autant que ces documents ou ces données ne soient pas disponibles dans la BAEC, dans les registres de population ou le registre des étrangers ou dans le registre central des contrats de mariage, la partie demanderesse ajoute à l'acte introductif d'instance, pour chacun des époux et les éventuels enfants susmentionnés, les documents suivants :
  1° une preuve d'identité;
  2° une preuve de la nationalité;
  3° une preuve de la résidence actuelle si elle diffère de la résidence visée par le registre de la population ou le registre des étrangers ainsi que, le cas échéant, une preuve de la résidence habituelle en Belgique depuis plus de trois mois;
  4° des extraits des actes de naissance des enfants susmentionnés;
  5° un extrait du dernier acte de mariage;
  6° une copie du dernier contrat de mariage.
  Lors de la réception de l'acte introductif d'instance, le greffier vérifie pour chacun des époux et les éventuels enfants s'ils sont inscrits au registre de la population, au registre des étrangers ou au registre d'attente et si les documents ou les données manquants sont disponibles dans la BAEC ou dans les registres de la population ou le registre des étrangers.
  Si l'acte de naissance ou l'acte de mariage est établi en Belgique ou transcrit en Belgique avant l'entrée en vigueur de la loi du 18 juin 2018 portant dispositions diverses en matière de droit civil et des dispositions en vue de promouvoir des formes alternatives de résolution des litiges, il invite l'officier de l'état civil qui a établi ou inscrit l'acte, à enregistrer l'acte dans la BAEC. [1 Si l'acte de mariage a été établi à l'étranger, il demande à la partie demanderesse de faire établir un acte de mariage sur la base de l'acte étranger, par analogie avec la section 15 du livre I, titre II, chapitre 2, du Code civil, par l'officier de l'état civil compétent.]1
  Si les documents remis ont été établis dans une langue étrangère, le greffe peut demander une traduction certifiée conforme de ceux-ci.
  § 3. Si les mentions de l'acte introductif d'instance sont incomplètes ou certaines informations manquent pour l'audience d'introduction, le juge invite la partie la plus diligente à fournir les informations requises ou à compléter le dossier de la procédure.
  Si le juge estime ne pas être suffisamment informé par les extraits des actes de l'état civil, il peut toujours réclamer une copie de ces actes.
  Chaque partie peut aussi prendre elle-même l'initiative de constituer le dossier.".
  
Art.77. Artikel 1275 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 30 juni 1994 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2013, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 1275. § 1. Elk exploot van betekening van een vonnis of arrest waarbij de echtscheiding is uitgesproken, wordt onmiddellijk in afschrift medegedeeld aan de griffier.
  § 2. Wanneer het vonnis of het arrest waarbij de echtscheiding is uitgesproken in kracht van gewijsde is gegaan, stuurt de griffier onmiddellijk de gegevens van het vonnis of arrest naar de DABS, met vermelding van de dag van het in kracht van gewijsde treden.
  De DABS maakt op basis hiervan een melding op en verbindt deze met de huwelijksakte.
  Indien de huwelijksakte niet beschikbaar is in de DABS, maakt de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand een akte van echtscheiding op.".
Art.77. L'article 1275 du même Code, remplacé par la loi du 30 juin 1994 et modifié en dernier lieu par la loi du 30 juillet 2013, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 1275. § 1er. Tout exploit de signification d'un jugement ou arrêt prononçant le divorce est communiqué immédiatement en copie au greffier.
  § 2. Lorsque le jugement ou l'arrêt ayant prononcé le divorce a acquis force de chose jugée, le greffier transmet immédiatement les données du jugement ou de l'arrêt à la BAEC, avec mention du jour où la décision judiciaire a acquis force de chose jugée.
  La BAEC établit une mention sur cette base et l'associe à l'acte de mariage.
  Si l'acte de mariage n'est pas disponible dans la BAEC, l'officier de l'état compétent établit un acte de divorce.".
Art.78. Artikel 1278 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 1 juli 1974 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2013, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 1278. Het vonnis of arrest waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken, heeft ten aanzien van de echtgenoten gevolg vanaf de dag waarop de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, en heeft ten aanzien van derden gevolg vanaf de melding van dit vonnis of arrest op de huwelijksakte of vanaf de opmaak van de akte van echtscheiding.
  Ten aanzien van de echtgenoten, wat hun goederen betreft, werkt het terug tot op de dag waarop de vordering is ingesteld en, wanneer er meer dan één vordering is, tot op de dag waarop de eerste vordering is ingesteld, ongeacht of zij werd toegewezen of niet.
  Ingeval een van de echtgenoten overlijdt voor de melding op de huwelijksakte of de opmaak van de akte van echtscheiding, maar nadat het vonnis of het arrest waarbij de echtscheiding is uitgesproken in kracht van gewijsde is gegaan, worden de echtgenoten tegenover derden als uit de echt gescheiden beschouwd, onder de opschortende voorwaarde van de melding op de huwelijksakte of van de opmaak van de akte van echtscheiding.
  De familierechtbank kan, op vordering van één van de echtgenoten, indien zij dit wegens uitzonderlijke omstandigheden die eigen zijn aan de zaak billijk acht, in het vonnis waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken, beslissen dat bij de vereffening van de gemeenschap geen rekening zal worden gehouden met sommige goederen die zijn verworven of met sommige schulden die zijn aangegaan sedert het tijdstip dat de echtgenoten feitelijk gescheiden leefden. De partijen kunnen dergelijke vordering ook instellen in de loop van de vereffening van de gemeenschap.".
Art.78. L'article 1278 du même Code, remplacé par la loi du 1er juillet 1974 et modifié en dernier lieu par la loi du 30 juillet 2013, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 1278. Le jugement ou l'arrêt prononçant le divorce produit ses effets vis-à-vis des époux à partir du jour où la décision a acquis force de chose jugée et produit ses effets vis-à-vis de tiers à partir de la mention à l'acte de mariage ou de l'établissement de l'acte de divorce.
  Pour les époux, en ce qui concerne leurs biens, il y a un effet rétroactif jusqu'au jour où l'action a été intentée et lorsqu'il y a plus d'une action, jusqu'au jour où la première action a été intentée, qu'elle ait abouti ou non.
  Si un des époux décède avant la mention à l'acte de mariage ou de l'établissement de l'acte de divorce, mais après que le jugement ou l'arrêt prononçant le divorce soit passé en force de chose jugée, les époux sont considérés vis-à-vis de tiers comme étant divorcés, sous la condition suspensive de la mention à l'acte de mariage ou de l'établissement de l'acte de divorce.
  Le tribunal de la famille peut, à la demande de l'un des époux, s'il l'estime équitable en raison de circonstances exceptionnelles propres à la cause, décider dans le jugement qui admet le divorce qu'il ne sera pas tenu compte dans la liquidation de la communauté de l'existence de certains avoirs constitués ou de certaines dettes contractées depuis le moment où la séparation de fait a pris cours.Les parties peuvent également former pareille demande au cours de la liquidation de la communauté.".
Art.79. Artikel 1288 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 mei 2018 tot vermindering en herverdeling van de werklast binnen de rechterlijke orde, wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "Bij overeenkomsten als bedoeld in artikel 1288, eerste lid, 2° of 3°, blijft de zaak op de rol ingeschreven na de uitspraak van de echtscheiding. In geval van nieuwe omstandigheden onafhankelijk van de wil van de partijen als bedoeld in het tweede en derde lid, kunnen die partijen binnen vijftien dagen de zaak opnieuw voor de rechtbank brengen die de echtscheiding heeft uitgesproken, zulks bij schriftelijk verzoek dat wordt neergelegd bij of gericht is aan de griffie. Die omstandigheden staan op straffe van nietigheid omschreven in de conclusies of in het schriftelijk verzoek.".
Art.79. L'article 1288 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 25 mai 2018 visant à réduire et redistribuer la charge de travail au sein de l'ordre judiciaire, est complété par un alinéa, rédigé comme suit :
  "En cas de conventions visées à l'article 1288, alinéa 1er, 2° ou 3°, l'affaire reste inscrite au rôle après le prononcé du divorce. Les parties peuvent ramener la cause devant le tribunal qui a prononcé le divorce dans les quinze jours par demande écrite déposée ou adressée au greffe en cas de circonstances nouvelles et indépendantes de la volonté des parties visées aux alinéas 2 et 3. Ces circonstances sont décrites dans les conclusions ou dans la demande écrite, à peine de nullité.".
Art.80. In artikel 1288bis van het hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 30 juni 1994 en het laatst gewijzigd bij de wet van 14 januari 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt het woord "gezamenlijk" ingevoegd tussen de woorden "wordt ingeleid bij" en het woord "verzoekschrift";
  2° in paragraaf 1, vierde lid, worden de bepalingen onder 3°, 4° en 5° opgeheven;
  3° in paragraaf 1 wordt het vijfde lid vervangen als volgt :
  "Van het verzoekschrift en de bijlagen worden een origineel en een afschrift neergelegd.";
  4° de paragrafen 2 tot 4 worden vervangen als volgt :
  " § 2. Voor zover de documenten of gegevens niet beschikbaar zijn in de DABS of in het bevolkings- of vreemdelingenregister, voegt de verzoekende partij bij de gedinginleidende akte, voor ieder van de echtgenoten en de kinderen bedoeld in artikel 1288, eerste lid, 2°, hiervoor opgesomd, volgende documenten toe :
  1° een bewijs van identiteit;
  2° een bewijs van nationaliteit;
  3° een bewijs van de actuele verblijfplaats indien deze afwijkt van de verblijfplaats in het bevolkings- of vreemdelingenregister, evenals, in voorkomend geval, een bewijs van de gewone verblijfplaats in België sinds meer dan drie maanden;
  4° uittreksels van de akten van geboorte van de kinderen bedoeld in artikel 1288, eerste lid, 2° ;
  5° een uittreksel van de laatste akte van huwelijk.
  Bij ontvangst van de gedinginleidende akte gaat de griffier voor ieder van de echtgenoten en de eventuele kinderen na of zij ingeschreven zijn in het bevolkings-, vreemdelingen-, of wachtregister en of de bij de geding-inleidende akte ontbrekende documenten of gegevens beschikbaar zijn in de DABS of in het bevolkings- of vreemdelingenregister.
  Indien de akte van geboorte of de huwelijksakte in België werd opgemaakt of in België werd overgeschreven voor de inwerkingtreding van de wet van 18 juni 2018 houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing, verzoekt de griffier de ambtenaar die de akte heeft opgemaakt of ingeschreven tot opname van de akte in de DABS. [1 Indien de huwelijksakte in het buitenland werd opgemaakt, verzoekt hij de verzoekende partij om een akte van huwelijk te laten opmaken op basis van de buitenlandse akte naar analogie met afdeling 15 van boek I, titel II, hoofdstuk 2, van het Burgerlijk Wetboek door de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand.]1
  Indien de voorgelegde documenten in een vreemde taal zijn opgemaakt, kan de griffie om een voor eensluidend verklaarde vertaling ervan verzoeken.
  § 3. Als de vermeldingen van het verzoekschrift onvolledig zijn, of indien bepaalde informatie ontbreekt voor de inleidende zitting, nodigt de rechter de meest gerede partij uit om de nodige informatie te verstrekken of het dossier van de procedure te vervolledigen.
  Indien de rechter zich niet voldoende ingelicht acht door de uittreksels van de akten van de burgerlijke stand, kan hij steeds een afschrift van deze akten opvragen.
  Elke partij kan ook zelf het initiatief nemen om het dossier samen te stellen.".
  
Art.80. A l'article 1288bis du même Code, inséré par la loi du 30 juin 1994 et modifié en dernier lieu par la loi du 14 janvier 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 1er, alinéa 1er, est complété par le mot "conjointe";
  2° dans le paragraphe 1er, alinéa 4, les 3°, 4° et 5° sont abrogés;
  3° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 5 est remplacé par ce qui suit :
  "De la requête et des annexes, il est déposé un original et une copie.";
  4° les paragraphes 2 à 4 sont remplacés par ce qui suit :
  " § 2. Pour autant que ces documents ou ces données ne soient pas disponibles dans la BAEC ou dans les registres de population ou dans le registre des étrangers, la partie demanderesse ajoute à l'acte introductif d'instance, pour chacun des époux et les enfants visés à l'article 1288, alinéa 1er, 2°, susmentionnés, les documents suivants :
  1° une preuve d'identité;
  2° une preuve de nationalité;
  3° une preuve de la résidence actuelle si elle diffère de la résidence visée par le registre de la population ou le registre des étrangers ainsi que, le cas échéant, une preuve de la résidence habituelle en Belgique depuis plus de trois mois;
  4° des extraits des actes de naissance des enfants visés à l'article 1288, alinéa 1er, 2° ;
  5° un extrait du dernier acte de mariage.
  A la réception de l'acte introductif d'instance, le greffier vérifie pour chacun des époux et les enfants éventuels s'ils sont inscrits dans le registre de la population, le registre des étrangers ou le registre d'attente, et si les documents ou données qui font défaut dans l'acte introductif d'instance sont disponibles dans la BAEC ou dans le registre de la population ou le registre des étrangers.
  Si l'acte de naissance ou l'acte de mariage a été établi en Belgique ou a été transcrit en Belgique avant l'entrée en vigueur de la loi du 18 juin 2018 portant dispositions diverses en matière de droit civil et des dispositions en vue de promouvoir des formes alternatives de résolution des litiges, il demande à l'officier qui a établi ou transcrit cet acte, de l'enregistrer dans la BAEC. [1 Si l'acte de mariage a été établi à l'étranger, il demande à la partie demanderesse de faire établir un acte de mariage sur la base de l'acte étranger, par analogie avec la section 15 du livre I, titre II, chapitre 2, du Code civil, par l'officier de l'état civil compétent.]1
  Si les documents remis ont été établis dans une langue étrangère, le greffe peut demander une traduction certifiée conforme de ceux-ci.
  § 3. Si les mentions de la requête sont incomplètes, ou si certaines informations manquent pour l'audience d'introduction, le juge invite la partie la plus diligente à communiquer les informations requises ou à compléter le dossier de la procédure.
  Si le juge estime ne pas être suffisamment informé par les extraits des actes de l'état civil, il peut toujours réclamer une copie de ces actes.
  Chaque partie peut aussi prendre elle-même l'initiative de constituer le dossier.".
  
Art.81. Artikel 1303 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 30 juni 1994 en 20 mei 1997, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 1303. Wanneer het vonnis of het arrest waarbij de echtscheiding is uitgesproken in kracht van gewijsde is gegaan, stuurt de griffier onmiddellijk de gegevens van het vonnis of arrest naar de DABS, met vermelding van de dag van het in kracht van gewijsde treden.
  De DABS maakt op basis hiervan een melding op en verbindt deze met de huwelijksakte.
  Indien de huwelijksakte niet beschikbaar is in de DABS, maakt de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand een akte van echtscheiding op.".
Art.81. L'article 1303 du même Code, modifié par les lois des 30 juin 1994 et 20 mai 1997, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 1303. Lorsque le jugement ou l'arrêt ayant prononcé le divorce a acquis force de chose jugée, le greffier introduit immédiatement les données du jugement ou de l'arrêt dans la BAEC avec mention du jour où la décision judiciaire a acquis force de chose jugée.
  La BAEC établit une mention sur cette base et l'associe à l'acte de mariage.
  Si l'acte de mariage n'est pas disponible dans la BAEC, l'officier de l'état compétent établit un acte de divorce.".
Art.82. Artikel 1304 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 30 juni 1994 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 8 mei 2014, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 1304. Het vonnis of het arrest waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken, heeft ten aanzien van derden eerst gevolg vanaf de melding op de huwelijksakte of vanaf de opmaak van de akte van echtscheiding. Ingeval een van de echtgenoten overlijdt voor de melding op de huwelijksakte of de opmaak van de akte van echtscheiding, maar nadat het vonnis waarbij de echtscheiding is uitgesproken in kracht van gewijsde is gegaan, worden de echtgenoten tegenover derden als uit de echt gescheiden beschouwd, onder de opschortende voorwaarde van de melding op de huwelijksakte of van de opmaak van de akte van echtscheiding.
  Ten aanzien van de goederen van de echtgenoten heeft de beslissing echter gevolg vanaf de neerlegging van het verzoekschrift.
  Ten aanzien van de persoon van de echtgenoten heeft de echtscheiding gevolg vanaf de dag waarop de beslissing in kracht van gewijsde gaat.".
Art.82. L'article 1304 du même Code, remplacé par la loi du 30 juin 1994 et modifié en dernier lieu par la loi du 8 mai 2014, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 1304. Le jugement ou l'arrêt qui prononce le divorce ne produit d'effets à l'égard des tiers qu'à compter du jour de la mention à l'acte de mariage ou de l'établissement de l'acte de divorce. En cas de décès d'un des époux, avant la mention à l'acte de mariage ou de l'établissement de l'acte de divorce mais après que la décision le prononçant a acquis force de chose jugée, les époux sont considérés comme divorcés, à l'égard des tiers, sous la condition suspensive de la mention à l'acte de mariage ou de l'établissement de l'acte de divorce.
  Toutefois, à l'égard des biens des époux, la décision prend effet à partir du dépôt de la requête.
  En ce qui concerne les effets personnels du divorce entre époux, ils se produisent au jour où la décision acquiert force de chose jugée.".
Art.83. Artikel 1385duodecies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 mei 2007 en vervangen door de wet van 25 juni 2017, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 1385duodecies. § 1. Bij de familierechtbank worden bij verzoekschrift ingesteld :
  1° het verhaal van de betrokkene tegen een weigering van de ambtenaar van de burgerlijke stand om de registratie van het geslacht aan te passen zoals bedoeld in artikel 135/1, § 7, van het Burgerlijk Wetboek;
  2° het verzoek tot een nieuwe aanpassing van de registratie van het geslacht in de akte van geboorte zoals bedoeld in artikel 135/1, § 9, van het Burgerlijk Wetboek.";
  § 2. Het verhaal bedoeld in § 1, 1° wordt ingesteld binnen zestig dagen te rekenen van de dag van de kennisgeving door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de weigering tot opmaak van deze akte.
  De griffier brengt de ambtenaar van de burgerlijke stand onmiddellijk in kennis van een verhaalprocedure.
  § 3. Het verzoekschrift wordt ondertekend door de verzoeker of zijn advocaat.".
Art.83. L'article 1385duodecies du même Code, inséré par la loi du 10 mai 2007 et remplacé par la loi du 25 juin 2017, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 1385duodecies. § 1er. Sont introduits par requête devant le tribunal de la famille :
  1° le recours de l'intéressé contre le refus de l'officier de l'état civil de modifier l'enregistrement du sexe visé à l'article 135/1, § 7, du Code civil;
  2° la demande d'une nouvelle modification de l'enregistrement du sexe dans l'acte de naissance, visée à l'article 135/1, § 9, du Code civil.".
  § 2. Le recours visé au § 1er, 1°, doit être introduit dans les soixante jours à compter du jour de la notification par l'officier de l'état civil du refus d'établir cet acte.
  Le greffier informe sans délai l'officier de l'état civil de la procédure de recours.
  § 3. La requête est signée par le requérant ou son avocat.".
Art.84. Artikel 1385quaterdecies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 mei 2007 en gewijzigd bij de wet van 25 juni 2017, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 1385quaterdecies. § 1. Elk exploot van betekening van een vonnis of arrest betreffende de aanpassing van de registratie van het geslacht van een persoon, wordt onmiddellijk in afschrift meegedeeld aan de griffier.
  § 2. Na het verstrijken van de termijn van hoger beroep of van de voorziening in cassatie of, in voorkomend geval, na de uitspraak van het arrest waarbij de voorziening wordt afgewezen, stuurt de griffier onmiddellijk de gegevens nodig voor de opmaak van de akte van aanpassing van de registratie van het geslacht via de DABS aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats van aangifte, of stelt deze in kennis van een negatieve beslissing.
  De griffier brengt de partijen hiervan in kennis.
  De ambtenaar van de burgerlijke stand maakt onmiddellijk de akte van aanpassing van de registratie van het geslacht op indien het beschikkende gedeelte van het vonnis of arrest de aanpassing van de registratie van het geslacht na verhaal zoals bedoeld in artikel 135/1, § 7, van het Burgerlijk Wetboek vaststelt, en verbindt deze met de akten van de burgerlijke stand van de betrokkene die zijn geslacht vermelden.
  § 3. In geval een vonnis of arrest in kracht van gewijsde treedt dat een aanpassing van de registratie van het geslacht nietig verklaart of de nieuwe aanpassing van de registratie van het geslacht vaststelt, stuurt de griffier onmiddellijk de gegevens nodig voor de opmaak van de akte van nietigverklaring of de akte van nieuwe aanpassing van de registratie van het geslacht, met de vermelding van de dag van het in kracht van gewijsde treden ervan, via de DABS naar de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand.
  De ambtenaar van de burgerlijke stand maakt onmiddellijk de akte op en verbindt deze met de akten van de burgerlijke stand van de betrokkene die zijn geslacht vermelden.
  § 4. Het vonnis of arrest betreffende de aanpassing of nieuwe aanpassing van de registratie het geslacht van een persoon heeft zijn gevolgen vanaf de opmaak van de akte van aanpassing van de registratie van het geslacht.".
Art.84. L'article 1385quaterdecies, inséré par la loi du 10 mai 2007 et modifié par la loi du 25 juin 2017, du même Code est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 1385quaterdecies. § 1er. Tout exploit de signification d'un jugement ou arrêt relatif à une modification d'enregistrement du sexe d'une personne est immédiatement communiqué, en copie, au greffier.
  § 2. A l'expiration du délai d'appel ou de pourvoi en cassation ou, le cas échéant, après le prononcé de l'arrêt rejetant le pourvoi, le greffier transmet immédiatement les données nécessaires à la rédaction de l'acte de modification de l'enregistrement du sexe à l'officier de l'état civil du lieu de la déclaration via la BAEC ou l'informe de la décision de refus.
  Le greffier en avertit les parties.
  L'officier de l'état civil établit immédiatement l'acte de modification de l'enregistrement du sexe si le dispositif du jugement ou de l'arrêt établit la modification de l'enregistrement du sexe après le recours visé à l'article 135/1, § 7, du Code civil, et associe cet acte à tous les actes de l'état civil de l'intéressé qui mentionnent son sexe.
  § 3. Lorsqu'une décision ou un arrêt passés en force de chose jugée annule une modification de l'enregistrement du sexe ou établit la nouvelle modification de l'enregistrement du sexe, le greffier transmet immédiatement les données nécessaires à l'établissement de l'acte d'annulation ou de l'acte de la nouvelle modification de l'enregistrement du sexe à l'officier de l'état civil compétent via la BAEC, en mentionnant le jour où la décision judiciaire a acquis force de chose jugée.
  L'officier de l'état civil établit immédiatement l'acte et l'associe aux actes de l'état civil de l'intéressé qui mentionnent son sexe.
  § 4. Le jugement ou l'arrêt relatif à une modification ou à une nouvelle modification d'enregistrement du sexe d'une personne produit ses effets à partir de l'établissement de l'acte de modification de l'enregistrement du sexe.".
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het Wetboek Internationaal Privaatrecht
CHAPITRE 3. - Modifications du Code de droit international privé
Art.85. Artikel 31 van het Wetboek van Internationaal Privaatrecht, ingevoegd bij de wet van 16 juli 2004 en gewijzigd bij de wet van 30 juli 2013, wordt vervangen als volgt :
  "Opmaak en wijziging van akten van de burgerlijke stand op basis van een buitenlandse authentieke akte of buitenlandse rechtelijke beslissing inzake staat en bekwaamheid".
  Art. 31. § 1. Een buitenlandse authentieke akte van de burgerlijke stand kan slechts als basis dienen voor de opmaak of wijziging van een akte van de burgerlijke stand of voor de inschrijving in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister na onderzoek van de voorwaarden bedoeld in artikel 27, § 1.
  Een buitenlandse rechterlijke beslissing kan slechts als basis dienen voor de opmaak of wijziging van een akte van de burgerlijke stand of voor de inschrijving in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister na onderzoek van de voorwaarden bedoeld in de artikelen 24 en 25 en, naargelang van het geval, in de artikelen 39, 57 en 72.
  § 2. Dit onderzoek gebeurt door de ambtenaar van de burgerlijke stand of de houder van het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister aan wie de akte of beslissing wordt voorgelegd.
  Hiertoe registreert deze de buitenlandse authentieke akte of buitenlandse rechterlijke beslissing in de Databank Akten Burgerlijke Stand, [1 bedoeld in boek I, titel 2, hoofdstuk 3, van het Burgerlijk Wetboek,]1 met vermelding van de status van het onderzoek. [1 Hij houdt het origineel van de buitenlandse akte of de buitenlandse beslissing ter beschikking van de Centrale autoriteit tot het einde van het onderzoek.]1
  § 3. Een Centrale autoriteit Burgerlijke Stand wordt opgericht bij de Federale Overheidsdienst Justitie.
  Bij ernstige twijfel bij de beoordeling van de voorwaarden bedoeld in paragraaf 1, kan de ambtenaar van de burgerlijke stand of de houder van het bevolkings-, vreemdelingen-, of wachtregister de buitenlandse akte of buitenlandse beslissing voor advies overmaken aan de Centrale autoriteit Burgerlijke stand.
  Deze Centrale autoriteit kan, voor zover nodig, het Openbaar Ministerie of de bevoegde diensten van de federale politie vatten om aanvullend onderzoek te verrichten. [1 De Centrale autoriteit Burgerlijke Stand kan, voor zover nodig, het origineel van de buitenlandse akte of de buitenlandse beslissing opvragen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand of de houder van het bevolkings-, vreemdelingen-, of wachtregister die om het advies verzocht. Deze laatste maakt dit onmiddellijk over aan de Centrale autoriteit Burgerlijke Stand.]1
  De Centrale autoriteit brengt, binnen een termijn van drie maanden vanaf de ontvangst van de adviesaanvraag, door de Centrale autoriteit verlengbaar met drie maanden, advies uit over het voldoen van de buitenlandse akte of de buitenlandse rechterlijke beslissing aan de voorwaarden bedoeld in paragraaf 1.
  De Centrale autoriteit brengt het advies ter kennis van de ambtenaar van de burgerlijke stand of de houder van het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister die hierom verzocht [1 ...]1. [1 Deze laatste neemt het advies in de DABS op als bijlage bij de overeenkomstig paragraaf 2, tweede lid, geregistreerde buitenlandse authentieke akte of buitenlandse rechterlijke beslissing.]1
  § 4. In geval van een weigering tot opmaak of wijziging van een akte van de burgerlijke stand op basis van een buitenlandse akte of van een rechterlijke beslissing door de ambtenaar van de burgerlijke stand [1 ...]1, deelt de ambtenaar [1 ...]1 dit onmiddellijk mee aan de belanghebbende partijen en aan de procureur des Konings van het arrondissement van de woonplaats of de gewone verblijfplaats van de belanghebbende partijen.
  Tegen de weigering kan beroep worden ingesteld bij de familierechtbank van het arrondissement van de woonplaats of gewone verblijfplaats van de belanghebbende partijen, overeenkomstig de procedure bedoeld in artikel 23.
  Indien de familierechtbank het beroep inwilligt, spreekt hij zich in voorkomend geval uit over de verbetering aan te brengen aan de gegevens die in de akte van de burgerlijke stand op basis van een buitenlandse akte vermeld moeten worden.
  § 5. De Koning bepaalt de nadere regels voor de organisatie en de werking van de Centrale autoriteit.
  § 6. De Koning kan bepalen welke andere autoriteiten advies kunnen vragen aan de Centrale autoriteit Burgerlijke Stand.".
  
Art.85. L'article 31 du Code de droit international privé, inséré par la loi du 16 juillet 2004 et modifié par la loi du 30 juillet 2013, est remplacé par ce qui suit :
  "Etablissement et modification des actes de l'état civil sur la base d'un acte authentique étranger ou d'une décision judiciaire étrangère en matière d'état et de capacité".
  Art. 31. § 1er. Un acte authentique étranger concernant l'état civil ne peut servir de base pour l'établissement ou la modification d'un acte de l'état civil ou pour l'inscription dans le registre de la population, le registre des étrangers ou le registre d'attente qu'après vérification des conditions visées à l'article 27, § 1er.
  Une décision judiciaire étrangère ne peut servir de base pour l'établissement ou la modification d'un acte de l'état civil ou pour l'inscription dans le registre de la population, le registre des étrangers ou le registre d'attente qu'après vérification des conditions visées aux articles 24 et 25, et selon les cas, aux articles 39, 57 et 72.
  § 2. La vérification est effectuée par l'officier de l'état civil ou par le détenteur du registre de la population, du registre des étrangers ou du registre d'attente à qui l'acte ou la décision est présenté.
  A cette fin, celui-ci, enregistre l'acte authentique étranger ou la décision judiciaire étrangère dans la Banque de données des actes de l'état civil, [1 visée dans le livre Ier, titre 2, chapitre 3, du Code civil,]1 avec la mention du statut de la vérification. [1 Il tient l'original de l'acte étranger ou de la décision étrangère à disposition de l'Autorité Centrale jusqu'à la fin de la vérification.]1
  § 3. Une Autorité Centrale de l'état civil est créée au sein du Service Public Fédéral Justice.
  En cas de doute sérieux lors de l'appréciation des conditions visées au paragraphe 1er, l'officier de l'état civil ou le détenteur du registre de la population, du registre des étrangers ou du registre d'attente, peut transmettre l'acte étranger ou la décision étrangère pour avis à l'Autorité Centrale de l'état civil.
  Cette Autorité Centrale peut, si nécessaire, saisir le ministère public ou les services compétents de la police fédérale pour procéder à des vérifications complémentaires. [1 L'Autorité Centrale de l'état civil peut, si nécessaire, demander l'original de l'acte étranger ou de la décision judiciaire à l'officier de l'état civil ou au détenteur du registre de la population, du registre des étrangers ou du registre d'attente qui a demandé l'avis. Celui-ci le transmet sur-le-champ à l'Autorité Centrale de l'état civil.]1
  L'Autorité Centrale rend un avis sur le respect par l'acte étranger ou par la décision judiciaire étrangère des conditions visées au paragraphe 1er dans un délai de trois mois à partir de la réception de la demande d'avis, prolongeable de trois mois par l'Autorité Centrale.
  L'Autorité Centrale porte l'avis à la connaissance de l'officier de l'état civil ou du détenteur du registre de la population, du registre des étrangers ou du registre d'attente qui l'a demandé [1 ...]1. [1 Celle-ci joint l'avis en annexe aux actes authentiques étrangers ou aux décisions étrangères, enregistrés conformément au paragraphe 2, alinéa 2, dans la BAEC.]1
  § 4. En cas de refus d'établir ou de modifier un acte de l'état civil sur la base d'un acte étranger ou d'une décision judiciaire étrangère par l'officier de l'état civil [1 ...]1, l'officier [1 ...]1 en informe immédiatement les parties intéressées et le procureur du Roi de l'arrondissement du domicile ou de la résidence habituelle des parties intéressées.
  Un recours peut être introduit contre le refus devant le tribunal de la famille de l'arrondissement du domicile ou de la résidence habituelle des parties intéressées, conformément à la procédure visée à l'article 23.
  Lorsque le tribunal de la famille accueille le recours, il se prononce, le cas échéant, sur les rectifications à apporter aux données qui doivent être mentionnées dans l'acte de l'état civil sur la base d'un acte étranger.
  § 5. Le Roi détermine les modalités d'organisation et de fonctionnement de l'Autorité Centrale.
  § 6. Le Roi peut déterminer quelles autres autorités peuvent demander l'avis de l'Autorité Centrale de l'état civil.".
  
Art. 85/1. [1 Artikel 37, § 2, van het Wetboek Internationaal Privaatrecht, gewijzigd bij de wet van 6 juli 2017, wordt aangevuld met een lid, als volgt:
   "Indien de keuze wordt gedaan voor de ambtenaar van de burgerlijke stand, neemt deze de verklaring van keuze van toepasselijk recht als bijlage op in de Databank Akten Burgerlijke Stand.]1

  
Art. 85/1. [1 L'article 37, § 2, du Code de droit international privé, modifié par la loi du 6 juillet 2017, est complété par un alinéa rédigé comme suit:
   "Si le choix est formulé devant l'officier de l'état civil, celui-ci enregistre la déclaration de choix du droit applicable à titre d'annexe dans la banque de données des actes de l'état civil.]1

  
Art. 85/2. [1 In artikel 39, van het Wetboek Internationaal Privaatrecht, vervangen bij de wet van 6 juli 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
   1° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "de overschrijving ervan in een register van de burgerlijke stand" vervangen door de woorden "de opmaak van de Belgische akte op basis van de buitenlandse akte of de buitenlandse rechterlijke of administratieve beslissing overeenkomstig artikel 68 van het Burgerlijk Wetboek".
   2° paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, als volgt:
   "Indien de keuze wordt gedaan voor de ambtenaar van de burgerlijke stand, neemt deze de verklaring van keuze van toepasselijk recht als bijlage op in de Databank Akten Burgerlijke Stand.]1

  
Art. 85/2. [1 A l'article 39 du Code de droit international privé, remplacé par la loi du 6 juillet 2017, les modifications suivantes sont apportées:
   1° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, les mots "leur transcription dans un registre de l'état civil" sont remplacés par les mots "l'établissement de l'acte belge sur la base de l'acte étranger ou de la décision judiciaire ou administrative étrangère conformément à l'article 68 du Code civil";
   2° le paragraphe 1er est complété par un alinéa rédigé comme suit:
   "Si le choix est formulé devant l'officier de l'état civil, celui-ci enregistre la déclaration de choix du droit applicable à titre d'annexe dans la banque de données des actes de l'état civil.]1

  
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen
CHAPITRE 4. - Modifications de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers
Art.86. In artikel 79quater van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, ingevoegd bij de wet van 2 juni 2013 en gewijzigd bij de wet van 19 september 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° paragraaf 4 wordt vervangen als volgt :
  " § 4. Wanneer de nietigheid van het huwelijk is uitgesproken bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest, stuurt de griffier onmiddellijk de gegevens van het vonnis of arrest naar de DABS, met vermelding van de dag van het in kracht van gewijsde treden.
  De DABS maakt op basis hiervan een melding op en verbindt deze met de huwelijksakte.
  De DABS notificeert de rechterlijke beslissing met vermelding van de datum van het in kracht van gewijsde treden onmiddellijk aan de Dienst Vreemdelingenzaken.
  De griffier brengt de partijen hiervan onmiddellijk in kennis.";
  2° paragraaf 6 wordt vervangen als volgt :
  " § 6. Wanneer de nietigheid van de erkenning is uitgesproken bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest, stuurt de griffier, onmiddellijk de gegevens van het vonnis of arrest naar de DABS, met vermelding van de dag van het in kracht van gewijsde treden.
  De DABS maakt op basis hiervan een melding op en verbindt deze met de akte van erkenning en de akte van geboorte van het kind.
  De DABS notificeert de rechterlijke beslissing met vermelding van de datum van het in kracht van gewijsde treden onmiddellijk aan de Dienst Vreemdelingenzaken.
  De griffier brengt de partijen hiervan onmiddellijk in kennis.".
Art.86. A l'article 79quater de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, inséré par la loi du 2 juin 2013 et modifié par la loi du 19 septembre 2017, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
  " § 4. Lorsque la nullité du mariage a été prononcée par un jugement ou un arrêt coulés en force de chose jugée, le greffier transmet immédiatement les données du jugement ou de l'arrêt à la BAEC, avec mention du jour où la décision judiciaire a acquis force de chose jugée.
  La BAEC établit une mention sur base de celui-ci et l'associe à l'acte de mariage.
  La BAEC notifie immédiatement la décision judiciaire à l'Office des étrangers en mentionnant le jour où celui-ci a acquis force de chose jugée.
  Le greffier en avertit immédiatement les parties.";
  2° le paragraphe 6 est remplacé par ce qui suit :
  " § 6. Lorsque la nullité de la reconnaissance a été prononcée par un jugement ou un arrêt coulés en force de chose jugée, le greffier transmet immédiatement les données du jugement ou de l'arrêt à la BAEC, avec mention du jour où la décision judiciaire a acquis force de chose jugée.
  Sur la base de celles-ci, la BAEC établit un signalement et l'associe à l'acte de reconnaissance et à l'acte de naissance de l'enfant.
  La BAEC notifie immédiatement la décision judiciaire à l'Office des étrangers avec mention de la date à laquelle celui-ci a acquis force de chose jugée.
  Le greffier en avertit immédiatement les parties.".
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van het Consulair Wetboek
CHAPITRE 5. - Modifications du Code consulaire
Art.87. Artikel 7 van het Consulair Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 18 december 2014, 6 juli 2017 en 19 september 2017, wordt aangevuld met de bepaling onder 5° en met een lid, luidende :
  "5° de verbetering van akten als voorzien in artikel 33 van het Burgerlijk Wetboek;
  De consulaire ambtenaren kunnen hun medewerking weigeren indien ze door een moeilijkheid van juridische of feitelijke aard daartoe worden verhinderd.".
Art.87. L'article 7 du Code consulaire, modifié par les lois des 18 décembre 2014, 6 juillet 2017 et 19 septembre 2017, est complété par le 5° et un alinéa rédigés comme suit :
  "5° la rectification des actes telle que prévue à l'article 33 du Code civil;
  Les fonctionnaires consulaires peuvent refuser leur collaboration s'ils sont empêchés par une difficulté de nature juridique ou factuelle.".
Art.88. Artikel 10 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
  "Art. 10. § 1. De in artikel 7 bedoelde bevoegdheden worden uitgeoefend mits het naleven van :
  1° de in België van kracht zijnde wetgeving op het gebied van de burgerlijke stand;
  2° het internationale recht dat België bindt.
  § 2. De Koning bepaalt de vorm en er in opgenomen gegevens van de uittreksels en afschriften die door het hoofd van de consulaire post afgegeven worden.
  § 3. De consulaire akten die uitsluitend wegens de plaats van opmaak in het buitenland niet voldoen aan alle door het Belgische recht voorgeschreven vormvereisten, zijn niettemin rechtsgeldig.".
Art.88. L'article 10 du même Code est remplacé comme suit :
  "Art. 10. § 1er. Les compétences visées à l'article 7 sont exercées moyennant le respect :
  1° de la législation en vigueur en Belgique dans le domaine de l'état civil;
  2° du droit international liant la Belgique.
  § 2. Le Roi détermine la forme et les données y reprises des copies et extraits délivrés par le chef du poste consulaire.
  § 3. Les actes consulaires qui ne satisfont pas à toutes les exigences de forme prescrites par le droit belge, uniquement en raison du lieu de l'établissement de l'acte à l'étranger sont néanmoins valides.".
Art.89. In artikel 15 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 6 juli 2017, worden het derde en vierde lid vervangen als volgt :
  "De belanghebbende moet bij de rechtbank van eerste aanleg te Brussel een verzoekschrift indienen om, op grond van het proces-verbaal van laattijdige aangifte, een vonnis te bekomen houdende vaststelling van de geboorte of het overlijden. Indien hij geen verzoekschrift heeft ingediend binnen een maand na de datum van het proces-verbaal van laattijdige aangifte, dient de procureur des Konings ambtshalve het verzoek tot vaststelling van de geboorte of het overlijden in bij deze rechtbank.
  Op basis van het vonnis maakt de consulaire ambtenaar alsnog de geboorte- of overlijdensakte op.".
Art.89. Dans l'article 15 du même Code, modifié par la loi du 6 juillet 2017, les alinéas 3 et 4 sont remplacés par ce qui suit :
  "L'intéressé doit déposer une requête auprès du tribunal de première instance de Bruxelles afin d'obtenir, sur la base du procès-verbal de déclaration tardive, un jugement portant constatation de la naissance ou du décès. S'il n'a pas déposé de requête dans le mois qui suit la date du procès-verbal de déclaration tardive, le procureur du Roi dépose d'office la requête de constatation de la naissance ou du décès auprès de ce tribunal.
  Sur la base du jugement, le fonctionnaire consulaire rédige encore l'acte de naissance ou de décès."
Art.90. In artikel 17 van hetzelfde Wetboek worden de woorden "artikel 50" vervangen door de woorden "artikel 49".
Art.90. Dans l'article 17 du même Code, les mots "article 50" sont remplacés par les mots "article 49".
HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen van het Wetboek van de Belgische nationaliteit
CHAPITRE 6. - Modifications du Code de la nationalité belge
Art.91. In artikel 8, § 1 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit wordt het tweede lid vervangen als volgt :
  "De verklaring bedoeld in het eerste lid, 2°, b, wordt afgelegd, en op basis ervan wordt een akte van nationaliteit opgesteld, overeenkomstig artikel 22, § 4.
  De verklaring heeft gevolg vanaf de opmaak van de akte van nationaliteit.".
Art.91. Dans l'article 8, § 1er, du Code de la nationalité belge, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  "La déclaration visée à l'alinéa 1er, 2°, b, est faite, et, sur la base de celle-ci, un acte de nationalité est établi conformément à l'article 22, § 4.
  La déclaration a effet à compter de l'établissement de l'acte de nationalité.".
Art.92. In artikel 9 van hetzelfde Wetboek wordt het tweede lid vervangen als volgt :
  "De verklaring bedoeld in het eerste lid, 2°, b, wordt afgelegd, en op basis ervan wordt een akte van nationaliteit opgesteld, overeenkomstig artikel 22, § 4.".
Art.92. Dans l'article 9 du même Code, l' alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  "La déclaration visée à l'alinéa 1er, 2°, b, est faite, et, sur la base de celle-ci, un acte de nationalité est établi, conformément à l'article 22, § 4.".
Art.93. In artikel 11bis van hetzelfde Wetboek, hersteld bij artikel 140, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 3, derde lid, worden de woorden "de wet van 15 mei 1987 betreffende de namen en voornamen" vervangen door de woorden "boek I, titel VIII/1, hoofdstuk 3 van het Burgerlijk Wetboek";
  2° in paragraaf 5 worden het derde tot het zesde lid vervangen als volgt :
  "Indien de procureur des Konings meent geen negatief advies te moeten uitbrengen, maakt hij een attest dat er geen negatief advies wordt uitgebracht over aan de ambtenaar van de burgerlijke stand. Op basis van de verklaring wordt een akte van nationaliteit opgemaakt overeenkomstig artikel 22, § 4.
  Bij het verstrijken van de termijn van vier maanden, desgevallend verlengd overeenkomstig het tweede lid, en bij gebrek aan een negatief advies of overmaking van een attest dat er geen negatief advies wordt uitgebracht, wordt op basis van de verklaring ambtshalve een akte van nationaliteit opgemaakt overeenkomstig artikel 22, § 4. Bij gebrek aan de overmaking bedoeld in paragraaf 4, achtste lid, wordt er echter geen akte van nationaliteit opgemaakt en brengt de ambtenaar van de burgerlijke stand de verklaarder of verklaarders daarvan onmiddellijk op de hoogte.
  Van de opmaak van de akte van nationaliteit wordt door de ambtenaar van de burgerlijke stand kennis gegeven aan de verklaarder of verklaarders.
  De verklaring heeft gevolg vanaf de opmaak van de akte van nationaliteit.";
  3° paragraaf 7 wordt vervangen als volgt :
  " § 7. De verklaarder of de verklaarders kunnen bij een aangetekende brief aan de ambtenaar van de burgerlijke stand vragen hun dossier aan de familierechtbank over te zenden, binnen vijftien dagen na de ontvangst van het negatieve advies bedoeld in paragraaf 5 of van het niet opmaken van de akte van nationaliteit zoals bedoeld in paragraaf 5, vierde lid, laatste zin.
  De familierechtbank doet, na de verklaarder of de verklaarders te hebben gehoord of opgeroepen, bij een met reden omklede beslissing uitspraak over de gegrondheid van het niet opmaken van de akte van nationaliteit bedoeld in paragraaf 5, vierde lid, laatste zin, of het negatief advies bedoeld in paragraaf 5.
  De beslissing wordt aan de verklaarder of de verklaarders en het parket ter kennis gebracht door toedoen van de griffie van de rechtbank van eerste aanleg. De verklaarder of de verklaarders en de procureur des Konings kunnen, binnen vijftien dagen na de kennisgeving, bij een aan de familiekamer van het hof van beroep gericht verzoekschrift, hiertegen hoger beroep instellen. De verlenging van de termijnen wegens de gerechtelijke vakantie geschiedt overeenkomstig artikel 50, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek.
  De familiekamer van het hof van beroep doet uitspraak na het advies van de procureur-generaal en na de verklaarder of de verklaarders te hebben gehoord of opgeroepen.
  De kennisgevingen geschieden bij gerechtsbrief. De berekening van de termijnen in geval van kennisgeving geschiedt overeenkomstig artikel 52 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek.
  De griffier stuurt onmiddellijk de gegevens van de in kracht van gewijsde gegane beslissing waarbij het negatieve advies ongegrond wordt verklaard, nodig voor de opmaak van de akte van nationaliteit via de DABS naar de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand. Deze maakt de akte van nationaliteit op overeenkomstig artikel 22, § 4.
  De verklaring heeft gevolg vanaf de opmaak van de akte van nationaliteit.";
  4° in paragraaf 8 worden het vijfde en het zesde lid vervangen als volgt :
  "Het beschikkende gedeelte van de in kracht van gewijsde gegane onherroepelijke beslissing tot inwilliging vermeldt de volledige identiteit van het kind. De griffier stuurt onmiddellijk de gegevens nodig voor de opmaak van de akte van nationaliteit via de DABS naar de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand.
  Deze maakt de akte van nationaliteit onmiddellijk op, op basis van de verklaring, bedoeld in artikel 22, § 4.
  De verklaring heeft gevolg vanaf de opmaak van de akte van nationaliteit.".
Art.93. Dans l'article 11bis du même Code, rétabli par l'article 140, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 3, alinéa 3, les mots "à la loi du 15 mai 1987 relative aux noms et prénoms" sont remplacés par les mots "au livre Ier, titre VIII/1, chapitre 3 du Code civil";
  2° dans le paragraphe 5, les alinéas 3 à 6 sont remplacés par ce qui suit :
  "Si le procureur du Roi estime ne pas devoir émettre d'avis négatif, il envoie à l'officier de l'état civil une attestation signifiant l'absence d'avis négatif. Sur la base de la déclaration, un acte de nationalité est établi conformément à l'article 22, § 4.
  A l'expiration du délai de quatre mois, le cas échéant, prolongé conformément à l'alinéa 2, et, à défaut d'avis négatif ou de transmission d'une attestation signifiant l'absence d'avis négatif, un acte de nationalité est d'office établi, sur la base de la déclaration, conformément à l'article 22, § 4. Toutefois, à défaut de la transmission visée au paragraphe 4, alinéa 8, l'établissement de l'acte de nationalité n'a pas lieu et l'officier de l'état civil en informe immédiatement le déclarant ou les déclarants.
  Notification de l'établissement de l'acte de nationalité est faite au déclarant ou aux déclarants par l'officier de l'état civil.
  La déclaration a effet à compter de l'établissement de l'acte de nationalité.";
  3° le paragraphe 7 est remplacé par ce qui suit :
  " § 7. Le déclarant ou les déclarants peuvent inviter l'officier de l'état civil, par lettre recommandée, à transmettre leur dossier au tribunal de la famille dans les quinze jours suivant la réception de l'avis négatif visé au paragraphe 5 ou du non-établissement de l'acte de nationalité visé au paragraphe 5, alinéa 4, dernière phrase.
  Après avoir entendu ou appelé le ou les déclarants, le tribunal de la famille statue par voie de décision motivée sur le bien-fondé de l'absence d'établissement de l'acte de nationalité visée au paragraphe 5, alinéa 4, dernière phrase, ou sur l'avis négatif visé au paragraphe 5.
  La décision est notifiée au déclarant ou aux déclarants et au parquet par le greffe du tribunal de première instance. Dans les quinze jours de la notification, le déclarant ou les déclarants et le procureur du Roi peuvent interjeter appel de la décision par requête adressée à la chambre de la famille de la cour d'appel. La prorogation des délais en raison des vacances judiciaires a lieu conformément à l'article 50, alinéa 2, du Code judiciaire.
  La chambre de la famille de la cour d'appel statue, après avis du procureur général, et après avoir entendu ou appelé le déclarant ou les déclarants.
  Les notifications sont effectuées par pli judiciaire. Le calcul des délais en cas de notification a lieu conformément aux articles 52 et suivants du Code judiciaire.
  Le greffier transmet immédiatement à l'officier de l'état civil via la BAEC, les données de la décision passée en force de chose jugée par laquelle l'avis négatif est déclaré non fondé, nécessaires à l'établissement de l'acte de nationalité. Celui-ci établit l'acte de nationalité, conformément à l'article 22, § 4.
  La déclaration a effet à compter de l'établissement de l'acte de nationalité.";
  4° dans le paragraphe 8, les alinéas 5 et 6 sont remplacés par ce qui suit :
  "Le dispositif de la décision définitive d'agrément qui est passée en force de chose jugée mentionne l'identité complète de l'enfant. Le greffier transmet immédiatement à l'officier de l'état civil les données nécessaires à l'établissement de l'acte de nationalité via la BAEC.
  Celui-ci établit immédiatement l'acte de nationalité sur la base de la déclaration visée à l'article 22, § 4.
  La déclaration a effet à compter de l'établissement de l'acte de nationalité.".
Art.94. In artikel 15 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 4 december 2012 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 6 juli 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, vijfde lid, worden de woorden "de wet van 15 mei 1987 betreffende de namen en voornamen" vervangen door de woorden "boek I, titel VIII/1, hoofdstuk 3 van het Burgerlijk Wetboek";
  2° in paragraaf 3 worden het derde tot het zesde lid vervangen als volgt :
  "Indien de procureur des Konings meent geen negatief advies te moeten uitbrengen, maakt hij een attest dat er geen negatief advies wordt uitgebracht over aan de ambtenaar van de burgerlijke stand. Op basis van de verklaring wordt een akte van nationaliteit opgemaakt overeenkomstig artikel 22, § 4.
  Bij het verstrijken van de termijn van vier maanden, desgevallend verlengd overeenkomstig het tweede lid, en bij gebrek aan een negatief advies of overmaking van een attest dat er geen negatief advies wordt uitgebracht, wordt op basis van de verklaring ambtshalve een akte van nationaliteit opgemaakt overeenkomstig artikel 22, § 4. Bij gebrek aan de overmaking bedoeld in paragraaf 2, achtste lid, wordt er echter geen akte van nationaliteit opgemaakt en brengt de ambtenaar van de burgerlijke stand de belanghebbende daarvan onmiddellijk op de hoogte.
  Van de opmaak van de akte van nationaliteit wordt door de ambtenaar van de burgerlijke stand kennis gegeven aan de belanghebbende.
  De verklaring heeft gevolg vanaf de opmaak van de akte van nationaliteit.";
  3° paragraaf 5 wordt vervangen als volgt :
  " § 5. De belanghebbende kan bij een aangetekende brief aan de ambtenaar van de burgerlijke stand vragen zijn dossier aan de familierechtbank over te zenden, binnen vijftien dagen na de ontvangst van het negatieve advies bedoeld in paragraaf 3 of van het niet opmaken van de akte van nationaliteit zoals bedoeld in paragraaf 3, vierde lid, laatste zin.
  De familierechtbank doet, na de belanghebbende te hebben gehoord of opgeroepen, bij een met reden omklede beslissing uitspraak over de gegrondheid van het niet opmaken van de akte van nationaliteit bedoeld in paragraaf 3, vierde lid, laatste zin of het negatief advies bedoeld in paragraaf 3.
  De beslissing wordt aan de belanghebbende en het parket ter kennis gebracht door toedoen van de griffie. De belanghebbende en de procureur des Konings kunnen, binnen vijftien dagen na de kennisgeving, bij een aan de familiekamer van het hof van beroep gericht verzoekschrift, hiertegen hoger beroep instellen. De verlenging van de termijnen wegens de gerechtelijke vakantie geschiedt overeenkomstig artikel 50, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek.
  Het hof van beroep doet uitspraak na het advies van de procureur-generaal en na de belanghebbende te hebben gehoord of opgeroepen.
  De kennisgevingen gebeuren overeenkomstig artikel 1030 van het Gerechtelijk Wetboek. De berekening van de termijnen in geval van kennisgeving geschiedt overeenkomstig artikel 52 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek.
  De griffier stuurt onmiddellijk de gegevens van de in kracht van gewijsde gegane beslissing waarbij het negatieve advies ongegrond wordt verklaard, nodig voor de opmaak van de akte van nationaliteit via de DABS naar de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand. Deze maakt de akte van nationaliteit op overeenkomstig artikel 22, § 4.
  De verklaring heeft gevolg vanaf de opmaak van de akte van nationaliteit.".
Art.94. A l'article 15 du même Code remplacé par la loi du 4 décembre 2012 et modifié en dernier lieu par la loi 6 juillet 2017, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, alinéa 5, les mots "à la loi du 15 mai 1987 relative aux noms et prénoms" sont remplacés par les mots "au livre Ier, titre VIII/1, chapitre 3 du Code civil";
  2° dans le paragraphe 3, les alinéas 3 à 6 sont remplacés par ce qui suit :
  "Si le procureur du Roi estime ne pas devoir émettre d'avis négatif, il envoie à l'officier de l'état civil une attestation signifiant l'absence d'avis négatif. Sur la base de la déclaration, un acte de nationalité est établi conformément à l'article 22, § 4.
  A l'expiration du délai de quatre mois, le cas échéant, prolongé conformément à l'alinéa 2, et à défaut d'avis négatif ou de transmission d'une attestation signifiant l'absence d'avis négatif un acte de nationalité est d'office établi sur la base de la déclaration conformément à l'article 22, § 4. Toutefois, à défaut de la transmission visée au paragraphe 2, alinéa 8, l'établissement de l'acte de nationalité n'a pas lieu et l'officier de l'état civil en informe immédiatement l'intéressé.
  Notification de l'établissement de l'acte de nationalité est faite à l'intéressé par l'officier de l'état civil.
  La déclaration a effet à compter de l'établissement de l'acte de nationalité.";
  3° le paragraphe 5 est remplacé par ce qui suit :
  " § 5. L'intéressé peut inviter l'officier de l'état civil, par lettre recommandée, à transmettre son dossier au tribunal de la famille dans les quinze jours suivant la réception de l'avis négatif visé au paragraphe 3 ou du non-établissement de l'acte de nationalité visé au paragraphe 3, alinéa 4, dernière phrase.
  Après avoir entendu ou appelé l'intéressé, le tribunal de la famille statue par voie de décision motivée sur le bien-fondé de l'absence d'établissement de l'acte de nationalité visée au paragraphe 3, alinéa 4, dernière phrase ou sur l'avis négatif visé au paragraphe 3.
  La décision est notifiée à l'intéressé et au parquet par le greffe. Dans les quinze jours de la notification, l'intéressé et le procureur du Roi peuvent interjeter appel de la décision par requête adressée à la chambre de la famille de la cour d'appel. La prorogation des délais en raison des vacances judiciaires a lieu conformément à l'article 50, alinéa 2, du Code judiciaire.
  La cour d'appel statue, après avis du procureur général, et après avoir entendu ou appelé l'intéressé.
  Les notifications sont effectuées conformément à l'article 1030 du Code judiciaire. Le calcul des délais en cas de notification a lieu conformément aux articles 52 et suivants du Code judiciaire.
  Le greffier transmet immédiatement à l'officier de l'état civil via la BAEC, les données de la décision passée en force de chose jugée par laquelle l'avis négatif est déclaré non fondé, nécessaires à l'établissement de l'acte de nationalité. Celui-ci établit l'acte de nationalité, conformément à l'article 22, § 4.
  La déclaration a effet à compter de l'établissement de l'acte de nationalité.".
Art.95. In artikel 22, § 4 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 27 december 2006 en 4 december 2012, wordt de zin "Zij worden ingeschreven in het register bedoeld in artikel 25." vervangen door de zinnen "De ambtenaar van de burgerlijke stand of, in voorkomend geval, het hoofd van de Belgische consulaire beroepspost maakt op basis van de verklaring een akte van nationaliteit op overeenkomstig artikel 67 van het Burgerlijk Wetboek.
  De verklaring wordt als bijlage in de DABS opgenomen.
  De verklaring heeft gevolg vanaf de opmaak van de akte van nationaliteit.".
Art.95. Dans l'article 22, § 4, du même Code, modifié par les lois des 27 décembre 2006 et 4 décembre 2012, la phrase "Elles sont inscrites dans le registre prévu à l'article 25." est remplacée par les phrases "L'officier de l'état civil ou, le cas échéant, le chef du poste consulaire de carrière belge, établit, sur la base de la déclaration, un acte de nationalité conformément à l'article 67 du Code civil.
  La déclaration est enregistrée en tant qu'annexe dans la BAEC.
  La déclaration a effet à compter de l'établissement de l'acte de nationalité.".
Art.96. In artikel 23 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd door de wet van 25 april 2014, wordt paragraaf 8 vervangen als volgt :
  " § 8. Wanneer het arrest, waarbij de vervallenverklaring van de staat van Belg wordt uitgesproken, onherroepelijk is geworden, stuurt de griffier onmiddellijk de gegevens nodig voor de opmaak van de akte van vervallenverklaring van Belgische nationaliteit via de DABS naar de ambtenaar van de burgerlijke stand, met vermelding van de volledige identiteit van de belanghebbende.
  De bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats van inschrijving in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister van de betrokkene of, bij gebrek hieraan, de actuele verblijfplaats van de betrokkene of, bij gebrek hieraan, van Brussel, maakt een akte van vervallenverklaring van Belgische nationaliteit op.
  De vervallenverklaring heeft gevolg vanaf de opmaak van de akte van vervallenverklaring van Belgische nationaliteit.".
Art.96. Dans l'article 23 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2014, le paragraphe 8 est remplacé par ce qui suit :
  " § 8. Lorsque l'arrêt prononçant la déchéance de la nationalité belge est devenu définitif, le greffier transmet immédiatement les données nécessaires à l'établissement de l'acte de déchéance de la nationalité belge, via la BAEC à l'officier de l'état civil, avec la mention de l'identité complète de l'intéressé.
  L'officier de l'état civil du lieu d'inscription au registre de la population, au registre des étrangers ou au registre d'attente de l'intéressé, ou, à défaut, de la résidence actuelle de l'intéressé, ou, à défaut, de Bruxelles établit un acte de déchéance de la nationalité belge.
  La déchéance a effet à compter de l'établissement de l'acte de déchéance de la nationalité belge.".
Art.97. Artikel 23/1, § 3, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 december 2012 en gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, wordt vervangen als volgt :
  " § 3. Wanneer het vonnis waarbij de vervallenverklaring van de staat van Belg wordt uitgesproken in kracht van gewijsde is gegaan, stuurt de griffier onmiddellijk de gegevens nodig voor de opmaak van de akte van vervallenverklaring van de Belgische nationaliteit via de DABS naar de ambtenaar van de burgerlijke stand, met vermelding van de volledige identiteit van de belanghebbende.
  De ambtenaar van de burgerlijke stand, van de plaats van inschrijving in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister van de betrokkene of, bij gebrek hieraan, de actuele verblijfplaats van de betrokkene of, bij gebrek hieraan, van Brussel, maakt een akte van vervallenverklaring van Belgische nationaliteit op.
  De vervallenverklaring heeft gevolg vanaf de opmaak van de akte van vervallenverklaring van Belgische nationaliteit.".
Art.97. L'article 23/1, § 3, du même Code, inséré par la loi du 4 décembre 2012 et modifié par la loi du 25 avril 2014, est remplacé par ce qui suit :
  " § 3. Lorsque le jugement prononçant la déchéance de la nationalité belge est passé en force de chose jugée, le greffier transmet immédiatement les données nécessaires à l'établissement de l'acte de déchéance de la nationalité belge via la BAEC à l'officier de l'état civil, avec la mention de l'identité complète de l'intéressé.
  L'officier de l'état civil du lieu d'inscription au registre de la population, au registre des étrangers ou au registre d'attente de l'intéressé, ou, à défaut, de la résidence actuelle de l'intéressé, ou, à défaut, de Bruxelles établit un acte de déchéance de la nationalité belge.
  La déchéance a effet à compter de l'établissement de l'acte de déchéance de la nationalité belge.".
Art.98. In artikel 23/2 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 20 juli 2015, wordt paragraaf 3 vervangen als volgt :
  " § 3. Wanneer het vonnis waarbij de vervallenverklaring van de staat van Belg wordt uitgesproken in kracht van gewijsde is gegaan, stuurt de griffier onmiddellijk de gegevens nodig voor de opmaak van de akte van vervallenverklaring van Belgische nationaliteit via de DABS naar de ambtenaar van de burgerlijke stand, met vermelding van de volledige identiteit van de belanghebbende.
  De ambtenaar van de burgerlijke stand, van de plaats van inschrijving in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister van de betrokkene of, bij gebrek hieraan, de actuele verblijfplaats van de betrokkene of, bij gebrek hieraan, van Brussel, maakt onmiddellijk een akte van vervallenverklaring van Belgische nationaliteit op.
  De vervallenverklaring heeft gevolg vanaf de opmaak van de akte van vervallenverklaring van Belgische nationaliteit.".
Art.98. Dans l'article 23/2 du même Code, inséré par la loi du 20 juillet 2015, le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
  " § 3. Lorsque le jugement prononçant la déchéance de la nationalité belge est passé en force de chose jugée, le greffier transmet immédiatement les données nécessaires à l'établissement de l'acte de déchéance de la nationalité belge via la BAEC à l'officier de l'état civil, avec la mention de l'identité complète de l'intéressé.
  L'officier de l'état civil du lieu d'inscription au registre de la population, au registre des étrangers ou au registre d'attente de l'intéressé, ou, à défaut, de la résidence actuelle de l'intéressé, ou, à défaut, de Bruxelles établit immédiatement l'acte de déchéance de la nationalité belge.
  La déchéance a effet à compter de l'établissement de l'acte de déchéance de la nationalité belge.".
HOOFDSTUK 7. - Wijzigingen van het Strafwetboek
CHAPITRE 7. - Modifications du Code pénal
Art.99. In artikel 263 van het Strafwetboek, vervangen bij de wet van 31 maart 1987 en gewijzigd bij de wet van 26 juni 2000, worden de woorden "de artikelen 34 tot 44, 49, 50 en 334" vervangen door de woorden "titel 2 van boek I".
Art.99. Dans l'article 263 du Code pénal, remplacé par la loi du 31 mars 1987 et modifié par la loi du 26 juin 2000, les mots "des articles 34 à 44, 49, 50 et 334" sont remplacés par les mots "du titre 2 du livre Ier".
Art.100. In artikel 264 van het hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 31 maart 1987 en gewijzigd bij de wet van 26 juni 2000, worden de woorden "artikel 45, § 1" vervangen door de woorden "artikel 29, § 1".
Art.100. Dans l'article 264 du même Code, remplacé par la loi du 31 mars 1987 et modifié par la loi du 26 juin 2000, les mots "l'article 45, § 1er," sont remplacés par les mots "l'article 29, § 1er,".
Art.101. In artikel 361 van het hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 30 maart 1984 en gewijzigd bij de wet van 26 juni 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in de bepaling onder 1° worden de woorden "artikel 56, § 1, eerste lid, § 2, eerste lid, en § 3," vervangen door de woorden "artikel 43, § 1";
  2° in de bepaling onder 1° worden de woorden "overeenkomstig de bepalingen van artikelen 55 en 56 van hetzelfde wetboek" vervangen door de woorden "zoals voorzien in dat artikel";
  3° in de bepaling onder 2° worden de woorden "artikel 56, § 1, tweede lid, en § 2, tweede lid" vervangen door de woorden "artikel 42,".
Art.101. Dans l'article 361 du même Code, remplacé par la loi du 30 mars 1984 et modifié par la loi du 26 juin 2000, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le 1°, les mots "l'article 56, § 1er, alinéa 1er, § 2, alinéa 1er, et § 3" sont remplacés par les mots "l'article 43, § 1er,".
  2° dans le 1°, les mots "conformément aux dispositions des articles 55 et 56 du même Code" sont remplacés par les mots "comme prévu dans cet article";
  3° dans le 2°, les mots "l'article 56, § 1er, alinéa 2, et § 2, alinéa 2," sont remplacés par les mots "l'article 42,".
Art.102. In artikel 362 van het hetzelfde Wetboek wordt het eerste lid vervangen als volgt :
  "Met de straffen, bij het vorige artikel bedoeld, wordt gestraft hij die een pasgeboren kind heeft gevonden en hier niet onmiddellijk kennis van heeft gegeven aan de openbare hulpdiensten, zoals bij artikel 45 van het Burgerlijk Wetboek is voorgeschreven.".
Art.102. Dans l'article 362 du même Code, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  "Sera punie des peines visées à l'article précédent, toute personne qui, ayant trouvé un enfant nouveau-né, n'en aura pas informé, immédiatement, les services de secours publics, ainsi qu'il est prescrit par l'article 45 du Code civil.".
Art.103. In artikel 391octies van het hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 2 juni 2013, wordt paragraaf 4 vervangen als volgt :
  " § 4. Wanneer de nietigheid van het huwelijk is uitgesproken bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest, stuurt de griffier onmiddellijk de gegevens van het vonnis of arrest naar de DABS, met vermelding van de dag van het in kracht van gewijsde treden.
  De DABS maakt op basis hiervan een melding op en verbindt deze met de huwelijksakte.
  De DABS notificeert de rechterlijke beslissing met vermelding van de datum van het in kracht van gewijsde treden onmiddellijk aan de Dienst Vreemdelingenzaken.
  De griffier brengt de partijen hiervan onmiddellijk in kennis.".
Art.103. Dans l'article 391octies du même Code, inséré par la loi du 2 juin 2013, le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
  " § 4. Lorsque la nullité du mariage a été prononcée par un jugement ou un arrêt passé en force de chose jugée, le greffier transmet immédiatement les données du jugement ou de l'arrêt à la BAEC, avec mention de la date à laquelle la décision a acquis force de chose jugée.
  La BAEC établit une mention sur cette base et l'associe à l'acte de mariage.
  La BAEC notifie immédiatement la décision judiciaire à l'Office des étrangers avec mention de la date à laquelle celui-ci a acquis force de chose jugée.
  Le greffier en informe immédiatement les parties.".
HOOFDSTUK 8. - Wijzigingen van het Wetboek van strafvordering
CHAPITRE 8. - Modifications du Code d'instruction criminelle
Art.104. In boek I, hoofdstuk VIIter, van het Wetboek van Strafvordering, wordt artikel 106, hersteld bij de wet van 7 juli 2002 en vervangen bij de wet van 14 juli 2011, vervangen als volgt :
  "Art. 106. § 1. Indien de Getuigenbeschermings-commissie de in artikel 104, § 2, tweede lid, 2°, bedoelde bijzondere beschermingsmaatregel voorstelt, kan de minister van Justitie, in een eerste ministerieel besluit, de verandering van de naam, voornamen, geboortedatum en geboorteplaats van de betrokkene toestaan, in afwijking van de bepalingen van boek I, titel II en titel VIII/1, hoofdstuk 3, van het Burgerlijk Wetboek.
  De procedure van identiteitswijziging wordt enkel toegepast op personen die de Belgische nationaliteit bezitten.
  De nieuwe identiteit wordt vastgesteld op voorstel van de Getuigenbeschermingsdienst, na overleg met de betrokkene of zijn wettelijke vertegenwoordiger, en wordt na akkoord van de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie meegedeeld aan de minister van Justitie, die deze opneemt in een tweede ministerieel besluit.
  § 2. De voorzitter van de Getuigenbeschermings-commissie vordert in de Databank Akten Burgerlijke Stand, bedoeld in titel II, hoofdstuk 3, van het Burgerlijk Wetboek, de inschrijving van volgende melding op de akten van de burgerlijke stand van de begunstigden met hun oude identiteit en op de akten van de burgerlijke stand die betrekking hebben op de kinderen van de begunstigden geboren tijdens de procedure van identiteitswijziging :
  "Artikel 106 Sv. - toestemming verleend tot wijziging gegevens burgerlijke stand - Oorspronkelijke naam en voornaam : (begunstigde)."
  Voor elke melding bedoeld in het eerste lid zal in het Rijksregister van de natuurlijke personen een soortgelijke melding worden aangebracht.
  Geen enkel afschrift of uittreksel van de akten van de burgerlijke stand met de oude identiteit van de begunstigde mag worden afgeleverd.
  § 3. De voorzitter van de Getuigenbeschermings-commissie wijst de gemeenten aan die belast worden met het opmaken van de akten van de burgerlijke stand als bedoeld in paragraaf 4.
  Deze gemeenten duiden vervolgens, in overleg met de Getuigenbeschermingsdienst, de hiertoe gemachtigde ambtenaar van het gemeentebestuur aan.
  § 4. Binnen tien dagen na de ondertekening van het tweede ministerieel besluit bedoeld in paragraaf 1, derde lid, wordt het origineel van dat besluit overgezonden aan de Getuigenbeschermingsdienst. Deze laatste stelt de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie hiervan in kennis, die de door hem aangewezen ambtenaar van de burgerlijke stand vervolgens verzoekt tot opmaak van de akten van de burgerlijke stand in de Databank Akten Burgerlijke Stand.
  De nieuwe gegevens van de burgerlijke stand hebben uitwerking op de dag van de opmaak van de akte.
  De nieuwe identiteit van de begunstigden wordt geregistreerd in het Rijksregister van de natuurlijke personen.
  § 5. De Getuigenbeschermingsdienst bewaart de originelen van de vorderingen en de ministeriele besluiten bedoeld in dit artikel.
  Geen enkel afschrift of uittreksel van de vorderingen en van de ministeriële besluiten bedoeld in dit artikel mag door de gemeentelijke overheden worden afgegeven of bewaard.".
Art.104. Dans le livre premier, chapitre VIIter, du Code d'instruction criminelle, l'article 106, rétabli par la loi du 7 juillet 2002 et remplacé par la loi du 14 juillet 2011, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 106. § 1er. Si la Commission de protection des témoins propose la mesure de protection spéciale visée à l'article 104, § 2, alinéa 2, 2°, le ministre de la Justice peut, dans un premier arrêté ministériel, autoriser le changement des nom, prénoms, date et lieu de naissance de la personne concernée, par dérogation aux dispositions du livre Ier, titre II et titre VIII/1, chapitre 3, du Code civil.
  La procédure de changement d'identité est uniquement appliquée aux personnes qui possèdent la nationalité belge.
  La nouvelle identité est déterminée sur proposition du service de Protection des témoins, après concertation avec l'intéressé ou son représentant légal, et est communiquée après accord du président de la Commission de protection des témoins au ministre de la Justice, qui la reprend dans un deuxième arrêté ministériel.
  § 2. Le président de la Commission de protection des témoins requiert dans la banque de données des actes de l'état civil, visée au titre II, chapitre 3, du Code civil, l'inscription de la mention suivante sur les actes de l'état civil des bénéficiaires mentionnant leur ancienne identité, et sur les actes de l'état civil relatifs aux enfants des bénéficiaires nés durant la procédure de changement d'identité :
  "Article 106 du Code d'instruction criminelle - autorisation de modification des données de l'état civil accordée - Nom et prénom originaux : (bénéficiaire)."
  Pour chaque mention visée à l'alinéa 1er, une mention identique sera apportée au Registre national des personnes physiques.
  Il ne peut être délivré de copie ou d'extrait des actes de l'état civil mentionnant l'ancienne identité du bénéficiaire.
  § 3. Le président de la Commission de protection des témoins désigne les communes chargées de l'établissement des actes de l'état civil visés au paragraphe 4.
  Ces communes désignent ensuite, en concertation avec le service de Protection des témoins, le fonctionnaire de l'administration communale habilité à cet effet.
  § 4. Dans les dix jours qui suivent la signature du deuxième arrêté ministériel visé au paragraphe 1er, alinéa 3, l'original de cet arrêté est envoyé au Service de protection des témoins. Ce dernier en informe le président de la Commission de protection des témoins, qui demande ensuite à l'officier de l'état civil qu'il a désigné d'établir les actes de l'état civil dans la banque de données des actes de l'état civil.
  Les nouvelles données d'état civil produisent leurs effets à la date de l'établissement de l'acte.
  La nouvelle identité des bénéficiaires est enregistrée dans le Registre national des personnes physiques.
  § 5. Le Service de protection des témoins conserve les originaux des demandes et des arrêtés ministériels visés au présent article.
  Il ne peut être délivré par les autorités communales de copie ou d'extrait des demandes et arrêtés ministériels visés au présent article.".
HOOFDSTUK 9. - Wijzigingen van de wet van 6 juli 2017 houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering en modernisering van bepalingen van burgerlijke recht en van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat, en houdende diverse bepalingen inzake justitie
CHAPITRE 9. - Modifications de la loi du 6 juillet 2017 portant simplification, harmonisation, informatisation et modernisation de dispositions de droit civil et de procédure civile ainsi que du notariat, et portant diverses mesures en matière de justice
Art.105. Artikel 12 van de wet van 6 juli 2017 houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering en modernisering van bepalingen van burgerlijke recht en van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat, en houdende diverse bepalingen inzake justitie wordt opgeheven.
Art.105. L'article 12 de la loi du 6 juillet 2017 portant simplification, harmonisation, informatisation et modernisation de dispositions de droit civil et de procédure civile ainsi que du notariat, et portant diverses mesures en matière de justice est abrogé.
Art.106. Artikel 19 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  "Art. 19. In dezelfde onderafdeling 2 wordt een artikel 1231-1/3 ingevoegd, luidende :
  "Art. 1231-1/3. § 1. Om ontvankelijk te zijn, worden bij het verzoekschrift naast het attest bedoeld in artikel 1231-1/2, tweede lid, 2°, volgende stukken of gegevens gevoegd, voor zover ze niet beschikbaar zijn in de DABS of in het bevolkings- of vreemdelingenregister :
  1° een afschrift van de akte van geboorte of hiermee gelijkgesteld stuk;
  2° een bewijs van de nationaliteit;
  3° een verklaring betreffende de plaats van inschrijving in het bevolkings- of, vreemdelingenregister, of bij gebrek hieraan, van de gewone verblijfplaats van de adoptant of van de adoptanten [1 ...]1;
  4° een uittreksel van de huwelijksakte of een uittreksel van de verklaring van wettelijke samenwoning of nog het bewijs van meer dan drie jaar samenwonen.
  § 2. Bij ontvangst van het verzoekschrift gaat de griffier na of de bij het verzoekschrift ontbrekende documenten of gegevens beschikbaar zijn in de DABS of in het bevolkings- of vreemdelingenregister.
  Indien de akte van geboorte of de huwelijksakte in België werd opgemaakt of in België werd overgeschreven voor de inwerkingtreding van de wet 18 juni 2018 houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing, verzoekt hij de ambtenaar die de akte heeft opgemaakt of overgeschreven tot opname van de akte in de DABS.
  § 3. Als de vermeldingen van het verzoekschrift onvolledig zijn, of bepaalde informatie ontbreekt voor de inleidende zitting, nodigt de rechter de meest gerede partij uit om de nodige informatie te verstrekken of het dossier van de procedure te vervolledigen.
  Elke partij kan ook zelf het initiatief nemen om het dossier samen te stellen.".
  
Art.106. L'article 19 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 19. Dans la même sous-section 2, il est inséré un article 1231-1/3 rédigé comme suit :
  "Art. 1231-1/3. § 1er. Pour que la requête soit recevable, y sont annexés, outre le certificat visé à l'article 1231-1/2, alinéa 2, 2°, les documents ou les données suivants, pour autant qu'ils ne soient pas disponibles dans la BAEC ou dans les registres de la population ou dans le registre des étrangers :
  1° une copie de l'acte de naissance ou un acte équivalent;
  2° une preuve de la nationalité;
  3° une déclaration concernant le lieu d'inscription dans les registres de la population ou le registre des étrangers, ou, à défaut, la résidence habituelle de l'adoptant ou des adoptants [1 ...]1;
  4° un extrait d'acte de mariage ou un extrait de déclaration de cohabitation légale ou encore la preuve d'une cohabitation de plus de trois ans.
  § 2. Lors de la réception de la requête, le greffier vérifie si les documents ou les données manquants sont disponibles dans la BAEC ou dans les registres de la population ou le registre des étrangers.
  Si l'acte de naissance ou l'acte de mariage est établi en Belgique ou transcrit en Belgique avant l'entrée en vigueur de la loi du 18 juin 2018 portant dispositions diverses en matière de droit civil et des dispositions en vue de promouvoir des formes alternatives de résolution des litiges, il invite l'officier de l'état civil qui a établi ou transcrit l'acte à enregistrer l'acte dans la BAEC.
  § 3. Si les mentions de la requête sont incomplètes, ou certaines informations manquent pour l'audience d'introduction, le juge invite la partie la plus diligente à communiquer les informations requises ou à compléter le dossier de la procédure.
  Chaque partie peut aussi prendre elle-même l'initiative de constituer le dossier.".
  
Art.107. In titel 2 van dezelfde wet wordt een hoofdstuk 2/1 ingevoegd, luidende :
  "Hoofdstuk 2/1. Wijziging van de wet van 18 juni 2018 houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing".
Art.107. Dans le titre 2 de la même loi, il est inséré un chapitre 2/1 intitulé :
  "Chapitre 2/1. Modification de la loi du 18 juin 2018 portant dispositions diverses en matière de droit civil et des dispositions en vue de promouvoir des formes alternatives de résolution des litiges".
Art.108. In hoofdstuk 2/1 van titel 2 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 107, wordt een artikel 44/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 44/1. Artikel 74 van de wet van 18 juni 2018 houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing wordt opgeheven.".
Art.108. Dans le chapitre 2/1 du titre 2 de la même loi, inséré par l'article 107, il est inséré un article 44/1 rédigé comme suit :
  "Art. 44/1. L'article 74 de la loi du 18 juin 2018 portant dispositions diverses en matière de droit civil et des disposi-tions en vue de promouvoir des formes alternatives de résolution des litiges est abrogé.".
HOOFDSTUK 9/1. [1 - Wijzigingen van de wet van 8 mei 2014 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek met het oog op de invoering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen bij de wijze van naamsoverdracht aan het kind en aan de geadopteerde]1
CHAPITRE 9/1. [1 - Modifications de la loi du 8 mai 2014 modifiant le Code civil en vue d'instaurer l'égalité de l'homme et de la femme dans le mode de transmission du nom à l'enfant et à l'adopté]1
Art. 108/1. [1 In artikel 12, § 4, van de wet van 8 mei 2014 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek met het oog op de invoering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen bij de wijze van naamsoverdracht aan het kind en aan de geadopteerde, vervangen bij de wet van 18 december 2014, wordt de laatste zin vervangen als volgt:
   "De bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand of het hoofd van de consulaire beroepspost maakt de akte van verklaring van naamskeuze op ten gevolge van de verklaring en verbindt deze met de akte van geboorte van het kind en met de akten van de burgerlijke stand waarop ze betrekking heeft.]1

  
Art. 108/1. [1 Dans l'article 12, § 4, de la loi du 8 mai 2014 modifiant le Code civil en vue d'instaurer l'égalité de l'homme et de la femme dans le mode de transmission du nom à l'enfant et à l'adopté, remplacé par la loi du 18 décembre 2014, la dernière phrase est remplacée par ce qui suit:
   "L'officier de l'état civil compétent ou le chef du poste consulaire de carrière établit l'acte de déclaration de choix de nom suite à la déclaration et l'associe à l'acte de naissance de l'enfant et aux actes de l'état civil auxquels il se rapporte.]1

  
HOOFDSTUK 10. - Overgangsbepalingen
CHAPITRE 10. - Dispositions transitoires
Afdeling 1. - Opname van papieren akten in de Databank Akten Burgerlijke Stand
Section 1re. - De l'enregistrement des actes sous format papier dans la banque de données de l'état civil
Art.109. De ambtenaar van de burgerlijke stand, de griffier of de bevoegde ambtenaar van de Federale Overheidsdienst justitie die vaststelt dat een akte van voor [1 31 maart 2019]1 die aan hem moet worden voorgelegd niet is opgenomen in de DABS, of waarvan metagegevens ontbreken, verzoekt de ambtenaar van de burgerlijke stand die houder is van het register waarin de akte zich bevindt tot opname ervan in de DABS.
  Deze ambtenaar van de burgerlijke stand neemt deze akte onmiddellijk in gedematerialiseerde vorm en met de bijhorende metagegevens op.
  Indien een voor [1 31 maart 2019]1 opgemaakte akte in de DABS is opgenomen in de vorm van een beeld van de akte, en volgens de wet een uittreksel van de akte van de burgerlijke stand moet worden voorgelegd, volstaat het geactualiseerde afschrift.
  
Art.109. Lorsque l'officier de l'état civil, le greffier ou le fonctionnaire compétent du Service Public Fédéral Justice constatent que l'acte dressé avant [1 le 31 mars 2019]1 qui doit leur être soumis n'est pas repris dans la BAEC ou que ses métadonnées sont manquantes, l'officier de l'état civil détenteur du registre dans lequel l'acte est repris demande son intégration dans la BAEC.
  Cet officier de l'état civil saisit immédiatement cet acte sous forme dématérialisée avec les métadonnées correspondantes.
  Lorsqu'un acte dressé avant [1 le 31 mars 2019]1 est intégré sous la forme d'une image de l'acte et que la loi prescrit la présentation d'un extrait de l'acte d'état civil, la copie actualisée suffit.
  
Art.110. [1 § 1. De ambtenaar van de burgerlijke stand die houder is van papieren registers van de burgerlijke stand opgemaakt vóór [2 31 maart 2019]2 verzekert de bewaring hiervan tot op het ogenblik van de overdracht van de akten van de burgerlijke stand die zich in deze registers bevinden aan het Algemeen Rijksarchief en Rijksarchief in de Provinciën.
   De ambtenaar van de burgerlijke stand belet dat er stukken uit de registers van de burgerlijke stand uit de bewaarplaats worden weggenomen.
   De verplaatsing van de papieren registers van de burgerlijke stand naar een andere bewaarplaats binnen de gemeente is mogelijk mits besluit van het college van burgemeester en schepenen en toelating hiertoe van de Procureur des Konings.
   § 2. Een papieren akte van de burgerlijke stand of een op papier opgemaakt proces-verbaal dat in gedematerialiseerde vorm in de DABS werd opgenomen dient door de ambtenaar van de burgerlijke stand die houder is van het register waarin de akte of het proces-verbaal zich bevindt bewaard te worden tot op het ogenblik van de overdracht van de akte van de burgerlijke stand of het proces-verbaal aan het Algemeen Rijksarchief en Rijksarchief in de Provinciën, wanneer de gemeente daartoe beslist.]1

  
Art.110. [1 § 1er. L'officier de l'état civil détenteur des registres de l'état civil sous format papier établis avant [2 le 31 mars 2019]2 assure leur conservation jusqu'au moment du transfert des actes de l'état civil s'y trouvant aux Archives générales du Royaume et Archives de l'Etat dans les Provinces.
   L'officier de l'état civil empêche que des actes des registres de l'état civil soient enlevés du dépôt.
   Le déplacement des registres de l'état civil sous format papier vers un autre dépôt au sein de la commune est possible moyennant décision du collège des bourgmestre et échevins et autorisation du procureur du Roi.
   § 2. Un acte de l'état civil sous format papier ou un procès-verbal établi sur papier qui a été enregistré sous forme dématérialisée dans la BAEC, doit être conservé par l'officier de l'état civil détenteur du registre dans lequel se trouve l'acte ou le procès-verbal jusqu'au moment du transfert de l'acte de l'état civil ou du procès-verbal aux Archives générales du Royaume et Archives de l'Etat dans les Provinces, lorsque la commune décide de le faire.]1

  
Art.111. De ambtenaar van de burgerlijke stand die een papieren akte, opgemaakt voor [1 31 maart 2019]1, opneemt in de DABS is verantwoordelijk voor de juistheid van de gedematerialiseerde akte en de bijhorende metagegevens op het ogenblik van de opname ervan.
  
Art.111. L'officier de l'état civil qui enregistre un acte papier rédigé avant [1 le 31 mars 2019]1 dans la BAEC est responsable de l'exactitude de l'acte dématérialisé et des métadonnées correspondantes au moment de l'enregistrement.
  
Afdeling 2. - Aangifte van geboorte, huwelijk, overlijden, en de voltrekking van het huwelijk
Section 2. - De la déclaration de naissance, de mariage, de décès, et de la célébration du mariage
Art.112. De artikelen 42 tot 49 van het Burgerlijk Wetboek zijn van toepassing op kinderen waarvan aangifte wordt gedaan na [1 31 maart 2019]1.
  
Art.112. Les articles 42 à 49 du Code civil s'appliquent aux enfants pour lesquels une déclaration de naissance a été faite après [1 le 31 mars 2019]1.
  
Art.113. De artikelen 55 en 56 van hetzelfde Wetboek zijn van toepassing op kennisgevingen van overlijden gedaan na [1 31 maart 2019]1.
  
Art.113. Les articles 55 et 56 du même Code s'appliquent aux déclarations de décès faites après [1 le 31 mars 2019]1.
  
Art.114. De nieuwe artikelen 164/1 en 164/2 van hetzelfde Wetboek, zijn van toepassing op aangiftes van huwelijk gedaan na [1 31 maart 2019]1.
  Op aangiftes van huwelijk gedaan voor [1 31 maart 2019]1, waarvoor nog geen akte van aangifte van huwelijk werd opgemaakt, wordt de aangifte opgemaakt overeenkomstig de artikelen 164/1 en 164/2 van hetzelfde Wetboek.
  
Art.114. Les articles 164/1 et 164/2 du même Code, s'appliquent aux déclarations de mariage faites après [1 le 31 mars 2019]1.
  Une déclaration est établie conformément aux articles 164/1 et 164/2 du même Code lorsque les déclarations de mariage effectuées avant [1 le 31 mars 2019]1 n'ont pas encore fait l'objet d'un acte de déclaration de mariage.
  
Afdeling 3. - Doorsturen van gegevens via de DABS
Section 3. - De la transmission des données au moyen de la BAEC
Art.115. De bepalingen van deze wet met betrekking tot het doorsturen van gegevens via de DABS, door de griffiers of de bevoegde ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Justitie, zijn van toepassing op in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissingen, beslissingen tot erkenning van een adoptie of koninklijke en ministeriële besluiten, die nog niet werden overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand of nog niet werden gerandmeld op een akte van de burgerlijke stand vóór [1 31 maart 2019]1.
  
Art.115. Les dispositions de la présente loi qui concernent la transmission par les greffiers ou par les fonctionnaires compétents du Service Public Fédéral Justice des données au moyen de la BAEC s'appliquent aux décisions judiciaires passées en force de chose jugée, aux décisions de reconnaissance d'une adoption ou aux arrêtés royaux et ministériels qui n'ont pas encore été transcrits dans les registres de l'état civil ou qui n'ont pas encore fait l'objet d'une mention marginale d'un acte de l'état civil avant [1 le 31 mars 2019]1.
  
Afdeling 4. - Verbetering van akten van de burgerlijke stand
Section 4. - De la rectification des actes de l'état civil
Art.116. Artikel 33 van het Burgerlijk Wetboek is van toepassing op verbeteringen van akten opgemaakt na [1 31 maart 2019]1.
  Wat de voor [1 31 maart 2019]1 op papier opgemaakte akten van de burgerlijke stand betreft, wordt onder een materiele vergissing verstaan :
  - een schrijf- of tikfout in namen, voornamen en adressen;
  - een fout in de datum van geboorte of overlijden als uit een geboorte- of overlijdensattest een andere datum blijkt;
  - een fout in de datum van huwelijk;
  - een fout met betrekking tot de in de akte vermelde ambtenaar van de burgerlijke stand;
  - een verkeerde datum van opmaak van de akte.
  Deze materiële vergissingen kunnen slechts verbeterd worden voor zover het gaat om vermeldingen in de akten bedoeld in boek I, titel II, hoofdstuk 2 van het Burgerlijk Wetboek.
  
Art.116. L'article 33 du Code civil s'applique aux rectifications des actes établis àprès [1 le 31 mars 2019]1.
  En ce qui concerne les actes de l'état civil établis sur papier avant [1 le 31 mars 2019]1, on entend par erreur matérielle :
  - une faute d'orthographe ou une faute de frappe dans les noms, les prénoms et les adresses;
  - une erreur relative à la date de la naissance ou du décès si une attestation de naissance ou de décès mentionne une autre date;
  - une erreur relative à la date de mariage;
  - une erreur relative à l'officier de l'état civil mentionné dans l'acte;
  - une erreur relative à la date à laquelle l'acte a été dressé.
  Ces erreurs matérielles peuvent être rectifiées pour autant qu'il s'agit de mentions dans les actes visées au livre Ier, titre II, chapitre 2, du Code civil.
  
Afdeling 5. [1 - Voornaamsverandering]1
Section 5. [1 - Changement de prénoms]1
Art. 116/1. [1 Voor ministeriële besluiten bedoeld in artikel 4 van de wet van 15 mei 1987 betreffende de namen en voornamen, daterend van vóór 1 augustus 2018, kan de ambtenaar van de burgerlijke stand, bedoeld in het nieuwe artikel 370/3, § 3, van het Burgerlijk Wetboek, een akte van voornaamsverandering opmaken waarbij hij als basis voor de opmaak van de akte, zoals bepaald in het nieuwe artikel 41, § 1, eerste lid, 5°, van het Burgerlijk Wetboek, het ministerieel besluit mag vermelden, indien het besluit vóór de inwerkingtreding van deze wet niet werd overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand of niet werd gemeld op de kant van een akte van de burgerlijke stand.]1
  
Art. 116/1. [1 En ce qui concerne les arrêtés ministériels visés à l'article 4 de loi du 15 mai 1987 relative aux noms et prénoms datant d'avant le 1er août 2018, l'officier de l'état civil, visé au nouvel article 370/3, § 3, du Code civil, peut établir un acte de changement de prénom dans lequel il peut être fait mention, comme prévu dans le nouvel article 41, § 1er, alinéa 1er, 5°, du Code civil, que l'acte est établi sur la base de l'arrêté ministériel, pour autant que l'arrêté n'ait pas été transcrit dans les registres de l'état civil ou pas mentionné en marge d'un acte de l'état civil avant l'entrée en vigueur de cette loi.]1
  
Afdeling 6. [1 - Genealogische opzoekingen]1
Section 6. [1 - Des recherches généalogiques]1
Art.116/2. [1 Tot op de datum van inwerkingtreding van het koninklijk besluit voorzien in artikel 79 van het Burgerlijk Wetboek kan de ambtenaar van de burgerlijke stand afschriften van akten van de burgerlijke stand afleveren voor genealogische, historische of andere wetenschappelijke doeleinden, op voorwaarde dat de verzoeker beschikt over de schriftelijke toestemming van alle personen waarop de akte betrekking heeft, voor zover deze nog in leven zijn. In geval deze personen overleden zijn, volstaat de toestemming van één van de nabestaanden.
   De ambtenaar van de burgerlijke stand levert de afschriften af door middel van een kopie uit de papieren registers van de burgerlijke stand, en vermeldt hierop: "afgeleverd voor genealogische, historische of andere wetenschappelijke doeleinden".]1

  
Art. 116/2. [1 Jusqu'à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté royal prévu à l'article 79 du Code civil, l'officier de l'état civil peut délivrer des copies d'actes de l'état civil à des fins généalogiques, historiques ou scientifiques, à condition que le demandeur dispose du consentement écrit de toutes les personnes concernées par l'acte, pour autant qu'elles soient encore en vie. Si ces personnes sont décédées, le consentement d'un des proches suffit.
   L'officier de l'état civil délivre les extraits au moyen d'une copie des registres de l'état civil papier et y mentionne : " délivré à des fins généalogiques, historiques ou scientifiques ".]1

  
Afdeling 7. [1 - Elektronische randmelding op een oude papieren akten]1
Section 7. [1 - Mention marginale électronique sur un ancien acte papier]1
Art.116/3. [1 Op een akte van de burgerlijke stand, opgemaakt voor [2 31 maart 2019]2, die in gedematerialiseerde vorm in de DABS werd opgenomen, die gerandmeld had moeten worden voor [2 31 maart 2019]2, kan een elektronische randmelding door een ambtenaar van de burgerlijke stand worden toegevoegd, via de DABS, in de vorm van de bijlage 4 bij het koninklijk besluit in uitvoering van artikel 29, § 4, van het Burgerlijk Wetboek.
   De basis voor de opmaak van de elektronische randmelding wordt als bijlage in de DABS opgenomen.
   De elektronische randmelding wordt getekend overeenkomstig artikel 18 van het Burgerlijk Wetboek door de ambtenaar van de burgerlijke stand die ze heeft toegevoegd.]1

  
Art. 116/3. [1 Un acte de l'état civil, établi avant [2 le 31 mars 2019]2 et enregistré dans la BAEC sous forme dématérialisée, qui aurait dû être émargé avant [2 le 31 mars 2019]2, peut être complété par un officier de l'état civil, via la BAEC, par une mention marginale électronique dans la forme de l'annexe 4 prévue par l'arrêté royal pris en exécution de l'article 29, § 4, du Code civil.
   La base de l'établissement de la mention marginale électronique est jointe en annexe dans la BAEC.
   La mention marginale électronique est signée conformément à l'article 18 du Code civil par l'officier de l'état civil qui l'a ajoutée.]1

  
HOOFDSTUK 11. - Opheffingsbepalingen
CHAPITRE 11. - Dispositions abrogatoires
Art.117. Opgeheven worden :
  1° le décret du 6 fructidor an II (23 août 1794) portant qu'aucun citoyen ne pourra porter de nom ni de prénom autres que ceux exprimés dans son acte de naissance;
  2° le décret du 20 juillet 1807 concernant les tables alphabétiques de l'état civil;
  3° het koninklijk besluit van 8 juni 1823 houdende nadere bepalingen omtrent de ambtenaren en de registers van de burgerlijke stand;
  4° artikel 18 van la loi sanitaire du 18 juillet 1831;
  5° l'arrêté royal du 31 décembre 1851 prescrivant la forme des tables annuelles des registres de l'état civil;
  6° de artikelen 7, 7bis, 7ter, en 7quinquies van de wet van 27 juni 1937 houdende herziening van de wet van 16 November 1919, betreffende de regeling der Luchtvaart;
  7° de artikelen 1383 tot 1385 van het Gerechtelijk Wetboek;
  8° artikel 25 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit;
  9° de wet van 15 mei 1987 betreffende de namen en voornamen;
  10° de artikelen 125, 127 en 132 Nieuwe Gemeentewet;
  11° het koninklijk besluit van 2 juli 2013 betreffende bepaalde bestuurlijke aspecten van de identiteitswijziging als bijzondere beschermingsmaatregel bedoeld in artikel 104, § 2, tweede lid, 2°, van het Wetboek van Strafvordering;
  [1 12° de artikelen 69, 12°, 70, 8° en 135 van de Provinciewet.]1
  
Art.117. Sont abrogés :
  1° le décret du 6 fructidor an II (23 août 1794) portant qu'aucun citoyen ne pourra porter de nom ni de prénom autres que ceux exprimés dans son acte de naissance;
  2° le décret du 20 juillet 1807 concernant les tables alphabétiques de l'état civil;
  3° l'arrêté royal du 8 juin 1823 contenant des dispositions ultérieures à l'égard des officiers et des registres de l'état civil;
  4° l'article 18 de la loi sanitaire du 18 juillet 1831;
  5° l'arrêté royal du 31 décembre 1851 prescrivant la forme des tables annuelles des registres de l'état civil;
  6° les articles 7, 7bis, 7ter et 7quinquies de la loi du 27 juin 1937 portant révision de la loi du 16 novembre 1919 relative à la réglementation de la navigation aérienne;
  7° les articles 1383, 1384 et 1385 du Code judiciaire;
  8° l'article 25 du Code de la nationalité belge;
  9° la loi du 15 mai 1987 relative aux noms et prénoms;
  10° les articles 125, 127 et 132 de la nouvelle loi communale;
  11° l'arrêté royal du 2 juillet 2013 relatif à certains aspects administratifs du changement d'identité comme mesure de protection spéciale visée à l'article 104, § 2, alinéa 2, 2°, du Code d'instruction criminelle;
  [1 12° les articles 69, 12°, 70, 8°, et 135 de la loi provinciale.]1
  
HOOFDSTUK 12. - Inwerkingtreding
CHAPITRE 12. - Entrée en vigueur
Art.118. [1 Deze titel treedt in werking op 31 maart 2019, met uitzondering van hoofdstuk 9 dat in werking treedt op de datum bepaald bij het koninklijk besluit genomen in uitvoering van artikel 47 van de wet van 6 juli 2017 houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering en modernisering van bepalingen van burgerlijke recht en van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat, en houdende diverse bepalingen inzake justitie.]1
  De Koning kan voor iedere bepaling ervan een datum van inwerkingtreding bepalen voorafgaand aan de datum vermeld in het eerste lid.
  
Art.118. [1 Le présent titre entre en vigueur le 31 mars 2019, à l'exception du chapitre 9 qui entre en vigueur à la date fixée par l'arrêté royal pris en exécution de l'article 47 de la loi du 6 juillet 2017 portant simplification, harmonisation, informatisation et modernisation de dispositions de droit civil et de procédure civile ainsi que du notariat, et portant diverses mesures en matière de justice.]1
  Le Roi peut fixer une date d'entrée en vigueur antérieure à celle mentionnée à l'alinéa 1er pour chacune de ses dispositions.
  
TITEL 3. - Diverse wijzigingen inzake het naamrecht
TITRE 3. - Dispositions diverses en matière de droit du nom
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van de wet van 15 mei 1987 betreffende de namen en voornamen
CHAPITRE 1er. - Modifications de la loi du 15 mai 1987 relative aux noms et prénoms
Art.119. Artikel 2 van de wet van 15 mei 1987 betreffende de namen en voornamen, gewijzigd bij de wetten van 10 mei 2007 en 25 juni 2017, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 2. § 1. Elk verzoek tot verandering van naam of voornamen wordt ingediend door de betrokkene zelf of door zijn wettelijke vertegenwoordiger.
  § 2. Elke persoon die enigerlei reden heeft om van naam te veranderen, kan daartoe aan de minister van Justitie een verzoek richten.
  Het verzoek is ontvankelijk indien het registratierecht bedoeld in artikel 249 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten werd voldaan.
  § 3. Elke persoon die van voornamen wenst te veranderen, dient daartoe een verzoek in bij de ambtenaar van de burgerlijke stand :
  - van de gemeente waar de betrokkene in de bevolkingsregisters, het vreemdelingenregister of het wachtregister is ingeschreven, of;
  - indien de betrokkene in het buitenland verblijft en niet is ingeschreven in de bevolkingsregisters, het vreemdelingenregister of het wachtregister van de gemeente waar hij het laatst was ingeschreven in deze registers, of bij ontstentenis;
  - van het eerste district van Brussel.
  § 4. Elke persoon die de overtuiging heeft dat het geslacht vermeld in zijn akte van geboorte niet overeenkomt met zijn innerlijk beleefde genderidentiteit, voegt bij zijn verzoek tot voornaamsverandering een verklaring op eer daarover. De gekozen voornaam moet in overeenstemming zijn met deze overtuiging. Onverminderd het vierde lid, kan er slechts éénmaal om deze reden om een voornaamsverandering worden verzocht, behalve indien de verandering van de voornaam werd toegestaan door de familierechtbank na een nieuwe aanpassing van de registratie van het geslacht.
  De niet-ontvoogde minderjarige kan vanaf de leeftijd van twaalf jaar om de voornaamswijziging verzoeken om deze reden, met bijstand van zijn ouders of zijn wettelijke vertegenwoordiger.
  Ingeval deze personen weigeren om de niet-ontvoogde minderjarige bij te staan, kan de minderjarige de familierechtbank bij verzoekschrift, ondertekend door hemzelf of zijn advocaat, verzoeken hem te machtigen om deze handeling met bijstand van een voogd ad hoc te verrichten.
  De niet-ontvoogde minderjarige wiens voornaam werd veranderd overeenkomstig het tweede lid kan een tweede maal om dezelfde reden om een voornaamsverandering verzoeken, voor zover hij niet overgaat tot de aanpassing van de registratie van zijn geslacht overeenkomstig artikel 62bis van het Burgerlijk Wetboek.".
Art.119. L'article 2 de la loi du 15 mai 1987 relative aux noms et prénoms, modifié par les lois des 10 mai 2007 et 25 juin 2017, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 2. § 1er. Toute demande de changement de nom ou de prénoms est introduite par l'intéressé lui-même ou son représentant légal.
  § 2. Toute personne qui a quelque motif de changer de nom peut adresser une demande au ministre de la Justice.
  La demande est recevable si le droit d'enregistrement visé à l'article 249 du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe a été acquitté.
  § 3. Toute personne qui souhaite changer de prénoms en fait la demande à l'officier de l'état civil :
  - de la commune où l'intéressé est inscrit dans les registres de la population, le registre des étrangers ou le registre d'attente, ou;
  - si l'intéressé réside à l'étranger et n'est pas inscrit dans les registres de la population, le registre des étrangers ou le registre d'attente, de la commune de la dernière inscription dans ces registres, ou à défaut;
  - du premier district de Bruxelles.
  § 4. Toute personne qui a la conviction que le sexe mentionné dans son acte de naissance ne correspond pas à son identité de genre vécue intimement joint à sa demande de changement de prénoms une déclaration sur l'honneur à ce propos. Le prénom choisi doit être conforme à cette conviction. Sans préjudice de l'alinéa 4, un changement de prénom ne peut être demandé qu'une seule fois pour ce motif sauf lorsque le changement de prénom est autorisé par le tribunal de la famille après une nouvelle modification de l'enregistrement du sexe.
  Le mineur non émancipé peut demander le changement de son prénom pour ce motif à partir de l'âge de douze ans, avec l'assistance de ses parents ou de son représentant légal.
  Si ces personnes refusent d'assister le mineur non émancipé, celui-ci peut saisir le tribunal de la famille par requête, signée par lui ou son avocat, afin de l'autoriser à poser cet acte avec l'assistance d'un tuteur ad hoc.
  Le mineur non émancipé dont le prénom a été changé conformément à l'alinéa 2 peut demander un changement de prénom une deuxième fois pour le même motif, pour autant qu'il ne modifie pas l'enregistrement de son sexe conformément à l'article 62bis du Code civil.".
Art.120. Artikel 3 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 10 mei 2007, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 3. § 1. De Koning kan, na controle van de gerechtelijke antecedenten van de betrokkene, de naamsverandering uitzonderlijk toestaan indien hij van oordeel is dat het verzoek op ernstige redenen steunt en dat de gevraagde naam geen aanleiding geeft tot verwarring en de verzoeker of derden niet kan schaden.
  § 2. De ambtenaar van de burgerlijke stand kan, na controle van de gerechtelijke antecedenten van de betrokkene, de voornaamsverandering toestaan indien de gevraagde voornamen geen aanleiding geven tot verwarring en de verzoeker of derden niet kunnen schaden.
  In geval van ernstige twijfel bij de beoordeling van de in het eerste lid bedoelde voorwaarden, kan de ambtenaar van de burgerlijke stand het advies van de procureur des Konings inwinnen.
  De ambtenaar van de burgerlijke stand staat de voornaamsverandering toe aan de in artikel 2, § 4, bedoelde personen.
  De gemeentelijke retributie mag niet hoger zijn dan 10 procent van het normale tarief in het geval van de personen bedoeld in artikel 2, § 4.
  De personen bedoeld in de artikelen 11bis, § 3, derde lid, 15, § 1, vijfde lid, en 21, § 2, tweede lid, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, worden vrijgesteld van gemeentelijke retributie.
  § 3. In geval van weigering van de naams- of voornaamsverandering stelt de minister van Justitie of de ambtenaar van de burgerlijke stand, naargelang het geval, de verzoeker daarvan in kennis.".
Art.120. L'article 3 de la même loi, modifié par la loi du 10 mai 2007, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 3. § 1er. Le Roi peut, exceptionnellement, après vérification des antécédents judiciaires de l'intéressé, autoriser le changement de nom s'il estime que la demande est fondée sur des motifs graves et que le nom sollicité ne prête pas à confusion et ne peut nuire au requérant ou à des tiers.
  § 2. L'officier de l'état civil peut, après vérification des antécédents judiciaires de l'intéressé, autoriser le changement de prénoms lorsque les prénoms sollicités ne prêtent pas à confusion et ne peuvent nuire au requérant ou à des tiers.
  En cas de doute sérieux lors de l'appréciation des conditions visées à l'alinéa 1er, l'officier de l'état civil peut demander l'avis du procureur du Roi.
  L'officier de l'état civil autorise le changement de prénoms aux personnes visées à l'article 2, § 4.
  La redevance communale ne peut excéder 10 pourcent du tarif ordinaire dans le cas des personnes visées à l'article 2, § 4.
  Les personnes visées aux articles 11bis, § 3, alinéa 3, 15, § 1er, alinéa 5, et 21, § 2, alinéa 2, du Code de la nationalité belge, sont exonérées de redevance communale.
  § 3. En cas de refus de changement de nom ou de prénoms, le ministre de la Justice ou l'officier de l'état civil, selon le cas, en informe le requérant.".
Art.121. Artikel 4 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  "Art. 4. Binnen de drie maanden na het verzoek schrijft de ambtenaar van de burgerlijke stand die de verandering van voornamen toestaat, die in zijn registers over. Hij maakt daarvan melding op de kant van de akten van de burgerlijke stand die betrekking hebben op de begunstigde alsook op de kant van de geboorteakten van diens kinderen.
  De verandering van voornamen heeft gevolg op de datum van de overschrijving.
  De ambtenaar van de burgerlijke stand geeft kennis van de overschrijving aan de ambtenaren van de burgerlijke stand die, overeenkomstig het eerste lid, hiervan melding moeten maken op de kant van hun akten.".
Art.121. L'article 4 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 4. Dans les trois mois de la demande, l'officier de l'état civil qui l'autorise, transcrit le changement de prénoms dans ses registres. Il en fait mention en marge des actes de l'état civil relatifs au bénéficiaire ainsi qu'en marge des actes de naissance de ses enfants.
  Le changement de prénoms produit ses effets à la date de la transcription.
  L'officier de l'état civil avise de la transcription les officiers de l'état civil qui, conformément à l'alinéa 1er, doivent en faire mention en marge de leurs actes.".
Art.122. Artikel 5 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  "Art. 5. In het Belgisch Staatsblad wordt melding gemaakt van de vergunning tot verandering van naam.
  De vergunning tot verandering van naam is definitief in de zin van artikel 7, eerste lid, te rekenen van die vermelding in het Belgisch Staatsblad.
  Op basis van uitzonderlijke omstandigheden die naar behoren zijn vastgesteld en na advies van het openbaar ministerie, kan de Koning vrijstelling verlenen van de vermelding bedoeld in het eerste lid. De vergunning tot verandering van naam vermeldt deze vrijstelling en is definitief op datum van haar ondertekening.".
Art.122. L'article 5 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 5. Il est fait mention au Moniteur belge de l'autorisation de changer de nom.
  L'autorisation de changer de nom est définitive au sens de l'article 7, alinéa 1er, à compter de cette mention au Moniteur belge.
  Sur la base de circonstances exceptionnelles dûment établies et sur avis du ministère public, le Roi peut dispenser de la mention visée à l'alinéa 1er. L'autorisation de changer de nom mentionne cette dispense et est définitive à la date de sa signature.".
Art.123. Artikel 6 van dezelfde wet wordt opgeheven.
Art.123. L'article 6 de la même loi est abrogé.
Art.124. In artikel 7 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid wordt vervangen als volgt :
  "Binnen vijftien dagen te rekenen vanaf de dag waarop de vergunning tot verandering van naam definitief is geworden, stuurt de Koning een afschrift van de vergunning tot naamsverandering aan de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand voor overschrijving in de registers van de burgerlijke stand.";
  2° het derde lid wordt opgeheven.
Art.124. A l'article 7 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'alinéa 1er est remplacé par l'alinéa suivant :
  "Dans les quinze jours à compter du jour où elle est devenue définitive, le Roi envoie une copie de l'autorisation de changer de nom à l'officier de l'état civil compétent pour transcription dans les registres de l'état civil.";
  2° l'alinéa 3 est abrogé.
Art.125. In artikel 8 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid wordt vervangen als volgt :
  "Binnen vijftien dagen na de ontvangst van het afschrift van de vergunning tot verandering van naam, schrijft de ambtenaar van de burgerlijke stand die in zijn registers over.";
  2° het tweede lid wordt vervangen als volgt :
  "De verandering van naam heeft gevolg op de dag van de overschrijving en geldt vanaf die dag voor de minderjarige kinderen tot wie het verzoek is uitgebreid.".
Art.125. A l'article 8 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  "Dans les quinze jours de la réception la copie de l'autorisation de changer de nom, l'officier de l'état civil la transcrit dans ses registres.";
  2° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  "Le changement de nom produit ses effets à la date de la transcription, et s'applique dès cette date aux enfants mineurs au bénéfice desquels la demande a été étendue.".
Art.126. In artikel 9 van dezelfde wet worden de woorden ", aan de begunstigden van de naamsverandering" ingevoegd tussen de woorden "aan de minister van Justitie" en de woorden "en aan de ambtenaren van de burgerlijke stand".
Art.126. A l'article 9 de la même loi, les mots ", les bénéficiaires du changement de nom" sont insérés entre les mots "le ministre de la Justice" et les mots "ainsi que les officiers de l'état civil".
Art.127. In artikel 10 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid wordt de eerste zin vervangen als volgt : "Wanneer de vergunning tot verandering van naam wordt ingetrokken of vernietigd, verzoekt de minister van Justitie of zijn gemachtigde de in artikel 8, eerste lid, bedoelde ambtenaar van de burgerlijke stand het beschikkende gedeelte van de beslissing tot intrekking of het arrest over te schrijven.";
  2° het tweede lid wordt opgeheven.
Art.127. A l'article 10 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 1er, la première phrase est remplacée par la phrase : "Lorsque l'autorisation de changer de nom est retirée ou annulée, le ministre de la Justice ou son délégué requiert l'officier de l'état civil visé à l'article 8, alinéa 1er, de procéder à la transcription du dispositif de la décision de retrait ou de l'arrêt.";
  2° l'alinéa 2 est abrogé.
Art.128. In hoofdstuk II van dezelfde wet wordt een artikel 10/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 10/1. § 1. Wanneer de minister van Justitie de naamswijziging weigert toe te staan, dan kan de betrokkene, overeenkomstig artikel 2, § 2, een vordering instellen via een verzoekschrift dat wordt gericht aan de familierechtbank.
  Wanneer de ambtenaar van de burgerlijke stand de voornaamswijziging weigert toe te staan, dan kan de betrokkene, overeenkomstig artikel 2, § 3, een vordering instellen via een verzoekschrift dat wordt gericht aan de familierechtbank.
  § 2. De vordering moet worden ingesteld binnen dertig dagen te rekenen vanaf de dag waarop de minister van Justitie dan wel de ambtenaar van de burgerlijke stand kennis geeft van de weigering de naams- dan wel voornaamswijziging toe te staan.
  § 3. De familierechtbank beoordeelt de ernst van de redenen die aan het verzoek tot naamsverandering ten grondslag liggen en gaat na of de gewenste naam al dan niet aanleiding geeft tot verwarring en de aanvrager of derden al dan niet kan schaden.
  De familierechtbank gaat na of de gewenste voornamen al dan niet aanleiding geven tot verwarring en de aanvrager of derden al dan niet schade kunnen schaden.
  § 4. De beslissing wordt binnen de maand na de dag waarop de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, door de griffie van de familierechtbank ter kennis gebracht van de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand.
  Wanneer het beschikkend gedeelte van het vonnis of van het arrest de naams- of voornaamswijziging toestaat, dan schrijft de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand de naams- of voornaamswijziging over in de registers van de burgerlijke stand, overeenkomstig artikel 4 in geval van voornaamswijziging en overeenkomstig de artikelen 8 en 9 in geval van naamswijziging.".
Art.128. Dans le chapitre II de la même loi est inséré un article 10/1, rédigé comme suit :
  "Art. 10/1. § 1er. En cas de refus du ministre de la Justice d'autoriser le changement de nom, conformément à l'article 2, § 2, l'intéressé peut introduire un recours par une requête adressée au tribunal de la famille.
  En cas de refus de l'officier de l'état civil d'autoriser le changement de prénoms, conformément à l'article 2, § 3, l'intéressé peut introduire un recours par une requête adressée au tribunal de la famille.
  § 2. Le recours est introduit dans les trente jours à compter du jour de la notification par le ministre de la Justice ou l'officier de l'état civil du refus d'autoriser le changement de nom ou de prénoms.
  § 3. Le tribunal de la famille apprécie la gravité des motifs qui soutiennent la demande de changement de nom, et vérifie si le nom sollicité prête ou non à confusion et s'il peut ou non nuire au requérant ou à des tiers.
  Le tribunal de la famille vérifie si les prénoms sollicités prêtent ou non à confusion et s'ils peuvent ou non nuire au requérant ou à des tiers.
  § 4. La décision est notifiée, dans le mois du jour où elle est coulée en force de chose jugée, par le greffe du tribunal de la famille, à l'officier de l'état civil compétent.
  Si le dispositif du jugement ou de l'arrêt autorise le changement de nom ou de prénoms, l'officier de l'état civil compétent transcrit le changement de nom ou de prénoms dans ses registres, conformément à l'article 4 en cas de changement de prénoms ou aux articles 8 et 9 en cas de changement de nom.".
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten
CHAPITRE 2. - Modifications du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe
Art.129. Artikel 249 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, vervangen bij de wet van 15 mei 1987 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 4 december 2012, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 249. Een recht wordt geïnd op de procedures tot verandering van naam bedoeld in de wet van 15 mei 1987 betreffende de namen en voornamen.
  Het recht bedraagt 140 euro.
  Het recht moet worden voldaan voor de indiening van het verzoek aan het elektronisch loket via my Minfin of bij het kantoor dat bevoegd is voor de verblijfplaats van de verzoeker of van een van de verzoekers, of bij gebrek aan verblijfplaats in België, bij het kantoor te Brussel.
  Het recht is niet verschuldigd in geval van een verandering van naam als bedoeld in de artikelen 11bis, 15 en 21 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit.".
Art.129. L'article 249 du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, remplacé par la loi du 15 mai 1987 et modifié en dernier lieu par la loi du 4 décembre 2012, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 249. Il est perçu un droit sur les procédures de changement de nom prévues par la loi du 15 mai 1987 relative aux noms et prénoms.
  Le droit s'élève à 140 euros.
  Le droit doit être acquitté avant l'introduction de la demande au guichet électronique via my Minfin ou auprès du bureau compétent pour le lieu de résidence du ou d'un des demandeurs, ou, à défaut de résidence en Belgique, au bureau de Bruxelles.
  Le droit n'est pas dû en cas de changement de nom visé aux articles 11bis, 15 et 21 du Code de la nationalité belge.".
Art.130. In artikel 250 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 2 juli 1974 en 15 mei 1987, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid, worden de woorden ", § 1, § 2 en § 3, eerste lid" opgeheven;
  2° in het tweede lid, worden de woorden "één zelfde besluit" vervangen door de woorden "eenzelfde beslissing".
Art.130. A l'article 250 du même Code, modifié par les lois des 2 juillet 1974 et par la loi du 15 mai 1987, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 1er, les mots ", § 1er, § 2, § 3, premier alinéa" sont supprimés ;
  2° dans l'alinéa 2, les mots "un même arrêté" sont remplacés par les mots "une même décision".
Art.131. Artikel 251 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 mei 1987, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 251. Wanneer de vergunning tot verandering van naam wordt ingetrokken of vernietigd terwijl de registratierechten reeds geïnd zijn, betaalt de verzoeker, behalve als hij te kwader trouw was, geen rechten meer wanneer het verzoek beoogt rechtstreeks te verhelpen aan deze intrekking of vernietiging.".
Art.131. L'article 251 du même Code, remplacé par la loi du 15 mai 1987, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 251. Lorsqu'une autorisation de changer de nom est retirée ou annulée alors que les droits d'enregistrement ont été perçus, le requérant, sauf s'il est de mauvaise foi, ne paie plus de droit lors de la demande qui vise directement à remédier à ce retrait ou à cette annulation.".
Art.132. In artikel 252 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 mei 1987, worden de woorden "van het besluit houdende vergunning tot verandering of toevoeging van naam of voornamen" vervangen door de woorden "van de indiening van het verzoek tot verandering van naam".
Art.132. Dans l'article 252 du même Code, remplacé par la loi du 15 mai 1987, les mots "de l'arrêté autorisant le changement ou l'adjonction de nom ou de prénoms" sont remplacés par les mots "de l'introduction de la demande de changement de nom".
Art.133. In artikel 253 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 2 juli 1974 en van 15 mei 1987, wordt het eerste lid vervangen als volgt :
  "De in artikel 248 bedoelde open brieven worden geregistreerd, tegen betaling van het recht door de begunstigden, binnen zes maanden na hun datum ten kantore Brussel.".
Art.133. Dans l'article 253 du même Code, modifié par les lois des 2 juillet 1974 et 15 mai 1987, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  "Les lettres patentes visées à l'article 248 sont enregistrées, contre paiement du droit par les bénéficiaires, dans les six mois de leur date au bureau de Bruxelles.".
Art.134. In artikel 254 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 2 juli 1974 en bij de wet van 15 mei 1987, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid, worden de woorden "of op het afschrift van of het uittreksel uit het besluit houdende vergunning tot verandering van naam of van voornamen" opgeheven;
  2° in het tweede lid, worden de woorden "mogen deze bescheiden niet aan beneficianten worden uitgereikt" vervangen door de woorden "mag de open brief van adeldom niet aan begunstigden worden uitgereikt".
Art.134. Dans l'article 254 du même Code, modifié par la loi du 2 juillet 1974 et la loi du 15 mai 1987, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 1er, les mots "ou sur la copie ou l'extrait de l'arrêté autorisant le changement de nom ou de prénoms" sont abrogés;
  2° dans l'alinéa 2, les mots "Ces documents ne peuvent être délivrés" sont remplacés par les mots "La lettre patente de noblesse ne peut être délivrée".
Art.135. In titel I, hoofdstuk XVIII, van hetzelfde Wetboek, worden afdeling II, die de artikelen 248 tot 254 zal omvatten, en afdeling III, die artikel 255 zal omvatten, hersteld als volgt :
  "Afdeling II. - Open brieven van adeldom en vergunningen tot verandering van naam of van voornamen";
  "Afdeling III. - Bepalingen gemeen aan afdelingen II en III".
Art.135. Dans le titre Ier, chapitre XVIII du même Code, la section II, qui comportera les articles 248 à 254, et la section III, qui comportera l'article 255, sont rétablies dans la rédaction suivante :
  "Section II. - Lettres patentes de noblesse et autorisations de changer de nom ou de prénoms";
  "Section III. - Dispositions communes aux sections II et III".
Art.136. Deze titel treedt in werking op de eerste dag van de maand na afloop van een termijn van tien dagen te rekenen van de dag na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
Art.136. Le présent titre entre en vigueur le premier jour du mois qui suit l'expiration d'un délai de dix jours prenant cours le jour après sa publication au Moniteur belge.
TITEL 4. - Diverse wijzigingen inzake het nationaliteitsrecht
TITRE 4. - Modifications diverses en matière de droit de la nationalité
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het Wetboek van de Belgische nationaliteit
CHAPITRE 1er. - Modifications du Code de la nationalité belge
Art.137. In artikel 5 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2013, wordt paragraaf 1 vervangen als volgt :
  " § 1. Belanghebbende die in de onmogelijkheid verkeert zich een akte van geboorte te verschaffen in het kader van procedures tot verwerving van de Belgische nationaliteit, kan de akte van geboorte vervangen door :
  1° indien zijn akte van geboorte werd opgesteld in een land waarvoor de onmogelijkheid of zware moeilijkheden om de bedoelde akte van de burgerlijke stand te verkrijgen, werden aanvaard :
  a) hetzij een gelijkwaardig document afgegeven door de diplomatieke of consulaire overheden van zijn land van geboorte;
  b) hetzij, in geval van onmogelijkheid of zware moeilijkheden om zich voornoemd document te verschaffen, een akte van bekendheid, afgegeven door de vrederechter van zijn hoofdverblijfplaats;
  2° indien zijn akte van geboorte niet werd opgesteld in een land waarvoor de onmogelijkheid of zware moeilijkheden om de akte van de burgerlijke stand in kwestie te verkrijgen, werden aanvaard : een akte van bekendheid, afgegeven door de vrederechter van hun hoofdverblijfplaats.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en op voordracht van de minister van Buitenlandse Zaken, de lijst van landen waarvoor de in het eerste lid, 1°, bedoelde onmogelijkheid of zware moeilijkheden worden aanvaard.".
Art.137. Dans l'article 5 du Code de la nationalité belge, modifié en dernier lieu par la loi du 30 juillet 2013, le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
  " § 1er. En cas d'impossibilité de se procurer un acte de naissance dans le cadre des procédures d'obtention de la nationalité belge, l'intéressé peut produire afin de suppléer à l'acte de naissance :
  1° si son acte de naissance a été dressé dans un pays pour lequel l'impossibilité ou les difficultés sérieuses d'obtenir l'acte d'état civil en question ont été admises :
  a) soit un document équivalent délivré par les autorités diplomatiques ou consulaires de son pays de naissance;
  b) soit en cas d'impossibilité ou de difficultés sérieuses à se procurer ce dernier document, un acte de notoriété délivré par le juge de paix de sa résidence principale;
  2° si son acte de naissance n'a pas été dressé dans un pays pour lequel l'impossibilité ou les difficultés sérieuses d'obtenir l'acte d'état civil en question ont été admises, un acte de notoriété délivré par le juge de paix de sa résidence principale.
  Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres et sur proposition du ministre des Affaires étrangères, la liste des pays pour lesquels l'impossibilité ou les difficultés sérieuses, visées à l'alinéa 1er, 1°, sont admises.".
Art.138. In artikel 7bis, § 2, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 27 december 2006 en vervangen bij de wet van 4 december 2012, worden tussen het eerste en het tweede lid twee leden ingevoegd, luidende :
  "Voor de burgers van de Europese Unie en hun familieleden bedoeld in artikel 40bis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, wordt de periode tussen de datum van de indiening van hun aanvraag en de datum waarop hun dat recht op verblijf is toegekend, gelijkgesteld aan een gemachtigd verblijf in de zin van paragraaf 2, 2°.
  Voor de vluchtelingen erkend overeenkomstig het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 wordt de periode tussen de datum van de indiening van hun aanvraag tot internationale bescherming en de datum van de erkenning van het statuut van vluchteling door de bevoegde minister, gelijkgesteld aan een gemachtigd verblijf in de zin van paragraaf 2, 2°. "
Art.138. Dans l'article 7bis, § 2, du même Code, inseré par la loi du 27 décembre 2006 et remplacé par la loi du 4 décembre 2012, deux alinéas rédigés comme suit sont insérés entre les alinéas 1er et 2 :
  "Pour les citoyens de l'Union européenne et les membres de leur famille visés à l'article 40bis de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, la période entre la date d'introduction de leur demande et la date à laquelle ce droit de séjour leur est reconnu est assimilée à un séjour autorisé au sens du paragraphe 2, 2°.
  Pour les réfugiés reconnus selon la Convention internationale relative au statut des réfugiés, signée à Genève le 28 juillet 1951, la période entre la date du dépôt de leur demande de protection internationale et la date de la reconnaissance du statut de réfugié par le ministre compétent est assimilée à un séjour autorisé au sens du paragraphe 2, 2°. "
Art.139. In artikel 11 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 4 december 2012 en gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden " § 1" worden opgeheven;
  2° paragraaf 2 wordt opgeheven.
Art.139. A l'article 11 du même Code, remplacé par la loi du 4 décembre 2012 et modifié par la loi du 25 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° les mots " § 1er." sont abrogés;
  2° le paragraphe 2 est abrogé.
Art.140. Artikel 11bis van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 4 december 2012, wordt hersteld als volgt :
  "Art.11bis. § 1. Is Belg ingevolge een verklaring afgelegd door de ouders of adoptanten, het kind in België geboren en dat sinds zijn geboorte zijn hoofdverblijfplaats in België heeft en dit voor zover de ouders of de adoptanten :
  a) een verklaring afleggen voor het kind de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt;
  b) en gedurende de tien jaren voorafgaand aan de verklaring hun hoofdverblijfplaats in België hebben gehad;
  c) en minstens een van hen op het ogenblik van de verklaring toegelaten of gemachtigd is om voor onbeperkte duur in België te verblijven.
  § 2. De in de eerste paragraaf bedoelde verklaring wordt door beide ouders gezamenlijk afgelegd wanneer de afstamming van het kind ten aanzien van beiden vaststaat. Bij adoptie door twee personen wordt deze verklaring door de twee adoptanten gezamenlijk afgelegd.
  De verklaring van één ouder of adoptant volstaat indien de andere ouder of adoptant :
  a) overleden is;
  b) of in de onmogelijkheid verkeert zijn wil te kennen te geven;
  c) of afwezig is verklaard;
  d) of zijn hoofdverblijfplaats niet meer in België heeft, maar in de toekenning van de Belgische nationaliteit toestemt.
  De verklaring door één ouder of adoptant volstaat eveneens indien :
  a) de afstamming van het kind slechts ten aanzien van een van zijn ouders vaststaat;
  b) of als het kind slechts door één persoon is geadopteerd, tenzij de adoptant de echtgenoot is van de ouder, in welk geval de verklaring door beide belanghebbenden wordt afgelegd.
  § 3. De verklaring wordt afgelegd voor de ambtenaar van de burgerlijke stand van de hoofdverblijfplaats van het kind.
  Indien de schrijfwijze van de naam of voornaam van één van de betrokkenen niet identiek is in het bevolkingsregister, vreemdelingenregister, strafregister of de voorgelegde documenten, wordt de aanvraag opgeschort totdat de schrijfwijze in alle registers en documenten gelijk is gemaakt.
  Indien één van de betrokkenen geen naam of voornaam heeft, stelt de ambtenaar van de burgerlijke stand de ouder of adoptant voor kosteloos een procedure in te stellen overeenkomstig de wet van 15 mei 1987 betreffende de namen en voornamen, in welk geval de aanvraag wordt opgeschort totdat het kind een naam en voornaam heeft bekomen.
  § 4. De ambtenaar van de burgerlijke stand onderzoekt de volledigheid van de verklaring binnen dertig werkdagen na de aflegging van de verklaring.
  Indien een verklaring onvolledig is, biedt de ambtenaar de verklaarder of de verklaarders de gelegenheid om binnen twee maanden het verzuim te herstellen. De ambtenaar van de burgerlijke stand geeft in een formulier zoals vastgesteld door de Koning, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, aan welke stukken in de verklaring ontbreken.
  Indien van de gelegenheid om het verzuim te herstellen geen dan wel op niet afdoende wijze gebruik wordt gemaakt, wordt de verklaring onontvankelijk verklaard.
  Als de verklaring volledig en ontvankelijk is, geeft de ambtenaar van de burgerlijke stand een ontvangstbewijs af, hetzij binnen vijfendertig werkdagen na de aflegging van de verklaring indien de verklaring meteen volledig werd bevonden, hetzij binnen vijftien werkdagen na het verstrijken van de termijn die aan de verklaarder of de verklaarders werd verleend om het verzuim te herstellen.
  Wordt de verklaring onvolledig beschouwd, dan wordt hiervan kennis gegeven bij aangetekende zending binnen vijfendertig werkdagen na de aflegging van de verklaring, dan wel binnen vijftien werkdagen na het verstrijken van de termijn die aan de verklaarder of de verklaarders wordt verleend om het verzuim te herstellen.
  Indien het ontvangstbewijs niet tijdig is betekend of indien niet tijdig is meegedeeld dat de verklaring onvolledig is, wordt de verklaring geacht volledig te zijn. Tegen de uitdrukkelijke onontvankelijk verklaring staat een beroep tot nietigverklaring open bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, overeenkomstig artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 op de Raad van State.
  De Koning bepaalt, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en op voordracht van de minister van Justitie, welke akten en stavingsstukken bij de aanvraag moeten worden gevoegd om te bewijzen dat voldaan is aan de voorwaarden, en dat het dossier als volledig wordt bevonden als bedoeld in het eerste lid.
  De ambtenaar van de burgerlijke stand zendt een afschrift van het volledige dossier voor advies aan de procureur des Konings van de rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied, uiterlijk binnen vijf werkdagen die volgen op de aflevering van het ontvangstbewijs. De procureur des Konings geeft hiervan onverwijld ontvangstmelding.
  Op hetzelfde ogenblik dat de ambtenaar van de burgerlijke stand aan de procureur des Konings een afschrift van het volledige dossier overzendt, zendt hij eveneens een afschrift ervan aan de dienst Vreemdelingenzaken.
  § 5. De procureur des Konings kan, binnen vier maanden te rekenen van de datum van het in paragraaf 4 bedoelde ontvangstbewijs een negatief advies uitbrengen inzake de toekenning van de Belgische nationaliteit indien de verklaring een ander oogmerk heeft dan het belang van het kind om zich de Belgische nationaliteit te zien toekennen of als de grondvoorwaarden, die hij moet aanduiden, niet vervuld zijn.
  Als bij miskenning van paragraaf 4, achtste lid, de verklaring bedoeld in paragraaf 2 laattijdig wordt overgezonden in de loop van de laatste maand van de termijn, wordt deze van ambtswege verlengd met een maand, te rekenen van de overzending van het dossier aan de procureur des Konings.
  Indien de procureur des Konings meent geen negatief advies te moeten uitbrengen, zendt hij een attest dat er geen negatief advies wordt uitgebracht over aan de ambtenaar van de burgerlijke stand. De verklaring wordt onmiddellijk ingeschreven en vermeld overeenkomstig artikel 22, § 4.
  Bij het verstrijken van de termijn van vier maanden, desgevallend verlengd overeenkomstig het tweede lid, en bij gebrek aan een negatief advies of overzending van een attest dat er geen negatief advies wordt uitgebracht, wordt de verklaring ambtshalve ingeschreven en vermeld overeenkomstig artikel 22, § 4. Bij gebrek aan de overzending bedoeld in paragraaf 4, achtste lid, heeft er echter geen inschrijving plaats en brengt de ambtenaar van de burgerlijke stand de verklaarder of de verklaarders daarvan onmiddellijk op de hoogte.
  Van de inschrijving wordt door de ambtenaar van de burgerlijke stand kennis gegeven aan de verklaarder of verklaarders.
  De verklaring heeft gevolg vanaf de inschrijving.
  § 6. Het negatief advies van de procureur des Konings moet met redenen zijn omkleed. Het wordt aan de ambtenaar van de burgerlijke stand en, bij een aangetekende zending, aan de verklaarder of de verklaarders betekend door toedoen van de procureur des Konings.
  § 7. De verklaarder of de verklaarders kunnen bij een aangetekende zending aan de ambtenaar van de burgerlijke stand vragen hun dossier aan de familierechtbank over te zenden, binnen vijftien dagen na de ontvangst van de informatie bedoeld in :
  - paragraaf 5, vierde lid, laatste zin;
  - het negatief advies bedoeld in paragraaf 5.
  De familierechtbank doet, na de verklaarder of de verklaarders te hebben gehoord of opgeroepen, bij een met reden omklede beslissing uitspraak over de gegrondheid van :
  - het niet inschrijven van de verklaring, zoals bedoeld in paragraaf 5, vierde lid, laatste zin;
  - het negatief advies bedoeld in paragraaf 5.
  De beslissing wordt aan de verklaarder of de verklaarders en het parket ter kennis gebracht door toedoen van de griffie van de rechtbank van eerste aanleg. De verklaarder of de verklaarders en de procureur des Konings kunnen binnen vijftien dagen na de kennisgeving hoger beroep instellen tegen de beslissing van de rechtbank, bij een aan de familiekamer van het hof van beroep gericht verzoekschrift. De verlenging van de termijnen wegens de gerechtelijke vakantie geschiedt overeenkomstig artikel 50, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek.
  De familiekamer van het hof van beroep doet uitspraak na het advies van de procureur-generaal te hebben ingewonnen en de verklaarder of de verklaarders te hebben gehoord of opgeroepen.
  De kennisgevingen geschieden bij gerechtsbrief. De berekening van de termijnen in geval van kennisgeving geschiedt overeenkomstig artikel 52 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek.
  Het beschikkend gedeelte van de in kracht van gewijsde gegane beslissing waarbij het negatief advies ongegrond wordt verklaard, wordt door toedoen van het openbaar ministerie, aan de ambtenaar van de burgerlijke stand gezonden.
  De verklaring heeft gevolg vanaf de inschrijving en wordt onmiddellijk ingeschreven en vermeld zoals bepaald bij artikel 22, § 4.
  § 8. Bij ontstentenis van de in paragraaf 2 vereiste toestemming, kan de verklaring niettemin door de andere ouder of adoptant worden afgelegd voor de ambtenaar van de burgerlijke stand van de hoofdverblijfplaats van het kind. Deze onderzoekt de volledigheid van de verklaring overeenkomstig paragraaf 4, eerste tot zevende lid. De ambtenaar van de burgerlijke stand deelt de verklaring binnen uiterlijk vijf werkdagen na de afgifte van het ontvangstbewijs mee aan het parket van de rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied. De procureur des Konings maakt hiervan onverwijld akte op. Op hetzelfde ogenblik dat de ambtenaar van de burgerlijke stand aan de procureur des Konings een afschrift van het volledige dossier overzendt, zendt hij eveneens een afschrift ervan aan de dienst Vreemdelingenzaken.
  Op advies van de procureur des Konings en na de ouders of de adoptanten te hebben gehoord of opgeroepen, doet de familierechtbank uitspraak over de inwilliging van de verklaring. Zij willigt de verklaring in indien zij de weigering tot toestemming een misbruik acht te zijn en indien de verklaring geen ander oogmerk heeft dan het belang van het kind om zich de Belgische nationaliteit te zien toekennen. De beslissing moet met redenen zijn omkleed.
  Door toedoen van de procureur des Konings worden de ouders of de adoptanten in kennis gesteld van de beslissing. De ouders of de adoptanten en de procureur des Konings kunnen binnen vijftien dagen na de kennisgeving hoger beroep instellen tegen de beslissing van de rechtbank, bij een aan de familiekamer van het hof van beroep gericht verzoekschrift. Het hof doet uitspraak na advies van de procureur-generaal en na de ouders of de adoptanten te hebben gehoord of opgeroepen.
  De kennisgevingen geschieden bij gerechtsbrief. De berekening van de termijnen in geval van kennisgeving geschiedt overeenkomstig artikel 52 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek.
  Het beschikkend gedeelte van de in kracht van gewijsde gegane onherroepelijke beslissing tot inwilliging vermeldt de volledige identiteit van het kind; het wordt op verzoek van het openbaar ministerie overgeschreven in het register, vermeld in artikel 25, van de hoofdverblijfplaats van het kind.
  De verklaring heeft gevolg vanaf de overschrijving.".
Art.140. L'article 11bis du même Code, abrogé par la loi du 4 décembre 2012, est rétabli dans la rédaction suivante :
  "Art.11bis. § 1er. Est Belge à la suite d'une déclaration faite par les auteurs ou par les adoptants, l'enfant né en Belgique et ayant, depuis sa naissance, sa résidence principale en Belgique et ce, pour autant que les auteurs ou les adoptants :
  a) fassent une déclaration avant que l'enfant n'ait atteint l'âge de douze ans;
  b) et aient eu leur résidence principale en Belgique pendant les dix années précédant la déclaration;
  c) et qu'au moins l'un d'entre eux soit admis ou autorisé à séjourner de manière illimitée en Belgique au moment de la déclaration.
  § 2. Lorsque la filiation de l'enfant est établie à l'égard de ses deux auteurs, la déclaration visée au paragraphe 1er est faite conjointement par ceux-ci. Si l'enfant a été adopté par deux personnes, cette déclaration est faite conjointement par les deux adoptants.
  La déclaration d'un auteur ou d'un adoptant suffit si l'autre parent ou adoptant :
  a) est décédé;
  b) ou est dans l'impossibilité d'exprimer sa volonté;
  c) ou a été déclaré absent;
  d) ou n'a plus sa résidence principale en Belgique, mais consent à l'attribution de la nationalité belge.
  La déclaration faite par un auteur ou un adoptant suffit également si :
  a) la filiation de l'enfant n'est établie qu'à l'égard d'un de ses auteurs;
  b) ou si l'enfant n'a été adopté que par une seule personne, sauf si l'adoptant est le conjoint de l'auteur, auquel cas la déclaration est faite par les deux intéressés.
  § 3. La déclaration est faite devant l'officier de l'état civil de la résidence principale de l'enfant.
  Si le nom ou le prénom d'un des intéressés n'est pas orthographié de la même façon dans le registre de la population, le registre des étrangers, le casier judiciaire ou les documents présentés, la demande est suspendue jusqu'à ce que l'orthographe ait été uniformisée dans tous les registres et documents.
  Si un des intéressés n'a pas de nom ou de prénom, l'officier de l'état civil propose au parent ou à l'adoptant d'introduire gratuitement une procédure conformément à la loi du 15 mai 1987 relative aux noms et prénoms, auquel cas la demande est suspendue jusqu'à ce que l'enfant ait un nom et un prénom.
  § 4. L'officier de l'état civil examine l'exhaustivité de la déclaration dans les trente jours ouvrables qui suivent le dépôt de celle-ci.
  Lorsqu'une déclaration est incomplète, l'officier offre au déclarant ou aux déclarants la possibilité de réparer l'oubli dans un délai de deux mois. L'officier de l'état civil indique dans un formulaire établi par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, quelles sont les pièces qui font défaut dans la déclaration.
  S'il n'est pas ou pas suffisamment fait usage de la possibilité de réparer l'oubli, la déclaration est déclarée irrecevable.
  Si la déclaration est complète et recevable, l'officier de l'état civil délivre un récépissé, soit dans les trente-cinq jours ouvrables suivant le dépôt de la déclaration si la déclaration a immédiatement été jugée complète, soit dans les quinze jours ouvrables suivant l'expiration du délai accordé au déclarant ou aux déclarants pour réparer l'oubli.
  Si la déclaration est jugée incomplète, il en est donné connaissance par envoi recommandé dans les trente-cinq jours ouvrables suivant le dépôt de la déclaration ou dans les quinze jours ouvrables suivant l'expiration du délai accordé au déclarant ou aux déclarants pour réparer l'oubli.
  Si le récépissé ou le caractère incomplet de la déclaration n'a pas été notifié dans les délais, la déclaration est réputée complète. La déclaration expresse d'irrecevabilité est susceptible de recours en annulation devant la section du contentieux administratif du Conseil d'Etat, conformément à l'article 14, § 1er, des lois coordonnées du 12 janvier 1973 sur le Conseil d'Etat.
  Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, et sur la proposition du ministre de la Justice, les actes et justificatifs à joindre à la demande pour apporter la preuve que les conditions sont réunies et que le dossier a été jugé complet, comme le prévoit l'alinéa 1er.
  L'officier de l'état civil transmet, pour avis, une copie de l'intégralité du dossier au procureur du Roi du tribunal de première instance du ressort, au plus tard dans les cinq jours ouvrables de la délivrance du récépissé. Le procureur du Roi en accuse réception sans délai.
  En même temps qu'il communique au procureur du Roi copie du dossier complet, l'officier de l'état civil en transmet également copie à l'Office des étrangers.
  § 5. Dans un délai de quatre mois à compter de la date du récépissé visé au paragraphe 4, le procureur du Roi peut émettre un avis négatif sur l'attribution de la nationalité belge si la déclaration vise un autre but que l'intérêt de l'enfant à se voir attribuer la nationalité belge ou lorsque les conditions de base, qu'il doit indiquer, ne sont pas remplies.
  Si, en violation du paragraphe 4, alinéa 8, la déclaration visée au paragraphe 2 est communiquée tardivement dans le courant du dernier mois du délai, celui-ci est d'office prolongé d'un mois à dater de la communication du dossier au procureur du Roi.
  Lorsque le procureur du Roi estime ne pas devoir émettre d'avis négatif, il envoie à l'officier de l'état civil une attestation signifiant l'absence d'avis négatif. La déclaration est immédiatement inscrite et mentionnée conformément à l'article 22, § 4.
  A l'expiration du délai de quatre mois, le cas échéant prolongé conformément à l'alinéa 2, et à défaut d'avis négatif ou de transmission d'une attestation signifiant l'absence d'avis négatif, la déclaration est inscrite d'office et mentionnée conformément à l'article 22, § 4. Toutefois, à défaut de la communication visée au paragraphe 4, alinéa 8, l'inscription n'a pas lieu et l'officier de l'état civil en informe immédiatement le ou les déclarants.
  Notification de l'inscription est faite au déclarant ou aux déclarants par l'officier de l'état civil.
  La déclaration a effet à compter de l'inscription.
  § 6. L'avis négatif du procureur du Roi doit être motivé. Il est notifié à l'officier de l'état civil et, par envoi recommandé, au déclarant ou aux déclarants par les soins du procureur du Roi.
  § 7. Le déclarant ou les déclarants peuvent inviter l'officier de l'état civil, par envoi recommandé, à transmettre le dossier au tribunal de la famille dans les quinze jours suivant la date de réception des informations visées :
  - au paragraphe 5, alinéa 4, dernière phrase;
  - dans l'avis négatif visé au paragraphe 5.
  Après avoir entendu ou appelé le ou les déclarants, le tribunal de la famille statue par voie de décision motivée sur le bien-fondé :
  - de l'absence de l'inscription de la déclaration, visée au paragraphe 5, alinéa 4, dernière phrase;
  - de l'avis négatif visé au paragraphe 5.
  La décision est notifiée au déclarant ou aux déclarants et au parquet par le greffe du tribunal de première instance. Dans les quinze jours de la notification, le déclarant ou les déclarants et le procureur du Roi peuvent interjeter appel de la décision du tribunal, par requête adressée à la chambre de la famille de la cour d'appel. La prorogation des délais en raison des vacances judiciaires a lieu conformément à l'article 50, alinéa 2, du Code judiciaire.
  La chambre de la famille de la cour d'appel statue, après avis du procureur général, et après avoir entendu ou appelé le déclarant ou les déclarants.
  Les notifications sont effectuées par pli judiciaire. Le calcul des délais en cas de notification a lieu conformément aux articles 52 et suivants du Code judiciaire.
  Le dispositif de la décision passée en force de chose jugée par laquelle l'avis négatif est déclaré non fondé est envoyé à l'officier de l'état civil par les soins du ministère public.
  La déclaration a effet à compter de l'inscription et est immédiatement inscrite et mentionnée conformément à l'article 22, § 4.
  § 8. A défaut du consentement exigé au paragrahe 2, la déclaration peut néanmoins être souscrite par l'autre auteur ou adoptant, devant l'officier de l'état civil de la résidence principale de l'enfant. Celui-ci examine l'exhaustivité de la déclaration, comme le prévoient les alinéas 1er à 7 du paragrahe 4. L'officier de l'état civil communique au plus tard dans les cinq jours ouvrables de la délivrance du récépissé la déclaration au parquet du tribunal de première instance du ressort. Le procureur du Roi en dresse acte, sans délai. En même temps qu'il communique au procureur du Roi copie du dossier complet, l'officier de l'état civil en transmet également copie à l'Office des étrangers.
  Sur avis du procureur du Roi et après avoir entendu ou appelé les auteurs ou les adoptants, le tribunal de la famille se prononce sur l'agrément de la déclaration. Il l'agrée s'il estime le refus de consentement abusif et si la déclaration ne vise pas d'autre but que l'intérêt de l'enfant à se voir attribuer la nationalité belge. La décision doit être motivée.
  La décision est notifiée aux auteurs ou aux adoptants par les soins du procureur du Roi. Dans les quinze jours de la notification, les auteurs ou les adoptants et le procureur du Roi peuvent interjeter appel de la décision du tribunal, par requête adressée à la chambre de la famille de la cour d'appel. La cour statue, après avis du procureur général et après avoir entendu ou appelé les auteurs ou les adoptants.
  Les notifications sont effectuées par pli judiciaire. Le calcul des délais en cas de notification a lieu conformément aux articles 52 et suivants du Code judiciaire.
  Le dispositif de la décision définitive d'agrément passée en force de chose jugée mentionne l'identité complète de l'enfant; il est transcrit à la diligence du ministère public sur le registre mentionné à l'article 25 du lieu de la résidence principale de l'enfant.
  La déclaration a effet à compter de l'inscription.".
Art.141. In artikel 12bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 juni 1991 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in paragraaf 1, 1°, b), worden de woorden "wettelijk verblijft" vervangen door de woorden "zijn hoofdverblijfplaats heeft gevestigd op grond van een wettelijk verblijf";
  b) in paragraaf 1, 2°, b), 3°, b), 4°, b), en 5°, b), worden de woorden "wettelijk verblijf in België heeft" telkens vervangen door de woorden "zijn hoofdverblijfplaats heeft gevestigd in België op grond van een wettelijk verblijf";
  c) in paragraaf 1, 2°, d), derde streepje en 3°, e), derde streepje, worden de woorden "een inburgeringscursus te hebben gevolgd waarin wordt voorzien door de bevoegde overheid van zijn hoofdverblijfplaats op het tijdstip dat hij zijn inburgeringscursus aanvat" telkens vervangen door de woorden ", naargelang het geval, het bewijs uitgereikt door de daartoe bevoegde overheid te leveren van het met succes gevolgd hebben van het inburgeringstraject, het onthaaltraject of het integratieparcours waarin wordt voorzien door de bevoegde overheid van zijn hoofdverblijfplaats op het tijdstip dat hij dit aanvat".
  d) paragraaf 2 wordt opgeheven.
Art.141. Dans l'article 12bis du même Code, inséré par la loi du 13 juin 1991 et modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  a) dans le paragraphe 1er, 1°, b), les mots "y séjourne légalement" sont remplacés par les mots "y a fixé sa résidence principale sur la base d'un séjour légal";
  b) dans le paragraphe 1er, 2°, b), 3°, b), 4°, b), et 5°, b), les mots "séjourne légalement en Belgique" sont remplacés chaque fois par les mots "a fixé sa résidence principale en Belgique sur la base d'un séjour légal";
  c) dans le paragraphe 1er, 2°, d), troisième tiret et 3°, e), troisième tiret, les mots "suivi un cours d'intégration prévu par l'autorité compétente de sa résidence principale au moment où il entame son cours d'intégration" sont remplacés chaque fois par les mots ", selon le cas, fourni la preuve délivrée par l'autorité compétente, du suivi avec succès du trajet d'intégration, du parcours d'accueil ou du parcours d'intégration prévu par l'autorité compétente de sa résidence principale au moment où il entame celui-ci".
  d) le paragraphe 2 est abrogé.
Art.142. In artikel 15 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 4 december 2012 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 6 juli 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1 worden tussen het eerste en het tweede lid twee leden ingevoegd, luidende :
  "In afwijking van het voorgaande kunnen de in de artikelen 17 en 24, derde lid, bedoelde procedures worden ingediend ten overstaan van het hoofd van een Belgische beroepsconsulaire post, die in casu de bevoegdheden uitoefent van de ambtenaar van de burgerlijke stand overeenkomstig artikel 15, § 2.
  Indien de procedures zijn ingeleid overeenkomstig het tweede lid, vanuit het buitenland, kan de aangetekende zending bedoeld in paragraaf 2, vijfde lid en in de paragrafen 4 en 5, worden vervangen door elk vorm van schriftelijke communicatie met verzendingsbewijs.";
  2° in paragraaf 2, wordt tussen het achtste en het negende een lid ingevoegd, luidende als volgt :
  "Indien de procedure is ingeleid vanuit het buitenland, zendt het hoofd van de Belgische beroepsconsulaire post een afschrift van het volledig dossier aan de procureur des Konings van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel indien de aanvrager het Nederlands of het Frans als voertaal heeft gekozen. Als de aanvrager het Duits als voertaal heeft gekozen, wordt het afschrift van het volledige dossier overgezonden aan de procureur des Konings van de rechtbank van eerste aanleg te Eupen.";
  3° in paragraaf 5, derde lid, worden de woorden "en aan het parket" ingevoegd tussen de woorden "aan de belanghebbende" en de woorden "ter kennis gebracht door de griffie";
  4° in paragraaf 5 wordt het vijfde lid vervangen als volgt :
  "De kennisgevingen gebeuren overeenkomstig artikel 1030 van het Gerechtelijk Wetboek. De berekening van de termijnen in geval van kennisgeving geschiedt overeenkomstig artikel 52 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek.";
  5° paragraaf 5 wordt aangevuld met een lid, luidende :
  De verklaring heeft gevolg vanaf de inschrijving.";
  6° paragraaf 6 wordt opgeheven.
Art.142. A l'article 15 du même Code, remplacé par la loi du 4 décembre 2012 et modifié en dernier lieu par la loi du 6 juillet 2017, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, deux alinéas rédigés comme suit sont insérés entre les alinéas 1er et 2 :
  "Par dérogation à ce qui précède, les procédures visées aux articles 17 et 24, alinéa 3, peuvent être introduites devant le chef d'un poste consulaire de carrière belge qui exerce, dans ce cas, les compétences dévolues à l'officier de l'état civil par l'article 15, § 2.
  Lorsque les procédures sont introduites, conformément à l'alinéa 2, depuis l'étranger, l'envoi recommandé, visé au paragraphe 2, alinéa 5, et aux paragraphes 4 et 5, peut être remplacé par tout moyen écrit de communication avec preuve d'expédition.";
  2° dans le paragraphe 2, un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 8 et 9 :
  "Lorsque la procédure est introduite depuis l'étranger, le chef du poste consulaire de carrière belge transmet la copie du dossier complet au procureur du Roi du tribunal de première instance de Bruxelles lorsque le demandeur a fait choix de la langue française ou de la langue néerlandaise. Lorsque le demandeur a fait choix de la langue allemande, la copie du dossier complet est transmise au procureur du Roi du tribunal de première instance d'Eupen.";
  3° dans le paragraphe 5, alinéa 3, les mots "et au parquet" sont insérés entre les mots "à l'intéressé" et les mots "par le greffe";
  4° dans le paragraphe 5, l'alinéa 5 est remplacé par ce qui suit :
  "Les notifications sont effectuées conformément à l'article 1030 du Code judiciaire. Le calcul des délais en cas de notification a lieu conformément aux articles 52 et suivants du Code judiciaire.";
  5° le paragraphe 5 est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  "La déclaration a effet à compter de l'inscription.";
  6° le paragraphe 6 est abrogé.
Art.143. In hoofdstuk III van hetzelfde Wetboek wordt een afdeling 2 ingevoegd luidende "Terugkrijgen van de Belgische nationaliteit als deze na onterecht te zijn verleend, is ingetrokken geworden nadat belanghebbende minstens tien jaar in het genot is geweest van de hoedanigheid van Belg.".
Art.143. Dans le chapitre III du même Code, il est inséré une section 2 intitulée "Réacquisition de la nationalité belge lorsque celle-ci octroyée erronément a été retirée après que l'intéressé ait joui pendant au moins dix ans de la qualité de Belge.".
Art.144. In afdeling 2, ingevoegd bij artikel 143, wordt artikel 17 van het Wetboek, opgeheven bij de wet van 4 december 2012, hersteld in de volgende lezing :
  "Art. 17. De persoon te goeder trouw aan wie de Belgische nationaliteit onterecht is verleend en gedurende ten minste tien jaar zonder onderbreking door de Belgische overheden behandeld werd als Belg, kan, wanneer zijn Belgische nationaliteit wordt betwist, de Belgische nationaliteit verkrijgen overeenkomstig artikel 15.
  De verklaring dient te worden afgelegd voordat een termijn van een jaar is verstreken vanaf het ogenblik dat een Belgische overheid het houden van de Belgische nationaliteit door de persoon definitief betwist.
  Die termijn wordt verlengd tot de leeftijd van negentien jaar wanneer de belanghebbende een persoon is wiens afstamming van een Belgische ouder gebleken is niet langer vast te staan voordat hij ontvoogd was en de leeftijd van achttien jaar had bereikt.
  Wanneer de geldigheid van de voor de verkrijging van de Belgische nationaliteit verrichte akten afhankelijk was van het houden van de Belgische nationaliteit, kan die geldigheid niet worden betwist op de enkele grond dat de belanghebbende die nationaliteit niet bezat. Hetzelfde geldt voor de rechten die voor de verkrijging van de Belgische nationaliteit zijn verkregen en waarvoor het bezit van de Belgische nationaliteit vereist was.".
Art.144. Dans la section 2 insérée par l'article 143, l'article 17 du même Code, abrogé par la loi du 4 décembre 2012, est rétabli dans la rédaction suivante :
  "Art. 17. La personne de bonne foi à qui la nationalité belge a été octroyée erronément et qui a, de façon constante durant au moins dix années, été considérée comme Belge par les autorités belges, peut, si la nationalité belge lui est contestée, acquérir la nationalité belge conformément à l'article 15.
  La déclaration doit être faite avant l'expiration d'un délai d'un an prenant cours à la date à laquelle une autorité belge conteste définitivement la détention de la nationalité belge par la personne.
  Ce délai est prorogé jusqu'à l'âge de dix-neuf ans si le déclarant est une personne dont la filiation à l'égard d'un auteur belge a cessé d'être établie alors qu'il n'était pas émancipé et n'avait pas atteint l'âge de dix-huit ans.
  Lorsque la validité des actes passés antérieurement à l'acquisition de la nationalité belge était subordonnée à la détention de la nationalité belge, cette validité ne peut être contestée pour le seul motif que le déclarant n'avait pas cette nationalité. Il en est de même des droits acquis antérieurement à l'acquisition de la nationalité belge pour lesquels la nationalité belge était requise.".
Art.145. Afdeling 2 van hoofdstuk III van hetzelfde Wetboek wordt vernummerd als 3.
Art.145. La section 2 du chapitre III du même Code est numérotée 3.
Art.146. In artikel 19 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 4 december 2012 en gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° paragraaf 1, eerste lid, 1°, wordt aangevuld met de woorden "of voor die leeftijd zijn ontvoogd";
  2° in paragraaf 2 worden de woorden "of voor die leeftijd is ontvoogd" ingevoegd tussen de woorden "de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt" en "en de hoedanigheid heeft van staatloze".
Art.146. A l'article 19 du même Code, remplacé par la loi du 4 décembre 2012 et modifié par la loi du 25 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, est complété par les mots "ou avoir été émancipé avant cet âge";
  2° dans le paragraphe 2, les mots "ou a été émancipé avant cet âge" sont insérés entre les mots "l'âge de dix-huit ans" et les mots "et qui a la qualité d'apatride".
Art.147. In artikel 22 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 juli 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° paragraaf 2, opgeheven bij de wet van 22 mei 1991, wordt hersteld als volgt :
  " § 2. Paragraaf 1, 5°, is niet van toepassing op de Belg die tussen de leeftijd van achttien en achtentwintig jaar, een Belgisch paspoort of Belgische identiteitskaart heeft aangevraagd en aan wie dit werd uitgereikt";
  2° in paragraaf 4, worden de woorden "Belgische diplomatieke zending of" opgeheven.
Art.147. A l'article 22 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 20 juillet 2015, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 2, abrogé par la loi du 22 mai 1991, est rétabli dans la rédaction suivante :
  " § 2. Le paragraphe 1er, 5°, ne s'applique pas au Belge qui, entre ses dix-huit et ses vingt-huit ans, a demandé et s'est vu délivrer un passeport ou une carte d'identité belge.";
  2° dans le paragraphe 4, les mots "d'une mission diplomatique ou" sont abrogés.
Art.148. In artikel 23, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 27 december 2006 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de woorden "artikel 11" vervangen door de woorden "de artikelen 11 en 11bis".
Art.148. Dans l'article 23, § 1er, alinéa 1er, du même Code, remplacé par la loi du 27 décembre 2006 et modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2014, les mots "de l'article 11" sont remplacés par les mots "des articles 11 et 11bis".
Art.149. In artikel 23/1, § 1, van hetzelfde Wetboek,ingevoegd bij de wet van 4 december 2012 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 juli 2015, worden de woorden " § 1," opgeheven.
Art.149. Dans l'article 23/1, § 1er, du même Code, inséré par la loi du 4 décembre 2012 et modifié en dernier lieu par la loi du 20 juillet 2015, les mots " § 1er," sont abrogés.
Art.150. In artikel 23/2, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 20 juli 2015, worden de woorden " § 1," opgeheven.
Art.150. Dans l'article 23/2, § 1er, du même Code inséré par la loi du 20 juillet 2015, les mots " § 1er," sont abrogés.
Art.151. Artikel 24 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 4 december 2012, wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "Indien het verlies van de Belgische nationaliteit het gevolg is van de onmogelijkheid om de verklaring als bedoeld in artikel 22, § 1, 5°, af te leggen en de betrokkene niet voldoet aan de twee laatste voorwaarden bedoeld in het eerste lid, kan de procureur des Konings toch menen geen negatief advies te moeten uitbrengen, nadat hij de omstandigheden heeft beoordeeld waarin de belanghebbende de Belgische nationaliteit heeft verloren, alsmede de redenen waarom hij die wil herkrijgen."
Art.151. L'article 24 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 4 décembre 2012, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  "Si la perte de la nationalité belge résulte de l'impossibilité de faire la déclaration telle que prévue à l'article 22, § 1er, 5°, et si l'intéressé ne satisfait pas aux deux dernières conditions visées au premier alinéa, le procureur du Roi peut néanmoins juger ne pas devoir émettre d'avis négatif, après avoir apprécié les circonstances dans lesquelles le déclarant a perdu la nationalité belge, ainsi que les raisons pour lesquelles il veut la recouvrer."
Art.152. In artikel 25, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 4 december 2012, wordt het cijfer ", 17" ingevoegd tussen de woorden "12bis, 15" en de woorden "en 24".
Art.152. Dans l'article 25, alinéa 1er, du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 4 décembre 2012, le chiffre ", 17" est inséré entre les mots "12bis, 15" et les mots "et 24".
Art.153. In hoofdstuk VII van hetzelfde Wetboek wordt een artikel 31 ingevoegd, luidende :
  "Art. 31. § 1. De vreemdeling die met vrucht een inburgeringscursus heeft gevolgd overeenkomstig de voorwaarden vastgelegd door de bevoegde overheid van zijn hoofdverblijfplaats, bewijst zijn maatschappelijke integratie als bedoeld in het oude artikel 12bis, § 1, 2°, d), en 3°, e), van dit Wetboek, zoals het bestond voor de wijziging ervan bij de wet van 18 juni 2018 houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing.
  De vreemdeling moet de inburgeringscursus ten laatste begonnen zijn binnen drie jaar te rekenen vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de datum van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van de wet van 18 juni 2018 houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing.
  § 2. Het oude artikel 12bis, § 1, 2°, d), en 3°, e), van dit Wetboek, zoals het bestond voor de wijziging ervan bij de wet van 18 juni 2018 houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing, blijft van toepassing op de vreemdeling die aan de in para-graaf 1 bedoelde voorwaarden voldoet.".
Art.153. Dans le chapitre VII du même Code, il est inséré un article 31 rédigé comme suit :
  "Art. 31. § 1er. L'étranger qui a suivi avec fruit un cours d'intégration aux conditions fixées par l'autorité compétente de sa résidence principale, prouve son intégration sociale visée à l'ancien article 12bis § 1er, 2°, d) et 3°, e) du présent Code dans sa rédaction antérieure à sa modification par la loi du 18 juin 2018 portant dispositions diverses en matière de droit civil et des dispositions en vue de promouvoir des formes alternatives de résolutions des litiges.
  L'étranger doit avoir entamé le cours d'intégration au plus tard dans les trois ans à compter du 1er jour du mois qui suit la date de publication au Moniteur belge de la loi du 18 juin 2018 portant dispositions diverses en matière de droit civil et des dispositions en vue de promouvoir des formes alternatives de résolution des litiges.
  § 2. L'ancien article 12bis § 1er, 2°, d) et 3°, e) du présent Code dans sa rédaction antérieure à sa modification par la loi du 18 juin 2018 portant dispositions diverses en matière de droit civil et des dispositions en vue de promouvoir des formes alternatives de résolution des litiges, reste d'application à l'étranger qui remplit les conditions visées au paragraphe 1er.".
HOOFDSTUK 2. - Wijziging van het Gerechtelijk Wetboek
CHAPITRE 2. - Modification du Code judiciaire
Art.154. In artikel 604 van het Gerechtelijk Wetboek, vervangen bij de wet van 4 december 2012, worden de woorden "en 23/2, § 1," ingevoegd tussen de woorden "in het artikel 23/1, § 1" en de woorden ", van het Wetboek van de Belgische nationaliteit".
Art.154. Dans l'article 604 du Code judiciaire, remplacé par la loi du 4 décembre 2012, les mots "et 23/2, § 1er" sont insérés entre les mots "à l'article 23/1, § 1er" et les mots ", du Code de la Nationalité belge".
HOOFDSTUK 3. - Wijziging van het Wetboek der registratie, hypotheek- en griffierechten
CHAPITRE 3. - Modification du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe
Art.155. Artikel 238, eerste lid, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, hersteld bij de wet van 4 december 2012, wordt aangevuld met de woorden "met uitzondering van de procedures tot verkrijging van de Belgische nationaliteit op grond van artikel 17 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit".
Art.155. Dans l'article 238 du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, rétabli par la loi du 4 décembre 2012, l'alinéa 1er est complété par les mots "à l'exclusion des procédures d'acquisition de la nationalité belge fondées sur l'article 17 du Code de la Nationalité belge".
HOOFDSTUK 4. - Wijziging van het Wetboek van internationaal privaatrecht
CHAPITRE 4. - Modification du Code du droit international privé
Art.156. In artikel 38, tweede lid, van het Wetboek van het internationaal privaatrecht, gewijzigd bij de wet van 4 december 2012, wordt het woord "11bis," ingevoegd tussen de woorden "bedoeld in de artikelen" en de woorden "15 en 21".
Art.156. Dans l'article 38, alinéa 2, du Code de droit international privé, modifié par la loi du 4 décembre 2012, le mot " 11bis ", est inséré entre les mots " visé aux articles " et les mots " 15 et 21 ".
TITEL 5. - Diverse wijzigingen inzake adoptie
TITRE 5. - Modifications diverses en matière d'adoption
Art.157. In artikel 362-3 van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 24 april 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) de bepaling onder 2° wordt vervangen als volgt :
  "2° van de federale centrale autoriteit het vonnis bedoeld in artikel 1231-37 van het Gerechtelijk Wetboek heeft ontvangen;";
  b) in de bepaling onder 3° worden de woorden "de verslagen bedoeld in 1° en 2° " vervangen door de woorden "het verslag bedoeld in 1° en het vonnis bedoeld in 2° ";
  c) in de bepaling onder 4° worden de woorden "in 2° " vervangen door de woorden "in artikel 1231-38 van het Gerechtelijk Wetboek.".
Art.157. A l'article 362-3 du Code civil, inséré par la loi du 24 avril 2003, les modifications suivantes sont apportées :
  a) le 2° est remplacé par ce qui suit :
  "2° a reçu de l'autorité centrale fédérale le jugement visé à l'article 1231-37 du Code judiciaire;";
  b) dans le 3°, les mots "les rapports prévus aux 1° et 2° " sont remplacés par les mots "le rapport visé au 1° et le jugement visé au 2° ";
  c) dans le 4°, les mots "prévu au 2° " sont remplacés par les mots "visé à l'article 1231-38 du Code judiciaire.".
Art.158. In artikel 368-6 van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 24 april 2003, wordt het tweede lid vervangen als volgt :
  "Zij waarborgen aan de geadopteerde of aan zijn wettelijke vertegenwoordiger of, in geval van overlijden van de geadopteerde, aan zijn afstammelingen de toegang tot die gegevens.
  Het schriftelijk verzoek tot raadpleging van de herkomstgegevens van de geadopteerde gericht aan de federale centrale autoriteit en uitgaande van de minderjarige geadopteerde die de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, wordt alleen in aanmerking genomen indien het mee ondertekend is door zijn wettelijke vertegenwoordiger.
  Indien de wettelijke vertegenwoordiger weigert het verzoek mee te ondertekenen beslist de federale centrale autoriteit rekening houdend met de maturiteit van de verzoeker om al dan niet toegang te verlenen tot de gegevens en brengt ze haar beslissing ter kennis van de wettelijke vertegenwoordiger.".
Art.158. Dans l'article 368-6 du Code civil, inséré par la loi du 24 avril 2003, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  "Elles assurent l'accès de l'adopté ou de son représentant légal ou, en cas de décès de l'adopté, de ses descendants à ces informations.
  La demande écrite d'accès aux informations relatives à ses origines adressée à l'autorité centrale fédérale et émanant de l'adopté mineur ayant atteint l'âge de douze ans, n'est prise en considération que si elle est co-signée par son représentant légal.
  Si le représentant légal refuse de co-signer la demande, l'autorité centrale fédérale décide, en tenant compte du degré de maturité de l'adopté, d'accorder ou non l'accès aux informations. L'autorité centrale fédérale porte sa décision à la connaissance du représentant légal.".
Art.159. Artikel 1231-38 van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 24 april 2003, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 1231-38. Het verslag bedoeld in artikel 16 van het Verdrag inzake de internationale samenwerking en de bescherming van kinderen op het gebied van de interlandelijke adoptie, gedaan te Den Haag op 29 mei 1993, dat wordt opgemaakt zodat de bevoegde autoriteit van de Staat van opvang over voldoende gegevens beschikt met betrekking tot de adopteerbaarheid van het kind, bevat informatie omtrent zijn identiteit, zijn sociaal milieu, zijn persoonlijke achtergrond en die van zijn familie, zijn medisch verleden en dat van zijn familie, alsmede omtrent zijn bijzondere behoeften."
Art.159. L'article 1231-38 du Code judiciaire, inséré par la loi du 24 avril 2003, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 1231-38. Le rapport visé à l'article 16 de la Convention sur la protection des enfants et la coopération en matière d'adoption internationale, faite à La Haye le 29 mai 1993, destiné à mettre à la disposition de l'autorité compétente de l'Etat d'accueil suffisamment de renseignements sur l'adoptabilité de l'enfant, contient des informations sur son identité, son milieu social, son évolution personnelle et familiale, son passé médical et celui de sa famille, ainsi que sur ses besoins particuliers."
Art.160. In artikel 1231-39 van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 24 april 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden "ontvangst van het verslag" worden vervangen door de woorden "uitspraak van het vonnis";
  2° de woorden ", alsmede een afschrift van het vonnis" worden opgeheven.
Art.160. Dans l'article 1231-39 du Code judiciaire, inséré par la loi du 24 avril 2003, les modifications suivantes sont apportées :
  1° les mots "de la réception du rapport" sont remplacés par les mots "du prononcé du jugement";
  2° les mots ", ainsi qu'une copie du jugement," sont abrogés.
Art.161. De artikelen 157, 159 et 160 treden in werking op de datum van inwerkingtreding bepaald bij het koninklijk besluit genomen in uitvoering van artikel 47 van de wet van 6 juli 2017 houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering en modernisering van bepalingen van burgerlijke recht en van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat, en houdende diverse bepalingen inzake justitie.
Art.161. Les articles 157, 159 et 160 entrent en vigueur à la date d'entrée en vigueur fixée par l'arrêté royal pris en exécution de l'article 47 de la loi du 6 juillet 2017 portant simplification, harmonisation, informatisation et modernisation de dispositions de droit civil et de procédure civile ainsi que du notariat, et portant diverses mesures en matière de justice.
TITEL 6. - Diverse wijzigingen inzake de wetgeving betreffende de mede-eigendom
TITRE 6. - Modifications diverses concernant la législation relative à la copropriété
HOOFDSTUK 1. - Gewone mede-eigendom en gedwongen mede-eigendom in het algemeen
CHAPITRE 1. - Copropriété ordinaire et copropriété forcée en général
Art.162. Artikel 577-2, § 10, van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 8 juli 1924 en vernummerd bij de wet van 30 juni 1994, wordt vervangen als volgt :
  " § 10. In het geval van paragraaf 9 staat het elke mede-eigenaar vrij op zijn kosten aan de gemeenschappelijke zaak veranderingen aan te brengen, mits hij de bestemming daarvan niet wijzigt en aan de rechten van zijn deelgenoten geen afbreuk doet.
  In het geval van paragraaf 9, hebben individuele mede-eigenaars en erkende nutsoperatoren het wettelijke en kosteloze recht om kabels, leidingen en bijbehorende faciliteiten in of op de gemene delen aan te leggen, te onderhouden of te hernieuwen, in de mate dat deze werken tot doel hebben om de infrastructuur voor de eigenaar of eigenaars en gebruikers van de betrokken private delen op het vlak van energie, water of telecommunicatie te optimaliseren en in de mate dat de andere individuele mede-eigenaars of, in voorkomend geval, de vereniging van mede-eigenaars, hiervan geen financiële lasten moeten dragen. Degene die voor eigen rekening deze infrastructuur heeft aangelegd, blijft eigenaar van deze infrastructuur die zich in de gemene delen bevindt.
  Daartoe zendt de individuele mede-eigenaar of de operator minstens twee maanden voorafgaand aan de aanvang van de werken aan alle andere mede-eigenaars of, indien er een syndicus is, aan deze laatste per aangetekende zending waarin het adres van de afzender is vermeld, een beschrijving van de voorgenomen werken en een rechtvaardiging van de optimalisatie van de voorgenomen infrastructuur. De mede-eigenaars of, in voorkomend geval, de vereniging van mede-eigenaars kunnen beslissen om zelf werken ter optimalisatie van de infrastructuur uit te voeren, in welk geval zij op de in dit lid vermelde wijze de andere mede-eigenaars en de operator op de hoogte moeten brengen van hun voornemens. Deze werken nemen een aanvang binnen zes maanden na ontvangst van hun aangetekende zending.
  Op straffe van verval, kunnen de mede-eigenaars of, in voorkomend geval, de vereniging van mede-eigenaars binnen twee maanden na de ontvangst van deze aangetekende zending verzet aantekenen tegen de voorgenomen werken via een aangetekende zending aan de afzender en dit op grond van een rechtmatig belang. Een rechtmatig belang doet zich voor in volgende situaties :
  - er bevindt zich reeds dergelijke infrastructuur in de betrokken gemene delen in het gebouw, of;
  - de infrastructuur of de werken tot realisatie ervan veroorzaken belangrijke schade op het vlak van het uitzicht van het gebouw of de gemene delen, het gebruik van de gemene delen, de hygiëne of de veiligheid ervan, of;
  - geen optimalisatie van de infrastructuur resulteert uit de voorziene werken of de voorziene werken verzwaren de financiële lasten van andere mede-eigenaars of gebruikers.
  Degene die deze infrastructuur aanlegt, onderhoudt of hernieuwt, verbindt zich ertoe om de werken uit te voeren op de wijze die de minste hinder veroorzaakt aan de bewoners en hierover met de andere mede-eigenaars of, indien er een syndicus is, met hem te goeder trouw te overleggen. De mede-eigenaars, de bewoners of, indien er een syndicus is deze laatste, kunnen te allen tijde de werken opvolgen en hierover informatie opvragen bij de betrokken mede-eigenaar of nutsoperator.".
Art.162. L'article 577-2, § 10, du Code civil, inséré par la loi du 8 juillet 1924 et rénuméroté par la loi du 30 juin 1994, est remplacé par ce qui suit :
  " § 10. Dans le cas prévu au paragraphe 9, il est loisible à chacun des copropriétaires de modifier à ses frais la chose commune, pourvu qu'il n'en change pas la destination et qu'il ne nuise pas aux droits de ses consorts.
  Dans le cas prévu au paragraphe 9, les copropriétaires individuels et les opérateurs de service d'utilité publique agréés ont légalement et à titre gratuit le droit d'installer, d'entretenir ou de procéder à la réfection de câbles, conduites et équipements y associés dans ou sur les parties communes, dans la mesure où ces travaux ont pour but d'optimaliser l'infrastructure pour le ou les propriétaires et utilisateurs des parties privatives concernées dans le domaine de l'énergie, de l'eau ou des télécommunications et dans la mesure où les autres copropriétaires individuels ou, le cas échéant, l'association des copropriétaires ne doivent pas en supporter les charges financières. Celui qui a installé cette infrastructure pour son propre compte reste propriétaire de cette infrastructure qui se trouve dans les parties communes.
  A cet effet, le copropriétaire individuel ou l'opérateur envoie au moins deux mois avant le début des travaux à tous les autres copropriétaires ou, s'il y a un syndic, à ce dernier, par envoi recommandé mentionnant l'adresse de l'expéditeur, une description des travaux envisagés et un justificatif de l'optimalisation de l'infrastructure envisagée. Les copropriétaires ou, le cas échéant, l'association des copropriétaires, peuvent décider d'effectuer eux-mêmes les travaux d'optimalisation de l'infrastructure. Dans ce cas, ils informent les autres copropriétaires et l'opérateur de leurs intentions comme indiqué au présent alinéa. Ces travaux débutent au plus tard dans les six mois qui suivent la réception de leur envoi recommandé.
  A peine de déchéance, les copropriétaires ou, le cas échéant, l'association des copropriétaires peuvent, dans les deux mois qui suivent la réception de cet envoi recommandé, former opposition contre les travaux envisagés via envoi recommandé à l'expéditeur, et ce sur la base d'un intérêt légitime. Il y a un intérêt légitime dans les situations suivantes :
  - il existe déjà une telle infrastructure dans les parties communes concernées de l'immeuble, ou;
  - l'infrastructure ou les travaux de réalisation de celle-ci provoquent d'importants dommages relatifs à l'apparence de l'immeuble ou des parties communes, à l'usage des parties communes à l'hygiène ou à leur sécurité, ou;
  - aucune optimalisation de l'infrastructure ne résulte des travaux envisagés ou les travaux envisagés alourdissent la charge financière des autres copropriétaires ou utilisateurs.
  Celui qui installe cette infrastructure, l'entretient ou procède à sa réfection s'engage à exécuter les travaux de la manière qui engendre le moins de nuisances possible pour les occupants et, pour ce faire, à se concerter de bonne foi avec les autres copropriétaires ou, s'il y a un syndic, avec lui. Les copropriétaires, les occupants ou, s'il y a un syndic, ce dernier peuvent à tout moment suivre les travaux et demander des informations à leur sujet au copropriétaire ou à l'opérateur de service d'utilité publique concerné."
HOOFDSTUK 2. - Gedwongen mede-eigendom van gebouwen en groepen van gebouwen en de bevoegdheid van de vrederechter inzake mede-eigendom
CHAPITRE 2. - Copropriété forcée d'immeubles et de groupes d'immeubles et compétence du juge de paix en matière de copropriété
Afdeling 1. - Wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek
Section 1re. - Modifications du Code civil
Art.163. In artikel 577-3 van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 30 juni 1994 en gewijzigd bij de wet van 2 juni 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid, eerste zin, worden de woorden "ieder gebouw of groep van gebouwen waarvan het eigendomsrecht tussen verschillende personen verdeeld is volgens kavels die elk een privatief gedeelte" vervangen door de woorden "ieder onroerend goed waarop een gebouw of groep van gebouwen is opgericht of kan worden opgericht waarvan het eigendomsrecht verdeeld is volgens kavels die elk een privatief gedeelte en";
  2° in het eerste lid wordt de tweede zin vervangen als volgt :
  "Van deze afdeling kan worden afgeweken indien de aard van de gemene delen dat rechtvaardigt, zolang alle mede-eigenaars instemmen met die afwijking en middels een basisakte waarin afzonderlijke privatieve delen worden ingesteld.";
  3° het tweede lid wordt aangevuld met de volgende woorden :
  "en een reglement van interne orde hetwelk onderhands kan worden opgemaakt".";
  4° in het vierde lid wordt de eerste zin vervangen als volgt :
  "Indien het gebouw of de groep van gebouwen bestaat uit twintig kavels of meer, is het mogelijk dat de basisakte bepaalt dat er een of meer deelverenigingen worden opgericht voor de kavels van een of meer gebouwen van de groep van gebouwen en, indien in een gebouw een fysieke scheiding in duidelijk te onderscheiden onderdelen aanwezig is, voor de kavels van één of meer van die onderdelen.";
  5° in het vierde lid wordt in de laatste zin in de Franse tekst het woord "indivision" vervangen door het woord "association".
Art.163. A l'article 577-3 du Code civil, inséré par la loi du 30 juin 1994 et modifié par la loi du 2 juin 2010, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 1er, première phrase, les mots "tout immeuble ou groupe d'immeubles bâtis dont le droit de propriété est réparti entre plusieurs personnes par lots comprenant chacun une partie privative bâtie et une quote-part dans" sont remplacés par les mots "tout immeuble ou groupe d'immeubles bâti ou susceptible d'être bâti dont le droit de propriété est réparti par lots comprenant chacun une partie privative et";
  2° dans l'alinéa 1er, la deuxième phrase est remplacée par la phrase :
  "Il peut être dérogé à la présente section si la nature des parties communes le justifie, aussi longtemps que tous les copropriétaires s'accordent sur cette dérogation et moyennant un acte de base créant des parties privatives distinctes.";
  3° l'alinéa 2 est complété par les mots suivants :
  ", ainsi qu'un règlement d'ordre intérieur, qui peut être établi sous seing privé".";
  4° dans l'alinéa 4, la première phrase est remplacée par ce qui suit :
  "Si l'immeuble ou le groupe d'immeubles comprend vingt lots ou plus, l'acte de base peut prévoir la création d'une ou plusieurs associations partielles pour les lots d'un ou plusieurs immeubles du groupe d'immeubles et, si un immeuble comporte une séparation physique en éléments clairement distincts, pour les lots d'un ou plusieurs de ces éléments.";
  5° dans l'alinéa 4, deuxième phrase, le mot "indivision" est remplacé par le mot "association".
Art.164. In artikel 577-4 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 30 juni 1994 en gewijzigd bij de wet van 2 juni 2010 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, vierde lid, wordt de bepaling onder 1° aangevuld met de volgende zinnen :
  ". De mede-eigenaars hebben een proportioneel recht op gebruik van de gemene delen, tenzij anders in de statuten is bepaald. Een dergelijke statutaire afwijking wordt vermoed een erfdienstbaarheid te zijn, behoudens afwijkende clausule;";
  2° in paragraaf 1, vierde lid, wordt de bepaling onder 2° aangevuld met de volgende woorden :
  ", evenals, in voorkomend geval, de bedingen en sancties met betrekking tot de niet-betaling van die lasten;";
  3° in paragraaf 1, vierde lid, worden de bepalingen onder 3°, 4° en 5° opgeheven;
  4° er wordt een paragraaf 1/1 ingevoegd, luidende :
  " § 1/1. De partijen die de oorspronkelijke statuten hebben ondertekend, hebben het recht om tot op het ogenblik van de voorlopige oplevering van de betrokken gemene delen wijzigingen aan de statuten aan te brengen, voor zover zulks door technische omstandigheden of door het rechtmatig belang van de vereniging van mede-eigenaars is ingegeven, niet aan de rechten van de andere mede-eigenaars op hun privatief gedeelte raakt en de verplichtingen van één of meerdere mede-eigenaars niet verzwaart. De partijen die de oorspronkelijke statuten hebben ondertekend dragen de kosten voor deze wijziging.
  Deze partijen zenden per aangetekende zending aan alle andere mede-eigenaars een ontwerp van de wijzigende statuten, minstens twee maanden voorafgaand aan het verlijden van de wijzigende akte, waarin de contactgegevens van de instrumenterende notaris uitdrukkelijk zijn vermeld. Op straffe van verval van zijn rechten, moet een mede-eigenaar binnen twee maanden na de ontvangst van deze zending verzet aantekenen tegen de voorgenomen wijziging via aangetekende zending aan de betrokken notaris en, in voorkomend geval, in rechte treden.";
  5° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt :
  " § 2. Er wordt een reglement van interne orde opgesteld bij onderhandse akte. Het reglement van interne orde bevat minstens :
  1° de regels betreffende de wijze van bijeenroeping, de werkwijze en de bevoegdheden van de algemene vergadering, evenals, in voorkomend geval, het door de algemene vergadering bepaalde bedrag overeenkomstig artikel 577-7, § 1, 1°, c);
  2° de wijze van benoeming van een syndicus, de omvang van zijn bevoegdheden, de duur van zijn mandaat en de nadere regels voor de hernieuwing ervan, de nadere regels voor de eventuele opzegging van zijn contract, alsook de uit het einde van zijn opdracht voortvloeiende verplichtingen;
  3° de jaarlijkse periode van vijftien dagen waarin de algemene vergadering van de vereniging van mede-eigenaars plaatsvindt.";
  6° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt :
  " § 3. Ieder beding dat het recht beperkt van de mede-eigenaar om het beheer van zijn kavel toe te vertrouwen aan een persoon van zijn keuze, wordt voor niet geschreven gehouden.";
  7° paragraaf 4 wordt vervangen als volgt :
  " § 4. Ieder beding dat de rechtsmacht om geschillen die in verband met de toepassing van deze afdeling zouden rijzen aan één of meer arbiters opdraagt, wordt voor niet geschreven gehouden. Dat sluit noch de toepassing van de artikelen 1724 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek inzake bemiddeling uit, noch de toepassing van artikelen 1738 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek inzake collaboratieve onderhandelingen.".
Art.164. A l'article 577-4 du même Code, inséré par la loi du 30 juin 1994 et modifié par la loi du 2 juin 2010, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, alinéa 4, le 1° est complété par les phrases suivantes :
  ". Les copropriétaires ont un droit d'usage proportionnel des parties communes, sauf dispositions contraires dans les statuts. Pareille dérogation statutaire est présumée être une servitude, sauf clause dérogatoire;";
  2° dans le paragraphe 1er, alinéa 4, le 2° est complété par les mots suivants :
  "ainsi que, le cas échéant, les clauses et les sanctions relatives au non-paiement de ces charges;";
  3° dans le paragraphe 1er, alinéa 4, le 3°, le 4° et le 5° sont abrogés;
  4° il est inséré un paragraphe 1er/1 rédigé comme suit :
  " § 1er/1. Les parties qui ont signé les statuts initiaux ont le droit, jusqu'au moment de la réception provisoire des parties communes concernées, d'apporter des modifications aux statuts, pour autant que ce soit justifié par des circonstances d'ordre technique ou par l'intérêt légitime de l'association des copropriétaires, que cela n'affecte pas les droits des autres copropriétaires sur leur partie privative et que cela n'alourdisse pas les obligations d'un ou plusieurs copropriétaires. Les parties qui ont signé les statuts initiaux supportent les frais liés à cette modification.
  Ces parties adressent par envoi recommandé à tous les autres copropriétaires un projet de modification des statuts, au moins deux mois avant la passation de l'acte modificatif, dans lequel les coordonnées du notaire instrumentant sont explicitement indiquées. A peine de déchéance de ses droits, un copropriétaire doit s'opposer à la modification précitée dans les deux mois de la réception de cet envoi par envoi recommandé au notaire concerné et, le cas échéant, agir en justice.";
  5° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. Il est établi un règlement d'ordre intérieur par acte sous seing privé. Le règlement d'ordre intérieur contient au moins :
  1° les règles relatives au mode de convocation, au fonctionnement et aux pouvoirs de l'assemblée générale, ainsi que, le cas échéant, le montant fixé par l'assemblée générale en application de l'article 577-7, § 1er, 1°, c);
  2° le mode de nomination d'un syndic, l'étendue de ses pouvoirs, la durée de son mandat et les modalités de renouvellement de celui-ci, les modalités du renom éventuel de son contrat, ainsi que les obligations consécutives à la fin de sa mission;
  3° la période annuelle de quinze jours pendant laquelle se tient l'assemblée générale ordinaire de l'association des copropriétaires.";
  6° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
  " § 3. Est réputée non écrite toute clause qui limite le droit du copropriétaire de confier la gestion de son lot à la personne de son choix.";
  7° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
  " § 4. Est réputée non écrite toute clause qui confie à un ou plusieurs arbitres le pouvoir juridictionnel de trancher des conflits qui surgiraient concernant l'application de la présente section. Cela n'exclut pas l'application des articles 1724 et suivants du Code judiciaire sur la médiation ni celles des articles 1738 et suivants du Code judiciaire relatifs au droit collaboratif.".
Art.165. In artikel 577-5 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 30 juni 1994 en gewijzigd bij de wet van 2 juni 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) de tweede paragraaf wordt aangevuld met de volgende zin :
  "De deelverenigingen kunnen maar over rechtspersoonlijkheid beschikken vanaf het ogenblik dat de hoofdvereniging waarvan zij afhangen, zelf over rechtspersoonlijkheid beschikt.";
  b) de paragrafen 3 en 4 worden vervangen als volgt :
  " § 3. De vereniging van mede-eigenaars kan geen ander vermogen hebben dan de roerende goederen nodig voor de verwezenlijking van haar doel, dat uitsluitend bestaat in het behoud en het beheer van het gebouw of de groep van gebouwen. Het vermogen van de vereniging van mede-eigenaars bestaat minstens uit een werkkapitaal en een reservekapitaal.
  Onder "werkkapitaal" wordt verstaan de som van de voorschotten die zijn betaald door de mede-eigenaars als voorziening voor het betalen van de periodieke uitgaven, zoals de verwarmings- en verlichtingskosten van de gemene delen, de beheerskosten en de uitgaven voor de huisbewaarder.
  Onder "reservekapitaal" wordt verstaan de som van de periodiek ingebrachte bedragen die zijn bestemd voor het dekken van niet-periodieke uitgaven, zoals de uitgaven voor de vernieuwing van het verwarmingssysteem, de herstelling of de vernieuwing van een lift, of het leggen van een nieuwe dakbedekking.
  De vereniging van mede-eigenaars moet uiterlijk na afloop van vijf jaar na datum van de voorlopige oplevering van de gemene delen van het gebouw een reservekapitaal aanleggen waarvan de jaarlijkse bijdrage niet lager mag zijn dan vijf procent van het totaal van de gewone gemeenschappelijke lasten van het voorgaande boekjaar; de vereniging van mede-eigenaars kan met een meerderheid van vier vijfde van de stemmen beslissen om dit verplicht reservekapitaal niet aan te leggen.
  Die bedragen moeten op diverse rekeningen worden geplaatst, waaronder verplicht een afzonderlijke rekening voor werkkapitaal en een afzonderlijke rekening voor het reservekapitaal; al deze rekeningen moeten op naam van de vereniging van mede-eigenaars worden geopend;
  Het vermogen van de vereniging van mede-eigenaars bestaat uit de door de algemene vergadering bepaalde periodieke bijdragen van de mede-eigenaars. De syndicus kan alle gerechtelijke en buitengerechtelijke maatregelen nemen voor de invordering van de lasten;
  Wanneer de eigendom van een kavel bezwaard is met een vruchtgebruik, zijn de titularissen van de zakelijke rechten hoofdelijk gehouden tot de betaling van die lasten. De syndicus deelt bij de oproep tot kapitaalinbreng aan alle betrokken partijen mee welk deel bestemd zal zijn voor het reservekapitaal.
  § 4. Onverminderd artikel 577-9, § 5, kan de tenuitvoerlegging van beslissingen waarbij de vereniging van mede-eigenaars wordt veroordeeld, worden gedaan op het vermogen van iedere mede-eigenaar naar evenredigheid van zijn aandeel gebruikt voor de stemming overeenkomstig artikel 577-6, § 6, hetzij in het eerste lid, hetzij in het tweede lid, naargelang het geval.".
Art.165. Dans l'article 577-5 du même Code, inséré par la loi du 30 juin 1994 et modifié par la loi du 2 juin 2010, les modifications suivantes sont apportées :
  a) le paragraphe 2 est complété par la phrase suivante :
  "Les associations partielles ne peuvent disposer de la personnalité juridique qu'à partir du moment où l'indivision principale dont elles dépendent dispose elle-même de la personnalité juridique.";
  b) les paragraphes 3 et 4 sont remplacés par ce qui suit :
  " § 3. L'association des copropriétaires ne peut avoir d'autre patrimoine que les meubles nécessaires à l'accomplissement de son objet, qui consiste exclusivement dans la conservation et l'administration de l'immeuble ou du groupe d'immeubles bâtis. Le patrimoine de l'association des copropriétaires est composé, au minimum, d'un fonds de roulement et d'un fonds de réserve.
  On entend par "fonds de roulement", la somme des avances faites par les copropriétaires, à titre de provision, pour couvrir les dépenses périodiques telles que les frais de chauffage et d'éclairage des parties communes, les frais de gérance et de conciergerie.
  On entend par "fonds de réserve", la somme des apports de fonds périodiques destinés à faire face à des dépenses non périodiques, telles que celles occasionnées par le renouvellement du système de chauffage, la réparation ou le renouvellement d'un ascenseur ou la pose d'une nouvelle chape de toiture.
  L'association des copropriétaires doit constituer au plus tard à l'issue d'une période de cinq ans suivant la date de la réception provisoire des parties communes de l'immeuble, un fonds de réserve dont la contribution annuelle ne peut être inférieure à cinq pour cent de la totalité des charges communes ordinaires de l'exercice précédent; l'association des copropriétaires peut décider à une majorité des quatre cinquièmes des voix de ne pas constituer ce fonds de réserve obligatoire.
  Ces fonds doivent être placés sur divers comptes, dont obligatoirement un compte distinct pour le fonds de roulement et un compte distinct pour le fonds de réserve; tous ces comptes doivent être ouverts au nom de l'association des copropriétaires;
  Le patrimoine de l'association des copropriétaires est constitué par des apports périodiques des copropriétaires décidés par l'assemblée générale. Le syndic peut prendre toutes les mesures judiciaires et extrajudiciaires pour la récupération des charges;
  Lorsque la propriété d'un lot est grevée d'un droit d'usufruit, les titulaires des droits réels sont solidairement tenus au paiement de ces charges. Le syndic communique à toutes les parties concernées lors de l'appel de fonds quelle part sera affectée au fonds de réserve.
  § 4. Sans préjudice de l'article 577-9, § 5, l'exécution des décisions condamnant l'association des copropriétaires peut être poursuivie sur le patrimoine de chaque copropriétaire proportionnellement aux quotes-parts utilisées pour le vote conformément à l'article 577-6, § 6, soit dans l'alinéa 1er, soit dans l'alinéa 2, selon le cas.".
Art.166. In artikel 577-6 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 30 juni 1994, vervangen bij de wet van 2 juni 2010 en gewijzigd bij de wet van 15 mei 2012, worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° paragraaf 1, eerste lid, wordt aangevuld met de volgende zinnen :
  "Hij kan zich laten bijstaan door één persoon op voorwaarde dat hij de syndicus ten minste vier werkdagen voor de dag van de algemene vergadering daarvan bij aangetekende zending in kennis stelt. Deze persoon mag tijdens de algemene vergadering de discussie niet leiden, noch ze monopoliseren.";
  2° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "reglement van mede-eigendom" vervangen door de woorden "reglement van interne orde;";
  3° paragraaf 2 wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "Bij gebrek aan een syndicus kan de raad van mede-eigendom of, bij gebreke daarvan, de voorzitter van de laatste algemene vergadering of, bij gebreke daarvan, een of meer mede-eigenaars die ten minste een vijfde van de aandelen in de gemene delen bezitten, de algemene vergadering bijeenroepen teneinde een syndicus aan te wijzen.";
  4° in paragraaf 3, eerste lid, tweede zin, worden de woorden "of de deelverenigingen zonder rechtspersoonlijkheid" opgeheven;
  5° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden "reglement van mede-eigendom" vervangen door de woorden "reglement van interne orde;";
  6° in paragraaf 3, vierde lid, worden de woorden ", tenzij het reglement van mede-eigendom in een langere termijn heeft voorzien" opgeheven;
  7° paragraaf 6 wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "Wanneer het reglement van mede-eigendom de lasten van een gemeenschappelijk deel van het gebouw of van de groep van gebouwen uitsluitend ten laste legt van bepaalde mede-eigenaars, nemen enkel die mede-eigenaars deel aan de stemming op voorwaarde dat die beslissingen het gemeenschappelijk beheer van de mede-eigendom niet in het gedrang brengen. Elk van hen stemt met een aantal stemmen naar evenredigheid van zijn aandeel in voornoemde lasten.";
  8° paragraaf 7, derde lid, wordt aangevuld met de volgende zin :
  "Een volmacht verleend voor een algemene vergadering geldt ook voor de algemene vergadering die georganiseerd wordt omdat voor de eerste algemene vergadering het quorum niet werd bereikt, tenzij anders bepaald.";
  9° in paragraaf 7, vierde lid, worden de woorden "zelfs niet als lasthebber" vervangen door de woorden "zelfs niet als lastgever of lasthebber".
  10° paragraaf 12 wordt vervangen als volgt :
  " § 12. De syndicus neemt binnen dertig dagen na de algemene vergadering de beslissingen bedoeld in de paragrafen 10 en 11 op in het register bedoeld in artikel 577-10, § 3, en bezorgt die binnen diezelfde termijn aan elke titularis van een zakelijk recht op een kavel die, in voorkomend geval krachtens artikel 577-6, § 1, tweede lid, stemrecht heeft in de algemene vergadering en aan de andere syndici. Als een van hen het proces-verbaal niet binnen de gestelde termijn heeft ontvangen, brengt hij de syndicus daarvan schriftelijk op de hoogte.".
Art.166. A l'article 577-6 du même Code, inséré par la loi du 30 juin 1994, remplacé par la loi du 2 juin 2010 et modifié par la loi du 15 mai 2012, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 1er, alinéa 1er, est complété par les phrases suivantes :
  "Il peut se faire assister d'une personne à la condition d'en avertir le syndic, par envoi recommandé, au moins quatre jours ouvrables avant le jour de l'assemblée générale. Cette personne ne peut ni diriger, ni monopoliser la discussion pendant l'assemblée générale.";
  2° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, les mots "règlement de copropriété" sont remplacés par les mots "règlement d'ordre intérieur;";
  3° le paragraphe 2 est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  "A défaut d'un syndic, le conseil de copropriété ou, à défaut, le président de la dernière assemblée générale ou, à défaut, un ou plusieurs copropriétaires possédant au moins un cinquième des quotes-parts dans les parties communes peuvent convoquer l'assemblée générale aux fins de nommer un syndic.";
  4° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, deuxième phrase, les mots "ou des associations partielles dépourvues de la personnalité juridique" sont abrogés;
  5° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots "règlement de copropriété" sont remplacés par les mots "règlement d'ordre intérieur;";
  6° dans le paragraphe 3, alinéa 4, les mots ", à moins que le règlement de copropriété n'ait prévu un délai plus long" sont abrogés;
  7° le paragraphe 6 est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  "Lorsque le règlement de copropriété met à la charge de certains copropriétaires seulement les charges concernant une partie commune de l'immeuble ou du groupe d'immeubles, seuls ces copropriétaires prennent part au vote à la condition que ces décisions ne portent pas atteinte à la gestion commune de la copropriété. Chacun d'eux vote avec un nombre de voix proportionnel à sa quote-part dans lesdites charges.";
  8° le paragraphe 7, alinéa 3, est complété par la phrase suivante :
  "Sauf disposition contraire, une procuration octroyée pour une assemblée générale vaut également pour l'assemblée générale organisée en raison de l'absence de quorum lors de la première assemblée générale.";
  9° dans le paragraphe 7, alinéa 4, les mots "même comme mandataire" sont remplacés par "même comme mandant ou mandataire".
  10° le paragraphe 12 est remplacé par ce qui suit :
  " § 12. Le syndic consigne les décisions visées aux paragraphes 10 et 11 dans le registre prévu à l'article 577-10, § 3, dans les trente jours suivant l'assemblée générale, et transmet celles-ci, dans le même délai, à tout titulaire d'un droit réel sur un lot disposant, le cas échéant en vertu de l'article 577-6, § 1er, alinéa 2, du droit de vote à l'assemblée générale, et aux autres syndics. Si l'un d'eux n'a pas reçu le procès-verbal dans le délai fixé, il en informe le syndic par écrit.";
Art.167. In artikel 577-7 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 30 juni 1994 en gewijzigd bij de wet van 2 juni 2010, worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, 1°, worden de woorden "drie vierden" vervangen door de woorden "twee derde";
  2° paragraaf 1, 1°, a), wordt aangevuld met de woorden ", onverminderd artikel 577-4, § 1/1;";
  3° in paragraaf 1 wordt de bepaling onder 1°, b), vervangen als volgt :
  "b) over alle werken betreffende de gemene delen, met uitzondering van de wettelijk opgelegde werken en de werken tot behoud van het goed en daden van voorlopig beheer, waartoe kan worden besloten bij volstrekte meerderheid van de stemmen van de aanwezige of vertegenwoordigde mede-eigenaars, onverminderd artikel 577-8, § 4, 4° ;";
  4° in paragraaf 1 wordt de bepaling onder 1°, c), opgeheven;
  5° in paragraaf 1 wordt de bepaling onder 2°, e), aangevuld met de woorden "dit omvat ook de wijziging van de zakelijke gebruiksrechten ten voordele van één mede-eigenaar op de gemene delen, op voorwaarde dat dit gemotiveerd wordt door het rechtmatig belang van de vereniging van mede-eigenaars, in voorkomend geval, tegen betaling van een vergoeding in verhouding tot de schade die zulks mocht veroorzaken;";
  6° in paragraaf 1, wordt de bepaling onder 2°, g), vervangen door wat volgt : "g) over de verdeling van een kavel of over de volledige of gedeeltelijke vereniging van twee of meer kavels.";
  [7° in paragraaf 1, wordt de bepaling onder 2° aangevuld met een bepaling onder h) luidende :
  "h) over de afbraak of de volledige heropbouw van het gebouw om redenen van hygiëne of veiligheid of wanneer de kostprijs voor de aanpassing van het gebouw aan de wettelijke bepalingen buitensporig zou zijn. Een mede-eigenaar kan afstand doen van zijn kavel ten gunste van de andere mede-eigenaars indien de waarde ervan lager is dan het aandeel dat hij ten laste zou moeten nemen in de totale kostprijs van de werken, in voorkomend geval, tegen een in onderling akkoord of door de rechter vastgestelde compensatie. Indien de voornoemde redenen ontbreken, moet de beslissing tot afbraak of tot volledige heropbouw genomen worden bij eenparigheid, overeenkomstig de bepalingen beschreven in paragraaf 3";]
Art.167. Dans l'article 577-7 du même Code, inséré par la loi du 30 juin 1994 et modifié par la loi du 2 juin 2010, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, 1°, les mots "trois quarts" sont remplacés par les mots "deux tiers";
  2° le paragraphe 1er, 1°, a), est complété par les mots ", sans préjudice de l'article 577-4, § 1er/1;";
  3° dans le paragraphe 1er, le 1°, b), est remplacé par ce qui suit :
  "b) de tous travaux affectant les parties communes, à l'exception des travaux imposés par la loi et des travaux conservatoires et d'administration provisoire, qui peuvent être décidés à la majorité absolue des voix des copropriétaires présents ou représentés, sans préjudice de l'article 577-8, § 4, 4° ;";
  4° dans le paragraphe 1er, le 1°, c), est abrogé;
  5° dans le paragraphe 1er, le 2°, e), est complété par les mots ", y compris la modification des droits réels d'usage existant sur les parties communes au profit d'un seul copropriétaire, à condition que cela soit motivé par l'intérêt légitime de l'association des copropriétaires, le cas échéant, contre le paiement d'une indemnité proportionnelle au dommage que cela pourrait causer;";
  6° dans le paragraphe 1er, le 2°, g), est remplacé par ce qui suit : "g) de la division d'un lot ou de la réunion, totale ou partielle, de deux ou plusieurs lots." ;
  [7° dans le paragraphe 1er, le 2° est complété par le h) rédigé comme suit :
  "h) de la démolition ou de la reconstruction totale de l'immeuble, motivée par des raisons de salubrité ou de sécurité ou par le coût excessif par rapport à la valeur de l'immeuble existant d'une mise en conformité de l'immeuble aux dispositions légales. Un copropriétaire peut abandonner, le cas échéant, contre compensation fixée de commun accord ou par le juge, son lot en faveur des autres copropriétaires, si la valeur de celui-ci est inférieure à la quote-part qu'il devrait prendre en charge dans le coût total des travaux. Si les raisons précitées font défaut, la décision de démolition et de reconstruction totale doit être prise à l'unanimité, selon les règles décrites au paragraphe 3";]
  8° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots " ainsi que sur toute décision de l'assemblée générale de reconstruction totale de l'immeuble" sont remplacés par les mots "moyennant la production d'un rapport tel que prévu à l'article 577-4, § 1er, alinéa 2.";
  9° dans le paragraphe 3, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  "Toutefois, lorsque l'assemblée générale, à la majorité qualifiée requise par la loi, décide de travaux, de la division ou la réunion de lots ou d'actes de disposition, elle peut statuer, à la même majorité qualifiée, sur la modification de la répartition des quotes-parts de copropriété dans les cas où cette modification est nécessaire.";
  10° l'article est complété par un paragraphe 4 rédigé comme suit :
  " § 4. Lorsque la loi exige l'unanimité de tous les copropriétaires et que celle-ci n'est pas atteinte à l'assemblée générale pour cause d'absence d'un ou plusieurs copropriétaires, une nouvelle assemblée générale sera réunie après un délai de trente jours au moins, lors de laquelle la décision en question pourra être prise à l'unanimité de tous les copropriétaires présents ou représentés.".
(NOTA : bij arrest nr 30/2020 van 20-02-2020 (B.St. 12-03-2020, p. 14918) heeft het Grondwettelijk Hof dit artikel 167,7° vernietigd)
(NOTE : par son arrêt n° 30/2020 du 20-02-2020 (M.B. 12-03/2020, p. 14920) la Cour constitutionnelle annule ce présent article 167,7°)     Art.168. Dans l'article 577-8 du même Code, inséré par la loi du 30 juin 1994 et modifié par les lois du 2 juin 2010 et 15 mai 2012, les modifications suivantes sont apportées :
  a) dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots "règlement de copropriété" sont remplacés par les mots "règlement d'ordre intérieur;
  b) dans le paragraphe 1er, l'alinéa 2, est remplacé par ce qui suit :
  "Les dispositions régissant la relation entre le syndic et l'association des copropriétaires, et la rémunération y afférente, figurent dans un contrat écrit. Ce contrat comprend notamment la liste des prestations sous forfait et la liste des prestations complémentaires et leurs rémunérations. Toute prestation non mentionnée ne peut donner lieu à une rémunération sauf décision de l'assemblée générale.";
  c) dans le paragraphe 1er, alinéa 3, les mots "règlement de copropriété" sont remplacés par les mots "règlement d'ordre intérieur";
  d) dans le paragraphe 2, alinéa 2, dernière phrase, dans le texte néerlandais, le mot "interne" est inséré entre le mot "van" et le mot "orde";
  e) dans le paragraphe 3, alinéa 2, le mot "recommandée" est abrogé.";
  f) dans le paragraphe 4, le 5° est remplacé par ce qui suit :
  "5° d'administrer les fonds de l'association des copropriétaires conformément à l'article 577-5, § 3;".
  g) dans le paragraphe 4, 11°, les mots "règlement de copropriété" sont remplacés par les mots "règlement d'ordre intérieur;";
  h) dans le même paragraphe, au 16° le mot "quotités" est remplacé par le mot "quotes-parts";
  i) dans le paragraphe 4, le 18° est complété par la phrase suivante :
  "Le cas échéant, le syndic inscrit à l'ordre du jour de l'assemblée générale la question des travaux extraordinaires à prévoir pour les années à venir.";
  j) le paragraphe 6 est complété par la phrase suivante :
  "Toutefois, seul le juge peut révoquer le syndic désigné par jugement.";
  k) le paragraphe 8 est remplacé par ce qui suit :
  " § 8. Au sein d'une même association de copropriétaires, un syndic ne peut être en même temps ni membre du conseil de copropriété ni commissaire aux comptes.".
  8° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden "alsmede over elke beslissing van de algemene vergadering betreffende de volledige heropbouw van het onroerend goed" vervangen door de woorden "middels de overlegging van een verslag zoals bepaald in artikel 577-4, § 1, tweede lid.";
  9° in paragraaf 3 wordt het tweede lid vervangen als volgt :
  "Wanneer de algemene vergadering echter, met de door de wet vereiste gekwalificeerde meerderheid, besluit tot de werken, de verdeling of de vereniging van kavels of daden van beschikking, kan zij, met dezelfde gekwalificeerde meerderheid, beslissen over de wijziging van de verdeling van de aandelen van mede-eigendom in geval die wijziging noodzakelijk is.";
  10° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende :
  " § 4. Wanneer de wet eenparigheid van alle mede-eigenaars voorschrijft en die in de algemene vergadering niet wordt bereikt door de afwezigheid van een of meerdere mede-eigenaars, zal er een nieuwe algemene vergadering bijeenkomen na een termijn van minstens dertig dagen waarin de betrokken beslissing met eenparigheid van stemmen van alle aanwezige of vertegenwoordigde mede-eigenaars kan worden genomen.".
-
Art.168. In artikel 577-8 van hetzelfde wetboek, ingevoegd bij de wet van 30 juni 1994 en gewijzigd bij de wetten van 2 juni 2010 en 15 mei 2012 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "reglement van mede-eigendom" vervangen door de woorden "reglement van interne orde;
  b) in paragraaf 1 wordt het tweede lid vervangen als volgt :
  "De bepalingen die de verhouding regelen tussen de syndicus en de vereniging van mede-eigenaars en de daaraan gekoppelde vergoeding, staan in een schriftelijke overeenkomst. Die overeenkomst omvat met name de lijst van de forfaitaire prestaties en de lijst van de aanvullende prestaties en de daaraan verbonden vergoedingen. Een niet-vermelde prestatie kan geen aanleiding geven tot vergoeding, behoudens beslissing van de algemene vergadering.";
  c) in paragraaf 1, derde lid, worden de woorden "reglement van de mede-eigendom" vervangen door de woorden "reglement van interne orde";
  d) in paragraaf 2, tweede lid, wordt in de laatste zin het woord "interne" ingevoegd tussen het woord "van" en het woord "orde";
  e) in paragraaf 3, tweede lid, wordt het woord "aangetekende" opgeheven.";
  f) in paragraaf 4 wordt de bepaling onder 5° vervangen als volgt :
  "5° het vermogen van de vereniging van mede-eigenaars te beheren overeenkomstig artikel 577-5, § 3;";
  g) in paragraaf 4, in de bepaling onder 11°, worden de woorden "reglement van mede-eigendom" vervangen door de woorden "reglement van interne orde;";
  h) in paragraaf 4 wordt in de bepaling onder 16° het woord "gedeelten" vervangen door "aandelen";
  i) in paragraaf 4 wordt de bepaling onder 18° aangevuld met de volgende zin :
  "In voorkomend geval plaatst de syndicus de vraag aangaande de in de komende jaren te plannen buitengewone werken op de agenda van de algemene vergadering.";
  j) paragraaf 6 wordt aangevuld met de volgende zin :
  "Evenwel kan enkel de rechter de gerechtelijk benoemde syndicus ontslaan bij vonnis.";
  k) paragraaf 8 wordt vervangen als volgt :
  " § 8. Binnen eenzelfde vereniging van mede-eigenaars mag een syndicus niet tegelijkertijd lid van de raad van mede-eigendom of commissaris van de rekeningen zijn.".
Art.169. L'article 577-8/1 du même Code, inséré par la loi du 2 juin 2010, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 577-8/1. § 1er. Dans tout immeuble ou groupe d'immeubles d'au moins vingt lots à l'exclusion des caves, garages et parkings, un conseil de copropriété est constitué par la première assemblée générale. Ce conseil, dont peuvent être membre les titulaires d'un droit réel disposant d'un droit de vote à l'assemblée générale, est chargé de veiller à la bonne exécution par le syndic de ses missions, sans préjudice de l'article 577-8/2. Dans l'attente de la création et de la composition du conseil de copropriété obligatoire, tout membre de l'assemblée générale peut introduire une action en justice contre l'association des copropriétaires afin de faire désigner un ou plusieurs copropriétaires ou, aux frais de l'association des copropriétaires, un tiers exerçant les missions du conseil de copropriété.
  § 2. Dans les immeubles ou groupes d'immeubles de moins de vingt lots, à l'exclusion des caves, garages et parkings, l'assemblée générale peut décider de constituer un conseil de copropriété, composé de la même manière et chargé des mêmes missions qu'au paragraphe 1er.
  § 3. L'assemblée générale décide de la nomination des membres du conseil de copropriété à la majorité absolue, pour chaque membre séparément. Le mandat des membres du conseil de copropriété dure jusqu'à la prochaine assemblée générale ordinaire et est renouvelable.
  § 4. Pour exercer sa mission, le conseil de copropriété peut prendre connaissance et copie, après en avoir avisé le syndic, de toutes pièces ou documents se rapportant à la gestion de ce dernier ou intéressant la copropriété. Il peut recevoir toute autre mission ou délégation de compétences sur décision de l'assemblée générale prise à une majorité des deux tiers des voix sous réserve des compétences légales du syndic, de l'assemblée générale et du commissaire aux comptes. Une mission ou une délégation de compétences de l'assemblée générale ne peut porter que sur des actes expressément déterminés et n'est valable que pour une année. Lors de l'assemblée générale ordinaire, le conseil de copropriété adresse aux copropriétaires un rapport annuel circonstancié sur l'exercice de sa mission.".
Art.169. Artikel 577-8/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 2 juni 2010, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 577-8/1. § 1. In elk gebouw of elke groep van gebouwen met minstens twintig kavels met uitzondering van de kelders, garages en parkeerplaatsen, wordt door de eerste algemene vergadering een raad van mede-eigendom opgericht. Die raad, waarvan de titularissen van een zakelijk recht die stemrecht hebben in de algemene vergadering lid kunnen zijn, heeft als opdracht om erop toe te zien dat de syndicus zijn taken naar behoren uitvoert, onverminderd artikel 577-8/2. In afwachting van de oprichting en de samenstelling van de verplichte raad van mede-eigendom, kan elk lid van de algemene vergadering een rechtsvordering instellen tegen de vereniging van mede-eigenaars om één of meer mede-eigenaars of, op kosten van de vereniging van mede-eigenaars, een derde aan te wijzen die de opdrachten van de raad van mede-eigendom uitvoert.
  § 2. In de gebouwen of groepen van gebouwen met minder dan twintig kavels met uitzondering van de kelders, garages en parkeerplaatsen, kan de algemene vergadering beslissen tot oprichting van een raad van mede-eigendom die op dezelfde wijze is samengesteld en met dezelfde opdrachten belast is als omschreven in paragraaf 1.
  § 3. De algemene vergadering beslist bij volstrekte meerderheid over de benoeming van de leden van de raad van mede-eigendom, zulks voor elk lid afzonderlijk. Het mandaat van de leden van de raad van mede-eigendom loopt tot de volgende gewone algemene vergadering en is hernieuwbaar.
  § 4. Om zijn opdracht uit te voeren kan de raad van mede-eigendom, na de syndicus op de hoogte te hebben gebracht, kennis nemen en kopie maken van alle stukken of documenten die verband houden met het beheer van laatstgenoemde of die van belang zijn voor de mede-eigendom. Hij kan andere opdrachten of bevoegdheidsdelegaties krijgen in de mate dat de algemene vergadering daartoe beslist met een meerderheid van twee derde van de stemmen en zulks geen afbreuk doet aan de wettelijke bevoegdheden van de syndicus, de algemene vergadering en de commissaris inzake de rekeningen. Een door de algemene vergadering verleende opdracht of bevoegdheidsdelegatie mag slechts betrekking hebben op uitdrukkelijk vermelde handelingen en geldt slechts voor één jaar. Tijdens de algemene vergadering bezorgt de raad van mede-eigendom de mede-eigenaars een omstandig jaarverslag over de uitoefening van zijn taak.".
Art. 169. L'article 577-8/1 du même Code, inséré par la loi du 2 juin 2010, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 577-8/1. § 1er. Dans tout immeuble ou groupe d'immeubles d'au moins vingt lots à l'exclusion des caves, garages et parkings, un conseil de copropriété est constitué par la première assemblée générale. Ce conseil, dont peuvent être membre les titulaires d'un droit réel disposant d'un droit de vote à l'assemblée générale, est chargé de veiller à la bonne exécution par le syndic de ses missions, sans préjudice de l'article 577-8/2. Dans l'attente de la création et de la composition du conseil de copropriété obligatoire, tout membre de l'assemblée générale peut introduire une action en justice contre l'association des copropriétaires afin de faire désigner un ou plusieurs copropriétaires ou, aux frais de l'association des copropriétaires, un tiers exerçant les missions du conseil de copropriété.
  § 2. Dans les immeubles ou groupes d'immeubles de moins de vingt lots, à l'exclusion des caves, garages et parkings, l'assemblée générale peut décider de constituer un conseil de copropriété, composé de la même manière et chargé des mêmes missions qu'au paragraphe 1er.
  § 3. L'assemblée générale décide de la nomination des membres du conseil de copropriété à la majorité absolue, pour chaque membre séparément. Le mandat des membres du conseil de copropriété dure jusqu'à la prochaine assemblée générale ordinaire et est renouvelable.
  § 4. Pour exercer sa mission, le conseil de copropriété peut prendre connaissance et copie, après en avoir avisé le syndic, de toutes pièces ou documents se rapportant à la gestion de ce dernier ou intéressant la copropriété. Il peut recevoir toute autre mission ou délégation de compétences sur décision de l'assemblée générale prise à une majorité des deux tiers des voix sous réserve des compétences légales du syndic, de l'assemblée générale et du commissaire aux comptes. Une mission ou une délégation de compétences de l'assemblée générale ne peut porter que sur des actes expressément déterminés et n'est valable que pour une année. Lors de l'assemblée générale ordinaire, le conseil de copropriété adresse aux copropriétaires un rapport annuel circonstancié sur l'exercice de sa mission.".
Art.170. Artikel 577-8/2 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 2 juni 2010, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 577-8/2. De algemene vergadering wijst jaarlijks een commissaris inzake de rekeningen of een college inzake commissarissen van de rekeningen aan, die al dan niet mede-eigenaar zijn, en die de rekeningen van de vereniging van mede-eigenaars controleren, wier bevoegdheden en verplichtingen bij het reglement van interne orde worden bepaald.".
Art.171. A l'article 577-9 du même Code, inséré par la loi du 30 juin 1994 et modifié par la loi du 2 juin 2010, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  "Nonobstant l'article 577-5, § 3, l'association des copropriétaires a le droit d'agir en justice, tant en demandant qu'en défendant, conjointement ou non avec un ou plusieurs copropriétaires, en vue de la sauvegarde de tous les droits relatifs à l'exercice, à la reconnaissance ou à la négation de droits réels ou personnels sur les parties communes, ou relatifs à la gestion de celles-ci, ainsi qu'en vue de la modification des quotes-parts dans les parties communes ou de la modification de la répartition des charges.";
  2° il est inséré un paragraphe 1/1 rédigé comme suit :
  " § 1er/1. Si l'équilibre financier de la copropriété est gravement compromis ou si l'association des copropriétaires est dans l'impossibilité d'assurer la conservation de l'immeuble ou sa conformité aux obligations légales, le syndic ou un ou plusieurs copropriétaires qui possèdent au moins un cinquième des quotes-parts dans les parties communes peuvent saisir le juge pour faire désigner un ou plusieurs administrateurs provisoires aux frais de l'association des copropriétaires qui, pour les missions attribuées par le juge, se substituent aux organes de l'association des copropriétaires.".
  3° dans le paragraphe 2, l'alinéa 1er est complété par les mots "si elle lui cause un préjudice personnel.";
  4° dans le paragraphe 7, les mots "ou par les statuts" sont abrogés;
  5° le paragraphe 8 est remplacé par ce qui suit :
  " § 8. Le copropriétaire, demandeur ou défendeur dans une procédure l'opposant à l'association des copropriétaires, participe aux provisions pour les frais et honoraires judiciaires et extrajudiciaires, sans préjudice des décomptes ultérieurs.
  Le copropriétaire défendeur engagé dans une procédure judiciaire intentée par l'association des copropriétaires, dont la demande a été déclarée totalement non fondée par le juge, est dispensé de toute participation aux honoraires et dépens, dont la charge est répartie entre les autres copropriétaires.
  Le copropriétaire dont la demande, à l'issue d'une procédure judiciaire l'opposant à l'association des copropriétaires, est déclarée totalement fondée par le juge, est dispensé de toute participation à la dépense commune aux honoraires et dépens, dont la charge est répartie entre les autres copropriétaires.
  Si la demande est déclarée partiellement fondée, le copropriétaire demandeur ou défendeur participe aux honoraires et dépens mis à charge de l'association des copropriétaires.".
  6° le paragraphe 9 est abrogé.
Art.171. In artikel 577-9 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 30 juni 1994 en gewijzigd bij de wet van 2 juni 2010, worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1 wordt het tweede lid vervangen als volgt :
  "Niettegenstaande artikel 577-5, § 3, heeft de vereniging van mede-eigenaars het recht om, als eiser en als verweerder, al dan niet samen met een of meerdere mede-eigenaars, in rechte op te treden ter vrijwaring van alle rechten tot uitoefening, erkenning of ontkenning van zakelijke of persoonlijke rechten op de gemene delen, of met betrekking tot het beheer ervan, alsook met het oog op de wijziging van de aandelen in de gemene delen en verdeling van de lasten.";
  2° er wordt een paragraaf 1/1 ingevoegd, luidende :
  " § 1/1. Indien het financieel evenwicht van de mede-eigendom ernstig in het gedrang is of indien de vereniging van mede-eigenaars in de onmogelijkheid verkeert om het behoud van het gebouw of de overeenstemming ervan met de wettelijke verplichtingen te waarborgen, kunnen de syndicus of één of meer mede-eigenaars die ten minste één vijfde van de aandelen in de gemene delen bezitten, de zaak aanhangig maken bij de rechter om één of meer voorlopige bewindvoerders aan te wijzen op kosten van de vereniging van mede-eigenaars die, voor de hem door de rechter toegekende taken, de organen van de vereniging van mede-eigenaars vervangen.";
  3° in paragraaf 2 wordt het eerste lid aangevuld met de woorden "indien die hem een persoonlijk nadeel oplevert.";
  4° in paragraaf 7 worden de woorden "of de statuten" opgeheven;
  5° paragraaf 8 wordt vervangen als volgt :
  " § 8. De mede-eigenaar die eiser of verweerder is in een procedure tegen de vereniging van mede-eigenaars, draagt bij in de voorschotten voor de gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten en erelonen ten laste van de vereniging van mede-eigenaars, onverminderd de latere afrekeningen.
  De mede-eigenaar, die verweerder is in een gerechtelijke procedure ingesteld door de vereniging van mede-eigenaars, waarvan de vordering door de rechter volledig ongegrond werd verklaard, wordt vrijgesteld van elke bijdrage in de erelonen en kosten, die worden verdeeld over de andere mede-eigenaars.
  De mede-eigenaar van wie de vordering na een gerechtelijke procedure tegen de vereniging van mede-eigenaars door de rechter volledig gegrond wordt verklaard, wordt vrijgesteld van elke bijdrage in de erelonen en kosten, die worden verdeeld over de andere mede-eigenaars.
  Als de vordering gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, draagt de mede-eigenaar, die eiser of verweerder is, bij in de erelonen en kosten ten laste van de vereniging van mede-eigenaars.".
  6° paragraaf 9 wordt opgeheven.
Art.172. Dans l'article 577-10 du même Code, inséré par la loi du 30 juin 1994 et modifié par la loi du 2 juin 2010, les modifications suivantes sont apportées :
  a) le paragraphe 1er/1 est remplacé par ce qui suit :
  " § 1er/1. Chaque membre de l'assemblée générale des copropriétaires informe sans délai le syndic de ses changements d'adresse ou des changements intervenus dans le statut personnel ou réel de son lot.";
  b) dans le paragraphe 2, alinéas 1er, 2 et 3, dans le texte néerlandais, le mot "interne" est chaque fois inséré entre le mot "van" et le mot "orde";
  c) dans le paragraphe 2, l'alinéa 2 est complété par la phrase suivante :
  "Le syndic a également l'obligation d'adapter le règlement d'ordre intérieur si les dispositions légales qui s'appliquent sont modifiées, sans avoir besoin pour ce faire d'une décision préalable de l'assemblée générale. Le cas échéant, le syndic communique cette information à la prochaine réunion.";
  d) dans le paragraphe 4, alinéa 1er, dans le texte néerlandais, le mot "interne" est inséré entre le mot "van" et le mot "orde";
  e) dans le paragraphe 4, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  "Elles lient tout titulaire d'un droit réel ou personnel sur un lot disposant du ou exerçant le droit de vote à l'assemblée générale au moment de leur adoption. Elles sont opposables aux autres titulaires d'un droit réel ou personnel sur un lot aux conditions suivantes, moyennant, le cas échéant, transcription à la Conservation des hypothèques :
  1° en ce qui concerne les dispositions et décisions adoptées avant la constitution du droit réel ou personnel, par la notification qui lui est obligatoirement faite par le constituant, à ses frais, au moment de la constitution du droit, de l'existence du règlement d'ordre intérieur et du registre visé au paragraphe 3 ou, à défaut, à la demande du titulaire du droit personnel ou réel, par la notification qui lui en est faite à l'initiative du syndic, par envoi recommandé; le constituant est le seul responsable, vis-à-vis de l'association des copropriétaires et du titulaire du droit réel ou personnel, du dommage né du retard ou de l'absence de notification;
  2° en ce qui concerne les dispositions et décisions adoptées postérieurement à la constitution d'un droit réel ou personnel sur un lot, par la communication qui lui en est faite, par envoi recommandé dans les trente jours suivant la date de réception du procès-verbal, à l'initiative de celui qui a reçu ce procès-verbal en application de l'article 577-6, § 12.";
  f) dans le paragraphe 4, l'alinéa 3 est abrogé;
  g) dans le paragraphe 4, dans l'alinéa 4, qui devient l'alinéa 3, le mot "interne" dans le texte néerlandais est inséré entre le mot "van" et le mot "orde" et les mots "toute décision de l'assemblée générale" sont remplacés par les mots "toute décision irrégulière, frauduleuse ou abusive de l'assemblée générale";
  h) dans le paragraphe 4, l'alinéa 5, qui devient l'alinéa 4, est remplacé par ce qui suit :
  "Cette action doit être intentée dans les deux mois de la communication qui lui en est faite conformément à l'alinéa 2, 2°, et au plus tard dans les quatre mois de la date de l'assemblée générale.";
  i) dans le paragraphe 4, les alinéas 6 et 7 sont abrogés.
Art.172. In artikel 577-10 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 30 juni 1994 en gewijzigd bij de wet van 2 juni 2010 worden volgende wijzigingen aangebracht :
  a) paragraaf 1/1 wordt vervangen als volgt :
  " § 1/1. Elk lid van de algemene vergadering van mede-eigenaars brengt zijn adresveranderingen of de wijzigingen in het persoonlijk of zakelijk statuut van zijn kavel onverwijld ter kennis van de syndicus.";
  b) in paragraaf 2 wordt in het eerste, het tweede en het derde lid, telkens het woord "interne" ingevoegd tussen het woord "van" en het woord "orde";
  c) in paragraaf 2 wordt het tweede lid aangevuld met de volgende zin :
  "De syndicus heeft ook de verplichting om het reglement van interne orde aan te passen indien de toepasselijke wettelijke regels wijzigen, zonder dat hij hiervoor een voorafgaande beslissing van de algemene vergadering nodig heeft. In voorkomend geval deelt de syndicus dit mee op de eerstvolgende algemene vergadering.";
  d) in paragraaf 4 wordt in het eerste lid, het woord "interne" ingevoegd tussen het woord "van" en het woord "orde";
  e) in paragraaf 4, wordt het tweede lid vervangen als volgt :
  "Zij zijn bindend voor elke titularis van een zakelijk of persoonlijk recht op een kavel die stemrecht heeft of uitoefent in de algemene vergadering op het tijdstip van de goedkeuring ervan. Zij kunnen worden tegengeworpen aan de andere titularissen van een zakelijk of persoonlijk recht op een kavel, en wel onder de volgende voorwaarden, voor zover men, in voorkomend geval, de overschrijving in het register van de hypotheekbewaarders heeft nageleefd :
  1° met betrekking tot de bepalingen en de beslissingen aangenomen voor de vestiging van het zakelijk of persoonlijk recht, door de kennisgeving die hem verplicht wordt gedaan door de persoon die het recht vestigt, op zijn kosten, op het ogenblik van de vestiging van het recht, van het bestaan van het reglement van interne orde en van het register bedoeld in paragraaf 3, of bij gebreke daaraan, door de kennisgeving die hem wordt gedaan op initiatief van de syndicus bij aangetekende zending; de persoon die het recht vestigt is als enige aansprakelijk ten aanzien van de vereniging van mede-eigenaars en de titularis van het zakelijk of persoonlijk recht, voor de schade die ontstaat door een vertraging of door afwezigheid van de kennisgeving;
  2° met betrekking tot de bepalingen en de beslissingen aangenomen na de vestiging van een zakelijk of persoonlijk recht op een kavel, door de kennisgeving die hem bij aangetekende zending wordt gedaan binnen dertig dagen na ontvangst van het proces-verbaal, op initiatief van degene die dat proces-verbaal heeft ontvangen overeenkomstig artikel 577-6, § 12.";
  f) in paragraaf 4 wordt het derde lid opgeheven;
  g) in paragraaf 4 worden in het vierde lid, dat het derde lid wordt, het woord "interne" ingevoegd tussen het woord "van" en het woord "orde" en worden de woorden "elke beslissing van de algemene vergadering" vervangen door de woorden "elke onregelmatige, bedrieglijke of onrechtmatige beslissing van de algemene vergadering";
  h) in paragraaf 4 wordt het vijfde lid, dat het vierde lid wordt, vervangen als volgt :
  "Deze vordering moet worden ingesteld binnen twee maanden na de kennisgeving die hem ter zake wordt gedaan overeenkomstig het tweede lid, 2°, en uiterlijk binnen vier maanden na de algemene vergadering.";
  i) in paragraaf 4 worden het zesde lid en het zevende lid opgeheven.
Art.173. Dans l'article 577-11 du même Code, inséré par la loi du 30 juin 1994 et remplacé par la loi du 2 juin 2010, les modifications suivantes sont apportées :
  a) dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, la phrase introductive est remplacée par ce qui suit :
  "Dans la perspective d'un acte juridique entre vifs translatif ou déclaratif de propriété d'un lot, le notaire instrumentant, toute personne agissant en tant qu'intermédiaire professionnel ou le copropriétaire sortant, selon le cas, transmet au copropriétaire entrant, avant la signature de la convention ou, le cas échéant, de l'offre d'achat ou de la promesse d'achat, les informations et documents suivants, que le syndic lui communique sur simple demande, dans un délai de quinze jours :";
  b) dans le paragraphe 1er, le 2° est remplacé par ce qui suit :
  "2° le montant des arriérés éventuels dus par le copropriétaire sortant, en ce compris les frais de récupération judiciaires ou extrajudiciaires ainsi que les frais de transmission des informations requises en vertu du présent paragraphe et du paragraphe 2;";
  c) dans le paragraphe 1er, le 4° est complété par les mots "et des montants en jeu;";
  d) dans le paragraphe 1er, alinéa 2, le mot "cédant" est remplacé par les mots "copropriétaire sortant";
  e) dans le paragraphe 2, alinéa 1er, la phrase introductive est remplacée par ce qui suit :
  "En cas d'acte entre vifs translatif ou déclaratif de propriété ou de transfert pour cause de mort d'un lot, le notaire instrumentant demande au syndic de l'association des copropriétaires, par envoi recommandé, de lui transmettre les informations et documents suivants outre, le cas échéant, l'actualisation des informations visées au paragraphe 1er :";
  f) dans le paragraphe 2, alinéa 3, le mot "cessionnaire" est remplacé par les mots "copropriétaire entrant";
  g) dans le paragraphe 2, alinéa 5, les mots "à partir du jour où il a joui effectivement" sont remplacés par les mots "à partir du jour où il peut jouir";
  h) dans le paragraphe 2, alinéa 6, les mots "Toutefois, en cas de cession du droit de propriété, le cessionnaire" sont remplacés par les mots "Toutefois, le copropriétaire entrant";
  i) le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
  " § 3. En cas d'acte entre vifs translatif ou déclaratif de propriété d'un lot ou de démembrement entre vifs du droit de propriété sur un lot, le notaire instrumentant informe le syndic, dans les trente jours, de la date de la passation de l'acte authentique, de l'identification du lot concerné, de l'identité et de l'adresse actuelle, et éventuellement future, des personnes concernées et, le cas échéant, de l'identité du mandataire désigné conformément à l'article 577-6, § 1er, alinéa 2.";
  j) le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
  " § 4. Les frais de transmission des informations requises en vertu des paragraphes 1er à 3 sont à charge du copropriétaire sortant.";
  k) dans le paragraphe 5, alinéa 1er, le 1° est remplacé par ce qui suit :
  "1° le copropriétaire sortant est créancier de l'association des copropriétaires pour la partie de sa quote-part dans le fonds de roulement correspondant à la période durant laquelle il ne pouvait plus jouir des parties communes; le décompte est établi par le syndic; la quote-part du lot dans le fonds de roulement est remboursée au copropriétaire sortant et appelée auprès du copropriétaire entrant;";
  l) dans le paragraphe 5, les alinéas 2 et 3 sont abrogés.
Art.173. In artikel 577-11 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 30 juni 1994 en vervangen bij de wet van 2 juni 2010, worden volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in paragraaf 1, eerste lid, wordt de inleidende zin vervangen als volgt :
  "In het vooruitzicht van een rechtshandeling tot overdracht of aanwijzing van het eigendomsrecht op een kavel onder levenden deelt de instrumenterende notaris, eenieder die beroepshalve optreedt als tussenpersoon of de uittredende mede-eigenaar, naargelang het geval, voor de ondertekening van de overeenkomst of, in voorkomend geval, van het aankoopbod of van de aankoopbelofte, aan de nieuwe mede-eigenaar de volgende inlichtingen en documenten mee, die de syndicus hem op eenvoudig verzoek bezorgt binnen een termijn van vijftien dagen :";
  b) in paragraaf 1 wordt de bepaling onder 2° vervangen als volgt :
  "2° het bedrag van de eventuele door de uittredende mede-eigenaar verschuldigde achterstallen, daaronder begrepen de kosten van gerechtelijke of buitengerechtelijke invordering alsook de kosten voor de mededeling van de krachtens deze paragraaf en paragraaf 2 vereiste informatie;";
  c) in paragraaf 1 wordt de bepaling onder 4° aangevuld met de woorden "en van de bedragen die in het geding zijn;";
  d) in paragraaf 1 wordt in het tweede lid het woord "overdrager" vervangen door de woorden "uittredende mede-eigenaar";
  e) in paragraaf 2, eerste lid, wordt de inleidende zin vervangen als volgt :
  "In geval van een akte tot overdracht of aanwijzing van het eigendomsrecht op een kavel onder levenden of in geval van eigendomsovergang wegens overlijden, verzoekt de instrumenterende notaris, bij aangetekende zending, de syndicus van de vereniging van mede-eigenaars hem de volgende inlichtingen en documenten mee te delen alsook, in voorkomend geval, de bijgewerkte versies van de in de eerste paragraaf bedoelde informatie :";
  f) in paragraaf 2 wordt in het derde lid het woord "verkrijger" vervangen door de woorden "nieuwe mede-eigenaar";
  g) in paragraaf 2 worden in het vijfde lid de woorden "vanaf de dag waarop hij effectief gebruik heeft gemaakt" vervangen door de woorden "vanaf de dag waarop hij gebruik kan maken";
  h) in paragraaf 2 worden in het zesde lid de woorden "Bij een overdracht of aanwijzing van het eigendomsrecht is de verkrijger" vervangen door de woorden "De nieuwe mede-eigenaar is";
  i) paragraaf 3 wordt vervangen als volgt :
  " § 3. In geval van een akte tot overdracht of aanwijzing van een eigendomsrecht op een kavel of van zakenrechtelijke bezwaring van een eigendomsrecht van een kavel onder levenden deelt de instrumenterende notaris binnen dertig dagen na het verlijden van de authentieke akte aan de syndicus mee op welke dag de akte is verleden, alsook de identificatie van de betrokken kavel en de identiteit en het huidige en eventueel nieuwe adres van de betrokken personen en, in voorkomend geval, de identiteit van de lasthebber aangewezen overeenkomstig 577-6, § 1, tweede lid.";
  j) paragraaf 4 wordt vervangen als volgt :
  " § 4. De kosten voor de mededeling van de krachtens de paragrafen 1 tot 3 vereiste informatie worden gedragen door de uittredende mede-eigenaar.";
  k) in paragraaf 5, eerste lid, wordt de bepaling onder 1° vervangen als volgt :
  "1° is de uittredende mede-eigenaar schuldeiser van de vereniging van mede-eigenaars voor het gedeelte van zijn aandeel in het werkkapitaal dat overeenstemt met de periode tijdens welke hij geen gebruik kon maken van de gemene delen; de afrekening wordt door de syndicus opgesteld; het aandeel van de kavel in het werkkapitaal, wordt terugbetaald aan de uittredende mede-eigenaar en opgevraagd bij de nieuwe mede-eigenaar;";
  l) in paragraaf 5 worden het tweede en het derde lid opgeheven.
Art. 173. Dans l'article 577-11 du même Code, inséré par la loi du 30 juin 1994 et remplacé par la loi du 2 juin 2010, les modifications suivantes sont apportées :
  a) dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, la phrase introductive est remplacée par ce qui suit :
  "Dans la perspective d'un acte juridique entre vifs translatif ou déclaratif de propriété d'un lot, le notaire instrumentant, toute personne agissant en tant qu'intermédiaire professionnel ou le copropriétaire sortant, selon le cas, transmet au copropriétaire entrant, avant la signature de la convention ou, le cas échéant, de l'offre d'achat ou de la promesse d'achat, les informations et documents suivants, que le syndic lui communique sur simple demande, dans un délai de quinze jours :";
  b) dans le paragraphe 1er, le 2° est remplacé par ce qui suit :
  "2° le montant des arriérés éventuels dus par le copropriétaire sortant, en ce compris les frais de récupération judiciaires ou extrajudiciaires ainsi que les frais de transmission des informations requises en vertu du présent paragraphe et du paragraphe 2;";
  c) dans le paragraphe 1er, le 4° est complété par les mots "et des montants en jeu;";
  d) dans le paragraphe 1er, alinéa 2, le mot "cédant" est remplacé par les mots "copropriétaire sortant";
  e) dans le paragraphe 2, alinéa 1er, la phrase introductive est remplacée par ce qui suit :
  "En cas d'acte entre vifs translatif ou déclaratif de propriété ou de transfert pour cause de mort d'un lot, le notaire instrumentant demande au syndic de l'association des copropriétaires, par envoi recommandé, de lui transmettre les informations et documents suivants outre, le cas échéant, l'actualisation des informations visées au paragraphe 1er :";
  f) dans le paragraphe 2, alinéa 3, le mot "cessionnaire" est remplacé par les mots "copropriétaire entrant";
  g) dans le paragraphe 2, alinéa 5, les mots "à partir du jour où il a joui effectivement" sont remplacés par les mots "à partir du jour où il peut jouir";
  h) dans le paragraphe 2, alinéa 6, les mots "Toutefois, en cas de cession du droit de propriété, le cessionnaire" sont remplacés par les mots "Toutefois, le copropriétaire entrant";
  i) le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
  " § 3. En cas d'acte entre vifs translatif ou déclaratif de propriété d'un lot ou de démembrement entre vifs du droit de propriété sur un lot, le notaire instrumentant informe le syndic, dans les trente jours, de la date de la passation de l'acte authentique, de l'identification du lot concerné, de l'identité et de l'adresse actuelle, et éventuellement future, des personnes concernées et, le cas échéant, de l'identité du mandataire désigné conformément à l'article 577-6, § 1er, alinéa 2.";
  j) le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
  " § 4. Les frais de transmission des informations requises en vertu des paragraphes 1er à 3 sont à charge du copropriétaire sortant.";
  k) dans le paragraphe 5, alinéa 1er, le 1° est remplacé par ce qui suit :
  "1° le copropriétaire sortant est créancier de l'association des copropriétaires pour la partie de sa quote-part dans le fonds de roulement correspondant à la période durant laquelle il ne pouvait plus jouir des parties communes; le décompte est établi par le syndic; la quote-part du lot dans le fonds de roulement est remboursée au copropriétaire sortant et appelée auprès du copropriétaire entrant;";
  l) dans le paragraphe 5, les alinéas 2 et 3 sont abrogés.
Art.174. Artikel 577-11/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 2 juni 2010 en gewijzigd bij de wet van 15 mei 2012, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 577-11/1. Bij het verlijden van de authentieke akte moet de instrumenterende notaris de door de uittredende mede-eigenaar verschuldigde achterstallen op gewone en buitengewone lasten, daaronder begrepen de kosten van gerechtelijke en buitengerechtelijke invordering, afhouden, alsook de kosten voor de mededeling van de krachtens artikel 577-11, §§ 1 tot 3 vereiste informatie. De instrumenterende notaris betaalt echter eerst de bevoorrechte, de hypothecaire schuldeisers of de schuldeisers die hem kennis hebben gegeven van een derdenbeslag of een overdracht van schuldvordering.
  Indien de uittredende mede-eigenaar deze achterstallen of kosten betwist, brengt de instrumenterende notaris binnen drie werkdagen na het verlijden van de authentieke akte de syndicus daarvan bij aangetekende zending op de hoogte.
  Bij ontstentenis van kennisgeving van een bewarend of van een uitvoerend beslag binnen twintig werkdagen na de verzending van de in het tweede lid bedoelde aangetekende zending, kan de notaris rechtsgeldig het bedrag van de achterstallen aan de uittredende mede-eigenaar betalen.".
Art. 174. L'article 577-11/1 du même Code, inséré par la loi du 2 juin 2010 et modifié par la loi du 15 mai 2012, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 577-11/1. Lors de la passation de l'acte authentique, le notaire instrumentant doit retenir, sur les sommes dues, les arriérés des charges ordinaires et extraordinaires en ce compris les frais de récupération judiciaire et extrajudiciaire des charges, dus par le copropriétaire sortant, ainsi que les frais de transmission des informations requises en vertu de l'article 577-1, §§ 1er à 3. Toutefois, le notaire instrumentant devra préalablement payer les créanciers privilégiés, hypothécaires ou ceux qui lui auraient notifié une saisie-arrêt ou une cession de créance.
  Si le copropriétaire sortant conteste ces arriérés ou frais, le notaire instrumentant en avise le syndic par envoi recommandé dans les trois jours ouvrables qui suivent la passation de l'acte authentique.
  A défaut de saisie-arrêt conservatoire ou de saisie-arrêt-exécution notifiée dans les vingt jours ouvrables qui suivent la date de l'envoi recommandé visé à l'alinéa 2, le notaire peut valablement payer le montant des arriérés au copropriétaire sortant.".
Art.175. In artikel 577-14 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 30 juni 1994 en gewijzigd bij de wet van 2 juni 2010 wordt het tweede lid vervangen als volgt :
  "De niet met de vigerende wetgeving strokende statutaire bepalingen of bepalingen uit het reglement van interne orde worden vanaf hun datum van inwerkingtreding van rechtswege vervangen door de overeenstemmende wetsbepalingen.".
Art. 175. Dans l'article 577-14 du même Code, inséré par la loi du 30 juin 1994 et modifié par la loi du 2 juin 2010, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  "Les dispositions statutaires ou les dispositions du règlement d'ordre intérieur non conformes à la législation en vigueur sont de plein droit remplacées par les dispositions légales correspondantes à compter de leur entrée en vigueur.".
Afdeling 2. - Wijziging van de hypotheekwet van 16 december 1851
Art.176. L'article 27 de la loi hypothécaire du 16 décembre 1851, modifié en dernier lieu par la loi du 21 février 2014, est complété par un 7° rédigé comme suit :
Art.176. Artikel 27 van de hypotheekwet van 16 december 1851, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 februari 2014, wordt aangevuld met een bepaling onder 7°, luidende :
  "7° De vereniging van mede-eigenaars, op de kavel in een gebouw of groep van gebouwen voor de bijdragen verschuldigd met betrekking tot deze kavel. Dit voorrecht is beperkt tot de bijdragen van het lopende boekjaar en het eraan voorafgaande boekjaar. Het neemt rang in na het voorrecht van de gerechtskosten bepaald in artikel 17, het voorrecht bepaald in artikel 114 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen en de eerder ingeschreven voorrechten.".
Art. 176. L'article 27 de la loi hypothécaire du 16 décembre 1851, modifié en dernier lieu par la loi du 21 février 2014, est complété par un 7° rédigé comme suit :
  "7° L'association des copropriétaires sur le lot dans un immeuble ou groupe d'immeubles bâtis pour les charges dues relativement à ce lot. Ce privilège est limité aux charges de l'exercice en cours et de l'exercice précédent. Il prend rang après le privilège des frais de justice prévu à l'article 17, le privilège visé à l'article 114 de la loi du 4 avril 2014 relative aux assurances et les privilèges inscrits antérieurement.".
Art.177. Artikel 29 van dezelfde wet wordt aangevuld met de volgende woorden :
  "en van het voorrecht bedoeld in artikel 27, 7°. ".
Art. 177. L'article 29 de la même loi est complété par ce qui suit :
  "et du privilège prévu à l'article 27, 7°. ".
Afdeling 3. - Wijziging van het Gerechtelijk Wetboek
Art.178. L'article 591, 2° bis du Code judiciaire, inséré par la loi du 30 juin 1994, est remplacé par ce qui suit :
Art.178. Artikel 591, 2° bis, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 30 juni 1994, wordt vervangen als volgt :
  "2° bis van geschillen met betrekking tot de gedwongen mede-eigendom van gebouwen of groepen van gebouwen;".
Art. 178. L'article 591, 2° bis du Code judiciaire, inséré par la loi du 30 juin 1994, est remplacé par ce qui suit :
  "2° bis des contestations relatives à la copropriété forcée des immeubles ou groupes d'immeubles bâtis;".
Afdeling 4. - Overgangsbepalingen
Art.179.[1 ...]1
Art.179. [1 ...]1
  Alle bepalingen die betrekking hebben op de algemene vergadering of haar beslissingen gelden alleen voor de algemene vergaderingen die worden gehouden na de inwerkingtreding van deze [1 titel]1.
  De wijziging van artikel 577-8, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek is enkel van toepassing op de overeenkomsten die na de inwerkingtreding van deze [1 titel]1 worden gesloten of verlengd.
  Een afwijking op de toepassing van de afdeling met als titel "Gedwongen mede-eigendom van gebouwen of groepen van gebouwen" waartoe geldig is beslist voor de inwerkingtreding van deze [1 titel]1, valt niet onder het toepassingsgebied van het nieuwe artikel 577-3, eerste lid, laatste zin.
  Niettegenstaande het nieuwe artikel 577-4, § 1, 2°, van het Burgerlijk Wetboek behouden de bedingen en sancties betreffende de betaling van deze lasten die bij de inwerkingtreding in het reglement van interne orde van deze [1 titel]1 staan, hun uitwerking overeenkomstig artikel 577-10, § 4, tweede lid.
  De bepalingen onder 1°, 2° en 3° van het nieuwe artikel 577-4, § 2 van het Burgerlijk Wetboek die zich bij de inwerkingtreding van deze [1 titel]1 nog in het reglement van mede-eigendom bevinden, worden geacht deel uit te maken van het reglement van interne orde.
  De verplichting van artikel 577-5, § 3, [1 ...]1 van het Burgerlijk Wetboek tot samenstelling van een reservekapitaal is onmiddellijk van toepassing voor de volledige boekjaren die na de inwerkingtreding van deze wet vallen, ook op gebouwen waarvan de gemene delen op datum van inwerkingtreding van deze wet sinds minstens vijf jaar voorlopig opgeleverd zijn.
  
Art. 179. [1 ...]1
  Toutes les dispositions qui ont trait à l'assemblée générale ou à ses décisions ne s'appliquent qu'aux assemblées générales tenues après l'entrée en vigueur [1 du présent titre]1.
  La modification de l'article 577-8, § 1er, alinéa 2, du Code civil ne s'applique qu'aux contrats conclus ou reconduits après l'entrée en vigueur [1 du présent titre]1.
  Une dérogation à l'application de la section intitulée "Copropriété forcée des immeubles ou groupes d'immeubles bâtis" valablement décidée avant l'entrée en vigueur [1 du présent titre]1, n'entre pas dans le champ d'application du nouvel article 577-3, alinéa 1er, dernière phrase.
  Nonobstant l'article 577-4, § 1er, 2°, nouveau, du Code civil les clauses et les sanctions relatives au paiement de ces charges qui figurent au moment de l'entrée en vigueur de la présente loi dans le règlement d'ordre intérieur conservent leurs effets conformément à l'article 577-10, § 4, alinéa 2.
  Les dispositions visées aux 1°, 2° et 3° de l'article 577-4, § 2, nouveau, du Code civil qui se trouvent encore dans le règlement de copropriété lors de l'entrée en vigueur de la présente loi sont censées faire partie du règlement d'ordre intérieur.
  L'obligation de l'article 577-5, § 3, [1 ...]1, du Code civil de constitution de fonds de réserve s'applique également immédiatement, pour les exercices comptables complets qui suivent l'entrée en vigueur de la présente loi, aux bâtiments dont les parties communes ont été provisoirement réceptionnées depuis au moins cinq ans à la date d'entrée en vigueur [1 du présent titre]1.
  
Afdeling 5. [1 - Inwerkingtreding]1
Art. 179/1. [1 Le présent titre entre en vigueur le 1er janvier 2019.]1
Art. 179/1. [1 Deze titel treedt in werking op 1 januari 2019.]1
  
TITRE 7. - Dispositions mettant en oeuvre et complétant le Règlement (UE) n° 655/2014 du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 portant création d'une procédure d'ordonnance européenne de saisie conservatoire des comptes bancaires, destinée à faciliter le recouvrement transfrontière de créances en matière civile et commerciale
TITEL 7. - Bepalingen tot uitvoering en aanvulling van de Verordening (EU) nr. 655/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van een procedure betreffende het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen om de grensoverschrijdende inning van schuldvorderingen in burgerlijke en handelszaken te vergemakkelijken
TITRE 7. - Dispositions mettant en oeuvre et complétant le Règlement (UE) n° 655/2014 du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 portant création d'une procédure d'ordonnance européenne de saisie conservatoire des comptes bancaires, destinée à faciliter le recouvrement transfrontière de créances en matière civile et commerciale
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
Art.180. Le présent titre vise à mettre en oeuvre et à compléter le Règlement (UE) n° 655/2014 du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 portant création d'une procédure d'ordonnance européenne de saisie conservatoire des comptes bancaires, destinée à faciliter le recouvrement transfrontière de créances en matière civile et commerciale, dénommé ci-après "le Règlement".
Art.180. Deze titel beoogt de uitvoering en aanvulling van Verordening (EU) nr. 655/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van een procedure betreffende het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen om de grensoverschrijdende inning van schuldvorderingen in burgerlijke en handelszaken te vergemakkelijken, hierna "de Verordening" genoemd..
  Voor de toepassing van deze titel gelden de definities van artikel 4 van de Verordening.
Art. 180. Le présent titre vise à mettre en oeuvre et à compléter le Règlement (UE) n° 655/2014 du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 portant création d'une procédure d'ordonnance européenne de saisie conservatoire des comptes bancaires, destinée à faciliter le recouvrement transfrontière de créances en matière civile et commerciale, dénommé ci-après "le Règlement".
  Pour l'application du présent titre, les définitions figurant à l'article 4 du Règlement s'appliquent.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
Art.181. Dans l'article 552, § 2, alinéa 1er, du Code judiciaire, remplacé par la loi du 7 janvier 2014, les mots "conformément à l'article 555/1, 15° " sont remplacés par les mots "conformément à l'article 555/1, § 1er, alinéa 1er, 15°. ".
Art.181. In artikel 552, § 2, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, vervangen bij de wet van 7 januari 2014, worden de woorden "overeenkomstig artikel 555/1, 15°. " vervangen door de woorden "overeenkomstig artikel 555/1, § 1, eerste lid, 15°. ".
Art.182. A l'article 555/1 du même Code, inséré par la loi du 7 janvier 2014 et modifié par les lois des 8 mai 2014 et 4 mai 2016, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'alinéa 1er est complété par un 25°, rédigé comme suit :
  "25° de jouer le rôle d'autorité chargée de l'obtention d'informations, telle que visée à l'article 4, paragraphe 13, du Règlement (UE) 655/2014 du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 portant création d'une procédure d'ordonnance européenne de saisie conservatoire des comptes bancaires, destinée à faciliter le recouvrement transfrontière de créances en matière civile et commerciale.";
  2° dans l'alinéa 3, les mots "23° et 24° " sont remplacés par les mots "23°, 24° et 25° ".
  3° l'article, dont le texte actuel formera le paragraphe 1er, est complété par un paragraphe 2 rédigé comme suit :
  " § 2. Pour l'application du paragraphe 1er, 25°, et de l'article 1447/1, la Chambre nationale est habilitée à demander, sur la base d'une demande juridictionnelle, au point de contact central tenu par la Banque Nationale de Belgique les données disponibles visées à l'article 322, § 3, alinéa 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992.
  Sur la base des données obtenues dans ce cadre, la Chambre nationale peut, si nécessaire, adresser une demande d'informations à une ou plusieurs banques au sens de l'article 4, paragraphe 2, du Règlement visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, 25°.
  La banque communique les informations demandées, ou la non-disponibilité de ces informations, avec célérité à la Chambre nationale. Cette banque ne peut informer le débiteur de la demande d'informations qu'après un délai de trente jours suivant le jour de la communication à la Chambre nationale des informations demandées, ou de la non-disponibilité de ces informations.
  Si la banque ne respecte pas ces obligations, l'article 1456, alinéa 1er, s'applique.
  Dès que la Chambre nationale a reçu la communication du point de contact central visé à l'alinéa 1er et, le cas échéant, de la banque, elle la transmet à la juridiction qui a demandé les informations.
  Le Roi fixe les frais pour le traitement de la demande visant à obtenir des informations relatives aux comptes, ainsi que les conditions et les modalités de perception. L'article 520, § 1er, 3°, s'applique.".
Art.182. In artikel 555/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 7 januari 2014 en gewijzigd bij de wetten van 8 mei 2014 en 4 mei 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het eerste lid wordt aangevuld met een bepaling onder 25°, luidende :
  "25° te fungeren als informatie-instantie, bedoeld in artikel 4, dertiende lid, van Verordening (EU) nr. 655/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van een procedure betreffende het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen om de grensoverschrijdende inning van schuldvorderingen in burgerlijke en handelszaken te vergemakkelijken.";
  2° in het derde lid worden de woorden "23° en 24° " vervangen door de woorden "23°, 24° en 25° ".
  3° het artikel, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met een paragraaf 2 luidende:
  " § 2. Voor de toepassing van paragraaf 1, 25°, en van artikel 1447/1, wordt de Nationale Kamer gemachtigd om op rechterlijk verzoek de in artikel 322, § 3, eerste lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 bedoelde beschikbare gegevens op te vragen bij het centraal aanspreekpunt gehouden door de Nationale Bank van België.
  Op basis van de bij deze opvraging verkregen gegevens, kan de Nationale Kamer, indien noodzakelijk, aan één of meer banken in de zin van artikel 4, tweede lid, van de Verordening bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 25°, informatie vragen.
  De bank deelt de gevraagde informatie, of het ontbreken daarvan, met bekwame spoed mee aan de Nationale Kamer. Deze bank kan de schuldenaar slechts van het verzoek om informatie in kennis stellen na een termijn van dertig dagen volgend op de dag van mededeling van de gevraagde informatie of het ontbreken daarvan aan de Nationale Kamer.
  Indien de bank deze verplichtingen niet nakomt, is artikel 1456, eerste lid, van toepassing.
  Van zodra de Nationale kamer de mededeling van het centraal aanspreekpunt bedoeld in het eerste lid en, desgevallend, van de bank heeft ontvangen, deelt zij deze mee aan het gerecht dat de informatie heeft gevraagd.
  De Koning bepaalt de vergoeding voor de behandeling van het verzoek voor het verkrijgen van rekeninginformatie, evenals de voorwaarden en de nadere regels van inning. Artikel 520, § 1, 3°, is van toepassing.".
Art. 182. A l'article 555/1 du même Code, inséré par la loi du 7 janvier 2014 et modifié par les lois des 8 mai 2014 et 4 mai 2016, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'alinéa 1er est complété par un 25°, rédigé comme suit :
  "25° de jouer le rôle d'autorité chargée de l'obtention d'informations, telle que visée à l'article 4, paragraphe 13, du Règlement (UE) 655/2014 du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 portant création d'une procédure d'ordonnance européenne de saisie conservatoire des comptes bancaires, destinée à faciliter le recouvrement transfrontière de créances en matière civile et commerciale.";
  2° dans l'alinéa 3, les mots "23° et 24° " sont remplacés par les mots "23°, 24° et 25° ".
  3° l'article, dont le texte actuel formera le paragraphe 1er, est complété par un paragraphe 2 rédigé comme suit :
  " § 2. Pour l'application du paragraphe 1er, 25°, et de l'article 1447/1, la Chambre nationale est habilitée à demander, sur la base d'une demande juridictionnelle, au point de contact central tenu par la Banque Nationale de Belgique les données disponibles visées à l'article 322, § 3, alinéa 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992.
  Sur la base des données obtenues dans ce cadre, la Chambre nationale peut, si nécessaire, adresser une demande d'informations à une ou plusieurs banques au sens de l'article 4, paragraphe 2, du Règlement visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, 25°.
  La banque communique les informations demandées, ou la non-disponibilité de ces informations, avec célérité à la Chambre nationale. Cette banque ne peut informer le débiteur de la demande d'informations qu'après un délai de trente jours suivant le jour de la communication à la Chambre nationale des informations demandées, ou de la non-disponibilité de ces informations.
  Si la banque ne respecte pas ces obligations, l'article 1456, alinéa 1er, s'applique.
  Dès que la Chambre nationale a reçu la communication du point de contact central visé à l'alinéa 1er et, le cas échéant, de la banque, elle la transmet à la juridiction qui a demandé les informations.
  Le Roi fixe les frais pour le traitement de la demande visant à obtenir des informations relatives aux comptes, ainsi que les conditions et les modalités de perception. L'article 520, § 1er, 3°, s'applique.".
Art.183. In artikel 602 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) in het eerste lid, 5°, wordt het woord "hoofdbureaus." vervangen door het woord "hoofdbureaus;";
  b) het eerste lid wordt aangevuld met de bepalingen onder 6° en 7°, luidende :
  "6° tegen beslissingen waarbij het verzoek om een Europees bevel tot conservatoir beslag geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 655/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van een procedure betreffende het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen om de grensoverschrijdende inning van schuldvorderingen in burgerlijke en handelszaken te vergemakkelijken;
  7° tegen beslissingen gegeven op grond van de artikelen 33, 34 of 35 van dezelfde Verordening (EU);
  c) het artikel wordt aangevuld met een lid, luidend:
  "In de in het eerste lid, 6°, bedoelde gevallen verwijst het hof van beroep dat de bestreden beslissing geheel of gedeeltelijk hervormt, de zaak terug naar het gerecht dat de bestreden beslissing heeft gewezen, teneinde de eiser een Europees bevel tot conservatoir beslag te laten verlenen. Het gerecht waarnaar de zaak aldus wordt verwezen, is gebonden door de beslissing van het hof dat de zaak heeft verwezen.".
Art. 183. Dans l'article 602 du même Code, les modifications suivantes sont apportées :
  a) dans l'alinéa 1er, 5°, le mot "principaux." est remplacé par le mot "principaux;";
  b) l'alinéa 1er est complété par les 6° et 7° rédigés comme suit :
  "6° des décisions dans lesquelles la demande d'ordonnance européenne de saisie conservatoire est rejetée en tout ou en partie, telles que visées à l'article 21, paragraphe 1er, du Règlement (UE) n° 655/2014 du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 portant création d'une procédure d'ordonnance européenne de saisie conservatoire des comptes bancaires, destinée à faciliter le recouvrement transfrontière de créances en matière civile et commerciale;
  7° des décisions rendues en vertu des articles 33, 34 ou 35 du même Règlement (UE);
  c) l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  "Dans les cas visés à l'alinéa 1er, 6°, la cour d'appel qui réforme la décision attaquée entièrement ou en partie, renvoie l'affaire devant la juridiction qui a rendu la décision attaquée, afin de faire délivrer au demandeur une ordonnance européenne de saisie conservatoire. La juridiction à laquelle l'affaire est ainsi renvoyée, est liée par la décision de la cour qui a renvoyé l'affaire.".
Art.184. In artikel 633, § 1, tweede lid, eerste zin, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 30 december 2009, worden de woorden "en inzake de verzoeken en rechtsmiddelen bedoeld in artikel 1395/2," ingevoegd tussen de woorden "inzake beslag onder derden" en de woorden "is de rechter".
Art. 184. Dans l'article 633, § 1er, alinéa 2, première phrase, du même Code, remplacé par la loi du 30 décembre 2009, les mots "et en matière de demandes et recours visés à l'article 1395/2" sont insérés entre les mots "En matière de saisie-arrêt," et les mots "le juge compétent".
Art.185. In het vijfde deel, titel I, van hetzelfde Wetboek wordt een hoofdstuk 1bis/1 ingevoegd, luidende "Centraal register voor Europees conservatoir beslag op bankrekeningen".
Art.186. Dans le chapitre 1erbis/1, inséré par l'article 185, il est inséré un article 1391/1, rédigé comme suit :
  "Art. 1391/1. Il est institué, à la Chambre nationale des huissiers de justice, un "Registre central pour les saisies conservatoires européennes des comptes bancaires", ci-après dénommé "Registre central EAPO".
  Le Registre central EAPO est une base de données informatisée dans laquelle sont collectées les données qui sont nécessaires pour atteindre les objectifs de la demande juridictionnelle et pour contrôler le bon déroulement des procédures concernant les demandes visant à obtenir des informations relatives aux comptes, telles que visées dans l'article 14 du Règlement (UE) n° 655/2014 du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 portant création d'une procédure d'ordonnance européenne de saisie conservatoire des comptes bancaires, destinée à faciliter le recouvrement transfrontière de créances en matière civile et commerciale, et dans les articles 1447/1 et 1447/2.
  Sont enregistrées dans le Registre central EAPO :
  1) Les métadonnées et la demande électronique ou les copies dématérialisées de la demande non-électronique visant à obtenir des informations relatives aux comptes, qui a été transmise à la Chambre nationale, ainsi que les annexes de cette demande;
  2) Les métadonnées et les données concernant le payement des frais pour le traitement de la demande visant à obtenir des informations relatives aux comptes;
  3) Les données nécessaires afin de pouvoir identifier le débiteur qui fait l'objet de la demande visant à obtenir les informations relatives aux comptes;
  4) Les métadonnées et la correspondance électronique ainsi que les copies dématérialisées de la corrrespondance non-électronique échangée par la Chambre nationale en vue de répondre à la demande visant à obtenir les informations relatives aux comptes;
  5) Les métadonnées et la réponse électronique ou les copies dématérialisées de la réponse non-électronique de la Chambre nationale à la demande visant à obtenir les informations relatives aux comptes.
  Le Roi détermine, après avoir recueilli l'avis du gestionnaire du registre et de l'Autorité de protection des données formelles, les données exactes enregistrées dans le registre.
  Le registre vaut comme source authentique pour tous les données qui y sont enregistrées.".
Art.186. In hoofdstuk 1bis/1, ingevoegd bij artikel 185, wordt een artikel 1391/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 1391/1. Bij de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders, wordt een "Centraal register voor Europees conservatoir beslag op bankrekeningen" opgericht, hierna "Centraal Register EAPO" genoemd.
  Het Centraal Register EAPO is een geïnformatiseerde gegevensbank waarin de gegevens worden verzameld die noodzakelijk zijn voor de doeleinden van het rechterlijk verzoek en om het juiste verloop na te gaan van de procedures betreffende het verzoek voor het verkrijgen van rekeninginformatie, bedoeld in artikel 14 van Verordening (EU) nr. 655/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van een procedure betreffende het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen om de grensoverschrijdende inning van schuldvorderingen in burgerlijke en handelszaken te vergemakkelijken, en in de artikelen 1447/1 en 1447/2.
  In het Centraal register EAPO worden opgenomen:
  1) De metadata en het elektronisch verzoek of de gedematerialiseerde kopieën van het niet-elektronisch verzoek voor het verkrijgen van rekeninginformatie dat werd meegedeeld aan de Nationale Kamer, evenals van de bijlages van dat verzoek;
  2) De metadata en de data betreffende de betaling van de vergoeding voor de behandeling van het verzoek voor het verkrijgen van rekeninginformatie;
  3) De gegevens noodzakelijk om de schuldenaar die het voorwerp uitmaakt van het verzoek voor het verkrijgen van rekeninginformatie te kunnen identificeren;
  4) De metadata en de elektronische correspondentie evenals de gedematerialiseerde kopieën van de niet-elektronische correspondentie van de Nationale Kamer gevoerd met het oog op het beantwoorden van het verzoek voor het verkrijgen van rekeninginformatie;
  5) De metadata en het elektronisch antwoord of de gedematerialiseerde kopieën van het niet-elektronisch antwoord van de Nationale Kamer op het verzoek voor het verkrijgen van rekeninginformatie.
  De Koning bepaalt, na het advies te hebben ingewonnen van de beheerder en de Gegevensbeschermingsautoriteit, de exacte gegevens opgenomen in het register.
  Het register geldt als authentieke bron voor alle gegevens die erin zijn opgenomen.".
Art. 186. Dans le chapitre 1erbis/1, inséré par l'article 185, il est inséré un article 1391/1, rédigé comme suit :
  "Art. 1391/1. Il est institué, à la Chambre nationale des huissiers de justice, un "Registre central pour les saisies conservatoires européennes des comptes bancaires", ci-après dénommé "Registre central EAPO".
  Le Registre central EAPO est une base de données informatisée dans laquelle sont collectées les données qui sont nécessaires pour atteindre les objectifs de la demande juridictionnelle et pour contrôler le bon déroulement des procédures concernant les demandes visant à obtenir des informations relatives aux comptes, telles que visées dans l'article 14 du Règlement (UE) n° 655/2014 du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 portant création d'une procédure d'ordonnance européenne de saisie conservatoire des comptes bancaires, destinée à faciliter le recouvrement transfrontière de créances en matière civile et commerciale, et dans les articles 1447/1 et 1447/2.
  Sont enregistrées dans le Registre central EAPO :
  1) Les métadonnées et la demande électronique ou les copies dématérialisées de la demande non-électronique visant à obtenir des informations relatives aux comptes, qui a été transmise à la Chambre nationale, ainsi que les annexes de cette demande;
  2) Les métadonnées et les données concernant le payement des frais pour le traitement de la demande visant à obtenir des informations relatives aux comptes;
  3) Les données nécessaires afin de pouvoir identifier le débiteur qui fait l'objet de la demande visant à obtenir les informations relatives aux comptes;
  4) Les métadonnées et la correspondance électronique ainsi que les copies dématérialisées de la corrrespondance non-électronique échangée par la Chambre nationale en vue de répondre à la demande visant à obtenir les informations relatives aux comptes;
  5) Les métadonnées et la réponse électronique ou les copies dématérialisées de la réponse non-électronique de la Chambre nationale à la demande visant à obtenir les informations relatives aux comptes.
  Le Roi détermine, après avoir recueilli l'avis du gestionnaire du registre et de l'Autorité de protection des données formelles, les données exactes enregistrées dans le registre.
  Le registre vaut comme source authentique pour tous les données qui y sont enregistrées.".
Art.187. In hetzelfde hoofdstuk wordt een artikel 1391/2 ingevoegd, luidende:
  "Art. 1391/2. De Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders, hierna "de beheerder" genoemd staat in voor de inrichting en het beheer van het register. Zij staat in voor de controle op de werking en het gebruik ervan. In voorkomend geval is hoofdstuk VII van boek IV van het tweede deel van dit Wetboek van toepassing.
  De Nationale Kamer wordt met betrekking tot het Centraal Register EAPO beschouwd als de verantwoordelijke voor de verwerking in de zin van [1 artikel 4, 7), van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG]1.".
  
Art.188. Dans le même chapitre, il est inséré un article 1391/3, rédigé comme suit :
  "Art. 1391/3. Le Roi détermine, après avoir recueilli l'avis du gestionnaire du registre et de l'Autorité de protection des données :
  1° parmi les organes et employés de la Chambre nationale et parmi les organes et employés des associations qu'elle a créé, quels organes, quelles personnes physiques ou quelles catégories de personnes peuvent, pour l'application du présent chapitre, enregistrer les données visées à l'article 1391/1 dans le Registre central EAPO et accéder à ces données;
  2° parmi les organes et employés de la Chambre nationale et parmi les organes et employés des associations qu'elle a créé, quels organes, quelles personnes physiques ou quelles catégories de personnes peuvent consulter ces données pour l'application du présent chapitre;
  3° les modalités relatives à l'enregistrement, l'accès et la consultation visés aux 1° et 2°.
  Celui qui, à quelque titre que ce soit, participe à la collecte ou à l'enregistrement des données dans le Registre central EAPO ou au traitement ou à la communication des données qui y sont enregistrées ou a connaissance de telles données, est tenu d'en respecter le caractère confidentiel. L'article 458 du Code pénal s'applique.".
Art.188. In hetzelfde hoofdstuk wordt een artikel 1391/3 ingevoegd, luidende:
  "Art. 1391/3. De Koning bepaalt, na het advies te hebben ingewonnen van de beheerder van het register en van de Gegevensbeschermingsautoriteit :
  1° onder de organen en werknemers van de Nationale Kamer en onder de organen en werknemers van de door haar opgerichte verenigingen, welke organen, welke natuurlijke personen of welke categorieën van personen, voor de toepassing van dit hoofdstuk, de gegevens bedoeld in artikel 1391/1 kunnen registreren in het Centraal Register EAPO en toegang kunnen hebben tot deze gegevens;
  2° onder de organen en werknemers van de Nationale Kamer en onder de organen en werknemers van de door haar opgerichte verenigingen, welke organen, welke natuurlijke personen of welke categorieën van personen deze gegevens voor de toepassing van dit hoofdstuk kunnen raadplegen;
  3° de modaliteiten van de in de bepalingen onder 1° en 2° bedoelde registratie, toegang en raadpleging.
  Hij die in welke hoedanigheid ook deelneemt aan de registratie van gegevens in het Centraal Register EAPO, of aan de verwerking of de mededeling van de erin geregistreerde gegevens of kennis heeft van die gegevens, moet het vertrouwelijk karakter ervan in acht nemen. Artikel 458 van het Strafwetboek is van toepassing.".
Art. 188. Dans le même chapitre, il est inséré un article 1391/3, rédigé comme suit :
  "Art. 1391/3. Le Roi détermine, après avoir recueilli l'avis du gestionnaire du registre et de l'Autorité de protection des données :
  1° parmi les organes et employés de la Chambre nationale et parmi les organes et employés des associations qu'elle a créé, quels organes, quelles personnes physiques ou quelles catégories de personnes peuvent, pour l'application du présent chapitre, enregistrer les données visées à l'article 1391/1 dans le Registre central EAPO et accéder à ces données;
  2° parmi les organes et employés de la Chambre nationale et parmi les organes et employés des associations qu'elle a créé, quels organes, quelles personnes physiques ou quelles catégories de personnes peuvent consulter ces données pour l'application du présent chapitre;
  3° les modalités relatives à l'enregistrement, l'accès et la consultation visés aux 1° et 2°.
  Celui qui, à quelque titre que ce soit, participe à la collecte ou à l'enregistrement des données dans le Registre central EAPO ou au traitement ou à la communication des données qui y sont enregistrées ou a connaissance de telles données, est tenu d'en respecter le caractère confidentiel. L'article 458 du Code pénal s'applique.".
Art.189. In hetzelfde hoofdstuk wordt een artikel 1391/4 ingevoegd, luidende :
  "Art. 1391/4. De beheerder stelt de schuldenaar die het voorwerp uitmaakt van het verzoek voor het verkrijgen van rekeninginformatie op uitdrukkelijke vraag van de schuldenaar en niet voordat de in artikel 555/1, § 2, derde lid, bedoelde termijn is verstreken, in kennis van :
  1° de gegevens van het register die hem betreffen;
  2° de organen, natuurlijke personen en categorieën van personen die toegang hebben tot deze gegevens;
  3° de bewaartermijn van deze gegevens;
  4° de in artikel 1391/2, tweede lid, bedoelde verantwoordelijke voor de verwerking;
  5° de wijze waarop hij inzage kan verkrijgen van deze gegevens;
  6° de wijze waarop hij de verbetering van foutieve gegevens kan bekomen.".
Art. 189. Dans le même chapitre, il est inséré un article 1391/4 rédigé comme suit :
  "Art. 1391/4. Le gestionnaire informe le débiteur qui fait l'objet de la demande visant à obtenir des informations relatives aux comptes bancaires, sur la demande explicite du débiteur et pas avant que le délai visé à l'article 555/1, § 2, alinéa 3, ait expiré :
  1° des données du registre qui le concernent;
  2° des organes, personnes physiques et catégories de personnes qui ont accès à ces données;
  3° du délai de conservation de ces données;
  4° du responsable du traitement visé à l'article 1391/2, alinéa 2;
  5° de la manière dont il peut obtenir accès à ces données;
  6° de la manière dont il peut obtenir la correction des données erronées.
Art.190. In hetzelfde hoofdstuk wordt een artikel 1391/5 ingevoegd, luidende:
  "Art. 1391/5. De gegevens die zijn opgenomen in het Centraal Register EAPO worden ten hoogste zes maanden bewaard en dit vanaf het moment van registratie.".
Art.191. Dans le même chapitre, il est inséré un article 1391/6 rédigé comme suit :
  "Art. 1391/6. Le Roi détermine, après avoir recueilli l'avis du gestionnaire et de l'Autorité de protection des données, les modalités de mise en place et de fonctionnement du registre.".
Art.191. In hetzelfde hoofdstuk wordt een artikel 1391/6 ingevoegd, luidende:
  "Art. 1391/6. De Koning bepaalt, na het advies te hebben ingewonnen van de beheerder en de Gegevensbeschermingsautoriteit, de nadere regels voor de inrichting en werking van het register.".
Art.192. Dans le même Code, il est inséré un article 1395/2 rédigé comme suit :
  "Art. 1395/2. Le juge des saisies statue sur :
  1° les demandes d'ordonnance européenne de saisie conservatoire, telles que visées par le Règlement (UE) n° 655/2014 du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 portant création d'une procédure d'ordonnance européenne de saisie conservatoire des comptes bancaires, destinée à faciliter le recouvrement transfrontière de créances en matière civile et commerciale;
  2° les recours visés aux articles 33, 34 et 35 du même Règlement.".
Art.192. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 1395/2 ingevoegd, luidende:
  "Art. 1395/2. De beslagrechter doet uitspraak over :
  1° de verzoeken om een Europees bevel tot conservatoir beslag, bedoeld in Verordening (EU) nr. 655/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van een procedure betreffende het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen om de grensoverschrijdende inning van schuldvorderingen in burgerlijke en handelszaken te vergemakkelijken;
  2° de rechtsmiddelen bedoeld in de artikelen 33, 34 en 35 van dezelfde Verordening.".
Art.193. Dans le même Code, il est inséré un article 1447/1, rédigé comme suit :
  "Art. 1447/1. § 1er. Lorsque le créancier a obtenu une décision judiciaire, une transaction judiciaire ou un acte authentique exécutoire exigeant du débiteur le paiement de sa créance et que le créancier a des raisons de croire que le débiteur détient un ou plusieurs comptes auprès d'une banque en Belgique, mais qu'il ne connaît pas le nom ou l'adresse de la banque, ni le code IBAN, BIC ou un autre numéro bancaire permettant d'identifier la banque, il peut demander à la juridiction auprès de laquelle la requête pour l'obtention d'une saisie-arrêt conservatoire est introduite de demander à l'autorité chargée de l'obtention d'informations visée à l'article 555/1, § 1er, alinéa 1er, 25°, d'obtenir les informations nécessaires pour permettre d'identifier la ou les banques et le ou les comptes du débiteur.
  § 2. Nonobstant le paragraphe 1er, le créancier peut également formuler la demande visée audit paragraphe 1er, lorsque la décision judiciaire, la transaction judiciaire ou l'acte authentique qu'il a obtenu n'est pas encore exécutoire, pour autant que les conditions suivantes soient réunies :
  1° le montant devant faire l'objet de la saisie-arrêt conservatoire est important compte tenu des circonstances;
  2° le créancier a fourni suffisamment d'éléments de preuve pour convaincre le juge qu'il est urgent d'obtenir des informations relatives aux comptes parce qu'il existe un risque qu'à défaut de ces informations le recouvrement ultérieur de sa créance soit mis en péril et entraine une détérioration importante de la situation financière du créancier.
  § 3. Le créancier formule la demande d'informations dans la requête pour l'obtention d'une saisie-arrêt conservatoire. Le créancier justifie les raisons pour lesquelles il pense que le débiteur détient un ou plusieurs comptes auprès d'une banque en Belgique et fournit toutes les informations utiles dont il dispose concernant le débiteur et les comptes devant faire l'objet de la saisie conservatoire. Si le juge auprès duquel la requête est introduite considère que la demande d'informations du créancier n'est pas suffisamment étayée, il la rejette.
  § 4. Lorsque le juge est convaincu que la demande d'informations du créancier est bien étayée et que toutes les conditions et exigences prévues pour l'autorisation de la saisie-arrêt conservatoire sont remplies, à l'exception de la mention, exigée par l'article 1447, alinéa 2, 1°, des données du tiers saisi, et, le cas échéant, de la garantie exigée en vertu de l'article 1447/2, § 1er, le juge communique à l'autorité chargée de l'obtention d'informations visée à l'article 555/1, § 1er, alinéa 1er, 25°, la demande d'informations, afin que cette autorité puisse obtenir les informations demandées selon les modalités prévues dans l'article 555/1, § 2.".
Art.193. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 1447/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 1447/1. § 1. Indien de schuldeiser een uitvoerbare rechterlijke beslissing, gerechtelijke schikking of authentieke akte heeft verkregen op grond waarvan de schuldenaar de vordering moet voldoen en de schuldeiser redenen heeft om aan te nemen dat de schuldenaar een of meer rekeningen bij een bank in België heeft waarvan hij noch de naam en/of het adres kent, noch het IBAN, de BIC of een ander bankrekeningnummer aan de hand waarvan de bank kan worden geïdentificeerd, kan hij het gerecht waar het verzoekschrift voor het verkrijgen van een bewarend beslag onder derden is neergelegd, vragen de informatie-instantie bedoeld in artikel 555/1, § 1, eerste lid, 25°, de informatie te laten inwinnen aan de hand waarvan de bank of banken en de rekening of rekeningen van de schuldenaar kunnen worden geïdentificeerd.
  § 2. Niettegenstaande paragraaf 1 kan de schuldeiser het in deze paragraaf 1 bedoelde verzoek ook formuleren indien de door hem verkregen rechterlijke beslissing, gerechtelijke schikking of authentieke akte nog niet uitvoerbaar is, voor zover is voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1° het bedrag waarop bewarend beslag onder derden moet worden gelegd, is aanzienlijk gezien de omstandigheden;
  2° de schuldeiser heeft voldoende bewijsmateriaal verstrekt om de rechter ervan te overtuigen dat de informatie dringend moet worden verstrekt, omdat anders de latere inning van de vordering van de schuldeiser jegens de schuldenaar in het gedrang dreigt te komen, waardoor de financiële situatie van de schuldeiser aanzienlijk zou kunnen verslechteren.
  § 3. Het verzoek om informatie wordt door de schuldeiser vervat in het verzoekschrift voor het verkrijgen van een bewarend beslag onder derden. De schuldeiser maakt aannemelijk waarom volgens hem de schuldenaar een of meer rekeningen bij een bank in België aanhoudt, en verstrekt alle hem beschikbare en relevante informatie omtrent de schuldenaar en de rekeningen waarop bewarend beslag moet worden gelegd. Indien de rechter waaraan het verzoekschrift is gericht het verzoek om informatie onvoldoende onderbouwd acht, wordt het verworpen.
  § 4. Indien de rechter ervan overtuigd is dat het verzoek om informatie voldoende is onderbouwd en dat aan alle voorwaarden en vereisten voor het toestaan van het bewarend beslag onder derden is voldaan, met uitzondering van de door artikel 1447, tweede lid, 1°, vereiste vermelding van de gegevens van de derde-beslagene en, in voorkomend geval, de krachtens artikel 1447/2, § 1, vereiste zekerheid, deelt de rechter het verzoek om informatie mee aan de in artikel 555/1, § 1, eerste lid, 25°, bedoelde informatie-instantie, opdat deze instantie de gevraagde informatie kan verkrijgen volgens de in artikel 555/1, § 2, bedoelde nadere regels.".
Art. 193. Dans le même Code, il est inséré un article 1447/1, rédigé comme suit :
  "Art. 1447/1. § 1er. Lorsque le créancier a obtenu une décision judiciaire, une transaction judiciaire ou un acte authentique exécutoire exigeant du débiteur le paiement de sa créance et que le créancier a des raisons de croire que le débiteur détient un ou plusieurs comptes auprès d'une banque en Belgique, mais qu'il ne connaît pas le nom ou l'adresse de la banque, ni le code IBAN, BIC ou un autre numéro bancaire permettant d'identifier la banque, il peut demander à la juridiction auprès de laquelle la requête pour l'obtention d'une saisie-arrêt conservatoire est introduite de demander à l'autorité chargée de l'obtention d'informations visée à l'article 555/1, § 1er, alinéa 1er, 25°, d'obtenir les informations nécessaires pour permettre d'identifier la ou les banques et le ou les comptes du débiteur.
  § 2. Nonobstant le paragraphe 1er, le créancier peut également formuler la demande visée audit paragraphe 1er, lorsque la décision judiciaire, la transaction judiciaire ou l'acte authentique qu'il a obtenu n'est pas encore exécutoire, pour autant que les conditions suivantes soient réunies :
  1° le montant devant faire l'objet de la saisie-arrêt conservatoire est important compte tenu des circonstances;
  2° le créancier a fourni suffisamment d'éléments de preuve pour convaincre le juge qu'il est urgent d'obtenir des informations relatives aux comptes parce qu'il existe un risque qu'à défaut de ces informations le recouvrement ultérieur de sa créance soit mis en péril et entraine une détérioration importante de la situation financière du créancier.
  § 3. Le créancier formule la demande d'informations dans la requête pour l'obtention d'une saisie-arrêt conservatoire. Le créancier justifie les raisons pour lesquelles il pense que le débiteur détient un ou plusieurs comptes auprès d'une banque en Belgique et fournit toutes les informations utiles dont il dispose concernant le débiteur et les comptes devant faire l'objet de la saisie conservatoire. Si le juge auprès duquel la requête est introduite considère que la demande d'informations du créancier n'est pas suffisamment étayée, il la rejette.
  § 4. Lorsque le juge est convaincu que la demande d'informations du créancier est bien étayée et que toutes les conditions et exigences prévues pour l'autorisation de la saisie-arrêt conservatoire sont remplies, à l'exception de la mention, exigée par l'article 1447, alinéa 2, 1°, des données du tiers saisi, et, le cas échéant, de la garantie exigée en vertu de l'article 1447/2, § 1er, le juge communique à l'autorité chargée de l'obtention d'informations visée à l'article 555/1, § 1er, alinéa 1er, 25°, la demande d'informations, afin que cette autorité puisse obtenir les informations demandées selon les modalités prévues dans l'article 555/1, § 2.".
Art.194. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 1447/2 ingevoegd, luidende:
  "Art. 1447/2. § 1. In het in artikel 1447/1, § 1, bedoelde geval kan de rechter, alvorens het bewarend beslag onder derden toe te staan en uiterlijk op de vijfde werkdag na neerlegging van het verzoekschrift, van de schuldeiser eisen dat hij een zekerheid stelt ten belope van een bedrag dat volstaat om misbruik te voorkomen van de procedure voor het verkrijgen van een bewarend beslag onder derden en om de door de schuldenaar als gevolg van dit beslag geleden schade te vergoeden, voor zover de schuldeiser voor die schade aansprakelijk is.
  In het in artikel 1447/1, § 2, bedoelde geval eist de rechter, alvorens het bewarend beslag onder derden toe te staan en uiterlijk op de tiende werkdag na neerlegging van het verzoekschrift, dat de schuldeiser de in het eerste lid bedoelde zekerheid stelt, tenzij de rechter deze zekerheidstelling in het licht van de omstandigheden niet passend acht.
  § 2. De rechter bepaalt in voorkomend geval deze zekerheid, waarvoor hij zo nodig de nadere regels vaststelt.
  § 3. Zodra de schuldeiser, in voorkomend geval, de vereiste zekerheid heeft gesteld en zodra de rechter beschikt over de informatie die hij overeenkomstig artikel 1447/1 heeft gevraagd, beslist de rechter onverwijld over het verzoekschrift voor het verkrijgen van een bewarend beslag onder derden.
  § 4. Indien overeenkomstig paragraaf 1 een zekerheid werd gesteld en het verzoekschrift voor het verkrijgen van een bewarend beslag onder derden geheel wordt afgewezen omwille van het ontbreken van rekeninginformatie, dan beveelt de rechter die de informatie heeft opgevraagd de onmiddellijke vrijgave van die zekerheid.".
Art. 194. Dans le même Code, il est inséré un article 1447/2 rédigé comme suit :
  "Art. 1447/2. § 1er. Dans l'hypothèse visée à l'article 1447/1, § 1er, le juge peut, avant d'autoriser la saisie-arrêt conservatoire et au plus tard à la fin du cinquième jour ouvrable suivant le dépôt de la requête, exiger du créancier qu'il constitue une garantie pour un montant suffisant afin de prévenir un recours abusif à la procédure pour l'obtention d'une saisie-ârret conservatoire et afin d'assurer la réparation de tous les dommages subi par le débiteur en raison de la saisie-arrêt conservatoire, dans la mesure où le créancier est responsable desdits dommages.
  Dans l'hypothèse visée à l'article 1447/1, § 2, le juge exige, avant d'autoriser la saisie-arrêt conservatoire, et au plus tard à la fin du dixième jour ouvrable suivant le dépôt de la requête, du créancier qu'il constitue la garantie visée à l'alinéa 1er, sauf si le juge considère que, compte tenu des circonstances de l'espèce, cette constitution de garantie est inappropriée.
  § 2. Le juge détermine, le cas échéant, cette garantie, dont il fixe, s'il y a lieu, les modalités.
  § 3. Dès que le créancier a, le cas échéant, constitué la garantie requise et dès que le juge dispose des informations qu'il a demandées conformément à l'article 1447/1, le juge rend sa décision sur la requête pour l'obtention d'une saisie-arrêt conservatoire sans délai.
  § 4. Si, conformément au paragraphe 1er, une garantie a été constituée et la requête pour l'obtention d'une saisie-arrêt conservatoire est rejetée dans son intégralité du fait de la non-disponibilité des informations relatives aux comptes, le juge qui a demandé les informations ordonne sans tarder la libération de cette garantie.".
HOOFDSTUK 3. - Andere verduidelijkende en aanvullende bepalingen
Art.195. Pour l'application de l'article 10, paragraphe 2, deuxième phrase, du Règlement, l'ordonnance européenne de saisie conservatoire prend fin en ce qu'elle est d'office révoquée par la juridiction qui a délivré l'ordonnance.
Art.195. Voor de toepassing van artikel 10, tweede lid, tweede zin, van de Verordening eindigt het Europees bevel tot conservatoir beslag doordat het ambtshalve wordt ingetrokken door het gerecht dat het bevel heeft uitgevaardigd.
Art. 195. Pour l'application de l'article 10, paragraphe 2, deuxième phrase, du Règlement, l'ordonnance européenne de saisie conservatoire prend fin en ce qu'elle est d'office révoquée par la juridiction qui a délivré l'ordonnance.
Art.196. De bevoegde instantie, bedoeld in artikel 4, veertiende lid, van de Verordening is de gerechtsdeurwaarder.
Art.197. La déclaration visée à l'article 25, paragraphe 1er, du même Règlement est faite par la banque entre les mains de laquelle la saisie-arrêt conservatoire a été exécutée.
  Dans les cas visés à l'article 25, paragraphe 2, du Règlement, la déclaration est adressée par cette banque par envoi recommandée ou remise contre récépissé à l'huissier de justice instrumentant pour le créancier. Ensuite, ledit huissier de justice envoie la déclaration, conformément à l'article 25, paragraphe 2, du même Règlement, à la juridiction qui a délivré l'ordonnance et au créancier.
Art.197. De verklaring bedoeld in artikel 25, eerste lid, van dezelfde Verordening wordt afgegeven door de bank waaronder bewarend beslag is gelegd.
  In gevallen als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de Verordening, wordt de verklaring door die bank verzonden bij aangetekende zending of afgegeven tegen ontvangstbewijs aan de voor de schuldeiser optredende gerechtsdeurwaarder. Vervolgens verzendt deze gerechtsdeurwaarder de verklaring, in overeenstemming met artikel 25, tweede lid, van dezelfde Verordening, aan het gerecht dat het bevel heeft uitgevaardigd, en aan de schuldeiser.
Art. 197. La déclaration visée à l'article 25, paragraphe 1er, du même Règlement est faite par la banque entre les mains de laquelle la saisie-arrêt conservatoire a été exécutée.
  Dans les cas visés à l'article 25, paragraphe 2, du Règlement, la déclaration est adressée par cette banque par envoi recommandée ou remise contre récépissé à l'huissier de justice instrumentant pour le créancier. Ensuite, ledit huissier de justice envoie la déclaration, conformément à l'article 25, paragraphe 2, du même Règlement, à la juridiction qui a délivré l'ordonnance et au créancier.
Art.198. De betekening of kennisgeving aan de schuldenaar, bedoeld in artikel 28, tweede en derde lid, van de Verordening gebeurt op initiatief van de schuldeiser.
Art.199. Pour les coûts supportés par les banques visés à l'article 43, paragraphe 1er, du Règlement, et sans préjudice de l'article 43 du Règlement, l'article 1454 du Code judiciaire s'applique.
Art.199. Voor de door de bank gemaakte kosten bedoeld in artikel 43, eerste lid, van de Verordening, is, onverminderd artikel 43 van de Verordening, artikel 1454 van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing.
Art.200. Les frais, visés à l'article 44 du Règlement, qui sont facturés par les huissiers de justice pour le traitement ou l'exécution d'une ordonnance européenne de saisie conservatoire, sont fixés conformément à l'arrêté royal du 30 novembre 1976 fixant le tarif des actes accomplis par les huissiers de justice en matière civile et commerciale ainsi que celui de certaines allocations.
Art.200. De vergoeding, bedoeld in artikel 44 van de Verordening, die door de gerechtsdeurwaarders in rekening wordt gebracht voor de behandeling of de tenuitvoerlegging van een Europees bevel tot conservatoir beslag wordt vastgesteld overeenkomstig het koninklijk besluit van 30 november 1976 tot vaststelling van het tarief voor akten van gerechtsdeurwaarders in burgerlijke en handelszaken en van het tarief van sommige toelagen.
Art.201. [1 L'article 182, 3°, entre en vigueur le 1er janvier 2019. Le Roi peut fixer une date d'entrée en vigueur antérieure à cette date.
   Les articles 193 et 194 entrent en vigueur à la date de mise en production du PCC2, comme visée dans l'article 1er, alinéa 2, 4°, de l'arrêté royal relatif au fonctionnement du point de contact central des comptes et contrats financiers.]1

  Les autres dispositions entrent en vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge.
  
Art.201. [1 Artikel 182, 3°, treedt in werking op 1 januari 2019. De Koning kan een datum van inwerkingtreding bepalen voorafgaand aan deze datum.
   De artikelen 193 en 194 treden in werking op de datum van inproductiename van het CAP2, zoals bedoeld in artikel 1, tweede lid, 4°, van het koninklijk besluit betreffende de werking van het centraal aanspreekpunt van rekeningen en financiële contracten.]1

  De andere bepalingen treden in werking de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
  
Art. 201. [1 L'article 182, 3°, entre en vigueur le 1er janvier 2019. Le Roi peut fixer une date d'entrée en vigueur antérieure à cette date.
   Les articles 193 et 194 entrent en vigueur à la date de mise en production du PCC2, comme visée dans l'article 1er, alinéa 2, 4°, de l'arrêté royal relatif au fonctionnement du point de contact central des comptes et contrats financiers.]1

  Les autres dispositions entrent en vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge.
  
TITEL 8. - Wijzigingen van boek III, titel XVII, hoofdstuk 1 van het Burgerlijk Wetboek, betreffende het pandrecht
Art.202. Dans le livre III, titre XVII, chapitre 1er, du Code civil, dans l'article 15 "Opposabilité," inséré par la loi du 11 juillet 2013 et modifié par la loi du 25 décembre 2016, les modifications suivantes sont apportées :
Art.202. In boek III, titel XVII, hoofdstuk 1 van het Burgerlijk Wetboek worden in artikel 15 "Tegenwerpelijkheid", ingevoegd bij de wet van 11 juli 2013 en gewijzigd bij de wet van 25 december 2016, de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in het eerste lid worden de woorden "artikel 29, eerste lid" vervangen door de woorden "artikel 29, § 1, eerste lid";
  b) in het derde, vierde en vijfde lid worden de woorden "artikel 29, tweede lid" telkens vervangen door de woorden "artikel 29, § 1, tweede lid".
Art. 202. Dans le livre III, titre XVII, chapitre 1er, du Code civil, dans l'article 15 "Opposabilité," inséré par la loi du 11 juillet 2013 et modifié par la loi du 25 décembre 2016, les modifications suivantes sont apportées :
  a) dans l'alinéa 1er, les mots "l'article 29, alinéa 1er" sont remplacés par les mots "l'article 29, § 1er, alinéa 1er";
  b) aux alinéas 3, 4 et 5, les mots "l'article 29, alinéa 2" sont chaque fois remplacés par les mots "l'article 29, § 1er, alinéa 2".
Art.203. In boek III, titel XVII, hoofdstuk 1 van hetzelfde Wetboek wordt in de Franse tekst van artikel 27 "Authentificatie", ingevoegd bij de wet van 11 juli 2013, het eerste lid vervangen als volgt:
  "Chaque enregistrement, consultation, modification, renouvellement, cession de rang ou cession d'un gage ou suppression de gages enregistrés requiert l'authentification de l'utilisateur du registre des gages.".
Art. 203. Dans le livre III, titre XVII, chapitre 1er, du même Code, dans le texte français de l'article 27 "Authentification", inséré par la loi du 11 juillet 2013, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  "Chaque enregistrement, consultation, modification, renouvellement, cession de rang ou cession d'un gage ou suppression de gages enregistrés requiert l'authentification de l'utilisateur du registre des gages.".
TITEL 9. - Diverse wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing
TITRE 9. - Modifications diverses du Code judiciaire en vue de promouvoir des formes alternatives de résolution des litiges
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
Art.204. Dans l'article 298 du Code judiciaire, les modifications suivantes sont apportées :
Art.204. In artikel 298 van het Gerechtelijk Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het bestaande enige lid, dat het eerste lid wordt, worden de woorden "tegen bezoldiging niet in een scheidsgerecht optreden." vervangen door de woorden "niet tegen bezoldiging optreden in een scheidsgerecht of als bemiddelaar bedoeld in het zevende deel.";
  2° het artikel wordt aangevuld met twee leden, luidende:
  "In afwijking van het eerste lid, mogen de emeritus magistraten en eremagistraten optreden als bemiddelaar zoals bedoeld in het zevende deel, onder voorbehoud, wat hun erkenning betreft, van de toepassing van artikel 1726.
  De plaatsvervangende magistraten bedoeld in artikel 156bis, de plaatsvervangende rechters, de plaatsvervangende raadsheren, de rechters in sociale zaken, de raadsheren in sociale zaken en de rechters in ondernemingszaken mogen in een zaak optreden als bemiddelaar zoals bedoeld in het zevende deel voor zover zij er geen enkele kennis van hebben gehad tijdens de uitoefening van hun ambt, onder voorbehoud, wat hun erkenning betreft, van de toepassing van artikel 1726. Zij mogen bovendien hun ambt niet meer uitoefenen in de dossiers waarin zij als bemiddelaar zijn opgetreden.".
Art. 204. Dans l'article 298 du Code judiciaire, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'alinéa actuel, qui devient l'alinéa 1er, est complété par les mots "ou être rémunérés comme médiateur visé dans la septième partie.";
  2° l'article est complété par deux alinéas rédigés comme suit :
  "Par dérogation à l'alinéa 1er, les magistrats émérites et honoraires peuvent intervenir en tant que médiateur visé dans la septième partie, sous réserve, en ce qui concerne leur agrément, de l'application de l'article 1726.
  Les magistrats suppléants visés à l'article 156bis, les juges suppléants, les conseillers suppléants, les juges sociaux, les conseillers sociaux et les juges consulaires, peuvent intervenir dans une affaire en tant que médiateur visé dans la septième partie pour autant qu'ils n'en aient eu aucune connaissance dans l'exercice de ces fonctions, sous réserve, en ce qui concerne leur agrément, de l'application de l'article 1726. Ils ne pourront par ailleurs plus exercer ces fonctions dans les dossiers où ils sont intervenus comme médiateur.".
Art.205. In artikel 444 van hetzelfde Wetboek wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, luidende:
  "Zij informeren de rechtszoekende over de mogelijkheid tot bemiddeling, verzoening en elke andere vorm van minnelijke oplossing van geschillen. Indien zij van mening zijn dat een minnelijke oplossing van het geschil overwogen kan worden, trachten zij die in de mate van het mogelijke te bevorderen.".
Art.206. L'article 519 du même Code, remplacé par la loi du 7 janvier 2014 et modifié par la loi du 19 octobre 2015, est complété par un paragraphe 4 rédigé comme suit :
  " § 4. Les huissiers de justice tentent, dans la mesure du possible, de favoriser une résolution amiable des litiges notamment en informant le justiciable de la possibilité de médiation, de conciliation et de tout autre mode de résolution amiable des litiges.".
Art.206. In artikel 519 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 7 januari 2014 en gewijzigd bij de wet van 19 oktober 2015, wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende:
  " § 4. De gerechtsdeurwaarders streven, in de mate van het mogelijke, de minnelijke oplossing van geschillen na onder meer door de rechtszoekende te wijzen op de mogelijkheid tot bemiddeling, verzoening en elke andere vorm van minnelijke oplossing van geschillen.".
Art. 206. L'article 519 du même Code, remplacé par la loi du 7 janvier 2014 et modifié par la loi du 19 octobre 2015, est complété par un paragraphe 4 rédigé comme suit :
  " § 4. Les huissiers de justice tentent, dans la mesure du possible, de favoriser une résolution amiable des litiges notamment en informant le justiciable de la possibilité de médiation, de conciliation et de tout autre mode de résolution amiable des litiges.".
Art.207. In artikel 665, 5°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 februari 2001 en vervangen bij de wet van 21 februari 2005, wordt het woord "vrijwillige" vervangen door het woord "buitengerechtelijke".
Art. 207. Dans l'article 665, 5°, du même Code, inséré par la loi du 19 février 2001 et remplacé par la loi du 21 février 2005, le mot "volontaires" est remplacé par le mot "extrajudiciaires".
Art.208. In artikel 671, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 21 februari 2005 en 20 juli 2006, wordt het woord "vrijwillige" vervangen door het woord "buitengerechtelijke".
Art.209. Dans l'article 692, alinéa 1er, du même Code, modifié par les lois des 19 février 2001 et 21 février 2005, le mot "volontaire" est remplacé par le mot "extrajudiciaire".
Art.209. In artikel 692, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 19 februari 2001 en 21 februari 2005, wordt het woord "vrijwillige" vervangen door het woord "buitengerechtelijke".
Art.210. Dans la quatrième partie, livre II, titre II du même Code, l'intitulé du chapitre Ier est remplacé par ce qui suit :
  "Chapitre Ier. Les modes amiables de résolution des litiges."
Art.210. In het vierde deel, boek II, titel II, van hetzelfde Wetboek wordt het opschrift van hoofdstuk I vervangen als volgt:
  "Hoofdstuk I. Minnelijke oplossingen van geschillen."
Art.211. Dans la quatrième partie, livre II, titre II, chapitre Ier, du même Code, il est inséré un article 730/1 rédigé comme suit :
  "Art. 730/1. § 1er. Le juge favorise en tout état de la procédure un mode de résolution amiable des litiges.
  § 2. Sauf en référé, le juge peut, à l'audience d'introduction ou lors d'une audience fixée à date rapprochée, interroger les parties sur la manière dont elles ont tenté de résoudre le litige à l'amiable avant l'introduction de la cause et les informer des possibilités d'encore résoudre le litige à l'amiable. A cette fin, le juge peut ordonner la comparution personnelle des parties.
  A la demande de l'une des parties ou s'il l'estime utile, le juge, s'il constate qu'un rapprochement est possible, peut, à cette même audience d'introduction ou à une audience fixée à date rapprochée, remettre la cause à une date fixe, qui ne peut excéder un mois sauf accord des parties, afin de leur permettre de vérifier si leur litige peut être totalement ou partiellement résolu à l'amiable et de recueillir toutes les informations utiles en la matière.
  La mesure visée à l'alinéa 2 ne peut être ordonnée si elle l'a déjà été dans le cadre du même litige.".
Art.211. In het vierde deel, boek II, titel II, hoofdstuk I, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 730/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 730/1. § 1. De rechter bevordert in elke stand van het geding een minnelijke oplossing van de geschillen.
  § 2. Behoudens in kort geding, kan de rechter, op de inleidingszitting of tijdens een zitting bepaald op een nabije datum, de partijen bevragen over de wijze waarop zij voorafgaand aan het geding gepoogd hebben het geschil minnelijk op te lossen en hen inlichten over de mogelijkheden om daar alsnog toe over te gaan. Daartoe kan de rechter de persoonlijke verschijning van de partijen bevelen.
  Op vraag van een van de partijen of indien de rechter dit nuttig acht, kan hij, zo hij vaststelt dat verzoening mogelijk is, op diezelfde inleidingszitting of op een zitting bepaald op een nabije datum, de zaak verdagen naar een vaste datum die een maand niet mag overschrijden, behoudens akkoord van de partijen, teneinde hen in de gelegenheid te stellen om na te gaan of hun geschil geheel of deels op minnelijke wijze kan worden opgelost en om daarover alle nuttige inlichtingen in te winnen.
  De in het tweede lid bedoelde maatregel kan niet worden bevolen indien hij reeds werd bevolen in het kader van hetzelfde geschil.".
Art. 211. Dans la quatrième partie, livre II, titre II, chapitre Ier, du même Code, il est inséré un article 730/1 rédigé comme suit :
  "Art. 730/1. § 1er. Le juge favorise en tout état de la procédure un mode de résolution amiable des litiges.
  § 2. Sauf en référé, le juge peut, à l'audience d'introduction ou lors d'une audience fixée à date rapprochée, interroger les parties sur la manière dont elles ont tenté de résoudre le litige à l'amiable avant l'introduction de la cause et les informer des possibilités d'encore résoudre le litige à l'amiable. A cette fin, le juge peut ordonner la comparution personnelle des parties.
  A la demande de l'une des parties ou s'il l'estime utile, le juge, s'il constate qu'un rapprochement est possible, peut, à cette même audience d'introduction ou à une audience fixée à date rapprochée, remettre la cause à une date fixe, qui ne peut excéder un mois sauf accord des parties, afin de leur permettre de vérifier si leur litige peut être totalement ou partiellement résolu à l'amiable et de recueillir toutes les informations utiles en la matière.
  La mesure visée à l'alinéa 2 ne peut être ordonnée si elle l'a déjà été dans le cadre du même litige.".
Art.212. Artikel 731 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 21 februari 2005, van 30 juli 2013 en 8 mei 2014, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 731. Het behoort tot de opdracht van de rechter om de partijen te verzoenen.
  Onverminderd het bepaalde in de artikelen 1724 tot 1737 kan iedere inleidende hoofdvordering tussen partijen die bekwaam zijn om een dading aan te gaan en betreffende zaken welke voor dading vatbaar zijn, op verzoek van een partij of met beider instemming vooraf ter minnelijke schikking worden voorgelegd aan de rechter die bevoegd is om in eerste aanleg ervan kennis te nemen.
  Behoudens in de gevallen bij de wet bepaald, kan de poging tot minnelijke schikking niet verplicht worden gesteld.".
Art. 212. L'article 731 du même Code, modifié par les lois des 21 février 2005, 30 juillet 2013 et 8 mai 2014, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 731. Il entre dans la mission du juge de concilier les parties.
  Sans préjudice des dispositions des articles 1724 à 1737, toute demande principale introductive d'instance entre parties capables de transiger et sur des objets susceptibles d'être réglés par transaction, peut être préalablement soumise, à la requête d'une des parties ou de leur commun accord, à fin de conciliation au juge compétent pour en connaître au premier degré de juridiction.
  Sauf dans les cas prévus par la loi, le préliminaire de conciliation ne peut être imposé.".
Art.213. In het zevende deel, hoofdstuk I, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 1723/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 1723/1. De bemiddeling is een vertrouwelijk en gestructureerd proces van vrijwillig overleg tussen conflicterende partijen met de medewerking van een onafhankelijke, neutrale en onpartijdige derde die de communicatie vergemakkelijkt en poogt de partijen ertoe te brengen zelf een oplossing uit te werken.".
Art.214. L'article 1724 du même Code, inséré par la loi du 21 février 2005, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 1724. Tout différend de nature patrimoniale, transfrontalier ou non, y compris les différends impliquant une personne morale de droit public, peut faire l'objet d'une médiation. Les différends de nature non patrimoniale susceptibles d'être réglés par transaction ainsi que les différends visés à l'article 572bis, 3°, 4°, 6° à 10° et 12 à 15° et les différends découlant de la cohabitation de fait peuvent aussi faire l'objet d'une médiation.".
Art.214. Artikel 1724 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 21 februari 2005, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 1724. Elk al dan niet grensoverschrijdend geschil van vermogensrechtelijke aard, met inbegrip van een geschil waar een publiekrechtelijke rechtspersoon is bij betrokken, kan het voorwerp van een bemiddeling uitmaken. Niet-vermogensrechtelijke geschillen die vatbaar zijn voor dading, evenals de geschillen bedoeld in artikel 572bis, 3°, 4°, 6° tot 10° en 12° tot 15° en de geschillen voortvloeiend uit de feitelijke samenwoning kunnen eveneens het voorwerp van een bemiddeling uitmaken.".
Art.215. A l'article 1726 du même Code, inséré par la loi du 21 février 2005, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, le 1° est abrogé;
  2° dans le paragraphe 1er, le 2° est remplacé par ce qui suit :
  "2° avoir suivi une formation théorique, comprenant notamment un volet juridique, et pratique, relative à l'aptitude à la médiation et au processus, portant sur les connaissances et compétences générales et spécifiques à un domaine particulier de pratique de la médiation au sens du présent Code et avoir réussi les épreuves d'évaluation y attachées.";
  3° dans le paragraphe 1er, le 3° est remplacé par ce qui suit :
  "3° présenter les garanties d'indépendance, de neutralité et d'impartialité nécessaires à l'exercice de la profession de médiateur agréé;";
  4° le paragraphe 1er est complété par le 6° rédigé comme suit :
  "6° déclarer par écrit adhérer au code de déontologie établi par la Commission fédérale de médiation et le respecter pendant toute la durée de l'agrément."
  5° dans l'article, les paragraphes 1er/1 et 1er/2 sont insérés, rédigés comme suit :
  " § 1er/1. Pour l'application du présent Code, on entend par médiateur, le médiateur agréé.
  § 1er/2. Sous réserve de la situation d'une réhabilitation par la commission disciplinaire et de traitement des plaintes, un médiateur dont l'agrément a été retiré en application de l'article 1727/5, § 4, ne peut introduire une nouvelle demande d'agrément qu'après une période de dix ans à dater de la notification de la décision de retrait.";
  6° dans le paragraphe 3, les mots "lorsqu'il est fait appel à un collège de médiateurs." sont remplacés par les mots "en cas de co-médiation."
  7° l'article est complété par un paragraphe 4 rédigé comme suit :
  " § 4. Nul ne peut utiliser le titre de "médiateur agréé", seul ou en combinaison avec d'autres termes, sans figurer sur la liste des médiateurs agréés visée à l'article 1727.".
Art.215. In artikel 1726 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 21 februari 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt de bepaling onder 1° opgeheven;
  2° in paragraaf 1 wordt de bepaling onder 2° vervangen als volgt:
  "2° het gevolgd hebben van een theoretische opleiding, met inzonderheid een juridische component, en praktische vorming in bemiddelingsvaardigheid en het bemiddelingsproces, waarbij de focus ligt op de algemene en specifieke kennis en competenties eigen aan een bijzonder domein van de bemiddelingspraktijk in de zin van dit Wetboek en geslaagd zijn voor de desbetreffende evaluatieproeven.";
  3° in paragraaf 1 wordt de bepaling onder 3° vervangen als volgt:
  "3° de noodzakelijke waarborgen inzake onafhankelijkheid, neutraliteit en onpartijdigheid bieden voor de uitoefening van het beroep van erkend bemiddelaar;";
  4° paragraaf 1 wordt aangevuld met een bepaling onder 6°, luidende:
  "6° schriftelijk verklaren in te stemmen met de deontologische code opgesteld door de federale bemiddelingscommissie, en haar na te leven voor de hele duur van de erkenning."
  5° in het artikel worden de paragrafen 1/1 en 1/2 ingevoegd, luidende:
  " § 1/1. Voor de toepassing van dit Wetboek wordt onder bemiddelaar een erkend bemiddelaar verstaan.
  § 1/2. Een bemiddelaar wiens erkenning werd ingetrokken met toepassing van artikel 1727/5, § 4, mag, onder voorbehoud van een rehabilitatie door de commissie voor de tuchtregeling en klachtenbehandeling, pas een nieuwe erkenningsaanvraag indienen na een periode van tien jaar vanaf de betekening van de intrekkingsbeslissing.";
  6° in paragraaf 3 worden de woorden "een beroep wordt gedaan op een college van bemiddelaars" vervangen door de woorden "van cobemiddeling".
  7° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende:
  " § 4. Niemand mag de titel van "erkend bemiddelaar" gebruiken, alleen of in combinatie met andere termen, zonder dat hij is opgenomen op de lijst van erkende bemiddelaars bedoeld in artikel 1727.".
Art.216. L'article 1727 du même Code, inséré par la loi du 21 février 2005 et modifié par le loi du 6 juillet 2017, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 1727. § 1er. Il est institué une Commission fédérale de médiation, ci-après dénommée la Commission, composée de vingt-quatre membres.
  La Commission est composée d'une assemblée générale et des organes suivants : un bureau, une commission permanente pour l'agrément des médiateurs belges et étrangers, une commission permanente pour l'agrément des formations et le suivi de la formation permanente, une commission disciplinaire et de traitement des plaintes et des commissions spéciales.
  Sous réserve des commissions permanentes, la Commission compte au sein de ses organes autant de membres d'expression française que de membres d'expression néerlandaise.
  Pour délibérer et prendre des décisions valablement, la majorité des membres de chaque organe et de chaque groupe linguistique doit être présente. En cas d'absence ou d'empêchement d'un membre effectif, son suppléant le remplace. Les décisions sont prises à la majorité simple des voix. En cas de parité des voix, la voix du président ou du vice-président qui le remplace est prépondérante.
  § 2. Les missions de la Commission sont les suivantes :
  1° agréer les organes de formation des médiateurs et les formations qu'ils organisent ou retirer cet agrément;
  2° déterminer les programmes minimaux de formation théorique et pratique devant être suivis ainsi que les évaluations en vue de la délivrance d'un agrément et la procédure d'agrément;
  3° agréer les médiateurs en fonction des domaines particuliers de pratique de la médiation;
  4° décider de l'inscription sur la liste des médiateurs établis dans un pays membre ou non membre de l'Union européenne, qui ont été agréés par une instance habilitée à cet effet dans ce pays;
  5° établir un code de déontologie;
  6° traiter les plaintes à l'encontre des médiateurs ou des organismes qui dispensent les formations, donner des avis en cas de contestation des honoraires des médiateurs et imposer des sanctions à l'encontre des médiateurs qui ne satisferaient plus aux conditions prévues à l'article 1726 ou aux dispositions du code de déontologie établi par la Commission;
  7° publier périodiquement au Moniteur belge l'ensemble des décisions réglementaires de la Commission;
  8° déterminer la procédure de sanction à l'égard des médiateurs;
  9° rendre des avis motivés au ministre de la Justice sur les conditions auxquelles une association de médiateurs doit répondre pour pouvoir être représentative;
  10° dresser et diffuser la liste des médiateurs auprès des cours et tribunaux, des autorités fédérales, communautaires et régionales et des pouvoirs locaux;
  11° informer le public des possibilités offertes par la médiation;
  12° prendre toutes les mesures nécessaires pour promouvoir le bon exercice de la médiation, et en particulier examiner et soutenir de nouvelles méthodes et pratiques de médiation et d'autres modes de résolution des litiges;
  13° rédiger et publier, sur son site internet, un rapport annuel portant sur l'exécution de ses missions légales comme prévu à l'article 1727/1, alinéa 5;
  14° veiller à la bonne organisation de son bureau et de ses commissions.
  [1 § 3. Le ministre de la Justice met à disposition de la commission fédérale de médiation le personnel et les moyens nécessaires à son fonctionnement. Le Roi détermine le jeton de présence qui peut être alloué aux membres de la commission fédérale de médiation et aux membres de la commission disciplinaire et de traitement des plaintes ainsi que les indemnités qui peuvent leur être allouées en remboursement de leurs frais de parcours et de séjour.]1
  
Art.216. Artikel 1727 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 21 februari 2005 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 6 juli 2017, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 1727. § 1. Er wordt een Federale bemiddelingscommissie ingesteld, hierna genoemd, de Commissie, samengesteld uit vierentwintig leden.
  De Commissie bestaat uit een algemene vergadering en uit volgende organen : een bureau, een vaste commissie voor de erkenning van Belgische en buitenlandse bemiddelaars, een vaste commissie voor de erkenning van opleidingen en de opvolging van de permanente vorming, een commissie voor de tuchtregeling en de klachtenbehandeling en bijzondere commissies.
  Onder voorbehoud van de permanente commissies, telt de Commissie evenveel Nederlandstalige als Franstalige leden in haar organen.
  Om rechtsgeldig te beraadslagen en te beslissen, moet de meerderheid van de leden van elk orgaan en van elke taalgroep aanwezig zijn. Indien een vast lid afwezig of verhinderd is, vervangt zijn plaatsvervanger hem. De beslissingen worden bij gewone meerderheid van stemmen genomen. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter of van de ondervoorzitter die hem vervangt, doorslaggevend.
  § 2. De opdrachten van de Commissie zijn de volgende:
  1° de instanties voor de opleiding van bemiddelaars en de opleiding die zij organiseren, erkennen of de erkenning ervan intrekken;
  2° de minimumprogramma's inzake theoretische en praktische opleiding bepalen, evenals de evaluaties met het oog op het afleveren van een erkenning en de erkenningsprocedure;
  3° de bemiddelaars erkennen naargelang de bijzondere domeinen van de bemiddelingspraktijk;
  4° beslissen over de inschrijving op de lijst van bemiddelaars gevestigd in landen van zowel de Europese Unie als daarbuiten, die een erkenning verkregen hebben van een daartoe gemachtigde instantie in dat land;
  5° een deontologische code opstellen;
  6° behandelen van de klachten tegen bemiddelaars of tegen de instellingen die de opleidingen verschaffen; advies verlenen in geval van betwisting van het honorarium van bemiddelaars en sancties opleggen jegens bemiddelaars die niet meer zouden voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 1726 of aan de bepalingen van de deontologische code opgesteld door de Commissie;
  7° zorgen voor de periodieke publicatie van alle reglementaire beslissingen van de Commissie in het Belgisch Staatsblad;
  8° de sanctieprocedure ten aanzien van de bemiddelaars bepalen;
  9° een met redenen omkleed advies verlenen aan de minister van Justitie met betrekking tot de voorwaarden waaraan een vereniging van bemiddelaars moet voldoen om als representatief te gelden;
  10° de lijst van bemiddelaars opstellen en verspreiden bij de hoven en rechtbanken, bij de federale, gemeenschaps-, gewestelijke en lokale overheden;
  11° het publiek inlichten over de mogelijkheden geboden door bemiddeling;
  12° alle nodige maatregelen nemen om de behoorlijke uitoefening van de bemiddeling te bevorderen, en inzonderheid nieuwe methodes en praktijken van bemiddeling en andere vormen van geschillenoplossing te onderzoeken en te ondersteunen;
  13° een jaarverslag over de uitvoering van haar wettelijke opdrachten, bedoeld in artikel 1727/1, vijfde lid, opmaken en bekendmaken op haar website;
  14° waken over de goede organisatie van haar bureau en van haar commissies.
  [1 § 3. De minister van Justitie stelt aan de federale bemiddelingscommissie het personeel alsook de middelen ter beschikking die nodig zijn voor haar werking. De Koning bepaalt welk presentiegeld aan de leden van de federale bemiddelingscommissie en aan de leden van de commissie voor de tuchtregeling en de klachtenbehandeling kan worden toegekend alsook de vergoedingen die hen kunnen worden toegekend als terugbetaling van hun reis- en verblijfkosten.]1
  
Art. 216. L'article 1727 du même Code, inséré par la loi du 21 février 2005 et modifié par le loi du 6 juillet 2017, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 1727. § 1er. Il est institué une Commission fédérale de médiation, ci-après dénommée la Commission, composée de vingt-quatre membres.
  La Commission est composée d'une assemblée générale et des organes suivants : un bureau, une commission permanente pour l'agrément des médiateurs belges et étrangers, une commission permanente pour l'agrément des formations et le suivi de la formation permanente, une commission disciplinaire et de traitement des plaintes et des commissions spéciales.
  Sous réserve des commissions permanentes, la Commission compte au sein de ses organes autant de membres d'expression française que de membres d'expression néerlandaise.
  Pour délibérer et prendre des décisions valablement, la majorité des membres de chaque organe et de chaque groupe linguistique doit être présente. En cas d'absence ou d'empêchement d'un membre effectif, son suppléant le remplace. Les décisions sont prises à la majorité simple des voix. En cas de parité des voix, la voix du président ou du vice-président qui le remplace est prépondérante.
  § 2. Les missions de la Commission sont les suivantes :
  1° agréer les organes de formation des médiateurs et les formations qu'ils organisent ou retirer cet agrément;
  2° déterminer les programmes minimaux de formation théorique et pratique devant être suivis ainsi que les évaluations en vue de la délivrance d'un agrément et la procédure d'agrément;
  3° agréer les médiateurs en fonction des domaines particuliers de pratique de la médiation;
  4° décider de l'inscription sur la liste des médiateurs établis dans un pays membre ou non membre de l'Union européenne, qui ont été agréés par une instance habilitée à cet effet dans ce pays;
  5° établir un code de déontologie;
  6° traiter les plaintes à l'encontre des médiateurs ou des organismes qui dispensent les formations, donner des avis en cas de contestation des honoraires des médiateurs et imposer des sanctions à l'encontre des médiateurs qui ne satisferaient plus aux conditions prévues à l'article 1726 ou aux dispositions du code de déontologie établi par la Commission;
  7° publier périodiquement au Moniteur belge l'ensemble des décisions réglementaires de la Commission;
  8° déterminer la procédure de sanction à l'égard des médiateurs;
  9° rendre des avis motivés au ministre de la Justice sur les conditions auxquelles une association de médiateurs doit répondre pour pouvoir être représentative;
  10° dresser et diffuser la liste des médiateurs auprès des cours et tribunaux, des autorités fédérales, communautaires et régionales et des pouvoirs locaux;
  11° informer le public des possibilités offertes par la médiation;
  12° prendre toutes les mesures nécessaires pour promouvoir le bon exercice de la médiation, et en particulier examiner et soutenir de nouvelles méthodes et pratiques de médiation et d'autres modes de résolution des litiges;
  13° rédiger et publier, sur son site internet, un rapport annuel portant sur l'exécution de ses missions légales comme prévu à l'article 1727/1, alinéa 5;
  14° veiller à la bonne organisation de son bureau et de ses commissions.
  [1 § 3. Le ministre de la Justice met à disposition de la commission fédérale de médiation le personnel et les moyens nécessaires à son fonctionnement. Le Roi détermine le jeton de présence qui peut être alloué aux membres de la commission fédérale de médiation et aux membres de la commission disciplinaire et de traitement des plaintes ainsi que les indemnités qui peuvent leur être allouées en remboursement de leurs frais de parcours et de séjour.]1
  
Art.217. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 1727/1 ingevoegd, luidende:
  Art. 1727/1. De algemene vergadering bestaat uit de vaste en plaatsvervangende leden van het bureau en van de vaste commissies, met uitzondering van de assessoren van de commissie voor de tuchtregeling en de klachtenbehandeling en van de leden van de bijzondere commissies.
  De algemene vergadering hecht haar goedkeuring met een meerderheid van haar leden binnen elke taalgroep, aan alle beslissingen, adviezen en andere maatregelen gerealiseerd in uitvoering van artikel 1727, § 2, met uitzondering van de aangelegenheden die volgens een uitdrukkelijke bepaling van het zevende deel exclusief onder het bureau vallen, en van de opdrachten die vallen onder de commissie voor de tuchtregeling en de klachtenbehandeling.
  Zij bepaalt, na goedkeuring van de minister van Justitie, welke bijzondere commissies moeten worden opgericht alsook de samenstelling en opdrachten ervan. Zij beslist ook, na goedkeuring van de minister van Justitie, over de opheffing van zulke commissies. De algemene vergadering wijst de vaste en plaatsvervangende leden van de bijzondere commissies aan.
  Elke bevoegdheid die niet uitdrukkelijk bij wet is toegewezen aan een orgaan van de Commissie valt onder de opdrachten van de algemene vergadering.
  Elk jaar keurt de algemene vergadering het verslag goed van de uitvoering van de opdrachten van de organen van de Commissie, uitgezonderd van de commissie voor de tuchtregeling en de klachtenbehandeling, tijdens het afgelopen jaar. Dat verslag wordt meegedeeld aan de minister van Justitie.".
Art.218. Dans le même Code, il est inséré un article 1727/2 rédigé comme suit :
  "Art. 1727/2. § 1er. Le bureau est composé de huit membres effectifs et de huit membres suppléants qui justifient de compétences pertinentes dans le domaine de la médiation ou dans la pratique ou la formation à la médiation.
  Pour chaque membre effectif, il est désigné un membre suppléant.
  Le Roi fixe les modalités de la publication des vacances, du dépôt des candidatures et de la présentation des membres.
  Les membres effectifs et suppléants sont désignés par le ministre de la Justice, sur présentation motivée :
  - de deux membres par l'Ordre des barreaux francophones et germanophone pour les avocats appartenant à cet Ordre;
  - de deux membres par l'Orde van Vlaamse balies pour les avocats appartenant à cet Ordre;
  - de quatre membres par la Fédération royale du notariat belge pour les notaires;
  - de quatre membres par les instances représentatives pour les médiateurs qui n'exercent ni la profession d'avocat, ni celle de notaire [1 , ni celle d'huissier de justice, ni celle de magistrat, et qui ne sont ni magistrats émérites ou honoraires]1;
  - de deux membres qui sont magistrats, ou magistrats émérites ou honoraires par le Conseil supérieur de la Justice;
  - de deux membres par la Chambre nationale des huissiers de justice pour les huissiers de justice.
  § 2. Les membres sont nommés pour une période de quatre ans. Leur mandat ne peut être renouvelé qu'une seule fois.
  Il peut être mis prématurément fin au mandat d'un membre par la démission du membre ou par une décision motivée prise par le ministre de la Justice sur la proposition du bureau. Il est ensuite procédé conformément au paragraphe 1er. Dans tous les cas, les personnes nommées en remplacement achèvent le mandat du prédécesseur. S'il s'agit d'un premier mandat, le mandat de la personne nommée en remplacement peut, par dérogation à l'alinéa 1er, être renouvelé deux fois.
  § 3. L'assemblée générale désigne parmi les membres du bureau et pour une période de deux ans un président et un vice-président, qui remplace le président le cas échéant, ainsi qu'un secrétaire, ces fonctions étant attribuées alternativement à un francophone et un néerlandophone. La présidence et la vice-présidence sont, en outre, exercées alternativement par des notaires, des avocats, des magistrats, des huissiers de justice et par des médiateurs qui n'exercent aucune des professions précitées.
  Le président du bureau est également président de la commission fédérale de médiation.
  § 4. Le bureau soumet des propositions à l'assemblée générale dans les matières visées à l'article 1727, § 2, 8°, 9°, 11° et 12°.
  Le bureau approuve les décisions ou avis émis par la commission pour l'agrément des médiateurs belges et étrangers et par la commission pour l'agrément des formations et le suivi de la formation permanente en vertu de l'article 1727/4, § 3.
  Le bureau coordonne les activités de la Commission, veille à l'exécution des décisions prises par ses organes notamment celles visées à l'article 1727, § 2, 6°, et est chargé de la gestion journalière. Il prépare également le rapport annuel visé à l'article 1727/1, alinéa 5, et le soumet à l'assemblée générale pour approbation.
  § 5. Pour l'application du présent article, le candidat-notaire est assimilé à un notaire.
  § 6. Le bureau établit un règlement d'ordre intérieur qui est soumis à l'assemblée générale pour approbation. Une fois approuvé par l'assemblée générale, ce règlement est publié sur le site internet de la Commission.".
  
Art.218. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 1727/2 ingevoegd, luidende:
  "Art. 1727/2. § 1. Het bureau bestaat uit acht vaste leden en acht plaatsvervangende leden die doen blijken van relevante competenties in het domein van de bemiddeling of op het stuk van praktijkervaring of opleiding inzake bemiddeling.
  Voor elk vast lid wordt een plaatsvervangend lid aangewezen.
  De Koning bepaalt de nadere regels voor de bekendmaking van de vacatures, voor de indiening van de kandidaturen en voor de voordracht van de leden.
  De vaste en plaatsvervangende leden worden door de minister van Justitie aangewezen, op met redenen omklede voordracht :
  - van twee leden, door de Orde van Vlaamse balies voor de advocaten die tot die Orde behoren;
  - van twee leden, door de Ordre des barreaux francophones et germanophone voor de advocaten die tot die Orde behoren;
  - van vier leden, door de Koninklijke Federatie van het Belgisch notariaat voor de notarissen;
  - van vier leden, door de representatieve instanties voor de bemiddelaars die noch het beroep van advocaat noch dat van notaris [1 noch dat van gerechtsdeurwaarders noch dat van magistraat uitoefenen en die geen emeritus- of eremagistraat zijn]1;
  - van twee leden die magistraat, emeritus- magistraat of eremagistraat zijn, door de Hoge Raad voor de Justitie;
  - van twee leden door de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders voor de gerechtsdeurwaarders.
  § 2. De leden worden benoemd voor een periode van vier jaar. Hun mandaat kan slechts eenmaal worden verlengd.
  Het mandaat van een lid kan voortijdig beëindigd worden door het ontslag van het lid of door een met redenen omklede beslissing genomen door de minister van Justitie op voorstel van het bureau. Er wordt vervolgens gehandeld overeenkomstig paragraaf 1. In alle gevallen voltooien de ter vervanging benoemde personen het mandaat van de voorganger. Indien het om een eerste mandaat gaat, mag het mandaat van de ter vervanging benoemde persoon, in afwijking van het eerste lid, tweemaal worden verlengd.
  § 3. De algemene vergadering wijst te midden van de leden van het bureau en voor een periode van twee jaar een voorzitter en ondervoorzitter aan, die de voorzitter zo nodig vervangt, evenals een secretaris, waarbij die ambten afwisselend door een Nederlandstalige en een Franstalige worden bekleed. Het voorzitterschap en ondervoorzitterschap worden bovendien afwisselend uitgeoefend door notarissen, advocaten, magistraten, gerechtsdeurwaarders, bemiddelaars die geen van voornoemde beroepen uitoefenen.
  De voorzitter van het bureau is tevens voorzitter van de federale bemiddelingscommissie.
  § 4. Het bureau legt aan de algemene vergadering voorstellen voor in het kader van de aangelegenheden bedoeld in artikel 1727, § 2, 8°, 9°, 11° en 12°.
  Het bureau keurt de beslissingen of adviezen van de commissie voor de erkenning van Belgische en buitenlandse bemiddelaars en van de commissie voor de erkenning van opleidingen en de opvolging van de permanente vorming goed op grond van artikel 1727/4, § 3.
  Het bureau coördineert de activiteiten van de Commissie, waakt over de uitvoering van de beslissingen genomen door haar organen, onder meer die bedoeld in artikel 1727, § 2, 6°, en is belast met het dagelijks beheer. Het bereidt tevens het jaarverslag bedoeld in artikel 1727/1, vijfde lid, voor en legt het ter goedkeuring voor aan de algemene vergadering.
  § 5. Voor de toepassing van dit artikel wordt de kandidaat-notaris gelijkgesteld met een notaris.
  § 6. Het bureau stelt een huishoudelijk reglement op dat ter goedkeuring wordt voorgelegd aan de algemene vergadering. Zodra dit reglement door de algemene vergadering is goedgekeurd, wordt het op de website van de Commissie bekengemaakt.".
  
Art. 218. Dans le même Code, il est inséré un article 1727/2 rédigé comme suit :
  "Art. 1727/2. § 1er. Le bureau est composé de huit membres effectifs et de huit membres suppléants qui justifient de compétences pertinentes dans le domaine de la médiation ou dans la pratique ou la formation à la médiation.
  Pour chaque membre effectif, il est désigné un membre suppléant.
  Le Roi fixe les modalités de la publication des vacances, du dépôt des candidatures et de la présentation des membres.
  Les membres effectifs et suppléants sont désignés par le ministre de la Justice, sur présentation motivée :
  - de deux membres par l'Ordre des barreaux francophones et germanophone pour les avocats appartenant à cet Ordre;
  - de deux membres par l'Orde van Vlaamse balies pour les avocats appartenant à cet Ordre;
  - de quatre membres par la Fédération royale du notariat belge pour les notaires;
  - de quatre membres par les instances représentatives pour les médiateurs qui n'exercent ni la profession d'avocat, ni celle de notaire [1 , ni celle d'huissier de justice, ni celle de magistrat, et qui ne sont ni magistrats émérites ou honoraires]1;
  - de deux membres qui sont magistrats, ou magistrats émérites ou honoraires par le Conseil supérieur de la Justice;
  - de deux membres par la Chambre nationale des huissiers de justice pour les huissiers de justice.
  § 2. Les membres sont nommés pour une période de quatre ans. Leur mandat ne peut être renouvelé qu'une seule fois.
  Il peut être mis prématurément fin au mandat d'un membre par la démission du membre ou par une décision motivée prise par le ministre de la Justice sur la proposition du bureau. Il est ensuite procédé conformément au paragraphe 1er. Dans tous les cas, les personnes nommées en remplacement achèvent le mandat du prédécesseur. S'il s'agit d'un premier mandat, le mandat de la personne nommée en remplacement peut, par dérogation à l'alinéa 1er, être renouvelé deux fois.
  § 3. L'assemblée générale désigne parmi les membres du bureau et pour une période de deux ans un président et un vice-président, qui remplace le président le cas échéant, ainsi qu'un secrétaire, ces fonctions étant attribuées alternativement à un francophone et un néerlandophone. La présidence et la vice-présidence sont, en outre, exercées alternativement par des notaires, des avocats, des magistrats, des huissiers de justice et par des médiateurs qui n'exercent aucune des professions précitées.
  Le président du bureau est également président de la commission fédérale de médiation.
  § 4. Le bureau soumet des propositions à l'assemblée générale dans les matières visées à l'article 1727, § 2, 8°, 9°, 11° et 12°.
  Le bureau approuve les décisions ou avis émis par la commission pour l'agrément des médiateurs belges et étrangers et par la commission pour l'agrément des formations et le suivi de la formation permanente en vertu de l'article 1727/4, § 3.
  Le bureau coordonne les activités de la Commission, veille à l'exécution des décisions prises par ses organes notamment celles visées à l'article 1727, § 2, 6°, et est chargé de la gestion journalière. Il prépare également le rapport annuel visé à l'article 1727/1, alinéa 5, et le soumet à l'assemblée générale pour approbation.
  § 5. Pour l'application du présent article, le candidat-notaire est assimilé à un notaire.
  § 6. Le bureau établit un règlement d'ordre intérieur qui est soumis à l'assemblée générale pour approbation. Une fois approuvé par l'assemblée générale, ce règlement est publié sur le site internet de la Commission.".
  
Art.219. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 1727/3 ingevoegd, luidende:
  "Art. 1727/3. Er worden drie vaste commissies opgericht:
  - de commissie voor de erkenning van Belgische en buitenlandse bemiddelaars;
  - de commissie voor de erkenning van opleidingen en de opvolging van de permanente vorming;
  - de commissie voor de tuchtregeling en de klachtenbehandeling.
Art.220. Dans le même Code, il est inséré un article 1727/4 rédigé comme suit :
  "Art. 1727/4. § 1er. La commission pour l'agrément des médiateurs belges et étrangers et la commission pour l'agrément des formations et le suivi de la formation continue sont chacune composées de cinq membres, un président, deux membres effectifs, et deux membres suppléants. A l'exception du président, chaque commission comporte autant de membres d'expression française que de membres d'expression néerlandaise.
  Pour chaque membre effectif, il est désigné un membre suppléant. En cas d'absence du président, un autre membre du bureau, du même groupe linguistique, le remplace.
  Les membres sont nommés pour une période de quatre ans. Leur mandat ne peut être renouvelé qu'une seule fois.
  Un appel aux candidats est publié au Moniteur belge.
  Ces membres sont nommés par le ministre de la Justice sur la base de la présentation d'une liste rédigée par le bureau de maximum vingt-cinq candidats classés par ordre de préférence, contenant un avis motivé pour chaque candidat. Le Roi fixe les modalités de la publication des vacances, du dépôt des candidatures, de la présentation des membres ainsi que les critères requis pour poser sa candidature.
  L'assemblée générale désigne parmi les membres du bureau et pour une période de deux ans un président pour chaque commission, cette fonction étant attribuée alternativement à un francophone et un néerlandophone.
  § 2. La commission pour l'agrément des médiateurs belges et étrangers et la commission pour l'agrément des formations et le suivi de la formation continue peuvent consulter des experts qui ne sont pas membres de la commission et les inviter à participer à leurs réunions. Ils disposent d'une voix consultative.
  § 3. La commission pour l'agrément de médiateurs belges et étrangers et la commission pour l'agrément des formations et le suivi de la formation permanente sont chargées, pour leurs missions respectives, de soumettre un avis ou une décision pour approbation au bureau en ce qui concerne les missions visées à l'article 1727, § 2, 1°, 2°, 3° et 4°.
  § 4. La commission pour l'agrément de médiateurs belges et étrangers et la commission pour l'agrément des formations et le suivi de la formation permanente établissent un règlement d'ordre intérieur qui est soumis à l'assemblée générale pour approbation. Une fois approuvé par l'assemblée générale, ce règlement est publié sur le site internet de la Commission.".
Art.220. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 1727/4 ingevoegd, luidende:
  "Art. 1727/4. § 1. De commissie voor de erkenning van Belgische en buitenlandse bemiddelaars en de commissie voor de erkenning van opleidingen en de opvolging van de permanente vorming bestaan elk uit vijf leden, een voorzitter, twee vaste leden en twee plaatsvervangende leden. Met uitzondering van de voorzitter, telt elke commissie evenveel Nederlandstalige als Franstalige leden.
  Voor elk vast lid wordt een plaatsvervangend lid aangewezen. Bij afwezigheid wordt de voorzitter vervangen door een ander lid van het bureau, van dezelfde taalgroep.
  De leden worden benoemd voor een periode van vier jaar. Hun mandaat kan slechts eenmaal worden verlengd.
  Een oproep tot kandidaten wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
  Deze leden worden benoemd door de minister van Justitie op voordracht van een lijst opgesteld door het bureau, en waarin een met redenen omkleed advies is opgenomen met betrekking tot maximaal vijfentwintig kandidaten die in volgorde van voorkeur zijn gerangschikt. De Koning bepaalt de nadere regels voor de bekendmaking van de vacatures, voor de indiening van de kandidaturen, voor de voordracht van de leden en de criteria voor de kandidaatstelling.
  De algemene vergadering wijst te midden van de leden van het bureau voor een periode van twee jaar een voorzitter voor elke commissie aan, waarbij dit ambt afwisselend door een Nederlandstalige en een Franstalige wordt bekleed.
  § 2. De commissie voor de erkenning van Belgische en buitenlandse bemiddelaars en de commissie voor de erkenning van opleidingen en de opvolging van de permanente vorming kunnen deskundigen raadplegen die geen lid zijn van de commissie en hen uitnodigen om deel te nemen aan hun vergaderingen. Zij hebben een raadgevende stem.
  § 3. De commissie voor de erkenning van Belgische en buitenlandse bemiddelaars en de commissie voor de erkenning van opleidingen en de opvolging van de permanente vorming moeten, voor hun respectieve opdrachten, een advies of een beslissing ter goedkeuring aan het bureau voorleggen betreffende de opdrachten bedoeld in artikel 1727, § 2, 1°, 2°, 3° en 4°.
  § 4. De commissie voor de erkenning van Belgische en buitenlandse bemiddelaars en de commissie voor de erkenning van opleidingen en de opvolging van de permanente vorming stellen een huishoudelijk reglement op dat ter goedkeuring wordt voorgelegd aan de algemene vergadering. Nadat dit reglement door de algemene vergadering is goedgekeurd, wordt het op de website van de Commissie bekendgemaakt.".
Art.221. Dans le même Code, il est inséré un article 1727/5 rédigé comme suit :
  "Art. 1727/5. § 1er. La commission disciplinaire et de traitement des plaintes est composée de 5 membres, un président, quatre assesseurs effectifs, et de deux assesseurs suppléants. A l'exception du président, la commission comporte autant de membres d'expression française que de membres d'expression néerlandaise. La commission se compose d'un collège francophone et d'un collège néerlandophone, composés chacun de deux assesseurs effectifs, et du président. La commission est présidée par un membre du bureau qui, dès désignation, ne siègera plus dans une autre commission permanente ou spéciale. Le bureau désigne le président pour une période de deux ans. Cette fonction est attribuée alternativement à un francophone et à un néerlandophone. Le président justifie d'une connaissance suffisante de l'autre langue nationale.
  [1 Au moins un membre du collège francophone ou du collège néerlandophone doit justifier de la connaissance de l'allemand.
   Les assesseurs, qui ne peuvent pas être membres de la commission fédérale de médiation, sont présentés par l'assemblée générale et nommés par le ministre de la Justice par décision motivée. La présentation est motivée sur la base de leur expertise en droit disciplinaire et en résolution de litiges. Le Roi fixe les modalités de la publication des vacances, du dépôt des candidatures, de la présentation des membres ainsi que les critères requis pour poser sa candidature.]1

  § 2. La commission disciplinaire et de traitement des plaintes, par l'intermédiaire du collège néerlandophone ou francophone, est chargée de la discipline des médiateurs en vertu de l'article 1727, § 2, 5°, et du traitement des plaintes contre les médiateurs et contre les organismes qui dispensent des formations en médiation et de donner des avis en cas de contestation des honoraires des médiateurs.
  Le choix du collège, francophone ou néerlandophone, est effectué par le médiateur ou l'organisme qui fait l'objet de la procédure.
  La commission disciplinaire et de traitement des plaintes est également chargée de faire des propositions en vertu de l'article 1727, § 2, 7° et 10°, qui sont soumises, pour approbation, à l'assemblée générale.
  § 3. La commission disciplinaire et de traitement des plaintes établit son règlement de procédure. Le règlement est validé par l'assemblée générale. Une fois approuvé par l'Assemblée générale, ce règlement est publié sur le site internet de la Commission.
  § 4. La commission disciplinaire et de traitement des plaintes par l'intermédiaire du collège néerlandophone ou francophone peut imposer les sanctions suivantes à l'égard d'un médiateur agréé :
  - l'avertissement;
  - la réprimande;
  - l'obligation d'accomplir un stage pendant la durée et selon les modalités fixées par la commission disciplinaire et de traitement des plaintes;
  - l'obligation d'exercer sa profession exclusivement en co-médiation pendant la durée et selon les modalités fixées par la commission disciplinaire et de traitement des plaintes;
  - la suspension pour une période qui ne peut exéder un an;
  - le retrait de l'agrément.
  § 5. Chaque année, la commission disciplinaire et de traitement des plaintes fait un rapport sur l'exécution de ses missions au cours de l'année écoulée. Ce rapport contient des suggestions relatives à l'opportunité de modifier la procédure disciplinaire ou le traitement des plaintes ainsi que le Code de déontologie. Ce rapport est communiqué au ministre de la Justice.".
  
Art.221. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 1727/5 ingevoegd, luidende:
  "Art. 1727/5. § 1. De commissie voor de tuchtregeling en klachtenbehandeling is samengesteld uit vijf leden, een voorzitter, vier effectieve assessoren en twee plaatsvervangende assessoren. Met uitzondering van de voorzitter, telt de commissie evenveel Nederlandstalige als Franstalige leden. De commissie bestaat uit een Nederlandstalig en een Franstalig college met elk twee effectieve assessoren, en de voorzitter. De commissie wordt voorgezeten door een lid van het bureau dat, vanaf zijn aanwijzing, geen zitting meer heeft in een andere vaste of bijzondere commissie. Het bureau wijst voor een periode van twee jaar de voorzitter aan. Dit ambt wordt afwisselend door een Nederlandstalige en een Franstalige bekleed. De voorzitter moet het bewijs leveren van voldoende kennis van de andere landstaal.
  [1 Ten minste een lid van het Nederlandstalig college of het Franstalig college moet het bewijs leveren van de kennis van het Duits.
   De assessoren, die geen lid mogen zijn van de federale bemiddelingscommissie, worden voorgedragen door de algemene vergadering en benoemd door de minister van Justitie bij een met redenen omklede beslissing. De voordracht wordt met redenen omkleed op grond van hun vaardigheid in het tuchtrecht en in het oplossen van geschillen. De Koning bepaalt de nadere regels voor de bekendmaking van de vacatures, voor de indiening van de kandidaturen, voor de voordracht van de leden en de criteria voor de kandidaatstelling.]1

  § 2. De commissie voor de tuchtregeling en klachtenbehandeling is, door toedoen van het Nederlandstalig of Franstalig college, belast met de tucht van bemiddelaars overeenkomstig artikel 1727, § 2, 5°, en met de behandeling van klachten tegen bemiddelaars en tegen instellingen die opleidingen in bemiddeling verschaffen, en verstrekt advies bij betwisting van het honorarium van bemiddelaars.
  De keuze van het college, Franstalig of Nederlandstalig, wordt gemaakt door de bemiddelaar of de instelling die het voorwerp uitmaakt van de procedure.
  De commissie voor de tuchtregeling en de klachtenbehandeling is ook belast met het formuleren van voorstellen overeenkomstig artikel 1727, § 2, 7 ° en 10 °, die ter goedkeuring worden voorgelegd aan de algemene vergadering.
  § 3. De commissie voor de tuchtregeling en klachtenbehandeling stelt haar reglement van procesvoering op. Het reglement wordt door de algemene vergadering bekrachtigd. Na goedkeuring ervan door de algemene vergadering wordt het reglement op de website van de Commissie bekendgemaakt.
  § 4. De commissie voor de tuchtregeling en klachtenbehandeling kan, door toedoen van het Nederlandstalig of Franstalig college, de volgende sancties opleggen ten aanzien van een erkend bemiddelaar :
  - de verwittiging;
  - de berisping;
  - de verplichting om een stage te voldoen gedurende de periode en volgens de nadere regels bepaald door de commissie voor de tuchtregeling en klachtenbehandeling;
  - de verplichting om het beroep uitsluitend in co-bemiddeling uit te oefenen voor de duur en volgens de nadere regels bepaald door de commissie voor de tuchtregeling en klachtenbehandeling;
  - de schorsing voor een periode die niet meer dan één jaar mag bedragen;
  - de intrekking van de erkenning.
  § 5. Ieder jaar maakt de commissie voor de tuchtregeling en klachtenbehandeling een verslag op van de uitvoering van haar opdrachten gedurende het afgelopen jaar. Dat verslag bevat suggesties met betrekking tot de wenselijkheid om wijzigingen aan te brengen in de tuchtprocedure of in de klachtenbehandeling evenals in de deontologische code. Dat verslag wordt meegedeeld aan de minister van Justitie.".
  
Art. 221. Dans le même Code, il est inséré un article 1727/5 rédigé comme suit :
  "Art. 1727/5. § 1er. La commission disciplinaire et de traitement des plaintes est composée de 5 membres, un président, quatre assesseurs effectifs, et de deux assesseurs suppléants. A l'exception du président, la commission comporte autant de membres d'expression française que de membres d'expression néerlandaise. La commission se compose d'un collège francophone et d'un collège néerlandophone, composés chacun de deux assesseurs effectifs, et du président. La commission est présidée par un membre du bureau qui, dès désignation, ne siègera plus dans une autre commission permanente ou spéciale. Le bureau désigne le président pour une période de deux ans. Cette fonction est attribuée alternativement à un francophone et à un néerlandophone. Le président justifie d'une connaissance suffisante de l'autre langue nationale.
  [1 Au moins un membre du collège francophone ou du collège néerlandophone doit justifier de la connaissance de l'allemand.
   Les assesseurs, qui ne peuvent pas être membres de la commission fédérale de médiation, sont présentés par l'assemblée générale et nommés par le ministre de la Justice par décision motivée. La présentation est motivée sur la base de leur expertise en droit disciplinaire et en résolution de litiges. Le Roi fixe les modalités de la publication des vacances, du dépôt des candidatures, de la présentation des membres ainsi que les critères requis pour poser sa candidature.]1

  § 2. La commission disciplinaire et de traitement des plaintes, par l'intermédiaire du collège néerlandophone ou francophone, est chargée de la discipline des médiateurs en vertu de l'article 1727, § 2, 5°, et du traitement des plaintes contre les médiateurs et contre les organismes qui dispensent des formations en médiation et de donner des avis en cas de contestation des honoraires des médiateurs.
  Le choix du collège, francophone ou néerlandophone, est effectué par le médiateur ou l'organisme qui fait l'objet de la procédure.
  La commission disciplinaire et de traitement des plaintes est également chargée de faire des propositions en vertu de l'article 1727, § 2, 7° et 10°, qui sont soumises, pour approbation, à l'assemblée générale.
  § 3. La commission disciplinaire et de traitement des plaintes établit son règlement de procédure. Le règlement est validé par l'assemblée générale. Une fois approuvé par l'Assemblée générale, ce règlement est publié sur le site internet de la Commission.
  § 4. La commission disciplinaire et de traitement des plaintes par l'intermédiaire du collège néerlandophone ou francophone peut imposer les sanctions suivantes à l'égard d'un médiateur agréé :
  - l'avertissement;
  - la réprimande;
  - l'obligation d'accomplir un stage pendant la durée et selon les modalités fixées par la commission disciplinaire et de traitement des plaintes;
  - l'obligation d'exercer sa profession exclusivement en co-médiation pendant la durée et selon les modalités fixées par la commission disciplinaire et de traitement des plaintes;
  - la suspension pour une période qui ne peut exéder un an;
  - le retrait de l'agrément.
  § 5. Chaque année, la commission disciplinaire et de traitement des plaintes fait un rapport sur l'exécution de ses missions au cours de l'année écoulée. Ce rapport contient des suggestions relatives à l'opportunité de modifier la procédure disciplinaire ou le traitement des plaintes ainsi que le Code de déontologie. Ce rapport est communiqué au ministre de la Justice.".
  
Art.222. Artikel 1728 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 21 februari 2005, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 1728. § 1. De documenten opgemaakt en de mededelingen gedaan in de loop van en ten behoeve van een bemiddelingsprocedure zijn vertrouwelijk. Zij mogen niet worden aangevoerd in enige gerechtelijke, administratieve of arbitrale procedure of in enige andere procedure voor de oplossing van conflicten en zijn niet toelaatbaar als bewijs, zelfs niet als buitengerechtelijke bekentenis.
  Behoudens schriftelijk uitgedrukte andersluidende wil van de partijen, vallen het bemiddelingsprotocol en het (de) door de partijen ondertekende bemiddelingsakkoord(en) alsook het eventuele document opgesteld door de bemiddelaar dat het feit van de mislukking van de bemiddeling vaststelt, niet onder deze vertrouwelijkheidsplicht.
  Daarnaast kan de vertrouwelijkheidsplicht, met schriftelijke instemming van de partijen, en binnen de grenzen die zij bepalen, worden opgeheven. Omgekeerd kunnen de partijen, in onderling akkoord en op schriftelijke wijze, documenten of mededelingen daterend van vóór de aanvang van het bemiddelingsproces vertrouwelijk maken.
  § 2. Onverminderd zijn wettelijke verplichtingen, mag de bemiddelaar de feiten waarvan hij uit hoofde van zijn ambt kennis krijgt, niet openbaar maken. Hij mag door de partijen niet worden opgeroepen als getuige in een burgerrechtelijke, administratieve of arbitrale procedure met betrekking tot de feiten waarvan hij kennis heeft genomen in de loop van zijn bemiddeling. Hij mag evenmin de reden van de mislukking van deze vorm van minnelijke conflictoplossing onthullen, ook niet aan de rechter of arbiter bij wie een geschil tussen de partijen van de bemiddeling aanhangig is gemaakt.
  Artikel 458 van het Strafwetboek is van toepassing op de bemiddelaar.
  § 3. In het kader van en ten behoeve van zijn opdracht kan de bemiddelaar, met instemming van de partijen, de derden horen die daarmee instemmen of, wanneer de complexiteit van de zaak zulks vereist, een beroep doen op de diensten van een deskundige in het desbetreffende domein. Zij zijn gehouden tot de vertrouwelijkheidsplicht bedoeld in paragraaf 1, eerste lid. Paragraaf 2 is van toepassing op de deskundige.
  § 4. Bij schending van de vertrouwelijkheids- of geheimhoudingsplicht door degenen die daartoe gehouden zijn krachtens deze bepaling, doet de rechter of arbiter in billijkheid uitspraak over de eventuele toekenning van schadevergoeding, en over de omvang ervan.
  Vertrouwelijke documenten en mededelingen die desondanks zijn meegedeeld of waarop een partij steunt in strijd met de vertrouwelijkheidsplicht, worden ambtshalve uit de debatten geweerd.".
Art. 222. L'article 1728 du même Code, inséré par la loi du 21 février 2005, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 1728. § 1er. Les documents établis et les communications faites au cours du processus de médiation et pour les besoins de celui-ci sont confidentiels. Ils ne peuvent être utilisés dans aucune procédure judiciaire, administrative ou arbitrale ni dans toute autre procédure de résolution des conflits et ne sont jamais admissibles comme preuve, même comme aveu extrajudiciaire.
  Sauf volonté contraire des parties exprimée par écrit, ne sont pas visés par la présente obligation de confidentialité le protocole de médiation et le ou les accords de médiation signés par les parties, ainsi que l'éventuel document établi par le médiateur qui constate l'échec de la médiation.
  L'obligation de confidentialité peut, par ailleurs, avec le consentement écrit des parties, et dans les limites qu'elles déterminent, être levée. A l'inverse, les parties peuvent, de commun accord et par écrit, rendre confidentiels des documents ou communications antérieurs à l'entame du processus de médiation.
  § 2. Sans préjudice des obligations que la loi lui impose, le médiateur ne peut rendre publics les faits dont il prend connaissance du fait de sa fonction. Il ne peut être appelé comme témoin par les parties dans une procédure civile, administrative ou arbitrale relative aux faits dont il a pris connaissance au cours de la médiation. Il ne peut davantage révéler, en ce compris au juge ou à l'arbitre saisi d'un différend entre les parties médiées, le motif de l'échec de ce mode amiable de règlement des conflits.
  L'article 458 du Code pénal lui est applicable.
  § 3. Dans le cadre de sa mission et pour les besoins de celle-ci, le médiateur peut, avec l'accord des parties, entendre les tiers qui y consentent ou lorsque la complexité de l'affaire l'exige, recourir aux services d'un expert, spécialiste du domaine traité. Ceux-ci sont tenus à l'obligation de confidentialité visée au paragraphe 1er, alinéa 1er. Le paragraphe 2 s'applique à l'expert.
  § 4. En cas de violation de l'obligation de confidentialité ou de secret par les personnes qui y sont tenues en vertu de la présente disposition, le juge ou l'arbitre se prononce en équité sur l'octroi éventuel de dommages et intérêts, et sur la hauteur de ceux-ci.
  Les documents et communications confidentiels qui sont malgré tout communiqués ou sur lesquels une partie se base en violation de l'obligation de confidentialité sont d'office écartés des débats.".
Art.223. In het zevende deel van hetzelfde Wetboek, wordt het opschrift van hoofdstuk II vervangen als volgt:
  "Hoofdstuk II. De buitengerechtelijke bemiddeling".
Art.224. L'article 1731, § 2, 5°, du même Code, inséré par la loi du 21 février 2005, est remplacé par ce qui suit :
  "5° la confidentialité qui s'attache aux documents et aux communications dans le cadre de la médiation;".
Art.224. Artikel 1731, § 2, 5°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 21 februari 2005, wordt vervangen als volgt:
  "5° de vertrouwelijkheid die wordt gehecht aan de documenten en de mededelingen in het kader van bemiddeling;".
Art.225. Dans l'article 1734 du même Code, inséré par la loi du 21 février 2005 et modifié par la loi du 19 octobre 2015, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
  " § 1er. Sauf devant la Cour de cassation et le tribunal d'arrondissement, en tout état de la procédure et ainsi qu'en référé, le juge saisi d'un litige peut, à la demande conjointe des parties ou de sa propre initiative mais avec l'accord de celles-ci, ordonner une médiation, tant que la cause n'a pas été prise en délibéré.
  Lorsqu'il estime qu'un rapprochement entre les parties est possible le juge, peut, d'office ou à la demande de l'une des parties, ordonner une médiation, après avoir entendu les parties, à l'audience d'introduction, à une audience de remise à une date rapprochée ou à une audience fixée au plus tard le dernier jour du mois qui suit celui du dépôt des premières conclusions du défendeur. Si toutes les parties s'y opposent, le juge ne peut ordonner une médiation;
  2° il est inséré un paragraphe 1er/1 rédigé comme suit :
  " § 1er/1. Les parties, ou en l'absence des parties, leur avocat, peuvent demander conjointement au juge de désigner le médiateur ou les médiateurs qu'elles présentent. Le juge accède à cette demande, sauf si le médiateur ou les médiateurs proposés par les parties ne satisfont pas aux conditions visées à l'article 1726.
  Si les parties ne s'accordent pas sur le médiateur ou les médiateurs à désigner, le juge désigne, de préférence à tour de rôle, un médiateur ou des médiateurs agréés selon l'article 1727 sur la base d'une liste de tous les médiateurs établie par la Commission fédérale de médiation. Dans la mesure du possible, le juge choisit un médiateur établi à proximité du domicile des parties.";
  3° le paragraphe 2° est remplacé par ce qui suit :
  § 2. La décision ordonnant aux parties de tenter de résoudre le litige par une médiation visée au paragraphe 1er mentionne le nom et la qualité du médiateur agréé ou des médiateurs agréés, fixe la durée de la mission, sans que celle-ci puisse excéder six mois, et fixe la cause à la première date utile suivant l'expiration du délai.";
  4° dans le paragraphe 3, les mots "d'un commun accord" sont insérés entre le mot "solliciter" et les mots "un nouveau délai".
Art.225. In artikel 1734 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 21 februari 2005 en gewijzigd bij de wet van 19 oktober 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
  " § 1. In elke stand van het geding, alsook in kort geding, behalve voor het Hof van Cassatie en voor de arrondissementsrechtbank, kan de rechter voor wie een zaak hangende is, op gezamenlijk verzoek van de partijen of op eigen initiatief maar met instemming van de partijen, een bemiddeling bevelen, zolang de zaak niet in beraad is genomen.
  Wanneer de rechter van mening is dat een verzoening tussen de partijen mogelijk is, kan hij, ambtshalve of op verzoek van een van de partijen, op de inleidingszitting, op een zitting waarop de zaak wordt verdaagd naar een nabije datum of op een zitting die ten laatste op de laatste dag van de maand die volgt op die van de neerlegging van de eerste conclusies van de verweerder is bepaald, na de partijen gehoord te hebben, een bemiddeling bevelen. Indien alle partijen daartegen gekant zijn, kan de rechter geen bemiddeling bevelen;
  2° er wordt een paragraaf 1/1 ingevoegd, luidende:
  " § 1/1. De partijen of, in afwezigheid van partijen, hun advocaat kunnen de rechter gezamenlijk vragen om de bemiddelaar of de bemiddelaars die zij voordragen aan te wijzen. Tenzij de door de partijen voorgedragen bemiddelaar of bemiddelaars niet voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 1726, willigt de rechter dit verzoek in.
  Indien de partijen geen overeenstemming bereiken over de aan te wijzen bemiddelaar of bemiddelaars, wijst de rechter, bij voorkeur bij toerbeurt, een bemiddelaar of bemiddelaars aan, die erkend zijn overeenkomstig artikel 1727, op basis van een lijst van alle bemiddelaars die is opgesteld door de federale bemiddelingscommissie. De rechter kiest, voor zover mogelijk, een bemiddelaar die gevestigd is in de buurt van de woonplaats van de partijen.";
  3° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt:
  " § 2. De beslissing die de partijen beveelt om het geschil te trachten op te lossen door een bemiddeling bedoeld in paragraaf 1, vermeldt de naam en de hoedanigheid van de erkende bemiddelaar of erkende bemiddelaars, legt de duur vast van hun opdracht, zonder dat die de termijn van zes maanden mag overschrijden en stelt de zaak vast op de eerst nuttige datum na het verstrijken van deze termijn is.";
  4° in paragraaf 3 worden de woorden "in onderlinge overeenstemming" ingevoegd tussen de woorden "kunnen ze" en de woorden "om een nieuwe termijn verzoeken".
Art. 225. Dans l'article 1734 du même Code, inséré par la loi du 21 février 2005 et modifié par la loi du 19 octobre 2015, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
  " § 1er. Sauf devant la Cour de cassation et le tribunal d'arrondissement, en tout état de la procédure et ainsi qu'en référé, le juge saisi d'un litige peut, à la demande conjointe des parties ou de sa propre initiative mais avec l'accord de celles-ci, ordonner une médiation, tant que la cause n'a pas été prise en délibéré.
  Lorsqu'il estime qu'un rapprochement entre les parties est possible le juge, peut, d'office ou à la demande de l'une des parties, ordonner une médiation, après avoir entendu les parties, à l'audience d'introduction, à une audience de remise à une date rapprochée ou à une audience fixée au plus tard le dernier jour du mois qui suit celui du dépôt des premières conclusions du défendeur. Si toutes les parties s'y opposent, le juge ne peut ordonner une médiation;
  2° il est inséré un paragraphe 1er/1 rédigé comme suit :
  " § 1er/1. Les parties, ou en l'absence des parties, leur avocat, peuvent demander conjointement au juge de désigner le médiateur ou les médiateurs qu'elles présentent. Le juge accède à cette demande, sauf si le médiateur ou les médiateurs proposés par les parties ne satisfont pas aux conditions visées à l'article 1726.
  Si les parties ne s'accordent pas sur le médiateur ou les médiateurs à désigner, le juge désigne, de préférence à tour de rôle, un médiateur ou des médiateurs agréés selon l'article 1727 sur la base d'une liste de tous les médiateurs établie par la Commission fédérale de médiation. Dans la mesure du possible, le juge choisit un médiateur établi à proximité du domicile des parties.";
  3° le paragraphe 2° est remplacé par ce qui suit :
  § 2. La décision ordonnant aux parties de tenter de résoudre le litige par une médiation visée au paragraphe 1er mentionne le nom et la qualité du médiateur agréé ou des médiateurs agréés, fixe la durée de la mission, sans que celle-ci puisse excéder six mois, et fixe la cause à la première date utile suivant l'expiration du délai.";
  4° dans le paragraphe 3, les mots "d'un commun accord" sont insérés entre le mot "solliciter" et les mots "un nouveau délai".
Art.226. Artikel 1735 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 21 februari 2005, wordt aangevuld met een paragraaf 6, luidende:
  " § 6. De maatregelen bevolen overeenkomstig de artikelen 1734 en 1735 zijn niet vatbaar voor enig rechtsmiddel.".
Art. 226. L'article 1735 du même Code, inséré par la loi du 21 février 2005, est complété par un paragraphe 6 rédigé comme suit :
  " § 6. Les mesures ordonnées en application des articles 1734 et 1735 ne sont susceptibles d'aucun recours.".
Art.227. In hetzelfde Wetboek wordt een achtste deel ingevoegd, luidende "Collaboratieve onderhandelingen".
Art.228. Dans la huitième partie, insérée par l'article 227, il est inséré un article 1738 rédigé comme suit :
  "Art. 1738. Lorsque les parties sont assistées par un avocat collaboratif visé à l'article 1739 du Code judiciaire, les litiges mentionnés à l'article 1724 du même Code, peuvent faire l'objet d'un processus de droit collaboratif, c'est-à-dire un processus volontaire et confidentiel de règlement des conflits par la négociation impliquant des parties en conflit et leurs avocats respectifs, lesquels agissent dans le cadre d'un mandat exclusif et restreint d'assistance et de conseil en vue d'aboutir à un accord amiable.".
Art.228. In het achtste deel, ingevoegd bij artikel 227, wordt een artikel 1738 ingevoegd luidende:
  "Art. 1738. Indien de partijen worden bijgestaan door een collaboratieve advocaat bedoeld in artikel 1739 van het Gerechtelijk Wetboek, kunnen de geschillen bedoeld in artikel 1724 van hetzelfde Wetboek het voorwerp uitmaken van een collaboratieve onderhandelingsprocedure, dat wil zeggen een vrijwillige en vertrouwelijke procedure van geschillenoplossing door onderhandeling, waarbij conflicterende partijen en hun respectieve advocaten betrokken zijn en laatstgenoemden optreden in het kader van een exclusief en beperkt mandaat van bijstand en adviesverlening teneinde een minnelijk akkoord te bewerkstelligen.".
Art.229. Dans la même huitième partie, il est inséré un article 1739, rédigé comme suit :
  "Art. 1739. § 1er. Seuls les avocats collaboratifs peuvent pratiquer le droit collaboratif.
  § 2. L'avocat collaboratif est un avocat qui est inscrit sur la liste des avocats collaboratifs établie par l'Ordre des barreaux francophones et germanophone ou l'Orde van Vlaamse balies.
  Seuls les avocats ayant suivi une formation spéciale, ayant reçu l'agrément exigé d'avocat collaboratif, et ayant souscrit au règlement des avocats collaboratifs, peuvent figurer sur cette liste.
  L'Ordre des barreaux francophones et germanophone et l'Orde van Vlaamse Balies, établissent une commission paritaire commune laquelle détermine les conditions relatives à la formation spécifique, à la formation permanente, à l'agrément exigé, aux garanties en matière de négociation de droit collaboratif et au règlement qui s'applique aux avocats collaboratifs.".
Art.229. In hetzelfde achtste deel wordt een nieuw artikel 1739 ingevoegd luidende:
  "Art. 1739. § 1. Enkel collaboratieve advocaten mogen collaboratieve onderhandelingen voeren.
  § 2. De collaboratieve advocaat is een advocaat die staat ingeschreven op de lijst van collaboratieve advocaten opgesteld door de Orde van Vlaamse balies of van de Ordre des barreaux francophones et germanophone.
  Alleen advocaten die een bijzondere opleiding hebben genoten, de vereiste erkenning van collaboratieve advocaat hebben toegekend gekregen en het reglement voor collaboratieve advocaten hebben onderschreven, kunnen opgenomen worden in deze lijst.
  De Orde van Vlaamse balies en de Ordre des barreaux francophones et germanophone, richten een gezamenlijke paritaire commissie op die de voorwaarden bepaalt voor de bijzondere opleiding, de permanente vorming, de vereiste erkenning, de waarborgen op het gebied van collaboratieve onderhandeling en het toepasselijke reglement voor advocaten.".
Art. 229. Dans la même huitième partie, il est inséré un article 1739, rédigé comme suit :
  "Art. 1739. § 1er. Seuls les avocats collaboratifs peuvent pratiquer le droit collaboratif.
  § 2. L'avocat collaboratif est un avocat qui est inscrit sur la liste des avocats collaboratifs établie par l'Ordre des barreaux francophones et germanophone ou l'Orde van Vlaamse balies.
  Seuls les avocats ayant suivi une formation spéciale, ayant reçu l'agrément exigé d'avocat collaboratif, et ayant souscrit au règlement des avocats collaboratifs, peuvent figurer sur cette liste.
  L'Ordre des barreaux francophones et germanophone et l'Orde van Vlaamse Balies, établissent une commission paritaire commune laquelle détermine les conditions relatives à la formation spécifique, à la formation permanente, à l'agrément exigé, aux garanties en matière de négociation de droit collaboratif et au règlement qui s'applique aux avocats collaboratifs.".
Art.230. In hetzelfde achtste deel, wordt een artikel 1740 ingevoegd luidende:
  "Art. 1740. In elke stand van het geding, alsook in kort geding, behalve voor het Hof van Cassatie en voor de arrondissementsrechtbank, kan de rechter voor wie een zaak hangende is, op gezamenlijk verzoek van de partijen en na hen gehoord te hebben over de beoogde maatregel, zolang de zaak niet in beraad is genomen bevelen hun geschil door een collaboratieve onderhandeling trachten op te lossen. Artikel 1734, § 1, eerste lid, is van overeenkomstige van toepassing.".
Art.231. Dans la même huitième partie, il est inséré un article 1741 rédigé comme suit :
  "Art. 1741. § 1er. Le protocole de droit collaboratif comprend, outre les données visées à l'article 1731, § 2, excepté le 2° et 6° :
  1° les noms, prénoms et coordonnées complètes des avocats collaboratifs;
  2° le principe que les parties, dans le contexte du droit collaboratif, doivent communiquer tous les documents et informations utiles à la résolution du litige et le principe qu'elles devront collaborer de manière loyale à la négociation collaborative;
  3° l'engagement des parties à ne pas entreprendre ou poursuivre une procédure contentieuse durant le temps de la négociation collaborative;
  4° la provision décidée par les parties pour les coûts liés au droit collaboratif, à l'exclusion des frais et honoraires des avocats collaboratifs;
  5° le retrait obligatoire des avocats collaboratifs en cas d'échec des négociations.
  § 2. La signature du protocole de droit collaboratif suspend le délai de prescription pour la durée de la négociation collaborative.
  § 3. Sauf autre accord contraire écrit entre les parties, la suspension du délai de prescription prend fin un mois après la notification :
  - par l'avocat collaboratif de la volonté de son client de mettre un terme à la négociation collaborative;
  - par l'avocat collaboratif de la fin de son intervention;
  - de l'avis d'une partie de mettre un terme à l'intervention de son avocat collaboratif.
  La notification est faite par envoi recommandé, sauf autre accord contraire des parties et avocats collaboratifs".
Art.231. In hetzelfde achtste deel wordt een artikel 1741 ingevoegd luidende:
  "Art. 1741. § 1. Het collaboratief onderhandelingsprotocol bevat naast de gegevens bedoeld in artikel 1731, § 2, uitgezonderd de bepalingen onder 2° en 6° :
  1° de namen, voornamen en volledige gegevens van de collaboratieve advocaten;
  2° het principe dat partijen in het kader van de collaboratieve onderhandeling alle documenten en informatie moeten meedelen die nuttig kunnen zijn voor de oplossing van het geschil en het principe dat partijen op loyale wijze dienen mee te werken aan de collaboratieve onderhandeling;
  3° de verbintenis van partijen om tijdens de collaboratieve onderhandeling geen geding op te starten of voort te zetten;
  4° het voorschot die partijen stellen voor de kosten verbonden aan de collaboratieve onderhandeling, met uitsluiting van de erelonen en kosten van de collaboratieve advocaten;
  5° de verplichte terugtrekking van de collaboratieve advocaten ingeval de onderhandelingen mislukken.
  § 2. De ondertekening van het collaboratief onderhandelingsprotocol schorst de verjaringstermijn voor de duur van de collaboratieve onderhandeling.
  § 3. Behoudens andersluidend schriftelijk akkoord [1 tussen de partijen]1 eindigt de schorsing van één maand na kennisgeving :
  - door de collaboratieve advocaat van de wil van zijn cliënt om een einde te maken aan de collaboratieve onderhandeling;
  - door de collaboratieve advocaat van zijn wil om een einde te stellen aan zijn tussenkomst;
  - door de partij van haar wil om een einde te stellen aan de tussenkomst van haar collaboratieve advocaat.
  De kennisgeving gebeurt bij aangetekende zending, behoudens andersluidend akkoord tussen partijen en collaboratieve advocaten.".
  
Art.232. Dans la même huitième partie, il est inséré un article 1742 rédigé comme suit :
  "Art. 1742. § 1er. Toute partie peut à tout moment mettre un terme au processus de droit collaboratif, sans que cela ne lui porte préjudice. La partie en avise son avocat collaboratif par écrit immédiatement. L'avocat collaboratif informe dans les meilleurs délais les autres avocats collaboratifs.
  § 2. Si l'une des parties souhaite que son avocat collaboratif se retire du processus, mais entend s'y maintenir avec l'assistance d'un autre avocat collaboratif, elle en avisera immédiatement et par écrit l'autre partie. Un avenant au protocole de droit collaboratif sera signé avec le nouvel avocat collaboratif dans les plus brefs délais et au plus tard dans les trente jours du retrait du précédent avocat collaboratif, à défaut de quoi, l'autre partie pourra considérer que le processus a pris fin.
  § 3. Si l'un des avocats collaboratifs se retire du processus, il en avisera immédiatement par écrit son client et l'avocat collaboratif de l'autre partie. Si la partie dont l'avocat collaboratif se retire décide de poursuivre le processus, elle fait part de son intention à l'autre partie par le canal de son nouvel avocat collaboratif. Le nouvel avocat collaboratif signera un avenant au protocole de droit collaboratif dans les plus brefs délais et au plus tard dans un délai de trente jours du retrait du précédent avocat collaboratif, à défaut de quoi, l'autre partie pourra considérer que le processus a pris fin.
  § 4. Les dispositions qui précèdent ne portent pas préjudice à l'application de l'article 1741, § 3.".
Art.232. In hetzelfde achtste deel wordt een nieuw artikel 1742 ingevoegd, luidende:
  "Art. 1742. § 1. Elke partij kan te allen tijde een einde maken aan de collaboratieve onderhandeling, zonder dat dit tot haar nadeel kan strekken. De partij stelt haar collaboratieve advocaat hiervan onmiddellijk schriftelijk in kennis. De collaboratieve advocaat meldt dit onverwijld aan de collaboratieve advocaten van de overige betrokken partijen.
  § 2. Indien een van de partijen de bijstand door haar collaboratieve advocaat tijdens de procedure wenst stop te zetten en zich wenst te beroepen op de bijstand door een andere collaboratieve advocaat, verwittigt ze onmiddellijk en schriftelijk de andere partij. Een bijlage bij het collaboratief onderhandelingsprotocol wordt zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen dertig dagen na de terugtrekking door de vorige collaboratieve advocaat ondertekend door de nieuwe collaboratieve advocaat bij gebreke waaraan de andere partij de procedure als beëindigd mag beschouwen.
  § 3. Indien een van de collaboratieve advocaten zich terugtrekt uit de procedure, verwittigt hij onmiddellijk schriftelijk zijn cliënt en de collaboratieve advocaat van de andere partij. Indien de partij wiens collaboratieve advocaat zich heeft teruggetrokken beslist om de procedure verder te zetten, deelt zij haar intentie mee aan de andere partij bij monde van haar nieuwe collaboratieve advocaat. De nieuwe collaboratieve advocaat tekent zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen dertig dagen na de terugtrekking door de vorige collaboratieve advocaat een bijlage bij het collaboratief onderhandelingsprotocol bij gebreke waaraan de andere partij de procedure als beëindigd mag beschouwen.
  § 4. De voorgaande bepalingen doen geen afbreuk aan de toepassing van artikel 1741, § 3.".
Art. 232. Dans la même huitième partie, il est inséré un article 1742 rédigé comme suit :
  "Art. 1742. § 1er. Toute partie peut à tout moment mettre un terme au processus de droit collaboratif, sans que cela ne lui porte préjudice. La partie en avise son avocat collaboratif par écrit immédiatement. L'avocat collaboratif informe dans les meilleurs délais les autres avocats collaboratifs.
  § 2. Si l'une des parties souhaite que son avocat collaboratif se retire du processus, mais entend s'y maintenir avec l'assistance d'un autre avocat collaboratif, elle en avisera immédiatement et par écrit l'autre partie. Un avenant au protocole de droit collaboratif sera signé avec le nouvel avocat collaboratif dans les plus brefs délais et au plus tard dans les trente jours du retrait du précédent avocat collaboratif, à défaut de quoi, l'autre partie pourra considérer que le processus a pris fin.
  § 3. Si l'un des avocats collaboratifs se retire du processus, il en avisera immédiatement par écrit son client et l'avocat collaboratif de l'autre partie. Si la partie dont l'avocat collaboratif se retire décide de poursuivre le processus, elle fait part de son intention à l'autre partie par le canal de son nouvel avocat collaboratif. Le nouvel avocat collaboratif signera un avenant au protocole de droit collaboratif dans les plus brefs délais et au plus tard dans un délai de trente jours du retrait du précédent avocat collaboratif, à défaut de quoi, l'autre partie pourra considérer que le processus a pris fin.
  § 4. Les dispositions qui précèdent ne portent pas préjudice à l'application de l'article 1741, § 3.".
Art.233. In hetzelfde achtste deel wordt een artikel 1743 ingevoegd luidende:
  "Art. 1743. § 1. Een collaboratieve advocaat kan een of meerdere partijen bijstaan in het kader van een bepaalde collaboratieve onderhandeling zolang dit geen aanleiding geeft tot een belangenconflict.
  § 2. De collaboratieve advocaat ontvangt van zijn cliënt een exclusief en geschreven mandaat, dat beperkt is tot het bijstaan en raadgeven tijdens de collaboratieve onderhandeling met het oog op het bereiken van een onderhandeld akkoord.
  § 3. Indien een van de partijen zich terugtrekt uit de collaboratieve onderhandeling of indien de collaboratieve onderhandeling eindigt, met of zonder akkoord, zijn de collaboratieve advocaten ertoe gehouden hun tussenkomst te beëindigen en mogen zij niet meer tussenkomen in een geding tussen dezelfde partijen in het kader van een geschil dat het voorwerp heeft uitgemaakt van de collaboratieve onderhandelingen. Hetzelfde geldt voor iedere advocaat die van hun advocatenkantoor deel uitmaakt, inclusief de interne of externe medewerkers en stagiairs.".
Art.234. Dans la même huitième partie, il est inséré un article 1744 rédigé comme suit :
  "Art. 1744. § 1er. Dans le contexte du droit collaboratif, il peut être fait appel à un ou plusieurs experts pour rapport, avis et conseil neutre et objectif. L'avis de l'expert est confidentiel et destiné exclusivement à faciliter la recherche d'une solution amiable. L'expert ne se prononce en aucun cas sur le litige qui fait l'objet de la négociation collaborative.
  § 2. En cas de recours à un expert, une annexe sera rédigée au protocole de négociation. Cette annexe contient :
  1° le nom, la qualité et l'adresse de l'expert;
  2° un résumé du litige et la description des questions soumises à l'avis de l'expert;
  3° le principe que l'expert est lié par la confidentialité, la neutralité et l'indépendance;
  4° la provision à payer par les parties pour les frais et honoraires de l'expert;
  5° la date;
  6° la signature de l'expert, des parties et des avocats collaboratifs.".
Art.234. In hetzelfde achtste deel wordt een nieuw artikel 1744 ingevoegd luidende:
  "Art. 1744. § 1. Desgewenst kan er in het kader van een collaboratieve onderhandeling een beroep worden gedaan op een of meer deskundigen om een neutraal en objectief verslag en advies te verlenen. Het advies van de deskundige is vertrouwelijk en uitsluitend bedoeld om het zoeken naar een minnelijke oplossing te vergemakkelijken. De deskundige beslist in geen geval over het geschil dat het voorwerp uitmaakt van de collaboratieve onderhandeling.
  § 2. Indien er beroep wordt gedaan op een deskundige, wordt er een bijlage bij het collaboratief onderhandelingsprotocol opgemaakt. Deze bijlage bevat :
  1° de naam, de hoedanigheid en het adres van de deskundige;
  2° een beknopt overzicht van het geschil en de omschrijving van de vragen waaromtrent de deskundige gevraagd wordt advies te verlenen;
  3° het principe dat de deskundige gebonden is door vertrouwelijkheid, neutraliteit en onafhankelijkheid;
  4° de provisie die partijen stellen voor het ereloon en de kosten van de deskundige;
  5° de datum;
  6° de ondertekening door de deskundige, de partijen en de collaboratieve advocaten.".
Art. 234. Dans la même huitième partie, il est inséré un article 1744 rédigé comme suit :
  "Art. 1744. § 1er. Dans le contexte du droit collaboratif, il peut être fait appel à un ou plusieurs experts pour rapport, avis et conseil neutre et objectif. L'avis de l'expert est confidentiel et destiné exclusivement à faciliter la recherche d'une solution amiable. L'expert ne se prononce en aucun cas sur le litige qui fait l'objet de la négociation collaborative.
  § 2. En cas de recours à un expert, une annexe sera rédigée au protocole de négociation. Cette annexe contient :
  1° le nom, la qualité et l'adresse de l'expert;
  2° un résumé du litige et la description des questions soumises à l'avis de l'expert;
  3° le principe que l'expert est lié par la confidentialité, la neutralité et l'indépendance;
  4° la provision à payer par les parties pour les frais et honoraires de l'expert;
  5° la date;
  6° la signature de l'expert, des parties et des avocats collaboratifs.".
Art.235. In hetzelfde achtste deel wordt een artikel 1745 ingevoegd, luidende:
  "Art. 1745. § 1. De partijen delen alle documenten en informatie mee die nuttig kunnen zijn voor de oplossing van het geschil en werken op een loyale manier mee aan de collaboratieve onderhandeling.
  § 2. De partijen kunnen de wijze waarop deze verplichting zal worden uitgevoerd nader bepalen in het collaboratief onderhandelingsprotocol.
  § 3. Artikel 1728 is van overeenkomstige toepassing.".
Art.236. Dans la même huitième partie, il est inséré un article 1746 rédigé comme suit :
  "Art. 1746. § 1er. Quand les parties dégagent un accord complet ou partiel, provisoire ou définitif, par un processus de droit collaboratif, celui-ci est rédigé par écrit par les avocats collaboratifs dans un accord de droit collaboratif.
  § 2. L'accord de droit collaboratif contient :
  1° le nom et le domicile des parties et le nom et l'adresse du cabinet de leurs avocats collaboratifs;
  2° les engagements précis de chacune des parties négociés dans le processus de droit collaboratif et qui règlent soit l'ensemble du différend soit une partie de celui-ci;
  3° la date;
  4° la signature des parties et des avocats collaboratifs.".
Art.236. In hetzelfde achtste deel wordt een artikel 1746 ingevoegd, luidende:
  "Art. 1746. § 1. Wanneer de partijen voor het gehele geschil of een deel ervan, voorlopig of definitief tot een oplossing komen via een collaboratieve onderhandeling, dan wordt de oplossing schriftelijk door de collaboratieve advocaten vastgelegd in het collaboratief onderhandeld akkoord.
  § 2. Het collaboratief onderhandeld akkoord bevat:
  1° de naam en de woonplaats van de partijen en de naam en het kantooradres van hun collaboratieve advocaten;
  2° de precieze verbintenissen van elk van de partijen die werden overeengekomen op basis van de collaboratieve onderhandeling ter oplossing van het gehele geschil of een gedeelte van het geschil;
  3° de datum;
  4° de ondertekening door de partijen en de collaboratieve advocaten.".
Art. 236. Dans la même huitième partie, il est inséré un article 1746 rédigé comme suit :
  "Art. 1746. § 1er. Quand les parties dégagent un accord complet ou partiel, provisoire ou définitif, par un processus de droit collaboratif, celui-ci est rédigé par écrit par les avocats collaboratifs dans un accord de droit collaboratif.
  § 2. L'accord de droit collaboratif contient :
  1° le nom et le domicile des parties et le nom et l'adresse du cabinet de leurs avocats collaboratifs;
  2° les engagements précis de chacune des parties négociés dans le processus de droit collaboratif et qui règlent soit l'ensemble du différend soit une partie de celui-ci;
  3° la date;
  4° la signature des parties et des avocats collaboratifs.".
Art.237. In hetzelfde achtste deel wordt een nieuw artikel 1747 ingevoegd, luidende:
  "Art. 1747. § 1. De kosten verbonden aan het voeren van een collaboratieve onderhandeling en het ereloon en de kosten van de deskundige komen gelijkelijk ten laste van de partijen, tenzij die daar anders over beslissen.
  § 2. Elke partij draagt zelf de erelonen en de kosten van haar collaboratieve advocaat, behoudens andersluidende overeenkomst.".
Art. 237. Dans la même huitième partie, il est inséré un article 1747 rédigé comme suit :
  "Art. 1747. § 1er. Les coûts liés à la mise en oeuvre d'une négociation collaborative et les honoraires et les frais de l'expert sont supportés par moitié par les parties, sauf accord contraire entre elles.
  § 2. Chaque partie supporte les frais et les honoraires de son avocat collaboratif, sauf accord contraire.".
HOOFDSTUK 2. - Wijziging van het Strafwetboek
Art.238. Dans le Code pénal, il est inséré un article 227quater rédigé comme suit :
Art.238. In het Strafwetboek wordt een artikel 227quater ingevoegd, luidende:
  "Art. 227quater. Wordt gestraft met geldboete van tweehonderd euro tot twintigduizend euro:
  1° hij die zonder dat hij is opgenomen op de lijst van erkende bemiddelaars bedoeld in artikel 1727 en zonder van erkenning vrijgesteld te zijn, beroepsmatig bemiddelt in de zin van het Gerechtelijk Wetboek met uitzondering van hij die beroepsmatig bemiddelt in de zin van het Gerechtelijk Wetboek in het kader van geschillen tussen ondernemingen.
  2° hij die, zonder daartoe gemachtigd te zijn, zich openbaar een beroepstitel van erkend bemiddelaar toeëigent evenals hij die een titel voert of die aan de beroepstitel die hij voert een vermelding toevoegt, welke tot verwarring kan leiden met die van erkend bemiddelaar.
  Wordt gestraft met dezelfde straf, wie zijn medewerking verleent aan een derde of hem zijn naam leent, met het doel hem te onttrekken aan de straf waarmee het illegaal dragen van de titel van erkend bemiddelaar of het illegaal uitoefenen van het beroep van erkend bemiddelaar gestraft worden.".
Art. 238. Dans le Code pénal, il est inséré un article 227quater rédigé comme suit :
  "Art. 227quater. Est puni d'une amende de deux cents euros à vingt mille euros :
  1° celui qui agit professionnellement en tant que médiateur au sens du Code judiciaire, sans figurer sur la liste des médiateurs agréés visée à l'article 1727 et sans être dispensé de l'agrément à l'exception de celui qui agit professionnellement en tant que médiateur au sens du Code judiciaire dans des litiges entre entreprises.
  2° celui qui, sans y être autorisé, s'attribue publiquement le titre professionnel de médiateur agréé et celui qui porte un titre ou ajoute à celui qu'il porte une mention pouvant prêter à confusion avec le titre professionnel de médiateur agréé.
  Est puni de la même peine quiconque apporte sa collaboration à un tiers ou lui prête son nom dans le but de le soustraire à la peine qui sanctionne le port illégal du titre de médiateur agréé ou l'exercice illégal de la profession de médiateur agréé.".
HOOFDSTUK 3. - Overgangsbepaling
Art.239.Les membres de la commission fédérale de médiation nommés selon les modalités prévues par la loi du 21 février 2005 modifiant le Code judiciaire en ce qui concerne la médiation au moment de l'entrée en vigueur des dispositions du titre 9 continuent d'exercer leur mandat jusqu'à ce que les nouveaux membres soient désignés en vertu de la présente loi. Pour garantir la continuité du fonctionnement de la Commission fédérale de médiation, sa structure et son fonctionnement tels qu'institués par la loi précitée du 21 février 2005 sont maintenus jusqu'à ce que tous les nouveaux membres de la Commission fédérale de médiation soient désignés en vertu des nouvelles dispositions du titre 9.
Art.239. De leden van de federale bemiddelingscommissie die op het tijdstip van de inwerkingtreding van de bepalingen van titel 9 zijn aangewezen volgens de nadere regels bepaald in de wet van 21 februari 2005 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek in verband met de bemiddeling, blijven hun mandaat uitoefenen tot de nieuwe leden krachtens deze wet zijn aangewezen. Om de continuïteit van de werking van de federale bemiddelingscommissie te waarborgen, worden haar structuur en werking zoals ingesteld door voornoemde wet van 21 februari 2005 gehandhaafd tot wanneer alle nieuwe leden van de federale bemiddelingscommissie krachtens de nieuwe bepalingen van titel 9 zijn aangewezen.
  De leden van de federale bemiddelingscommisie die zijn aangewezen volgens de regels bepaald in de wet van 21 februari 2005 en een eerste mandaat vervullen, kunnen zich in het kader van de nieuwe bepalingen betreffende de bemiddeling opnieuw kandidaat stellen.
  De bemiddelaars die erkend zijn op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet volgens de nadere regels bepaald door de wet van 21 februari 2005 zijn erkend als zodanig in de zin van deze wet.
  De dossiers die op de datum van inwerkingtreding van de bepalingen betreffende de bemiddeling aanhangig zijn voor de federale bemiddelingscommissie worden behandeld door de organen van de federale commissie, zulks op grond van hun respectieve bevoegdheid.
  De instanties voor de vorming van bemiddelaars die op 1 januari 2019 opleidingen verschaffen, overeenkomstig de oude artikelen 1726 en 1727 van het Gerechtelijk Wetboek, kunnen deze verder organiseren onder dezelfde vereisten en voorwaarden [1 tot 1 september 2020]1.
  Personen die de opleidingen bedoeld in het vijfde lid gevolgd hebben en met succes geslaagd zijn, kunnen de erkenning behouden [2 tot 1 september 2021]2 onder dezelfde vereisten en voorwaarden voorzien in de oude artikelen 1726 en 1727 van het Gerechtelijk Wetboek.
  Eens de erkenning is verworven, zijn ze als erkend bemiddelaar erkend in de zin van de bepalingen van titel 9 van deze wet.
  
Art. 239. Les membres de la commission fédérale de médiation nommés selon les modalités prévues par la loi du 21 février 2005 modifiant le Code judiciaire en ce qui concerne la médiation au moment de l'entrée en vigueur des dispositions du titre 9 continuent d'exercer leur mandat jusqu'à ce que les nouveaux membres soient désignés en vertu de la présente loi. Pour garantir la continuité du fonctionnement de la Commission fédérale de médiation, sa structure et son fonctionnement tels qu'institués par la loi précitée du 21 février 2005 sont maintenus jusqu'à ce que tous les nouveaux membres de la Commission fédérale de médiation soient désignés en vertu des nouvelles dispositions du titre 9.
  Les membres de la commission fédérale de médiation désignés selon les modalités prévues par la loi du 21 février 2005 et exerçant un premier mandat ont la possibilité de poser une nouvelle fois leur candidature dans le cadre des nouvelles dispositions concernant la médiation.
  Les médiateurs agréés au jour de l'entrée en vigueur de la présente loi selon les modalités prévues par la loi du 21 février 2005 sont reconnus comme tel au sens de la présente loi.
  Les dossiers pendants devant la commission fédérale de médiation à la date de l'entrée en vigueur des dispositions concernant la médiation sont traités par les organes de la commission fédérale en fonction de leur compétence respective.
  Les organes de formation des médiateurs qui, au 1er janvier 2019, dispensent des formations, conformément aux anciens articles 1726 et 1727 du Code judiciaire, peuvent continuer à les organiser selon les mêmes conditions et modalités [1 jusqu'au 1er septembre 2020]1.
  Les personnes ayant suivi et réussi avec succès les formations visées à l'alinéa 5, pourront obtenir l'agrément [2 jusqu'au 1er septembre 2021]2 selon les mêmes conditions et modalités que celles prévues aux articles 1726 et 1727 anciens du Code judiciaire.
  Une fois cet agrément obtenu, elles sont reconnues comme médiateur agréé au sens des dispositions du titre 9 de la présente loi.
  
HOOFDSTUK 4. - Inwerkingtreding
Art.240. Les articles 215 à 221 et les articles 227 à 237 entrent en vigueur le 1er janvier 2019.
Art.240. De artikelen 215 tot 221 en de artikelen 227 tot 237 treden in werking op 1 januari 2019.
  De Koning kan voor iedere bepaling ervan een datum van inwerkingtreding bepalen voorafgaand aan de datum vermeld in het eerste lid.
Art. 240. Les articles 215 à 221 et les articles 227 à 237 entrent en vigueur le 1er janvier 2019.
  Le Roi peut fixer une date d'entrée en vigueur antérieure à celle mentionnée à l'alinéa 1er pour chacune de ses dispositions.
TITEL 10. - Wijzigingen van de wet van 31 januari 2007 inzake de gerechtelijke opleiding en kennisbeheer en tot oprichting van het Instituut voor gerechtelijke opleiding
Art.241. L'article 3, alinéa 2, de la loi du 31 janvier 2007 sur la formation judiciaire et la gestion des connaissances et portant création de l'Institut de formation judiciaire, modifié par la loi du 6 juillet 2017, est complété par le 4° rédigé comme suit :
Art.241. Artikel 3, tweede lid, van de wet van 31 januari 2007 inzake de gerechtelijke opleiding en kennisbeheer en tot oprichting van het Instituut voor gerechtelijke opleiding, gewijzigd bij de wet van 6 juli 2017, wordt aangevuld met de bepaling onder 4°, luidende:
  "4° het strategisch en operationeel beleid van de juridische documentatie voor de rechterlijke orde."
Art. 241. L'article 3, alinéa 2, de la loi du 31 janvier 2007 sur la formation judiciaire et la gestion des connaissances et portant création de l'Institut de formation judiciaire, modifié par la loi du 6 juillet 2017, est complété par le 4° rédigé comme suit :
  "4° la gestion stratégique et opérationnelle de la documentation juridique pour l'ordre judiciaire."
Art.242. In artikel 13, eerste lid, 1°, van dezelfde wet worden de woorden "de opdracht bedoeld in artikel 8" vervangen door de woorden "de opdrachten bedoeld in de artikelen 8 en 8/1".
Art.243. Dans l'article 38 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 19 décembre 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  a) l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  "L'Institut dispose des ressources budgétaires fournies par des crédits inscrits au budget administratif du Service public fédéral Justice pour :
  1° l'organisation et le fonctionnement généraux de formations;
  2° le financement de la gestion stratégique et opérationnelle de la documentation juridique pour l'Ordre judiciaire.";
  b) dans l'alinéa 2, les mots "Ces crédits" sont remplacés par les mots "Ces ressources budgétaires pour l'organisation et le fonctionnement généraux des formations visés à l'alinéa 1er, 1° ".
Art.243. In artikel 38 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 19 december 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) het eerste lid wordt vervangen als volgt:
  "Het Instituut beschikt over begrotingsmiddelen, via kredieten die zijn ingeschreven op de administratieve begroting van de Federale Overheidsdienst Justitie, voor :
  1° de algemene werking en organisatie van opleidingen;
  2° de financiering van het strategisch en operationeel beleid van de juridische documentatie voor de rechterlijke orde.";
  b) in het tweede lid worden de woorden "Deze kredieten" vervangen door de woorden "De begrotingsmiddelen voor de algemene werking en organisatie van opleidingen bedoeld in het eerste lid, 1° ".
Art. 243. Dans l'article 38 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 19 décembre 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  a) l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  "L'Institut dispose des ressources budgétaires fournies par des crédits inscrits au budget administratif du Service public fédéral Justice pour :
  1° l'organisation et le fonctionnement généraux de formations;
  2° le financement de la gestion stratégique et opérationnelle de la documentation juridique pour l'Ordre judiciaire.";
  b) dans l'alinéa 2, les mots "Ces crédits" sont remplacés par les mots "Ces ressources budgétaires pour l'organisation et le fonctionnement généraux des formations visés à l'alinéa 1er, 1° ".
Art. 244. Artikel 243 treedt in werking op 1 januari 2019.
Art. 244. L'article 243 entre en vigueur le 1er janvier 2019.