Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
15 APRIL 2018. - Wet houdende hervorming van het ondernemingsrecht
Titre
15 AVRIL 2018. - Loi portant réforme du droit des entreprises
Informations sur le document
Numac: 2018011795
Datum: 2018-04-15
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2018011795
Date: 2018-04-15
Moniteur: Voir
Tekst (278)
Texte (278)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition générale
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
HOOFDSTUK 2. - Wijziging van het Burgerlijk Wetboek
CHAPITRE 2. - Modification du Code civil
Art. 2. In boek III, titel III, hoofdstuk VI van het Burgerlijk Wetboek, wordt een afdeling 2/1 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 2/1. Bewijs door en tegen ondernemingen".
Art. 2. Dans le livre III, titre III, chapitre VI, du Code civil, il est inséré une section 2/1 intitulée :
  "Section 2/1. De la preuve par et contre les entreprises".
Art. 3. In afdeling 2/1, ingevoegd bij artikel 2, wordt een artikel 1348bis ingevoegd, luidende :
  "Art. 1348bis. Bewijs door en tegen ondernemingen.
  § 1. Bewijs kan tussen ondernemingen of tegen ondernemingen, zoals omschreven in artikel I.1, eerste lid, van het Wetboek van economisch recht worden geleverd door alle middelen van recht, tenzij de wet anders bepaalt.
  Het eerste lid is niet van toepassing op de ondernemingen wanneer zij voornemens zijn te bewijzen tegen een partij die geen onderneming is. Partijen die geen onderneming zijn en die tegen een onderneming wensen te bewijzen, kunnen alle middelen van recht gebruiken.
  Het eerste lid is evenmin van toepassing tegen natuurlijke personen die een onderneming uitoefenen, ter zake van het bewijs van rechtshandelingen die kennelijk vreemd zijn aan de onderneming.
  § 2. De boekhouding van een onderneming kan door de rechter aangenomen worden om als bewijs te dienen tussen ondernemingen.
  De boekhouding van een onderneming levert geen bewijs op tegen personen die geen onderneming zijn, behoudens de bepalingen inzake de eed.
  De boekhouding van een onderneming levert bewijs op tegen haar. De boekhouding mag niet ten nadele van de onderneming worden gesplitst.
  § 3. De rechter kan, op verzoek of ambtshalve, in de loop van een geding de openlegging bevelen van het geheel of van een gedeelte van de boekhouding van een onderneming betreffende het te onderzoeken geschil. De rechter kan daarbij maatregelen opleggen om de vertrouwelijkheid van de desbetreffende stukken te vrijwaren.
  § 4. Een door een onderneming aanvaarde factuur levert bewijs op tegen deze onderneming .".
Art. 3. Dans la section 2/1, inséré par l'article 2, il est inséré un article 1348bis, rédigé comme suit :
  "Art. 1348bis. Preuve par et contre les entreprises.
  § 1er. A l'égard des entreprises ou entre entreprises, telles que définies à l'article I.1, alinéa 1er, du Code de droit économique, la preuve peut être apportée par tous les moyens de droit, sauf si la loi en dispose autrement.
  L'alinéa 1er ne s'applique pas aux entreprises lorsqu'elles entendent prouver contre une partie qui n'est pas une entreprise. Les parties qui ne sont pas une entreprise qui souhaitent prouver contre une entreprise peuvent utiliser tous les moyens de droit.
  L'alinéa 1er ne s'applique pas non plus, à l'égard des personnes physiques exerçant une entreprise, à la preuve des actes manifestement étrangers à l'entreprise.
  § 2. La comptabilité d'une entreprise peut être admise par le juge pour faire preuve entre entreprises.
  La comptabilité d'une entreprise n'a pas de force probante contre des personnes qui ne sont pas des entreprises, sauf en ce qui concerne les dispositions relatives au serment.
  La comptabilité d'une entreprise a force probante contre elle. La comptabilité ne peut être divisée contre l'entreprise.
  § 3. Le juge peut, sur demande ou d'office, au cours d'un procès ordonner la représentation de tout ou partie de la comptabilité d'une entreprise concernant le litige à examiner. Le juge peut en outre imposer des mesures afin de garantir la confidentialité des pièces concernées.
  § 4. Une facture acceptée par une entreprise a force probante à l'égard de cette entreprise.".
HOOFDSTUK 3. - Wijziging van het Strafwetboek
CHAPITRE 3. - Modification du Code pénal
Art. 4. In artikel 489 van het Strafwetboek, vervangen bij de wet van 8 augustus 1997 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de woorden "artikel XX.1, § 1," vervangen door de woorden "artikel I.1, eerste lid, 1° ".
Art. 4. Dans l'article 489 du Code pénal, remplacé par la loi du 8 août 1997 et modifié en dernier lieu par la loi du 11 août 2017, les mots "l'article XX.1er, § 1er" sont remplacés par les mots "l'article I.1, alinéa 1er, 1° ".
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
CHAPITRE 4. - Modifications du Code judiciaire
Art. 5. In artikel 85, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 8 mei 2014, worden de woorden "voorzitter in handelszaken" vervangen door de woorden "voorzitter in ondernemingszaken".
Art. 5. Dans le texte néerlandais de l'article 85, alinéa 3, du Code judiciaire, modifié en dernier lieu par la loi du 8 mai 2014, les mots "voorzitter in handelszaken" sont remplacés par les mots "voorzitter in ondernemingszaken".
Art. 6. In artikel 203, derde lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 22 december 1998, 10 april 2014 en 8 mei 2014, worden de woorden "representatieve professionele of interprofessionele organisaties uit de handel of de nijverheid" vervangen door de woorden "representatieve professionele of interprofessionele organisaties of federaties, met inbegrip van een orde, een instituut van beoefenaars van vrije beroepen of een andere representatieve professionele of interprofessionele organisatie in de nijverheids- of de verenigingssector.".
Art. 6. Dans l'article 203, alinéa 3, du même Code, modifié par les lois du 22 décembre 1998, 10 avril 2014 et 8 mai 2014, les mots "organisations professionnelles ou interprofessionnelles représentatives du commerce ou de l'industrie" sont remplacés par les mots "organisations ou fédérations professionnelles ou interprofessionnelles représentatives, y inclut un ordre, institut de titulaires de professions libérales ou autre association professionnelle ou interprofessionnelle représentative de l'industrie ou du secteur associatif.".
Art. 7. In artikel 205 van hetzelfde Wetboek worden het eerste tot derde lid vervangen als volgt :
  "Om tot werkend of plaatsvervangend rechter in ondernemingszaken te worden benoemd, dient de kandidaat de leeftijd van dertig jaar te hebben bereikt, ten minste vijf jaar met ere een onderneming waarvan de hoofdvestiging zich in België bevindt of een representatieve professionele of interprofessionele organisatie of federatie van ondernemingen hebben geleid, met inbegrip van een orde of instituut van een vrij beroep of een andere representatieve professionele of interprofessionele vereniging in nijverheid of in de verenigingssector, of vertrouwd zijn met het bestuur van een onderneming en met boekhouden.
  Aan het bestuur van een onderneming worden geacht deel te nemen :
  1° indien het een vennootschap onder firma betreft : de vennoten;
  2° indien het een commanditaire vennootschap betreft : de werkende vennoten;
  3° indien het een andere rechtspersoon betreft : de bestuurders of de zaakvoerders;
  4° de personeelsleden die in de onderneming een leidinggevende functie uitoefenen.
  5° indien het een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid betreft : de vennoten, met uitzondering van diegenen die hun aansprakelijkheid hebben beperkt;
  6° de beoefenaars van een vrij beroep;
  7° de landbouwers, natuurlijke personen.
  Worden geacht deel te nemen aan het bestuur van een representatieve professionele of interprofessionele organisatie, met inbegrip een orde of een instituut van een vrij beroep of een andere representatieve professionele of interprofessionele organisatie in de industrie of de verenigingssector: de bestuurders of de zaakvoerders en iedere persoon die in de bedoelde organisatie of federatie bestendig een leidende functie waarneemt.".
Art. 7. A l'article 205 du même code, les alinéas 1er à 3 sont remplacés par ce qui suit :
  "Pour pouvoir être nommé juge consulaire, effectif ou suppléant, le candidat doit être âgé de trente ans accomplis et avoir, pendant cinq ans au moins, avec honneur, dirigé ou participé à la direction d'une entreprise ayant son principal établissement en Belgique ou à la gestion d'une organisation ou fédération professionnelle ou interprofessionnelle représentative, y inclut un ordre, institut de titulaires de professions libérales ou autre association professionnelle ou interprofessionnelle représentative de l'industrie ou du secteur associatif ou avoir de l'expérience en matière de gestion d'entreprises et de comptabilité.
  Sont considérés comme participant à la gestion d'une entreprise :
  1° s'il s'agit d'une société en nom collectif : les associés;
  2° s'il s'agit d'une société en commandite : les associés commandités;
  3° s'il s'agit d'une autre personne morale : les administrateurs ou les gérants;
  4° les membres du personnel exerçant une fonction dirigeante au sein de l'entreprise;
  5° s'il s'agit d'une société sans personnalité juridique : les associés, exception faite de ceux qui ont limité leur responsabilité;
  6° les titulaires d'une profession libérale;
  7° les agriculteurs, personnes physiques.
  Sont considérés comme participant à la direction d'une organisation ou fédération professionnelle ou interprofessionnelle représentative, y inclut un ordre, un institut de titulaires de professions libérales ou une autre association professionnelle ou interprofessionnelle représentative de l'industrie ou du secteur associatif, les administrateurs, les gérants, et toute personne exerçant à titre permanent une fonction dirigeante au sein de ladite organisation ou fédération.".
Art. 8. In artikel 300, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 5 mei 2014 en 4 mei 2016, worden de woorden "behoudens de uitoefening van het beroep van advocaat en van notaris en de bezigheden die hun daardoor geoorloofd zijn" ingevoegd tussen de woorden "als de werkende rechters" en de woorden ", met uitzondering van :".
Art. 8. Dans l'article 300, alinéa 2, du même Code, modifié par les lois des 5 mai 2014 et 4 mai 2016, les mots "sauf l'exercice des professions d'avocat et de notaire et les activités que celles-ci leur permettent" sont insérés entre les mots "que les juges effectifs" et les mots ", à l'exception :".
Art. 9. In artikel 569, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 31 juli 2017, wordt de bepaling onder 9° opgeheven.
Art. 9. Dans l'article 569, du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 31 juillet 2017, le 9° est abrogé.
Art. 10. In artikel 573 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 26 maart 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid wordt vervangen als volgt : "De ondernemingsrechtbank neemt in eerste aanleg kennis van de geschillen tussen ondernemingen als bedoeld in artikel I.1, 1°, van het Wetboek van economisch recht, die niet vallen onder de bijzondere bevoegdheid van andere rechtscolleges en die, wat betreft natuurlijke personen, betrekking hebben op een handeling die niet kennelijk vreemd is aan de onderneming.";
  2° in het tweede lid worden de woorden "eerste lid, 1° " vervangen door de woorden "eerste lid,".
Art. 10. Dans l'article 573 du même Code, modifié par la loi du 26 mars 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'alinéa 1er est remplacé comme suit : "Le tribunal de l'entreprise connaît en premier ressort des contestations entre entreprises visées à l'article I.1, 1°, du Code de droit économique, qui ne relèvent pas de la compétence spéciale d'autres juridictions et qui, en ce qui concerne les personnes physiques, ont trait à un acte qui n'est manifestement pas étranger à l'entreprise.";
  2° dans l'alinéa 2, les mots "l'alinéa 1er, 1° ", sont remplacés par les mots "l'alinéa 1er".
Art. 11. In artikel 574 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk vervangen door de wet van 26 maart 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de bepaling onder 1° wordt vervangen als volgt :
  "1° van geschillen ter zake van een vereniging met rechtspersoonlijkheid, stichting of vennootschap, met uitzondering van een vereniging van mede-eigenaars, evenals van geschillen die ontstaan tussen hun voormalige, actuele of toekomstige vennoten of leden met betrekking tot de betrokken vennootschap, stichting of vereniging;";
  2° de bepalingen onder 6° en 10° worden opgeheven.
  3° het artikel wordt aangevuld met een bepaling onder 20°, luidende :
  "20° van geschillen betreffende wisselbrieven en orderbriefjes.".
Art. 11. A l'article 574 du même Code, remplacé en dernier lieu par la loi du 26 mars 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le 1° est remplacé par ce qui suit :
  "1° des contestations pour raison d'une association dotée de la personnalité juridique, fondation ou société, à l'exception d'une association de copropriétaires, ainsi que des contestations survenant entre leurs associés ou membres passés, présents et futurs relatives à la société, fondation ou association concernée;";
  2° les 6° et 10° sont abrogés.
  3° l'article est complété par un 20°, rédigé comme suit :
  "20° des contestations relatives aux lettres de change et aux billets à ordre.".
Art. 12. In artikel 587, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij wet van 15 mei 2014, wordt de bepaling onder 6° opgeheven.
Art. 12. Dans l'article 587, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 15 mai 2014, le 6° est abrogé.
Art. 13. Artikel 703 van hetzelfde Wetboek, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende :
  " § 2. Indien een groepering zonder rechtspersoonlijkheid in de Kruispuntbank van Ondernemingen is ingeschreven, volstaat de vermelding van haar benaming en zetel die bij haar gegevens in de Kruispuntbank zijn opgenomen om, in gedingen met bettrekking tot de gezamenlijke rechten en verplichtingen van de leden van de groepering, te doen blijken van de identiteit van haar gezamenlijke deelgenoten.
  Indien de inschrijving in de Kruispuntbank tevens de identificatiegegevens omvat van een algemeen lasthebber, kan de groepering in dezelfde gedingen in rechte optreden, als eiser of als verweerder, en tevens in persoon verschijnen door tussenkomst van die lasthebber, onverminderd de toepassing, wat betreft vennootschappen, van artikel 36, 1°, van het Wetboek van vennootschappen, doch uitsluitend om in rechte op te treden als verweerder.".
Art. 13. L'article 703 du même Code, dont le texte actuel formera le paragraphe 1er, est complété par un paragraphe 2, rédigé comme suit :
  " § 2. Si un groupement sans personnalité juridique est inscrit à la Banque-Carrefour des Entreprises, la mention de sa dénomination et de son siège figurant dans ses données à la Banque-Carrefour suffit pour justifier, dans les litiges concernant les droits et obligations communs des membres du groupement, de l'identité de ses associés conjoints.
  Si l'inscription à la Banque-Carrefour contient également les données d'identification d'un mandataire général, dans les mêmes litiges le groupement peut agir en justice, soit en demandant, soit en défendant, et comparaître en personne à l'intervention de ce mandataire, sans préjudice de l'application, pour ce qui concerne les sociétés, de l'article 36, 1°, du Code des sociétés, mais uniquement pour agir en justice en défendant.".
Art. 14. In artikel 1034ter, 2°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 3 augustus 1992, worden de woorden "en inschrijving in het handelsregister of ambachtsregister" vervangen door de woorden "en inschrijving in het Kruispuntbank van Ondernemingen".
Art. 14. Dans l'article 1034ter, 2°, du même Code, inséré par la loi du 3 août 1992, les mots "et inscription au registre de commerce ou au registre de l'artisanat" sont remplacés par les mots "et inscription à la Banque-Carrefour des Entreprises".
Art. 15. Artikel 1193 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 18 februari 1981, 8 augustus 1997, 15 mei 2009, 25 april 2014 en 11 augustus 2017, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 1193. De verkoop van de onroerende goederen geschiedt in alle voormelde gevallen op de wijze die gebruikelijk is inzake gewone openbare verkoping van onroerende goederen, behoudens het bepaalde in de artikelen 1193bis en 1193ter.
  De toewijzing geschiedt in één enkele al dan niet gedematerialiseerde zitting, bij opbod. De artikelen 1589 en 1590 zijn van toepassing op die toewijzing. De biedingen kunnen zowel fysieke als gedematerialiseerde biedingen zijn. De verkoopsvoorwaarden bepalen de wijze, de voorwaarden en de termijn voor het doen van de biedingen. Bij een gedematerialiseerde openbare verkoop wijst de notaris het goed toe binnen een periode van maximum tien werkdagen na het ogenblik waarop de gedematerialiseerde biedingen werden afgesloten. De toewijzing geschiedt op één en dezelfde dag, enerzijds door het online meedelen van het hoogste in aanmerking genomen bod en anderzijds door het opstellen van een akte waarin het hoogste in aanmerking genomen bod en de instemming van de verzoeker en van de koper worden vastgesteld.
  De verkoopsvoorwaarden kunnen bepalen dat de toewijzing plaatsvindt onder de opschortende voorwaarde van het verkrijgen van een financiering door de koper. De verkoopsvoorwaarden stellen de nadere regels van deze voorwaarde vast. Indien de voorwaarde niet vervuld wordt, staat de persoon die om de opschortende voorwaarde heeft verzocht in voor de kosten die zijn gemaakt met het oog op de toewijzing binnen de grenzen die zijn vastgelegd in de verkoopsvoorwaarden.
  De instrumenterende notaris kan voorafgaand aan de toewijzing, eventueel na advies van een door hem aangestelde deskundige, de instelprijs bepalen.
  De bieder die bij aanvang van de zitting als eerste bod een bedrag gelijk aan of hoger dan de instelprijs biedt, krijgt een vergoeding gelijk aan een procent van zijn eerste bod. Deze premie is slechts opeisbaar indien het goed definitief aan deze bieder wordt toegewezen. Deze premie is ten laste van de verkoopsmassa.
  Als niemand de instelprijs biedt, zal de notaris door afmijning een eerste bod uitlokken, waarna de verkoop wordt voortgezet bij opbod.
  Wanneer de instrumenterende notaris geen instelprijs bepaalt, kan hij een premie toekennen aan de eerste bieder. Deze premie bedraagt een procent van het geboden bedrag. Deze premie is slechts opeisbaar indien het goed definitief wordt toegewezen aan deze bieder. Deze premie is ten laste van de verkoopmassa.
  De in het vijfde en zevende lid bedoelde premies worden beschouwd als een gerechtskost zoals bepaald in artikel 17 van de Hypotheekwet."
Art. 15. L'article 1193 du même Code, modifié par les lois des 18 février 1981, 8 août 1997, 15 mai 2009, 25 avril 2014 et 11 août 2017, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 1193. La vente des immeubles a lieu, dans tous les cas ci-dessus mentionnés, conformément à ce qui est usité à l'égard des ventes publiques ordinaires d'immeubles, sauf ce qui est dit aux articles 1193bis et 1193ter.
  L'adjudication se fait en une seule séance, dématérialisée ou non, aux enchères. Les articles 1589 et 1590 sont applicables à cette adjudication. Les enchères peuvent être émises sous forme physique ou sous forme dématérialisée. Les conditions de vente déterminent le mode, les conditions et le délai d'émission des enchères. Lors d'une vente publique dématérialisée, le notaire adjuge le bien dans une période de maximum dix jours ouvrables après le moment où les enchères dématérialisées ont été clôturées. L'adjudication se réalise en un même jour, d'une part, par la communication en ligne de l'enchère la plus élevée retenue et, d'autre part, par l'établissement d'un acte qui constate l'enchère la plus élevée retenue ainsi que le consentement du requérant et de l'adjudicataire.
  Le cahier des charges peut prévoir que l'adjudication a lieu sous la condition suspensive d'obtention par l'adjudicataire d'un financement. Le cahier des charges fixe les modalités de cette condition. La personne qui a acheté sous cette condition suspensive, supporte, en cas de défaillance de la condition, les frais qui ont été exposés en vue de l'adjudication dans les limites fixées par le cahier des charges.
  Préalablement à l'adjudication, le notaire instrumentant peut fixer le montant de la mise à prix, éventuellement après avis d'un expert désigné par lui.
  L'enchérisseur qui, dès le début de la séance, propose comme première offre un montant égal ou supérieur à celui de la mise à prix, reçoit une indemnité égale à un pourcent de sa première offre. Cette prime n'est exigible que si le bien est adjugé définitivement à cet enchérisseur. Cette prime est à charge de la masse.
  Si personne n'offre le montant de la mise à prix, le notaire provoquera une première offre par enchères dégressives, après quoi la vente se poursuivra par enchères.
  Si le notaire instrumentant ne fixe pas de mise à prix, il peut octroyer une prime au premier enchérisseur. Cette prime s'élève à un pourcent du montant offert. Cette prime n'est exigible que si le bien est adjugé définitivement à cet enchérisseur. Cette prime est à charge de la masse.
  Les primes visées aux alinéas 5 et 7 sont considérées comme des frais de justice au sens de l'article 17 de la loi hypothécaire."
Art. 16. De Franse tekst van artikel 1193ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 18 februari 1981 en vervangen bij de wetten van 8 augustus 1997 en 11 augustus 2017, wordt vervangen als volgt :
  "Art.1193ter. Dans le cas prévu à l'article 1190, le curateur peut demander, par requête motivée, au tribunal de commerce l'autorisation de vendre de gré à gré. Le curateur soumet au tribunal un projet d'acte de vente établi par un notaire, désigné par le juge-commissaire, et lui expose les motifs pour lesquels la vente de gré à gré s'impose.
  Il y joint un rapport d'expertise établi par l'expert qu'il a désigné et un certificat du conservateur des hypothèques, postérieur à la déclaration de faillite relatant les inscriptions existantes et toute transcription de commandement ou de saisie portant sur les immeubles qui doivent être vendus. Les créanciers hypothécaires ou privilégiés inscrits, ceux qui ont fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie de même que le failli doivent être appelés à la procédure d'autorisation par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l'audience. Ils peuvent demander au tribunal que l'autorisation de vendre de gré à gré soit subordonnée à certaines conditions telle que la fixation d'un prix de vente minimum.
  L'autorisation est accordée si l'intérêt de la masse faillie l'exige et de l'avis du juge-commissaire. L'ordonnance doit indiquer expressément la raison pour laquelle la vente de gré à gré sert l'intérêt de la masse faillie et mentionne l'identité des créanciers dûment appelés à la procédure. Le recours à cette forme de vente peut être subordonné à la fixation d'un prix minimum.
  La vente doit avoir lieu conformément au projet d'acte admis par le tribunal et par le ministère du notaire qui l'a rédigé. Le demandeur ou les créanciers intervenants peuvent interjeter appel de l'ordonnance du tribunal, conformément à l'article 1031.".
Art. 16. L'article 1193ter du même Code, inséré par la loi du 18 février 1981 et remplacé par les lois des 8 août 1997 et 11 août 2017, est remplacé par ce qui suit :
  "Art.1193ter. Dans le cas prévu à l'article 1190, le curateur peut demander, par requête motivée, au tribunal de commerce l'autorisation de vendre de gré à gré. Le curateur soumet au tribunal un projet d'acte de vente établi par un notaire, désigné par le juge-commissaire, et lui expose les motifs pour lesquels la vente de gré à gré s'impose.
  Il y joint un rapport d'expertise établi par l'expert qu'il a désigné et un certificat du conservateur des hypothèques, postérieur à la déclaration de faillite relatant les inscriptions existantes et toute transcription de commandement ou de saisie portant sur les immeubles qui doivent être vendus. Les créanciers hypothécaires ou privilégiés inscrits, ceux qui ont fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie de même que le failli doivent être appelés à la procédure d'autorisation par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l'audience. Ils peuvent demander au tribunal que l'autorisation de vendre de gré à gré soit subordonnée à certaines conditions telle que la fixation d'un prix de vente minimum.
  L'autorisation est accordée si l'intérêt de la masse faillie l'exige et de l'avis du juge-commissaire. L'ordonnance doit indiquer expressément la raison pour laquelle la vente de gré à gré sert l'intérêt de la masse faillie et mentionne l'identité des créanciers dûment appelés à la procédure. Le recours à cette forme de vente peut être subordonné à la fixation d'un prix minimum.
  La vente doit avoir lieu conformément au projet d'acte admis par le tribunal et par le ministère du notaire qui l'a rédigé. Le demandeur ou les créanciers intervenants peuvent interjeter appel de l'ordonnance du tribunal, conformément à l'article 1031.".
Art. 17. Artikel 1582 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 21 december 2013 en vervangen bij de wet van 11 augustus 2017, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 1582. De door de benoemde notaris opgemaakte verkoopsvoorwaarden vermelden de dag van de verkoop of, bij gedematerialiseerde biedingen, de dag van de aanvang en de dag van de sluiting van de biedingen, en bevatten overwijzing van de prijs ten behoeve van de schuldeisers.
  Zij vermelden de maatregelen die voor de bekendmaking zullen worden genomen. Deze bekendmaking maakt geen melding van de gedwongen aard van de verkoping.
  De ingeschreven hypothecaire of bevoorrechte schuldeisers, degenen die een bevel of een beslagexploot hebben doen overschrijven en de schuldenaar worden ten minste een maand vóór het eerste bod wordt uitgebracht aangemaand om inzage te nemen van die verkoopsvoorwaarden en om de verkoopsverrichtingen te volgen.
  In geval van geschil over de verkoopsvoorwaarden, zijn de geschillen alleen toegelaten indien zij worden aangebracht bij de notaris binnen acht dagen na de aanmaning. De notaris maakt er proces-verbaal van op en schorst alle verrichtingen.
  Na neerlegging van een uitgifte van het proces-verbaal door de notaris ter griffie, bepaalt de rechter de dag en het uur voor het onderzoek en de berechting van de geschillen, de partijen vooraf gehoord of bij gerechtsbrief opgeroepen door toedoen van de griffier. In voorkomend geval stelt de rechter een termijn voor de toewijzing. De beslissing is niet vatbaar voor verzet noch voor hoger beroep."
Art. 17. L'article 1582 du même Code, modifié par la loi du 21 décembre 2013 et remplacé par la loi du 11 août 2017, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 1582. Le cahier des charges, dressé par le notaire commis, indique le jour de la vente ou, en cas d'enchères dématérialisées, le jour du début et le jour de la clôture des enchères et mentionne la délégation du prix au profit des créanciers.
  Il indique les mesures de publicité qui seront faites. Cette publicité ne fait pas mention du caractère forcé de la vente.
  Les créanciers hypothécaires ou privilégiés inscrits, ceux qui ont fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie ainsi que le débiteur sont sommés un mois au moins avant l'émission de la première enchère, de prendre communication de ce cahier des charges et de suivre les opérations de vente.
  Si le cahier des charges fait l'objet de contestations, celles-ci ne sont admissibles que si elles sont présentées au notaire dans les huit jours de la sommation. Le notaire en dresse procès-verbal et sursoit à toutes opérations.
  Sur le dépôt d'une expédition du procès-verbal effectué au greffe par le notaire, le juge fixe jour et heure pour l'examen et le règlement des contestations, les parties préalablement entendues ou appelées sous pli judiciaire, à la diligence du greffier. Le cas échéant, le juge fixe un délai pour l'adjudication. La décision n'est susceptible ni d'opposition ni d'appel."
Art. 18. Artikel 1587 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 15 mei 2009 en vervangen bij de wet van 11 augustus 2017, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 1587. De toewijzing wordt gedaan op de wijze bepaald door het plaatselijk gebruik. Zij geschiedt binnen zes maanden na de beschikking bedoeld in artikel 1580.
  De toewijzing geschiedt in één enkele al dan niet gedematerialiseerde zitting, bij opbod. De artikelen 1589 en 1590 zijn van toepassing op die toewijzing. De biedingen kunnen zowel fysieke als gedematerialiseerde biedingen zijn. De verkoopsvoorwaarden bepalen de wijze, de voorwaarden en de termijn voor het doen van de biedingen. Bij een gedematerialiseerde openbare verkoop wijst de notaris het goed toe binnen een periode van maximum tien werkdagen na het ogenblik waarop de gedematerialiseerde biedingen werden afgesloten. De toewijzing geschiedt op één en dezelfde dag, enerzijds door het online meedelen van het hoogste in aanmerking genomen bod en anderzijds door het opstellen van een akte waarin het hoogste in aanmerking genomen bod en de instemming van de verzoeker en van de koper worden vastgesteld.
  De verkoopsvoorwaarden kunnen bepalen dat de toewijzing plaatsvindt onder de opschortende voorwaarde van het verkrijgen van een financiering door de koper. De verkoopsvoorwaarden stellen de nadere regels van deze voorwaarde vast. Indien de voorwaarde zich niet vervult, staat de persoon die om de opschortende voorwaarde heeft verzocht in voor de kosten die zijn gemaakt met het oog op de toewijzing binnen de grenzen die zijn vastgelegd in de verkoopsvoorwaarden.
  De instrumenterende notaris kan voorafgaand aan de toewijzing, eventueel na advies van een door hem aangestelde deskundige, de instelprijs bepalen.
  De bieder die bij aanvang van de zitting als eerste bod een bedrag gelijk aan of hoger dan de instelprijs biedt, krijgt een vergoeding gelijk aan een procent van zijn eerste bod. Deze premie is slechts opeisbaar indien het goed definitief aan deze bieder wordt toegewezen. Deze premie is ten laste van de verkoopsmassa.
  Als niemand de instelprijs biedt, zal de notaris door afmijning een eerste bod uitlokken, waarna de verkoop wordt voortgezet bij opbod.
  Wanneer de instrumenterende notaris geen instelprijs bepaalt, kan hij een premie toekennen aan de eerste bieder. Deze premie bedraagt een procent van het geboden bedrag. Deze premie is slechts opeisbaar indien het goed definitief wordt toegewezen aan deze bieder. Deze premie is ten laste van de verkoopsmassa.
  De in het vierde en zesde lid bepaalde premies worden beschouwd als een gerechtskost zoals bepaald in artikel 17 van de Hypotheekwet."
Art. 18. L'article 1587 du même Code, modifié par la loi du 15 mai 2009 et remplacé par la loi du 11 août 2017, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 1587. L'adjudication se fait suivant le mode établi par l'usage des lieux. Elle a lieu dans les six mois de l'ordonnance prévue à l'article 1580.
  L'adjudication se fait en une seule séance, dématérialisée ou non, aux enchères. Les articles 1589 et 1590 sont applicables à cette adjudication. Les enchères peuvent être émises sous forme physique ou sous forme dématérialisée. Les conditions de vente déterminent le mode, les conditions et le délai d'émission des enchères. Lors d'une vente publique dématérialisée, le notaire adjuge le bien dans une période de maximum dix jours ouvrables après le moment où les enchères dématérialisées ont été clôturées. L'adjudication se réalise en un même jour, d'une part, par la communication en ligne de l'enchère la plus élevée retenue et, d'autre part, par l'établissement d'un acte qui constate l'enchère la plus élevée retenue ainsi que le consentement du requérant et de l'adjudicataire.
  Le cahier des charges peut prévoir que l'adjudication a lieu sous la condition suspensive d'obtention par l'adjudicataire d'un financement. Le cahier des charges fixe les modalités de cette condition. La personne qui a acheté sous cette condition suspensive supporte, en cas de défaillance de la condition, les frais exposés en vue de l'adjudication dans les limites fixées par le cahier des charges.
  Préalablement à l'adjudication, le notaire instrumentant peut fixer le montant de la mise à prix, éventuellement après avis d'un expert désigné par lui.
  L'enchérisseur qui, dès le début de la séance, propose comme première offre un montant égal ou supérieur à celui de la mise à prix, reçoit une indemnité égale à un pourcent de sa première offre. Cette prime n'est exigible que si le bien est adjugé définitivement à cet enchérisseur. Cette prime est à charge de la masse.
  Si personne n'offre le montant de la mise à prix, le notaire provoquera une première offre par enchères dégressives, après quoi la vente se poursuivra par enchères.
  Si le notaire instrumentant ne fixe pas de mise à prix, il peut octroyer une prime au premier enchérisseur. Cette prime s'élève à un pourcent du montant offert. Cette prime n'est exigible que si le bien est adjugé définitivement à cet enchérisseur. Cette prime est à charge de la masse.
  Les primes visées aux alinéas 4 et 6 sont considérées comme des frais de justice au sens de l'article 17 de la loi hypothécaire."
Art. 19. In artikel 1675/7 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 juli 1998, gewijzigd bij de wetten van 29 mei 2000 en 13 december 2005 en vervangen bij de wet van 11 augustus 2017, wordt paragraaf 2 vervangen als volgt :
  " § 2. Alle middelen van tenuitvoerlegging die strekken tot de betaling van een geldsom worden geschorst. Hetzelfde geldt voor de beslagen die vóór de beschikking van toelaatbaarheid gelegd werden. Deze laatste behouden evenwel hun bewarend karakter.
  Echter, indien de dag van de gedwongen verkoop van de in beslag genomen roerende goederen reeds vóór de beschikking van toelaatbaarheid was bepaald en door aanplakking bekendgemaakt, geschiedt deze verkoop voor rekening van de boedel. Indien het belang van de boedel zulks vereist, kan de arbeidsrechtbank, op verzoek van de schuldenaar of de schuldbemiddelaar die handelt in het kader van een gerechtelijke aanzuiveringsregeling, uitstel of afstel van de verkoop toestaan.
  Indien voorafgaand aan deze beschikking van toelaatbaarheid, de beschikking gewezen overeenkomstig de artikelen 1580, 1580bis en 1580ter, niet langer vatbaar is voor het verzet bedoeld in de artikelen 1033 en 1034, kunnen de verkoopverrichtingen na uitvoerend onroerend beslag eveneens voor rekening van de boedel worden voortgezet. Indien het belang van de boedel zulks vereist, kan de arbeidsrechtbank, op verzoek van de schuldenaar of de schuldbemiddelaar die handelt in het kader van een gerechtelijke aanzuiveringsregeling en na oproeping van de ingeschreven hypothecaire, bevoorrechte schuldeisers en de beslagleggende schuldeiser, ten minste acht dagen voor de zitting bij gerechtsbrief, uitstel of afstel van de verkoop toestaan. De schuldenaar of de schuldbemiddelaar dient de notaris belast met de verkoop van het goed schriftelijk te informeren van zijn verzoek tot uitstel of afstel. Dit verzoek tot uitstel of afstel van de verkoop is niet langer ontvankelijk na aanmaning aan de schuldenaar die plaatsvindt overeenkomstig artikel 1582.
  In geval van beslag gevoerd tegen meerdere schuldenaars waarvan slechts één tot de collectieve schuldenregeling werd toegelaten, wordt de gedwongen verkoop van de roerende of onroerende goederen voortgezet overeenkomstig de regels van het roerend of onroerend beslag. Na betaling van de hypothecaire en bijzonder bevoorrechte schuldeisers, stort de notaris desgevallend het saldo van het gedeelte van de verkoopprijs dat aan de schuldenaar toekomt, aan de schuldbemiddelaar. Deze storting is bevrijdend net zoals de storting gedaan door de koper overeenkomstig artikel 1641.
  Ten aanzien van personen die zich persoonlijk zekerheid hebben gesteld voor een schuld van de schuldenaar, worden de middelen van tenuitvoerlegging geschorst tot de homologatie van de minnelijke aanzuiveringsregeling, tot de neerlegging van het in artikel 1675/11, § 1, bedoelde proces-verbaal of tot de verwerping van de aanzuiveringsregeling. Ten aanzien van personen die de in artikel 1675/16bis, § 2, bedoelde verklaring hebben neergelegd, worden de uitvoeringsmaatregelen geschorst tot de rechter uitspraak heeft gedaan over de bevrijding.".
Art. 19. Dans l'article 1675/7 du même Code, inséré par la loi du 5 juillet 1998, modifié par les lois des 29 mai 2000 et 13 décembre 2005 et remplacé par la loi du 11 août 2017, le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. Toutes les voies d'exécution qui tendent au paiement d'une somme d'argent sont suspendues. Il en est de même pour les saisies pratiquées antérieurement à la décision d'admissibilité. Ces dernières conservent cependant leur caractère conservatoire.
  Toutefois, si antérieurement à cette décision, le jour de la vente forcée des meubles saisis a déjà été fixé et publié par les affiches, cette vente a lieu pour le compte de la masse. Si l'intérêt de la masse l'exige, le tribunal du travail peut, sur la demande du débiteur ou du médiateur de dettes agissant dans le cadre d'un plan de règlement judiciaire, autoriser la remise ou l'abandon de la vente.
  De même, si antérieurement à cette décision d'amissibilité, l'ordonnance rendue conformément aux articles 1580, 1580bis et 1580ter, n'est plus susceptible d'être frappée par l'opposition visée aux articles 1033 et 1034, les opérations de vente sur saisie exécution immobilière peuvent se poursuivre pour le compte de la masse. Si l'intérêt de la masse l'exige, le tribunal du travail peut, sur la demande du débiteur ou du médiateur de dettes agissant dans le cadre d'un plan de règlement judiciaire et après avoir appelé les créanciers hypothécaires, privilégiés inscrits et le créancier saisissant à la procédure d'autorisation par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l'audience, autoriser la remise ou l'abandon de la vente. Le débiteur ou le médiateur doit immédiatement informer par écrit le notaire chargé de vendre le bien, de sa demande de remise ou abandon. Cette demande de remise ou d'abandon de vente n'est plus recevable à dater de la sommation faite au débiteur saisi conformément à l'article 1582.
  En cas de saisie diligentée à l'encontre de plusieurs débiteurs dont un seul est admis au bénéfice du règlement collectif de dettes, la vente forcée des biens meubles ou immeubles se poursuit conformément aux règles de la saisie mobilière ou immobilière. Après règlement des créanciers hypothécaires et privilégiés spéciaux, le notaire verse le cas échéant au médiateur de dettes le solde de la part du prix de vente revenant au débiteur. Ce versement est libératoire tout comme l'est le versement fait par l'adjudicataire conformément à l'article 1641.
  A l'égard de toute personne ayant consenti une sûreté personnelle pour garantir une dette du débiteur, les voies d`exécution sont suspendues jusqu'à l'homologation du plan amiable, jusqu'au dépôt du procès-verbal visé à l'article 1675/11, § 1er, ou jusqu'au rejet du plan. A l'égard des personnes ayant effectué la déclaration visée à l'article 1675/16bis, § 2, les voies d'exécution sont suspendues jusqu'à ce que le juge ait statué sur la décharge.".
Art. 20. Artikel 1675/14bis, § 2, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 december 2005 en vervangen bij de wet van 1 augustus 2017, wordt vervangen als volgt :
  " § 2. Wanneer onroerende goederen in mede-eigendom toebehoren aan de schuldenaar en aan andere personen, dan kan de arbeidsrechtbank, op verzoek van de schuldenaar of de schuldbemiddelaar handelend in het kader van een gerechtelijke aanzuiveringsregeling, de verkoop van de onverdeelde onroerende goederen bevelen. De ingeschreven hypothecaire of bevoorrechte schuldeisers, de schuldeisers die een bevel of een beslagexploot hebben doen overschrijven, alsook de andere mede-eigenaars dienen ten minste acht dagen voor de zitting bij gerechtsbrief bij de machtigingsprocedure te worden opgeroepen. Hetzelfde geldt ten aanzien van de schuldenaar in geval van gerechtelijke aanzuiveringsprocedure. In dat geval geschiedt de verkoop op verzoek van de schuldbemiddelaar alleen.
  In geval van akkoord van alle mede-eigenaars aangaande de verkoop van het onverdeeld onroerend goed, kan de arbeidsrechtbank de verkoop machtigen, op gezamenlijk verzoek van de schuldenaar of de schuldbemiddelaar handelend in het kader van een gerechtelijke aanzuiveringsregeling en de andere mede-eigenaars, nadat de ingeschreven hypothecaire of bevoorrechte schuldeisers evenals de schuldeisers die een bevel of beslagexploot hebben doen overschrijven, ten minste acht dagen voor de zitting bij gerechtsbrief tot de machtigingsprocedure werden opgeroepen. Hetzelfde geldt ten aanzien van de schuldenaar in geval van gerechtelijke aanzuiveringsregeling.".
Art. 20. Le texte néerlandais de l'article 1675/14bis, § 2, du même Code, inséré par la loi du 13 décembre 2005, et remplacé par la loi du 11 août 2017, est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. Wanneer onroerende goederen in mede-eigendom toebehoren aan de schuldenaar en aan andere personen, dan kan de arbeidsrechtbank, op verzoek van de schuldenaar of de schuldbemiddelaar handelend in het kader van een gerechtelijke aanzuiveringsregeling, de verkoop van de onverdeelde onroerende goederen bevelen. De ingeschreven hypothecaire of bevoorrechte schuldeisers, de schuldeisers die een bevel of een beslagexploot hebben doen overschrijven, alsook de andere mede-eigenaars dienen ten minste acht dagen voor de zitting bij gerechtsbrief bij de machtigingsprocedure te worden opgeroepen. Hetzelfde geldt ten aanzien van de schuldenaar in geval van gerechtelijke aanzuiveringsprocedure. In dat geval geschiedt de verkoop op verzoek van de schuldbemiddelaar alleen.
  In geval van akkoord van alle mede-eigenaars aangaande de verkoop van het onverdeeld onroerend goed, kan de arbeidsrechtbank de verkoop machtigen, op gezamenlijk verzoek van de schuldenaar of de schuldbemiddelaar handelend in het kader van een gerechtelijke aanzuiveringsregeling en de andere mede-eigenaars, nadat de ingeschreven hypothecaire of bevoorrechte schuldeisers evenals de schuldeisers die een bevel of beslagexploot hebben doen overschrijven, ten minste acht dagen voor de zitting bij gerechtsbrief tot de machtigingsprocedure werden opgeroepen. Hetzelfde geldt ten aanzien van de schuldenaar in geval van gerechtelijke aanzuiveringsregeling.".
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van het Wetboek van vennootschappen
CHAPITRE 5. - Modifications du Code des sociétés
Art. 21. In artikel 2 van het Wetboek van vennootschappen, gewijzigd bij de wet van 23 januari 2001 en aangevuld bij het koninklijk besluit van 1 september 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, worden de woorden "tijdelijke handelsvennootschap" en de woorden "stille handelsvennootschap" respectievelijk vervangen door de woorden "tijdelijke vennootschap" en de woorden "stille vennootschap";
  2° in paragraaf 2 wordt het woord "handelsvennootschap" vervangen door het woord "vennootschap";
  3° paragraaf 3 wordt opgeheven;
  4° paragraaf 4, wordt vervangen als volgt :
  " § 4. De vennootschappen bedoeld in paragraaf 2 verkrijgen rechtspersoonlijkheid vanaf de dag van de in artikel 68 bedoelde neerlegging. Nochtans verkrijgt de SE rechtspersoonlijkheid de dag van haar inschrijving in het rechtspersonenregister, onderdeel van de Kruispuntbank van Ondernemingen, overeenkomstig artikel 67, § 2.
  Bij gebreke van de in het eerste lid bedoelde neerlegging, wordt de vennootschap die noch een vennootschap in oprichting is, noch een tijdelijke vennootschap of een stille vennootschap, beheerst door de regels inzake de maatschap en, indien ze een naam voert, door artikel 204.".
Art. 21. Dans l'article 2 du Code des sociétés modifié, par la loi du 23 janvier 2001, et complété par l'arrêté royal du 1er septembre 2004, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans paragraphe 1er, les mots "société de droit commun" sont remplacés par les mots "la société simple";
  2° dans paragraphe 2, le mot "société commerciale" est remplacé par le mot "société";
  3° le paragraphe 3 est abrogé;
  4° le paragraphe 4, est remplacé par ce qui suit :
  " § 4. Les sociétés visées au paragraphe 2 acquièrent la personnalité juridique à partir du jour où est effectué le dépôt visé à l'article 68. Toutefois, la SE acquiert la personnalité juridique le jour de son inscription au registre des personnes morales, répertoire de la Banque-Carrefour des Entreprises, conformément à l'article 67, § 2.
  En l'absence du dépôt visé à l'alinéa 1er, la société qui n'est ni une société en formation, ni une société momentanée, ni une société interne, est soumise aux règles concernant la société simple et, en cas de dénomination sociale, à l'article 204.".
Art. 22. Artikel 3 van hetzelfde Wetboek, wordt opgeheven.
Art. 22. L'article 3 du même Code, est abrogé.
Art. 23. Artikel 18 van hetzelfde Wetboek, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 18. De bepalingen van dit boek zijn van toepassing voor zover er in de volgende boeken niet van wordt afgeweken.".
Art. 23. L'article 18 du même Code, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 18. Les dispositions du présent livre s'appliquent pour autant qu'il n'y soit pas dérogé dans les livres qui suivent.".
Art. 24. In de Franse tekst van het opschrift van boek III van hetzelfde Wetboek worden de woorden "de droit commun" vervangen door het woord "simple".
Art. 24. Dans l'intitulé du livre III du même Code les mots "de droit commun" sont remplacés par le mot "simple".
Art. 25. In artikel 46 van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in de Franse tekst, worden de woorden "de droit commun" vervangen door het woord "simple";
  b) worden de woorden "met een burgerlijk of handelsdoel" opgeheven.".
Art. 25. Dans l'article 46 du même Code, sont apportées les modifications suivantes :
  a) les mots "de droit commun" sont remplacés par le mot "simple"";
  b) les mots "à objet civil ou commercial" sont abrogés.".
Art. 26. In artikel 47 van hetzelfde Wetboek wordt het woord "handelsverrichtingen" vervangen door het woord "verrichtingen".
Art. 26. Dans article 47 du même Code, les mots "opérations de commerce" sont remplacés par le mot "opérations";
Art. 27. Artikel 49 van hetzelfde Wetboek, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 49. Het vennootschapscontract bedoeld in dit boek kan, al naargelang de aard van de partij tegen wie het bewijs wordt geleverd, worden bewezen overeenkomstig de regels van het burgerlijk of het ondernemingsrecht.".
Art. 27. L'article 49 du même Code, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 49. Le contrat de société visé par le présent livre peut, selon la nature de la partie contre laquelle il est prouvé, être prouvé selon les règles de preuve du droit civil ou du droit des entreprises.".
Art. 28. In de Franse tekst van het artikel 51 van hetzelfde Wetboek worden de woorden "de droit commun" vervangen door het woord "simple".
Art. 28. Dans l'article 51 du même Code les mots "de droit commun" sont remplacés par le mot "simple".
Art. 29. Artikel 52 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
  "Art. 52. De vennoten van een maatschap zijn ten aanzien van derden hoofdelijk verbonden. Van deze aansprakelijkheid kan niet worden afgeweken dan door een uitdrukkelijk beding in de met derden gesloten akte.".
Art. 29. L'article 52 du même Code est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 52. Les associés d'une société simple sont tenus solidairement envers les tiers. Il ne peut être dérogé à cette responsabilité que par une stipulation expresse de l'acte conclu avec les tiers.".
Art. 30. In artikel 78, 2°, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd door de wet van 27 december 2004 en aangevuld bij de koninklijk besluiten van 1 september 2004 en 28 november 2006, worden de woorden ", alsook, naargelang het geval," en de woorden "burgerlijke vennootschap met handelsvorm" opgeheven.
Art. 30. Dans l'article 78, 2°, du même Code, modifié par la loi du 27 décembre 2004 et complété par les arrêtés royaux des 1er septembre 2004 et 28 novembre 2006, les mots ", ainsi que, selon le cas," et les mots "société civile à forme commerciale" sont abrogés.
Art. 31. In de Franse tekst van het artikel 100, § 1, zevende lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 18 december 2015 en 3 september 2017, worden de woorden "de droit commun" vervangen door het woord "simple".
Art. 31. Dans l'article 100, § 1er, alinéa 7, du même Code, modifié par les lois des 18 décembre 2015 et 3 septembre 2017, les mots "de droit commun" sont remplacés par le mot "simple".
Art. 32. Artikel 163 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 2 augustus 2002, wordt opgeheven.
Art. 32. L'article 163 du même Code, modifié par la loi du 2 août 2002, est abrogé.
Art. 33. In artikel 164, § 1, van hetzelfde Wetboek worden de woorden "tot 163" vervangen door de woorden "tot 162".
Art. 33. Dans l'article 164, § 1er, du même Code, les mots "à 163" sont remplacés par les mots "à 162".
Art. 34. Artikel 201 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 23 januari 2001, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 201. De vennootschap onder firma is een vennootschap met rechtspersoonlijkheid die wordt aangegaan tussen hoofdelijk aansprakelijke vennoten.".
Art. 34. L'article 201 du même Code, modifié par la loi du 23 janvier 2001, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 201. La société en nom collectif est une société avec personnalité juridique que contractent des associés responsables solidairement.".
HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen van het Wetboek van economisch recht
CHAPITRE 6. - Modifications du Code de droit économique
Afdeling 1. - Wijzigingen van boek I
Section 1er. - Modifications du livre Ier
Art. 35. In artikel I.1, enig lid, van het Wetboek van economisch recht, ingevoegd bij de wet van 7 november 2013, en gewijzigd bij de wet van 11 augustus 2017 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in de inleidende zin worden de woorden "in titel 2" opgeheven;
  b) de bepaling onder 1° wordt vervangen als volgt :
  "1° onderneming : elk van volgende organisaties :
  (a) iedere natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent;
  (b) iedere rechtspersoon;
  (c) iedere andere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid.
  Niettegenstaande het voorgaande zijn geen ondernemingen, behoudens voor zover anders bepaald in de hierna volgende boeken of andere wettelijke bepalingen die in dergelijke toepassing voorzien :
  (a) iedere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid die geen uitkeringsoogmerk heeft en die ook in feite geen uitkeringen verricht aan haar leden of aan personen die een beslissende invloed uitoefenen op het beleid van de organisatie;
  (b) iedere publiekrechtelijke rechtspersoon die geen goederen of diensten aanbiedt op een markt;
  (c) de Federale Staat, de gewesten, de gemeenschappen, de provincies, de hulpverleningszones, de prezones, de Brusselse Agglomeratie, de gemeenten, de meergemeentezones, de binnengemeentelijke territoriale organen, de Franse Gemeenschapscommissie, de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;"
  c) de Franse tekst van de bepaling onder 14° wordt vervangen als volgt :
  "14° titulaire d'une profession libérale : toute entreprise dont l'activité consiste principalement à effectuer de manière indépendante et sous sa propre responsabilité, des prestations intellectuelles pour lesquelles une formation préalable et permanente est nécessaire et qui est soumise à une déontologie dont le respect peut être imposé par une institution disciplinaire désignée par la loi ou en vertu de celle-ci;".
Art. 35. Dans l'article I.1, alinéa unique, du Code de droit économique, inséré par la loi du 7 novembre 2013, et modifié par la loi du 11 août 2017, les modifications suivantes sont apportées :
  a) dans la phrase introductive, les mots "prévue au titre 2" sont abrogés;
  b) le 1° est remplacé par ce qui suit :
  "1° entreprise : chacune des organisations suivantes :
  (a) toute personne physique qui exerce une activité professionnelle à titre indépendant;
  (b) toute personne morale;
  (c) toute autre organisation sans personnalité juridique.
  Nonobstant ce qui précède, ne sont pas des entreprises, sauf s'il en est disposé autrement dans les livres ci-dessous ou d'autres dispositions légales prévoyant une telle application :
  (a) toute organisation sans personnalité juridique qui ne poursuit pas de but de distribution et qui ne procède effectivement pas à une distribution à ses membres ou à des personnes qui exercent une influence décisive sur la politique de l'organisation;
  (b) toute personne morale de droit public qui ne propose pas de biens ou services sur un marché;
  (c) l'Etat fédéral, les régions, les communautés, les provinces, les zones de secours, les prézones, l'Agglomération bruxelloise, les communes, les zones pluricommunales, les organes territoriaux intracommunaux, la Commission communautaire française, la Commission communautaire flamande, la Commission communautaire commune et les centres publics d'action sociale;"
  c) le 14° est remplacé par ce qui suit;
  "14° titulaire d'une profession libérale : toute entreprise dont l'activité consiste principalement à effectuer de manière indépendante et sous sa propre responsabilité, des prestations intellectuelles pour lesquelles une formation préalable et permanente est nécessaire et qui est soumise à une déontologie dont le respect peut être imposé par une institution disciplinaire désignée par la loi ou en vertu de celle-ci;".
Art. 36. In artikel I.2 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013 en gewijzigd bij de wet van 4 mei 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) de bepalingen onder 9°, 10°, 11° en 14° worden opgeheven;
  b) in de bepaling onder 16°, wordt het woord "onderneming" vervangen door de woorden "geregistreerde entiteit".
Art. 36. A l'article I.2 du même Code, inséré par la loi du 17 juillet 2013 et modifié par la loi du 4 mai 2016, les modifications suivantes sont apportées :
  a) les 9°, 10°, 11° et 14° sont abrogés;
  b) dans le 16°, le mot "entreprise" est remplacé par les mots "entité enregistrée".
Art. 37. In artikel I.4 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in de bepaling onder 1° wordt het woord "onderneming" vervangen door de woorden "geregistreerde entiteit";
  b) het artikel wordt aangevuld met een bepaling onder 5°, luidende :
  "5° inschrijvingsplichtige onderneming : elke entiteit die zich dient in te schrijven krachtens artikel III.49.".
Art. 37. A l'article I.4 du même Code, inséré par la loi du 17 juillet 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  a) dans le 1°, le mot "entreprise" est remplacé par les mots "entité enregistrée";
  b) l'article est complété par un 5° rédigé comme suit :
  "5° entreprise soumise à inscription : toute entité tenue de s'inscrire en vertu de l'article III.49.".
Art. 38. In boek 1, titel 2, hoofdstuk 1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, wordt een artikel 1.4/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. I.4/1. Voor de toepassing van boek III, titel 3, hoofdstuk 1, geldt de volgende definitie :
  1° onderneming: iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft, alsmede zijn verenigingen.".
Art. 38. Dans le livre 1er, titre 2, chapitre 1er, du même Code, inséré par la loi du 17 juillet 2013, il est inséré un article I.4/1 rédigé comme suit :
  "Art. I.4/1. La définition suivante est applicable au livre III, titre 3, chapitre 1er :
  1° entreprise: toute personne physique ou personne morale poursuivant de manière durable un but économique, y compris ses associations.".
Art. 39. Artikel I.5. van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, wordt vervangen als volgt :
  "Art. I.5. Voor de toepassing van boek III, titel 3, hoofdstuk 2, geldt de volgende definitie :
  1° boekhoudplichtige onderneming : een onderneming in de zin van artikel III.82;".
Art. 39. L'article I.5. du même Code, inséré par la loi du 17 juillet 2013, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. I.5. La définition suivante est applicable au livre III, titre 3, chapitre 2 :
  1° entreprise soumise à obligation comptable : une entreprise au sens de l'article III.82;".
Art. 40. Artikel I.6 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 3 april 2013 en gewijzigd bij de wet van 29 juni 2016, wordt aangevuld met een bepaling onder 3°, luidende :
  "3° onderneming: iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft, alsmede zijn verenigingen.".
Art. 40. L'article I.6 du même Code, inséré par la loi du 3 avril 2013 et modifié par la loi du 29 juin 2016, est complété par un 3° rédigé comme suit :
  "3° : entreprise: toute personne physique ou personne morale poursuivant de manière durable un but économique, y compris ses associations.".
Art. 41. Artikel I.7 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 3 april 2013, wordt vervangen als volgt :
  "Art. I.7. Voor de toepassing van boek V gelden de volgende definities :
  1° prijzenobservatorium : de instelling belast met de observaties en analyses bedoeld in artikel 108, i), van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen.
  2° onderneming : iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft, alsmede zijn verenigingen.".
Art. 41. L'article I.7 du même Code, inséré par la loi du 3 avril 2013, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. I.7. Les définitions suivantes sont applicables au livre V :
  1° observatoire des prix : l'institution chargée d'établir les observations et analyses visées à l'article 108, i), de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses.
  2° entreprise : toute personne physique ou personne morale poursuivant de manière durable un but économique, y compris ses associations.".
Art. 42. Artikel I.8 van hetzelfde Wetboek, houdende de definities eigen aan boek VI, ingevoegd bij de wet van 21 december 2013, en gewijzigd bij koninklijk besluit van 13 december 2013 wordt aangevuld met een bepaling onder 39°, luidende :
  "39° onderneming : iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft, alsmede zijn verenigingen.".
Art. 42. L'article I.8 du même Code, contenant les définitions particulières au livre VI, inséré par la loi du 21 décembre 2013, et modifié par l'arrêté royal du 13 décembre 2017 est complété par un 39° rédigé comme suit :
  "39° entreprise : toute personne physique ou personne morale poursuivant de manière durable un but économique, y compris ses associations.".
Art. 43. In boek I, titel 2, van hetzelfde Wetboek, wordt hoofdstuk 5, met het opschrift "Definities eigen aan boek XIV", dat artikel I.8 bevat, ingevoegd bij de wet van 15 mei 2014, opgeheven.
Art. 43. Dans le livre Ier, titre 2, du même Code, le chapitre 5, intitulé "Définitions particulières au livre XIV", comportant l'article I.8 inséré par la loi du 15 mars 2014, est abrogé.
Art. 44. In artikel I.9, enig lid, van hetzelfde Wetboek, houdende de definities eigen aan boek VII, ingevoegd bij de wet van 19 april 2014 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 22 december 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in de bepaling onder 9°, worden in de Franse tekst, de woorden "dans les titres 1 à 6" ingevoegd tussen het woord "fonds" en de woorden " : les billets de banque";
  b) in de bepaling onder 17°, worden de woorden "in de titels 1 tot 6" ingevoegd tussen de woorden "werkdag" en de woorden " : een dag waarop".
Art. 44. A l'article I.9, alinéa unique, du même Code, contenant les définitions particulières au livre VII, inséré par la loi du 19 avril 2014 et modifié en dernier lieu par la loi du 22 décembre 2017, les modifications suivantes sont apportées :
  a) dans le 9°, les mots "dans les titres 1 à 6" sont insérés entre le mot "fonds" et les mots " : les billets de banque";
  b) dans le 17°, les mots "dans les titres 1 à 6" sont insérés entre les mots "jour ouvrable" et les mots " : un jour au cours".
Art. 45. Artikel I.19 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 april 2014 en gewijzigd bij de wet van 26 oktober 2015, wordt aangevuld met een bepaling onder 6°, luidende :
  "6° onderneming : iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft, alsmede zijn verenigingen.".
Art. 45. L'article I.19 du même Code, inséré par la loi du 4 avril 2014 et modifié par la loi du 26 octobre 2015, est complété par un 6° rédigé comme suit :
  "6° entreprise : toute personne physique ou personne morale poursuivant de manière durable un but économique, y compris ses associations.".
Art. 46. Artikel I.20 van hetzelfde Wetboek, houdende de definities eigen aan boek XV, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013 en gewijzigd bij de wet van 1 december 2016, wordt aangevuld met de bepalingen onder 7° en 8°, luidende :
  "7° onderneming : iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft, alsmede zijn verenigingen;
  8° inschrijvingsplichtige onderneming : elke entiteit die zich dient in te schrijven krachtens artikel III.49.".
Art. 46. L'article I.20 du même Code, contenant les définitions particulières au livre XV, inséré par la loi du 17 juillet 2013 et modifié par la loi du 1er décembre 2016, est complété par les 7° et 8° rédigés comme suit :
  "7° entreprise : toute personne physique ou personne morale poursuivant de manière durable un but économique, y compris ses associations;
  8° entreprise soumise à inscription : toute entité tenue de s'inscrire en vertu de l'article III.49.".
Art. 47. Artikel I.21 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 maart 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in de inleidende zin worden de woorden "titel 1 en" ingevoegd tussen de woorden "van boek XVII," en de woorden "titel 2";
  b) het artikel wordt aangevuld met een bepaling onder 8°, luidende :
  "8° onderneming : iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft, alsmede zijn verenigingen.".
Art. 47. A l'article I.21 du même Code, inséré par la loi du 28 mars 2014, sont apportées les modifications suivantes :
  a) dans la phrase introductive, les mots "titre 1er et" sont insérés entre les mots "au livre XVII" et les mots "titre 2";
  b) l'article est complété par un 8° rédigé comme suit :
  "8° entreprise : toute personne physique ou personne morale poursuivant de manière durable un but économique, y compris ses associations.".
Art. 48. In artikel I.22 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) de bepaling onder 7° /1 wordt ingevoegd, luidende :
  "7° /1 "onderneming" : een onderneming in de zin van artikel I.1, eerste lid, 1°, van dit boek;";
  b) de bepaling onder 8° wordt vervangen als volgt :
  "8° "schuldenaar" : een onderneming met uitzondering van iedere publiekrechtelijke rechtspersoon;";
  c) de bepaling onder 28° wordt ingevoegd, luidende :
  "28° "minister" : de minister bevoegd voor Justitie;".
Art. 48. A l'article I.22 du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017 sont apportées les modifications suivantes :
  a) il est inséré un 7° /1 rédigé comme suit :
  "7° /1 "entreprise" : une entreprise au sens de l'article I.1, alinéa 1er, 1°, du présent livre;";
  b) le 8° est remplacé par ce qui suit :
  "8 "le débiteur" : une entreprise à l'exception de toute personne morale de droit public;";
  c) il est inséré un 28° rédigé comme suit :
  "28° "ministre" : le ministre qui a la Justice dans ses attributions;".
Afdeling 2. - Wijzigingen van boek III
Section 2. - Modifications du livre III
Art. 49. In artikel III.15 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in het tweede lid, worden de woorden "aan ondernemingen" vervangen door de woorden "aan geregistreerde entiteiten";
  b) in het derde lid, worden de woorden "van de ondernemingen" vervangen door de woorden "van de geregistreerde entiteiten";
  c) in het vierde lid, worden de woorden "betreffende de ondernemingen" vervangen door de woorden "betreffende de geregistreerde entiteiten";
  d) in het vijfde lid in de bepaling onder 2°, worden de woorden "de identificatie van de ondernemingen" vervangen door de woorden "de identificatie van geregistreerde entiteiten".
Art. 49. Dans l'article III.15 du même Code, inséré par la loi du 17 juillet 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  a) dans l'alinéa 2, les mots "aux entreprises" sont remplacés par les mots "aux entités enregistrées";
  b) dans l'alinéa 3, les mots "l'identification des entreprises" sont remplacés par les mots "l'identification des entités enregistrées";
  c) dans l'alinéa 4, les mots "aux entreprises" sont remplacés par les mots "aux entités enregistrées";
  d) dans l'alinéa 5, 2°, les mots "l'identification des entreprises" sont remplacés par les mots "l'identification des entités enregistrées".
Art. 50. Artikel III.16 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, wordt vervangen als volgt :
  "Art. III.16. § 1. In de Kruispuntbank van Ondernemingen worden gegevens opgenomen betreffende :
  1° elke natuurlijke persoon die in België een onderneming is, met uitzondering van de natuurlijke personen bedoeld in artikel III.49, § 2, 6° en 9° ;
  2° elke rechtspersoon naar Belgisch recht;
  3° elke rechtspersoon naar buitenlands of internationaal recht die in België beschikt over een zetel of een bijkantoor;
  4° elke andere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid die in België hetzij als werkgever aan de sociale zekerheid is onderworpen, hetzij aan de belasting over de toegevoegde waarde is onderworpen of die zich overeenkomstig artikel III.49 moet of kan inschrijven;
  5° elke vestiging, instantie en dienst naar Belgisch recht die opdrachten van openbaar nut of verbonden met de openbare orde uitvoert en over een financiële en boekhoudkundige autonomie beschikt, onderscheiden van deze van de rechtspersoon naar Belgisch publiek recht waarvan ze afhankelijk zijn;
  6° elke natuurlijke persoon, rechtspersoon naar buitenlands of internationaal recht of andere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid die zich dient te registreren in uitvoering van bijzondere Belgische wetgeving;
  7° elke vestigingseenheid van de bovenvermelde geregistreerde entiteiten.
  § 2. De Koning bepaalt de nadere regels voor de inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen van de entiteiten bedoeld in paragraaf 1, met uitzondering van de entiteiten bedoeld in de bepaling onder 5°.
Art. 50. L'article III.16 du même Code, inséré par la loi du 17 juillet 2013, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. III.16. § 1er. Sont inscrites dans la Banque-Carrefour des Entreprises, des informations relatives :
  1° à toute personne physique qui est une entreprise en Belgique, hormis les personnes physiques visées à l'article III.49, § 2, 6° et 9° ;
  2° à toute personne morale de droit belge;
  3° à toute personne morale de droit étranger ou international possédant un siège ou une succursale en Belgique;
  4° à toute autre organisation sans personnalité juridique qui, en Belgique, soit est soumise à la sécurité sociale en tant qu'employeur, soit est soumise à la taxe sur la valeur ajoutée soit doit soit peut s'inscrire conformément à l'article III.49;
  5° à tout établissement, toute instance ou tout service de droit belge qui exerce des missions d'utilité publique ou liées à l'ordre public et qui possède une autonomie financière et comptable, distincte de celle des personnes morales de droit public belge dont ils dépendent;
  6° à toute personne physique, personne morale de droit étranger ou international ou à toute autre organisation sans personnalité juridique tenue de s'enregistrer en exécution de la législation particulière belge;
  7° à toute unité d'établissement des entités enregistrées précitées.
  § 2. Le Roi fixe les modalités de l'inscription dans la Banque-Carrefour des Entreprises des entités visées au paragraphe 1er, à l'exception des entités visées au 5°.
Art. 51. In artikel III.17 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de woorden "Iedere onderneming" vervangen door de woorden "Iedere geregistreerde entiteit".
Art. 51. Dans l'article III.17 du même Code, inséré par la loi du 17 juillet 2013, les mots "Toute entreprise" sont remplacés par les mots "Toute entité enregistrée".
Art. 52. In artikel III.18 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1 wordt het woord "onderneming" telkens vervangen door de woorden "geregistreerde entiteit";
  2° in paragraaf 2 wordt het woord "ondernemingen" vervangen door de woorden "geregistreerde entiteiten".
Art. 52. Dans l'article III.18 du même Code, inséré par la loi du 17 juillet 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, le mot "entreprise" est chaque fois remplacé par les mots "entité enregistrée";
  2° dans le paragraphe 2, le mot "entreprises" est remplacé par les mots "entités enregistrées".
Art. 53. In artikel III.19 eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, wordt het woord "ondernemingen" vervangen door de woorden "geregistreerde entiteiten".
Art. 53. Dans l'article III.19, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 17 juillet 2013, le mot "entreprises" est remplacé par les mots "entités enregistrées".
Art. 54. In artikel III.21 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, wordt het woord "onderneming" vervangen door de woorden "geregistreerde entiteit".
Art. 54. Dans l'article III.21 du même Code, inséré par la loi du 17 juillet 2013, le mot "entreprises" est remplacé par les mots "entités enregistrées".
Art. 55. In artikel III.22, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de woorden "aan de onderneming" vervangen door de woorden "aan de geregistreerde entiteit".
Art. 55. Dans l'article III.22, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 17 juillet 2013, les mots "à l'entreprise" sont remplacés par les mots "à l'entité enregistrée".
Art. 56. In artikel III.23, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, wordt het woord "ondernemingen" vervangen door de woorden "geregistreerde entiteiten".
Art. 56. Dans l'article III.23, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 17 juillet 2013, les mots "les entreprises" sont remplacés par les mots "les entités enregistrées".
Art. 57. Artikel III.24 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, wordt opgeheven.
Art. 57. L'article III.24 du même Code, inséré par la loi du 17 juillet 2013, est abrogé.
Art. 58. In artikel III.25 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid, worden de woorden "handels- en ambachtsondernemingen" vervangen door de woorden "inschrijvingsplichtige ondernemingen";
  2° in het tweede lid, wordt het woord "onderneming" vervangen door de woorden "inschrijvingsplichtige onderneming";
  3° in het derde lid, worden de woorden "gebouwen en" opgeheven en worden de woorden "een handels- of ambachtswerkzaamheid" vervangen door de woorden "de economische activiteit van de inschrijvingsplichtige onderneming" en worden de woorden "van een ambulante handel" vervangen door de woorden "van ambulante activiteiten".
Art. 58. A l'article III.25 du même Code, inséré par la loi du 17 juillet 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 1er, les mots "entreprises commerciales ou artisanales" sont remplacés par les mots "entreprises soumises à inscription";
  2° dans l'alinéa 2, le mot "entreprise" est remplacé par les mots "entreprise soumise à inscription";
  3° dans l'alinéa 3, les mots "bâtiments et" sont abrogés et les mots "activité commerciale ou artisanale" sont remplacés par les mots "activité économique de l'entreprise soumise à inscription" et les mots "activité de commerce ambulant" sont remplacés par les mots "activité ambulante".
Art. 59. In artikel III.26 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "handels- of ambachtsonderneming" vervangen door de woorden "inschrijvingsplichtige onderneming";
  2° in paragraaf 1 wordt het tweede lid vervangen als volgt :
  "Bij gebreke aan vermelding van het ondernemingsnummer op het deurwaardersexploot, verleent de rechtbank uitstel aan de inschrijvingsplichtige onderneming om haar inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen te bewijzen of om zich in te schrijven in de Kruispuntbank van Ondernemingen.";
  3° in paragraaf 1 wordt het derde lid vervangen als volgt :
  "Indien de inschrijvingsplichtige onderneming haar inschrijving in deze hoedanigheid in de Kruispuntbank van Ondernemingen op de datum van het inleiden van haar vordering niet bewijst of niet is ingeschreven binnen de door de rechtbank gestelde termijn in de Kruispuntbank van Ondernemingen, verklaart de rechtbank van ambtswege de vordering van de inschrijvingsplichtige onderneming onontvankelijk.";
  4° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt :
  " § 2. Indien de inschrijvingsplichtige onderneming wel in deze hoedanigheid is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, maar haar hoofdvordering, tegenvordering of vordering tot tussenkomst, ingediend bij verzoekschrift, bij conclusie of deurwaardersexploot, gebaseerd is op een activiteit waarvoor de inschrijvingsplichtige onderneming op de datum van de inleiding van die vordering niet is ingeschreven of die niet valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de inschrijvingsplichtige onderneming op deze datum is ingeschreven, is de vordering van die inschrijvingsplichtige onderneming onontvankelijk. De onontvankelijkheid is evenwel gedekt, indien ze niet voor elke andere exceptie of verweermiddel wordt ingeroepen.".
Art. 59. A l'article III.26 du même Code, inséré par la loi du 17 juillet 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots "entreprise commerciale ou artisanale" sont remplacés par les mots "entreprise soumise à inscription";
  2° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  "En l'absence de mention du numéro d'entreprise sur l'exploit d'huissier, le tribunal accorde une remise à l'entreprise soumise à inscription en vue de prouver son inscription à la Banque-Carrefour des Entreprises ou de s'inscrire à la Banque-Carrefour des Entreprises.";
  3° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 3, est remplacé par ce qui suit :
  "Dans le cas où l'entreprise soumise à inscription ne prouve pas, dans le délai assigné par le tribunal, son inscription en cette qualité ou n'est pas inscrite à la Banque-Carrefour des Entreprises à la date de l'introduction de son action, le tribunal déclare d'office l'action de l'entreprise soumise à inscription non recevable.";
  4° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. Dans le cas où l'entreprise soumise à inscription est inscrite en cette qualité à la Banque-Carrefour des Entreprises, mais que son action principale, reconventionnelle ou en intervention, introduite par voie de requête, conclusions ou d'exploit d'huissier, est basée sur une activité pour laquelle l'entreprise soumise à inscription n'est pas inscrite à la date de l'introduction de cette action ou qui ne tombe pas sous l'objet social pour lequel l'entreprise soumise à inscription est inscrite à cette date, l'action de cette entreprise soumise à inscription est non recevable. L'irrecevabilité est cependant couverte si elle n'est pas proposée avant toute autre exception ou moyen de défense.".
Art. 60. In artikel III.28 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de woorden "categorieën van geregistreerde ondernemingen" vervangen door de woorden "categorieën van geregistreerde entiteiten".
Art. 60. Dans l'article III.28 du même Code, inséré par la loi du 17 juillet 2013, les mots "catégories d'entreprises enregistrées" sont remplacés par les mots "catégories d'entités enregistrées qui sont reprises".
Art. 61. In artikel III.29 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, wordt in de bepalingen onder 2° tot 10° het woord "onderneming"telkens vervangen door de woorden "geregistreerde entiteit";
  2° in paragraaf 1, wordt de bepaling onder 11° aangevuld met de bepaling onder h), luidende :
  "h) boek XX van dit Wetboek;";
  3° in paragraaf 1, in de bepaling onder 12°, worden de woorden "handels- en ambachtsondernemingen" vervangen door de woorden "inschrijvingsplichtige ondernemingen".
Art. 61. A l'article III.29 du même Code, inséré par la loi du 17 juillet 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, 2° à 10°, le mot "entreprise" est chaque fois remplacé par les mots "entité enregistrée";
  2° dans le paragraphe 1er, le 11° est complété par un h) rédigé comme suit :
  "h) le livre XX du présent Code;";
  3° dans le paragraphe 1er, 12°, les mots "entreprises commerciales et artisanales" sont remplacés par les mots "entreprises soumises à inscription".
Art. 62. In artikel III.32 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de woorden "Iedere onderneming" vervangen door de woorden "Iedere geregistreerde entiteit".
Art. 62. A l'article III.32 du même Code, inséré par la loi du 17 juillet 2013, les mots "Toute entreprise" sont remplacés par les mots "Toute entité enregistrée".
Art. 63. In artikel III.34 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, worden de woorden "van het handelsregister" opgeheven;
  2° in paragraaf 1, worden de woorden "handels- of ambachtsonderneming" vervangen door de woorden "inschrijvingsplichtige onderneming";
  3° in paragraaf 2, worden de woorden "van het handelsregister" vervangen door de woorden "betreffende een inschrijvingsplichtige onderneming".
Art. 63. A l'article III.34 du même Code, inséré par la loi du 17 juillet 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, les mots "du registre de commerce" sont abrogés;
  2° dans le paragraphe 1er, les mots "entreprise commerciale ou artisanale" sont remplacés par les mots "entreprise soumise à inscription";
  3° dans le paragraphe 2, les mots "du registre de commerce sont certifiées" sont remplacés par les mots "concernant une entreprise soumise à inscription sont certifiés".
Art. 64. In artikel III.36 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de woorden "ondernemingen bedoeld in artikel III.16" vervangen door de woorden "geregistreerde entiteiten".
Art. 64. Dans l'article III.36 du même Code, inséré par la loi du 17 juillet 2013, les mots "entreprises visées à l'article III.16" sont remplacés par les mots "entités enregistrées".
Art. 65. In artikel III.38, § 1, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, wordt het woord "onderneming" vervangen door de woorden "geregistreerde entiteit".
Art. 65. Dans l'article III.38, § 1er, alinéa 2, du même Code, inséré par la loi du 17 juillet 2013, le mot "entreprise" est remplacé par les mots "entité enregistrée".
Art. 66. In artikel III.40 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, wordt het woord "onderneming" telkens vervangen door de woorden "geregistreerde entiteit".
Art. 66. Dans l'article III.40 du même Code, inséré par la loi du 17 juillet 2013, le mot "entreprise" est chaque fois remplacé par les mots "entité enregistrée".
Art. 67. In artikel III.41 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, wordt het woord "onderneming" telkens vervangen door de woorden "geregistreerde entiteit".
Art. 67. Dans l'article III.41 du même Code, inséré par la loi du 17 juillet 2013, le mot "entreprise" est chaque fois remplacé par les mots "entité enregistrée".
Art. 68. In artikel III.42 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in paragraaf 1, wordt in de bepaling onder 1° het woord "ondernemingen" vervangen door de woorden "geregistreerde entiteiten";
  b) in paragraaf 1, wordt in de bepalingen onder 2° en 3° het woord "ondernemingen" telkens opgeheven.
Art. 68. Dans l'article III.42 du même Code, inséré par la loi du 17 juillet 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  a) dans le paragraphe 1er, 1° le mot "entreprises" est remplacé par les mots "entités enregistrées";
  b) dans le paragraphe 1er, 2° et 3°, le mot "entreprises" est chaque fois abrogé.
Art. 69. In boek III, titel 2, van hetzelfde Wetboek, wordt het opschrift ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, wordt vervangen als volgt :
  "Hoofdstuk 2. Inschrijvingsplichtige ondernemingen"
Art. 69. Dans le livre III, titre 2 du même Code, l'intitulé du chapitre 2, inséré par la loi du 17 juillet 2013, est remplacé par ce qui suit :
  "Chapitre 2. Entreprises soumises à inscription".
Art. 70. Artikel III.49 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, wordt vervangen als volgt :
  "Art. III.49. § 1. De volgende ondernemingen zijn verplicht om zich voor de aanvang van hun activiteiten in te schrijven in de hoedanigheid van inschrijvingsplichtige onderneming in de Kruispuntbank van Ondernemingen bij een ondernemingsloket van hun keuze :
  1° elke onderneming naar Belgisch recht in de zin van artikel I.1(b) en (c);
  2° elke onderneming die in België beschikt over een zetel, een bijkantoor of een vestigingseenheid;
  § 2. In afwijking van paragraaf 1, zijn niet verplicht zich in te schrijven in de hoedanigheid van inschrijvingsplichtige ondernemingen :
  1° de onbeperkt aansprakelijke vennoten van een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, een vennootschap onder firma of een gewone commanditaire vennootschap voor de beroepsactiviteit van de vennootschap, op voorwaarde dat de betrokken vennootschap zelf is ingeschreven;
  2° de natuurlijke personen die enkel in de Kruispuntbank van Ondernemingen ingeschreven zijn met als enige hoedanigheid deze van werkgever van huispersoneel;
  3° de beroepsverenigingen;
  4° de inrichtende machten van het gesubsidieerde onderwijs;
  5° publiekrechtelijke rechtspersonen, die niet de vorm van een vennootschap of een andere rechtspersoon naar privaat recht hebben aangenomen;
  6° de natuurlijke persoon waarvan de zelfstandige beroepsactiviteit bestaat uit het uitoefenen van één of meerdere bestuursmandaten;
  7° de verenigingen van mede-eigenaars;
  8° de representatieve werknemersorganisaties;
  9° natuurlijke personen die in België een activiteit uitoefenen die inkomsten als bedoeld in artikel 90, eerste lid, 1° bis, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 genereren, voor de activiteit verbonden met die inkomsten, zolang die inkomsten niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 37bis, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;
  10° andere ondernemingen bepaald door de Koning.
  § 3. De inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen met de hoedanigheid van inschrijvingsplichtige onderneming vormt, behoudens tegenbewijs, een vermoeden van de hoedanigheid van onderneming.".
Art. 70. L'article III.49 du même Code, inséré par la loi du 17 juillet 2013, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. III.49. § 1er. Les entreprises suivantes sont tenues de s'inscrire avant de démarrer leurs activités, en qualité d'entreprise soumise à inscription, dans la Banque-Carrefour des Entreprises auprès du guichet d'entreprises de leur choix :
  1° toute entreprise de droit belge, au sens de l'article I.1(b) et (c);
  2° toute entreprise qui possède en Belgique un siège, une succursale ou une unité d'établissement;
  § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, ne sont pas tenues de s'inscrire en qualité d'entreprises soumises à inscription :
  1° les associés à responsabilité illimitée d'une société dépourvue de personnalité juridique, d'une société en nom collectif ou d'une société en commandite simple, pour l'activité professionnelle de la société, à condition que la société concernée soit elle-même inscrite;
  2° les personnes physiques qui ne sont inscrites à la Banque-Carrefour des Entreprises qu'en leur seule qualité d'employeur de personnel domestique;
  3° les unions professionnelles;
  4° les pouvoirs organisateurs de l'enseignement subventionné;
  5° les personnes morales de droit public qui n'ont pas pris la forme d'une société ou une autre forme de personne morale de droit privé;
  6° la personne physique dont l'activité professionnelle à titre indépendant consiste en l'exercice d'un ou de plusieurs mandats d'administration;
  7° les associations de copropriétaires;
  8° les organisations représentatives des travailleurs;
  9° les personnes physiques qui exercent en Belgique une activité qui génère des revenus visés à l'article 90, alinéa 1er, 1° bis, du Code des impôts sur les revenus 1992, pour l'activité liée avec ces revenus, dans la mesure où ces revenus ne remplissent pas les conditions visées à l'article 37bis, § 2, du Code des impôts sur les revenus 1992;
  10° d'autres entreprises déterminées par le Roi.
  § 3. L'inscription à la Banque-Carrefour des Entreprises en qualité d'entreprise soumise à inscription vaut, sauf preuve contraire, présomption de la qualité d'entreprise.".
Art. 71. In artikel III.50 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "handels-, ambachtsonderneming of niet-handelsonderneming naar privaat recht" vervangen door de woorden "inschrijvingsplichtige onderneming";
  2° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende :
  " § 2. In afwijking van paragraaf 1 zijn de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, bepaald in de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen, vrijgesteld van het betalen van het inschrijvingsrecht voor de Kruispuntbank van Ondernemingen.".
Art. 71. A l'article III.50 du même Code, inséré par la loi du 17 juillet 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 1er, les mots "entreprise commerciale, artisanale ou non commerciale de droit privé" sont remplacés par les mots "entreprise soumise à inscription";
  2° l'article est complété par un paragraphe 2 rédigé comme suit :
  " § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, les associations sans but lucratif, les associations internationales sans but lucratif et les fondations, visées dans la loi du 27 juin 1921 sur les associations sans but lucratif, les fondations, les partis politiques européens et les fondations politiques européennes, sont dispensées du paiement du droit d'inscription à la Banque-Carrefour des Entreprises.".
Art. 72. In artikel III.51 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "handels-, ambachtsondernemingen en niet-handelsondernemingen naar privaat recht" telkens vervangen door de woorden "inschrijvingsplichtige ondernemingen";
  2° in paragraaf 1, tweede lid, wordt het woord "onderneming" vervangen door de woorden "inschrijvingsplichtige onderneming";
  3° in paragraaf 2, worden de woorden "handels-, ambachtsondernemingen en niet-handelsondernemingen naar privaat recht" vervangen door de woorden "inschrijvingsplichtige ondernemingen".
Art. 72. A l'article III.51, du même Code, inséré par la loi du 17 juillet 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots "entreprises commerciales, artisanales et non commerciales de droit privé" sont chaque fois remplacés par les mots "entreprises soumises à inscription";
  2° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, le mot "entreprise" est remplacé par les mots "entreprise soumise à inscription";
  3° dans le paragraphe 2, les mots "entreprises commerciales, artisanales et non commerciales de droit privé" sont remplacés par les mots "entreprises soumises à inscription".
Art. 73. In artikel III.52 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid, worden de woorden "handels-, ambachtsonderneming of niet-handelsonderneming naar privaat recht" vervangen door de woorden "inschrijvingsplichtige onderneming";
  2° in het tweede lid, wordt het woord "onderneming" vervangen door de woorden "inschrijvingsplichtige onderneming".
Art. 73. Dans l'article III.52, du même Code, inséré par la loi du 17 juillet 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° à l'alinéa 1er, les mots "entreprise commerciale, artisanale ou non commerciale de droit privé" sont remplacés par les mots "entreprise soumise à inscription";
  2° à l'alinéa 2, le mot "entreprise" est remplacé par les mots "entreprise soumise à inscription".
Art. 74. In artikel III.53, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de woorden "handels-, ambachtsonderneming of niet-handelsonderneming naar privaat recht" vervangen door de woorden "inschrijvingsplichtige onderneming".
Art. 74. Dans l'article III.53, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 17 juillet 2013, les mots "entreprise commerciale, artisanale et non commerciale de droit privé" sont remplacés par les mots "entreprise soumise à inscription".
Art. 75. In artikel III.57 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de woorden "de onderneming" telkens vervangen door de woorden "inschrijvingsplichtige onderneming".
Art. 75. Dans l'article III.57 du même Code, inséré par la loi du 17 juillet 2013, les mots "l'entreprise" sont chaque fois remplacés par les mots "l'entreprise soumise à inscription".
Art. 76. In artikel III.59 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in paragraaf 1, worden in de bepaling onder 2° de woorden "handels- en ambachtsondernemingen en de niet-handelsondernemingen naar privaat recht" vervangen door de woorden "inschrijvingsplichtige ondernemingen" en wordt het woord "hoedanigheden" vervangen door het woord "hoedanigheid";
  b) in paragraaf 1, worden in de bepaling onder 3° de woorden "handels- en ambachtsondernemingen en de niet-handelsondernemingen naar privaat recht" vervangen door de woorden "inschrijvingsplichtige ondernemingen".
Art. 76. Dans l'article III.59 du même Code, inséré par la loi du 17 juillet 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  a) dans le paragraphe 1er, 2°, les mots "entreprises commerciales et artisanales et les entreprises non-commerciales de droit privé" sont remplacés par les mots "entreprises soumises à inscription" et les mots "dans ces qualités" sont remplacés par les mots "dans cette qualité";
  b) dans le paragraphe 1er, 3°, les mots "entreprises commerciales et artisanales et les entreprises non-commerciales de droit privé" sont remplacés par les mots "entreprises soumises à inscription".
Art. 77. In artikel III.60 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1 worden de woorden "handels- en ambachtsondernemingen" vervangen door de woorden "inschrijvingsplichtige ondernemingen";
  2° in paragraaf 2 worden de woorden "in het handelsregister" vervangen door de woorden "als inschrijvingsplichtige onderneming" en worden de woorden "handels- en ambachtsonderneming" vervangen door de woorden "inschrijvingsplichtige onderneming".
Art. 77. A l'article III.60 du même Code, inséré par la loi du 17 juillet 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, les mots "entreprises commerciales et artisanales" sont remplacés par les mots "entreprises soumises à inscription";
  2° dans le paragraphe 2, les mots "au registre du commerce" sont remplacés par les mots "en tant qu'entreprise soumise à inscription" et les mots "entreprise commerciale ou artisanale" sont remplacés par les mots "entreprise soumise à inscription".
Art. 78. In boek III, titel 3, hoofdstuk 1, afdeling 1, van hetzelfde Wetboek wordt een artikel III.73/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. III 73/1. Deze afdeling is niet van toepassing op de advocaten die juridische bijstand verlenen met toepassing van boek IIIbis van het Gerechtelijk Wetboek.".
Art. 78. Dans le livre III, titre 3, chapitre 1er, section 1re, du même Code il est inséré un article III.73/1, rédigé comme suit :
  "Art. III 73/1. La présente section ne s'applique pas aux avocats pratiquant l'aide juridique en application du livre IIIbis du Code judiciaire.".
Art. 79. Artikel III.82 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, wordt vervangen als volgt :
  "Art. III.82. § 1. De volgende ondernemingen zijn boekhoudplichtig :
  1° iedere onderneming in de zin van artikel I.1. eerste lid, a), die in België zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent;
  2° iedere onderneming naar Belgisch recht in de zin van artikel I.1. eerste lid, b) en c);
  3° iedere onderneming met in België gevestigde bijkantoren of centra van werkzaamheden;
  4° de openbare instellingen naar Belgisch recht die een statutaire opdracht vervullen van commerciële, financiële of industriële aard;
  5° de instellingen, al dan niet met eigen rechtspersoonlijkheid die, met of zonder winstoogmerk, een commercieel, financieel of industrieel bedrijf uitoefenen en waarop dit hoofdstuk, per soort van instellingen, van toepassing wordt verklaard door een koninklijk besluit dat de verplichtingen die voor de betrokken ondernemingen voortvloeien uit de besluiten ter uitvoering van boek III, titel 3, aanpast aan wat vereist wordt door de bijzondere aard van de werkzaamheid of door het wettelijk statuut van de betrokken instelling.
  In afwijking van het eerste lid zijn de volgende ondernemingen geen boekhoudplichtige onderneming :
  1° de natuurlijke personen waarvan de zelfstandige beroepsactiviteit bestaat uit het uitoefenen van één of meerdere bestuursmandaten;
  2° ondernemingen die de exploitatie van een land- of tuinbouwbedrijf tot doel hebben met uitzondering van die ondernemingen die in de vennootschapsbelasting worden belast;
  3° verenigingen en stichtingen die wegens de aard van hun hoofdactiviteit onderworpen zijn aan bijzondere, uit een wetgeving of een overheidsreglementering voorvloeiende regels betreffende het houden van hun boekhouding en betreffende hun jaarrekening, voor zover zij minstens gelijkwaardig zijn aan die bepaald op grond van dit hoofdstuk;
  4° verenigingen bedoeld in artikel 1, 1°, van de wet van 4 juli 1989 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezingen van de federale Kamers, de financiering en de open boekhouding van de politieke partijen;
  5° natuurlijke personen die in België een activiteit uitoefenen die inkomsten bedoeld in artikel 90, eerste lid, 1° bis, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 genereren, voor de activiteit verbonden met die inkomsten, zolang die inkomsten niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 37bis, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;
  6° de administratieve diensten met boekhoudkundige autonomie en de administratieve openbare instellingen bedoeld in artikel 2 van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de Federale Staat.
  Voor de boekhoudplichtige ondernemingen bedoeld in het eerste lid, 3°, zijn de bepalingen van dit hoofdstuk alleen van toepassing op hun in België gevestigde bijkantoren en centra van werkzaamheden met dien verstande dat hun gezamenlijke bijkantoren en centra van werkzaamheden in België als één boekhoudplichtige onderneming worden beschouwd.
  § 2. Elke boekhoudplichtige onderneming voert een voor de aard en de omvang van haar bedrijf passende boekhouding en neemt de bijzondere wetsvoorschriften betreffende dat bedrijf in acht.".
Art. 79. L'article III.82 du même Code, inséré par la loi du 17 juillet 2013, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. III.82. § 1er. Les entreprises suivantes sont soumises à l'obligation comptable :
  1° toute entreprise au sens de l'article I.1°, alinéa 1er, a), qui exerce une activité professionnelle à titre indépendant en Belgique;
  2° toute entreprise de droit belge au sens de l'article I.1°, alinéa 1er, b) et c);
  3° toute entreprise ayant une succursale ou un centre d'opération en Belgique;
  4° les organismes publics de droit belge qui exercent une mission statutaire à caractère commercial, financier ou industriel;
  5° les organismes, dotés ou non d'une personnalité juridique propre, qui exercent avec ou sans but de lucre une activité à caractère commercial, financier ou industriel, auxquels les dispositions du présent chapitre sont, par catégories d'organismes, rendues applicables par un arrêté royal qui adapte les obligations résultant, pour les entreprises concernées, des dispositions des arrêtés pris en exécution du livre III, titre 3, à ce que requièrent la nature particulière des activités et le statut légal des entreprises en cause.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, les entreprises suivantes ne sont pas soumises à l'obligation comptable :
  1° les personnes physiques dont l'activité professionnelle à titre indépendant consiste en l'exercice d'un ou de plusieurs mandats d'administrateur;
  2° les entreprises qui ont pour objet l'exploitation d'une entreprise agricole ou horticole à l'exception des entreprises qui sont soumises à l'impôt des sociétés;
  3° les associations et fondations soumises, en raison de la nature des activités qu'elles exercent à titre principal, à des règles particulières, résultant d'une législation ou d'une réglementation publique, relatives à la tenue de leur comptabilité et à leurs comptes annuels, pour autant qu'elles soient au moins équivalentes à celles prévues en vertu de ce chapitre;
  4° les associations visées à l'article 1er, 1°, de la loi du 4 juillet 1989 relative à la limitation et au contrôle des dépenses électorales engagées pour les élections des Chambres fédérales, ainsi qu'au financement et à la comptabilité ouverte des partis politiques;
  5° les personnes physiques qui exercent en Belgique une activité qui génère des revenus visés à l'article 90, alinéa 1er, 1° bis, du Code des impôts sur les revenus 1992, pour l'activité liée avec ces revenus, dans la mesure où ces revenus ne satisfont pas aux conditions visées à l'article 37bis, § 2, du Code des impôts sur les revenus 1992;
  6° les services administratifs à comptabilité autonome et les organismes administratifs publics visés à l'article 2 de la loi du 22 mai 2003 portant organisation du budget et de la comptabilité de l'Etat fédéral.
  Les entreprises soumises à l'obligation comptable visées à l'alinéa 1er, 3°, ne sont soumises aux dispositions du présent chapitre qu'en ce qui concerne les succursales et sièges d'opération qu'elles ont établis en Belgique. L'ensemble de leurs succursales et sièges d'opération établis en Belgique est considéré comme une entreprise soumise à l'obligation comptable.
  § 2. Toute entreprise soumise à l'obligation comptable tient une comptabilité appropriée à la nature et à l'étendue de ses activités en se conformant aux dispositions légales particulières qui les concernent.".
Art. 80. In artikel. III.83 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid wordt vervangen als volgt :
  "De boekhouding van boekhoudplichtige ondernemingen omvat al hun verrichtingen, bezittingen, en rechten van welke aard ook, en hun vorderingen, schulden en verplichtingen van welke aard ook. De boekhouding van de boekhoudplichtige ondernemingen in de zin van artikel III.82, § 1, eerste lid, 1°, omvat deze gegevens evenwel uitsluitend wat betreft hun zelfstandige beroepsactiviteit; de eigen middelen die voor deze beroepsactiviteit worden aangewend, worden afzonderlijk vermeld.";
  2° in het tweede lid, wordt het woord "onderneming" vervangen door de woorden "boekhoudplichtige onderneming" en het woord "ondernemingsactiviteiten" vervangen door het woord "activiteiten";
  3° in het derde lid, wordt het woord "onderneming" vervangen door de woorden "boekhoudplichtige onderneming" en de woorden "tijdelijke handelsvereniging of in een handelsvereniging bij wijze van deelneming" vervangen door de woorden "vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid";
  4° het derde lid wordt aangevuld met de volgende zin :
  "De rekeningen van vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid worden door de zaakvoerders of deelgenoten in hun eigen boekhouding opgenomen volgens de proportionele integratiemethode.".
Art. 80. A l'article III.83 du même Code, inséré par la loi du 17 juillet 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  "La comptabilité des entreprises soumises à l'obligation comptable couvre l'ensemble de leurs opérations, de leurs avoirs et droits de toute nature, de leurs créances, de leurs dettes, de leurs obligations et de leurs engagements de toute nature. La comptabilité des entreprises soumises à l'obligation comptable au sens de l'article III.82, § 1er, alinéa 1er, 1°, couvre toutefois ces éléments exclusivement en ce qui concerne leur activité professionnelle à titre indépendant; elle mentionne de manière distincte les moyens propres affectés à cette activité professionnelle.";
  2° dans l'alinéa 2, le mot "entreprise" est remplacé par les mots "entreprise soumise à l'obligation comptable" et les mots "activités économiques" sont remplacés par le mot "activités";
  3° dans l'alinéa 3, le mot "entreprise" est remplacé par les mots "entreprise soumise à l'obligation comptable" et les mots "en association commerciale momentanée ou en participation" sont remplacés par les mots "en société sans personnalité juridique";
  4° l'alinéa 3 est complété par la phrase suivante :
  "Les comptes de sociétés sans personnalité juridique sont tenus par les gérants ou associés dans leur propre comptabilité selon la méthode de l'intégration proportionnelle.".
Art. 81. In artikel III.84 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013 en gewijzigd bij de wet van 2 april 2014 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden "onderneming" en "ondernemingen" worden respectievelijk telkens vervangen door de woorden "boekhoudplichtige onderneming" en "boekhoudplichtige ondernemingen";
  1° /1 in het derde lid worden de woorden "vermeld in artikel III.85, eerste lid, 3° " vervangen door de woorden "vermeld in artikel III.85, § 1, eerste lid, 3° ";
  2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "De Koning bepaalt een afzonderlijke minimumindeling van een algemeen rekeningenstelsel voor de verenigingen en de stichtingen. Hij stelt vast wat de rekeningen van dat stelsel moeten bevatten en hoe ze moeten worden gebruikt.".
Art. 81. A l'article III.84 du même Code, inséré par la loi du 17 juillet 2013 et modifié par la loi du 2 avril 2014 les modifications suivantes sont apportées :
  1° les mots "entreprise" et "entreprises" sont chaque fois remplacés respectivement par les mots "entreprise soumise à l'obligation comptable" et "entreprises soumises à l'obligation comptable";
  1° /1. dans l'alinéa 3, les mots "journal visé à l'article III.85, premier alinéa, 3° " sont remplacés par les mots "journal visé à l'article III.85, § 1er, alinéa 1er, 3° ";
  2° l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  "Le Roi détermine la teneur et la présentation d'un plan comptable minimum normalisé distinct pour les associations et fondations. Il définit le contenu et l'utilisation des comptes repris au plan normalisé.".
Art. 82. In artikel III.85 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in de bestaande tekst, die paragraaf 1 zal vormen, worden de woorden "De natuurlijke personen die koopman zijn" vervangen door de woorden "boekhoudplichtige ondernemingen die een onderneming zijn in de zin van artikel I.1, eerste lid, (a) of (c)";
  2° de bestaande tekst, die paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met de paragrafen 2 en 3, luidende :
  " § 2. De verenigingen en stichtingen bedoeld in de artikelen 17, § 2, 37, § 2, en 53, § 2, van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen behoeven geen boekhouding te voeren volgens de voorschriften van de artikelen III.83 en III.84 wanneer de verrichtingen die betrekking hebben op mutaties in contant geld of op rekeningen zonder uitstel, getrouw en volledig en naar tijdsorde ingeschreven worden in een ongesplitst dagboek volgens het model door de Koning bepaald.
  Het dagboek is genummerd en wordt geïdentificeerd door de naam van de vereniging of de stichting.
  Het dagboek mag worden gehouden door middel van ingebonden of ingenaaide registers of door middel van geïnformatiseerde systemen.
  Indien het dagboek wordt gehouden door middel van ingebonden of ingenaaide registers, moet het voor het eerste gebruik en vervolgens ieder jaar worden ondertekend door de personen die de vereniging of de stichting ten aanzien van derden vertegenwoordigen.
  Het dagboek wordt bijgehouden naar tijdsorde, zonder enig wit vak of enige weglating, opdat de materiële continuïteit, alsook de regelmatigheid en de onveranderlijkheid van de boekingen gewaarborgd zouden zijn. In geval van correctie moet het oorspronkelijk geschrevene leesbaar blijven.
  Het originele dagboek gehouden door middel van ingebonden of ingenaaide registers wordt gedurende zeven jaar bewaard te rekenen van de eerste januari van het jaar dat op de afsluiting volgt.
  Indien het dagboek wordt gehouden door middel van geïnformatiseerde systemen, verzekert de voor het bewaren gebruikte drager de onveranderlijkheid en de toegankelijkheid van de gegevens die erin geregistreerd zijn gedurende de volledige bewaringstermijn opgelegd in het zesde lid.
  § 3. Paragraaf 2 is op overeenkomstige wijze van toepassing op de centra van werkzaamheden bedoeld in artikelen 26octies, § 1, en 45 van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen.".
Art. 82. A l'article III.85 du même Code, inséré par la loi du 17 juillet 2013, les modifications suivantes sont apportées: :
  1° dans le texte actuel, qui formera le paragraphe 1er, les mots "Les commerçants, personnes physiques" sont remplacés par les mots "Les entreprises soumises à l'obligation comptable qui sont des entreprises au sens de l'article I.1, alinéa 1er, (a) ou (c)";
  2° le texte actuel, qui formera le paragraphe 1er, est complété par les paragraphes 2 et 3, rédigés comme suit :
  " § 2. Les associations et fondations visées aux articles 17, § 2, 37, § 2, et 53, § 2, de la loi du 27 juin 1921 sur les associations sans but lucratif, les fondations, les partis politiques européens et les fondations politiques européennes ont la faculté de ne pas tenir leur comptabilité selon les prescriptions des articles III.83 et III.84 lorsque les opérations se traduisant par des mouvements de disponibilités en espèces ou en comptes sont inscrites sans retard, de manière fidèle et complète et par ordre de dates, dans un livre comptable unique établi selon le modèle défini par le Roi.
  Le livre est coté. Il est identifié par la dénomination de l'association ou de la fondation.
  Le livre peut être tenu au moyen de registres reliés ou brochés, ou au moyen de systèmes informatisés.
  S'il est tenu au moyen de registres reliés ou brochés, il est signé avant sa première utilisation et ensuite chaque année par les personnes qui représentent l'association ou la fondation à l'égard des tiers.
  Le livre est tenu par ordre de dates, sans blancs ni lacunes, de manière à garantir la continuité matérielle ainsi que la régularité et l'irréversibilité des écritures. En cas de rectification, l'écriture primitive doit rester lisible.
  Le livre tenu au moyen de registres reliés ou brochés est conservé en original pendant sept ans à partir du premier janvier de l'année qui suit sa clôture.
  Lorsque le livre est tenu au moyen de systèmes informatisés, le support utilisé pour sa conservation assure l'inaltérabilité et l'accessibilité des données qui y sont enregistrées durant toute la durée de conservation prescrite à l'alinéa 6.
  § 3. Le paragraphe 2 s'applique par analogie aux centres d'opération visés aux articles 26octies, § 1er, et 45 de la loi du 27 juin 1921 sur les associations sans but lucratif, les fondations, les partis politiques européens et les fondations politiques européennes.".
Art. 83. In artikel III.87, § 2, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de woorden "derde en vierde" vervangen door de woorden "vierde en vijfde".
Art. 83. Dans l'article III.87, § 2, alinéa 2, du même Code, inséré par la loi du 17 juillet 2013, les mots "3 et 4" sont remplacés par les mots "4 et 5"".
Art. 84. In artikel III.88, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, wordt het woord "ondernemingen" vervangen door de woorden "boekhoudplichtige ondernemingen".
Art. 84. Dans l'article III.88, alinéa 2, du même Code, inséré par la loi du 17 juillet 2013, le mot "entreprises" est remplacé par les mots "entreprises soumises à l'obligation comptable".
Art. 85. In artikel III.89 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de woorden "onderneming" en "ondernemingen" telkens respectievelijk vervangen door de woorden "boekhoudplichtige onderneming" en "boekhoudplichtige ondernemingen".
Art. 85. Dans l'article III.89 du même Code, inséré par la loi du 17 juillet 2013, les mots "entreprise" et "entreprises" sont chaque fois remplacés respectivement par les mots "entreprise soumise à l'obligation comptable" et "entreprises soumises à l'obligation comptable".
Art. 86. In artikel III.90 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013 en gewijzigd bij de wet van 18 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in paragraaf 2, eerste lid, wordt het woord "ondernemingen" vervangen door de woorden "boekhoudplichtige ondernemingen" en de woorden "en die geen onderneming zijn in de zin van artikel III.85" opgeheven;
  b) in paragraaf 2, derde lid, worden de woorden "I.5, 1°, c" vervangen door de woorden"III.82, § 1, eerste lid, 4° ";
  c) in paragraaf 2, vierde lid, 1°, worden de woorden "de natuurlijke personen die koopman zijn" vervangen door de woorden "de ondernemingen vermeld in artikel III.82, § 1, eerste lid, 1° " en wordt het woord "III.85" vervangen door de woorden "III.85, § 1";
  d) in paragraaf 2, vierde lid, 2°, worden de woorden "I.5, 1°, d)" vervangen door de woorden "III. 82, § 1, eerste lid, 5° ";
  e) in paragraaf 2, vierde lid, 6°, worden de woorden "natuurlijke personen die koopman zijn" vervangen door de woorden "ondernemingen vermeld in artikel III.82, § 1, eerste lid, 1° ";
  f) paragraaf 2 wordt aangevuld met een bepaling onder 7°, luidende :
  "7° de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de centra van werkzaamheden van buitenlandse verenigingen zonder winstoogmerk en buitenlandse stichtingen zoals bedoeld in artikelen 26octies, § 1, en 45 van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen.".
Art. 86. Dans l'article III.90 du même Code, inséré par la loi du 17 juillet 2013 et modifié par la loi du 18 décembre 2015, les modifications suivantes sont apportées :
  a) dans le paragraphe 2, alinéa 1er, le mot "entreprises" est remplacé par les mots "entreprises soumises à l'obligation comptable" et les mots "qui ne sont pas des entreprises au sens de l'article III.85" sont abrogés;
  b) dans le paragraphe 2, alinéa 3, les mots "I.5, 1°, c" sont remplacés par les mots "III.82, § 1er, alinéa 1er, 4° ";
  c) dans le paragraphe 2, alinéa 4, 1°, les mots "aux commerçants personnes physiques" sont remplacés par les mots "aux entreprises mentionnées à l'article III.82, § 1er, alinéa 1er, 1° " et les mots "visés à l'article III.85" sont remplacés par les mots "visées à l'article III.85, § 1er";
  d) dans le paragraphe 2, alinéa 4, 2°, les mots "I.5, 1°, d)" sont remplacés par les mots "III.82, § 1er, alinéa 1er, 5° ";
  e) dans le paragraphe 2, alinéa 4, 6°, les mots "commerçants personnes physiques" sont remplacés par les mots "entreprises mentionnées à l'article III.82, § 1er, alinéa 1er, 1° ";
  f) le paragraphe 2 est complété par un 7° rédigé comme suit :
  "7° aux associations sans but lucratif, aux associations internationales sans but lucratif, aux fondations et aux centres d'opération d'associations sans but lucratif et de fondations étrangères visées aux articles 26octies, § 1er, et 45 de la loi du 27 juin 1921 sur les associations sans but lucratif, les fondations, les partis politiques européens et les fondations politiques européennes, aux associations internationales sans but lucratif et aux fondations.".
Art. 87. In artikel III.91 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, derde lid, worden de woorden "in artikel I.5, 1°, bedoelde" vervangen door het woord "boekhoudplichtige";
  2° in paragraaf 2 wordt het cijfer "zesde" vervangen door het cijfer "zevende".
Art. 87. A l'article III.91 du même Code, inséré par la loi du 17 juillet 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, alinéa 3, les mots "que celles visées à l'article I.5, 1" sont remplacés par les mots "soumises à l'obligation comptable";
  2° dans le paragraphe 2, le chiffre "6" est remplacé par le chiffre "7".
Art. 88. In artikel III.92 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de woorden "zesde" en "I.5, 1°, " respectievelijk vervangen door de cijfers "zevende" en "III.82, § 1".
Art. 88. Dans l'article III.92 du même Code, inséré par la loi du 17 juillet 2013, les mots "6" et "I.5, 1°, " sont remplacés respectivement par les chiffres "7" et "III.82, § 1er".
Art. 89. In artikel III.93/2, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 12 december 2016, worden de woorden "in artikel I.5, 1°, bedoelde" vervangen door het woord "boekhoudplichtige".
Art. 89. Dans l'article III.93/2, § 1er, du même Code, inséré par la loi du 12 décembre 2016, les mots "visées à l'article I.5, 1° " sont remplacés par les mots "soumises à l'obligation comptable et".
Art. 90. Artikel III.94 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, wordt vervangen als volgt :
  "Art. III.94. § 1. De minister bevoegd voor de Economische Zaken of zijn afgevaardigde kan in bijzondere gevallen, na een met redenen omkleed advies van de in artikel III.93 vermelde Commissie voor boekhoudkundige Normen, toestaan dat wordt afgeweken van de regels vastgesteld op grond van artikel III.84, zesde lid, artikel III.89, § 2, artikel III.90 en artikel III.91. Deze bevoegdheid wordt op dezelfde wijze door de minister bevoegd voor Middenstand of zijn afgevaardigde uitgeoefend ten aanzien van de vennootschappen en andere ondernemingen die als klein kunnen worden beschouwd in de zin van het Wetboek van Vennootschappen. De Commissie voor boekhoudkundige Normen wordt in kennis gesteld van het besluit van de minister of zijn afgevaardigde.
  § 2. De minister bevoegd voor Justitie of zijn afgevaardigde, kan in bijzondere gevallen, na een met redenen omkleed advies van de Commissie voor boekhoudkundige Normen, toestaan dat wordt afgeweken van artikel 4, zesde lid, artikel 9, § 2, en artikel 10 van de wet van 17 juli 1975 met betrekking tot de boekhouding van de ondernemingen in de mate waarin deze van toepassing zijn verklaard door het koninklijk besluit van 19 december 2003 betreffende de boekhoudkundige verplichtingen en de openbaarmaking van de jaarrekening van bepaalde verenigingen zonder winstoogmerk, internationale verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen evenals van de bepalingen van dit laatste koninklijk besluit zelf. De Commissie voor boekhoudkundige Normen wordt in kennis gesteld van het besluit van de minister of zijn afgevaardigde.".
Art. 90. L'article III.94 du même Code, inséré par la loi du 17 juillet 2013, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. III.94. § 1er. Le ministre qui a les Affaires Economiques dans ses attributions ou son délégué peut autoriser, dans des cas spéciaux et moyennant l'avis motivé de la Commission des Normes Comptables visée à l'article III.93, des dérogations aux règles arrêtées en vertu des articles III.84, alinéa 6, III.89, § 2, III.90 et III.91. Ce pouvoir est exercé dans les mêmes formes par le ministre qui a les Classes moyennes dans ses attributions ou son délégué en ce qui concerne les sociétés et autres entreprises qui peuvent être considérées comme petites au sens du Code des sociétés. La Commission des Normes Comptables est informée de la décision du ministre ou de son délégué.
  § 2. Le ministre qui a la Justice dans ses attributions ou son délégué peut, dans des cas particuliers et après un avis motivé de la Commission des normes comptables, autoriser qu'il soit dérogé aux articles 4, alinéa 6, 9, § 2, et 10 de la loi du 17 juillet 1975 relative à la comptabilité des entreprises dans la mesure où ceux-ci sont déclarés d'application par l'arrêté royal du 19 décembre 2003 relatif aux obligations comptables et à la publicité des comptes annuels de certaines associations sans but lucratif, associations internationales sans but lucratif et fondations, ainsi qu'aux dispositions de ce dernier arrêté royal lui-même. La Commission des normes comptables est informée de la décision du ministre ou de son délégué.".
Art. 91. In artikel III.95 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, wordt het woord "zesde" telkens vervangen door het woord "zevende".
Art. 91. Dans l'article III.95 du même Code, inséré par la loi du 17 juillet 2013, les mots "alinéa 6" sont chaque fois remplacés par les mots "alinéa 7".
Afdeling 3. - Wijzigingen van boek VI
Section 3. - Modifications du livre VI
Art. 92. In boek VI, titel 2, hoofdstuk 1, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel VI.1/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. VI.1/1. § 1. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op overeenkomsten opgesteld door een notaris of door een gerechtsdeurwaarder in hun hoedanigheid van openbaar ambtenaar.
  § 2. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op overeenkomsten met betrekking tot juridische bijstand geleverd door een advocaat met toepassing van deel II, boek IIIbis, van het Gerechtelijk Wetboek.".
Art. 92. Dans livre VI, titre 2, chapitre 1er, du même Code, il est inséré un article VI.1/1 rédigé comme suit :
  "Art. VI.1/1. § 1er. Le présent chapitre n'est pas d'application aux conventions établies par un notaire ou un huissier de justice en leur qualité d'officier public.
  § 2. Le présent chapitre n'est pas d'application aux conventions concernant l'aide juridique fournie par un avocat en application de la deuxième partie du livre IIIbis du Code judiciaire.".
Art. 93. In artikel VI.35 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij wet van 21 december 2013 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 december 2017, wordt paragraaf 2 vervangen als volgt :
  " § 2. Alvorens een besluit ter uitvoering van paragraaf 1 voor te stellen, raadpleegt de minister de Raad voor het Verbruik en de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de KMO. Wanneer het besluit betrekking heeft op beoefenaars van een vrij beroep worden ook de interprofessionele organisaties van de betrokken beoefenaars van een vrij beroep die niet vertegenwoordigd zijn in de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de KMO geraadpleegd. De minister bepaalt de redelijke termijn waarbinnen het advies moet worden gegeven. Eenmaal deze termijn is verstreken, is het advies niet meer vereist.".
Art. 93. Dans l'article VI.35 du même Code, inséré par la loi du 21 décembre 2013 et modifié par l'arrêté royal du 13 décembre 2017, le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. Avant de proposer un arrêté en application du paragraphe 1er, le ministre consulte le Conseil de la consommation et le Conseil supérieur des indépendants et des PME. Lorsque l'arrêté concerne des titulaires d'une profession libérale, les organisations interprofessionnelles des titulaires concernés, qui ne sont pas représentées au Conseil supérieur des indépendants et des PME., sont également consultées. Le ministre fixe le délai raisonnable dans lequel l'avis doit être donné. Passé ce délai, l'avis n'est plus requis.".
Art. 94. In boek VI, titel 3, hoofdstuk 2, afdeling 1, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel VI.44/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. VI.44/1. § 1. Deze afdeling is niet van toepassing op overeenkomsten opgesteld door een notaris of door een gerechtsdeurwaarder in hun hoedanigheid van openbaar ambtenaar.
  § 2. Deze afdeling is niet van toepassing op overeenkomsten met betrekking tot juridische bijstand geleverd door een advocaat met toepassing van deel II, boek IIIbis, van het Gerechtelijk Wetboek.".
Art. 94. Dans livre VI, titre 3, chapitre 2, section 1re, du même Code, il est inséré un article VI.44/1 rédigé comme suit :
  "Art. VI.44/1. § 1er. La présente section n'est pas d'application aux conventions établies par un notaire ou un huissier de justice en leur qualité d'officier public.
  § 2. La présente section n'est pas d'application aux conventions concernant l'aide juridique fournie par un avocat en application de la deuxième partie du livre IIIbis du Code judiciaire.".
Art. 95. In boek VI, titel 3, hoofdstuk 3 van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel VI.63/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. VI.63/1. § 1. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op overeenkomsten opgesteld door een notaris of door een gerechtsdeurwaarder in hun hoedanigheid van openbaar ambtenaar.
  § 2. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op overeenkomsten met betrekking tot juridische bijstand geleverd door een advocaat met toepassing van deel II, boek IIIbis, van het Gerechtelijk Wetboek.".
Art. 95. Dans le livre VI, titre 3, chapitre 3 du même Code, il est inséré un article VI.63/1 rédigé comme suit :
  "Art. VI.63/1. § 1er. Le présent chapitre n'est pas d'application aux conventions établies par un notaire ou un huissier de justice en leur qualité d'officier public.
  § 2. Le présent chapitre n'est pas d'application aux conventions concernant l'aide juridique fournie par un avocat en application de la deuxième partie du livre IIIbis du Code judiciaire.".
Art. 96. Artikel VI.128 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij wet van 21 december 2013, wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "Wanneer maatregelen, te nemen ter uitvoering van boek VI betrekking hebben op intellectuele prestaties kenmerkend voor beoefenaars van een vrij beroep, worden die maatregelen, overeenkomstig het derde en vierde lid, desgevallend gezamenlijk door ministers bevoegd voor Justitie, Economie, KMO en Middenstand, en volksgezondheid voorgesteld en door hen in onderlinge overeenstemming, ieder wat hem betreft, uitgevoerd.".
Art. 96. L'article VI.128 du même Code, inséré par la loi du 21 décembre 2013, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  "Lorsque des mesures à prendre en application du livre VI concernent des prestations intellectuelles propres aux titulaires d'une profession libérale, ces mesures sont proposées, conformément aux alinéas 3 et 4, le cas échéant conjointement par les ministres qui ont la justice, l'économie, les P.M.E. et les Classes moyennes et la Santé publique dans leurs attributions et exécutées par eux de commun accord, chacun en ce qui le concerne.".
Afdeling 4. - Wijzigingen van boek VII
Section 4. - Modifications du livre VII
Art. 97. In artikel VII.1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij wet van 19 april 2014 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 22 december 2017, wordt de inleidende zin aangevuld als volgt ", evenals die van de handelspapieren en van de cheque.".
Art. 97. Dans l'article VII.1. du même Code, inséré par la loi du 19 avril 2014 et modifié en dernier lieu par la loi du 22 décembre 2017, la phrase liminaire est complétée comme suit: "ainsi que celle des effets de commerce et du chèque.".
Art. 98. In artikel VII.2 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij wet van 19 april 2014 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 22 december 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) In paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "Titels 3 en 5 tot 7 van dit boek" vervangen door de worden "Titels 3, 5, 6 en 7 van dit boek";
  b) in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "Titels 4 tot 7 van dit boek" vervangen door de worden "Titels 4 tot 6 en 7 van dit boek".
Art. 98. Dans l'article VII.2. du même Code, inséré par la loi du 19 avril 2014 et modifié en dernier lieu par la loi du 22 décembre 2017, les modifications suivantes sont apportées :
  a) dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots "Les titres 3 et 5 à 7 du présent livre" sont remplacés par les mots "Les titres 3, 5, 6 et 7 du présent livre";
  b) dans le paragraphe 2, alinéa 1er, les mots "Les titres 4 à 7 du présent livre" sont remplacés par les mots "Les titres 4 à 6 et 7 du présent livre".
Art. 99. In artikel VII.3. van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij wet van 19 april 2014 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 oktober 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  i) in paragraaf 1 wordt de inleidende zin vervangen als volgt : "Titels 1 tot 7 van dit boek zijn niet van toepassing op :";
  ii) in paragraaf 1, 7°, worden de bepalingen onder a) en b) vervangen als volgt :
  "a) onverminderd artikelen VII.88, VII.90, VII.147/1, VII.147/3, VII.205 en VII.214/5 een papieren cheque zoals bedoeld in titel 6/1 of een soortgelijke papieren cheque zoals de postcheque, een circulaire cheque of een cheque die valt onder het recht van een Staat die geen partij is bij het verdrag van Genève van 19 maart 1931 houdende een eenvormige wet op de cheques of elke andere cheque;
  b) onverminderd artikelen VII.147/1, VII.205 en VII.214/5, een wisselbrief of een orderbriefje op papier zoals bedoeld in titel 6/1, of een met die documenten vergelijkbare wissel op papier die valt onder het recht van een Staat die geen partij is bij het verdrag van Genève van 7 juni 1930 houdende een eenvormige wet op de wisselbrieven en orderbriefjes;".
  3) het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 5, luidende :
  " § 5. Dit boek is niet van toepassing op postcheques, die aan de geldende wetgeving onderworpen blijven.".
Art. 99. Dans l'article VII.3. du même Code, inséré par la loi du 19 avril 2014 et modifié en dernier lieu par la loi du 25 octobre 2016, les modifications suivantes sont apportées :
  i) dans le paragraphe 1er, la phrase liminaire est remplacée par ce qui suit : "Les titres 1er à 7 du présent livre ne s'appliquent pas aux :";
  ii) dans le paragraphe 1er, 7°, les a) et b) sont remplacés par ce qui suit :
  "a) sans préjudice des articles VII.88, VII.90, VII.147/1, VII.147/3, VII.205 et VII.214/5, un chèque papier visé au titre 6/1 et un chèque papier similaire à celui visé au titre 6/1, tel que le chèque postal, un chèque circulaire et le chèque régi par le droit d'un Etat non partie à la convention de Genève du 19 mars 1931 portant loi uniforme sur les chèques ou tout autre chèque;
  b) sans préjudice des articles VII.147/1, VII.205 et VII.214/5 , une lettre de change et un billet à ordre sur support papier visé au titre 6/1, ainsi qu'une traite sur support papier similaire à ces documents et régie par le droit d'un Etat non partie à la convention de Genève du 7 juin 1930 portant loi uniforme sur les lettres de change et les billets à ordre;".
  3) l'article est complété par le paragraphe 5 rédigé comme suit :
  " § 5. Le présent livre ne s'applique pas aux chèques postaux qui restent soumis à la législation applicable.".
Art. 100. In boek VII van hetzelfde Wetboek wordt een titel 6/1 ingevoegd luidende :
  "Titel 6/1. Waardepapieren".
Art. 100. Dans le livre VII du même Code, il est inséré un titre 6/1, intitulé :
  "Titre 6/1. Des effets de commerce".
Art. 101. In titel 6/1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 100, wordt een hoofdstuk 1 ingevoegd, luidende :
  "Hoofdstuk 1. Algemene bepaling".
Art. 101. Dans le titre 6/1, du même Code, inséré par l'article 100, il est inséré un chapitre 1er intitulé :
  "Chapitre 1er. Disposition générale".
Art. 102. In hoofdstuk 1, ingevoegd bij artikel 101, wordt een artikel 216/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/1. In deze titel dekt het woord "bankier" de in België gevestigde kredietinstellingen die onder de wet vallen van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen.".
Art. 102. Dans le chapitre 1er, inséré par l'article 101, il est inséré un article VII.216/1 rédigé comme suit :
  "Art. VII.216/1. Dans le présent titre, le terme "banquier" recouvre les institutions de crédit établies en Belgique qui relèvent de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse.".
Art. 103. In titel 6/1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 100, wordt een hoofdstuk 2 ingevoegd, luidende :
  "Hoofdstuk 2. De wisselbrief".
Art. 103. Dans le titre 6/1, du même Code, inséré par l'article 100, il est inséré un chapitre 2 intitulé :
  "Chapitre 2. La lettre de change".
Art. 104. In hoofdstuk 2, ingevoegd bij artikel 103, wordt een afdeling 1 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 1. Uitgifte en vorm van de wisselbrief".
Art. 104. Dans le chapitre 2, inséré par l'article 103, il est inséré une section 1re intitulée :
  "Section 1re. De la création et de la forme de la lettre de change".
Art. 105. In afdeling 1, ingevoegd bij artikel 104, worden de artikelen VII.216/2 tot VII.216/11 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII. 216/2. De wisselbrief behelst :
  1° de benaming "wisselbrief", opgenomen in de tekst zelf en uitgedrukt in de taal waarin de titel is gesteld;
  2° de onvoorwaardelijke opdracht tot betaling van een bepaalde som;
  3° de naam van degene die betalen moet (betrokkene);
  4° de aanwijzing van de vervaldag;
  5° die van de plaats waar de betaling moet geschieden;
  6° de naam van degene aan wie of aan wiens order de betaling moet worden gedaan;
  7° de vermelding van de dagtekening, alsmede van de plaats waar de wisselbrief is getrokken;
  8° de handtekening van degene die de wisselbrief uitgeeft (trekker).
  Art. VII. 216/3. De titel waarin een der vermeldingen, in artikel VIII.216/2 aangegeven, ontbreekt, geldt niet als wisselbrief, behoudens in de hieronder in dit artikel genoemde gevallen :
  De wisselbrief waarvan de vervaldag niet is aangewezen, wordt beschouwd als betaalbaar op zicht.
  Bij gebreke van een bijzondere aanwijzing wordt de plaats, aangegeven naast de naam van de betrokkene, geacht te zijn de plaats van betaling en tevens die van de woonplaats van de betrokkene.
  De wisselbrief welke niet de plaats vermeldt waar hij is getrokken, wordt geacht te zijn ondertekend in de plaats aangegeven naast de naam van de trekker.
  De handtekening, waarvan sprake in artikel VII.216/2, 8°, kan vervangen worden door een notariële akte in brevet, die op de wisselbrief gesteld wordt en waaruit de wil blijkt van degene die zou hebben moeten ondertekenen.
  Art. VII.216/4. De wisselbrief kan aan de order van de trekker zelf luiden.
  Hij kan worden getrokken op de trekker zelf.
  Hij kan worden getrokken voor rekening van een derde.
  Art. VII.216/5. Een wisselbrief kan betaalbaar zijn aan de woonplaats van een derde, hetzij in de plaats waar de betrokkene zijn woonplaats heeft, hetzij in een andere plaats.
  Art. VII.216/6. In een wisselbrief, betaalbaar op zicht of een zekere tijd na zicht, kan de trekker bepalen dat de som rente draagt. In elke andere wisselbrief wordt deze clausule voor niet geschreven gehouden.
  De rentevoet moet in de wisselbrief worden aangegeven; bij gebreke hiervan wordt de renteclausule voor niet geschreven gehouden.
  De rente loopt te rekenen van de dagtekening van de wisselbrief, tenzij een andere dag is aangegeven.
  Art. VII.216/7. De wisselbrief waarvan het bedrag voluit in letters en tevens in cijfers is geschreven, geldt, in geval van verschil, ten belope van de som voluit in letters geschreven.
  De wisselbrief waarvan het bedrag meermalen is geschreven, hetzij voluit in letters, hetzij in cijfers, geldt, in geval van verschil slechts ten belope van de kleinste som.
  Art. VII.216/8. Indien de wisselbrief handtekeningen bevat van personen die onbekwaam zijn zich door middel van een wisselbrief te verbinden, valse handtekeningen of handtekeningen van verdichte personen, of handtekeningen welke, onverschillig om welke andere reden, de personen die deze handtekeningen op de wisselbrief hebben geplaatst of in wier naam zulks is geschied, niet kunnen verbinden, zijn de verbintenissen van de andere personen wier handtekening op de wisselbrief voorkomt, niettemin geldig.
  Art. VII.216/9. Ieder die zijn handtekening op een wisselbrief plaatst als vertegenwoordiger van een persoon voor wie hij niet de bevoegdheid had te handelen, is zelf krachtens de wisselbrief verbonden en heeft, indien hij betaalt, dezelfde rechten als de beweerde vertegenwoordigde zou hebben gehad. Hetzelfde geldt ten aanzien van de vertegenwoordiger die zijn bevoegdheid heeft overschreden.
  Art. VII.216/10. De trekker staat in voor de acceptatie en voor de betaling.
  Hij kan zijn verplichting, voor de acceptatie in te staan, uitsluiten; elke clausule waarbij hij de verplichting, voor de betaling in te staan, uitsluit, wordt voor niet geschreven gehouden.
  Art. VII.216/11. Indien een wisselbrief, onvolledig ten tijde van de uitgifte, is volledig gemaakt in strijd met de aangegane overeenkomsten, kan de niet-naleving van die overeenkomsten niet worden tegengeworpen aan de houder, tenzij deze de wisselbrief te kwader trouw heeft verkregen of hem grove schuld bij de verkrijging te wijten is.".
Art. 105. Dans la section 1re, insérée par l'article 104, sont insérés les articles VII.216/2 à VII.216/11 rédigés comme suit :
  "Art. VII.216/2. La lettre de change contient :
  1° la dénomination de lettre de change insérée dans le texte même du titre et exprimée dans la langue employée pour la rédaction de ce titre;
  2° le mandat pur et simple de payer une somme déterminée;
  3° le nom de celui qui doit payer (tiré);
  4° l'indication de l'échéance;
  5° celle du lieu où le paiement doit s'effectuer;
  6° le nom de celui auquel ou à l'ordre duquel le paiement doit être fait;
  7° l'indication de la date et du lieu où la lettre est créée;
  8° la signature de celui qui émet la lettre (tireur).
  Art. VII.216/3. Le titre dans lequel une des énonciations indiquées à l'article VIII.216/2 fait défaut ne vaut pas comme lettre de change, sauf dans les cas déterminés par les alinéas suivants :
  La lettre de change dont l'échéance n'est pas indiquée est considérée comme payable à vue.
  A défaut d'indication spéciale, le lieu désigné à côté du nom du tiré est réputé être le lieu du paiement et, en même temps, le lieu du domicile du tiré.
  La lettre de change n'indiquant pas le lieu de sa création est considérée comme souscrite dans le lieu désigné à côté du nom du tireur.
  Il peut être suppléé à la signature prévue à l'article VII.216/2, 8°, par un acte notarié en brevet inscrit sur la lettre de change et constatant la volonté de celui qui aurait dû signer.
  Art. VII.216/4. La lettre de change peut être à l'ordre du tireur lui-même.
  Elle peut être tirée sur le tireur lui-même.
  Elle peut être tirée pour le compte d'un tiers.
  Art. VII.216/5. Une lettre de change peut être payable au domicile d'un tiers, soit dans la localité où le tiré a son domicile, soit dans une autre localité.
  Art. VII.216/6. Dans une lettre de change payable à vue ou à un certain délai de vue, il peut être stipulé par le tireur que la somme sera productive d'intérêts. Dans toute autre lettre de change, cette stipulation est réputée non écrite.
  Le taux des intérêts doit être indiqué dans la lettre; à défaut de cette indication, la clause est réputée non écrite.
  Les intérêts courent à partir de la date de la lettre de change, si une autre date n'est pas indiquée.
  Art. VII.216/7. La lettre de change dont le montant est écrit à la fois en toutes lettres et en chiffres vaut, en cas de différence, pour la somme écrite en toutes lettres.
  La lettre de change dont le montant est écrit plusieurs fois, soit en toutes lettres, soit en chiffres, ne vaut, en cas de différence, que pour la moindre somme.
  Art. VII.216/8. Si la lettre de change porte des signatures de personnes incapables de s'obliger par lettre de change, des signatures fausses ou des signatures de personnes imaginaires, ou des signatures qui pour toute autre raison, ne sauraient obliger les personnes qui ont signé la lettre de change, ou du nom desquelles elle a été signée, les obligations des autres signataires n'en sont pas moins valables.
  Art. VII.216/9. Quiconque appose sa signature sur une lettre de change, comme représentant d'une personne pour laquelle il n'avait pas le pouvoir d'agir, est obligé lui-même en vertu de la lettre et, s'il a payé, a les mêmes droits qu'aurait eus le prétendu représenté. Il en est de même du représentant qui a dépassé ses pouvoirs.
  Art. VII.216/10. Le tireur est garant de l'acceptation et du paiement.
  Il peut s'exonérer de la garantie de l'acceptation; toute clause par laquelle il s'exonère de la garantie du paiement est réputée non écrite.
  Art. VII.216/11. Si une lettre de change, incomplète à l'émission, a été complétée contrairement aux accords intervenus, l'inobservation de ces accords ne peut pas être opposée au porteur, à moins qu'il n'ait acquis la lettre de change de mauvaise foi ou que, en l'acquérant, il n'ait commis une faute lourde.".
Art. 106. In hoofdstuk 2, ingevoegd bij artikel 103, wordt een afdeling 2 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 2. Endossement".
Art. 106. Dans le chapitre 2, inséré par l'article 103, il est inséré une section 2 intitulée :
  "Section 2. De l'endossement".
Art. 107. In afdeling 2, ingevoegd bij artikel 106, worden de artikelen VII.216/12 tot VII.216/21 ingevoegd, luidende :
  Art. VII.216/12. Elke wisselbrief, ook die welke niet uitdrukkelijk aan order luidt, kan door middel van endossement worden overgedragen.
  Indien de trekker in de wisselbrief de woorden "niet aan order" of een daarmee gelijkstaande uitdrukking heeft opgenomen, kan het stuk slechts worden overgedragen in de vorm en met de gevolgen van een gewone overdracht.
  Art. VII.216/13. Het endossement kan worden gesteld zelfs ten voordele van de betrokkene, al of niet acceptant, van de trekker of van elke andere wisselschuldenaar. Deze personen kunnen de wisselbrief opnieuw endosseren.
  Het endossement moet onvoorwaardelijk zijn. Elke voorwaarde waaraan het is onderworpen, wordt voor niet geschreven gehouden.
  Het gedeeltelijk endossement is nietig.
  Het endossement aan toonder geldt als endossement in blanco.
  Art. VII.216/14. Het endossement moet gesteld worden op de wisselbrief of op een daaraan vastgehecht blad (verlengstuk). Het moet worden ondertekend door de endossant.
  Het endossement kan de geëndosseerde onvermeld laten of bestaan uit de enkele handtekening van de endossant (endossement in blanco). In het laatste geval moet het endossement, om geldig te zijn, op de rugzijde van de wisselbrief op het verlengstuk worden gesteld.
  Art. VII.216/15. Door het endossement worden alle uit de wisselbrief voortvloeiende rechten overgedragen.
  Indien het endossement in blanco is, kan de houder :
  1° het blanco invullen, hetzij met zijn eigen naam, hetzij met de naam van een andere persoon;
  2° de wisselbrief wederom in blanco of aan een andere persoon endosseren;
  3° de wisselbrief aan een derde overgeven, zonder het blanco in te vullen en zonder hem te endosseren.
  Art. VII.216/16. De endossant staat in voor de acceptatie en voor de betaling, tenzij het tegendeel bedongen is.
  Hij kan een endossement verbieden; in dat geval staat hij tegenover de personen aan wie de wisselbrief later is geëndosseerd, niet in voor de acceptatie en voor de betaling.
  Art. VII.216/17. Hij die een wisselbrief onder zich heeft, wordt beschouwd als de rechtmatige houder, indien hij van zijn recht doet blijken door een ononderbroken reeks van endossementen, ook al is het laatste endossement in blanco gesteld. De doorgehaalde endossementen worden te dien aanzien voor niet geschreven gehouden. Wanneer een endossement in blanco door een ander endossement is gevolgd, wordt de ondertekenaar van dit laatste geacht de wisselbrief door het endossement in blanco verkregen te hebben.
  Indien iemand, op welke wijze dan ook, het bezit van de wisselbrief heeft verloren, is de houder, die van zijn recht doet blijken op de wijze, bij het eerste lid aangegeven, niet verplicht de wisselbrief af te geven, tenzij hij deze te kwader trouw heeft verkregen of hem grove schuld bij de verkrijging te wijten is.
  Art. VII.216/18. Zij die uit hoofde van de wisselbrief worden aangesproken, kunnen de verweermiddelen, gegrond op hun persoonlijke verhoudingen tot de trekker of tot vroegere houders, niet aan de houder tegenwerpen, tenzij deze bij de verkrijging van de wisselbrief desbewust ten nadele van de schuldenaar heeft gehandeld.
  Art. VII.216/19. Wanneer het endossement e vermelding bevat "waarde ter incassering", "ter incasso", "in lastgeving" of enige andere vermelding die niets meer dan een opdracht tot inning in zich sluit, kan de houder alle uit de wisselbrief voortvloeiende rechten uitoefenen, maar hij kan hem niet anders endosseren dan als lastgeving.
  De wisselschuldenaars kunnen in dat geval aan de houder slechts de verweermiddelen tegenwerpen welke aan de endossant zouden kunnen worden tegengeworpen.
  De opdracht, vervat in een incasso-endossement, eindigt niet door de dood of door de latere onbekwaamheid van de lastgever.
  Art. VII.216/20. Wanneer een endossement de vermelding bevat "waarde tot zekerheid", "waarde tot pand" of enige andere vermelding die inpandgeving in zich sluit, kan de houder alle uit de wisselbrief voortvloeiende rechten uitoefenen, maar een door hem gesteld endossement geldt slechts als een endossement als lastgeving
  De wisselschuldenaars kunnen de verweermiddelen, gegrond op hun persoonlijke verhoudingen tot de endossant, niet aan de houder tegenwerpen, tenzij deze bij de ontvangst van de wisselbrief desbewust ten nadele van de schuldenaar heeft gehandeld.
  Art. VII.216/21. Een endossement, gesteld na de vervaldag, heeft dezelfde gevolgen als een endossement, gesteld vóór de vervaldag. Echter heeft het endossement, gesteld na het protest van niet-betaling of na het verstrijken van de termijn voor het opmaken van het protest bepaald, slechts de gevolgen van een gewone overdracht.
  Behoudens tegenbewijs, wordt het endossement zonder dagtekening geacht te zijn gesteld vóór het verstrijken van de termijn, voor het opmaken van het protest bepaald.".
Art. 107. Dans la section 2, insérée par l'article 106, sont insérés les articles VII.216/12 à VII.216/21 rédigés comme suit :
  "Art. VII.216/12. Toute lettre de change, même non expressément tirée à ordre, est transmissible par la voie de l'endossement.
  Lorsque le tireur a inséré dans la lettre de change les mots "non à ordre" ou une expression équivalente, le titre n'est transmissible que dans la forme et avec les effets d'une cession ordinaire.
  Art. VII.216/13. L'endossement peut être fait même au profit du tiré, accepteur ou non, du tireur ou de tout autre obligé. Ces personnes peuvent endosser la lettre à.
  L'endossement doit être pur et simple. Toute condition à laquelle il est subordonné est réputée non écrite.
  L'endossement partiel est nul.
  L'endossement au porteur vaut comme endossement en blanc.
  Art. VII.216/14. L'endossement doit être inscrit sur la lettre de change ou sur une feuille qui y est attachée (allonge). Il doit être signé par l'endosseur.
  L'endossement peut ne pas désigner le bénéficiaire ou consister simplement dans la signature de l'endosseur (endossement en blanc). Dans ce dernier cas, l'endossement, pour être valable, doit être inscrit au dos de la lettre de change ou sur l'allonge.
  Art. VII.216/15. L'endossement transmet tous les droits résultant de la lettre de change.
  Si l'endossement est en blanc, le porteur peut :
  1° remplir le blanc, soit de son nom, soit au nom d'une autre personne;
  2° endosser la lettre de en blanc ou à une autre personne;
  3° remettre la lettre à un tiers, sans remplir le blanc et sans l'endosser.
  Art. VII.216/16. L'endosseur est, sauf clause contraire, garant de l'acceptation et du paiement.
  Il peut interdire un nouvel endossement; dans ce cas, il n'est pas tenu à la garantie envers les personnes auxquelles la lettre est ultérieurement endossée.
  Art. VII.216/17. Le détenteur d'une lettre de change est considéré comme porteur légitime s'il justifie de son droit par une suite ininterrompue d'endossement, même si le dernier endossement est en blanc. Les endossements biffés sont à cet égard réputés non écrits. Quand un endossement en blanc est suivi d'un autre endossement, le signataire de celui-ci est réputé avoir acquis la lettre par l'endossement en blanc.
  Si une personne a été dépossédée d'une lettre de change par quelque événement que ce soit, le porteur justifiant de son droit de la manière indiquée à l'alinéa 1er n'est tenu de se dessaisir de la lettre que s'il l'a acquise de mauvaise foi ou si, en l'acquérant, il a commis une faute lourde.
  Art. VII.216/18. Les personnes actionnées en vertu de la lettre de change ne peuvent pas opposer au porteur les exceptions fondées sur leurs rapports personnels avec le tireur ou avec les porteurs antérieurs, à moins que le porteur, en acquérant la lettre, n'ait agi sciemment au détriment du débiteur.
  Art. VII.216/19. Lorsque l'endossement contient la mention "valeur en recouvrement", "pour encaissement", "par procuration" ou toute autre mention impliquant un simple mandat, le porteur peut exercer tous les droits dérivant de la lettre de change, mais il ne peut endosser celle-ci qu'à titre de procuration.
  Les obligés ne peuvent, dans ce cas, invoquer contre le porteur que les exceptions qui seraient opposables à l'endosseur.
  Le mandat renfermé dans un endossement de procuration ne prend pas fin par le décès du mandant ou la survenance de son incapacité.
  Art. VII.216/20. Lorsqu'un endossement contient la mention "valeur en garantie", "valeur en gage" ou toute autre mention impliquant un nantissement, le porteur peut exercer tous les droits dérivant de la lettre de change, mais un endossement fait par lui ne vaut que comme un endossement à titre de procuration.
  Les obligés ne peuvent invoquer contre le porteur les exceptions fondées sur leurs rapports personnels avec l'endosseur, à moins que le porteur, en recevant la lettre, n'ait agi sciemment au détriment du débiteur.
  Art. VII.216/21. L'endossement postérieur à l'échéance produit les mêmes effets qu'un endossement antérieur. Toutefois, l'endossement postérieur au protêt faute de paiement, ou fait après l'expiration du délai fixé pour dresser le protêt, ne produit que les effets d'une cession ordinaire.
  Sauf preuve contraire, l'endossement sans date est censé avoir été fait avant l'expiration du délai fixé pour dresser le protêt.".
Art. 108. In hoofdstuk 2, ingevoegd bij artikel 103, wordt een afdeling 3 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 3. Acceptatie".
Art. 108. Dans le chapitre 2, inséré par l'article 103, il est inséré une section 3 intitulée :
  "Section 3. De l'acceptation".
Art. 109. In afdeling 3, ingevoegd bij artikel 108, worden de artikelen VII.216/22 tot VII.216/30 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII. 216/22. De wisselbrief kan tot de vervaldag door de houder of door iemand die hem enkel onder zich heeft, aan de betrokkene te zijner woonplaats ter acceptatie worden aangeboden.
  Art. VII.216/23. In elke wisselbrief kan de trekker, al dan niet met vaststelling van een termijn, bepalen dat deze ter acceptatie moet worden aangeboden.
  Hij kan in de wisselbrief de aanbieding ter acceptatie verbieden, behoudens in wisselbrieven, betaalbaar bij een derde of betaalbaar in een andere plaats dan die van de woonplaats van de betrokkene of betaalbaar een zekere tijd na zicht.
  Hij kan ook bepalen dat de aanbieding ter acceptatie niet kan plaatshebben vóór een bepaalde dag.
  Tenzij de trekker heeft verklaard dat de wisselbrief niet vatbaar is voor acceptatie, kan elke endossant, al dan niet met vaststelling van een termijn, bepalen dat hij ter acceptatie moet worden aangeboden.
  Art. VII.216/24. Wisselbrieven, betaalbaar een zekere tijd na zicht, moeten ter acceptatie worden aangeboden binnen een jaar na hun dagtekening.
  De trekker kan een kortere of een langere termijn bepalen.
  De endossanten kunnen deze termijnen verkorten.
  Art. VII.216/25. De betrokkene kan verzoeken dat hem een tweede aanbieding wordt gedaan de dag, volgende op de eerste. Belanghebbenden zullen zich er niet op mogen beroepen dat aan dit verzoek geen gevolg is gegeven, tenzij het verzoek in het protest is vermeld.
  De houder is niet verplicht de ter acceptatie aangeboden wisselbrief aan de betrokkene af te geven.
  Art. VII.216/26. De acceptatie wordt op de wisselbrief gesteld. Zij wordt uitgedrukt door het woord "geaccepteerd" of door een daarmee gelijkstaand woord; zij wordt door de betrokkene ondertekend. De enkele handtekening van de betrokkene, op de voorzijde van de wisselbrief gesteld, geldt als acceptatie.
  Wanneer de wisselbrief betaalbaar is een zekere tijd na zicht, of wanneer hij krachtens een uitdrukkelijk beding ter acceptatie moet worden aangeboden binnen een bepaalde termijn, moet de acceptatie als dagtekening inhouden de dag waarop zij is geschied, tenzij de houder die van de aanbieding eist. Bij gebreke van dagtekening moet de houder dit verzuim door een tijdig protest doen vaststellen, op straffe van verlies van zijn recht van regres op de endossanten en op de trekker.
  Art. VII.216/27. De acceptatie is onvoorwaardelijk, maar de betrokkene kan haar beperken tot een gedeelte van de som.
  Elke andere wijziging, door de acceptant met betrekking tot het in de wisselbrief vermelde aangebracht, geldt als weigering van acceptatie. De acceptant is echter gehouden overeenkomstig de inhoud van zijn acceptatie.
  Art. VII.216/28. Wanneer de trekker de wisselbrief op een andere plaats dan die van de woonplaats van de betrokkene heeft betaalbaar gesteld, zonder een derde aan te wijzen, bij wie de betaling moet worden gedaan, kan de betrokkene deze bij de acceptatie aanwijzen. Bij gebreke van zodanige aanwijzing wordt de acceptant geacht zich verbonden te hebben zelf te betalen op de plaats van betaling.
  Indien de wisselbrief betaalbaar is aan de woonplaats van de betrokkene, kan deze, in de acceptatie, een adres aanwijzen, in dezelfde plaats waar de betaling moet worden gedaan.
  Art. VII.216/29. Door de acceptatie verbindt de betrokkene zich de wisselbrief op de vervaldag te betalen.
  Bij gebreke van betaling heeft de houder, al ware hij de trekker, tegen de acceptant een rechtstreekse vordering, uit de wisselbrief voortspruitend, voor al hetgeen kan worden gevorderd krachtens de artikelen VII.216/49 en VII.216/50.
  Art. VII.216/30. Indien de betrokkene zijn op de wisselbrief gestelde acceptatie heeft doorgehaald vóór de teruggave van de wisselbrief, wordt de acceptatie geacht te zijn geweigerd. Behoudens tegenbewijs wordt de doorhaling geacht te zijn geschied vóór de teruggave van de wisselbrief.
  Indien echter de betrokkene zijn acceptatie schriftelijk kenbaar heeft gemaakt aan de houder of aan iemand wiens handtekening op de wisselbrief voorkomt, is hij tegenover dezen gehouden overeenkomstig de inhoud van zijn acceptatie.".
Art. 109. Dans la section 3, insérée par l'article 108, sont insérés les articles VII.216/22 à VII.216/30 rédigés comme suit :
  "Art. VII.216/22. La lettre de change peut être, jusqu'à l'échéance, présentée à l'acceptation du tiré, au lieu de son domicile, par le porteur ou même par un simple détenteur.
  Art. VII.216/23. Dans toute lettre de change, le tireur peut stipuler qu'elle devra être présentée à l'acceptation, avec ou sans fixation de délai.
  Il peut interdire dans la lettre la présentation à l'acceptation, à moins qu'il ne s'agisse d'une lettre de change payable chez un tiers ou d'une lettre payable dans une localité autre que celle du domicile du tiré ou d'une lettre tirée à un certain délai de vue.
  Il peut aussi stipuler que la présentation à l'acceptation ne pourra avoir lieu avant un terme indiqué.
  Tout endosseur peut stipuler que la lettre devra être présentée à l'acceptation, avec ou sans fixation de délai, à moins qu'elle n'ait été déclarée non acceptable par le tireur.
  Art. VII.216/24. Les lettres de change à un certain délai de vue doivent être présentées à l'acceptation dans le délai d'un an à partir de leur date.
  Le tireur peut abréger ce dernier délai ou en stipuler un plus long.
  Ces délais peuvent être abrégés par les endosseurs.
  Art. VII.216/25. Le tiré peut demander qu'une seconde présentation lui soit faite le lendemain de la première. Les intéressés ne sont admis à prétendre qu'il n'a pas été fait droit à cette demande que si celle-ci est mentionnée dans le protêt.
  Le porteur n'est pas obligé de se dessaisir, entre les mains du tiré, de la lettre présentée à l'acceptation.
  Art. VII.216/26. L'acceptation est écrite sur la lettre de change. Elle est exprimée par le mot "accepté" ou tout autre mot équivalent; elle est signée du tiré. La simple signature du tiré apposée au recto de la lettre vaut acceptation.
  Quand la lettre est payable à un certain délai de vue ou lorsqu'elle doit être présentée à l'acceptation dans un délai déterminé en vertu d'une stipulation spéciale, l'acceptation doit être datée du jour où elle a été donnée, à moins que le porteur n'exige qu'elle soit datée du jour de la présentation. A défaut de date, le porteur pour conserver ses droits de recours contre les endosseurs et contre le tireur, fait constater cette omission par un protêt dressé en temps utile.
  Art. VII.216/27. L'acceptation est pure et simple, mais le tiré peut la restreindre à une partie de la somme.
  Toute autre modification apportée par l'acceptation aux énonciations de la lettre de change équivaut à un refus d'acceptation. Toutefois, l'accepteur est tenu dans les termes de son acceptation.
  Art. VII.216/28. Quand le tireur a indiqué dans la lettre de change un lieu de paiement autre que celui du domicile du tiré, sans désigner un tiers chez qui le paiement doit être effectué, le tiré peut l'indiquer lors de l'acceptation. A défaut de cette indication, l'accepteur est réputé s'être obligé à payer lui-même au lieu du paiement.
  Si la lettre de change est payable au domicile du tiré, celui-ci peut, dans l'acceptation, indiquer une adresse du même lieu où le paiement doit être effectué.
  Art. VII.216/29. Par l'acceptation, le tiré s'oblige à payer la lettre de change à l'échéance.
  A défaut de paiement, le porteur, même s'il est le tireur, a contre l'accepteur une action directe résultant de la lettre de change pour tout ce qui peut être exigé en vertu des articles VII.216/49 et VII.216/50.
  Art. VII.216/30. Si le tiré qui a revêtu la lettre de change de son acceptation a biffé celle-ci avant la restitution de la lettre, l'acceptation est censée refusée. Sauf preuve contraire, la radiation est réputée avoir été faite avant la restitution du titre.
  Toutefois, si le tiré a fait connaître son acceptation par écrit au porteur ou à un signataire quelconque, il est tenu envers ceux-ci dans les termes de son acceptation.".
Art. 110. In hoofdstuk 2, ingevoegd bij artikel 103, wordt een afdeling 4 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 4. Aval".
Art. 110. Dans le chapitre 2, inséré par l'article 103, il est inséré une section 4 intitulée :
  "Section 4. De l'aval".
Art. 111. In afdeling 4, ingevoegd bij artikel 110, worden de artikelen VII.216/31 tot VII.216/33 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/31. De betaling van de wisselbrief kan zowel voor zijn geheel bedrag als voor een gedeelte daarvan door een borgtocht (aval) worden verzekerd.
  Deze borgtocht kan door een derde, of zelfs door iemand wiens handtekening op de wisselbrief voorkomt, worden gegeven.
  Art. VII.216/32. Het aval wordt op de wisselbrief of op een verlengstuk gesteld of wordt gegeven bij een afzonderlijke akte, die de plaats vermeldt waar het is gegeven.
  Het wordt uitgedrukt door de woorden "goed voor aval" of door enige andere daarmee gelijkstaande uitdrukking; het wordt door de avalgever ondertekend.
  De enkele handtekening van de avalgever, gesteld op de voorzijde van de wisselbrief, geldt als aval, behalve wanneer de handtekening die is van de betrokkene of van de trekker.
  In het aval moet worden vermeld voor wie het is gegeven. Bij gebreke hiervan wordt het geacht voor de trekker te zijn gegeven.
  Art. VII.216/33. De avalgever is op dezelfde wijze verbonden als degene voor wie het aval is gegeven.
  Zijn verbintenis is geldig, zelfs indien wegens een andere oorzaak dan een vormgebrek de door hem gewaarborgde verbintenis nietig is.
  Door te betalen verkrijgt de avalgever de rechten welke krachtens de wisselbrief kunnen worden uitgeoefend tegen degene voor wie het aval is gegeven en tegen degenen die tegenover deze laatste krachtens de wisselbrief verbonden zijn.".
Art. 111. Dans la section 4, insérée par l'article 110, sont insérés les articles VII.216/31 à VII.216/33 rédigés comme suit :
  "Art. VII.216/31. Le paiement d'une lettre de change peut être garanti pour tout ou partie de son montant par un aval.
  Cette garantie est fournie par un tiers ou même par un signataire de la lettre.
  Art. VII.216/32. L'aval est donné sur la lettre de change, sur une allonge ou par acte séparé qui mentionne le lieu où il est donné.
  Il est exprimé par les mots "bon pour aval" ou par toute autre formule équivalente; il est signé par le donneur d'aval.
  Il est considéré comme résultant de la seule signature du donneur d'aval, apposée au recto de la lettre de change, sauf quand il s'agit de la signature du tiré ou de celle du tireur.
  L'aval doit indiquer pour le compte de qui il est donné. A défaut de cette indication, il est réputé donné pour le tireur.
  Art. VII.216/33. Le donneur d'aval est tenu de la même manière que celui dont il s'est porté garant.
  Son engagement est valable, alors même que l'obligation qu'il a garantie serait nulle pour toute cause autre qu'un vice de forme.
  Quand il paie la lettre de change, le donneur d'aval acquiert les droits résultant de la lettre de change contre le garanti et contre ceux qui sont tenus envers ce dernier en vertu de la lettre de change.".
Art. 112. In hoofdstuk 2, ingevoegd bij artikel 103, wordt een afdeling 5 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 5. Vervaldag".
Art. 112. Dans le chapitre 2, inséré par l'article 103, il est inséré une section 5 intitulée :
  "Section 5. De l'échéance".
Art. 113. In afdeling 5, ingevoegd bij artikel 112, worden de artikelen VII.216/34 tot VII.216/38 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/34 Een wisselbrief kan worden getrokken :
  1° op zicht;
  2° op een zekere tijd na zicht;
  3° op een zekere tijd na dagtekening;
  4° op een bepaalde dag.
  Wisselbrieven met anders bepaalde vervaldagen of in termijnen betaalbaar zijn nietig.
  Art. VII.216/35. De wisselbrief, getrokken op zicht, is betaalbaar bij de aanbieding. Hij moet ter betaling worden aangeboden binnen een jaar na zijn dagtekening. De trekker kan een kortere of een langere termijn bepalen. De endossanten kunnen deze termijnen verkorten.
  De trekker kan voorschrijven dat een wisselbrief getrokken op zicht niet ter betaling mag worden aangeboden vóór een bepaalde dag. In dat geval loopt de termijn van aanbieding van die dag af.
  Art. VII.216/36. De vervaldag van een wisselbrief, getrokken op een zekere tijd na zicht, wordt bepaald, hetzij door de dagtekening van de acceptatie, hetzij door die van het protest.
  Bij gebreke van protest wordt de niet gedagtekende acceptatie ten aanzien van de acceptanten geacht te zijn gedaan op de laatste dag van de termijn, voor de aanbieding ter acceptatie voorgeschreven.
  Art. VII.216/37. De wisselbrief, getrokken op een of meer maanden na dagtekening of na zicht, vervalt op de overeenkomstige dag van de maand waarin de betaling moet worden gedaan. Bij gebreke van een overeenkomstige dag vervalt een zodanige wisselbrief op de laatste dag van die maand.
  Bij een wisselbrief, getrokken op een of meer maanden en een halve maand na dagtekening of na zicht, worden eerst de gehele maanden gerekend.
  Is de vervaldag bepaald op het begin, op het midden (half januari, half februari, enz.) of op het einde van een maand, dan wordt onder die uitdrukkingen verstaan: de eerste, de vijftiende, de laatste van die maand.
  Onder de uitdrukkingen "acht dagen" of "vijftien dagen" ("quinze jours") moet worden verstaan niet één of twee weken, maar een termijn van acht of van vijftien werkelijke dagen.
  De uitdrukking "halve maand" duidt een termijn van vijftien dagen aan.
  Art. VII.216/38. De vervaldag van een wisselbrief, betaalbaar op een bepaalde dag, in een plaats waar de tijdrekening een andere is dan die van de plaats van uitgifte, wordt geacht te zijn vastgesteld volgens de tijdrekening van de plaats van betaling.
  De dag van uitgifte van een wisselbrief, getrokken tussen twee plaatsen met verschillende tijdrekening en betaalbaar een zekere tijd na dagtekening, wordt herleid tot de overeenkomstige dag van de tijdrekening van de plaats van betaling en de vervaldag wordt dienovereenkomstig vastgesteld.
  De termijnen van aanbieding der wisselbrieven worden berekend overeenkomstig de bepalingen van het tweede lid.
  Dit artikel is niet van toepassing, indien uit een in de wisselbrief opgenomen clausule of gewoon uit de bewoordingen van de titel een afwijkende bedoeling kan worden afgeleid.".
Art. 113. Dans la section 5, insérée par l'article 112, sont insérés les articles VII.216/34 à VII.216/38 rédigés comme suit :
  "Art. VII.216/34. Une lettre de change peut être tirée :
  1° à vue;
  2° à un certain délai de vue;
  3° à un certain délai de date;
  4° à jour fixe.
  Les lettres de change, soit à d'autres échéances, soit à échéances successives, sont nulles.
  Art. VII.216/35. La lettre de change à vue est payable à sa présentation. Elle doit être présentée au paiement dans le délai d'un an à partir de sa date. Le tireur peut abréger ce délai ou en stipuler un plus long. Ces délais peuvent être abrégés par les endosseurs.
  Le tireur peut prescrire qu'une lettre de change payable à vue ne doit pas être présentée au paiement avant un terme indiqué. Dans ce cas, le délai de présentation part de ce terme.
  Art. VII.216/36. L'échéance d'une lettre de change à un certain délai de vue est déterminée, soit par la date de l'acceptation, soit par celle du protêt.
  En l'absence du protêt, l'acceptation non datée est réputée, à l'égard de l'accepteur, avoir été donnée le dernier jour du délai prévu pour la présentation.
  Art. VII.216/37. L'échéance d'une lettre de change tirée à un ou plusieurs mois de date ou de vue a lieu à la date correspondante du mois où le paiement doit être effectué. A défaut de date correspondante, l'échéance a lieu le dernier jour de ce mois.
  Quand une lettre de change est tirée à un ou plusieurs mois et demi de date ou de vue, on compte d'abord les mois entiers.
  Si l'échéance est fixée au commencement, au milieu (mi-janvier, mi-février, etc.) ou à la fin du mois, on entend par ces termes le premier, le quinze ou le dernier jour du mois.
  Les expressions "huit jours" ou "quinze jours" s'entendent, non d'une ou deux semaines, mais d'un délai de huit jours ou de quinze jours effectifs.
  L'expression "demi-mois" indique un délai de quinze jours.
  Art. VII.216/38. Quand une lettre de change est payable à jour fixe dans un lieu où le calendrier est différent de celui du lieu de l'émission, la date de l'échéance est considérée comme fixée d'après le calendrier du lieu du paiement.
  Quand une lettre de change tirée entre deux places ayant des calendriers différents est payable à un certain délai de date, le jour de l'émission est ramené au jour correspondant du calendrier du lieu de paiement et l'échéance est fixée en conséquence.
  Les délais de présentation des lettres de change sont calculés conformément aux règles de l'alinéa 2.
  Ces règles ne sont pas applicables si une clause de la lettre de change, ou même les simples énonciations du titre, indiquent que l'intention a été d'adopter des règles différentes.".
Art. 114. In hoofdstuk 2, ingevoegd bij artikel 103, wordt een afdeling 6 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 6. Betaling"
Art. 114. Dans le chapitre 2, inséré par l'article 103, il est inséré une section 6 intitulée :
  "Section 6. Du paiement"
Art. 115. In afdeling 6, ingevoegd bij artikel 114, worden de artikelen VII.216/39 tot VII.216/43 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/39. De houder van een wisselbrief, betaalbaar op een bepaalde dag of een zekere tijd na dagtekening of na zicht, moet deze ter betaling aanbieden de dag waarop hij betaalbaar is. Niet inachtneming van dit voorschrift kan slechts aanleiding geven tot schadeloosstelling.
  De aanbieding van een wisselbrief aan een door de regering aangewezen verrekeningskamer of aan een instelling door haar daartoe bevoegd gemaakt, geldt als aanbieding ter betaling.
  Art. VII. 216/40. De betrokkene die de wisselbrief betaalt, kan vorderen dat deze hem wordt uitgeleverd, voorzien van de kwijting van de houder.
  De houder mag niet weigeren een gedeeltelijke betaling aan te nemen.
  In geval van gedeeltelijke betaling kan de betrokkene vorderen dat van die betaling op de wisselbrief melding wordt gemaakt en dat hem daarvoor kwijting wordt gegeven.
  Art. VII.216/41. De houder van een wisselbrief kan niet genoodzaakt worden vóór de vervaldag betaling te ontvangen.
  De betrokkene die vóór de vervaldag betaalt, doet zulks op eigen verantwoordelijkheid.
  Hij die op de vervaldag betaalt, is wettig bevrijd, tenzij hem bedrog of grove schuld te wijten is. Hij is gehouden de regelmatigheid van de reeks van endossementen, maar niet de handtekening der endossanten te onderzoeken.
  Art. VII.216/42. Wanneer de betaling van een wisselbrief is bedongen in ander geld dan dat van de plaats van betaling, kan het bedrag van de wisselbrief worden betaald in het geld van het land volgens zijn waarde op de vervaldag. Indien de schuldenaar in gebreke is, kan de houder te zijner keuze vorderen dat het bedrag van de wisselbrief voldaan wordt in het geld van het land volgens de koers, hetzij van de vervaldag, hetzij van de dag van betaling.
  De waarde van het vreemde geld wordt bepaald volgens de gebruiken van de plaats van betaling. De trekker kan echter bedingen dat het te betalen bedrag moet worden berekend volgens een in de wisselbrief bepaalde koers.
  Het bovenstaande is niet van toepassing, indien de trekker heeft bedongen dat de betaling moet geschieden in een bepaald aangeduid geld (clausule van werkelijke betaling in vreemd geld).
  Indien het bedrag van de wisselbrief is aangegeven in geld dat dezelfde benaming maar een verschillende waarde heeft in het land van uitgifte en in dat van betaling, wordt vermoed dat men het geld van de plaats van betaling heeft bedoeld.
  Art. VII.216/43. Bij gebreke van aanbieding ter betaling van de wisselbrief binnen de termijn, bij artikel VII.216/39 vastgesteld, heeft elke schuldenaar de bevoegdheid het bedrag ervan ter bewaring af te geven aan de bevoegde overheid aangewezen door de regering, op kosten en onder verantwoordelijkheid van de houder.".
Art. 115. Dans la section 6, insérée par l'article 114, sont insérés les articles VII.216/39 à VII.216/43 rédigés comme suit :
  "Art. VII.216/39. Le porteur d'une lettre de change payable à jour fixe ou à un certain délai de date ou de vue doit la présenter au paiement le jour de l'échéance. L'inobservation de cette prescription ne peut donner lieu qu'à des dommages-intérêts.
  La présentation d'une lettre de change à une chambre de compensation désignée par le gouvernement ou à une institution habilitée à cette fin par lui, équivaut à une présentation au paiement.
  Art. VII.216/40. Le tiré peut exiger, en payant la lettre de change, qu'elle lui soit remise acquittée par le porteur.
  Le porteur ne peut refuser un paiement partiel.
  En cas de paiement partiel, le tiré peut exiger que mention de ce paiement soit faite sur la lettre et que quittance lui en soit donnée.
  Art. VII.216/41. Le porteur d'une lettre de change ne peut être contraint d'en recevoir le paiement avant l'échéance.
  Le tiré qui paie avant l'échéance le fait à ses risques et périls.
  Celui qui paie à l'échéance est valablement libéré, à moins qu'il n'y ait de sa part une fraude ou une faute lourde. Il est obligé de vérifier la régularité de la suite des endossements mais non la signature des endosseurs.
  Art. VII.216/42. Lorsqu'une lettre de change est stipulée payable en une monnaie n'ayant pas cours au lieu du paiement, le montant peut en être payé dans la monnaie du pays d'après sa valeur au jour de l'échéance. Si le débiteur est en retard, le porteur peut, à son choix, demander que le montant de la lettre de change soit payé dans la monnaie du pays d'après le cours, soit du jour de l'échéance, soit du jour du paiement.
  Les usages du lieu du paiement servent à déterminer la valeur de la monnaie étrangère. Toutefois, le tireur peut stipuler que la somme à payer sera calculée d'après un cours déterminé dans la lettre.
  Les règles ci-énoncées ne s'appliquent pas au cas où le tireur a stipulé que le paiement devra être fait dans une certaine monnaie indiquée (clause de paiement effectif en une monnaie étrangère).
  Si le montant de la lettre de change est indiqué dans une monnaie ayant la même dénomination, mais une valeur différente dans le pays d'émission et dans celui du paiement, on est présumé s'être référé à la monnaie du lieu du paiement.
  Art. VII.216/43. A défaut de présentation de la lettre de change au paiement dans le délai fixé par l'article VII.216/39, tout débiteur a la faculté d'en remettre le montant en dépôt à l'autorité compétente, désignée par le gouvernement, aux frais, risques et périls du porteur.".
Art. 116. In hoofdstuk 2, ingevoegd bij artikel 103, wordt een afdeling 7 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 7. Recht van regres in geval van niet-acceptatie of niet-betaling".
Art. 116. Dans le chapitre 2, inséré par l'article 103, il est inséré une section 7 intitulée :
  "Section 7. Des recours faute d'acceptation et faute de paiement".
Art. 117. In afdeling 7, ingevoegd bij artikel 116, worden de artikelen VII.216/44 tot VII.216/55 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/44. De houder kan zijn recht van regres op de endossanten, de trekker en de andere wisselschuldenaars uitoefenen :
  1° op de vervaldag :
  indien de betaling niet heeft plaatsgehad;
  2° zelfs vóór de vervaldag :
  a) indien de acceptatie geheel of gedeeltelijk is geweigerd;
  b) wanneer de betrokkene, al dan niet acceptant, of de trekker van een niet voor acceptatie vatbare wisselbrief in een toestand verkeert van staking van betaling of van kennelijk onvermogen.
  Het onder b) hiervoren bepaalde ontneemt aan de garanten van de wisselbrief niet de bevoegdheid om door borgstelling uitsteltermijnen te bekomen, die in geen geval de vervaldag van de wisselbrief mogen overschrijden.
  Art. VII.216/45. De weigering van acceptatie of van betaling moet worden vastgesteld bij authentieke akte (protest van niet-acceptatie of van niet-betaling).
  Het protest van niet-acceptatie moet worden opgemaakt binnen de termijnen voor de aanbieding ter acceptatie vastgesteld. Indien in het geval bij artikel VII.216/25, eerste lid, voorzien, de eerste aanbieding heeft plaatsgehad op de laatste dag van de termijn, kan het protest nog op de volgende dag worden gedaan.
  Het protest van niet-betaling van een wisselbrief, betaalbaar op een bepaalde dag of zekere tijd na dagtekening of na zicht, moet worden gedaan op een der twee werkdagen, volgende op de dag waarop de wisselbrief betaalbaar is. Indien het een wisselbrief, betaalbaar op zicht, betreft, moet het protest worden gedaan overeenkomstig de bepalingen bij het tweede lid vastgesteld voor het opmaken van het protest van niet-acceptatie.
  Het protest van niet-acceptatie maakt de aanbieding ter betaling en het protest van niet-betaling overbodig.
  In geval van kennelijk onvermogen van de betrokkene, al dan niet acceptant, kan de houder zijn recht van regres niet uitoefenen dan nadat de wisselbrief ter betaling aan de betrokkene is aangeboden en protest is opgemaakt.
  In geval van bij rechterlijke beslissing vastgestelde staking van de betalingen van de betrokkene, al dan niet acceptant, alsmede in geval van bij rechterlijke beslissing verklaarde staking van de betalingen van de trekker van een wisselbrief die niet vatbaar is voor acceptatie, kan de houder voor de uitoefening van zijn recht van regres volstaan met overlegging van het vonnis waarbij de toestand van staking van betaling wordt vastgesteld.
  Art. VII.216/46. De houder moet van de niet-acceptatie of van de niet-betaling kennis geven aan zijn endossant en aan de trekker binnen de vier werkdagen, volgende op de dag van het protest of, indien de wisselbrief getrokken is met de clausule "zonder kosten", volgende op die der aanbieding. Elke endossant moet binnen de twee werkdagen, volgende op de dag van ontvangst der kennisgeving, de door hem ontvangen kennisgeving aan zijn endossant meedelen, met aanwijzing van de namen en adressen van degenen die de voorafgaande kennisgevingen hebben gedaan, en zo vervolgens, teruggaande tot de trekker. Deze termijnen lopen vanaf de ontvangst der voorafgaande kennisgeving.
  Indien overeenkomstig het eerste lid een kennisgeving is gedaan aan iemand wiens handtekening op de wisselbrief voorkomt, moet gelijke kennisgeving binnen dezelfde termijn aan diens avalgever worden gedaan.
  Indien een endossant zijn adres niet of op onleesbare wijze heeft aangeduid, kan worden volstaan met kennisgeving aan de voorafgaande endossant.
  Hij die een kennisgeving heeft te doen, kan zulks doen in iedere vorm, zelfs door enkele terugzending van de wisselbrief.
  Hij moet bewijzen dat hij de kennisgeving binnen de voorgeschreven termijn heeft gedaan. Deze termijn wordt gehouden te zijn in acht genomen, wanneer een brief die de kennisgeving behelst, binnen de genoemde termijn ter post is bezorgd.
  Wie de kennisgeving niet binnen de bovenvermelde termijn doet, treft geen verval van zijn recht; hij is, bij voorkomend geval, verantwoordelijk voor de door zijn nalatigheid veroorzaakte schade, zonder dat de schadevergoeding het bedrag van de wisselbrief kan te boven gaan.
  Art. VII.216/47. De trekker, een endossant of een avalgever kan door de clausule "zonder kosten", "zonder protest", of een andere daarmee gelijkstaande op de wisselbrief gestelde en ondertekende clausule, de houder voor de uitoefening van zijn recht van regres ontslaan van het opmaken van een protest van niet-acceptatie of niet-betaling.
  Deze clausule ontslaat de houder niet van de aanbieding van de wisselbrief binnen de voorgeschreven termijnen, noch van het doen van de kennisgevingen. Het bewijs van de niet-inachtneming van de termijnen moet worden geleverd door degene die zich daarop tegenover de houder beroept.
  Is de clausule door de trekker gesteld, dan heeft zij gevolgen ten aanzien van allen wier handtekening op de wisselbrief voorkomt; is zij door een endossant of door een avalgever gesteld, dan heeft zij gevolgen alleen ten aanzien van deze endossant of avalgever. Indien de houder, ondanks de door de trekker gestelde clausule, toch het protest doet opmaken, zijn de kosten daarvan voor zijn rekening. Indien de clausule van een endossant of een avalgever afkomstig is, kunnen de kosten van het protest, indien er een is opgemaakt, op allen wier handtekening op de wisselbrief voorkomt, worden verhaald.
  Art. VII.216/48. Allen die een wisselbrief hebben getrokken, geaccepteerd, geëndosseerd, of voor aval getekend, zijn hoofdelijk tegenover de houder verbonden.
  De houder kan deze personen zowel ieder afzonderlijk als gezamenlijk aanspreken, zonder verplicht te zijn de volgorde waarin zij zich hebben verbonden, in acht te nemen.
  Hetzelfde recht komt toe aan ieder wiens handtekening op de wisselbrief voorkomt en die deze heeft betaald tot voldoening aan zijn regresplicht.
  De vordering, ingesteld tegen één der wisselschuldenaars, belet niet de anderen aan te spreken, al hadden dezen zich later verbonden dan de eerst aangesprokene.
  Art. VII.216/49. De houder kan van degene tegen wie hij zijn recht van regres uitoefent, vorderen :
  1° het bedrag van de niet geaccepteerde of niet betaalde wisselbrief met de interest, indien interest bedongen is;
  2° een interest berekend tegen de wettelijke rentevoet, te rekenen van de vervaldag;
  3° de kosten van protest, die van de gedane kennisgevingen, alsmede de andere kosten.
  Zo de uitoefening van het recht van regres vóór de vervaldag plaats heeft, wordt op de wisselsom een korting toegepast. Deze korting wordt berekend volgens het officiële disconto (bankdisconto), geldende ter woonplaats van de houder, op de dag van de uitoefening van het recht van regres.
  Art. VII.216/50. Hij die de wisselbrief heeft betaald tot voldoening van zijn regresplicht kan van degenen die tegenover hem verbonden zijn, vorderen :
  1° de gehele som die hij betaald heeft;
  2° een interest berekend tegen de wettelijke rentevoet op die som, te rekenen van de dag waarop hij deze betaald heeft;
  3° de door hem gemaakte kosten.
  Art. VII.216/51. Elke wisselschuldenaar tegen wie het recht van regres wordt of kan worden uitgeoefend, kan, tegen betaling tot voldoening aan zijn regresplicht, de afgifte vorderen van de wisselbrief met het protest, alsmede een voor voldaan getekende rekening.
  Elke endossant die de wisselbrief heeft betaald tot voldoening aan zijn regresplicht, kan zijn endossement en dat van de volgende endossanten doorhalen.
  Art. VII.216/52. In geval van uitoefening van het recht van regres na gedeeltelijke acceptatie, kan degene die tot voldoening aan zijn regresplicht het niet geaccepteerde gedeelte van de wisselsom heeft betaald, vorderen dat die betaling op de wisselbrief wordt vermeld en dat hem daarvan kwijting wordt gegeven. De houder moet hem daarenboven uitleveren een voor eensluidend getekend afschrift van de wisselbrief, alsmede het protest, om hem de uitoefening van zijn verdere regresrechten mogelijk te maken.
  Art. VII.216/53. Ieder die een recht van regres kan uitoefenen, kan, tenzij het tegendeel bedongen is, zich de vergoeding bezorgen door middel van een wisselbrief (herwissel), getrokken op zicht op een van degenen die tegenover hem regresplichtig zijn, en betaalbaar te diens woonplaats.
  De herwissel omvat, behalve de bedragen in de artikelen VII.216/49 en VII.216/50 aangegeven, een makelaarsloon en in voorkomend geval taksen.
  Indien de herwissel door de houder is getrokken, wordt het bedrag bepaald volgens de koers van een zichtwissel, getrokken van de plaats waar de oorspronkelijke wisselbrief betaalbaar was, op de woonplaats van de regresplichtige. Indien de herwissel is getrokken door een endossant, wordt het bedrag bepaald volgend de koers van een zichtwissel, getrokken van de woonplaats van de trekker van de herwissel op de woonplaats van de regresplichtige
  Art. VII.216/54. Na afloop van de termijnen vastgesteld :
  1° voor de aanbieding van een wisselbrief getrokken op zicht of op zekere tijd na zicht;
  2° voor het opmaken van het protest van niet-acceptatie of van niet-betaling;
  3° voor de aanbieding ter betaling in geval van clausule "zonder kosten";
  Vervalt het recht van de houder tegen de endossanten, tegen de trekker, en tegen de andere wisselschuldenaars, met uitzondering van de acceptant.
  Bij gebreke van aanbieding ter acceptatie binnen de door de trekker voorgeschreven termijn, vervalt het recht van regres van de houder, zowel wegens niet-betaling als wegens niet-acceptatie, tenzij uit de bewoordingen van de wisselbrief blijkt dat de trekker zich slechts heeft willen bevrijden van zijn verplichting, voor de acceptatie in te staan.
  Indien de bepaling van een termijn voor de aanbieding in een endossement is vervat, kan alleen de endossant daarop een beroep doen.
  Art. VII.216/55. Wanneer de aanbieding van de wisselbrief of het opmaken van het protest binnen de voorgeschreven termijnen wordt verhinderd door een onoverkomelijk beletsel (wettelijk voorschrift van enige staat of ander geval van overmacht), worden deze termijnen verlengd.
  De houder is verplicht van de overmacht aan zijn endossant onverwijld kennis te geven, en deze kennisgeving, gedagtekend en door hem ondertekend, op de wisselbrief of op een verlengstuk te vermelden; voor het overige is artikel VII.216/46 toepasselijk. Na het ophouden van de overmacht moet de houder de wisselbrief onverwijld ter acceptatie of ter betaling aanbieden, en, indien nodig, protest doen opmaken.
  Indien de overmacht meer dan dertig dagen aanhoudt, te rekenen van de vervaldag, kan het recht van regres worden uitgeoefend, zonder dat de aanbieding of het opmaken van protest nodig zijn.
  Voor wisselbrieven, getrokken op zicht of op zekere tijd na zicht, loopt de termijn van dertig dagen van de dag waarop de houder, al ware het vóór het einde van de aanbiedingstermijn, van de overmacht aan zijn endossant heeft kennis gegeven; voor wisselbrieven, getrokken op zekere tijd na zicht, wordt de termijn van dertig dagen verlengd met de zichttermijn, in de wisselbrief aangegeven.
  Als gevallen van overmacht worden niet beschouwd feiten welke van zuiver persoonlijke aard zijn voor de houder of voor degene die hij met de aanbieding van de wisselbrief of met het opmaken van het protest heeft belast.".
Art. 117. Dans la section 7, insérée par l'article 116, sont insérés les articles VII.216/44 à VII.216/55 rédigés comme suit :
  "Art. VII.216/44. Le porteur peut exercer ses recours contre les endosseurs, le tireur et les autres obligés :
  1° à l'échéance :
  si le paiement n'a pas eu lieu;
  2° même avant l'échéance :
  a) s'il y a refus, total ou partiel, d'acceptation;
  b) Lorsque le tiré, accepteur ou non, ou le tireur d'une lettre non acceptable se trouve en état de cessation de paiement ou de déconfiture.
  Les dispositions reprises au b) ci-dessus ne privent pas les garants de la lettre de change de la faculté d'obtenir, en donnant caution, des délais qui, en aucun cas, ne pourront dépasser l'échéance de la lettre de change.
  Art. VII.216/45. Le refus d'acceptation ou de paiement doit être constaté par un acte authentique (protêt faute d'acceptation ou de paiement).
  Le protêt faute d'acceptation doit être fait dans les délais fixés pour la présentation à l'acceptation. Si, dans le cas prévu par l'article VII.216/25, alinéa 1er, la première présentation a eu lieu le dernier jour du délai, le protêt peut encore être dressé le lendemain.
  Le protêt faute de paiement d'une lettre de change payable à jour fixe ou à un certain délai de date ou de vue doit être fait l'un des deux jours ouvrables qui suivent le jour où la lettre de change est payable. S'il s'agit d'une lettre payable à vue, le protêt doit être dressé dans les conditions indiquées à l'alinéa 2 pour dresser le protêt faute d'acceptation.
  Le protêt faute d'acceptation dispense de la présentation au paiement et du protêt faute de paiement.
  En cas de déconfiture du tiré, accepteur ou non, le porteur ne peut exercer ses recours qu'après présentation de la lettre de change au tiré pour le paiement et après protêt.
  En cas de cessation de paiement du tiré, accepteur ou non, constatée par décision judiciaire ainsi qu'en cas de cessation de paiement du tireur, déclarée par décision judiciaire, d'une lettre non acceptable, la production du jugement constatant l'état de cessation de paiement suffit pour permettre au porteur d'exercer ses recours.
  Art. VII.216/46. Le porteur doit donner avis du défaut d'acceptation ou de paiement à son endosseur et au tireur dans les quatre jours ouvrables qui suivent le jour du protêt ou celui de la présentation en cas de clause de "retour sans frais". Chaque endosseur doit, dans les deux jours ouvrables qui suivent le jour où il a reçu l'avis, faire connaître à son endosseur l'avis qu'il a reçu, en indiquant les noms et les adresses de ceux qui ont donné les avis précédents, et ainsi de suite, en remontant jusqu'au tireur. Les délais ci-dessus indiqués courent de la réception de l'avis précédent.
  Lorsqu'en conformité de l'alinéa 1er, un avis est donné à un signataire de la lettre de change, le même avis doit être donné dans le même délai à son avaliseur.
  Dans le cas où un endosseur n'a pas indiqué son adresse ou l'a indiquée d'une façon illisible, il suffit que l'avis soit donné à l'endosseur qui le précède.
  Celui qui a un avis à donner peut le faire sous une forme quelconque, même par un simple renvoi de la lettre de change.
  Il doit prouver qu'il a donné l'avis dans le délai imparti. Ce délai sera considéré comme observé si une lettre missive donnant l'avis a été mise à la poste dans ledit délai.
  Celui qui ne donne pas l'avis dans le délai ci-dessus indiqué n'encourt pas de déchéance; il est responsable, s'il y a lieu, du préjudice causé par sa négligence, sans que les dommages-intérêts puissent dépasser le montant de la lettre de change.
  Art. VII.216/47. Le tireur, un endosseur ou un avaliseur peut, par la clause "retour sans frais", "sans protêt", ou toute autre clause équivalente, inscrite sur le titre et signée, dispenser le porteur de faire dresser, pour exercer ses recours, un protêt faute d'acceptation ou faute de paiement.
  Cette clause ne dispense pas le porteur de la présentation de la lettre de change dans les délais prescrits ni des avis à donner. La preuve de l'inobservation des délais incombe à celui qui s'en prévaut contre le porteur.
  Si la clause est inscrite par le tireur, elle produit ses effets à l'égard de tous les signataires; si elle est inscrite par un endosseur ou un avaliseur, elle produit ses effets seulement à l'égard de celui-ci. Si, malgré la clause inscrite par le tireur, le porteur fait dresser le protêt, les frais en restent à sa charge. Quand la clause émane d'un endosseur ou d'un avaliseur, les frais du protêt, s'il en est dressé un, peuvent être recouvrés contre tous les signataires.
  Art. VII.216/48. Tous ceux qui ont tiré, accepté, endossé ou avalisé une lettre de change sont tenus solidairement envers le porteur.
  Le porteur a le droit d'agir contre toutes ces personnes, individuellement ou collectivement, sans être astreint à observer l'ordre dans lequel elles se sont obligées.
  Le même droit appartient à tout signataire d'une lettre de change qui a remboursé celle-ci.
  L'action intentée contre un des obligés n'empêche pas d'agir contre les autres, même postérieurs à celui qui a été d'abord poursuivi.
  Art. VII.216/49. Le porteur peut réclamer à celui contre lequel il exerce son recours :
  1° le montant de la lettre de change non acceptée ou non payée avec les intérêts, s'il en a été stipulé;
  2° un intérêt calculé au taux d'intérêt légal, à partir de l'échéance;
  3° les frais du protêt, ceux des avis donnés, ainsi que les autres frais.
  Si le recours est exercé avant l'échéance, déduction sera faite d'un escompte sur le montant de la lettre. Cet escompte sera calculé d'après le taux de l'escompte officiel (taux de la banque), tel qu'il existe à la date du recours au lieu du domicile du porteur.
  Art. VII.216/50. Celui qui a remboursé la lettre de change peut réclamer à ses garants :
  1° la somme intégrale qu'il a payée;
  2° les intérêts de la dite somme, calculés au taux d'intérêt légal sur cette somme à partir du jour où elle a été déboursée;
  3° les frais qu'il a faits.
  Art. VII.216/51. Tout obligé contre lequel un recours est exercé ou qui est exposé à un recours, peut exiger, contre remboursement, la remise de la lettre de change avec le protêt et un compte acquitté.
  Tout endosseur qui a remboursé la lettre de change peut biffer son endossement et ceux des endosseurs subséquents.
  Art. VII.216/52. En cas d'exercice d'un recours après une acceptation partielle, celui qui rembourse la somme pour laquelle la lettre n'a pas été acceptée, peut exiger que ce remboursement soit mentionné sur la lettre et qu'il lui en soit donné quittance. Le porteur doit, en outre, lui remettre une copie certifiée conforme de la lettre et le protêt pour permettre l'exercice des recours ultérieurs.
  Art. VII.216/53. Toute personne ayant le droit d'exercer un recours, peut, sauf stipulation contraire, se rembourser au moyen d'une nouvelle lettre (retraite), tirée à vue sur l'un des garants et payable au domicile de celui-ci.
  La retraite comprend, outre les sommes indiquées dans les articles VII.216/49 et VII.216/50 un droit de courtage et le cas échéant, les taxes.
  Si la retraite est tirée par le porteur, le montant en est fixé d'après le cours d'une lettre de change à vue, tirée du lieu où la lettre primitive était payable sur le lieu du domicile du garant. Si la retraite est tirée par un endosseur, le montant en est fixé d'après le cours d'une lettre à vue tirée du lieu où le tireur de la retraite a son domicile sur le lieu du domicile du garant.
  Art. VII.216/54. Après l'expiration des délais fixés :
  1° pour la présentation d'une lettre de change à vue ou à un certain délai de vue;
  2° pour la confection du protêt faute d'acceptation ou faute de paiement;
  3° pour la présentation au paiement en cas de clause de retour "sans frais";
  Le porteur est déchu de ses droits contre les endosseurs, contre le tireur et contre les autres obligés, à l'exception de l'accepteur.
  A défaut de présentation à l'acceptation dans le délai stipulé par le tireur, le porteur est déchu de ses droits de recours, tant pour défaut de paiement que pour défaut d'acceptation, à moins qu'il ne résulte des termes de la stipulation que le tireur n'a entendu s'exonérer que de la garantie de l'acceptation.
  Si la stipulation d'un délai pour la présentation est contenue dans un endossement, l'endosseur, seul, peut s'en prévaloir.
  Art. VII.216/55. Quand la présentation de la lettre de change ou la confection du protêt dans les délais prescrits est empêchée par un obstacle insurmontable (prescription légale d'un Etat quelconque ou autre cas de force majeure), ces délais sont prolongés.
  Le porteur est tenu de donner, sans retard, avis du cas de force majeure à son endosseur et de mentionner cet avis, daté et signé de lui, sur la lettre de change ou sur une allonge; pour le surplus, l'article VII.216/46 est applicable. Après la cessation de la force majeure, le porteur doit, sans retard, présenter la lettre à l'acceptation ou au paiement et, s'il y a lieu, faire dresser le protêt.
  Si la force majeure persiste au-delà de trente jours à partir de l'échéance, les recours peuvent être exercés, sans que ni la présentation ni la confection d'un protêt soit nécessaire.
  Pour les lettres de change à vue ou à certain délai de vue, le délai de trente jours court de la date à laquelle le porteur a, même avant l'expiration des délais de présentation, donné avis de la force majeure à son endosseur; pour les lettres de change à un certain délai de vue, le délai de trente jours s'augmente du délai de vue indiqué dans la lettre de change.
  Ne sont point considérés comme constituant des cas de force majeure, les faits purement personnels au porteur ou à celui qu'il a chargé de la présentation de la lettre ou de la confection du protêt.".
Art. 118. In hoofdstuk 2, ingevoegd bij artikel 103, wordt een afdeling 8 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 8. Tussenkomst".
Art. 118. Dans le chapitre 2, inséré par l'article 103, il est inséré une section 8 intitulée :
  "Section 8. De l'intervention".
Art. 119. In afdeling 8, ingevoegd bij artikel 118, wordt een onderafdeling 1 ingevoegd, luidende :
  "Onderafdeling 1. Algemene bepalingen".
Art. 119. Dans la section 8, insérée par l'article 118, il est inséré une sous-section 1re intitulée :
  "Sous-section 1re. Dispositions générales".
Art. 120. In onderafdeling 1, ingevoegd bij artikel 119, wordt artikel VII.216/56 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/56. De trekker, een endossant, of een avalgever, kan iemand aanwijzen om, in geval van nood, te accepteren of te betalen.
  Onder de hierna vastgestelde voorwaarden kan de wisselbrief worden geaccepteerd of betaald door iemand die tussenkomst voor een schuldenaar op wie recht van regres kan worden uitgeoefend.
  De interveniënt kan een derde zijn, zelfs de betrokkene, of een reeds krachtens de wisselbrief verbonden persoon, behalve de acceptant.
  De interveniënt is gehouden, binnen de termijn van twee werkdagen van zijn tussenkomst kennis te geven aan degene voor wie hij tussenkwam. In geval van niet-inachtneming van die termijn is hij, indien daartoe aanleiding bestaat verantwoordelijk voor de schade, door zijn nalatigheid veroorzaakt, zonder dat de schadevergoeding het bedrag van de wisselbrief kan te boven gaan.".
Art. 120. Dans la sous-section 1re, insérée par l'article 119, il est inséré un article VII.216/56 rédigé comme suit :
  "Art. VII.216/56. Le tireur, un endosseur ou un avaliseur peut indiquer une personne pour accepter ou payer au besoin.
  La lettre de change peut être, sous les conditions déterminées ci-après, acceptée ou payée par une personne intervenant pour un débiteur quelconque exposé au recours.
  L'intervenant peut être un tiers, même le tiré, ou une personne déjà obligée en vertu de la lettre de change, sauf l'accepteur.
  L'intervenant est tenu de donner, dans un délai de deux jours ouvrables, avis de son intervention à celui pour qui il est intervenu. En cas d'inobservation de ce délai, il est responsable, s'il y a lieu, du préjudice causé par sa négligence sans que les dommages-intérêts puissent dépasser le montant de la lettre de change.".
Art. 121. In afdeling 8, ingevoegd bij artikel 118, wordt een onderafdeling 2 ingevoegd, luidende :
  "Onderafdeling 2. Acceptatie bij tussenkomst".
Art. 121. Dans la section 8, insérée par l'article 118, il est inséré une sous-section 2 intitulée :
  "Sous-section 2. Acceptation par intervention".
Art. 122. In onderafdeling 2, ingevoegd bij artikel 121, worden de artikelen VII.216/57 tot VII.216/59 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/57. De acceptatie bij tussenkomst kan plaats hebben in alle gevallen waarin de houder van een voor acceptatie vatbare wisselbrief vóór de vervaldag recht van regres kan uitoefenen.
  Wanneer op de wisselbrief iemand is aangewezen om deze, in geval van nood, ter plaatse van betaling te accepteren of te betalen, kan de houder zijn recht tegen degene die de aanwijzing heeft gedaan, en tegen hen die daarna hun handtekeningen op de wisselbrief hebben geplaatst, niet vóór de vervaldag uitoefenen, tenzij hij de wisselbrief aan de aangewezen persoon heeft aangeboden, en van diens weigering tot acceptatie protest is opgemaakt.
  In de andere gevallen van tussenkomst kan de houder de acceptatie bij tussenkomst weigeren. Indien hij ze echter aanneemt, verliest hij zijn recht van regres, hetwelk hem vóór de vervaldag toekomt tegen degene voor wie de acceptatie is gedaan, en tegen hen die daarna hun handtekeningen op de wisselbrief hebben geplaatst.
  Art. VII.216/58. De acceptatie bij tussenkomst wordt op de wisselbrief vermeld; zij wordt door de interveniënt ondertekend. Zij wijst aan voor wie zij is geschied; bij gebreke van die aanwijzing wordt zij geacht voor de trekker te zijn geschied.
  Art. VII.216/59. De acceptant bij tussenkomst is tegenover de houder en tegenover de endossanten die de wisselbrief hebben geëndosseerd na degene voor wie de tussenkomst is geschied, op dezelfde wijze als deze laatste verbonden.
  Niettegenstaande de acceptatie bij tussenkomst kunnen degene voor wie zij werd gedaan, en degenen die tegenover hem regresplichtig zijn, van de houder, tegen terugbetaling van de bij artikel VII.216/49 aangewezen som, de afgifte van de wisselbrief, van het protest en van een voor voldaan getekende rekening vorderen, indien daartoe aanleiding bestaat.".
Art. 122. Dans la sous-section 2, insérée par l'article 121, sont insérés les articles VII.216/57 à VII.216/59 rédigés comme suit :
  "Art. VII.216/57. L'acceptation par intervention peut avoir lieu dans tous les cas où des recours sont ouverts, avant l'échéance, au porteur d'une lettre de change acceptable.
  Lorsqu'il a été indiqué sur la lettre de change une personne pour l'accepter ou la payer au besoin au lieu du paiement, le porteur ne peut exercer avant l'échéance ses droits de recours contre celui qui a apposé l'indication et contre les signataires subséquents, à moins qu'il n'ait présenté la lettre de change à la personne désignée et que, celle-ci ayant refusé l'acceptation, ce refus n'ait été constaté par un protêt.
  Dans les autres cas d'intervention, le porteur peut refuser l'acceptation par intervention. Toutefois, s'il l'admet, il perd les recours qui lui appartiennent avant l'échéance contre celui pour qui l'acceptation a été donnée et contre les signataires subséquents.
  Art. VII.216/58. L'acceptation par intervention est mentionnée sur la lettre de change; elle est signée par l'intervenant. Elle indique pour le compte de qui elle a lieu; à défaut de cette indication, l'acceptation est réputée donnée pour le tireur.
  Art. VII.216/59. L'accepteur par intervention est obligé envers le porteur et envers les endosseurs postérieurs à celui pour le compte duquel il est intervenu, de la même manière que celui-ci.
  Malgré l'acceptation par intervention, celui pour lequel elle a été faite et ses garants peuvent exiger du porteur, contre remboursement de la somme indiquée à l'article VII.216/49, la remise de la lettre de change, du protêt et d'un compte acquitté, s'il y a lieu.".
Art. 123. In afdeling 8, ingevoegd bij artikel 118, wordt een onderafdeling 3 ingevoegd, luidende :
  "Onderafdeling 3. Betaling bij tussenkomst".
Art. 123. Dans la section 8, insérée par l'article 118, il est inséré une sous-section 3 intitulée :
  "Sous-section 3. Paiement par intervention".
Art. 124. In onderafdeling 3, ingevoegd bij artikel 123, worden de artikelen VII.216/60 tot VII.216/64 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/60. De betaling bij tussenkomst kan plaatshebben in alle gevallen waarin, hetzij op de vervaldag, hetzij vóór de vervaldag, de houder recht van regres heeft.
  De betaling moet de gehele som belopen, welke degene voor wie zij heeft plaatsgehad, moest voldoen. Zij moet plaatshebben uiterlijk op de dag volgende op de laatste dag waarop het protest van niet-betaling kan worden opgemaakt.
  Art. VII.216/61. Indien de wisselbrief is geaccepteerd door interveniënten wier woonplaats ter plaatse van betaling is gevestigd, of indien personen wier woonplaats in dezelfde plaats is gevestigd, zijn aangewezen om in geval van nood te betalen, moet de houder de wisselbrief aan al die personen aanbieden, en, indien daartoe aanleiding bestaat, protest van niet-betaling doen opmaken uiterlijk op de dag volgende op de laatste dag waarop dit kan geschieden.
  Bij gebreke van protest binnen die termijn zijn degene die het noodadres heeft gesteld of voor wie de wisselbrief is geaccepteerd, en de latere endossanten van hun verbintenis bevrijd.
  Art. VII.216/62. De houder die weigert de betaling bij tussenkomst aan te nemen, verliest zijn recht van regres op hen die daardoor zouden zijn bevrijd.
  Art. VII.216/63. De betaling bij tussenkomst moet worden vastgesteld door een kwijting, geplaatst op de wisselbrief met aanwijzing van degene voor wie zij is gedaan. Bij gebreke van die aanwijzing wordt de betaling geacht voor de trekker te zijn gedaan.
  De wisselbrief en het protest, indien dit is opgemaakt, moeten worden uitgeleverd aan hem die bij tussenkomst betaalt.
  Art. VII.216/64. Hij die bij tussenkomst betaalt, verkrijgt de rechten, uit de wisselbrief voortvloeiende, tegen degene voor wie hij heeft betaald, en tegen degenen die tegenover deze laatste krachtens de wisselbrief verbonden zijn. Hij mag echter de wisselbrief niet opnieuw endosseren.
  De endossanten, volgende op degene voor wie de betaling heeft plaatsgehad, zijn bevrijd.
  Indien zich meer personen tot de betaling bij tussenkomst aanbieden, heeft die betaling de voorkeur welke het grootste aantal bevrijdingen teweegbrengt. De interveniënt die desbewust in strijd hiermede handelt, verliest zijn recht van regres tegen hen die anders zouden zijn bevrijd.".
Art. 124. Dans la sous-section 3, insérée par l'article 123, sont insérés les articles VII.216/60 à VII.216/64 rédigés comme suit :
  "Art. VII.216/60. Le paiement par intervention peut avoir lieu dans tous les cas où, soit à l'échéance, soit avant l'échéance, des recours sont ouverts au porteur.
  Le paiement doit comprendre toute la somme qu'aurait à acquitter celui pour lequel il a lieu. Il doit être fait au plus tard le lendemain du dernier jour admis pour la confection du protêt faute de paiement.
  Art. VII.216/61. Si la lettre de change a été acceptée par des intervenants ayant leur domicile au lieu du paiement, ou si des personnes ayant leur domicile dans ce même lieu ont été indiquées pour payer au besoin, le porteur doit présenter la lettre à toutes ces personnes et faire dresser, s'il y a lieu, un protêt faute de paiement au plus tard le lendemain du dernier jour admis pour la confection du protêt.
  A défaut de protêt dans ce délai, celui qui a indiqué le besoin ou pour le compte de qui la lettre a été acceptée et les endosseurs postérieurs cessent d'être obligés.
  Art. VII.216/62. Le porteur qui refuse le paiement par intervention perd ses recours contre ceux qui auraient été libérés.
  Art. VII.216/63. Le paiement par intervention doit être constaté par un acquit donné sur la lettre de change avec indication de celui pour qui il est fait. A défaut de cette indication, le paiement est considéré comme fait pour le tireur.
  La lettre de change et le protêt, s'il en a été dressé un, doivent être remis au payeur par intervention.
  Art. VII.216/64. Le payeur par intervention acquiert les droits résultant de la lettre de change contre celui pour lequel il a payé et contre ceux qui sont tenus vis-à-vis de ce dernier en vertu de la lettre de change. Toutefois, il ne peut endosser la lettre de change à.
  Les endosseurs postérieurs au signataire pour qui le paiement a eu lieu sont libérés.
  En cas de concurrence pour le paiement par intervention, celui qui opère le plus de libérations est préféré. Celui qui intervient, en connaissance de cause contrairement à cette règle, perd ses recours contre ceux qui auraient été libérés.".
Art. 125. In hoofdstuk 2, ingevoegd bij artikel 103, wordt een afdeling 9 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 9. Wisselbrief in verscheidene exemplaren en wisselafschriften".
Art. 125. Dans le chapitre 2, inséré par l'article 103, il est inséré une section 9 intitulée :
  "Section 9. De la pluralité d'exemplaires et de copies".
Art. 126. In afdeling 9, ingevoegd bij artikel 125, wordt een onderafdeling 1 ingevoegd, luidende :
  "Onderafdeling 1. Wisselbrief in verscheidene exemplaren".
Art. 126. Dans la section 9, insérée par l'article 125, il est inséré une sous-section 1re intitulée :
  "Sous-section 1re. Pluralité d'exemplaires".
Art. 127. In onderafdeling 1, ingevoegd bij artikel 126, worden de artikelen VII.216/65 tot VII.216/67 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/65. De wisselbrief kan in verscheidene gelijkluidende exemplaren worden getrokken.
  Die exemplaren moeten in de tekst zelf van de titel worden genummerd, bij gebreke waarvan elk exemplaar wordt beschouwd als een afzonderlijke wisselbrief.
  Iedere houder van een wisselbrief waarin niet is vermeld dat deze in een enkel exemplaar getrokken is, kan op zijn kosten de levering van meer exemplaren vorderen. Te dien einde moet hij zich tot zijn onmiddellijke endossant wenden, die verplicht is zijn medewerking te verlenen om zijn eigen endossant aan te spreken, en zo vervolgens, teruggaande tot de trekker. De endossanten zijn verplicht de endossementen ook op dee exemplaren aan te brengen.
  Art. VII.216/66. De betaling op één der exemplaren gedaan bevrijdt, ook al is niet bedongen dat die betaling de kracht der andere exemplaren teniet doet. Echter blijft de betrokkene verbonden door elk geaccepteerd exemplaar dat hem niet is terugbezorgd.
  De endossant die de exemplaren aan verschillende personen heeft overgedragen, alsook de latere endossanten, zijn verbonden door alle exemplaren die hun handtekening dragen en die niet zijn terugbezorgd.
  Art. VII.216/67. Hij die één der exemplaren ter acceptatie heeft gezonden, moet op de andere exemplaren de naam van de persoon aanwijzen, in wiens handen dat exemplaar zich bevindt. Deze is verplicht, dit aan de rechtmatige houder van een ander exemplaar uit te leveren.
  Weigert hij dit, dan kan de houder zijn recht van regres niet uitoefenen dan nadat hij door een protest heeft doen vaststellen :
  1° dat het ter acceptatie gezonden exemplaar hem desgevraagd niet is uitgeleverd;
  2° dat hij de acceptatie of de betaling op een ander exemplaar niet heeft kunnen verkrijgen.".
Art. 127. Dans la sous-section 1re, insérée par l'article 126, sont insérés les articles VII.216/65 à VII.216/67 rédigés comme suit :
  "Art. VII.216/65. La lettre de change peut être tirée en plusieurs exemplaires identiques.
  Ces exemplaires doivent être numérotés dans le texte même du titre; faute de quoi, chacun d'eux est considéré comme une lettre de change distincte.
  Tout porteur d'une lettre n'indiquant pas qu'elle a été tirée en un exemplaire unique peut exiger à ses frais la délivrance de plusieurs exemplaires. A cet effet, il doit s'adresser à son endosseur immédiat, qui est tenu de lui prêter ses soins pour agir contre son propre endosseur, et ainsi de suite, en remontant jusqu'au tireur. Les endosseurs sont tenus de reproduire les endossements sur lesx exemplaires.
  Art. VII.216/66. Le paiement fait sur un des exemplaires est libératoire, alors même qu'il n'est pas stipulé que ce paiement annule l'effet des autres exemplaires. Toutefois, le tiré reste tenu à raison de chaque exemplaire accepté dont il n'a pas obtenu la restitution.
  L'endosseur qui a transféré les exemplaires à différentes personnes, ainsi que les endosseurs subséquents, sont tenus à raison de tous les exemplaires portant leur signature et qui n'ont pas été restitués.
  Art. VII.216/67. Celui qui a envoyé un des exemplaires à l'acceptation doit indiquer sur les autres exemplaires le nom de la personne entre les mains de laquelle cet exemplaire se trouve. Celle-ci est tenue de le remettre au porteur légitime d'un autre exemplaire.
  Si elle s'y refuse, le porteur ne peut exercer de recours qu'après avoir fait constater par un protêt :
  1° que l'exemplaire envoyé à l'acceptation ne lui a pas été remis sur sa demande;
  2° que l'acceptation ou le paiement n'a pu être obtenu sur un autre exemplaire.".
Art. 128. In afdeling 9, ingevoegd bij artikel 125, wordt een onderafdeling 2 ingevoegd, luidende :
  "Onderafdeling 2. Wisselafschriften".
Art. 128. Dans la section 9, insérée par l'article 125, il est inséré une sous-section 2 intitulée :
  "Sous-section 2. Copies".
Art. 129. In onderafdeling 2, ingevoegd bij artikel 128, worden de artikelen VII.216/68 tot VII.216/69 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/68. Elke houder van een wisselbrief heeft het recht daarvan afschriften te vervaardigen.
  Het afschrift moet het oorspronkelijke nauwkeurig weergeven met de endossementen en alle andere vermeldingen die erop voorkomen. Het moet aangeven, waar het afschrift ophoudt.
  Het kan worden geëndosseerd en voor aval getekend op dezelfde wijze en met dezelfde gevolgen als het oorspronkelijke.
  Art. VII.216/69. Het afschrift moet degene in wiens handen het oorspronkelijke stuk zich bevindt, vermelden. Deze is verplicht het oorspronkelijke stuk aan de rechtmatige houder van het afschrift uit te leveren.
  Weigert hij dit, dan kan de houder zijn recht van regres tegen hen, die het afschrift hebben geëndosseerd of voor aval getekend, niet uitoefenen dan nadat hij door een protest heeft doen vaststellen, dat het oorspronkelijke stuk hem desgevraagd niet is uitgeleverd.
  Indien na het laatste daarop geplaatste endossement, alvorens het afschrift is vervaardigd, het oorspronkelijke stuk de clausule draagt: "van hier af geldt het endossement slechts op de kopie", of enige andere daarmede gelijkstaande clausule, is een nadien op het oorspronkelijke stuk geplaatst endossement nietig.".
Art. 129. Dans la sous-section 2, insérée par l'article 128, sont insérés les articles VII.216/68 à VII.216/69 rédigés comme suit :
  "Art. VII.216/68. Tout porteur d'une lettre de change a le droit d'en faire des copies.
  La copie doit reproduire exactement l'original avec les endossements et toutes les autres mentions qui y figurent. Elle doit indiquer où elle s'arrête.
  Elle peut être endossée et avalisée de la même manière et avec les mêmes effets que l'original.
  Art. VII.216/69. La copie doit désigner le détenteur du titre original. Celui-ci est tenu de remettre ledit titre au porteur légitime de la copie.
  S'il s'y refuse, le porteur ne peut exercer de recours contre les personnes qui ont endossé ou avalisé la copie qu'après avoir fait constater par un protêt que l'original ne lui a pas été remis sur sa demande.
  Si le titre original, après le dernier endossement survenu avant que la copie ne soit faite, porte la clause: "à partir d'ici, l'endossement ne vaut que sur la copie" ou toute autre formule équivalente, un endossement signé ultérieurement sur l'original est nul.".
Art. 130. In hoofdstuk 2, ingevoegd bij artikel 103, wordt een afdeling 10 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 10. Tekstveranderingen".
Art. 130. Dans le chapitre 2, inséré par l'article 103, il est inséré une section 10 intitulée :
  "Section 10. Des altérations".
Art. 131. In afdeling 10, ingevoegd bij artikel 130, wordt een artikel VII.216/70 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/70. In geval van verandering van de tekst van een wisselbrief zijn zij die daarna hun handtekening op de wisselbrief hebben geplaatst, volgens de veranderde tekst verbonden; zij die daarvoor hun handtekening op de wisselbrief hebben geplaatst, zijn verbonden volgens de oorspronkelijke tekst.".
Art. 131. Dans la section 10, insérée par l'article 130, il est inséré un article VII.216/70 rédigé comme suit :
  "Art. VII.216/70. En cas d'altération du texte d'une lettre de change, les signataires postérieurs à cette altération sont tenus dans les termes du texte altéré; les signataires antérieurs le sont dans les termes du texte originaire.".
Art. 132. In hoofdstuk 2, ingevoegd bij artikel 103, wordt een afdeling 11 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 11. Verjaring".
Art. 132. Dans le chapitre 2, inséré par l'article 103, il est inséré une section 11 intitulée :
  "Section 11. De la prescription".
Art. 133. In afdeling 11, ingevoegd bij artikel 132, worden de artikelen VII.216/71 tot VII.216/73 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII. 216/71. Alle rechtsvorderingen welke uit de wisselbrief tegen de acceptant voortvloeien, verjaren door verloop van drie jaren, te rekenen van de vervaldag.
  De rechtsvorderingen van de houder tegen de endossanten en tegen de trekker verjaren door verloop van een jaar, te rekenen van de dagtekening van het tijdig opgemaakte protest of, in geval van de clausule "zonder kosten", van de vervaldag.
  De rechtsvorderingen van de endossanten tegen elkander en tegen de trekker verjaren door verloop van zes maanden, te rekenen van de dag waarop de endossant de wisselbrief heeft betaald tot voldoening aan zijn regresplicht, of van de dag waarop hijzelf in rechte is aangesproken.
  Art. VII.216/72. In geval van verjaring blijft, ten bate van hem die de wisselbrief vóór de vervaldag heeft verkregen, een rechtsvordering bestaan :
  1° tegen de trekker die geen fonds bezorgd heeft;
  2° tegen de trekker, de acceptant of de endossant die zich onrechtmatig verrijkt heeft.
  Deze rechtsvordering verjaart door verloop van dezelfde termijnen als in artikel VII.216/71 bepaald, te rekenen van de dag waarop de bij dat artikel bepaalde verjaring verkregen was.
  Art. VII.216/73. De stuiting der verjaring heeft slechts gevolgen tegen degene ten aanzien van wie de daad van stuiting heeft plaatsgehad.
  De verjaring van de vorderingen die voortvloeien uit een wisselbrief, wordt gestuit door rechtsvervolging; zij wordt geschorst door feiten van overmacht.".
Art. 133. Dans la section 11, insérée par l'article 132, sont insérés les articles VII.216/71 à VII.216/73 rédigés comme suit :
  "Art. VII.216/71. Toutes actions résultant de la lettre de change contre l'accepteur se prescrivent par trois ans à compter de la date de l'échéance.
  Les actions du porteur contre les endosseurs et contre le tireur se prescrivent par un an à partir de la date du protêt dressé en temps utile ou de celle de l'échéance, en cas de clause de retour "sans frais".
  Les actions des endosseurs les uns contre les autres et contre le tireur se prescrivent par six mois à partir du jour où l'endosseur a remboursé la lettre ou du jour où il a été lui-même actionné.
  Art. VII.216/72. En cas de prescription, il subsiste au profit de celui qui a acquis la lettre de change avant l'échéance une action :
  1° contre le tireur qui n'a pas fait provision;
  2° contre le tireur, l'accepteur ou l'endosseur qui s'est enrichi injustement.
  Cette action se prescrit dans les délais prévus à l'article VII.216/71, à partir de la date à laquelle la prescription, prévue par cet article, était acquise.
  Art. VII.216/73. L'interruption de la prescription n'a d'effet que contre celui à l'égard duquel l'acte interruptif a été fait.
  La prescription des actions résultant d'une lettre de change est interrompue par les poursuites judiciaires; elle est suspendue par les événements de force majeure.".
Art. 134. In hoofdstuk 2, ingevoegd bij artikel 103, wordt een afdeling 12 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 12. Algemene bepalingen".
Art. 134. Dans le chapitre 2, inséré par l'article 103, il est inséré une section 12 intitulée :
  "Section 12. Dispositions générales".
Art. 135. In afdeling 12, ingevoegd bij artikel 134, worden de artikelen VII.216/74 tot VII.216/76 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII. 216/74. De betaling van een wisselbrief waarvan de vervaldag een wettelijke feestdag is, kan eerst worden gevorderd op de eerstvolgende werkdag. Evenzo kunnen alle andere handelingen met betrekking tot wisselbrieven, met name de aanbieding ter acceptatie en het protest, niet plaatshebben dan op een werkdag.
  Wanneer een van die handelingen moet worden verricht binnen een zekere termijn waarvan de laatste dag een wettelijke feestdag is, wordt die termijn verlengd tot de eerste werkdag volgende op het einde ervan. De tussenliggende feestdagen zijn begrepen in de berekening van de termijn.
  Voor de toepassing van dit artikel is de zaterdag gelijkgesteld met een wettelijke feestdag.
  Art. VII.216/75. In de wettelijke of bij overeenkomst vastgestelde termijnen, wordt de dag waarop zij aanvangen, niet medegerekend.
  Art. VII.216/76. Geen enkele dag uitstel, behalve de in dit hoofdstuk bepaalde, wordt door de wet of door de rechter toegestaan.".
Art. 135. Dans la section 12, insérée par l'article 134, sont insérés les articles VII.216/74 à VII.216/76 rédigés comme suit :
  "Art. VII.216/74. Le paiement d'une lettre de change dont l'échéance est un jour férié légal ne peut être exigé que le premier jour ouvrable qui suit. De même, tous autres actes relatifs à la lettre de change, notamment la présentation à l'acceptation et le protêt, ne peuvent être faits qu'un jour ouvrable.
  Lorsqu'un de ces actes doit être accompli dans un certain délai dont le dernier jour est un jour férié légal, ce délai est prorogé jusqu'au premier jour ouvrable qui en suit l'expiration. Les jours fériés intermédiaires sont compris dans la computation du délai.
  Pour l'application du présent article, le samedi est assimilé à un jour férié légal.
  Art. VII.216/75. Les délais légaux ou conventionnels ne comprennent pas le jour qui leur sert de point de départ.
  Art. VII.216/76. Aucun jour de grâce, ni légal, ni judiciaire, autre que celui prévu par le présent chapitre, n'est admis.".
Art. 136. In titel 6/1, ingevoegd bij artikel 100, wordt een hoofdstuk 3 ingevoegd, luidende :
  "Hoofdstuk 3. Het orderbriefje".
Art. 136. Dans le titre 6/1, inséré par l'article 100, il est inséré un chapitre 3 intitulé :
  "Chapitre 3. Le billet à ordre".
Art. 137. In hoofdstuk 3, ingevoegd bij artikel 136, worden de artikelen VII.216/77 tot VII.216/80 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII. 216/77. Het orderbriefje behelst :
  1° de benaming "orderbriefje", opgenomen in de tekst zelf en uitgedrukt in de taal waarin de titel is gesteld;
  2° de onvoorwaardelijke belofte tot betaling van een bepaalde som;
  3° de aanwijzing van de vervaldag;
  4° die van de plaats waar de betaling moet geschieden;
  5° de naam van degene aan wie of aan wiens order de betaling moet worden gedaan;
  6° de vermelding van de dagtekening, alsmede van de plaats waar het orderbriefje is ondertekend;
  7° de handtekening van degene die de titel uitgeeft (ondertekenaar).
  Art. VII.216/78. De titel waarin een der vermeldingen, in artikel VII.216/77 aangegeven, ontbreekt, geldt niet als orderbriefje, behoudens in de hieronder in dit artikel genoemde gevallen.
  Het orderbriefje waarvan de vervaldag niet is aangewezen, wordt beschouwd als betaalbaar op zicht.
  Bij gebreke van een bijzondere aanwijzing wordt de plaats van de ondertekening van de titel geacht te zijn de plaats van betaling en tevens die van de woonplaats van de ondertekenaar.
  Het orderbriefje dat niet de plaats vermeldt waar het is ondertekend, wordt geacht te zijn ondertekend in de plaats aangegeven naast de naam van de ondertekenaar.
  Art. VII.216/79. Voor zover zij niet onverenigbaar zijn met de aard van het orderbriefje, zijn daarop toepasselijk de bepalingen over wisselbrieven betreffende :
  1° het endossement (artikelen VII.216/12 tot VII. 216/21);
  2° de vervaldag (artikelen VII.216/34 tot VII.216/38);
  3° de betaling (artikelen VII.216/39 tot VII.216/43);
  4° het recht van regres in geval van niet-betaling (artikelen VII.216/44 tot VII.216/51, VII.216/53 tot VII.216/55);
  5° de betaling bij tussenkomst (artikelen VII.216/56, VII.216/60 tot VII.216/64);
  6° de wisselafschriften (artikelen VII.216/68 en VII.216/69);
  7° de tekstveranderingen (artikel VII.216/70);
  8° de verjaring (artikelen VII.216/71, VII.216/72 en VII.216/73);
  9° de feestdagen, de berekening der termijnen en het verbod van uitsteldagen (artikelen VII.216/74, VII.216/75 en VII.216/76);
  10° de betaling van een vermiste wisselbrief (artikelen VII.216/88 tot VII.216/93);
  11° het conservatoir beslag (artikel VII.216/96).
  Eveneens zijn op het orderbriefje toepasselijk de bepalingen betreffende de wisselbrief, betaalbaar bij een derde of in een andere plaats dan die van de woonplaats van de betrokkene (artikelen VII.216/5 en VII.216/28), de renteclausule (artikel VII.216/6), de verschillen in de vermelding met betrekking tot de som die moet worden betaald (artikel VII.216/7), de gevolgen van het plaatsen van een handtekening onder de omstandigheden bedoeld in artikel VII.216/8, die van de handtekening van een persoon die handelt zonder bevoegdheid of die zijn bevoegdheid overschrijdt (artikel VII.216/9), en de wisselbrief in blanco (artikel VII.216/11).
  Eveneens zijn op het orderbriefje toepasselijk de bepalingen betreffende het aval (artikelen VII.216/31 tot VII.216/33); indien in het geval bepaald bij artikel VII.216/32, vierde lid, het aval niet vermeldt voor wie het is gegeven, wordt het geacht voor rekening van de ondertekenaar van het orderbriefje te zijn gegeven.
  Het vijfde lid van artikel VII.216/3 en de artikelen VII.216/72 en VII.216/95 van dit Wetboek zijn eveneens op het orderbriefje van toepassing.
  Art. VII.216/80. De ondertekenaar van een orderbriefje is op dezelfde wijze verbonden als de acceptant van een wisselbrief.
  De orderbriefjes, betaalbaar een zekere tijd na zicht, moeten ter tekening voor "gezien" aan de ondertekenaar worden aangeboden binnen de bij artikel VII.216/24 vastgestelde termijnen. De zichttermijn loopt van de dagtekening van het visum, door de ondertekenaar op het orderbriefje geplaatst. Zijn weigering om het gedagtekend visum te plaatsen, wordt vastgesteld door een protest (artikel VII.216/26) en de zichttermijn begint te lopen van de dagtekening van het protest.".
Art. 137. Dans le chapitre 3, inséré par l'article 136, sont insérés les articles VII. 216/77 à VII.216/80 rédigés comme suit :
  "Art. VII.216/77. Le billet à ordre contient :
  1° la dénomination "billet à ordre" insérée dans le texte même et exprimée dans la langue employée pour la rédaction de ce titre;
  2° la promesse pure et simple de payer une somme déterminée;
  3° l'indication de l'échéance;
  4° celle du lieu où le paiement doit s'effectuer;
  5° le nom de celui auquel ou à l'ordre duquel le paiement doit être fait;
  6° l'indication de la date et du lieu où le billet est souscrit;
  7° la signature de celui qui émet le titre (souscripteur).
  Art. VII.216/78. Le titre dans lequel une des énonciations indiquées à l'article VII.216/77 fait défaut ne vaut pas comme billet à ordre, sauf dans les cas déterminés par les alinéas suivants.
  Le billet à ordre dont l'échéance n'est pas indiquée est considéré comme payable à vue.
  A défaut d'indication spéciale, le lieu de création du titre est réputé être le lieu du paiement et, en même temps, le lieu du domicile du souscripteur.
  Le billet à ordre n'indiquant pas le lieu de sa création est considéré comme souscrit dans le lieu désigné à côté du nom du souscripteur.
  Art. VII.216/79. Sont applicables au billet à ordre, en tant qu'elles ne sont pas incompatibles avec la nature de ce titre, les dispositions relatives à la lettre de change et concernant :
  1° l'endossement (articles VII.216/12 à VII.216/21);
  2° l'échéance (articles VII.216/34 à VII.216/38);
  3° le paiement (articles VII.216/39 à VII.216/43);
  4° les recours faute de paiement (articles VII.216/44 à VII.216/51, VII.216/53 à VII.216/55);
  5° le paiement par intervention (articles VII.216/56, VII.216/60 à VII.216/64);
  6° les copies (articlesVII.216/68 et VII.216/69);
  7° les altérations (article VII.216/70);
  8° la prescription (articles VII.216/71, VII.216/72 et VII.216/73);
  9° les jours fériés, la computation des délais et l'interdiction des jours de grâce (articles VII.216/74, VII.216/75 et VII.216/76);
  10 ° le paiement d'une lettre de change adirée (articles VII.216/88 à VII.216/93);
  11° la saisie conservatoire (article VII.216/96).
  Sont aussi applicables au billet à ordre les dispositions concernant la lettre de change payable chez un tiers ou dans une localité autre que celle du domicile du tiré (articles VII.216/5 et VII.216/28), la stipulation d'intérêts (article VII.216/6), les différences d'énonciation relatives à la somme à payer (article VII.216/7), les conséquences de l'apposition d'une signature dans les conditions visées à l'article VII.216/8, celles de la signature d'une personne qui agit sans pouvoirs ou en dépassant ses pouvoirs (article VII.216/9), et la lettre de change en blanc (article VII.216/11).
  Sont également applicables au billet à ordre, les dispositions relatives à l'aval (articles VII.216/31 à VII.216/33); dans le cas prévu à l'article VII.216/32, alinéa 4, si l'aval n'indique pas pour le compte de qui il a été donné, il est réputé l'avoir été pour le compte du souscripteur du billet à ordre.
  Le cinquième alinéa de l'article VII.216/3 et les articles VII.216/72 et VII.216/95 du présent Code s'appliquent également au billet à ordre.
  Art. VII.216/80. Le souscripteur d'un billet à ordre est obligé de la même manière que l'accepteur d'une lettre de change.
  Les billets à ordre payables à un certain délai de vue doivent être présentés au visa du souscripteur dans les délais fixés à l'article VII.216/24. Le délai de vue court de la date du visa signé du souscripteur sur le billet. Le refus du souscripteur de donner son visa daté est constaté par un protêt (article VII.216/26), dont la date sert de point de départ au délai de vue.".
Art. 138. In titel 6/1, ingevoegd bij artikel 100, wordt een hoofdstuk 4 ingevoegd, luidende :
  "Hoofdstuk 4. Aanvullende bepalingen".
Art. 138. Dans le titre 6/1, inséré par l'article 100, il est inséré un chapitre 4 intitulé :
  "Chapitre 4. Dispositions complémentaires".
Art. 139. In hoofdstuk 4, ingevoegd bij artikel 138, wordt een afdeling 1 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 1. Fondsbezorging".
Art. 139. Dans le chapitre 4, inséré par l'article 138, il est inséré une section 1re intitulée :
  "Section 1re. De la provision".
Art. 140. In afdeling 1, ingevoegd bij artikel 139, worden de artikelen VII.216/81 tot VII.216/87 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/81. Fonds moet worden bezorgd door de trekker, of indien de wisselbrief voor andermans rekening is getrokken, door de lastgever of ordergever.
  Art. VII.216/82. Fonds is bezorgd wanneer de betrokkene op de vervaldag in het bezit is van een waarde of van een waarborg die toereikend is om hem volledig te dekken en die door de trekker of de ordergever bestemd is om de betaling van de wisselbrief te verzekeren.
  Art. VII.216/83. De houder heeft tegenover de schuldeisers van de trekker een bevoorrechte schuldvordering op het fonds dat in handen van de betrokkenen is bij de opeisbaarheid van de wisselbrief, onverminderd de toepassing van artikel XX.111.
  Indien verscheidene wisselbrieven door een zelfde trekker op een zelfde persoon zijn getrokken, en het fonds dat de betrokkene in handen heeft, ontoereikend is om ze alle te kwijten, worden zij op de volgende wijze betaald.
  Indien het fonds een zekere en bepaalde zaak is, worden de wisselbrieven tot de betaling waarvan het fonds in het bijzonder was bestemd, vóór alle andere betaald, onverminderd evenwel de rechten die aan de betrokkene door vroegere acceptaties mochten zijn toegekend.
  Bij gebreke van een bijzondere bestemming, worden de geaccepteerde wisselbrieven betaald bij voorrang boven de niet geaccepteerde.
  Indien het fonds is bezorgd in vervangbare zaken, hebben de geaccepteerde wisselbrieven voorrang boven de niet geaccepteerde.
  Komen verscheidene geaccepteerde of verscheidene niet-geaccepteerde wisselbrieven gelijktijdig in aanmerking, dan worden zij ponds- pondsgewijs betaald.
  Alles met dien verstande dat de betrokkene die niet in staat van faillissement verkeert, in geval van acceptatie zijn persoonlijke verbintenissen moet nakomen.
  Art. VII.216/84. Het bij artikel VII.216/54 uitgesproken verval heeft niet plaats wanneer de trekker in gebreke blijft aan te tonen dat er fonds bezorgd is op de vervaldag, of wanneer hij, na verstrijking van de in artikel VII.216/54 bepaalde termijnen, op om het even welke wijze de voor betaling van de wisselbrief bestemde gelden heeft ontvangen.
  Hetzelfde geldt wanneer de endossant zich onrechtmatig heeft verrijkt.
  In de gevallen van dit artikel, verjaart de overblijvende rechtsvordering door verloop van één jaar met ingang van de in artikel VII.216/54 bepaalde datum van verval.
  Art. VII.216/85. De houder of de trekker van een wisselbrief heeft tegen de betrokkene die niet heeft geaccepteerd, maar fonds in handen heeft, een rechtstreekse vordering tot betaling van de wisselbrief ten belope van het fonds.
  Art. VII.216/86. De betrokkene kan het fonds niet meer uit handen geven indien de houder hem zulks verbiedt. Dit verbod kan gedaan worden door middel van een gewone brief, die echter moet gevolgd worden door een dagvaarding binnen vijftien dagen na de vervaldag. Het protest van niet-betaling geldt als verbod.
  Art. VII.216/87. In het geval van een rechtsvordering als bedoeld in artikel VII.216/29 tweede lid, is de trekker niet verplicht het bestaan van het fonds te bewijzen.".
Art. 140. Dans la section 1re, insérée par l'article 139, sont insérés les articles VII.216/81 à VII.216/87 rédigés comme suit :
  "Art. VII.216/81. La provision doit être faite par le tireur ou, si la lettre est tirée pour le compte d'autrui, par le mandant ou donneur d'ordre.
  Art. VII.216/82. Il y a provision si, à l'échéance, le tiré est en possession d'une valeur ou d'une garantie suffisante pour le couvrir complètement et qui est destinée par le tireur ou le donneur d'ordre à assurer le paiement de la lettre de change.
  Art. VII.216/83. Le porteur a, vis-à-vis des créanciers du tireur, une créance privilégiée sur la provision qui existe entre les mains du tiré, lors de l'exigibilité de la lettre, sans préjudice de l'application de l'article XX.111.
  Si plusieurs lettres de change ont été émises par le même tireur sur la même personne et qu'il n'existe entre les mains du tiré qu'une provision insuffisante pour les acquitter toutes, elles sont payées de la manière suivante.
  Si la provision est d'un corps certain et déterminé: les lettres au paiement desquelles elle a été spécialement affectée sont acquittées avant toutes les autres, sans préjudice toutefois des droits conférés au tiré par des acceptations antérieures.
  A défaut d'affectation spéciale, les lettres acceptées sont payées par préférence à celles qui ne le sont point.
  Si la provision est fournie en choses fongibles: les lettres acceptées sont préférées aux lettres non acceptées.
  En cas de concours entre plusieurs lettres acceptées ou plusieurs lettres non acceptées, elles sont payées au marc le franc.
  Le tout sous réserve, en cas d'acceptation, de l'exécution des obligations personnelles du tiré qui n'est pas en faillite.
  Art. VII.216/84. La déchéance prononcée par l'article VII.216/54 n'a pas lieu lorsque le tireur est en défaut de justifier qu'il y avait provision à l'échéance ou lorsque, après expiration des délais prévus à l'article VII.216/54, il a reçu de façon quelconque les fonds destinés au paiement de la lettre de change.
  Il en est de même lorsque l'endosseur s'est enrichi injustement.
  Dans les cas énoncés au présent article, l'action qui subsiste se prescrit dans le délai d'un an à partir de la date de la déchéance prévue à l'article VII.216/54.
  Art. VII.216/85. Le porteur ou le tireur d'une lettre de change a contre le tiré non-accepteur mais provisionné une action directe en paiement de la lettre de change dans la mesure de la provision.
  Art. VII.216/86. Le tiré ne peut plus se dessaisir de la provision si le porteur lui en fait défense. Cette défense pourra être faite par simple lettre missive, qui devra être suivie d'assignation dans les quinze jours de l'échéance. Le protêt faute de paiement vaut défense.
  Art. VII.216/87. Dans le cas d'une action, prévue par l'article VII.216/29, alinéa 2, le tireur n'est pas tenu de prouver l'existence de la provision.".
Art. 141. In hoofdstuk 4, ingevoegd bij artikel 138, wordt een afdeling 2 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 2. Betaling van vermiste wisselbrieven".
Art. 141. Dans le chapitre 4, inséré par l'article 138, il est inséré une section 2 intitulée :
  "Section 2. Du paiement des lettres de change adirées".
Art. 142. In afdeling 2, ingevoegd bij artikel 141, worden de artikelen VII.216/88 tot VII.216/93 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/88. In geval van onvrijwillige en toevallige buitenbezitstelling van een niet geaccepteerde wisselbrief, kan degene aan wie hij toebehoort de betaling ervan vervolgen op een tweede, derde, vierde exemplaar, enz.
  Art. VII.216/89. Indien de vermiste wisselbrief van acceptatie voorzien is, kan de betaling ervan niet gevorderd worden op een tweede, derde, vierde exemplaar, enz. dan krachtens een beschikking van de voorzitter van de ondernemingsrechtbank en tegen borgstelling.
  Art. VII.216/90. Indien hij die onvrijwillig en toevallig buiten bezit van een al dan niet geaccepteerde wisselbrief gesteld is, het tweede, derde, vierde exemplaar, enz., niet kan vertonen, kan hij de betaling van de vermiste wisselbrief vragen en ze verkrijgen krachtens een beschikking van de voorzitter van de ondernemingsrechtbank, mits hij van zijn eigendom doet blijken en tegen borgstelling.
  Art. VII.216/91. Wordt de betaling geweigerd, dan bewaart de eigenaar van de vermiste wisselbrief al zijn rechten door een akte van protestatie.
  Deze akte moet opgemaakt worden uiterlijk de tweede dag na de vervaldag van de vermiste wisselbrief.
  Zij moet aan de trekkers en aan de endossanten bij deurwaardersexploot worden betekend binnen vijftien dagen te rekenen van haar dagtekening. Om geldig te zijn moet zij niet noodzakelijk door een rechterlijke beslissing of door een borgstelling zijn voorafgegaan
  Art. VII.216/92. De eigenaar van de vermiste wisselbrief moet, om zich het tweede exemplaar ervan aan te schaffen, zich tot zijn onmiddellijke endossant wenden, die verplicht is hem zijn naam en zijn medewerking te verlenen om zijn eigen endossant aan te spreken, en zo vervolgens van endossant tot endossant tot aan de trekker van de wisselbrief.
  Nadat de trekker het tweede exemplaar heeft uitgeleverd, is elke endossant verplicht daarop zijn endossement opnieuw aan te brengen.
  De eigenaar van de vermiste wisselbrief draagt de kosten.
  Art. VII.216/93. De in de artikelen VII.216/89 en VII.216/90 vermelde verbintenis van de borg eindigt na drie jaren, indien er gedurende die tijd noch rechtsvordering noch rechtsvervolging is geweest.".
Art. 142. Dans la section 2, insérée par l'article 141, sont insérés les articles VII.216/88 à VII.216/93 rédigés comme suit :
  "Art. VII.216/88. En cas de dépossession involontaire et accidentelle d'une lettre de change non acceptée, celui à qui elle appartient peut en poursuivre le paiement sur une deuxième, troisième, quatrième, etc.
  Art. VII.216/89. Si la lettre de change adirée est revêtue de l'acceptation, le paiement ne peut en être exigé sur une deuxième, troisième, quatrième, etc., que par ordonnance du président du tribunal de l'entreprise et en donnant caution.
  Art. VII.216/90. Si celui qui a été involontairement et accidentellement dépossédé d'une lettre de change, qu'elle soit acceptée ou non, ne peut représenter la deuxième, troisième, quatrième, etc., il peut demander le paiement de la lettre de change adirée et l'obtenir en vertu de l'ordonnance du président du tribunal de l'entreprise, en justifiant de sa propriété et en donnant caution.
  Art. VII.216/91. En cas de refus de paiement, le propriétaire de la lettre de change adirée conserve tous ses droits par un acte de protestation.
  Cet acte doit être fait, au plus tard, le surlendemain de l'échéance de la lettre de change adirée.
  Il doit être notifié aux tireurs et endosseurs, par exploit d'huissier, dans les quinze jours de sa date. Pour être valable, il ne doit pas être nécessairement précédé d'une décision judiciaire ou d'une dation de caution.
  Art. VII.216/92. Le propriétaire de la lettre de change adirée doit, pour s'en procurer la deuxième, s'adresser à son endosseur immédiat, qui est tenu de lui prêter son nom et ses soins pour agir envers son propre endosseur, et ainsi, en remontant d'endosseur en endosseur, jusqu'au tireur de la lettre.
  Après que le tireur aura délivré la deuxième, chaque endosseur sera tenu d'y rétablir son endossement.
  Le propriétaire de la lettre de change adirée supportera les frais.
  Art. VII.216/93. L'engagement de la caution, mentionné dans les articles VII.216/89 et VII.216/90 est éteint après trois ans, si pendant ce temps, il n'y a eu ni demandes ni poursuites judiciaires."
Art. 143. In hoofdstuk 4, ingevoegd bij artikel 138, wordt een afdeling 3 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 3. Bijzondere bepalingen".
Art. 143. Dans le chapitre 4 inséré par l'article 138, il est inséré une section 3 intitulée :
  "Section 3. Dispositions particulières".
Art. 144. In afdeling 3, ingevoegd bij artikel 143, worden de artikelen VII.216/94 tot VII.216/96 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/94. Verbintenissen die een Belg in het buitenland ter zake van wisselbrieven en orderbriefjes heeft aangegaan, worden in België slechts dan als geldig erkend, indien hij volgens de Belgische wet de vereiste bekwaamheid bezat om die verbintenissen aan te gaan.
  Art. VII.216/95. Het endossement van een wisselbrief of van een orderbriefje draagt de persoonlijke en zakelijke zekerheden, met name de voorrechten en de hypotheek die de betaling ervan waarborgen, op de geëndosseerde over.
  Behoudens andersluidend beding van het contract van kredietopening, genieten de houders van de wisselbrieven en orderbriefjes welke overeenkomstig de bepalingen van dat contract zijn getrokken of geëndosseerd, de zekerheden die de kredietopening waarborgen, ten belope van het bedrag dat krachtens de kredietopening zal verschuldigd blijven.
  Zijn de zekerheden niet toereikend om de crediteur en de derden, houders van de wisselbrieven en van de orderbriefjes, te dekken, dan worden die derden betaald bij voorrang boven de crediteur en zo nodig pondspondsgewijs.
  Art. VII.216/96. Onverminderd de toepassing van de formaliteiten, voorgeschreven voor de uitoefening van de rechten van regres, kan de houder van een wegens niet-betaling geprotesteerde wisselbrief, met verlof van de beslagrechter, conservatoir beslag leggen op de roerende goederen van de trekkers, acceptanten en endossanten.".
Art. 144. Dans la section 3, insérée par l'article 143, sont insérés les articles VII.216/94 à VII.216/96 rédigés comme suit :
  "Art. VII.216/94. La validité des engagements souscrits en matière de lettres de change et de billets à ordre par un Belge à l'étranger n'est reconnue en Belgique que si, d'après la législation belge, il possédait la capacité requise pour les prendre.
  Art. VII.216/95. L'endossement d'une lettre de change ou d'un billet à ordre transfère au bénéficiaire de l'endos les sûretés personnelles et réelles, notamment les privilèges et l'hypothèque, qui en garantissent le paiement.
  Sauf dispositions contraires du contrat d'ouverture de crédit, les porteurs des lettres de change et billets à ordre créés ou endossés conformément aux stipulations de ce contrat profitent des sûretés qui garantissent l'ouverture de crédit, à concurrence du montant qui restera dû en vertu de celle-ci.
  Si les sûretés sont insuffisantes pour couvrir le créditeur et les tiers porteurs des lettres de change et des billets à ordre, ces tiers seront payés par préférence au créditeur et, le cas échéant, au marc le franc.
  Art. VII.216/96. Indépendamment des formalités prescrites pour l'exercice des droits de recours, le porteur d'une lettre de change protestée faute de paiement peut, en obtenant la permission du juge des saisies, saisir conservatoirement les effets mobiliers des tireurs, accepteurs et endosseurs.".
Art. 145. In hoofdstuk 4, ingevoegd bij artikel 138, wordt een afdeling 4 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 4. Protesten".
Art. 145. Dans le chapitre 4 inséré par l'article 138, il est inséré une section 4 intitulée :
  "Section 4. Les protêts".
Art. 146. In afdeling 4, ingevoegd bij artikel 145, worden de artikelen VII.216/97 tot VII.216/100 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/97. § 1. De protesten wegens niet-acceptatie of wegens niet-betaling worden door de gerechtsdeurwaarders opgemaakt.
  § 2. De protesten worden opgemaakt :
  1° aan de woonplaats of zetel aangewezen op het handelspapier, en bij ontbreken van aanwijzing, aan de laatste bekende woonplaats of zetel van de debiteur;
  2° aan de woonplaats of zetel van de personen die op het handelspapier, hetzij door de trekker, hetzij door de endossant zijn aangewezen om zo nodig het handelspapier te betalen;
  3° aan de woonplaats of zetel van de derde die bij tussenkomst heeft geaccepteerd.
  In geval van een valse of onjuiste aanwijzing van de woonplaats of zetel stelt de gerechtsdeurwaarder in de akte vast dat de debiteur niet is gevonden.
  Art. VII.216/98. De protestakte bevat de volgende vermeldingen, in zoverre ze relevant zijn met het soort handelspapier waarop het protest betrekking heeft :
  1° de plaats, datum en aard van het protest;
  2° het soort handelspapier waarop het protest betrekking heeft;
  3° de naam en voornamen, rechtsvorm of bijzondere benaming van de begunstigde van het orderbriefje of van de trekker van de wisselbrief, alsook zijn woonplaats of, indien het een rechtspersoon betreft, zijn maatschappelijke zetel en zijn ondernemingsnummer;
  4° de naam en voornamen, rechtsvorm of bijzondere benaming van de ondertekenaar van het orderbriefje of van de betrokkene van de wisselbrief, alsook de vermelding of hij de wisselbrief al dan niet geaccepteerd heeft, zijn woonplaats of, indien het een rechtspersoon betreft, zijn maatschappelijke zetel en zijn ondernemingsnummer;
  5° de vervaldag;
  6° het bedrag van het handelspapier en, indien dat zou verschillen, het bedrag waarvoor het protest werd opgemaakt;
  7° de reden van de weigering die aanleiding geeft tot het protest;
  8° de gedetailleerde kosten van de akte;
  9° de naam en voornamen van de persoon die de protestakte heeft opgemaakt;
  10° de naam van de verzoeker;
  11° de aan- of afwezigheid van degene die moet betalen;
  12° de naam van de persoon aan wie het in artikel VII.216/99 bedoelde bericht is overhandigd.
  Art. VII.216/99. Hij die het protest heeft opgemaakt, laat op de in artikel VII.216/97, § 2, bedoelde woonplaats of zetel een bericht na, met volgende vermeldingen :
  1° de naam en het adres van de houder die om het protest verzocht heeft;
  2° de naam van degene die het protest heeft opgemaakt;
  3° het bedrag van het geprotesteerde handelspapier.
  Indien niemand wordt aangetroffen aan de bedoelde woonplaats of zetel, vermeldt de protestakte dit feit en wordt geen bericht nagelaten.
  Art. VII.216/100. De Koning bepaalt de vorm van de in artikel VII.216/98 bedoelde protestakten en van het in artikel VII.216/99 bedoelde bericht.".
Art. 146. Dans la section 4, insérée par l'article 145, sont insérés les articles VII.216/97 à VII.216/100 rédigés comme suit :
  "Art. VII.216/97. § 1er. Les protêts faute d'acceptation ou de paiement sont dressés par les huissiers de justice.
  § 2. Les protêts sont dressés :
  1° au domicile ou siège social indiqué sur l'effet et à défaut d'indication, au dernier domicile ou siège social connu du débiteur;
  2° au domicile ou siège social des personnes indiquées sur l'effet soit par le tireur, soit par l'endosseur pour le payer au besoin;
  3° au domicile ou siège social du tiers qui a accepté par intervention.
  En cas d'indication fausse ou incorrecte du domicile ou siège social, l'huissier de justice constate sur l'acte que le débiteur n'a pas été trouvé.
  Art. VII.216/98. Pour autant qu'elles soient pertinentes au regard du type d'effet auquel elles se rapportent, les mentions énoncées dans l'acte de protêt sont :
  1° les lieu, date et nature du protêt;
  2° le type d'effet auquel l'acte de protêt se rapporte;
  3° les nom et prénoms, forme juridique ou dénomination particulière du bénéficiaire du billet à ordre ou du tireur de la lettre de change, ainsi que son domicile ou, s'il s'agit d'une personne morale, son siège social et son numéro d'entreprise;
  4° les nom et prénoms, forme juridique ou dénomination particulière du souscripteur du billet à ordre ou du tiré de la lettre de change, ainsi que son acceptation ou non par celui-ci, son domicile ou, s'il s'agit d'une personne morale, son siège social et son numéro d'entreprise;
  5° la date de l'échéance;
  6° le montant de l'effet et, s'il est différent, le montant pour lequel l'effet est protesté;
  7° le motif du refus qui donne lieu au protêt;
  8° le coût détaillé de l'acte;
  9° les nom et prénoms de celui qui a dressé l'acte de protêt;
  10° le nom du requérant;
  11° la présence ou l'absence de celui qui doit payer;
  12 ° le nom de la personne à qui l'avis visé à l'article VII.216/99 a été remis.
  Art. VII.216/99. Celui qui a dressé le protêt laisse au domicile ou au siège social visé à l'article VII.216/97, § 2, un avis mentionnant :
  1° le nom et l'adresse du porteur qui a requis le protêt;
  2° le nom de celui qui a dressé le protêt;
  3° le montant de l'effet protesté.
  S'il n'est trouvé personne audit domicile ou siège social, l'acte de protêt énonce ce fait et aucun avis n'est remis.
  Art. VII.216/100. Le Roi détermine la forme des actes de protêt visés à l'article VII.216/98, et celle de l'avis visé à l'article VII.216/99.".
Art. 147. In titel 6/1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 100, wordt een hoofdstuk 5 ingevoegd, luidende :
  "Hoofdstuk 5. De cheque"
Art. 147. Dans le titre 6/1, du même Code, inséré par l'article 100, il est inséré un chapitre 5 intitulé :
  "Chapitre 5. Le chèque"
Art. 148. In hoofdstuk 5, ingevoegd bij artikel 147, wordt een afdeling 1 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 1. Uitgifte en vorm van de cheque".
Art. 148. Dans le chapitre 5, inséré par l'article 147, il est inséré une section 1re intitulée :
  "Section 1re. De la création et de la forme du chèque".
Art. 149. In afdeling 1, ingevoegd bij artikel 148, worden de artikelen VII.216/101 tot VII.216/113 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/101. De cheque behelst :
  1° De benaming "cheque", opgenomen in de tekst zelf en uitgedrukt in de taal waarin de titel is gesteld;
  2° De onvoorwaardelijke opdracht tot betaling van een bepaalde som;
  3° De naam van degene die betalen moet (betrokkene);
  4° De aanwijzing van de plaats waar de betaling moet geschieden;
  5° De vermelding van de dagtekening, alsmede van de plaats waar de cheque is getrokken;
  6° De handtekening van degene die de cheque uitgeeft (trekker). De handtekening, waarvan sprake, kan vervangen worden door een notariële akte in brevet, die op de cheque gesteld wordt en waaruit de wil blijkt van degene die zou hebben moeten ondertekenen.
  Art. VII.216/102. De titel waarin een der vermeldingen, in het voorgaande artikel aangegeven, ontbreekt, geldt niet als cheque, behoudens in de gevallen bepaald in de leden 2 tot 5.
  Bij gebreke van een bijzondere aanwijzing wordt de plaats, aangegeven naast de naam van de betrokkene, geacht te zijn de plaats van betaling.
  Indien meer dan een plaats is aangegeven naast de naam van de betrokkene, is de cheque betaalbaar in de eerst-aangegeven plaats.
  Bij gebreke van die aanwijzingen of van iedere andere aanwijzing, is de cheque betaalbaar in de plaats waar het hoofdkantoor van de betrokkene is gevestigd.
  De cheque welke niet de plaats vermeldt waar hij is getrokken, wordt geacht te zijn ondertekend in de plaats aangegeven naast de naam van de trekker.
  Art. VII. 216/103. De cheque wordt getrokken op een bankier die gedurende de gehele aanbiedingstermijn fonds onder zich heeft ter beschikking van de trekker, en krachtens een uitdrukkelijke of stilzwijgende overeenkomst, volgens welke de trekker het recht heeft bij cheque over dat fonds te beschikken.
  In geval van niet-inachtneming van die voorschriften, met uitzondering van het voorschrift volgens hetwelk op een bankier moet worden getrokken, blijft de titel niettemin als cheque geldig.
  Art. VII.216/104. De cheque kan niet worden geaccepteerd. Een vermelding van acceptatie, op de cheque gesteld, wordt voor niet geschreven gehouden.
  Het staat de trekker evenwel vrij de cheque door de betrokkene te laten certificeren of viseren.
  Het visum heeft geen ander gevolg dan vast te stellen dat op het ogenblik van het visum het fonds aanwezig is.
  De certificering heeft tot gevolg dat het fonds, op de verantwoordelijkheid van de betrokkene, tot het einde van de aanbiedingstermijn ten behoeve van de houder geblokkeerd blijft.
  Het visum of de certificering worden geweigerd wanneer het fonds ontoereikend is, rekening houdend met de vroeger gegeven visa en certificaties.
  Art. VII.216/105. De cheque kan betaalbaar worden gesteld :
  1° Aan een met name genoemde persoon, met of zonder uitdrukkelijke clausule "aan order";
  2° Aan een met name genoemde persoon, met de clausule "niet aan order", of een daarmee gelijkstaande clausule;
  3° Aan toonder.
  De cheque, betaalbaar gesteld aan een met name genoemde persoon met de vermelding "of aan toonder", of een daarmee gelijkstaande uitdrukking, geldt als cheque aan toonder.
  De cheque zonder vermelding van de nemer geldt als cheque aan toonder.
  Art. VII.216/106. De cheque kan aan de order van de trekker zelf luiden.
  De cheque kan worden getrokken voor rekening van een derde.
  De cheque, met uitzondering van de cheque aan toonder, kan worden getrokken op de trekker zelf.
  Art. VII.216/107. Elke in de cheque opgenomen renteclausule wordt als niet geschreven beschouwd.
  Art. VII.216/108. De cheque kan betaalbaar zijn aan de woonplaats van een derde, hetzij in de plaats waar de betrokkene zijn woonplaats heeft, hetzij in een andere plaats, mits echter de derde een bankier is.
  Art. VII.216/109. De cheque waarvan het bedrag voluit in letters en tevens in cijfers is geschreven, geldt, in geval van verschil, ten belope van de som voluit in letters geschreven.
  De cheque waarvan het bedrag meermalen is geschreven, hetzij voluit in letters, hetzij in cijfers, geldt, in geval van verschil, slechts ten belope van de kleinste som.
  Art. VII.216/110. Indien de cheque handtekeningen bevat van personen die onbekwaam zijn zich door middel van een cheque te verbinden, valse handtekeningen of handtekeningen van verdichte personen bevat, of handtekeningen welke, onverschillig om welke andere reden, de personen die deze handtekeningen op de cheque hebben geplaatst of in wier naam zulks is geschied, niet kunnen verbinden, zijn de verbintenissen van de andere personen wier handtekening op de cheque voorkomt, niettemin geldig.
  Art. VII.216/111. Ieder die zijn handtekening op een cheque plaatst als vertegenwoordiger van een persoon voor wie hij niet de bevoegdheid had te handelen, is zelf krachtens de cheque verbonden, en heeft, indien hij betaalt, dezelfde rechten als de beweerde vertegenwoordigde zou hebben gehad. Hetzelfde geldt ten aanzien van de vertegenwoordiger die zijn bevoegdheid heeft overschreden.
  Art. VII.216/112. De trekker staat in voor de betaling.
  Elke clausule waarbij hij deze verplichting uitsluit, wordt als niet geschreven beschouwd.
  Art. VII.216/113. Indien een cheque, onvolledig ten tijde van de uitgifte, volledig is gemaakt in strijd met de aangegane overeenkomsten, kan de niet-naleving van die overeenkomsten niet worden tegengeworpen aan de houder, tenzij deze de cheque te kwader trouw heeft verkregen of hem grove schuld bij de verkrijging te wijten is.".
Art. 149. Dans la section 1re, insérée par l'article 148, il est inséré des articles VII.216/101 à VII.216/113 rédigés comme suit :
  "Art. VII.216/101. Le chèque contient :
  1° La dénomination "chèque", insérée dans le texte même du titre et exprimée dans la langue employée pour la rédaction de ce titre;
  2° Le mandat pur et simple de payer une somme déterminée;
  3° Le nom de celui qui doit payer (tiré);
  4° L'indication du lieu où le paiement doit s'effectuer;
  5° L'indication de la date et du lieu où le chèque est créé;
  6° La signature de celui qui émet le chèque (tireur). Il peut être suppléé à la signature par un acte notarié en brevet inscrit sur le chèque et constatant la volonté de celui qui aurait dû signer.
  Art. VII.216/102. Le titre dans lequel une des énonciations indiquées à l'article précédent fait défaut ne vaut pas comme chèque, sauf dans les cas déterminés par les alinéas 2 à 5.
  A défaut d'indication spéciale, le lieu désigné à côté du nom du tiré est réputé être le lieu de paiement.
  Si plusieurs lieux sont indiqués à côté du nom du tiré, le chèque est payable au premier lieu indiqué.
  A défaut de ces indications ou de toute autre indication, le chèque est payable au lieu où le tiré à son établissement principal.
  Le chèque sans indication du lieu de sa création est considéré comme souscrit dans le lieu désigné à côté du nom du tireur.
  Art. VII.216/103. Le chèque est tiré sur un banquier ayant, pendant tout le délai de présentation, des fonds à la disposition du tireur et conformément à une convention, expresse ou tacite, d'après laquelle le tireur a le droit de disposer de ces fonds par chèque.
  Néanmoins, en cas d'inobservation de ces prescriptions, hormis celle de tirer sur un banquier, la validité du titre comme chèque n'est pas atteinte.
  Art. VII.216/104. Le chèque ne peut pas être accepté. Une mention d'acceptation portée sur le chèque est réputée non écrite.
  Toutefois, le tireur a la faculté de faire certifier ou viser le chèque par le tiré.
  Le visa a uniquement pour effet de constater l'existence de la provision au moment du visa.
  La certification a pour effet de bloquer la provision au profit du porteur sous la responsabilité du tiré jusqu'au terme du délai de présentation.
  Le visa ou la certification sont refusés en cas d'insuffisance de la provision compte tenu des visas et certifications donnés antérieurement.
  Art. VII.216/105. Le chèque peut être stipulé payable :
  1° A une personne dénommée, avec ou sans clause expresse "à ordre";
  2° A une personne dénommée, avec la clause "non à ordre" ou une clause équivalente;
  3° Au porteur.
  Le chèque au profit d'une personne dénommée, avec la mention "ou au porteur", ou un terme équivalent, vaut comme chèque au porteur.
  Le chèque sans indication du bénéficiaire vaut comme chèque au porteur.
  Art. VII.216/106. Le chèque peut être à l'ordre du tireur lui-même.
  Le chèque peut être tiré pour le compte d'un tiers.
  Le chèque peut être tiré sur le tireur lui-même à l'exception du chèque au porteur.
  Art. VII.216/107. Toute stipulation d'intérêts insérée dans le chèque est réputée non écrite.
  Art. VII.216/108. Le chèque peut être payable au domicile d'un tiers, soit dans la localité où le tiré a son domicile, soit dans une autre localité, à condition, toutefois que le tiers soit banquier.
  Art. VII.216/109. Le chèque dont le montant est écrit à la fois en toutes lettres et en chiffres vaut, en cas de différence, pour la somme écrite en toutes lettres.
  Le chèque dont le montant est écrit plusieurs fois, soit en toutes lettres, soit en chiffres, ne vaut, en cas de différence, que pour la moindre somme.
  Art. VII.216/110. Si le chèque porte des signatures de personnes incapables de s'obliger par chèque, des signatures fausses ou des signatures de personnes imaginaires, ou des signatures qui, pour toute autre raison, ne sauraient obliger les personnes qui ont signé le chèque, ou au nom desquelles il a été signé, les obligations des autres signataires n'en sont pas moins valables.
  Art. VII.216/111. Quiconque appose sa signature sur un chèque, comme représentant d'une personne pour laquelle il n'avait pas le pouvoir d'agir, est obligé lui-même en vertu du chèque et, s'il a payé, a les mêmes droits qu'aurait eus le prétendu représenté. Il en est de même du représentant qui a dépassé ses pouvoirs.
  Art. VII.216/112. Le tireur est garant du paiement.
  Toute clause par laquelle le tireur s'exonère de cette garantie est réputée non écrite.
  Art. VII.216/113. Si un chèque incomplet à l'émission a été complété contrairement aux accords intervenus, l'inobservation de ces accords ne peut pas être opposée au porteur, à moins qu'il n'ait acquis le chèque de mauvaise foi, ou que, en l'acquérant, il n'ait commis une faute lourde.".
Art. 150. In hoofdstuk 5, ingevoegd bij artikel 147, wordt een afdeling 2 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 2. Overdracht".
Art. 150. Dans le chapitre 5 inséré par l'article 147, il est inséré une section 2 intitulée :
  "Section 2. De la transmission".
Art. 151. In afdeling 2, ingevoegd bij artikel 150, worden de artikelen VII.216/114 tot VII.216/124 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/114. De cheque die betaalbaar is gesteld aan een met name genoemde persoon met of zonder uitdrukkelijke clausule "aan order", kan door middel van endossement worden overgedragen.
  De cheque die betaalbaar is gesteld aan een met name genoemde persoon met de clausule "niet aan order", of een daarmee gelijkstaande clausule, kan slechts worden overgedragen in de vorm en met de gevolgen van een gewone overdracht.
  Het endossement kan worden gesteld zelfs ten voordele van de trekker of van elke andere chequeschuldenaar. Deze personen kunnen de cheque opnieuw endosseren.
  Art. VII.216/115. Het endossement moet onvoorwaardelijk zijn. Elke voorwaarde waaraan het is onderworpen, wordt als niet geschreven beschouwd.
  Het gedeeltelijke endossement is nietig.
  Het endossement van de betrokkene is eveneens nietig.
  Het endossement aan toonder geldt als endossement in blanco.
  Het endossement aan de betrokkene geldt slechts als kwijting, behoudens wanneer de betrokkene verscheidene kantoren heeft en wanneer het endossement is gesteld ten voordele van een ander kantoor dan dat waarop de cheque is getrokken.
  Art. VII.216/116. Het endossement moet gesteld worden op de cheque of op een daaraan vastgehecht blad (verlengstuk). Het moet worden ondertekend door de endossant.
  Het endossement kan de geëndosseerde onvermeld laten of bestaan uit de enkele handtekening van de endossant (endossement in blanco). In het laatste geval moet het endossement, om geldig te zijn, op de rugzijde van de cheque of op het verlengstuk worden gesteld.
  Art. VII.216/117. Door het endossement worden alle uit de cheque voortvloeiende rechten overgedragen.
  Indien het endossement in blanco is, kan de houder :
  1° het blanco invullen, hetzij met zijn eigen naam, hetzij met de naam van een andere persoon;
  2° de cheque wederom in blanco of aan een andere persoon endosseren;
  3° de cheque aan een derde overgeven, zonder het blanco in te vullen en zonder hem te endosseren.
  Art. VII.216/118. De endossant staat in voor de betaling, tenzij het tegendeel bedongen is.
  Hij kan een endossement verbieden; in dat geval staat hij tegenover de personen aan wie de cheque later is geëndosseerd, niet in voor de betaling.
  Art. VII.216/119. Hij die een door endossement overdraagbare cheque onder zich heeft, wordt beschouwd als de rechtmatige houder, indien hij van zijn recht doet blijken door een ononderbroken reeks van endossementen, ook al is het laatste endossement in blanco gesteld. De doorgehaalde endossementen worden te dien aanzien voor niet geschreven gehouden.
  Wanneer een endossement in blanco door een ander endossement is gevolgd, wordt de ondertekenaar van dit laatste geacht de cheque door het endossement in blanco verkregen te hebben.
  Art. VII.216/120. Een op een cheque aan toonder voorkomend endossement maakt de endossant verantwoordelijk overeenkomstig de bepalingen betreffende het recht van regres; het maakt overigens de titel niet tot een cheque aan order.
  Art. VII.216/121. Indien een cheque aan toonder of een cheque, die geëndosseerd kan worden, waarop de houder op de wijze bij artikel VII.216/119 bepaald, zijn recht doet gelden, hoe dan ook uit iemands handen is geraakt, is de houder die haar in handen heeft gekregen, niet verplicht de cheque af te staan, tenzij hij deze te kwader trouw heeft verkregen, of, bij dezelver verkrijging, een zware fout heeft begaan.
  Art. VII.216/122. Zij die uit hoofde van de cheque worden aangesproken, kunnen de verweermiddelen, gegrond op hun persoonlijke verhouding tot de trekker of tot vroegere houders, niet aan de houder tegenwerpen, tenzij deze bij de verkrijging van de cheque desbewust ten nadele van de schuldenaar heeft gehandeld.
  Art. VII.216/123. Wanneer het endossement de vermelding bevat "waarde ter incassering", "ter incasso", "in lastgeving" of enige andere vermelding die niets meer dan een opdracht tot inning in zich sluit, kan de houder alle uit de cheque voortvloeiende rechten uitoefenen, maar hij kan hem niet anders endosseren dan als lastgeving.
  De chequeschuldenaars kunnen in dat geval aan de houder slechts de verweermiddelen tegenwerpen welke aan de endossant zouden kunnen worden tegengeworpen.
  De opdracht, vervat in een incasso-endossement, eindigt niet door de dood of door de latere onbekwaamheid van de lastgever.
  Art. VII.216/124. Het endossement, na het protest of de daarmee gelijkstaande verklaring of na het einde van de aanbiedingstermijn op de cheque gesteld, heeft slechts de gevolgen van een gewone overdracht.
  Behoudens tegenbewijs, wordt het endossement zonder dagtekening geacht te zijn gesteld vóór het protest of de daarmee gelijkstaande verklaringen of vóór het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn.".
Art. 151. Dans la section 2, insérée par l'article 150, sont insérés les articles VII.216/114 à VII.216/124 rédigés comme suit :
  "Art. VII.216/114. Le chèque stipulé payable au profit d'une personne dénommée avec ou sans clause expresse "à ordre" est transmissible par la voie de l'endossement.
  Le chèque stipulé payable au profit d'une personne dénommée avec la clause "non à ordre" ou une clause équivalente n'est transmissible que dans la forme et avec les effets d'une cession ordinaire.
  L'endossement peut être fait même au profit du tireur ou de tout autre obligé. Ces personnes peuvent endosser le chèque à nouveau.
  Art. VII.216/115. L'endossement doit être pur et simple. Toute condition à laquelle il est subordonné est réputée non écrite.
  L'endossement partiel est nul.
  Est également nul l'endossement du tiré.
  L'endossement au porteur vaut comme endossement en blanc.
  L'endossement au tiré ne vaut que comme quittance, sauf dans le cas où le tiré a plusieurs établissements et où l'endossement est fait au bénéfice d'un établissement autre que celui sur lequel le chèque a été tiré.
  Art. VII.216/116. L'endossement doit être inscrit sur le chèque ou sur une feuille qui y est attachée (allonge). Il doit être signé par l'endosseur.
  L'endossement peut ne pas désigner le bénéficiaire ou consister simplement dans la signature de l'endosseur (endossement en blanc). Dans ce dernier cas, l'endossement, pour être valable, doit être inscrit au dos du chèque ou sur l'allonge.
  Art. VII.216/117. L'endossement transmet tous les droits résultant du chèque.
  Si l'endossement est en blanc, le porteur peut :
  1° remplir le blanc, soit de son nom, soit du nom d'une autre personne;
  2° endosser le chèque de en blanc ou à une autre personne;
  3° remettre le chèque à un tiers, sans remplir le blanc et sans l'endosser.
  Art. VII.216/118. L'endosseur est, sauf clause contraire, garant du paiement.
  Il peut interdire un nouvel endossement; dans ce cas, il n'est pas tenu à la garantie envers les personnes auxquelles le chèque est ultérieurement endossé.
  Art. VII.216/119. Le détenteur d'un chèque endossable est considéré comme porteur légitime s'il justifie de son droit par une suite ininterrompue d'endossements, même si le dernier endossement est en blanc. Les endossements biffés sont, à cet égard, réputés non écrits.
  Quand un endossement en blanc est suivi d'un autre endossement, le signataire de celui-ci est réputé avoir acquis le chèque par l'endossement en blanc.
  Art. VII.216/120. Un endossement figurant sur un chèque au porteur rend l'endosseur responsable aux termes des dispositions qui régissent le recours; il ne convertit, d'ailleurs, pas le titre en un chèque à ordre.
  Art. VII.216/121. Lorsqu'une personne a été dépossédée d'un chèque par quelque événement que ce soit, le porteur entre les mains duquel le chèque est parvenu - soit qu'il s'agisse d'un chèque au porteur, soit qu'il s'agisse d'un chèque endossable pour lequel le porteur justifie de son droit de la manière indiquée à l'article VII.216/119 - n'est tenu de se dessaisir du chèque que s'il l'a acquis de mauvaise foi ou si, en l'acquérant, il a commis une faute lourde.
  Art. VII.216/122. Les personnes actionnées en vertu du chèque ne peuvent pas opposer au porteur les exceptions fondées sur leurs rapports personnels avec le tireur ou avec les porteurs antérieurs, à moins que le porteur, en acquérant le chèque, n'ait agi sciemment au détriment du débiteur.
  Art. VII.216/123. Lorsque l'endossement contient la mention "valeur en recouvrement", "pour encaissement", "par procuration" ou toute autre mention impliquant un simple mandat, le porteur peut exercer tous les droits découlant du chèque, mais il ne peut endosser celui-ci qu'à titre de procuration.
  Les obligés ne peuvent, dans ce cas, invoquer contre le porteur que les exceptions qui seraient opposables à l'endosseur.
  Le mandat renfermé dans un endossement de procuration ne prend pas fin par le décès du mandant ou la survenance de son incapacité.
  Art. VII.216/124. L'endossement fait après le protêt ou une constatation équivalente, ou après l'expiration du délai de présentation, ne produit que les effets d'une cession ordinaire.
  Sauf preuve contraire, l'endossement sans date est présumé avoir été fait avant le protêt ou les constatations équivalentes ou avant l'expiration du délai visé à l'alinéa 1er.".
Art. 152. In hoofdstuk 5, ingevoegd bij artikel 147, wordt een afdeling 3 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 3. Aval".
Art. 152. Dans le chapitre 5, inséré par l'article 147, il est inséré une section 3 intitulée :
  "Section 3. De l'aval".
Art. 153. In afdeling 3, ingevoegd bij artikel 152, worden de artikelen VII.216/125 tot VII.216/127 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/125. De betaling van de cheque kan zowel voor zijn geheel bedrag als voor een gedeelte daarvan door een borgtocht (aval) worden verzekerd.
  Deze borgtocht kan door een derde, behalve door de betrokkene, of zelfs door iemand wiens handtekening op de cheque voorkomt, worden gegeven.
  Art. VII.216/126. Het aval wordt op de cheque of op een verlengstuk gesteld.
  Het kan eveneens bij afzonderlijke akte worden gegeven op voorwaarde dat de plaats waar het is tot stand gekomen, erop vermeld wordt.
  Het wordt uitgedrukt door de woorden "goed voor aval", of door enige andere daarmee gelijkstaande uitdrukking; het wordt door de avalgever ondertekend.
  De enkele handtekening van de avalgever, gesteld op de voorzijde van de cheque, geldt als aval, behalve wanneer de handtekening die is van de trekker.
  In het aval moet worden vermeld voor wie het is gegeven. Bij gebreke hiervan wordt het geacht voor de trekker te zijn gegeven.
  Art. VII.216/127. De avalgever is op dezelfde wijze verbonden als degene voor wie het aval is gegeven.
  Zijn verbintenis is geldig, zelfs indien wegens een andere oorzaak dan een vormgebrek de door hem gewaarborgde verbintenis nietig is.
  Door te betalen verkrijgt de avalgever de rechten welke krachtens de cheque kunnen worden uitgeoefend tegen degene voor wie het aval is gegeven en tegen degenen die tegenover deze laatste krachtens de cheque verbonden zijn.".
Art. 153. Dans la section 3, insérée par l'article 152, sont insérés les articles VII.216/125 à VII.216/127 rédigés comme suit :
  "Art. VII.216/125. Le paiement d'un chèque peut être garanti pour tout ou partie de son montant par un aval.
  Cette garantie est fournie par un tiers, sauf le tiré, ou même par un signataire du chèque.
  Art. VII.216/126. L'aval est donné sur le chèque ou sur une allonge.
  Il peut également être donné par acte séparé pourvu que la localité où il est intervenu y soit indiquée.
  Il est exprimé par les mots "bon pour aval" ou par toute autre formule équivalente; il est signé par le donneur d'aval.
  Il est considéré comme résultant de la seule signature du donneur d'aval, apposée au recto du chèque, sauf quand il s'agit de la signature du tireur.
  L'aval doit indiquer pour le compte de qui il est donné. A défaut de cette indication, il est réputé donné pour le tireur.
  Art. VII.216/127. Le donneur d'aval est tenu de la même manière que celui dont il s'est porté garant.
  Son engagement est valable, alors même que l'obligation qu'il a garantie serait nulle pour toute cause autre qu'un vice de forme.
  Quand il paie le chèque, le donneur d'aval acquiert les droits résultant du chèque contre le garanti et contre ceux qui sont tenus envers ce dernier en vertu du chèque.".
Art. 154. In hoofdstuk 5, ingevoegd bij artikel 147, wordt een afdeling 4 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 4. Aanbieding en betaling".
Art. 154. Dans le chapitre 5, inséré par l'article 147, il est inséré une section 4 intitulée :
  "Section 4. De la présentation et du paiement".
Art. 155. In afdeling 4, ingevoegd bij artikel 154, worden de artikelen VII.216/128 tot VII.216/138 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/128. De cheque is betaalbaar op zicht. Elke daarmee strijdige vermelding wordt voor niet geschreven gehouden.
  De cheque die ter betaling wordt aangeboden vóór de dag vermeld als datum van uitgifte, is betaalbaar op de dag van de aanbieding.
  Art. VII.216/129. De cheque die in België uitgegeven en betaalbaar is, moet binnen de termijn van acht dagen ter betaling worden aangeboden.
  De cheque die buiten België is uitgegeven en in het Rijk betaalbaar is, moet worden aangeboden binnen een termijn, hetzij van twintig dagen, hetzij van honderd twintig dagen, naargelang de plaats van uitgifte in Europa of buiten Europa gelegen is.
  Te dien aanzien worden de in een kustland van de Middellandse Zee uitgegeven cheques beschouwd als uitgegeven in Europa.
  De in het tweede lid gestelde termijnen zijn eveneens toepasselijk wanneer uit de bij de uitgifte op de cheque aangebrachte vermeldingen blijkt dat hij, hoewel in België uitgegeven en betaalbaar, nochtans voor de omloop in een ander land bestemd is; de termijnen lopen over twintig of honderd twintig dagen, naargelang de cheque in Europa of buiten Europa in omloop moet zijn.
  De bovengenoemde termijnen beginnen te lopen van de dag die op de cheque als datum van uitgifte is vermeld.
  Art. VII.216/130. De dag van uitgifte van een cheque, getrokken tussen twee plaatsen met verschillende tijdrekening, wordt herleid tot de overeenkomstige dag van de tijdrekening van de plaats van betaling.
  Art. VII.216/131. De aanbieding aan een door de regering aangewezen verrekeningskamer geldt als aanbieding ter betaling.
  Art. VII.216/132. De herroeping van de cheque heeft eerst gevolg na het einde van de aanbiedingstermijn.
  Indien geen herroeping plaatsheeft, kan de betrokkene zelfs na het einde van de termijn betalen.
  Art. VII.216/133. Noch de dood van de trekker, noch zijn na uitgifte opkomende onbekwaamheid zijn van invloed op de gevolgen van de cheque.
  Art. VII.216/134. De betrokkene die de cheque betaalt, kan vorderen dat deze hem wordt bezorgd, voorzien van de kwijting van de houder.
  De houder mag niet weigeren een gedeeltelijke betaling aan te nemen.
  In geval van gedeeltelijke betaling kan de betrokkene vorderen dat van die betaling op de cheque melding wordt gemaakt en dat hem daarvoor kwijting wordt gegeven.
  Art. VII.216/135. De betrokkene die een door endossement overdraagbare cheque betaalt, is gehouden de regelmatigheid van de reeks van endossementen, maar niet de handtekening der endossanten te onderzoeken.
  De betrokkene is door de betaling van de cheque wettig bevrijd, tenzij hem bedrog of grove schuld te wijten is.
  Art. VII.216/136. De eigenaar van een chequeboekje is aansprakelijk voor de orders gegeven op de chequeformulieren uit zijn boekje. Hij draagt namelijk alle gevolgen die voortvloeien uit het verlies, de diefstal of het verkeerd gebruik van die formulieren, tenzij hij bewijst, ofwel dat aan betrokkene bedrog of grove schuld te wijten is, ofwel dat de cheque verloren, gestolen of vervalst werd nadat de wettige geadresseerde hem ontvangen had. Indien deze laatste hetzelfde bewijs levert wordt de schade door de volgende geadresseerde gedragen, enz.
  Art. VII.216/137. Wanneer de betaling van een cheque is bedongen in andere valuta dan die van de plaats van betaling, kan het bedrag binnen de aanbiedingstermijn van de cheque worden betaald in de valuta van het land volgens haar waarde op de dag van betaling. Indien de betaling niet heeft plaatsgehad bij de aanbieding, kan de houder te zijner keuze vorderen dat het bedrag van de cheque voldaan wordt in de valuta van het land volgens de koers, hetzij van de dag van aanbieding, hetzij van de dag van betaling.
  De waarde van de vreemde valuta wordt bepaald volgens de gebruiken van de plaats van betaling. De trekker kan echter bedingen dat het te betalen bedrag moet worden berekend volgens een in de cheque bepaalde koers.
  Het bovenstaande is niet van toepassing, indien de trekker heeft bedongen dat de betaling moet geschieden in een bepaalde aangegeven valuta (clausule van werkelijke betaling in vreemde valuta).
  Indien het bedrag van de cheque is aangegeven in geld dat dezelfde benaming maar een verschillende waarde heeft in het land van uitgifte en in dat van betaling, wordt vermoed dat het geld van de plaats van betaling wordt bedoeld.
  Art. VII.216/138. Bij ontstentenis van enige vermelding van de munteenheid op een in België uitgegeven en betaalbare cheque, wordt verondersteld dat het bedrag uitgedrukt is in euro.".
Art. 155. Dans la section 4, insérée par l'article 154, sont insérés les articles VII.216/128 à VII.216/138 rédigés comme suit :
  "Art. VII.216/128. Le chèque est payable à vue. Toute mention contraire est réputée non écrite.
  Le chèque présenté au paiement avant le jour indiqué comme date d'émission est payable le jour de la présentation.
  Art. VII.216/129. Le chèque émis et payable en Belgique doit être présenté au paiement dans le délai de huit jours.
  Le chèque émis hors de Belgique et payable sur le territoire du royaume doit être présenté dans un délai, soit de vingt jours, soit de cent vingt jours, selon que le lieu d'émission se trouve situé en Europe ou hors d'Europe.
  A cet égard, les chèques émis dans un pays riverain de la mer Méditerranée sont considérés comme émis en Europe.
  Les délais prévus à l'alinéa 2 sont également applicables s'il ressort des mentions portées sur le chèque lors de son émission, que celui-ci, émis et payable en Belgique, est pourtant destiné à circuler dans un autre pays; les délais seront de vingt ou de cent vingt jours suivant que le chèque doit circuler en Europe ou hors d'Europe.
  Le point de départ des délais susindiqués est le jour porté sur le chèque comme date d'émission.
  Art. VII.216/130. Lorsqu'un chèque est tiré entre deux places ayant des calendriers différents, le jour de l'émission sera ramené au jour correspondant du calendrier du lieu du paiement.
  Art. VII.216/131. La présentation à une chambre de compensation désignée par le gouvernement équivaut à la présentation au paiement.
  Art. VII.216/132. La révocation du chèque n'a d'effet qu'après l'expiration du délai de présentation.
  S'il n'y a pas de révocation, le tiré peut payer même après l'expiration du délai.
  Art. VII.216/133. Ni le décès du tireur, ni son incapacité survenant après l'émission ne touchent aux effets du chèque.
  Art. VII.216/134. Le tiré peut exiger, en payant le chèque, qu'il lui soit remis acquitté par le porteur.
  Le porteur ne peut pas refuser un paiement partiel.
  En cas de paiement partiel, le tiré peut exiger que mention de ce paiement soit faite sur le chèque et qu'une quittance lui en soit donnée.
  Art. VII.216/135. Le tiré qui paie un chèque endossable est obligé de vérifier la régularité de la suite des endossements mais non la signature des endosseurs.
  Par le paiement du chèque le tiré est valablement libéré, à moins qu'il y ait de sa part fraude ou une faute lourde.
  Art. VII.216/136. Le propriétaire d'un carnet de chèques est responsable des ordres émis sur les formules de chèques extraites de ce carnet. Il supporte notamment toutes les conséquences résultant de la perte, du vol ou de l'emploi abusif de ces formules, à moins qu'il n'établisse, soit que le tiré a usé de fraude ou commis une faute lourde, soit que le chèque n'a été perdu, volé ou altéré qu'après sa réception par le destinataire légitime. Si ce dernier administre la même preuve, le préjudice est à la charge du destinataire subséquent et ainsi de suite.
  Art. VII.216/137. Lorsqu'un chèque est stipulé payable en une monnaie n'ayant pas cours au lieu du paiement, le montant peut en être payé, dans le délai de présentation du chèque, en la monnaie du pays d'après sa valeur au jour du paiement. Si le paiement n'a pas été effectué à la présentation, le porteur peut, à son choix, demander que le montant du chèque soit payé dans la monnaie du pays d'après le cours, soit du jour de la présentation, soit du jour du paiement.
  Les usages du lieu du paiement servent à déterminer la valeur de la monnaie étrangère. Toutefois, le tireur peut stipuler que la somme à payer sera calculée d'après un cours déterminé dans le chèque.
  Les règles ci-énoncées ne s'appliquent pas au cas où le tireur a stipulé que le paiement devra être fait dans une certaine monnaie indiquée (clause de paiement effectif en une monnaie étrangère).
  Si le montant du chèque est indiqué dans une monnaie ayant la même dénomination, mais une valeur différente, dans le pays d'émission et dans celui du paiement, il est présumé que l'intention porte sur la monnaie du lieu du paiement.
  Art. VII.216/138. A défaut de toute indication de l'unité monétaire, sur un chèque émis et payable en Belgique, le montant d'un chèque émis est supposé être libellé en euros.".
Art. 156. In hoofdstuk 5, van titel 6/1, ingevoegd bij artikel 147, wordt een afdeling 5 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 5. Gekruiste cheque en verrekeningscheque"
Art. 156. Dans le chapitre 5 du titre 6/1, inséré par l'article 147, il est inséré une section 5 intitulée :
  "Section 5. Du chèque barré et du chèque à porter en compte"
Art. 157. In afdeling 5, ingevoegd bij artikel 156, worden de artikelen VII.216/139 tot VII.216/141 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/139. De trekker of de houder van een cheque kan deze kruisen met in de in het volgende artikel genoemde gevolgen.
  De kruising geschiedt door het plaatsen van twee evenwijdige lijnen op de voorzijde van de cheque. Zij kan algemeen zijn of bijzonder.
  De kruising is algemeen, wanneer tussen de twee lijnen geen enkele aanwijzing voorkomt, ofwel de vermelding "bankier" ofwel een daarmee gelijkstaand woord; zij is bijzonder, indien de naam van een bankier voorkomt tussen de twee lijnen.
  De algemene kruising kan worden veranderd in een bijzondere, maar de bijzondere kruising kan niet worden veranderd in een algemene.
  De doorhaling van de kruising of van de naam van de aangewezen bankier wordt geacht niet te zijn geschied.
  Art. VII.216/140. Een cheque met algemene kruising kan door de betrokkene slechts worden betaald aan een bankier of aan een cliënt van de betrokkene.
  Een cheque met bijzondere kruising kan door de betrokkene slechts worden betaald aan de aangewezen bankier of, indien deze de betrokkene is, slechts aan een van zijn cliënten. De aangewezen bankier kan echter de cheque door een andere bankier laten innen.
  Een bankier mag een gekruiste cheque slechts verkrijgen van een van zijn cliënten of van een andere bankier. Hij mag hem niet innen voor rekening van andere personen dan deze.
  Een cheque die meer dan één bijzondere kruising draagt, mag door de betrokkene slechts worden betaald, indien er niet meer dan twee kruisingen zijn, waarvan de ene strekt tot inning door een verrekeningskamer.
  De betrokkene of de bankier die de bovenstaande bepalingen niet naleeft, is aansprakelijk voor de schade tot maximaal de waarde van het bedrag van de cheque.
  Art. VII.216/141. De trekker, alsmede de houder van een cheque, kan verbieden dat deze in baar geld betaald wordt door op de voorzijde in schuine richting te schrijven "in rekening te brengen", of een daarmee gelijkstaande uitdrukking.
  In dat geval mag de betrokkene de cheque slechts voldoen door middel van een boeking (creditering in rekening, overschrijving of schuldvergelijking). De boeking geldt als betaling.
  De doorhaling van de vermelding "in rekening te brengen" wordt geacht niet te zijn geschied.
  De betrokkene die de bovenstaande bepalingen niet naleeft, is verantwoordelijk voor de schade tot beloop van het bedrag van de cheque.".
Art. 157. Dans la section 5, insérée par l'article 156, sont insérés les articles VII.216/139 à VII.216/141 rédigés comme suit :
  "Art. VII.216/139. Le tireur ou le porteur d'un chèque peut le barrer avec les effets indiqués dans l'article suivant.
  Le barrement s'effectue au moyen de deux barres parallèles apposées au recto. Il peut être général ou spécial.
  Le barrement est général s'il ne porte entre les deux barres aucune désignation ou la mention "banquier" ou un terme équivalent; il est spécial si le nom d'un banquier est inscrit entre les deux barres.
  Le barrement général peut être transformé en barrement spécial, mais le barrement spécial ne peut être transformé en barrement général.
  Le biffage du barrement ou du nom du banquier désigné est réputé non avenu.
  Art. VII.216/140. Un chèque à barrement général ne peut être payé par le tiré qu'à un banquier ou à un client du tiré.
  Un chèque à barrement spécial ne peut être payé par le tiré qu'au banquier désigné ou, si celui-ci est le tiré, qu'à son client. Toutefois, le banquier désigné peut recourir pour l'encaissement à un autre banquier.
  Un banquier ne peut acquérir un chèque barré que d'un de ses clients ou d'un autre banquier. Il ne peut l'encaisser pour le compte d'autres personnes que celles-ci.
  Un chèque portant plusieurs barrements spéciaux ne peut être payé par le tiré que dans le cas où il s'agit de deux barrements dont l'un pour encaissement par une chambre de compensation.
  Le tiré ou le banquier qui n'observe pas les dispositions ci-dessus est responsable du préjudice jusqu'à concurrence du montant du chèque.
  Art. VII.216/141. Le tireur ainsi que le porteur d'un chèque peut défendre qu'on le paie en espèces, en insérant au recto la mention transversale "à porter en compte" ou une expression équivalente.
  Dans ce cas, le chèque ne peut donner lieu, de la part du tiré, qu'à un règlement par écritures (crédit en compte, virement ou compensation). Le règlement par écritures vaut paiement.
  Le biffage de la mention "à porter en compte" est réputé non avenu.
  Le tiré qui n'observe pas les dispositions ci-dessus est responsable du préjudice jusqu'à concurrence du montant du chèque.".
Art. 158. In hoofdstuk 5, ingevoegd bij artikel 147, wordt een afdeling 6 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 6. Recht van regres in geval van niet-betaling"
Art. 158. Dans le chapitre 5, inséré par l'article 147, il est inséré une section 6 intitulée :
  "Section 6. Du recours faute de paiement"
Art. 159. In afdeling 6, ingevoegd bij artikel 158, worden de artikelen VII.216/142 tot VII.216/153 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/142. De houder van een cheque heeft tegenover de schuldeisers van de trekker een bevoorrechte schuldvordering op het fonds dat de betrokkene schuldig was ten tijde van de aanbieding van de cheque, onverminderd de toepassing van artikel XX.111.
  Indien verscheidene cheques door eenzelfde trekker op eenzelfde bankier zijn getrokken, en het fonds dat deze laatste schuldig is, ontoereikend is om ze alle te kwijten, worden zij pondspondsgewijs betaald, behoudens in geval van certificering.
  Art. VII.216/143. De houder kan zijn recht van regres uitoefenen op de endossanten, de trekker en de andere chequeschuldenaars, indien de cheque, tijdig aangeboden, niet wordt betaald en indien de weigering van betaling wordt vastgesteld :
  1°. hetzij door een authentieke akte (protest);
  2°. hetzij door een verklaring van de betrokkene, gedagtekend en geschreven op de cheque onder vermelding van de dag van aanbieding;
  3°. hetzij door een gedagtekende en op de cheque geschreven verklaring van een verrekeningskamer, waarbij vastgesteld wordt dat de cheque tijdig aangeboden en niet betaald is.
  De houder kan zijn recht van regres nog uitoefenen op de trekker, wanneer de cheque te laat is aangeboden of de weigering van betaling te laat is vastgesteld, behalve indien het beschikbare fonds na het einde van de aanbiedingstermijn mocht zijn verdwenen ten gevolge van een feit waaraan de trekker vreemd is.
  Art. VII. 216/144. Het protest of de daarmee gelijkstaande verklaring moet worden gedaan vóór het einde van de aanbiedingstermijn.
  Indien de aanbieding plaats heeft op de laatste dag van de termijn, kan het protest of de daarmee gelijkstaande verklaring op de eerstvolgende werkdag worden gedaan.
  Art. VII.216/145. De houder van de niet-betaling geeft kennis aan zijn endossant en aan de trekker binnen vier werkdagen, volgende op de dag van het protest of de daarmee gelijkstaande verklaring en, indien de cheque getrokken is met de clausule "zonder kosten", binnen de vier werkdagen, volgende op die der aanbieding. Elke endossant deelt binnen twee werkdagen, volgende op de dag van ontvangst der kennisgeving, de door hem ontvangen kennisgeving aan zijn endossant mee, met aanwijzing van de namen en adressen van degenen die de voorafgaande kennisgevingen hebben gedaan, en zo vervolgens, teruggaande tot de trekker. Deze termijnen lopen vanaf de ontvangst der voorafgaande kennisgeving.
  Indien overeenkomstig het eerste lid een kennisgeving is gedaan aan iemand wiens handtekening op de cheque voorkomt, moet gelijke kennisgeving binnen dezelfde termijn aan diens avalgever worden gedaan.
  Indien een endossant zijn adres niet of op onleesbare wijze heeft aangeduid, kan worden volstaan met kennisgeving aan de voorafgaande endossant.
  Hij die een kennisgeving heeft te doen, kan zulks doen in iedere vorm, zelfs door enkele terugzending van de cheque.
  Hij moet bewijzen dat hij de kennisgeving binnen de voorgeschreven termijn heeft gedaan. Deze termijn wordt verondersteld te zijn in acht genomen, wanneer een brief die de kennisgeving behelst, binnen de genoemde termijn ter post is bezorgd.
  Wie de kennisgeving niet binnen de bovenvermelde termijn doet, treft geen verval van zijn recht; hij is, in voorkomend geval, verantwoordelijk voor de door zijn nalatigheid veroorzaakte schade, zonder dat de schadevergoeding het bedrag van de cheque kan te boven gaan.
  Art. VII.216/146. Onverminderd de toepassing van de formaliteiten, voorgeschreven voor de uitoefening van de rechten van regres, kan de houder van een wegens niet-betaling geprotesteerde cheque, met verlof van de beslagrechter, conservatoir beslag leggen op de roerende goederen van de trekkers en endossanten.
  Art. VII.216/147. De trekker, een endossant of een avalgever kan door de clausule "zonder kosten", "zonder protest", of een andere daarmee gelijkstaande op de cheque gestelde en ondertekende clausule, de houder voor de uitoefening van zijn recht van regres ontslaan van het opmaken van een protest of een daarmee gelijkstaande verklaring.
  Deze clausule ontslaat de houder niet van de aanbieding van de cheque binnen de voorgeschreven termijn, noch van het doen van de kennisgevingen. Het bewijs van de niet-inachtneming van de termijn moet worden geleverd door degene die zich daarop tegenover de houder beroept.
  Is de clausule door de trekker gesteld, dan heeft zij gevolgen ten aanzien van allen wier handtekening op de cheque voorkomt; is zij door een endossant of door een avalgever gesteld, dan heeft zij gevolgen alleen ten aanzien van deze endossant of avalgever.
  Indien de houder, ondanks de door de trekker gestelde clausule, toch het protest of de daarmee gelijkstaande verklaring doet opmaken, zijn de kosten daarvan voor zijn rekening. Indien de clausule van een endossant of een avalgever afkomstig is, kunnen de kosten van het protest of van de daarmee gelijkstaande verklaring, indien een akte van die aard is opgesteld, op allen wier handtekening op de cheque voorkomt, worden verhaald.
  Art. VII.216/148. Allen die uit hoofde van een cheque verbonden zijn, zijn hoofdelijk jegens de houder verbonden.
  De houder kan deze personen, zowel ieder afzonderlijk als gezamenlijk aanspreken, zonder verplicht te zijn de volgorde waarin zij zich hebben verbonden, in acht te nemen.
  Hetzelfde recht komt toe aan ieder wiens handtekening op de cheque voorkomt en die deze heeft betaald tot voldoening aan zijn regresplicht.
  De vordering, ingesteld tegen één der chequeschuldenaars, belet niet de anderen aan te spreken, al hadden dezen zich later verbonden dan de eerst aangesprokene.
  Art. VII.216/149. De houder kan van degene tegen wie hij zijn recht van regres uitoefent, vorderen :
  1° het niet betaalde bedrag van de cheque;
  2° een interest berekend tegen de wettelijke rentevoet op die som, te rekenen van de dag waarop hij deze betaald heeft;
  3° de kosten van protest of van de daarmee gelijkstaande verklaring, die van de gedane kennisgevingen, alsmede de andere kosten.
  Art. VII.216/150. Hij die de cheque heeft betaald tot voldoening aan zijn regresplicht, kan van degenen die tegenover hem verbonden zijn, vorderen :
  1° de gehele som die hij betaald heeft;
  2° een interest berekend tegen de wettelijke rentevoet op die som, te rekenen van de dag waarop hij deze betaald heeft;
  3° de door hem gemaakte kosten.
  Art. VII.216/151. Elke chequeschuldenaar tegen wie het recht van regres wordt of kan worden uitgeoefend, kan, tegen betaling tot voldoening aan zijn regresplicht, de afgifte vorderen van de cheque met het protest of de daarmee gelijkstaande verklaring, alsmede een voor voldaan getekende rekening.
  Elke endossant die de cheque heeft betaald tot voldoening van zijn regresplicht, kan zijn endossement en dat van de volgende endossanten doorhalen.
  Art. VII.216/152. Wanneer de aanbieding van de cheque, het opmaken van het protest of de daarmee gelijkstaande verklaring binnen de voorgeschreven termijnen wordt verhinderd door een onoverkomelijk beletsel (wettelijk voorschrift van enige Staat of ander geval van overmacht), worden deze termijnen verlengd.
  De houder is verplicht van de overmacht aan zijn endossant onverwijld kennis te geven, en deze kennisgeving, gedagtekend en door hem ondertekend, op de cheque of op een verlengstuk te vermelden; voor het overige zijn de bepalingen van artikel VII.216/145 toepasselijk.
  Na het ophouden van de overmacht moet de houder de cheque onverwijld ter betaling aanbieden, en, indien nodig, het protest of de daarmee gelijkstaande verklaring doen opmaken.
  Indien de overmacht meer dan vijftien dagen aanhoudt, te rekenen van de dag waarop de houder, al was het vóór het einde van de aanbiedingstermijn, van de overmacht aan zijn endossant heeft kennis gegeven, kan het recht van regres worden uitgeoefend, zonder dat de aanbieding, het opmaken van het protest of de daarmee gelijkstaande verklaring nodig zijn.
  Als gevallen van overmacht worden niet beschouwd feiten welke van zuiver persoonlijke aard zijn voor de houder of voor degene die hij met de aanbieding van de cheque, het opmaken van het protest of de daarmee gelijkstaande verklaring heeft belast.
  Art. VII.216/153. Bij verval van recht blijft een rechtsvordering bestaan tegen de trekker die geen fonds bezorgd heeft, of tegen een trekker of een endossant die zich onrechtmatig verrijkt heeft.".
Art. 159. Dans la section 6, insérée par l'article 158, sont insérés les articles VII.216/142 à VII.216/153 rédigés comme suit :
  "Art. VII.216/142. Le porteur d'un chèque a, vis-à-vis des créanciers du tireur, une créance privilégiée sur les fonds dont le tiré était débiteur lors de la présentation du chèque, sans préjudice de l'application de l'article XX.111.
  Si plusieurs chèques ont été émis par le même tireur sur le même banquier et que les fonds dont celui-ci est débiteur sont insuffisants pour les acquitter tous, ils sont payés au marc le franc, sauf en cas de certification.
  Art. VII.216/143. Le porteur peut exercer ses recours contre les endosseurs, le tireur et les autres obligés, si le chèque, présenté en temps utile, n'est pas payé et si le refus de paiement est constaté :
  1°. soit par un acte authentique (protêt);
  2°. soit par une déclaration du tiré, datée et écrite sur le chèque avec l'indication du jour de la présentation;
  3°. soit par une déclaration d'une chambre de compensation, datée et écrite sur le chèque, constatant que celui-ci a été remis en temps utile et qu'il n'a pas été payé.
  Le porteur peut encore exercer ses recours contre le tireur quand le chèque a été présenté tardivement ou que le refus de paiement a été constaté tardivement, sauf le cas où les fonds disponibles auraient disparu par un fait étranger au tireur après l'expiration du délai de présentation.
  Art. VII.216/144. Le protêt ou la constatation équivalente doit être fait avant l'expiration du délai de présentation.
  Si la présentation a lieu le dernier jour du délai, le protêt ou la constatation équivalente peut être établi le premier jour ouvrable suivant.
  Art. VII.216/145. Le porteur donne avis du défaut de paiement à son endosseur et au tireur dans les quatre jours ouvrables qui suivent le jour du protêt ou de la constatation équivalente, et, en cas de clause de retour sans frais, le jour de la présentation. Chaque endosseur, dans les deux jours ouvrables qui suivent le jour où il a reçu l'avis, fait connaître à son endosseur l'avis qu'il a reçu, en indiquant les noms et les adresses de ceux qui ont donné les avis précédents, et ainsi de suite, en remontant jusqu'au tireur. Les délais ci-dessus indiqués courent de la réception de l'avis précédent.
  Lorsqu'en conformité de l'alinéa 1er, un avis est donné à un signataire du chèque, le même avis doit être donné dans le même délai à son avaliseur.
  Dans le cas où un endosseur n'a pas indiqué son adresse, ou l'a indiquée d'une façon illisible, il suffit que l'avis soit donné à l'endosseur qui le précède.
  Celui qui a un avis à donner peut le faire sous une forme quelconque, même par un simple renvoi du chèque.
  Il doit prouver qu'il a donné l'avis dans le délai imparti. Ce délai sera considéré comme observé si une lettre missive donnant l'avis a été mise à la poste dans ledit délai.
  Celui qui ne donne pas l'avis dans le délai ci-dessus indiqué n'encourt pas de déchéance; il est responsable, s'il y a lieu, du préjudice causé par sa négligence, sans que les dommages-intérêts puissent dépasser le montant du chèque.
  Art. VII.216/146. Indépendamment des formalités prescrites pour l'exercice des droits de recours, le porteur d'un chèque protesté faute de paiement peut, en obtenant la permission du juge des saisies, saisir conservatoirement les effets mobiliers des tireurs et endosseurs.
  Art. VII.216/147. Le tireur, un endosseur ou un avaliseur peut, par la clause "retour sans frais", "sans protêt", ou toute autre clause équivalente, inscrite sur le titre et signée, dispenser le porteur, pour exercer ses recours, de faire établir un protêt ou une constatation équivalente.
  Cette clause ne dispense pas le porteur de la présentation du chèque dans le délai prescrit ni des avis à donner. La preuve de l'inobservation du délai incombe à celui qui s'en prévaut contre le porteur.
  Si la clause est inscrite par le tireur, elle produit ses effets à l'égard de tous les signataires; si elle est inscrite par un endosseur ou un avaliseur, elle produit ses effets seulement à l'égard de celui-ci.
  Si, malgré la clause inscrite par le tireur, le porteur fait établir le protêt ou la constatation équivalente, les frais en restent à sa charge. Quand la clause émane d'un endosseur ou d'un avaliseur, les frais du protêt ou de la constatation équivalente, s'il est dressé un acte de cette nature, peuvent être recouvrés contre tous les signataires.
  Art. VII.216/148. Toutes les personnes obligées en vertu d'un chèque sont tenues solidairement envers le porteur.
  Le porteur a le droit d'agir contre toutes ces personnes, individuellement ou collectivement, sans être astreint à observer l'ordre dans lequel elles se sont obligées.
  Le même droit appartient à tout signataire d'un chèque qui a remboursé celui-ci.
  L'action intentée contre un des obligés n'empêche pas d'agir contre les autres, même postérieurs à celui qui a été d'abord poursuivi.
  Art. VII.216/149. Le porteur peut réclamer à celui contre lequel il exerce son recours :
  1° le montant du chèque non payé;
  2° un intérêt calculé au taux d'intérêt légal sur cette somme, à compter du jour où le paiement a été effectué;
  3° les frais du protêt ou de la constatation équivalente, ceux des avis donnés, ainsi que les autres frais.
  Art. VII.216/150. Celui qui a remboursé le chèque peut réclamer à ses garants :
  1° la somme intégrale qu'il a payée;
  2° un intérêt calculé au taux d'intérêt légal sur cette somme, à compter du jour où le paiement a été effectué;
  3° les frais qu'il a faits.
  Art. VII.216/151. Tout obligé contre lequel un recours est exercé ou qui est exposé à un recours peut exiger, contre remboursement, la remise du chèque avec le protêt ou la constatation équivalente et un compte acquitté.
  Tout endosseur qui a remboursé le chèque peut biffer son endossement et ceux des endosseurs subséquents.
  Art. VII.216/152. Quand la présentation du chèque, la confection du protêt ou la constatation équivalente dans les délais prescrits est empêchée par un obstacle insurmontable (prescription légale d'un Etat quelconque ou autre cas de force majeure), ces délais sont prolongés.
  Le porteur est tenu de donner, sans retard, avis du cas de force majeure à son endosseur et de mentionner cet avis, daté et signé de lui, sur le chèque ou sur une allonge; pour le surplus, les dispositions de l'article VII.216/145 sont applicables.
  Après la cessation de la force majeure, le porteur doit, sans retard, présenter le chèque au paiement et, s'il y a lieu, faire établir le protêt ou une constatation équivalente.
  Si la force majeure persiste au-delà de quinze jours à partir de la date à laquelle le porteur a, même avant l'expiration du délai de présentation, donné avis de la force majeure à son endosseur, les recours peuvent être exercés, sans que ni la présentation ni le protêt ou une constatation équivalente soit nécessaire.
  Ne sont pas considérés comme constituant des cas de force majeure les faits purement personnels au porteur ou à celui qu'il a chargé de la présentation du chèque ou de l'établissement du protêt ou d'une constatation équivalente.
  Art. VII.216/153. Dans le cas de déchéance, il subsiste une action contre le tireur qui n'a pas fait provision ou contre un tireur ou un endosseur qui s'est enrichi injustement.".
Art. 160. In hoofdstuk 5, van titel 6/1, ingevoegd bij artikel 147, wordt een afdeling 7 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 7. Cheque in verscheidene exemplaren".
Art. 160. Dans le chapitre 5, inséré par l'article 147, il est inséré une section 7 intitulée :
  "Section 7. De la pluralité d'exemplaires".
Art. 161. In afdeling 7, ingevoegd bij artikel 160, worden de artikelen VII.216/154 tot VII.216/155 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/154. Behoudens de cheques aan toonder kan elke cheque, uitgegeven in een land en betaalbaar in een ander land of in een overzees deel van hetzelfde land en omgekeerd, ofwel uitgegeven en betaalbaar in een zelfde overzees deel of in verschillende overzeese delen van hetzelfde land, in verscheidene gelijkluidende exemplaren worden getrokken. Wanneer een cheque in verscheidene exemplaren is getrokken, moeten die exemplaren in de tekst zelf van de titel worden genummerd, bij gebreke waarvan elk exemplaar wordt beschouwd als een afzonderlijke cheque.
  Art. VII.216/155. De betaling, op één der exemplaren gedaan, is bevrijdend, ook al is niet bedongen dat die betaling de kracht der andere exemplaren teniet doet.
  De endossant die de exemplaren aan verschillende personen heeft overgedragen, alsook de latere endossanten, zijn verbonden door alle exemplaren die hun handtekening dragen en die niet zijn terugbezorgd.".
Art. 161. Dans la section 7, insérée par l'article 160, sont insérés les articles VII.216/154 à VII.216/155 rédigés comme suit :
  "Art. VII.216/154. Sauf les chèques au porteur, tout chèque émis dans un pays et payable dans un autre pays ou dans une partie d'outre-mer du même pays et vice versa, ou bien émis et payable dans la même partie ou dans diverses parties d'outre-mer du même pays, peut être tiré en plusieurs exemplaires identiques. Lorsqu'un chèque est établi en plusieurs exemplaires, ces exemplaires doivent être numérotés dans le texte même du titre, faute de quoi chacun d'eux est considéré comme un chèque distinct.
  Art. VII.216/155. Le paiement fait sur un des exemplaires est libératoire, alors même qu'il n'est pas stipulé que ce paiement annule l'effet des autres exemplaires.
  L'endosseur qui a transmis les exemplaires à différentes personnes, ainsi que les endosseurs subséquents, sont tenus à raison de tous les exemplaires portant leur signature qui n'ont pas été restitués.".
Art. 162. In hoofdstuk 5, ingevoegd bij artikel 147, wordt een afdeling 8 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 8. Tekstveranderingen".
Art. 162. Dans le chapitre 5, inséré par l'article 147, il est inséré une section 8 intitulée :
  "Section 8. Des altérations".
Art. 163. In afdeling 8, ingevoegd bij artikel 162, wordt een artikel VII.216/156 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/156. In geval van verandering van de tekst van een cheque zijn zij die daarna hun handtekening op de cheque hebben geplaatst, volgens de veranderde tekst verbonden; zij die daarvoor hun handtekening op de cheque hebben geplaatst, zijn verbonden volgens de oorspronkelijke tekst.".
Art. 163. Dans la section 8, insérée par l'article 162, il est inséré un article VII.216/156 rédigé comme suit :
  "Art. VII.216/156. En cas d'altération du texte d'un chèque, les signataires postérieurs à cette altération sont tenus dans les termes du texte altéré; les signataires antérieurs le sont dans les termes du texte originaire.".
Art. 164. In hoofdstuk 5, ingevoegd bij artikel 147, wordt een afdeling 9 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 9. Verjaring".
Art. 164. Dans le chapitre 5, inséré par l'article 147, il est inséré une section 9 intitulée :
  "Section 9. De la prescription".
Art. 165. In afdeling 9, ingevoegd bij artikel 164, worden de artikelen VII.216/157 tot VII.216/159 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/157. De regresvorderingen van de houder tegen de endossanten, de trekker en de andere chequeschuldenaars, verjaren door verloop van zes maanden, te rekenen van het einde van de aanbiedingstermijn.
  De regresvorderingen van de verschillende tot betaling van een cheque verbonden schuldenaars tegen elkander verjaren door verloop van zes maanden, te rekenen van de dag waarop de chequeschuldenaar de cheque heeft betaald tot voldoening aan zijn regresplicht, of van de dag waarop hijzelf in rechte is aangesproken.
  Art. VII.216/158. In geval van verjaring blijft een rechtsvordering bestaan tegen de trekker die geen fonds bezorgd heeft, en tegen een trekker of een endossant die zich onrechtmatig mocht hebben verrijkt.
  Art. VII.216/159. De verjaring van de vorderingen die voortvloeien uit een cheque, wordt gestuit door rechtsvervolging; zij wordt geschorst door feiten van overmacht.
  De stuiting der verjaring heeft slechts gevolgen tegen degene ten aanzien van wie de daad van stuiting heeft plaatsgehad.".
Art. 165. Dans la section 9, insérée par l'article 164, sont insérés les articles VII.216/157 à VII.216/159 rédigés comme suit :
  "Art. VII.216/157. Les actions récursoires du porteur contre les endosseurs, le tireur et les autres obligés se prescrivent par six mois à partir de l'expiration du délai de présentation.
  Les actions récursoires des divers obligés au paiement d'un chèque les uns contre les autres se prescrivent par six mois à partir du jour où l'obligé a remboursé le chèque ou du jour où il a été lui-même actionné.
  Art. VII.216/158. En cas de prescription, il subsiste une action contre le tireur qui n'a pas fait provision et contre un tireur ou un endosseur qui se serait enrichi injustement.
  Art. VII.216/159. La prescription des actions résultant d'un chèque est interrompue par les poursuites judiciaires; elle est suspendue par les événements de force majeure.
  L'interruption de la prescription n'a d'effet que contre celui à l'égard duquel l'acte interruptif a été fait.".
Art. 166. In hoofdstuk 5, ingevoegd bij artikel 147, wordt een afdeling 10 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 10. Algemene bepalingen"
Art. 166. Dans le chapitre 5, inséré par l'article 147, il est inséré une section 10 intitulée :
  "Section 10. Dispositions générales"
Art. 167. In afdeling 10, ingevoegd bij artikel 166, worden de artikelen VII.216/160 tot VII.216/163 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/160. De aanbieding en het protest van een cheque kunnen niet plaatshebben dan op een werkdag.
  Wanneer de laatste dag van de termijn, door de wet gesteld voor het verrichten van handelingen betreffende de cheque, inzonderheid voor de aanbieding en voor het opmaken van het protest of een daarmee gelijkstaande akte, een zaterdag, zondag of wettelijke feestdag is, verstrijkt die termijn op de eerstvolgende werkdag. De tussenliggende zaterdagen, zondagen en feestdagen zijn begrepen in de berekening van de termijn.
  Art. VII.216/161. In de termijnen, door dit hoofdstuk bepaald, wordt de dag waarop zij aanvangen, niet medegerekend.
  Art. VII.216/162. Geen enkele dag uitstel wordt door de wet of door de rechter toegestaan.
  Art. VII.216/163. Accreditieven, girobons of giromandaten en bankbiljetten aan order zijn onderworpen aan de bepalingen van deze wet, in zover deze bepalingen verenigbaar zijn met de eigen aard van elk van de genoemde waardepapieren. Hun benaming zal worden opgenomen in de tekst zelf en uitgedrukt in de taal waarin zij zijn gesteld.".
Art. 167. Dans la section 10, insérée par l'article 166, sont insérés les articles VII.216/160 à VII.216/163 rédigés comme suit :
  "Art.VII.216/160. La présentation et le protêt d'un chèque ne peuvent être faits qu'un jour ouvrable.
  Lorsque le dernier jour du délai accordé par la loi pour l'accomplissement des actes relatifs au chèque, et notamment pour la présentation ou pour l'établissement du protêt ou d'un acte équivalent, est un samedi, dimanche ou un jour férié légal, ce délai expire le jour ouvrable suivant. Les samedis, dimanches et jours fériés intermédiaires sont compris dans la computation du délai.
  Art. VII.216/161. Les délais prévus par le présent chapitre ne comprennent pas le jour qui leur sert de point de départ.
  Art. VII.216/162. Aucun jour de grâce, ni légal ni judiciaire, n'est admis.
  Art. VII.216/163. Les accréditifs, les bons ou mandats de virement et les billets de banque à ordre sont régis par les dispositions de la présente loi, dans la mesure où celles-ci sont compatibles avec la nature propre de chacun de ces titres. La dénomination de ceux-ci sera insérée dans le corps même du texte et exprimée dans la langue employée pour leur rédaction.".
Art. 168. In hoofdstuk 5, ingevoegd bij artikel 147, wordt een afdeling 11 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 11. Vermiste cheques".
Art. 168. Dans le chapitre 5, inséré par l'article 147, il est inséré une section 11 intitulée :
  "Section 11. Des chèques adirés".
Art. 169. In afdeling 11, ingevoegd bij artikel 168, worden de artikelen VII.216/164 tot VII.216/166 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/164. Hij die onvrijwillig en toevallig buiten bezit van een cheque gesteld is en geen ander exemplaar kan vertonen, kan de betaling van de vermiste cheque vragen en ze verkrijgen krachtens een beschikking van de voorzitter van de ondernemingsrechtbank, mits hij van zijn eigendom doet blijken en tegen borgstelling.
  Art. VII.216/165. Wordt de betaling geweigerd, dan bewaart de eigenaar van de vermiste cheque al zijn rechten door een protestakte.
  Deze akte moet opgemaakt worden uiterlijk de tweede dag na het einde van de aanbiedingstermijn. Zij moet aan de trekker en de endossanten bij deurwaardersexploot worden betekend binnen acht dagen te rekenen van haar dagtekening.
  Om geldig te zijn moet zij niet noodzakelijk van een rechterlijke beslissing of van een borgstelling zijn voorafgegaan.
  Art. VII.216/166. De in artikel VII.216/165 vermelde verbintenis van de borg eindigt na zes maanden, indien er gedurende die tijd noch rechtsvordering noch rechtsvervolging is geweest.".
Art. 169. Dans la section 11, insérée par l'article 168, sont insérés les articles VII.216/164 à VII.216/166 rédigés comme suit :
  "Art. VII.216/164. Si celui qui a été involontairement et accidentellement dépossédé d'un chèque ne peut représenter un autre exemplaire, il peut demander le paiement du chèque adiré et l'obtenir en vertu de l'ordonnance du président du tribunal de l'entreprise en justifiant de sa propriété et en donnant caution.
  Art. VII.216/165. En cas de refus de paiement, le propriétaire du chèque adiré conserve tous ses droits par un acte de protestation.
  Cet acte doit être fait au plus tard le surlendemain de l'expiration du délai de présentation. Il doit être notifié aux tireur et endosseurs par exploit d'huissier et dans les huit jours de sa date.
  Pour être valable, il ne doit pas nécessairement être précédé d'une décision judiciaire ou d'une dation de caution.
  Art.VII.216/166. L'engagement de la caution, mentionné dans l'article VII.216/165, est éteint après six mois si, pendant ce temps, il n'y a eu ni actions en justice ni poursuites judiciaires.".
Art. 170. In hoofdstuk 5, ingevoegd bij artikel 147, wordt een afdeling 12 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 12. Wetsconflicten".
Art. 170. Dans le chapitre 5, inséré par l'article 147, il est inséré une section 12 intitulée :
  "Section 12. Conflits de lois".
Art. 171. In afdeling 12, ingevoegd bij artikel 170, worden de artikelen VII.216/167 tot VII.216/169 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/167. Verbintenissen die een Belg in het buitenland bij cheque heeft aangegaan, worden in België slechts dan als geldig erkend, indien hij volgens de Belgische wet de vereiste bekwaamheid bezat om die verbintenissen aan te gaan.
  Art. VII.216/168. Verbintenissen die een Belg in het buitenland bij cheque heeft aangegaan in de vorm door de Belgische wet voorgeschreven, zijn in België geldig ten opzichte van andere Belgen.
  Art. VII.216/169. De bepalingen van dit boek, waarbij het protest van niet-betaling wordt geregeld, zijn van toepassing op de cheque, in zover zij verenigbaar zijn met de bepalingen van deze afdeling.".
Art. 171. Dans la section 12, insérée par l'article 170, sont insérés les articles VII.216/167 à VII.216/169 rédigés comme suit :
  "Art. VII.216/167. La validité des engagements souscrits par chèque par un Belge à l'étranger n'est reconnue en Belgique que si, d'après la loi belge, il possédait la capacité requise pour les prendre.
  Art. VII.216/168. Les engagements souscrits par chèque par un Belge à l'étranger, dans les formes de la loi belge, sont valables en Belgique à l'égard d'autres Belges.
  Art. VII.216/169. Les dispositions du présent livre qui régissent le protêt faute de paiement sont applicables au chèque, dans la mesure où elles sont compatibles avec celles de la présente section.".
Afdeling 5. - Wijzigingen van boek X
Section 5. - Modifications du livre X
Art. 172. Het opschrift van boek X van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : "boek X. Handelsagentuurovereenkomsten, commerciële samenwerkingsovereenkomsten, verkoopconcessies en vervoersovereenkomsten".
Art. 172. L'intitulé du livre X du même Code est remplacé par ce qui suit : "livre X. Contrats d'agence commerciale, contrats de coopération commerciale, concessions de vente et contrats de transport".
Art. 173. In boek X van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij wet van 2 april 2014, wordt een titel 4 ingevoegd luidende :
  "Titel 4. Vervoersovereenkomst".
Art. 173. Dans le livre X du même Code, inséré par la loi du 2 avril 2014, il est inséré un titre 4 intitulé :
  "Titre 4. Contrat de transport".
Art. 174. In titel 4, ingevoegd bij artikel 173, wordt een artikel X.41 luidend als volgt ingevoegd :
  "Art. X.41. De vervoerovereenkomst wordt bewezen door alle middelen rechtens, inzonderheid door de vrachtbrief.
  Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 29, § 1, van de wet van 15 juli 2013 betreffende het goederenvervoer over de weg en houdende uitvoering van verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van richtlijn 96/26/EG van de Raad en houdende uitvoering van verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg en artikelen 5 en 6 het verdrag van 19 mei 1956 betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg opgemaakt te Genève en goedgekeurd bij van de wet van 4 september 1962 bevat de vrachtbrief ten minste volgende gegevens :
  1° de plaats en de dag van de verzending;
  2° de naam en de woonplaats van de afzender;
  3° de naam en de woonplaats van de geadresseerde;
  4° de naam en de woonplaats van de vervoerder of van de commissionair door wiens bemiddeling het vervoer geschiedt;
  5° de aard, het gewicht of de maat van de te vervoeren goederen, het getal en de bijzondere merken van de colli's;
  6° de tijd waarbinnen het vervoer moet geschieden en de prijs van het vervoer of de reglementaire voorwaarden waarnaar partijen verwijzen.
  De vrachtbrief wordt getekend door de afzender of door de commissionair.".
Art. 174. Dans le titre 4, inséré par l'article 173, il est inséré un article X.41, rédigé comme suit :
  "Art. X.41. Le contrat de transport se constate par tous moyens de droit et notamment par la lettre de voiture.
  Sous réserve des dispositions de l'article 29, § 1er, de la loi du 15 juillet 2013 relative au transport de marchandises par route et portant exécution du règlement (CE) n° 1071/2009 du Parlement européen et du Conseil du 21 octobre 2009 établissant des règles communes sur les conditions à respecter pour exercer la profession de transporteur par route, et abrogeant la directive 96/26/CE du Conseil et portant exécution du règlement (CE) n° 1072/2009 du Parlement européen et du Conseil du 21 octobre 2009 établissant des règles communes pour l'accès au marché du transport international de marchandises par route et des articles 5 et 6 de la loi de la Convention du 19 mai 1956 relative au contrat de transport international de marchandises par route conclue à Genève et approuvée par la loi du 4 septembre 1962, la lettre de voiture contient au moins les données suivantes :
  1° le lieu et la date de l'expédition;
  2° le nom et le domicile de l'expéditeur;
  3° le nom et le domicile du destinataire;
  4° le nom et le domicile du voiturier ou du commissionnaire par l'entremise duquel le transport s'opère;
  5° la nature, le poids ou la contenance des objets à transporter, le nombre et la marque particulière des colis;
  6° le délai et le prix du transport ou les conditions réglementaires auxquelles se réfèrent les parties.
  La lettre de voiture est signée par l'expéditeur ou par le commissionnaire.".
Art. 175. In dezelfde titel 4 wordt een artikel X.42 luidend als volgt ingevoegd :
  "Art. X.42. De commissionair of de vervoerder is gehouden de aard, de hoeveelheid en desgevorderd de waarde van de te vervoeren goederen in zijn dagboek aan te tekenen overeenkomstig de verklaringen van de afzender.".
Art. 175. Dans le même titre 4, il est inséré un article X.42, rédigé comme suit :
  "Art. X.42. Le commissionnaire ou le voiturier est tenu d'inscrire sur son livre-journal, d'après les déclarations de l'expéditeur, la nature, la quantité et, s'il en est requis, la valeur des objets à transporter.".
Art. 176. In dezelfde titel 4 wordt een artikel X.43 luidend als volgt ingevoegd :
  "Art. X.43. Hij staat in voor de aankomst van de goederen en van de personen binnen de overeengekomen tijd, behoudens toeval of overmacht.".
Art. 176. Dans le même titre 4, il est inséré un article X.43, rédigé comme suit :
  "Art. X.43. Il répond de l'arrivée, dans le délai convenu, des personnes ou des choses à transporter, sauf les cas fortuits ou de force majeure.".
Art. 177. In dezelfde titel 4 wordt een artikel X.44 luidend als volgt ingevoegd :
  "Art. X.44. Hij is aansprakelijk voor de beschadiging of het verlies van de zaken alsmede voor de ongevallen waardoor de reizigers worden getroffen, indien hij niet bewijst dat de beschadiging, het verlies of het ongeval het gevolg is van een vreemde oorzaak die hem niet kan worden toegeschreven.".
Art. 177. Dans le même titre 4, il est inséré un article X.44, rédigé comme suit :
  "Art. X.44. Il est responsable de l'avarie ou de la perte des choses, ainsi que des accidents survenus aux voyageurs, s'il ne prouve pas que l'avarie, la perte ou les accidents proviennent d'une cause étrangère qui ne peut lui être imputée.".
Art. 178. In dezelfde titel 4 wordt een artikel X.45 luidend als volgt ingevoegd :
  "Art. X.45. Hij staat borg voor de daden van de commissionair of van de tussenvervoerder aan wie hij de te vervoeren goederen toezendt.".
Art. 178. Dans le même titre 4, il est inséré un article X.45, rédigé comme suit :
  "Art. X.45. Il est garant des faits du commissionnaire ou du voiturier intermédiaire auquel il adresse les objets à transporter.".
Art. 179. In dezelfde titel 4 wordt een artikel X.46 luidend als volgt ingevoegd :
  "Art. X.46. Zolang de goederen niet ter bestemming zijn afgeleverd en voor zover in de vrachtbrief niet anders is bedongen, is de vervoerder gehouden de aanwijzingen van de afzender te volgen en is alleen deze gerechtigd om over de goederen te beschikken.
  Het recht van de afzender houdt op te bestaan zodra de goederen aan de besteldienst zijn afgegeven of zodra aan de geadresseerde een bericht van aankomst is gezonden.".
Art. 179. Dans le même titre 4, il est inséré un article X.46, rédigé comme suit :
  "Art. X.46. Jusqu'à la remise des objets à destination et sauf stipulation contraire dans la lettre de voiture, le voiturier est tenu de suivre les instructions de l'expéditeur, qui seul reste maître de disposer de l'expédition.
  Le droit de l'expéditeur cesse à partir de la remise de la marchandise au camionnage ou de l'envoi au destinataire de l'avis d'arrivée.".
Art. 180. In dezelfde titel 4 wordt een artikel X.47 luidend als volgt ingevoegd :
  "Art. X.47. De inontvangstneming van de vervoerde goederen doet elke vordering tegen de vervoerder en de commissionair vervallen behalve wanneer een bijzonder voorbehoud is gemaakt of in geval van niet uiterlijk zichtbare beschadiging.
  Het bijzonder voorbehoud of het bezwaar moet op schrift worden gesteld en aan de vervoerder gezonden uiterlijk de tweede dag na de inontvangstneming in geval van uiterlijk zichtbare beschadiging en van verlies, en binnen een termijn van zeven dagen, de dag van inontvangstneming niet inbegrepen, in geval van vertraging.
  Wanneer de vervoerder bij de aflevering heeft gewezen op beschadiging of gedeeltelijk verlies, dient de geadresseerde dadelijk bezichtiging van de vervoerde goederen toe te staan.
  In geval van niet uiterlijk zichtbare beschadiging of van manco binnen de vervoerde goederen, kan het bezwaar van de geadresseerde alsnog worden aangenomen, indien het schriftelijk aan de vervoerder is gericht binnen een termijn van zeven dagen, de dag van inontvangstneming niet inbegrepen, en indien vaststaat dat de beschadiging of het manco er reeds van voor de aflevering was.
  De uitzondering bepaald voor het geval van niet uiterlijk zichtbare beschadiging of manco binnen in de vervoerde goederen, geldt niet wanneer het voorstel om de koopwaar te bezichtigen aan de geadresseerde of aan zijn gemachtigde gedaan is op het ogenblik van de aflevering.
  De vordering blijft slechts bestaan betreffende de punten waarover een bijzonder voorbehoud of bezwaar is gemaakt.".
Art. 180. Dans le même titre 4, il est inséré un article X.47, rédigé comme suit :
  "Art. X.47. La réception des objets transportés éteint toute action contre le voiturier et le commissionnaire, sauf le cas de réserves spéciales ou d'avaries occultes.
  Les réserves ou réclamations doivent être formulées par écrit et adressées au voiturier le surlendemain, au plus tard, de la réception, pour les dommages apparents et les pertes, et dans un délai ne dépassant pas sept jours, non compris celui de la réception, pour les retards.
  Toutefois, le destinataire sera tenu d'admettre immédiatement la vérification des objets transportés, si l'avarie ou la perte partielle est signalée par le voiturier au moment de la livraison.
  Dans le cas d'avarie occulte ou de manquant à l'intérieur des objets transportés, la réclamation du destinataire pourra encore être admise, si elle est formulée par écrit et adressée au voiturier dans un délai ne dépassant pas sept jours, non compris celui de la réception, et s'il est prouvé que l'avarie ou le manquant est antérieur à la livraison.
  L'exception prévue dans le cas d'avarie occulte ou de manquant à l'intérieur des objets transportés, n'est pas applicable si la vérification de la marchandise a été offerte, au moment de la livraison, au destinataire ou à son fondé de pouvoir.
  L'action ne reste ouverte que relativement aux points qui ont fait l'objet d'une réserve ou d'une réclamation spéciale.".
Art. 181. In dezelfde titel 4 wordt een artikel X.48 luidend als volgt ingevoegd :
  "Art. X.48. Wanneer de vervoerde goederen worden geweigerd of aangaande de inontvangstneming daarvan geschil is ontstaan, wordt de staat van de goederen, indien een belanghebbende het vordert, onderzocht door een of drie deskundigen, die worden benoemd bij een beschikking van de voorzitter van de ondernemingsrechtbank, onderaan op een verzoekschrift gesteld.
  De geadresseerde van de vervoerde goederen wordt opgeroepen bij een aangetekende zending, waarin dag en uur van het deskundigenonderzoek worden aangegeven.
  De beschikking kan bevelen dat de goederen in bewaring zullen worden gegeven of onder sekwester gesteld, alsook dat zij naar een openbare of particuliere opslagplaats zullen worden gebracht.
  De beschikking kan de verkoop gelasten ten bate van de vervoerder of de commissionair ten belope van hetgeen hem naar aanleiding van het vervoer verschuldigd is. Deze verkoop geschiedt openbaar in de door de voorzitter aangewezen plaats, en ten minste drie vrije dagen nadat daarvan bericht is gegeven aan de geadresseerde en de afzender.
  Deze termijn wordt verdubbeld wanneer een van de belanghebbenden in het buitenland verblijft.
  In spoedeisende gevallen kan de voorzitter die termijnen verkorten.
  De beschikking is niet vatbaar voor verzet of hoger beroep. Zij is uitvoerbaar op de minuut en voor de registratie.".
Art. 181. Dans le même titre 4, il est inséré un article X.48, rédigé comme suit :
  "Art. X.48. En cas de refus des objets transportés ou de contestation pour leur réception, leur état est vérifié, si un intéressé le demande, par un ou trois experts nommés par une ordonnance du président du tribunal de l'entreprise, rendue au pied d'une requête.
  Le destinataire des objets transportés sera convoqué par envoi recommandé, indiquant le jour et l'heure de l'expertise.
  L'ordonnance peut prescrire le dépôt ou séquestre des objets, ainsi que leur transport dans un local public ou privé.
  Elle peut en ordonner la vente en faveur du voiturier ou du commissionnaire, jusqu'à concurrence de ce qui lui est dû à l'occasion du transport. Cette vente a lieu publiquement dans la localité désignée par le président, et trois jours ouvrables au moins après l'avis qui en est transmis au destinataire et à l'expéditeur.
  Ce délai est porté au double lorsque l'un des intéressés réside à l'étranger.
  En cas d'urgence, le président peut abréger ces délais.
  L'ordonnance n'est susceptible ni d'opposition, ni d'appel. Elle sera exécutoire sur minute et avant enregistrement.".
Art. 182. In dezelfde titel 4 wordt een artikel X.49 luidend als volgt ingevoegd :
  "Art. X.49. Alle rechtsvorderingen, ontstaan uit de overeenkomst van goederenvervoer, met uitzondering van het ziekenvervoer en van die welke volgen uit een strafbaar feit, verjaren door verloop van zes maanden ten aanzien van binnenlands vervoer en door verloop van een jaar ten aanzien van internationaal vervoer.
  De verjaring loopt, in geval van totaal verlies of van vertraging, van de dag waarop het vervoer had moeten plaatshebben, en in geval van gedeeltelijk verlies of van beschadiging, van de dag der afgifte van de goederen. In geval van onregelmatige toepassing van het tarief of van fouten in de berekening van de vervoerkosten en bijkomende kosten, loopt de verjaring van de dag der betaling.
  De rechtsvorderingen ontstaan uit de overeenkomst van personenvervoer, met uitzondering van die welke volgen uit een strafbaar feit, verjaren door verloop van één jaar.
  De verjaring loopt van de dag waarop het feit dat tot de rechtsvordering aanleiding geeft, zich heeft voorgedaan.
  Regresvorderingen moeten, op straffe van verval, worden ingesteld binnen de termijn van een maand, te rekenen van de dagvaarding die tot het regres aanleiding geeft.".
Art. 182. Dans le même titre 4, il est inséré un article X.49, rédigé comme suit :
  "Art. X.49. Toutes actions dérivant du contrat de transport des choses, à l'exception du transport des malades et de celles qui résultent d'un fait qualifié par la loi pénale, sont prescrites après six mois en matière de transports intérieurs, et après un an en matière de transports internationaux.
  La prescription court, en cas de perte totale ou de retard, du jour où le transport aurait dû être effectué, et, pour le cas de perte partielle ou d'avarie, du jour de la remise des marchandises. En cas d'application irrégulière du tarif ou d'erreurs de calcul dans la fixation des frais de transport et des frais accessoires, la prescription court à partir du jour du paiement.
  Les actions nées du contrat de transport des personnes, à l'exception de celles qui résultent d'un fait qualifié par la loi pénale, sont prescrites par un an.
  La prescription court à partir du jour où s'est produit le fait qui donne lieu à l'action en justice.
  Les actions récursoires devront, à peine de déchéance, être introduites dans le délai d'un mois à dater de l'assignation qui donne lieu au recours.".
Art. 183. In dezelfde titel 4 wordt een artikel X.50 luidend als volgt ingevoegd :
  "Art. X.50. De voorafgaande bepalingen van deze titel zijn, behoudens afwijking, van toepassing op de spoorwegondernemingen.".
Art. 183. Dans le même titre 4, il est inséré un article X.50, rédigé comme suit :
  "Art. X.50. Sauf dérogation, les dispositions du présent titre qui précèdent sont applicables aux exploitations de chemins de fer.".
Art. 184. In dezelfde titel 4 wordt een artikel X.51 luidend als volgt ingevoegd :
  "Art. X.51. De Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen moet in binnenlandse dienst alle vervoer van personen verrichten dat kan geschieden met de normale vervoermiddelen waarmede aan de regelmatige behoeften van het verkeer kan worden voldaan, onder de voorwaarden bepaald in het beheerscontract.".
Art. 184. Dans le même titre 4, il est inséré un article X.51, rédigé comme suit :
  "Art. X.51. La Société nationale des chemins de fer belges est tenue d'effectuer tout transport de personnes en service intérieur compatible avec les moyens de transports normaux permettant de satisfaire aux besoins réguliers du trafic, dans les conditions prévues au contrat de gestion.".
Art. 185. In dezelfde titel 4 wordt een artikel X.52 luidend als volgt ingevoegd :
  "Art. X.52. De tarieven, die van toepassing zijn op het personenvervoer in binnenlandse dienst, worden door berichten in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.".
Art. 185. Dans le même titre 4, il est inséré un article X.52, rédigé comme suit :
  "Art. X.52. Les tarifs applicables aux transports de personnes en service intérieur sont publiés au Moniteur belge par voie d'avis.".
Art. 186. In dezelfde titel 4 wordt een artikel X.53 luidend als volgt ingevoegd :
  "Art. X.53. Een reglement bepaalt onder welke voorwaarden de reizigers tot het vervoer worden toegelaten. Het bepaalt welke reizigers niet in de treinen mogen worden toegelaten.".
Art. 186. Dans le même titre 4, il est inséré un article X.53, rédigé comme suit :
  "Art. X.53. Un règlement détermine les conditions d'admission des voyageurs au transport. Il énumère les voyageurs qui ne peuvent être admis dans les trains.".
Art. 187. In dezelfde titel 4 wordt een artikel X.54 luidend als volgt ingevoegd :
  "Art. X.54. Het is aan de spoorwegvervoerder verboden in zijn tarieven of reglementen bepalingen op te nemen, waardoor zijn gemeenrechtelijke aansprakelijkheid gewijzigd wordt voor de ongevallen waardoor de reizigers worden getroffen.".
Art. 187. Dans le même titre 4, il est inséré un article X.54, rédigé comme suit :
  "Art. X.54. Il est interdit au transporteur ferroviaire d'insérer dans ses tarifs ou règlements des stipulations qui modifient, en ce qui concerne les accidents survenus aux voyageurs, la responsabilité qui lui incombe d'après le droit commun.".
Art. 188. In dezelfde titel 4 wordt een artikel X.55 luidend als volgt ingevoegd :
  "Art. X.55. Een reglement bepaalt onder welke voorwaarden de reiziger het recht heeft zijn bagage te laten vervoeren met de trein waarin hij toegelaten is, en welke bagage hij bij zich mag houden.
  Ten aanzien van de laatstgenoemde bagage draagt de spoorwegvervoerder generlei aansprakelijkheid, behalve wanneer vaststaat dat hij schuld heeft.".
Art. 188. Dans le même titre 4, il est inséré un article X.55, rédigé comme suit :
  "Art. X.55. Un règlement détermine les conditions auxquelles le voyageur a le droit de faire transporter ses bagages par le train où il est admis et quels sont les bagages qu'il peut garder avec lui.
  Le transporteur ferroviaire n'encourt, du chef de ces derniers, aucune responsabilité, à moins que sa faute ne soit établie.".
Art. 189. In dezelfde titel 4 wordt een artikel X.56 luidend als volgt ingevoegd :
  "Art. X.56. Tegen overhandiging van de bagage bij de verzending wordt een genummerd en gedagtekend bewijs afgegeven, waarop worden vermeld de plaats van vertrek en van aankomst, het aantal colli's en hun totale gewicht van de colli's, de ontvangen prijs en, in voorkomend geval, de aangifte van het belang bij de aflevering. Het bewijs kan elektronisch worden gegeven in de vorm en volgens de nadere regels bepaald door de Koning.".
Art. 189. Dans le même titre 4, il est inséré un article X.56, rédigé comme suit :
  "Art. X.56. Il est délivré, contre remise des bagages à l'expédition, un bulletin numéroté et daté, indiquant les points de départ et de destination, le nombre et le poids total des colis, le prix perçu et, le cas échéant, les déclarations d'intérêt à la livraison. Le bulletin peut être délivré électroniquement sous la forme et selon les modalités déterminées par le Roi.".
Art. 190. In dezelfde titel 4 wordt een artikel X.57 luidend als volgt ingevoegd :
  "Art. X.57. De bagage wordt bij de aankomst van de trein afgegeven tegen overhandiging van het bewijs.".
Art. 190. Dans le même titre 4, il est inséré un article X.57, rédigé comme suit :
  "Art. X.57. Les bagages sont délivrés à l'arrivée du train, en échange du bulletin.".
Art. 191. In dezelfde titel 4 wordt een artikel X.58 luidend als volgt ingevoegd :
  "Art. X.58. De spoorwegvervoerder is gehouden in elk station waar hij een verkooppunt exploiteert een lokaal met afhaalpunt te hebben waarin de bagage en goederen die na de aankomst van de trein niet worden afgehaald, en de bagage en goederen die reizigers verlangen in bewaring te geven, veilig wordt geborgen gedurende de door de reglementen bepaalde maximale termijnen.
  Elke spoorwegvervoerder die geen verkooppunten exploiteert, voorziet in een lokaal met afhaalpunt ten minste één Belgisch station.
  De aansprakelijkheid van de spoorwegvervoerder is beperkt tot de verplichtingen van de bewaarnemer.
  De bewaargever ontvangt een bewijs waarop de aard, hun aantal en indien hij het wenst, het totale gewicht van zijn colli's worden vermeld. Het bewijs kan elektronisch worden gegeven in de vorm en volgens de modaliteiten bepaald door de Koning.
  De spoorwegvervoerder levert redelijke inspanningen om de rechtmatige eigenaar van die voorwerpen te identificeren en te informeren voor het verstrijken van de bij de reglementen bepaalde termijn.
  Als de bewaargever of degene die bagage en goederen heeft laten vervoeren, verzuimt die voorwerpen binnen de door de reglementen bepaalde maximale termijn terug te vorderen en de spoorwegvervoerder heeft deze personen niet kunnen identificeren en informeren, past de spoorwegvervoerder de procedure toe waarin de wet van 6 april 2010 betreffende de verplichte bewaring door een spoorwegvervoerder van verloren, achtergelaten of niet afgehaalde bagage en goederen voorziet.".
Art. 191. Dans le même titre 4, il est inséré un article X.58, rédigé comme suit :
  "Art. X.58. Dans chaque gare où il exploite un point de vente, le transporteur ferroviaire est tenu d'avoir un local avec réception où sont placés en sûreté pendant les délais maximaux fixés dans les règlements, les bagages et marchandises non réclamés après l'arrivée du train et ceux que les voyageurs demandent à laisser en dépôt.
  Chaque transporteur ferroviaire qui n'exploite pas de point de vente, fournit un local pour la réception dans une gare belge au moins.
  La responsabilité du transporteur ferroviaire est limitée aux obligations du dépositaire
  Le déposant reçoit un bulletin constatant la nature, le nombre et, s'il le souhaite, le poids total de ces colis. Le bulletin peut être délivré électroniquement sous la forme et selon les modalités déterminées par le Roi.
  Le transporteur ferroviaire déploie des efforts raisonnables pour identifier et informer le propriétaire légitime de ces objets avant la fin du délai fixé dans les règlements.
  Si le déposant ou celui qui a fait transporter les bagages et les marchandises ne réclame pas les objets durant la période maximale prévue par les règlements et si le transporteur ferroviaire n'a pu identifier cette personne et l'informer, le transporteur ferroviaire applique la procédure prévue par la loi du 6 avril 2010 relative à la conservation obligatoire auprès d'un transporteur ferroviaire de bagages et marchandises perdus, abandonnés ou non réclamés.".
Art. 192. In dezelfde titel 4 wordt een artikel X.59 luidend als volgt ingevoegd :
  "Art. X.59. Wanneer de spoorwegvervoerder ernstige redenen heeft om te vermoeden dat een gedane verklaring onjuist is of dat er zich schadelijke of gevaarlijke stoffen, waarvan geen aangifte is gedaan of waarvan het vervoer verboden is, in de colli's of de bagage bevinden, kan hij deze doen openen, ook als ze in bewaring gegeven zijn of als de reizigers ze overeenkomstig de reglementen bij zich houden. De opening geschiedt hetzij in tegenwoordigheid van de afzender of de reiziger, hetzij, in geval van afwezigheid of van weigering, ten overstaan van een officier van gerechtelijke politie.".
Art. 192. Dans le même titre 4, il est inséré un article X.59, rédigé comme suit :
  "Art. X.59. Si le transporteur ferroviaire a des motifs sérieux de présumer une fausse déclaration ou la présence de matières nuisibles ou dangereuses non déclarées ou prohibées au transport, il peut faire procéder à l'ouverture des colis ou bagages, même de ceux qui sont remis en dépôt et de ceux que les voyageurs gardent auprès d'eux conformément aux règlements, soit contradictoirement avec l'expéditeur ou le voyageur, soit, en cas d'absence ou de refus, à l'intervention d'un officier de police judiciaire.".
Art. 193. In dezelfde titel 4 wordt een artikel X.60 luidend als volgt ingevoegd :
  "Art. X.60. Voor het binnenlands vervoer van goederen is de aansprakelijkheid van de spoorwegvervoerder onderworpen aan de bepalingen van titel IV van de uniforme regelen betreffende de overeenkomst van internationaal spoorwegvervoer van goederen (C.I.M.) van appendix B aan het "Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer", goedgekeurd bij de wet van 25 april 1983.".
Art. 193. Dans le même titre 4, il est inséré un article X.60, rédigé comme suit :
  "Art. X.60. La responsabilité du transporteur ferroviaire en transport intérieur de marchandises est soumise aux dispositions reprises dans le titre IV des Règles uniformes concernant le contrat de transport international ferroviaire des marchandises (C.I.M.) de l'appendice B à la "Convention relative aux transports internationaux ferroviaires" approuvée par la loi du 25 avril 1983.".
Art. 194. In dezelfde titel 4 wordt een artikel X.61 luidend als volgt ingevoegd :
  "Art. X.61. De Koning kan ten aanzien van de exploitatie van vervoermiddelen voor personen of goederen de maatregelen voorschrijven die Hij noodzakelijk acht voor de handhaving van de orde en de veiligheid van de reizigers.".
Art. 194. Dans le même titre 4, il est inséré un article X.61, rédigé comme suit :
  "Art. X.61. Le Roi est autorisé à soumettre l'exploitation des moyens de transport des personnes et des marchandises aux mesures qu'Il jugera nécessaire pour assurer le maintien du bon ordre et la sécurité des voyageurs.".
Afdeling 6. - Wijzigingen van boek XI
Section 6. - Modifications du livre XI
Art. 195. In artikel XI.337, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 april 2014 en vervangen bij de wet van 19 december 2017 worden de woorden "rechtbank van koophandel" vervangen door de woorden "ondernemingsrechtbank" en worden de woorden ", zelfs wanneer de partijen geen kooplieden zijn," opgeheven.
Art. 195. Dans l'article XI.337, § 1er, du même Code, inséré par la loi du 10 avril 2014 et remplacé par la loi du 19 décembre 2017, les mots "tribunal de commerce" sont remplacés par les mots "tribunal de l'entreprise" et les mots ", même lorsque les parties ne sont pas commerçantes," sont abrogés.
Art. 196. In artikel XI.339, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 april 2014, worden de woorden "rechtbanken van koophandel" vervangen door de woorden "ondernemingsrechtbanken" en worden de woorden ", zelfs wanneer de partijen geen kooplieden zijn," opgeheven.
Art. 196. Dans l'article XI.339, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 10 avril 2014, les mots "tribunaux de commerce" sont remplacés par les mots "tribunaux de l'entreprise" et les mots ", même lorsque les parties ne sont pas commerçantes," sont abrogés.
Art. 197. In artikel XI.342, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 april 2014, worden de woorden "rechtbanken van koophandel" vervangen door de woorden "ondernemingsrechtbanken" en worden de woorden ", zelfs wanneer de partijen geen kooplieden zijn," opgeheven.
Art. 197. Dans l'article XI.342, § 1er, du même Code, inséré par la loi du 19 avril 2014, les mots "tribunaux de commerce" sont remplacés par les mots "tribunaux de l'entreprise" et les mots ", même lorsque les parties ne sont pas commerçantes," sont abrogés.
Afdeling 7. - Wijzigingen van boek XV
Section 7. - Modifications du livre XV
Art. 198. In boek XV, titel 1, hoofdstuk 2, afdeling 1, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel XV.10/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. XV.10/1. Wanneer een onderzoeksmaatregel of maatregel tot vaststelling van een inbreuk ten aanzien van de beoefenaar van een vrij beroep ten uitvoer wordt gelegd, gebeurt zulks in voorkomend geval uitsluitend in aanwezigheid van de vertegenwoordiger van de persoon met het tuchtrechtelijke gezag ten aanzien van die beoefenaar of nadat die persoon behoorlijk werd opgeroepen, opdat deze zou oordelen of, en gebeurlijk in welke mate, de vraag om inlichtingen of de overlegging van boeken en bescheiden verzoenbaar is met het eerbiedigen van het beroepsgeheim.
  Bovendien wordt die maatregel ten uitvoer gelegd met inachtneming van het recht op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de cliënt van de beoefenaar van het vrij beroep.
  De dossiers en andere documenten van de beoefenaar van het vrij beroep kunnen niet in beslag worden genomen. Er kan een afschrift van worden gemaakt dat door de beoefenaar van het vrij beroep voor eensluidend wordt verklaard, onder voorbehoud van het eerste en tweede lid en met inachtneming van het beroepsgeheim.
  De vertegenwoordiger van de bevoegde tuchtoverheid kan aan de overheden die deze maatregelen hebben uitgevaardigd alle opmerkingen betreffende het bewaren van het beroepsgeheim richten. De akten van beslag en de processen-verbaal van visitatie vermelden op straffe van nietigheid de aanwezigheid van de vertegenwoordiger van de bevoegde tuchtoverheid of het feit dat zij op correcte wijze werd uitgenodigd, alsook de opmerkingen die de vertegenwoordiger van de bevoegde tuchtoverheid meende te moeten maken.".
Art. 198. Dans le livre XV, titre 1er, chapitre 2, section 1re du même Code, il est inséré un article XV.10/1 rédigé comme suit :
  "Art. XV.10/1. Lorsqu'une mesure d'instruction ou une mesure de constat d'une infraction est décidée vis-à-vis du titulaire d'une profession libérale, elle ne peut être exécutée qu'en présence du représentant de la personne qui exerce l'autorité disciplinaire sur ce titulaire ou après que cette personne a été dûment appelée, afin qu'elle puisse juger si, et éventuellement dans quelle mesure, la demande l'information ou de remise de livres et de documents est compatible avec le respect du secret professionnel.
  En outre, cette mesure est exécutée dans le respect du droit à la protection de la vie privée du client de la personne exerçant la profession libérale.
  Les dossiers et autres documents du titulaire de la profession libérale ne peuvent être saisis. Une copie peut en être faite qui peut être déclarée conforme par la personne exerçant la profession libérale, sous réserve des alinéas 1er et 2 et dans le respect du secret professionnel.
  Le représentant de l'autorité disciplinaire compétente peut adresser toutes ses remarques concernant le respect du secret professionnel aux autorités qui ont ordonné ces mesures. Les actes de saisie et les procès-verbaux de visite mentionnent sous peine de nullité la présence du représentant de l'autorité disciplinaire compétente ou le fait que ce dernier a été dûment invité, ainsi que les remarques que le représentant de l'autorité disciplinaire a cru devoir faire.".
Art. 199. In artikel XV.17, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 april 2014 en gewijzijgd bij de wet van 1 december 2016, worden de woorden ", titels 1 tot 6" ingevoegd tussen de woorden "van boek VII" en de woorden ", en van zijn uitvoeringsbesluiten".
Art. 199. Dans l'article XV.17, § 1er, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 19 avril 2014 et modifié par la loi du 1er décembre 2016, les mots ", titres 1 à 6," sont insérés entre les mots "du livre VII" et les mots "et de ses arrêtés".
Art. 200. Afdeling 6 van boek XV, titel 1, hoofdstuk 2, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij wet van 15 mei 2014, wordt opgeheven.
Art. 200. La section 6 du livre XV, titre 1er, chapitre 2, du même Code, insérée par la loi du 15 mai 2014, est abrogée.
Art. 201. In artikel XV.67/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 5, eerste lid, worden de woorden ", titels 1 tot 6" ingevoegd tussen de woorden "van boek VII" en de woorden "behalve de bepalingen van";
  2° in paragraaf 7, worden de woorden ", titels 1 tot 6" ingevoegd tussen de woorden "van boek VII" en de woorden "en zijn uitvoeringsbesluiten".
Art. 201. Dans l'article XV.67/1, du même Code, inséré par la loi du 19 avril 2014, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans le paragraphe 5, alinéa 1er, les mots ", titres 1 à 6," sont insérés entre les mots "du livre VII" et les mots "ou des arrêtés";
  2° dans le paragraphe 7, les mots ", titres 1 à 6," sont insérés entre les mots "du livre VII" et les mots "et aux arrêtés".
Art. 202. In artikel XV.67/2, § 3, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 april 2014 en gewijzijgd bij de wet van 18 december 2015, worden de woorden ", titels 1 tot 6" ingevoegd tussen de woorden "van boek VII" en de woorden "behalve de bepalingen van".
Art. 202. Dans l'article XV.67/2, § 3, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 19 avril 2014 et modifié par la loi du 18 décembre 2015, les mots ", titres 1 à 6," sont insérés entre les mots "du livre VII" et les mots "ou des arrêtés".
Art. 203. In artikel XV.67/3, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 april 2014 en gewijzijgd bij de wetten van 26 oktober 2015 en 25 oktober 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden ", titels 1 tot 6" ingevoegd tussen de woorden "van boek VII" en de woorden "of zijn uitvoeringsbesluiten";
  2° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden ", titels 1 tot 6" ingevoegd tussen de woorden "van boek VII" en de woorden ", stelt de FSMA de bevoegde".
Art. 203. Dans l'article XV.67/3, du même Code, inséré par la loi du 19 avril 2014 et modifié par les lois des 26 octobre 2015 et 25 octobre 2016, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots ", titres 1 à 6," sont insérés entre les mots "du livre VII" et les mots "ou des arrêtés";
  2° au paragraphe 2, alinéa 1er, les mots ", titres 1 à 6" sont insérés entre les mots "du livre VII" et les mots ", qui lui sont applicables,".
Art. 204. In artikel XV.75 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) In het eerste lid, in de bepaling onder 1°, worden de woorden "De natuurlijke personen die koopman zijn" vervangen door de woorden "De natuurlijke personen die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefenen";
  b) in het eerste lid, in de bepaling onder 2°, worden de woorden "van ondernemingen" opgeheven;
  c) in het derde lid, worden de woorden "De natuurlijke personen die koopman zijn" vervangen door de woorden "De natuurlijke personen die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefenen" en worden de woorden "betrokken boekhoudplichtige onderneming" ingevoegd tussen de woorden "wanneer de" en de woorden "onderneming failliet is".
Art. 204. A l'article XV.75 du même Code, inséré par la loi du 17 juillet 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  a) dans l'alinéa 1er, 1°, les mots "Les commerçants personnes physiques" sont remplacés par les mots "les personnes physiques qui exercent une activité professionnelle à titre indépendant";
  b) dans l'alinéa 1er, 2°, les mots "d'entreprises" sont abrogés;
  c) dans l'alinéa 3, les mots "Les commerçants personnes physiques auxquels" sont remplacés par les mots "Les personnes physiques qui exercent une activité professionnelle à titre indépendant auxquelles" et les mots "concernée est soumise à obligation comptable et" sont insérés entre les mots "si l'entreprise" et les mots "a été déclarée".
Art. 205. In artikel XV.77 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in de bepaling onder 1° worden de woorden "handelshoedanigheid of niet handelshoedanigheid naar privaat recht" vervangen door de woorden "hoedanigheid van inschrijvingsplichtige onderneming";
  b) in de bepaling onder 2° worden de woorden "met handelshoedanigheid of niet-handelshoedanigheid naar privaat recht" vervangen door de woorden "als inschrijvingsplichtige onderneming";
  c) in de bepaling onder 6° worden de woorden "handelshoedanigheid of niet handelshoedanigheid naar privaat recht" vervangen door de woorden "hoedanigheid van inschrijvingsplichtige onderneming".
Art. 205. A l'article XV.77 du même Code, inséré par la loi du 17 juillet 2013, les modifications suivantes sont apportées: :
  a) dans le 1°, les mots "d'entreprise commerciale ou non-commerciale de droit privé" sont remplacés par les mots "d'entreprise soumise à inscription";
  b) dans le 2°, les mots "d'entreprise commerciale ou non-commerciale de droit privé" sont remplacés par les mots "d'entreprise soumise à inscription";
  c) dans le 6°, les mots "d'entreprise commerciale ou non-commerciale de droit privé" sont remplacés par les mots "d'entreprise soumise à inscription".
Art. 206. In artikel XV.78, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden in de bepaling onder 1° de woorden "met handelshoedanigheid of niet-handelshoedanigheid naar privaat recht" vervangen door de woorden "als inschrijvingsplichtige onderneming".
Art. 206. Dans l'article XV.78, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 17 juillet 2013, dans le 1°, les mots "en qualité d'entreprise commerciale ou non-commerciale de droit privé" sont remplacés par les mots "en tant qu'entreprise soumise à inscription".
Art. 207. Artikel XV.90 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 april 2014 en gewijzigd bij de wetten van 22 april 2016 en 18 april 2017, wordt aangevuld met een bepaling onder 20°, luidende :
  "20° : a) wetens en willens een cheque of enig ander door dit Wetboek met de cheque gelijkgesteld waardepapier uitgeven zonder voorafgaand, toereikend en beschikbaar fonds; of
  b) dergelijk waardepapier overdragen, wetende dat het fonds niet toereikend en beschikbaar is; of
  c) als trekker wetens en willens het fonds van dergelijk waardepapier geheel of ten dele terugnemen tijdens de aanbiedingstermijn; of
  d) als trekker, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, een dergelijk waardepapier herroepen of het fonds ervan geheel of ten dele onbeschikbaar maakt, of na het verstrijken van de aanbiedingstermijn het fonds geheel of ten dele terugnemen.".
Art. 207. L'article XV.90 du même Code, inséré par la loi du 19 avril 2014 et modifié par les lois des 22 avril 2016 et 18 avril 2017, est complété par un 20° rédigé comme suit :
  "20° : a) sciemment et volontairement émettent un chèque ou tout autre titre assimilé au chèque par le présent Code, sans provision préalable, suffisante et disponible; soit
  b) cèdent un de ces titres sachant que la provision n'est pas suffisante et disponible; soit
  c) comme tireur, retirent sciemment et volontairement tout ou partie de la provision d'un de ces titres au cours du délai de présentation; soit
  d) comme tireur, dans une intention frauduleuse ou à dessein de nuire, révoquent un de ces titres, ou en rendent indisponible tout ou partie de la provision, ou, après l'expiration du délai de présentation, en retirent tout ou partie de la provision.".
Art. 208. In boek XV, titel 3, hoofdstuk 2, afdeling 5 van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel XV.91/1 ingevoegd, luidende als volgt :
  "Art. XV.91/1. Met een sanctie van niveau 2, wordt gestraft voor elke overtreding de bankier die, bij afgifte van een boekje met formulieren van cheques, aan zijn kas betaalbaar, op de omslag van elk boekje niet woordelijk de tekst van artikel XV.90,20°, weergeeft.".
Art. 208. Dans le livre XV, titre 3, chapitre 2, section 5, du du même Code, il est inséré un article XV.91/1, rédigé comme suit :
  "Art. XV.91/1. Est puni d'une sanction de niveau 2, pour chaque infraction, tout banquier qui, délivrant un carnet de formules de chèques payables à sa caisse, n'aura pas reproduit sur la couverture de chaque carnet le texte intégral de l'article XV.90, 20°. ".
Art. 209. In boek XV, titel 3, hoofdstuk 2, afdeling 10 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij wet van 15 mei 2014 en gewijzigd bij de wet van 26 oktober 2015, omvattende de artikelen XV.124 tot XV.124/3, wordt opgeheven.
Art. 209. Dans le livre XV, titre 3, chapitre 2, du même Code, la section 10, insérée par la loi du 15 mai 2014 et modifiée par la loi du 26 octobre 2015, contenant les articles XV.124 à XV.124/3, est abrogée.
Art. 210. In artikel XV.131 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 20 november 2013, en gewijzigd bij de wetten van 21 december 2013, 19 april 2014 en 15 mei 2014, worden de woorden ", XIV" opgeheven.
Art. 210. Dans l'article XV.131 du même Code, insérer par la loi du 20 novembre 2013 et modifié par les lois des 21 décembre 2013, 19 avril 2014 et 15 mai 2014, les mots ", XIV" sont abrogés.
Afdeling 8. - Wijzigingen van boek XVII
Section 8. - Modifications du livre XVII
Art. 211. Artikel XVII.1 van boek XVII van hetzelfde Wetboek ingevoegd bij de wet van 26 december 2013 en, gewijzigd bij wet van 15 mei 2014, wordt vervangen als volgt :
  "Art. XVII.1. De voorzitter van de ondernemingsrechtbank stelt het bestaan vast en beveelt de staking van een zelfs onder het strafrecht vallende daad die een inbreuk uitmaakt op de bepalingen van dit Wetboek, onverminderd de bijzondere bepalingen eigen aan boeken VI, XI en XII, bedoeld in hoofdstukken 3, 4 en 5 van deze titel.".
Art. 211. L'article XVII.1er du livre XVII du même Code, inséré par la loi du 26 décembre 2013 et modifié par la loi du 15 mai 2014, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. XVII.1er. Le président du tribunal de l'entreprise constate l'existence et ordonne la cessation d'un acte, même pénalement réprimé, constituant une infraction aux dispositions du présent Code, sous réserve des actions particulières aux livres VI, XI et XII, visées aux chapitres 3, 4 et 5 du présent titre.".
Art. 212. In artikel XVII.21, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 april 2014 en vervangen bij de wet van 8 juni 2017 worden de woorden "een handelaar" vervangen door de woorden "een onderneming" en de woorden "rechtbank van koophandel" door "ondernemingsrechtbank".
Art. 212. Dans l'article XVII.21, § 1er, du même Code, inséré par la loi du 19 avril 2014 et remplacé par la loi du 8 juin 2017, les mots "un commerçant" sont remplacés par les mots "une entreprise" et les mots "tribunal de commerce" par les mots "tribunal de l'entreprise".
Art. 213. In boek XVII, titel 1, van hetzelfde Wetboek, hoofdstuk 5/1 ingevoegd bij de wet van 15 mei 2014 en omvattende de artikelen XVII.25/1 tot XVII.25/5, wordt opgeheven.
Art. 213. Dans le livre XVII, titre 1er, du même Code, le chapitre 5/1, inséré par la loi du 15 mai 2014, contenant les articles XVII.25/1 à XVII.25/5, est abrogé.
Art. 214. In artikel XVII.37, enig lid, ingevoegd bij de wet van 28 maart 2014 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 6 juni 2017, wordt in het 1° de bepaling onder h) opgeheven.
Art. 214. Dans l'article XVII.37, alinéa unique, inséré par la loi du 28 mars 2014 et modifié en dernier lieu par la loi du 6 juin 2017, au 1°, le h) est abrogé.
Afdeling 9. - Wijzigingen van boek XX
Section 9. - Modifications du livre XX
Art. 215. Artikel XX.1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, wordt vervangen als volgt :
  "Art. XX.1. § 1. De bepalingen van dit boek gelden onverminderd het bijzondere recht dat de gereglementeerde vrije beroepen of de ministeriële ambtenaren en notarissen betreft, met inbegrip van de toegang tot het beroep, de beperkingen aan het beheer en de overgang van het vermogen en de eerbiediging van het beroepsgeheim.
  De bepalingen van dit Wetboek mogen niet derwijze worden uitgelegd dat zij een beperking zouden inhouden van de plicht tot het bewaren van het beroepsgeheim of de vrije keuze van de patiënt of cliënt van de beoefenaar van een vrij beroep.
  De Koning bepaalt de nadere toepassingsregels van dit boek voor de vrije beroepen en hun verenigingen.
  § 2. De bepalingen van de titels 2, 3, 4 en 5 van dit boek zijn niet van toepassing op de kredietinstellingen, de verzekeringsondernemingen, de beleggingsondernemingen, de beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging, de verrekenings- en vereffeningsinstellingen en gelijkgestelde instellingen, de herverzekeringsondernemingen, de financiële holdings en de gemengde financiële holdings.
  § 3. In geval van twijfel betreffende de verenigbaarheid van een bepaling van dit boek met een verplichting volgend uit het wettelijk statuut van de ondernemingen bedoeld in paragraaf 2, kunnen de rechtbank, de gedelegeerd rechter, de rechter-commissaris, hetzij op eigen initiatief hetzij op verzoek van elke partij in de insolventieprocedure, het advies vragen van de Ordes of Instituten waarvan de beroepsbeoefenaar deel uitmaakt. Dit advies wordt gegeven worden binnen een termijn van acht kalenderdagen vanaf de ontvangst van het verzoek tot advies.".
Art. 215. L'article XX.1er du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. XX.1er. § 1er. Les dispositions du présent livre s'appliquent sans préjudice du droit particulier qui régit les professions libérales réglementées, les officiers ministériels et les notaires, en ce compris l'accès à la profession, les restrictions à la gestion et à la transmission du patrimoine et le respect du secret professionnel.
  Les règles du présent livre ne peuvent être interprétées dans un sens qui restreint l'obligation au secret professionnel ou affecte le libre choix du patient ou client du titulaire d'une profession libérale.
  Le Roi détermine les modalités d'application du présent livre aux professions libérales et leurs associations.
  § 2. Les dispositions des titres 2, 3, 4 et 5 du présent livre ne s'appliquent pas aux établissements de crédit, aux entreprises d'assurances, aux entreprises d'investissement, aux sociétés de gestion d'organismes de placement collectif, aux organismes de compensation et de liquidation et assimilés, aux entreprises de réassurance, aux compagnies financières holding et aux compagnies financières holding mixtes.
  § 3. En cas de doute quant à la compatibilité d'une disposition de ce livre avec une obligation découlant du statut légal des entreprises visées au paragraphe 1er, le tribunal, le juge délégué ou le juge-commissaire peut demander, soit d'initiative, soit à la requête de toute partie à la procédure d'insolvabilité, l'avis des ordres ou des instituts dont dépend le titulaire de la profession libérale. Cet avis est donné dans un délai de huit jours calendaires de la réception de la demande dudit avis.".
Art. 216. In artikel XX.7, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de woorden "artikel XX.1, § 4" vervangen door de woorden "artikel XX.1, § 3".
Art. 216. Dans l'article XX.7, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017, les mots "l'article XX. 1er, § 4" sont remplacés par les mots "l'article XX. 1er, § 3".
Art. 217. In artikel XX.14, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° worden de woorden "artikel XX.1, § 1, eerste lid, c)" vervangen door de woorden "artikel I.1, eerste lid, 1°, c)".
  2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "Het openen van een insolventieprocedure ten aanzien van een onderneming waarvan de vennoten onbeperkt aansprakelijk zijn, houdt niet noodzakelijk de opening van eenzelfde insolventieprocedure ten aanzien van de onbeperkt aansprakelijke vennoten in.".
Art. 217. Dans l'article XX.14 du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017, sont apportées les modifications suivantes :
  1° les mots "l'article XX.1er, § 1er, alinéa 1er, c)" sont remplacés par les mots "l'article I.1, alinéa 1er, 1°, c)";
  2° l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  "L'ouverture d'une procédure d'insolvabilité à l'encontre d'une entreprise, dont les associés ont une responsabilité illimitée, n'entraine pas nécessairement, par ce fait même, l'ouverture d'une procédure d'insolvabilité à l'encontre de ces mêmes associés.".
Art. 218. In artikel XX.20, § 1, vierde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de woorden "of andere beroepsverenigingen" opgeheven en worden de woorden "Belgisch Staatsblad" vervangen door het woord "register".
Art. 218. Dans l'article XX.20, § 1er, alinéa 4, du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017, les mots "ou les autres associations professionnelles" sont abrogés et les mots "Moniteur belge" sont remplacés par le mot "registre".
Art. 219. In artikel XX.29, § 2, derde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de woorden "zijn tuchtorgaan" vervangen door de woorden "de Orde of het instituut".
Art. 219. Dans l'article XX.29, § 2, alinéa 3, du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017, les mots "à son organe disciplinaire" sont remplacés par les mots "à l'ordre ou à l'institut".
Art. 220. In artikel XX.30, § 1, van hetzelfde wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden het tweede en derde lid opgeheven.
Art. 220. Dans l'article XX.30, § 1er, du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017, les alinéas 2 et 3 sont abrogés.
Art. 221. In artikel XX.31, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, wordt het tweede lid opgeheven.
Art. 221. Dans l'article XX.31, § 1er, du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017, l'alinéa 2 est abrogé.
Art. 222. In artikel XX.41, § 2, 10°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de woorden "artikel XX.1, § 1, eerste lid, c)" vervangen door de woorden "artikel I.1, eerste lid, 1°, c)".
Art. 222. Dans l'article XX.41, § 2, 10°, du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017, les mots "l'article XX.1er, § 1er, alinéa 1er, c)" sont remplacés par les mots "l'article I.1, alinéa 1er, 1°, c)".
Art. 223. In artikel XX.44 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in paragraaf 3, tweede lid, 1°, worden de woorden "de ingeschreven hypothecaire en bevoorrechte schuldeisers" vervangen door de woorden "de ingeschreven hypothecaire en bevoorrechte schuldeisers, de beslagleggende schuldeiser";
  b) in paragraaf 3, vierde lid, worden de woorden "van de kosten van deze laatste" vervangen door de woorden "van deze kosten";
  c) in paragraaf 4, worden de woorden ", zonder afbreuk te doen aan paragrafen 2 en 3" vervangen door de woorden ", zonder afbreuk te doen aan paragrafen 1 tot 3" en wordt het woord "ingeschreven" opgeheven.
Art. 223. A l'article XX.44 du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017, les modifications suivantes sont apportées :
  a) au paragraphe 3, alinéa 2, 1°, les mots "et privilégiés inscrits," sont remplacés par les mots "privilégiés inscrits, le créancier saisissant";
  b) dans le texte néerlandais du paragraphe 3, alinéa 4, les mots "van de kosten van deze laatste" sont remplacés par les mots "van deze kosten";
  c) dans le paragraphe 4, les mots "et selon le cas, sans préjudice des paragraphes 2 et 3" sont remplacés par les mots ", et selon le cas, sans préjudice des paragraphes 1 à 3" et dans le texte néerlandais le mot "ingeschreven" est abrogé.
Art. 224. In artikel XX.48, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, tweede lid, 1°, worden de woorden "artikel XX.1, § 1, eerste lid, c)" vervangen door de woorden "artikel I.1, eerste lid, 1°, c)".
  2° in paragraaf 2, worden de woorden "onderneming/" opgeheven.
Art. 224. Dans l'article XX.48 du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, 1°, les mots "l'article XX.1er, § 1er, alinéa 1er, c)" sont remplacés par les mots "l'article I.1, alinéa 1er, 1°, c)";
  2° dans le paragraphe 2, les mots "le titulaire de l'entreprise/" sont abrogés.
Art. 225. In artikel XX.51 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in paragraaf 3, tweede lid, 1°, worden de woorden "de ingeschreven hypothecaire en bevoorrechte schuldeisers" vervangen door de woorden "de ingeschreven hypothecaire en bevoorrechte schuldeisers, de beslagleggende schuldeiser";
  b) in paragraaf 3, vierde lid, worden de woorden "van de kosten van deze laatste" vervangen door de woorden "van deze kosten";
  c) in paragraaf 4, worden de woorden ", zonder afbreuk te doen aan paragrafen 2 en 3" vervangen door de woorden ", zonder afbreuk te doen aan paragrafen 1 tot 3" en wordt het woord "ingeschreven" opgeheven.
Art. 225. A l'article XX.51 du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017, les modifications suivantes sont apportées :
  a) au paragraphe 3, alinéa 2, 1°, les mots "et privilégiés inscrits," sont remplacés par les mots "privilégiés inscrits, le créancier saisissant";
  b) dans le texte néerlandais du paragraphe 3, alinéa 4, les mots "van de kosten van deze laatste" sont remplacés par les mots "van deze kosten";
  c) dans le paragraphe 4, les mots "selon le cas, sans préjudice des paragraphes 2 et 3" sont remplacés par les mots ", et selon le cas, sans préjudice des paragraphes 1er à 3" et dans le texte néerlandais le mot "ingeschreven" est abrogé.
Art. 226. In de Franse tekst van artikel XX.68, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, wordt het woord "tôt" vervangen door het woord "tard".
Art. 226. Dans l'article XX.68, § 1er, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017, le mot "tôt" est remplacé par le mot "tard".
Art. 227. In artikel XX.72, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de woorden "artikel XX.1, § 1, tweede lid, c)" vervangen door de woorden "artikel I.1, tweede lid, 1°, c)".
Art. 227. Dans l'article XX.72 du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017, les mots "l'article XX. 1er, § 1er, alinéa 2, c)" sont remplacés par les mots "l'article I.1, alinéa 2, c)".
Art. 228. In artikel XX.88, § 3, tweede lid, van artikel XX.88 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, wordt het woord "verzoeker" vervangen door het woord "schuldenaar".
Art. 228. Dans le texte néerlandais de l'article XX.88, § 3, alinéa 2, du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017, le mot "verzoeker" est remplacé par le mot "schuldenaar".
Art. 229. In artikel XX.99, vijfde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de woorden "artikel XX.1, § 1, eerste lid, c)" vervangen door de woorden "artikel I.1, eerste lid, 1°, c)".
Art. 229. Dans l'article XX.99, alinéa 5, du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017, les mots "l'article XX.1er, § 1er, alinéa 1er, c)" sont remplacés par les mots "l'article I.1, alinéa 1er, 1°, c)".
Art. 230. In artikel XX.100, tweede en derde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de woorden "artikel XX.1, § 1, eerste lid, c)" telkens vervangen door de woorden "artikel I.1, eerste lid, 1°, c)".
Art. 230. Dans l'article XX.100, alinéas 2 et 3, du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017, les mots "l'article XX.1er, § 1er, alinéa 1er, c)" sont chaque fois remplacés par les mots "l'article I.1, alinéa 1er, 1°, c)".
Art. 231. In artikel XX.103, eerste lid, 7°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de woorden "artikel XX.1, § 1, eerste lid, c)" vervangen door de woorden "artikel I.1, eerste lid, 1°, c)".
Art. 231. Dans l'article XX.103, alinéa 1er, 7°, du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017, les mots "l'article XX.1er, § 1er, alinéa 1er, c)" sont remplacés par les mots "l'article I.1, alinéa 1er, 1°, c)".
Art. 232. In artikel XX.107, tweede lid, 1°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de woorden "artikel XX.1, § 1, eerste lid, c)" vervangen door de woorden "artikel I.1, eerste lid, 1°, c)".
Art. 232. Dans l'article XX.107, alinéa 2, 1°, du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017, les mots "l'article XX.1er, § 1er, alinéa 1er, c)" sont remplacés par les mots "l'article I.1, alinéa 1er, 1°, c)".
Art. 233. In artikel XX.108, § 3, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de woorden "artikel XX.1, § 1, eerste lid, c)" vervangen door de woorden "artikel I.1, eerste lid, 1°, c)".
Art. 233. Dans l'article XX.108, § 3, alinéa 2, du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017, les mots "l'article XX.1er, § 1er, alinéa 1er, c)" sont remplacés par les mots "l'article I.1, alinéa 1er, 1°, c)".
Art. 234. In artikel XX.120 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "de ingeschreven of geregistreerde hypothecaire en bevoorrechte schuldeisers" vervangen door de woorden "de ingeschreven of geregistreerde hypothecaire en bevoorrechte schuldeisers, de beslagleggende schuldeiser";
  b) in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "de ingeschreven of geregistreerde hypothecaire en bevoorrechte schuldeisers" vervangen door de woorden "de ingeschreven of geregistreerde hypothecaire en bevoorrechte schuldeisers, de beslagleggende schuldeiser";
  c) in paragraaf 1, zesde lid, worden de woorden "van de kosten van deze laatste" vervangen door de woorden "van deze kosten".
Art. 234. A l'article XX.120 du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017, les modifications suivantes sont apportées :
  a) au paragraphe 1er, alinéa 2, les mots "et privilégiés inscrits ou enregistrés" sont remplacés par les mots "privilégiés inscrits ou enregistrés, le créancier saisissant";
  b) au paragraphe 1er, alinéa 4, les mots "et privilégiés inscrits ou enregistrés" sont remplacés par les mots "privilégiés inscrits ou enregistrés, le créancier saisissant";
  c) dans le texte néerlandais du paragraphe 1er, alinéa 6, les mots "van de kosten van deze laatste" sont remplacés par les mots "van deze kosten".
Art. 235. In artikel XX.122, § 1, vierde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de woorden "hun initiatief" vervangen door de woorden "door de griffie" en worden de woorden "Belgisch Staatsblad" vervangen door het woord "register".
Art. 235. Dans l'article XX.122, § 1er, alinéa 4, du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017, les mots "font publier" sont remplacés par les mots "le greffier fait publier" et les mots "Moniteur belge" sont remplacés par le mot "registre".
Art. 236. In de Franse tekst van artikel XX.145 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, wordt het woord "visé" vervangen door het woord "signé".
Art. 236. Dans l'article XX.145, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017, le mot "visé" est remplacé par le mot "signé".
Art. 237. In artikel XX.164, § 1, 2°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de woorden "artikel XX.1, § 1, eerste lid, c)" vervangen door de woorden "artikel I.1, eerste lid, 1°, c)".
Art. 237. Dans l'article XX.164, § 1er, 2°, du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017, les mots "l'article XX.1er, § 1er, alinéa 1er, c)" sont remplacés par les mots "l'article I.1, alinéa 1er, 1°, c)".
Art. 238. In artikel XX.171, derde lid, van het van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, wordt het woord "griffier" vervangen door het woord "curator".
Art. 238. Dans l'article XX.171, alinéa 3, du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017, le mot "greffier" est remplacé par le mot "curateur".
Art. 239. In artikel XX.172, derde lid, van het van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, wordt het woord "griffier" vervangen door het woord "curator".
Art. 239. Dans l'article XX.172, alinéa 3, du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017, le mot "greffier" est remplacé par le mot "curateur".
Art. 240. In artikel XX.173, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 2, vierde lid, worden de woorden "door de griffier" vervangen door de woorden "door de curator";
  2° in paragraaf 3, tweede lid, worden de woorden "tuchtorgaan" vervangen door de woorden "orde of instituut".
Art. 240. A l'article XX.173, du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017, sont apportées les modifications suivantes: :
  1° dans le paragraphe 2, alinéa 4, les mots "par les soins du greffier" sont remplacés par les mots "par les soins du curateur";
  2° dans le paragraphe 3, alinéa 2, les mots "son organe disciplinaire" sont remplacés par les mots "à l'ordre ou à l'institut".
Art. 241. In artikel XX.176, zesde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de woorden "door toedoen van de curator" ingevoegd tussen het woord "wordt" en de woorden "bij uittreksel".
Art. 241. Dans l'article XX.176, alinéa 6, du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017, insérer les mots "par les soins du curateur" entre les mots "est publié" et les mots "par extrait".
Art. 242. In de Franse tekst van artikel XX.193, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de woorden "ou autorise" invoegen tussen de woorden "Si le juge-commissaire ordonne" en de woorden "la vente publique".
Art. 242. Dans l'article XX.193, § 1er, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017, les mots "ou autorise" sont insérés entre les mots "Si le juge-commissaire ordonne" et les mots "la vente publique".
Art. 243. In artikel XX.202 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de woorden "op verzoek van de buitenlandse insolventiefunctionaris" invoegen tussen de woorden "geopend heeft," en de woorden "bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.".
Art. 243. Dans l'article XX.202, du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017, les mots "par le praticien de l'insolvabilité étranger" sont insérés entre les mots "Moniteur belge" et les mots ". Il en va de même".
Art. 244. In artikel XX.224 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de woorden "artikel XX.1, § 1, eerste lid, a)" vervangen door de woorden "artikel I.1, eerste lid, 1°, a)".
Art. 244. Dans l'article XX.224 du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017, les mots "l'article XX.1er, § 1er, alinéa 1er, a)" sont remplacés par les mots "l'article I.1, alinéa 1er, 1°, a)".
Art. 245. In artikel XX.225, § 6, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de woorden "tuchtorgaan" vervangen door de woorden "orde of instituut".
Art. 245. Dans l'article XX.225, § 6, du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017, remplacer les mots "à l'organe disciplinaire" par les mots "à l'ordre ou à l'institut"".
Art. 246. In artikel XX.227, § 4, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de woorden "tuchtorgaan" vervangen door de woorden "orde of instituut".
Art. 246. Dans l'article XX.227, § 4, inséré par la loi du 11 août 2017, du même Code, les mots "à l'organe disciplinaire" sont remplacés par les mots "à l'ordre ou à l'institut".
Art. 247. In artikel XX.231, vierde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de woorden "en aan het tuchtorgaan indien de gefailleerde beoefenaar is van een vrij beroep" opgeheven.
Art. 247. Dans l'article XX.231, alinéa 4, du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017, les mots "et à l'organe disciplinaire si le failli est titulaire d'une profession libérale" sont abrogés.
Art. 248. In artikel XX.232, zevende lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de woorden "en aan het tuchtorgaan indien de gefailleerde beoefenaar is van een vrij beroep" opgeheven.
Art. 248. Dans l'article XX.232, alinéa 7, du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017, les mots "et à l'organe disciplinaire si le failli est titulaire d'une profession libérale" sont abrogés.
Art. 249. Artikel XX.241 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, wordt aangevuld met de woorden "door toedoen van de griffier.".
Art. 249. L'article XX.241 du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017, est complété par les mots "par les soins du greffier.".
Art. 250. In artikel XX.242 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid, wordt het woord "curator" vervangen door het woord "griffier" en worden de woorden "in het Belgisch Staatsblad" invoegen tussen de woorden "uittreksel bekendgemaakt" en de woorden ", door toedoen";
  2° in het tweede lid, worden de woorden "artikel XX.1, § 1, eerste lid, c)" vervangen door de woorden "artikel I.1, eerste lid, 1°, c)".
Art. 250. A l'article XX.242 du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017, sont apportées les modifications suivantes :
  1° à l'alinéa 1er, le mot "curateur" est remplacé par le mot "greffier" et les mots "au Moniteur belge" sont insérés entre les mots "est publié" et les mots "par extrait";
  2° à l'alinéa 2, les mots "l'article XX.1er, § 1er, alinéa 1er, c)" sont remplacés par les mots "l'article I.1, alinéa 1er, 1°, c)" .
HOOFDSTUK 7. - Wijziging van de wet van 19 maart 2014 houdende wettelijke definitie van de ambachtsman
CHAPITRE 7. - Modifications de la loi du 19 mars 2014 portant définition légale de l'artisan
Art. 251. Artikel 3 van de wet van 19 maart 2014 houdende wettelijke definitie van de ambachtsman wordt vervangen als volgt :
  "Art. 3. Om te worden erkend als ambachtsman en om die hoedanigheid te behouden, moet de ambachtsman of de ambachtsonderneming een onderneming zijn die ingeschreven is in de Kruispuntbank van Ondernemingen voor de uitoefening van een of verschillende ambachtelijke activiteiten met een winstgevend doel en die minder dan twintig werknemers tewerkstelt.".
Art. 251. L'article 3 de la loi du 19 mars 2014 portant définition légale de l'artisan est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 3. Pour se voir reconnaitre et préserver la qualité d'artisan, un artisan ou une entreprise artisanale doit être une entreprise inscrite dans la Banque-Carrefour des Entreprises, pour l'exercice d'une ou de plusieurs activités artisanales ayant un but lucratif et qui compte moins de vingt travailleurs.".
HOOFDSTUK 8. - Diverse, opheffings- en overgangsbepalingen
CHAPITRE 8. - Dispositions diverses, abrogatoires et transitoires
Art. 252. In alle artikelen van het Gerechtelijk Wetboek, en van het bijvoegsel van dat Wetboek alsmede van alle andere wetten worden de woorden "rechtbank van koophandel" en "rechtbanken van koophandel" telkens respectievelijk vervangen door de woorden "ondernemingsrechtbank" en de woorden "ondernemingsrechtbanken".
Art. 252. Dans tous les articles du Code judiciaire, et de l'annexe à ce Code ainsi que de toutes les autres lois, les mots "tribunal de commerce" et "tribunaux de commerce" sont chaque fois remplacés respectivement par "tribunal de l'entreprise" et les mots "tribunaux de l'entreprise".
Art. 253. In alle artikelen van het Gerechtelijk Wetboek en van alle andere wetten worden de woorden "rechter in handelszaken", "rechters in handelszaken", "rechter in sociale zaken of in handelszaken", "rechters in sociale zaken of in handelszaken", "rechters in sociale zaken en in handelszaken" en "rechters in de sociale zaken en in handelszaken" telkens respectievelijk vervangen door de woorden "rechter in ondernemingszaken", "rechters in ondernemingszaken", "rechter in sociale zaken of in ondernemingszaken", "rechters in sociale zaken of in ondernemingszaken", "rechters in sociale zaken en in ondernemingszaken" en "rechters in de sociale zaken en in ondernemingszaken".
Art. 253. Dans le texte néerlandais de tous les articles du Code judiciaire et de toutes les autres lois, les mots "rechter in handelszaken", "rechters in handelszaken", "rechter in sociale zaken of in handelszaken", "rechters in sociale zaken of in handelszaken", "rechters in sociale zaken en in handelszaken" et "rechters in de sociale zaken en in handelszaken" sont chaque fois remplacés respectivement par les mots "rechter in ondernemingszaken", "rechters in ondernemingszaken", "rechter in sociale zaken of in ondernemingszaken", "rechters in sociale zaken of in ondernemingszaken", "rechters in sociale zaken en in ondernemingszaken" et "rechters in de sociale zaken en in ondernemingszaken".
Art. 254. Vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet dienen in alle wetten, tenzij anders bepaald, de begrippen "handelaar" of "koopman" in de zin van artikel 1 van het Wetboek van koophandel te worden verstaan als "onderneming" in de zin van artikel I.1 van het Wetboek van economisch recht.
  In afwijking van het eerste lid laat deze wet de toepassing onverlet van wettelijke, reglementaire of deontologische bepalingen die met verwijzing naar "handelaar", "koopman" of afgeleide begrippen beperkingen opleggen aan de toegelaten activiteiten van gereglementeerde beroepen.
Art. 254. A compter de la date d'entrée en vigueur de la présente loi, sauf dispositions contraires, dans toutes les lois, la notion de "commerçant" au sens de l'article 1er du Code de commerce doit être comprise comme "entreprise" au sens de l'article I.1 du Code de droit économique.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, la présente loi ne porte pas atteinte aux dispositions légales, réglementaires ou déontologiques qui, en faisant référence aux notions de "commerçant", "marchand" ou à des notions dérivées, posent des limites aux activités autorisées de professions réglementées.
Art. 255. De Koning brengt de terminologie en de verwijzingen van de geldende wetten in overeenstemming met deze wet.
Art. 255. Le Roi met la terminologie et les références des lois en vigueur en concordance avec la présente loi.
Art. 256. Opgeheven worden :
  1° de titels 1, 3, 4, 7bis en 8 van boek I van het Wetboek van koophandel;
  2° boek XIV van het Wetboek van economisch recht, omvattende de artikelen XIV.1 tot XIV.83, ingevoegd bij de wet van 15 mei 2014 en gewijzigd bij de wetten van 26 oktober 2015, 18 december 2015 en 25 december 2016;
  3° de protestwet van 3 juni 1997;
  4° de wet van 1 maart 1961 betreffende de invoering in de nationale wetgeving van de eenvormige wet op de cheque en de inwerkingtreding van deze wet.
Art. 256. Sont abrogés :
  1° les titres 1er, 3, 4, 7bis et 8 du livre Ier du Code de commerce;
  2° le livre XIV du Code de droit économique contenant les articles XIV.1 à XIV.83, inséré par la loi du 15 mai 2014 et modifié par les lois du 26 octobre 2015, 18 décembre 2015 et 25 décembre 2016;
  3° la loi sur les protêts du 3 juin 1997;
  4° la loi du 1er mars 1961 concernant l'introduction dans la législation nationale de la loi uniforme sur le chèque et sa mise en vigueur.
Art. 257. § 1. Onverminderd artikel 260, derde lid, beschikken de ondernemingen die op de datum van inwerkingtreding van deze wet niet verplicht waren zich te laten inschrijven in de hoedanigheid van handels-, ambachtsonderneming of niet-handelsonderneming naar privaat recht maar die krachtens deze wet als inschrijvingsplichtige ondernemingen worden beschouwd, over een termijn van zes maanden, te rekenen vanaf de inwerkingtreding van deze wet, om zich in die hoedanigheid bij een ondernemingsloket van hun keuze te laten inschrijven. Na het verstrijken van deze termijn is de sanctie voorzien in artikel XV.77, 1° van het Wetboek van economisch recht van toepassing.
  De bepalingen van titel 2 van boek III van het Wetboek van economisch recht die slechts van toepassing zijn op de inschrijvingsplichtige ondernemingen, alsook de daaraan gekoppelde sancties voorzien in de artikelen XV.76, XV.77, 2°, 3° en 6°, XV.78 en XV.79 van het Wetboek van economisch recht zijn van toepassing op de ondernemingen vanaf de registratie ervan in de hoedanigheid van inschrijvingsplichtige onderneming en uiterlijk bij het verstrijken van de in het eerste lid van deze paragraaf bedoelde termijn van zes maanden.
  Voor de in het eerste lid van deze paragraaf bedoelde ondernemingen is artikel III.25 van het Wetboek van economisch recht, alsook de daaraan gekoppelde sanctie voorzien in artikel XV.76, 1°, van het Wetboek van economisch recht van toepassing op alle stukken of documenten die worden verspreid, alsmede op de gebouwen, marktkramen en vervoermiddelen bedoeld in artikel III.25, derde lid, die worden gebruikt, na de inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen in de hoedanigheid van inschrijvingsplichtige onderneming en ten laatste na het verstrijken van de in het eerste lid van deze paragraaf bedoelde termijn van zes maanden.
  Voor de in het eerste lid bedoelde ondernemingen is artikel III.26 van het Wetboek van economisch recht van toepassing op alle exploten die worden betekend na de inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen in de hoedanigheid van inschrijvingsplichtige onderneming en ten laatste na het verstrijken van de in het eerste lid van deze paragraaf bedoelde termijn van zes maanden.
  § 2. De bepalingen van titel 2 van boek III van het Wetboek van economisch recht die specifiek gelden voor inschrijvingsplichtige ondernemingen, alsook de daaraan gekoppelde sancties voorzien in de artikelen XV.76, XV.77, 2°, 3° en 6°, XV.78 en XV.79 van het Wetboek van economisch recht zijn vanaf de inwerkingtreding van deze wet van toepassing op de ondernemingen die op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet reeds zijn ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen in de hoedanigheid van handels-, ambachtsonderneming of niet-handelsonderneming naar privaat recht. Zij moeten zich evenwel voor die activiteiten waarvoor ze reeds zijn ingeschreven, niet opnieuw laten inschrijven bij een ondernemingsloket.
  Voor de in het eerste lid bedoelde ondernemingen is artikel III.25 van het Wetboek van economisch recht, alsook de daaraan gekoppelde sanctie voorzien in artikel XV.76, 1°, van het Wetboek van economisch recht van toepassing op alle stukken of documenten die worden verspreid na de inwerkingtreding van deze wet, alsmede op de gebouwen, marktkramen en vervoermiddelen bedoeld in artikel III.25, derde lid, van het Wetboek van economisch recht die worden gebruikt vanaf de inwerkingtreding van deze wet.
  Voor de in het eerste lid bedoelde ondernemingen is artikel III.26 van het Wetboek van economisch recht van toepassing op alle exploten die worden betekend na de inwerkingtreding van deze wet.
Art. 257. § 1er. Sans préjudice de l'article 260, alinéa 3, les entreprises qui, à la date d'entrée en vigueur de la présente loi, n'étaient pas tenues de se faire inscrire en qualité d'entreprise commerciale, artisanale ou non commerciale de droit privé mais qui sont, en vertu de la présente loi, considérées comme des entreprises soumises à inscription, disposent d'un délai de six mois, à compter de l'entrée en vigueur de la présente loi, pour se faire inscrire en cette qualité auprès du guichet d'entreprises de leur choix. Après l'expiration de ce délai, la sanction prévue à l'article XV.77, 1°, du Code de droit économique est applicable.
  Les dispositions du titre 2 du livre III du Code de droit économique qui sont uniquement d'application aux entreprises soumises à inscription, de même que les sanctions y afférentes prévues aux articles XV.76, XV.77, 2°, 3° et 6°, XV.78 et XV.79 du Code de droit économique sont applicables aux entreprises à dater de leur enregistrement en qualité d'entreprise soumise à inscription et au plus tard à l'expiration du délai de six mois visé à l'alinéa 1er du présent paragraphe.
  Pour les entreprises visées à l'alinéa 1er du présent paragraphe, l'article III.25, alinéas 1er et 2, du Code de droit économique, ainsi que la sanction y afférente prévue à l'article XV.76, 1°, du Code de droit économique s'appliquent à toutes les pièces ou à tous les documents diffusés, ainsi qu'aux bâtiments, étals et moyens de transports visés à l'article III.25, alinéa 3, du Code de droit économique utilisés, après l'inscription à la Banque-Carrefour des Entreprises en qualité d'entreprise soumise à inscription et au plus tard après l'expiration du délai de six mois visé au premier alinéa du présent paragraphe.
  Pour les entreprises visées à l'alinéa 1er, l'article III.26 du Code de droit économique s'applique à tous les exploits signifiés après l'inscription à la Banque-Carrefour des Entreprises en qualité d'entreprise soumise à inscription et au plus tard après l'expiration du délai de six mois visé au premier alinéa du présent paragraphe.
  § 2. Les dispositions du titre 2 du livre III du Code de droit économique qui valent spécifiquement pour les entreprises soumises à inscription, ainsi que les sanctions y afférentes prévues aux articles XV.76, XV.77, 2°, 3° et 6°, XV.78 et XV.79, du Code de droit économique s'appliquent, à partir de l'entrée en vigueur de la présente loi, aux entreprises déjà inscrites au sein de la Banque-Carrefour des Entreprises en qualité d'entreprise commerciale, non commerciale de droit privé ou artisanale au moment de l'entrée en vigueur de la présente loi. Ces entreprises ne sont toutefois pas tenues de se faire à inscrire auprès d'un guichet d'entreprise pour les activités pour lesquelles elles sont déjà inscrites.
  Pour les entreprises visées à l'alinéa 1er, l'article III.25, du Code de droit économique, ainsi que la sanction y afférente prévue à l'article XV.76, 1°, du Code de droit économique s'appliquent à toutes les pièces ou documents diffusés après l'entrée en vigueur de la présente loi ainsi qu'aux bâtiments, étals et moyens de transports visés à l'article III.25, alinéa 3, du Code de droit économique utilisés à dater de l'entrée en vigueur de la présente loi.
  Pour les entreprises visées à l'alinéa 1er, l'article III.26 du Code de droit économique s'applique à tous les exploits signifiés après l'entrée en vigueur de la présente loi.
Art. 258. Voor boekhoudplichtige ondernemingen die vóór de inwerkingtreding van deze wet reeds actief waren en die vóór deze wetswijziging geen boekhouding in de zin van hoofdstuk 2 van titel 3 van boek III van het Wetboek van economisch recht dienden op te stellen, gelden de verplichtingen van hoofdstuk 2 van titel 3 van boek III van het Wetboek van economisch recht, alsook de daaraan gekoppelde sancties voorzien in artikel XV.75 van het Wetboek van economisch recht slechts vanaf het eerste volledige boekjaar dat aanvangt na het verstrijken van een termijn van zes maanden, te rekenen vanaf de inwerkingtreding van deze wet.
Art. 258. Pour les entreprises soumises à l'obligation comptable qui étaient déjà actives avant l'entrée en vigueur de la présente loi et qui, avant la présente modification législative, ne devaient pas établir de comptabilité au sens du chapitre 2 du titre 3 du livre III du Code de droit économique, les obligations visées au chapitre 2 du titre 3 du livre III du Code de droit économique ainsi que les sanctions y relatives prévues à l'article XV.75 du même Code ne s'appliquent qu'à partir du premier exercice complet qui débute après l'expiration d'un délai de six mois, à compter de l'entrée en vigueur de la présente loi.
Art. 259. Het opschrift van het Wetboek van koophandel wordt vervangen als volgt :
  "Wetboek van bepaalde voorrechten op zeeschepen en diverse bepalingen".
Art. 259. L'intitulé du Code de commerce est remplacé par ce qui suit :
  "Code des privilèges maritimes déterminés et des dispositions diverses".
HOOFDSTUK 9. - Inwerkingtreding
CHAPITRE 9. - Entrée en vigueur
Art. 260. Deze wet treedt in werking op 1 november 2018.
  De Koning kan voor iedere bepaling ervan een datum van inwerkingtreding bepalen voorafgaand aan de datum vermeld in het eerste lid.
  Wat betreft vzw's, treden de artikelen 70, 71, 2°, en 257 in werking op een door de Koning te bepalen datum.
  De artikelen 15 tot 20, artikel 35 voor wat betreft de toepassing van de bepalingen van boek XX van het Wetboek van economisch recht en de artikelen 48, 215 tot 250 treden in werking op 1 mei 2018.
  De artikelen 6 en 7 treden in werking de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art. 260. La présente loi entre en vigueur au plus tard le 1er novembre 2018.
  Le Roi peut fixer pour chacune de ses dispositions une date d'entrée en vigueur antérieure à celle mentionnée à l'alinéa 1er.
  Les articles 70, 71, 2°, et 257 entrent en vigueur à une date fixée par le Roi pour ce qui concerne les ASBL.
  Les articles 15 à 20, l'article 35 pour l'application des dispositions du livre XX du Code de droit économique et les articles 48, 215 à 250 entrent en vigueur le 1er mai 2018.
  Les articles 6 et 7 entrent en vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge.