Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
25 MEI 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 april 2016 houdende de toekenning en de erkenning van bijkomende bedden met een bijzondere erkenning als rust- en verzorgingstehuis
Titre
25 MAI 2018. - Arrêté du Gouvernement flamand modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 avril 2016 portant attribution et agrément de lits supplémentaires disposant d'un agrément spécial comme maison de repos et de soins
Informations sur le document
Numac: 2018012847
Datum: 2018-05-25
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2018012847
Date: 2018-05-25
Moniteur: Voir
Tekst (8)
Texte (8)
Artikel 1. Aan artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 april 2016 houdende de toekenning en de erkenning van bijkomende bedden met een bijzondere erkenning als rust- en verzorgingstehuis worden een punt 7° en een punt 8° toegevoegd, die luiden als volgt:
"7° bijkomende bedden: de bedden die opgenomen zijn in de planning waarvoor nog geen bijzondere erkenning als rust- en verzorgingstehuis of geen planningsvergunning werd verleend;
8° vrijgekomen bedden: de bedden waarvoor de planningsvergunning vervalt met toepassing van artikel 12 van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 februari 1997 tot vaststelling van de procedure voor het verkrijgen van een planningsvergunning en een exploitatievergunning voor intramurale en transmurale voorzieningen in de gezondheidszorg of met toepassing van artikel 46 van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014 tot vaststelling van de procedures voor de gezondheidszorgvoorzieningen.".
Article 1er. A l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 avril 2016 portant attribution et agrément de lits supplémentaires disposant d'un agrément spécial comme maison de repos et de soins, il est ajouté des points 7° et 8°, rédigés comme suit :
" 7° lits supplémentaires : les lits repris dans la planification, pour lesquels aucun agrément spécial comme maison de repos et de soins ou aucune autorisation de planification n'ont été accordés ;
8° lits libérés : les lits pour lesquels l'autorisation de planification échoit en application de l'article 12 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 février 1997 fixant la procédure d'obtention d'une autorisation de planification et d'une autorisation d'exploitation pour les établissements dispensant des soins intra-muros et trans-muros ou en application de l'article 46 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 25 avril 2014 fixant les procédures pour les structures de soins de santé. "
Art. 2. Aan artikel 2 van hetzelfde besluit wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Voor de toepassing van dit besluit gelden de volgende afrondingsregels, waarbij met het cijfer dat volgt op de af te ronden decimaal geen rekening wordt gehouden als het lager is dan vijf en de af te ronden decimaal met een eenheid wordt verhoogd als dat cijfer gelijk is aan of hoger is dan vijf:
1° voor de berekening van de verdeling van het aantal bijkomende en vrijgekomen bedden tussen woonzorgcentra die nog niet erkend zijn als rust- en verzorgingstehuis of nog niet over een planningsvergunning beschikken en de woonzorgcentra die wel al erkend zijn als rust- en verzorgingstehuis of over een planningsvergunning beschikken: de berekening wordt afgerond naar het bovenliggende veelvoud van 25;
2° voor de berekening van het gemiddelde aantal bewoners: de berekeningen worden afgerond tot twee cijfers na de komma;
3° voor de berekening van de RVT-dekkingsgraad: de berekeningen worden afgerond tot vier cijfers na de komma;
4° voor de toewijzing van het aantal bedden met een bijzondere erkenning als rust- en verzorgingstehuis: de berekening wordt afgerond tot het bovenliggende gehele getal.".
Art. 2. L'article 2 du même arrêté est complété par un deuxième alinéa, rédigé comme suit :
" Pour l'application du présent arrêté les règles suivantes sont appliquées pour les arrondis, en négligeant le chiffre suivant la décimale à arrondir s'il est inférieur à cinq et en portant la décimale à arrondir à l'unité supérieure si ce chiffre est égal ou supérieur à cinq :
1° pour le calcul de la répartition du nombre de lits supplémentaires et libérés entre les centres de soins résidentiels qui n'ont pas encore été agréés comme maison de repos et de soins ou qui ne disposent pas encore d'une autorisation de planification et les centres de soins résidentiels qui ont déjà été agréés comme maison de repos et de soins ou qui disposent d'une autorisation de planification : le calcul est arrondi au multiple supérieur de 25 ;
2° pour le calcul du nombre moyen d'habitants : les calculs sont arrondis à deux chiffres après la virgule ;
3° pour le calcul du degré de couverture RVT : les calculs sont arrondis à quatre chiffres après la virgule ;
4° pour l'attribution du nombre de lits disposant d'un agrément spécial comme maison de repos et de soins : le calcul est arrondi à l'unité supérieure. ".
Art. 3. Artikel 3 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 2017, worden vervangen door wat volgt:
"Art. 3. Dit besluit regelt de toekenning en erkenning van de bijkomende en vrijgekomen bedden met een bijzondere erkenning als rust- en verzorgingstehuis die opgenomen zijn in de planning. "
Art. 3. L'article 3 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 avril 2017, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 3. Le présent arrêté règle l'attribution et l'agrément des lits supplémentaires et libérés disposant d'un agrément spécial comme maison de repos et de soins qui ont été repris dans la planification. "
Art. 4. Artikel 4 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 2017, worden vervangen door wat volgt:
"Art. 4. § 1. In dit artikel wordt verstaan onder:
1° bewoners met een zorgprofiel B, C, Cd, Cc of D: de bewoners met een afhankelijkheidscategorie als vermeld in artikel 148, 3°, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;
2° referentieperiode: de referentieperiode, vermeld in artikel 1, 3° van het ministerieel besluit van 6 november 2003 tot vaststelling van het bedrag en de voorwaarden voor de toekenning van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 37, § 12, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, in de rust- en verzorgingstehuizen en in de rustoorden voor bejaarden:
a) voor de bijkomende bedden: de meest recente afgesloten referentieperiode vanaf de inwerkingtreding van de geldende planning en rekening houdende met de termijn van dertig dagen, vermeld in artikel 35, eerste lid, van het voormelde ministerieel besluit;
b) voor de vrijgekomen bedden: de meest recente afgesloten referentieperiode op 1 januari volgend op het jaar waarin de planningsvergunning vervallen is.
§ 2. De bijkomende en vrijgekomen bedden met een bijzondere erkenning als rust- en verzorgingstehuis die opgenomen zijn in de planning worden toegekend op de wijze, vermeld in paragraaf 3 tot en met 7.
§ 3. Het gemiddelde aantal bewoners wordt berekend op basis van de ligdagen die meegedeeld worden in het kader van de berekening van het instellingsforfait.
Voor woonzorgcentra waaraan een eerste erkenning als woonzorgcentrum is verleend tijdens de referentieperiode, wordt bij de berekening van het gemiddelde aantal bewoners rekening gehouden met de ingangsdatum van de eerste erkenning.
In het eerste lid wordt verstaan onder berekening van het instellingsforfait: de berekening van de forfaitaire tegemoetkoming, vermeld in hoofdstuk III van het ministerieel besluit van 6 november 2003 tot vaststelling van het bedrag en de voorwaarden voor de toekenning van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 37, § 12, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, in de rust- en verzorgingstehuizen en in de rustoorden voor bejaarden.
Bij woonzorgcentra waarvan het erkenningsnummer tijdens de referentieperiode wordt stopgezet omdat de erkenning van de woongelegenheden overgedragen wordt aan een ander woonzorgcentrum, worden de gegevens over het gemiddelde aantal bewoners toegevoegd aan de gegevens van het andere woonzorgcentrum voor de berekening van het gemiddelde aantal bewoners tijdens de referentieperiode.
§ 4. Een derde van de bijkomende of vrijgekomen bedden met een bijzondere erkenning als rust- en verzorgingstehuis die opgenomen zijn in de planning wordt toegewezen aan woonzorgcentra die op het einde van de referentieperiode nog niet erkend zijn als rust- en verzorgingstehuis en niet beschikken over een planningsvergunning en tijdens de referentieperiode minstens gemiddeld 25 bewoners huisvestten met een zorgprofiel B, C, Cd en D.
Er worden 25 RVT-bedden toegekend aan de woonzorgcentra die in aanmerking komen conform de criteria, vermeld in het eerste lid.
Als de beschikbare middelen onvoldoende zijn om aan elk woonzorgcentrum dat in aanmerking komt 25 bedden toe te kennen, wordt voorrang gegeven aan die woonzorgcentra waar het aantal bewoners met een zorgprofiel B, C, Cd en D het hoogste is ten opzichte van het totale aantal bewoners van het woonzorgcentrum tijdens de referentieperiode.
§ 5. Het saldo wordt toegekend aan woonzorgcentra die als rust- en verzorgingstehuis erkend zijn of over een planningsvergunning beschikken op het einde van de referentieperiode.
Woonzorgcentra met een lagere RVT-dekkingsgraad genieten een hogere prioriteit dan woonzorgcentra met een hogere RVT-dekkingsgraad.
De RVT-dekkingsgraad wordt als volgt berekend: het aantal erkende RVT-bedden plus het aantal bedden met een planningsvergunning op het einde van de referentieperiode, gedeeld door het gemiddelde aantal bewoners met een zorgprofiel B, C, Cd, Cc of D in ROB en RVT tijdens de referentieperiode.
Als meerdere woonzorgcentra in aanmerking komen, wordt voorrang gegeven aan die woonzorgcentra waar het aantal bewoners met een zorgprofiel B, C, Cd, Cc en D het hoogste is ten opzichte van het totale aantal bewoners van het woonzorgcentrum tijdens de referentieperiode.
§ 6. De volgende woonzorgcentra komen niet in aanmerking voor de toekenning conform paragraaf 4 en 5:
1° woonzorgcentra waarvan de erkenning als rust- en verzorgingstehuis of de erkenning als woonzorgcentrum na de referentieperiode geheel of gedeeltelijk is ingetrokken;
2° woonzorgcentra waarvan de erkenning als rust- en verzorgingstehuis of de erkenning als woonzorgcentrum na de referentieperiode geheel of gedeeltelijk is geschorst;
3° woonzorgcentra waarvan de uitbating vrijwillig is stopgezet na de referentieperiode.
§ 7. Woonzorgcentra waarvan een gedeelte van de erkenning als rust- en verzorgingstehuis tijdens de drie voorbije referentieperiodes op eigen initiatief overgedragen is aan een ander woonzorgcentrum, komen niet in aanmerking voor de toekenning conform paragraaf 4 en 5.".
Art. 4. L'article 4 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 avril 2017, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 4. § 1er. Dans le présent article, on entend par :
1° habitants ayant un profil de soins B, C, Cd, Cc ou D : les habitants ayant une catégorie de dépendance telle que visée à l'article 148, 3°, de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 portant exécution de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994 ;
2° période de référence : la période de référence, telle que visée à l'article 1er, 3° de l'arrêté ministériel du 6 novembre 2003 fixant le montant et les conditions d'octroi de l'intervention visée à l'article 37, § 12, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, dans les maisons de repos et de soins et dans les maisons de repos pour personnes âgées :
a) pour les lits supplémentaires : la période de référence la plus récemment clôturée à partir de l'entrée en vigueur de la planification applicable et prenant en compte le délai de trente jours, tel que visé à l'article 35, alinéa premier, de l'arrêté ministériel susvisé;
b) pour les lits libérés : la période de référence la plus récemment clôturée au 1er janvier suivant l'année dans laquelle l'autorisation de planification est échue.
§ 2. Les lits supplémentaires et libérés disposant d'un agrément spécial comme maison de repos et de soins, repris dans la planification, sont attribués suivant les modalités prévues aux paragraphes 3 à 7.
§ 3. Le nombre moyen d'habitants est calculé sur la base des journées d'hospitalisation qui sont communiquées dans le cadre du calcul du forfait des institutions.
Pour ce qui est des centres de soins résidentiels auxquels a été octroyé un premier agrément comme centre de soins résidentiels pendant la période de référence, il est tenu compte de la date d'entrée en vigueur du premier agrément pour le calcul du nombre moyen d'habitants.
Dans l'alinéa premier on entend par calcul du forfait des institutions : le calcul de l'allocation forfaitaire visée dans le chapitre III de l'arrêté ministériel du 6 novembre 2003 fixant le montant et les conditions d'octroi de l'intervention visée à l'article 37, § 12, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, dans les maisons de repos et de soins et dans les maisons de repos pour personnes âgées.
Pour les centres de soins résidentiels dont le numéro d'agrément est arrêté pendant la période de référence vu que l'agrément des unités de logement est transféré à un autre centre de soins résidentiels, les données relatives au nombre moyen d'habitants sont ajoutées aux données de l'autre centre de soins résidentiels pour le calcul du nombre moyen d'habitants pendant la période de référence.
§ 4. Un tiers des lits supplémentaires ou libérés disposant d'un agrément spécial comme maison de repos et de soins qui ont été repris dans la planification est attribué aux centres de soins résidentiels qui n'ont pas encore été agréés comme maison de repos et de soins et qui ne disposent pas d'une autorisation de planification à la fin de la période de référence et qui logent en moyenne au moins 25 habitants au profil de soins B, C, Cd et D pendant la période de référence.
25 lits RVT sont attribués aux centres de soins résidentiels éligibles conformément aux critères visés dans l'alinéa premier.
Si les moyens disponibles ne suffisent pas pour attribuer 25 lits à chaque centre de soins résidentiels éligible, priorité est donnée aux centres de soins résidentiels au nombre le plus élevé d'habitants au profil de soins B, C, Cd et D par rapport au nombre total d'habitants du centre de soins résidentiels pendant la période de référence.
§ 5. Le solde est attribué aux centres de soins résidentiels qui ont été agréés comme maison de repos et de soins ou qui disposent d'une autorisation de planification à la fin de la période de référence.
Les centres de soins résidentiels ayant un degré de couverture RVT moins important ont la priorité sur les centres de soins résidentiels ayant un degré de couverture RVT plus élevé.
Le degré de couverture RVT est calculé comme suit : le nombre de lits RVT agréés plus le nombre de lits disposant d'une autorisation de planification à la fin de la période de référence, divisé par le nombre moyen d'habitants au profil de soins B, C, Cd, Cc ou D logeant en ROB et RVT pendant la période de référence.
Si plusieurs centres de soins résidentiels sont éligibles, priorité est donnée aux centres de soins résidentiels au nombre le plus élevé d'habitants au profil de soins B, C, Cd, Cc et D par rapport au nombre total d'habitants du centre de soins résidentiels pendant la période de référence.
§ 6. Les centres de soins résidentiels suivants ne sont pas éligibles à l'attribution, conformément au paragraphe 4 et 5 :
1° les centres de soins résidentiels dont l'agrément comme maison de repos et de soins ou l'agrément comme centre de soins résidentiels a été retiré en tout ou en partie après la période de référence ;
2° les centres de soins résidentiels dont l'agrément comme maison de repos et de soins ou l'agrément comme centre de soins résidentiels a été retiré en tout ou en partie après la période de référence ;
3° les centres de soins résidentiels dont l'exploitation a été arrêtée à titre volontaire après la période de référence.
§ 7. Les centres de soins résidentiels dont une partie de l'agrément comme maison de repos et de soins a, de leur propre initiative, été transférée à un autre centre de soins résidentiels, ne sont pas éligibles à l'attribution conformément aux paragraphes 4 et 5. ".
Art. 5. Artikel 5 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 5. In afwijking van artikel 3 tot en met 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 februari 1997 tot vaststelling van de procedure voor het verkrijgen van een planningsvergunning en een exploitatievergunning voor intramurale en transmurale voorzieningen in de gezondheidszorg bezorgt de administrateur-generaal voor de bijkomende bedden een voornemen tot planningsvergunning aan de initiatiefnemers van de woonzorgcentra, vermeld in artikel 4 van dit besluit, binnen twee maanden vanaf de inwerkingtreding van de geldende planning.
Voor vrijgekomen bedden bezorgt de administrateur-generaal een voornemen tot planningsvergunning aan de initiatiefnemers van de woonzorgcentra, vermeld in artikel 4 van dit besluit, uiterlijk op 28 februari van het jaar dat volgt op het jaar waarin de planningsvergunning vervalt.".
Art. 5. L'article 5 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Art. 5. Par dérogation aux articles 3 à 9 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 février 1997 fixant la procédure d'obtention d'une autorisation de planification et d'une autorisation d'exploitation pour les établissements dispensant des soins intra-muros et trans-muros, l'administrateur général transmet aux initiateurs des centres de soins résidentiels visés à l'article 4 du présent arrêté, dans les deux mois de l'entrée en vigueur de la planification applicable, une intention d'autorisation de planification pour les lits supplémentaires.
L'administrateur général transmet aux initiateurs des centres de soins résidentiels visés à l'article 4 du présent arrêté, au plus tard le 28 février de l'année suivant l'année dans laquelle l'autorisation de planification échoit, une intention d'autorisation de planification pour les lits libérés. ".
Art. 6. Artikel 7 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 2017, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 7. § 1. Woonzorgcentra die nog niet erkend zijn als rust- en verzorgingstehuis en die met toepassing van artikel 5 van dit besluit een voornemen tot planningsvergunning ontvangen, kunnen voor de bijkomende of vrijgekomen bedden erkend worden als rust- en verzorgingstehuis, als ze voldoen aan al de volgende voorwaarden:
1° ze dienen een aanvraag tot erkenning aangetekend in bij het agentschap conform artikel 32 van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014 tot vaststelling van de procedures voor de gezondheidszorgvoorzieningen;
2° ze voegen een verslag toe van de gebruikersraad waaruit blijkt dat de gebruikers geïnformeerd zijn over de bestemming van de bijkomende RVT-middelen.
§ 2. Woonzorgcentra die erkend zijn als rust- en verzorgingstehuis en die met toepassing van artikel 5 een voornemen tot planningsvergunning ontvangen, kunnen voor de bijkomende of vrijgekomen bedden erkend worden als rust- en verzorgingstehuis, op voorwaarde dat ze een aanvraag tot erkenning aangetekend indienen bij het agentschap.
In afwijking van artikel 32 van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014 tot vaststelling van de procedures voor de gezondheidszorgvoorzieningen is een aanvraag tot erkenning ontvankelijk als ze al de volgende documenten bevat:
1° een nota met vermelding van het statuut van de aanvrager, de voor- en achternaam van de verantwoordelijke beheerder en de ingangsdatum van de erkenning;
2° een lijst van de personeelsleden met vermelding van hun voor- en achternaam, hun kwalificatie en hun arbeidsduur per week waaruit blijkt dat aan de personeelsnormen voldaan is vanaf de gevraagde ingangsdatum van de erkenning;
3° voor woonzorgcentra die met toepassing van artikel 5 van dit besluit een voornemen tot planningsvergunning ontvangen voor vijf of meer bedden met een bijzondere erkenning als rust- en verzorgingstehuis:
a) het verslag van de gebruikersraad waaruit blijkt dat de gebruikers geïnformeerd zijn over de bestemming van de bijkomende RVT-middelen.
b) een attest waarin bevestigd wordt dat er een overleg heeft plaatsgehad met de representatieve vertegenwoordigers van de werknemers, of bij ontstentenis hiervan met de werknemers zelf, over hoe de bijkomende RVT-middelen besteed zullen worden, en waarbij voor die besteding gekozen werd tussen bijkomende tewerkstelling met vermelding van het aantal VTE op jaarbasis, een vermindering van het verlies en/of een verlaging van de dagprijs met vermelding van het aantal euro waarvoor een dagprijsaanpassing wordt aangevraagd.
Het agentschap voorziet hiervoor een verplicht te gebruiken modelformulier.
§ 3. Woonzorgcentra met meerdere vestigingen die zijn erkend onder hetzelfde erkenningsnummer met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2014 houdende de regels voor de erkenning van meerdere vestigingen van een woonzorgcentrum, een centrum voor kortverblijf of een rust- en verzorgingstehuis als één woonzorgcentrum, één centrum voor kortverblijf of één rust- en verzorgingstehuis delen bij de aanvraag tot erkenning aan het agentschap mee hoeveel bedden ze in welke vestiging willen laten erkennen.
§ 4. Voor woonzorgcentra waarvoor een procedure tot weigering, schorsing of intrekking van de erkenning loopt en die met toepassing van artikel 5 een voornemen tot planningsvergunning ontvangen, wordt de erkenning van nieuwe RVT-bedden opgeschort in afwachting van de beslissing in dat dossier. De beslissing over de weigering, schorsing en intrekking van de erkenning vermeldt of en, als dat van toepassing is, vanaf welke ingangsdatum de erkenning kan worden aangevraagd voor de RVT-bedden waarvoor de initiatiefnemer met toepassing van artikel 5 een voornemen tot planningsvergunning heeft ontvangen.
§ 5. Voor bijkomende bedden hebben de woonzorgcentra de keuze om de erkenning te laten ingaan op 1 januari, 1 april, 1 juli of 1 oktober van het jaar waarin de bijkomende bedden met een bijzondere erkenning als rust- en verzorgingstehuis zijn opgenomen in de planning.
In afwijking van het eerste lid hebben de woonzorgcentra voor de bijkomende bedden in 2018 de keuze om de erkenning te laten ingaan op 1 april 2018, 1 juli 2018 of 1 oktober 2018.
Voor vrijgekomen bedden hebben de woonzorgcentra de keuze om de erkenning te laten ingaan op 1 januari, 1 april, 1 juli of 1 oktober volgend op het jaar waarin de planningsvergunning vervalt.".
Art. 6. L'article 7 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 avril 2017, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 7. § 1er. Les centres de soins résidentiels qui n'ont pas encore été agréés comme maison de repos et de soins et qui, en application de l'article 5 du présent arrêté, reçoivent une intention d'autorisation de planification, peuvent être agréés comme maison de repos et de soins pour les lits supplémentaires ou libérés, s'ils répondent à toutes les conditions suivantes:
1° ils introduisent une demande d'agrément par lettre recommandée auprès de l'agence, conformément à l'article 32 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 25 avril 2014 fixant les procédures pour les structures de soins de santé ;
2° ils y joignent un rapport du conseil des usagers, d'où il ressort que les usagers sont informés de l'affectation des moyens RVT supplémentaires.
§ 2. Les centres de soins résidentiels qui ont été agréés comme maison de repos et de soins et qui reçoivent une intention d'autorisation de planification en application de l'article 5, peuvent être agréés pour les lits supplémentaires ou libérés comme maison de repos et de soins, à condition qu'ils introduisent une demande d'agrément auprès de l'agence par lettre recommandée .
Par dérogation à l'article 32 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 25 avril 2014 fixant les procédures pour les structures de soins de santé, une demande d'agrément est recevable si elle contient tous les documents suivants :
1° une note mentionnant le statut du demandeur, le prénom et le nom du gestionnaire responsable et la date d'entrée en vigueur de l'agrément ;
2° une liste des membres du personnel mentionnant leurs prénoms et noms, leurs qualifications et leur durée de travail par semaine, d'où il ressort qu'il a été satisfait aux normes du personnel à partir de la date demandée d'entrée en vigueur de l'agrément ;
3° pour les centres de soins résidentiels qui, en application de l'article 5 du présent arrêté, reçoivent une intention d'autorisation de planification pour cinq lits ou plus disposant d'un agrément spécial comme maison de repos et de soins :
a) le rapport du conseil des usagers, d'où il ressort que les usagers sont informés de l'affectation des moyens RVT supplémentaires.
b) une attestation dans laquelle il est confirmé qu'une concertation a eu lieu avec les représentants des travailleurs, ou en l'absence de ceux-là, avec les travailleurs eux-mêmes, ayant comme sujet l'affectation des moyens RVT supplémentaires, et stipulant que de l'emploi supplémentaire a été choisi pour cette affectation, avec mention du nombre d'ETP sur une base annuelle, ou une réduction des pertes et/ou une baisse du prix à la journée, avec mention du montant en euros pour lequel un ajustement du prix à la journée est demandé.
L'agence prévoit un formulaire type à cette fin, à utiliser obligatoirement.
§ 3. Les centres de soins résidentiels à plusieurs implantations qui sont agréés sous le même numéro d'agrément par application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 mai 2014 fixant les règles régissant l'agrément de plusieurs implantations d'un centre de services de soins et de logement, d'un centre de court séjour ou d'une maison de repos et de soins comme un seul centre de services de soins et de logement, un seul centre de court séjour ou une seule maison de repos et de soins, communiquent à l'agence et lors de la demande d'agrément, le nombre de lits qu'ils entendent laisser agréer et l'implantation où l'agrément sera effectué.
§ 4. Pour les centres de soins résidentiels qui font l'objet d'une procédure de refus, de suspension ou de retrait de l'agrément et qui, par application de l'article 5, reçoivent une intention d'autorisation de planification, l'agrément de nouveaux lits RVT est suspendu dans l'attente de la décision dans ce dossier. La décision quant au refus, à la suspension et au retrait de l'agrément mentionne si et, si d'application, à partir de quelle date d'entrée en vigueur, l'agrément peut être demandé pour les lits RVT pour lesquels l'initiateur a reçu une intention d'autorisation de planification par application de l'article 5.
§ 5. Pour les lits supplémentaires, les centres de soins résidentiels ont le choix de laisser entrer en vigueur l'agrément le 1er janvier, le 1er avril, le 1er juillet ou le 1er octobre de l'année dans laquelle les lits supplémentaires disposant d'un agrément spécial comme maison de repos et de soins ont été repris dans la planification.
Par dérogation à l'alinéa premier, les centres de soins résidentiels ont le choix en 2018 de laisser entrer en vigueur l'agrément pour les lits supplémentaires le 1er avril 2018, le 1er juillet 2018 ou le 1er octobre 2018.
Pour les lits libérés les centres de soins résidentiels ont le choix de laisser entrer en vigueur l'agrément le 1er janvier, le 1er avril, le 1er juillet ou le 1er octobre suivant l'année dans laquelle l'autorisation de planification échoit. ".
Art. 7. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 april 2018.
Art. 7. Le présent arrêté produit ses effets le 1 avril 2018.
Art. 8. De Vlaamse minister, bevoegd voor het gezondheidsbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 8. Le Ministre flamand qui a la politique en matière de santé dans ses attributions, est chargé de l'exécution du présent arrêté.