| [1 | Handelingen/werken/ installaties | | Omschrijving/eigenschappen | Vrijgesteld van een stedenbouwkundige vergunning | Met een geringe impact | Verplichte tussenkomst van een architect niet vereist |
| A | Wijziging van de bouwschil van een gebouw (isolatie, opgaande muren, dak, openingen) | 1 | De plaatsing van de materialen voor de bekleding van de opgaande muren en de bedekking van de daken vormen de bouwschil van het gebouw of de vervanging ervan door andere materialen om de vigerende energienormen onder de volgende voorwaarden te bereiken: a) de materialen hebben hetzelfde buitenaanzicht; b) de bijkomende laag bedraagt niet meer dan 0,30 m c) indien het goed valt onder de bepalingen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw betreffende de beschermde gebieden van sommige gemeenten inzake stedenbouw of betreffende de gebouwen in landelijk gebied, of de artikelen R.II.36-6 à R.II.36-9, D.II.37, § 4, R.II.37-3, R.II.37-4 et R.II.37-7 à R.II.37-9, R.II.37-11, R.II.37-12, stemmen de kleuren en materialen overeen met de betrokken aanduidingen en voorschriften. | x | | x |
| | 2 | [5 ...]5 | x | | x |
| | 3 | Beplanting van één of meer gevels die niet zichtbaar zijn vanaf de openbare weg of van één of meer groendakken op een bestaand gebouw of een bestaande installatie. | x | | x |
| | 4 | Het schilderen, bepleisteren, zandstralen of opnieuw voegen van een bestaand bouwwerk dat een wijziging van het bouwvolume of de architectuur als gevolg heeft. | | x | x |
| | 5 | De plaatsing of vervanging van materialen voor gevelbekledingen en dakbedekkingen door materialen voor bekledingen die niet voldoen aan de in de punten 1 tot en met 3 genoemde voorwaarden. | | x | x |
| | 6 | De vervanging van deuren of ramen in de opgaande muren of in de daken door deuren of ramen met als doel het bereiken van de vigerende energienormen. | x | | x |
| | 7 | Het sluiten, het maken of het wijzigen van openingen die zich bevinden in het dakvlak op maximum één verdieping en met in het totaal maximum één kwart van de lengte van de overeenstemmende gevel of het overeenstemmende dakvlak; het sluiten of wijzigen dient uitgevoerd te worden met hetzelfde materieel als dat van het dak. | x | | x |
| | 8 | Het sluiten, openen of wijzigen van deuren of openingen in de opgaande muren met in het totaal maximum één kwart van de lengte van de overeenstemmende opgaande muur voor zover: a) Het sluiten, openen of wijzigen niet uitgevoerd wordt in een opgaande muur gelegen op de rooilijn en/of waarvan het plan gericht is op de verbindingsweg van het betrokken hoofdgebouw; b) het sluiten of het wijzigen gebeuren met dezelfde bekledingsmaterialen als die voor de opgaande muur; c) elke opening of wijziging afzonderlijk op maximum één verdieping wordt uitgevoerd; d) als het goed valt onder een gewestelijk of gemeentelijke handleiding voor stedenbouw stemmen de handelingen en werken met de handeling overeen. | x | | x |
| | 9 | Het sluiten, openen of wijzigen van deuren en ramen die in totaal (alle openingen op hetzelfde niveau) niet meer dan een vierde van de lengte van de desbetreffende gevel of het desbetreffende dakvlak bedragen en die de in de punt 7 en 8 bedoelde voorwaarden niet vervullen. | | x | x |
| | 10 | De installatie of vervanging van schoorstenen of schoorsteenkanalen, regengoten of regenpijpen, afvoersystemen voor installaties zoals afzuigkappen en verwarmingsketels, op voorwaarde dat, wanneer het goed onderworpen is aan de bepalingen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw die betrekking hebben op de beschermde gebieden van bepaalde gemeenten op het gebied van stedenbouw of op gebouwen in landelijk gebied, de handelingen en werkzaamheden in overeenstemming zijn met deze handleiding. | x | | x |
| | 11 | De plaatsing of vervanging van de in punt 10 genoemde elementen die niet aan de voorwaarden voldoen. | | x | x |
| | 12 | De afbraak of het weghalen van de in de punten 10 en 11 bedoelde elementen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. | x | | x |
| B | Verbouwing van een bestaand gebouw | 1 | De vervanging van de dragende structuur van een dak zonder wijziging van het gebouwde volume en voor zover de punten A1 en A7 worden gerespecteerd. | x | | x |
| | 2 | De verbouwing zonder vergroting van een bestaand gebouw met het oog op de creatie van meerdere ruimten die niet bestemd zijn voor bewoning [4 of toeristische logiesverstrekkende inrichting]4, voor zover de handelingen en werken, in voorkomend geval, vermeld worden in de punten A1, A2, A3, A6, A7, A8 en A10. | x | | x |
| | 3 | De verbouwing zonder vergroting van een bestaand, niet in de punten 1 en 2 bedoeld gebouw, die geen gevolgen heeft voor de dragende structuur van het gebouw. | | x | x |
| | 4 | Verbouwing met vergroting van een bestaand gebouw overeenkomstig de decretale en reglementaire voorschriften van het gewestplan of overeenkomstig de normen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw om een ruimte in te richten die niet bestemd is voor bewoning [4 of toeristische logiesverstrekkende inrichting]4, voor zover volgende cumulatieve voorwaarden vervuld zijn: a) slechts één aanbouwvolume per goed en er is niet meer dan één veranda op het goed; b) de grondoppervlakte van de uitbreiding bedraagt hoogstens 40,00 m2 en is: i) ofwel een aanbouwvolume zonder verdieping en kelder; ii) ofwel de verlenging van het hoofdvolume en het zo gevormde geheel heeft geen verdieping en geen kelder; c) de uitbreiding wordt uitgevoerd met materialen in soortgelijke kleurtonen als die van het bestaande gebouw; d) de uitbreiding bevindt zich minstens 2 meter van de gemeenschappelijke grenzen. | x | | x |
| | 5 | De verbouwing van een bestaand gebouw dat voldoet aan de cumulatieve voorwaarden opgenomen in punt 4 en dat niet overeenstemt met de decretale en reglementaire voorschriften van het gewestplan of met de normen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw. | | | x |
| | 6 | Het plaatsen van een buitentrap | | x | x |
| | 7 | Het plaatsen/opstellen van een ventilatiesysteem of airconditioningsysteem. | | x | x |
| | 8 | De verbouwing van een ander bestaand gebouw dan dat bedoeld in punt 1 tot 7 voor zover de grondinneming van het [5 bestaande geheel]5 maximum verdubbeld wordt en de hoogte van de druiplijst en/of de hoogte van de dakopstand van het bestaande gebouw niet overschreden wordt. | | x | |
| | 9 | De afbraak of verwijdering van een aanbouwvolume, een buitentrap of een airconditioningsinstallatie voor zover het sloopafval afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. | x | | x |
| | | [2 10 | Handelingen en werken voor het herstellen van gebouwen of bouwwerken ten gevolge van een erkende natuurramp, onder de volgende cumulatieve voorwaarden: a) de handelingen en werken geschieden binnen 24 maanden na de bekendmaking van het besluit houdende erkenning van de natuurramp; b) de handelingen en werken worden minstens 15 dagen voordat ze worden aangevangen, aan het gemeentecollege meegedeeld; c) de handelingen en werken tasten de dragende structuur van het gebouw of bouwwerk niet aan; d) de handelingen en werken zijn in overeenstemming met de voorwaarden vermeld in punt A1; e) het sluiten, het maken of het wijzigen van openingen in het dakvlak geschiedt op maximum één verdieping en met dezelfde materialen als die van het dak; f) het sluiten, het maken of het wijzigen van openingen in opgaande muren voldoet aan de volgende cumulatieve voorwaarden: i) het sluiten of het wijzigen gebeurt met dezelfde bekledingsmaterialen als die van de opgaande muur; ii) elke opening of wijziging wordt afzonderlijk beschouwd en wordt op maximum één verdieping uitgevoerd; iii) als het goed valt onder een gewestelijke of gemeentelijke handleiding voor stedenbouw stemmen de handelingen en werken met die handleiding overeen. | x | | x |
| | | 11 | Het afbreken van vrijstaande gebouwen, constructies of installaties ten gevolge van een erkende natuurramp, onder de volgende cumulatieve voorwaarden: a) het afbreken geschiedt binnen 24 maanden na de bekendmaking van het besluit houdende erkenning van de natuurramp; b) het afbreken wordt minstens 15 dagen vóór aanvang aan het gemeentecollege meegedeeld; | x | | x |
| | | 12 | Het afbreken van niet-vrijstaande gebouwen, constructies of installaties ten gevolge van een erkende natuurramp, onder de volgende cumulatieve voorwaarden: a) het afbreken geschiedt binnen 24 maanden na de bekendmaking van het besluit houdende erkenning van de natuurramp; b) het afbreken geschiedt in het kader van een besluit van de burgemeester genomen bij hoogdringendheid met het oog op het verzekeren van de openbare veiligheid. | x | | x]2 |
| C | Veranda | 1 | Overeenstemmend met de decretale en reglementaire voorschriften van het gewestplan of met de normen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw. Slechts één per goed en er is niet meer dan één aanbouwvolume op het goed. Gelegen : leunt tegen een bestaand gebouw, aan de achterkant van dat gebouw ten opzichte van de openbare toegangsweg. Ligging : op minstens 2,00 meter van de gemeenschappelijke grens. Maximale oppervlakte van 40,00 m2. Volumetrie: zonder verdieping, plat dak of hellend dak met één of meer hellende vlakken Maximale hoogten berekend ten opzichte van het natuurlijk bodemniveau en voor zover het dakgootniveau kleiner is dan het dakgootniveau van het hoofdvolume onder de volgende cumulatieve voorwaarden: a) druiplijst: 3,00 m; b) nokhoogte: 5,00 m; c) in voorkomend geval, hoogte van de dakopstand: 3,20 m. Materialen : lichte structuur en wanden hoofdzakelijk van glas of van polycarbonaat zowel in de opgaande muren als in de daken | x | | x |
| | 2 | De bouw van een veranda met een maximale oppervlakte van 40,00 m2 die de in punt 1 bedoelde voorwaarden niet vervult | | x | x |
| | 3 | De afbraak van een veranda voor zover het sloopafval afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. | x | | x |
| D | Creatie van één of meerdere woningen [5 of toeristische logiesverstrekkende inrichtingen]5 | 1 | De creatie van een [5 van een of meerdere woningen of een of meerdere toeristische logiesverstrekkende inrichtingen]5 in een gebouw voor zover de verbouwingshandelingen en -werken de verplichte tussenkomst van een architect niet vereisen. | | x | x |
| | 2 | [5 ...]5 | | x | |
| E | Plaatsing van technische installaties en bouw of heropbouw van een bijgebouw zoals: * garage, * atelier, * poolhouse, * opslagplattform * geprefabriceerde gebouwen... | 1 | Overeenstemmend met de decretale en reglementaire voorschriften van het gewestplan of met de normen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw. Slechts één bijgebouw per goed. [4 Niet bestemd voor bewoning of toeristische logiesverstrekkende inrichting]4. Gelegen: * Behalve als het om een volume bestemd voor een motorvoertuig gaat, wordt het aan de achterkant van een bestaand gebouw opgericht. * Als het om een volume bestemd voor een motorvoertuig gaat, is dit volume rechtstreeks verbonden met de openbare weg en het gevelaanzicht aan de straatkant van het bijgebouw is niet gelegen verder dan het gevelaanzicht van het hoofdgebouw aan de achterkant. Ligging: op minstens 2 meter van de gemeenschappelijke grens. Maximale oppervlakte: 40,00 m2. Volumetrie: zonder verdieping, plat dak of hellend dak met één of meer hellende vlakken Maximale hoogten berekend ten opzichte van het natuurlijk bodemniveau, voor zover de dakgoot of de dakopstand op dezelfde hoogte is als de dakgoot of de dakopstand van het hoofdvolume onder de volgende cumulatieve voorwaarden: a) druiplijst: 2,50 m; b) nokhoogte: 3,50 m; c) in voorkomend geval, hoogte van de dakopstand: 3,20 m. Materialen: hout voor de opgaande muren of elk ander materiaal met dezelfde kleurschakering als die van het hoofdgebouw. | x | | x |
| | 2 | Plaatsing, verbouwing, vergroting van een technische installatie in de zin van artikel R.IV.1-2, tweede lid, met inbegrip van een kuip, die een functionele eenheid met de bestaande onderneming vormt. Hoogstens drie per goed. Gelegen : in een bedrijfsruimte. Ligging: a) niet gelegen tussen een hoofdgevel en een openbare weg; b) binnen een straal van 30,00 m van een legale bestaande installatie of een legaal bestaand gebouw; c) op minimum 20,00 m van elke andere woning dan die van de exploitant; d) op minimum 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen; e) op minimum 10,00 m van een waterloop; f) buiten de omtrek of de afzonderingsvoorziening van de bedrijfsruimte; g) de werken vereisen niet het vellen van bomen, hagen of alleeën in de zin van artikel D.IV.4. 11°. Maximale oppervlakte: de totale gecumuleerde oppervlakte van de plaatsing en uitbreiding van technische installaties die van de vergunning zijn vrijgesteld, bedraagt minder dan 100,00 m2. Hoogte : maximum 10,00 m en lager dan het hoogste gebouw op het goed. | x | | x |
| | 3 | Bouw, verbouwing, vergroting van een gebouw of plaatsing of verplaatsing van geprefabriceerde gebouwen, met inbegrip van de buitentrap, [4 niet bestemd voor bewoning of als toeristische logiesverstrekkende inrichting]4 [3 of toeristische logiesverstrekkende inrichting]3 en een functionele eenheid vormend met de bestaande onderneming. Gelegen: in een bedrijfsruimte. Ligging: a) niet gelegen tussen een hoofdgevel en een openbare weg; b) binnen een straal van 30,00 m van een legale bestaande installatie of een legaal bestaand gebouw; c) op minimum 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen; d) op minimum 10,00 m van een waterloop; e) buiten de omtrek of de afzonderingsvoorziening van de bedrijfsruimte; f) de werken vereisen niet het vellen van bomen, hagen of alleeën in de zin van artikel D.IV.4. 11°. Maximale oppervlakte: de gecumuleerde totale oppervlakte van de bouw, van de vergroting of van het geprefabriceerde gebouw vrijgesteld van vergunning bedraagt 75,00 m2. Volumetrie: één verdieping maximum, plat dak of dak met een hellend vlak of dak met meerdere hellende vlakken. Maximale hoogte van de dakopstand of van de nok: 7,00 m en lager dan of even hoog als het hoogste gebouw op het goed. Materialen: met dezelfde kleurschakering als die van de bestaande gebouwen. | x | | x |
| | 4 | De installatie van een opslagplatform, voor zover die geen merkbare wijziging van het bodemreliëf als gevolg heeft. Eén opslagplatform per goed. Gelegen: in een bedrijfsruimte. Ligging: a) niet gelegen tussen een hoofdgevel en een openbare weg; b) op minimum 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen; c) op minimum 10,00 m van een waterloop; d) buiten de omtrek of de afzonderingsvoorziening van de bedrijfsruimte; e) ze vereist niet het vellen van bomen, hagen of alleeën in de zin van artikel D.IV.4. 11°. Maximale oppervlakte: 75,00 m2. | x | | x |
| | 5 | De bouw van een bijgebouw of de plaatsing van een technische installatie die niet in de punten 1 tot en met 4 wordt bedoeld of die niet voldoet aan de in de punten 1 tot en met 4 bedoelde voorwaarden, die niet bestemd is voor [4 bewoning of als toeristische logiesverstrekkende inrichting]4 [3 of toeristische logiesverstrekkende inrichting]3 en die een functionele eenheid vormt met een of meer bestaande constructies, op voorwaarde dat de grondinneming van het zo gevormde geheel ten hoogste verdubbeld wordt. | | x | x |
| | 6 | De afbraak of de verwijdering van een bijgebouw, van een technische installatie, van een bouw of van een geprefabriceerd gebouw zoals bedoeld in de punten 1 tot 5 voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of de verwijdering afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. | x | | x |
| | | [5 7 | Oppervlakten uit beton of teer herstellen, als die werken betrekking hebben op een totale oppervlakte per goed van maximaal 20 m2. | | | |
| | | 8 | Oppervlakten uit beton of teer herstellen die niet voldoen aan de voorwaarde vermeld in punt 7. | | | |
| | | 9 | De afbraak of het weghalen van oppervlakten uit beton of teer voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving.]5 | | | |
| F | Carport, toegang en parkeerplaats | 1 | Eén carport per goed. Ligging: a) verbonden met de openbare weg; b) het gevelaanzicht mag niet hoger uitkomen dan het gevelaanzicht aan de achterkant van het hoofdgebouw Maximale oppervlakte: 40,00 m2. Volumetrie: plat dak of dak met één hellend vlak of dak met meerdere hellende vlakken Maximale hoogten: a) druiplijst: 2,50 m; b) nokhoogte: 3,50 m; c) in voorkomend geval, hoogte van de dakopstand: 3,20 m. Materialen: a) Structuur bestaande uit houten, betonnen of metalen palen of op pijlers met materialen vergelijkbaar met de bekleding van het bestaand gebouw of met dezelfde kleurschakering. b) dak met één of verschillende hellingen met materialen vergelijkbaar met die van het hoofdgebouw. | x | | x |
| | 2 | Elke andere carport die de in punt 1 bedoelde voorwaarden niet vervult | | x | x |
| | 3 | De verwijdering of de afbraak van de in punt 1 en 2 bedoelde carport voor zover het sloopafval afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. | x | | x |
| | 4 | De parkeerplaatsen in de open lucht en hun toegang tegen de volgende cumulatieve voorwaarden: a) [5 ze zijn gelegen in de omgeving van een legaal bestaand gebouw en vormen samen met dat gebouw een functionele eenheid]5 ; b) [5 ze zijn verbonden met de openbare weg; behalve in bedrijfsruimte mag de toegang maximaal 6 meter breed zijn]5; c) ze bestaan uit waterdoorlatende en onderbroken materialen; d) [5 ze hebben een maximale oppervlakte van: - 300,00 m2 in bedrijfsruimte; - 100,00 m2 in andere gebieden]5; e) zij vereisen geen significante wijziging van het bodemreliëf in de zin van artikel R.IV.4-3, punten 1° tot en met 5°, 7° tot en met 9°, 11°, 12° en 15°. | x | | x |
| | 5 | [5 de andere dan in punt 4 bedoelde toegangen en parkeerplaatsen in de open lucht]5 | | x | x |
| G | Tuinhuisje/berging | 1 | Slechts één tuinhuisje of berging per goed. Ligging: a) in de ruimtes van hoven en tuinen; b) ofwel niet-zichtbaar vanaf de openbare weg, ofwel gelegen aan de achterkant ten opzichte van de openbare toegangsweg. Ligging: minimum op 1,00 m van de gemeenschappelijke grenzen. Maximale oppervlakte: 20,00 m2. Volumetrie: dak met één hellend vlak of dak met meerdere hellende vlakken of plat dak. Maximale hoogten: a) druiplijst: 2,50 m; b) nokhoogte: 3,50 m; c) in voorkomend geval, hoogte van de dakopstand: 3,20 m. Materialen: van hout of elk ander materiaal met een kleurschakering gelijk aan het gebouw of de omgeving waarop het betrekking heeft. | x | | x |
| | 2 | De tuinhuisjes of bergingen die de in punt 1 bedoelde voorwaarden niet vervullen. | | x | x |
| | 3 | De verwijdering of de afbraak van de in punt 1 en 2 bedoelde tuinhuisjes of bergingen voor zover het sloopafval afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. | x | | x |
| H | Zwembad/zwemvijver | 1 | Opbouwzwembad of zelfdragend zwembad: Gelegen in de ruimtes van hoven en tuinen, niet-zichtbaar vanaf de openbare weg. Ligging: minimum op 1,00 m van de gemeenschappelijke grenzen. | x | | x |
| | 2 | Geheel of gedeeltelijk ingegraven zwembad, alsook elke veiligheidsinrichting met een maximale hoogte van 2,00 m rond het zwembad: a) slechts één per goed; b) al dan niet overdekt door een lichte, uitschuifbare telescopische zwembadoverkapping waarmee de oppervlakte bedekt wordt voor zover de nokhoogte kleiner is dan 3,50 m; c) voor privé-doeleinden; d) de afgegraven aarde voor [5 het zwembad]5 brengt geen enkele merkbare wijziging mee van het natuurlijke bodemreliëf in de zin van artikel R.IV.4-3 op de rest van het goed. Gelegen in de ruimtes van hoven en tuinen, niet-zichtbaar vanaf de openbare weg. Ligging: Watervlak minimum op 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen. Maximale oppervlakte (watervlak): 75,00 m2 | x | | x |
| | | 2.1 | Zwemvijver: a) slechts één per goed; b) niet overdekt; c) voor privé-doeleinden; d) de voor deze zwemvijver afgegraven aarde brengt geen enkele merkbare wijziging mee van het natuurlijke bodemreliëf in de zin van artikel R.IV.4-3 op de rest van het goed. Gelegen in de ruimtes van hoven en tuinen, niet-zichtbaar vanaf de openbare weg. Ligging: Watervlak minimum op 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen. Maximale oppervlakte (totale oppervlakte zwemgedeelte en filtergedeelte): 100,00 m2 | x | | x |
| | 3 | De zwembaden of zwemvijvers die de in de punten 1, 2 en 2.1 bedoelde voorwaarden niet vervullen. | | x | x |
| | 4 | Het weghalen, de afbraak of de opvulling van de in de punten 1 tot 3 bedoelde zwembaden of zwemvijvers, voor zover het sloopafval afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving en voor zover de opvullingen met de vigerende wetgeving overeenstemmen. | x | | x |
| I | [5 Vijver]5 | 1 | Slechts één per goed. Ligging: buiten een locatie die erkend is krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud (met uitzondering van een beheermaatregel ''BE5-verbindingsweide'' of ''B11-akkerland'' en antropogene elementen in een Natura 2000-locatie). Ligging: Watervlak minimum op 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen. Maximale wateroppervlakte: 100,00 m2. [5 Minstens een derde van de oever is zeer zacht hellend (< 30°).]5 De afgegraven aarde voor [5 de vijver]5 brengt geen enkele merkbare wijziging mee van het natuurlijke bodemreliëf in de zin van artikel R.IV.4-3 op de rest van het goed. Met uitzondering van [5 ...]5 vijvers in de ruimtes van hoven en tuinen moet het wateroppervlak door boombeplanting gedeeltelijk in de schaduw liggen. | x | | x |
| | 2 | De vijvers [5 ...]5 die de in punt 1 bedoelde voorwaarden niet vervullen. | | x | x |
| | 3 | De verwijdering of de opvulling van de vijvers [5 ...]5 bedoeld in punt 1 voor zover de opvullingen met de vigerende wetgeving overeenstemmen. | x | | x |
| J | Inrichtingen, accessoires en meubilair | 1 | Het plaatsen van luifels, zonneschermen of daken van een terras op de begane grond, aangrenzend of geïsoleerd. Gelegen in de ruimtes van hoven en tuinen. Maximale hoogte: 3,50 m. Maximale totale oppervlakte van al deze inrichtingen: 40,00 m2. Ligging: minimum op 2,00 m van de gemeenschappelijke grenzen. | x | | x |
| | 2 | Het plaatsen van in de bodem verankerd of ingebouwd tuinmeubilair zoals banken, tafels, stoelen, open haarden of barbecues, vuilnisemmers, compostbakken, pergola's of zuilen, plantenbakken, sierfonteinen, watertuinen, kinderspelletjes, structuren voor leibomen. Het plaatsen van lantaarn- en verlichtingspalen zodat de op de grond vallende lichtbundel van de lampen niet over de gemeenschappelijke grenzen heen straalt. De speel- en sportterreinen uit waterdoorlatende materialen en de apparaten die strikt nodig zijn voor het gebruik van die terreinen. Gelegen ofwel in de ruimtes van hoven en tuinen, ofwel in de omgeving van een gebouw gelegen in een voor bebouwing bestemd gebied dat een functionele eenheid vormt met dat gebouw. Maximale hoogte: 3,50 m. | x | | x |
| | 3 | | x | | x |
| | | 3.1 | [5 Aanleg van graveltuinen met maximaal 8 m2 bedekte tuinoppervlakte per goed (buiten de wegen). ]5 | x | | x |
| | | 3.2 | [5 Aanleg van graveltuinen met een totale oppervlakte per goed van meer dan 8 m2 (buiten de wegen).]5 | | x | x |
| | 4 | Het plaatsen van plantenserres die een maximale oppervlakte van 20,00 m2 hebben. | x | | x |
| | 5 | Zolang ze het goed niet afbakenen: a) De aanleg van afsluitingen die bestaan uit met elkaar verbonden palen met draad of draadgaas met brede mazen, eventueel bevestigd op een betonplaat of een muurtje met een maximumhoogte van 0,70 m, ofwel uit met elkaar verbonden palen met horizontale dwarsstukken, ofwel uit palissades van hout, ofwel uit schanskorven met een maximale dikte van 20,00 cm en de installatie van deuren, poorten of hekjes met een maximale hoogte van 2,00 m b) de bouw en de wijziging van steunmuren, met inbegrip van schanskorven, met een maximale hoogte van 0,70 m; c) de bouw en de wijziging van muren met een maximale hoogte van 2,00 m die niet zichtbaar zijn vanaf de openbare weg of die ten opzichte van de openbare toegangsweg aan de achterkant van het gebouw liggen. | x | | x |
| | 6 | De in de bodem verankerde of ingebouwde [5 installaties]5, accessoires, tuinmeubilair, niet bedoeld in de punten 1 tot 5 of die de in de punten 1 tot 5 bedoelde voorwaarden niet vervullen. | | x | x |
| | 7 | De afbraak, de verwijdering of het weghalen van de in de punten 1 en 6 bedoelde elementen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak, de verwijdering of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. | x | | x |
| K | Microwoningen in de zin van het Waals Wetboek van Duurzaam Wonen | 1 | De plaatsing van de geprefabriceerde of als kit geleverde microwoningen. | | | x |
| | 2 | De plaatsing van microwoningen niet bedoeld in punt 1 voor zover zij : a) zonder verdieping zijn; b) een oppervlakte van minder dan 40,00 m2 hebben; c) een maximale hoogte van 2,50 m onder een kroonlijst hebben, 3,50 m op de nok en, indien van toepassing, 3,20 m aan de dakopstand. | | | x |
| L | Hernieuwbare energieën Modules voor de productie van elektriciteit of warmte | 1 | [5 Hernieuwbare energieën Modules voor de productie van elektriciteit of warmte <td>1 <td>1° Het plaatsen van een of meer modules voor de productie van elektriciteit of warmte met zonne-energie als energiebron en de bijbehorende energieopslaginstallatie, voor zover ze daarmee verbonden is en op hetzelfde goed gelegen is, zoals bijvoorbeeld een batterij: a) ofwel geïntegreerd in of aangebracht op een wettelijk bestaand gebouw, ofwel op de gevel of op het dak; b) ofwel aangebracht op een wettelijk bestaande kunstmatige structuur, zoals een straat, een parkeerterrein, een spoorweg, een perron, een opslagplaats voor materialen of goederen, met uitzondering van kunstmatige watervlakken. 2° Het vervangen van een of meer wettelijk bestaande modules voor de productie van elektriciteit of warmte met zonne-energie als energiebron, als dat geen extra plaats inneemt en overeenstemt met de geldende milieumaatregelen die voor de oorspronkelijke installatie zijn vastgelegd. 3° Het plaatsen van een warmtepomp (met inbegrip van geothermische warmtepompen) met een stroomcapaciteit van minder dan 50 MW en een maximale diepte van 500 meter: a) ofwel in een wettelijk bestaand gesloten bouwwerk; b) ofwel met een geluiddempende omkasting en op minstens 2 meter afstand van de gemeenschappelijke grenzen. 4° Het plaatsen van een warmtepomp (met inbegrip van geothermische warmtepompen) met een stroomcapaciteit van hoogstens 12 kW: a) op minstens 2 meter afstand van de gemeenschappelijke grenzen; b) en ofwel met een geluiddempende omkasting, ofwel op 15 meter van het volgende woongebouw gelegen (met uitzondering van het eigen woongebouw).]5 | x | | x |
| | | [5 1.1 | Het plaatsen van een warmtepomp van maximaal 300 kW die niet voldoet aan de voorwaarden vermeld in punt 1. <td><td>x <td>x </table></PRE>24° in regel L2 van de nomenclatuur worden de woorden | | | |
| | 2 | Het plaatsen van één of meer modules voor de productie van elektriciteit of warmte uit een hernieuwbare energiebron waarmee op hetzelfde goed gelegen bouwwerken, installaties of gebouwen rechtstreeks bevoorraad worden en die de voorwaarden bedoeld in punt 1 niet vervullen. | | x | x |
| | 3 | De verwijdering of het weghalen van de in de punten 1 en 2 bedoelde elementen, voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak, de verwijdering of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. | x | | x |
| M | Omheiningen | 1 | Het plaatsen van doorzichtige afsluitingen met een maximale hoogte van 2,00 m die ofwel bestaan uit palen die met elkaar verbonden zijn door draad of draadgaas en met eventueel een hoogstens 0,70 m hoge betonplaat of muur als basis, of die met elkaar verbonden zijn door houten verbindingselementen. De bouw of de wijziging van steunmuren van minder dan 0,70 m hoog, met inbegrip van schanskorven; Het plaatsen van deurtjes, hekjes of poorten met een maximumhoogte van 2,00 meter waardoor een breed gezicht op het goed mogelijk blijft. | x | | x |
| | 2 | Het plaatsen van afsluitingen, deurtjes, poorten of hekjes die de voorwaarden bedoeld in punt 1 niet vervullen of die niet bedoeld zijn in punt 1. | | x | x |
| | 3 | De bouw of de wijziging van steunmuren met een hoogte van meer dan 0,70 m of afsluitingsmuren in de omgeving van een legaal bestaand gebouw of een legaal bestaande installatie. | | x | x |
| | 4 | De afbraak of het weghalen van de in de punten 1 tot 4 bedoelde elementen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. | x | | x |
| N | Hokken voor één of meerdere dieren met inbegrip van de bijenstallen en mestvloeren | 1 | Een of meerdere bijenstallen per goed. Onverminderd de toepassing van de bepalingen bedoeld in het Landbouwwetboek en de integrale voorwaarden genomen krachtens het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning | x | | x |
| | 2 | Een of meerdere hokken voor dieren per goed. Gelegen in de ruimtes van hoven en tuinen. Ligging: a) minimum op 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen b) bij grote dieren op minimum 20,00 m van elke naburige woning c) bij grote dieren niet gelegen in de zichtlijn die loodrecht staat op de achtergevel van een naburige woning. Maximale totale oppervlakte van alle hokken voor dieren op het goed: 25,00 m2 voor één of meerdere hokken. Volumetrie: zonder verdieping; een dak met één helling, een dak met twee hellingen met dezelfde hellingsgraad en lengte of een plat dak. Maximale hoogte berekend ten opzichte van het natuurlijk bodemniveau: a) druiplijst: 2,50 m; b) nokhoogte: 3,50 m; c) in voorkomend geval, hoogte van de dakopstand: 3,20 m. Materialen: hout of traliewerk of vergelijkbaar met de materialen van het bestaande hoofdgebouw. Onverminderd de toepassing van de bepalingen bedoeld in het Landbouwwetboek en de integrale en sectorale voorwaarden genomen krachtens het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning | x | | x |
| | 3 | De aanleg van een mestvloer. Gelegen ten minste 20,00 m van een andere woning dan die op het goed. Ligging: op een afstand van minimum 10,00 m van de gemeenschappelijke grenzen. Hoogte: op de begane grond. Maximale oppervlakte: 10,00 m2. | x | | x |
| | | 3.1 | De aanleg van een mestvloer die de voorwaarden van punt 3 niet vervult. | | x | x |
| | 4 | De plaatsing of de bouw van hokken voor dieren die de voorwaarden van de [5 punt 2]5 niet vervullen [5 , waarbij de maximale totale oppervlakte van alle hokken voor dieren op het goed hoogstens 100 m2 bedraagt]5. | | x | x |
| | | [5 4.1 | De plaatsing of de bouw van hokken voor dieren die de voorwaarden van punt 2 of 4 niet vervullen.]5 | | | |
| | 5 | De afbraak en het weghalen van de in de punten 1 en 4 bedoelde hokken,[5 bijenstallen]5 en mestvloeren voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. | x | | x |
| O | Landbouwbedrijven | 1 | De bouw van geheel of gedeeltelijk ingegraven opslagsilo's, voor zover de bovenhoogte van de steunmuren niet meer dan 2,00 m boven het niveau van het natuurlijk bodemreliëf uitstijgt | | x | x |
| | 2 | De aanleg van een mestvloer. Gelegen op minimum 20,00 m van elke andere woning dan die van de exploitant. Ligging: op een afstand van minimum 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen. Hoogte: de bovenhoogte van de mestvloer of van de steunmuren bedraagt niet meer dan 2,00 m boven het niveau van het natuurlijke bodemreliëf. | | x | x |
| | 3 | Het plaatsen van geheel of gedeeltelijk ingegraven watertanks of giersilo's. Gelegen op minimum 20,00 m van elke andere woning dan die van de exploitant en buiten het woongebied. Ligging: a) op minimum 10,00 m van elke bevaarbare of niet-bevaarbare waterloop; b) op minimum 3,00 m van het openbaar domein. Hoogte: De bovenhoogte van de steunmuren bedraagt niet meer dan 0,70 m. | | x | x |
| | | 3.1 | Het plaatsen van een flexitank voor vloeibare mest, per bedrijf en per seizoen, voor een maximumduur van vier maanden, voor zover het goed na afloop van die termijn in zijn oorspronkelijke toestand hersteld wordt. | x | | x |
| | | 3.2 | Het plaatsen van flexitanks voor vloeibare mest die de voorwaarden van punt 3.1 niet vervullen. | | x | x |
| | 4 | Het plaatsen van tunnelserres bestemd voor de teelt van de landbouw- en tuinbouwgewassen en die na de teelt worden weggehaald. | x | | x |
| | 5 | Anti-hagelnetten die een in de grond verankerde structuur impliceren en het plaatsen van [5 tunnelserres met een maximale totale oppervlakte op het goed van hoogstens 100 m2]5 die de in de punten 1 tot 4 bedoelde voorwaarden niet vervullen. | | x | x |
| | | [5 5.1 | Antihagelnetten en het plaatsen van tunnelserres die de in punt 4 of 5 bedoelde voorwaarden niet vervullen.]5 | | | |
| | 6 | Het plaatsen van een installatie voor waterwinning in een niet-bevaarbare of niet-ingedeelde waterloop die uitsluitend bestemd is voor het drinken van vee | x | | x |
| | | 6.1 | Het plaatsen van veepassages over onbevaarbare waterlopen, voor zover noch de bedding, noch de oever veranderd worden en voor zover een voorafgaande schriftelijke vergunning werd aangevraagd bij de beheerder van de waterloop en - in een krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud erkend gebied - bij de luidens die wet bevoegde overheid. De passages dienen uitsluitend om vee te laten oversteken (geen machines). Maximale breedte: 3,00 m | x | | x |
| | 7 | De afbraak en het weghalen van de in de punten 1 tot 6 bedoelde elementen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. | x | | x |
| P | Tijdelijke bouwwerken en installaties | 1 | De tijdelijke constructies voor de installatie van bouwplaatsen voor toegelaten handelingen en werken, met inbegrip van refters, onderkomens en sanitair evenals de ontvangstpaviljoenen, tijdens de duur van de handelingen en werken en voor zover de bouwplaats onafgebroken plaatsvindt. | x | | x |
| | 2 | Het plaatsen van installaties met een sociaal, cultureel, sportief of recreatief karakter met inbegrip van de desbetreffende parkeerplaatsen in de openlucht voor een maximumduur van negentig dagen voor zover het goed na afloop van die termijn in zijn oorspronkelijke toestand hersteld wordt. | x | | x |
| | 3 | De plaatsing van commerciële installaties, op het openbaar domein, of op het private domein op voorwaarde dat ze verbonden zijn met een bestaande activiteit, met inbegrip van de bijbehorende buitenparkeerplaatsen, voor een periode van maximaal zestig dagen, op voorwaarde dat de installaties voldoen aan de gemeentelijke en gewestelijke handleiding voor stedenbouw en dat op het einde van de periode het goed terugkeert in zijn oorspronkelijke staat. | x | | x |
| | 4 | Het tijdelijk plaatsen van installaties die nodig zijn om een ontheemde activiteit onder te brengen, voor de duur van de handelingen en werken waarvoor een vergunning vereist is, op voorwaarde dat de werkzaamheden ononderbroken worden voortgezet en dat na het verrichten van de handelingen en werken of het verstrijken van de vergunning de installaties worden verwijderd. | x | | x |
| | | [2 4.1 | Ten gevolge van een erkende natuurramp en gedurende hoogstens 24 maanden na de bekendmaking van het besluit houdende erkenning van de natuurramp, de tijdelijke plaatsing van installaties op het openbaar domein die een openbare dienst of een activiteit van algemeen belang in de zin van artikel D.IV.22, eerste lid, 7°, of een activiteit van openbaar nut in de zin van artikel R.IV.22-2, 17°, huisvesten. De vergunning voor het gebruik van het openbaar domein wordt vooraf aangevraagd. Aan het einde van de periode keert het terrein terug in zijn oorspronkelijke staat. | x | | x |
| | | 4.2 | Ten gevolge van een erkende natuurramp en gedurende hoogstens 24 maanden na de bekendmaking van het besluit houdende erkenning van de natuurramp, de tijdelijke plaatsing van installaties, met inbegrip van parkeerplaatsen, op privaat domein die een openbare dienst of een activiteit van algemeen belang in de zin van artikel D.IV.22, eerste lid, 7°, of een activiteit van openbaar nut in de zin van artikel R.IV.22-2, 17°, huisvesten, onder de volgende cumulatieve voorwaarden: a) het gaat om de verplaatsing van een activiteit die in de gemeente bestaat; b) het gaat om een gebied dat is bestemd voor bebouwing in de zin van artikel D.II.23; c) het gaat niet om een terrein of een gedeelte van een terrein dat blootgesteld is aan een risico in de zin van artikel D.IV.57, eerste lid, 3°, of dat blootgesteld is aan een risico van geconcentreerd afvloeiend water, namelijk een natuurlijke as van geconcentreerd afvloeiend water; d) het gaat niet om een terrein of deel van een terrein dat in de laatste vijf jaar overstroomd is geweest; e) het gaat niet om een terrein of deel van een terrein dat het risico op een zwaar ongeval in de zin van het decreet van het Waals Gewest van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning kan vergroten of de gevolgen van zo'n ongeval kan verergeren; f) het gaat niet om een locatie die krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud erkend is, noch om een biologisch zeer waardevolle locatie zoals vermeld op de cartografische portaalsite van de Waalse Overheidsdienst; g) aan het einde van de periode keert het terrein terug in zijn oorspronkelijke staat. | x | | x |
| | | 4.3 | Ten gevolge van een erkende natuurramp en gedurende hoogstens 24 maanden na de bekendmaking van het besluit houdende erkenning van de natuurramp, de tijdelijke plaatsing - op het openbaar domein - van commerciële installaties of installaties waar de activiteit van een zelfstandige of een onderneming wordt uitgeoefend, op voorwaarde dat de activiteit in de gemeente bestaat en verplaatst werd. De vergunning voor het gebruik van het openbaar domein wordt vooraf aangevraagd. Aan het einde van de periode keert het terrein terug in zijn oorspronkelijke staat. | x | | x |
| | | 4.4 | Ten gevolge van een erkende natuurramp en gedurende hoogstens 24 maanden na de bekendmaking van het besluit houdende erkenning van de natuurramp, de tijdelijke plaatsing - op privédomein - van commerciële installaties of installaties waar de activiteit van een zelfstandige of een onderneming wordt uitgeoefend, met inbegrip van de bijbehorende parkeerplaatsen in open lucht, onder de volgende cumulatieve voorwaarden: a) het gaat om de verplaatsing van een activiteit die in de gemeente bestaat; b) het gaat om een gebied dat is bestemd voor bebouwing in de zin van artikel D.II.23; c) het gaat niet om een terrein of een gedeelte van een terrein dat blootgesteld is aan een risico in de zin van artikel D.IV.57, eerste lid, 3°, of dat blootgesteld is aan een risico van geconcentreerd afvloeiend water, namelijk een natuurlijke as van geconcentreerd afvloeiend water; d) het gaat niet om een terrein of deel van een terrein dat in de laatste vijf jaar overstroomd is geweest; e) het gaat niet om een terrein of deel van een terrein dat het risico op een zwaar ongeval in de zin van het decreet van het Waals Gewest van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning kan vergroten of de gevolgen van zo'n ongeval kan verergeren; f) het gaat niet om een locatie die krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud erkend is, noch om een biologisch zeer waardevolle locatie zoals vermeld op de cartografische portaalsite van de Waalse Overheidsdienst; g) aan het einde van de periode keert het terrein terug in zijn oorspronkelijke staat. | x | | x |
| | | 4.5 | Ten gevolge van een erkende natuurramp en gedurende hoogstens 24 maanden na de bekendmaking van het besluit houdende erkenning van de natuurramp, de tijdelijke plaatsing - door of in opdracht van de gemeenten, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn of de openbare huisvestingsmaatschappijen - van microwoningen met het oog op de huisvesting van de slachtoffers van die ramp, onder de volgende cumulatieve voorwaarden: a) het gaat om een gebied dat is bestemd voor bebouwing in de zin van artikel D.II.23; b) het gaat niet om een terrein of een deel van een terrein dat blootgesteld is aan een risico in de zin van artikel D.IV.57, eerste lid, 3°, of dat blootgesteld is aan een risico van geconcentreerd afvloeiend water, namelijk een natuurlijke as van geconcentreerd afvloeiend water; c) het gaat niet om een terrein of deel van een terrein dat in de laatste vijf jaar overstroomd is geweest; d) het gaat niet om een terrein of deel van een terrein dat het risico op een zwaar ongeval in de zin van het decreet van het Waals Gewest van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning kan vergroten of de gevolgen van zo'n ongeval kan verergeren; e) het gaat niet om een locatie die krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud erkend is, noch om een biologisch zeer waardevolle locatie zoals vermeld op de cartografische portaalsite van de Waalse Overheidsdienst; f) aan het einde van de periode keert het terrein terug in zijn oorspronkelijke staat. | x | | x]2 |
| | 5 | De verwijdering of het weghalen van de in de [2 punten 1 en 4 tot 4.5]2 bedoelde elementen, voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak, de verwijdering of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. | x | | x |
| Q | Uithangborden en reclamezuilen | 1 | Het plaatsen van één of meer uithangborden of reclamezuilen | | x | x |
| | 2 | De verwijdering of het weghalen van de in punt 1 bedoelde uithangborden en reclamezuilen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak, de verwijdering of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. | x | | x |
| R | Hoogzitten en uitkijkposten | 1 | In bosgebied, in gebied aanpalend aan bosgebied en in landbouwgebied, de houten of uit mat metaal gemaakte hoogzitten en andere uitkijkposten bedoeld in artikel 1, § 1, 9°, van de jachtwet van 28 februari 1882. Maximale bruikbare oppervlakte: 4,00 m2 | x | | x |
| | | 1.1 | Hoogzitten en uitkijkposten in bosgebied, in het gebied aanpalend aan het bosgebied en in landbouwgebied die de voorwaarden van punt 1 niet vervullen | | x | x |
| | 2 | De verwijdering van de hoogzitten en uitkijkposten bedoeld in punt 1 of punt 1.1 voor zover de afval voortvloeiend uit het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. | x | | x |
| S | Bomen, hagen en wijziging van de beplanting | 1 | De bebossing of de ontbossing | | x | x |
| | 2 | Onverminderd artikel R.IV.4-4, de kerstbomenteelt | | x | x |
| | 3 | Voor zover artikel D.IV.4, eerste lid, 11°,een rol speelt: het kappen van een haag over een doorlopende lengte van minder dan 2,50 m om één enkele toegang tot een bestaande woning te creëren. | x | | x |
| | 4 | Het vellen van hoogstammige alleenstaande bomen, van een haag of het vellen van een, meerdere of alle bomen van een allee in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 11°. | | x | x |
| | 5 | Het vellen, het toebrengen van schade aan het wortelstelsel of de wijziging van het aspect van een waardevolle boom, struik of haag in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 12°. | | x | x |
| | 6 | Het rooien of wijzigen van de beplanting in elk gebied bedoeld in artikel R.IV.4-11. | | x | x |
| | 7 | Het vellen van bomen bedoeld in de punten 4 tot 6 dat het voorwerp uitmaakt van een besluit van de burgemeester genomen bij hoogdringendheid met het oog op het verzekeren van de openbare veiligheid. | x | | x |
| T | Wijziging van het bodemreliëf | 1 | De merkbare wijziging van het bodemreliëf voor het boren of nemen van bodemmonsters in het kader van een geotechnisch onderzoek, een geologische prospectie- of bodemverontreinigingsonderzoek. | x | | x |
| | 2 | [5 De merkbare wijziging van het bodemreliëf in de zin van artikel R.IV.4-3 binnen een straal van 30,00 m van een legaal bestaand bouwwerk dat of legaal bestaande installatie die op hetzelfde goed gelegen is.]5 | | x | x |
| | 3 | Voor de uitvoering van een actieprogramma voor rivieren door middel van een geïntegreerde en sectorale aanpak als bedoeld in artikel D. 33/3 van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt: a) opvulmateriaal of uitgegraven materiaal dat niet meer dan 50,00 centimeter hoog is en dat zich op een maximale afstand van 6,00 m van de top van de oever van een waterloop bevindt, ook in gebieden waar gevaar voor overstroming bestaat; b) het storten en verspreiden van producten die het gevolg zijn van de ruimingswerken van een waterloop | x | | x |
| U | [5 Gebruik van een terrein voor opslag en voor mobiele installaties | 1 | Een terrein gebruiken voor het plaatsen van een of meer mobiele installaties in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 15°, b), om kampeerterreinen op de hoeve te creëren]5 | x | | x |
| | 2 | [5 Een terrein doorgaans gebruiken voor: - de opslag van een of meerdere afgedankte wagens, schroot, materialen of afvalstoffen; - de plaatsing van een of meer mobiele installaties, zoals reclameaanhangwagens, huifkarren, caravans, afgedankte voertuigen of tenten, met uitzondering van mobiele verblijven in de zin van het decreet van 23 januari 2017 ter bevordering van het toerisme.]5 | | x | x |
| V | Structuur die als toeristische en vrijetijdslogies dient | 1 | [5 De plaatsing van een of meer gemakkelijk te demonteren en te vervoeren structuren voor toeristisch verblijf die bestemd zijn voor tijdelijk of seizoensgebonden gebruik, voor zover is voldaan aan de volgende cumulatieve voorwaarden: a) het mobiele verblijf heeft een maximale oppervlakte van 50,00 m<sup>2</sup>; b) de plaatsing of constructie ervan vereist geen belangrijke wijziging van het bodemreliëf; c) het is gelegen op een kampeerterrein in de zin van het decreet van 23 januari 2017 ter bevordering van het toerisme.]5 | x | | x |
| | 2 | De bouw van een terras met of zonder balustrade dat voldoet aan de voorwaarden van artikel 249 BWR, eerste lid, 3° en tweede lid van het Waalse Wetboek van Toerisme op een toeristisch kampeerterrein. | x | | x |
| | 3 | [5 De bouw of plaatsing per goed van een blokhut of een tent of een tipi of een joert of een luchtbel in een bosgebied.]5 | | x | x |
| | 4 | Het weghalen of de afbraak van de in de punten 1 tot 3 bedoelde toeristische of vrijetijdslogies, terrassen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. | x | | x |
| W | Handelingen en werken op het openbaar domein van de weg, spoorwegen en waterlopen | 1 | Voor zover de wegbedding niet verbreed wordt, de hernieuwing van de funderingen en de verharding van de wegen, bermen, boorden, trottoirs, eilandjes en openbare plaatsen uitgezonderd de veranderingen van verhardingen bestaande uit natuursteen en, voor openbare plaatsen, voor zover dat de handelingen en werken niet leiden tot een toename van de oppervlakte van de verhardingen van ondoordringbaar materiaal. | x | | x |
| | 2 | De plaatsing, de hernieuwing, de verplaatsing of de verwijdering van de bijkomende elementen zoals de radarinstallaties, relingen, de beveiligingsconstructies en de schampranden, met uitzondering van de steunmuren en de geluidsschermen. | x | | x |
| | 3 | De plaatsing, de verplaatsing, de verbouwing, de uitbreiding, of de verwijdering van vloeistofnetwerken (met een druk van ten hoogste 20 bar voor gas), energie (met een spanning van ten hoogste 70 KV voor elektriciteit) en telecommunicatienetwerken die in het publieke domein zijn aangebracht, verankerd, ondersteund of overhangend, met inbegrip van privé-aansluitingen, hulpelementen en bijbehorende uitrusting zoals palen, technische kasten, pylonen en palen met een maximale hoogte van 14,00 meter. | x | | x |
| | 4 | De tijdelijke weginrichtingen met een maximale duur van vijf jaar [2 , met inbegrip van kunstwerken die wegen of een spoorlijn dragen]2. | x | | x |
| | 5 | De werken voor de aanleg van ruimten voor voetgangers, personen met een verminderde beweeglijkheid of fietsers en waarbij de plaatselijke creatie of verruiming van die ruimten, de verbetering van hun esthetisch aspect of de veiligheid van de gebruikers wordt beoogd, ongeacht of deze werkzaamheden al dan niet leiden tot een versmalling van de wegbedding. | x | | x |
| | 6 | Het plaatsen of vernieuwen van klein stadmeubilair zoals banken, tafels, stoelen, vuilnisemmers, lantaarn- en verlichtingspalen, plantenbakken, fonteintjes, elektrische aansluitpunten, containers, al dan niet ingegraven en bestemd voor de ophaling van huishoudelijke en daarmee gelijkgestelde afval. | x | | x |
| | 7 | De werken voor de inrichting van de ruimtes bestemd voor de beplantingen. | x | | x |
| | 8 | De plaatsing, de verplaatsing of het weghalen van de signalisatie-elementen : a) de verkeersborden, met inbegrip van de steunstructuren en portalen, evenals van de bescherming ervan tegenover het verkeer; b) de vaste of mobiele installaties waarbij het verkeer, het parkeren of de snelheid beperkt worden; c) de installaties voor de controle op het parkeren zoals parkeermeters of parkeerautomaten; d) de niet-overdekte installaties voor het parkeren van tweewielers; e) de bijkomende technische al dan niet ondergrondse installaties zoals kasten voor de elektrische bediening van verkeerslichten of van de openbare verlichting, praatpalen, brandpalen en bedieningskasten voor teledistributie. | x | | x |
| | 9 | De plaatsing, de verplaatsing of het weghalen van inrichtingen voor de openbare verlichting. | x | | x |
| | 10 | Voor zover ze niet onderworpen worden aan de bepalingen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw betreffende de beschermde gebieden van sommige gemeente inzake stedenbouw, de plaatsing, de verplaatsing of het weghalen van de volgende reclameborden: a) de aanplakzuilen waarvan de schacht met een diameter van maximum 1,20 m beperkt blijft tot 3,50 m hoogte; b) de aanplakborden op voeten waarvan de maximale hoogte en breedte respectievelijk niet meer dan 2,50 m en 1,70 m bedragen en waarvan de bruikbare oppervlakte niet meer dan 4 m2 per vlak bedraagt. | x | | x |
| | 11 | Het aanbrengen of de wijziging van de wegmarkeringen. | x | | x |
| | 12 | De plaatsing, de verplaatsing of het weghalen van verkeersdrempels. | x | | x |
| | 13 | Het aanbrengen, verwijderen of hernieuwen van funderingen en inrichtingen voor het gebruik van de wegen en de openbare vervoerslijnen zoals rails, verbindingen, ballast, palen van bovenleidingen, signalen, portieken, hokjes, bedieningskasten voor verkeersborden of palen voor bus- of tramhaltes voor reizigers. | x | | x |
| | 14 | Het plaatsen van een seizoensgebonden openluchtterras in de horecasector. | x | | x |
| | 15 | De hokjes voor de reizigers bij de haltes van het openbaar vervoer. | x | | x |
| | 16 | De plaatsing of de verplaatsing van brievenbussen. | x | | x |
| | 17 | De plaatsing, de verplaatsing of het weghalen van beelden, gedenktekens en andere kunstwerken geplaatst door de overheid of op bevel van de overheid. | x | | x |
| | 18 | Het aanleggen, vernieuwen of verwijderen van kunstwerken voor de bescherming van de oevers in een niet-bevaarbare waterloop, met uitzondering van gemetselde muren, op een lengte van niet meer dan 100,00 m en een maximale hoogte van 2,00 m. | x | | x |
| | | [2 19 | De installatie van technische apparatuur voor de controle van waterlopen. | x | | x |
| | | 20 | In gebieden die getroffen werden door een erkende natuurramp en op voorwaarde dat de werken op significante wijze zijn aangevat binnen een termijn van drie jaar na de bekendmaking van het besluit houdende erkenning van de natuurramp, handelingen en werken voor de heropbouw van bruggen, met inbegrip van de werken voor de dragende structuur, het herstel van rivieroevers of van het rivierbed van een waterloop of voor het herstel van stuwdammen en hun installaties, voor zover de lokalisatie van de installaties onveranderd blijft en maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat de verschillende gebruikers ze kunnen blijven gebruiken. | x | | x |
| | | 21 | In gebieden die getroffen werden door een erkende natuurramp en op voorwaarde dat de werken op significante wijze zijn aangevat binnen een termijn van drie jaar na de bekendmaking van het besluit houdende erkenning van de natuurramp, het slopen, herstellen of wederopbouwen van muren voor de bescherming van de oevers en andere kunstwerken die eigendom zijn van de beheerder van de niet-bevaarbare waterloop. | x | | x]2 |
| X | Riolering, leiding en netten buiten het openbaar domein van de weg, spoorwegen en waterlopen, boringen en waterwinningen | 1 | Het plaatsen, de verplaatsing, de wijziging van privé-aansluitingen, met inbegrip van de technische kasten, op ondergrondse draineerleidingen, energie- of telecommunicatieleidingen, alsook het plaatsen, de verplaatsing, de wijziging van ondergrondse water- of brandstoffenopslagtanks, straatkolken, zakputten, straatgoten, inspectieputten, deksels en septische tanken en ieder ander individueel zuiveringssysteem tegen de volgende cumulatieve voorwaarden: a) de eventuele afgegraven aarde voor deze [5 installaties]5 brengt geen enkele merkbare wijziging mee van het natuurlijke bodemreliëf in de zin van artikel R.IV.4-3 op de rest van het eigendom; b) die inrichtingen hebben betrekking op de infrastructuur die noodzakelijk is voor het aanleggen van het goed en zijn uitsluitend gelegen op bedoeld goed. | x | | x |
| | 2 | De privé-aansluitingen, met inbegrip van de technische kasten, op ondergrondse draineerleidingen, energie- of telecommunicatieleidingen, evenals het plaatsen van ondergrondse water- of brandstoffenopslagtanks, straatkolken, zakputten, straatgoten, inspectieputten, deksels en septische tanken en ieder ander individueel zuiveringssysteem die de voorwaarden bedoeld in punt 1 niet vervullen. | | x | x |
| | 3 | [5 Het plaatsen van hoogstens één bovengrondse tank per goed.]5 | | x | x |
| | 4 | De invoering of de versterking van ondergrondse draineerleidingen, energie- of telecommunicatieleidingen in een reeds ingerichte technische locatie tegen de volgende cumulatieve voorwaarden: a) de ontworpen werken zijn eigen aan de functie van de locatie; b) de bestaande installaties, gebouwen, bouwwerken en bedekking zijn legaal; c) de werken beogen de bouw van een gebouw niet; d) de grondinneming beperkt de bestaande isoleringsomtrekken of voorzieningen niet. | x | | x |
| | 5 | De boringen van putten of waterwinningen. | x | | x |
| | 6 | In de niet-bebouwingsgebieden, en voor zover geen vergunning vereist is in de zin van artikel R.IV.4-3, eerste lid, 6°, het aanleggen of wijzigen van een drainagesysteem voor zover het terrein niet gelegen is in een locatie erkend krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, met uitzondering van de Natura 2000-locaties, of blootgesteld aan een groot natuurrisico of grote geotechnische druk zoals bedoeld in artikel D.IV.57, 3°. | x | | x |
| | 7 | De installatie, de verplaatsing, de wijziging of de uitbreiding van ingebouwde, verankerde ondergrondse of bovengrondse draineerleidingen, energie- of telecommunicatieleidingen en de bijkomende en bijbehorende uitrustingen wanneer ze buiten het openbare domein gelegen zijn. | | x | x |
| | | [2 7.1 | Ten gevolge van een erkende natuurramp en op voorwaarde dat de werken op significante wijze zijn aangevat binnen een termijn van drie jaar na de bekendmaking van het besluit houdende erkenning van de natuurramp, de plaatsing, verplaatsing, wijziging en vervanging van al dan niet ondergrondse riolerings-, vloeistof-, energie- en telecommunicatienetten en de bijbehorende elementen en bijbehorende uitrusting. | x | | x]2 |
| | 8 | Het weghalen van de in de [2 punten 1 tot 7.1]2 bedoelde elementen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. | x | | x |
| Y | Telecommunicatie, kabeltelevisie, glasvezel, gas, elektriciteit | 1 | De vervanging van technische installaties of technische kasten door technische installaties of technische kasten van een kleiner of gelijkwaardig volume. | x | | x |
| | 2 | De vervanging van bestaande antennes door antennes met een gelijke, of kleinere of grotere afmeting op voorwaarde dat de totale hoogte van de mast niet verhoogd wordt en dat de nieuwe antennes een maximale hoogte van 3,00 m hebben. | x | | x |
| | 3 | De vervanging van een pyloon of een bestaande paal door een zo hoge pyloon of paal van hetzelfde type geïnstalleerd op dezelfde locatie. | x | | x |
| | 4 | De plaatsing van een technische kast op een plat dak, op voorwaarde dat ze vanaf de weg niet-zichtbaar is, dat ze gelegen is op een afstand van minstens een anderhalf keer de hoogte van de kast vanaf de dakopstand. | x | | x |
| | 5 | De plaatsing of de vervanging van technische kasten naast een pyloon of een paal geplaatst op de bodem of in een technisch lokaal gelegen in de nabijheid van een mast geplaatst op een dak. | x | | x |
| | 6 | De aanleg van technische installaties om de stabiliteit en de veiligheid van bestaande installaties evenals hun goede werking te verzekeren. | x | | x |
| | 7 | De plaatsing van antennes of radiogolven, technische kasten en installaties tijdens culturele, sport-, recreatie- of commerciële evenementen, geplaatst voor een maximale duur van 90 dagen op voorwaarde dat deze antennes of golven, kasten en installaties niet meer dan 15 dagen voor het begin van het evenement geplaatst worden en dat ze uiterlijk 15 dagen na het einde van het evenement weggehaald worden. | x | | x |
| | 8 | De verplaatsing en/of de heropbouw van antennes of radiogolven, ingebouwde, verankerde ondergrondse of bovengrondse leidingen en van technische kasten en installaties om dringende redenen, om redenen van veiligheid of openbaar belang onvoorzienbaar uit hoofde van de beheerder, de tijd nodig om alle vereiste vergunningen voor de verplaatsing en/of de heropbouw van de locatie te krijgen. | x | | x |
| | 9 | De tijdelijke verplaatsing van een bestaande installatie om de continuïteit van de diensten te verzekeren in geval van werken uitgevoerd door de eigenaar van de oorspronkelijke structuur voor de uitsluitende duur van de werken. | x | | x |
| | 10 | De plaatsing van installaties zoals antennes, radiogolven, technische kasten en installaties voor zover ze gelegen zijn binnen gebouwen, bouwwerken of bestaande structuren of overdekt met materialen die lijken op de bestaande materialen. | x | | x |
| | 11 | De plaatsing van radiogolven met een maximale diameter van 90,00 cm op een bestaande pyloon of een legaal bestaande mast op een dak. | x | | x |
| | | 11.1 | Plaatsen van draadloze toegangspunten met klein bereik die volledig en veilig in hun draagconstructie geïntegreerd worden en dus onzichtbaar zijn voor het publiek. | x | | x |
| | | 11.2 | Plaatsen van draadloze toegangspunten met klein bereik die aan volgende voorwaarden voldoen: a) Het totale volume van het voor het grote publiek zichtbare deel van een draadloos toegangspunt met klein bereik voor gebruik door een of meer radiospectrumgebruikers bedraagt maximaal 30 liter; b) Het totale volume van de voor het grote publiek zichtbare delen van meerdere afzonderlijke draadloze toegangspunten met klein bereik die een infrastructuurlocatie met een afzonderlijk begrensd oppervlak delen, zoals een lantaarnpaal, een verkeerslicht, een reclamebord of een bushalte, bedraagt maximaal 30 liter; c) Indien het antennesysteem en andere onderdelen van het draadloze toegangspunt met klein bereik, zoals een radiofrequentie-eenheid, een digitale processor, een opslageenheid, een koelsysteem, stroomvoorziening, bekabeling, backhaulonderdelen of onderdelen voor aarding en bevestiging, afzonderlijk worden geïnstalleerd, wordt elk gedeelte daarvan dat het maximale volume van 30 liter overschrijdt, aan het zicht van het grote publiek onttrokken; d) Het draadloze toegangspunt met klein bereik is visueel consistent met de draagconstructie, heeft een omvang die in verhouding staat tot de totale omvang van de draagconstructie, een coherente vorm, neutrale kleuren die passen bij of overgaan in de draagconstructie, en verborgen kabels, en is visueel niet storend in combinatie met andere draadloze toegangspunten met klein bereik die al zijn geïnstalleerd op dezelfde locatie of op aangrenzende locaties; e) Het gewicht en de vorm van een draadloos toegangspunt met klein bereik vereisen geen structurele versterking van de draagconstructie; Draadloze toegangspunten met klein bereik waarvan het equivalent isotropisch uitgestraald vermogen 10 watt bedraagt, mogen bovendien alleen worden geïmplementeerd in de buitenruimte of in grote binnenruimten met een minimale plafondhoogte van vier meter, waarbij het laagste uitstralende onderdeel van de antenne zich in een publiek toegankelijke ruimte op ten minste 2,2 meter hoogte moet bevinden. | x | | x |
| | 12 | Het plaatsen van een radio- en televisie-antenne of radiogolven (parabolische antenne of paneelantenne). Ligging: * ofwel verankerd op een opgaande muur aan de achterkant van het gebouw ten opzichte van de openbare toegangsweg of minstens 4,00 m achter de rooilijn * ofwel verankerd in de grond of op een dakdeel en gevestigd aan de achterkant van het gebouw ten opzichte van de openbare toegangsweg. Maximale oppervlakte: 1,00 m2. Materialen: de antenne vertoont een kleurschakering die gelijk is aan die van haar draagbasis. | x | | x |
| | 13 | Het plaatsen van een radio- en televisie-antenne of radiogolven (parabolische antenne of paneelantenne). Ligging: op een plat dak. Maximale hoogte: 5,00 meter, met inbegrip van de steun, en de hoogte is kleiner dan de afstand tussen de installatie en de dakopstand. Maximale oppervlakte: 1,00 m2. | x | | x |
| | 14 | [5 Het plaatsen van een in punt 12 of 13 bedoelde antenne die de voorwaarden bedoeld in punt 12 of 13 niet vervult.]5 | | x | x |
| | 15 | De plaatsing van antennes en van de behuizing voor radiomodules op afstand op een bestaande pyloon verankerd op de bodem of op legaal bestaande mast op een dak op voorwaarde dat de afstand maximum 1 m is in het geval van een pyloon en maximum 40 cm in het geval van een mast en dat de hoogte van de pyloon of van de mast niet overschreden is. | x | | x |
| | 16 | De plaatsing van antennes tegen een bestaande gevel met maximum één antenne ( met inbegrip van de actieve elementen die nodig zijn voor de aansluiting ervan), over zes strekkende gevelmeters, of op een bestaande puntgevel met maximum één antenne per puntgevel, of op een schoorsteen op voorwaarde dat die antennes een kleur gelijk aan de bedekking van de gevel of van de puntgevel heeft. | x | | x |
| | 17 | De plaatsing van antennes op het plat dak of het plat gedeelte van het dak van een gebouw op voorwaarde dat ze een maximale hoogte van 3 meter, met inbegrip van de steun, hebben, dat die hoogte kleiner is dan de afstand tussen de installatie en de lagere kant of de rand van het dak of de dakopstand en dat het gebouw minstens 12,00 m hoog is. | x | | x |
| | 18 | De plaatsing op de gevel of bovengronds van elektronische of numerieke communicatiekabels en leidingen en van verbindingsdozen voor zover de kleur neutraal en discreet is en voor zover het tracé van de kabel de bouwkundige lijnen van de woning volgt, zoals de raamdorpel, de kroonlijst, de verbindingen tussen de gevels, de lagere kant of de rand van het dak, de dakopstand. | x | | x |
| | 19 | De plaatsing van de antenne van een radioamateur in de zin van het ministerieel besluit van 9 januari 2001 betreffende het aanleggen en het doen werken van radiostations door radioamateurs. | | x | x |
| | 20 | Het plaatsen op het openbaar domein van steunen met een maximale diameter van 30,00 cm en een maximale hoogte van 8,00 meter voor technische telecommunicatieapparatuur en antennes, met inbegrip van radiogolven met een maximale diameter van 90,00 cm, met een afstand van niet meer dan 40,00 cm. | x | | x |
| | 21 | De verwijdering of het weghalen van de in de punten 1 tot 20 bedoelde elementen, voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak, de verwijdering of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. | x | | x |
| Z | Militaire domeinen | 1 | De uitvoering van defensieve werken van operationele aard of die strategisch geheim moeten blijven, ten behoeve van het ministerie van Defensie en waarvan de lijst gezamenlijk wordt opgesteld door de Minister van Defensie en de Minister bevoegd voor Ruimtelijke Ordening | x | | x ]1 |
| (1)<BDG 2021-07-01/10, art. 7, 015; Inwerkingtreding : 01-09-2021> |
| (2)<BDG 2022-01-31/06, art. 1, 019; Inwerkingtreding : 14-06-2022> |
| (3)<BWG 2022-12-08/15, art. 1, 020; Inwerkingtreding : 30-01-2023> |
| (4)<BDG 2023-01-26/19, art. 1, 023; Inwerkingtreding : 01-02-2023> |
| (5)<BDG 2024-04-18/28, art. 2, 025; Inwerkingtreding : 01-05-2024> |
[1 Handelingen/werken/ installatiesOmschrijving/eigenschappenVrijgesteld van een stedenbouwkundige vergunningMet een geringe impactVerplichte tussenkomst van een architect niet vereistAWijziging van de bouwschil van een gebouw (isolatie, opgaande muren, dak, openingen)1De plaatsing van de materialen voor de bekleding van de opgaande muren en de bedekking van de daken vormen de bouwschil van het gebouw of de vervanging ervan door andere materialen om de vigerende energienormen onder de volgende voorwaarden te bereiken: a) de materialen hebben hetzelfde buitenaanzicht; b) de bijkomende laag bedraagt niet meer dan 0,30 m c) indien het goed valt onder de bepalingen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw betreffende de beschermde gebieden van sommige gemeenten inzake stedenbouw of betreffende de gebouwen in landelijk gebied, of de artikelen R.II.36-6 à R.II.36-9, D.II.37, § 4, R.II.37-3, R.II.37-4 et R.II.37-7 à R.II.37-9, R.II.37-11, R.II.37-12, stemmen de kleuren en materialen overeen met de betrokken aanduidingen en voorschriften.xx
2[5 ...]5xx
3Beplanting van één of meer gevels die niet zichtbaar zijn vanaf de openbare weg of van één of meer groendakken op een bestaand gebouw of een bestaande installatie.xx
4Het schilderen, bepleisteren, zandstralen of opnieuw voegen van een bestaand bouwwerk dat een wijziging van het bouwvolume of de architectuur als gevolg heeft.xx
5De plaatsing of vervanging van materialen voor gevelbekledingen en dakbedekkingen door materialen voor bekledingen die niet voldoen aan de in de punten 1 tot en met 3 genoemde voorwaarden.xx
6De vervanging van deuren of ramen in de opgaande muren of in de daken door deuren of ramen met als doel het bereiken van de vigerende energienormen.xx
7Het sluiten, het maken of het wijzigen van openingen die zich bevinden in het dakvlak op maximum één verdieping en met in het totaal maximum één kwart van de lengte van de overeenstemmende gevel of het overeenstemmende dakvlak; het sluiten of wijzigen dient uitgevoerd te worden met hetzelfde materieel als dat van het dak.xx
8Het sluiten, openen of wijzigen van deuren of openingen in de opgaande muren met in het totaal maximum één kwart van de lengte van de overeenstemmende opgaande muur voor zover: a) Het sluiten, openen of wijzigen niet uitgevoerd wordt in een opgaande muur gelegen op de rooilijn en/of waarvan het plan gericht is op de verbindingsweg van het betrokken hoofdgebouw; b) het sluiten of het wijzigen gebeuren met dezelfde bekledingsmaterialen als die voor de opgaande muur; c) elke opening of wijziging afzonderlijk op maximum één verdieping wordt uitgevoerd; d) als het goed valt onder een gewestelijk of gemeentelijke handleiding voor stedenbouw stemmen de handelingen en werken met de handeling overeen.xx
9Het sluiten, openen of wijzigen van deuren en ramen die in totaal (alle openingen op hetzelfde niveau) niet meer dan een vierde van de lengte van de desbetreffende gevel of het desbetreffende dakvlak bedragen en die de in de punt 7 en 8 bedoelde voorwaarden niet vervullen.xx
10De installatie of vervanging van schoorstenen of schoorsteenkanalen, regengoten of regenpijpen, afvoersystemen voor installaties zoals afzuigkappen en verwarmingsketels, op voorwaarde dat, wanneer het goed onderworpen is aan de bepalingen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw die betrekking hebben op de beschermde gebieden van bepaalde gemeenten op het gebied van stedenbouw of op gebouwen in landelijk gebied, de handelingen en werkzaamheden in overeenstemming zijn met deze handleiding.xx
11De plaatsing of vervanging van de in punt 10 genoemde elementen die niet aan de voorwaarden voldoen.xx
12De afbraak of het weghalen van de in de punten 10 en 11 bedoelde elementen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving.xxBVerbouwing van een bestaand gebouw1De vervanging van de dragende structuur van een dak zonder wijziging van het gebouwde volume en voor zover de punten A1 en A7 worden gerespecteerd.xx
2De verbouwing zonder vergroting van een bestaand gebouw met het oog op de creatie van meerdere ruimten die niet bestemd zijn voor bewoning [4 of toeristische logiesverstrekkende inrichting]4, voor zover de handelingen en werken, in voorkomend geval, vermeld worden in de punten A1, A2, A3, A6, A7, A8 en A10.xx
3De verbouwing zonder vergroting van een bestaand, niet in de punten 1 en 2 bedoeld gebouw, die geen gevolgen heeft voor de dragende structuur van het gebouw.xx
4Verbouwing met vergroting van een bestaand gebouw overeenkomstig de decretale en reglementaire voorschriften van het gewestplan of overeenkomstig de normen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw om een ruimte in te richten die niet bestemd is voor bewoning [4 of toeristische logiesverstrekkende inrichting]4, voor zover volgende cumulatieve voorwaarden vervuld zijn: a) slechts één aanbouwvolume per goed en er is niet meer dan één veranda op het goed; b) de grondoppervlakte van de uitbreiding bedraagt hoogstens 40,00 m2 en is: i) ofwel een aanbouwvolume zonder verdieping en kelder; ii) ofwel de verlenging van het hoofdvolume en het zo gevormde geheel heeft geen verdieping en geen kelder; c) de uitbreiding wordt uitgevoerd met materialen in soortgelijke kleurtonen als die van het bestaande gebouw; d) de uitbreiding bevindt zich minstens 2 meter van de gemeenschappelijke grenzen.xx
5De verbouwing van een bestaand gebouw dat voldoet aan de cumulatieve voorwaarden opgenomen in punt 4 en dat niet overeenstemt met de decretale en reglementaire voorschriften van het gewestplan of met de normen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw.x
6Het plaatsen van een buitentrapxx
7Het plaatsen/opstellen van een ventilatiesysteem of airconditioningsysteem.xx
8De verbouwing van een ander bestaand gebouw dan dat bedoeld in punt 1 tot 7 voor zover de grondinneming van het [5 bestaande geheel]5 maximum verdubbeld wordt en de hoogte van de druiplijst en/of de hoogte van de dakopstand van het bestaande gebouw niet overschreden wordt.x
9De afbraak of verwijdering van een aanbouwvolume, een buitentrap of een airconditioningsinstallatie voor zover het sloopafval afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving.xx[2 10Handelingen en werken voor het herstellen van gebouwen of bouwwerken ten gevolge van een erkende natuurramp, onder de volgende cumulatieve voorwaarden: a) de handelingen en werken geschieden binnen 24 maanden na de bekendmaking van het besluit houdende erkenning van de natuurramp; b) de handelingen en werken worden minstens 15 dagen voordat ze worden aangevangen, aan het gemeentecollege meegedeeld; c) de handelingen en werken tasten de dragende structuur van het gebouw of bouwwerk niet aan; d) de handelingen en werken zijn in overeenstemming met de voorwaarden vermeld in punt A1; e) het sluiten, het maken of het wijzigen van openingen in het dakvlak geschiedt op maximum één verdieping en met dezelfde materialen als die van het dak; f) het sluiten, het maken of het wijzigen van openingen in opgaande muren voldoet aan de volgende cumulatieve voorwaarden: i) het sluiten of het wijzigen gebeurt met dezelfde bekledingsmaterialen als die van de opgaande muur; ii) elke opening of wijziging wordt afzonderlijk beschouwd en wordt op maximum één verdieping uitgevoerd; iii) als het goed valt onder een gewestelijke of gemeentelijke handleiding voor stedenbouw stemmen de handelingen en werken met die handleiding overeen.xx11Het afbreken van vrijstaande gebouwen, constructies of installaties ten gevolge van een erkende natuurramp, onder de volgende cumulatieve voorwaarden: a) het afbreken geschiedt binnen 24 maanden na de bekendmaking van het besluit houdende erkenning van de natuurramp; b) het afbreken wordt minstens 15 dagen vóór aanvang aan het gemeentecollege meegedeeld;xx12Het afbreken van niet-vrijstaande gebouwen, constructies of installaties ten gevolge van een erkende natuurramp, onder de volgende cumulatieve voorwaarden: a) het afbreken geschiedt binnen 24 maanden na de bekendmaking van het besluit houdende erkenning van de natuurramp; b) het afbreken geschiedt in het kader van een besluit van de burgemeester genomen bij hoogdringendheid met het oog op het verzekeren van de openbare veiligheid.xx]2CVeranda1Overeenstemmend met de decretale en reglementaire voorschriften van het gewestplan of met de normen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw. Slechts één per goed en er is niet meer dan één aanbouwvolume op het goed. Gelegen : leunt tegen een bestaand gebouw, aan de achterkant van dat gebouw ten opzichte van de openbare toegangsweg. Ligging : op minstens 2,00 meter van de gemeenschappelijke grens. Maximale oppervlakte van 40,00 m2. Volumetrie: zonder verdieping, plat dak of hellend dak met één of meer hellende vlakken Maximale hoogten berekend ten opzichte van het natuurlijk bodemniveau en voor zover het dakgootniveau kleiner is dan het dakgootniveau van het hoofdvolume onder de volgende cumulatieve voorwaarden: a) druiplijst: 3,00 m; b) nokhoogte: 5,00 m; c) in voorkomend geval, hoogte van de dakopstand: 3,20 m. Materialen : lichte structuur en wanden hoofdzakelijk van glas of van polycarbonaat zowel in de opgaande muren als in de dakenxx
2De bouw van een veranda met een maximale oppervlakte van 40,00 m2 die de in punt 1 bedoelde voorwaarden niet vervultxx
3De afbraak van een veranda voor zover het sloopafval afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving.xxDCreatie van één of meerdere woningen [5 of toeristische logiesverstrekkende inrichtingen]51De creatie van een [5 van een of meerdere woningen of een of meerdere toeristische logiesverstrekkende inrichtingen]5 in een gebouw voor zover de verbouwingshandelingen en -werken de verplichte tussenkomst van een architect niet vereisen.xx
2[5 ...]5xEPlaatsing van technische installaties en bouw of heropbouw van een bijgebouw zoals: * garage, * atelier, * poolhouse, * opslagplattform * geprefabriceerde gebouwen...1Overeenstemmend met de decretale en reglementaire voorschriften van het gewestplan of met de normen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw. Slechts één bijgebouw per goed. [4 Niet bestemd voor bewoning of toeristische logiesverstrekkende inrichting]4. Gelegen: * Behalve als het om een volume bestemd voor een motorvoertuig gaat, wordt het aan de achterkant van een bestaand gebouw opgericht. * Als het om een volume bestemd voor een motorvoertuig gaat, is dit volume rechtstreeks verbonden met de openbare weg en het gevelaanzicht aan de straatkant van het bijgebouw is niet gelegen verder dan het gevelaanzicht van het hoofdgebouw aan de achterkant. Ligging: op minstens 2 meter van de gemeenschappelijke grens. Maximale oppervlakte: 40,00 m2. Volumetrie: zonder verdieping, plat dak of hellend dak met één of meer hellende vlakken Maximale hoogten berekend ten opzichte van het natuurlijk bodemniveau, voor zover de dakgoot of de dakopstand op dezelfde hoogte is als de dakgoot of de dakopstand van het hoofdvolume onder de volgende cumulatieve voorwaarden: a) druiplijst: 2,50 m; b) nokhoogte: 3,50 m; c) in voorkomend geval, hoogte van de dakopstand: 3,20 m. Materialen: hout voor de opgaande muren of elk ander materiaal met dezelfde kleurschakering als die van het hoofdgebouw.xx
2Plaatsing, verbouwing, vergroting van een technische installatie in de zin van artikel R.IV.1-2, tweede lid, met inbegrip van een kuip, die een functionele eenheid met de bestaande onderneming vormt. Hoogstens drie per goed. Gelegen : in een bedrijfsruimte. Ligging: a) niet gelegen tussen een hoofdgevel en een openbare weg; b) binnen een straal van 30,00 m van een legale bestaande installatie of een legaal bestaand gebouw; c) op minimum 20,00 m van elke andere woning dan die van de exploitant; d) op minimum 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen; e) op minimum 10,00 m van een waterloop; f) buiten de omtrek of de afzonderingsvoorziening van de bedrijfsruimte; g) de werken vereisen niet het vellen van bomen, hagen of alleeën in de zin van artikel D.IV.4. 11°. Maximale oppervlakte: de totale gecumuleerde oppervlakte van de plaatsing en uitbreiding van technische installaties die van de vergunning zijn vrijgesteld, bedraagt minder dan 100,00 m2. Hoogte : maximum 10,00 m en lager dan het hoogste gebouw op het goed.xx
3Bouw, verbouwing, vergroting van een gebouw of plaatsing of verplaatsing van geprefabriceerde gebouwen, met inbegrip van de buitentrap, [4 niet bestemd voor bewoning of als toeristische logiesverstrekkende inrichting]4 [3 of toeristische logiesverstrekkende inrichting]3 en een functionele eenheid vormend met de bestaande onderneming. Gelegen: in een bedrijfsruimte. Ligging: a) niet gelegen tussen een hoofdgevel en een openbare weg; b) binnen een straal van 30,00 m van een legale bestaande installatie of een legaal bestaand gebouw; c) op minimum 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen; d) op minimum 10,00 m van een waterloop; e) buiten de omtrek of de afzonderingsvoorziening van de bedrijfsruimte; f) de werken vereisen niet het vellen van bomen, hagen of alleeën in de zin van artikel D.IV.4. 11°. Maximale oppervlakte: de gecumuleerde totale oppervlakte van de bouw, van de vergroting of van het geprefabriceerde gebouw vrijgesteld van vergunning bedraagt 75,00 m2. Volumetrie: één verdieping maximum, plat dak of dak met een hellend vlak of dak met meerdere hellende vlakken. Maximale hoogte van de dakopstand of van de nok: 7,00 m en lager dan of even hoog als het hoogste gebouw op het goed. Materialen: met dezelfde kleurschakering als die van de bestaande gebouwen.xx
4De installatie van een opslagplatform, voor zover die geen merkbare wijziging van het bodemreliëf als gevolg heeft. Eén opslagplatform per goed. Gelegen: in een bedrijfsruimte. Ligging: a) niet gelegen tussen een hoofdgevel en een openbare weg; b) op minimum 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen; c) op minimum 10,00 m van een waterloop; d) buiten de omtrek of de afzonderingsvoorziening van de bedrijfsruimte; e) ze vereist niet het vellen van bomen, hagen of alleeën in de zin van artikel D.IV.4. 11°. Maximale oppervlakte: 75,00 m2.xx
5De bouw van een bijgebouw of de plaatsing van een technische installatie die niet in de punten 1 tot en met 4 wordt bedoeld of die niet voldoet aan de in de punten 1 tot en met 4 bedoelde voorwaarden, die niet bestemd is voor [4 bewoning of als toeristische logiesverstrekkende inrichting]4 [3 of toeristische logiesverstrekkende inrichting]3 en die een functionele eenheid vormt met een of meer bestaande constructies, op voorwaarde dat de grondinneming van het zo gevormde geheel ten hoogste verdubbeld wordt.xx
6De afbraak of de verwijdering van een bijgebouw, van een technische installatie, van een bouw of van een geprefabriceerd gebouw zoals bedoeld in de punten 1 tot 5 voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of de verwijdering afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving.xx[5 7Oppervlakten uit beton of teer herstellen, als die werken betrekking hebben op een totale oppervlakte per goed van maximaal 20 m2.8Oppervlakten uit beton of teer herstellen die niet voldoen aan de voorwaarde vermeld in punt 7.9De afbraak of het weghalen van oppervlakten uit beton of teer voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving.]5FCarport, toegang en parkeerplaats1Eén carport per goed. Ligging: a) verbonden met de openbare weg; b) het gevelaanzicht mag niet hoger uitkomen dan het gevelaanzicht aan de achterkant van het hoofdgebouw Maximale oppervlakte: 40,00 m2. Volumetrie: plat dak of dak met één hellend vlak of dak met meerdere hellende vlakken Maximale hoogten: a) druiplijst: 2,50 m; b) nokhoogte: 3,50 m; c) in voorkomend geval, hoogte van de dakopstand: 3,20 m. Materialen: a) Structuur bestaande uit houten, betonnen of metalen palen of op pijlers met materialen vergelijkbaar met de bekleding van het bestaand gebouw of met dezelfde kleurschakering. b) dak met één of verschillende hellingen met materialen vergelijkbaar met die van het hoofdgebouw.xx
2Elke andere carport die de in punt 1 bedoelde voorwaarden niet vervultxx
3De verwijdering of de afbraak van de in punt 1 en 2 bedoelde carport voor zover het sloopafval afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving.xx
4De parkeerplaatsen in de open lucht en hun toegang tegen de volgende cumulatieve voorwaarden: a) [5 ze zijn gelegen in de omgeving van een legaal bestaand gebouw en vormen samen met dat gebouw een functionele eenheid]5 ; b) [5 ze zijn verbonden met de openbare weg; behalve in bedrijfsruimte mag de toegang maximaal 6 meter breed zijn]5; c) ze bestaan uit waterdoorlatende en onderbroken materialen; d) [5 ze hebben een maximale oppervlakte van: - 300,00 m2 in bedrijfsruimte; - 100,00 m2 in andere gebieden]5; e) zij vereisen geen significante wijziging van het bodemreliëf in de zin van artikel R.IV.4-3, punten 1° tot en met 5°, 7° tot en met 9°, 11°, 12° en 15°.xx
5[5 de andere dan in punt 4 bedoelde toegangen en parkeerplaatsen in de open lucht]5xxGTuinhuisje/berging1Slechts één tuinhuisje of berging per goed. Ligging: a) in de ruimtes van hoven en tuinen; b) ofwel niet-zichtbaar vanaf de openbare weg, ofwel gelegen aan de achterkant ten opzichte van de openbare toegangsweg. Ligging: minimum op 1,00 m van de gemeenschappelijke grenzen. Maximale oppervlakte: 20,00 m2. Volumetrie: dak met één hellend vlak of dak met meerdere hellende vlakken of plat dak. Maximale hoogten: a) druiplijst: 2,50 m; b) nokhoogte: 3,50 m; c) in voorkomend geval, hoogte van de dakopstand: 3,20 m. Materialen: van hout of elk ander materiaal met een kleurschakering gelijk aan het gebouw of de omgeving waarop het betrekking heeft.xx
2De tuinhuisjes of bergingen die de in punt 1 bedoelde voorwaarden niet vervullen.xx
3De verwijdering of de afbraak van de in punt 1 en 2 bedoelde tuinhuisjes of bergingen voor zover het sloopafval afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving.xxHZwembad/zwemvijver1Opbouwzwembad of zelfdragend zwembad: Gelegen in de ruimtes van hoven en tuinen, niet-zichtbaar vanaf de openbare weg. Ligging: minimum op 1,00 m van de gemeenschappelijke grenzen.xx
2Geheel of gedeeltelijk ingegraven zwembad, alsook elke veiligheidsinrichting met een maximale hoogte van 2,00 m rond het zwembad: a) slechts één per goed; b) al dan niet overdekt door een lichte, uitschuifbare telescopische zwembadoverkapping waarmee de oppervlakte bedekt wordt voor zover de nokhoogte kleiner is dan 3,50 m; c) voor privé-doeleinden; d) de afgegraven aarde voor [5 het zwembad]5 brengt geen enkele merkbare wijziging mee van het natuurlijke bodemreliëf in de zin van artikel R.IV.4-3 op de rest van het goed. Gelegen in de ruimtes van hoven en tuinen, niet-zichtbaar vanaf de openbare weg. Ligging: Watervlak minimum op 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen. Maximale oppervlakte (watervlak): 75,00 m2xx2.1Zwemvijver: a) slechts één per goed; b) niet overdekt; c) voor privé-doeleinden; d) de voor deze zwemvijver afgegraven aarde brengt geen enkele merkbare wijziging mee van het natuurlijke bodemreliëf in de zin van artikel R.IV.4-3 op de rest van het goed. Gelegen in de ruimtes van hoven en tuinen, niet-zichtbaar vanaf de openbare weg. Ligging: Watervlak minimum op 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen. Maximale oppervlakte (totale oppervlakte zwemgedeelte en filtergedeelte): 100,00 m2xx
3De zwembaden of zwemvijvers die de in de punten 1, 2 en 2.1 bedoelde voorwaarden niet vervullen.xx
4Het weghalen, de afbraak of de opvulling van de in de punten 1 tot 3 bedoelde zwembaden of zwemvijvers, voor zover het sloopafval afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving en voor zover de opvullingen met de vigerende wetgeving overeenstemmen.xxI[5 Vijver]51Slechts één per goed. Ligging: buiten een locatie die erkend is krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud (met uitzondering van een beheermaatregel ''BE5-verbindingsweide'' of ''B11-akkerland'' en antropogene elementen in een Natura 2000-locatie). Ligging: Watervlak minimum op 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen. Maximale wateroppervlakte: 100,00 m2. [5 Minstens een derde van de oever is zeer zacht hellend (< 30°).]5 De afgegraven aarde voor [5 de vijver]5 brengt geen enkele merkbare wijziging mee van het natuurlijke bodemreliëf in de zin van artikel R.IV.4-3 op de rest van het goed. Met uitzondering van [5 ...]5 vijvers in de ruimtes van hoven en tuinen moet het wateroppervlak door boombeplanting gedeeltelijk in de schaduw liggen.xx
2De vijvers [5 ...]5 die de in punt 1 bedoelde voorwaarden niet vervullen.xx
3De verwijdering of de opvulling van de vijvers [5 ...]5 bedoeld in punt 1 voor zover de opvullingen met de vigerende wetgeving overeenstemmen.xxJInrichtingen, accessoires en meubilair1Het plaatsen van luifels, zonneschermen of daken van een terras op de begane grond, aangrenzend of geïsoleerd. Gelegen in de ruimtes van hoven en tuinen. Maximale hoogte: 3,50 m. Maximale totale oppervlakte van al deze inrichtingen: 40,00 m2. Ligging: minimum op 2,00 m van de gemeenschappelijke grenzen.xx
2Het plaatsen van in de bodem verankerd of ingebouwd tuinmeubilair zoals banken, tafels, stoelen, open haarden of barbecues, vuilnisemmers, compostbakken, pergola's of zuilen, plantenbakken, sierfonteinen, watertuinen, kinderspelletjes, structuren voor leibomen. Het plaatsen van lantaarn- en verlichtingspalen zodat de op de grond vallende lichtbundel van de lampen niet over de gemeenschappelijke grenzen heen straalt. De speel- en sportterreinen uit waterdoorlatende materialen en de apparaten die strikt nodig zijn voor het gebruik van die terreinen. Gelegen ofwel in de ruimtes van hoven en tuinen, ofwel in de omgeving van een gebouw gelegen in een voor bebouwing bestemd gebied dat een functionele eenheid vormt met dat gebouw. Maximale hoogte: 3,50 m.xx
3xx3.1[5 Aanleg van graveltuinen met maximaal 8 m2 bedekte tuinoppervlakte per goed (buiten de wegen). ]5xx3.2[5 Aanleg van graveltuinen met een totale oppervlakte per goed van meer dan 8 m2 (buiten de wegen).]5xx
4Het plaatsen van plantenserres die een maximale oppervlakte van 20,00 m2 hebben.xx
5Zolang ze het goed niet afbakenen: a) De aanleg van afsluitingen die bestaan uit met elkaar verbonden palen met draad of draadgaas met brede mazen, eventueel bevestigd op een betonplaat of een muurtje met een maximumhoogte van 0,70 m, ofwel uit met elkaar verbonden palen met horizontale dwarsstukken, ofwel uit palissades van hout, ofwel uit schanskorven met een maximale dikte van 20,00 cm en de installatie van deuren, poorten of hekjes met een maximale hoogte van 2,00 m b) de bouw en de wijziging van steunmuren, met inbegrip van schanskorven, met een maximale hoogte van 0,70 m; c) de bouw en de wijziging van muren met een maximale hoogte van 2,00 m die niet zichtbaar zijn vanaf de openbare weg of die ten opzichte van de openbare toegangsweg aan de achterkant van het gebouw liggen.xx
6De in de bodem verankerde of ingebouwde [5 installaties]5, accessoires, tuinmeubilair, niet bedoeld in de punten 1 tot 5 of die de in de punten 1 tot 5 bedoelde voorwaarden niet vervullen.xx
7De afbraak, de verwijdering of het weghalen van de in de punten 1 en 6 bedoelde elementen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak, de verwijdering of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving.xxKMicrowoningen in de zin van het Waals Wetboek van Duurzaam Wonen1De plaatsing van de geprefabriceerde of als kit geleverde microwoningen.x
2De plaatsing van microwoningen niet bedoeld in punt 1 voor zover zij : a) zonder verdieping zijn; b) een oppervlakte van minder dan 40,00 m2 hebben; c) een maximale hoogte van 2,50 m onder een kroonlijst hebben, 3,50 m op de nok en, indien van toepassing, 3,20 m aan de dakopstand.xLHernieuwbare energieën Modules voor de productie van elektriciteit of warmte1[5 Hernieuwbare energieën Modules voor de productie van elektriciteit of warmte 1 | 1° Het plaatsen van een of meer modules voor de productie van elektriciteit of warmte met zonne-energie als energiebron en de bijbehorende energieopslaginstallatie, voor zover ze daarmee verbonden is en op hetzelfde goed gelegen is, zoals bijvoorbeeld een batterij: a) ofwel geïntegreerd in of aangebracht op een wettelijk bestaand gebouw, ofwel op de gevel of op het dak; b) ofwel aangebracht op een wettelijk bestaande kunstmatige structuur, zoals een straat, een parkeerterrein, een spoorweg, een perron, een opslagplaats voor materialen of goederen, met uitzondering van kunstmatige watervlakken. 2° Het vervangen van een of meer wettelijk bestaande modules voor de productie van elektriciteit of warmte met zonne-energie als energiebron, als dat geen extra plaats inneemt en overeenstemt met de geldende milieumaatregelen die voor de oorspronkelijke installatie zijn vastgelegd. 3° Het plaatsen van een warmtepomp (met inbegrip van geothermische warmtepompen) met een stroomcapaciteit van minder dan 50 MW en een maximale diepte van 500 meter: a) ofwel in een wettelijk bestaand gesloten bouwwerk; b) ofwel met een geluiddempende omkasting en op minstens 2 meter afstand van de gemeenschappelijke grenzen. 4° Het plaatsen van een warmtepomp (met inbegrip van geothermische warmtepompen) met een stroomcapaciteit van hoogstens 12 kW: a) op minstens 2 meter afstand van de gemeenschappelijke grenzen; b) en ofwel met een geluiddempende omkasting, ofwel op 15 meter van het volgende woongebouw gelegen (met uitzondering van het eigen woongebouw).]5xx[5 1.1Het plaatsen van een warmtepomp van maximaal 300 kW die niet voldoet aan de voorwaarden vermeld in punt 1. | | x | x 24° in regel L2 van de nomenclatuur worden de woorden 2Het plaatsen van één of meer modules voor de productie van elektriciteit of warmte uit een hernieuwbare energiebron waarmee op hetzelfde goed gelegen bouwwerken, installaties of gebouwen rechtstreeks bevoorraad worden en die de voorwaarden bedoeld in punt 1 niet vervullen.xx 3De verwijdering of het weghalen van de in de punten 1 en 2 bedoelde elementen, voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak, de verwijdering of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving.xxMOmheiningen1Het plaatsen van doorzichtige afsluitingen met een maximale hoogte van 2,00 m die ofwel bestaan uit palen die met elkaar verbonden zijn door draad of draadgaas en met eventueel een hoogstens 0,70 m hoge betonplaat of muur als basis, of die met elkaar verbonden zijn door houten verbindingselementen. De bouw of de wijziging van steunmuren van minder dan 0,70 m hoog, met inbegrip van schanskorven; Het plaatsen van deurtjes, hekjes of poorten met een maximumhoogte van 2,00 meter waardoor een breed gezicht op het goed mogelijk blijft.xx 2Het plaatsen van afsluitingen, deurtjes, poorten of hekjes die de voorwaarden bedoeld in punt 1 niet vervullen of die niet bedoeld zijn in punt 1.xx 3De bouw of de wijziging van steunmuren met een hoogte van meer dan 0,70 m of afsluitingsmuren in de omgeving van een legaal bestaand gebouw of een legaal bestaande installatie.xx 4De afbraak of het weghalen van de in de punten 1 tot 4 bedoelde elementen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving.xxNHokken voor één of meerdere dieren met inbegrip van de bijenstallen en mestvloeren1Een of meerdere bijenstallen per goed. Onverminderd de toepassing van de bepalingen bedoeld in het Landbouwwetboek en de integrale voorwaarden genomen krachtens het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunningxx 2Een of meerdere hokken voor dieren per goed. Gelegen in de ruimtes van hoven en tuinen. Ligging: a) minimum op 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen b) bij grote dieren op minimum 20,00 m van elke naburige woning c) bij grote dieren niet gelegen in de zichtlijn die loodrecht staat op de achtergevel van een naburige woning. Maximale totale oppervlakte van alle hokken voor dieren op het goed: 25,00 m2 voor één of meerdere hokken. Volumetrie: zonder verdieping; een dak met één helling, een dak met twee hellingen met dezelfde hellingsgraad en lengte of een plat dak. Maximale hoogte berekend ten opzichte van het natuurlijk bodemniveau: a) druiplijst: 2,50 m; b) nokhoogte: 3,50 m; c) in voorkomend geval, hoogte van de dakopstand: 3,20 m. Materialen: hout of traliewerk of vergelijkbaar met de materialen van het bestaande hoofdgebouw. Onverminderd de toepassing van de bepalingen bedoeld in het Landbouwwetboek en de integrale en sectorale voorwaarden genomen krachtens het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunningxx 3De aanleg van een mestvloer. Gelegen ten minste 20,00 m van een andere woning dan die op het goed. Ligging: op een afstand van minimum 10,00 m van de gemeenschappelijke grenzen. Hoogte: op de begane grond. Maximale oppervlakte: 10,00 m2.xx3.1De aanleg van een mestvloer die de voorwaarden van punt 3 niet vervult.xx 4De plaatsing of de bouw van hokken voor dieren die de voorwaarden van de [5 punt 2]5 niet vervullen [5 , waarbij de maximale totale oppervlakte van alle hokken voor dieren op het goed hoogstens 100 m2 bedraagt]5.xx[5 4.1De plaatsing of de bouw van hokken voor dieren die de voorwaarden van punt 2 of 4 niet vervullen.]5 5De afbraak en het weghalen van de in de punten 1 en 4 bedoelde hokken,[5 bijenstallen]5 en mestvloeren voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving.xxOLandbouwbedrijven1De bouw van geheel of gedeeltelijk ingegraven opslagsilo's, voor zover de bovenhoogte van de steunmuren niet meer dan 2,00 m boven het niveau van het natuurlijk bodemreliëf uitstijgtxx 2De aanleg van een mestvloer. Gelegen op minimum 20,00 m van elke andere woning dan die van de exploitant. Ligging: op een afstand van minimum 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen. Hoogte: de bovenhoogte van de mestvloer of van de steunmuren bedraagt niet meer dan 2,00 m boven het niveau van het natuurlijke bodemreliëf.xx 3Het plaatsen van geheel of gedeeltelijk ingegraven watertanks of giersilo's. Gelegen op minimum 20,00 m van elke andere woning dan die van de exploitant en buiten het woongebied. Ligging: a) op minimum 10,00 m van elke bevaarbare of niet-bevaarbare waterloop; b) op minimum 3,00 m van het openbaar domein. Hoogte: De bovenhoogte van de steunmuren bedraagt niet meer dan 0,70 m.xx3.1Het plaatsen van een flexitank voor vloeibare mest, per bedrijf en per seizoen, voor een maximumduur van vier maanden, voor zover het goed na afloop van die termijn in zijn oorspronkelijke toestand hersteld wordt.xx3.2Het plaatsen van flexitanks voor vloeibare mest die de voorwaarden van punt 3.1 niet vervullen.xx 4Het plaatsen van tunnelserres bestemd voor de teelt van de landbouw- en tuinbouwgewassen en die na de teelt worden weggehaald.xx 5Anti-hagelnetten die een in de grond verankerde structuur impliceren en het plaatsen van [5 tunnelserres met een maximale totale oppervlakte op het goed van hoogstens 100 m2]5 die de in de punten 1 tot 4 bedoelde voorwaarden niet vervullen.xx[5 5.1Antihagelnetten en het plaatsen van tunnelserres die de in punt 4 of 5 bedoelde voorwaarden niet vervullen.]5 6Het plaatsen van een installatie voor waterwinning in een niet-bevaarbare of niet-ingedeelde waterloop die uitsluitend bestemd is voor het drinken van veexx6.1Het plaatsen van veepassages over onbevaarbare waterlopen, voor zover noch de bedding, noch de oever veranderd worden en voor zover een voorafgaande schriftelijke vergunning werd aangevraagd bij de beheerder van de waterloop en - in een krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud erkend gebied - bij de luidens die wet bevoegde overheid. De passages dienen uitsluitend om vee te laten oversteken (geen machines). Maximale breedte: 3,00 mxx 7De afbraak en het weghalen van de in de punten 1 tot 6 bedoelde elementen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving.xxPTijdelijke bouwwerken en installaties1De tijdelijke constructies voor de installatie van bouwplaatsen voor toegelaten handelingen en werken, met inbegrip van refters, onderkomens en sanitair evenals de ontvangstpaviljoenen, tijdens de duur van de handelingen en werken en voor zover de bouwplaats onafgebroken plaatsvindt.xx 2Het plaatsen van installaties met een sociaal, cultureel, sportief of recreatief karakter met inbegrip van de desbetreffende parkeerplaatsen in de openlucht voor een maximumduur van negentig dagen voor zover het goed na afloop van die termijn in zijn oorspronkelijke toestand hersteld wordt.xx 3De plaatsing van commerciële installaties, op het openbaar domein, of op het private domein op voorwaarde dat ze verbonden zijn met een bestaande activiteit, met inbegrip van de bijbehorende buitenparkeerplaatsen, voor een periode van maximaal zestig dagen, op voorwaarde dat de installaties voldoen aan de gemeentelijke en gewestelijke handleiding voor stedenbouw en dat op het einde van de periode het goed terugkeert in zijn oorspronkelijke staat.xx 4Het tijdelijk plaatsen van installaties die nodig zijn om een ontheemde activiteit onder te brengen, voor de duur van de handelingen en werken waarvoor een vergunning vereist is, op voorwaarde dat de werkzaamheden ononderbroken worden voortgezet en dat na het verrichten van de handelingen en werken of het verstrijken van de vergunning de installaties worden verwijderd.xx[2 4.1Ten gevolge van een erkende natuurramp en gedurende hoogstens 24 maanden na de bekendmaking van het besluit houdende erkenning van de natuurramp, de tijdelijke plaatsing van installaties op het openbaar domein die een openbare dienst of een activiteit van algemeen belang in de zin van artikel D.IV.22, eerste lid, 7°, of een activiteit van openbaar nut in de zin van artikel R.IV.22-2, 17°, huisvesten. De vergunning voor het gebruik van het openbaar domein wordt vooraf aangevraagd. Aan het einde van de periode keert het terrein terug in zijn oorspronkelijke staat.xx4.2Ten gevolge van een erkende natuurramp en gedurende hoogstens 24 maanden na de bekendmaking van het besluit houdende erkenning van de natuurramp, de tijdelijke plaatsing van installaties, met inbegrip van parkeerplaatsen, op privaat domein die een openbare dienst of een activiteit van algemeen belang in de zin van artikel D.IV.22, eerste lid, 7°, of een activiteit van openbaar nut in de zin van artikel R.IV.22-2, 17°, huisvesten, onder de volgende cumulatieve voorwaarden: a) het gaat om de verplaatsing van een activiteit die in de gemeente bestaat; b) het gaat om een gebied dat is bestemd voor bebouwing in de zin van artikel D.II.23; c) het gaat niet om een terrein of een gedeelte van een terrein dat blootgesteld is aan een risico in de zin van artikel D.IV.57, eerste lid, 3°, of dat blootgesteld is aan een risico van geconcentreerd afvloeiend water, namelijk een natuurlijke as van geconcentreerd afvloeiend water; d) het gaat niet om een terrein of deel van een terrein dat in de laatste vijf jaar overstroomd is geweest; e) het gaat niet om een terrein of deel van een terrein dat het risico op een zwaar ongeval in de zin van het decreet van het Waals Gewest van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning kan vergroten of de gevolgen van zo'n ongeval kan verergeren; f) het gaat niet om een locatie die krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud erkend is, noch om een biologisch zeer waardevolle locatie zoals vermeld op de cartografische portaalsite van de Waalse Overheidsdienst; g) aan het einde van de periode keert het terrein terug in zijn oorspronkelijke staat.xx4.3Ten gevolge van een erkende natuurramp en gedurende hoogstens 24 maanden na de bekendmaking van het besluit houdende erkenning van de natuurramp, de tijdelijke plaatsing - op het openbaar domein - van commerciële installaties of installaties waar de activiteit van een zelfstandige of een onderneming wordt uitgeoefend, op voorwaarde dat de activiteit in de gemeente bestaat en verplaatst werd. De vergunning voor het gebruik van het openbaar domein wordt vooraf aangevraagd. Aan het einde van de periode keert het terrein terug in zijn oorspronkelijke staat.xx4.4Ten gevolge van een erkende natuurramp en gedurende hoogstens 24 maanden na de bekendmaking van het besluit houdende erkenning van de natuurramp, de tijdelijke plaatsing - op privédomein - van commerciële installaties of installaties waar de activiteit van een zelfstandige of een onderneming wordt uitgeoefend, met inbegrip van de bijbehorende parkeerplaatsen in open lucht, onder de volgende cumulatieve voorwaarden: a) het gaat om de verplaatsing van een activiteit die in de gemeente bestaat; b) het gaat om een gebied dat is bestemd voor bebouwing in de zin van artikel D.II.23; c) het gaat niet om een terrein of een gedeelte van een terrein dat blootgesteld is aan een risico in de zin van artikel D.IV.57, eerste lid, 3°, of dat blootgesteld is aan een risico van geconcentreerd afvloeiend water, namelijk een natuurlijke as van geconcentreerd afvloeiend water; d) het gaat niet om een terrein of deel van een terrein dat in de laatste vijf jaar overstroomd is geweest; e) het gaat niet om een terrein of deel van een terrein dat het risico op een zwaar ongeval in de zin van het decreet van het Waals Gewest van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning kan vergroten of de gevolgen van zo'n ongeval kan verergeren; f) het gaat niet om een locatie die krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud erkend is, noch om een biologisch zeer waardevolle locatie zoals vermeld op de cartografische portaalsite van de Waalse Overheidsdienst; g) aan het einde van de periode keert het terrein terug in zijn oorspronkelijke staat.xx4.5Ten gevolge van een erkende natuurramp en gedurende hoogstens 24 maanden na de bekendmaking van het besluit houdende erkenning van de natuurramp, de tijdelijke plaatsing - door of in opdracht van de gemeenten, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn of de openbare huisvestingsmaatschappijen - van microwoningen met het oog op de huisvesting van de slachtoffers van die ramp, onder de volgende cumulatieve voorwaarden: a) het gaat om een gebied dat is bestemd voor bebouwing in de zin van artikel D.II.23; b) het gaat niet om een terrein of een deel van een terrein dat blootgesteld is aan een risico in de zin van artikel D.IV.57, eerste lid, 3°, of dat blootgesteld is aan een risico van geconcentreerd afvloeiend water, namelijk een natuurlijke as van geconcentreerd afvloeiend water; c) het gaat niet om een terrein of deel van een terrein dat in de laatste vijf jaar overstroomd is geweest; d) het gaat niet om een terrein of deel van een terrein dat het risico op een zwaar ongeval in de zin van het decreet van het Waals Gewest van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning kan vergroten of de gevolgen van zo'n ongeval kan verergeren; e) het gaat niet om een locatie die krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud erkend is, noch om een biologisch zeer waardevolle locatie zoals vermeld op de cartografische portaalsite van de Waalse Overheidsdienst; f) aan het einde van de periode keert het terrein terug in zijn oorspronkelijke staat.xx]2 5De verwijdering of het weghalen van de in de [2 punten 1 en 4 tot 4.5]2 bedoelde elementen, voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak, de verwijdering of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving.xxQUithangborden en reclamezuilen1Het plaatsen van één of meer uithangborden of reclamezuilenxx 2De verwijdering of het weghalen van de in punt 1 bedoelde uithangborden en reclamezuilen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak, de verwijdering of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving.xxRHoogzitten en uitkijkposten1In bosgebied, in gebied aanpalend aan bosgebied en in landbouwgebied, de houten of uit mat metaal gemaakte hoogzitten en andere uitkijkposten bedoeld in artikel 1, § 1, 9°, van de jachtwet van 28 februari 1882. Maximale bruikbare oppervlakte: 4,00 m2xx1.1Hoogzitten en uitkijkposten in bosgebied, in het gebied aanpalend aan het bosgebied en in landbouwgebied die de voorwaarden van punt 1 niet vervullenxx 2De verwijdering van de hoogzitten en uitkijkposten bedoeld in punt 1 of punt 1.1 voor zover de afval voortvloeiend uit het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving.xxSBomen, hagen en wijziging van de beplanting1De bebossing of de ontbossingxx 2Onverminderd artikel R.IV.4-4, de kerstbomenteeltxx 3Voor zover artikel D.IV.4, eerste lid, 11°,een rol speelt: het kappen van een haag over een doorlopende lengte van minder dan 2,50 m om één enkele toegang tot een bestaande woning te creëren.xx 4Het vellen van hoogstammige alleenstaande bomen, van een haag of het vellen van een, meerdere of alle bomen van een allee in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 11°.xx 5Het vellen, het toebrengen van schade aan het wortelstelsel of de wijziging van het aspect van een waardevolle boom, struik of haag in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 12°.xx 6Het rooien of wijzigen van de beplanting in elk gebied bedoeld in artikel R.IV.4-11.xx 7Het vellen van bomen bedoeld in de punten 4 tot 6 dat het voorwerp uitmaakt van een besluit van de burgemeester genomen bij hoogdringendheid met het oog op het verzekeren van de openbare veiligheid.xxTWijziging van het bodemreliëf1De merkbare wijziging van het bodemreliëf voor het boren of nemen van bodemmonsters in het kader van een geotechnisch onderzoek, een geologische prospectie- of bodemverontreinigingsonderzoek.xx 2[5 De merkbare wijziging van het bodemreliëf in de zin van artikel R.IV.4-3 binnen een straal van 30,00 m van een legaal bestaand bouwwerk dat of legaal bestaande installatie die op hetzelfde goed gelegen is.]5xx 3Voor de uitvoering van een actieprogramma voor rivieren door middel van een geïntegreerde en sectorale aanpak als bedoeld in artikel D. 33/3 van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt: a) opvulmateriaal of uitgegraven materiaal dat niet meer dan 50,00 centimeter hoog is en dat zich op een maximale afstand van 6,00 m van de top van de oever van een waterloop bevindt, ook in gebieden waar gevaar voor overstroming bestaat; b) het storten en verspreiden van producten die het gevolg zijn van de ruimingswerken van een waterloopxxU[5 Gebruik van een terrein voor opslag en voor mobiele installaties1Een terrein gebruiken voor het plaatsen van een of meer mobiele installaties in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 15°, b), om kampeerterreinen op de hoeve te creëren]5xx 2[5 Een terrein doorgaans gebruiken voor: - de opslag van een of meerdere afgedankte wagens, schroot, materialen of afvalstoffen; - de plaatsing van een of meer mobiele installaties, zoals reclameaanhangwagens, huifkarren, caravans, afgedankte voertuigen of tenten, met uitzondering van mobiele verblijven in de zin van het decreet van 23 januari 2017 ter bevordering van het toerisme.]5xxVStructuur die als toeristische en vrijetijdslogies dient1[5 De plaatsing van een of meer gemakkelijk te demonteren en te vervoeren structuren voor toeristisch verblijf die bestemd zijn voor tijdelijk of seizoensgebonden gebruik, voor zover is voldaan aan de volgende cumulatieve voorwaarden: a) het mobiele verblijf heeft een maximale oppervlakte van 50,00 m2; b) de plaatsing of constructie ervan vereist geen belangrijke wijziging van het bodemreliëf; c) het is gelegen op een kampeerterrein in de zin van het decreet van 23 januari 2017 ter bevordering van het toerisme.]5xx 2De bouw van een terras met of zonder balustrade dat voldoet aan de voorwaarden van artikel 249 BWR, eerste lid, 3° en tweede lid van het Waalse Wetboek van Toerisme op een toeristisch kampeerterrein.xx 3[5 De bouw of plaatsing per goed van een blokhut of een tent of een tipi of een joert of een luchtbel in een bosgebied.]5xx 4Het weghalen of de afbraak van de in de punten 1 tot 3 bedoelde toeristische of vrijetijdslogies, terrassen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving.xxWHandelingen en werken op het openbaar domein van de weg, spoorwegen en waterlopen1Voor zover de wegbedding niet verbreed wordt, de hernieuwing van de funderingen en de verharding van de wegen, bermen, boorden, trottoirs, eilandjes en openbare plaatsen uitgezonderd de veranderingen van verhardingen bestaande uit natuursteen en, voor openbare plaatsen, voor zover dat de handelingen en werken niet leiden tot een toename van de oppervlakte van de verhardingen van ondoordringbaar materiaal.xx 2De plaatsing, de hernieuwing, de verplaatsing of de verwijdering van de bijkomende elementen zoals de radarinstallaties, relingen, de beveiligingsconstructies en de schampranden, met uitzondering van de steunmuren en de geluidsschermen.xx 3De plaatsing, de verplaatsing, de verbouwing, de uitbreiding, of de verwijdering van vloeistofnetwerken (met een druk van ten hoogste 20 bar voor gas), energie (met een spanning van ten hoogste 70 KV voor elektriciteit) en telecommunicatienetwerken die in het publieke domein zijn aangebracht, verankerd, ondersteund of overhangend, met inbegrip van privé-aansluitingen, hulpelementen en bijbehorende uitrusting zoals palen, technische kasten, pylonen en palen met een maximale hoogte van 14,00 meter.xx 4De tijdelijke weginrichtingen met een maximale duur van vijf jaar [2 , met inbegrip van kunstwerken die wegen of een spoorlijn dragen]2.xx 5De werken voor de aanleg van ruimten voor voetgangers, personen met een verminderde beweeglijkheid of fietsers en waarbij de plaatselijke creatie of verruiming van die ruimten, de verbetering van hun esthetisch aspect of de veiligheid van de gebruikers wordt beoogd, ongeacht of deze werkzaamheden al dan niet leiden tot een versmalling van de wegbedding.xx 6Het plaatsen of vernieuwen van klein stadmeubilair zoals banken, tafels, stoelen, vuilnisemmers, lantaarn- en verlichtingspalen, plantenbakken, fonteintjes, elektrische aansluitpunten, containers, al dan niet ingegraven en bestemd voor de ophaling van huishoudelijke en daarmee gelijkgestelde afval.xx 7De werken voor de inrichting van de ruimtes bestemd voor de beplantingen.xx 8De plaatsing, de verplaatsing of het weghalen van de signalisatie-elementen : a) de verkeersborden, met inbegrip van de steunstructuren en portalen, evenals van de bescherming ervan tegenover het verkeer; b) de vaste of mobiele installaties waarbij het verkeer, het parkeren of de snelheid beperkt worden; c) de installaties voor de controle op het parkeren zoals parkeermeters of parkeerautomaten; d) de niet-overdekte installaties voor het parkeren van tweewielers; e) de bijkomende technische al dan niet ondergrondse installaties zoals kasten voor de elektrische bediening van verkeerslichten of van de openbare verlichting, praatpalen, brandpalen en bedieningskasten voor teledistributie.xx 9De plaatsing, de verplaatsing of het weghalen van inrichtingen voor de openbare verlichting.xx 10Voor zover ze niet onderworpen worden aan de bepalingen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw betreffende de beschermde gebieden van sommige gemeente inzake stedenbouw, de plaatsing, de verplaatsing of het weghalen van de volgende reclameborden: a) de aanplakzuilen waarvan de schacht met een diameter van maximum 1,20 m beperkt blijft tot 3,50 m hoogte; b) de aanplakborden op voeten waarvan de maximale hoogte en breedte respectievelijk niet meer dan 2,50 m en 1,70 m bedragen en waarvan de bruikbare oppervlakte niet meer dan 4 m2 per vlak bedraagt.xx 11Het aanbrengen of de wijziging van de wegmarkeringen.xx 12De plaatsing, de verplaatsing of het weghalen van verkeersdrempels.xx 13Het aanbrengen, verwijderen of hernieuwen van funderingen en inrichtingen voor het gebruik van de wegen en de openbare vervoerslijnen zoals rails, verbindingen, ballast, palen van bovenleidingen, signalen, portieken, hokjes, bedieningskasten voor verkeersborden of palen voor bus- of tramhaltes voor reizigers.xx 14Het plaatsen van een seizoensgebonden openluchtterras in de horecasector.xx 15De hokjes voor de reizigers bij de haltes van het openbaar vervoer.xx 16De plaatsing of de verplaatsing van brievenbussen.xx 17De plaatsing, de verplaatsing of het weghalen van beelden, gedenktekens en andere kunstwerken geplaatst door de overheid of op bevel van de overheid.xx 18Het aanleggen, vernieuwen of verwijderen van kunstwerken voor de bescherming van de oevers in een niet-bevaarbare waterloop, met uitzondering van gemetselde muren, op een lengte van niet meer dan 100,00 m en een maximale hoogte van 2,00 m.xx[2 19De installatie van technische apparatuur voor de controle van waterlopen.xx20In gebieden die getroffen werden door een erkende natuurramp en op voorwaarde dat de werken op significante wijze zijn aangevat binnen een termijn van drie jaar na de bekendmaking van het besluit houdende erkenning van de natuurramp, handelingen en werken voor de heropbouw van bruggen, met inbegrip van de werken voor de dragende structuur, het herstel van rivieroevers of van het rivierbed van een waterloop of voor het herstel van stuwdammen en hun installaties, voor zover de lokalisatie van de installaties onveranderd blijft en maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat de verschillende gebruikers ze kunnen blijven gebruiken.xx21In gebieden die getroffen werden door een erkende natuurramp en op voorwaarde dat de werken op significante wijze zijn aangevat binnen een termijn van drie jaar na de bekendmaking van het besluit houdende erkenning van de natuurramp, het slopen, herstellen of wederopbouwen van muren voor de bescherming van de oevers en andere kunstwerken die eigendom zijn van de beheerder van de niet-bevaarbare waterloop.xx]2XRiolering, leiding en netten buiten het openbaar domein van de weg, spoorwegen en waterlopen, boringen en waterwinningen1Het plaatsen, de verplaatsing, de wijziging van privé-aansluitingen, met inbegrip van de technische kasten, op ondergrondse draineerleidingen, energie- of telecommunicatieleidingen, alsook het plaatsen, de verplaatsing, de wijziging van ondergrondse water- of brandstoffenopslagtanks, straatkolken, zakputten, straatgoten, inspectieputten, deksels en septische tanken en ieder ander individueel zuiveringssysteem tegen de volgende cumulatieve voorwaarden: a) de eventuele afgegraven aarde voor deze [5 installaties]5 brengt geen enkele merkbare wijziging mee van het natuurlijke bodemreliëf in de zin van artikel R.IV.4-3 op de rest van het eigendom; b) die inrichtingen hebben betrekking op de infrastructuur die noodzakelijk is voor het aanleggen van het goed en zijn uitsluitend gelegen op bedoeld goed.xx 2De privé-aansluitingen, met inbegrip van de technische kasten, op ondergrondse draineerleidingen, energie- of telecommunicatieleidingen, evenals het plaatsen van ondergrondse water- of brandstoffenopslagtanks, straatkolken, zakputten, straatgoten, inspectieputten, deksels en septische tanken en ieder ander individueel zuiveringssysteem die de voorwaarden bedoeld in punt 1 niet vervullen.xx 3[5 Het plaatsen van hoogstens één bovengrondse tank per goed.]5xx 4De invoering of de versterking van ondergrondse draineerleidingen, energie- of telecommunicatieleidingen in een reeds ingerichte technische locatie tegen de volgende cumulatieve voorwaarden: a) de ontworpen werken zijn eigen aan de functie van de locatie; b) de bestaande installaties, gebouwen, bouwwerken en bedekking zijn legaal; c) de werken beogen de bouw van een gebouw niet; d) de grondinneming beperkt de bestaande isoleringsomtrekken of voorzieningen niet.xx 5De boringen van putten of waterwinningen.xx 6In de niet-bebouwingsgebieden, en voor zover geen vergunning vereist is in de zin van artikel R.IV.4-3, eerste lid, 6°, het aanleggen of wijzigen van een drainagesysteem voor zover het terrein niet gelegen is in een locatie erkend krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, met uitzondering van de Natura 2000-locaties, of blootgesteld aan een groot natuurrisico of grote geotechnische druk zoals bedoeld in artikel D.IV.57, 3°.xx 7De installatie, de verplaatsing, de wijziging of de uitbreiding van ingebouwde, verankerde ondergrondse of bovengrondse draineerleidingen, energie- of telecommunicatieleidingen en de bijkomende en bijbehorende uitrustingen wanneer ze buiten het openbare domein gelegen zijn.xx[2 7.1Ten gevolge van een erkende natuurramp en op voorwaarde dat de werken op significante wijze zijn aangevat binnen een termijn van drie jaar na de bekendmaking van het besluit houdende erkenning van de natuurramp, de plaatsing, verplaatsing, wijziging en vervanging van al dan niet ondergrondse riolerings-, vloeistof-, energie- en telecommunicatienetten en de bijbehorende elementen en bijbehorende uitrusting.xx]2 8Het weghalen van de in de [2 punten 1 tot 7.1]2 bedoelde elementen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving.xxYTelecommunicatie, kabeltelevisie, glasvezel, gas, elektriciteit1De vervanging van technische installaties of technische kasten door technische installaties of technische kasten van een kleiner of gelijkwaardig volume.xx 2De vervanging van bestaande antennes door antennes met een gelijke, of kleinere of grotere afmeting op voorwaarde dat de totale hoogte van de mast niet verhoogd wordt en dat de nieuwe antennes een maximale hoogte van 3,00 m hebben.xx 3De vervanging van een pyloon of een bestaande paal door een zo hoge pyloon of paal van hetzelfde type geïnstalleerd op dezelfde locatie.xx 4De plaatsing van een technische kast op een plat dak, op voorwaarde dat ze vanaf de weg niet-zichtbaar is, dat ze gelegen is op een afstand van minstens een anderhalf keer de hoogte van de kast vanaf de dakopstand.xx 5De plaatsing of de vervanging van technische kasten naast een pyloon of een paal geplaatst op de bodem of in een technisch lokaal gelegen in de nabijheid van een mast geplaatst op een dak.xx 6De aanleg van technische installaties om de stabiliteit en de veiligheid van bestaande installaties evenals hun goede werking te verzekeren.xx 7De plaatsing van antennes of radiogolven, technische kasten en installaties tijdens culturele, sport-, recreatie- of commerciële evenementen, geplaatst voor een maximale duur van 90 dagen op voorwaarde dat deze antennes of golven, kasten en installaties niet meer dan 15 dagen voor het begin van het evenement geplaatst worden en dat ze uiterlijk 15 dagen na het einde van het evenement weggehaald worden.xx 8De verplaatsing en/of de heropbouw van antennes of radiogolven, ingebouwde, verankerde ondergrondse of bovengrondse leidingen en van technische kasten en installaties om dringende redenen, om redenen van veiligheid of openbaar belang onvoorzienbaar uit hoofde van de beheerder, de tijd nodig om alle vereiste vergunningen voor de verplaatsing en/of de heropbouw van de locatie te krijgen.xx 9De tijdelijke verplaatsing van een bestaande installatie om de continuïteit van de diensten te verzekeren in geval van werken uitgevoerd door de eigenaar van de oorspronkelijke structuur voor de uitsluitende duur van de werken.xx 10De plaatsing van installaties zoals antennes, radiogolven, technische kasten en installaties voor zover ze gelegen zijn binnen gebouwen, bouwwerken of bestaande structuren of overdekt met materialen die lijken op de bestaande materialen.xx 11De plaatsing van radiogolven met een maximale diameter van 90,00 cm op een bestaande pyloon of een legaal bestaande mast op een dak.xx11.1Plaatsen van draadloze toegangspunten met klein bereik die volledig en veilig in hun draagconstructie geïntegreerd worden en dus onzichtbaar zijn voor het publiek.xx11.2Plaatsen van draadloze toegangspunten met klein bereik die aan volgende voorwaarden voldoen: a) Het totale volume van het voor het grote publiek zichtbare deel van een draadloos toegangspunt met klein bereik voor gebruik door een of meer radiospectrumgebruikers bedraagt maximaal 30 liter; b) Het totale volume van de voor het grote publiek zichtbare delen van meerdere afzonderlijke draadloze toegangspunten met klein bereik die een infrastructuurlocatie met een afzonderlijk begrensd oppervlak delen, zoals een lantaarnpaal, een verkeerslicht, een reclamebord of een bushalte, bedraagt maximaal 30 liter; c) Indien het antennesysteem en andere onderdelen van het draadloze toegangspunt met klein bereik, zoals een radiofrequentie-eenheid, een digitale processor, een opslageenheid, een koelsysteem, stroomvoorziening, bekabeling, backhaulonderdelen of onderdelen voor aarding en bevestiging, afzonderlijk worden geïnstalleerd, wordt elk gedeelte daarvan dat het maximale volume van 30 liter overschrijdt, aan het zicht van het grote publiek onttrokken; d) Het draadloze toegangspunt met klein bereik is visueel consistent met de draagconstructie, heeft een omvang die in verhouding staat tot de totale omvang van de draagconstructie, een coherente vorm, neutrale kleuren die passen bij of overgaan in de draagconstructie, en verborgen kabels, en is visueel niet storend in combinatie met andere draadloze toegangspunten met klein bereik die al zijn geïnstalleerd op dezelfde locatie of op aangrenzende locaties; e) Het gewicht en de vorm van een draadloos toegangspunt met klein bereik vereisen geen structurele versterking van de draagconstructie; Draadloze toegangspunten met klein bereik waarvan het equivalent isotropisch uitgestraald vermogen 10 watt bedraagt, mogen bovendien alleen worden geïmplementeerd in de buitenruimte of in grote binnenruimten met een minimale plafondhoogte van vier meter, waarbij het laagste uitstralende onderdeel van de antenne zich in een publiek toegankelijke ruimte op ten minste 2,2 meter hoogte moet bevinden.xx 12Het plaatsen van een radio- en televisie-antenne of radiogolven (parabolische antenne of paneelantenne). Ligging: * ofwel verankerd op een opgaande muur aan de achterkant van het gebouw ten opzichte van de openbare toegangsweg of minstens 4,00 m achter de rooilijn * ofwel verankerd in de grond of op een dakdeel en gevestigd aan de achterkant van het gebouw ten opzichte van de openbare toegangsweg. Maximale oppervlakte: 1,00 m2. Materialen: de antenne vertoont een kleurschakering die gelijk is aan die van haar draagbasis.xx 13Het plaatsen van een radio- en televisie-antenne of radiogolven (parabolische antenne of paneelantenne). Ligging: op een plat dak. Maximale hoogte: 5,00 meter, met inbegrip van de steun, en de hoogte is kleiner dan de afstand tussen de installatie en de dakopstand. Maximale oppervlakte: 1,00 m2.xx 14[5 Het plaatsen van een in punt 12 of 13 bedoelde antenne die de voorwaarden bedoeld in punt 12 of 13 niet vervult.]5xx 15De plaatsing van antennes en van de behuizing voor radiomodules op afstand op een bestaande pyloon verankerd op de bodem of op legaal bestaande mast op een dak op voorwaarde dat de afstand maximum 1 m is in het geval van een pyloon en maximum 40 cm in het geval van een mast en dat de hoogte van de pyloon of van de mast niet overschreden is.xx 16De plaatsing van antennes tegen een bestaande gevel met maximum één antenne ( met inbegrip van de actieve elementen die nodig zijn voor de aansluiting ervan), over zes strekkende gevelmeters, of op een bestaande puntgevel met maximum één antenne per puntgevel, of op een schoorsteen op voorwaarde dat die antennes een kleur gelijk aan de bedekking van de gevel of van de puntgevel heeft.xx 17De plaatsing van antennes op het plat dak of het plat gedeelte van het dak van een gebouw op voorwaarde dat ze een maximale hoogte van 3 meter, met inbegrip van de steun, hebben, dat die hoogte kleiner is dan de afstand tussen de installatie en de lagere kant of de rand van het dak of de dakopstand en dat het gebouw minstens 12,00 m hoog is.xx 18De plaatsing op de gevel of bovengronds van elektronische of numerieke communicatiekabels en leidingen en van verbindingsdozen voor zover de kleur neutraal en discreet is en voor zover het tracé van de kabel de bouwkundige lijnen van de woning volgt, zoals de raamdorpel, de kroonlijst, de verbindingen tussen de gevels, de lagere kant of de rand van het dak, de dakopstand.xx 19De plaatsing van de antenne van een radioamateur in de zin van het ministerieel besluit van 9 januari 2001 betreffende het aanleggen en het doen werken van radiostations door radioamateurs.xx 20Het plaatsen op het openbaar domein van steunen met een maximale diameter van 30,00 cm en een maximale hoogte van 8,00 meter voor technische telecommunicatieapparatuur en antennes, met inbegrip van radiogolven met een maximale diameter van 90,00 cm, met een afstand van niet meer dan 40,00 cm.xx 21De verwijdering of het weghalen van de in de punten 1 tot 20 bedoelde elementen, voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak, de verwijdering of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving.xxZMilitaire domeinen1De uitvoering van defensieve werken van operationele aard of die strategisch geheim moeten blijven, ten behoeve van het ministerie van Defensie en waarvan de lijst gezamenlijk wordt opgesteld door de Minister van Defensie en de Minister bevoegd voor Ruimtelijke Ordeningxx ]1(1)(2)(3)(4)(5) ]2
| [1 | '' Actes/ Travaux/Installations | | Description/Caractéristiques | Sont exonérés du permis d'urbanisme | Sont d'impact limité | Ne requièrent pas l'intervention obligatoire d'un architecte | | A | Modification de l'enveloppe d'un bâtiment (isolation, élévations, toiture, baies) | 1 | a) les matériaux présentent le même aspect extérieur; b) l'accroissement d'épaisseur n'excède pas 0,30 m; c) lorsque le bien est soumis aux dispositions du guide régional d'urbanisme relatives aux zones protégées de certaines communes en matière d'urbanisme ou relatives aux bâtisses en site rural, ou aux articles R.II.36-6 à R.II.36-9, D.II.37, § 4, R.II.37-3, R.II.37-4 et R.II.37-7 à R.II.37-9, R.II.37-11, R.II.37-12, les couleurs et les matériaux sont conformes aux indications et prescriptions concernées. | x | | x | | | 2 | [5 ...]5 | x | | x | | | 3 | La réalisation de façade(s) végétale(s) non visible(s) depuis la voirie publique ou de toiture(s) végétale(s) sur une construction ou une installation existante. | x | | x | | | 4 | La pose d'une peinture ou d'un enduit sur une construction existante qui a pour effet la modification du volume construit ou l'aspect architectural. | | x | x | | | 5 | Le placement ou le remplacement de matériaux de parements d'élévation et de couvertures de toiture par des matériaux de parements qui ne remplissent pas les conditions visées aux points 1 à 3. | | x | x | | | 6 | Le remplacement de portes ou de châssis, en élévation ou en toiture, par des portes ou des châssis visant à atteindre les normes énergétiques en vigueur. | x | | x | | | 7 | L'obturation, l'ouverture ou la modification de baies situées dans le plan de la toiture, sur maximum un niveau et totalisant au maximum un quart de la longueur de la façade ou toiture correspondante, pour autant que l'obturation ou la modification soit effectuée dans les mêmes matériaux que ceux de la toiture. | x | | x | | | 8 | L'obturation, l'ouverture ou la modification de portes ou de baies totalisant au maximum un quart de la longueur de l'élévation correspondante, dans la mesure où les conditions cumulatives suivantes sont remplies : a) l'obturation, l'ouverture ou la modification n'est pas effectuée sur une élévation située à l'alignement et/ou dont le plan est orienté vers la voirie de desserte publique du bâtiment principal concerné; b) l'obturation ou la modification est effectuée avec les mêmes matériaux de parement que ceux de l'élévation; c) chaque ouverture ou modification s'étend sur maximum un niveau; d) lorsque le bien est soumis à un guide régional ou communal d'urbanisme, les actes et travaux sont conformes à ce guide. | x | | x | | | 9 | L'obturation, l'ouverture ou la modification de portes ou de baies totalisant (toutes les ouvertures d'un même niveau) au maximum un quart de la longueur de la façade ou toiture correspondante et qui ne remplissent pas les conditions visées aux points 7 et 8. | | x | x | | | 10 | Le placement ou le remplacement de cheminées ou de conduits de cheminée, de gouttières ou de tuyaux de descentes d'eau de pluie, de systèmes d'évacuation pour des installations telles que hotte, chaudière, pour autant que, lorsque le bien est soumis aux dispositions du guide régional d'urbanisme relatives aux zones protégées de certaines communes en matière d'urbanisme ou relatives aux bâtisses en site rural, les actes et travaux soient conformes au guide. | x | | x | | | 11 | Le placement ou le remplacement des éléments visés au point 10 qui ne remplissent pas les conditions. | | x | x | | | 12 | La démolition ou l'enlèvement des éléments visés aux points 10 et 11 pour autant que les déchets provenant de la démolition ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x | | x | | B | Transformation d'une construction existante | 1 | Le remplacement de la structure portante d'une toiture sans modification du volume construit et pour autant que les points A1 et A7 soient respectés. | x | | x | | | 2 | La transformation sans agrandissement d'une construction existante en vue de créer une ou plusieurs pièces non destinées à l'habitation [4 ou à l'hébergement touristique]4, pour autant que, le cas échéant, les actes et travaux soient repris aux points A1, A2, A3, A6, A7, A8 et A10. | x | | x | | | 3 | La transformation sans agrandissement d'une construction existante non visée aux points 1 et 2 et qui ne portent pas atteinte à la structure portante de la construction. | | x | x | | | 4 | La transformation avec agrandissement conforme aux prescriptions décrétales et règlementaires du plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme d'une construction existante en vue de créer une pièce non destinée à l'habitation [4 ou à l'hébergement touristique]4, aux conditions cumulatives suivantes : a) un seul volume annexe par bien, et le bien ne compte pas plus d'une véranda; b) l'extension est d'une emprise au sol inférieure ou égale à 40,00 m2 et est : i) soit un volume annexe sans étage, ni sous-sol; ii) soit la prolongation du volume principal, et l'ensemble formé est sans étage, ni sous-sol; c) l'extension est effectuée dans des matériaux de tonalité similaire à ceux de la construction existante; d) l'extension est implantée à 2,00 m minimum de la limite mitoyenne. | x | | x | | | 5 | La transformation d'une construction existante qui répond aux conditions cumulatives reprises au point 4 et qui n'est pas conforme aux prescriptions décrétales et règlementaires du plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme. | | | x | | | 6 | Le placement d'un escalier extérieur. | | x | x | | | 7 | Le placement d'une installation d'aération ou de climatisation | | x | x | | | 8 | La transformation d'une construction existante autre que celles visées aux points 1 à 7 pour autant que l'emprise au sol [5 de l'existant]5 soit au maximum doublée et que la hauteur sous corniche et/ou la hauteur de l'attique du bâtiment existant ne soit pas dépassée. | | x | | | | 9 | La démolition ou l'enlèvement d'un volume annexe, d'un escalier extérieur ou d'un appareil de conditionnement d'air, pour autant que les déchets provenant de la démolition soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x | | x | | | | [2 10 | Actes et travaux de remise en état de bâtiments et constructions à la suite d'une calamité naturelle reconnue, pour autant que cumulativement : a) les actes et travaux sont réalisés dans les vingt-quatre mois suivant la publication de l'arrêté reconnaissant la calamité naturelle; b) les actes et travaux sont communiqués au collège communal au moins quinze jours avant leur début; c) les actes et travaux ne portent pas atteinte à la structure portante des bâtiments ou constructions; d) les actes et travaux répondent aux conditions mentionnées au point A1; e) l'obturation, l'ouverture ou la modification de baies existantes situées dans le plan de toiture, sur maximum un niveau, effectuée dans les mêmes matériaux que ceux de la toiture; f) l'obturation, l'ouverture ou la modification de baies existantes dans les élévations pour autant que, cumulativement : i) l'obturation ou la modification est effectuée avec les mêmes matériaux de parement que ceux de l'élévation; ii) chaque ouverture ou modification s'étend sur maximum un niveau; iii) lorsque le bien est soumis à un guide régional ou communal d'urbanisme, les actes et travaux sont conformes à ce guide. | x | | x | | | | 11 | A la suite d'une calamité naturelle reconnue, la démolition de bâtiments, constructions et installations isolés, pour autant que cumulativement : a) la démolition est réalisée dans les vingt-quatre mois suivant la publication de l'arrêté reconnaissant la calamité naturelle; b) la démolition est communiquée au collège communal au moins quinze jours avant son début. | x | | x | | | | 12 | A la suite d'une calamité naturelle reconnue, la démolition de bâtiments, constructions et installations non isolés, pour autant que cumulativement : a) la démolition est réalisée dans les vingt-quatre mois suivant la publication de l'arrêté reconnaissant la calamité naturelle; b) la démolition est réalisée dans le cadre d'un arrêté du bourgmestre pris en urgence dans le but d'assurer la sécurité publique. | x | | x]2 | | C | Véranda | 1 | Conforme aux prescriptions décrétales et règlementaires du plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme. Seulement une par bien, et le bien ne compte pas plus d'un volume annexe. Situation : érigée en contiguïté avec un bâtiment existant, à l'arrière de ce bâtiment par rapport à la voirie de desserte. Implantation : à 2,00 m minimum de la limite mitoyenne. Superficie maximale de 40,00 m2. Volumétrie : sans étage; toiture plate ou à un ou plusieurs versants. Hauteurs maximales calculées par rapport au niveau naturel du sol et pour autant que le niveau de gouttière soit inférieur au niveau de gouttière du volume principal et que les conditions suivantes soient respectées : a) 3,00 m sous corniche; b) 5,00 m au faîte; c) le cas échéant, 3,20 m à la hauteur de l'attique. Matériaux : structure légère et parois majoritairement en verre ou en polycarbonate tant en élévation qu'en toiture | x | | x | | | 2 | La construction d'une véranda d'une superficie maximale de 40,00 m2 qui ne remplit pas les conditions visées au point 1. | | x | x | | | 3 | La démolition d'une véranda pour autant que les déchets provenant de la démolition soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x | | x | | D | Création d'un ou de plusieurs logements | 1 | La création d'un logement [4 ou d'un hébergement touristique]4 dans un bâtiment pour autant que les actes et travaux de transformation ne requièrent pas l'intervention obligatoire d'un architecte. | | x | x | | | 2 | [4 La [5 création d'un ou de plusieurs logements ou d'un ou de plusieurs hébergements touristiques]5 qui ne remplit pas les conditions visées au point 1, ou la création de plusieurs logements ou de plusieurs hébergements touristiques dans un bâtiment.]4 | | x | | | E | Placement d'installations techniques et construction ou reconstruction d'un volume secondaire tels que : * garage, * atelier, * pool house, * dalle de stockage * bâtiments préfabriqués, etc. | 1 | [5 ...]5 | x | | x | | | 2 | [5 Installation, transformation]5, agrandissement d'une installation technique au sens de l'article R.IV.1-2, alinéa 2, en ce compris un encuvement, qui forme une unité fonctionnelle avec l'entreprise existante. Trois maximum par bien. Situation : en zone d'activité économique. Implantation : a) non située entre une façade principale et une voirie publique; b) dans un rayon de 30,00 m d'une installation ou d'une construction existante dument autorisée; c) à 20,00 m au moins de tout logement autre que celui de l'exploitant; d) à 3,00 m au moins des limites mitoyennes; e) à 10,00 m au moins d'un cours d'eau; f) en dehors du périmètre ou du dispositif d'isolement de la zone d'activité économique; g) travaux n'impliquant pas d'abattage d'arbre, de haie ou d'allée au sens de l'article D.IV.4, 11°. Superficie maximale : [5 la superficie totale cumulée de l'installation]5 et de l'agrandissement des installations techniques dispensée de permis est inférieure à 100,00 m2. Hauteur : maximum 10,00 m et inférieure à celle du bâtiment le plus haut situé sur le bien. | x | | x | | | 3 | Construction, transformation, agrandissement d'un bâtiment ou [5 installation]5 ou déplacement de bâtiments préfabriqués, en ce compris l'escalier extérieur, non destiné à l'habitation [4 ou à l'hébergement touristique]4 et formant une unité fonctionnelle avec l'entreprise existante. Situation : en zone d'activité économique. Implantation : a) non située entre une façade principale et une voirie publique; b) dans un rayon de 30,00 m d'une installation ou d'une construction existante dument autorisée; c) à 3,00 m au moins des limites mitoyennes; d) à 10,00 m au moins d'un cours d'eau; e) en dehors du périmètre ou du dispositif d'isolement de la zone d'activité économique; f) travaux n'impliquant pas l'abattage d'arbres, de haies ou d'allées au sens de l'article D.IV.4, 11°. Superficie maximale: la superficie totale cumulée de la construction, de l'agrandissement et du bâtiment préfabriqué dispensée de permis est de 75,00 m2. Volumétrie : un étage maximum, toiture plate ou à un ou plusieurs versants. Hauteur maximale de l'attique ou du faîte : 7,00 m et inférieure ou égale à celle du bâtiment le plus haut situé sur le bien. Matériaux : de tonalité similaire avec ceux des bâtiments existants. | x | | x | | | 4 | L'établissement d'une dalle de stockage pour autant qu'il n'implique aucune modification sensible du relief du sol. Une seule dalle de stockage par bien. Situation : en zone d'activité économique. Implantation : a) non située entre une façade principale et une voirie publique; b) à 3,00 m au moins des limites mitoyennes; c) à 10,00 m au moins d'un cours d'eau; d) en dehors du périmètre ou du dispositif d'isolement de la zone d'activité économique; e) travaux n'impliquant pas l'abattage d'arbres, de haies ou d'allées au sens de l'article D.IV.4, 11°. Superficie maximale : 75,00 m2. | x | | x | | | 5 | La construction d'un volume secondaire ou le placement d'une installation technique non visé(e) au point 1 à 4 ou qui ne remplit pas les conditions visées aux points 1 à 4, non destinée à l'habitation [4 ou à l'hébergement touristique]4 et qui forme une unité fonctionnelle avec une construction ou un ensemble de constructions existant pour autant que l'emprise au sol de l'ensemble formé soit au maximum doublée. | | x | x | | | 6 | La démolition ou l'enlèvement d'un volume secondaire, d'une installation technique, d'une construction ou d'un bâtiment préfabriqué visés aux points 1 à 5 pour autant que les déchets provenant de la démolition ou l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x | | x | | | | [5 7 | Travaux de remise en état et de réparation des surfaces en béton et en goudron si ces travaux concernent une superficie totale par bien n'excédant pas 20 m2. | x | x | | | | | 8 | Travaux de remise en état et de réparation des surfaces en béton et en goudron qui ne remplissent pas la condition énoncée au point 7. | | x | | | | | 9 | La démolition ou l'enlèvement des surfaces en béton ou en goudron, pour autant que les déchets provenant de la démolition ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x | x]5 | | | F | Carport, accès et parcage | 1 | Un seul carport par bien. Situation : a) en relation directe avec la voirie de desserte publique; b) le plan de l'élévation à rue du carport ne peut être situé au-delà du plan de l'élévation arrière du bâtiment principal. Superficie maximale : 40,00 m2 Volumétrie : toiture plate ou à un ou plusieurs versants Hauteurs maximales : a) 2,50 m sous corniche; b) 3,50 m au faîte; c) le cas échéant, 3,20 m à la hauteur de l'attique. Matériaux : a) structure constituée de poteaux en bois, en béton, métalliques ou de piliers en matériaux similaires au parement du bâtiment existant ou d'une tonalité similaire à ceux-ci; b) toiture à un ou plusieurs versants en matériaux similaires à ceux du bâtiment principal. | x | | x | | | 2 | Le carport autre qui ne remplit pas les conditions visées au point 1. | | x | x | | | 3 | L'enlèvement ou la démolition d'un carport visé aux points 1 et 2 pour autant que les déchets provenant de la démolition soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x | | x | | | 4 | Les emplacements de stationnement en plein air ainsi que leurs accès aux conditions cumulatives suivantes : a) [5 ils sont situés aux abords d'un bâtiment existant dûment autorisé et forment une unité fonctionnelle avec celui-ci]5; b) [5 ils sont reliés à la voirie de desserte publique; sauf en zone d'activité économique, l'accès peut présenter une largeur maximale de 6 mètres]5; c) ils sont constitués en matériaux perméables et discontinus; d) [5 ils présentent une superficie maximale de - 300,00 m2 en zone d'activité économique; - 100,00 m2 dans d'autres zones]5; e) ils ne nécessitent pas de modification sensible du relief du sol au sens de l'article R.IV.4-3, points 1° à 5°, 7° à 9°, 11°, 12° et 15°. | x | | x | | | 5 | Les chemins et emplacements de stationnement en plein air [5 ...]5, autres que ceux visés au point 4. | | x | x | | G | Abri de jardin/Remise | 1 | Un(e) seul(e) abri de jardin/remise par bien. Situation : a) dans les espaces de cours et jardins; b) soit non visible depuis la voirie publique, soit situé(e) à l'arrière du bâtiment par rapport à la voirie de desserte publique. Implantation : à 1,00 m au moins des limites mitoyennes. Superficie maximale : 20,00 m2. Volumétrie : toiture à un ou plusieurs versants ou toiture plate. Hauteur maximale : a) 2,50 m sous corniche; b) 3,50 m au faîte; c) le cas échéant, 3,20 m à la hauteur de l'attique. Matériaux : en bois ou tout autre matériau de tonalité similaire avec le bâtiment ou le milieu dans lequel il s'intègre. | x | | x | | | 2 | Les abris de jardin ou les remises qui ne remplissent pas les conditions visées au point 1. | | x | x | | | 3 | L'enlèvement ou la démolition des abris de jardins ou remises visés aux points 1 et 2 pour autant que les déchets provenant de la démolition soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x | | x | | H | Piscine/Etang de baignade | 1 | Hors sol ou autoportante : Situation : dans les espaces de cours et jardins, non visible depuis la voirie publique. Implantation : à 1,00 m au moins des limites mitoyennes. | x | | x | | | 2 | Enterrée partiellement ou complètement, ainsi que tout dispositif de sécurité d'une hauteur maximale de 2,00 m entourant la piscine : a) une par bien; a) non couverte ou couverte par un abri télescopique à structure légère et repliable qui en recouvre la surface pour autant que la hauteur du faîte soit inférieure à 3,50 m; c) à usage privé; d) les déblais nécessaires [5 à la piscine]5 n'entrainent aucune modification sensible du relief naturel du sol au sens de l'article R.IV.4-3 sur le reste du bien. Situation : dans les espaces de cours et jardins, non visible depuis la voirie publique. Implantation : le plan d'eau est situé à 3,00 m au moins des limites mitoyennes. Superficie maximale (plan d'eau) : 75,00 m2 | x | | x | | | | 2.1 | Etang de baignade : a) un seul par bien; b) non-couvert; c) à usage privé; d) les déblais nécessaires à cet étang de baignade n'entrainent aucune modification sensible du relief naturel du sol au sens de l'article R.IV.4-3 sur le reste du bien. Situation : dans les espaces de cours et jardins, non visible depuis la voirie publique. Implantation : le plan d'eau est situé à 3,00 m au moins des limites mitoyennes. Superficie maximale (zone de baignade + zone de lagunage) : 100,00 m2 | x | | x | | | 3 | Les piscines et étangs de baignade qui ne remplissent pas les conditions visées aux points 1, 2 et 2.1. | | x | x | | | 4 | L'enlèvement, la démolition ou le remblaiement de piscines et étangs de baignade visés aux points 1 à 3 pour autant que les déchets provenant de la démolition soient évacués conformément à la législation en vigueur et que les remblais soient conformes à la législation en vigueur. | x | | x | | I | [5 Etang]5 | 1 | Un(e) seul(e) par bien. Situation : en dehors d'un site reconnu en vertu de la loi sur la conservation de la nature du 12 juillet 1973 (à l'exception d'une mesure de gestion '' UG5-prairie de liaison '' ou '' UG11-terre de cultures et éléments anthropiques '' dans une zone Natura 2000). Implantation : le plan d'eau est situé à 3,00 m au moins des limites mitoyennes. Superficie maximale : 100,00 m2. [5 Au moins un tiers de la berge présente une pente très douce (< 30°).]5 Les déblais nécessaires [5 à l'étang]5 n'entrainent aucune modification sensible du relief naturel du sol au sens de l'article R.IV.4-3 sur le reste du bien. Sauf les [5 ...]5 étangs dans les espaces de cours et jardins, le plan d'eau doit être partiellement ombragé par la plantation d'arbres. | x | | x | | | 2 | Les étangs [5 ...]5 qui ne remplissent pas les conditions visées au point 1. | | x | x | | | 3 | La suppression ou le remblaiement des étangs [5 ...]5 visés au point 1 pour autant que les remblais soient conformes à la législation en vigueur. | x | | x | | J | Aménagements, accessoires et mobiliers | 1 | Le placement d'auvents, de tentes solaires ou de couvertures d'une terrasse située au niveau du sol, accolés ou isolés. Situation : dans les espaces de cours et jardins. Hauteur maximale : 3,50 m. Superficie maximale totale de l'ensemble de ces [5 installations]5: 40,00 m2. Implantation : à 2,00 m au moins des limites mitoyennes. | x | | x | | | 2 | Le placement de mobilier de jardin ancré au sol ou enterré, tel que bancs, tables, sièges, feux ouverts ou barbecues, poubelles, compostières, pergolas, colonnes, bacs à plantations, fontaines décoratives, bassins de jardin, jeux pour enfants, structures pour arbres palissés. Le placement de candélabres et de poteaux d'éclairage, de manière telle que le faisceau lumineux issu de lampes reporté au sol n'excède pas les limites mitoyennes. Les aires de jeux et de sport en matériaux perméables et les appareillages strictement nécessaires à leur pratique. Situation : soit dans les espaces de cours et jardins, soit aux abords d'une construction située dans une zone destinée à l'urbanisation et formant une unité fonctionnelle avec cette construction. Hauteur maximale : 3,50 m. | x | | x | | | 3 | La création de chemins en matériaux perméables et de terrasses, aux abords d'une ou plusieurs constructions existantes, au niveau du sol et qui ne requiert pas de modification sensible du relief du sol au sens de l'article R.IV.4-3, à l'exception des rocailles. | x | | x | | | | 3.1 | [5 La création de rocailles, avec une surface de jardin recouverte de 8 m2 au maximum par bien (hors chemins).]5 | x | | x | | | | 3.2 | [5 La création de rocailles, avec une surface totale dépassant les 8 m2 par bien (hors chemins).]5 | | x | x | | | 4 | Le placement de serres de jardin qui totalisent une superficie maximale de 20,00 m2. | x | | x | | | 5 | Pour autant qu'ils ne délimitent pas le bien : a) La pose de clôtures constituées soit de piquets reliés entre eux par des fils ou treillis avec, éventuellement, à la base, une plaque de béton ou un muret de 0,70 m de hauteur maximum, soit de piquets reliés entre eux par une ou deux traverses horizontales, soit de palissades en bois, soit de gabions d'une épaisseur maximale de 20,00 cm, ainsi que la pose de portiques, portails, portillons d'une hauteur maximale de 2,00 m; b) la construction et la transformation de murs de soutènement, en ce compris en gabions, d'une hauteur maximale de 0,70 m; c) la construction et la transformation de murs d'une hauteur maximale de 2,00 m, non visibles depuis la voirie publique ou situés à l'arrière d'un bâtiment par rapport à la voirie de desserte publique. | x | | x | | | 6 | Les [5 installations]5, accessoires, mobiliers de jardins ancrés au sol ou enterrés, non visés aux points 1 à 5 ou qui ne remplissent pas les conditions visées aux points 1 à 5. | | x | x | | | 7 | La démolition, la suppression ou l'enlèvement des éléments visés aux points 1 à 6 pour autant que les déchets provenant de la démolition, de la suppression ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x | | x | | K | Habitations légères au sens du Code wallon de l'habitation durable | 1 | Le placement d'habitations légères préfabriquées ou en kit. | | | x | | | 2 | Construction d'habitations légères non visées au point 1 pour autant qu'elles soient : a) sans étage; b) d'une superficie inférieure à 40 m2; c) d'une hauteur maximale de 2,50 m sous corniche, 3,50 m au faîte et, le cas échéant, 3,20 m à l'attique. | | | x | | L | Energies renouvelables Modules de production d'électricité ou de chaleur | 1 | [5 1. Le placement d'un ou de plusieurs modules de production d'électricité ou de chaleur utilisant l'énergie solaire comme source d'énergie ainsi que l'installation de stockage d'énergie correspondante, pour autant qu'elle y soit raccordée et qu'elle soit située sur le même bien, par exemple une batterie, si le ou les modules : a) sont intégrés dans un bâtiment existant dûment autorisé ou installés sur ce dernier, soit sur la façade, soit sur le toit, b) ou bien sont installés sur une structure artificielle existante dûment autorisée, comme une voirie, un parking, une voie ferrée, un quai, un emplacement de stockage pour matériaux ou biens, à l'exception des plans d'eau artificiels. 2. Le remplacement d'un ou de plusieurs modules de production d'électricité ou de chaleur existants dûment autorisés utilisant l'énergie solaire comme source d'énergie, à condition que ce ou ces modules ne nécessitent pas d'espace supplémentaire et répondent aux mesures de compatibilité environnementale en vigueur, définies pour l'installation d'origine. 3. Le placement d'une pompe à chaleur (en ce compris les pompes à chaleur géothermiques) d'une capacité électrique inférieure à 50 Mw et d'une profondeur maximale de 500 mètres, laquelle : a) est implantée dans une construction fermée existante dûment autorisée b) ou est pourvue d'un caisson acoustique et est située à une distance d'au moins 2 mètres par rapport à la limite mitoyenne. 4. Le placement d'une pompe à chaleur (en ce compris les pompes à chaleur géothermiques) d'une capacité électrique de 12 Kw au maximum, laquelle : a) est située à une distance d'au moins 2 mètres par rapport à la limite mitoyenne; b) et est soit pourvue d'un caisson acoustique, soit située à 15 mètres de l'habitation la plus proche (à l'exclusion de sa propre habitation). ]5 | x | | x | | | | [5 1.1 | Le placement d'une pompe à chaleur de 300 kW au maximum, qui ne remplit pas les conditions visées au point 1. | | x | x]5 | | | 2 | Le placement d'un ou de plusieurs modules de production d'électricité ou de chaleur qui alimentent directement toute construction, installation ou tout bâtiment [5 existant dûment autorisé]5 situé sur le même bien dont la source d'énergie est renouvelable qui ne remplissent pas les conditions visées au point 1. | | x | x | | | 3 | La suppression ou l'enlèvement des éléments visés aux points 1 et 2 pour autant que les déchets provenant de la suppression ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x | | x | | M | Clôtures | 1 | La pose de clôtures transparentes de 2,00 m de hauteur maximum constituées soit de piquets reliés entre eux par des fils ou treillis avec, éventuellement, à la base, une plaque de béton ou un muret de 0,70 m de hauteur maximum, soit par des éléments de fixation en bois. La construction ou la transformation de murs de soutènement de moins de 0,70 m de haut, en ce compris en gabions. La pose de portiques, portillons ou portails d'une hauteur maximale de 2,00 m permettant une large vue sur le bien. | x | | x | | | 2 | La pose de portiques, portails ou portillons qui ne remplissent pas les conditions visées au point 1 ou qui ne sont pas visés au point 1. | | x | x | | | 3 | La construction ou la transformation de murs de soutènement de plus de 0,70 m de haut ou de murs de clôture aux abords d'une construction ou d'une installation existante dument autorisée. | | x | x | | | 4 | La démolition ou l'enlèvement des éléments visés aux points 1 à 4 pour autant que les déchets provenant de la démolition ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x | | x | | N | Abris pour un ou des animaux en ce compris les ruchers et les dalles de fumière | 1 | Un ou plusieurs ruchers par bien. Sans préjudice de l'application des dispositions visées au Code rural et des conditions intégrales prises en vertu du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement. | x | | x | | | 2 | Un ou plusieurs abris pour animaux par bien. Situation : dans les espaces de cours et jardins. Implantation : a) à 3,00 m au moins des limites mitoyennes; b) lorsqu'il s'agit de grands animaux, à 20,00 m au moins de toute habitation voisine; c) lorsqu'il s'agit de grands animaux, non situés dans l'axe de vue perpendiculaire à la façade arrière d'une habitation voisine. Superficie maximale totale de l'ensemble des abris pour animaux sur le bien : 25,00 m2 pour un ou plusieurs abris. Volumétrie : sans étage, toiture à un ou deux versants de mêmes pente et longueur ou une toiture plate. Hauteur maximale calculée par rapport au niveau naturel du sol : a) 2,50 m sous corniche; b) 3,50 m au faîte; c) le cas échéant, 3,20 m à la hauteur de l'attique. Matériaux : bois ou grillage ou similaires à ceux du bâtiment principal existant. Sans préjudice de l'application des dispositions visées dans le Code rural et des conditions intégrales et sectorielles prises en vertu du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement. | x | | x | | | 3 | L'établissement d'une dalle de fumière. Situation : à 20,00 m minimum de toute habitation autre que celle située sur le bien. Implantation : distante de 10,00 m au moins des limites mitoyennes. Hauteur : au niveau du sol. Superficie maximale : 10,00 m2. | x | | x | | | | 3.1 | Le placement d'une dalle de fumière qui ne remplit pas les conditions du point 3. | | x | x | | | 4 | Le placement ou la construction d'abris pour animaux qui ne remplissent pas les conditions des [5 du point 2]5 [5 , la superficie maximale totale de l'ensemble des abris pour animaux sur le bien ne dépassant pas 100 m2]5. | | x | x | | | | [5 4.1 | Le placement ou la construction d'abris pour animaux qui ne remplissent pas les conditions des points 2 ou 4. | | | x]5 | | | 5 | La démolition et l'enlèvement des abris, [5 ruchers]5 et dalles de fumière visés aux points 1 à 4 pour autant que les déchets provenant de la démolition ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x | | x | | O | Exploitations agricoles | 1 | La construction de silos de stockage en tout ou en partie enterrés, pour autant que le niveau supérieur des murs de soutènement n'excède pas de 2,00 m le niveau du relief naturel du sol. | | x | x | | | 2 | L'établissement d'une dalle de fumière. Situation : à 20,00 m minimum de toute habitation autre que celle de l'exploitant. Implantation : distante de 3,00 m minimum des limites mitoyennes. Hauteur : le niveau supérieur de la dalle ou des murs de soutènement n'excède pas de 2,00 m le niveau du relief naturel du sol. | | x | x | | | 3 | La pose/le placement de citernes de stockage d'eau ou de poches à lisier en tout ou en partie enterrées. Situation : à 20,00 m minimum de toute habitation autre que celle de l'exploitant et en dehors de la zone d'habitat. Implantation : a) à 10,00 m minimum de tout cours d'eau navigable ou non navigable; b) à 3,00 m minimum du domaine public. Hauteur : le niveau supérieur du mur de soutènement n'excède pas 0,70 m. | | x | x | | | | 3.1 | Le placement d'une poche à lisier par exploitation et par saison, pour une durée maximale de quatre mois, à condition que le bien retrouve son état initial au terme de ce délai. | x | | x | | | | 3.2 | Le placement de poches à lisier qui ne remplissent pas les conditions du point 3.1. | | x | x | | | 4 | Le placement de serres-tunnels destinées à la culture de plantes agricoles ou horticoles et qui sont enlevées après la récolte. | x | | x | | | 5 | Les filets anti-grêle qui impliquent une structure ancrée au sol et le placement de serres-tunnels [5 dont la superficie maximale totale sur le bien ne dépasse pas 100 m2 et]5 qui ne remplissent pas les conditions visées au point 4. | | x | x | | | | [5 5.1 | Les filets anti-grêle et le placement de serres-tunnels qui ne remplissent pas les conditions visées aux points 4 ou 5 | | | x]5 | | | 6 | Le placement d'une installation de prise d'eau dans un cours d'eau non navigable ou non classé, destinée exclusivement à l'abreuvement du bétail. | x | | x | | | | 6.1 | Aménagement d'installations permettant au bétail de passer au-dessus de cours d'eau non navigables, pour autant que ni le lit du ruisseau ni les berges ne soient modifiés et pour autant qu'une autorisation écrite préalable ait été demandée auprès du gestionnaire du cours d'eau ainsi que, dans une zone reconnue en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, auprès de l'autorité compétente en application de ladite loi. Les installations servent uniquement au passage du bétail (pas de machines). Largeur maximale : 3,00 m. | x | | x | | | 7 | La démolition et l'enlèvement des éléments visés aux points 1 à 6 pour autant que les déchets provenant de la démolition ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x | | x | | P | Constructions et installations provisoires | 1 | Les constructions provisoires d'infrastructures de chantiers relatifs à des actes et travaux autorisés, en ce compris les réfectoires, logements et sanitaires ainsi que les pavillons d'accueil, pendant la durée des actes et travaux et pour autant que le chantier se poursuive de manière continue. | x | | x | | | 2 | Le placement d'installations à caractère social, culturel, sportif ou récréatif, en ce compris les emplacements de stationnement en plein air y relatifs, pour une durée maximale de nonante jours pour autant qu'au terme de ce délai, le bien retrouve son état initial. | x | | x | | | 3 | Le placement d'installations à caractère commercial, sur le domaine public, ou sur le domaine privé à la condition d'être en lien avec une activité existante, en ce compris les emplacements de stationnement en plein air y relatifs, pour une durée maximale de soixante jours pour autant que les installations soient conformes aux guide communal et régional d'urbanisme et qu'au terme du délai, le bien retrouve son état initial. | x | | x | | | 4 | Le placement provisoire d'installations nécessaires à l'accueil d'une activité déplacée, pendant la durée des actes et travaux soumis à permis, pour autant que le chantier se poursuive de manière continue et qu'une fois les actes et travaux réalisés ou le permis périmé, les installations soient enlevées. | x | | x | | | | [2 4.1 | A la suite d'une calamité naturelle reconnue et pour une période de vingt-quatre mois au plus suivant la publication de l'arrêté reconnaissant ladite calamité, le placement provisoire sur le domaine public d'installations accueillant un service public ou une activité à finalité d'intérêt général visée à l'article D.IV.22, alinéa 1er, 7°, ou une activité d'utilité publique visée à l'article R.IV.22-2, 17°. L'autorisation d'occupation du domaine public est demandée au préalable. Au terme du délai, le terrain retrouve son état initial. | x | | x | | | | 4.2 | A la suite d'une calamité naturelle reconnue et pour une période de vingt-quatre mois au plus suivant la publication de l'arrêté reconnaissant ladite calamité, le placement provisoire sur le domaine privé d'installations, en ce compris des emplacements de stationnement en plein air, accueillant un service public ou une activité à finalité d'intérêt général visée à l'article D.IV.22, alinéa 1er, 7°, ou une activité d'utilité publique visée à l'article R.IV.22-2, 17°, pour autant que, cumulativement : a) il s'agit du déplacement d'une activité existant dans la commune; b) il s'agit d'une zone destinée à l'urbanisation au sens de l'article D.II.23; c) le terrain ou la partie de terrain ne sont pas concernés par un risque au sens de l'article D.IV.57, alinéa 1er, 3°, ou un risque de ruissellement concentré, c.-à-d. un axe de concentration naturel des eaux pluviales; d) le terrain ou la partie de terrain n'ont pas subi d'inondation dans les cinq dernières années; e) la localisation du terrain ou de la partie de terrain n'est pas susceptible d'accroitre le risque d'accident majeur au sens du décret de la Région wallonne du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement ou d'en aggraver les conséquences; f) il ne s'agit ni d'un site reconnu en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, ni d'un site de grand intérêt biologique figurant sur le site cartographique du SPW; g) au terme du délai, le terrain retrouve son état initial. | x | | x | | | | 4.3 | A la suite d'une calamité naturelle reconnue et pour une période de vingt-quatre mois au plus suivant la publication de l'arrêté reconnaissant ladite calamité, le placement provisoire sur le domaine public d'installations à caractère commercial ou accueillant l'activité d'un indépendant ou d'une entreprise, à la condition que l'activité existe dans la commune et soit déplacée. L'autorisation d'occupation du domaine public est demandée au préalable. Au terme du délai, le terrain retrouve son état initial. | x | | x | | | | 4.4 | A la suite d'une calamité naturelle reconnue et pour une période de vingt-quatre mois au plus suivant la publication de l'arrêté reconnaissant ladite calamité, le placement provisoire sur le domaine privé d'installations à caractère commercial ou accueillant l'activité d'une entreprise ou d'un indépendant - en ce compris les emplacements de stationnement - pour autant que, cumulativement : a) il s'agit du déplacement d'une activité existant dans la commune; b) il s'agit d'une zone destinée à l'urbanisation au sens de l'article D.II.23; c) le terrain ou la partie de terrain ne sont pas concernés par un risque au sens de l'article D.IV.57, alinéa 1er, 3°, ou un risque de ruissellement concentré, c.-à-d. un axe de concentration naturel des eaux pluviales; d) le terrain ou la partie de terrain n'ont pas subi d'inondation dans les cinq dernières années; e) la localisation du terrain ou de la partie de terrain n'est pas susceptible d'accroitre le risque d'accident majeur au sens du décret de la Région wallonne du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement ou d'en aggraver les conséquences; f) il ne s'agit ni d'un site reconnu en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, ni d'un site de grand intérêt biologique figurant sur le site cartographique du SPW; g) au terme du délai, le terrain retrouve son état initial. | x | | x | | | | 4.5 | A la suite d'une calamité naturelle reconnue et pour une période de vingt-quatre mois au plus suivant la publication de l'arrêté reconnaissant ladite calamité, le placement provisoire d'habitations légères par ou pour le compte des communes, des centres publics d'action sociale ou des sociétés de logement de service public - en vue d'héberger des victimes de la calamité naturelle - pour autant que, cumulativement : a) il s'agit d'une zone destinée à l'urbanisation au sens de l'article D.II.23; b) le terrain ou la partie de terrain ne sont pas concernés par un risque au sens de l'article D.IV.57, alinéa 1er, 3°, ou un risque de ruissellement concentré, c.-à-d. un axe de concentration naturel des eaux pluviales; c) le terrain ou la partie de terrain n'ont pas subi d'inondation dans les cinq dernières années; d) la localisation du terrain ou de la partie de terrain n'est pas susceptible d'accroitre le risque d'accident majeur au sens du décret de la Région wallonne du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement ou d'en aggraver les conséquences; e) il ne s'agit ni d'un site reconnu en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, ni d'un site de grand intérêt biologique figurant sur le site cartographique du SPW; f) au terme du délai, le terrain retrouve son état initial. | x | | x]2 | | | 5 | La suppression ou l'enlèvement des éléments visés aux points [2 1 et 4 à 4.5]2, pour autant que les déchets provenant de la suppression ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x | | x | | Q | Enseignes et dispositifs de publicité | 1 | Le placement d'une ou plusieurs enseignes, ou d'un ou plusieurs dispositifs de publicité. | | x | x | | | 2 | L'enlèvement des enseignes et dispositifs visés au point 1 pour autant que les déchets provenant de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x | | x | | R | Miradors et postes d'observation | 1 | En zone forestière, dans la zone contigüe à la zone forestière et en zone agricole, les miradors et autres postes d'observation en bois ou métalliques de ton mat visés à l'article 1er, § 1er, 9°, de la loi du 28 février 1882 sur la chasse. Superficie utile maximale : 4,00 m2 | x | | x | | | | 1.1 | En zone forestière, dans la zone contigüe à la zone forestière et en zone agricole, les miradors et autres postes d'observation ne remplissant pas les conditions visées au point 1. | | x | x | | | 2 | L'enlèvement des miradors et des postes d'observation visés aux points 1 ou 1.1 pour autant que les déchets provenant de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x | | x | | S | Arbres, haies et modification de la végétation | 1 | Le boisement ou le déboisement. | | x | x | | | 2 | Sans préjudice de l'article R.IV.4-4, la culture de sapins de Noël. | | x | x | | | 3 | L'abattage d'une haie sur une longueur continue de moins de 2,50 m en vue de créer un seul accès à une habitation existante, pour autant que cet abattage soit concerné par l'article D.IV.4, alinéa 1er, 11°. | x | | x | | | 4 | L'abattage d'arbres isolés à haute tige, d'une haie, ou l'abattage d'un ou plusieurs ou de tous les arbres d'une allée au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 11°. | | x | x | | | 5 | L'abattage, l'atteinte au système racinaire ou la modification de l'aspect d'un arbre remarquable, d'un arbuste remarquable ou d'une haie remarquable au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 12°. | | x | x | | | 6 | Le défrichage ou la modification de la végétation de toute zone visée à l'article R.IV.4-11. | | x | x | | | 7 | L'abattage d'arbres visé aux points 4 à 6 faisant l'objet d'un arrêté du bourgmestre pris en urgence dans le but d'assurer la sécurité publique. | x | | x | | T | Modification du relief du sol | 1 | La modification sensible du relief du sol pour les forages ou carottages réalisés dans le cadre d'une étude géotechnique, d'une prospection géologique ou d'une étude de la pollution du sol. | x | | x | | | [5 2 | La modification sensible du relief du sol au sens de l'article R.IV.4-3 dans un rayon de 30,00 m d'une construction ou d'une installation existante, dûment autorisée, sur le même bien. | | x | x]5 | | | 3 | Pour la mise en oeuvre d'un programme d'action sur les rivières par une approche intégrée et sectorielle visé à l'article D. 33/3 du Livre II du Code de l'environnement, constituant le Code de l'eau, qui concerne : a) les travaux de remblais ou de déblais n'excédant pas 50,00 centimètres et situés à une distance maximum de 6,00 m à partir de la crête de berge d'un cours d'eau, y compris dans les zones soumises à l'aléa d'inondation; b) le dépôt et l'étalement des produits provenant des travaux de curage d'un cours d'eau. | x | | x | | U | [5 Utilisation d'un terrain pour dépôts et installations mobiles | 1 | Utilisation d'un terrain pour le placement d'une ou plusieurs installations mobiles au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 15°, b), en vue de réaliser des campings à la ferme. | | | x]5 | | | 2 | [5 Utilisation habituelle d'un terrain : - pour le dépôt d'un ou plusieurs véhicules usagés, de mitrailles, de matériaux ou de déchets; - pour le placement d'une ou plusieurs installations mobiles, telles que remorques publicitaires, roulottes, caravanes, véhicules désaffectés ou tentes, à l'exception des abris mobiles au sens du décret du 23 janvier 2017 visant à promouvoir le tourisme. | | x | x]5 | | V | [5 Structure destinée à l'hébergement touristique et de loisirs | 1 | Le placement d'une ou plusieurs structures destinées à l'hébergement touristique pour une occupation temporaire ou saisonnière, conçues pour être démontées aisément ou transportables, aux conditions cumulatives suivantes : a) l'abri mobile a une superficie maximale de 50,00 m2; b) son placement ou sa construction ne nécessite pas de modification sensible du relief du sol; c) il est situé sur un terrain de camping au sens du décret du 23 janvier 2017 visant à promouvoir le tourisme. | x | | x]5 | | | 2 | [5 ...]5 | | | | | | 3 | [5 La construction ou le placement par bien d'une cabane en bois ou d'une tente ou d'un tipi ou d'une yourte ou d'une bulle en zone forestière. | | x | x]5 | | | 4 | L'enlèvement ou la démolition des hébergements touristiques ou de loisirs, de terrasses visés aux points 1 à 3 pour autant que les déchets provenant de la démolition ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x | | x | | W | Actes et travaux sur le domaine public de la voirie, des voies ferrées et des cours d'eau | 1 | Pour autant qu'il n'y ait pas d'élargissement de l'assiette des voiries, le renouvellement des fondations et du revêtement des voiries, bermes, bordures, trottoirs, îlots et places publiques, à l'exception des changements de revêtements constitués de pierres naturelles et, pour les places publiques, pour autant que les actes et travaux n'augmentent pas la superficie des revêtements en matériau imperméable. | x | | x | | | 2 | La pose, le renouvellement, le déplacement ou l'enlèvement des éléments accessoires tels que les radars, parapets, les glissières et bordures de sécurité, à l'exception des murs de soutènement et des écrans antibruit. | x | | x | | | 3 | L'installation, le déplacement, la transformation, l'extension ou l'enlèvement des réseaux de fluides, d'une pression inférieure ou égale à 20 bars pour le gaz, d'énergie, d'une tension inférieure ou égale à 70 KV pour l'électricité, et de télécommunication insérés, ancrés, prenant appui ou surplombant le domaine public en ce compris les raccordements privés, les éléments accessoires et équipements connexes tels que bornes, armoires techniques, pylônes et poteaux d'une hauteur maximale de 14,00 mètres. | x | | x | | | 4 | Les aménagements provisoires de voirie d'une durée maximale de cinq ans [2 en ce compris les ouvrages d'art supportant des rues ou des voies ferrées]2. | x | | x | | | 5 | Les travaux d'aménagement des espaces réservés aux piétons, personnes à mobilité réduite ou cyclistes et visant la création ou l'agrandissement local de ces espaces, l'amélioration de leur aspect esthétique ou la sécurité des usagers, que ces travaux entrainent ou non un rétrécissement [5 ...]5 de la ou des voiries. | x | | x | | | 6 | Le placement ou le renouvellement de petit mobilier urbain tels que bancs, tables, sièges, poubelles, candélabres, bacs à plantations, petites pièces d'eau, bornes électriques, conteneurs, enterrés ou non, affectés à la collecte des déchets ménagers ou assimilés. | x | | x | | | 7 | Les travaux d'aménagement des espaces réservés aux plantations. | x | | x | | | 8 | Le placement, le déplacement ou l'enlèvement des dispositifs ou éléments de signalisation suivants : a) la signalisation, en ce compris son support et les portiques, ainsi que sa protection vis-à-vis de la circulation; b) les dispositifs fixes ou mobiles limitant la circulation, le stationnement ou la vitesse; c) les dispositifs de contrôle du stationnement, tels que les parcmètres ou appareils horodateurs; d) les dispositifs de stationnement non-couverts pour véhicules à deux roues; e) les dispositifs accessoires d'installations techniques, souterraines ou non, tels que des armoires de commande électrique de feux de signalisation ou d'éclairage public, bornes téléphoniques, bornes incendies et armoires de télédiffusion. | x | | x | | | 9 | Le placement, le déplacement ou l'enlèvement des dispositifs d'éclairage public. | x | | x | | | 10 | Pour autant qu'ils ne soient pas soumis aux dispositions du guide régional d'urbanisme relatives aux zones protégées de certaines communes en matière d'urbanisme, le placement, le déplacement ou l'enlèvement des dispositifs d'affichage et de publicité suivants : a) les colonnes dont le fût est d'au plus 1,20 m de diamètre et ne dépasse pas 3,50 m de hauteur; b) les panneaux sur pied dont les hauteur et largeur maximales ne dépassent pas respectivement 2,50 m et 1,70 m et dont la superficie utile ne dépasse pas 4,00 m2 par face. | x | | x | | | 11 | L'établissement ou la modification de la signalisation au sol. | x | | x | | | 12 | Le placement, le déplacement ou l'enlèvement de ralentisseurs de trafic. | x | | x | | | 13 | La pose, l'enlèvement ou le renouvellement des fondations et des dispositifs d'exploitation des voies et des lignes de transport en commun existants tels que rails, traverses, ballast, poteaux caténaires, signaux, portiques, loges, armoires de signalisation ou poteaux d'arrêts pour les voyageurs. | x | | x | | | 14 | Le placement d'une terrasse ouverte saisonnière dans le secteur Horeca. | x | | x | | | 15 | Les abris pour voyageurs aux arrêts de transport public. | x | | x | | | 16 | Le placement ou le déplacement de boîtes postales. | x | | x | | | 17 | Le placement, le déplacement ou l'enlèvement de statues, monuments commémoratifs et autres oeuvres artistiques, placés par les autorités ou sur l'ordre des autorités. | x | | x | | | 18 | La pose, le renouvellement ou l'enlèvement d'ouvrages de protection des berges dans un cours d'eau non navigable, à l'exception de murs maçonnés, sur un linéaire n'excédant pas 100,00 m et d'une hauteur maximum de 2,00 m. | x | | x | | | | [2 19 | L'installation d'équipements techniques de surveillance des cours d'eau. | x | | x | | | | 20 | Dans les zones touchées par des calamités naturelles reconnues et pour autant que les travaux aient commencé de manière significative dans les trois ans qui suivent la publication de l'arrêté reconnaissant ladite calamité, les actes et travaux concernant la reconstruction de ponts, en ce compris les travaux de soutènement, la réfection des berges ou du lit d'un cours d'eau, ou la réparation de barrages et de leurs installations, pour autant que leur localisation reste inchangée et que les conditions offertes aux différents usagers sont conservées. | x | | x | | | | 21 | Dans des zones touchées par des calamités naturelles reconnues et pour autant que les travaux aient commencé de manière significative dans les trois ans qui suivent la publication de l'arrêté reconnaissant ladite calamité, la démolition, la réfection ou la reconstruction de murs de berges ou d'autres ouvrages d'art situés sur la propriété du gestionnaire du cours d'eau non navigable. | x | | x]2 | | X | Egouttage, canalisation et réseaux en dehors du domaine public de la voirie, des voies ferrées et des cours d'eau, forages et prises d'eau | 1 | L'installation, le déplacement, la transformation de raccordements privés, en ce compris les armoires techniques, aux réseaux enterrés de fluide, d'énergie, de télécommunication ainsi que l'installation, le déplacement, la transformation de citernes à eau ou combustibles enfouies, drains, avaloirs, filets d'eau, regards, taques et fosses septiques et tout autre système d'épuration individuelle des eaux usées domestiques pour autant que, cumulativement : a) les déblais éventuels nécessaires à ces [5 installations]5 n'entrainent aucune modification sensible du relief du sol au sens de l'article R.IV.4-3 sur le reste du bien; b) ces dispositifs soient reliés à l'infrastructure nécessaire à l'aménagement du bien et situés exclusivement sur celui-ci. | x | | x | | | 2 | Les raccordements privés, en ce compris les armoires techniques, aux réseaux enterrés de fluide, d'énergie, de télécommunication ainsi que le placement de citernes à eau ou combustibles enfouies, drains, avaloirs, filets d'eau, regards, taques et fosses septiques et tout autre système d'épuration individuelle qui ne remplissent pas les conditions visées au point 1. | | x | x | | | 3 | [5 Le placement d'au maximum une citerne aérienne par bien. | | x | x]5 | | | 4 | L'insertion ou le renforcement de réseaux enterrés de fluide, d'énergie, de télécommunication dans un site technique déjà aménagé pour autant que, cumulativement : a) les travaux projetés sont propres à la fonction du site; b) les installations, bâtiments, constructions et revêtement existants ont été légalement autorisés; c) les travaux ne visent pas la construction d'un bâtiment; d) l'emprise au sol ne réduit pas les périmètres ou les dispositifs d'isolement existants. | x | | x | | | 5 | Les forages de puits et les prises d'eau. | x | | x | | | 6 | Dans les zones non destinées à l'urbanisation et à condition de ne pas nécessiter de permis au sens de l'article R.IV.4-3, alinéa 1er, 6°, l'établissement ou la modification d'un système de drainage pour autant que le terrain ne soit pas situé dans un site reconnu en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, à l'exception des sites Natura 2000, ou exposé à un risque naturel ou à une contrainte géotechnique majeurs tel que visé à l'article D.IV.57, 3°. | x | | x | | | 7 | L'installation, le déplacement, la transformation ou l'extension des réseaux de fluides, d'énergie et de télécommunication insérés ou ancrés, enterrés ou aériens et les éléments accessoires et les équipements connexes, lorsqu'ils sont situés en dehors du domaine public. | | x | x | | | | [2 7.1 | Dans des zones touchées par des calamités naturelles reconnues et pour autant que les travaux aient commencé de manière significative dans les trois ans qui suivent la publication de l'arrêté reconnaissant ladite calamité, le placement, le déplacement, la transformation et le remplacement de réseaux d'eaux usées, de fluides, d'énergie et de télécommunication, enterrés ou aériens, et de leurs dispositifs accessoires. | x | | x]2 | | | 8 | L'enlèvement des éléments visés aux points [2 1° à 7.1]2 pour autant que les déchets provenant de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x | | x | | Y | Télécommunication, télédistribution, fibre optique, gaz, électricité | 1 | Le remplacement d'installations ou d'armoires techniques par des installations ou armoires techniques d'un volume moindre ou équivalent. | x | | x | | | 2 | Le remplacement d'antennes existantes par des antennes de dimensions égales ou inférieures ou supérieures, à la condition que la hauteur totale incluant leur mât de support ne soit pas augmentée et que les nouvelles antennes soient d'une hauteur maximale de 3,00 m. | x | | x | | | 3 | Le remplacement d'un pylône ou d'un poteau existant par un pylône ou un poteau de même hauteur et de même type installé sur le même site. | x | | x | | | 4 | Le placement d'une armoire technique sur une toiture plate à condition qu'elle ne soit pas visible depuis la voirie, à savoir qu'elle soit située à une distance d'au moins une fois et demi la hauteur de l'armoire depuis l'attique. | x | | x | | | 5 | Le placement ou le remplacement d'armoires techniques à côté d'un pylône ou d'un poteau posé au sol ou dans un local technique situé à proximité d'un mât de support placé sur un toit. | x | | x | | | 6 | La pose d'installations techniques en vue d'assurer la stabilité et la sécurité d'installations existantes ainsi que leur bon fonctionnement. | x | | x | | | 7 | Le placement d'antennes ou faisceaux hertziens, d'armoires et d'installations techniques lors d'évènements culturels, sportifs, récréatifs ou commerciaux, placées pour une durée maximale de 90 jours à condition que ces antennes ou faisceaux, armoires et installations ne soient pas placés plus de 15 jours avant le début de l'évènement et qu'ils soient enlevés au plus tard 15 jours après la fin de l'évènement. | x | | x | | | 8 | Le déplacement et/ou la reconstruction d'antennes ou faisceaux hertziens, de réseaux insérés, ancrés, enterrés ou aériens, et d'armoires et installations techniques pour des raisons d'urgence, de sécurité ou d'intérêt public imprévisibles dans le chef de l'opérateur, le temps nécessaire pour obtenir toutes les autorisations requises au déplacement et/ou à la reconstruction du site. | x | | x | | | 9 | Le déplacement temporaire d'une installation existante afin d'assurer la continuité des services, en cas de travaux effectués par le propriétaire de la structure initiale, pour la durée exclusive des travaux. | x | | x | | | 10 | La pose d'installations telles que les antennes, faisceaux hertziens, armoires et installations techniques pour autant qu'elles soient situées à l'intérieur de bâtiments, de constructions ou de structures existantes ou couvertes par des matériaux ayant la même apparence que les matériaux existants. | x | | x | | | 11 | Le placement de faisceaux hertziens ayant un diamètre maximal de 90,00 cm sur un pylône existant ou un mât de support en toiture existant dument autorisé. | x | | x | | | | 11.1 | L'installation de points d'accès sans fil à portée limitée qui sont intégrés dans leur totalité et en toute sécurité dans leur structure porteuse et, partant, invisibles pour le grand public. | x | | x | | | | 11.2 | L'installation de points d'accès sans fil à portée limitée qui remplissent les conditions suivantes : a) le volume total de la partie visible par le public d'un point d'accès sans fil à portée limitée desservant un ou plusieurs utilisateurs du spectre radioélectrique ne dépasse pas 30 litres; b) le volume total des parties visibles par le public de plusieurs points d'accès sans fil à portée limitée séparés qui occupent un même site d'infrastructure d'une surface individuelle délimitée, tel qu'un poteau d'éclairage, des feux de circulation, un panneau d'affichage ou un arrêt de bus, ne dépasse pas 30 litres; c) dans les cas où le système d'antenne et d'autres éléments du point d'accès sans fil à portée limitée, tels qu'une unité de radiofréquence, un processeur numérique, une unité de stockage, un système de refroidissement, l'alimentation électrique, des connexions par câble, des éléments de collecte ou des éléments de mise à la terre et de fixation, sont installés séparément, toute partie de tels éléments supérieure à 30 litres est rendue invisible par le public; d) le point d'accès sans fil à portée limitée a une cohérence visuelle avec la structure porteuse et possède une taille proportionnée par rapport à la taille globale de la structure porteuse, une forme cohérente, des couleurs neutres qui s'harmonisent avec la structure porteuse ou se fondent avec cette dernière, ainsi que des câbles cachés et ne crée pas de surcharge visuelle en combinaison avec d'autres points d'accès sans fil à portée limitée déjà installés sur le même site ou sur des sites adjacents; e) le poids et la forme d'un point d'accès sans fil à portée limitée n'imposent pas de renforcement structurel de la structure porteuse. Les points d'accès sans fil à portée limitée dont la puissance isotrope rayonnée équivalente s'élève à 10 watts peuvent être uniquement déployés dans un espace extérieur ou dans un vaste espace intérieur présentant une hauteur de plafond d'au moins 4,00 m, la partie rayonnante inférieure de l'antenne devant être installée à une hauteur d'au moins 2,20 mètres au-dessus du niveau de passage du public. | x | | x | | | 12 | Le placement d'une antenne de radio-télévision ou de faisceaux hertziens (antenne parabolique ou antenne-panneau). Situation : * soit ancrée sur une élévation à l'arrière du bâtiment par rapport à la voirie de desserte publique ou en recul d'au moins 4,00 m de l'alignement; * soit ancrée au sol ou sur un pan de toiture et implantée à l'arrière du bâtiment par rapport à la voirie de desserte publique. Superficie maximale : 1,00 m2. Matériaux : il faut que l'antenne soit d'un ton similaire à celui de son support. | x | | x | | | 13 | Le placement d'une antenne de radio-télévision ou de faisceaux hertziens (antenne parabolique ou antenne-panneau). Situation : sur un toit plat. Hauteur maximale : 5,00 m support compris, et la hauteur est inférieure à la distance séparant l'installation de l'attique. Superficie maximale : 1,00 m2. | x | | x | | | 14 | [5 Le placement d'une antenne visée aux points 12 ou 13, et qui ne remplit pas les conditions visées aux points 12 ou 13. | | x | x]5 | | | 15 | Le placement d'antennes et de boîtiers de modules radio distants sur un pylône existant ancré au sol ou un mât de support en toiture existant dument autorisé, à condition que le déport soit de maximum 1,00 m dans le cas d'un pylône et de maximum 0,40 m dans le cas d'un mât de support, et que la hauteur du pylône ou du mât ne soit pas dépassée. | x | | x | | | 16 | Le placement d'antennes accolées à une façade existante avec un maximum d'une antenne, en ce compris les éléments actifs nécessaires à son raccordement, par 6 mètres courants de façade, ou à un pignon existant avec un maximum d'une antenne par pignon, ou sur une cheminée à condition que ces antennes aient une couleur similaire au revêtement de la façade ou du pignon. | x | | x | | | 17 | Le placement d'antennes sur le toit plat ou la partie plate du toit d'un immeuble, à condition qu'elles aient une hauteur maximale de 3,00 m support inclus, que cette hauteur soit inférieure à la distance séparant l'installation du bord inférieur ou de la rive de la toiture ou de l'attique et que le bâtiment soit d'une hauteur minimale de 12,00 m. | x | | x | | | 18 | Le placement sur façade et en aérien de câbles et conduites de communications électroniques ou numériques et des boîtes de raccordement connexes, pour autant que la couleur soit neutre et discrète et pour autant que le tracé du câble suive les lignes architecturales de l'habitation telles que le seuil de la fenêtre, la corniche, les jointages entre façades, le bord inférieur ou la rive de toiture, l'attique. | x | | x | | | 19 | Le placement de l'antenne d'une station d'amateur au sens de l'arrêté ministériel du 9 janvier 2001 relatif à l'établissement et la mise en service de stations radioélectriques par des radioamateurs. | | x | x | | | 20 | Le placement sur le domaine public de supports d'un diamètre maximum de 30,00 cm et d'une hauteur maximale de 8,00 m supportant des équipements techniques de télécommunication et des antennes, y compris des faisceaux hertziens d'un diamètre maximum de 90,00 cm, avec un déport n'excédant pas 40,00 cm. | x | | x | | | 21 | La suppression ou l'enlèvement des éléments visés aux points 1 à 20, pour autant que les déchets provenant de la suppression ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x | | x | | Z | Domaines militaires | 1 | La réalisation d'ouvrages défensifs à caractère opérationnel ou devant rester secret stratégique, pour le compte du Ministère de la Défense nationale et dont la liste est établie conjointement par le Ministre de la Défense nationale et le Ministre ayant l'Aménagement du territoire dans ses attributions. | x | | x]1 | | (1)<ACG 2021-07-01/10, art. 4, 015; En vigueur : 01-09-2021> | | (2)<ACG 2022-01-31/06, art. 1, 019; En vigueur : 14-06-2022> | | (3)<ARW 2022-12-08/15, art. 1, 020; En vigueur : 30-01-2023> | | (4)<ACG 2023-01-26/19, art. 1, 023; En vigueur : 01-02-2023> | | (5)<ACG 2024-04-18/28, art. 31, 025; En vigueur : 01-05-2024> | [1 '' Actes/ Travaux/InstallationsDescription/CaractéristiquesSont exonérés du permis d'urbanismeSont d'impact limitéNe requièrent pas l'intervention obligatoire d'un architecteAModification de l'enveloppe d'un bâtiment (isolation, élévations, toiture, baies)1a) les matériaux présentent le même aspect extérieur; b) l'accroissement d'épaisseur n'excède pas 0,30 m; c) lorsque le bien est soumis aux dispositions du guide régional d'urbanisme relatives aux zones protégées de certaines communes en matière d'urbanisme ou relatives aux bâtisses en site rural, ou aux articles R.II.36-6 à R.II.36-9, D.II.37, § 4, R.II.37-3, R.II.37-4 et R.II.37-7 à R.II.37-9, R.II.37-11, R.II.37-12, les couleurs et les matériaux sont conformes aux indications et prescriptions concernées.xx 2[5 ...]5xx 3La réalisation de façade(s) végétale(s) non visible(s) depuis la voirie publique ou de toiture(s) végétale(s) sur une construction ou une installation existante.xx 4La pose d'une peinture ou d'un enduit sur une construction existante qui a pour effet la modification du volume construit ou l'aspect architectural.xx 5Le placement ou le remplacement de matériaux de parements d'élévation et de couvertures de toiture par des matériaux de parements qui ne remplissent pas les conditions visées aux points 1 à 3.xx 6Le remplacement de portes ou de châssis, en élévation ou en toiture, par des portes ou des châssis visant à atteindre les normes énergétiques en vigueur.xx 7L'obturation, l'ouverture ou la modification de baies situées dans le plan de la toiture, sur maximum un niveau et totalisant au maximum un quart de la longueur de la façade ou toiture correspondante, pour autant que l'obturation ou la modification soit effectuée dans les mêmes matériaux que ceux de la toiture.xx 8L'obturation, l'ouverture ou la modification de portes ou de baies totalisant au maximum un quart de la longueur de l'élévation correspondante, dans la mesure où les conditions cumulatives suivantes sont remplies : a) l'obturation, l'ouverture ou la modification n'est pas effectuée sur une élévation située à l'alignement et/ou dont le plan est orienté vers la voirie de desserte publique du bâtiment principal concerné; b) l'obturation ou la modification est effectuée avec les mêmes matériaux de parement que ceux de l'élévation; c) chaque ouverture ou modification s'étend sur maximum un niveau; d) lorsque le bien est soumis à un guide régional ou communal d'urbanisme, les actes et travaux sont conformes à ce guide.xx 9L'obturation, l'ouverture ou la modification de portes ou de baies totalisant (toutes les ouvertures d'un même niveau) au maximum un quart de la longueur de la façade ou toiture correspondante et qui ne remplissent pas les conditions visées aux points 7 et 8.xx 10Le placement ou le remplacement de cheminées ou de conduits de cheminée, de gouttières ou de tuyaux de descentes d'eau de pluie, de systèmes d'évacuation pour des installations telles que hotte, chaudière, pour autant que, lorsque le bien est soumis aux dispositions du guide régional d'urbanisme relatives aux zones protégées de certaines communes en matière d'urbanisme ou relatives aux bâtisses en site rural, les actes et travaux soient conformes au guide.xx 11Le placement ou le remplacement des éléments visés au point 10 qui ne remplissent pas les conditions.xx 12La démolition ou l'enlèvement des éléments visés aux points 10 et 11 pour autant que les déchets provenant de la démolition ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur.xxBTransformation d'une construction existante1Le remplacement de la structure portante d'une toiture sans modification du volume construit et pour autant que les points A1 et A7 soient respectés.xx 2La transformation sans agrandissement d'une construction existante en vue de créer une ou plusieurs pièces non destinées à l'habitation [4 ou à l'hébergement touristique]4, pour autant que, le cas échéant, les actes et travaux soient repris aux points A1, A2, A3, A6, A7, A8 et A10.xx 3La transformation sans agrandissement d'une construction existante non visée aux points 1 et 2 et qui ne portent pas atteinte à la structure portante de la construction.xx 4La transformation avec agrandissement conforme aux prescriptions décrétales et règlementaires du plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme d'une construction existante en vue de créer une pièce non destinée à l'habitation [4 ou à l'hébergement touristique]4, aux conditions cumulatives suivantes : a) un seul volume annexe par bien, et le bien ne compte pas plus d'une véranda; b) l'extension est d'une emprise au sol inférieure ou égale à 40,00 m2 et est : i) soit un volume annexe sans étage, ni sous-sol; ii) soit la prolongation du volume principal, et l'ensemble formé est sans étage, ni sous-sol; c) l'extension est effectuée dans des matériaux de tonalité similaire à ceux de la construction existante; d) l'extension est implantée à 2,00 m minimum de la limite mitoyenne.xx 5La transformation d'une construction existante qui répond aux conditions cumulatives reprises au point 4 et qui n'est pas conforme aux prescriptions décrétales et règlementaires du plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme.x 6Le placement d'un escalier extérieur.xx 7Le placement d'une installation d'aération ou de climatisationxx 8La transformation d'une construction existante autre que celles visées aux points 1 à 7 pour autant que l'emprise au sol [5 de l'existant]5 soit au maximum doublée et que la hauteur sous corniche et/ou la hauteur de l'attique du bâtiment existant ne soit pas dépassée.x 9La démolition ou l'enlèvement d'un volume annexe, d'un escalier extérieur ou d'un appareil de conditionnement d'air, pour autant que les déchets provenant de la démolition soient évacués conformément à la législation en vigueur.xx[2 10Actes et travaux de remise en état de bâtiments et constructions à la suite d'une calamité naturelle reconnue, pour autant que cumulativement : a) les actes et travaux sont réalisés dans les vingt-quatre mois suivant la publication de l'arrêté reconnaissant la calamité naturelle; b) les actes et travaux sont communiqués au collège communal au moins quinze jours avant leur début; c) les actes et travaux ne portent pas atteinte à la structure portante des bâtiments ou constructions; d) les actes et travaux répondent aux conditions mentionnées au point A1; e) l'obturation, l'ouverture ou la modification de baies existantes situées dans le plan de toiture, sur maximum un niveau, effectuée dans les mêmes matériaux que ceux de la toiture; f) l'obturation, l'ouverture ou la modification de baies existantes dans les élévations pour autant que, cumulativement : i) l'obturation ou la modification est effectuée avec les mêmes matériaux de parement que ceux de l'élévation; ii) chaque ouverture ou modification s'étend sur maximum un niveau; iii) lorsque le bien est soumis à un guide régional ou communal d'urbanisme, les actes et travaux sont conformes à ce guide.xx11A la suite d'une calamité naturelle reconnue, la démolition de bâtiments, constructions et installations isolés, pour autant que cumulativement : a) la démolition est réalisée dans les vingt-quatre mois suivant la publication de l'arrêté reconnaissant la calamité naturelle; b) la démolition est communiquée au collège communal au moins quinze jours avant son début.xx12A la suite d'une calamité naturelle reconnue, la démolition de bâtiments, constructions et installations non isolés, pour autant que cumulativement : a) la démolition est réalisée dans les vingt-quatre mois suivant la publication de l'arrêté reconnaissant la calamité naturelle; b) la démolition est réalisée dans le cadre d'un arrêté du bourgmestre pris en urgence dans le but d'assurer la sécurité publique.xx]2CVéranda1Conforme aux prescriptions décrétales et règlementaires du plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme. Seulement une par bien, et le bien ne compte pas plus d'un volume annexe. Situation : érigée en contiguïté avec un bâtiment existant, à l'arrière de ce bâtiment par rapport à la voirie de desserte. Implantation : à 2,00 m minimum de la limite mitoyenne. Superficie maximale de 40,00 m2. Volumétrie : sans étage; toiture plate ou à un ou plusieurs versants. Hauteurs maximales calculées par rapport au niveau naturel du sol et pour autant que le niveau de gouttière soit inférieur au niveau de gouttière du volume principal et que les conditions suivantes soient respectées : a) 3,00 m sous corniche; b) 5,00 m au faîte; c) le cas échéant, 3,20 m à la hauteur de l'attique. Matériaux : structure légère et parois majoritairement en verre ou en polycarbonate tant en élévation qu'en toiturexx 2La construction d'une véranda d'une superficie maximale de 40,00 m2 qui ne remplit pas les conditions visées au point 1.xx 3La démolition d'une véranda pour autant que les déchets provenant de la démolition soient évacués conformément à la législation en vigueur.xxDCréation d'un ou de plusieurs logements1La création d'un logement [4 ou d'un hébergement touristique]4 dans un bâtiment pour autant que les actes et travaux de transformation ne requièrent pas l'intervention obligatoire d'un architecte.xx 2[4 La [5 création d'un ou de plusieurs logements ou d'un ou de plusieurs hébergements touristiques]5 qui ne remplit pas les conditions visées au point 1, ou la création de plusieurs logements ou de plusieurs hébergements touristiques dans un bâtiment.]4xEPlacement d'installations techniques et construction ou reconstruction d'un volume secondaire tels que : * garage, * atelier, * pool house, * dalle de stockage * bâtiments préfabriqués, etc.1[5 ...]5xx 2[5 Installation, transformation]5, agrandissement d'une installation technique au sens de l'article R.IV.1-2, alinéa 2, en ce compris un encuvement, qui forme une unité fonctionnelle avec l'entreprise existante. Trois maximum par bien. Situation : en zone d'activité économique. Implantation : a) non située entre une façade principale et une voirie publique; b) dans un rayon de 30,00 m d'une installation ou d'une construction existante dument autorisée; c) à 20,00 m au moins de tout logement autre que celui de l'exploitant; d) à 3,00 m au moins des limites mitoyennes; e) à 10,00 m au moins d'un cours d'eau; f) en dehors du périmètre ou du dispositif d'isolement de la zone d'activité économique; g) travaux n'impliquant pas d'abattage d'arbre, de haie ou d'allée au sens de l'article D.IV.4, 11°. Superficie maximale : [5 la superficie totale cumulée de l'installation]5 et de l'agrandissement des installations techniques dispensée de permis est inférieure à 100,00 m2. Hauteur : maximum 10,00 m et inférieure à celle du bâtiment le plus haut situé sur le bien.xx 3Construction, transformation, agrandissement d'un bâtiment ou [5 installation]5 ou déplacement de bâtiments préfabriqués, en ce compris l'escalier extérieur, non destiné à l'habitation [4 ou à l'hébergement touristique]4 et formant une unité fonctionnelle avec l'entreprise existante. Situation : en zone d'activité économique. Implantation : a) non située entre une façade principale et une voirie publique; b) dans un rayon de 30,00 m d'une installation ou d'une construction existante dument autorisée; c) à 3,00 m au moins des limites mitoyennes; d) à 10,00 m au moins d'un cours d'eau; e) en dehors du périmètre ou du dispositif d'isolement de la zone d'activité économique; f) travaux n'impliquant pas l'abattage d'arbres, de haies ou d'allées au sens de l'article D.IV.4, 11°. Superficie maximale: la superficie totale cumulée de la construction, de l'agrandissement et du bâtiment préfabriqué dispensée de permis est de 75,00 m2. Volumétrie : un étage maximum, toiture plate ou à un ou plusieurs versants. Hauteur maximale de l'attique ou du faîte : 7,00 m et inférieure ou égale à celle du bâtiment le plus haut situé sur le bien. Matériaux : de tonalité similaire avec ceux des bâtiments existants.xx 4L'établissement d'une dalle de stockage pour autant qu'il n'implique aucune modification sensible du relief du sol. Une seule dalle de stockage par bien. Situation : en zone d'activité économique. Implantation : a) non située entre une façade principale et une voirie publique; b) à 3,00 m au moins des limites mitoyennes; c) à 10,00 m au moins d'un cours d'eau; d) en dehors du périmètre ou du dispositif d'isolement de la zone d'activité économique; e) travaux n'impliquant pas l'abattage d'arbres, de haies ou d'allées au sens de l'article D.IV.4, 11°. Superficie maximale : 75,00 m2.xx 5La construction d'un volume secondaire ou le placement d'une installation technique non visé(e) au point 1 à 4 ou qui ne remplit pas les conditions visées aux points 1 à 4, non destinée à l'habitation [4 ou à l'hébergement touristique]4 et qui forme une unité fonctionnelle avec une construction ou un ensemble de constructions existant pour autant que l'emprise au sol de l'ensemble formé soit au maximum doublée.xx 6La démolition ou l'enlèvement d'un volume secondaire, d'une installation technique, d'une construction ou d'un bâtiment préfabriqué visés aux points 1 à 5 pour autant que les déchets provenant de la démolition ou l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur.xx[5 7Travaux de remise en état et de réparation des surfaces en béton et en goudron si ces travaux concernent une superficie totale par bien n'excédant pas 20 m2.xx8Travaux de remise en état et de réparation des surfaces en béton et en goudron qui ne remplissent pas la condition énoncée au point 7.x9La démolition ou l'enlèvement des surfaces en béton ou en goudron, pour autant que les déchets provenant de la démolition ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur.xx]5FCarport, accès et parcage1Un seul carport par bien. Situation : a) en relation directe avec la voirie de desserte publique; b) le plan de l'élévation à rue du carport ne peut être situé au-delà du plan de l'élévation arrière du bâtiment principal. Superficie maximale : 40,00 m2 Volumétrie : toiture plate ou à un ou plusieurs versants Hauteurs maximales : a) 2,50 m sous corniche; b) 3,50 m au faîte; c) le cas échéant, 3,20 m à la hauteur de l'attique. Matériaux : a) structure constituée de poteaux en bois, en béton, métalliques ou de piliers en matériaux similaires au parement du bâtiment existant ou d'une tonalité similaire à ceux-ci; b) toiture à un ou plusieurs versants en matériaux similaires à ceux du bâtiment principal.xx 2Le carport autre qui ne remplit pas les conditions visées au point 1.xx 3L'enlèvement ou la démolition d'un carport visé aux points 1 et 2 pour autant que les déchets provenant de la démolition soient évacués conformément à la législation en vigueur.xx 4Les emplacements de stationnement en plein air ainsi que leurs accès aux conditions cumulatives suivantes : a) [5 ils sont situés aux abords d'un bâtiment existant dûment autorisé et forment une unité fonctionnelle avec celui-ci]5; b) [5 ils sont reliés à la voirie de desserte publique; sauf en zone d'activité économique, l'accès peut présenter une largeur maximale de 6 mètres]5; c) ils sont constitués en matériaux perméables et discontinus; d) [5 ils présentent une superficie maximale de - 300,00 m2 en zone d'activité économique; - 100,00 m2 dans d'autres zones]5; e) ils ne nécessitent pas de modification sensible du relief du sol au sens de l'article R.IV.4-3, points 1° à 5°, 7° à 9°, 11°, 12° et 15°.xx 5Les chemins et emplacements de stationnement en plein air [5 ...]5, autres que ceux visés au point 4.xxGAbri de jardin/Remise1Un(e) seul(e) abri de jardin/remise par bien. Situation : a) dans les espaces de cours et jardins; b) soit non visible depuis la voirie publique, soit situé(e) à l'arrière du bâtiment par rapport à la voirie de desserte publique. Implantation : à 1,00 m au moins des limites mitoyennes. Superficie maximale : 20,00 m2. Volumétrie : toiture à un ou plusieurs versants ou toiture plate. Hauteur maximale : a) 2,50 m sous corniche; b) 3,50 m au faîte; c) le cas échéant, 3,20 m à la hauteur de l'attique. Matériaux : en bois ou tout autre matériau de tonalité similaire avec le bâtiment ou le milieu dans lequel il s'intègre.xx 2Les abris de jardin ou les remises qui ne remplissent pas les conditions visées au point 1.xx 3L'enlèvement ou la démolition des abris de jardins ou remises visés aux points 1 et 2 pour autant que les déchets provenant de la démolition soient évacués conformément à la législation en vigueur.xxHPiscine/Etang de baignade1Hors sol ou autoportante : Situation : dans les espaces de cours et jardins, non visible depuis la voirie publique. Implantation : à 1,00 m au moins des limites mitoyennes.xx 2Enterrée partiellement ou complètement, ainsi que tout dispositif de sécurité d'une hauteur maximale de 2,00 m entourant la piscine : a) une par bien; a) non couverte ou couverte par un abri télescopique à structure légère et repliable qui en recouvre la surface pour autant que la hauteur du faîte soit inférieure à 3,50 m; c) à usage privé; d) les déblais nécessaires [5 à la piscine]5 n'entrainent aucune modification sensible du relief naturel du sol au sens de l'article R.IV.4-3 sur le reste du bien. Situation : dans les espaces de cours et jardins, non visible depuis la voirie publique. Implantation : le plan d'eau est situé à 3,00 m au moins des limites mitoyennes. Superficie maximale (plan d'eau) : 75,00 m2xx2.1Etang de baignade : a) un seul par bien; b) non-couvert; c) à usage privé; d) les déblais nécessaires à cet étang de baignade n'entrainent aucune modification sensible du relief naturel du sol au sens de l'article R.IV.4-3 sur le reste du bien. Situation : dans les espaces de cours et jardins, non visible depuis la voirie publique. Implantation : le plan d'eau est situé à 3,00 m au moins des limites mitoyennes. Superficie maximale (zone de baignade + zone de lagunage) : 100,00 m2xx 3Les piscines et étangs de baignade qui ne remplissent pas les conditions visées aux points 1, 2 et 2.1.xx 4L'enlèvement, la démolition ou le remblaiement de piscines et étangs de baignade visés aux points 1 à 3 pour autant que les déchets provenant de la démolition soient évacués conformément à la législation en vigueur et que les remblais soient conformes à la législation en vigueur.xxI[5 Etang]51Un(e) seul(e) par bien. Situation : en dehors d'un site reconnu en vertu de la loi sur la conservation de la nature du 12 juillet 1973 (à l'exception d'une mesure de gestion '' UG5-prairie de liaison '' ou '' UG11-terre de cultures et éléments anthropiques '' dans une zone Natura 2000). Implantation : le plan d'eau est situé à 3,00 m au moins des limites mitoyennes. Superficie maximale : 100,00 m2. [5 Au moins un tiers de la berge présente une pente très douce (< 30°).]5 Les déblais nécessaires [5 à l'étang]5 n'entrainent aucune modification sensible du relief naturel du sol au sens de l'article R.IV.4-3 sur le reste du bien. Sauf les [5 ...]5 étangs dans les espaces de cours et jardins, le plan d'eau doit être partiellement ombragé par la plantation d'arbres.xx 2Les étangs [5 ...]5 qui ne remplissent pas les conditions visées au point 1.xx 3La suppression ou le remblaiement des étangs [5 ...]5 visés au point 1 pour autant que les remblais soient conformes à la législation en vigueur.xxJAménagements, accessoires et mobiliers1Le placement d'auvents, de tentes solaires ou de couvertures d'une terrasse située au niveau du sol, accolés ou isolés. Situation : dans les espaces de cours et jardins. Hauteur maximale : 3,50 m. Superficie maximale totale de l'ensemble de ces [5 installations]5: 40,00 m2. Implantation : à 2,00 m au moins des limites mitoyennes.xx 2Le placement de mobilier de jardin ancré au sol ou enterré, tel que bancs, tables, sièges, feux ouverts ou barbecues, poubelles, compostières, pergolas, colonnes, bacs à plantations, fontaines décoratives, bassins de jardin, jeux pour enfants, structures pour arbres palissés. Le placement de candélabres et de poteaux d'éclairage, de manière telle que le faisceau lumineux issu de lampes reporté au sol n'excède pas les limites mitoyennes. Les aires de jeux et de sport en matériaux perméables et les appareillages strictement nécessaires à leur pratique. Situation : soit dans les espaces de cours et jardins, soit aux abords d'une construction située dans une zone destinée à l'urbanisation et formant une unité fonctionnelle avec cette construction. Hauteur maximale : 3,50 m.xx 3La création de chemins en matériaux perméables et de terrasses, aux abords d'une ou plusieurs constructions existantes, au niveau du sol et qui ne requiert pas de modification sensible du relief du sol au sens de l'article R.IV.4-3, à l'exception des rocailles.xx3.1[5 La création de rocailles, avec une surface de jardin recouverte de 8 m2 au maximum par bien (hors chemins).]5xx3.2[5 La création de rocailles, avec une surface totale dépassant les 8 m2 par bien (hors chemins).]5xx 4Le placement de serres de jardin qui totalisent une superficie maximale de 20,00 m2.xx 5Pour autant qu'ils ne délimitent pas le bien : a) La pose de clôtures constituées soit de piquets reliés entre eux par des fils ou treillis avec, éventuellement, à la base, une plaque de béton ou un muret de 0,70 m de hauteur maximum, soit de piquets reliés entre eux par une ou deux traverses horizontales, soit de palissades en bois, soit de gabions d'une épaisseur maximale de 20,00 cm, ainsi que la pose de portiques, portails, portillons d'une hauteur maximale de 2,00 m; b) la construction et la transformation de murs de soutènement, en ce compris en gabions, d'une hauteur maximale de 0,70 m; c) la construction et la transformation de murs d'une hauteur maximale de 2,00 m, non visibles depuis la voirie publique ou situés à l'arrière d'un bâtiment par rapport à la voirie de desserte publique.xx 6Les [5 installations]5, accessoires, mobiliers de jardins ancrés au sol ou enterrés, non visés aux points 1 à 5 ou qui ne remplissent pas les conditions visées aux points 1 à 5.xx 7La démolition, la suppression ou l'enlèvement des éléments visés aux points 1 à 6 pour autant que les déchets provenant de la démolition, de la suppression ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur.xxKHabitations légères au sens du Code wallon de l'habitation durable1Le placement d'habitations légères préfabriquées ou en kit.x 2Construction d'habitations légères non visées au point 1 pour autant qu'elles soient : a) sans étage; b) d'une superficie inférieure à 40 m2; c) d'une hauteur maximale de 2,50 m sous corniche, 3,50 m au faîte et, le cas échéant, 3,20 m à l'attique.xLEnergies renouvelables Modules de production d'électricité ou de chaleur1[5 1. Le placement d'un ou de plusieurs modules de production d'électricité ou de chaleur utilisant l'énergie solaire comme source d'énergie ainsi que l'installation de stockage d'énergie correspondante, pour autant qu'elle y soit raccordée et qu'elle soit située sur le même bien, par exemple une batterie, si le ou les modules : a) sont intégrés dans un bâtiment existant dûment autorisé ou installés sur ce dernier, soit sur la façade, soit sur le toit, b) ou bien sont installés sur une structure artificielle existante dûment autorisée, comme une voirie, un parking, une voie ferrée, un quai, un emplacement de stockage pour matériaux ou biens, à l'exception des plans d'eau artificiels. 2. Le remplacement d'un ou de plusieurs modules de production d'électricité ou de chaleur existants dûment autorisés utilisant l'énergie solaire comme source d'énergie, à condition que ce ou ces modules ne nécessitent pas d'espace supplémentaire et répondent aux mesures de compatibilité environnementale en vigueur, définies pour l'installation d'origine. 3. Le placement d'une pompe à chaleur (en ce compris les pompes à chaleur géothermiques) d'une capacité électrique inférieure à 50 Mw et d'une profondeur maximale de 500 mètres, laquelle : a) est implantée dans une construction fermée existante dûment autorisée b) ou est pourvue d'un caisson acoustique et est située à une distance d'au moins 2 mètres par rapport à la limite mitoyenne. 4. Le placement d'une pompe à chaleur (en ce compris les pompes à chaleur géothermiques) d'une capacité électrique de 12 Kw au maximum, laquelle : a) est située à une distance d'au moins 2 mètres par rapport à la limite mitoyenne; b) et est soit pourvue d'un caisson acoustique, soit située à 15 mètres de l'habitation la plus proche (à l'exclusion de sa propre habitation). ]5xx[5 1.1Le placement d'une pompe à chaleur de 300 kW au maximum, qui ne remplit pas les conditions visées au point 1.xx]5 2Le placement d'un ou de plusieurs modules de production d'électricité ou de chaleur qui alimentent directement toute construction, installation ou tout bâtiment [5 existant dûment autorisé]5 situé sur le même bien dont la source d'énergie est renouvelable qui ne remplissent pas les conditions visées au point 1.xx 3La suppression ou l'enlèvement des éléments visés aux points 1 et 2 pour autant que les déchets provenant de la suppression ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur.xxMClôtures1La pose de clôtures transparentes de 2,00 m de hauteur maximum constituées soit de piquets reliés entre eux par des fils ou treillis avec, éventuellement, à la base, une plaque de béton ou un muret de 0,70 m de hauteur maximum, soit par des éléments de fixation en bois. La construction ou la transformation de murs de soutènement de moins de 0,70 m de haut, en ce compris en gabions. La pose de portiques, portillons ou portails d'une hauteur maximale de 2,00 m permettant une large vue sur le bien.xx 2La pose de portiques, portails ou portillons qui ne remplissent pas les conditions visées au point 1 ou qui ne sont pas visés au point 1.xx 3La construction ou la transformation de murs de soutènement de plus de 0,70 m de haut ou de murs de clôture aux abords d'une construction ou d'une installation existante dument autorisée.xx 4La démolition ou l'enlèvement des éléments visés aux points 1 à 4 pour autant que les déchets provenant de la démolition ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur.xxNAbris pour un ou des animaux en ce compris les ruchers et les dalles de fumière1Un ou plusieurs ruchers par bien. Sans préjudice de l'application des dispositions visées au Code rural et des conditions intégrales prises en vertu du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement.xx 2Un ou plusieurs abris pour animaux par bien. Situation : dans les espaces de cours et jardins. Implantation : a) à 3,00 m au moins des limites mitoyennes; b) lorsqu'il s'agit de grands animaux, à 20,00 m au moins de toute habitation voisine; c) lorsqu'il s'agit de grands animaux, non situés dans l'axe de vue perpendiculaire à la façade arrière d'une habitation voisine. Superficie maximale totale de l'ensemble des abris pour animaux sur le bien : 25,00 m2 pour un ou plusieurs abris. Volumétrie : sans étage, toiture à un ou deux versants de mêmes pente et longueur ou une toiture plate. Hauteur maximale calculée par rapport au niveau naturel du sol : a) 2,50 m sous corniche; b) 3,50 m au faîte; c) le cas échéant, 3,20 m à la hauteur de l'attique. Matériaux : bois ou grillage ou similaires à ceux du bâtiment principal existant. Sans préjudice de l'application des dispositions visées dans le Code rural et des conditions intégrales et sectorielles prises en vertu du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement.xx 3L'établissement d'une dalle de fumière. Situation : à 20,00 m minimum de toute habitation autre que celle située sur le bien. Implantation : distante de 10,00 m au moins des limites mitoyennes. Hauteur : au niveau du sol. Superficie maximale : 10,00 m2.xx3.1Le placement d'une dalle de fumière qui ne remplit pas les conditions du point 3.xx 4Le placement ou la construction d'abris pour animaux qui ne remplissent pas les conditions des [5 du point 2]5 [5 , la superficie maximale totale de l'ensemble des abris pour animaux sur le bien ne dépassant pas 100 m2]5.xx[5 4.1Le placement ou la construction d'abris pour animaux qui ne remplissent pas les conditions des points 2 ou 4.x]5 5La démolition et l'enlèvement des abris, [5 ruchers]5 et dalles de fumière visés aux points 1 à 4 pour autant que les déchets provenant de la démolition ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur.xxOExploitations agricoles1La construction de silos de stockage en tout ou en partie enterrés, pour autant que le niveau supérieur des murs de soutènement n'excède pas de 2,00 m le niveau du relief naturel du sol.xx 2L'établissement d'une dalle de fumière. Situation : à 20,00 m minimum de toute habitation autre que celle de l'exploitant. Implantation : distante de 3,00 m minimum des limites mitoyennes. Hauteur : le niveau supérieur de la dalle ou des murs de soutènement n'excède pas de 2,00 m le niveau du relief naturel du sol.xx 3La pose/le placement de citernes de stockage d'eau ou de poches à lisier en tout ou en partie enterrées. Situation : à 20,00 m minimum de toute habitation autre que celle de l'exploitant et en dehors de la zone d'habitat. Implantation : a) à 10,00 m minimum de tout cours d'eau navigable ou non navigable; b) à 3,00 m minimum du domaine public. Hauteur : le niveau supérieur du mur de soutènement n'excède pas 0,70 m.xx3.1Le placement d'une poche à lisier par exploitation et par saison, pour une durée maximale de quatre mois, à condition que le bien retrouve son état initial au terme de ce délai.xx3.2Le placement de poches à lisier qui ne remplissent pas les conditions du point 3.1.xx 4Le placement de serres-tunnels destinées à la culture de plantes agricoles ou horticoles et qui sont enlevées après la récolte.xx 5Les filets anti-grêle qui impliquent une structure ancrée au sol et le placement de serres-tunnels [5 dont la superficie maximale totale sur le bien ne dépasse pas 100 m2 et]5 qui ne remplissent pas les conditions visées au point 4.xx[5 5.1Les filets anti-grêle et le placement de serres-tunnels qui ne remplissent pas les conditions visées aux points 4 ou 5x]5 6Le placement d'une installation de prise d'eau dans un cours d'eau non navigable ou non classé, destinée exclusivement à l'abreuvement du bétail.xx6.1Aménagement d'installations permettant au bétail de passer au-dessus de cours d'eau non navigables, pour autant que ni le lit du ruisseau ni les berges ne soient modifiés et pour autant qu'une autorisation écrite préalable ait été demandée auprès du gestionnaire du cours d'eau ainsi que, dans une zone reconnue en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, auprès de l'autorité compétente en application de ladite loi. Les installations servent uniquement au passage du bétail (pas de machines). Largeur maximale : 3,00 m.xx 7La démolition et l'enlèvement des éléments visés aux points 1 à 6 pour autant que les déchets provenant de la démolition ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur.xxPConstructions et installations provisoires1Les constructions provisoires d'infrastructures de chantiers relatifs à des actes et travaux autorisés, en ce compris les réfectoires, logements et sanitaires ainsi que les pavillons d'accueil, pendant la durée des actes et travaux et pour autant que le chantier se poursuive de manière continue.xx 2Le placement d'installations à caractère social, culturel, sportif ou récréatif, en ce compris les emplacements de stationnement en plein air y relatifs, pour une durée maximale de nonante jours pour autant qu'au terme de ce délai, le bien retrouve son état initial.xx 3Le placement d'installations à caractère commercial, sur le domaine public, ou sur le domaine privé à la condition d'être en lien avec une activité existante, en ce compris les emplacements de stationnement en plein air y relatifs, pour une durée maximale de soixante jours pour autant que les installations soient conformes aux guide communal et régional d'urbanisme et qu'au terme du délai, le bien retrouve son état initial.xx 4Le placement provisoire d'installations nécessaires à l'accueil d'une activité déplacée, pendant la durée des actes et travaux soumis à permis, pour autant que le chantier se poursuive de manière continue et qu'une fois les actes et travaux réalisés ou le permis périmé, les installations soient enlevées.xx[2 4.1A la suite d'une calamité naturelle reconnue et pour une période de vingt-quatre mois au plus suivant la publication de l'arrêté reconnaissant ladite calamité, le placement provisoire sur le domaine public d'installations accueillant un service public ou une activité à finalité d'intérêt général visée à l'article D.IV.22, alinéa 1er, 7°, ou une activité d'utilité publique visée à l'article R.IV.22-2, 17°. L'autorisation d'occupation du domaine public est demandée au préalable. Au terme du délai, le terrain retrouve son état initial.xx4.2A la suite d'une calamité naturelle reconnue et pour une période de vingt-quatre mois au plus suivant la publication de l'arrêté reconnaissant ladite calamité, le placement provisoire sur le domaine privé d'installations, en ce compris des emplacements de stationnement en plein air, accueillant un service public ou une activité à finalité d'intérêt général visée à l'article D.IV.22, alinéa 1er, 7°, ou une activité d'utilité publique visée à l'article R.IV.22-2, 17°, pour autant que, cumulativement : a) il s'agit du déplacement d'une activité existant dans la commune; b) il s'agit d'une zone destinée à l'urbanisation au sens de l'article D.II.23; c) le terrain ou la partie de terrain ne sont pas concernés par un risque au sens de l'article D.IV.57, alinéa 1er, 3°, ou un risque de ruissellement concentré, c.-à-d. un axe de concentration naturel des eaux pluviales; d) le terrain ou la partie de terrain n'ont pas subi d'inondation dans les cinq dernières années; e) la localisation du terrain ou de la partie de terrain n'est pas susceptible d'accroitre le risque d'accident majeur au sens du décret de la Région wallonne du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement ou d'en aggraver les conséquences; f) il ne s'agit ni d'un site reconnu en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, ni d'un site de grand intérêt biologique figurant sur le site cartographique du SPW; g) au terme du délai, le terrain retrouve son état initial.xx4.3A la suite d'une calamité naturelle reconnue et pour une période de vingt-quatre mois au plus suivant la publication de l'arrêté reconnaissant ladite calamité, le placement provisoire sur le domaine public d'installations à caractère commercial ou accueillant l'activité d'un indépendant ou d'une entreprise, à la condition que l'activité existe dans la commune et soit déplacée. L'autorisation d'occupation du domaine public est demandée au préalable. Au terme du délai, le terrain retrouve son état initial.xx4.4A la suite d'une calamité naturelle reconnue et pour une période de vingt-quatre mois au plus suivant la publication de l'arrêté reconnaissant ladite calamité, le placement provisoire sur le domaine privé d'installations à caractère commercial ou accueillant l'activité d'une entreprise ou d'un indépendant - en ce compris les emplacements de stationnement - pour autant que, cumulativement : a) il s'agit du déplacement d'une activité existant dans la commune; b) il s'agit d'une zone destinée à l'urbanisation au sens de l'article D.II.23; c) le terrain ou la partie de terrain ne sont pas concernés par un risque au sens de l'article D.IV.57, alinéa 1er, 3°, ou un risque de ruissellement concentré, c.-à-d. un axe de concentration naturel des eaux pluviales; d) le terrain ou la partie de terrain n'ont pas subi d'inondation dans les cinq dernières années; e) la localisation du terrain ou de la partie de terrain n'est pas susceptible d'accroitre le risque d'accident majeur au sens du décret de la Région wallonne du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement ou d'en aggraver les conséquences; f) il ne s'agit ni d'un site reconnu en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, ni d'un site de grand intérêt biologique figurant sur le site cartographique du SPW; g) au terme du délai, le terrain retrouve son état initial.xx4.5A la suite d'une calamité naturelle reconnue et pour une période de vingt-quatre mois au plus suivant la publication de l'arrêté reconnaissant ladite calamité, le placement provisoire d'habitations légères par ou pour le compte des communes, des centres publics d'action sociale ou des sociétés de logement de service public - en vue d'héberger des victimes de la calamité naturelle - pour autant que, cumulativement : a) il s'agit d'une zone destinée à l'urbanisation au sens de l'article D.II.23; b) le terrain ou la partie de terrain ne sont pas concernés par un risque au sens de l'article D.IV.57, alinéa 1er, 3°, ou un risque de ruissellement concentré, c.-à-d. un axe de concentration naturel des eaux pluviales; c) le terrain ou la partie de terrain n'ont pas subi d'inondation dans les cinq dernières années; d) la localisation du terrain ou de la partie de terrain n'est pas susceptible d'accroitre le risque d'accident majeur au sens du décret de la Région wallonne du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement ou d'en aggraver les conséquences; e) il ne s'agit ni d'un site reconnu en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, ni d'un site de grand intérêt biologique figurant sur le site cartographique du SPW; f) au terme du délai, le terrain retrouve son état initial.xx]2 5La suppression ou l'enlèvement des éléments visés aux points [2 1 et 4 à 4.5]2, pour autant que les déchets provenant de la suppression ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur.xxQEnseignes et dispositifs de publicité1Le placement d'une ou plusieurs enseignes, ou d'un ou plusieurs dispositifs de publicité.xx 2L'enlèvement des enseignes et dispositifs visés au point 1 pour autant que les déchets provenant de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur.xxRMiradors et postes d'observation1En zone forestière, dans la zone contigüe à la zone forestière et en zone agricole, les miradors et autres postes d'observation en bois ou métalliques de ton mat visés à l'article 1er, § 1er, 9°, de la loi du 28 février 1882 sur la chasse. Superficie utile maximale : 4,00 m2xx1.1En zone forestière, dans la zone contigüe à la zone forestière et en zone agricole, les miradors et autres postes d'observation ne remplissant pas les conditions visées au point 1.xx 2L'enlèvement des miradors et des postes d'observation visés aux points 1 ou 1.1 pour autant que les déchets provenant de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur.xxSArbres, haies et modification de la végétation1Le boisement ou le déboisement.xx 2Sans préjudice de l'article R.IV.4-4, la culture de sapins de Noël.xx 3L'abattage d'une haie sur une longueur continue de moins de 2,50 m en vue de créer un seul accès à une habitation existante, pour autant que cet abattage soit concerné par l'article D.IV.4, alinéa 1er, 11°.xx 4L'abattage d'arbres isolés à haute tige, d'une haie, ou l'abattage d'un ou plusieurs ou de tous les arbres d'une allée au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 11°.xx 5L'abattage, l'atteinte au système racinaire ou la modification de l'aspect d'un arbre remarquable, d'un arbuste remarquable ou d'une haie remarquable au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 12°.xx 6Le défrichage ou la modification de la végétation de toute zone visée à l'article R.IV.4-11.xx 7L'abattage d'arbres visé aux points 4 à 6 faisant l'objet d'un arrêté du bourgmestre pris en urgence dans le but d'assurer la sécurité publique.xxTModification du relief du sol1La modification sensible du relief du sol pour les forages ou carottages réalisés dans le cadre d'une étude géotechnique, d'une prospection géologique ou d'une étude de la pollution du sol.xx [5 2La modification sensible du relief du sol au sens de l'article R.IV.4-3 dans un rayon de 30,00 m d'une construction ou d'une installation existante, dûment autorisée, sur le même bien.xx]5 3Pour la mise en oeuvre d'un programme d'action sur les rivières par une approche intégrée et sectorielle visé à l'article D. 33/3 du Livre II du Code de l'environnement, constituant le Code de l'eau, qui concerne : a) les travaux de remblais ou de déblais n'excédant pas 50,00 centimètres et situés à une distance maximum de 6,00 m à partir de la crête de berge d'un cours d'eau, y compris dans les zones soumises à l'aléa d'inondation; b) le dépôt et l'étalement des produits provenant des travaux de curage d'un cours d'eau.xxU[5 Utilisation d'un terrain pour dépôts et installations mobiles1Utilisation d'un terrain pour le placement d'une ou plusieurs installations mobiles au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 15°, b), en vue de réaliser des campings à la ferme.x]5 2[5 Utilisation habituelle d'un terrain : - pour le dépôt d'un ou plusieurs véhicules usagés, de mitrailles, de matériaux ou de déchets; - pour le placement d'une ou plusieurs installations mobiles, telles que remorques publicitaires, roulottes, caravanes, véhicules désaffectés ou tentes, à l'exception des abris mobiles au sens du décret du 23 janvier 2017 visant à promouvoir le tourisme.xx]5V[5 Structure destinée à l'hébergement touristique et de loisirs1Le placement d'une ou plusieurs structures destinées à l'hébergement touristique pour une occupation temporaire ou saisonnière, conçues pour être démontées aisément ou transportables, aux conditions cumulatives suivantes : a) l'abri mobile a une superficie maximale de 50,00 m2; b) son placement ou sa construction ne nécessite pas de modification sensible du relief du sol; c) il est situé sur un terrain de camping au sens du décret du 23 janvier 2017 visant à promouvoir le tourisme.xx]5 2[5 ...]5 3[5 La construction ou le placement par bien d'une cabane en bois ou d'une tente ou d'un tipi ou d'une yourte ou d'une bulle en zone forestière.xx]5 4L'enlèvement ou la démolition des hébergements touristiques ou de loisirs, de terrasses visés aux points 1 à 3 pour autant que les déchets provenant de la démolition ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur.xxWActes et travaux sur le domaine public de la voirie, des voies ferrées et des cours d'eau1Pour autant qu'il n'y ait pas d'élargissement de l'assiette des voiries, le renouvellement des fondations et du revêtement des voiries, bermes, bordures, trottoirs, îlots et places publiques, à l'exception des changements de revêtements constitués de pierres naturelles et, pour les places publiques, pour autant que les actes et travaux n'augmentent pas la superficie des revêtements en matériau imperméable.xx 2La pose, le renouvellement, le déplacement ou l'enlèvement des éléments accessoires tels que les radars, parapets, les glissières et bordures de sécurité, à l'exception des murs de soutènement et des écrans antibruit.xx 3L'installation, le déplacement, la transformation, l'extension ou l'enlèvement des réseaux de fluides, d'une pression inférieure ou égale à 20 bars pour le gaz, d'énergie, d'une tension inférieure ou égale à 70 KV pour l'électricité, et de télécommunication insérés, ancrés, prenant appui ou surplombant le domaine public en ce compris les raccordements privés, les éléments accessoires et équipements connexes tels que bornes, armoires techniques, pylônes et poteaux d'une hauteur maximale de 14,00 mètres.xx 4Les aménagements provisoires de voirie d'une durée maximale de cinq ans [2 en ce compris les ouvrages d'art supportant des rues ou des voies ferrées]2.xx 5Les travaux d'aménagement des espaces réservés aux piétons, personnes à mobilité réduite ou cyclistes et visant la création ou l'agrandissement local de ces espaces, l'amélioration de leur aspect esthétique ou la sécurité des usagers, que ces travaux entrainent ou non un rétrécissement [5 ...]5 de la ou des voiries.xx 6Le placement ou le renouvellement de petit mobilier urbain tels que bancs, tables, sièges, poubelles, candélabres, bacs à plantations, petites pièces d'eau, bornes électriques, conteneurs, enterrés ou non, affectés à la collecte des déchets ménagers ou assimilés.xx 7Les travaux d'aménagement des espaces réservés aux plantations.xx 8Le placement, le déplacement ou l'enlèvement des dispositifs ou éléments de signalisation suivants : a) la signalisation, en ce compris son support et les portiques, ainsi que sa protection vis-à-vis de la circulation; b) les dispositifs fixes ou mobiles limitant la circulation, le stationnement ou la vitesse; c) les dispositifs de contrôle du stationnement, tels que les parcmètres ou appareils horodateurs; d) les dispositifs de stationnement non-couverts pour véhicules à deux roues; e) les dispositifs accessoires d'installations techniques, souterraines ou non, tels que des armoires de commande électrique de feux de signalisation ou d'éclairage public, bornes téléphoniques, bornes incendies et armoires de télédiffusion.xx 9Le placement, le déplacement ou l'enlèvement des dispositifs d'éclairage public.xx 10Pour autant qu'ils ne soient pas soumis aux dispositions du guide régional d'urbanisme relatives aux zones protégées de certaines communes en matière d'urbanisme, le placement, le déplacement ou l'enlèvement des dispositifs d'affichage et de publicité suivants : a) les colonnes dont le fût est d'au plus 1,20 m de diamètre et ne dépasse pas 3,50 m de hauteur; b) les panneaux sur pied dont les hauteur et largeur maximales ne dépassent pas respectivement 2,50 m et 1,70 m et dont la superficie utile ne dépasse pas 4,00 m2 par face.xx 11L'établissement ou la modification de la signalisation au sol.xx 12Le placement, le déplacement ou l'enlèvement de ralentisseurs de trafic.xx 13La pose, l'enlèvement ou le renouvellement des fondations et des dispositifs d'exploitation des voies et des lignes de transport en commun existants tels que rails, traverses, ballast, poteaux caténaires, signaux, portiques, loges, armoires de signalisation ou poteaux d'arrêts pour les voyageurs.xx 14Le placement d'une terrasse ouverte saisonnière dans le secteur Horeca.xx 15Les abris pour voyageurs aux arrêts de transport public.xx 16Le placement ou le déplacement de boîtes postales.xx 17Le placement, le déplacement ou l'enlèvement de statues, monuments commémoratifs et autres oeuvres artistiques, placés par les autorités ou sur l'ordre des autorités.xx 18La pose, le renouvellement ou l'enlèvement d'ouvrages de protection des berges dans un cours d'eau non navigable, à l'exception de murs maçonnés, sur un linéaire n'excédant pas 100,00 m et d'une hauteur maximum de 2,00 m.xx[2 19L'installation d'équipements techniques de surveillance des cours d'eau.xx20Dans les zones touchées par des calamités naturelles reconnues et pour autant que les travaux aient commencé de manière significative dans les trois ans qui suivent la publication de l'arrêté reconnaissant ladite calamité, les actes et travaux concernant la reconstruction de ponts, en ce compris les travaux de soutènement, la réfection des berges ou du lit d'un cours d'eau, ou la réparation de barrages et de leurs installations, pour autant que leur localisation reste inchangée et que les conditions offertes aux différents usagers sont conservées.xx21Dans des zones touchées par des calamités naturelles reconnues et pour autant que les travaux aient commencé de manière significative dans les trois ans qui suivent la publication de l'arrêté reconnaissant ladite calamité, la démolition, la réfection ou la reconstruction de murs de berges ou d'autres ouvrages d'art situés sur la propriété du gestionnaire du cours d'eau non navigable.xx]2XEgouttage, canalisation et réseaux en dehors du domaine public de la voirie, des voies ferrées et des cours d'eau, forages et prises d'eau1L'installation, le déplacement, la transformation de raccordements privés, en ce compris les armoires techniques, aux réseaux enterrés de fluide, d'énergie, de télécommunication ainsi que l'installation, le déplacement, la transformation de citernes à eau ou combustibles enfouies, drains, avaloirs, filets d'eau, regards, taques et fosses septiques et tout autre système d'épuration individuelle des eaux usées domestiques pour autant que, cumulativement : a) les déblais éventuels nécessaires à ces [5 installations]5 n'entrainent aucune modification sensible du relief du sol au sens de l'article R.IV.4-3 sur le reste du bien; b) ces dispositifs soient reliés à l'infrastructure nécessaire à l'aménagement du bien et situés exclusivement sur celui-ci.xx 2Les raccordements privés, en ce compris les armoires techniques, aux réseaux enterrés de fluide, d'énergie, de télécommunication ainsi que le placement de citernes à eau ou combustibles enfouies, drains, avaloirs, filets d'eau, regards, taques et fosses septiques et tout autre système d'épuration individuelle qui ne remplissent pas les conditions visées au point 1.xx 3[5 Le placement d'au maximum une citerne aérienne par bien.xx]5 4L'insertion ou le renforcement de réseaux enterrés de fluide, d'énergie, de télécommunication dans un site technique déjà aménagé pour autant que, cumulativement : a) les travaux projetés sont propres à la fonction du site; b) les installations, bâtiments, constructions et revêtement existants ont été légalement autorisés; c) les travaux ne visent pas la construction d'un bâtiment; d) l'emprise au sol ne réduit pas les périmètres ou les dispositifs d'isolement existants.xx 5Les forages de puits et les prises d'eau.xx 6Dans les zones non destinées à l'urbanisation et à condition de ne pas nécessiter de permis au sens de l'article R.IV.4-3, alinéa 1er, 6°, l'établissement ou la modification d'un système de drainage pour autant que le terrain ne soit pas situé dans un site reconnu en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, à l'exception des sites Natura 2000, ou exposé à un risque naturel ou à une contrainte géotechnique majeurs tel que visé à l'article D.IV.57, 3°.xx 7L'installation, le déplacement, la transformation ou l'extension des réseaux de fluides, d'énergie et de télécommunication insérés ou ancrés, enterrés ou aériens et les éléments accessoires et les équipements connexes, lorsqu'ils sont situés en dehors du domaine public.xx[2 7.1Dans des zones touchées par des calamités naturelles reconnues et pour autant que les travaux aient commencé de manière significative dans les trois ans qui suivent la publication de l'arrêté reconnaissant ladite calamité, le placement, le déplacement, la transformation et le remplacement de réseaux d'eaux usées, de fluides, d'énergie et de télécommunication, enterrés ou aériens, et de leurs dispositifs accessoires.xx]2 8L'enlèvement des éléments visés aux points [2 1° à 7.1]2 pour autant que les déchets provenant de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur.xxYTélécommunication, télédistribution, fibre optique, gaz, électricité1Le remplacement d'installations ou d'armoires techniques par des installations ou armoires techniques d'un volume moindre ou équivalent.xx 2Le remplacement d'antennes existantes par des antennes de dimensions égales ou inférieures ou supérieures, à la condition que la hauteur totale incluant leur mât de support ne soit pas augmentée et que les nouvelles antennes soient d'une hauteur maximale de 3,00 m.xx 3Le remplacement d'un pylône ou d'un poteau existant par un pylône ou un poteau de même hauteur et de même type installé sur le même site.xx 4Le placement d'une armoire technique sur une toiture plate à condition qu'elle ne soit pas visible depuis la voirie, à savoir qu'elle soit située à une distance d'au moins une fois et demi la hauteur de l'armoire depuis l'attique.xx 5Le placement ou le remplacement d'armoires techniques à côté d'un pylône ou d'un poteau posé au sol ou dans un local technique situé à proximité d'un mât de support placé sur un toit.xx 6La pose d'installations techniques en vue d'assurer la stabilité et la sécurité d'installations existantes ainsi que leur bon fonctionnement.xx 7Le placement d'antennes ou faisceaux hertziens, d'armoires et d'installations techniques lors d'évènements culturels, sportifs, récréatifs ou commerciaux, placées pour une durée maximale de 90 jours à condition que ces antennes ou faisceaux, armoires et installations ne soient pas placés plus de 15 jours avant le début de l'évènement et qu'ils soient enlevés au plus tard 15 jours après la fin de l'évènement.xx 8Le déplacement et/ou la reconstruction d'antennes ou faisceaux hertziens, de réseaux insérés, ancrés, enterrés ou aériens, et d'armoires et installations techniques pour des raisons d'urgence, de sécurité ou d'intérêt public imprévisibles dans le chef de l'opérateur, le temps nécessaire pour obtenir toutes les autorisations requises au déplacement et/ou à la reconstruction du site.xx 9Le déplacement temporaire d'une installation existante afin d'assurer la continuité des services, en cas de travaux effectués par le propriétaire de la structure initiale, pour la durée exclusive des travaux.xx 10La pose d'installations telles que les antennes, faisceaux hertziens, armoires et installations techniques pour autant qu'elles soient situées à l'intérieur de bâtiments, de constructions ou de structures existantes ou couvertes par des matériaux ayant la même apparence que les matériaux existants.xx 11Le placement de faisceaux hertziens ayant un diamètre maximal de 90,00 cm sur un pylône existant ou un mât de support en toiture existant dument autorisé.xx11.1L'installation de points d'accès sans fil à portée limitée qui sont intégrés dans leur totalité et en toute sécurité dans leur structure porteuse et, partant, invisibles pour le grand public.xx11.2L'installation de points d'accès sans fil à portée limitée qui remplissent les conditions suivantes : a) le volume total de la partie visible par le public d'un point d'accès sans fil à portée limitée desservant un ou plusieurs utilisateurs du spectre radioélectrique ne dépasse pas 30 litres; b) le volume total des parties visibles par le public de plusieurs points d'accès sans fil à portée limitée séparés qui occupent un même site d'infrastructure d'une surface individuelle délimitée, tel qu'un poteau d'éclairage, des feux de circulation, un panneau d'affichage ou un arrêt de bus, ne dépasse pas 30 litres; c) dans les cas où le système d'antenne et d'autres éléments du point d'accès sans fil à portée limitée, tels qu'une unité de radiofréquence, un processeur numérique, une unité de stockage, un système de refroidissement, l'alimentation électrique, des connexions par câble, des éléments de collecte ou des éléments de mise à la terre et de fixation, sont installés séparément, toute partie de tels éléments supérieure à 30 litres est rendue invisible par le public; d) le point d'accès sans fil à portée limitée a une cohérence visuelle avec la structure porteuse et possède une taille proportionnée par rapport à la taille globale de la structure porteuse, une forme cohérente, des couleurs neutres qui s'harmonisent avec la structure porteuse ou se fondent avec cette dernière, ainsi que des câbles cachés et ne crée pas de surcharge visuelle en combinaison avec d'autres points d'accès sans fil à portée limitée déjà installés sur le même site ou sur des sites adjacents; e) le poids et la forme d'un point d'accès sans fil à portée limitée n'imposent pas de renforcement structurel de la structure porteuse. Les points d'accès sans fil à portée limitée dont la puissance isotrope rayonnée équivalente s'élève à 10 watts peuvent être uniquement déployés dans un espace extérieur ou dans un vaste espace intérieur présentant une hauteur de plafond d'au moins 4,00 m, la partie rayonnante inférieure de l'antenne devant être installée à une hauteur d'au moins 2,20 mètres au-dessus du niveau de passage du public.xx 12Le placement d'une antenne de radio-télévision ou de faisceaux hertziens (antenne parabolique ou antenne-panneau). Situation : * soit ancrée sur une élévation à l'arrière du bâtiment par rapport à la voirie de desserte publique ou en recul d'au moins 4,00 m de l'alignement; * soit ancrée au sol ou sur un pan de toiture et implantée à l'arrière du bâtiment par rapport à la voirie de desserte publique. Superficie maximale : 1,00 m2. Matériaux : il faut que l'antenne soit d'un ton similaire à celui de son support.xx 13Le placement d'une antenne de radio-télévision ou de faisceaux hertziens (antenne parabolique ou antenne-panneau). Situation : sur un toit plat. Hauteur maximale : 5,00 m support compris, et la hauteur est inférieure à la distance séparant l'installation de l'attique. Superficie maximale : 1,00 m2.xx 14[5 Le placement d'une antenne visée aux points 12 ou 13, et qui ne remplit pas les conditions visées aux points 12 ou 13.xx]5 15Le placement d'antennes et de boîtiers de modules radio distants sur un pylône existant ancré au sol ou un mât de support en toiture existant dument autorisé, à condition que le déport soit de maximum 1,00 m dans le cas d'un pylône et de maximum 0,40 m dans le cas d'un mât de support, et que la hauteur du pylône ou du mât ne soit pas dépassée.xx 16Le placement d'antennes accolées à une façade existante avec un maximum d'une antenne, en ce compris les éléments actifs nécessaires à son raccordement, par 6 mètres courants de façade, ou à un pignon existant avec un maximum d'une antenne par pignon, ou sur une cheminée à condition que ces antennes aient une couleur similaire au revêtement de la façade ou du pignon.xx 17Le placement d'antennes sur le toit plat ou la partie plate du toit d'un immeuble, à condition qu'elles aient une hauteur maximale de 3,00 m support inclus, que cette hauteur soit inférieure à la distance séparant l'installation du bord inférieur ou de la rive de la toiture ou de l'attique et que le bâtiment soit d'une hauteur minimale de 12,00 m.xx 18Le placement sur façade et en aérien de câbles et conduites de communications électroniques ou numériques et des boîtes de raccordement connexes, pour autant que la couleur soit neutre et discrète et pour autant que le tracé du câble suive les lignes architecturales de l'habitation telles que le seuil de la fenêtre, la corniche, les jointages entre façades, le bord inférieur ou la rive de toiture, l'attique.xx 19Le placement de l'antenne d'une station d'amateur au sens de l'arrêté ministériel du 9 janvier 2001 relatif à l'établissement et la mise en service de stations radioélectriques par des radioamateurs.xx 20Le placement sur le domaine public de supports d'un diamètre maximum de 30,00 cm et d'une hauteur maximale de 8,00 m supportant des équipements techniques de télécommunication et des antennes, y compris des faisceaux hertziens d'un diamètre maximum de 90,00 cm, avec un déport n'excédant pas 40,00 cm.xx 21La suppression ou l'enlèvement des éléments visés aux points 1 à 20, pour autant que les déchets provenant de la suppression ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur.xxZDomaines militaires1La réalisation d'ouvrages défensifs à caractère opérationnel ou devant rester secret stratégique, pour le compte du Ministère de la Défense nationale et dont la liste est établie conjointement par le Ministre de la Défense nationale et le Ministre ayant l'Aménagement du territoire dans ses attributions.xx]1(1)(2)(3)(4)(5) ]2
|