Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
21 DECEMBER 2017. - Wet tot wijziging van diverse bepalingen met het oog op de invoering van een beveiligingsperiode en tot wijziging van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis voor wat de onmiddellijke aanhouding betreft
Titre
21 DECEMBRE 2017. - Loi modifiant diverses dispositions en vue d'instaurer une période de (sûreté) et modifiant la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive en ce qui concerne l'arrestation immédiate (Erratum du 27-08-2018, p. 66342)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
Tekst (12)
Texte (12)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition générale
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
HOOFDSTUK 2. - Deinvoering van een beveiligingsperiode
CHAPITRE 2. - L'instauration d'une période de sûreté
Afdeling 1. - Wijzigingen van het Wetboek van strafvordering
Section 1re. - Modifications du Code d'instruction criminelle
Art. 2. In artikel 195 van het Wetboek van strafvordering, vervangen bij de wet van 27 april 1987 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 5 mei 2014, worden tussen het tweede en het derde lid drie leden ingevoegd, luidende:
"In voorkomend geval vermeldt het veroordelend vonnis of de veroordeelde zich bevindt in de bij artikel 25, § 2, d) of e), of artikel 26, § 2, d) of e), van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, bepaalde voorwaarden.
In geval van een veroordeling tot een vrijheidsstraf waarvan het uitvoerbaar gedeelte meer dan drie jaar bedraagt en minder dan dertig jaar, wegens feiten bedoeld in boek II, titels I, Ibis en Iter, in artikel 376, eerste lid, in artikel 394, indien gepleegd ten aanzien van één of meer politieambtenaren wegens hun hoedanigheid, in artikel 417ter, derde lid, 2°, of in artikel 428, § 5, van het Strafwetboek, kan het vonnis bepalen dat de voorwaardelijke invrijheidstelling of de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering pas kan worden toegekend nadat de veroordeelde twee derde van die straf heeft ondergaan.
In geval van een veroordeling tot een correctionele gevangenisstraf van dertig jaar of meer, kan het vonnis bepalen dat de voorwaardelijke invrijheidstelling of de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering pas kan worden toegekend nadat de veroordeelde meer dan vijftien jaar tot maximum vijfentwintig jaar van die straf heeft ondergaan.".
"In voorkomend geval vermeldt het veroordelend vonnis of de veroordeelde zich bevindt in de bij artikel 25, § 2, d) of e), of artikel 26, § 2, d) of e), van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, bepaalde voorwaarden.
In geval van een veroordeling tot een vrijheidsstraf waarvan het uitvoerbaar gedeelte meer dan drie jaar bedraagt en minder dan dertig jaar, wegens feiten bedoeld in boek II, titels I, Ibis en Iter, in artikel 376, eerste lid, in artikel 394, indien gepleegd ten aanzien van één of meer politieambtenaren wegens hun hoedanigheid, in artikel 417ter, derde lid, 2°, of in artikel 428, § 5, van het Strafwetboek, kan het vonnis bepalen dat de voorwaardelijke invrijheidstelling of de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering pas kan worden toegekend nadat de veroordeelde twee derde van die straf heeft ondergaan.
In geval van een veroordeling tot een correctionele gevangenisstraf van dertig jaar of meer, kan het vonnis bepalen dat de voorwaardelijke invrijheidstelling of de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering pas kan worden toegekend nadat de veroordeelde meer dan vijftien jaar tot maximum vijfentwintig jaar van die straf heeft ondergaan.".
Art. 2. Dans l'article 195 du Code d'instruction criminelle, remplacé par la loi du 27 avril 1987 et modifié en dernier lieu par la loi du 5 mai 2014, trois alinéas rédigés comme suit sont insérés entre les alinéas 2 et 3:
"Le cas échéant, le jugement de condamnation mentionne si la personne condamnée réunit les conditions déterminées à l'article 25, § 2, d) ou e), ou à l'article 26, § 2, d) ou e), de la loi du 17 mai 2006 relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre des modalités d'exécution de la peine.
En cas de condamnation à une peine privative de liberté dont la partie à exécuter s'élève à plus de trois ans et à moins de trente ans pour des faits visés dans le livre II, titres Ier, Ierbis et Ierter, dans l'article 376, alinéa 1er, dans l'article 394, s'ils ont été commis à l'égard d'un ou plusieurs fonctionnaires de police en raison de leur qualité, dans l'article 417ter, alinéa 3, 2°, ou dans l'article 428, § 5, du Code pénal, le jugement peut établir que la libération conditionnelle ou la mise en liberté provisoire en vue d'éloignement du territoire ou en vue de remise ne peut être accordée qu'après que la personne condamnée a subi deux tiers de cette peine.
En cas de condamnation à un emprisonnement correctionnel de trente ans ou plus, le jugement peut établir que la libération conditionnelle ou la mise en liberté provisoire en vue d'éloignement du territoire ou en vue de remise ne peut être accordée qu'après que la personne condamnée a subi plus de quinze ans et maximum vingt-cinq ans de cette peine.".
"Le cas échéant, le jugement de condamnation mentionne si la personne condamnée réunit les conditions déterminées à l'article 25, § 2, d) ou e), ou à l'article 26, § 2, d) ou e), de la loi du 17 mai 2006 relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre des modalités d'exécution de la peine.
En cas de condamnation à une peine privative de liberté dont la partie à exécuter s'élève à plus de trois ans et à moins de trente ans pour des faits visés dans le livre II, titres Ier, Ierbis et Ierter, dans l'article 376, alinéa 1er, dans l'article 394, s'ils ont été commis à l'égard d'un ou plusieurs fonctionnaires de police en raison de leur qualité, dans l'article 417ter, alinéa 3, 2°, ou dans l'article 428, § 5, du Code pénal, le jugement peut établir que la libération conditionnelle ou la mise en liberté provisoire en vue d'éloignement du territoire ou en vue de remise ne peut être accordée qu'après que la personne condamnée a subi deux tiers de cette peine.
En cas de condamnation à un emprisonnement correctionnel de trente ans ou plus, le jugement peut établir que la libération conditionnelle ou la mise en liberté provisoire en vue d'éloignement du territoire ou en vue de remise ne peut être accordée qu'après que la personne condamnée a subi plus de quinze ans et maximum vingt-cinq ans de cette peine.".
Art. 3. Artikel 344 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 21 december 2009 en gewijzigd bij de wet van 17 maart 2013, wordt aangevuld met twee leden, luidende:
"In geval van een veroordeling tot een vrijheidsstraf waarvan het uitvoerbaar gedeelte meer dan drie jaar bedraagt en minder dan dertig jaar, wegens feiten bedoeld in boek II, titels I, Ibis en Iter, in artikel 376, eerste lid, in artikel 394, indien gepleegd ten aanzien van één of meer politieambtenaren wegens hun hoedanigheid, in artikel 417ter, derde lid, 2°, of in artikel 428, § 5, van het Strafwetboek, kan het arrest bepalen dat de voorwaardelijke invrijheidstelling of de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering pas kan worden toegekend nadat de veroordeelde twee derde van die straf heeft ondergaan.
In geval van een veroordeling tot een correctionele gevangenisstraf van dertig jaar of meer, een opsluiting of hechtenis van dertig jaar of meer of tot een levenslange opsluiting of hechtenis, kan het arrest bepalen dat de voorwaardelijke invrijheidstelling of de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering pas kan worden toegekend nadat de veroordeelde meer dan vijftien jaar tot maximaal vijfentwintig jaar van die straf heeft ondergaan.".
"In geval van een veroordeling tot een vrijheidsstraf waarvan het uitvoerbaar gedeelte meer dan drie jaar bedraagt en minder dan dertig jaar, wegens feiten bedoeld in boek II, titels I, Ibis en Iter, in artikel 376, eerste lid, in artikel 394, indien gepleegd ten aanzien van één of meer politieambtenaren wegens hun hoedanigheid, in artikel 417ter, derde lid, 2°, of in artikel 428, § 5, van het Strafwetboek, kan het arrest bepalen dat de voorwaardelijke invrijheidstelling of de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering pas kan worden toegekend nadat de veroordeelde twee derde van die straf heeft ondergaan.
In geval van een veroordeling tot een correctionele gevangenisstraf van dertig jaar of meer, een opsluiting of hechtenis van dertig jaar of meer of tot een levenslange opsluiting of hechtenis, kan het arrest bepalen dat de voorwaardelijke invrijheidstelling of de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering pas kan worden toegekend nadat de veroordeelde meer dan vijftien jaar tot maximaal vijfentwintig jaar van die straf heeft ondergaan.".
Art. 3. L'article 344 du même Code, remplacé par la loi du 21 décembre 2009 et modifié par la loi du 17 mars 2013, est complété par deux alinéas rédigés comme suit:
"En cas de condamnation à une peine privative de liberté dont la partie à exécuter s'élève à plus de trois ans et à moins de trente ans, pour des faits visés dans le livre II, titres Ier, Ierbis et Ierter, dans l'article 376, alinéa 1er, dans l'article 394, s'ils ont été commis à l'égard d'un ou plusieurs fonctionnaires de police en raison de leur qualité, dans l'article 417ter, alinéa 3, 2°, ou dans l'article 428, § 5, du Code pénal, l'arrêt peut établir que la libération conditionnelle ou la mise en liberté provisoire en vue d'éloignement du territoire ou en vue de remise ne peut être accordée qu'après que la personne condamnée a subi deux tiers de cette peine.
En cas de condamnation à un emprisonnement correctionnel de trente ans ou plus, une réclusion ou détention de trente ans ou plus ou à une réclusion ou détention à perpétuité, l'arrêt peut établir que la libération conditionnelle ou la mise en liberté provisoire en vue d'éloignement du territoire ou en vue de remise ne peut être accordée qu'après que la personne condamnée a subi plus de quinze ans et maximum vingt-cinq ans de cette peine.".
"En cas de condamnation à une peine privative de liberté dont la partie à exécuter s'élève à plus de trois ans et à moins de trente ans, pour des faits visés dans le livre II, titres Ier, Ierbis et Ierter, dans l'article 376, alinéa 1er, dans l'article 394, s'ils ont été commis à l'égard d'un ou plusieurs fonctionnaires de police en raison de leur qualité, dans l'article 417ter, alinéa 3, 2°, ou dans l'article 428, § 5, du Code pénal, l'arrêt peut établir que la libération conditionnelle ou la mise en liberté provisoire en vue d'éloignement du territoire ou en vue de remise ne peut être accordée qu'après que la personne condamnée a subi deux tiers de cette peine.
En cas de condamnation à un emprisonnement correctionnel de trente ans ou plus, une réclusion ou détention de trente ans ou plus ou à une réclusion ou détention à perpétuité, l'arrêt peut établir que la libération conditionnelle ou la mise en liberté provisoire en vue d'éloignement du territoire ou en vue de remise ne peut être accordée qu'après que la personne condamnée a subi plus de quinze ans et maximum vingt-cinq ans de cette peine.".
Afdeling 2. - Wijzigingen van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten
Section 2. - Modifications de la loi du 17 mai 2006 relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre des modalités d'exécution de la peine
Art. 4. In artikel 25, § 2, van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, gewijzigd bij de wetten van 17 maart 2013, 10 april 2014, 1 februari 2016 en 5 februari 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de bepaling onder a) wordt aangevuld met de woorden ", onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 195, vierde lid, of 344, vierde lid, van het Wetboek van strafvordering";
2° de bepaling onder b) wordt aangevuld met de woorden ", onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 195, vierde lid, of 344, vierde lid, van het Wetboek van strafvordering";
3° de bepaling onder c) wordt aangevuld met de woorden ", onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 195, vijfde lid, of 344, vijfde lid, van het Wetboek van strafvordering";
4° in de bepaling onder d) worden in de inleidende zin de woorden "vonnis of" ingevoegd tussen de woorden "motivering van het" en het woord "arrest";
5° de bepaling onder d) wordt aangevuld met de woorden ", onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 195, vijfde lid of 344, vijfde lid, van het Wetboek van strafvordering";
6° in de bepaling onder e) worden de woorden "vonnis of" ingevoegd tussen de woorden "motivering van het" en het woord "arrest";
7° de bepaling onder e) wordt aangevuld met de woorden ", onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 195, vijfde lid, of 344, vijfde lid, van het Wetboek van strafvordering".
1° de bepaling onder a) wordt aangevuld met de woorden ", onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 195, vierde lid, of 344, vierde lid, van het Wetboek van strafvordering";
2° de bepaling onder b) wordt aangevuld met de woorden ", onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 195, vierde lid, of 344, vierde lid, van het Wetboek van strafvordering";
3° de bepaling onder c) wordt aangevuld met de woorden ", onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 195, vijfde lid, of 344, vijfde lid, van het Wetboek van strafvordering";
4° in de bepaling onder d) worden in de inleidende zin de woorden "vonnis of" ingevoegd tussen de woorden "motivering van het" en het woord "arrest";
5° de bepaling onder d) wordt aangevuld met de woorden ", onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 195, vijfde lid of 344, vijfde lid, van het Wetboek van strafvordering";
6° in de bepaling onder e) worden de woorden "vonnis of" ingevoegd tussen de woorden "motivering van het" en het woord "arrest";
7° de bepaling onder e) wordt aangevuld met de woorden ", onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 195, vijfde lid, of 344, vijfde lid, van het Wetboek van strafvordering".
Art. 4. A l'article 25, § 2, de la loi du 17 mai 2006 relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre des modalités d'exécution de la peine, modifié par les lois des 17 mars 2013, 10 avril 2014, 1er février 2016 et 5 février 2016, les modifications suivantes sont apportées:
1° le a) est complété par les mots ", sous réserve de l'application des articles 195, alinéa 4, ou 344, alinéa 4, du Code d'instruction criminelle";
2° le b) est complété par les mots ", sous réserve de l'application des articles 195, alinéa 4, ou 344, alinéa 4, du Code d'instruction criminelle";
3° le c) est complété par les mots ", sous réserve de l'application des articles 195, alinéa 5, ou 344, alinéa 5, du Code d'instruction criminelle";
4° dans la phrase introductive du d), les mots "du jugement ou" sont insérés entre le mot "motivation" et les mots "de l'arrêt";
5° le d) est complété par les mots ", sous réserve de l'application des articles 195, alinéa 5, ou 344, alinéa 5, du Code d'instruction criminelle";
6° dans le e), les mots "du jugement ou" sont insérés entre le mot "motivation" et les mots "de l'arrêt";
7° le e) est complété par les mots ", sous réserve de l'application des articles 195, alinéa 5, ou 344, alinéa 5, du Code d'instruction criminelle".
1° le a) est complété par les mots ", sous réserve de l'application des articles 195, alinéa 4, ou 344, alinéa 4, du Code d'instruction criminelle";
2° le b) est complété par les mots ", sous réserve de l'application des articles 195, alinéa 4, ou 344, alinéa 4, du Code d'instruction criminelle";
3° le c) est complété par les mots ", sous réserve de l'application des articles 195, alinéa 5, ou 344, alinéa 5, du Code d'instruction criminelle";
4° dans la phrase introductive du d), les mots "du jugement ou" sont insérés entre le mot "motivation" et les mots "de l'arrêt";
5° le d) est complété par les mots ", sous réserve de l'application des articles 195, alinéa 5, ou 344, alinéa 5, du Code d'instruction criminelle";
6° dans le e), les mots "du jugement ou" sont insérés entre le mot "motivation" et les mots "de l'arrêt";
7° le e) est complété par les mots ", sous réserve de l'application des articles 195, alinéa 5, ou 344, alinéa 5, du Code d'instruction criminelle".
Art. 5. In artikel 26, § 2, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 17 maart 2013, 10 april 2014, 1 februari 2016 en 5 februari 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de bepaling onder a) wordt aangevuld met de woorden ", onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 195, vierde lid, of 344, vierde lid, van het Wetboek van strafvordering";
2° de bepaling onder b) wordt aangevuld met de woorden ", onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 195, vierde lid, of 344, vierde lid, van het Wetboek van strafvordering";
3° de bepaling onder c) wordt aangevuld met de woorden ", onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 195, vijfde lid, of 344, vijfde lid, van het Wetboek van strafvordering";
4° in de bepaling onder d) worden in de inleidende zin de woorden "vonnis of" ingevoegd tussen de woorden "motivering van het" en het woord "arrest";
5° de bepaling onder d) wordt aangevuld met de woorden ", onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 195, vijfde lid, of 344, vijfde lid, van het Wetboek van strafvordering";
6° in de bepaling onder e) worden de woorden "vonnis of" ingevoegd tussen de woorden "motivering van het" en het woord "arrest";
7° de bepaling onder e) wordt aangevuld met de woorden ", onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 195, vijfde lid, of artikel 344, vijfde lid, van het Wetboek van strafvordering".
1° de bepaling onder a) wordt aangevuld met de woorden ", onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 195, vierde lid, of 344, vierde lid, van het Wetboek van strafvordering";
2° de bepaling onder b) wordt aangevuld met de woorden ", onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 195, vierde lid, of 344, vierde lid, van het Wetboek van strafvordering";
3° de bepaling onder c) wordt aangevuld met de woorden ", onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 195, vijfde lid, of 344, vijfde lid, van het Wetboek van strafvordering";
4° in de bepaling onder d) worden in de inleidende zin de woorden "vonnis of" ingevoegd tussen de woorden "motivering van het" en het woord "arrest";
5° de bepaling onder d) wordt aangevuld met de woorden ", onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 195, vijfde lid, of 344, vijfde lid, van het Wetboek van strafvordering";
6° in de bepaling onder e) worden de woorden "vonnis of" ingevoegd tussen de woorden "motivering van het" en het woord "arrest";
7° de bepaling onder e) wordt aangevuld met de woorden ", onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 195, vijfde lid, of artikel 344, vijfde lid, van het Wetboek van strafvordering".
Art. 5. A l'article 26, § 2, de la même loi, modifié par les lois des 17 mars 2013, 10 avril 2014, 1er février 2016 et 5 février 2016, les modifications suivantes sont apportées:
1° le a) est complété par les mots ", sous réserve de l'application des articles 195, alinéa 4, ou 344, alinéa 4, du Code d'instruction criminelle";
2° le b) est complété par les mots ", sous réserve de l'application des articles 195, alinéa 4, ou 344, alinéa 4, du Code d'instruction criminelle";
3° le c) est complété par les mots ", sous réserve de l'application des articles 195, alinéa 5, ou 344, alinéa 5, du Code d'instruction criminelle";
4° dans la phrase introductive du d), les mots "du jugement ou" sont insérés entre le mot "motivation" et les mots "de l'arrêt";
5° le d) est complété par les mots ", sous réserve de l'application des articles 195, alinéa 5, ou 344, alinéa 5, du Code d'instruction criminelle";
6° dans le e), les mots "du jugement ou" sont insérés entre le mot "motivation" et les mots "de l'arrêt";
7° le e) est complété par les mots ", sous réserve de l'application des articles 195, alinéa 5, ou 344, alinéa 5, du Code d'instruction criminelle".
1° le a) est complété par les mots ", sous réserve de l'application des articles 195, alinéa 4, ou 344, alinéa 4, du Code d'instruction criminelle";
2° le b) est complété par les mots ", sous réserve de l'application des articles 195, alinéa 4, ou 344, alinéa 4, du Code d'instruction criminelle";
3° le c) est complété par les mots ", sous réserve de l'application des articles 195, alinéa 5, ou 344, alinéa 5, du Code d'instruction criminelle";
4° dans la phrase introductive du d), les mots "du jugement ou" sont insérés entre le mot "motivation" et les mots "de l'arrêt";
5° le d) est complété par les mots ", sous réserve de l'application des articles 195, alinéa 5, ou 344, alinéa 5, du Code d'instruction criminelle";
6° dans le e), les mots "du jugement ou" sont insérés entre le mot "motivation" et les mots "de l'arrêt";
7° le e) est complété par les mots ", sous réserve de l'application des articles 195, alinéa 5, ou 344, alinéa 5, du Code d'instruction criminelle".
Art. 6. In artikel 54, § 2, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 17 maart 2013, worden de woorden "vrijheidsstraf van dertig jaar of tot een levenslange vrijheidsstraf" vervangen door de woorden "correctionele gevangenisstraf van dertig jaar of meer, tot een opsluiting of hechtenis van dertig jaar of meer of tot een levenslange opsluiting of hechtenis".
Art. 6. Dans l'article 54, § 2, de la même loi, inséré par la loi du 17 mars 2013, les mots "privative de liberté de trente ans ou à une peine privative de liberté à perpétuité" sont remplacés par les mots "d'emprisonnement correctionnel de trente ans ou plus, à une réclusion ou détention de trente ans ou plus ou à une réclusion ou détention à perpétuité".
HOOFDSTUK 3. - Wijziging van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis voor wat betreft de onmiddellijke aanhouding
CHAPITRE 3. - Modification de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive concernant l'arrestation immédiate
Art. 7. In artikel 33, § 2, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, gewijzigd bij de wet van 5 februari 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden "tot een hoofdgevangenisstraf van een jaar of tot een zwaardere straf, zonder uitstel, veroordelen," vervangen door de woorden "veroordelen tot een hoofdgevangenisstraf van drie jaar of tot een zwaardere straf, zonder uitstel, en voor veroordelingen wegens feiten bedoeld in titel Iter van boek II en in de artikelen 371/1 tot 387 van het Strafwetboek, tot een hoofdgevangenisstraf van een jaar of een zwaardere straf, zonder uitstel,";
2° in het tweede lid worden de woorden "tot minder dan een jaar" vervangen door de woorden "tot minder dan drie jaar en voor veroordelingen wegens feiten bedoeld in titel Iter van boek II en in de artikelen 371/1 tot 387 van het Strafwetboek, tot minder dan een jaar".
1° in het eerste lid worden de woorden "tot een hoofdgevangenisstraf van een jaar of tot een zwaardere straf, zonder uitstel, veroordelen," vervangen door de woorden "veroordelen tot een hoofdgevangenisstraf van drie jaar of tot een zwaardere straf, zonder uitstel, en voor veroordelingen wegens feiten bedoeld in titel Iter van boek II en in de artikelen 371/1 tot 387 van het Strafwetboek, tot een hoofdgevangenisstraf van een jaar of een zwaardere straf, zonder uitstel,";
2° in het tweede lid worden de woorden "tot minder dan een jaar" vervangen door de woorden "tot minder dan drie jaar en voor veroordelingen wegens feiten bedoeld in titel Iter van boek II en in de artikelen 371/1 tot 387 van het Strafwetboek, tot minder dan een jaar".
Art. 7. A l'article 33, § 2, de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive, modifié par la loi du 5 février 2016, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans l'alinéa 1er, les mots "d'un an ou à une peine plus grave, sans sursis," sont remplacés par les mots "de trois ans ou à une peine plus grave, sans sursis, et pour des condamnations pour des faits visés dans le titre Ierter du livre II et dans les articles 371/1 à 387 du Code pénal, à un emprisonnement principal d'un an ou à une peine plus grave, sans sursis,";
2° dans l'alinéa 2, les mots "à moins d'un an" sont remplacés par les mots "à moins de trois ans et pour des condamnations pour des faits visés dans le titre Ierter du livre II et dans les articles 371/1 à 387 du Code pénal, à moins d'un an".
1° dans l'alinéa 1er, les mots "d'un an ou à une peine plus grave, sans sursis," sont remplacés par les mots "de trois ans ou à une peine plus grave, sans sursis, et pour des condamnations pour des faits visés dans le titre Ierter du livre II et dans les articles 371/1 à 387 du Code pénal, à un emprisonnement principal d'un an ou à une peine plus grave, sans sursis,";
2° dans l'alinéa 2, les mots "à moins d'un an" sont remplacés par les mots "à moins de trois ans et pour des condamnations pour des faits visés dans le titre Ierter du livre II et dans les articles 371/1 à 387 du Code pénal, à moins d'un an".