Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder :
1° beroepskwalificatie : een kwalificatie die wordt gestaafd door een opleidingstitel, een bekwaamheidsattest als vermeld in punt 1.1 van bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd, of beroepservaring;
2° beroepservaring : de daadwerkelijke en geoorloofde voltijdse of gelijkwaardige deeltijdse uitoefening van het betrokken beroep in een lidstaat;
3° lidstaat : een lidstaat van de Europese Unie;
4° opleidingstitel : een diploma, een certificaat of een andere titel die door een volgens de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van een lidstaat aangewezen autoriteit, is afgegeven ter afsluiting van een overwegend in de Gemeenschap gevolgde beroepsopleiding. Als dat niet van toepassing is, wordt de volgende opleidingstitel met een opleidingstitel gelijkgesteld : elke in een derde land afgegeven opleidingstitel, wanneer de houder ervan in het betrokken beroep een beroepservaring van drie jaar heeft op het grondgebied van de lidstaat die de betrokken opleidingstitel heeft erkend en indien die lidstaat deze beroepservaring bevestigt.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
25 NOVEMBER 2016. - Ministerieel besluit tot uitvoering van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 18-01-2017 en tekstbijwerking tot 14-08-2025)
Titre
25 NOVEMBRE 2016. - Arrêté ministériel portant exécution de l'Arrêté d'autorisation du 22 novembre 2013(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 18-01-2017 et mise à jour au 14-08-2025)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
HOOFDSTUK 1. - Definities
HOOFDSTUK 2. - Beroepskwalificatie
Afdeling 1. - Bekwaamheidsattest
Onderafdeling 1. - Attest kennismaken met de ge...
Onderafdeling 2. - [1 Traject gezinsopvang]1
Onderafdeling 3. - Attest kennis van levensredd...
Onderafdeling 4. - Attest kennis organisatorisc...
Onderafdeling 5. - Attest kennis Nederlands
Afdeling 2. - Opleidingstitel
Afdeling 3.
Onderafdeling 1.
Onderafdeling 2.
Onderafdeling 3.
HOOFDSTUK 4. - Voorwaarden voor een veilig bed
HOOFDSTUK 5. - Modellen voor brandveiligheid, s...
HOOFDSTUK 5/1. [1 Norm voor pedagogische kwal...
HOOFDSTUK 6. - Slotbepaling
BIJLAGE.
Table des matières
CHAPITRE 1er. -Définitions
CHAPITRE 2. - Qualification professionnelle
Section 1re. - Attestation de compétence
Sous-section 1re. - Attestation `kennismaken me...
Sous-section 2. - Attestation `werken in de kin...
Sous-section 3. - Attestation `kennis van leven...
Sous-section 4. - Attestation `kennis organisat...
Sous-section 5. - Attestation `kennis Nederland...
Section 2. - Titre de formation
Section 3.
Sous-section 1re.
Sous-section 2.
Sous-section 3.
CHAPITRE 4. - Critères auxquels doit répondre u...
CHAPITRE 5. - Modèles d'attestations de sécurit...
CHAPITRE 5/1. [1 Norme de qualité pédagogique1.]1
CHAPITRE 6. - Disposition finale
ANNEXE.
Tekst (41)
Texte (41)
HOOFDSTUK 1. - Definities
CHAPITRE 1er. -Définitions
Article 1er. Dans le présent arrêté, on entend par :
1° qualification professionnelle : une qualification attestée par un titre de formation, une attestation de compétence, telle que visée au point 1.1 de l'annexe 1re, jointe au présent arrêté, ou une expérience professionnelle;
2° expérience professionnelle : l'exercice à temps plein ou l'exercice à temps partiel effectifs et licites de la profession concernée dans un Etat membre;
3° état-membre : un état-membre de l'Union européenne;
4° titre de formation : un diplôme, un certificat ou un autre titre délivré par une autorité d'un Etat membre désignée en vertu des dispositions législatives, réglementaires ou administratives de cet Etat membre et sanctionnant une formation professionnelle suivie dans la Communauté principalement. Lorsque la première phrase n'est pas d'application, le titre de formation suivant est assimilé à un titre de formation : tout titre de formation délivré dans un pays tiers si son titulaire a, dans la profession concernée, une expérience professionnelle de trois ans sur le territoire de l'Etat membre qui a reconnu ledit titre et si cet état-membre certifie cette expérience professionnelle.
1° qualification professionnelle : une qualification attestée par un titre de formation, une attestation de compétence, telle que visée au point 1.1 de l'annexe 1re, jointe au présent arrêté, ou une expérience professionnelle;
2° expérience professionnelle : l'exercice à temps plein ou l'exercice à temps partiel effectifs et licites de la profession concernée dans un Etat membre;
3° état-membre : un état-membre de l'Union européenne;
4° titre de formation : un diplôme, un certificat ou un autre titre délivré par une autorité d'un Etat membre désignée en vertu des dispositions législatives, réglementaires ou administratives de cet Etat membre et sanctionnant une formation professionnelle suivie dans la Communauté principalement. Lorsque la première phrase n'est pas d'application, le titre de formation suivant est assimilé à un titre de formation : tout titre de formation délivré dans un pays tiers si son titulaire a, dans la profession concernée, une expérience professionnelle de trois ans sur le territoire de l'Etat membre qui a reconnu ledit titre et si cet état-membre certifie cette expérience professionnelle.
HOOFDSTUK 2. - Beroepskwalificatie
CHAPITRE 2. - Qualification professionnelle
Afdeling 1. - Bekwaamheidsattest
Section 1re. - Attestation de compétence
Onderafdeling 1. - Attest kennismaken met de gezinsopvang
Sous-section 1re. - Attestation `kennismaken met de gezinsopvang' (prise de connaissance de l'accueil familial)
Art. 2. Het attest van het volgen van de module "kennismaken met de gezinsopvang", vermeld in artikel 11 van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013, toont aan dat de houder ervan de volgende leerinhouden gevolgd heeft :
1° de specifieke aspecten van de gezinsopvang : de impact op de gezinssituatie, het financiële aspect, de organisatie en de taken van een kinderbegeleider, en de competenties;
2° de belastende en faciliterende factoren voor de job van kinderbegeleider gezinsopvang.
Een instantie die een attest uitreikt, voldoet aan de volgende criteria :
1° duurzaam zijn;
2° opleiders met voldoende kennis en ervaring hebben;
3° toegankelijk zijn zodat een opleiding gecombineerd kan worden met werk;
4° geografisch voldoende verspreid zijn;
5° betaalbaar zijn;
6° een beleid rond de erkenning van verworven competenties realiseren;
7° een interne controle-instantie hebben;
8° een externe controle-instantie hebben.
De instanties die een attest als vermeld in het eerste lid, kunnen uitreiken, zijn de instanties opgenomen in punt 1 van bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.
1° de specifieke aspecten van de gezinsopvang : de impact op de gezinssituatie, het financiële aspect, de organisatie en de taken van een kinderbegeleider, en de competenties;
2° de belastende en faciliterende factoren voor de job van kinderbegeleider gezinsopvang.
Een instantie die een attest uitreikt, voldoet aan de volgende criteria :
1° duurzaam zijn;
2° opleiders met voldoende kennis en ervaring hebben;
3° toegankelijk zijn zodat een opleiding gecombineerd kan worden met werk;
4° geografisch voldoende verspreid zijn;
5° betaalbaar zijn;
6° een beleid rond de erkenning van verworven competenties realiseren;
7° een interne controle-instantie hebben;
8° een externe controle-instantie hebben.
De instanties die een attest als vermeld in het eerste lid, kunnen uitreiken, zijn de instanties opgenomen in punt 1 van bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 2. L'attestation sanctionnant le suivi du module `kennismaken met de gezinsopvang' (prise de connaissance de l'accueil familial), visé à l'article 11 de l'Arrêté d'autorisation du 22 novembre 2013, démontre que son titulaire a suivi les contenus didactiques suivants :
1° les aspects spécifiques de l'accueil familial : l'impact sur la situation familiale, l'aspect financier, l'organisation et les tâches d'un accompagnateur d'enfants et les compétences;
2° les facteurs à charge et facilitants pour l'emploi d'accompagnateur d'enfants dans l'accueil familial.
L'instance délivrant une attestation, répond aux critères suivants :
1° être durable;
2° avoir des formateurs avec suffisamment de connaissances et d'expérience;
3° être accessible de sorte qu'une formation puisse être combinée avec un emploi;
4° avoir une présence géographique suffisante;
5° être abordable du point de vue financier;
6° mettre en oeuvre une politique en matière de la reconnaissance de compétences acquises;
7° disposer d'une instance de contrôle interne;
8° disposer d'une instance de contrôle externe.
Les instances habilitées à délivrer une attestation, telle que visée à l'alinéa premier, sont les instances reprises au point 1er de l'annexe 2, jointe au présent arrêté.
1° les aspects spécifiques de l'accueil familial : l'impact sur la situation familiale, l'aspect financier, l'organisation et les tâches d'un accompagnateur d'enfants et les compétences;
2° les facteurs à charge et facilitants pour l'emploi d'accompagnateur d'enfants dans l'accueil familial.
L'instance délivrant une attestation, répond aux critères suivants :
1° être durable;
2° avoir des formateurs avec suffisamment de connaissances et d'expérience;
3° être accessible de sorte qu'une formation puisse être combinée avec un emploi;
4° avoir une présence géographique suffisante;
5° être abordable du point de vue financier;
6° mettre en oeuvre une politique en matière de la reconnaissance de compétences acquises;
7° disposer d'une instance de contrôle interne;
8° disposer d'une instance de contrôle externe.
Les instances habilitées à délivrer une attestation, telle que visée à l'alinéa premier, sont les instances reprises au point 1er de l'annexe 2, jointe au présent arrêté.
Onderafdeling 2. - [1 Traject gezinsopvang]1
Sous-section 2. - Attestation `werken in de kinderopvang' (travailler dans l'accueil des enfants)
Art. 3. [1 § 1. Het traject gezinsopvang, vermeld in artikel 11 van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 maart 2023, bestaat uit de volgende onderdelen:
1° de organisator geeft de volgende informatie over de specifieke context van gezinsopvang, en laat zich daarbij bijstaan door een pool gezinsopvang:
a) de kennis van de vergunningsvoorwaarden;
b) de organisatie, de taken en de competenties die nodig zijn;
c) de impact op de gezinscontext, de ondersteunende en belastende elementen;
d) het arbeidsrechtelijke statuut waarin gewerkt wordt;
2° de organisator organiseert een screening van de draagkracht en de volgende competenties van de kinderbegeleider en laat zich daarbij bijstaan door een pool gezinsopvang:
a) het omgaan met kinderen;
b) de zelfreflectie;
c) de communicatie en het samenwerken met gezinnen en derden;
d) het inschatten van de gezinscontext;
e) het organisatietalent om alle taken te combineren;
3° de organisator maakt een persoonlijk ontwikkelingsplan voor de kinderbegeleider op dat focust op de elementen en competenties, vermeld in punt 1° en 2°, en laat zich daarbij bijstaan door een pool gezinsopvang;
4° de organisator organiseert een meeloopmoment in een vergunde kinderopvanglocatie gezinsopvang die niet in handhaving zit.
In het eerste lid wordt verstaan onder pool gezinsopvang: een pool gezinsopvang, vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 februari 2019 houdende de toekenning van een subsidie aan pools gezinsopvang.
§ 2. Voor kinderbegeleiders gezinsopvang die ook organisator gezinsopvang zijn, is er een automatische vrijstelling voor het traject gezinsopvang, vermeld in paragraaf 1.]1
1° de organisator geeft de volgende informatie over de specifieke context van gezinsopvang, en laat zich daarbij bijstaan door een pool gezinsopvang:
a) de kennis van de vergunningsvoorwaarden;
b) de organisatie, de taken en de competenties die nodig zijn;
c) de impact op de gezinscontext, de ondersteunende en belastende elementen;
d) het arbeidsrechtelijke statuut waarin gewerkt wordt;
2° de organisator organiseert een screening van de draagkracht en de volgende competenties van de kinderbegeleider en laat zich daarbij bijstaan door een pool gezinsopvang:
a) het omgaan met kinderen;
b) de zelfreflectie;
c) de communicatie en het samenwerken met gezinnen en derden;
d) het inschatten van de gezinscontext;
e) het organisatietalent om alle taken te combineren;
3° de organisator maakt een persoonlijk ontwikkelingsplan voor de kinderbegeleider op dat focust op de elementen en competenties, vermeld in punt 1° en 2°, en laat zich daarbij bijstaan door een pool gezinsopvang;
4° de organisator organiseert een meeloopmoment in een vergunde kinderopvanglocatie gezinsopvang die niet in handhaving zit.
In het eerste lid wordt verstaan onder pool gezinsopvang: een pool gezinsopvang, vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 februari 2019 houdende de toekenning van een subsidie aan pools gezinsopvang.
§ 2. Voor kinderbegeleiders gezinsopvang die ook organisator gezinsopvang zijn, is er een automatische vrijstelling voor het traject gezinsopvang, vermeld in paragraaf 1.]1
Modifications
Art. 3. L'attestation sanctionnant le suivi du module " werken in de kinderopvang " (travailler dans l'accueil des enfants), visé à l'article 73, alinéa deux, de l'Arrêté d'autorisation du 22 novembre 2013, démontre que son titulaire a suivi les contenus didactiques suivants :
1° l'éducation, à titre professionnel, d'enfants : besoins essentiels de jeunes enfants, styles d'accompagnement;
2° collaboration avec des familles, la famille en tant que partenaire dans l'éducation;
3° aspects de soins : alimentation saine, sécurité, soins, premiers soins.
L'instance délivrant une attestation, répond aux critères visés à l'article 2, alinéa deux.
Les instances habilitées à délivrer une attestation, telle que visée à l'alinéa premier, sont les instances reprises au point 1er de l'annexe 2, jointe au présent arrêté.
1° l'éducation, à titre professionnel, d'enfants : besoins essentiels de jeunes enfants, styles d'accompagnement;
2° collaboration avec des familles, la famille en tant que partenaire dans l'éducation;
3° aspects de soins : alimentation saine, sécurité, soins, premiers soins.
L'instance délivrant une attestation, répond aux critères visés à l'article 2, alinéa deux.
Les instances habilitées à délivrer une attestation, telle que visée à l'alinéa premier, sont les instances reprises au point 1er de l'annexe 2, jointe au présent arrêté.
Onderafdeling 3. - Attest kennis van levensreddend handelen
Sous-section 3. - Attestation `kennis van levensreddend handelen' (connaissances des premiers soins)
Art. 4. In dit artikel wordt verstaan onder richtlijnen van de Europese Reanimatieraad : de richtlijnen van de European Resuscitation Council, gepubliceerd op de website van de European Resuscitation Council.
Het attest van kennis van levensreddend handelen bij kinderen, vermeld in artikel 40, § 2, eerste lid, 4°, en artikel 43, § 2, eerste lid, 3°, van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013, toont aan dat de houder ervan een opleiding van minstens drie uur met de volgende leerinhouden gevolgd heeft :
1° een theoretisch deel, waarbij de typische gevaren voor baby's en peuters, de basisprincipes van de eerste hulp, het stappenplan van reanimatie volgens de geldende richtlijnen van de Europese Reanimatieraad en het bewustzijn, de ademhaling en de bloedcirculatie van baby's en peuters aan bod komen;
2° een praktisch deel, waarbij ruim de tijd gegeven wordt om te oefenen en waarbij het inoefenen van reanimatie van baby's en peuters op baby- en peuterreanimatiepoppen, de handelingen bij verslikken en stikken, en de veiligheidshouding aan bod komen.
Een instantie die een attest van levensreddend handelen uitreikt, zorgt ervoor dat de opleiding wordt gegeven door een persoon die :
1° een van de volgende opleidingstitels of bekwaamheidsattesten heeft :
a) een masterdiploma of een diploma van universitair onderwijs Geneeskunde;
b) een bachelordiploma of een diploma hoger onderwijs van één cyclus Verpleegkunde, of een diploma van gegradueerde in de verpleegkunde of een diploma van het derde jaar van de vierde graad van de studierichting Verpleegkunde, of een bachelordiploma of een diploma hoger onderwijs van één cyclus Vroedkunde, of een diploma van gegradueerde in de vroedkunde;
c) een geldig brevet Hulpverlener-Ambulancier. De hulpverlener-ambulancier is bovendien drager van een onderscheidingsteken, uitgereikt door de FOD Volksgezondheid, en heeft drie jaar ervaring in het kader van de dringende geneeskundige hulpverlening;
d) een opleidingstitel die ten opzichte van de opleidingstitel, vermeld in punt a) en b), als gelijkwaardig erkend is als vermeld in de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015;
2° theoretische en praktische kennis van levensreddend handelen bij kinderen heeft volgens de actueel geldende richtlijnen van de Europese Reanimatieraad;
3° ervaring in het aanleren van levensreddend handelen heeft volgens de actueel geldende richtlijnen van de Europese Reanimatieraad.
De instanties die een attest als vermeld in het tweede lid, kunnen uitreiken, zijn de instanties opgenomen in punt 2 van bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.
Het attest van kennis van levensreddend handelen bij kinderen, vermeld in artikel 40, § 2, eerste lid, 4°, en artikel 43, § 2, eerste lid, 3°, van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013, toont aan dat de houder ervan een opleiding van minstens drie uur met de volgende leerinhouden gevolgd heeft :
1° een theoretisch deel, waarbij de typische gevaren voor baby's en peuters, de basisprincipes van de eerste hulp, het stappenplan van reanimatie volgens de geldende richtlijnen van de Europese Reanimatieraad en het bewustzijn, de ademhaling en de bloedcirculatie van baby's en peuters aan bod komen;
2° een praktisch deel, waarbij ruim de tijd gegeven wordt om te oefenen en waarbij het inoefenen van reanimatie van baby's en peuters op baby- en peuterreanimatiepoppen, de handelingen bij verslikken en stikken, en de veiligheidshouding aan bod komen.
Een instantie die een attest van levensreddend handelen uitreikt, zorgt ervoor dat de opleiding wordt gegeven door een persoon die :
1° een van de volgende opleidingstitels of bekwaamheidsattesten heeft :
a) een masterdiploma of een diploma van universitair onderwijs Geneeskunde;
b) een bachelordiploma of een diploma hoger onderwijs van één cyclus Verpleegkunde, of een diploma van gegradueerde in de verpleegkunde of een diploma van het derde jaar van de vierde graad van de studierichting Verpleegkunde, of een bachelordiploma of een diploma hoger onderwijs van één cyclus Vroedkunde, of een diploma van gegradueerde in de vroedkunde;
c) een geldig brevet Hulpverlener-Ambulancier. De hulpverlener-ambulancier is bovendien drager van een onderscheidingsteken, uitgereikt door de FOD Volksgezondheid, en heeft drie jaar ervaring in het kader van de dringende geneeskundige hulpverlening;
d) een opleidingstitel die ten opzichte van de opleidingstitel, vermeld in punt a) en b), als gelijkwaardig erkend is als vermeld in de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015;
2° theoretische en praktische kennis van levensreddend handelen bij kinderen heeft volgens de actueel geldende richtlijnen van de Europese Reanimatieraad;
3° ervaring in het aanleren van levensreddend handelen heeft volgens de actueel geldende richtlijnen van de Europese Reanimatieraad.
De instanties die een attest als vermeld in het tweede lid, kunnen uitreiken, zijn de instanties opgenomen in punt 2 van bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 4. Dans le présent article, on entend par directives du Conseil européen de Réanimation : les directives du European Resuscitation Council, publiées sur le site web du European Resuscitation Council.
L'attestation de connaissances des premiers soins dans le cas d'enfants, visée à l'article 40, § 2, alinéa premier, 4°, et à l'article 43, § 2, alinéa premier, 3° de l'Arrêté d'autorisation du 22 novembre 2013, démontre que son titulaire a suivi une formation d'au moins trois heures, comprenant les contenus de didactiques suivants :
1° une partie théorique, avec une attention particulière pour les dangers typiques pour bébés et bambins, les principes de base des premiers secours, la feuille de route de la réanimation suivant les lignes directrices en vigueur du European Resuscitation Council et la conscience, la respiration et la circulation sanguine de bébés et bambins;
2° une partie pratique, dans laquelle beaucoup de temps est consacré à l'exercice et dans laquelle l'entraînement à la réanimation de bébés et de bambins à l'aide de mannequins de secourisme bébé et enfant, les actes à entreprendre lorsqu'un enfant avale quelque chose de travers ou risque de s'étouffer, et la position de sécurité sont passés en revue.
L'instance délivrant une attestation de premiers soins, assure que la formation est dispensée par une personne qui :
1° est titulaire d'un des titres de formation ou d'attestations de compétence suivants :
a) un diplôme de master ou un diplôme de l'enseignement universitaire `Geneeskunde`;
b) un diplôme de bachelor ou un diplôme de l'enseignement supérieur d'un cycle `Verpleegkunde', ou un diplôme de gradué en infirmerie ou un diplôme de la troisième année du quatrième degré de l'orientation d'études `Verpleegkunde', ou un diplôme de bachelor ou un diplôme de l'enseignement supérieur d'un cycle `Vroedkunde', ou un diplôme de gradué en obstétrique;
c) un brevet valable de `Hulpverlener-Ambulancier'. Le secouriste-ambulancier est en outre porteur d'un signe distinctif, délivré par le SPF Santé public, et a une expérience de trois ans en matière d'aide médicale urgente;
d) un titre de formation reconnu comme étant équivalent au titre de formation, visé aux points a) et b), tel que visé dans la loi coordonnée du 10 mai 2015 relative à l'exercice des professions des soins de santé;
2° a des connaissances théoriques et pratiques d'actes de premiers soins dans le cas d'enfants suivant les directives du Conseil européen de Réanimation actuellement en vigueur ;
3° a de l'expérience quant à l'apprentissage d'actes de premiers soins suivant les directives actuellement en vigueur du Conseil européen de Réanimation.
Les instances habilitées à délivrer une attestation, telle que visée à l'alinéa deux, sont les instances reprises au point 2 de l'annexe 2, jointe au présent arrêté.
L'attestation de connaissances des premiers soins dans le cas d'enfants, visée à l'article 40, § 2, alinéa premier, 4°, et à l'article 43, § 2, alinéa premier, 3° de l'Arrêté d'autorisation du 22 novembre 2013, démontre que son titulaire a suivi une formation d'au moins trois heures, comprenant les contenus de didactiques suivants :
1° une partie théorique, avec une attention particulière pour les dangers typiques pour bébés et bambins, les principes de base des premiers secours, la feuille de route de la réanimation suivant les lignes directrices en vigueur du European Resuscitation Council et la conscience, la respiration et la circulation sanguine de bébés et bambins;
2° une partie pratique, dans laquelle beaucoup de temps est consacré à l'exercice et dans laquelle l'entraînement à la réanimation de bébés et de bambins à l'aide de mannequins de secourisme bébé et enfant, les actes à entreprendre lorsqu'un enfant avale quelque chose de travers ou risque de s'étouffer, et la position de sécurité sont passés en revue.
L'instance délivrant une attestation de premiers soins, assure que la formation est dispensée par une personne qui :
1° est titulaire d'un des titres de formation ou d'attestations de compétence suivants :
a) un diplôme de master ou un diplôme de l'enseignement universitaire `Geneeskunde`;
b) un diplôme de bachelor ou un diplôme de l'enseignement supérieur d'un cycle `Verpleegkunde', ou un diplôme de gradué en infirmerie ou un diplôme de la troisième année du quatrième degré de l'orientation d'études `Verpleegkunde', ou un diplôme de bachelor ou un diplôme de l'enseignement supérieur d'un cycle `Vroedkunde', ou un diplôme de gradué en obstétrique;
c) un brevet valable de `Hulpverlener-Ambulancier'. Le secouriste-ambulancier est en outre porteur d'un signe distinctif, délivré par le SPF Santé public, et a une expérience de trois ans en matière d'aide médicale urgente;
d) un titre de formation reconnu comme étant équivalent au titre de formation, visé aux points a) et b), tel que visé dans la loi coordonnée du 10 mai 2015 relative à l'exercice des professions des soins de santé;
2° a des connaissances théoriques et pratiques d'actes de premiers soins dans le cas d'enfants suivant les directives du Conseil européen de Réanimation actuellement en vigueur ;
3° a de l'expérience quant à l'apprentissage d'actes de premiers soins suivant les directives actuellement en vigueur du Conseil européen de Réanimation.
Les instances habilitées à délivrer une attestation, telle que visée à l'alinéa deux, sont les instances reprises au point 2 de l'annexe 2, jointe au présent arrêté.
Onderafdeling 4. - Attest kennis organisatorisch beheer
Sous-section 4. - Attestation `kennis organisatorisch beheer` (connaissances de gestion organisationnelle)
Art. 5. Het attest van de kennis om een kinderopvanglocatie organisatorisch te beheren, vermeld in artikel 8, 1°, van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013, toont aan dat de houder ervan de volgende leerinhouden, die specifiek gericht zijn op de kinderopvang, gevolgd heeft voor het volgende aantal uren, hetzij lesuren, hetzij uren die de cursist geacht wordt aan de studie te spenderen :
1° de principes en de opmaak van een ondernemingsplan met de essentiële onderdelen ervan, zoals aangegeven in het Startkompas van het Agentschap Ondernemen, voor minstens zestien uur;
2° de basisprincipes voor het voeren van een boekhouding, van fiscaliteit en van steun- en financieringsmaatregelen, de principes van kasplanning en de toepassing ervan in het kasboek, voor minstens twaalf uur;
3° de basiskennis van de verschillende ondernemingsvormen, voor minstens vier uur;
4° de basiskennis van de verschillende sociaalrechtelijke statuten en van het arbeidsrecht, voor minstens vier uur;
5° de kennis van de verschillende prijssettings, voor minstens vier uur.
Een instantie die een attest uitreikt, voldoet aan de criteria, vermeld in artikel 2, tweede lid.
De instanties die een attest als vermeld in het eerste lid, kunnen uitreiken, zijn de instanties opgenomen in punt 3 van bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.
Het kwalificatiebewijs, vermeld in artikel 8, 2°, van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013, is een van de attesten, vermeld in de lijst van bekwaamheidsattesten en opleidingstitels, opgenomen in punt 5 van bijlage 3, die bij dit besluit is gevoegd.
1° de principes en de opmaak van een ondernemingsplan met de essentiële onderdelen ervan, zoals aangegeven in het Startkompas van het Agentschap Ondernemen, voor minstens zestien uur;
2° de basisprincipes voor het voeren van een boekhouding, van fiscaliteit en van steun- en financieringsmaatregelen, de principes van kasplanning en de toepassing ervan in het kasboek, voor minstens twaalf uur;
3° de basiskennis van de verschillende ondernemingsvormen, voor minstens vier uur;
4° de basiskennis van de verschillende sociaalrechtelijke statuten en van het arbeidsrecht, voor minstens vier uur;
5° de kennis van de verschillende prijssettings, voor minstens vier uur.
Een instantie die een attest uitreikt, voldoet aan de criteria, vermeld in artikel 2, tweede lid.
De instanties die een attest als vermeld in het eerste lid, kunnen uitreiken, zijn de instanties opgenomen in punt 3 van bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.
Het kwalificatiebewijs, vermeld in artikel 8, 2°, van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013, is een van de attesten, vermeld in de lijst van bekwaamheidsattesten en opleidingstitels, opgenomen in punt 5 van bijlage 3, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 5. L'attestation de la connaissance pour gérer un emplacement d'accueil d'enfants sur le plan organisationnel, visée à l'article 8, 1° de l'Arrêté d'autorisation du 22 novembre 2013, démontre que le titulaire de celle-ci a suivi les contenus didactiques suivants, axés spécifiquement sur l'accueil d'enfants, pour le nombre d'heures suivant, qui sont soit des heures de cours, soit des heures que le cursiste est censé consacrer à l'étude :
1° les principes et l'établissement d'un plan d'entreprise, comprenant les composantes essentielles telles que reprises dans la " startkompas " de l'" Agentschap Ondernemen ", pour au moins 16 heures;
2° les principes de base pour la tenue d'une comptabilité, de fiscalité et de mesures d'appui et de financement, les principes de planning des liquidités et l'application de celui-ci dans le livre de comptes, pour au moins 12 heures;
3° les connaissances de base des différentes formes d'entreprise, pour au moins 4 heures;
4° les connaissances de base des différents statuts sociojuridiques et du droit du travail, pour au moins 4 heures;
5° la connaissance des différents accords de prix, pour au moins 4 heures.
L'instance délivrant une attestation, répond aux critères visés à l'article 2, alinéa deux.
Les instances habilitées à délivrer une attestation, telle que visée à l'alinéa premier, sont les instances reprises au point 3 de l'annexe 2, jointe au présent arrêté.
Le titre de qualification, visé à l'article 8, 2°, de l'Arrêté d'autorisation du 22 novembre 2013 est une des attestations, visées dans la liste d'attestations de compétence et de titres de formation, reprise au point 5 de l'annexe 3, jointe au présent arrêté.
1° les principes et l'établissement d'un plan d'entreprise, comprenant les composantes essentielles telles que reprises dans la " startkompas " de l'" Agentschap Ondernemen ", pour au moins 16 heures;
2° les principes de base pour la tenue d'une comptabilité, de fiscalité et de mesures d'appui et de financement, les principes de planning des liquidités et l'application de celui-ci dans le livre de comptes, pour au moins 12 heures;
3° les connaissances de base des différentes formes d'entreprise, pour au moins 4 heures;
4° les connaissances de base des différents statuts sociojuridiques et du droit du travail, pour au moins 4 heures;
5° la connaissance des différents accords de prix, pour au moins 4 heures.
L'instance délivrant une attestation, répond aux critères visés à l'article 2, alinéa deux.
Les instances habilitées à délivrer une attestation, telle que visée à l'alinéa premier, sont les instances reprises au point 3 de l'annexe 2, jointe au présent arrêté.
Le titre de qualification, visé à l'article 8, 2°, de l'Arrêté d'autorisation du 22 novembre 2013 est une des attestations, visées dans la liste d'attestations de compétence et de titres de formation, reprise au point 5 de l'annexe 3, jointe au présent arrêté.
Onderafdeling 5. - Attest kennis Nederlands
Sous-section 5. - Attestation `kennis Nederlands' (connaissances du néerlandais)
Art. 6. De attesten, vermeld in de lijst van opleidingstitels en bekwaamheidsattesten opgenomen in punt 6 van bijlage 3, die bij dit besluit is gevoegd, kunnen beschouwd worden als een attest van actieve kennis van het Nederlands als vermeld in artikel 40, § 2, eerste lid, 3° en artikel 43, § 3 van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013.
Art. 6. Les attestations, visées dans la liste des titres de formation et attestations de compétence, reprise au point 6 de l'annexe 3, jointe au présent arrêté, peuvent être considérées comme une attestation de connaissances actives du néerlandais, telle que visée à l'article 40, § 2, alinéa premier, 3° et à l'article 43, § 3 de l'Arrêté d'autorisation du 22 novembre 2013.
Afdeling 2. - Opleidingstitel
Section 2. - Titre de formation
Art. 7. Het kwalificatiebewijs voor de verantwoordelijke, vermeld in artikel 40, § 2, eerste lid, 5°, van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013, is een van de opleidingstitels, vermeld in punt 1, 2 of 4 van bijlage 3, die bij dit besluit is gevoegd. Het kwalificatiebewijs voor de kinderbegeleider, vermeld in artikel 43, § 2, eerste lid, 4°, a), van het voormelde besluit, is een van de opleidingstitels, vermeld in punt 3 of 4 van bijlage 3, die bij dit besluit is gevoegd.
Er zijn verschillende mogelijke opleidingstitels naargelang het gaat om een verantwoordelijke voor maximaal achttien kinderopvangplaatsen of een verantwoordelijke voor meer dan achttien kinderopvangplaatsen.
Er zijn verschillende mogelijke opleidingstitels naargelang het gaat om een verantwoordelijke voor maximaal achttien kinderopvangplaatsen of een verantwoordelijke voor meer dan achttien kinderopvangplaatsen.
Art. 7. Le titre de qualification pour le responsable, visé à l'article 40, § 2, alinéa premier, 5°, de l'Arrêté d'autorisation du 22 novembre 2013 est un des titres de formation visés au point 1, 2 ou 4 de l'annexe 3, jointe au présent arrêté. Le titre de qualification pour l'accompagnateur d'enfants, visé à l'article 43, § 2, alinéa premier, 4°, a) de l'arrêté précité est un des titres de formation visés au point 3 ou 4 de l'annexe 3, jointe au présent arrêté.
Pour le responsable, divers titres de formation peuvent être pris en compte, en fonction du nombre d'emplacements d'accueil d'enfants (au maximum dix-huit ou plus de dix-huit emplacements d'accueil d'enfants).
Pour le responsable, divers titres de formation peuvent être pris en compte, en fonction du nombre d'emplacements d'accueil d'enfants (au maximum dix-huit ou plus de dix-huit emplacements d'accueil d'enfants).
Art. 8. Het bewijs van een kwalificerend traject, vermeld in artikel 43, § 2, eerste lid, 4°, b), van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013, is een inschrijvingsbewijs van maximaal drie jaar oud voor een opleiding die leidt tot het behalen van een opleidingstitel als vermeld in punt 3 van bijlage 3, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 8. La preuve d'un trajet de qualification visée à l'article 43, § 2, alinéa premier, 4°, b) de l'Arrêté d'autorisation du 22 novembre 2013 est une preuve d'inscription remontant à au maximum trois ans pour une formation menant à l'obtention d'un titre de formation, tel que visé au point 3 de l'annexe 3, jointe au présent arrêté.
Afdeling 3.
Section 3.
Onderafdeling 1.
Sous-section 1re.
Art. 9.
Art. 9.
Onderafdeling 2.
Sous-section 2.
Art. 10.
Art. 10.
Art. 11.
Art. 11.
Onderafdeling 3.
Sous-section 3.
Art. 12.
Art. 12.
Art. 13.
Art. 13.
Art. 14.
Art. 14.
Art. 15.
Art. 15.
Art. 16.
Art. 16.
HOOFDSTUK 4. - Voorwaarden voor een veilig bed
CHAPITRE 4. - Critères auxquels doit répondre un lit sûr
Art. 17. Een veilig bed als vermeld in artikel 20 van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013, voldoet aan een van de volgende voorwaarden :
1° het bed is gemarkeerd met vermelding van de EN-Europese norm 716 of de wieg is gemarkeerd met vermelding van de EN-Europese norm 1130;
2° het bed of de wieg voldoet aan een gelijkwaardig veiligheidsniveau als nagestreefd door de norm, vermeld in punt 1°, waarvan de voorschriften opgenomen in bijlage 4, die bij dit besluit is gevoegd.
1° het bed is gemarkeerd met vermelding van de EN-Europese norm 716 of de wieg is gemarkeerd met vermelding van de EN-Europese norm 1130;
2° het bed of de wieg voldoet aan een gelijkwaardig veiligheidsniveau als nagestreefd door de norm, vermeld in punt 1°, waarvan de voorschriften opgenomen in bijlage 4, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 17. Un lit sûr, tel que visé à l'article 20 de l'Arrêté d'autorisation du 22 novembre 2013, répond à une des conditions suivantes :
1° le lit est marqué de la mention de la norme européenne EN 716 ou le berceau est marqué de la mention de la norme européenne EN 1130;
2° le lit ou le berceau assure un niveau de sûreté équivalent à celui envisagé par la norme, visée au point 1°, dont les prescriptions sont reprises dans l'annexe 4, jointe au présent arrêté.
1° le lit est marqué de la mention de la norme européenne EN 716 ou le berceau est marqué de la mention de la norme européenne EN 1130;
2° le lit ou le berceau assure un niveau de sûreté équivalent à celui envisagé par la norme, visée au point 1°, dont les prescriptions sont reprises dans l'annexe 4, jointe au présent arrêté.
HOOFDSTUK 5. - Modellen voor brandveiligheid, slaaphouding en medische geschiktheid
CHAPITRE 5. - Modèles d'attestations de sécurité incendie, de position de couchage et d'aptitude médicale
Art. 18. De brandveiligheidsattesten A, B en C, vermeld in artikel 23, tweede lid, van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013, worden opgemaakt volgens de modellen, opgenomen in bijlage 5, 6 en 7, die bij dit besluit zijn gevoegd.
Art. 18. Les attestations de sécurité incendie A, B et C, visées à l'article 23, alinéa deux, de l'Arrêté d'autorisation du 22 novembre 2013, sont établies selon les modèles, repris dans les annexes 5, 6 et 7, jointes au présent arrêté.
Art. 19. Het attest over de slaaphouding, vermeld in artikel 24, § 2, van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013, wordt opgemaakt volgens het model, opgenomen in bijlage 8, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 19. L'attestation de la position de couchage, visée à l'article 24, § 2, de l'Arrêté d'autorisation du 22 novembre 2013, est établie selon le modèle, repris dans l'annexe 8, jointe au présent arrêté.
Art. 20. De attesten A en B van medische geschiktheid, vermeld in artikel 40, § 2, eerste lid, 2°, a) en b), artikel 43, § 2, eerste lid, 2°, a) en b), en artikel 45, eerste lid, 2°, a) en b), van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013, worden opgemaakt volgens de modellen, opgenomen in bijlage 9 en 10, die bij dit besluit zijn gevoegd.
Art. 20. Les certificats A et B d'aptitude médicale, visés à l'article 40, § 2, alinéa premier, 2°, a) et b), à l'article 43, § 2, alinéa premier, 2°, a) et b) et à l'article 45, alinéa premier, 2°, a) et b) de l'Arrêté d'autorisation du 22 novembre 2013, sont établis selon les modèles, repris dans les annexes 9 et 10, jointes au présent arrêté.
HOOFDSTUK 5/1. [1 Norm voor pedagogische kwaliteit1.]1
CHAPITRE 5/1. [1 Norme de qualité pédagogique1.]1
Art.20/1. [1 De norm voor pedagogische kwaliteit, vermeld in artikel 31, § 3, van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013, bestaat uit een score op al de volgende dimensies van pedagogische kwaliteit:
1° het welbevinden van het kind;
2° de betrokkenheid van het kind;
3° de emotionele ondersteuning van het kind door de kinderbegeleider;
4° de educatieve ondersteuning van het kind door de kinderbegeleider;
5° de omgeving;
6° gezinnen en diversiteit.
Onder de dimensie omgeving, vermeld in het eerste lid, 5°, wordt verstaan: een toegankelijke en stimulerende indeling van de opvangruimtes voor de kinderen met een gevarieerd aanbod aan materialen en activiteiten en een doeltreffende organisatie van tijd en personeel voor de kinderen zoals regelmaat in de dagindeling en continuïteit in de begeleiding.
Onder de dimensie gezinnen en diversiteit, vermeld in het eerste lid, 6°, wordt verstaan: het samenwerken en communiceren met gezinnen, inspraak geven aan en ondersteunen van gezinnen met respect voor de eigenheid van elk gezin.
De organisator krijgt voor elke dimensie een score 1, 2, 3 of 4 op basis van de volgende schaal:
1° een score 1 staat voor onvoldoende;
2° een score 2 staat voor nipt voldoende;
3° een score 3 staat voor goed;
4° een score 4 staat voor uitstekend.
De organisator moet voor elke dimensie een score van minstens 2 behalen. Als een organisator op een dimensie een score 2 behaalt, dan levert hij een inspanning om minstens een score 3 te behalen.]1
1° het welbevinden van het kind;
2° de betrokkenheid van het kind;
3° de emotionele ondersteuning van het kind door de kinderbegeleider;
4° de educatieve ondersteuning van het kind door de kinderbegeleider;
5° de omgeving;
6° gezinnen en diversiteit.
Onder de dimensie omgeving, vermeld in het eerste lid, 5°, wordt verstaan: een toegankelijke en stimulerende indeling van de opvangruimtes voor de kinderen met een gevarieerd aanbod aan materialen en activiteiten en een doeltreffende organisatie van tijd en personeel voor de kinderen zoals regelmaat in de dagindeling en continuïteit in de begeleiding.
Onder de dimensie gezinnen en diversiteit, vermeld in het eerste lid, 6°, wordt verstaan: het samenwerken en communiceren met gezinnen, inspraak geven aan en ondersteunen van gezinnen met respect voor de eigenheid van elk gezin.
De organisator krijgt voor elke dimensie een score 1, 2, 3 of 4 op basis van de volgende schaal:
1° een score 1 staat voor onvoldoende;
2° een score 2 staat voor nipt voldoende;
3° een score 3 staat voor goed;
4° een score 4 staat voor uitstekend.
De organisator moet voor elke dimensie een score van minstens 2 behalen. Als een organisator op een dimensie een score 2 behaalt, dan levert hij een inspanning om minstens een score 3 te behalen.]1
Art. 20/1. [1 La norme de qualité pédagogique, visée à l'article 31, § 3, de l'Arrêté d'autorisation du 22 novembre 2013, consiste en un score sur chacune des dimensions de qualité pédagogique suivantes :
1° le bien-être de l'enfant ;
2° le degré d'implication de l'enfant ;
3° le soutien affectif de l'enfant par son accompagnateur ;
4° le soutien éducatif de l'enfant par son accompagnateur ;
5° l'environnement ;
6° familles et diversité.
Par la dimension d'environnement, visée à l'alinéa 1er, 5°, on entend l'aménagement des locaux d'accueil accessible et stimulant à l'égard des enfants, avec une offre variée de matériaux et d'activités et l'organisation du temps et du personnel efficace à l'égard des enfants, y compris l'emploi du temps régulier et l'accompagnement permanent.
Par la dimension de familles et diversité, visée à l'alinéa 1er, 6°, on entend la collaboration et la communication avec les familles, le soutien des familles et leur participation, dans le respect du caractère spécifique de chaque famille.
Pour chaque dimension l'organisateur reçoit un score de 1, 2, 3 ou 4 sur la base de l'échelle suivante :
1° un score de 1 signifie : insuffisant ;
2° un score de 2 signifie : satisfaisant de justesse ;
3° un score de 3 signifie : bon ;
4° un score de 4 signifie : excellent.
L'organisateur doit obtenir pour chaque dimension un score de 2 ou plus. Lorsque l'organisateur obtient pour une dimension un score de 2, il fera un effort supplémentaire pour atteindre un score de 3 ou plus.]1
1° le bien-être de l'enfant ;
2° le degré d'implication de l'enfant ;
3° le soutien affectif de l'enfant par son accompagnateur ;
4° le soutien éducatif de l'enfant par son accompagnateur ;
5° l'environnement ;
6° familles et diversité.
Par la dimension d'environnement, visée à l'alinéa 1er, 5°, on entend l'aménagement des locaux d'accueil accessible et stimulant à l'égard des enfants, avec une offre variée de matériaux et d'activités et l'organisation du temps et du personnel efficace à l'égard des enfants, y compris l'emploi du temps régulier et l'accompagnement permanent.
Par la dimension de familles et diversité, visée à l'alinéa 1er, 6°, on entend la collaboration et la communication avec les familles, le soutien des familles et leur participation, dans le respect du caractère spécifique de chaque famille.
Pour chaque dimension l'organisateur reçoit un score de 1, 2, 3 ou 4 sur la base de l'échelle suivante :
1° un score de 1 signifie : insuffisant ;
2° un score de 2 signifie : satisfaisant de justesse ;
3° un score de 3 signifie : bon ;
4° un score de 4 signifie : excellent.
L'organisateur doit obtenir pour chaque dimension un score de 2 ou plus. Lorsque l'organisateur obtient pour une dimension un score de 2, il fera un effort supplémentaire pour atteindre un score de 3 ou plus.]1
Modifications
HOOFDSTUK 6. - Slotbepaling
CHAPITRE 6. - Disposition finale
Art. 21. Het ministerieel besluit van 27 februari 2014 ter uitvoering van artikel 8, 11, 40, 43 en 73, van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013, wat betreft de kwalificatiebewijzen en attesten, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 23 mei 2014 en 24 april 2015, wordt opgeheven.
Art. 21. L'arrêté ministériel du 27 février 2014 portant exécution des articles 8, 11, 40, 43 et 73 de l'Arrêté d'autorisation du 22 novembre 2013, pour ce qui est des certificats de qualification professionnelle et des attestations, modifié par les arrêtés ministériels des 23 mai 2014 et 24 avril 2015, est abrogé.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 18-01-2017, p. 3038)
Gewijzigd door:
Gewijzigd door:
Art. N. (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 18-01-2017, p. 3067)
Modifié par:
Modifié par: