Artikel 1. In het decreet van 1 juni 2004 betreffende de gezondheidspromotie en inzake medische preventie, laatstelijk gewijzigd bij het decreet van 29 juni 2015, wordt een hoofdstuk IIter ingevoegd, dat de artikelen 10.2 tot 10.6 omvat, luidende :
"Hoofdstuk IIter - Besmettelijke ziekten
Art. 10.2. § 1. In het Duitse taalgebied moet melding worden gedaan van alle bewezen of mogelijke gevallen van besmettelijke ziekten als bedoeld in paragraaf 4.
Onverminderd het eerste lid moet ook melding worden gedaan van elk pathologisch geval waarover een onzekere diagnose bestaat, maar waarvan het epidemische karakter of de symptomatologie van een ernstige epidemische aandoening vaststaat.
De personen vermeld in paragraaf 2 doen melding van elk geval dat de kenmerken vertoont van een besmettelijke ziekte of van een epidemie die niet met toepassing van paragraaf 4 vastgelegd is, zelfs indien de diagnose nog niet definitief is vastgesteld.
§ 2. De meldingsplicht geldt voor de behandelende arts, het hoofd van een laboratorium voor klinische biologie en de arts die in het bijzonder belast is met het medisch toezicht in scholen, bedrijven, voorzieningen waar kinderen en jongeren verblijven, bejaardentehuizen en rust- en verzorgingstehuizen.
§ 3. De melding wordt gedaan bij de arts-gezondheidsinspecteur die door de Regering wordt aangewezen.
De melding bevat ten minste de volgende gegevens :
1° de aard van de ziekte of pathologie;
2° de naam en voornamen van de persoon die de melding heeft gedaan, zijn telefoonnummer, mobiel nummer, faxnummer, adres en e-mailadres;
3° de naam en voornamen, geboortedatum, woonplaats van de zieke en, voor zover mogelijk, zijn beroep en in voorkomend geval de door hem bezochte onderwijsinstelling of zijn werkplek.
§ 4. De Regering bepaalt :
1° de lijst van de besmettelijke ziekten;
2° de procedure voor de meldingsplicht.
Art. 10.3. De arts-gezondheidsinspecteur kan, indien mogelijk in samenwerking met de burgemeester van de gemeente waar de maatregel moet worden uitgevoerd en na overleg met de behandelende artsen, in het bijzonder de volgende profylactische maatregelen nemen of door de burgemeester doen nemen:
1° personen die besmet blijken en die de infectie kunnen overdragen fysieke contacten met anderen verbieden zolang zij hierdoor een bijzonder gevaar betekenen voor de volksgezondheid;
2° personen die na contact met een besmette persoon of na contact met een andere besmettingsbron mogelijk besmet zijn en die, door contacten met anderen, deze infectie kunnen overdragen, onderwerpen aan een medisch onderzoek;
3° besmette personen die de infectie kunnen overdragen, ertoe verplichten een aangepaste medische behandeling te volgen;
4° personen die in het kader van de uitoefening van hun beroepsactiviteiten een infectie kunnen overdragen, verbieden deze activiteit uit te oefenen of onderwerpen aan een medisch onderzoek, zolang zij een bijzonder gevaar voor de volksgezondheid vormen;
5° een ziekenhuisdienst opvorderen om de besmette personen of de personen bij wie een zeer besmettelijke ziekte wordt vermoed, af te zonderen. De opvordering wordt zo snel mogelijk meegedeeld aan de directeur van de betrokken instelling die verplicht is haar volledige medewerking te verlenen bij de toepassing van de profylactische maatregelen;
6° de ontsmetting van besmette voorwerpen en besmette lokalen bevelen;
7° de behandeling, de afzondering of het doden bevelen van dieren die een besmettingsgevaar betekenen voor de mens, met uitzondering van het besmettingsgevaar door consumptie van deze dieren.
Art. 10.4. § 1. De arts-gezondheidsinspecteur of, op diens verzoek, de bevoegde burgemeester kan:
1° raadgevingen, aanmaningen en mondelinge en schriftelijke bevelen geven;
2° zich vrije toegang verschaffen tot alle plaatsen en ruimten waar een mogelijke besmettingsbron vermoed of vastgesteld wordt, uitsluitend om de besmettingsbron vast te stellen en profylactische maatregelen te nemen met toepassing van artikel 10.3. Tussen 9 uur 's avonds en 5 uur 's morgens is deze toegang beperkt tot het nemen van uiterst dringende maatregelen die onmiddellijk moeten worden genomen om de verdere verspreiding van de besmettelijke ziekte, die een bijzonder gevaar voor de gezondheid vormt, te voorkomen;
3° overtredingen van de meldingsplicht voorgeschreven bij artikel 10.2 en niet-inachtnemingen van de profylactische maatregelen genomen met toepassing van artikel 10.3 vaststellen door middel van processen-verbaal die bewijskracht hebben tot het tegendeel is bewezen. Een afschrift van het proces-verbaal wordt per aangetekende brief ter kennis gebracht van de overtreder binnen vijf werkdagen na de vaststelling van de overtreding;
4° de beëindiging of gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van de plaats, de ruimte of de installatie die de oorzaak kan zijn van de besmetting, wanneer zij vaststellen dat de met toepassing van artikel 10.3 opgelegde maatregelen niet nageleefd werden, wanneer bevelen of aanmaningen niet opgevolgd werden of wanneer er een bedreiging of een ernstig gevaar voor de volksgezondheid bestaat;
5° iedere persoon ondervragen over feiten waarvan de bekendheid nuttig is voor de uitoefening van hun opdracht;
6° alle onderzoeken, controles en opsporingen uitvoeren en alle inlichtingen verzamelen die zij noodzakelijk achten om zich ervan te vergewissen dat de bepalingen van dit hoofdstuk en van de uitvoeringsbesluiten ervan nageleefd worden;
7° met het oog op de uitoefening van zijn opdracht een beroep doen op de steun van vertegenwoordigers van het openbaar gezag.
De bevoegdheden vermeld in het eerste lid worden uitsluitend uitgeoefend in het kader van de opdrachten van de arts-gezondheidsinspecteur en van de bevoegde burgemeester, in het bijzonder wat betreft de uitoefening van opdrachten van bestuurlijke politie, voor zover dat in het belang is van de volksgezondheid met het oog op het nemen van profylactische maatregelen.
Indien nodig kan de arts-gezondheidsinspecteur zich laten vervangen door een afgevaardigde arts die hiertoe door de Regering wordt aangewezen.
§ 2. Zo nodig neemt de arts-gezondheidsinspecteur contact op met andere binnenlandse, buitenlandse of internationale terzake bevoegde gezondheidsautoriteiten om gegevens te verzamelen, om gegevens uit te wisselen en om de verspreiding van de infecties tegen te gaan.
Art. 10.5. § 1. De arts-gezondheidsinspecteur of de onder zijn verantwoordelijkheid handelende beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg ontvangt de meldingen vermeld in artikel 10.2 en bewaart ze in een register in ongeacht welke vorm, ook in elektronische vorm.
De in de meldingen vermelde gegevens worden uitsluitend verwerkt voor de doeleinden bepaald in de artikelen 10.3 en 10.4.
Alleen de arts-gezondheidsinspecteur en de onder zijn verantwoordelijkheid handelende beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg mogen de in de meldingen vervatte persoonsgegevens verwerken. Ze zorgen voor de vertrouwelijkheid en de beveiliging van die gegevens.
Met inachtneming van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens waarborgen de personen vermeld in artikel 10.2, § 2, de vertrouwelijkheid en de beveiliging van alle persoonsgegevens waarvan ze kennis hebben op het ogenblik dat ze verzameld, doorgegeven en verwerkt worden.
§ 2. Zodra de arts-gezondheidsinspecteur van oordeel is dat de maatregelen vermeld in de artikelen 10.3 en 10.4 niet langer noodzakelijk zijn, worden de inlichtingen waarmee de aan een besmettelijke ziekte lijdende personen geïdentificeerd en gelokaliseerd kunnen worden en die tot de melding geleid hebben of die betrekking hebben op personen die de melding gedaan hebben, gewist. Alleen de gegevens die van algemeen belang zijn om de profylactische maatregelen in de toekomst doeltreffender te maken, worden bewaard.
De door de arts-gezondheidsinspecteur bewaarde gezuiverde gegevens kunnen in voorkomend geval voor profylactische doeleinden verder verwerkt worden in statistieken.
§ 3. De in de melding vervatte gegevens mogen, voor zover ze ter uitvoering van de maatregelen vermeld in de artikelen 10.3 en 10.4 noodzakelijk zijn, doorgegeven worden aan de burgemeester.
Art. 10.6. Met een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met een geldboete van 25 euro tot 200 euro of met één van die straffen alleen worden gestraft:
1° alle personen die de meldingsplicht bedoeld in artikel 10.2 niet naleven of de melding verhinderen of belemmeren;
2° alle personen die geen gevolg geven aan de maatregelen bedoeld in artikel 10.3 of de uitvoering van deze maatregelen verhinderen of belemmeren;
3° alle personen die de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in artikel 10.4 verhinderen of belemmeren."
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
20 FEBRUARI 2017. - Programmadecreet 2017
Titre
20 FEVRIER 2017. - Décret-programme 2017
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
HOOFDSTUK 1. - Persoonsgebonden aangelegenheden
Afdeling 1. - Gezondheid
Afdeling 2. - Bejaarden
Afdeling 3. - Jeugdbijstand
Afdeling 4. - Gezinsbijslagen
HOOFDSTUK 2. - Culturele aangelegenheden
Afdeling 1. - Cultuur
Afdeling 2. - Jeugd
Afdeling 3. - Sport
Afdeling 4. - Media
HOOFDSTUK 3. - Onderwijs
HOOFDSTUK 4. - Werkgelegenheid
HOOFDSTUK 5. - Toerisme
HOOFDSTUK 6. - Infrastructuur
HOOFDSTUK 7. - Financiën en begroting
HOOFDSTUK 8. - Diverse bepalingen
Afdeling 1. - Niet-commerciële sector
Afdeling 2. - Rechtsterminologie
Afdeling 3. - Erediensten
HOOFDSTUK 9. - Slotbepalingen
Table des matières
Chapitre 1er. - Matières personnalisables
Section 1re. - Santé
Section 2. - Personnes âgées
Section 3. - Aide à la jeunesse
Section 4. - Prestations familiales
CHAPITRE 2. - Matières culturelles
Section 1re. - Culture
Section 2. - Jeunesse
Section 3. - Sport
Section 4. - Médias
CHAPITRE 3. - Enseignement
CHAPITRE 4. - Emploi
CHAPITRE 5. - Tourisme
CHAPITRE 6. - Infrastructure
CHAPITRE 7. - Finances et budget
CHAPITRE 8. - Dispositions diverses
Section 1re. - Secteur non marchand
Section 2. - Terminologie juridique
Section 3. - Cultes
CHAPITRE 9. - Dispositions finales
Tekst (79)
Texte (79)
HOOFDSTUK 1. - Persoonsgebonden aangelegenheden
Chapitre 1er. - Matières personnalisables
Afdeling 1. - Gezondheid
Section 1re. - Santé
Article 1er. Dans le décret du 1er juin 2004 relatif à la promotion de la santé et à la prévention médicale, modifié en dernier lieu par le décret du 29 juin 2015, il est inséré un chapitre IIter, comportant les articles 10.2 à 10.6, rédigé comme suit :
" Chapitre IIter - Maladies transmissibles
Art. 10.2. § 1er. Tout cas éventuel ou avéré d'une maladie transmissible conformément au § 4 doit être déclaré en région de langue allemande.
Sans préjudice de l'alinéa 1er, tout cas de maladie au diagnostic incertain, mais présentant un caractère épidémique indiscutable ou la symptomatologie d'une affection épidémique grave, doit aussi être déclaré.
Les personnes mentionnées au § 2 déclarent toute situation présentant les caractéristiques d'une maladie transmissible ou d'une épidémie autres que celles déterminées en exécution du § 4, même si le diagnostic n'est pas encore définitivement établi.
§ 2. Le médecin traitant, le responsable d'un laboratoire de biologie clinique et le médecin chargé notamment du contrôle médical dans des écoles, des structures où résident des enfants et des jeunes, des entreprises ou des maisons de repos et de soins sont soumis à l'obligation de déclaration.
§ 3. Cette déclaration s'opère auprès du médecin-inspecteur d'hygiène désigné par le Gouvernement.
Cette déclaration contient au moins les informations suivantes :
1° la nature de la maladie ou de la pathologie;
2° les nom et prénom du déclarant, ses numéros de téléphones fixe et portable, et de fax, ainsi que ses adresses postale et électronique;
3° les nom et prénom, la date de naissance, le domicile du malade ainsi que, dans la mesure du possible, la profession et, le cas échéant, l'établissement d'enseignement qu'il fréquente ou son lieu de travail.
§ 4. Le Gouvernement détermine :
1° la liste des maladies transmissibles;
2° la procédure de déclaration.
Art. 10.3. Si possible en collaboration avec le bourgmestre de la commune où la mesure doit être exécutée et après concertation avec les médecins traitants, le médecin-inspecteur d'hygiène peut notamment prendre ou faire prendre par le bourgmestre les mesures prophylactiques suivantes :
1° interdire aux personnes contaminées qui pourraient transmettre l'infection tout contact physique avec d'autres personnes, tant qu'elles constituent un danger particulier pour la santé publique;
2° faire subir un examen médical aux personnes qui, après un contact avec une personne infectée ou une autre source de contamination, pourraient être contaminées et qui, par leurs contacts avec d'autres personnes, pourraient transmettre cette infection;
3° obliger les personnes contaminées qui pourraient transmettre l'infection à suivre un traitement médical approprié;
4° interdire aux personnes qui, dans le cadre de leurs activités professionnelles pourraient transmettre une infection, l'exercice de leurs activités ou les obliger à se soumettre à un examen médical tant qu'elles constituent un danger particulier pour la santé publique;
5° réquisitionner un service hospitalier en vue de l'isolement des personnes contaminées ou des personnes qui pourraient être infectées par une maladie fortement contagieuse. La réquisition est immédiatement signalée à la direction de l'institution concernée qui est obligée de coopérer pleinement à l'application de ces mesures prophylactiques;
6° ordonner la désinfection des objets et lieux contaminés;
7° ordonner le traitement, l'isolement, voire la mise à mort d'animaux qui représentent un danger pour l'homme, à l'exception du danger de contamination par consommation de ces animaux.
Art. 10.4. § 1er. Le médecin-inspecteur d'hygiène ou, à sa demande, le bourgmestre compétent peuvent :
1° donner des conseils, sommations et ordres oraux ou écrits;
2° bénéficier d'un accès libre, entre 5 heures et 21 heures, à tous les lieux et espaces où est soupçonnée ou constatée une source de contamination possible, uniquement en vue de la constater et de prendre des mesures prophylactiques conformément à l'article 10.3. Entre 21 heures et 5 heures, cet accès est limité à la prise de mesures d'urgence qui ne peuvent être retardées, pour prévenir la propagation de la maladie transmissible, constituant un danger particulier pour la santé publique;
3° constater, par des procès-verbaux faisant foi jusqu'à preuve du contraire, les infractions à la déclaration prescrite par l'article 10.2 et le non-respect des mesures prophylactiques prises en application de l'article 10.3. Une copie du procès-verbal est adressée par courrier recommandé au contrevenant dans un délai de cinq jours ouvrables à compter de la constatation de l'infraction;
4° ordonner l'arrêt ou la fermeture totale ou partielle du lieu, de l'espace ou de l'établissement qui pourrait être la cause de la contamination, lorsqu'ils constatent que les mesures imposées en application de l'article 10.3 n'ont pas été respectées, que les sommations ou ordres n'ont pas été suivis ou lorsqu'il y a une menace ou un grave danger pour la santé publique;
5° interroger toute personne quant à des faits dont la connaissance est utile à l'exercice de leur mission;
6° mener toute investigation, tout contrôle ou toute enquête et recueillir toutes les informations qu'ils jugent utiles pour s'assurer que les dispositions du présent chapitre et de ses arrêtés d'exécution sont respectées;
7° demander le soutien des représentants des forces de l'ordre pour exercer leur mission.
Les compétences mentionnées à l'alinéa 1er sont exercées exclusivement dans le cadre des missions du médecin-inspecteur d'hygiène et du bourgmestre compétent, notamment en ce qui concerne l'exécution des tâches de police administrative, pour autant que ceci soit nécessaire dans l'intérêt de la santé publique en vue de la mise en place de mesures prophylactiques.
En cas de nécessité, le médecin-inspecteur d'hygiène peut se faire remplacer par un médecin mandaté désigné à cette fin par le Gouvernement.
§ 2. Si nécessaire, le médecin-inspecteur d'hygiène prend contact avec d'autres autorités de santé nationales, étrangères ou internationales, compétentes en la matière, pour collecter et échanger des données et prévenir la propagation des infections.
Art. 10.5. § 1er. Le médecin-inspecteur d'hygiène ou le professionnel de la santé agissant sous son autorité réceptionnent les déclarations mentionnées à l'article 10.2 et les conservent dans un registre, sous quelque forme que ce soit, en ce compris électronique.
Les données mentionnées dans les déclarations sont traitées exclusivement aux fins prescrites dans les articles 10.3 et 10.4.
Seuls le médecin-inspecteur d'hygiène et le professionnel des soins de santé agissant sous son autorité peuvent traiter les données à caractère personnel contenues dans les déclarations. Ils veillent à leur confidentialité et leur sécurité.
Dans le respect de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel, les personnes visées à l'article 10.2, § 2, assurent la confidentialité et la sécurité de toutes les données à caractère personnel dont elles ont connaissance au moment de leur collecte, de leur transmission et de leur traitement.
§ 2. Dès que le médecin-inspecteur d'hygiène estime que les mesures mentionnées aux articles 10.3 et 10.4 ne doivent plus être appliquées, les informations permettant d'identifier et de localiser les personnes atteintes d'une maladie transmissible et ayant donné lieu à la déclaration ainsi que celles qui concernent les personnes à l'origine de la déclaration sont supprimées. Seules sont conservées les données présentant un intérêt général ultérieur pour améliorer l'efficacité des mesures prophylactiques.
Les données ainsi expurgées et conservées par le médecin-inspecteur d'hygiène peuvent, le cas échéant, faire l'objet d'un traitement statistique ultérieur, à des fins prophylactiques.
§ 3. Les données reprises dans la déclaration peuvent être transmises au bourgmestre, pour autant qu'elles soient nécessaires à l'application des mesures mentionnées aux articles 10.3 et 10.4.
Art. 10.6. Est puni d'un emprisonnement de huit jours à six mois et d'une amende de 25 à 200 euros, ou de l'une de ces peines seulement :
1° quiconque ne fait pas de déclaration prévue à l'article 10.2 ou empêche ou entrave une telle déclaration;
2° quiconque ne donne pas suite aux mesures visées à l'article 10.3 ou qui empêche ou entrave leur exécution;
3° quiconque empêche ou entrave l'exercice des compétences visées à l'article 10.4. "
" Chapitre IIter - Maladies transmissibles
Art. 10.2. § 1er. Tout cas éventuel ou avéré d'une maladie transmissible conformément au § 4 doit être déclaré en région de langue allemande.
Sans préjudice de l'alinéa 1er, tout cas de maladie au diagnostic incertain, mais présentant un caractère épidémique indiscutable ou la symptomatologie d'une affection épidémique grave, doit aussi être déclaré.
Les personnes mentionnées au § 2 déclarent toute situation présentant les caractéristiques d'une maladie transmissible ou d'une épidémie autres que celles déterminées en exécution du § 4, même si le diagnostic n'est pas encore définitivement établi.
§ 2. Le médecin traitant, le responsable d'un laboratoire de biologie clinique et le médecin chargé notamment du contrôle médical dans des écoles, des structures où résident des enfants et des jeunes, des entreprises ou des maisons de repos et de soins sont soumis à l'obligation de déclaration.
§ 3. Cette déclaration s'opère auprès du médecin-inspecteur d'hygiène désigné par le Gouvernement.
Cette déclaration contient au moins les informations suivantes :
1° la nature de la maladie ou de la pathologie;
2° les nom et prénom du déclarant, ses numéros de téléphones fixe et portable, et de fax, ainsi que ses adresses postale et électronique;
3° les nom et prénom, la date de naissance, le domicile du malade ainsi que, dans la mesure du possible, la profession et, le cas échéant, l'établissement d'enseignement qu'il fréquente ou son lieu de travail.
§ 4. Le Gouvernement détermine :
1° la liste des maladies transmissibles;
2° la procédure de déclaration.
Art. 10.3. Si possible en collaboration avec le bourgmestre de la commune où la mesure doit être exécutée et après concertation avec les médecins traitants, le médecin-inspecteur d'hygiène peut notamment prendre ou faire prendre par le bourgmestre les mesures prophylactiques suivantes :
1° interdire aux personnes contaminées qui pourraient transmettre l'infection tout contact physique avec d'autres personnes, tant qu'elles constituent un danger particulier pour la santé publique;
2° faire subir un examen médical aux personnes qui, après un contact avec une personne infectée ou une autre source de contamination, pourraient être contaminées et qui, par leurs contacts avec d'autres personnes, pourraient transmettre cette infection;
3° obliger les personnes contaminées qui pourraient transmettre l'infection à suivre un traitement médical approprié;
4° interdire aux personnes qui, dans le cadre de leurs activités professionnelles pourraient transmettre une infection, l'exercice de leurs activités ou les obliger à se soumettre à un examen médical tant qu'elles constituent un danger particulier pour la santé publique;
5° réquisitionner un service hospitalier en vue de l'isolement des personnes contaminées ou des personnes qui pourraient être infectées par une maladie fortement contagieuse. La réquisition est immédiatement signalée à la direction de l'institution concernée qui est obligée de coopérer pleinement à l'application de ces mesures prophylactiques;
6° ordonner la désinfection des objets et lieux contaminés;
7° ordonner le traitement, l'isolement, voire la mise à mort d'animaux qui représentent un danger pour l'homme, à l'exception du danger de contamination par consommation de ces animaux.
Art. 10.4. § 1er. Le médecin-inspecteur d'hygiène ou, à sa demande, le bourgmestre compétent peuvent :
1° donner des conseils, sommations et ordres oraux ou écrits;
2° bénéficier d'un accès libre, entre 5 heures et 21 heures, à tous les lieux et espaces où est soupçonnée ou constatée une source de contamination possible, uniquement en vue de la constater et de prendre des mesures prophylactiques conformément à l'article 10.3. Entre 21 heures et 5 heures, cet accès est limité à la prise de mesures d'urgence qui ne peuvent être retardées, pour prévenir la propagation de la maladie transmissible, constituant un danger particulier pour la santé publique;
3° constater, par des procès-verbaux faisant foi jusqu'à preuve du contraire, les infractions à la déclaration prescrite par l'article 10.2 et le non-respect des mesures prophylactiques prises en application de l'article 10.3. Une copie du procès-verbal est adressée par courrier recommandé au contrevenant dans un délai de cinq jours ouvrables à compter de la constatation de l'infraction;
4° ordonner l'arrêt ou la fermeture totale ou partielle du lieu, de l'espace ou de l'établissement qui pourrait être la cause de la contamination, lorsqu'ils constatent que les mesures imposées en application de l'article 10.3 n'ont pas été respectées, que les sommations ou ordres n'ont pas été suivis ou lorsqu'il y a une menace ou un grave danger pour la santé publique;
5° interroger toute personne quant à des faits dont la connaissance est utile à l'exercice de leur mission;
6° mener toute investigation, tout contrôle ou toute enquête et recueillir toutes les informations qu'ils jugent utiles pour s'assurer que les dispositions du présent chapitre et de ses arrêtés d'exécution sont respectées;
7° demander le soutien des représentants des forces de l'ordre pour exercer leur mission.
Les compétences mentionnées à l'alinéa 1er sont exercées exclusivement dans le cadre des missions du médecin-inspecteur d'hygiène et du bourgmestre compétent, notamment en ce qui concerne l'exécution des tâches de police administrative, pour autant que ceci soit nécessaire dans l'intérêt de la santé publique en vue de la mise en place de mesures prophylactiques.
En cas de nécessité, le médecin-inspecteur d'hygiène peut se faire remplacer par un médecin mandaté désigné à cette fin par le Gouvernement.
§ 2. Si nécessaire, le médecin-inspecteur d'hygiène prend contact avec d'autres autorités de santé nationales, étrangères ou internationales, compétentes en la matière, pour collecter et échanger des données et prévenir la propagation des infections.
Art. 10.5. § 1er. Le médecin-inspecteur d'hygiène ou le professionnel de la santé agissant sous son autorité réceptionnent les déclarations mentionnées à l'article 10.2 et les conservent dans un registre, sous quelque forme que ce soit, en ce compris électronique.
Les données mentionnées dans les déclarations sont traitées exclusivement aux fins prescrites dans les articles 10.3 et 10.4.
Seuls le médecin-inspecteur d'hygiène et le professionnel des soins de santé agissant sous son autorité peuvent traiter les données à caractère personnel contenues dans les déclarations. Ils veillent à leur confidentialité et leur sécurité.
Dans le respect de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel, les personnes visées à l'article 10.2, § 2, assurent la confidentialité et la sécurité de toutes les données à caractère personnel dont elles ont connaissance au moment de leur collecte, de leur transmission et de leur traitement.
§ 2. Dès que le médecin-inspecteur d'hygiène estime que les mesures mentionnées aux articles 10.3 et 10.4 ne doivent plus être appliquées, les informations permettant d'identifier et de localiser les personnes atteintes d'une maladie transmissible et ayant donné lieu à la déclaration ainsi que celles qui concernent les personnes à l'origine de la déclaration sont supprimées. Seules sont conservées les données présentant un intérêt général ultérieur pour améliorer l'efficacité des mesures prophylactiques.
Les données ainsi expurgées et conservées par le médecin-inspecteur d'hygiène peuvent, le cas échéant, faire l'objet d'un traitement statistique ultérieur, à des fins prophylactiques.
§ 3. Les données reprises dans la déclaration peuvent être transmises au bourgmestre, pour autant qu'elles soient nécessaires à l'application des mesures mentionnées aux articles 10.3 et 10.4.
Art. 10.6. Est puni d'un emprisonnement de huit jours à six mois et d'une amende de 25 à 200 euros, ou de l'une de ces peines seulement :
1° quiconque ne fait pas de déclaration prévue à l'article 10.2 ou empêche ou entrave une telle déclaration;
2° quiconque ne donne pas suite aux mesures visées à l'article 10.3 ou qui empêche ou entrave leur exécution;
3° quiconque empêche ou entrave l'exercice des compétences visées à l'article 10.4. "
Afdeling 2. - Bejaarden
Section 2. - Personnes âgées
Art. 2. Artikel 1 van het decreet van 4 juni 2007 betreffende de woon-, begeleidings- en verzorgingsstructuren voor bejaarden, de seniorenresidenties en de psychiatrische verzorgingstehuizen, gewijzigd bij de decreten van 13 februari 2012, 22 februari 2016 en 13 december 2016, wordt aangevuld met een bepaling onder 11°, luidende :
"11° LGSI: lokale commissie ter behartiging van de belangen van bejaarden."
"11° LGSI: lokale commissie ter behartiging van de belangen van bejaarden."
Art. 2. L'article 1er du décret du 4 juin 2007 relatif aux structures d'hébergement, d'accompagnement et de soins pour personnes âgées et aux maisons de soins psychiatriques, modifié par les décrets des 13 février 2012, 22 février 2016 et 13 décembre 2016, est complété par un 11° rédigé comme suit :
" 11° CLIPA : Commission locale pour les intérêts des personnes âgées. "
" 11° CLIPA : Commission locale pour les intérêts des personnes âgées. "
Art. 3. Artikel 11 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 25 februari 2013, wordt vervangen als volgt :
"Art. 11. § 1. Onder de voorwaarden bepaald in het kader van een overeenkomst met de inrichtende macht kan de Regering pilootprojecten ondersteunen voor een periode die beperkt is tot hoogstens drie jaar.
Pilootprojecten zijn innovatieve aanbiedingen op het gebied van de woon-, begeleidings- en verzorgingsstructuren voor bejaarden.
Drie maanden voor het verstrijken van de overeenkomst dient de inrichtende macht een evaluatie in bij het departement. De Regering beslist over de verdere ondersteuning van het project op basis van de evaluatie en van het advies van het departement en na een hoorzitting met de inrichtende macht.
§ 2. De aanvraag om ondersteuning van een pilootproject wordt ter goedkeuring ingediend bij het departement en bevat de volgende gegevens :
1° de identiteit en het statuut van de dienst;
2° het bewijs dat er, rekening houdend met de geografische, demografische en socio-economische factoren, behoefte is aan het pilootproject;
3° 3° de gedetailleerde beschrijving van het project;
4° de timing van de verwezenlijking van het project;
5° de evaluatiecriteria met betrekking tot het project;
6° de kostenraming en het financieringsplan;
7° de beschrijving van de netwerkactiviteiten;
8° voor lokale projecten: een advies van de LGSI.
De Regering beslist binnen drie maanden na de indiening van de volledige aanvraag over de ondersteuning van het pilootproject of over de weigering van de aanvraag."
"Art. 11. § 1. Onder de voorwaarden bepaald in het kader van een overeenkomst met de inrichtende macht kan de Regering pilootprojecten ondersteunen voor een periode die beperkt is tot hoogstens drie jaar.
Pilootprojecten zijn innovatieve aanbiedingen op het gebied van de woon-, begeleidings- en verzorgingsstructuren voor bejaarden.
Drie maanden voor het verstrijken van de overeenkomst dient de inrichtende macht een evaluatie in bij het departement. De Regering beslist over de verdere ondersteuning van het project op basis van de evaluatie en van het advies van het departement en na een hoorzitting met de inrichtende macht.
§ 2. De aanvraag om ondersteuning van een pilootproject wordt ter goedkeuring ingediend bij het departement en bevat de volgende gegevens :
1° de identiteit en het statuut van de dienst;
2° het bewijs dat er, rekening houdend met de geografische, demografische en socio-economische factoren, behoefte is aan het pilootproject;
3° 3° de gedetailleerde beschrijving van het project;
4° de timing van de verwezenlijking van het project;
5° de evaluatiecriteria met betrekking tot het project;
6° de kostenraming en het financieringsplan;
7° de beschrijving van de netwerkactiviteiten;
8° voor lokale projecten: een advies van de LGSI.
De Regering beslist binnen drie maanden na de indiening van de volledige aanvraag over de ondersteuning van het pilootproject of over de weigering van de aanvraag."
Art. 3. L'article 11 du même décret, modifié par le décret du 25 février 2013, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 11. § 1er. Le Gouvernement peut, aux conditions fixées dans le cadre d'une convention conclue avec le pouvoir organisateur, soutenir des projets pilotes pour une période limitée de trois ans au plus.
Les projets pilotes sont des offres novatrices dans le secteur des structures d'hébergement, d'accompagnement et de soins pour personnes âgées.
Trois mois avant l'échéance de la convention, le pouvoir organisateur introduit une évaluation auprès du département. En se basant sur l'évaluation et l'avis émis par le département et après avoir entendu le pouvoir organisateur, le Gouvernement statue sur le futur soutien apporté au projet.
§ 2. La demande relative au soutien d'un projet pilote est introduite, pour approbation, auprès du département et reprend les données suivantes :
1° l'identité et le statut du service;
2° la preuve que le projet pilote est nécessaire en tenant compte des données géographiques, démographiques et socioéconomiques;
3° une description détaillée du projet;
4° le schéma temporel pour la réalisation du projet;
5° les critères pour l'évaluation du projet;
6° une estimation des coûts et un plan de financement;
7° une description du travail en réseau;
8° un avis de la CLIPA en ce qui concerne les projets locaux.
Dans les trois mois suivant l'introduction de la demande complète, le Gouvernement statue sur le soutien apporté au projet pilote ou sur le rejet de la demande. "
" Art. 11. § 1er. Le Gouvernement peut, aux conditions fixées dans le cadre d'une convention conclue avec le pouvoir organisateur, soutenir des projets pilotes pour une période limitée de trois ans au plus.
Les projets pilotes sont des offres novatrices dans le secteur des structures d'hébergement, d'accompagnement et de soins pour personnes âgées.
Trois mois avant l'échéance de la convention, le pouvoir organisateur introduit une évaluation auprès du département. En se basant sur l'évaluation et l'avis émis par le département et après avoir entendu le pouvoir organisateur, le Gouvernement statue sur le futur soutien apporté au projet.
§ 2. La demande relative au soutien d'un projet pilote est introduite, pour approbation, auprès du département et reprend les données suivantes :
1° l'identité et le statut du service;
2° la preuve que le projet pilote est nécessaire en tenant compte des données géographiques, démographiques et socioéconomiques;
3° une description détaillée du projet;
4° le schéma temporel pour la réalisation du projet;
5° les critères pour l'évaluation du projet;
6° une estimation des coûts et un plan de financement;
7° une description du travail en réseau;
8° un avis de la CLIPA en ce qui concerne les projets locaux.
Dans les trois mois suivant l'introduction de la demande complète, le Gouvernement statue sur le soutien apporté au projet pilote ou sur le rejet de la demande. "
Art. 4. In artikel 12 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 2, gewijzigd bij het decreet van 25 februari 2013, wordt vervangen als volgt :
" § 2 - De inrichtende machten van bejaardentehuizen en rust- en verzorgingstehuizen ontvangen, binnen de perken van de beschikbare begrotingsmiddelen, een jaarlijks vaste subsidie voor de aankoop, de uitlening en het onderhoud van mobiliteitshulpmiddelen. De Regering bepaalt het bedrag en de nadere regels voor die subsidiëring vast."
2° in paragraaf 4 worden de woorden "in de §§ 1 en 2" vervangen door de woorden "in § 1".
1° paragraaf 2, gewijzigd bij het decreet van 25 februari 2013, wordt vervangen als volgt :
" § 2 - De inrichtende machten van bejaardentehuizen en rust- en verzorgingstehuizen ontvangen, binnen de perken van de beschikbare begrotingsmiddelen, een jaarlijks vaste subsidie voor de aankoop, de uitlening en het onderhoud van mobiliteitshulpmiddelen. De Regering bepaalt het bedrag en de nadere regels voor die subsidiëring vast."
2° in paragraaf 4 worden de woorden "in de §§ 1 en 2" vervangen door de woorden "in § 1".
Art. 4. A l'article 12 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° le § 2, modifié par le décret du 25 février 2013, est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Les pouvoirs organisateurs des maisons de repos et maisons de repos et de soins reçoivent, dans les limites des crédits budgétaires disponibles, un subside forfaitaire annuel pour l'achat, le prêt et l'entretien d'aides à la mobilité. Le Gouvernement fixe le montant et les modalités de ce subventionnement. ";
2° dans le § 4, les mots " et § 2 " sont abrogés.
1° le § 2, modifié par le décret du 25 février 2013, est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Les pouvoirs organisateurs des maisons de repos et maisons de repos et de soins reçoivent, dans les limites des crédits budgétaires disponibles, un subside forfaitaire annuel pour l'achat, le prêt et l'entretien d'aides à la mobilité. Le Gouvernement fixe le montant et les modalités de ce subventionnement. ";
2° dans le § 4, les mots " et § 2 " sont abrogés.
Art. 5. In hetzelfde decreet wordt een hoofdstuk IV.1 ingevoegd, dat de artikelen 12.1 tot 12.4 bevat, luidende :
"Hoofdstuk IV.1 - Lokale commissies ter behartiging van de belangen van bejaarden
Art. 12.1. De gemeenteraad van elke gemeente van het Duitse taalgebied installeert een LGSI en legt het huishoudelijk reglement van die commissie vast.
Art. 12.2. § 1. De LGSI bestaat uit :
1° een vertegenwoordiger van het gemeentecollege;
2° een vertegenwoordiger van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente;
3° een vertegenwoordiger van de adviescommissie voor bejaarden van de gemeente, voor zover die commissie bestaat;
4° een vertegenwoordiger per thuishulpdienst of inrichtende macht van een woon-, begeleidings- en verzorgingsstructuur voor bejaarden of van een seniorenresidentie die op het grondgebied van de gemeente gevestigd is.
Voor elk in het eerste lid vermeld werkend lid wordt een plaatsvervangend lid aangewezen.
§ 2. Tot de LGSI behoren ook met raadgevende stem :
1° een vertegenwoordiger van het departement;
2° één vertegenwoordiger van de Dienst van de Duitstalige Gemeenschap voor zelfbeschikkend leven;
3° andere plaatselijke partners die belangrijk zijn voor de hulp aan bejaarden en die door de LGSI bij de beraadslagingen betrokken worden.
De Regering kan nog andere dienstverrichters aanwijzen die een raadgevende stem in de LGSI hebben.
Art. 12.3. De vertegenwoordiger van het gemeentecollege zit de vergaderingen van de LGSI voor. De voorzitter organiseert die vergaderingen op eigen initiatief of op schriftelijk verzoek van een belangstellende en/of op schriftelijk verzoek van een potentiële inrichtende macht.
Een personeelslid van de gemeentediensten woont de vergaderingen van de LGSI bij en maakt onder de verantwoordelijkheid van de voorzitter de notulen op.
De Regering kan de verdere werkwijze nader bepalen.
Art. 12.4. § 1. Op verzoek van de Regering en binnen de door haar gestelde termijn of op eigen initiatief verstrekt de LGSI advies over de volgende punten :
1° de aanbevolen maatregelen die aan haar werden voorgelegd;
2° het stellen van prioriteiten in verband met de aanbevolen maatregelen om het aanbod voor bejaarden dicht bij huis te verbeteren, rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden en het vaststellen van de kwantitatieve en kwalitatieve voorwaarden die daarvoor vervuld moeten zijn.
§ 2. De LGSI geeft advies over alle nieuwe projecten of pilootprojecten inzake hulp aan bejaarden dicht bij huis op het grondgebied van de gemeente en bezorgt haar standpunt aan de Regering. Daartoe bezorgt de potentiële dienstverrichter alle daartoe nodige stukken vooraf aan de LGSI.
In het advies worden ten minste de volgende punten behandeld :
1° de behoefte aan het nieuwe initiatief voor hulp aan bejaarden, met inachtneming van de geografische, demografische en socio-economische omstandigheden;
2° het concept voor de hulp aan bejaarden;
3° het aantal personen dat met het project aangesproken wordt;
4° de mogelijke kostenbijdrage van de bejaarden;
5° het koppelen van de verschillende vormen van hulpverlening;
6° indien het advies niet unaniem is : een uiteenzetting van de verschillende standpunten.
De LGSI bezorgt haar advies aan de Regering binnen 90 dagen na ontvangst van de stukken van de potentiële inrichtende macht.
In afwijking van het eerste lid kan de Regering uitzonderingen bepalen waarin, op grond van de beperkte draagwijdte van de betrokken initiatieven, geen advies van de LGSI vereist is.
§ 3. De Regering kan de LGSI nog andere taken opdragen."
"Hoofdstuk IV.1 - Lokale commissies ter behartiging van de belangen van bejaarden
Art. 12.1. De gemeenteraad van elke gemeente van het Duitse taalgebied installeert een LGSI en legt het huishoudelijk reglement van die commissie vast.
Art. 12.2. § 1. De LGSI bestaat uit :
1° een vertegenwoordiger van het gemeentecollege;
2° een vertegenwoordiger van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente;
3° een vertegenwoordiger van de adviescommissie voor bejaarden van de gemeente, voor zover die commissie bestaat;
4° een vertegenwoordiger per thuishulpdienst of inrichtende macht van een woon-, begeleidings- en verzorgingsstructuur voor bejaarden of van een seniorenresidentie die op het grondgebied van de gemeente gevestigd is.
Voor elk in het eerste lid vermeld werkend lid wordt een plaatsvervangend lid aangewezen.
§ 2. Tot de LGSI behoren ook met raadgevende stem :
1° een vertegenwoordiger van het departement;
2° één vertegenwoordiger van de Dienst van de Duitstalige Gemeenschap voor zelfbeschikkend leven;
3° andere plaatselijke partners die belangrijk zijn voor de hulp aan bejaarden en die door de LGSI bij de beraadslagingen betrokken worden.
De Regering kan nog andere dienstverrichters aanwijzen die een raadgevende stem in de LGSI hebben.
Art. 12.3. De vertegenwoordiger van het gemeentecollege zit de vergaderingen van de LGSI voor. De voorzitter organiseert die vergaderingen op eigen initiatief of op schriftelijk verzoek van een belangstellende en/of op schriftelijk verzoek van een potentiële inrichtende macht.
Een personeelslid van de gemeentediensten woont de vergaderingen van de LGSI bij en maakt onder de verantwoordelijkheid van de voorzitter de notulen op.
De Regering kan de verdere werkwijze nader bepalen.
Art. 12.4. § 1. Op verzoek van de Regering en binnen de door haar gestelde termijn of op eigen initiatief verstrekt de LGSI advies over de volgende punten :
1° de aanbevolen maatregelen die aan haar werden voorgelegd;
2° het stellen van prioriteiten in verband met de aanbevolen maatregelen om het aanbod voor bejaarden dicht bij huis te verbeteren, rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden en het vaststellen van de kwantitatieve en kwalitatieve voorwaarden die daarvoor vervuld moeten zijn.
§ 2. De LGSI geeft advies over alle nieuwe projecten of pilootprojecten inzake hulp aan bejaarden dicht bij huis op het grondgebied van de gemeente en bezorgt haar standpunt aan de Regering. Daartoe bezorgt de potentiële dienstverrichter alle daartoe nodige stukken vooraf aan de LGSI.
In het advies worden ten minste de volgende punten behandeld :
1° de behoefte aan het nieuwe initiatief voor hulp aan bejaarden, met inachtneming van de geografische, demografische en socio-economische omstandigheden;
2° het concept voor de hulp aan bejaarden;
3° het aantal personen dat met het project aangesproken wordt;
4° de mogelijke kostenbijdrage van de bejaarden;
5° het koppelen van de verschillende vormen van hulpverlening;
6° indien het advies niet unaniem is : een uiteenzetting van de verschillende standpunten.
De LGSI bezorgt haar advies aan de Regering binnen 90 dagen na ontvangst van de stukken van de potentiële inrichtende macht.
In afwijking van het eerste lid kan de Regering uitzonderingen bepalen waarin, op grond van de beperkte draagwijdte van de betrokken initiatieven, geen advies van de LGSI vereist is.
§ 3. De Regering kan de LGSI nog andere taken opdragen."
Art. 5. Dans le même décret, il est inséré un chapitre IV.1, comportant les articles 12.1 à 12.4, rédigé comme suit :
" Chapitre IV.1 - Commissions locales pour les intérêts des personnes âgées
Art. 12.1. Le conseil communal de chacune des communes de la région de langue allemande institue une CLIPA et établit son règlement d'ordre intérieur.
Art. 12.2. § 1er. La CLIPA est composée :
1° d'un représentant du collège communal;
2° d'un représentant du centre public d'aide sociale de la commune;
3° d'un représentant du conseil consultatif des personnes âgées de la commune s'il y en a un;
4° un représentant par service d'aide à domicile ou pouvoir organisateur d'une structure d'hébergement, d'accompagnement et de soins ou d'une résidence pour seniors actif sur le territoire communal.
Un membre suppléant est désigné pour chaque membre effectif mentionné à l'alinéa 1er.
§ 2. Font également partie de la CLIPA, avec voix consultative :
1° un représentant du département;
2° un représentant de l'Office de la Communauté germanophone pour une vie autodéterminée;
3° d'autres partenaires locaux, importants en matière d'aides aux personnes âgées, invités par la CLIPA à participer aux délibérations.
Le Gouvernement peut déterminer que d'autres prestataires de services feront partie de la CLIPA avec voix consultative.
Art. 12.3. Le représentant du collège communal assure la présidence des séances de la CLIPA. Ces séances sont convoquées par le président, à son initiative ou à la demande d'une personne intéressée et/ou d'un pouvoir organisateur potentiel.
Un membre du personnel de l'administration communale assiste aux séances de la CLIPA et rédige les procès-verbaux sous la responsabilité du président.
Le Gouvernement peut préciser le mode de fonctionnement.
Art. 12. 4. § 1er. La CLIPA remet au Gouvernement, à la demande de celui-ci et dans le délai prévu par lui, ou de sa propre initiative, un avis sur les points suivants :
1° les actions qui lui ont été recommandées;
2° la hiérarchisation des actions recommandées en vue d'améliorer l'offre en matière de politique des personnes âgées proche du lieu de vie, en tenant compte des données locales, et la détermination des conditions quantitatives et qualitatives requises pour y parvenir.
§ 2. La CLIPA prend position sur tous les nouveaux projets ou projets pilotes sur le territoire communal en matière d'aide aux personnes âgées proche du lieu de vie et fait parvenir sa position au Gouvernement. A cette fin, le prestataire potentiel transmet au préalable à la CLIPA tous les documents nécessaires.
La prise de position aborde au moins les points suivants :
1° la nécessité de la nouvelle initiative d'aide aux personnes âgées, en tenant compte des données géographiques, démographiques et socioéconomiques;
2° le concept d'aide;
3° le nombre de personnes auxquelles s'adresse ce projet;
4° l'éventuelle participation aux frais supportée par les personnes âgées;
5° la mise en réseau des offres d'aide;
6° s'il n'y a pas unanimité, la présentation des différents points de vue.
La CLIPA transmet son avis au Gouvernement dans un délai de 90 jours après réception des documents introduits par le pouvoir organisateur potentiel.
Par dérogation au premier alinéa, le Gouvernement peut fixer des exceptions, des cas où un avis de la CLIPA n'est pas requis eu égard à la portée limitée de l'initiative concernée.
§ 3. Le Gouvernement peut confier d'autres missions à la CLIPA. "
" Chapitre IV.1 - Commissions locales pour les intérêts des personnes âgées
Art. 12.1. Le conseil communal de chacune des communes de la région de langue allemande institue une CLIPA et établit son règlement d'ordre intérieur.
Art. 12.2. § 1er. La CLIPA est composée :
1° d'un représentant du collège communal;
2° d'un représentant du centre public d'aide sociale de la commune;
3° d'un représentant du conseil consultatif des personnes âgées de la commune s'il y en a un;
4° un représentant par service d'aide à domicile ou pouvoir organisateur d'une structure d'hébergement, d'accompagnement et de soins ou d'une résidence pour seniors actif sur le territoire communal.
Un membre suppléant est désigné pour chaque membre effectif mentionné à l'alinéa 1er.
§ 2. Font également partie de la CLIPA, avec voix consultative :
1° un représentant du département;
2° un représentant de l'Office de la Communauté germanophone pour une vie autodéterminée;
3° d'autres partenaires locaux, importants en matière d'aides aux personnes âgées, invités par la CLIPA à participer aux délibérations.
Le Gouvernement peut déterminer que d'autres prestataires de services feront partie de la CLIPA avec voix consultative.
Art. 12.3. Le représentant du collège communal assure la présidence des séances de la CLIPA. Ces séances sont convoquées par le président, à son initiative ou à la demande d'une personne intéressée et/ou d'un pouvoir organisateur potentiel.
Un membre du personnel de l'administration communale assiste aux séances de la CLIPA et rédige les procès-verbaux sous la responsabilité du président.
Le Gouvernement peut préciser le mode de fonctionnement.
Art. 12. 4. § 1er. La CLIPA remet au Gouvernement, à la demande de celui-ci et dans le délai prévu par lui, ou de sa propre initiative, un avis sur les points suivants :
1° les actions qui lui ont été recommandées;
2° la hiérarchisation des actions recommandées en vue d'améliorer l'offre en matière de politique des personnes âgées proche du lieu de vie, en tenant compte des données locales, et la détermination des conditions quantitatives et qualitatives requises pour y parvenir.
§ 2. La CLIPA prend position sur tous les nouveaux projets ou projets pilotes sur le territoire communal en matière d'aide aux personnes âgées proche du lieu de vie et fait parvenir sa position au Gouvernement. A cette fin, le prestataire potentiel transmet au préalable à la CLIPA tous les documents nécessaires.
La prise de position aborde au moins les points suivants :
1° la nécessité de la nouvelle initiative d'aide aux personnes âgées, en tenant compte des données géographiques, démographiques et socioéconomiques;
2° le concept d'aide;
3° le nombre de personnes auxquelles s'adresse ce projet;
4° l'éventuelle participation aux frais supportée par les personnes âgées;
5° la mise en réseau des offres d'aide;
6° s'il n'y a pas unanimité, la présentation des différents points de vue.
La CLIPA transmet son avis au Gouvernement dans un délai de 90 jours après réception des documents introduits par le pouvoir organisateur potentiel.
Par dérogation au premier alinéa, le Gouvernement peut fixer des exceptions, des cas où un avis de la CLIPA n'est pas requis eu égard à la portée limitée de l'initiative concernée.
§ 3. Le Gouvernement peut confier d'autres missions à la CLIPA. "
Art. 6. Artikel 2, 11°, van het decreet van 16 februari 2009 betreffende de thuishulpdiensten, opgeheven bij het decreet van 13 december 2016, wordt hersteld als volgt :
"11° LGSI: de lokale commissie ter behartiging van de belangen van bejaarden vermeld in hoofdstuk IV.1 van het decreet van 4 juni 2007 betreffende de woon-, begeleidings- en verzorgingsstructuren voor bejaarden, de seniorenresidenties en de psychiatrische verzorgingstehuizen."
"11° LGSI: de lokale commissie ter behartiging van de belangen van bejaarden vermeld in hoofdstuk IV.1 van het decreet van 4 juni 2007 betreffende de woon-, begeleidings- en verzorgingsstructuren voor bejaarden, de seniorenresidenties en de psychiatrische verzorgingstehuizen."
Art. 6. L'article 2, 11°, du décret du 16 février 2009 concernant les services d'aide à domicile, abrogé par le décret du 13 décembre 2016, est rétabli dans la rédaction suivante :
" 11° CLIPA : la commission locale pour les intérêts des personnes âgées mentionnée au chapitre IV.1 du décret du 4 juin 2007 relatif aux structures d'hébergement, d'accompagnement et de soins pour personnes âgées, aux résidences pour seniors et aux maisons de soins psychiatriques. "
" 11° CLIPA : la commission locale pour les intérêts des personnes âgées mentionnée au chapitre IV.1 du décret du 4 juin 2007 relatif aux structures d'hébergement, d'accompagnement et de soins pour personnes âgées, aux résidences pour seniors et aux maisons de soins psychiatriques. "
Art. 7. Artikel 16, § 2, eerste lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 25 februari 2013, wordt aangevuld met bepalingen onder 7° en 8°, luidende :
"7° de beschrijving van de netwerkactiviteiten;
8° voor lokale projecten: een advies van de LGSI."
"7° de beschrijving van de netwerkactiviteiten;
8° voor lokale projecten: een advies van de LGSI."
Art. 7. L'article 16, § 2, alinéa 1er, du même décret, modifié par le décret du 25 février 2013, est complété par les 7° et 8° rédigés comme suit :
" 7° une description du travail en réseau;
8° un avis de la CLIPA en ce qui concerne les projets locaux. "
" 7° une description du travail en réseau;
8° un avis de la CLIPA en ce qui concerne les projets locaux. "
Afdeling 3. - Jeugdbijstand
Section 3. - Aide à la jeunesse
Art. 8. In artikel 4, § 1, eerste lid, van het decreet van 19 mei 2008 over de Jeugdbijstand en houdende omzetting van maatregelen inzake jeugdbescherming worden de woorden "ongeacht afkomst, geslacht, nationaliteit, godsdienstige, filosofische en politieke opvattingen" vervangen door de woorden "ongeacht de beschermde criteria vermeld in artikel 2 van het decreet van 19 maart 2012 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie".
Art. 8. Dans l'article 4, § 1er, alinéa 1er, du décret du 19 mai 2008 relatif à l'aide à la Jeunesse et visant la mise en oeuvre de mesures de protection de la jeunesse, les mots " indépendamment de ses origines, de son sexe, de sa nationalité, de ses convictions religieuses, philosophiques et politiques " sont remplacés par les mots " nonobstant les critères protégés mentionnés à l'article 2 du décret du 19 mars 2012 visant à lutter contre certaines formes de discrimination ".
Art. 9. Artikel 5, § 1, tweede lid, 7°, van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art. 9. A l'article 5, § 1er, alinéa 2, du même décret, le 7° est abrogé.
Art. 10. In artikel 16, § 4, van hetzelfde decreet wordt het woord "dagen" vervangen door het woord "werkdagen".
Art. 10. A l'article 16, § 4, du même décret, le mot " jours " est remplacé par les mots " jours ouvrables ".
Art. 11. Artikel 20, § 2, van hetzelfde decreet wordt aangevuld met een tweede lid, luidende :
"Opdrachten voor het waarborgen van de begeleidingsvormen vermeld in paragraaf 1 worden niet :
1° toegekend aan natuurlijke personen die belast zijn met de opvoeding van de jongere of onderhoudsplichtig zijn ten aanzien van de jongere;
2° toegekend aan rechtspersonen waarin de personen belast met de opvoeding van de jongere of de personen die onderhoudsplichtig zijn ten aanzien van de jongere een leidinggevende rol uitoefenen."
"Opdrachten voor het waarborgen van de begeleidingsvormen vermeld in paragraaf 1 worden niet :
1° toegekend aan natuurlijke personen die belast zijn met de opvoeding van de jongere of onderhoudsplichtig zijn ten aanzien van de jongere;
2° toegekend aan rechtspersonen waarin de personen belast met de opvoeding van de jongere of de personen die onderhoudsplichtig zijn ten aanzien van de jongere een leidinggevende rol uitoefenen."
Art. 11. L'article 20, § 2, du même décret est complété par un alinéa 2 rédigé comme suit :
" Les missions garantissant les formes d'accompagnement mentionnées au § 1er ne sont pas confiées :
1° aux personnes physiques qui sont chargées de l'éducation du jeune ou à ses débiteurs d'aliments;
2° aux personnes morales dont sont responsables les personnes chargées de l'éducation du jeune ou ses débiteurs d'aliments. "
" Les missions garantissant les formes d'accompagnement mentionnées au § 1er ne sont pas confiées :
1° aux personnes physiques qui sont chargées de l'éducation du jeune ou à ses débiteurs d'aliments;
2° aux personnes morales dont sont responsables les personnes chargées de l'éducation du jeune ou ses débiteurs d'aliments. "
Art. 12. In artikel 32, eerste lid, van hetzelfde decreet worden de woorden "werd afgesloten of bevolen" vervangen door de woorden "afgesloten, bevolen of in aansluiting daarop met toepassing van artikel 21 verlengd werd";
Art. 12. A l'article 32 du même décret, l'alinéa 1er est complété par les mots " ou, le cas échéant, prolongée par la suite en application de l'article 21 ".
Art. 13. In artikel 33, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt de tweede zin aangevuld met de woorden : "en vanaf het 18e levensjaar van de jongere, overeenkomstig de met toepassing van artikel 21 goedgekeurde verlenging van de hulpverlening".
Art. 13. A l'article 33 du même décret, la deuxième phrase de l'alinéa 1er est complétée par les mots " et dès que le jeune a atteint 18 ans conformément à la prolongation de l'aide octroyée en application de l'article 21 ".
Afdeling 4. - Gezinsbijslagen
Section 4. - Prestations familiales
Art. 14. Artikel 1, vijfde lid, van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag, ingevoegd bij de wet van 25 januari 1999 en gewijzigd bij de wetten van 12 augustus 2000 en 28 april 2010, wordt vervangen als volgt :
"Het feit dat het kind krachtens de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie recht op maatschappelijke integratie heeft, sluit niet uit dat de aanvrager recht op gewaarborgde gezinsbijslag heeft."
"Het feit dat het kind krachtens de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie recht op maatschappelijke integratie heeft, sluit niet uit dat de aanvrager recht op gewaarborgde gezinsbijslag heeft."
Art. 14. L'article 1er, alinéa 5, de la loi du 20 juillet 1971 instituant des prestations familiales garanties, inséré par la loi du 25 janvier 1999 et modifié par les lois des 12 août 2000 et 28 avril 2010, est remplacé par ce qui suit :
" Le fait que l'enfant ait droit à l'intégration sociale en vertu de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale n'exclut pas le demandeur du droit aux prestations familiales garanties. "
" Le fait que l'enfant ait droit à l'intégration sociale en vertu de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale n'exclut pas le demandeur du droit aux prestations familiales garanties. "
HOOFDSTUK 2. - Culturele aangelegenheden
CHAPITRE 2. - Matières culturelles
Afdeling 1. - Cultuur
Section 1re. - Culture
Art. 15. In artikel 2, tweede lid, van het decreet van 23 maart 1992 houdende toekenning van toelagen voor de personeelskosten van de erkende creatieve ateliers, vervangen bij het decreet van 25 juni 2007, wordt het bedrag "54,54 EUR" vervangen door het bedrag "78 euro".
Art. 15. A l'article 2, alinéa 2, du décret du 23 mars 1992 accordant des subventions destinées aux frais de personnel encourus par les ateliers créatifs reconnus, remplacé par le décret du 25 juin 2007, le montant " 54,54 EUR " est remplacé par le montant " 78 euros ".
Art. 16. In het decreet van 18 november 2013 betreffende de ondersteuning van cultuur in de Duitstalige Gemeenschap, gewijzigd bij de decreten van 2 maart 2015 en 22 februari 2016, wordt een hoofdstuk 3.1 ingevoegd, dat de artikelen 43.1 tot 43.3 omvat, luidende :
"Hoofdstuk 3.1 - Ondersteuning van literatuur
Art. 43.1. - Ondersteuningsprincipes
Binnen de perken van de beschikbare begrotingsmiddelen kan de Regering literatuurpublicaties ondersteunen.
De ondersteuning die nodig is voor het project bedraagt minstens 1.000 euro.
Art. 43.2. - Aanvraag
§ 1. De aanvraag kan worden ingediend door natuurlijke personen en rechtspersonen van wie de literatuurpublicaties aan de volgende voorwaarden voldoen :
1° de publicatie houdt op grond van de woonplaats van de auteur of op grond van het behandelde onderwerp inhoudelijk verband met de Duitstalige Gemeenschap;
2° de publicatie heeft een regionale en eventueel grensoverschrijdende draagwijdte;
3° de publicatie bezit kwaliteitskenmerken qua inhoud, taal, methode en vormgeving;
4° er kan bewezen worden dat voor voldoende publiekgerichtheid en voldoende distributie gezorgd wordt;
5° er wordt een degelijke financiële onderbouw en een degelijk zakelijk beheer met het oog op de publicatie gewaarborgd.
De volgende literatuurpublicaties komen niet in aanmerking voor ondersteuning:
1° de publicaties die op grond van een ander decreet van de Duitstalige Gemeenschap gesubsidieerd kunnen worden;
2° de regelmatige publicaties.
§ 2. De aanvraag wordt ingediend bij de Regering.
De aanvraag wordt uiterlijk op 31 maart ingediend op het daartoe door de Regering vastgelegde formulier.
§ 3. Bij de aanvraag moeten de volgende documenten worden gevoegd:
1° het bewijs van het verband tussen de inhoud van de publicatie en de Duitstalige Gemeenschap en het bewijs van de regionale of eventueel grensoverschrijdende uitstraling ervan;
2° een samenvatting;
3° een biografie van de auteur;
4° een beschrijving van de geplande verspreiding;
5° een beschrijving van de geplande publiciteit;
6° een gedetailleerd overzicht van ontvangsten en uitgaven.
Art. 43.3. Subsidie en aankoop van boeken
§ 1. Nadat de ingediende stukken gecontroleerd zijn, kan de Regering literatuurpublicaties ondersteunen door :
1° een subsidie toe te kennen;
2° exemplaren van het boek aan te kopen na voltooiing van de publicatie.
Er kan geen subsidie worden toegekend voor literatuurpublicaties die al verschenen zijn. Alleen publicaties waarin verwezen wordt naar het feit dat ze met steun van de Duitstalige Gemeenschap tot stand zijn gekomen, kunnen overeenkomstig het eerste lid, 1°, gesubsidieerd worden.
§ 2. De subsidie wordt berekend op basis van de nuttige uitgaven die rechtstreeks verband houden met het verschijnen van de literatuurpublicatie. In het formulier vermeld in artikel 43.2, § 2, tweede lid, bepaalt de Regering welke categorieën van nuttige uitgaven in aanmerking komen.
Voor de uitbetaling van de subsidie worden, binnen drie maanden na het verschijnen van de literatuurpublicatie, de volgende stukken ingediend:
1° een overzicht van de nuttige uitgaven;
2° een exemplaar van de publicatie.
Het bedrag van de subsidies kan vermenigvuldigd worden met een coëfficiënt om het aan de beschikbare begrotingsmiddelen aan te passen.
§ 3. De als bewijsstuk ingediende facturen zijn voor kwijting getekend of gaan vergezeld van het rekeninguittreksel. Financiële bescheiden die gecertificeerd zijn door erkende boekhouders of erkende financiële controleurs kunnen ook als bewijsstuk gelden."
"Hoofdstuk 3.1 - Ondersteuning van literatuur
Art. 43.1. - Ondersteuningsprincipes
Binnen de perken van de beschikbare begrotingsmiddelen kan de Regering literatuurpublicaties ondersteunen.
De ondersteuning die nodig is voor het project bedraagt minstens 1.000 euro.
Art. 43.2. - Aanvraag
§ 1. De aanvraag kan worden ingediend door natuurlijke personen en rechtspersonen van wie de literatuurpublicaties aan de volgende voorwaarden voldoen :
1° de publicatie houdt op grond van de woonplaats van de auteur of op grond van het behandelde onderwerp inhoudelijk verband met de Duitstalige Gemeenschap;
2° de publicatie heeft een regionale en eventueel grensoverschrijdende draagwijdte;
3° de publicatie bezit kwaliteitskenmerken qua inhoud, taal, methode en vormgeving;
4° er kan bewezen worden dat voor voldoende publiekgerichtheid en voldoende distributie gezorgd wordt;
5° er wordt een degelijke financiële onderbouw en een degelijk zakelijk beheer met het oog op de publicatie gewaarborgd.
De volgende literatuurpublicaties komen niet in aanmerking voor ondersteuning:
1° de publicaties die op grond van een ander decreet van de Duitstalige Gemeenschap gesubsidieerd kunnen worden;
2° de regelmatige publicaties.
§ 2. De aanvraag wordt ingediend bij de Regering.
De aanvraag wordt uiterlijk op 31 maart ingediend op het daartoe door de Regering vastgelegde formulier.
§ 3. Bij de aanvraag moeten de volgende documenten worden gevoegd:
1° het bewijs van het verband tussen de inhoud van de publicatie en de Duitstalige Gemeenschap en het bewijs van de regionale of eventueel grensoverschrijdende uitstraling ervan;
2° een samenvatting;
3° een biografie van de auteur;
4° een beschrijving van de geplande verspreiding;
5° een beschrijving van de geplande publiciteit;
6° een gedetailleerd overzicht van ontvangsten en uitgaven.
Art. 43.3. Subsidie en aankoop van boeken
§ 1. Nadat de ingediende stukken gecontroleerd zijn, kan de Regering literatuurpublicaties ondersteunen door :
1° een subsidie toe te kennen;
2° exemplaren van het boek aan te kopen na voltooiing van de publicatie.
Er kan geen subsidie worden toegekend voor literatuurpublicaties die al verschenen zijn. Alleen publicaties waarin verwezen wordt naar het feit dat ze met steun van de Duitstalige Gemeenschap tot stand zijn gekomen, kunnen overeenkomstig het eerste lid, 1°, gesubsidieerd worden.
§ 2. De subsidie wordt berekend op basis van de nuttige uitgaven die rechtstreeks verband houden met het verschijnen van de literatuurpublicatie. In het formulier vermeld in artikel 43.2, § 2, tweede lid, bepaalt de Regering welke categorieën van nuttige uitgaven in aanmerking komen.
Voor de uitbetaling van de subsidie worden, binnen drie maanden na het verschijnen van de literatuurpublicatie, de volgende stukken ingediend:
1° een overzicht van de nuttige uitgaven;
2° een exemplaar van de publicatie.
Het bedrag van de subsidies kan vermenigvuldigd worden met een coëfficiënt om het aan de beschikbare begrotingsmiddelen aan te passen.
§ 3. De als bewijsstuk ingediende facturen zijn voor kwijting getekend of gaan vergezeld van het rekeninguittreksel. Financiële bescheiden die gecertificeerd zijn door erkende boekhouders of erkende financiële controleurs kunnen ook als bewijsstuk gelden."
Art. 16. Dans le décret du 18 novembre 2013 visant à soutenir la culture en Communauté germanophone, modifié par les décrets des 2 mars 2015 et 22 février 2016, il est inséré un chapitre 3.1, comportant les articles 43.1 à 43.3, rédigé comme suit :
" Chapitre 3.1 - Soutien accordé à la littérature
Art. 43.1. - Principes du soutien
Dans les limites des crédits budgétaires disponibles, le Gouvernement peut soutenir des publications littéraires.
Le projet nécessite un soutien d'au moins 1 000 euros.
Art. 43.2. - Demande
§ 1er. Peuvent introduire une demande les personnes physiques et morales dont les publications littéraires répondent aux conditions suivantes :
1° la publication présente un contenu lié à la Communauté germanophone par le domicile de l'auteur ou en raison du sujet abordé;
2° la publication a un rayonnement régional et, le cas échéant, transfrontalier;
3° la publication possède des caractéristiques de qualité quant au contenu, à la langue, la méthode et la forme;
4° il est prouvé que la publication vise un public suffisamment ciblé et la vente est garantie;
5° une assise financière et une gestion commerciale solides pour assurer la publication sont garanties.
Les publications littéraires suivantes ne sont pas soutenues :
1° les publications pouvant être subsidiées en vertu d'un autre décret de la Communauté germanophone;
2° les publications périodiques.
§ 2. La demande est introduite auprès du Gouvernement.
La demande est introduite au moyen du formulaire fixé à cette fin par le Gouvernement, et ce, pour le 31 mars au plus tard.
§ 3. La demande est accompagnée :
1° de la preuve du lien existant entre le contenu de la publication et la Communauté germanophone ainsi que du rayonnement régional, voire transfrontalier;
2° d'un résumé;
3° d'une biographie de l'auteur;
4° d'une description de la distribution envisagée;
5° d'une description de la publicité envisagée;
6° d'un état détaillé des recettes et dépenses.
Art. 43.3. - Subside et achat de livres
§ 1er. Après examen des documents introduits, le Gouvernement peut soutenir les publications littéraires par :
1° l'octroi d'un subside;
2° l'achat de livres une fois la publication terminée.
L'octroi d'un subside est exclu pour des publications littéraires déjà parues. Seules les publications qui se réfèrent au soutien apporté par la Communauté germanophone peuvent être subsidiées conformément à l'alinéa 1er, 1°.
§ 2. Le subside se calcule au moyen d'un état des dépenses utiles en lien direct avec la parution de la publication littéraire. Dans le formulaire mentionné à l'article 43.2, § 2, alinéa 2, le Gouvernement fixe les catégories de dépenses utiles prises en considération.
En vue de la liquidation du subside, les documents suivants seront introduits dans les trois mois suivant la parution de la publication littéraire :
1° un état des dépenses utiles;
2° un exemplaire de la publication.
Le montant des subsides peut être multiplié par un coefficient pour l'adapter aux crédits budgétaires disponibles.
§ 3. Les factures introduites au titre de justificatif doivent être acquittées ou accompagnées de l'extrait de compte y afférent. Les documents financiers admis par des comptables ou vérificateurs financiers peuvent aussi servir de justificatifs. "
" Chapitre 3.1 - Soutien accordé à la littérature
Art. 43.1. - Principes du soutien
Dans les limites des crédits budgétaires disponibles, le Gouvernement peut soutenir des publications littéraires.
Le projet nécessite un soutien d'au moins 1 000 euros.
Art. 43.2. - Demande
§ 1er. Peuvent introduire une demande les personnes physiques et morales dont les publications littéraires répondent aux conditions suivantes :
1° la publication présente un contenu lié à la Communauté germanophone par le domicile de l'auteur ou en raison du sujet abordé;
2° la publication a un rayonnement régional et, le cas échéant, transfrontalier;
3° la publication possède des caractéristiques de qualité quant au contenu, à la langue, la méthode et la forme;
4° il est prouvé que la publication vise un public suffisamment ciblé et la vente est garantie;
5° une assise financière et une gestion commerciale solides pour assurer la publication sont garanties.
Les publications littéraires suivantes ne sont pas soutenues :
1° les publications pouvant être subsidiées en vertu d'un autre décret de la Communauté germanophone;
2° les publications périodiques.
§ 2. La demande est introduite auprès du Gouvernement.
La demande est introduite au moyen du formulaire fixé à cette fin par le Gouvernement, et ce, pour le 31 mars au plus tard.
§ 3. La demande est accompagnée :
1° de la preuve du lien existant entre le contenu de la publication et la Communauté germanophone ainsi que du rayonnement régional, voire transfrontalier;
2° d'un résumé;
3° d'une biographie de l'auteur;
4° d'une description de la distribution envisagée;
5° d'une description de la publicité envisagée;
6° d'un état détaillé des recettes et dépenses.
Art. 43.3. - Subside et achat de livres
§ 1er. Après examen des documents introduits, le Gouvernement peut soutenir les publications littéraires par :
1° l'octroi d'un subside;
2° l'achat de livres une fois la publication terminée.
L'octroi d'un subside est exclu pour des publications littéraires déjà parues. Seules les publications qui se réfèrent au soutien apporté par la Communauté germanophone peuvent être subsidiées conformément à l'alinéa 1er, 1°.
§ 2. Le subside se calcule au moyen d'un état des dépenses utiles en lien direct avec la parution de la publication littéraire. Dans le formulaire mentionné à l'article 43.2, § 2, alinéa 2, le Gouvernement fixe les catégories de dépenses utiles prises en considération.
En vue de la liquidation du subside, les documents suivants seront introduits dans les trois mois suivant la parution de la publication littéraire :
1° un état des dépenses utiles;
2° un exemplaire de la publication.
Le montant des subsides peut être multiplié par un coefficient pour l'adapter aux crédits budgétaires disponibles.
§ 3. Les factures introduites au titre de justificatif doivent être acquittées ou accompagnées de l'extrait de compte y afférent. Les documents financiers admis par des comptables ou vérificateurs financiers peuvent aussi servir de justificatifs. "
Art. 17. In artikel 47 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het eerste lid wordt aangevuld als volgt:
"In die oproep wordt de datum van de classificatie vastgelegd."
2° het tweede lid wordt opgeheven.
1° het eerste lid wordt aangevuld als volgt:
"In die oproep wordt de datum van de classificatie vastgelegd."
2° het tweede lid wordt opgeheven.
Art. 17. A l'article 47 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 1er est complété par ce qui suit :
" La date du classement est mentionnée dans cet appel aux candidats. "
2° l'alinéa 2 est abrogé.
1° l'alinéa 1er est complété par ce qui suit :
" La date du classement est mentionnée dans cet appel aux candidats. "
2° l'alinéa 2 est abrogé.
Art. 18. In artikel 48, § 1, van hetzelfde decreet worden de woorden "uiterlijk op 30 november van het jaar dat aan de classificatie voorafgaat," vervangen door de woorden "uiterlijk negen maanden vóór de overeenkomstig artikel 47 vastgelegde datum".
Art. 18. A l'article 48 du même décret, le § 1er est remplacé par ce qui suit :
" La demande est introduite auprès du Gouvernement au plus tard neuf mois avant la date fixée à l'article 47 ".
" La demande est introduite auprès du Gouvernement au plus tard neuf mois avant la date fixée à l'article 47 ".
Art. 19. In artikel 54 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden " - en voor het eerst in 2015 - " worden opgeheven;
2° het artikel wordt aangevuld als volgt :
"In die oproep wordt de datum van de classificatie vastgelegd."
1° de woorden " - en voor het eerst in 2015 - " worden opgeheven;
2° het artikel wordt aangevuld als volgt :
"In die oproep wordt de datum van de classificatie vastgelegd."
Art. 19. A l'article 54 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° les mots " et pour la première fois en 2015 " sont abrogés;
2° l'article est complété par ce qui suit :
" La date du classement est mentionnée dans cet appel aux candidats. "
1° les mots " et pour la première fois en 2015 " sont abrogés;
2° l'article est complété par ce qui suit :
" La date du classement est mentionnée dans cet appel aux candidats. "
Art. 20. In artikel 55, § 1, van hetzelfde decreet worden de woorden "uiterlijk op 30 november van het jaar dat aan de classificatie voorafgaat," vervangen door de woorden "uiterlijk negen maanden vóór de overeenkomstig artikel 54 vastgelegde datum".
Art. 20. A l'article 55 du même décret, le § 1er est remplacé par ce qui suit :
" La demande est introduite auprès du Gouvernement au plus tard neuf mois avant la date fixée à l'article 54 ".
" La demande est introduite auprès du Gouvernement au plus tard neuf mois avant la date fixée à l'article 54 ".
Afdeling 2. - Jeugd
Section 2. - Jeunesse
Art. 21. In artikel 6 van het decreet van 6 december 2011 ter ondersteuning van het jeugdwerk worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de bepalingen van het huidige eerste tot derde lid worden paragraaf 1, eerste tot derde lid;
2° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende :
" § 2. In afwijking van paragraaf 1 kan de Regering ter ondersteuning van bijzondere projecten in het kader van de prioriteiten van het jeugdstrategieplan subsidie toekennen aan de volgende rechtspersonen :
1° instellingen van openbaar nut van de Duitstalige Gemeenschap;
2° gemeenten van het Duitse taalgebied;
3° verenigingen zonder winstoogmerk;
4° voor de jeugd bevoegde overheidsinstanties van buiten het Duitse taalgebied."
1° de bepalingen van het huidige eerste tot derde lid worden paragraaf 1, eerste tot derde lid;
2° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende :
" § 2. In afwijking van paragraaf 1 kan de Regering ter ondersteuning van bijzondere projecten in het kader van de prioriteiten van het jeugdstrategieplan subsidie toekennen aan de volgende rechtspersonen :
1° instellingen van openbaar nut van de Duitstalige Gemeenschap;
2° gemeenten van het Duitse taalgebied;
3° verenigingen zonder winstoogmerk;
4° voor de jeugd bevoegde overheidsinstanties van buiten het Duitse taalgebied."
Art. 21. A l'article 6 du décret du 6 décembre 2011 visant à soutenir l'animation de jeunesse, les modifications suivantes sont apportées :
1° les alinéas 1er à 3 actuels forment le § 1er, alinéas 1er à 3;
2° l'article est complété par un § 2 rédigé comme suit :
" § 2 - Par dérogation au § 1er, le Gouvernement peut, pour soutenir des projets spécifiques dans le cadre des axes prioritaires du plan stratégique pour la jeunesse, octroyer des subsides aux personnes morales suivantes :
1° des organismes d'intérêt public de la Communauté germanophone;
2° des communes de la région de langue allemande;
3° des associations sans but lucratif;
4° des autorités compétentes en matière d'aide à la jeunesse en dehors de la région de langue allemande. "
1° les alinéas 1er à 3 actuels forment le § 1er, alinéas 1er à 3;
2° l'article est complété par un § 2 rédigé comme suit :
" § 2 - Par dérogation au § 1er, le Gouvernement peut, pour soutenir des projets spécifiques dans le cadre des axes prioritaires du plan stratégique pour la jeunesse, octroyer des subsides aux personnes morales suivantes :
1° des organismes d'intérêt public de la Communauté germanophone;
2° des communes de la région de langue allemande;
3° des associations sans but lucratif;
4° des autorités compétentes en matière d'aide à la jeunesse en dehors de la région de langue allemande. "
Art. 22. Artikel 30, § 2, van hetzelfde decreet wordt aangevuld met een tweede lid, luidende :
"De leden van het begeleidingscomité worden telkens aangewezen voor de duur van het lopende beheerscontract tussen de Regering en het Jeugdbureau."
"De leden van het begeleidingscomité worden telkens aangewezen voor de duur van het lopende beheerscontract tussen de Regering en het Jeugdbureau."
Art. 22. L'article 30, § 2, du même décret est complété par un alinéa 2 rédigé comme suit :
" Le comité de suivi est institué à chaque fois pour la durée du contrat de gestion conclu entre le Gouvernement et le Bureau de la Jeunesse. "
" Le comité de suivi est institué à chaque fois pour la durée du contrat de gestion conclu entre le Gouvernement et le Bureau de la Jeunesse. "
Afdeling 3. - Sport
Section 3. - Sport
Art. 23. Artikel 24.1 van het sportdecreet van 19 april 2004, ingevoegd bij het decreet van 24 februari 2014 en gewijzigd bij het decreet van 2 maart 2015, wordt aangevuld met een tweede lid, luidende :
"De subsidie vermeld in het eerste lid kan alleen worden aangevraagd door sportverenigingen en sportfederaties."
"De subsidie vermeld in het eerste lid kan alleen worden aangevraagd door sportverenigingen en sportfederaties."
Art. 23. L'article 24.1 du décret du 19 avril 2004 sur le sport, inséré par le décret du 24 février 2014 et modifié par le décret du 2 mars 2015, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
" Seuls les clubs sportifs et les fédérations sportives peuvent demander le subside visé à l'alinéa 1er. "
" Seuls les clubs sportifs et les fédérations sportives peuvent demander le subside visé à l'alinéa 1er. "
Art. 24. In artikel 28 van hetzelfde decreet wordt het woord "sportclubs" vervangen door de woorden "sportverenigingen en sportfederaties".
Art. 24. A l'article 28 du même décret, les mots " et les fédérations sportives " sont insérés entre les mots " les clubs sportifs " et le mot " peuvent ".
Afdeling 4. - Media
Section 4. - Médias
Art. 25. In artikel 15, eerste lid, van het decreet van 27 juni 1986 betreffende het Belgisch Radio- en Televisiecentrum van de Duitstalige Gemeenschap, gewijzigd bij het decreet van 16 oktober 1995, worden de woorden "zijn voorzitter, of de directeur" vervangen door de woorden "zijn voorzitter, de directieraad en de directeur".
Art. 25. A l'article 15, alinéa 1er, du décret du 27 juin 1986 relatif au Centre belge pour la Radiodiffusion-Télévision de la Communauté germanophone, modifié par le décret du 16 octobre 1995, les mots " au conseil de direction " sont insérés entre les mots " son président, " et les mots " et au directeur ".
Art. 26. In het opschrift van hoofdstuk II, afdeling 2, van hetzelfde decreet worden de woorden "De Vaste Commissie" vervangen door de woorden "De directieraad".
Art. 26. Dans le chapitre II du même décret, l'intitulé de la section 2 est remplacé par ce qui suit :
" Le conseil de direction ".
" Le conseil de direction ".
Art. 27. De artikelen 17 tot 19 van hetzelfde decreet, opgeheven bij het decreet van 16 oktober 1995, worden hersteld als volgt :
"Art. 17. Het Centrum heeft een directieraad die uit minstens 3 en hoogstens 5 personen bestaat.
De Regering bepaalt de samenstelling en de werkwijze van de directieraad.
Art. 18. In het kader van de bevoegdheden die de Raad overeenkomstig artikel 15 overdraagt, neemt de directieraad alle beslissingen die noodzakelijk zijn voor de operationele leiding van het Centrum.
De taken vermeld in het eerste lid worden uitgeoefend onverminderd :
1° de bevoegdheden die de Raad overeenkomstig artikel 15 aan de directeur overdraagt;
2° de algemene leidinggevende bevoegdheid van de directeur bedoeld in artikel 27 en zijn verdere decretale taken;
3° de taken die de Regering aan de directieraad opdraagt op grond van artikel 102, § 1, eerste lid, van het decreet van 25 mei 2009 houdende het financieel reglement van de Duitstalige Gemeenschap.
Art. 19. De directieraad stelt een huishoudelijk reglement op en legt het ter goedkeuring voor aan de Regering.
In het huishoudelijk reglement worden in het bijzonder de volgende aspecten geregeld :
1° de bijeenroeping van de directieraad;
2° het vergaderritme;
3° het besluitvormingsproces in de directieraad;
4° het opstellen van de notulen;
5° de verdere informatieplichten."
"Art. 17. Het Centrum heeft een directieraad die uit minstens 3 en hoogstens 5 personen bestaat.
De Regering bepaalt de samenstelling en de werkwijze van de directieraad.
Art. 18. In het kader van de bevoegdheden die de Raad overeenkomstig artikel 15 overdraagt, neemt de directieraad alle beslissingen die noodzakelijk zijn voor de operationele leiding van het Centrum.
De taken vermeld in het eerste lid worden uitgeoefend onverminderd :
1° de bevoegdheden die de Raad overeenkomstig artikel 15 aan de directeur overdraagt;
2° de algemene leidinggevende bevoegdheid van de directeur bedoeld in artikel 27 en zijn verdere decretale taken;
3° de taken die de Regering aan de directieraad opdraagt op grond van artikel 102, § 1, eerste lid, van het decreet van 25 mei 2009 houdende het financieel reglement van de Duitstalige Gemeenschap.
Art. 19. De directieraad stelt een huishoudelijk reglement op en legt het ter goedkeuring voor aan de Regering.
In het huishoudelijk reglement worden in het bijzonder de volgende aspecten geregeld :
1° de bijeenroeping van de directieraad;
2° het vergaderritme;
3° het besluitvormingsproces in de directieraad;
4° het opstellen van de notulen;
5° de verdere informatieplichten."
Art. 27. Les articles 17 à 19 du même décret, abrogés par le décret du 16 octobre 1995, sont rétablis dans la rédaction suivante :
" Art. 17. Le Centre dispose d'un conseil de direction, composé de trois membres au moins et de cinq au plus.
Le Gouvernement fixe la composition et le mode de fonctionnement du conseil de direction.
Art. 18. Dans le cadre des compétences transmises par le Conseil conformément à l'article 15, le conseil de direction prend toutes les décisions nécessaires à la gestion opérationnelle du Centre.
L'exercice des missions mentionnées à l'alinéa 1er se fait sans préjudice :
1° des compétences transférées au directeur par le Conseil conformément à l'article 15;
2° des compétences générales de direction du directeur, mentionnées à l'article 27, ainsi que de ses autres missions décrétales;
3° des missions confiées au conseil de direction par le Gouvernement en vertu de l'article 102, § 1er, alinéa 1er, du décret du 25 mai 2009 relatif au règlement budgétaire de la Communauté germanophone.
Art. 19. Le conseil de direction se dote d'un règlement d'ordre intérieur qu'il soumet à l'approbation du Gouvernement.
Ce règlement d'ordre intérieur concerne notamment les aspects suivants :
1° la convocation du conseil de direction;
2° la fréquence des réunions;
3° le processus de prise de décision au sein du conseil de direction;
4° la rédaction des procès-verbaux;
5° les autres devoirs d'information. "
" Art. 17. Le Centre dispose d'un conseil de direction, composé de trois membres au moins et de cinq au plus.
Le Gouvernement fixe la composition et le mode de fonctionnement du conseil de direction.
Art. 18. Dans le cadre des compétences transmises par le Conseil conformément à l'article 15, le conseil de direction prend toutes les décisions nécessaires à la gestion opérationnelle du Centre.
L'exercice des missions mentionnées à l'alinéa 1er se fait sans préjudice :
1° des compétences transférées au directeur par le Conseil conformément à l'article 15;
2° des compétences générales de direction du directeur, mentionnées à l'article 27, ainsi que de ses autres missions décrétales;
3° des missions confiées au conseil de direction par le Gouvernement en vertu de l'article 102, § 1er, alinéa 1er, du décret du 25 mai 2009 relatif au règlement budgétaire de la Communauté germanophone.
Art. 19. Le conseil de direction se dote d'un règlement d'ordre intérieur qu'il soumet à l'approbation du Gouvernement.
Ce règlement d'ordre intérieur concerne notamment les aspects suivants :
1° la convocation du conseil de direction;
2° la fréquence des réunions;
3° le processus de prise de décision au sein du conseil de direction;
4° la rédaction des procès-verbaux;
5° les autres devoirs d'information. "
Art. 28. Artikel 27, § 1, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 16 oktober 1995 en gewijzigd bij het decreet van 16 juni 2008, wordt vervangen als volgt :
" § 1. De diensten van het Centrum worden, onverminderd de bevoegdheden die de Raad overeenkomstig artikel 15 aan de directieraad overdraagt, onder het toezicht van de Raad door een directeur geleid."
" § 1. De diensten van het Centrum worden, onverminderd de bevoegdheden die de Raad overeenkomstig artikel 15 aan de directieraad overdraagt, onder het toezicht van de Raad door een directeur geleid."
Art. 28. A l'article 27 du même décret, remplacé par le décret du 16 octobre 1995 et modifié par le décret du 16 juin 2008, le § 1er est complété par les mots " , sans préjudice des compétences transférées par le Conseil au conseil de direction conformément à l'article 15 ".
Art. 29. In artikel 91 van het decreet van 27 juni 2005 over de audiovisuele mediadiensten en de filmvoorstellingen, gewijzigd bij het decreet van 2 maart 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het tweede lid wordt de bepaling onder 4° vervangen door de volgende bepalingen onder 4° en 5°, luidende :
"4° personeelsleden en leden van de raad van beheer of van de leiding van het Belgisch Radio- en Televisiecentrum van de Duitstalige Gemeenschap, van een aanbieder van mediadiensten of van een onderneming die elektronische communicatienetwerken, -apparaten of -diensten aanbiedt;
5° personen die functies uitoefenen in of aandelen hebben in een vennootschap of in een ander orgaan dat in het Duitse taalgebied inhoudelijk en/of technisch werkzaam is in de sector van de klankdiensten of audiovisuele media of elektronische communicatienetwerken, -apparaten of -diensten aanbiedt."
2° het artikel wordt aangevuld met een derde lid, luidende :
"Indien bij een lid van de beslissingskamer een belangenconflict bestaat omtrent een aangelegenheid waarover de beslissingskamer een beslissing moet nemen, mag dat lid niet deelnemen aan de beraadslaging en besluitvorming binnen de beslissingskamer. Die procedure wordt vastgelegd in het huishoudelijk reglement van de beslissingskamer."
1° in het tweede lid wordt de bepaling onder 4° vervangen door de volgende bepalingen onder 4° en 5°, luidende :
"4° personeelsleden en leden van de raad van beheer of van de leiding van het Belgisch Radio- en Televisiecentrum van de Duitstalige Gemeenschap, van een aanbieder van mediadiensten of van een onderneming die elektronische communicatienetwerken, -apparaten of -diensten aanbiedt;
5° personen die functies uitoefenen in of aandelen hebben in een vennootschap of in een ander orgaan dat in het Duitse taalgebied inhoudelijk en/of technisch werkzaam is in de sector van de klankdiensten of audiovisuele media of elektronische communicatienetwerken, -apparaten of -diensten aanbiedt."
2° het artikel wordt aangevuld met een derde lid, luidende :
"Indien bij een lid van de beslissingskamer een belangenconflict bestaat omtrent een aangelegenheid waarover de beslissingskamer een beslissing moet nemen, mag dat lid niet deelnemen aan de beraadslaging en besluitvorming binnen de beslissingskamer. Die procedure wordt vastgelegd in het huishoudelijk reglement van de beslissingskamer."
Art. 29. A l'article 91 du décret du 27 juin 2005 sur les services de médias audiovisuels et les représentations cinématographiques, modifié par le décret du 2 mars 2015, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa 2, le 4° est remplacé par les 4° et 5° rédigés comme suit :
" 4° les membres du personnel et les membres du conseil d'administration ou de la direction du Centre belge pour la Radiodiffusion-Télévision de la Communauté germanophone, d'un fournisseur de services de médias ou d'une entreprise qui fournit des réseaux, appareils ou services de communications électroniques;
5° les personnes qui exercent des fonctions ou ont des parts dans une société ou toute autre organisation active en région de langue allemande quant au contenu ou à la technicité dans le domaine des médias sonores ou audiovisuels ou qui fournit des réseaux, appareils ou services de communications électroniques. ";
2° l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit :
" S'il existe, pour un membre de la chambre décisionnelle, un conflit d'intérêt concernant un objet soumis à la décision de cette chambre, le membre concerné ne peut prendre part ni aux délibérations, ni aux prises de décisions au sein de la chambre décisionnelle. Le règlement d'ordre intérieur fixe la procédure ad hoc.
1° à l'alinéa 2, le 4° est remplacé par les 4° et 5° rédigés comme suit :
" 4° les membres du personnel et les membres du conseil d'administration ou de la direction du Centre belge pour la Radiodiffusion-Télévision de la Communauté germanophone, d'un fournisseur de services de médias ou d'une entreprise qui fournit des réseaux, appareils ou services de communications électroniques;
5° les personnes qui exercent des fonctions ou ont des parts dans une société ou toute autre organisation active en région de langue allemande quant au contenu ou à la technicité dans le domaine des médias sonores ou audiovisuels ou qui fournit des réseaux, appareils ou services de communications électroniques. ";
2° l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit :
" S'il existe, pour un membre de la chambre décisionnelle, un conflit d'intérêt concernant un objet soumis à la décision de cette chambre, le membre concerné ne peut prendre part ni aux délibérations, ni aux prises de décisions au sein de la chambre décisionnelle. Le règlement d'ordre intérieur fixe la procédure ad hoc.
HOOFDSTUK 3. - Onderwijs
CHAPITRE 3. - Enseignement
Art. 30. In artikel 2.2, eerste lid, van het decreet van 31 maart 2014 betreffende het centrum voor de gezonde ontwikkeling van kinderen en jongeren worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden "Het centrum heeft vier lokale vestigingen; elke lokale vestiging wordt geleid door een persoon die 'hoofd van een lokale vestiging' is en ressorteert onder de directie" worden vervangen door de woorden "Het centrum heeft vier lokale vestigingen die geleid worden door personen die hoofd van een lokale vestiging zijn en die onder de directie ressorteren.";
2° het eerste lid wordt aangevuld met een zin, luidende :
"De raad van bestuur bepaalt het aantal hoofden van een lokale vestiging en wijst elk van hen één of meer lokale vestigingen toe. Er zijn hoogstens vier personen die 'hoofd van een lokale vestiging' zijn.
1° de woorden "Het centrum heeft vier lokale vestigingen; elke lokale vestiging wordt geleid door een persoon die 'hoofd van een lokale vestiging' is en ressorteert onder de directie" worden vervangen door de woorden "Het centrum heeft vier lokale vestigingen die geleid worden door personen die hoofd van een lokale vestiging zijn en die onder de directie ressorteren.";
2° het eerste lid wordt aangevuld met een zin, luidende :
"De raad van bestuur bepaalt het aantal hoofden van een lokale vestiging en wijst elk van hen één of meer lokale vestigingen toe. Er zijn hoogstens vier personen die 'hoofd van een lokale vestiging' zijn.
Art. 30. A l'article 2.2, alinéa 1er, du décret du 31 mars 2014 relatif au centre pour le développement sain des enfants et des jeunes, les modifications suivantes sont apportées :
1° les mots " , chacune étant dirigée par un chef d'antenne et subordonnée à la direction " sont remplacés par les mots " , dirigées par les chefs d'antenne subordonnés à la direction ";
2° l'alinéa est complété par la phrase suivante :
" Le conseil d'administration fixe le nombre d'antennes et attribue à chaque chef d'antenne une ou plusieurs antennes locales. Le nombre maximal de chefs d'antenne est de quatre. "
1° les mots " , chacune étant dirigée par un chef d'antenne et subordonnée à la direction " sont remplacés par les mots " , dirigées par les chefs d'antenne subordonnés à la direction ";
2° l'alinéa est complété par la phrase suivante :
" Le conseil d'administration fixe le nombre d'antennes et attribue à chaque chef d'antenne une ou plusieurs antennes locales. Le nombre maximal de chefs d'antenne est de quatre. "
Art. 31. In artikel 6.2, 2°, van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de bepaling onder a) wordt vervangen als volgt :
"a) coördinator Psychosociale Ontwikkeling;"
2° de bepaling onder b) wordt opgeheven.
1° de bepaling onder a) wordt vervangen als volgt :
"a) coördinator Psychosociale Ontwikkeling;"
2° de bepaling onder b) wordt opgeheven.
Art. 31. A l'article 6.2, 2°, du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° le a) est remplacé par ce qui suit :
" a) coordinateur pour le domaine "développement psychosocial" ";
2° le b) est abrogé.
1° le a) est remplacé par ce qui suit :
" a) coordinateur pour le domaine "développement psychosocial" ";
2° le b) est abrogé.
Art. 32. In artikel 6.3, § 2, van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de bepaling onder 1° wordt vervangen als volgt :
"1° coördinator Psychosociale Ontwikkeling : de bekwaamheidsbewijzen vermeld in § 1, 1°, d) tot g), en in § 1, 2°;"
2° de bepaling onder 2° wordt opgeheven.
1° de bepaling onder 1° wordt vervangen als volgt :
"1° coördinator Psychosociale Ontwikkeling : de bekwaamheidsbewijzen vermeld in § 1, 1°, d) tot g), en in § 1, 2°;"
2° de bepaling onder 2° wordt opgeheven.
Art. 32. A l'article 6.3, § 2, du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° le 1° est remplacé par ce qui suit :
" 1° coordinateur pour le développement psychosocial : les titres mentionnés au § 1er, 1°, d) à g), et § 1er, 2°; ";
2° le 2° est abrogé.
1° le 1° est remplacé par ce qui suit :
" 1° coordinateur pour le développement psychosocial : les titres mentionnés au § 1er, 1°, d) à g), et § 1er, 2°; ";
2° le 2° est abrogé.
Art. 33. In artikel 6.79 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de bepaling onder 2° wordt vervangen als volgt :
"2° het ambt van coördinator Psychosociale Ontwikkeling;"
2° de bepaling onder 3° wordt opgeheven.
1° de bepaling onder 2° wordt vervangen als volgt :
"2° het ambt van coördinator Psychosociale Ontwikkeling;"
2° de bepaling onder 3° wordt opgeheven.
Art. 33. A l'article 6.79 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° le 2° est remplacé par ce qui suit :
" 2° la fonction de coordinateur pour le domaine "développement psychosocial" ";
2° le 3° est abrogé.
1° le 2° est remplacé par ce qui suit :
" 2° la fonction de coordinateur pour le domaine "développement psychosocial" ";
2° le 3° est abrogé.
Art. 34. In artikel 6.80 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 20 juni 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de inleidende zin van het eerste lid worden de woorden ",1° tot 5°," opgeheven;
2° in de bepaling onder 2° van hetzelfde lid wordt een bepaling onder c) ingevoegd, luidende :
"c) voor het ambt van hoofd van een lokale vestiging : ten minste een diploma van het hoger onderwijs van de eerste graad bezit;"
3° het tweede lid wordt opgeheven;
4° het derde lid, ingevoegd bij het decreet van 20 juni 2016, wordt opgeheven.
1° in de inleidende zin van het eerste lid worden de woorden ",1° tot 5°," opgeheven;
2° in de bepaling onder 2° van hetzelfde lid wordt een bepaling onder c) ingevoegd, luidende :
"c) voor het ambt van hoofd van een lokale vestiging : ten minste een diploma van het hoger onderwijs van de eerste graad bezit;"
3° het tweede lid wordt opgeheven;
4° het derde lid, ingevoegd bij het decreet van 20 juni 2016, wordt opgeheven.
Art. 34. A l'article 6.80 du même décret, modifié par le décret du 20 juin 2016, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa 1er, dans la phrase introductive, les mots " 1° à 5° " sont abrogés;
2° le 2° du même alinéa est complété par un c) rédigé comme suit :
" c) pour la fonction de chef d'antenne : disposer au moins d'un diplôme de l'enseignement supérieur du premier degré; ";
3° l'alinéa 2 est abrogé;
4° l'alinéa 3, inséré par le décret du 20 juin 2016, est abrogé.
1° à l'alinéa 1er, dans la phrase introductive, les mots " 1° à 5° " sont abrogés;
2° le 2° du même alinéa est complété par un c) rédigé comme suit :
" c) pour la fonction de chef d'antenne : disposer au moins d'un diplôme de l'enseignement supérieur du premier degré; ";
3° l'alinéa 2 est abrogé;
4° l'alinéa 3, inséré par le décret du 20 juin 2016, est abrogé.
Art. 35. Artikel 6.81 van hetzelfde decreet wordt vervangen als volgt :
"Art. 6.81. Oproep tot de kandidaten en sollicitatie
De oproep tot de kandidaten voor de ambten vermeld in artikel 6.79 wordt door de raad van bestuur bekendgemaakt in de pers, door aanplakking in het centrum en in elke andere passende vorm.
De oproep bevat het profiel dat voor het te bekleden ambt vereist wordt.
De sollicitatie wordt ingediend per aangetekende brief of via e-mail met ontvangstbewijs of via afgifte met ontvangstbewijs. Bij de sollicitatiebrief voegt de kandidaat minstens een kopie van de vereiste diploma's, het in artikel 596, tweede lid, van het Strafwetboek bedoelde uittreksel uit het strafregister dat niet ouder is dan zes maanden, een curriculum vitae en een motiveringsbrief."
"Art. 6.81. Oproep tot de kandidaten en sollicitatie
De oproep tot de kandidaten voor de ambten vermeld in artikel 6.79 wordt door de raad van bestuur bekendgemaakt in de pers, door aanplakking in het centrum en in elke andere passende vorm.
De oproep bevat het profiel dat voor het te bekleden ambt vereist wordt.
De sollicitatie wordt ingediend per aangetekende brief of via e-mail met ontvangstbewijs of via afgifte met ontvangstbewijs. Bij de sollicitatiebrief voegt de kandidaat minstens een kopie van de vereiste diploma's, het in artikel 596, tweede lid, van het Strafwetboek bedoelde uittreksel uit het strafregister dat niet ouder is dan zes maanden, een curriculum vitae en een motiveringsbrief."
Art. 35. L'article 6.81 du même décret est remplacé par ce qui suit :
" Art. 6.81. Appel aux candidats et candidature
L'appel aux candidats pour les fonctions mentionnées à l'article 6.79 est publié par le conseil d'administration par voie de presse, par affichage dans le centre et sous toute autre forme appropriée.
L'appel aux candidats mentionne le profil requis pour la fonction à pourvoir.
La candidature doit être introduite par courrier recommandé ou électronique avec accusé de réception ou contre remise d'un accusé de réception. Le candidat y joint au moins une copie des diplômes requis, un extrait du casier judiciaire tel que visé à l'article 596, alinéa 2, du Code de procédure pénale et datant de moins de six mois, ainsi qu'un curriculum vitae et une lettre de motivation. "
" Art. 6.81. Appel aux candidats et candidature
L'appel aux candidats pour les fonctions mentionnées à l'article 6.79 est publié par le conseil d'administration par voie de presse, par affichage dans le centre et sous toute autre forme appropriée.
L'appel aux candidats mentionne le profil requis pour la fonction à pourvoir.
La candidature doit être introduite par courrier recommandé ou électronique avec accusé de réception ou contre remise d'un accusé de réception. Le candidat y joint au moins une copie des diplômes requis, un extrait du casier judiciaire tel que visé à l'article 596, alinéa 2, du Code de procédure pénale et datant de moins de six mois, ainsi qu'un curriculum vitae et une lettre de motivation. "
Art. 36. Artikel 6.82, tweede lid, van hetzelfde decreet wordt vervangen als volgt :
"Hij baseert zich onder meer op de motiveringsbrief en een sollicitatiegesprek."
"Hij baseert zich onder meer op de motiveringsbrief en een sollicitatiegesprek."
Art. 36. L'article 6.82, alinéa 2, du même décret, est remplacé par ce qui suit :
" Il se base entre autres sur la lettre de motivation et un entretien de candidature. "
" Il se base entre autres sur la lettre de motivation et un entretien de candidature. "
Art. 37. In artikel 7.2 van hetzelfde decreet wordt het woord "vier" vervangen door het woord "drie".
Art. 37. Dans l'article 7.2 du même décret, le mot " quatre " est remplacé par le mot " trois ".
Art. 38. In artikel 7.5, § 1, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 29 juni 2015, wordt het getal "36" vervangen door het getal "37".
Art. 38. Dans l'article 7.5, § 1er, du même décret, modifié par le décret du 29 juin 2015, le nombre " Trente-six " est remplacé par le nombre " Trente-sept ".
Art. 39. In titel 10 van hetzelfde decreet, laatstelijk gewijzigd bij het decreet van 20 juni 2016, wordt een artikel 10.9.1 ingevoegd, luidende :
"Art. 10.9.1. Vermindering van het aantal betrekkingen in het ambt van coördinator
De aanwijzingen van de personen die op de dag vóór de aanneming van het programmadecreet 2017 van 20 februari 2017 in het ambt van coördinator Psychologie en in het ambt van coördinator Sociale Wetenschappen aangewezen zijn, worden van ambtswege door de raad van bestuur beëindigd met inachtneming van een opzeggingstermijn van drie maanden en met toepassing van de opzeggingsmodaliteiten vermeld in artikel 6.83, § 2, vijfde lid."
"Art. 10.9.1. Vermindering van het aantal betrekkingen in het ambt van coördinator
De aanwijzingen van de personen die op de dag vóór de aanneming van het programmadecreet 2017 van 20 februari 2017 in het ambt van coördinator Psychologie en in het ambt van coördinator Sociale Wetenschappen aangewezen zijn, worden van ambtswege door de raad van bestuur beëindigd met inachtneming van een opzeggingstermijn van drie maanden en met toepassing van de opzeggingsmodaliteiten vermeld in artikel 6.83, § 2, vijfde lid."
Art. 39. Dans le titre 10 du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 20 juin 2016, il est inséré un article 10.9.1 rédigé comme suit :
" Art. 10.9.1. Diminution des emplois de coordinateurs
Le conseil d'administration met fin d'office aux désignations des personnes qui, le jour de l'adoption du décret-programme 2017 du 20 février 2017, sont désignées dans la fonction de coordinateur pour le domaine " psychologie " et dans la fonction de coordinateur pour le domaine " sciences sociales ", et ce, au moyen d'un préavis de trois mois et en application des modalités de résiliation mentionnées à l'article 6.83, § 2, alinéa 5. "
" Art. 10.9.1. Diminution des emplois de coordinateurs
Le conseil d'administration met fin d'office aux désignations des personnes qui, le jour de l'adoption du décret-programme 2017 du 20 février 2017, sont désignées dans la fonction de coordinateur pour le domaine " psychologie " et dans la fonction de coordinateur pour le domaine " sciences sociales ", et ce, au moyen d'un préavis de trois mois et en application des modalités de résiliation mentionnées à l'article 6.83, § 2, alinéa 5. "
Art. 40. In dezelfde titel wordt een artikel 10.9.2 ingevoegd, luidende :
"Art. 10.9.2. Herstructurering in de leiding van de lokale vestigingen
Indien de raad van bestuur gebruik maakt van de mogelijkheid vermeld in artikel 2.2, eerste lid, en het aantal betrekkingen in het ambt van 'hoofd van een lokale vestiging' wijzigt, worden de aanwijzingen van de hoofden van een lokale vestiging van de geherstructureerde vestigingen van ambtswege beëindigd met toepassing van de opzeggingstermijn en de opzeggingsmodaliteiten vermeld in artikel 6.83, § 2, vierde en vijfde lid."
"Art. 10.9.2. Herstructurering in de leiding van de lokale vestigingen
Indien de raad van bestuur gebruik maakt van de mogelijkheid vermeld in artikel 2.2, eerste lid, en het aantal betrekkingen in het ambt van 'hoofd van een lokale vestiging' wijzigt, worden de aanwijzingen van de hoofden van een lokale vestiging van de geherstructureerde vestigingen van ambtswege beëindigd met toepassing van de opzeggingstermijn en de opzeggingsmodaliteiten vermeld in artikel 6.83, § 2, vierde en vijfde lid."
Art. 40. Dans le même titre, il est inséré un article 10.9.2. rédigé comme suit :
" Art. 10.9.2. Restructuration de la direction des antennes
Si le conseil d'administration recourt à la possibilité mentionnée à l'article 2.2, alinéa 1er, et modifie le nombre de chefs d'antenne, il est mis fin d'office aux désignations des chefs d'antenne des antennes concernées par la restructuration, en application des délais et modalités de préavis mentionnés à l'article 6.83, § 2, alinéas 4 et 5. "
" Art. 10.9.2. Restructuration de la direction des antennes
Si le conseil d'administration recourt à la possibilité mentionnée à l'article 2.2, alinéa 1er, et modifie le nombre de chefs d'antenne, il est mis fin d'office aux désignations des chefs d'antenne des antennes concernées par la restructuration, en application des délais et modalités de préavis mentionnés à l'article 6.83, § 2, alinéas 4 et 5. "
HOOFDSTUK 4. - Werkgelegenheid
CHAPITRE 4. - Emploi
Art. 41. Artikel 339 van de programmawet (I) van 24 december 2002, vervangen bij de wet van 27 december 2012, wordt vervangen als volgt :
"Art. 339. De Regering kan een doelgroepvermindering toekennen voor werkgevers die werknemers in dienst nemen die :
1° behoren tot de categorie 1 vermeld in artikel 330;
2° minstens 54 jaar oud zijn op de laatste dag van het kwartaal waarvoor de vermindering aangevraagd wordt;
3° een refertekwartaalloon ontvangen dat lager is dan de door de Regering bepaalde loongrens.
De Regering kan het forfaitaire bedrag en de subsidiëringsperiode van de doelgroepvermindering vastleggen met inachtneming van de beschikbare begrotingsmiddelen, de loonontwikkeling en de leeftijd van de werknemer vermeld in het eerste lid.
De Regering kan aanvullende voorwaarden voor de toekenning van de doelgroepvermindering vastleggen."
"Art. 339. De Regering kan een doelgroepvermindering toekennen voor werkgevers die werknemers in dienst nemen die :
1° behoren tot de categorie 1 vermeld in artikel 330;
2° minstens 54 jaar oud zijn op de laatste dag van het kwartaal waarvoor de vermindering aangevraagd wordt;
3° een refertekwartaalloon ontvangen dat lager is dan de door de Regering bepaalde loongrens.
De Regering kan het forfaitaire bedrag en de subsidiëringsperiode van de doelgroepvermindering vastleggen met inachtneming van de beschikbare begrotingsmiddelen, de loonontwikkeling en de leeftijd van de werknemer vermeld in het eerste lid.
De Regering kan aanvullende voorwaarden voor de toekenning van de doelgroepvermindering vastleggen."
Art. 41. L'article 339 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, remplacé par la loi du 27 décembre 2012, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 339. Le Gouvernement peut octroyer une réduction pour groupe cible en faveur d'employeurs occupant des travailleurs qui :
1° appartiennent à la catégorie 1 mentionnée à l'article 330;
2° ont au moins 54 ans le dernier jour du trimestre pour lequel la réduction est demandée;
3° perçoivent un salaire trimestriel de référence inférieur au plafond salarial fixé par le Gouvernement.
Le Gouvernement peut fixer le montant forfaitaire et la période de subventionnement de la réduction pour groupe cible en tenant compte des crédits budgétaires disponibles, de l'évolution salariale et de l'âge du travailleur mentionné au premier alinéa.
Le Gouvernement peut fixer d'autres conditions mises à l'octroi d'une réduction pour groupe cible. "
" Art. 339. Le Gouvernement peut octroyer une réduction pour groupe cible en faveur d'employeurs occupant des travailleurs qui :
1° appartiennent à la catégorie 1 mentionnée à l'article 330;
2° ont au moins 54 ans le dernier jour du trimestre pour lequel la réduction est demandée;
3° perçoivent un salaire trimestriel de référence inférieur au plafond salarial fixé par le Gouvernement.
Le Gouvernement peut fixer le montant forfaitaire et la période de subventionnement de la réduction pour groupe cible en tenant compte des crédits budgétaires disponibles, de l'évolution salariale et de l'âge du travailleur mentionné au premier alinéa.
Le Gouvernement peut fixer d'autres conditions mises à l'octroi d'une réduction pour groupe cible. "
Art. 42. Artikel 353bis/9, eerste lid, 1°, van dezelfde programmawet, ingevoegd bij de wet van 24 april 2014, wordt opgeheven.
Art. 42. L'article 353bis/9, alinéa 1er, 1°, de la même loi-programme, inséré par la loi du 24 avril 2014, est abrogé.
Art. 43. Artikel 353bis/10 van dezelfde programmawet, ingevoegd bij de wet van 24 april 2014, wordt opgeheven.
Art. 43. L'article 353bis/10 de la même loi-programme, inséré par la loi du 24 avril 2014, est abrogé.
Art. 44. Artikel 12 van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I) betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 21 januari 2004, wordt opgeheven.
Art. 44. L'article 12 de l'arrêté royal du 16 mai 2003 pris en exécution du Chapitre 7 du Titre IV de la loi-programme du 24 décembre 2002 (I), visant à harmoniser et à simplifier les régimes de réductions de cotisations de sécurité sociale, modifié par l'arrêté royal du 21 janvier 2004, est abrogé.
HOOFDSTUK 5. - Toerisme
CHAPITRE 5. - Tourisme
Art. 45. Het opschrift van hoofdstuk IV van het decreet van 15 december 2008 betreffende de financiering van de gemeenten en van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn door de Duitstalige Gemeenschap wordt aangevuld met de woorden "en verenigingen voor vreemdelingenverkeer".
Art. 45. L'intitulé du chapitre IV du décret du 15 décembre 2008 portant financement des communes et des centres publics d'aide sociale par la Communauté germanophone est complété par les mots " et des syndicats d'initiative ".
Art. 46. In artikel 11 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 13 februari 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 2.1, luidende :
" § 2.1. De gemeenten ontvangen bovendien 7.000 euro voor de basissubsidiëring van de verenigingen voor vreemdelingenverkeer en soortgelijke verenigingen. Dat bedrag wordt als volgt onder de gemeenten verdeeld :
Amel : 1.400 euro
Büllingen : 750 euro
Burg-Reuland : 655 euro
Bütgenbach : 375 euro
Eupen : 280 euro
Kelmis : 280 euro
Lontzen : 1.300 euro
Raeren : 750 euro
Sankt Vith : 1.210 euro
Vanaf het begrotingsjaar 2018 worden deze bedragen jaarlijks aangepast aan het ontwikkelingspercentage."
2° in paragraaf 3 worden de woorden " §§ 1 en 2" vervangen door de woorden " §§ 1 tot 2.1".
1° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 2.1, luidende :
" § 2.1. De gemeenten ontvangen bovendien 7.000 euro voor de basissubsidiëring van de verenigingen voor vreemdelingenverkeer en soortgelijke verenigingen. Dat bedrag wordt als volgt onder de gemeenten verdeeld :
Amel : 1.400 euro
Büllingen : 750 euro
Burg-Reuland : 655 euro
Bütgenbach : 375 euro
Eupen : 280 euro
Kelmis : 280 euro
Lontzen : 1.300 euro
Raeren : 750 euro
Sankt Vith : 1.210 euro
Vanaf het begrotingsjaar 2018 worden deze bedragen jaarlijks aangepast aan het ontwikkelingspercentage."
2° in paragraaf 3 worden de woorden " §§ 1 en 2" vervangen door de woorden " §§ 1 tot 2.1".
Art. 46. A l'article 11 du même décret, modifié par le décret du 13 février 2012, les modifications suivantes sont apportées :
1° il est inséré un § 2.1 rédigé comme suit :
" § 2.1. Les communes reçoivent en outre 7 000 euros pour le financement de base des syndicats d'initiative et autres associations semblables. Ce montant est réparti comme suit entre les communes :
Amblève : 1 400 euros
Bullange : 750 euros
Burg-Reuland : 655 euros
Butgenbach : 375 euros
Eupen : 280 euros
La Calamine : 280 euros
Lontzen : 1 300 euros
Raeren : 750 euros
Saint-Vith : 1 210 euros
Ces montants seront adaptés au taux d'évolution chaque année à partir de l'année budgétaire 2018. ";
2° au § 3, les mots " §§ 1er et 2 " sont remplacés par les mots " §§ 1er à 2.1 ".
1° il est inséré un § 2.1 rédigé comme suit :
" § 2.1. Les communes reçoivent en outre 7 000 euros pour le financement de base des syndicats d'initiative et autres associations semblables. Ce montant est réparti comme suit entre les communes :
Amblève : 1 400 euros
Bullange : 750 euros
Burg-Reuland : 655 euros
Butgenbach : 375 euros
Eupen : 280 euros
La Calamine : 280 euros
Lontzen : 1 300 euros
Raeren : 750 euros
Saint-Vith : 1 210 euros
Ces montants seront adaptés au taux d'évolution chaque année à partir de l'année budgétaire 2018. ";
2° au § 3, les mots " §§ 1er et 2 " sont remplacés par les mots " §§ 1er à 2.1 ".
Art. 47. In artikel 12 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "en verenigingen voor het vreemdelingenverkeer" ingevoegd na het woord "bibliotheken";
2° in paragraaf 2, 6°, wordt de punt op het einde van de zin vervangen door een kommapunt;
3° paragraaf 2 wordt aangevuld met een bepaling onder 7°, luidende :
"7° het decreet van 17 februari 2003 betreffende de erkenning en bevordering van de verfraaiingscomités, verenigingen voor het vreemdelingenverkeer en van de koepelverenigingen ervan, alsmede van de informatiebureaus en informatiepunten, zoals van kracht op 31 december 2016."
1° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "en verenigingen voor het vreemdelingenverkeer" ingevoegd na het woord "bibliotheken";
2° in paragraaf 2, 6°, wordt de punt op het einde van de zin vervangen door een kommapunt;
3° paragraaf 2 wordt aangevuld met een bepaling onder 7°, luidende :
"7° het decreet van 17 februari 2003 betreffende de erkenning en bevordering van de verfraaiingscomités, verenigingen voor het vreemdelingenverkeer en van de koepelverenigingen ervan, alsmede van de informatiebureaus en informatiepunten, zoals van kracht op 31 december 2016."
Art. 47. A l'article 12 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le § 1er, l'alinéa 2 est complété par les mots " et des syndicats d'initiative ";
2° dans le § 2, 6°, le point en fin de phrase est remplacé par un point-virgule;
3° le § 2 est complété par un 7° rédigé comme suit :
" 7° le décret du 17 février 2003 relatif à la reconnaissance et à la promotion des comités d'embellissement, syndicats d'initiative et de leurs associations faîtières, ainsi que des bureaux d'information et points d'information dans sa version du 31 décembre 2016. "
1° dans le § 1er, l'alinéa 2 est complété par les mots " et des syndicats d'initiative ";
2° dans le § 2, 6°, le point en fin de phrase est remplacé par un point-virgule;
3° le § 2 est complété par un 7° rédigé comme suit :
" 7° le décret du 17 février 2003 relatif à la reconnaissance et à la promotion des comités d'embellissement, syndicats d'initiative et de leurs associations faîtières, ainsi que des bureaux d'information et points d'information dans sa version du 31 décembre 2016. "
HOOFDSTUK 6. - Infrastructuur
CHAPITRE 6. - Infrastructure
Art. 48. Artikel 5 van het decreet van 18 maart 2002 betreffende de infrastructuur, gewijzigd bij de decreten van 21 maart 2005 en 17 maart 2008, wordt aangevuld met een derde lid, luidende :
"Infrastructuurprojecten waarvoor de Regering overeenkomstig artikel 7, 1°, algemene maximumbedragen en maximumbedragen per meeteenheid vastgelegd heeft als basis voor de berekening van de infrastructuurtoelagen, komen niet in aanmerking voor subsidiëring op basis van dit decreet."
"Infrastructuurprojecten waarvoor de Regering overeenkomstig artikel 7, 1°, algemene maximumbedragen en maximumbedragen per meeteenheid vastgelegd heeft als basis voor de berekening van de infrastructuurtoelagen, komen niet in aanmerking voor subsidiëring op basis van dit decreet."
Art. 48. L'article 5 du décret du 18 mars 2002 relatif à l'infrastructure, modifié par les décrets des 21 mars 2005 et 17 mars 2008, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
" Les projets d'infrastructure pour lesquels le Gouvernement, conformément à l'article 7, 1°, a fixé des plafonds généraux ou par unité de mesure comme base de calcul pour le subventionnement ne sont par ailleurs pas pris en compte pour l'octroi d'un subside en vertu du présent décret. "
" Les projets d'infrastructure pour lesquels le Gouvernement, conformément à l'article 7, 1°, a fixé des plafonds généraux ou par unité de mesure comme base de calcul pour le subventionnement ne sont par ailleurs pas pris en compte pour l'octroi d'un subside en vertu du présent décret. "
Art. 49. Artikel 24, § 2, derde lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 25 juni 2007 en 2 maart 2015, wordt opgeheven.
Art. 49. Dans l'article 24, § 2, du même décret, modifié par les décrets des 25 juin 2007 et 2 mars 2015, l'alinéa 3 est abrogé.
Art. 50. In artikel 36, eerste lid, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 25 juni 2007, wordt het getal "39" vervangen door het getal "38bis".
Art. 50. Dans l'article 36, alinéa 1er, du même décret, remplacé par le décret du 25 juin 2007, le nombre " 39 " est remplacé par le nombre " 38bis ".
Art. 51. In artikel 37, eerste lid, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 25 juni 2007, wordt het getal "39" vervangen door het getal "38bis".
Art. 51. Dans l'article 37, alinéa 1er, du même décret, remplacé par le décret du 25 juin 2007, le nombre " 39 " est remplacé par le nombre " 38bis ".
Art. 52. In artikel 38, eerste lid, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 25 juni 2007, wordt het getal "39" vervangen door het getal "38bis".
Art. 52. Dans l'article 38, alinéa 1er, du même décret, remplacé par le décret du 25 juin 2007, le nombre " 39 " est remplacé par le nombre " 38bis ".
Art. 53. Artikel 39.1, derde lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 22 februari 2016, wordt vervangen als volgt :
"De aanvrager dient een aanvraag om subsidie in bij de Regering; de Regering zendt deze aanvraag, na verificatie van de subsidiëringsvoorwaarden vermeld in artikel 39, door aan de provincie. De provincie betaalt de subsidie rechtstreeks uit aan de aanvrager na voltooiing van de werkzaamheden, op basis van de bewijsstukken die de aanvrager bij de Regering heeft ingediend en die de Regering aan de provincie doorzendt."
"De aanvrager dient een aanvraag om subsidie in bij de Regering; de Regering zendt deze aanvraag, na verificatie van de subsidiëringsvoorwaarden vermeld in artikel 39, door aan de provincie. De provincie betaalt de subsidie rechtstreeks uit aan de aanvrager na voltooiing van de werkzaamheden, op basis van de bewijsstukken die de aanvrager bij de Regering heeft ingediend en die de Regering aan de provincie doorzendt."
Art. 53. L'article 39.1, alinéa 3, du même décret, inséré par le décret du 22 février 2016, est remplacé par ce qui suit :
" Le demandeur introduit une demande de subsides auprès du Gouvernement qui, après examen des conditions de subventionnement mentionnées à l'article 39, la transmet à la Province. Une fois les travaux réalisés, la Province liquide directement le subside au demandeur sur la base des justificatifs introduits auprès du Gouvernement, qui les a transmis à la Province. "
" Le demandeur introduit une demande de subsides auprès du Gouvernement qui, après examen des conditions de subventionnement mentionnées à l'article 39, la transmet à la Province. Une fois les travaux réalisés, la Province liquide directement le subside au demandeur sur la base des justificatifs introduits auprès du Gouvernement, qui les a transmis à la Province. "
HOOFDSTUK 7. - Financiën en begroting
CHAPITRE 7. - Finances et budget
Art. 54. In artikel 12, vijfde streepje, van het decreet van 21 januari 1991 houdende afschaffing en reorganisatie van Begrotingsfondsen worden de woorden "Fonds tot bescherming van het ongeboren leven" vervangen door de woorden "Fonds voor bijzondere hulp aan kinderen en jongeren".
Art. 54. Dans l'article 12, 5°, du décret du 21 janvier 1991 portant suppression et réorganisation des Fonds budgétaires, le 5° est remplacé par ce qui suit :
" le Fonds pour l'aide spécifique aux enfants et aux jeunes ".
" le Fonds pour l'aide spécifique aux enfants et aux jeunes ".
Art. 55. In artikel 1 van het decreet van 17 januari 1994 houdende inrichting van bijkomende begrotingsfondsen van de Duitstalige Gemeenschap, vervangen bij het decreet van 25 juni 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 worden de woorden "artikel 45 van de wet op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd door het koninklijk besluit van 17 juli 1991" vervangen door de woorden "artikel 56 van het decreet van 25 mei 2009 houdende het financieel reglement van de Duitstalige Gemeenschap";
2° paragraaf 2 wordt aangevuld met een bepaling onder 3.1, luidende :
"3.1 de leningen terugbetaald op grond van het koninklijk besluit van 23 maart 2012 tot oprichting van een Impulsfonds voor de huisartsengeneeskunde en tot vaststelling van de werkingsregels ervan;"
3° paragraaf 3 wordt aangevuld met een bepaling onder 1.1, luidende :
"1.1 de uitbetaling van de leningen toegekend op grond van het koninklijk besluit van 23 maart 2012 tot oprichting van een Impulsfonds voor de huisartsengeneeskunde en tot vaststelling van de werkingsregels ervan;"
1° in paragraaf 1 worden de woorden "artikel 45 van de wet op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd door het koninklijk besluit van 17 juli 1991" vervangen door de woorden "artikel 56 van het decreet van 25 mei 2009 houdende het financieel reglement van de Duitstalige Gemeenschap";
2° paragraaf 2 wordt aangevuld met een bepaling onder 3.1, luidende :
"3.1 de leningen terugbetaald op grond van het koninklijk besluit van 23 maart 2012 tot oprichting van een Impulsfonds voor de huisartsengeneeskunde en tot vaststelling van de werkingsregels ervan;"
3° paragraaf 3 wordt aangevuld met een bepaling onder 1.1, luidende :
"1.1 de uitbetaling van de leningen toegekend op grond van het koninklijk besluit van 23 maart 2012 tot oprichting van een Impulsfonds voor de huisartsengeneeskunde en tot vaststelling van de werkingsregels ervan;"
Art. 55. A l'article 1er du décret du 17 janvier 1994 portant création de fonds budgétaires supplémentaires de la Communauté germanophone, remplacé par le décret du 25 juin 2007, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le § 1er, les mots " l'article 45 de la législation sur la comptabilité de l'Etat, coordonnée par l'arrêté royal du 17 juillet 1991 " sont remplacés par les mots " l'article 56 du décret du 25 mai 2009 relatif au règlement budgétaire de la Communauté germanophone ";
2° dans le § 2, il est inséré un 3.1 rédigé comme suit :
" 3.1 les emprunts remboursés conformément à l'arrêté royal du 23 mars 2012 portant création d'un Fonds d'impulsion pour la médecine générale et fixant ses modalités de fonctionnement; ";
3° dans le § 3, il est inséré un 1.1 rédigé comme suit :
" 1.1 le paiement de prêts consentis conformément à l'arrêté royal du 23 mars 2012 portant création d'un Fonds d'impulsion pour la médecine générale et fixant ses modalités de fonctionnement; ".
1° dans le § 1er, les mots " l'article 45 de la législation sur la comptabilité de l'Etat, coordonnée par l'arrêté royal du 17 juillet 1991 " sont remplacés par les mots " l'article 56 du décret du 25 mai 2009 relatif au règlement budgétaire de la Communauté germanophone ";
2° dans le § 2, il est inséré un 3.1 rédigé comme suit :
" 3.1 les emprunts remboursés conformément à l'arrêté royal du 23 mars 2012 portant création d'un Fonds d'impulsion pour la médecine générale et fixant ses modalités de fonctionnement; ";
3° dans le § 3, il est inséré un 1.1 rédigé comme suit :
" 1.1 le paiement de prêts consentis conformément à l'arrêté royal du 23 mars 2012 portant création d'un Fonds d'impulsion pour la médecine générale et fixant ses modalités de fonctionnement; ".
HOOFDSTUK 8. - Diverse bepalingen
CHAPITRE 8. - Dispositions diverses
Afdeling 1. - Niet-commerciële sector
Section 1re. - Secteur non marchand
Art. 56. In artikel 65 van het programmadecreet 2013 van 25 februari 2013 worden de volgende wijzigingen aangebracht
1° paragraaf 1, eerste lid, wordt vervangen als volgt :
1° (geldt alleen voor de Duitse tekst);
2° de bepaling onder 2° wordt vervangen als volgt :
"2° in de jaren 2014-2016 537 euro per voltijds equivalente betrekking;"
3° er wordt een bepaling onder 3° ingevoegd, luidende :
"3° vanaf 2017 :
a) voor de ontwikkeling van de weddeschalen: 714,39 euro per voltijds equivalente betrekking;"
b) voor de erkenning van dienstjaren: 248,41 euro per voltijds equivalente betrekking;"
2° paragraaf 2, eerste lid, 3°, wordt vervangen als volgt:
"3° de instellingen voldoen aan de minimumvoorwaarden overeenkomstig de collectieve arbeidsovereenkomst van het paritair subcomité 329.02 van 18 februari 2013."
3° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 3, luidende :
" § 3 - De subsidie vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°, b), kan niet gevraagd worden voor werknemers voor wie de instellingen al een subsidie gekregen hebben op basis van een ander decreet van de Duitstalige Gemeenschap voor de erkenning van dienstjaren.
De subsidie vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°, b), en andere voordelen kunnen alleen in aanmerking komen voor de subsidiëring als ze in het kader van een overeenkomst tussen de sociale partners vastgelegd werden en de Regering vooraf met de subsidiëring van die voordelen ingestemd heeft."
1° paragraaf 1, eerste lid, wordt vervangen als volgt :
1° (geldt alleen voor de Duitse tekst);
2° de bepaling onder 2° wordt vervangen als volgt :
"2° in de jaren 2014-2016 537 euro per voltijds equivalente betrekking;"
3° er wordt een bepaling onder 3° ingevoegd, luidende :
"3° vanaf 2017 :
a) voor de ontwikkeling van de weddeschalen: 714,39 euro per voltijds equivalente betrekking;"
b) voor de erkenning van dienstjaren: 248,41 euro per voltijds equivalente betrekking;"
2° paragraaf 2, eerste lid, 3°, wordt vervangen als volgt:
"3° de instellingen voldoen aan de minimumvoorwaarden overeenkomstig de collectieve arbeidsovereenkomst van het paritair subcomité 329.02 van 18 februari 2013."
3° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 3, luidende :
" § 3 - De subsidie vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°, b), kan niet gevraagd worden voor werknemers voor wie de instellingen al een subsidie gekregen hebben op basis van een ander decreet van de Duitstalige Gemeenschap voor de erkenning van dienstjaren.
De subsidie vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°, b), en andere voordelen kunnen alleen in aanmerking komen voor de subsidiëring als ze in het kader van een overeenkomst tussen de sociale partners vastgelegd werden en de Regering vooraf met de subsidiëring van die voordelen ingestemd heeft."
Art. 56. Dans l'article 65 du décret-programme 2013 du 25 février 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les modifications suivantes sont apportées :
1° (concerne le texte allemand);
2° le 2° est remplacé par ce qui suit :
" 2° dans les années 2014-2016 : 537 euros par équivalent temps plein; "
3° l'alinéa 1er est complété par un 3° rédigé comme suit :
" 3° à partir de 2017 :
a) pour l'évolution des échelles de traitement : 714,39 euros par équivalent temps plein; "
b) pour la reconnaissance des années d'ancienneté : 248,41 euros par équivalent temps plein; ";
2° le § 2, alinéa 1er, 3°, est remplacé par ce qui suit :
" 3° les établissements remplissent les normes minimales conformément à la convention collective de travail de la sous-commission paritaire n° 329.02 du 18 février 2013. ";
3° l'article est complété par un § 3 rédigé comme suit :
" § 3 - Les travailleurs pour lesquels les établissements ont déjà reçu, pour la reconnaissance d'années d'ancienneté, un subside sur la base d'un autre décret de la Communauté germanophone ne peuvent être pris en considération pour le subside mentionné au § 1er, alinéa 1er, 3°, b).
Le subside mentionné au § 1er, alinéa 1er, 3°, b), et d'autres avantages ne peuvent être pris en considération pour la subsidiation que s'ils ont été fixés dans le cadre d'un accord conclu entre les partenaires sociaux et que si le Gouvernement a marqué son accord préalable quant à la subsidiation de ces avantages. "
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les modifications suivantes sont apportées :
1° (concerne le texte allemand);
2° le 2° est remplacé par ce qui suit :
" 2° dans les années 2014-2016 : 537 euros par équivalent temps plein; "
3° l'alinéa 1er est complété par un 3° rédigé comme suit :
" 3° à partir de 2017 :
a) pour l'évolution des échelles de traitement : 714,39 euros par équivalent temps plein; "
b) pour la reconnaissance des années d'ancienneté : 248,41 euros par équivalent temps plein; ";
2° le § 2, alinéa 1er, 3°, est remplacé par ce qui suit :
" 3° les établissements remplissent les normes minimales conformément à la convention collective de travail de la sous-commission paritaire n° 329.02 du 18 février 2013. ";
3° l'article est complété par un § 3 rédigé comme suit :
" § 3 - Les travailleurs pour lesquels les établissements ont déjà reçu, pour la reconnaissance d'années d'ancienneté, un subside sur la base d'un autre décret de la Communauté germanophone ne peuvent être pris en considération pour le subside mentionné au § 1er, alinéa 1er, 3°, b).
Le subside mentionné au § 1er, alinéa 1er, 3°, b), et d'autres avantages ne peuvent être pris en considération pour la subsidiation que s'ils ont été fixés dans le cadre d'un accord conclu entre les partenaires sociaux et que si le Gouvernement a marqué son accord préalable quant à la subsidiation de ces avantages. "
Afdeling 2. - Rechtsterminologie
Section 2. - Terminologie juridique
Art. 57. In het decreet van 19 januari 2009 houdende vaststelling van de regels van de Duitse rechtsterminologie wordt een artikel 7.1 ingevoegd, luidende :
"Art. 7.1. De Regering wordt ertoe gemachtigd de terminologie in de geldende decreets- en wetsbepalingen in overeenstemming te brengen met de rechtsterminologie die op grond van dit decreet bindend is."
"Art. 7.1. De Regering wordt ertoe gemachtigd de terminologie in de geldende decreets- en wetsbepalingen in overeenstemming te brengen met de rechtsterminologie die op grond van dit decreet bindend is."
Art. 57. Dans le décret du 19 janvier 2009 fixant les règles de la terminologie juridique pour la langue allemande, il est inséré un article 7.1 rédigé comme suit :
" Art. 7.1. Le Gouvernement est autorisé à mettre en concordance la terminologie des dispositions décrétales et légales en vigueur avec la terminologie juridique allemande contraignante en vertu du présent décret. "
" Art. 7.1. Le Gouvernement est autorisé à mettre en concordance la terminologie des dispositions décrétales et légales en vigueur avec la terminologie juridique allemande contraignante en vertu du présent décret. "
Afdeling 3. - Erediensten
Section 3. - Cultes
Art. 58. Artikel 29, § 1, eerste lid, 3°, van het decreet van 19 mei 2008 betreffende de materiële organisatie en de werking van de erkende erediensten wordt aangevuld met de woorden "en aan de goederen die overeenkomstig artikel 28, 1°, opbrengsten genereren".
Art. 58. L'article 29, § 1er, 3°, du décret du 19 mai 2008 relatif à l'organisation matérielle et au fonctionnement des cultes reconnus est complété par les mots " et aux biens qui, conformément à l'article 28, 1°, génèrent des produits ".
HOOFDSTUK 9. - Slotbepalingen
CHAPITRE 9. - Dispositions finales
Art. 59. Dit decreet treedt in werking de dag waarop het wordt bekendgemaakt, met uitzondering van :
1° artikel 29, dat uitwerking heeft met ingang van 11 juni 2015;
2° de artikelen 23, 24, 55 en 56, die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2017;
3° artikel 4, dat in werking treedt op 1 juli 2017;
4° de artikelen 41 tot 44, die in werking treden op 1 januari 2018;
5° artikel 1 en de artikelen 30 tot 40 en de artikelen 45 tot 47, die in werking treden op de dag waarop dit decreet wordt aangenomen;
6° artikel 14, dat in werking treedt op de dag van de laatste bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van de inhoudelijk identieke bepaling door de andere entiteiten bevoegd voor gezinsbijslagen.
1° artikel 29, dat uitwerking heeft met ingang van 11 juni 2015;
2° de artikelen 23, 24, 55 en 56, die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2017;
3° artikel 4, dat in werking treedt op 1 juli 2017;
4° de artikelen 41 tot 44, die in werking treden op 1 januari 2018;
5° artikel 1 en de artikelen 30 tot 40 en de artikelen 45 tot 47, die in werking treden op de dag waarop dit decreet wordt aangenomen;
6° artikel 14, dat in werking treedt op de dag van de laatste bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van de inhoudelijk identieke bepaling door de andere entiteiten bevoegd voor gezinsbijslagen.
Art. 59. Le présent décret entre en vigueur le jour de sa publication, à l'exception :
1° de l'article 29, qui produit ses effets le 11 juin 2015;
2° des articles 16, 23, 24, 55 et 56, qui produisent leurs effets le 1er janvier 2017;
3° de l'article 4, qui entre en vigueur le 1er juillet 2017;
4° des articles 41 à 44, qui entrent en vigueur le 1er janvier 2018;
5° des articles 1er, 30 à 40 et 45 à 47, qui entrent en vigueur le jour de l'adoption du présent décret;
6° de l'article 14, qui entre en vigueur le jour de la dernière publication au Moniteur belge de la disposition identique au niveau du contenu adoptée par les entités compétentes pour les prestations familiales.
1° de l'article 29, qui produit ses effets le 11 juin 2015;
2° des articles 16, 23, 24, 55 et 56, qui produisent leurs effets le 1er janvier 2017;
3° de l'article 4, qui entre en vigueur le 1er juillet 2017;
4° des articles 41 à 44, qui entrent en vigueur le 1er janvier 2018;
5° des articles 1er, 30 à 40 et 45 à 47, qui entrent en vigueur le jour de l'adoption du présent décret;
6° de l'article 14, qui entre en vigueur le jour de la dernière publication au Moniteur belge de la disposition identique au niveau du contenu adoptée par les entités compétentes pour les prestations familiales.