Artikel 1. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 maart 2004 houdende regels tot uitvoering van het oppervlaktedelfstoffendecreet, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 februari 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° punt 13° wordt opgeheven;
2° er wordt een punt 20° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"20° beveiligde zending: een van de onderstaande betekeningswijzen:
a) een analoge zending: een aangetekende zending of een afgifte tegen ontvangstbewijs;
b) een digitale zending: een zending via een uitwisselingsplatform van het departement.".
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
20 OKTOBER 2017. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 maart 2004 houdende regels tot uitvoering van het oppervlaktedelfstoffendecreet, tot wijziging van bijlage XVI bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en tot opheffing van diverse ministeriële besluiten
Titre
20 OCTOBRE 2017. - Arrêté du Gouvernement flamand modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 mars 2004 portant exécution du décret relatif aux minerais de surface, modifiant l'annexe XVI à l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 portant exécution du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement et abrogeant divers arrêtés ministériels
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
Tekst (18)
Texte (18)
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingsbepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions modificatives
Afdeling 1. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 maart 2004 houdende regels tot uitvoering van het oppervlaktedelfstoffendecreet
Section 1re. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 mars 2004 portant exécution du décret relatif aux minerais de surface
Article 1er. A l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 mars 2004 portant exécution du décret relatif aux minerais de surface, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 février 2017, les modifications suivantes sont apportées :
1° le point 13° est abrogé ;
2° il est ajouté un point 20°, rédigé comme suit :
" 20° envoi sécurisé : un des modes de notification suivants :
a) un envoi analogue : un envoi recommandé ou une remise contre récépissé ;
b) un envoi numérique : un envoi via une plate-forme d'échange du département. ".
1° le point 13° est abrogé ;
2° il est ajouté un point 20°, rédigé comme suit :
" 20° envoi sécurisé : un des modes de notification suivants :
a) un envoi analogue : un envoi recommandé ou une remise contre récépissé ;
b) un envoi numérique : un envoi via une plate-forme d'échange du département. ".
Art. 2. In artikel 2 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 februari 2015 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 februari 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° aan paragraaf 2 wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"De gecoördineerde adviezen, in voorkomend geval met inbegrip van de alsnog verschafte informatie, worden verwerkt door het departement en kunnen aanleiding geven tot een aanpassing van het ontwerp van het algemeen oppervlaktedelfstoffenplan.";
2° in paragraaf 5 wordt de zin "Nadien legt de Vlaamse Regering het algemeen oppervlaktedelfstoffenplan definitief vast." vervangen door de zin "De minister legt het ontwerp samen met de opmerkingen en de uitgebrachte adviezen voor aan de Vlaamse Regering met het oog op de definitieve vastlegging van het algemeen oppervlaktedelfstoffenplan.".
1° aan paragraaf 2 wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"De gecoördineerde adviezen, in voorkomend geval met inbegrip van de alsnog verschafte informatie, worden verwerkt door het departement en kunnen aanleiding geven tot een aanpassing van het ontwerp van het algemeen oppervlaktedelfstoffenplan.";
2° in paragraaf 5 wordt de zin "Nadien legt de Vlaamse Regering het algemeen oppervlaktedelfstoffenplan definitief vast." vervangen door de zin "De minister legt het ontwerp samen met de opmerkingen en de uitgebrachte adviezen voor aan de Vlaamse Regering met het oog op de definitieve vastlegging van het algemeen oppervlaktedelfstoffenplan.".
Art. 2. A l'article 2 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 février 2015 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 février 2017, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 2 est complété par un alinéa cinq, rédigé comme suit :
"Les avis coordonnés, le cas échéant assortis des informations fournies en dernière instance, sont traités par le département et peuvent aboutir à un ajustement du projet du plan général de minerais de surface." ;
2° au paragraphe 5, la phrase "Le Gouvernement flamand procède ensuite à l'établissement définitif du plan général de minerais de surface." est remplacée par la phrase "Le ministre soumet le projet, ensemble avec les remarques et les avis émis, au Gouvernement flamand en vue de l'établissement définitif du plan général de minerais de surface.".
1° le paragraphe 2 est complété par un alinéa cinq, rédigé comme suit :
"Les avis coordonnés, le cas échéant assortis des informations fournies en dernière instance, sont traités par le département et peuvent aboutir à un ajustement du projet du plan général de minerais de surface." ;
2° au paragraphe 5, la phrase "Le Gouvernement flamand procède ensuite à l'établissement définitif du plan général de minerais de surface." est remplacée par la phrase "Le ministre soumet le projet, ensemble avec les remarques et les avis émis, au Gouvernement flamand en vue de l'établissement définitif du plan général de minerais de surface.".
Art. 3. In artikel 12, § 2, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juni 2006, wordt het vierde lid vervangen door wat volgt:
"Een onderzoeksareaal kan worden opgedeeld in delen van gelijke ontginningsdiepte. De boringen zijn minstens even diep als de vastgelegde ontginningsdiepte in het deel van het onderzoeksareaal waarin ze worden uitgevoerd. Als de onderste geologische lagen van het onderzoeksareaal of van een deel ervan bestaan uit oppervlaktedelfstoffen waarvoor met toepassing van artikel 27, § 1, tweede lid, van het decreet geen certificaat van herkomst vereist is, mag de boordiepte in het onderzoeksareaal of in dat deel ervan beperkt worden tot de basis van de geologische lagen waarvoor wel een certificaat van herkomst vereist is.".
"Een onderzoeksareaal kan worden opgedeeld in delen van gelijke ontginningsdiepte. De boringen zijn minstens even diep als de vastgelegde ontginningsdiepte in het deel van het onderzoeksareaal waarin ze worden uitgevoerd. Als de onderste geologische lagen van het onderzoeksareaal of van een deel ervan bestaan uit oppervlaktedelfstoffen waarvoor met toepassing van artikel 27, § 1, tweede lid, van het decreet geen certificaat van herkomst vereist is, mag de boordiepte in het onderzoeksareaal of in dat deel ervan beperkt worden tot de basis van de geologische lagen waarvoor wel een certificaat van herkomst vereist is.".
Art. 3. Dans l'article 12, § 2 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 juin 2006, l'alinéa quatre est remplacé par ce qui suit :
"Une zone d'étude peut être subdivisée en parties d'une même profondeur d'exploitation. Les forages s'effectuent à une profondeur au moins égale à la profondeur d'exploitation définie pour la partie de la zone d'étude dans laquelle ils s'effectuent. Si les couches géologiques inférieures de la zone d'étude ou d'une partie de celle-ci contiennent des minerais de surface pour lesquels, en application de l'article 27, § 1er, alinéa deux du décret, aucun certificat d'origine n'est requis, la profondeur de forage dans la zone d'étude ou dans la partie concernée de celle-ci peut être limitée à la base des couches géologiques pour lesquelles un certificat d'origine est effectivement requis.".
"Une zone d'étude peut être subdivisée en parties d'une même profondeur d'exploitation. Les forages s'effectuent à une profondeur au moins égale à la profondeur d'exploitation définie pour la partie de la zone d'étude dans laquelle ils s'effectuent. Si les couches géologiques inférieures de la zone d'étude ou d'une partie de celle-ci contiennent des minerais de surface pour lesquels, en application de l'article 27, § 1er, alinéa deux du décret, aucun certificat d'origine n'est requis, la profondeur de forage dans la zone d'étude ou dans la partie concernée de celle-ci peut être limitée à la base des couches géologiques pour lesquelles un certificat d'origine est effectivement requis.".
Art. 4. In artikel 13, § 1, tweede lid, 1°, a), van hetzelfde besluit wordt de zinsnede ", kalium, zwavel" opgeheven.
Art. 4. A l'article 13, § 1er, alinéa deux, 1°, a) du même arrêté, le membre de phrase " , le potassium, le soufre " est abrogé.
Art. 5. In artikel 14, § 2, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008 en 24 februari 2017, worden de woorden "aangetekende brief" vervangen door de woorden "beveiligde zending".
Art. 5. A l'article 14, § 2 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 7 mars 2008 et 24 février 2017, les mots "lettre recommandée" sont remplacés par les mots "envoi sécurisé".
Art. 6. In artikel 24 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 16 juni 2006, 7 maart 2008 en 24 februari 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
"Uiterlijk op 31 maart na elk volledig kalenderjaar vanaf de start van de vergunningstermijn bezorgt de vergunninghouder aan het departement een voortgangsrapport over de exploitatie en de eindafwerking in het voorbije kalenderjaar, in de vorm van een digitale zending in een geschikt uitwisselingsformaat, vastgesteld door het departement. Bij wijze van uitzondering heeft het eerste basisvoortgangsrapport betrekking op de periode vanaf de aanvang van de ontginning tot en met het einde van het eerste volledige kalenderjaar dat binnen de vergunningstermijn valt. De verplichting om jaarlijks een voortgangsrapport te bezorgen aan het departement, eindigt met een laatste basisvoortgangsrapport wanneer de eindafwerking volledig gerealiseerd is.";
2° het derde lid wordt vervangen door wat volgt:
"Het basisvoortgangsrapport bevat minstens de volgende gegevens:
1° de stand van zaken betreffende de ontginning die bestaat uit een situeringsplan en een opgave van de ontgonnen hoeveelheden, eventueel opgesplitst in de verschillende soorten delfstoffen, en de gerealiseerde dieptes;
2° een digitaal grafisch opmetingsbestand, gerefereerd in het Lambert BD72-stelsel en de Tweede Algemene Waterpassing (TAW). Daarin zijn de volgende gegevens opgenomen:
a) kadastrale gegevens;
b) grens van de vergunning;
c) situering van alle gebouwen;
d) situering van de toegangswegen en uitbatingswegen;
e) aanduiding van grachten, beken en andere waterlopen;
f) aanduiding van de ontginningsfronten;
g) voldoende hoogtepeilen van het maaiveld;
h) voldoende hoogtepeilen van het oorspronkelijke reliëf binnen de vergunning, voor het gedeelte van de vergunning waar de ontginning aangevat wordt na 1 januari 2018;
i) in geval van droge ontginning: voldoende hoogtepeilen langs taluds en ontginningsfronten;
j) in geval van natte ontginning: voldoende peilpunten van de baggerzones;
k) voldoende hoogtepeilen of voldoende peilpunten van de gerealiseerde opvullingen en de definitieve eindafwerking;
l) aanduiding van waterplassen, slibbekkens en andere bekkens;
m) aanduiding, met behulp van inkleuring of arcering, van de delen die niet in ontginning zijn of die onaangeroerd zijn, de delen die in ontginning, inclusief afgedekt, zijn, en de delen die hun eindafwerking gekregen hebben;
n) aanduiding van de referentiepunten voor de opeenvolgende metingen;
3° een tabel met een bondige beschrijving van de referentiepunten, onder meer piket, grenspaal, merkteken en hoek van het gebouw, samen met de respectieve coördinaten in Lambert BD72/TAW;
4° de grondbalans met de geraamde hoeveelheden teelaarde en overige dekgronden, de werkelijk gerealiseerde depots, de hergebruikte teelaarde, dekgronden en tussenlagen in het kader van de eindafwerking of de nabestemming en de nog te reserveren teelaarde, dekgronden en tussenlagen;
5° een plan met de zonering en fasering van de ontginning en met vermelding van de oppervlakten van de verschillende zones;
6° de stand van zaken betreffende de realisatie van de eindafwerking, met opgave van de percelen of delen van percelen waarvan de eindafwerking is gerealiseerd.".
1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
"Uiterlijk op 31 maart na elk volledig kalenderjaar vanaf de start van de vergunningstermijn bezorgt de vergunninghouder aan het departement een voortgangsrapport over de exploitatie en de eindafwerking in het voorbije kalenderjaar, in de vorm van een digitale zending in een geschikt uitwisselingsformaat, vastgesteld door het departement. Bij wijze van uitzondering heeft het eerste basisvoortgangsrapport betrekking op de periode vanaf de aanvang van de ontginning tot en met het einde van het eerste volledige kalenderjaar dat binnen de vergunningstermijn valt. De verplichting om jaarlijks een voortgangsrapport te bezorgen aan het departement, eindigt met een laatste basisvoortgangsrapport wanneer de eindafwerking volledig gerealiseerd is.";
2° het derde lid wordt vervangen door wat volgt:
"Het basisvoortgangsrapport bevat minstens de volgende gegevens:
1° de stand van zaken betreffende de ontginning die bestaat uit een situeringsplan en een opgave van de ontgonnen hoeveelheden, eventueel opgesplitst in de verschillende soorten delfstoffen, en de gerealiseerde dieptes;
2° een digitaal grafisch opmetingsbestand, gerefereerd in het Lambert BD72-stelsel en de Tweede Algemene Waterpassing (TAW). Daarin zijn de volgende gegevens opgenomen:
a) kadastrale gegevens;
b) grens van de vergunning;
c) situering van alle gebouwen;
d) situering van de toegangswegen en uitbatingswegen;
e) aanduiding van grachten, beken en andere waterlopen;
f) aanduiding van de ontginningsfronten;
g) voldoende hoogtepeilen van het maaiveld;
h) voldoende hoogtepeilen van het oorspronkelijke reliëf binnen de vergunning, voor het gedeelte van de vergunning waar de ontginning aangevat wordt na 1 januari 2018;
i) in geval van droge ontginning: voldoende hoogtepeilen langs taluds en ontginningsfronten;
j) in geval van natte ontginning: voldoende peilpunten van de baggerzones;
k) voldoende hoogtepeilen of voldoende peilpunten van de gerealiseerde opvullingen en de definitieve eindafwerking;
l) aanduiding van waterplassen, slibbekkens en andere bekkens;
m) aanduiding, met behulp van inkleuring of arcering, van de delen die niet in ontginning zijn of die onaangeroerd zijn, de delen die in ontginning, inclusief afgedekt, zijn, en de delen die hun eindafwerking gekregen hebben;
n) aanduiding van de referentiepunten voor de opeenvolgende metingen;
3° een tabel met een bondige beschrijving van de referentiepunten, onder meer piket, grenspaal, merkteken en hoek van het gebouw, samen met de respectieve coördinaten in Lambert BD72/TAW;
4° de grondbalans met de geraamde hoeveelheden teelaarde en overige dekgronden, de werkelijk gerealiseerde depots, de hergebruikte teelaarde, dekgronden en tussenlagen in het kader van de eindafwerking of de nabestemming en de nog te reserveren teelaarde, dekgronden en tussenlagen;
5° een plan met de zonering en fasering van de ontginning en met vermelding van de oppervlakten van de verschillende zones;
6° de stand van zaken betreffende de realisatie van de eindafwerking, met opgave van de percelen of delen van percelen waarvan de eindafwerking is gerealiseerd.".
Art. 6. A l'article 24 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand du 16 juin 2006, du 7 mars 2008 et du 24 février 2017, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa premier est remplacé par la disposition suivante :
"Au plus tard le 31 mars après chaque année calendaire entière à partir du début du délai d'autorisation, le détenteur de l'autorisation remet au département un rapport d'avancement relatif à l'exploitation et au parachèvement final de l'année calendaire écoulée, sous forme d'un envoi numérique dans un format d'échange adéquat, établi par le département. A titre d'exception, le premier rapport d'avancement de base se rapporte à la période à partir du début de l'exploitation jusqu'à et y compris la fin de la première année calendaire complète qui tombe endéans le délai d'autorisation. L'obligation de remettre un rapport d'avancement annuel au département, échoit par la remise d'un dernier rapport d'avancement de base lorsque le parachèvement final a été complètement réalisé." ;
2° le troisième alinéa est remplacé par la disposition suivante :
" Le rapport d'avancement de base contient au moins les données suivantes :
1° l'état des lieux de l'exploitation, sous forme d'un plan de situation et de l'indication des quantités exploitées, éventuellement ventilées en types de minerais, et des profondeurs réalisées ;
2° un fichier des mesures graphique numérisé, référencé en Lambert BD72 et par rapport au Deuxième Nivellement Général (DNG). Celui-ci reprend les données suivantes :
a) données cadastrales ;
b) expiration de l'autorisation ;
c) emplacement de tous les bâtiments ;
d) emplacement des voies d'accès et des routes d'exploitation ;
e) indication de fossés, de ruisseaux et d'autres voies d'eau ;
f) indication des fronts d'exploitation ;
g) niveaux de hauteur suffisants du niveau du sol ;
h) niveaux de hauteur suffisants du relief original endéans l'autorisation, pour la partie de l'autorisation où l'extraction est entreprise après le 1 janvier 2018 ;
i) dans le cas d'une exploitation sèche : des niveaux de hauteur suffisants le long des talus et des fronts d'exploitation ;
j) dans le cas d'une exploitation humide : des jauges suffisants des zones de draguage ;
k) des niveaux de hauteur suffisants ou des jauges suffisants des remblayages réalisés et du parachèvement final définitif ;
l) indication des plans d'eau, des bassins à boues et d'autres bassins ;
m) indication, à l'aide d'une coloration ou d'une partie hachurée des parties non exploitées ou laissées intactes, des parties en cours d'exploitation, y compris de celles qui sont recouvertes, et des parties qui ont reçu leur parachèvement final ;
n) l'indication des points de référence pour les mesures successives ;
3° un tableau assorti d'une description concise des points de référence (piquet, pilier, repères, coin du bâtiment, ...) ainsi que leurs coordonnées respectives en Lambert BD72/DNG ;
4° le bilan du sol avec les quantités estimées de terre franche et d'autres terres de recouvrement; les dépôts réellement réalisés, la terre franche réutilisée, les terres de recouvrement et les couches intermédiaires dans le cadre du parachèvement final ou de la destination ultérieure, et la terre franche, les terres de recouvrement et les couches intermédiaires qui doivent encore être réservées ;
5° un plan avec les zones et les phases de l'exploitation et la mention des surfaces des différentes zones ;
6° l'état des lieux de la réalisation et du parachèvement final, avec indication des parcelles ou des parties de parcelles dont le parachèvement final a été réalisé.".
1° l'alinéa premier est remplacé par la disposition suivante :
"Au plus tard le 31 mars après chaque année calendaire entière à partir du début du délai d'autorisation, le détenteur de l'autorisation remet au département un rapport d'avancement relatif à l'exploitation et au parachèvement final de l'année calendaire écoulée, sous forme d'un envoi numérique dans un format d'échange adéquat, établi par le département. A titre d'exception, le premier rapport d'avancement de base se rapporte à la période à partir du début de l'exploitation jusqu'à et y compris la fin de la première année calendaire complète qui tombe endéans le délai d'autorisation. L'obligation de remettre un rapport d'avancement annuel au département, échoit par la remise d'un dernier rapport d'avancement de base lorsque le parachèvement final a été complètement réalisé." ;
2° le troisième alinéa est remplacé par la disposition suivante :
" Le rapport d'avancement de base contient au moins les données suivantes :
1° l'état des lieux de l'exploitation, sous forme d'un plan de situation et de l'indication des quantités exploitées, éventuellement ventilées en types de minerais, et des profondeurs réalisées ;
2° un fichier des mesures graphique numérisé, référencé en Lambert BD72 et par rapport au Deuxième Nivellement Général (DNG). Celui-ci reprend les données suivantes :
a) données cadastrales ;
b) expiration de l'autorisation ;
c) emplacement de tous les bâtiments ;
d) emplacement des voies d'accès et des routes d'exploitation ;
e) indication de fossés, de ruisseaux et d'autres voies d'eau ;
f) indication des fronts d'exploitation ;
g) niveaux de hauteur suffisants du niveau du sol ;
h) niveaux de hauteur suffisants du relief original endéans l'autorisation, pour la partie de l'autorisation où l'extraction est entreprise après le 1 janvier 2018 ;
i) dans le cas d'une exploitation sèche : des niveaux de hauteur suffisants le long des talus et des fronts d'exploitation ;
j) dans le cas d'une exploitation humide : des jauges suffisants des zones de draguage ;
k) des niveaux de hauteur suffisants ou des jauges suffisants des remblayages réalisés et du parachèvement final définitif ;
l) indication des plans d'eau, des bassins à boues et d'autres bassins ;
m) indication, à l'aide d'une coloration ou d'une partie hachurée des parties non exploitées ou laissées intactes, des parties en cours d'exploitation, y compris de celles qui sont recouvertes, et des parties qui ont reçu leur parachèvement final ;
n) l'indication des points de référence pour les mesures successives ;
3° un tableau assorti d'une description concise des points de référence (piquet, pilier, repères, coin du bâtiment, ...) ainsi que leurs coordonnées respectives en Lambert BD72/DNG ;
4° le bilan du sol avec les quantités estimées de terre franche et d'autres terres de recouvrement; les dépôts réellement réalisés, la terre franche réutilisée, les terres de recouvrement et les couches intermédiaires dans le cadre du parachèvement final ou de la destination ultérieure, et la terre franche, les terres de recouvrement et les couches intermédiaires qui doivent encore être réservées ;
5° un plan avec les zones et les phases de l'exploitation et la mention des surfaces des différentes zones ;
6° l'état des lieux de la réalisation et du parachèvement final, avec indication des parcelles ou des parties de parcelles dont le parachèvement final a été réalisé.".
Art. 7. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 februari 2017, wordt titel V, die bestaat uit artikel 25 tot en met 36, opgeheven.
Art. 7. Dans le même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 février 2017, le titre V, qui est constitué des articles 25 à 36 inclus, est abrogé.
Art. 8. In artikel 38 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008 en 24 februari 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden "en titel V" opgeheven;
2° in het eerste lid worden de woorden "aangetekend schrijven" vervangen door de woorden "beveiligde zending";
3° in het tweede lid worden de woorden "de poststempel" vervangen door de woorden "het versturen van de aangetekende zending of de beveiligde digitale zending of van de afgifte tegen ontvangstbewijs".
1° in het eerste lid worden de woorden "en titel V" opgeheven;
2° in het eerste lid worden de woorden "aangetekend schrijven" vervangen door de woorden "beveiligde zending";
3° in het tweede lid worden de woorden "de poststempel" vervangen door de woorden "het versturen van de aangetekende zending of de beveiligde digitale zending of van de afgifte tegen ontvangstbewijs".
Art. 8. Dans l'article 38 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 7 mars 2008 et 24 février 2017, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, les mots " et du titre V " sont abrogés ;
2° dans l'alinéa premier, les mots "courrier recommandé" sont remplacés par les mots "envoi sécurisé" ;
3° dans l'alinéa deux les mots "du cachet de la poste" sont remplacés par les mots "de l'expédition de l'envoi recommandé ou de l'envoi numérique sécurisé ou de la remise contre récépissé".
1° dans l'alinéa 1er, les mots " et du titre V " sont abrogés ;
2° dans l'alinéa premier, les mots "courrier recommandé" sont remplacés par les mots "envoi sécurisé" ;
3° dans l'alinéa deux les mots "du cachet de la poste" sont remplacés par les mots "de l'expédition de l'envoi recommandé ou de l'envoi numérique sécurisé ou de la remise contre récépissé".
Art. 9. Artikel 41 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008, 30 april 2009 en 24 februari 2017, wordt opgeheven.
Art. 9. L'article 41 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 7 mars 2008, 30 avril 2009 et 24 février 2017, est abrogé.
Afdeling 2. - Wijziging van bijlage XVI bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
Section 2. - Modification de l'annexe XVI à l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 portant exécution du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement
Art. 10. Bijlage XVI bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2009 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2015, wordt vervangen door de bijlage die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 10. L'annexe XVI à l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 portant exécution du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, insérée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 avril 2009 et remplacée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juillet 2015, est remplacée par l'annexe jointe au présent arrêté.
HOOFDSTUK 2. - Slotbepalingen
CHAPITRE 2. - Dispositions finales
Art. 11. De volgende regelingen worden opgeheven:
1° het ministerieel besluit van 14 mei 2009 houdende oprichting en benoeming van de leden van de beoordelingscommissie landbouwnabestemming voor het bijzonder oppervlaktedelfstoffenplan Klei van de Kempen, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 23 juni 2010;
2° het ministerieel besluit van 14 mei 2009 houdende oprichting en benoeming van de leden van de beoordelingscommissie landbouwnabestemming voor het bijzonder oppervlaktedelfstoffenplan Klei van Ieper & Maldegemklei, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 26 september 2011;
3° het ministerieel besluit van 24 februari 2011 houdende oprichting en benoeming van de leden van de beoordelingscommissie landbouwnabestemming voor het bijzonder oppervlaktedelfstoffenplan `Vlaamse Leemstreek', gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 5 december 2012 en 13 december 2012;
4° het ministerieel besluit van 18 juli 2011 houdende oprichting en benoeming van de leden van de beoordelingscommissie landbouwnabestemming "Polderklei" voor het bijzonder oppervlaktedelfstoffenplan "Alluviale klei & Polderklei".
1° het ministerieel besluit van 14 mei 2009 houdende oprichting en benoeming van de leden van de beoordelingscommissie landbouwnabestemming voor het bijzonder oppervlaktedelfstoffenplan Klei van de Kempen, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 23 juni 2010;
2° het ministerieel besluit van 14 mei 2009 houdende oprichting en benoeming van de leden van de beoordelingscommissie landbouwnabestemming voor het bijzonder oppervlaktedelfstoffenplan Klei van Ieper & Maldegemklei, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 26 september 2011;
3° het ministerieel besluit van 24 februari 2011 houdende oprichting en benoeming van de leden van de beoordelingscommissie landbouwnabestemming voor het bijzonder oppervlaktedelfstoffenplan `Vlaamse Leemstreek', gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 5 december 2012 en 13 december 2012;
4° het ministerieel besluit van 18 juli 2011 houdende oprichting en benoeming van de leden van de beoordelingscommissie landbouwnabestemming "Polderklei" voor het bijzonder oppervlaktedelfstoffenplan "Alluviale klei & Polderklei".
Art. 11. Les réglementations suivantes sont abrogées :
1° l'arrêté ministériel du 14 mai 2009 établissant la commission d'évaluation 'landbouwnabestemming voor het bijzonder oppervlaktedelfstoffenplan Klei van de Kempen' et désignant ses membres, modifié par l'arrêté ministériel du 23 juin 2010 ;
2° l'arrêté ministériel du 14 mai 2009 établissant la commission d'évaluation 'landbouwnabestemming voor het bijzonder oppervlaktedelfstoffenplan Klei van Ieper & Maldegemklei' et désignant ses membres, modifié par l'arrêté ministériel du 26 septembre 2011 ;
3° l'arrêté ministériel du 24 février 2011 établissant la commission d'évaluation 'landbouwnabestemming voor het bijzonder oppervlaktedelfstoffenplan Vlaamse Leemstreek' et désignant ses membres, modifié par les arrêtés ministériels des 5 décembre 2012 et 13 décembre 2012 ;
4° l'arrêté ministériel du 18 juillet 2011 établissant la commission d'évaluation 'landbouwnabestemming "Polderklei" voor het bijzonder oppervlaktedelfstoffenplan Alluviale klei & Polderklei' et désignant ses membres.
1° l'arrêté ministériel du 14 mai 2009 établissant la commission d'évaluation 'landbouwnabestemming voor het bijzonder oppervlaktedelfstoffenplan Klei van de Kempen' et désignant ses membres, modifié par l'arrêté ministériel du 23 juin 2010 ;
2° l'arrêté ministériel du 14 mai 2009 établissant la commission d'évaluation 'landbouwnabestemming voor het bijzonder oppervlaktedelfstoffenplan Klei van Ieper & Maldegemklei' et désignant ses membres, modifié par l'arrêté ministériel du 26 septembre 2011 ;
3° l'arrêté ministériel du 24 février 2011 établissant la commission d'évaluation 'landbouwnabestemming voor het bijzonder oppervlaktedelfstoffenplan Vlaamse Leemstreek' et désignant ses membres, modifié par les arrêtés ministériels des 5 décembre 2012 et 13 décembre 2012 ;
4° l'arrêté ministériel du 18 juillet 2011 établissant la commission d'évaluation 'landbouwnabestemming "Polderklei" voor het bijzonder oppervlaktedelfstoffenplan Alluviale klei & Polderklei' et désignant ses membres.
Art. 12. De Vlaamse minister, bevoegd voor de natuurlijke rijkdommen, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 12. Le Ministre flamand qui a les ressources naturelles dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. Bijlage XVI bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
Bijlage XVI. - Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
Bijlage XVI. - Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
Art. N. Annexe XVI à l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 portant exécution du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement
Annexe XVI. - Liste des infractions environnementales, en exécution de l'article 16.1.2, 1°, f), et de l'article 16.4.27, alinéa trois, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
Annexe XVI. - Liste des infractions environnementales, en exécution de l'article 16.1.2, 1°, f), et de l'article 16.4.27, alinéa trois, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
Artikel 1. Enig artikel. Het niet-voldoen aan de hiernavolgende wettelijke verplichtingen als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 26 maart 2004 houdende regels tot uitvoering van het oppervlaktedelfstoffendecreet, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk:
Article 1. Article unique. Le non-respect des obligations légales suivantes, telles qu'elles figurent dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 mars 2004 portant exécution du décret relatif aux minerais de surface, est considéré comme une infraction environnementale :
| artikel | wettelijke verplichting |
| 14, § 2, tweede zin | De nieuwe vergunninghouder stelt het departement hiervan per beveiligde zending in kennis. |
| 15, § 3, eerste lid | Indien de vergunninghouder een tijdelijke opslag van de uit zijn onderzoeksareaal gewonnen oppervlaktedelfstoffen voorziet op een perceel dat geen deel uitmaakt van de aanvraag, dient hij het departement daarvan schriftelijk en voorafgaandelijk op de hoogte te brengen, met opgave van de referenties van dit perceel. Dit geldt zowel voor percelen gelegen binnen als buiten het ontginningsgebied. |
| 24 | Uiterlijk op 31 maart na elk volledig kalenderjaar vanaf de start van de vergunningstermijn bezorgt de vergunninghouder aan het departement een voortgangsrapport over de exploitatie en de eindafwerking in het voorbije kalenderjaar, in de vorm van een digitale zending in een geschikt uitwisselingsformaat, vastgesteld door het departement. Bij wijze van uitzondering heeft het eerste basisvoortgangsrapport betrekking op de periode vanaf de aanvang van de ontginning tot en met het einde van het eerste volledige kalenderjaar dat binnen de vergunningstermijn valt. De verplichting om jaarlijks een voortgangsrapport te bezorgen aan het departement, eindigt met een laatste basisvoortgangsrapport wanneer de eindafwerking volledig gerealiseerd is. |
| Na een eerste basisvoortgangsrapport kunnen de daaropvolgende jaarlijkse voortgangsrapporten zich beperken tot het aanleveren van de gegevens die wijzigingen inhouden ten opzichte van de vorige voortgangsrapporten. Ook ingeval er in het voorbije kalenderjaar geen enkele wijziging is opgetreden, wordt dit aan het departement gemeld. In elk geval wordt om de vijf jaar een geactualiseerd basisvoortgangsrapport aan het departement bezorgd. | |
| Het basisvoortgangsrapport bevat minstens de volgende gegevens: | |
| 1° de stand van zaken betreffende de ontginning die bestaat uit een situeringsplan en een opgave van de ontgonnen hoeveelheden, eventueel opgesplitst in de verschillende soorten delfstoffen, en de gerealiseerde dieptes; | |
| 2° een digitaal grafisch opmetingsbestand, gerefereerd in het Lambert BD72-stelsel en de Tweede Algemene Waterpassing (TAW). Daarin zijn de volgende gegevens opgenomen: | |
| a) kadastrale gegevens; | |
| b) grens van de vergunning; | |
| c) situering van alle gebouwen; | |
| d) situering van de toegangswegen en uitbatingswegen; | |
| e) aanduiding van grachten, beken en andere waterlopen; | |
| f) aanduiding van de ontginningsfronten; | |
| g) voldoende hoogtepeilen van het maaiveld; | |
| h) voldoende hoogtepeilen van het oorspronkelijke reliëf binnen de vergunning, voor het gedeelte van de vergunning waar de ontginning aangevat wordt na 1 januari 2018; | |
| i) in geval van droge ontginning: voldoende hoogtepeilen langs taluds en ontginningsfronten; | |
| j) in geval van natte ontginning: voldoende peilpunten van de baggerzones; | |
| k) voldoende hoogtepeilen of voldoende peilpunten van de gerealiseerde opvullingen en de definitieve eindafwerking; | |
| l) aanduiding van waterplassen, slibbekkens en andere bekkens; | |
| m) aanduiding, met behulp van inkleuring of arcering, van de delen die niet in ontginning zijn of die onaangeroerd zijn, de delen die in ontginning, inclusief afgedekt, zijn, en de delen die hun eindafwerking gekregen hebben; | |
| n) aanduiding van de referentiepunten voor de opeenvolgende metingen; | |
| 3° een tabel met een bondige beschrijving van de referentiepunten, onder meer piket, grenspaal, merkteken en hoek van het gebouw, samen met de respectieve coördinaten in Lambert BD72/TAW; | |
| 4° de grondbalans met de geraamde hoeveelheden teelaarde en overige dekgronden, de werkelijk gerealiseerde depots, de hergebruikte teelaarde, dekgronden en tussenlagen in het kader van de eindafwerking of de nabestemming en de nog te reserveren teelaarde, dekgronden en tussenlagen; | |
| 5° een plan met de zonering en fasering van de ontginning en met vermelding van de oppervlakten van de verschillende zones; | |
| 6° de stand van zaken betreffende de realisatie van de eindafwerking, met opgave van de percelen of delen van percelen waarvan de eindafwerking is gerealiseerd. |
| article | obligation légale |
| 14, § 2, deuxième phrase | Le nouveau détenteur de l'autorisation met le département au courant de ce fait par envoi sécurisé. |
| 15, § 3, alinéa premier | Si le détenteur de l'autorisation prévoit un stockage temporaire des minerais de surface extraits sur sa zone d'étude sur une parcelle qui ne fait pas partie de la demande, il doit le communiquer au département par écrit et à l'avance, en indiquant les références de cette parcelle. Cela vaut pour les parcelles situées tant à l'intérieur qu'à l'extérieur de la zone d'exploitation. |
| 24 | Au plus tard le 31 mars après chaque année calendaire entière à partir du début du délai d'autorisation, le détenteur de l'autorisation remet au département un rapport d'avancement relatif à l'exploitation et au parachèvement final de l'année calendaire écoulée, sous forme d'un envoi numérique dans un format d'échange adéquat, établi par le département. A titre d'exception, le premier rapport d'avancement de base se rapporte à la période à partir du début de l'exploitation jusqu'à et y compris la fin de la première année calendaire complète qui tombe endéans le délai d'autorisation. L'obligation de remettre un rapport d'avancement annuel au département, échoit par la remise d'un dernier rapport d'avancement de base lorsque le parachèvement final a été complètement réalisé. |
| Après le premier rapport de progression de base, les rapports de progression annuels suivants peuvent se limiter à la fourniture de données comportant des modifications par rapport aux rapports de progression antérieurs. Même si aucune modification n'est intervenue au cours de l'année calendaire écoulée, le département en est averti. Un rapport de progression de base actualisé est en tout cas transmis tous les cinq ans au département. | |
| Ce rapport d'avancement de base contient au moins les données suivantes : | |
| 1° l'état des lieux de l'exploitation, sous forme d'un plan de situation et de l'indication des quantités exploitées, éventuellement ventilées en types de minerais, et des profondeurs réalisées ; | |
| 2° un fichier de mesure graphique numérique, à laquelle il est fait référence dans le système DB72 Lambert et le " Deuxième Nivellement Général " (DNG). | |
| Celui-ci reprend les données suivantes : | |
| a) données cadastrales ; | |
| b) expiration de l'autorisation ; | |
| c) emplacement de tous les bâtiments ; | |
| d) emplacement des voies d'accès et des routes d'exploitation ; | |
| e) indication de fossés, de ruisseaux et d'autres voies d'eau ; | |
| f) indication des fronts d'exploitation ; | |
| g) niveaux de hauteurs suffisants du niveau du sol ; | |
| h) niveaux de hauteur suffisants du relief original endéans l'autorisation, pour la partie de l'autorisation où l'extraction est entreprise après le 1 janvier 2018 ; | |
| i) dans le cas d'une exploitation sèche : des niveaux de hauteur suffisants le long des talus et des fronts d'exploitation ; | |
| j) dans le cas d'une exploitation humide : des jauges suffisants des zones de draguage ; | |
| k) des niveaux de hauteur suffisants ou des jauges suffisants des remblayages réalisés et du parachèvement final définitif ; | |
| l) indication des plans d'eau, des bassins à boues et d'autres bassins ; | |
| m) indication, à l'aide d'une coloration ou d'une partie hachurée des parties non exploitées ou laissées intactes, des parties en cours d'exploitation, y compris de celles qui sont recouvertes, et des parties qui ont reçu leur parachèvement final ; | |
| n) l'indication des points de référence pour les mesures successives ; | |
| 3° un tableau assorti d'une description concise des points de référence (piquet, pilier, repères, coin du bâtiment, ...) ainsi que leurs coordonnées respectives en Lambert BD72/DNG ; | |
| 4° le bilan du sol avec les quantités estimées de terre franche et d'autres terres de recouvrement; les dépôts réellement réalisés, la terre franche réutilisée, les terres de recouvrement et les couches intermédiaires dans le cadre du parachèvement ou de la destination ultérieure, et la terre franche, les terres de recouvrement et les couches intermédiaires qui doivent encore être réservées ; | |
| 5° un plan avec les zones et les phases de l'exploitation et la mention des surfaces des différentes zones ; | |
| 6° l'état des lieux de la réalisation et du parachèvement final, avec indication des parcelles ou des parties de parcelles dont le parachèvement final a été réalisé. ". |