Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder:
1° agentschap: het Agentschap voor Natuur en Bos, opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2005 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Agentschap voor Natuur en Bos;
2° beveiligde zending: een van de volgende betekeningswijzen:
a) een aangetekende brief;
b) een afgifte tegen ontvangstbewijs;
c) een elektronisch aangetekende zending;
d) in voorkomend geval elektronische communicatie via een elektronisch loket van het agentschap
3° decreet van 21 oktober 1997: het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
4° minister: de Vlaamse minister bevoegd voor het natuurbehoud;
5° terrein: een terrein dat beheerd wordt of zal worden ten behoeve van het natuurbehoud.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
14 JULI 2017. - Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de natuurbeheerplannen en de erkenning van natuurreservaten(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 18-10-2017 en tekstbijwerking tot 10-10-2024)
Titre
14 JUILLET 2017. - Arrêté du Gouvernement flamand relatif aux plans de gestion de la nature et à l'agrément de réserves naturelles(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 18-10-2017 et mise à jour au 10-10-2024)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
HOOFDSTUK 2. - Het natuurbeheerplan
Afdeling 1. - Vorm en inhoud van het natuurbehe...
Afdeling 2. - Indiening, consultatie- en advies...
Onderafdeling 1. - Andere terreinen dan natuurd...
Onderafdeling 2. - Natuurdomeinen
Afdeling 3. - Het register
Afdeling 4. - Opvolging en evaluatie van het na...
Afdeling 5. - Wijziging van het natuurbeheerplan
Afdeling 6. - De opheffing van het natuurbeheer...
Afdeling 7. - De samenstelling en de werking va...
Afdeling 8. - De beroepsprocedure
Afdeling 9. - Natuurstreefbeelden
HOOFDSTUK 3. - De erkenning als natuurreservaat
Afdeling 1. - Procedure voor de erkenning als n...
Onderafdeling 1. - Erkenning als natuurreservaa...
Onderafdeling 2. - Erkenning als natuurreservaa...
Afdeling 2. - Procedure voor de opheffing van d...
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingsbepalingen
Afdeling 1. - Wijzigingen van de uitvoeringsbes...
Afdeling 2. - Wijzigingen van het besluit van d...
Afdeling 3. - Wijzigingen van het besluit van d...
Afdeling 4. - Wijziging van het besluit van de ...
Afdeling 5. - Wijzigingen van het besluit van d...
HOOFDSTUK 5. - Slotbepalingen
BIJLAGEN.
Table des matières
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
CHAPITRE 2. - Le plan de gestion de la nature
Section 1ère. - Forme et contenu du plan de ges...
Section 2. - Introduction, phase de consultatio...
Sous-section 1re. - Terrains autres que des dom...
Sous-section 2. - Domaines naturels
Section 3. - Le registre
Section 4. - Suivi et évaluation du plan de ges...
Section 5. - Modification du plan de gestion de...
Section 6. - L'abrogation du plan de gestion de...
Section 7. - La composition et le fonctionnemen...
Section 8. - La procédure de recours
Section 9. - Objectifs naturels
CHAPITRE 3. - L'agrément comme réserve naturelle
Section 1. - Procédure pour l'agrément comme ré...
Sous-section 1. - Agrément comme réserve nature...
Sous-section 2. - Agrément comme réserve nature...
Section 2. - Procédure pour l'abrogation de l'a...
CHAPITRE 4. - Dispositions modificatives
Section 1. - Modifications des arrêtés d'exécut...
Section 2. - Modifications de l'arrêté du Gouve...
Section 3. - Modifications de l'arrêté du Gouve...
Section 4. - Modification de l'arrêté du Gouver...
Section 5. - Modifications de l'arrêté du Gouve...
CHAPITRE 5. - Dispositions finales
ANNEXES.
Tekst (87)
Texte (87)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Article 1er. Dans le présent arrêté, on entend par :
1° agence : l'Agentschap voor Natuur en Bos créée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2005 portant création de l'agence autonomisée interne sans personnalité juridique Agentschap voor Natuur en Bos (Agence de la Nature et des Forêts) ;
2° envoi sécurisé : un des modes de notification suivants :
a) une lettre recommandée ;
b) une remise contre récépissé ;
c) un envoi recommandé électronique ;
d) le cas échéant, une communication électronique par le biais d'un guichet électronique de l'agence
3° décret du 21 octobre 1997 : le décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ;
4° le Ministre: le Ministre flamand chargé de la conservation de la nature ;
5° terrain : un terrain qui est ou sera géré au profit de la conservation de la nature.
1° agence : l'Agentschap voor Natuur en Bos créée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2005 portant création de l'agence autonomisée interne sans personnalité juridique Agentschap voor Natuur en Bos (Agence de la Nature et des Forêts) ;
2° envoi sécurisé : un des modes de notification suivants :
a) une lettre recommandée ;
b) une remise contre récépissé ;
c) un envoi recommandé électronique ;
d) le cas échéant, une communication électronique par le biais d'un guichet électronique de l'agence
3° décret du 21 octobre 1997 : le décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ;
4° le Ministre: le Ministre flamand chargé de la conservation de la nature ;
5° terrain : un terrain qui est ou sera géré au profit de la conservation de la nature.
HOOFDSTUK 2. - Het natuurbeheerplan
CHAPITRE 2. - Le plan de gestion de la nature
Afdeling 1. - Vorm en inhoud van het natuurbeheerplan
Section 1ère. - Forme et contenu du plan de gestion de la nature
Art. 2. § 1. De beheerder van een terrein of zijn gevolmachtigde kan bij het agentschap een aanvraag tot goedkeuring van een natuurbeheerplan indienen.
Een of meer beheerders van terreinen kunnen een aanvraag tot goedkeuring van een gezamenlijk natuurbeheerplan indienen. Het gezamenlijk natuurbeheerplan heeft betrekking op terreinen die ecologisch een samenhangend geheel vormen. De aanvraag tot goedkeuring van het gezamenlijk natuurbeheerplan wordt ingediend door de gevolmachtigde.
§ 2. De gevolmachtigde, vermeld in paragraaf 1, eerste en tweede lid, voegt aan de aanvraag een volmacht of een verklaring op erewoord toe dat hij gevolmachtigd is om het natuurbeheerplan ter goedkeuring in te dienen. Alle correspondentie over het natuurbeheerplan verloopt via de gevolmachtigde. Als een andere gevolmachtigde wordt aangesteld, wordt een aangepaste volmacht of verklaring op erewoord aan het agentschap bezorgd.
§ 3. In de aanvraag wordt het ondertekend akkoord van de eigenaar, de mede-eigenaars of de houders van andere zakelijke rechten op het terrein of de terreinen in kwestie vermeld, voor zover die personen niet dezelfde zijn als de beheerder. Voor verpachte percelen wordt tevens het ondertekend akkoord van de pachter vermeld op de aanvraag.
§ 4. Voor de aanvraag voor goedkeuring van een natuurbeheerplan wordt gebruik gemaakt van de formulieren, waarvan het model ter beschikking wordt gesteld op de website www.natuurenbos.be van het agentschap.
§ 5. Als voor een terrein naast een natuurbeheerplan ook een beheersplan in het kader van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 wordt opgemaakt voor een onroerend goed of erfgoedlandschap, worden de beheersdoelstellingen in één plan geïntegreerd. In voorkomend geval wordt de procedure voor geïntegreerde beheersplannen vermeld in hoofdstuk 8, afdeling 3, van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014 gevolgd.
§ 6. Wat de in dit besluit gebruikte termijnen in kalenderdagen betreft gelden de volgende regels:
1° de dag van de gebeurtenis die de termijn doet ingaan, wordt niet in de termijn begrepen, maar de vervaldag wordt wel inbegrepen;
2° als de vervaldag een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, wordt de vervaldag verplaatst op de eerstvolgende werkdag;
3° de termijnen die betrekking hebben op een bepaalde beslissing, gelden als termijnen van orde. Het gaat met name om de termijnen in artikel 4, vijfde lid, zesde lid, 3°, en zevende lid, 3°, artikel 7, § 2 en § 3, artikel 16, § 3, tweede lid, artikel 22, § 2, derde lid, en § 3, tweede lid, en artikel 32.
Een of meer beheerders van terreinen kunnen een aanvraag tot goedkeuring van een gezamenlijk natuurbeheerplan indienen. Het gezamenlijk natuurbeheerplan heeft betrekking op terreinen die ecologisch een samenhangend geheel vormen. De aanvraag tot goedkeuring van het gezamenlijk natuurbeheerplan wordt ingediend door de gevolmachtigde.
§ 2. De gevolmachtigde, vermeld in paragraaf 1, eerste en tweede lid, voegt aan de aanvraag een volmacht of een verklaring op erewoord toe dat hij gevolmachtigd is om het natuurbeheerplan ter goedkeuring in te dienen. Alle correspondentie over het natuurbeheerplan verloopt via de gevolmachtigde. Als een andere gevolmachtigde wordt aangesteld, wordt een aangepaste volmacht of verklaring op erewoord aan het agentschap bezorgd.
§ 3. In de aanvraag wordt het ondertekend akkoord van de eigenaar, de mede-eigenaars of de houders van andere zakelijke rechten op het terrein of de terreinen in kwestie vermeld, voor zover die personen niet dezelfde zijn als de beheerder. Voor verpachte percelen wordt tevens het ondertekend akkoord van de pachter vermeld op de aanvraag.
§ 4. Voor de aanvraag voor goedkeuring van een natuurbeheerplan wordt gebruik gemaakt van de formulieren, waarvan het model ter beschikking wordt gesteld op de website www.natuurenbos.be van het agentschap.
§ 5. Als voor een terrein naast een natuurbeheerplan ook een beheersplan in het kader van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 wordt opgemaakt voor een onroerend goed of erfgoedlandschap, worden de beheersdoelstellingen in één plan geïntegreerd. In voorkomend geval wordt de procedure voor geïntegreerde beheersplannen vermeld in hoofdstuk 8, afdeling 3, van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014 gevolgd.
§ 6. Wat de in dit besluit gebruikte termijnen in kalenderdagen betreft gelden de volgende regels:
1° de dag van de gebeurtenis die de termijn doet ingaan, wordt niet in de termijn begrepen, maar de vervaldag wordt wel inbegrepen;
2° als de vervaldag een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, wordt de vervaldag verplaatst op de eerstvolgende werkdag;
3° de termijnen die betrekking hebben op een bepaalde beslissing, gelden als termijnen van orde. Het gaat met name om de termijnen in artikel 4, vijfde lid, zesde lid, 3°, en zevende lid, 3°, artikel 7, § 2 en § 3, artikel 16, § 3, tweede lid, artikel 22, § 2, derde lid, en § 3, tweede lid, en artikel 32.
Art. 2. § 1er. Le gestionnaire d'un terrain ou son mandataire peut introduire auprès de l'agence une demande d'approbation d'un plan de gestion de la nature.
Un ou plusieurs gestionnaires de terrains peuvent introduire une demande d'approbation d'un plan conjoint de gestion de la nature. La plan conjoint de gestion de la nature concerne des terrains qui constituent un ensemble cohérent au niveau écologique. La demande d'approbation du plan conjoint de gestion de la nature est introduite par le mandataire.
§ 2. Le mandataire visé au paragraphe 1er, alinéas 1er et 2, joint à la demande une procuration ou une déclaration sur l'honneur qui l'autorise à introduire le plan de gestion de la nature à l'approbation. Toute correspondance concernant le plan de gestion de la nature passe par le mandataire. Si un autre mandataire est désigné, une procuration ou déclaration sur l'honneur adaptée sera transmise à l'agence.
§ 3. La demande mentionne l'accord signé du propriétaire, des copropriétaires ou des titulaires d'autres droits réels sur le terrain ou les terrains en question, dans la mesure où ces personnes ne sont pas le gestionnaire. Pour les parcelles données à bail, l'accord signé du bailleur est également mentionné sur la demande.
§ 4. La demande d'approbation d'un plan de gestion de la nature est introduite à l'aide des formulaires, dont le modèle est mis à disposition sur le site web www.natuurenbos.be de l'agence.
§ 5. Si, outre un plan de gestion de la nature pour un terrain, un plan de gestion dans le cadre du Décret sur le patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 est également établi pour un bien immobilier ou un paysage patrimonial, les objectifs de gestion sont intégrés dans un seul plan. Le cas échéant, la procédure pour des plans de gestion intégrés, visée au chapitre 8, section 3, de l'Arrêté sur le Patrimoine immobilier du 16 mai 2014, sera suivie.
§ 6. Les règles suivantes s'appliquent aux délais en jours calendaires utilisés dans le présent arrêté :
1° le jour de l'événement qui fait produire les effets du délai, n'est pas compris dans le délai, tandis que la date d'échéance est bien comprise ;
2° lorsque la date d'échéance est un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, elle est reportée au plus prochain jour ouvrable ;
3° les délais qui concernent une certaine décision, s'appliquent comme des délais d'ordre. Il s'agit notamment des délais à l'article 4, alinéa 5, alinéa 6, 3°, et alinéa 7, 3°, l'article 7, § 2 et § 3, l'article 16, § 3, alinéa 2, l'article 22, § 2, alinéa 3, et § 3, alinéa 2, et l'article 32.
Un ou plusieurs gestionnaires de terrains peuvent introduire une demande d'approbation d'un plan conjoint de gestion de la nature. La plan conjoint de gestion de la nature concerne des terrains qui constituent un ensemble cohérent au niveau écologique. La demande d'approbation du plan conjoint de gestion de la nature est introduite par le mandataire.
§ 2. Le mandataire visé au paragraphe 1er, alinéas 1er et 2, joint à la demande une procuration ou une déclaration sur l'honneur qui l'autorise à introduire le plan de gestion de la nature à l'approbation. Toute correspondance concernant le plan de gestion de la nature passe par le mandataire. Si un autre mandataire est désigné, une procuration ou déclaration sur l'honneur adaptée sera transmise à l'agence.
§ 3. La demande mentionne l'accord signé du propriétaire, des copropriétaires ou des titulaires d'autres droits réels sur le terrain ou les terrains en question, dans la mesure où ces personnes ne sont pas le gestionnaire. Pour les parcelles données à bail, l'accord signé du bailleur est également mentionné sur la demande.
§ 4. La demande d'approbation d'un plan de gestion de la nature est introduite à l'aide des formulaires, dont le modèle est mis à disposition sur le site web www.natuurenbos.be de l'agence.
§ 5. Si, outre un plan de gestion de la nature pour un terrain, un plan de gestion dans le cadre du Décret sur le patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 est également établi pour un bien immobilier ou un paysage patrimonial, les objectifs de gestion sont intégrés dans un seul plan. Le cas échéant, la procédure pour des plans de gestion intégrés, visée au chapitre 8, section 3, de l'Arrêté sur le Patrimoine immobilier du 16 mai 2014, sera suivie.
§ 6. Les règles suivantes s'appliquent aux délais en jours calendaires utilisés dans le présent arrêté :
1° le jour de l'événement qui fait produire les effets du délai, n'est pas compris dans le délai, tandis que la date d'échéance est bien comprise ;
2° lorsque la date d'échéance est un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, elle est reportée au plus prochain jour ouvrable ;
3° les délais qui concernent une certaine décision, s'appliquent comme des délais d'ordre. Il s'agit notamment des délais à l'article 4, alinéa 5, alinéa 6, 3°, et alinéa 7, 3°, l'article 7, § 2 et § 3, l'article 16, § 3, alinéa 2, l'article 22, § 2, alinéa 3, et § 3, alinéa 2, et l'article 32.
Art. 3. De inhoud van een natuurbeheerplan bestaat uit de volgende vijf delen:
1° deel 1: verkenning. Dit deel bevat een algemene beschrijving en een globaal kader voor de ecologische, de sociale en de economische functie, vermeld in artikel 16bis, § 1, tweede lid, 1° en 2°, van het decreet van 21 oktober 1997;
2° deel 2: inventaris. Dit deel bevat een meer gedetailleerde beschrijving van de bestaande toestand, vermeld in artikel 16bis, § 1, tweede lid, 1°, van het decreet van 21 oktober 1997;
3° deel 3: beheerdoelstellingen. Dit deel bevat de beheerdoelstellingen, vermeld in artikel 16bis, § 1, tweede lid, 3°, van het decreet van 21 oktober 1997;
4° deel 4: beheermaatregelen. Dit deel bevat beheermaatregelen die genomen zullen worden om de beheerdoelstellingen te realiseren, vermeld in artikel 16bis, § 1, tweede lid, 4°, van het decreet van 21 oktober 1997;
5° deel 5: opvolging. Dit deel bevat een beschrijving van de wijze waarop de realisatie van de beheerdoelstellingen zal worden opgevolgd en geëvalueerd, zoals vermeld in artikel 16bis, § 1, tweede lid, 5°, van het decreet van 21 oktober 1997.
De specifieke gegevens die in elk van die delen moeten worden opgenomen, worden vermeld in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.
1° deel 1: verkenning. Dit deel bevat een algemene beschrijving en een globaal kader voor de ecologische, de sociale en de economische functie, vermeld in artikel 16bis, § 1, tweede lid, 1° en 2°, van het decreet van 21 oktober 1997;
2° deel 2: inventaris. Dit deel bevat een meer gedetailleerde beschrijving van de bestaande toestand, vermeld in artikel 16bis, § 1, tweede lid, 1°, van het decreet van 21 oktober 1997;
3° deel 3: beheerdoelstellingen. Dit deel bevat de beheerdoelstellingen, vermeld in artikel 16bis, § 1, tweede lid, 3°, van het decreet van 21 oktober 1997;
4° deel 4: beheermaatregelen. Dit deel bevat beheermaatregelen die genomen zullen worden om de beheerdoelstellingen te realiseren, vermeld in artikel 16bis, § 1, tweede lid, 4°, van het decreet van 21 oktober 1997;
5° deel 5: opvolging. Dit deel bevat een beschrijving van de wijze waarop de realisatie van de beheerdoelstellingen zal worden opgevolgd en geëvalueerd, zoals vermeld in artikel 16bis, § 1, tweede lid, 5°, van het decreet van 21 oktober 1997.
De specifieke gegevens die in elk van die delen moeten worden opgenomen, worden vermeld in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 3. Le contenu d'un plan de gestion de la nature comprend les cinq parties suivantes :
1° partie 1 : exploration. Cette partie comprend une description générale et un cadre global pour les fonctions écologique, sociale et économique, visées à l'article 16bis, § 1er, alinéa 2, 1° et 2°, du décret du 21 octobre 1997 ;
2° partie 2 : inventaire. Cette partie comprend une description plus détaillée de la situation existante, visée à l'article 16bis, § 1er, alinéa 2, 1°, du décret du 21 octobre 1997 ;
3° partie 3 : objectifs de gestion. Cette partie comprend les objectifs de gestion, visés à l'article 16bis, § 1er, alinéa 2, 3°, du décret du 21 octobre 1997 ;
4° partie 4 : mesures de gestion. Cette partie comprend les mesures de gestion qui seront prises pour réaliser les objectifs de gestion, visées à l'article 16bis, § 1er, alinéa 2, 4°, du décret du 21 octobre 1997 ;
5° partie 5 : suivi. Cette partie comprend une description de la manière dont la réalisation des objectifs de gestion sera suivie et évaluée, telle que visée à l'article 16bis, § 1er, alinéa 2, 5°, du décret du 21 octobre 1997.
Les données spécifiques qui doivent être reprises dans chaque partie, sont mentionnées en annexe 1, jointe au présent arrêté.
1° partie 1 : exploration. Cette partie comprend une description générale et un cadre global pour les fonctions écologique, sociale et économique, visées à l'article 16bis, § 1er, alinéa 2, 1° et 2°, du décret du 21 octobre 1997 ;
2° partie 2 : inventaire. Cette partie comprend une description plus détaillée de la situation existante, visée à l'article 16bis, § 1er, alinéa 2, 1°, du décret du 21 octobre 1997 ;
3° partie 3 : objectifs de gestion. Cette partie comprend les objectifs de gestion, visés à l'article 16bis, § 1er, alinéa 2, 3°, du décret du 21 octobre 1997 ;
4° partie 4 : mesures de gestion. Cette partie comprend les mesures de gestion qui seront prises pour réaliser les objectifs de gestion, visées à l'article 16bis, § 1er, alinéa 2, 4°, du décret du 21 octobre 1997 ;
5° partie 5 : suivi. Cette partie comprend une description de la manière dont la réalisation des objectifs de gestion sera suivie et évaluée, telle que visée à l'article 16bis, § 1er, alinéa 2, 5°, du décret du 21 octobre 1997.
Les données spécifiques qui doivent être reprises dans chaque partie, sont mentionnées en annexe 1, jointe au présent arrêté.
Afdeling 2. - Indiening, consultatie- en adviesronde en goedkeuring van het natuurbeheerplan
Section 2. - Introduction, phase de consultation et d'avis et approbation du plan de gestion de la nature
Onderafdeling 1. - Andere terreinen dan natuurdomeinen
Sous-section 1re. - Terrains autres que des domaines naturels
Art. 4. Deel 1, vermeld in artikel 3, eerste lid, 1°, van dit besluit, wordt ingediend bij het agentschap.
Het agentschap gaat na of deel 1 volledig is en verzendt binnen een termijn van dertig kalenderdagen na de indiening ervan met een beveiligde zending een ontvangstmelding met daarin een volledigheidsverklaring. Bij eventuele onvolkomenheden zendt het agentschap binnen een termijn van dertig kalenderdagen het dossier terug met opgave van de redenen van onvolledigheid.
Als binnen het terrein waarvoor het natuurbeheerplan wordt ingediend één of meerdere beschermde goederen als vermeld in artikel 2.1, 15°, of erfgoedlandschappen als vermeld in artikel 2.1, 25°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 liggen, vraagt het agentschap advies aan het Agentschap Onroerend Erfgoed. Dat advies wordt verleend binnen een termijn van dertig kalenderdagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de adviesaanvraag. Als de termijn wordt overschreden, kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
Het agentschap beoordeelt deel 1 vermeld in artikel 3, eerste lid, 1°, van dit besluit, op basis van de overeenstemming van de keuze voor één van de vier types terreinen, vermeld in artikel 16ter, § 1, van het decreet van 21 oktober 1997, met de bepalingen van artikel 16ter, § 2, artikel 16quater, artikel 16quinquies en artikel 16sexies van het decreet van 21 oktober 1997 en aan de hand van de natuurstreefbeelden, vermeld in bijlage 3 bij dit besluit, die voor het type in aanmerking komen.
Binnen een termijn van zestig kalenderdagen na de volledigheidsverklaring, vermeld in het tweede lid, neemt het agentschap een beslissing over deel 1. Het bezorgt die beslissing met een beveiligde zending aan de indiener.
In het geval van een onderhandse verkoopovereenkomst, in geval van verkoop uit de hand, gelden de volgende termijnen, in afwijking van het tweede en het vijfde lid:
1° deel 1 wordt ingediend binnen een termijn van dertig kalenderdagen na het afsluiten van de onderhandse verkoopovereenkomst;
2° het agentschap gaat na of deel 1 volledig is en verzendt binnen een termijn van vijftien kalenderdagen na de indiening ervan met een beveiligde zending een ontvangstmelding met daarin een volledigheidsverklaring. Bij eventuele onvolkomenheden zendt het agentschap binnen een termijn van vijftien kalenderdagen het dossier terug met opgave van de redenen van onvolledigheid;
3° binnen een termijn van negentig kalenderdagen na het afsluiten van de onderhandse verkoopovereenkomst neemt het agentschap een beslissing over deel 1.
In het geval van een definitieve toewijzing, in geval van een openbare verkoop, gelden de volgende termijnen, in afwijking van het tweede en het vijfde lid:
1° deel 1 wordt ingediend binnen een termijn van dertig kalenderdagen na de definitieve toewijzing;
2° het agentschap gaat na of deel 1 volledig is en verzendt binnen een termijn van vijftien kalenderdagen na de indiening ervan met een beveiligde zending een ontvangstmelding met daarin een volledigheidsverklaring. Bij eventuele onvolkomenheden zendt het agentschap binnen een termijn van vijftien kalenderdagen het dossier terug met opgave van de redenen van onvolledigheid;
3° binnen een termijn van negentig kalenderdagen na de definitieve toewijzing neemt het agentschap een beslissing over deel 1.
Het agentschap gaat na of deel 1 volledig is en verzendt binnen een termijn van dertig kalenderdagen na de indiening ervan met een beveiligde zending een ontvangstmelding met daarin een volledigheidsverklaring. Bij eventuele onvolkomenheden zendt het agentschap binnen een termijn van dertig kalenderdagen het dossier terug met opgave van de redenen van onvolledigheid.
Als binnen het terrein waarvoor het natuurbeheerplan wordt ingediend één of meerdere beschermde goederen als vermeld in artikel 2.1, 15°, of erfgoedlandschappen als vermeld in artikel 2.1, 25°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 liggen, vraagt het agentschap advies aan het Agentschap Onroerend Erfgoed. Dat advies wordt verleend binnen een termijn van dertig kalenderdagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de adviesaanvraag. Als de termijn wordt overschreden, kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
Het agentschap beoordeelt deel 1 vermeld in artikel 3, eerste lid, 1°, van dit besluit, op basis van de overeenstemming van de keuze voor één van de vier types terreinen, vermeld in artikel 16ter, § 1, van het decreet van 21 oktober 1997, met de bepalingen van artikel 16ter, § 2, artikel 16quater, artikel 16quinquies en artikel 16sexies van het decreet van 21 oktober 1997 en aan de hand van de natuurstreefbeelden, vermeld in bijlage 3 bij dit besluit, die voor het type in aanmerking komen.
Binnen een termijn van zestig kalenderdagen na de volledigheidsverklaring, vermeld in het tweede lid, neemt het agentschap een beslissing over deel 1. Het bezorgt die beslissing met een beveiligde zending aan de indiener.
In het geval van een onderhandse verkoopovereenkomst, in geval van verkoop uit de hand, gelden de volgende termijnen, in afwijking van het tweede en het vijfde lid:
1° deel 1 wordt ingediend binnen een termijn van dertig kalenderdagen na het afsluiten van de onderhandse verkoopovereenkomst;
2° het agentschap gaat na of deel 1 volledig is en verzendt binnen een termijn van vijftien kalenderdagen na de indiening ervan met een beveiligde zending een ontvangstmelding met daarin een volledigheidsverklaring. Bij eventuele onvolkomenheden zendt het agentschap binnen een termijn van vijftien kalenderdagen het dossier terug met opgave van de redenen van onvolledigheid;
3° binnen een termijn van negentig kalenderdagen na het afsluiten van de onderhandse verkoopovereenkomst neemt het agentschap een beslissing over deel 1.
In het geval van een definitieve toewijzing, in geval van een openbare verkoop, gelden de volgende termijnen, in afwijking van het tweede en het vijfde lid:
1° deel 1 wordt ingediend binnen een termijn van dertig kalenderdagen na de definitieve toewijzing;
2° het agentschap gaat na of deel 1 volledig is en verzendt binnen een termijn van vijftien kalenderdagen na de indiening ervan met een beveiligde zending een ontvangstmelding met daarin een volledigheidsverklaring. Bij eventuele onvolkomenheden zendt het agentschap binnen een termijn van vijftien kalenderdagen het dossier terug met opgave van de redenen van onvolledigheid;
3° binnen een termijn van negentig kalenderdagen na de definitieve toewijzing neemt het agentschap een beslissing over deel 1.
Art. 4. La partie 1, visée à l'article 3, alinéa 1er, 1°, du présent arrêté, est introduite auprès de l'agence.
L'agence vérifie si la partie 1 est complète et envoie, dans un délai de trente jours calendaires après son introduction, par envoi sécurisé un accusé de réception contenant une déclaration de complétude. En cas de défauts, l'agence renvoie le dossier dans un délai de trente jours calendaires moyennant mention des motifs d'incomplétude.
Si un ou plusieurs biens protégés tels que visés à l'article 2.1, 15°, ou paysages patrimoniaux tels que visés à l'article 2.1, 25°, du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, se situent au sein du terrain pour lequel le plan de gestion de la nature est introduit, l'agence demande l'avis de l'Agence du Patrimoine immobilier. Cet avis est rendu dans un délai de trente jours calendaires, qui prend cours le jour après la réception de la demande d'avis. Lorsque le délai est dépassé, l'exigence d'avis peut être ignorée.
L'agence évalue la partie 1, visée à l'article 3, alinéa 1er, 1°, du présent arrêté, sur la base de la concordance du choix d'un des quatre types de terrains, visés à l'article 16ter, § 1er, du décret du 21 octobre 1997, avec les dispositions de l'article 16ter, § 2, l'article 16quater, l'article 16quinquies et l'article 16sexies du décret du 21 octobre 1997 et à l'aide des objectifs naturels, visés à l'annexe 3 au présent arrêté, qui entrent en considération pour le type.
Dans un délai de soixante jours calendaires après la déclaration de complétude, visée à l'alinéa 2, l'agence prend une décision sur la partie 1. Elle transmet cette décision à l'auteur par envoi sécurisé.
En cas d'un contrat de vente sous seing privé, en cas de vente de gré à gré, les délais suivants s'appliquent, par dérogation à l'alinéa deux et l'alinéa cinq :
1° la partie 1 est introduite dans un délai de trente jours calendaires après la conclusion du contrat de vente sous seing privé ;
2° l'agence vérifie si la partie 1 est complète et envoie, dans un délai de quinze jours calendaires après son introduction, par envoi sécurisé un accusé de réception contenant une déclaration de complétude. En cas de défauts, l'agence renvoie le dossier dans un délai de quinze jours calendaires moyennant mention des motifs d'incomplétude ;
3° dans un délai de nonante jours calendaires après la conclusion du contrat de vente sous seing privé, l'agence prend une décision sur la partie 1.
En cas d'attribution définitive, en cas d'une vente publique, les délais suivants s'appliquent, par dérogation à l'alinéa deux et l'alinéa cinq :
1° la partie 1 est introduite dans un délai de trente jours calendaires après l'attribution définitive ;
2° l'agence vérifie si la partie 1 est complète et envoie, dans un délai de quinze jours calendaires après son introduction, par envoi sécurisé un accusé de réception contenant une déclaration de complétude. En cas de défauts, l'agence renvoie le dossier dans un délai de quinze jours calendaires moyennant mention des motifs d'incomplétude ;
3° dans un délai de nonante jours calendaires après l'attribution définitive, l'agence prend une décision sur la partie 1.
L'agence vérifie si la partie 1 est complète et envoie, dans un délai de trente jours calendaires après son introduction, par envoi sécurisé un accusé de réception contenant une déclaration de complétude. En cas de défauts, l'agence renvoie le dossier dans un délai de trente jours calendaires moyennant mention des motifs d'incomplétude.
Si un ou plusieurs biens protégés tels que visés à l'article 2.1, 15°, ou paysages patrimoniaux tels que visés à l'article 2.1, 25°, du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, se situent au sein du terrain pour lequel le plan de gestion de la nature est introduit, l'agence demande l'avis de l'Agence du Patrimoine immobilier. Cet avis est rendu dans un délai de trente jours calendaires, qui prend cours le jour après la réception de la demande d'avis. Lorsque le délai est dépassé, l'exigence d'avis peut être ignorée.
L'agence évalue la partie 1, visée à l'article 3, alinéa 1er, 1°, du présent arrêté, sur la base de la concordance du choix d'un des quatre types de terrains, visés à l'article 16ter, § 1er, du décret du 21 octobre 1997, avec les dispositions de l'article 16ter, § 2, l'article 16quater, l'article 16quinquies et l'article 16sexies du décret du 21 octobre 1997 et à l'aide des objectifs naturels, visés à l'annexe 3 au présent arrêté, qui entrent en considération pour le type.
Dans un délai de soixante jours calendaires après la déclaration de complétude, visée à l'alinéa 2, l'agence prend une décision sur la partie 1. Elle transmet cette décision à l'auteur par envoi sécurisé.
En cas d'un contrat de vente sous seing privé, en cas de vente de gré à gré, les délais suivants s'appliquent, par dérogation à l'alinéa deux et l'alinéa cinq :
1° la partie 1 est introduite dans un délai de trente jours calendaires après la conclusion du contrat de vente sous seing privé ;
2° l'agence vérifie si la partie 1 est complète et envoie, dans un délai de quinze jours calendaires après son introduction, par envoi sécurisé un accusé de réception contenant une déclaration de complétude. En cas de défauts, l'agence renvoie le dossier dans un délai de quinze jours calendaires moyennant mention des motifs d'incomplétude ;
3° dans un délai de nonante jours calendaires après la conclusion du contrat de vente sous seing privé, l'agence prend une décision sur la partie 1.
En cas d'attribution définitive, en cas d'une vente publique, les délais suivants s'appliquent, par dérogation à l'alinéa deux et l'alinéa cinq :
1° la partie 1 est introduite dans un délai de trente jours calendaires après l'attribution définitive ;
2° l'agence vérifie si la partie 1 est complète et envoie, dans un délai de quinze jours calendaires après son introduction, par envoi sécurisé un accusé de réception contenant une déclaration de complétude. En cas de défauts, l'agence renvoie le dossier dans un délai de quinze jours calendaires moyennant mention des motifs d'incomplétude ;
3° dans un délai de nonante jours calendaires après l'attribution définitive, l'agence prend une décision sur la partie 1.
Art. 5. § 1. Nadat het agentschap een gunstige beslissing heeft genomen over deel 1, vermeld in artikel 3, eerste lid, 1°, van dit besluit, worden de overige delen van het natuurbeheerplan, vermeld in artikel 3, eerste lid, 2° tot en met 5°, gezamenlijk ingediend bij het agentschap.
§ 2. De indiening, vermeld in paragraaf 1, gebeurt in twee papieren exemplaren of in de vorm van een elektronisch dossier. Voor elke gemeente waarin een terrein ligt waarop het natuurbeheerplan betrekking heeft, wordt, in het geval de indiening op papier gebeurt, een extra papieren exemplaar toegevoegd.
Een elektronisch dossier, vermeld in het eerste en het tweede lid, voldoet aan de volgende kenmerken:
1° alle bestanden in het dossier moeten geopend en gelezen kunnen worden;
2° alle bestanden in het dossier moeten virusvrij, kopieerbaar en afdrukbaar zijn;
3° de resolutie van alle bestanden in het dossier moet toelaten dat het afdrukken ervan op het overeenkomstige papierformaat voldoende scherp is;
4° het dossier wordt ingediend via een niet-overschrijfbare cd-rom, een elektronisch postbericht of een internettoepassing;
5° als een document een handtekening vereist, bevat het document ofwel een gewone handtekening die vervolgens ingescand wordt, ofwel een elektronische handtekening.
§ 3. Het agentschap gaat na of de delen van het natuurbeheerplan, vermeld in paragraaf 1, volledig zijn. Het agentschap verzendt binnen een termijn van dertig kalenderdagen na de indiening van de delen met een beveiligde zending een ontvangstmelding met daarin een volledigheidsverklaring. Bij eventuele onvolkomenheden zendt het agentschap binnen een termijn van dertig kalenderdagen met een beveiligde zending het dossier terug met opgave van de redenen van onvolledigheid.
§ 2. De indiening, vermeld in paragraaf 1, gebeurt in twee papieren exemplaren of in de vorm van een elektronisch dossier. Voor elke gemeente waarin een terrein ligt waarop het natuurbeheerplan betrekking heeft, wordt, in het geval de indiening op papier gebeurt, een extra papieren exemplaar toegevoegd.
Een elektronisch dossier, vermeld in het eerste en het tweede lid, voldoet aan de volgende kenmerken:
1° alle bestanden in het dossier moeten geopend en gelezen kunnen worden;
2° alle bestanden in het dossier moeten virusvrij, kopieerbaar en afdrukbaar zijn;
3° de resolutie van alle bestanden in het dossier moet toelaten dat het afdrukken ervan op het overeenkomstige papierformaat voldoende scherp is;
4° het dossier wordt ingediend via een niet-overschrijfbare cd-rom, een elektronisch postbericht of een internettoepassing;
5° als een document een handtekening vereist, bevat het document ofwel een gewone handtekening die vervolgens ingescand wordt, ofwel een elektronische handtekening.
§ 3. Het agentschap gaat na of de delen van het natuurbeheerplan, vermeld in paragraaf 1, volledig zijn. Het agentschap verzendt binnen een termijn van dertig kalenderdagen na de indiening van de delen met een beveiligde zending een ontvangstmelding met daarin een volledigheidsverklaring. Bij eventuele onvolkomenheden zendt het agentschap binnen een termijn van dertig kalenderdagen met een beveiligde zending het dossier terug met opgave van de redenen van onvolledigheid.
Art. 5. § 1er. Après que l'agence a pris une décision favorable sur la partie 1, visée à l'article 3, alinéa 1er, 1°, du présent arrêté, les autres parties du plan de gestion de la nature, visées à l'article 3, alinéa 1er, 2° à 5° inclus, sont introduites conjointement auprès de l'agence.
§ 2. L'introduction, visée au paragraphe 1er, se fait en deux exemplaires papier ou sous forme d'un dossier électronique. Pour chaque commune dans laquelle se situe un terrain auquel le plan de gestion de la nature a trait, un exemplaire papier supplémentaire est ajouté si l'introduction se fait sur papier.
Un dossier électronique, visé aux alinéas 1er et 2, répond aux caractéristiques suivantes :
1° tous les fichiers dans le dossier doivent pouvoir être ouverts et lus ;
2° tous les fichiers dans le dossier doivent être exempts de virus et doivent pouvoir être copiés et imprimés ;
3° la résolution de tous les fichiers dans le dossier doit être telle que l'impression sur le format papier correspondant soit suffisamment nette ;
4° le dossier est introduit au moyen d'un CD-ROM non réinscriptible, un courriel ou une application internet ;
5° si un document requiert une signature, le document contient soit une signature ordinaire qui est ensuite scannée, soit une signature électronique.
§ 3. L'agence vérifie si les parties du plan de gestion de la nature, visées au paragraphe 1er, sont complètes. L'agence envoie, dans un délai de trente jours calendaires après l'introduction des parties, par envoi sécurisé un accusé de réception contenant une déclaration de complétude. En cas de défauts, l'agence renvoie le dossier dans un délai de trente jours calendaires par envoi sécurisé moyennant mention des motifs d'incomplétude.
§ 2. L'introduction, visée au paragraphe 1er, se fait en deux exemplaires papier ou sous forme d'un dossier électronique. Pour chaque commune dans laquelle se situe un terrain auquel le plan de gestion de la nature a trait, un exemplaire papier supplémentaire est ajouté si l'introduction se fait sur papier.
Un dossier électronique, visé aux alinéas 1er et 2, répond aux caractéristiques suivantes :
1° tous les fichiers dans le dossier doivent pouvoir être ouverts et lus ;
2° tous les fichiers dans le dossier doivent être exempts de virus et doivent pouvoir être copiés et imprimés ;
3° la résolution de tous les fichiers dans le dossier doit être telle que l'impression sur le format papier correspondant soit suffisamment nette ;
4° le dossier est introduit au moyen d'un CD-ROM non réinscriptible, un courriel ou une application internet ;
5° si un document requiert une signature, le document contient soit une signature ordinaire qui est ensuite scannée, soit une signature électronique.
§ 3. L'agence vérifie si les parties du plan de gestion de la nature, visées au paragraphe 1er, sont complètes. L'agence envoie, dans un délai de trente jours calendaires après l'introduction des parties, par envoi sécurisé un accusé de réception contenant une déclaration de complétude. En cas de défauts, l'agence renvoie le dossier dans un délai de trente jours calendaires par envoi sécurisé moyennant mention des motifs d'incomplétude.
Art. 6. § 1. Na de kennisgeving van de volledigheidsverklaring, vermeld in artikel 5, § 3, wordt het ontwerp van natuurbeheerplan voor een terrein van type twee, type drie of type vier voor consultatie ter inzage gelegd bij het agentschap, bij de indiener, of op een door de indiener en het agentschap gezamenlijk te bepalen plaats in de omgeving van het terrein waarvoor het natuurbeheerplan wordt opgesteld.
[2 Deze consultatie is niet vereist wanneer het beheerplan uitsluitend gaat over niet-publiek toegankelijke militaire domeinen.]2
§ 2. De indiener zorgt voor de aankondiging van de consultatie over het ontwerp van natuurbeheerplan binnen dertig kalenderdagen na de kennisgeving van de volledigheidsverklaring, vermeld in artikel 5, § 3. [2 De aankondiging wordt bekendgemaakt op elk van de volgende wijzen]2:
1° in minstens één regionale krant;
2° [2 Door het aanbieden bij de lokale overheid voor publicatie in de gemeentelijke informatiekanalen. De lokale overheid verzekert de publicatie van de aankondiging, minstens op haar website, binnen een termijn van één week]2;
3° door middel van aanplakking op een duidelijk zichtbare wijze langs de toegangsweg of -wegen van het terrein in kwestie.
De wijze van bekendmaking als vermeld in het eerste lid wordt nader bepaald in deel 1 van het natuurbeheerplan, vermeld in artikel 3, eerste lid, 1°, van dit besluit.
In de aankondiging, vermeld in het eerste lid, worden de volgende gegevens vermeld:
1° de ligging en, in voorkomend geval, de naam van het terrein waarop het ontwerp van natuurbeheerplan betrekking heeft;
2° de plaats waar en de uren waarop het ontwerp van natuurbeheerplan kan worden ingezien;
3° de begin- en einddatum van de consultatieperiode. Die periode moet dertig kalenderdagen duren;
4° de mededeling dat gedurende de periode, vermeld in punt 3°, opmerkingen en bezwaren aan het agentschap kunnen worden gericht.
§ 3. Na de kennisgeving van de volledigheidsverklaring, vermeld in artikel 5, § 3, legt het agentschap het ontwerp van natuurbeheerplan ter advies voor:
1° voor een terrein van type vier of als in het natuurbeheerplan activiteiten zijn opgenomen waarvoor een vergunning vereist is die wordt afgeleverd door een college van burgemeester en schepenen: aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente of gemeenten waarin het terrein waarop het natuurbeheerplan betrekking heeft, geheel of gedeeltelijk ligt;
2° voor een terrein van type een, type twee, type drie of type vier: aan de beheerder van de betrokken waterweg als de terreinen, waarvoor een natuurbeheerplan wordt opgemaakt, overlappen met een risico-overstromingsgebied, zoals opgenomen op kaarten en plannen opgesteld in uitvoering van de Europese overstromingsrichtlijn;
3° als binnen het terrein waarvoor het natuurbeheerplan wordt opgesteld, één of meer beschermde goederen als vermeld in artikel 2.1, 15°, of erfgoedlandschappen als vermeld in artikel 2.1, 25° van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, liggen: aan het agentschap Onroerend Erfgoed;
4° als het uitvoeren van een natuurbeheerplan kan leiden tot een betekenisvolle aantasting van de agrarische structuur in agrarisch gebied: aan [1 het Agentschap Landbouw en Zeevisserij]1.
De adviezen worden uitgebracht aan het agentschap binnen een termijn van dertig kalenderdagen, die ingaat de dag na de ontvangst van de adviesvraag. Als die termijn wordt overschreden, kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
§ 4. Binnen zeven kalenderdagen na het verstrijken van de consultatieperiode, vermeld in paragraaf 2, en van de termijn van dertig kalenderdagen, vermeld in paragraaf 3, tweede lid, bezorgt het agentschap een kopie van de ingediende opmerkingen, bezwaren en adviezen aan de indiener van het natuurbeheerplan.
De indiener past het ontwerp van natuurbeheerplan zo nodig aan en voegt er een verslag van de consultatie- en adviesronde aan toe. Dat verslag omvat naast het bewijs van de aankondiging van de consultatie, ook een vermelding van de manier waarop en de redenen waarom al dan niet rekening wordt gehouden met de ingediende opmerkingen, bezwaren en adviezen.
Aan het ontwerp van natuurbeheerplan kan de indiener alleen aanpassingen aanbrengen die gebaseerd zijn op of voortvloeien uit de ingediende opmerkingen, bezwaren en adviezen. Het aangepaste ontwerp van natuurbeheerplan kan echter de oppervlakte van het terrein waarop het plan betrekking heeft, niet uitbreiden.
Het verslag van de consultatie- en adviesronde wordt samen met het definitieve ontwerp van natuurbeheerplan ingediend bij het agentschap binnen negentig kalenderdagen na ontvangst van de opmerkingen, de bezwaren en de adviezen, vermeld in het eerste lid.
[2 Deze consultatie is niet vereist wanneer het beheerplan uitsluitend gaat over niet-publiek toegankelijke militaire domeinen.]2
§ 2. De indiener zorgt voor de aankondiging van de consultatie over het ontwerp van natuurbeheerplan binnen dertig kalenderdagen na de kennisgeving van de volledigheidsverklaring, vermeld in artikel 5, § 3. [2 De aankondiging wordt bekendgemaakt op elk van de volgende wijzen]2:
1° in minstens één regionale krant;
2° [2 Door het aanbieden bij de lokale overheid voor publicatie in de gemeentelijke informatiekanalen. De lokale overheid verzekert de publicatie van de aankondiging, minstens op haar website, binnen een termijn van één week]2;
3° door middel van aanplakking op een duidelijk zichtbare wijze langs de toegangsweg of -wegen van het terrein in kwestie.
De wijze van bekendmaking als vermeld in het eerste lid wordt nader bepaald in deel 1 van het natuurbeheerplan, vermeld in artikel 3, eerste lid, 1°, van dit besluit.
In de aankondiging, vermeld in het eerste lid, worden de volgende gegevens vermeld:
1° de ligging en, in voorkomend geval, de naam van het terrein waarop het ontwerp van natuurbeheerplan betrekking heeft;
2° de plaats waar en de uren waarop het ontwerp van natuurbeheerplan kan worden ingezien;
3° de begin- en einddatum van de consultatieperiode. Die periode moet dertig kalenderdagen duren;
4° de mededeling dat gedurende de periode, vermeld in punt 3°, opmerkingen en bezwaren aan het agentschap kunnen worden gericht.
§ 3. Na de kennisgeving van de volledigheidsverklaring, vermeld in artikel 5, § 3, legt het agentschap het ontwerp van natuurbeheerplan ter advies voor:
1° voor een terrein van type vier of als in het natuurbeheerplan activiteiten zijn opgenomen waarvoor een vergunning vereist is die wordt afgeleverd door een college van burgemeester en schepenen: aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente of gemeenten waarin het terrein waarop het natuurbeheerplan betrekking heeft, geheel of gedeeltelijk ligt;
2° voor een terrein van type een, type twee, type drie of type vier: aan de beheerder van de betrokken waterweg als de terreinen, waarvoor een natuurbeheerplan wordt opgemaakt, overlappen met een risico-overstromingsgebied, zoals opgenomen op kaarten en plannen opgesteld in uitvoering van de Europese overstromingsrichtlijn;
3° als binnen het terrein waarvoor het natuurbeheerplan wordt opgesteld, één of meer beschermde goederen als vermeld in artikel 2.1, 15°, of erfgoedlandschappen als vermeld in artikel 2.1, 25° van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, liggen: aan het agentschap Onroerend Erfgoed;
4° als het uitvoeren van een natuurbeheerplan kan leiden tot een betekenisvolle aantasting van de agrarische structuur in agrarisch gebied: aan [1 het Agentschap Landbouw en Zeevisserij]1.
De adviezen worden uitgebracht aan het agentschap binnen een termijn van dertig kalenderdagen, die ingaat de dag na de ontvangst van de adviesvraag. Als die termijn wordt overschreden, kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
§ 4. Binnen zeven kalenderdagen na het verstrijken van de consultatieperiode, vermeld in paragraaf 2, en van de termijn van dertig kalenderdagen, vermeld in paragraaf 3, tweede lid, bezorgt het agentschap een kopie van de ingediende opmerkingen, bezwaren en adviezen aan de indiener van het natuurbeheerplan.
De indiener past het ontwerp van natuurbeheerplan zo nodig aan en voegt er een verslag van de consultatie- en adviesronde aan toe. Dat verslag omvat naast het bewijs van de aankondiging van de consultatie, ook een vermelding van de manier waarop en de redenen waarom al dan niet rekening wordt gehouden met de ingediende opmerkingen, bezwaren en adviezen.
Aan het ontwerp van natuurbeheerplan kan de indiener alleen aanpassingen aanbrengen die gebaseerd zijn op of voortvloeien uit de ingediende opmerkingen, bezwaren en adviezen. Het aangepaste ontwerp van natuurbeheerplan kan echter de oppervlakte van het terrein waarop het plan betrekking heeft, niet uitbreiden.
Het verslag van de consultatie- en adviesronde wordt samen met het definitieve ontwerp van natuurbeheerplan ingediend bij het agentschap binnen negentig kalenderdagen na ontvangst van de opmerkingen, de bezwaren en de adviezen, vermeld in het eerste lid.
Art. 6. § 1er. Après la notification de la déclaration de complétude, visée à l'article 5, § 3, le projet de plan de gestion de la nature pour un terrain du type 2, 3 ou 4 peut être consulté auprès de l'agence, de l'auteur, ou à un endroit à déterminer en commun par l'auteur et l'agence, aux environs du terrain pour lequel le plan de gestion de la nature est établi.
[2 Cette consultation n'est pas requise lorsque le plan de gestion porte exclusivement sur des domaines militaires non accessibles au public.]2
§ 2. L'auteur assure l'annonce de la consultation sur le projet de plan de gestion de la nature dans les trente jours calendaires après la notification de la déclaration de complétude, visée à l'article 5, § 3. [2 L'annonce est publiée de toutes les manières suivantes :]2
1° dans au moins un journal régional ;
2° [2 En la soumettant à l'autorité locale pour qu'elle soit publiée dans les canaux d'information communaux. L'autorité locale assure la publication de l'annonce, au moins sur son site internet, dans un délai d'une semaine]2;
3° au moyen d'affichage clairement visible le long de la (des) voie(s) d'accès au terrain en question.
Le mode de publication tel que visé à l'alinéa 1er, est précisé dans la partie 1 du plan de gestion de la nature, visée à l'article 3, alinéa 1er, 1°, du présent arrêté.
L'annonce, visée à l'alinéa 1er, mentionne les données suivantes :
1° l'emplacement et, le cas échéant, le nom du terrain auquel le projet de plan de gestion de la nature a trait ;
2° le lieu où et les heures auxquelles le projet de plan de gestion de la nature peut être consulté ;
3° la date de début et de fin de la période consultation. Cette période doit durer trente jours calendaires ;
4° la communication que, pendant la période visée au point 3°, des objections et observations peuvent être adressées à l'agence.
§ 3. Après la notification de la déclaration de complétude, visée à l'article 5, § 3, l'agence soumet le projet de plan de gestion de la nature à :
1° pour un terrain du type 4 ou si le plan de gestion de la nature contient des activités requérant une autorisation délivrée par un collège des bourgmestre et échevins : l'avis du collège des bourgmestre et échevins de la commune ou des communes où se situe, entièrement ou partiellement, le terrain auquel le plan de gestion de la nature a trait ;
2° pour un terrain du type 1, 2, 3 ou 4 : l'avis du gestionnaire de la voie d'eau concernée si les terrains pour lesquels un plan de gestion de la nature est établi, empiètent sur une zone à risque d'inondation, telle que reprise sur les cartes et plans établis en exécution de la Directive européenne Inondations ;
3° si un ou plusieurs biens protégés tels que visés à l'article 2.1, 15°, ou paysages patrimoniaux tels que visés à l'article 2.1, 25°, du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, se situent au sein du terrain pour lequel le plan de gestion de la nature est établi : l'avis de l'Agence du Patrimoine immobilier ;
4° si l'exécution d'un plan de gestion de la nature peut causer une dépréciation significative de la structure agraire dans une zone agricole : l'avis de [1 l'Agence de l'Agriculture et de la Pêche]1.
Les avis sont rendus à l'agence dans un délai de trente jours calendaires, qui prend cours le jour après la réception de la demande d'avis. Lorsque ce délai est dépassé, l'exigence d'avis peut être ignorée.
§ 4. Dans les sept jours calendaires après l'expiration de la période de consultation, visée au paragraphe 2, et du délai de trente jours calendaires, visé au paragraphe 3, alinéa 2, l'agence transmet une copie des observations, objections et avis soumis à l'auteur du plan de gestion de la nature.
L'auteur adapte le projet de plan de gestion de la nature si nécessaire, et y ajoute un rapport de la phase de consultation et d'avis. Outre la preuve de l'annonce de la consultation, ce rapport contient également une mention de la manière dont et des raisons pour lesquelles il est tenu compte ou non des observations, objections et avis soumis.
L'auteur ne peut apporter des adaptations au projet de plan de gestion de la nature que si elles sont basées sur ou résultent des observations, objections et avis soumis. Le projet adapté du plan de gestion de la nature ne peut toutefois pas étendre la superficie du terrain auquel le plan a trait.
Le rapport de la phase de consultation et d'avis et le projet définitif du plan de gestion de la nature sont introduits auprès de l'agence dans les nonante jours calendaires après la réception des observations, des objections et des avis, visés à l'alinéa 1er.
[2 Cette consultation n'est pas requise lorsque le plan de gestion porte exclusivement sur des domaines militaires non accessibles au public.]2
§ 2. L'auteur assure l'annonce de la consultation sur le projet de plan de gestion de la nature dans les trente jours calendaires après la notification de la déclaration de complétude, visée à l'article 5, § 3. [2 L'annonce est publiée de toutes les manières suivantes :]2
1° dans au moins un journal régional ;
2° [2 En la soumettant à l'autorité locale pour qu'elle soit publiée dans les canaux d'information communaux. L'autorité locale assure la publication de l'annonce, au moins sur son site internet, dans un délai d'une semaine]2;
3° au moyen d'affichage clairement visible le long de la (des) voie(s) d'accès au terrain en question.
Le mode de publication tel que visé à l'alinéa 1er, est précisé dans la partie 1 du plan de gestion de la nature, visée à l'article 3, alinéa 1er, 1°, du présent arrêté.
L'annonce, visée à l'alinéa 1er, mentionne les données suivantes :
1° l'emplacement et, le cas échéant, le nom du terrain auquel le projet de plan de gestion de la nature a trait ;
2° le lieu où et les heures auxquelles le projet de plan de gestion de la nature peut être consulté ;
3° la date de début et de fin de la période consultation. Cette période doit durer trente jours calendaires ;
4° la communication que, pendant la période visée au point 3°, des objections et observations peuvent être adressées à l'agence.
§ 3. Après la notification de la déclaration de complétude, visée à l'article 5, § 3, l'agence soumet le projet de plan de gestion de la nature à :
1° pour un terrain du type 4 ou si le plan de gestion de la nature contient des activités requérant une autorisation délivrée par un collège des bourgmestre et échevins : l'avis du collège des bourgmestre et échevins de la commune ou des communes où se situe, entièrement ou partiellement, le terrain auquel le plan de gestion de la nature a trait ;
2° pour un terrain du type 1, 2, 3 ou 4 : l'avis du gestionnaire de la voie d'eau concernée si les terrains pour lesquels un plan de gestion de la nature est établi, empiètent sur une zone à risque d'inondation, telle que reprise sur les cartes et plans établis en exécution de la Directive européenne Inondations ;
3° si un ou plusieurs biens protégés tels que visés à l'article 2.1, 15°, ou paysages patrimoniaux tels que visés à l'article 2.1, 25°, du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, se situent au sein du terrain pour lequel le plan de gestion de la nature est établi : l'avis de l'Agence du Patrimoine immobilier ;
4° si l'exécution d'un plan de gestion de la nature peut causer une dépréciation significative de la structure agraire dans une zone agricole : l'avis de [1 l'Agence de l'Agriculture et de la Pêche]1.
Les avis sont rendus à l'agence dans un délai de trente jours calendaires, qui prend cours le jour après la réception de la demande d'avis. Lorsque ce délai est dépassé, l'exigence d'avis peut être ignorée.
§ 4. Dans les sept jours calendaires après l'expiration de la période de consultation, visée au paragraphe 2, et du délai de trente jours calendaires, visé au paragraphe 3, alinéa 2, l'agence transmet une copie des observations, objections et avis soumis à l'auteur du plan de gestion de la nature.
L'auteur adapte le projet de plan de gestion de la nature si nécessaire, et y ajoute un rapport de la phase de consultation et d'avis. Outre la preuve de l'annonce de la consultation, ce rapport contient également une mention de la manière dont et des raisons pour lesquelles il est tenu compte ou non des observations, objections et avis soumis.
L'auteur ne peut apporter des adaptations au projet de plan de gestion de la nature que si elles sont basées sur ou résultent des observations, objections et avis soumis. Le projet adapté du plan de gestion de la nature ne peut toutefois pas étendre la superficie du terrain auquel le plan a trait.
Le rapport de la phase de consultation et d'avis et le projet définitif du plan de gestion de la nature sont introduits auprès de l'agence dans les nonante jours calendaires après la réception des observations, des objections et des avis, visés à l'alinéa 1er.
Art. 7. § 1. Het agentschap beoordeelt het definitieve ontwerp van natuurbeheerplan op basis van de volgende elementen:
1° de overeenstemming, vermeld in artikel 16septies, eerste en tweede lid, van het decreet van 21 oktober 1997;
2° de criteria voor het beheer van het desbetreffende type van terrein, die worden vastgesteld met toepassing van artikel 16septies, zevende lid, van het decreet van 21 oktober 1997;
3° het verslag van de consultatie- en adviesronde.
Het agentschap kan bij de beslissing over de goedkeuring voorwaarden opleggen over de uitvoering en de opvolging van het natuurbeheerplan.
§ 2. Het agentschap bezorgt de beslissing over de goedkeuring van het natuurbeheerplan met een beveiligde zending aan de indiener, binnen een termijn van zestig kalenderdagen na:
1° de volledigheidsverklaring, vermeld in artikel 5, § 3, voor een terrein van type één, waarbij er geen adviesvereiste is als vermeld in artikel 6, § 3;
2° de indiening van het verslag van de consultatie- en adviesronde en het ontwerp van het natuurbeheerplan voor een ander terrein dan vermeld in punt 1°.
§ 3. Als het ontwerp van natuurbeheerplan niet wordt goedgekeurd, brengt het agentschap de indiener met een beveiligde zending op de hoogte van de gemotiveerde beslissing over de onderdelen van het ontwerp van natuurbeheerplan die moeten worden gewijzigd.
Na ontvangst van de vereiste wijzigingen, vermeld in het eerste lid, moet de indiener binnen een termijn van negentig kalenderdagen na de beveiligde zending, vermeld in het eerste lid, een aangepast ontwerp van natuurbeheerplan indienen bij het agentschap.
Als het aangepast ontwerp van natuurbeheerplan tegemoet komt aan de vereiste wijzigingen, vermeld in het eerste lid, wordt de indiener van het beheerplan met een beveiligde zending op de hoogte gebracht van de goedkeuring binnen een termijn van zestig kalenderdagen na de indiening van het aangepast ontwerp.
Als het aangepast ontwerp van natuurbeheerplan niet tegemoetkomt aan de vereiste wijzigingen, vermeld in het eerste lid, of bij overschrijding van de termijn van negentig kalenderdagen, vermeld in het tweede lid, brengt het agentschap de indiener van het beheerplan met een beveiligde zending op de hoogte van de afkeuring binnen een termijn van zestig kalenderdagen na de indiening van het nieuw ingediende ontwerp of na het overschrijden van de termijn van negentig kalenderdagen, vermeld in het tweede lid.
1° de overeenstemming, vermeld in artikel 16septies, eerste en tweede lid, van het decreet van 21 oktober 1997;
2° de criteria voor het beheer van het desbetreffende type van terrein, die worden vastgesteld met toepassing van artikel 16septies, zevende lid, van het decreet van 21 oktober 1997;
3° het verslag van de consultatie- en adviesronde.
Het agentschap kan bij de beslissing over de goedkeuring voorwaarden opleggen over de uitvoering en de opvolging van het natuurbeheerplan.
§ 2. Het agentschap bezorgt de beslissing over de goedkeuring van het natuurbeheerplan met een beveiligde zending aan de indiener, binnen een termijn van zestig kalenderdagen na:
1° de volledigheidsverklaring, vermeld in artikel 5, § 3, voor een terrein van type één, waarbij er geen adviesvereiste is als vermeld in artikel 6, § 3;
2° de indiening van het verslag van de consultatie- en adviesronde en het ontwerp van het natuurbeheerplan voor een ander terrein dan vermeld in punt 1°.
§ 3. Als het ontwerp van natuurbeheerplan niet wordt goedgekeurd, brengt het agentschap de indiener met een beveiligde zending op de hoogte van de gemotiveerde beslissing over de onderdelen van het ontwerp van natuurbeheerplan die moeten worden gewijzigd.
Na ontvangst van de vereiste wijzigingen, vermeld in het eerste lid, moet de indiener binnen een termijn van negentig kalenderdagen na de beveiligde zending, vermeld in het eerste lid, een aangepast ontwerp van natuurbeheerplan indienen bij het agentschap.
Als het aangepast ontwerp van natuurbeheerplan tegemoet komt aan de vereiste wijzigingen, vermeld in het eerste lid, wordt de indiener van het beheerplan met een beveiligde zending op de hoogte gebracht van de goedkeuring binnen een termijn van zestig kalenderdagen na de indiening van het aangepast ontwerp.
Als het aangepast ontwerp van natuurbeheerplan niet tegemoetkomt aan de vereiste wijzigingen, vermeld in het eerste lid, of bij overschrijding van de termijn van negentig kalenderdagen, vermeld in het tweede lid, brengt het agentschap de indiener van het beheerplan met een beveiligde zending op de hoogte van de afkeuring binnen een termijn van zestig kalenderdagen na de indiening van het nieuw ingediende ontwerp of na het overschrijden van de termijn van negentig kalenderdagen, vermeld in het tweede lid.
Art. 7. § 1er. L'agence évalue le projet définitif du plan de gestion de la nature sur la base des éléments suivants :
1° la concordance, visée à l'article 16septies, alinéas 1er et 2, du décret du 21 octobre 1997 ;
2° les critères pour la gestion du type concerné du terrain, qui sont établis en application de l'article 16septies, alinéa 7, du décret du 21 octobre 1997 ;
3° le rapport de la phase de consultation et d'avis.
Dans la décision d'approbation, l'agence peut imposer des conditions pour l'exécution et le suivi du plan de gestion de la nature.
§ 2. L'agence transmet la décision sur l'approbation du plan de gestion de la nature par envoi sécurisé à l'auteur, dans un délai de soixante jours calendaires après :
1° la déclaration de complétude, visée à l'article 5, § 3, pour un terrain du type 1, qui n'est pas soumise à une exigence d'avis telle que visée à l'article 6, § 3 ;
2° l'introduction du rapport de la phase de consultation et d'avis et du projet du plan de gestion de la nature pour un autre terrain que celui visé au point 1°.
§ 3. Si le projet du plan de gestion de la nature n'est pas approuvé, l'agence informe l'auteur par envoi sécurisé de la décision motivée sur les parties du projet du plan de gestion de la nature qui doivent être modifiées.
Après la réception des modifications requises, visées à l'alinéa 1er, l'auteur doit introduire un projet adapté du plan de gestion de la nature auprès de l'agence, dans un délai de nonante jours calendaires après l'envoi sécurisé, visé à l'alinéa 1er.
Si le projet adapté du plan de gestion de la nature répond aux modifications exigées, visées à l'alinéa 1er, l'auteur du plan de gestion est informé de l'approbation, par envoi sécurisé dans un délai de soixante jours calendaires après l'introduction du projet adapté.
Si le projet adapté du plan de gestion de la nature ne répond pas aux modifications exigées, visées à l'alinéa 1er, ou en cas de dépassement du délai de nonante jours calendaires, visé à l'alinéa 2, l'agence informe l'auteur du plan de gestion par envoi sécurisé de la désapprobation dans un délai de soixante jours calendaires après l'introduction du nouveau projet introduit ou après le dépassement du délai de nonante jours calendaires, visé à l'alinéa 2.
1° la concordance, visée à l'article 16septies, alinéas 1er et 2, du décret du 21 octobre 1997 ;
2° les critères pour la gestion du type concerné du terrain, qui sont établis en application de l'article 16septies, alinéa 7, du décret du 21 octobre 1997 ;
3° le rapport de la phase de consultation et d'avis.
Dans la décision d'approbation, l'agence peut imposer des conditions pour l'exécution et le suivi du plan de gestion de la nature.
§ 2. L'agence transmet la décision sur l'approbation du plan de gestion de la nature par envoi sécurisé à l'auteur, dans un délai de soixante jours calendaires après :
1° la déclaration de complétude, visée à l'article 5, § 3, pour un terrain du type 1, qui n'est pas soumise à une exigence d'avis telle que visée à l'article 6, § 3 ;
2° l'introduction du rapport de la phase de consultation et d'avis et du projet du plan de gestion de la nature pour un autre terrain que celui visé au point 1°.
§ 3. Si le projet du plan de gestion de la nature n'est pas approuvé, l'agence informe l'auteur par envoi sécurisé de la décision motivée sur les parties du projet du plan de gestion de la nature qui doivent être modifiées.
Après la réception des modifications requises, visées à l'alinéa 1er, l'auteur doit introduire un projet adapté du plan de gestion de la nature auprès de l'agence, dans un délai de nonante jours calendaires après l'envoi sécurisé, visé à l'alinéa 1er.
Si le projet adapté du plan de gestion de la nature répond aux modifications exigées, visées à l'alinéa 1er, l'auteur du plan de gestion est informé de l'approbation, par envoi sécurisé dans un délai de soixante jours calendaires après l'introduction du projet adapté.
Si le projet adapté du plan de gestion de la nature ne répond pas aux modifications exigées, visées à l'alinéa 1er, ou en cas de dépassement du délai de nonante jours calendaires, visé à l'alinéa 2, l'agence informe l'auteur du plan de gestion par envoi sécurisé de la désapprobation dans un délai de soixante jours calendaires après l'introduction du nouveau projet introduit ou après le dépassement du délai de nonante jours calendaires, visé à l'alinéa 2.
Onderafdeling 2. - Natuurdomeinen
Sous-section 2. - Domaines naturels
Art. 8. § 1. Het agentschap maakt het ontwerp van natuurbeheerplan voor een natuurdomein op.
Het ontwerp van natuurbeheerplan voor een natuurdomein wordt voor consultatie ter inzage gelegd bij het agentschap. Artikel 6, § 2 en § 3, zijn hierop van overeenkomstige toepassing.
§ 2. Na de consultatieperiode past het agentschap het ontwerp van natuurbeheerplan zo nodig aan en voegt er een verslag van de consultatie- en adviesronde aan toe. Artikel 6, § 4, tweede en derde lid, zijn hierop van overeenkomstige toepassing.
§ 3. De minister kan een ontwerp van natuurbeheerplan voor een natuurdomein voorleggen aan de adviesinstantie, vermeld in artikel 16decies, § 1 en § 2, en artikel 16undecies, § 2, van het decreet van 21 oktober 1997. De minister keurt het natuurbeheerplan van een natuurdomein goed of brengt het agentschap bij gemotiveerde beslissing op de hoogte van de onderdelen van het natuurbeheerplan die gewijzigd moeten worden.
§ 4. In afwijking van artikel 7 keurt de minister, in geval het ontwerp van natuurbeheerplan een ontwerp van gezamenlijk natuurbeheerplan betreft met enerzijds een natuurdomein en anderzijds één of meer openbare of private terreinen, het volledige ontwerp van gezamenlijk natuurbeheerplan goed of brengt het agentschap bij gemotiveerde beslissing op de hoogte van de onderdelen van het natuurbeheerplan die gewijzigd moeten worden.
Het ontwerp van natuurbeheerplan voor een natuurdomein wordt voor consultatie ter inzage gelegd bij het agentschap. Artikel 6, § 2 en § 3, zijn hierop van overeenkomstige toepassing.
§ 2. Na de consultatieperiode past het agentschap het ontwerp van natuurbeheerplan zo nodig aan en voegt er een verslag van de consultatie- en adviesronde aan toe. Artikel 6, § 4, tweede en derde lid, zijn hierop van overeenkomstige toepassing.
§ 3. De minister kan een ontwerp van natuurbeheerplan voor een natuurdomein voorleggen aan de adviesinstantie, vermeld in artikel 16decies, § 1 en § 2, en artikel 16undecies, § 2, van het decreet van 21 oktober 1997. De minister keurt het natuurbeheerplan van een natuurdomein goed of brengt het agentschap bij gemotiveerde beslissing op de hoogte van de onderdelen van het natuurbeheerplan die gewijzigd moeten worden.
§ 4. In afwijking van artikel 7 keurt de minister, in geval het ontwerp van natuurbeheerplan een ontwerp van gezamenlijk natuurbeheerplan betreft met enerzijds een natuurdomein en anderzijds één of meer openbare of private terreinen, het volledige ontwerp van gezamenlijk natuurbeheerplan goed of brengt het agentschap bij gemotiveerde beslissing op de hoogte van de onderdelen van het natuurbeheerplan die gewijzigd moeten worden.
Art. 8. § 1er. L'agence établit le projet du plan de gestion de la nature pour un domaine naturel.
Le projet du plan de gestion de la nature pour un domaine naturel peut être consulté auprès de l'agence. L'article 6, § 2 et § 3, s'appliquent par analogie.
§ 2. Après la période de consultation, l'agence adapte le projet de plan de gestion de la nature si nécessaire, et y ajoute un rapport de la phase de consultation et d'avis. L'article 6, § 4, alinéas 2 et 3, s'appliquent par analogie.
§ 3. Le Ministre peut soumettre un projet de plan de gestion de la nature pour un domaine naturel à l'instance consultative, visée à l'article 16decies, § 1er et § 2, et à l'article 16undecies, § 2, du décret du 21 octobre 1997. Le Ministre approuve le plan de gestion de la nature d'un domaine naturel ou informe l'agence par décision motivée des parties du plan de gestion de la nature qui doivent être modifiées.
§ 4. Par dérogation à l'article 7, le Ministre approuve le projet complet de plan conjoint de gestion de la nature, lorsque le projet de plan de gestion de la nature concerne un projet de plan conjoint de gestion de la nature avec un domaine naturel d'une part et un ou plusieurs terrains publics ou privés d'autre part, ou informe l'agence par décision motivée des parties du plan de gestion de la nature qui doivent être modifiées.
Le projet du plan de gestion de la nature pour un domaine naturel peut être consulté auprès de l'agence. L'article 6, § 2 et § 3, s'appliquent par analogie.
§ 2. Après la période de consultation, l'agence adapte le projet de plan de gestion de la nature si nécessaire, et y ajoute un rapport de la phase de consultation et d'avis. L'article 6, § 4, alinéas 2 et 3, s'appliquent par analogie.
§ 3. Le Ministre peut soumettre un projet de plan de gestion de la nature pour un domaine naturel à l'instance consultative, visée à l'article 16decies, § 1er et § 2, et à l'article 16undecies, § 2, du décret du 21 octobre 1997. Le Ministre approuve le plan de gestion de la nature d'un domaine naturel ou informe l'agence par décision motivée des parties du plan de gestion de la nature qui doivent être modifiées.
§ 4. Par dérogation à l'article 7, le Ministre approuve le projet complet de plan conjoint de gestion de la nature, lorsque le projet de plan de gestion de la nature concerne un projet de plan conjoint de gestion de la nature avec un domaine naturel d'une part et un ou plusieurs terrains publics ou privés d'autre part, ou informe l'agence par décision motivée des parties du plan de gestion de la nature qui doivent être modifiées.
Afdeling 3. - Het register
Section 3. - Le registre
Art. 9. Het agentschap houdt een register bij van de goedgekeurde natuurbeheerplannen en van de goedgekeurde wijzigingen aan die plannen.
Art. 9. L'agence tient un registre des plans de gestion de la nature approuvés et des modifications approuvées de ces plans.
Art. 10. Het agentschap deelt het natuurbeheerplan in digitale vorm mee aan de gemeente of gemeenten waarin een terrein geheel of gedeeltelijk ligt, alsook aan de adviesinstanties vermeld in artikel 6, § 3, voor zover de adviesinstantie een advies heeft verleend, binnen een termijn van dertig kalenderdagen na de goedkeuring ervan.
Een goedgekeurd natuurbeheerplan is raadpleegbaar bij het agentschap.
Een goedgekeurd natuurbeheerplan is raadpleegbaar bij het agentschap.
Art. 10. L'agence communique le plan de gestion de la nature sous forme numérique à la commune ou aux communes dans lesquelles un terrain se situe entièrement ou partiellement, ainsi qu'aux instances consultatives visées à l'article 6, § 3, dans la mesure où l'instance consultative a émis un avis, dans un délai de trente jours calendaires après son approbation.
Un plan de gestion de la nature approuvé peut être consulté auprès de l'agence.
Un plan de gestion de la nature approuvé peut être consulté auprès de l'agence.
Afdeling 4. - Opvolging en evaluatie van het natuurbeheerplan
Section 4. - Suivi et évaluation du plan de gestion de la nature
Art. 11. § 1. De beheerder van een terrein is belast met de opvolging en de rapportering aan het agentschap over de mate waarin de beheerdoelstellingen gehaald worden en over de uitvoering van de beheermaatregelen vermeld in deel 5 van het natuurbeheerplan als vermeld in artikel 3, eerste lid, 5°.
§ 2. Te rekenen vanaf de datum van goedkeuring van een natuurbeheerplan van type twee, type drie of type vier, maakt het agentschap om de zes jaar, op basis van de gegevens die de beheerder met toepassing van paragraaf 1 heeft aangeleverd, een evaluatie van de uitvoering van een natuurbeheerplan dat geldt voor een periode van 24 jaar of langer. Voor een goedgekeurd natuurbeheerplan dat geldt voor een periode die korter is dan 24 jaar, bepaalt het agentschap bij de goedkeuring ervan de tijdstippen van de evaluatie.
Het agentschap deelt haar evaluatiebeoordeling mee aan de beheerder in de vorm van een evaluatieverslag.
Als uit de evaluatie blijkt dat de beheermaatregelen die in het goedgekeurde natuurbeheerplan zijn opgenomen, niet geschikt zijn om de beheerdoelstellingen uit het plan te behalen, doet het agentschap in het evaluatieverslag een voorstel aan de beheerder of beheerders. Dat voorstel kan betrekking hebben op afwijkende beheermaatregelen, zonder wijziging van het natuurbeheerplan als vermeld in artikel 16novies, § 1, derde lid van het decreet, of op een wijziging van het natuurbeheerplan als vermeld in artikel 12, § 2.
§ 3. In afwijking van paragraaf 1 en 2 maakt het agentschap om de zes jaar een evaluatieverslag voor een natuurbeheerplan van een natuurdomein op over de mate waarin de beheerdoelstellingen gehaald worden en over de uitvoering van de beheermaatregelen vermeld in deel 5 van het natuurbeheerplan als vermeld in artikel 3, eerste lid, 5°. Dat evaluatieverslag wordt aan de minister voorgelegd.
De minister legt het evaluatieverslag voor aan de adviesinstantie, vermeld in artikel 16decies, § 1 en § 2, en artikel 16undecies, § 2, van het decreet van 21 oktober 1997.
De minister deelt haar evaluatiebeoordeling mee aan het agentschap in de vorm van een evaluatieverslag.
Als uit de evaluatie blijkt dat de beheermaatregelen die in het goedgekeurde natuurbeheerplan zijn opgenomen, niet geschikt zijn om de beheerdoelstellingen uit het plan te behalen, doet de minister in het evaluatieverslag een voorstel aan het agentschap. Dat voorstel kan betrekking hebben op afwijkende beheermaatregelen, zonder wijziging van het natuurbeheerplan als vermeld in artikel 16novies, § 1, derde lid van het decreet, of op een wijziging van het natuurbeheerplan als vermeld in artikel 12, § 5.
§ 2. Te rekenen vanaf de datum van goedkeuring van een natuurbeheerplan van type twee, type drie of type vier, maakt het agentschap om de zes jaar, op basis van de gegevens die de beheerder met toepassing van paragraaf 1 heeft aangeleverd, een evaluatie van de uitvoering van een natuurbeheerplan dat geldt voor een periode van 24 jaar of langer. Voor een goedgekeurd natuurbeheerplan dat geldt voor een periode die korter is dan 24 jaar, bepaalt het agentschap bij de goedkeuring ervan de tijdstippen van de evaluatie.
Het agentschap deelt haar evaluatiebeoordeling mee aan de beheerder in de vorm van een evaluatieverslag.
Als uit de evaluatie blijkt dat de beheermaatregelen die in het goedgekeurde natuurbeheerplan zijn opgenomen, niet geschikt zijn om de beheerdoelstellingen uit het plan te behalen, doet het agentschap in het evaluatieverslag een voorstel aan de beheerder of beheerders. Dat voorstel kan betrekking hebben op afwijkende beheermaatregelen, zonder wijziging van het natuurbeheerplan als vermeld in artikel 16novies, § 1, derde lid van het decreet, of op een wijziging van het natuurbeheerplan als vermeld in artikel 12, § 2.
§ 3. In afwijking van paragraaf 1 en 2 maakt het agentschap om de zes jaar een evaluatieverslag voor een natuurbeheerplan van een natuurdomein op over de mate waarin de beheerdoelstellingen gehaald worden en over de uitvoering van de beheermaatregelen vermeld in deel 5 van het natuurbeheerplan als vermeld in artikel 3, eerste lid, 5°. Dat evaluatieverslag wordt aan de minister voorgelegd.
De minister legt het evaluatieverslag voor aan de adviesinstantie, vermeld in artikel 16decies, § 1 en § 2, en artikel 16undecies, § 2, van het decreet van 21 oktober 1997.
De minister deelt haar evaluatiebeoordeling mee aan het agentschap in de vorm van een evaluatieverslag.
Als uit de evaluatie blijkt dat de beheermaatregelen die in het goedgekeurde natuurbeheerplan zijn opgenomen, niet geschikt zijn om de beheerdoelstellingen uit het plan te behalen, doet de minister in het evaluatieverslag een voorstel aan het agentschap. Dat voorstel kan betrekking hebben op afwijkende beheermaatregelen, zonder wijziging van het natuurbeheerplan als vermeld in artikel 16novies, § 1, derde lid van het decreet, of op een wijziging van het natuurbeheerplan als vermeld in artikel 12, § 5.
Art. 11. § 1er. Le gestionnaire d'un terrain est chargé du suivi et des rapports à l'agence sur la mesure dans laquelle les objectifs de gestion sont atteints et sur l'exécution des mesures de gestion visées à la partie 5 du plan de gestion de la nature telle que visée à l'article 3, alinéa 1er, 5°.
§ 2. A compter de la date d'approbation d'un plan de gestion de la nature du type 2, 3 ou 4, l'agence établit tous les six mois, sur la base des données fournies par le gestionnaire en application du paragraphe 1er, une évaluation de l'exécution d'un plan de gestion de la nature qui vaut pour une période de 24 ans ou plus. Pour un plan de gestion de la nature approuvé qui vaut pour une période inférieure à 24 ans, l'agence détermine, lors de l'approbation du plan, les moments de l'évaluation.
L'agence communique son évaluation au gestionnaire sous forme d'un rapport d'évaluation.
Lorsqu'il ressort de l'évaluation que les mesures de gestion qui sont reprises dans le plan de gestion de la nature approuvé ne sont pas aptes à atteindre les objectifs de gestion du plan, l'agence formule une proposition dans le rapport d'évaluation à l'attention du gestionnaire ou des gestionnaires. Cette proposition peut avoir trait à des mesures de gestion dérogatoires, sans modification du plan de gestion de la nature telle que visée à l'article 16novies, § 1er, alinéa 3, du décret, ou à une modification du plan de gestion de la nature telle que visée à l'article 12, § 2.
§ 3. Par dérogation aux paragraphes 1er et 2, l'agence établit tous les six ans un rapport d'évaluation pour un plan de gestion de la nature d'un domaine naturel sur la mesure dans laquelle les objectifs de gestion sont atteints et sur l'exécution des mesures de gestion visées à la partie 5 du plan de gestion de la nature telle que visée à l'article 3, alinéa 1er, 5°. Ce rapport d'évaluation est transmis au Ministre.
Le Ministre soumet le rapport d'évaluation à l'instance consultative, visée à l'article 16decies, § 1er et § 2, et à l'article 16undecies, § 2, du décret du 21 octobre 1997.
Le Ministre communique son évaluation à l'agence sous forme d'un rapport d'évaluation.
Lorsqu'il ressort de l'évaluation que les mesures de gestion qui sont reprises dans le plan de gestion de la nature approuvé ne sont pas aptes à atteindre les objectifs de gestion du plan, le Mesure de gestion formule une proposition dans le rapport d'évaluation à l'attention de l'agence. Cette proposition peut avoir trait à des mesures de gestion dérogatoires, sans modification du plan de gestion de la nature telle que visée à l'article 16novies, § 1er, alinéa 3, du décret, ou à une modification du plan de gestion de la nature telle que visée à l'article 12, § 5.
§ 2. A compter de la date d'approbation d'un plan de gestion de la nature du type 2, 3 ou 4, l'agence établit tous les six mois, sur la base des données fournies par le gestionnaire en application du paragraphe 1er, une évaluation de l'exécution d'un plan de gestion de la nature qui vaut pour une période de 24 ans ou plus. Pour un plan de gestion de la nature approuvé qui vaut pour une période inférieure à 24 ans, l'agence détermine, lors de l'approbation du plan, les moments de l'évaluation.
L'agence communique son évaluation au gestionnaire sous forme d'un rapport d'évaluation.
Lorsqu'il ressort de l'évaluation que les mesures de gestion qui sont reprises dans le plan de gestion de la nature approuvé ne sont pas aptes à atteindre les objectifs de gestion du plan, l'agence formule une proposition dans le rapport d'évaluation à l'attention du gestionnaire ou des gestionnaires. Cette proposition peut avoir trait à des mesures de gestion dérogatoires, sans modification du plan de gestion de la nature telle que visée à l'article 16novies, § 1er, alinéa 3, du décret, ou à une modification du plan de gestion de la nature telle que visée à l'article 12, § 2.
§ 3. Par dérogation aux paragraphes 1er et 2, l'agence établit tous les six ans un rapport d'évaluation pour un plan de gestion de la nature d'un domaine naturel sur la mesure dans laquelle les objectifs de gestion sont atteints et sur l'exécution des mesures de gestion visées à la partie 5 du plan de gestion de la nature telle que visée à l'article 3, alinéa 1er, 5°. Ce rapport d'évaluation est transmis au Ministre.
Le Ministre soumet le rapport d'évaluation à l'instance consultative, visée à l'article 16decies, § 1er et § 2, et à l'article 16undecies, § 2, du décret du 21 octobre 1997.
Le Ministre communique son évaluation à l'agence sous forme d'un rapport d'évaluation.
Lorsqu'il ressort de l'évaluation que les mesures de gestion qui sont reprises dans le plan de gestion de la nature approuvé ne sont pas aptes à atteindre les objectifs de gestion du plan, le Mesure de gestion formule une proposition dans le rapport d'évaluation à l'attention de l'agence. Cette proposition peut avoir trait à des mesures de gestion dérogatoires, sans modification du plan de gestion de la nature telle que visée à l'article 16novies, § 1er, alinéa 3, du décret, ou à une modification du plan de gestion de la nature telle que visée à l'article 12, § 5.
Afdeling 5. - Wijziging van het natuurbeheerplan
Section 5. - Modification du plan de gestion de la nature
Art. 12. § 1. Op gemotiveerd verzoek van de beheerder van een terrein of van zijn gevolmachtigde kan de procedure voor een wijziging aan het natuurbeheerplan opgestart worden. Een wijziging kan betrekking hebben op de reeds deelnemende percelen in een natuurbeheerplan of op de uitbreiding van het natuurbeheerplan met bijkomende percelen.
§ 2. Naar aanleiding van de evaluatie, vermeld in artikel 11, § 2, derde lid, of als het agentschap vaststelt dat er op het terrein afwijkende beheermaatregelen uitgevoerd werden die gevolgen hebben buiten het terrein of die de realisatie van het globale kader en de beheerdoelstellingen in het gedrang brengen, kan het agentschap een beheerder met een beveiligde zending verzoeken om een aanvraag tot wijziging van het natuurbeheerplan in te dienen.
De beheerder van een terrein of zijn gevolmachtigde dient binnen een termijn van 180 kalenderdagen na het verzoek, vermeld in het eerste lid, de wijziging aan het natuurbeheerplan ter goedkeuring in bij het agentschap.
§ 3. Als de beheerder geen gevolg geeft aan het verzoek van het agentschap, vermeld in paragraaf 2, binnen de termijn van 180 kalenderdagen, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, kan het agentschap het natuurbeheerplan wijzigen. De beslissing van het agentschap tot wijziging van het natuurbeheerplan wordt met een beveiligde zending aan de beheerder meegedeeld.
§ 4. Bij een aanvraag tot goedkeuring van een wijziging van het natuurbeheerplan, met toepassing van paragraaf 1 tot en met 3, wordt bij het agentschap een gecoördineerde versie ingediend van het natuurbeheerplan waarin de te wijzigen gegevens zijn aangeduid.
De wijziging van een natuurbeheerplan verloopt volgens de procedure, vermeld in afdeling 2. Tijdens de consultatie- en adviesronde kunnen alleen bezwaren, opmerkingen en adviezen worden ingediend die betrekking hebben op de te wijzigen gegevens.
In afwijking van het tweede lid wordt een beperkte procedure voorzien in de volgende gevallen:
1° voor beperkte wijzigingen. Een beperkte wijziging is een wijziging waarbij geen veranderingen gebeuren aan de inhoud van deel 1, hoofdstuk 2 en hoofdstuk 3, en deel 3, hoofdstuk 1, van het natuurbeheerplan. Dit wordt beoordeeld in het kader van het volledigheidsonderzoek, vermeld in artikel 5, § 3;
2° een wijziging van een natuurbeheerplan die betrekking heeft op de uitvoering van een actie ter realisatie van de taakstelling zoals opgenomen in een goedgekeurd Managementplan Natura 2000 of een planversie ervan, vermeld in artikel 50septies van het decreet van 21 oktober 1997;
3° een wijziging van een natuurbeheerplan die betrekking heeft op de uitvoering van een actie ter realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen of van gebiedsgerichte doelstellingen inzake natuurbehoud zoals opgenomen in een goedgekeurd managementplan, vermeld in artikel 48 van het decreet van 21 oktober 1997;
4° een wijziging van een natuurbeheerplan die betrekking heeft op de uitvoering van een actie of maatregel opgenomen in een vastgesteld soortenbeschermingsprogramma, voor zover deze actie of maatregel in het soortenbeschermingsprogramma duidelijk gelokaliseerd is in een terrein waarop het natuurbeheerplan in kwestie van toepassing is.
Bij de toepassing van het derde lid, 1°, kan de beperkte procedure in geval van een uitbreiding van een natuurbeheerplan alleen toegepast worden als daartoe, voorafgaand aan de ontvangstmelding als vermeld in artikel 4, tweede lid, en artikel 5, § 3, een gezamenlijke beslissing bestaat van het agentschap en van [1 het Agentschap Landbouw en Zeevisserij]1. De gezamenlijke beslissing heeft betrekking op de toetsing of de voorgestelde uitbreiding een betekenisvolle aantasting van de agrarische structuur in agrarisch gebied tot gevolg heeft.
Als binnen de afbakening van het natuurbeheerplan één of meer beschermde goederen of erfgoedlandschappen, zoals vermeld in artikel 2.1, 15° en artikel 2.1, 25° van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, liggen, dan wordt bij toepassing van de beperkte procedure, vermeld in het derde lid, advies gevraagd aan agentschap Onroerend Erfgoed. Het advies wordt uitgebracht binnen een termijn van dertig kalenderdagen, die ingaat de dag na de ontvangst van de adviesvraag. Als die termijn wordt overschreden, kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
De beperkte procedure, vermeld in het derde lid, bestaat er in dat de artikelen 4 en 6 van de procedure, vermeld in afdeling 2, niet moeten worden toegepast. Voor de toepassing van artikel 5 wordt, in het geval van een beperkte wijziging, een volledig natuurbeheerplan ingediend, zonder dat vooraf een gunstige beslissing over deel 1 is genomen.
De goedkeuring van de wijziging van een natuurbeheerplan geldt voor de resterende termijn van de oorspronkelijke looptijd van het natuurbeheerplan.
§ 5. Naar aanleiding van de evaluatie, vermeld in artikel 11, § 3, vierde lid, kan het agentschap het natuurbeheerplan wijzigen.
Paragraaf 4, tweede lid tot en met vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing bij het wijzigen van een natuurbeheerplan van een natuurdomein.
§ 2. Naar aanleiding van de evaluatie, vermeld in artikel 11, § 2, derde lid, of als het agentschap vaststelt dat er op het terrein afwijkende beheermaatregelen uitgevoerd werden die gevolgen hebben buiten het terrein of die de realisatie van het globale kader en de beheerdoelstellingen in het gedrang brengen, kan het agentschap een beheerder met een beveiligde zending verzoeken om een aanvraag tot wijziging van het natuurbeheerplan in te dienen.
De beheerder van een terrein of zijn gevolmachtigde dient binnen een termijn van 180 kalenderdagen na het verzoek, vermeld in het eerste lid, de wijziging aan het natuurbeheerplan ter goedkeuring in bij het agentschap.
§ 3. Als de beheerder geen gevolg geeft aan het verzoek van het agentschap, vermeld in paragraaf 2, binnen de termijn van 180 kalenderdagen, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, kan het agentschap het natuurbeheerplan wijzigen. De beslissing van het agentschap tot wijziging van het natuurbeheerplan wordt met een beveiligde zending aan de beheerder meegedeeld.
§ 4. Bij een aanvraag tot goedkeuring van een wijziging van het natuurbeheerplan, met toepassing van paragraaf 1 tot en met 3, wordt bij het agentschap een gecoördineerde versie ingediend van het natuurbeheerplan waarin de te wijzigen gegevens zijn aangeduid.
De wijziging van een natuurbeheerplan verloopt volgens de procedure, vermeld in afdeling 2. Tijdens de consultatie- en adviesronde kunnen alleen bezwaren, opmerkingen en adviezen worden ingediend die betrekking hebben op de te wijzigen gegevens.
In afwijking van het tweede lid wordt een beperkte procedure voorzien in de volgende gevallen:
1° voor beperkte wijzigingen. Een beperkte wijziging is een wijziging waarbij geen veranderingen gebeuren aan de inhoud van deel 1, hoofdstuk 2 en hoofdstuk 3, en deel 3, hoofdstuk 1, van het natuurbeheerplan. Dit wordt beoordeeld in het kader van het volledigheidsonderzoek, vermeld in artikel 5, § 3;
2° een wijziging van een natuurbeheerplan die betrekking heeft op de uitvoering van een actie ter realisatie van de taakstelling zoals opgenomen in een goedgekeurd Managementplan Natura 2000 of een planversie ervan, vermeld in artikel 50septies van het decreet van 21 oktober 1997;
3° een wijziging van een natuurbeheerplan die betrekking heeft op de uitvoering van een actie ter realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen of van gebiedsgerichte doelstellingen inzake natuurbehoud zoals opgenomen in een goedgekeurd managementplan, vermeld in artikel 48 van het decreet van 21 oktober 1997;
4° een wijziging van een natuurbeheerplan die betrekking heeft op de uitvoering van een actie of maatregel opgenomen in een vastgesteld soortenbeschermingsprogramma, voor zover deze actie of maatregel in het soortenbeschermingsprogramma duidelijk gelokaliseerd is in een terrein waarop het natuurbeheerplan in kwestie van toepassing is.
Bij de toepassing van het derde lid, 1°, kan de beperkte procedure in geval van een uitbreiding van een natuurbeheerplan alleen toegepast worden als daartoe, voorafgaand aan de ontvangstmelding als vermeld in artikel 4, tweede lid, en artikel 5, § 3, een gezamenlijke beslissing bestaat van het agentschap en van [1 het Agentschap Landbouw en Zeevisserij]1. De gezamenlijke beslissing heeft betrekking op de toetsing of de voorgestelde uitbreiding een betekenisvolle aantasting van de agrarische structuur in agrarisch gebied tot gevolg heeft.
Als binnen de afbakening van het natuurbeheerplan één of meer beschermde goederen of erfgoedlandschappen, zoals vermeld in artikel 2.1, 15° en artikel 2.1, 25° van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, liggen, dan wordt bij toepassing van de beperkte procedure, vermeld in het derde lid, advies gevraagd aan agentschap Onroerend Erfgoed. Het advies wordt uitgebracht binnen een termijn van dertig kalenderdagen, die ingaat de dag na de ontvangst van de adviesvraag. Als die termijn wordt overschreden, kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
De beperkte procedure, vermeld in het derde lid, bestaat er in dat de artikelen 4 en 6 van de procedure, vermeld in afdeling 2, niet moeten worden toegepast. Voor de toepassing van artikel 5 wordt, in het geval van een beperkte wijziging, een volledig natuurbeheerplan ingediend, zonder dat vooraf een gunstige beslissing over deel 1 is genomen.
De goedkeuring van de wijziging van een natuurbeheerplan geldt voor de resterende termijn van de oorspronkelijke looptijd van het natuurbeheerplan.
§ 5. Naar aanleiding van de evaluatie, vermeld in artikel 11, § 3, vierde lid, kan het agentschap het natuurbeheerplan wijzigen.
Paragraaf 4, tweede lid tot en met vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing bij het wijzigen van een natuurbeheerplan van een natuurdomein.
Modifications
Art. 12. § 1er. A la demande motivée du gestionnaire d'un terrain ou de son mandataire, la procédure pour une modification du plan de gestion de la nature peut être lancée. Une modification peut avoir trait à des parcelles déjà participant à un plan de gestion de la nature, ou à l'extension du plan de gestion de la nature par des parcelles supplémentaires.
§ 2. A l'occasion de l'évaluation, visée à l'article 11, § 2, alinéa 3, ou si l'agence constate que des mesures de gestion dérogatoires ont été effectuées sur le terrain qui ont des conséquences en dehors du terrain ou qui compromettent la réalisation du cadre global et des objectifs de gestion, l'agence peut demander à un gestionnaire, par envoi sécurisé, d'introduire une demande de modification du plan de gestion de la nature.
Le gestionnaire d'un terrain ou son mandataire introduit la modification au plan de gestion de la nature pour approbation auprès de l'agence, dans un délai de 180 jours calendaires après la demande, visée à l'alinéa 1er.
§ 3. Si le gestionnaire ne donne pas suite à la demande de l'agence, visée au paragraphe 2, dans le délai de 180 jours calendaires, visé au paragraphe 2, alinéa 2, l'agence peut modifier le plan de gestion de la nature. La décision de l'agence de modification du plan de gestion de la nature est communiquée par envoi sécurisé au gestionnaire.
§ 4. En cas d'une demande d'approbation d'une modification du plan de gestion de la nature, en application des paragraphes 1er à 3 inclus, une version coordonnée du plan de gestion de la nature est introduite auprès de l'agence, dans laquelle les données à modifier sont indiquées.
La modification d'un plan de gestion de la nature se déroule selon la procédure, visée à la section 2. Pendant la phase de consultation et d'avis, seuls des objections, observations et avis peuvent introduits qui concernent les données à modifier.
Par dérogation à l'alinéa 2, une procédure restreinte est prévue dans les cas suivants :
1° pour des modifications limitées. Une modification limitée est une modification sans changements du contenu de la partie 1, chapitres 2 et 3, et la partie 3, chapitre 1er, du plan de gestion de la nature. L'évaluation se fait dans le cadre de l'examen de complétude, visé à l'article 5, § 3 ;
2° une modification d'un plan de gestion de la nature qui concerne l'exécution d'une action visant à réaliser les tâches telles que reprises dans un plan de gestion Natura 2000 approuvé ou une version du plan de celui-ci, visé à l'article 50septies du décret du 21 octobre 1997 ;
3° une modification d'un plan de gestion de la nature qui concerne l'exécution d'une action visant à réaliser des objectifs de conservation ou des objectifs de conservation de la nature propres à la région, tels que repris dans un plan de gestion approuvé, visé à l'article 48 du décret du 21 octobre 1997 ;
4° une modification d'un plan de gestion de la nature qui concerne l'exécution d'une action ou mesure reprise dans un programme de protection des espèces établi, dans la mesure où cette action ou mesure du programme de protection des espèces est clairement localisée dans un terrain auquel le plan de gestion de la nature en question s'applique.
Pour l'application de l'alinéa 3, 1°, la procédure restreinte ne peut être appliquée en cas d'une extension d'un plan de gestion de la nature que si, préalablement à l'accusé de réception tel que visé à l'article 4, alinéa 2, et l'article 5, § 3, il existe une décision conjointe à cet effet de l'agence et de [1 l'Agence de l'Agriculture et de la Pêche]1. La décision conjointe concerne la vérification si l'extension proposée entraîne une dépréciation significative de la structure agraire dans une zone agricole.
Si un ou plusieurs biens protégés ou paysages patrimoniaux, tels que visés à l'article 2.1, 15°, et l'article 2.1, 25°, du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, se situent au sein de la délimitation du plan de gestion de la nature, l'avis de l'Agence du Patrimoine immobilier est demandé en cas d'application de la procédure restreinte, visée à l'alinéa 3. L'avis est rendu dans un délai de trente jours calendaires, qui prend cours le jour après la réception de la demande d'avis. Lorsque ce délai est dépassé, l'exigence d'avis peut être ignorée.
La procédure restreinte, visée à l'alinéa 3, implique que les articles 4 et 6 de la procédure, visée à la section 2, ne doivent pas être appliquées. Pour l'application de l'article 5, en cas d'une modification limitée, un plan de gestion de la nature complet est introduit, sans qu'une décision favorable sur la partie 1 ait été prise.
L'approbation de la modification d'un plan de gestion vaut pour le délai restant de la durée initiale du plan de gestion de la nature.
§ 5. A l'occasion de l'évaluation, visée à l'article 11, § 3, alinéa 4, l'agence peut modifier le plan de gestion de la nature.
Le paragraphe 4, alinéas 2 à 4 inclus, s'applique par analogie en cas de modification d'un plan de gestion de la nature d'un domaine naturel.
§ 2. A l'occasion de l'évaluation, visée à l'article 11, § 2, alinéa 3, ou si l'agence constate que des mesures de gestion dérogatoires ont été effectuées sur le terrain qui ont des conséquences en dehors du terrain ou qui compromettent la réalisation du cadre global et des objectifs de gestion, l'agence peut demander à un gestionnaire, par envoi sécurisé, d'introduire une demande de modification du plan de gestion de la nature.
Le gestionnaire d'un terrain ou son mandataire introduit la modification au plan de gestion de la nature pour approbation auprès de l'agence, dans un délai de 180 jours calendaires après la demande, visée à l'alinéa 1er.
§ 3. Si le gestionnaire ne donne pas suite à la demande de l'agence, visée au paragraphe 2, dans le délai de 180 jours calendaires, visé au paragraphe 2, alinéa 2, l'agence peut modifier le plan de gestion de la nature. La décision de l'agence de modification du plan de gestion de la nature est communiquée par envoi sécurisé au gestionnaire.
§ 4. En cas d'une demande d'approbation d'une modification du plan de gestion de la nature, en application des paragraphes 1er à 3 inclus, une version coordonnée du plan de gestion de la nature est introduite auprès de l'agence, dans laquelle les données à modifier sont indiquées.
La modification d'un plan de gestion de la nature se déroule selon la procédure, visée à la section 2. Pendant la phase de consultation et d'avis, seuls des objections, observations et avis peuvent introduits qui concernent les données à modifier.
Par dérogation à l'alinéa 2, une procédure restreinte est prévue dans les cas suivants :
1° pour des modifications limitées. Une modification limitée est une modification sans changements du contenu de la partie 1, chapitres 2 et 3, et la partie 3, chapitre 1er, du plan de gestion de la nature. L'évaluation se fait dans le cadre de l'examen de complétude, visé à l'article 5, § 3 ;
2° une modification d'un plan de gestion de la nature qui concerne l'exécution d'une action visant à réaliser les tâches telles que reprises dans un plan de gestion Natura 2000 approuvé ou une version du plan de celui-ci, visé à l'article 50septies du décret du 21 octobre 1997 ;
3° une modification d'un plan de gestion de la nature qui concerne l'exécution d'une action visant à réaliser des objectifs de conservation ou des objectifs de conservation de la nature propres à la région, tels que repris dans un plan de gestion approuvé, visé à l'article 48 du décret du 21 octobre 1997 ;
4° une modification d'un plan de gestion de la nature qui concerne l'exécution d'une action ou mesure reprise dans un programme de protection des espèces établi, dans la mesure où cette action ou mesure du programme de protection des espèces est clairement localisée dans un terrain auquel le plan de gestion de la nature en question s'applique.
Pour l'application de l'alinéa 3, 1°, la procédure restreinte ne peut être appliquée en cas d'une extension d'un plan de gestion de la nature que si, préalablement à l'accusé de réception tel que visé à l'article 4, alinéa 2, et l'article 5, § 3, il existe une décision conjointe à cet effet de l'agence et de [1 l'Agence de l'Agriculture et de la Pêche]1. La décision conjointe concerne la vérification si l'extension proposée entraîne une dépréciation significative de la structure agraire dans une zone agricole.
Si un ou plusieurs biens protégés ou paysages patrimoniaux, tels que visés à l'article 2.1, 15°, et l'article 2.1, 25°, du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, se situent au sein de la délimitation du plan de gestion de la nature, l'avis de l'Agence du Patrimoine immobilier est demandé en cas d'application de la procédure restreinte, visée à l'alinéa 3. L'avis est rendu dans un délai de trente jours calendaires, qui prend cours le jour après la réception de la demande d'avis. Lorsque ce délai est dépassé, l'exigence d'avis peut être ignorée.
La procédure restreinte, visée à l'alinéa 3, implique que les articles 4 et 6 de la procédure, visée à la section 2, ne doivent pas être appliquées. Pour l'application de l'article 5, en cas d'une modification limitée, un plan de gestion de la nature complet est introduit, sans qu'une décision favorable sur la partie 1 ait été prise.
L'approbation de la modification d'un plan de gestion vaut pour le délai restant de la durée initiale du plan de gestion de la nature.
§ 5. A l'occasion de l'évaluation, visée à l'article 11, § 3, alinéa 4, l'agence peut modifier le plan de gestion de la nature.
Le paragraphe 4, alinéas 2 à 4 inclus, s'applique par analogie en cas de modification d'un plan de gestion de la nature d'un domaine naturel.
Modifications
Art. 13. Een natuurbeheerplan voor een terrein dat ligt in een gebied waarvoor een managementplan Natura 2000 of een managementplan als vermeld in artikel 48 van het decreet van 21 oktober 1997, van kracht wordt, en waarvoor wordt vastgesteld dat ten gevolge daarvan de beheerdoelstellingen voor dat terrein veranderen, moet worden gewijzigd. Die wijziging vindt uiterlijk plaats bij de eerstvolgende evaluatie van het natuurbeheerplan, vermeld in artikel 11, § 2, van dit besluit.
Art. 13. Un plan de gestion de la nature pour un terrain qui se situe dans une zone pour laquelle un plan de gestion Natura 2000 ou un plan de gestion tel que visé à l'article 48 du décret du 21 octobre 1997, entre en vigueur, et pour lequel il est arrêté que les objectifs de gestion pour ce terrain changent en conséquence, doit être modifié. Cette modification a lieu au plus tard lors de le prochaine évaluation du plan de gestion de la nature, visée à l'article 11, § 2, du présent arrêté.
Afdeling 6. - De opheffing van het natuurbeheerplan en de overname van het beheer
Section 6. - L'abrogation du plan de gestion de la nature et la reprise de la gestion
Art. 14. Voor een terrein van type één waarvan het natuurbeheerplan goedgekeurd werd met toepassing van dit besluit vóór de afbakening van het VEN, en dat met de afbakening in het VEN komt te liggen, wordt het natuurbeheerplan van rechtswege opgeheven twee jaar na de datum van de afbakening van het VEN. Binnen die periode van twee jaar moet een nieuw natuurbeheerplan ingediend worden voor een terrein van type twee, type drie of type vier.
Art. 14. Pour un terrain du type 1 dont le plan de gestion de la nature a été approuvé en application du présent arrêté avant la délimitation du VEN et se situe dans le VEN suite à cette délimitation, le plan de gestion de la nature est abrogé de plein droit deux ans après la date de la délimitation du VEN. Au cours de cette période de deux ans, un nouveau plan de gestion de la nature doit être introduit pour un terrain du type 2, 3 ou 4.
Art. 15. § 1. Met toepassing van artikel 16decies, § 2, van het decreet van 21 oktober 1997, kan de beheerder van een ander terrein dan een natuurdomein of zijn gevolmachtigde, nadat hij de eigenaar op de hoogte heeft gebracht, bij het agentschap een gemotiveerd verzoek tot het opheffen van het natuurbeheerplan indienen.
Als het een gezamenlijk natuurbeheerplan betreft, heeft het verzoek tot opheffing alleen betrekking op het terrein in beheer van de persoon die om de opheffing ervan verzoekt. Het verzoek tot opheffing van een terrein dat deel uitmaakt van een gezamenlijk natuurbeheerplan, wordt ingediend door of namens alle beheerders die bij het gezamenlijk natuurbeheerplan betrokken zijn, tenzij bij het verzoek tot opheffing het akkoord van de overige beheerders gevoegd is.
Het agentschap kan het verzoek tot opheffing van een natuurbeheerplan voor een privaat terrein alleen toestaan als uit het gemotiveerd verzoek van de beheerder blijkt dat de opheffing wordt gevraagd omwille van gevallen van overmacht waardoor de beheerder definitief in de onmogelijkheid verkeert om het beheerplan uit te voeren.
Als het verzoek tot opheffing van een natuurbeheerplan betrekking heeft op een openbaar terrein kan het agentschap het verzoek tot opheffing alleen toestaan als uit het gemotiveerd verzoek van de beheerder blijkt dat het verzoek tot opheffing noodzakelijk is voor maatregelen die een maatschappelijk belang dienen.
§ 2. Met toepassing van artikel 16decies, § 1, van het decreet van 21 oktober 1997, kan het agentschap aan de beheerder het voornemen te kennen geven om het natuurbeheerplan op te heffen als het agentschap vaststelt dat de beheerder van een terrein de beheermaatregelen niet uitvoert of dat de beheerder andere beheermaatregelen uitvoert dan wat in het goedgekeurd natuurbeheerplan is opgenomen, en dat de beheerder dit op zodanige wijze doet dat de realisatie van de beheerdoelstellingen in het gedrang komt.
Als het een gezamenlijk natuurbeheerplan betreft, heeft het voornemen tot opheffing alleen betrekking op het terrein in beheer van de persoon bij wie het agentschap de vaststellingen, vermeld in het eerste lid, heeft gedaan. Bij het voornemen tot opheffing wordt aangetoond dat de mogelijkheid van overname van het beheer van het terrein in kwestie door de overige beheerders onderzocht is, waarbij de overige beheerders op de hoogte zijn gebracht van de gevolgen van de opheffing inzake de voorwaarden voor type twee, type drie of type vier.
§ 3. Vóór de beslissing over de opheffing van het natuurbeheerplan, vermeld in paragraaf 1 en 2, nodigt het agentschap de beheerder van het terrein, en in voorkomend geval de overige betrokken beheerders van het gezamenlijke natuurbeheerplan, met een beveiligde zending, uit voor een hoorzitting die ten vroegste tien kalenderdagen na het versturen van de uitnodiging plaatsvindt. De beheerder van het terrein in kwestie kan zich op de hoorzitting laten vertegenwoordigen en laten bijstaan door de personen die hij daarvoor aanwijst.
Van de hoorzitting wordt een verslag gemaakt dat uiterlijk tien kalenderdagen na de hoorzitting aan de aanwezigen wordt gestuurd.
§ 4. Het agentschap stuurt de beslissing over het verzoek tot opheffing, vermeld in paragraaf 1, met een beveiligde zending, binnen een termijn van zestig kalenderdagen na ontvangst van het verzoek tot opheffing, aan degene die het verzoek tot opheffing heeft ingediend, en, in voorkomend geval, aan de overige beheerders van een gezamenlijk natuurbeheerplan die op de hoogte werden gebracht van het verzoek tot opheffing.
Het agentschap stuurt de beslissing over het voornemen tot opheffing, zoals vermeld in paragraaf 2, met een beveiligde zending, binnen een termijn van zestig kalenderdagen na verzending van de kennisgeving van het voornemen tot opheffing, aan de beheerder van het terrein.
Als het agentschap met toepassing van artikel 16 van dit besluit een voorstel tot overname van het beheer doet, wordt de termijn, vermeld in het eerste lid, geschorst tot op het ogenblik dat de minister een beslissing over dat voorstel heeft genomen.
Als het een gezamenlijk natuurbeheerplan betreft, heeft het verzoek tot opheffing alleen betrekking op het terrein in beheer van de persoon die om de opheffing ervan verzoekt. Het verzoek tot opheffing van een terrein dat deel uitmaakt van een gezamenlijk natuurbeheerplan, wordt ingediend door of namens alle beheerders die bij het gezamenlijk natuurbeheerplan betrokken zijn, tenzij bij het verzoek tot opheffing het akkoord van de overige beheerders gevoegd is.
Het agentschap kan het verzoek tot opheffing van een natuurbeheerplan voor een privaat terrein alleen toestaan als uit het gemotiveerd verzoek van de beheerder blijkt dat de opheffing wordt gevraagd omwille van gevallen van overmacht waardoor de beheerder definitief in de onmogelijkheid verkeert om het beheerplan uit te voeren.
Als het verzoek tot opheffing van een natuurbeheerplan betrekking heeft op een openbaar terrein kan het agentschap het verzoek tot opheffing alleen toestaan als uit het gemotiveerd verzoek van de beheerder blijkt dat het verzoek tot opheffing noodzakelijk is voor maatregelen die een maatschappelijk belang dienen.
§ 2. Met toepassing van artikel 16decies, § 1, van het decreet van 21 oktober 1997, kan het agentschap aan de beheerder het voornemen te kennen geven om het natuurbeheerplan op te heffen als het agentschap vaststelt dat de beheerder van een terrein de beheermaatregelen niet uitvoert of dat de beheerder andere beheermaatregelen uitvoert dan wat in het goedgekeurd natuurbeheerplan is opgenomen, en dat de beheerder dit op zodanige wijze doet dat de realisatie van de beheerdoelstellingen in het gedrang komt.
Als het een gezamenlijk natuurbeheerplan betreft, heeft het voornemen tot opheffing alleen betrekking op het terrein in beheer van de persoon bij wie het agentschap de vaststellingen, vermeld in het eerste lid, heeft gedaan. Bij het voornemen tot opheffing wordt aangetoond dat de mogelijkheid van overname van het beheer van het terrein in kwestie door de overige beheerders onderzocht is, waarbij de overige beheerders op de hoogte zijn gebracht van de gevolgen van de opheffing inzake de voorwaarden voor type twee, type drie of type vier.
§ 3. Vóór de beslissing over de opheffing van het natuurbeheerplan, vermeld in paragraaf 1 en 2, nodigt het agentschap de beheerder van het terrein, en in voorkomend geval de overige betrokken beheerders van het gezamenlijke natuurbeheerplan, met een beveiligde zending, uit voor een hoorzitting die ten vroegste tien kalenderdagen na het versturen van de uitnodiging plaatsvindt. De beheerder van het terrein in kwestie kan zich op de hoorzitting laten vertegenwoordigen en laten bijstaan door de personen die hij daarvoor aanwijst.
Van de hoorzitting wordt een verslag gemaakt dat uiterlijk tien kalenderdagen na de hoorzitting aan de aanwezigen wordt gestuurd.
§ 4. Het agentschap stuurt de beslissing over het verzoek tot opheffing, vermeld in paragraaf 1, met een beveiligde zending, binnen een termijn van zestig kalenderdagen na ontvangst van het verzoek tot opheffing, aan degene die het verzoek tot opheffing heeft ingediend, en, in voorkomend geval, aan de overige beheerders van een gezamenlijk natuurbeheerplan die op de hoogte werden gebracht van het verzoek tot opheffing.
Het agentschap stuurt de beslissing over het voornemen tot opheffing, zoals vermeld in paragraaf 2, met een beveiligde zending, binnen een termijn van zestig kalenderdagen na verzending van de kennisgeving van het voornemen tot opheffing, aan de beheerder van het terrein.
Als het agentschap met toepassing van artikel 16 van dit besluit een voorstel tot overname van het beheer doet, wordt de termijn, vermeld in het eerste lid, geschorst tot op het ogenblik dat de minister een beslissing over dat voorstel heeft genomen.
Art. 15. § 1er. En application de l'article 16decies, § 2, du décret du 21 octobre 1997, le gestionnaire d'un autre terrain qu'un domaine naturel ou son mandataire peut, après avoir informé le propriétaire, introduire auprès de l'agence une demande motivée d'abrogation du plan de gestion de la nature.
Lorsqu'il s'agit d'un plan conjoint de gestion de la nature, la demande d'abrogation ne concerne que le terrain géré par la personne demandant l'abrogation. La demande d'abrogation d'un terrain qui fait partie d'un plan conjoint de gestion de la nature, est introduite par ou au nom de tous les gestionnaires associés au plan conjoint de gestion de la nature, sauf si l'accord des autres gestionnaires est joint à la demande d'abrogation.
L'agence ne peut consentir à une demande d'abrogation d'un plan de gestion de la nature pour un terrain privé que s'il ressort de la demande motivée du gestionnaire que l'abrogation est demandée en raison de cas de force majeure qui mettent le gestionnaire définitivement dans l'impossibilité d'exécuter le plan de gestion.
Si la demande d'abrogation d'un plan de gestion de la nature concerne un terrain public, l'agence ne peut approuver la demande d'abrogation que s'il ressort de la demande motivée du gestionnaire que la demande d'abrogation est nécessaire pour des mesures qui servent un intérêt social.
§ 2. En application de l'article 16decies, § 1er, du décret du 21 octobre 1997, l'agence peut communiquer au gestionnaire l'intention d'abroger le plan de gestion de la nature si elle constate que le gestionnaire d'un terrain n'exécute pas les mesures de gestion ou que le gestionnaire exécute d'autres mesures de gestion que celles reprises au plan de gestion de la nature approuvé, et que le gestionnaire le fait de telle manière que la réalisation des objectifs de gestion est compromise.
Lorsqu'il s'agit d'un plan conjoint de gestion de la nature, l'intention d'abrogation ne concerne que le terrain géré par la personne pour laquelle l'agence a fait les constatations, visées à l'alinéa 1er. Pour l'intention d'abrogation, il est démontré que la possibilité de reprise de la gestion du terrain en question par les autres gestionnaires a été examinée, et que les autres gestionnaires ont été informés des conséquences de l'abrogation concernant les conditions pour le type 2, 3 ou 4.
§ 3. Avant la décision sur l'abrogation du plan de gestion de la nature, visée aux paragraphes 1er et 2, l'agence invite le gestionnaire du terrain, et le cas échéant les autres gestionnaires concernés du plan conjoint de gestion de la nature, par envoi sécurisé, à une audition qui a lieu au plus tôt dix jours calendaires après l'envoi de l'invitation. Le gestionnaire du terrain en question peut se faire représenter à l'audition et se faire assister par les personnes qu'il désigne à cet effet.
Un rapport de l'audition est rédigé, qui est envoyé aux participants au plus tard dix jours calendaires après l'audition.
§ 4. L'agence envoie la décision sur la demande d'abrogation, visée au paragraphe 1er, par envoi sécurisé, dans un délai de soixante jours calendaires après la réception de la demande d'abrogation, à celui qui a introduit la demande d'abrogation et, le cas échéant, aux autres gestionnaires d'un plan conjoint de gestion de la nature qui ont été informés de la demande d'abrogation.
L'agence envoie la décision sur l'intention d'abrogation, telle que visée au paragraphe 2, par envoi sécurisé, dans un délai de soixante jours calendaires après l'envoi de la notification de l'intention d'abrogation, au gestionnaire du terrain.
Si l'agence formule une proposition de reprise de la gestion en application de l'article 16 du présent arrêté, le délai, visé à l'alinéa 1er, est suspendu jusqu'au moment où le Ministre a pris une décision sur cette proposition.
Lorsqu'il s'agit d'un plan conjoint de gestion de la nature, la demande d'abrogation ne concerne que le terrain géré par la personne demandant l'abrogation. La demande d'abrogation d'un terrain qui fait partie d'un plan conjoint de gestion de la nature, est introduite par ou au nom de tous les gestionnaires associés au plan conjoint de gestion de la nature, sauf si l'accord des autres gestionnaires est joint à la demande d'abrogation.
L'agence ne peut consentir à une demande d'abrogation d'un plan de gestion de la nature pour un terrain privé que s'il ressort de la demande motivée du gestionnaire que l'abrogation est demandée en raison de cas de force majeure qui mettent le gestionnaire définitivement dans l'impossibilité d'exécuter le plan de gestion.
Si la demande d'abrogation d'un plan de gestion de la nature concerne un terrain public, l'agence ne peut approuver la demande d'abrogation que s'il ressort de la demande motivée du gestionnaire que la demande d'abrogation est nécessaire pour des mesures qui servent un intérêt social.
§ 2. En application de l'article 16decies, § 1er, du décret du 21 octobre 1997, l'agence peut communiquer au gestionnaire l'intention d'abroger le plan de gestion de la nature si elle constate que le gestionnaire d'un terrain n'exécute pas les mesures de gestion ou que le gestionnaire exécute d'autres mesures de gestion que celles reprises au plan de gestion de la nature approuvé, et que le gestionnaire le fait de telle manière que la réalisation des objectifs de gestion est compromise.
Lorsqu'il s'agit d'un plan conjoint de gestion de la nature, l'intention d'abrogation ne concerne que le terrain géré par la personne pour laquelle l'agence a fait les constatations, visées à l'alinéa 1er. Pour l'intention d'abrogation, il est démontré que la possibilité de reprise de la gestion du terrain en question par les autres gestionnaires a été examinée, et que les autres gestionnaires ont été informés des conséquences de l'abrogation concernant les conditions pour le type 2, 3 ou 4.
§ 3. Avant la décision sur l'abrogation du plan de gestion de la nature, visée aux paragraphes 1er et 2, l'agence invite le gestionnaire du terrain, et le cas échéant les autres gestionnaires concernés du plan conjoint de gestion de la nature, par envoi sécurisé, à une audition qui a lieu au plus tôt dix jours calendaires après l'envoi de l'invitation. Le gestionnaire du terrain en question peut se faire représenter à l'audition et se faire assister par les personnes qu'il désigne à cet effet.
Un rapport de l'audition est rédigé, qui est envoyé aux participants au plus tard dix jours calendaires après l'audition.
§ 4. L'agence envoie la décision sur la demande d'abrogation, visée au paragraphe 1er, par envoi sécurisé, dans un délai de soixante jours calendaires après la réception de la demande d'abrogation, à celui qui a introduit la demande d'abrogation et, le cas échéant, aux autres gestionnaires d'un plan conjoint de gestion de la nature qui ont été informés de la demande d'abrogation.
L'agence envoie la décision sur l'intention d'abrogation, telle que visée au paragraphe 2, par envoi sécurisé, dans un délai de soixante jours calendaires après l'envoi de la notification de l'intention d'abrogation, au gestionnaire du terrain.
Si l'agence formule une proposition de reprise de la gestion en application de l'article 16 du présent arrêté, le délai, visé à l'alinéa 1er, est suspendu jusqu'au moment où le Ministre a pris une décision sur cette proposition.
Art. 16. § 1. In de volgende gevallen, en voor zover het beheer van het terrein van belang is voor het realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen, kan het agentschap aan de minister voorstellen om te beslissen dat het agentschap het beheer van het terrein in kwestie overneemt gedurende de resterende looptijd van het natuurbeheerplan:
1° met toepassing van artikel 16decies, § 2, van het decreet van 21 oktober 1997: als de beheerder een verzoek tot opheffing als vermeld in artikel 15, § 1, van dit besluit heeft ingediend en het agentschap het voornemen heeft om dat verzoek te weigeren;
2° met toepassing van artikel 16decies, § 1, van het decreet van 21 oktober 1997: als het agentschap vaststelt dat de beheerder van een terrein de beheermaatregelen niet uitvoert of dat de beheerder andere beheermaatregelen uitvoert dan wat in het goedgekeurde natuurbeheerplan is opgenomen, op zodanige wijze dat de realisatie van de beheerdoelstellingen in het gedrang komt.
§ 2. Vóór het voorstel aan de minister, vermeld in paragraaf 1, brengt het agentschap de beheerder op de hoogte van het voornemen tot overname van het beheer. Het agentschap nodigt de beheerder uit om binnen een termijn van zestig kalenderdagen na ontvangst van de kennisgeving mee te delen of het beheer van het terrein in kwestie overgenomen kan worden door een andere beheerder die aantoont of aangetoond heeft op een deskundige manier aan natuurbeheer te kunnen doen.
Na ontvangst van het antwoord op die vraag of na het verstrijken van de termijn van zestig kalenderdagen, nodigt het agentschap de beheerder van het terrein, en in voorkomend geval de overige betrokken beheerders van het gezamenlijke natuurbeheerplan, met een beveiligde zending, uit voor een hoorzitting. De hoorzitting vindt ten vroegste tien kalenderdagen na het versturen van de uitnodiging plaats. De beheerder van het terrein in kwestie kan zich op de hoorzitting laten vertegenwoordigen en laten bijstaan door de personen die hij daarvoor aanwijst. In voorkomend geval vindt de hoorzitting plaats op dag waarop de hoorzitting, vermeld in artikel 15, § 3, van dit besluit plaatsvindt.
Van de hoorzitting wordt een verslag gemaakt dat uiterlijk tien kalenderdagen na de hoorzitting aan de aanwezigen wordt gestuurd.
§ 3. Het agentschap legt het voorstel tot overname van het beheer samen met het verslag van de hoorzitting ter beslissing voor aan de minister. De minister vraagt advies over de overname van het beheer aan de adviesinstantie, vermeld in artikel 18 van dit besluit.
De minister neemt een beslissing binnen een termijn van negentig kalenderdagen na ontvangst van het voorstel. De beslissing tot overname van het beheer maakt melding van de vergoeding, vermeld in artikel 16decies, § 3, van het decreet van 21 oktober 1997.
De beslissing, vermeld in het tweede lid, wordt met een beveiligde zending aan de beheerder bezorgd. Als de minister toestemming verleent tot de overname van het beheer, wordt geen beslissing genomen over het verzoek tot opheffing en vervalt de verplichting, vermeld in artikel 15, § 4, van dit besluit.
§ 4. Als het beheer van het terrein in kwestie door een andere beheerder als vermeld in paragraaf 3 overgenomen zal worden, bezorgt de beheerder bewijsstukken die de overdracht van het beheer aan het agentschap aantonen.
1° met toepassing van artikel 16decies, § 2, van het decreet van 21 oktober 1997: als de beheerder een verzoek tot opheffing als vermeld in artikel 15, § 1, van dit besluit heeft ingediend en het agentschap het voornemen heeft om dat verzoek te weigeren;
2° met toepassing van artikel 16decies, § 1, van het decreet van 21 oktober 1997: als het agentschap vaststelt dat de beheerder van een terrein de beheermaatregelen niet uitvoert of dat de beheerder andere beheermaatregelen uitvoert dan wat in het goedgekeurde natuurbeheerplan is opgenomen, op zodanige wijze dat de realisatie van de beheerdoelstellingen in het gedrang komt.
§ 2. Vóór het voorstel aan de minister, vermeld in paragraaf 1, brengt het agentschap de beheerder op de hoogte van het voornemen tot overname van het beheer. Het agentschap nodigt de beheerder uit om binnen een termijn van zestig kalenderdagen na ontvangst van de kennisgeving mee te delen of het beheer van het terrein in kwestie overgenomen kan worden door een andere beheerder die aantoont of aangetoond heeft op een deskundige manier aan natuurbeheer te kunnen doen.
Na ontvangst van het antwoord op die vraag of na het verstrijken van de termijn van zestig kalenderdagen, nodigt het agentschap de beheerder van het terrein, en in voorkomend geval de overige betrokken beheerders van het gezamenlijke natuurbeheerplan, met een beveiligde zending, uit voor een hoorzitting. De hoorzitting vindt ten vroegste tien kalenderdagen na het versturen van de uitnodiging plaats. De beheerder van het terrein in kwestie kan zich op de hoorzitting laten vertegenwoordigen en laten bijstaan door de personen die hij daarvoor aanwijst. In voorkomend geval vindt de hoorzitting plaats op dag waarop de hoorzitting, vermeld in artikel 15, § 3, van dit besluit plaatsvindt.
Van de hoorzitting wordt een verslag gemaakt dat uiterlijk tien kalenderdagen na de hoorzitting aan de aanwezigen wordt gestuurd.
§ 3. Het agentschap legt het voorstel tot overname van het beheer samen met het verslag van de hoorzitting ter beslissing voor aan de minister. De minister vraagt advies over de overname van het beheer aan de adviesinstantie, vermeld in artikel 18 van dit besluit.
De minister neemt een beslissing binnen een termijn van negentig kalenderdagen na ontvangst van het voorstel. De beslissing tot overname van het beheer maakt melding van de vergoeding, vermeld in artikel 16decies, § 3, van het decreet van 21 oktober 1997.
De beslissing, vermeld in het tweede lid, wordt met een beveiligde zending aan de beheerder bezorgd. Als de minister toestemming verleent tot de overname van het beheer, wordt geen beslissing genomen over het verzoek tot opheffing en vervalt de verplichting, vermeld in artikel 15, § 4, van dit besluit.
§ 4. Als het beheer van het terrein in kwestie door een andere beheerder als vermeld in paragraaf 3 overgenomen zal worden, bezorgt de beheerder bewijsstukken die de overdracht van het beheer aan het agentschap aantonen.
Art. 16. § 1er. Dans les cas suivants, et dans la mesure où la gestion du terrain est importante pour la réalisation des objectifs de conservation, l'agence peut proposer au Ministre de décider que l'agence reprend la gestion du terrain en question pendant la durée restante du plan de gestion de la nature :
1° en application de l'article 16decies, § 2, du décret du 21 octobre 1997 : si le gestionnaire a introduit une demande d'abrogation telle que visée à l'article 15, § 1er, du présent arrêté et l'agence a l'intention de refuser cette demande ;
2° en application de l'article 16decies, § 1er, du décret du 21 octobre 1997 : si l'agence constate que le gestionnaire d'un terrain n'exécute pas les mesures de gestion ou que le gestionnaire exécute d'autres mesures de gestion que celles reprises au plan de gestion de la nature approuvé, de telle manière que la réalisation des objectifs de gestion est compromise.
§ 2. Avant la proposition au Ministre, visée au paragraphe 1er, l'agence informe le gestionnaire de l'intention de reprise de la gestion. L'agence invite le gestionnaire de faire savoir, dans un dans les soixante jours calendaires après la réception de la notification, si la gestion du terrain en question peut être reprise par un autre gestionnaire qui démontre ou a démontré pouvoir se livrer à une gestion experte de la nature.
Après la réception de la réponse à cette question, ou à l'expiration du délai de soixante jours calendaires, l'agence invite le gestionnaire du terrain, et le cas échéant les autres gestionnaires concernés du plan conjoint de gestion de la nature, par envoi sécurisé, à une audition. L'audition a lieu au plus tôt dix jours calendaires après l'envoi de l'invitation. Le gestionnaire du terrain en question peut se faire représenter à l'audition et se faire assister par les personnes qu'il désigne à cet effet. Le cas échéant, l'audition a lieu le jour auquel l'audition visée à l'article 15, § 3, du présent arrêté a lieu.
Un rapport de l'audition est rédigé, qui est envoyé aux participants au plus tard dix jours calendaires après l'audition.
§ 3. L'agence soumet la proposition de reprise de la gestion, ensemble avec le rapport de l'audition, à la décision du Ministre. Le Ministre demande l'avis de l'instance consultative, visée à l'article 18 du présent arrêté, sur la reprise de la gestion.
Le Ministre prend une décision dans un délai de nonante jours calendaires après la réception de la proposition. La décision de reprise de la gestion mentionne l'indemnité, visée à l'article 16decies, § 3, du décret du 21 octobre 1997.
La décision, visée à l'alinéa 2, est transmise au gestionnaire par envoi sécurisé. Si le Ministre autorise la reprise de la gestion, aucune décision n'est prise sur la demande d'abrogation, et l'obligation visée à l'article 15, § 4, du présent arrêté, échoit.
§ 4. Si la gestion du terrain en question sera reprise par un autre gestionnaire tel que visé au paragraphe 3, le gestionnaire transmet les pièces justificatives démontrant le transfert de la gestion à l'agence.
1° en application de l'article 16decies, § 2, du décret du 21 octobre 1997 : si le gestionnaire a introduit une demande d'abrogation telle que visée à l'article 15, § 1er, du présent arrêté et l'agence a l'intention de refuser cette demande ;
2° en application de l'article 16decies, § 1er, du décret du 21 octobre 1997 : si l'agence constate que le gestionnaire d'un terrain n'exécute pas les mesures de gestion ou que le gestionnaire exécute d'autres mesures de gestion que celles reprises au plan de gestion de la nature approuvé, de telle manière que la réalisation des objectifs de gestion est compromise.
§ 2. Avant la proposition au Ministre, visée au paragraphe 1er, l'agence informe le gestionnaire de l'intention de reprise de la gestion. L'agence invite le gestionnaire de faire savoir, dans un dans les soixante jours calendaires après la réception de la notification, si la gestion du terrain en question peut être reprise par un autre gestionnaire qui démontre ou a démontré pouvoir se livrer à une gestion experte de la nature.
Après la réception de la réponse à cette question, ou à l'expiration du délai de soixante jours calendaires, l'agence invite le gestionnaire du terrain, et le cas échéant les autres gestionnaires concernés du plan conjoint de gestion de la nature, par envoi sécurisé, à une audition. L'audition a lieu au plus tôt dix jours calendaires après l'envoi de l'invitation. Le gestionnaire du terrain en question peut se faire représenter à l'audition et se faire assister par les personnes qu'il désigne à cet effet. Le cas échéant, l'audition a lieu le jour auquel l'audition visée à l'article 15, § 3, du présent arrêté a lieu.
Un rapport de l'audition est rédigé, qui est envoyé aux participants au plus tard dix jours calendaires après l'audition.
§ 3. L'agence soumet la proposition de reprise de la gestion, ensemble avec le rapport de l'audition, à la décision du Ministre. Le Ministre demande l'avis de l'instance consultative, visée à l'article 18 du présent arrêté, sur la reprise de la gestion.
Le Ministre prend une décision dans un délai de nonante jours calendaires après la réception de la proposition. La décision de reprise de la gestion mentionne l'indemnité, visée à l'article 16decies, § 3, du décret du 21 octobre 1997.
La décision, visée à l'alinéa 2, est transmise au gestionnaire par envoi sécurisé. Si le Ministre autorise la reprise de la gestion, aucune décision n'est prise sur la demande d'abrogation, et l'obligation visée à l'article 15, § 4, du présent arrêté, échoit.
§ 4. Si la gestion du terrain en question sera reprise par un autre gestionnaire tel que visé au paragraphe 3, le gestionnaire transmet les pièces justificatives démontrant le transfert de la gestion à l'agence.
Art. 17. Als het agentschap met toepassing van artikel 16decies, § 1, tweede lid of artikel 16decies, § 2, derde lid, van het decreet van 21 oktober 1997 het voornemen heeft de al verleende subsidies geheel of gedeeltelijk terug te vorderen, wordt dat aan de beheerder op gemotiveerde wijze meegedeeld tegelijk met de uitnodiging voor de hoorzitting, vermeld in artikel 15, § 3, of artikel 16, § 2, van dit besluit.
Het agentschap verzendt de beslissing over de terugvordering van de subsidies samen met de beslissing tot opheffing vermeld in artikel 15, § 4, van dit besluit, of samen met de beslissing tot overname van het beheer, vermeld in artikel 16, § 3, van dit besluit.
Het agentschap verzendt de beslissing over de terugvordering van de subsidies samen met de beslissing tot opheffing vermeld in artikel 15, § 4, van dit besluit, of samen met de beslissing tot overname van het beheer, vermeld in artikel 16, § 3, van dit besluit.
Art. 17. Si l'agence a l'intention, en application de l'article 16decies, § 1er, alinéa 2, ou l'article 16decies, § 2, alinéa 3, du décret du 21 octobre 1997, de recouvrer en tout ou en partie les subventions déjà octroyées, elle en informe le gestionnaire de manière motivée, ensemble avec l'invitation à l'audition, visée à l'article 15, § 3, ou l'article 16, § 2, du présent arrêté.
L'agence envoie la décision sur le recouvrement des subventions ensemble avec la décision d'abrogation visée à l'article 15, § 4, du présent arrêté, ou ensemble avec la décision de reprise de la gestion, visée à l'article 16, § 3, du présent arrêté.
L'agence envoie la décision sur le recouvrement des subventions ensemble avec la décision d'abrogation visée à l'article 15, § 4, du présent arrêté, ou ensemble avec la décision de reprise de la gestion, visée à l'article 16, § 3, du présent arrêté.
Afdeling 7. - De samenstelling en de werking van de adviesinstantie
Section 7. - La composition et le fonctionnement de l'instance consultative
Art. 18. De adviesinstantie, vermeld in artikel 16decies, § 1 en § 2, en artikel 16undecies, § 2, van het decreet van 21 oktober 1997, wordt samengesteld uit onafhankelijke deskundigen op het gebied van natuurbeheer en instandhoudingsdoelstellingen.
Het agentschap stelt een lijst op van kandidaten en stelt de samenstelling van de adviesinstantie voor aan de minister. Bij het voorstel van samenstelling is van elke kandidaat een curriculum vitae en een overzicht van de beroepsloopbaan gevoegd, en elke kandidaat moet aan de volgende criteria voldoen:
1° beschikken over voldoende ervaring op het gebied van natuurbeheer en instandhoudingsdoelstellingen;
2° gedurende de laatste vijf jaar geen werknemer geweest zijn bij het agentschap, een erkende terreinbeherende natuurvereniging, een erkende beheersgroep, een regionaal landschap of een bosgroep;
3° gedurende de laatste vijf jaar geen subsidie ontvangen hebben in uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 en van het Bosdecreet van 13 juni 1990.
Op basis van het voorstel van het agentschap en na advies van de Minaraad benoemt de minister vijf onafhankelijke deskundigen als effectief lid van de adviesinstantie en vijf onafhankelijke deskundigen als plaatsvervangend lid van de adviesinstantie voor een periode van vijf jaar.
Als een lid van de adviesinstantie aan het einde van de duur van het mandaat niet wordt herbenoemd en er niet onmiddellijk in de benoeming van een nieuw lid kan worden voorzien, blijft het lid in functie tot op het ogenblik dat het nieuwe mandaat begint.
Het agentschap stelt een lijst op van kandidaten en stelt de samenstelling van de adviesinstantie voor aan de minister. Bij het voorstel van samenstelling is van elke kandidaat een curriculum vitae en een overzicht van de beroepsloopbaan gevoegd, en elke kandidaat moet aan de volgende criteria voldoen:
1° beschikken over voldoende ervaring op het gebied van natuurbeheer en instandhoudingsdoelstellingen;
2° gedurende de laatste vijf jaar geen werknemer geweest zijn bij het agentschap, een erkende terreinbeherende natuurvereniging, een erkende beheersgroep, een regionaal landschap of een bosgroep;
3° gedurende de laatste vijf jaar geen subsidie ontvangen hebben in uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 en van het Bosdecreet van 13 juni 1990.
Op basis van het voorstel van het agentschap en na advies van de Minaraad benoemt de minister vijf onafhankelijke deskundigen als effectief lid van de adviesinstantie en vijf onafhankelijke deskundigen als plaatsvervangend lid van de adviesinstantie voor een periode van vijf jaar.
Als een lid van de adviesinstantie aan het einde van de duur van het mandaat niet wordt herbenoemd en er niet onmiddellijk in de benoeming van een nieuw lid kan worden voorzien, blijft het lid in functie tot op het ogenblik dat het nieuwe mandaat begint.
Art. 18. L'instance consultative, visée à l'article 16decies, §§ 1er et 2, et l'article 16undecies, § 2, du décret du 21 octobre 1997, est composée d'experts indépendants dans le domaine de la gestion de la nature et d'objectifs de conservation.
L'agence établit une liste de candidats et présente la composition de l'instance consultative au Ministre. La proposition de composition est accompagné pour chaque candidat d'un curriculum vitj et d'un aperçu de la carrière professionnelle, et chaque candidat doit répondre aux critères suivants :
1° disposer d'une expérience suffisante dans le domaine de la gestion de la nature et des objectifs de conservation ;
2° ne pas avoir été, pendant les cinq dernières années, un employé de l'agence, d'une association de défense de la nature agréée pour la gestion de terrains, d'un groupe de gestion agréé, d'un paysage régional ou d'un groupe forestier ;
3° ne pas avoir reçu, pendant les cinq dernières années, de subvention en exécution du décret du 21 octobre 1997 et du Décret forestier du 13 juin 1990.
Sur la base de la proposition de l'agence et après l'avis du Conseil Mina, le Ministre nomme cinq experts indépendants comme membre effectif de l'instance consultative et cinq experts indépendants comme membre suppléant de l'instance consultative pour une période de cinq ans.
Lorsque le mandat d'un membre de l'instance consultative n'est pas renouvelé, et que la nomination d'un nouveau membre ne peut pas s'effectuer immédiatement, le membre demeure en fonction jusqu'au début du nouveau mandat.
L'agence établit une liste de candidats et présente la composition de l'instance consultative au Ministre. La proposition de composition est accompagné pour chaque candidat d'un curriculum vitj et d'un aperçu de la carrière professionnelle, et chaque candidat doit répondre aux critères suivants :
1° disposer d'une expérience suffisante dans le domaine de la gestion de la nature et des objectifs de conservation ;
2° ne pas avoir été, pendant les cinq dernières années, un employé de l'agence, d'une association de défense de la nature agréée pour la gestion de terrains, d'un groupe de gestion agréé, d'un paysage régional ou d'un groupe forestier ;
3° ne pas avoir reçu, pendant les cinq dernières années, de subvention en exécution du décret du 21 octobre 1997 et du Décret forestier du 13 juin 1990.
Sur la base de la proposition de l'agence et après l'avis du Conseil Mina, le Ministre nomme cinq experts indépendants comme membre effectif de l'instance consultative et cinq experts indépendants comme membre suppléant de l'instance consultative pour une période de cinq ans.
Lorsque le mandat d'un membre de l'instance consultative n'est pas renouvelé, et que la nomination d'un nouveau membre ne peut pas s'effectuer immédiatement, le membre demeure en fonction jusqu'au début du nouveau mandat.
Art. 19. Het agentschap is belast met het secretariaat van de adviesinstantie.
De leden worden minstens acht kalenderdagen voor de vergadering door het secretariaat uitgenodigd. Bij de uitnodiging is een agenda van de vergadering gevoegd.
Op verzoek van een lid van de adviesinstantie kunnen besluiten van de adviesinstantie aan een stemming onderworpen worden. De adviesinstantie beslist bij meerderheid van stemmen van de aanwezige leden.
De adviesinstantie kan een expert uitnodigen voor de bespreking van bepaalde problemen. De expert is niet stemgerechtigd.
De adviesinstantie brengt de minister op de hoogte van haar huishoudelijk reglement, alsook van elke wijziging ervan.
De leden worden minstens acht kalenderdagen voor de vergadering door het secretariaat uitgenodigd. Bij de uitnodiging is een agenda van de vergadering gevoegd.
Op verzoek van een lid van de adviesinstantie kunnen besluiten van de adviesinstantie aan een stemming onderworpen worden. De adviesinstantie beslist bij meerderheid van stemmen van de aanwezige leden.
De adviesinstantie kan een expert uitnodigen voor de bespreking van bepaalde problemen. De expert is niet stemgerechtigd.
De adviesinstantie brengt de minister op de hoogte van haar huishoudelijk reglement, alsook van elke wijziging ervan.
Art. 19. L'agence est chargée du secrétariat de l'instance consultative.
Les membres sont invités par le secrétariat au moins huit jours calendaires avant la réunion. L'ordre du jour de la réunion est joint à l'invitation.
A la demande d'un membre de l'instance consultative, des décisions de l'instance consultative peuvent être soumises au vote. L'instance consultative décide à la majorité des voix des membres présents.
L'instance consultative peut inviter un expert pour la discussion de certains problèmes. L'expert n'a pas de droit de vote.
L'instance consultative informe le Ministre de son règlement d'ordre intérieur, ainsi que de toute modification de ce dernier.
Les membres sont invités par le secrétariat au moins huit jours calendaires avant la réunion. L'ordre du jour de la réunion est joint à l'invitation.
A la demande d'un membre de l'instance consultative, des décisions de l'instance consultative peuvent être soumises au vote. L'instance consultative décide à la majorité des voix des membres présents.
L'instance consultative peut inviter un expert pour la discussion de certains problèmes. L'expert n'a pas de droit de vote.
L'instance consultative informe le Ministre de son règlement d'ordre intérieur, ainsi que de toute modification de ce dernier.
Art. 20. Het is voor een lid van de adviesinstantie verboden deel te nemen aan de bespreking en de stemming over aangelegenheden waarin hij een rechtstreeks belang heeft, hetzij persoonlijk, hetzij als gelastigde, of waarbij de echtgenoot, of bloed- of aanverwanten tot en met de tweede graad een persoonlijk en rechtstreeks belang hebben. Voor de toepassing van dit artikel worden personen die wettelijk samenwonen, met echtgenoten gelijkgesteld.
Art. 20. Il est défendu aux membres de l'instance consultative d'être présent lors de la discussion et du vote sur des sujets auxquels il a un intérêt direct, soit personnellement, soit comme mandataire, ou auxquels son conjoint, ses parents ou alliés jusqu'au deuxième degré inclus ont un intérêt personnel et direct. Pour l'application de cet article, les personnes qui cohabitent légalement sont assimilées à des conjoints.
Art. 21. De leden van de adviesinstantie krijgen presentiegelden en vergoedingen toegekend conform het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 1983 houdende sommige maatregelen tot harmonisatie van de werking en van de presentiegelden en vergoedingen van adviesorganen.
Art. 21. Les membres de l'instance consultative bénéficient des jetons de présence et des indemnités conformément à l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 1983 portant certaines mesures, en vue d'harmoniser le fonctionnement, les jetons de présence et les indemnités aux organes consultatifs.
Afdeling 8. - De beroepsprocedure
Section 8. - La procédure de recours
Art. 22. § 1. Bij de minister kan een gemotiveerd beroep worden ingediend tegen de volgende beslissingen:
1° de beslissing, vermeld in artikel 4, vijfde lid;
2° de voorwaardelijke goedkeuring van een natuurbeheerplan, vermeld in artikel 7, § 1, tweede lid;
3° de afkeuring van een natuurbeheerplan, vermeld in artikel 7, § 3, vierde lid;
4° de wijziging van een natuurbeheerplan, vermeld in artikel 12, § 3 en § 4;
5° de beslissing over de opheffing van het natuurbeheerplan, vermeld in artikel 15, § 4;
6° de beslissing over de gehele of gedeeltelijke terugvordering van de subsidies, vermeld in artikel 17.
§ 2. Het beroep wordt door de beheerder of zijn gevolmachtigde met een beveiligde zending ingediend binnen een vervaltermijn van dertig kalenderdagen, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van een beslissing als vermeld in paragraaf 1.
Het georganiseerd beroep moet aan de volgende voorwaarden voldoen. Het beroep:
1° vermeldt de naam, de woonplaats en de hoedanigheid van de indiener;
2° wordt ondertekend door de indiener;
3° bevat een omschrijving van de ingeroepen argumenten.
Als het beroep niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in het tweede lid, is het niet ontvankelijk. De indiener van het beroep wordt op de hoogte gebracht van de onontvankelijkheidsbeslissing binnen een termijn van dertig dagen na de ontvangst van het onontvankelijk beroep.
§ 3. De minister vraagt een advies aan de adviesinstantie, vermeld in artikel 18.
De minister neemt een gemotiveerde beslissing binnen een termijn van zestig kalenderdagen na de ontvangst van het ontvankelijk beroep.
De indiener van het beroep en het agentschap worden met een beveiligde zending op de hoogte gebracht van de beslissing.
1° de beslissing, vermeld in artikel 4, vijfde lid;
2° de voorwaardelijke goedkeuring van een natuurbeheerplan, vermeld in artikel 7, § 1, tweede lid;
3° de afkeuring van een natuurbeheerplan, vermeld in artikel 7, § 3, vierde lid;
4° de wijziging van een natuurbeheerplan, vermeld in artikel 12, § 3 en § 4;
5° de beslissing over de opheffing van het natuurbeheerplan, vermeld in artikel 15, § 4;
6° de beslissing over de gehele of gedeeltelijke terugvordering van de subsidies, vermeld in artikel 17.
§ 2. Het beroep wordt door de beheerder of zijn gevolmachtigde met een beveiligde zending ingediend binnen een vervaltermijn van dertig kalenderdagen, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van een beslissing als vermeld in paragraaf 1.
Het georganiseerd beroep moet aan de volgende voorwaarden voldoen. Het beroep:
1° vermeldt de naam, de woonplaats en de hoedanigheid van de indiener;
2° wordt ondertekend door de indiener;
3° bevat een omschrijving van de ingeroepen argumenten.
Als het beroep niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in het tweede lid, is het niet ontvankelijk. De indiener van het beroep wordt op de hoogte gebracht van de onontvankelijkheidsbeslissing binnen een termijn van dertig dagen na de ontvangst van het onontvankelijk beroep.
§ 3. De minister vraagt een advies aan de adviesinstantie, vermeld in artikel 18.
De minister neemt een gemotiveerde beslissing binnen een termijn van zestig kalenderdagen na de ontvangst van het ontvankelijk beroep.
De indiener van het beroep en het agentschap worden met een beveiligde zending op de hoogte gebracht van de beslissing.
Art. 22. § 1er. Un recours motivé peut être introduit auprès du Ministre contre les décisions suivantes :
1° la décision visée à l'article 4, alinéa 5 ;
2° l'approbation conditionnelle d'un plan de gestion de la nature, visée à l'article 7, § 1er, alinéa 2 ;
3° la désapprobation d'un plan de gestion de la nature, visée à l'article 7, § 3, alinéa 4 ;
4° la modification d'un plan de gestion de la nature, visée à l'article 12, § 3 et § 4 ;
5° la décision relative à l'abrogation du plan de gestion de la nature, visée à l'article 15, § 4 ;
6° la décision relative au recouvrement total ou partiel des subventions, visée à l'article 17.
§ 2. Le recours est introduit par le gestionnaire ou son mandataire par envoi sécurisé dans un délai de trente jours calendaires à partir de la date de réception d'une décision telle que visée au paragraphe 1er.
Le recours organisé doit répondre aux conditions suivantes : Le recours :
1° mentionne le nom, le domicile et la qualité de l'auteur ;
2° est signé par l'auteur ;
3° comprend une description des arguments invoqués.
Lorsque le recours ne satisfait pas aux conditions, visées à l'alinéa 2, il n'est pas recevable. L'auteur du recours est informé de la décision d'irrecevabilité dans un délai de trente jours après la réception du recours irrecevable.
§ 3. Le Ministre demande l'avis de l'instance consultative, visée à l'article 18.
Le Ministre prend une décision motivée dans un délai de soixante jours calendaires après la réception du recours recevable.
L'auteur du recours et l'agence sont informés par envoi sécurisé de la décision.
1° la décision visée à l'article 4, alinéa 5 ;
2° l'approbation conditionnelle d'un plan de gestion de la nature, visée à l'article 7, § 1er, alinéa 2 ;
3° la désapprobation d'un plan de gestion de la nature, visée à l'article 7, § 3, alinéa 4 ;
4° la modification d'un plan de gestion de la nature, visée à l'article 12, § 3 et § 4 ;
5° la décision relative à l'abrogation du plan de gestion de la nature, visée à l'article 15, § 4 ;
6° la décision relative au recouvrement total ou partiel des subventions, visée à l'article 17.
§ 2. Le recours est introduit par le gestionnaire ou son mandataire par envoi sécurisé dans un délai de trente jours calendaires à partir de la date de réception d'une décision telle que visée au paragraphe 1er.
Le recours organisé doit répondre aux conditions suivantes : Le recours :
1° mentionne le nom, le domicile et la qualité de l'auteur ;
2° est signé par l'auteur ;
3° comprend une description des arguments invoqués.
Lorsque le recours ne satisfait pas aux conditions, visées à l'alinéa 2, il n'est pas recevable. L'auteur du recours est informé de la décision d'irrecevabilité dans un délai de trente jours après la réception du recours irrecevable.
§ 3. Le Ministre demande l'avis de l'instance consultative, visée à l'article 18.
Le Ministre prend une décision motivée dans un délai de soixante jours calendaires après la réception du recours recevable.
L'auteur du recours et l'agence sont informés par envoi sécurisé de la décision.
Afdeling 9. - Natuurstreefbeelden
Section 9. - Objectifs naturels
Art. 23. De natuurstreefbeelden voor de terreinen van type twee, type drie of type vier en de regels voor de beoordeling of het terrein van type drie of type vier voldoende oppervlakte heeft om op duurzame wijze de aanwezige of te ontwikkelen natuurstreefbeelden in stand te houden, zijn opgenomen in bijlage 3, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 23. Les objectifs naturels pour les terrains du type 2, 3 ou 4 et les règles pour l'évaluation si le terrain du type 3 ou 4 dispose d'une superficie suffisante pour conserver durablement les objectifs naturels présents ou à développer, sont repris en annexe 3, jointe au présent arrêté.
Art. 24. De natuurstreefbeelden van regionaal belang zijn opgenomen in bijlage 4, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 24. Les objectifs naturels d'intérêt régional sont repris en annexe 4, jointe au présent arrêté.
HOOFDSTUK 3. - De erkenning als natuurreservaat
CHAPITRE 3. - L'agrément comme réserve naturelle
Afdeling 1. - Procedure voor de erkenning als natuurreservaat
Section 1. - Procédure pour l'agrément comme réserve naturelle
Onderafdeling 1. - Erkenning als natuurreservaat van andere terreinen dan natuurdomeinen
Sous-section 1. - Agrément comme réserve naturelle d'autres terrains que des domaines naturels
Art. 25. De aanvraag voor erkenning als natuurreservaat van een terrein dat geen natuurdomein is, kan worden ingediend als een onderdeel van de aanvraag tot goedkeuring van het natuurbeheerplan voor een terrein van type drie, volgens de procedure, vermeld in hoofdstuk 2, afdeling 2, van dit besluit.
Met het oog op de erkenning als natuurreservaat worden in dat geval aan deel 1 van het natuurbeheerplan, als vermeld in artikel 3, eerste lid, 1°, van dit besluit, de volgende stukken toegevoegd:
1° een verklaring dat de aanvrager kennis heeft van de vestiging van de erfdienstbaarheid tot algemeen nut, vermeld in artikel 16quater decies, § 2, van het decreet van 21 oktober 1997;
2° een eenzijdige verbintenis ten overstaan van het agentschap, waarbij de aanvrager zich ertoe verbindt om uiterlijk dertig kalenderdagen voor het einde van de looptijd van het natuurbeheerplan een aanvraag tot goedkeuring van een nieuw natuurbeheerplan voor het natuurreservaat in te dienen;
3° een motivatienota waarbij de beheerder aantoont dat voldaan wordt aan het toetsingskader voor de Vlaamse natuurreservaten, vermeld in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd, en aan de voorwaarden, vermeld in artikel 16ter decies, § 2, van het decreet van 21 oktober 1997.
Als de aanvraag voor erkenning als natuurreservaat wordt ingediend voor een terrein van type drie waarvan het natuurbeheerplan al is goedgekeurd, moeten alleen de stukken, vermeld in het tweede lid, 1°, 2° en 3°, bij de aanvraag voor erkenning gevoegd worden.
Voor de aanvraag voor erkenning als natuurreservaat wordt gebruik gemaakt van de formulieren, waarvan het model ter beschikking wordt gesteld op de website www.natuurenbos.be van het agentschap.
Met het oog op de erkenning als natuurreservaat worden in dat geval aan deel 1 van het natuurbeheerplan, als vermeld in artikel 3, eerste lid, 1°, van dit besluit, de volgende stukken toegevoegd:
1° een verklaring dat de aanvrager kennis heeft van de vestiging van de erfdienstbaarheid tot algemeen nut, vermeld in artikel 16quater decies, § 2, van het decreet van 21 oktober 1997;
2° een eenzijdige verbintenis ten overstaan van het agentschap, waarbij de aanvrager zich ertoe verbindt om uiterlijk dertig kalenderdagen voor het einde van de looptijd van het natuurbeheerplan een aanvraag tot goedkeuring van een nieuw natuurbeheerplan voor het natuurreservaat in te dienen;
3° een motivatienota waarbij de beheerder aantoont dat voldaan wordt aan het toetsingskader voor de Vlaamse natuurreservaten, vermeld in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd, en aan de voorwaarden, vermeld in artikel 16ter decies, § 2, van het decreet van 21 oktober 1997.
Als de aanvraag voor erkenning als natuurreservaat wordt ingediend voor een terrein van type drie waarvan het natuurbeheerplan al is goedgekeurd, moeten alleen de stukken, vermeld in het tweede lid, 1°, 2° en 3°, bij de aanvraag voor erkenning gevoegd worden.
Voor de aanvraag voor erkenning als natuurreservaat wordt gebruik gemaakt van de formulieren, waarvan het model ter beschikking wordt gesteld op de website www.natuurenbos.be van het agentschap.
Art. 25. La demande d'agrément comme réserve naturelle d'un terrain qui n'est pas de domaine naturel, peut être introduite comme une partie de la demande d'approbation du plan de gestion de la nature pour un terrain du type 3, selon la procédure, visée au chapitre 2, section 2, du présent arrêté.
En vue de l'agrément comme réserve naturelle, la partie 1 du plan de gestion de la nature, telle que visée à l'article 3, alinéa 1er, 1°, du présent arrêté, est complétée dans ce cas par les pièces suivantes :
1° une déclaration que le demandeur a connaissance de l'établissement de la servitude d'utilité publique, visé à l'article 16quater decies, § 2, du décret du 21 octobre 1997 ;
2° un engagement unilatéral à l'égard de l'agence, par lequel le demandeur s'engage à introduire, au plus tard trente jours calendaires avant la fin de la durée du plan de gestion de la nature, une demande d'approbation d'un nouveau plan de gestion de la nature pour la réserve naturelle ;
3° une note de motivation par laquelle le gestionnaire démontre qu'il est satisfait au cadre d'évaluation pour les réserves naturelles flamandes, visé en annexe 2 jointe au présent arrêté, et aux conditions, visées à l'article 16ter decies, § 2, du décret du 21 octobre 1997.
Si la demande d'agrément comme réserve naturelle est introduite pour un terrain du type 3 dont le plan de gestion de la nature est déjà approuvé, seules les pièces, visées à l'alinéa 2, 1°, 2° et 3°, doivent être jointes à la demande d'agrément.
La demande d'agrément comme réserve naturelle est introduite à l'aide des formulaires, dont le modèle est mis à disposition sur le site web www.natuurenbos.be de l'agence.
En vue de l'agrément comme réserve naturelle, la partie 1 du plan de gestion de la nature, telle que visée à l'article 3, alinéa 1er, 1°, du présent arrêté, est complétée dans ce cas par les pièces suivantes :
1° une déclaration que le demandeur a connaissance de l'établissement de la servitude d'utilité publique, visé à l'article 16quater decies, § 2, du décret du 21 octobre 1997 ;
2° un engagement unilatéral à l'égard de l'agence, par lequel le demandeur s'engage à introduire, au plus tard trente jours calendaires avant la fin de la durée du plan de gestion de la nature, une demande d'approbation d'un nouveau plan de gestion de la nature pour la réserve naturelle ;
3° une note de motivation par laquelle le gestionnaire démontre qu'il est satisfait au cadre d'évaluation pour les réserves naturelles flamandes, visé en annexe 2 jointe au présent arrêté, et aux conditions, visées à l'article 16ter decies, § 2, du décret du 21 octobre 1997.
Si la demande d'agrément comme réserve naturelle est introduite pour un terrain du type 3 dont le plan de gestion de la nature est déjà approuvé, seules les pièces, visées à l'alinéa 2, 1°, 2° et 3°, doivent être jointes à la demande d'agrément.
La demande d'agrément comme réserve naturelle est introduite à l'aide des formulaires, dont le modèle est mis à disposition sur le site web www.natuurenbos.be de l'agence.
Art. 26. Het agentschap verleent aan de minister een advies over de aanvraag op basis van de volgende elementen:
1° het toetsingskader voor de Vlaamse natuurreservaten, vermeld in bijlage 2 bij dit besluit;
2° de criteria, vermeld in artikel 16ter decies, § 3, van het decreet van 21 oktober 1997;
3° de specifieke criteria, vastgesteld met toepassing van artikel 16ter decies, § 4, van het decreet van 21 oktober 1997;
4° de motivatienota, vermeld in artikel 25, tweede lid, 3°, van dit besluit.
De minister neemt een beslissing over de aanvraag na de beslissing van het agentschap over de goedkeuring van het natuurbeheerplan, vermeld in artikel 7, § 2 of § 3, van dit besluit, en brengt de aanvrager met een beveiligde zending op de hoogte van de beslissing.
1° het toetsingskader voor de Vlaamse natuurreservaten, vermeld in bijlage 2 bij dit besluit;
2° de criteria, vermeld in artikel 16ter decies, § 3, van het decreet van 21 oktober 1997;
3° de specifieke criteria, vastgesteld met toepassing van artikel 16ter decies, § 4, van het decreet van 21 oktober 1997;
4° de motivatienota, vermeld in artikel 25, tweede lid, 3°, van dit besluit.
De minister neemt een beslissing over de aanvraag na de beslissing van het agentschap over de goedkeuring van het natuurbeheerplan, vermeld in artikel 7, § 2 of § 3, van dit besluit, en brengt de aanvrager met een beveiligde zending op de hoogte van de beslissing.
Art. 26. L'agence émet un avis sur la demande, à l'attention du Ministre, sur la base des éléments suivants :
1° le cadre d'évaluation pour les réserves naturelles flamandes, visé à l'annexe 2 au présent arrêté ;
2° les critères, visés à l'article 16ter decies, § 3, du décret du 21 octobre 1997 ;
3° les critères spécifiques, établis en application de l'article 16ter decies, § 4, du décret du 21 octobre 1997 ;
4° la note de motivation, visée à l'article 25, alinéa 2, 3°, du présent arrêté.
Le Ministre prend une décision sur la demande après la décision de l'agence sur l'approbation du plan de gestion de la nature, visée à l'article 7, § 2 ou § 3, du présent arrêté, et informe le demandeur par envoi sécurisé de la décision.
1° le cadre d'évaluation pour les réserves naturelles flamandes, visé à l'annexe 2 au présent arrêté ;
2° les critères, visés à l'article 16ter decies, § 3, du décret du 21 octobre 1997 ;
3° les critères spécifiques, établis en application de l'article 16ter decies, § 4, du décret du 21 octobre 1997 ;
4° la note de motivation, visée à l'article 25, alinéa 2, 3°, du présent arrêté.
Le Ministre prend une décision sur la demande après la décision de l'agence sur l'approbation du plan de gestion de la nature, visée à l'article 7, § 2 ou § 3, du présent arrêté, et informe le demandeur par envoi sécurisé de la décision.
Art. 27. De beslissing tot erkenning als natuurreservaat wordt meegedeeld aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente of de gemeenten waarin het natuurreservaat geheel of gedeeltelijk ligt. De beslissing wordt ook bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, met opgave van de naam van het natuurreservaat, de gemeente of gemeenten in kwestie en de kadastrale gegevens van de percelen die erkend zijn als natuurreservaat.
Art. 27. La décision d'agrément comme réserve naturelle est communiquée au collège des bourgmestre et échevins de la commune ou des communes dans lesquelles la réserve naturelle se situe en tout ou en partie. La décision est également publiée par extrait au Moniteur belge, avec indication du nom de la réserve naturelle, de la commune ou des communes en question, et des données cadastrales des parcelles agréées comme réserve naturelle.
Art. 28. De uitbreiding of de wijziging van de erkenning als natuurreservaat gebeurt volgens dezelfde procedure als de aanvraag tot erkenning, overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.
Art. 28. L'extension ou la modification de l'agrément comme réserve naturelle se fait selon la même procédure que la demande d'agrément, conformément aux dispositions du présent chapitre.
Onderafdeling 2. - Erkenning als natuurreservaat van natuurdomeinen
Sous-section 2. - Agrément comme réserve naturelle de domaines naturels
Art. 29. De aanvraag voor erkenning als natuurreservaat van een natuurdomein kan worden ingediend als een onderdeel van de aanvraag tot goedkeuring van het natuurbeheerplan, volgens de procedure, vermeld in hoofdstuk 2, afdeling 2.
Met het oog op de erkenning als natuurreservaat wordt bij het ontwerp van natuurbeheerplan een motivatienota gevoegd. In die nota toont het agentschap aan dat voldaan wordt aan de volgende aspecten:
1° het toetsingskader voor Vlaamse natuurreservaten, vermeld in bijlage 2;
2° de criteria, vermeld in artikel 16ter decies, § 3, van het decreet van 21 oktober 1997;
3° de specifieke criteria, vastgesteld met toepassing van artikel 16ter decies, § 4, van het decreet van 21 oktober 1997.
Als de aanvraag voor erkenning als natuurreservaat wordt ingediend voor een terrein van type drie waarvan het natuurbeheerplan al is goedgekeurd, hoeft alleen de motivatienota bij de aanvraag voor erkenning toegevoegd te worden.
Met het oog op de erkenning als natuurreservaat wordt bij het ontwerp van natuurbeheerplan een motivatienota gevoegd. In die nota toont het agentschap aan dat voldaan wordt aan de volgende aspecten:
1° het toetsingskader voor Vlaamse natuurreservaten, vermeld in bijlage 2;
2° de criteria, vermeld in artikel 16ter decies, § 3, van het decreet van 21 oktober 1997;
3° de specifieke criteria, vastgesteld met toepassing van artikel 16ter decies, § 4, van het decreet van 21 oktober 1997.
Als de aanvraag voor erkenning als natuurreservaat wordt ingediend voor een terrein van type drie waarvan het natuurbeheerplan al is goedgekeurd, hoeft alleen de motivatienota bij de aanvraag voor erkenning toegevoegd te worden.
Art. 29. La demande d'agrément comme réserve naturelle d'un domaine naturel peut être introduite comme une partie de la demande d'approbation du plan de gestion de la nature, selon la procédure visée au chapitre 2, section 2.
En vue de l'agrément comme réserve naturelle, une note de motivation est jointe au projet de plan de gestion de la nature. Dans cette note, l'agence démontre qu'il est satisfait aux aspects suivants :
1° le cadre d'évaluation pour les réserves naturelles flamandes, visé à l'annexe 2 ;
2° les critères, visés à l'article 16ter decies, § 3, du décret du 21 octobre 1997 ;
3° les critères spécifiques, établis en application de l'article 16ter decies, § 4, du décret du 21 octobre 1997.
Si la demande d'agrément comme réserve naturelle est introduite pour un terrain du type 3 dont le plan de gestion de la nature est déjà approuvé, seule la note de motivation doit être jointe à la demande d'agrément.
En vue de l'agrément comme réserve naturelle, une note de motivation est jointe au projet de plan de gestion de la nature. Dans cette note, l'agence démontre qu'il est satisfait aux aspects suivants :
1° le cadre d'évaluation pour les réserves naturelles flamandes, visé à l'annexe 2 ;
2° les critères, visés à l'article 16ter decies, § 3, du décret du 21 octobre 1997 ;
3° les critères spécifiques, établis en application de l'article 16ter decies, § 4, du décret du 21 octobre 1997.
Si la demande d'agrément comme réserve naturelle est introduite pour un terrain du type 3 dont le plan de gestion de la nature est déjà approuvé, seule la note de motivation doit être jointe à la demande d'agrément.
Art. 30. De minister neemt een beslissing over de aanvraag na de beslissing over de goedkeuring van het natuurbeheerplan, vermeld in artikel 8, § 3, en brengt het agentschap met een beveiligde zending op de hoogte van de beslissing.
Art. 30. Le Ministre prend une décision sur la demande après la décision sur l'approbation du plan de gestion de la nature, visée à l'article 8, § 3, et informe l'agence par envoi sécurisé de la décision.
Art. 31. De beslissing tot erkenning als natuurreservaat van een natuurdomein wordt meegedeeld aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente of de gemeenten waarin het natuurreservaat geheel of gedeeltelijk ligt. De beslissing wordt ook bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, met opgave van de naam van het natuurreservaat, de gemeente of gemeenten in kwestie en de kadastrale gegevens van de percelen die erkend zijn als natuurreservaat.
Art. 31. La décision d'agrément comme réserve naturelle d'un domaine naturel est communiquée au collège des bourgmestre et échevins de la commune ou des communes dans lesquelles la réserve naturelle se situe en tout ou en partie. La décision est également publiée par extrait au Moniteur belge, avec indication du nom de la réserve naturelle, de la commune ou des communes en question, et des données cadastrales des parcelles agréées comme réserve naturelle.
Afdeling 2. - Procedure voor de opheffing van de erkenning als natuurreservaat
Section 2. - Procédure pour l'abrogation de l'agrément comme réserve naturelle
Art. 32. Het agentschap kan aan de minister voorstellen de erkenning als natuurreservaat van een terrein op te heffen vanaf het ogenblik dat niet meer aan de voorwaarden van erkenning wordt voldaan. In dat geval kan het agentschap ook aan de minister voorstellen om de voor het natuurreservaat verleende subsidies geheel of gedeeltelijk terug te vorderen.
Het agentschap brengt de beheerder van het erkende natuurreservaat met een beveiligde zending op de hoogte van het voornemen om de erkenning op te heffen en in voorkomend geval de verleende subsidies terug te vorderen. In die kennisgeving nodigt het agentschap de beheerder van het erkende natuurreservaat uit voor een hoorzitting bij het agentschap, die ten vroegste twintig kalenderdagen na het versturen van de kennisgeving plaatsvindt. De beheerder van het terrein kan zich op de hoorzitting laten vertegenwoordigen of laten bijstaan door de personen die hij daarvoor aanwijst.
Van de hoorzitting wordt een verslag gemaakt dat aan de aanwezigen worden gestuurd uiterlijk tien kalenderdagen na de hoorzitting.
Het agentschap legt het voorstel tot opheffen van de erkenning als natuurreservaat en in voorkomend geval tot geheel of gedeeltelijke terugvordering van de voor het natuurreservaat verleende subsidies voor aan de minister. De minister beslist binnen een termijn van zestig kalenderdagen na de hoorzitting. Het agentschap deelt de beslissing bij beveiligde zending mee aan de beheerder.
Het agentschap brengt de beheerder van het erkende natuurreservaat met een beveiligde zending op de hoogte van het voornemen om de erkenning op te heffen en in voorkomend geval de verleende subsidies terug te vorderen. In die kennisgeving nodigt het agentschap de beheerder van het erkende natuurreservaat uit voor een hoorzitting bij het agentschap, die ten vroegste twintig kalenderdagen na het versturen van de kennisgeving plaatsvindt. De beheerder van het terrein kan zich op de hoorzitting laten vertegenwoordigen of laten bijstaan door de personen die hij daarvoor aanwijst.
Van de hoorzitting wordt een verslag gemaakt dat aan de aanwezigen worden gestuurd uiterlijk tien kalenderdagen na de hoorzitting.
Het agentschap legt het voorstel tot opheffen van de erkenning als natuurreservaat en in voorkomend geval tot geheel of gedeeltelijke terugvordering van de voor het natuurreservaat verleende subsidies voor aan de minister. De minister beslist binnen een termijn van zestig kalenderdagen na de hoorzitting. Het agentschap deelt de beslissing bij beveiligde zending mee aan de beheerder.
Art. 32. L'agence peut proposer au Ministre d'abroger l'agrément comme réserve naturelle d'un terrain à partir du moment où les conditions d'agrément ne sont plus réunies. Dans ce cas, l'agence peut également proposer au Ministre de recouvrer en tout ou en partie les subventions octroyées pour la réserve naturelle.
L'agence informe le gestionnaire de la réserve naturelle agréée par envoi sécurisé de l'intention d'abroger l'agrément et, le cas échéant, de recouvrer les subventions octroyées. Dans cette notification, l'agence invite le gestionnaire de la réserve naturelle agréée à une audition auprès de l'agence, qui a lieu au plus tôt vingt jours calendaires après l'envoi de la notification. Le gestionnaire du terrain peut se faire représenter à l'audition ou se faire assister par les personnes qu'il désigne à cet effet.
Un rapport de l'audition est rédigé, qui est envoyé aux participants au plus tard dix jours calendaires après l'audition.
L'agence soumet la proposition d'abrogation de l'agrément comme réserve naturelle et, le cas échéant, de recouvrement total ou partiel des subventions octroyées pour la réserve naturelle, au Ministre. Le Ministre décide dans un délai de soixante jours calendaires après l'audition. L'agence communique la décision au gestionnaire par envoi sécurisé.
L'agence informe le gestionnaire de la réserve naturelle agréée par envoi sécurisé de l'intention d'abroger l'agrément et, le cas échéant, de recouvrer les subventions octroyées. Dans cette notification, l'agence invite le gestionnaire de la réserve naturelle agréée à une audition auprès de l'agence, qui a lieu au plus tôt vingt jours calendaires après l'envoi de la notification. Le gestionnaire du terrain peut se faire représenter à l'audition ou se faire assister par les personnes qu'il désigne à cet effet.
Un rapport de l'audition est rédigé, qui est envoyé aux participants au plus tard dix jours calendaires après l'audition.
L'agence soumet la proposition d'abrogation de l'agrément comme réserve naturelle et, le cas échéant, de recouvrement total ou partiel des subventions octroyées pour la réserve naturelle, au Ministre. Le Ministre décide dans un délai de soixante jours calendaires après l'audition. L'agence communique la décision au gestionnaire par envoi sécurisé.
Art. 33. De beslissing tot opheffing van de erkenning, vermeld in artikel 32, wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, met opgave van de naam van het natuurreservaat, de gemeente of gemeenten in kwestie en de kadastrale gegevens van de percelen waarvan de erkenning wordt opgeheven.
Art. 33. La décision d'abrogation de l'agrément, visée à l'article 32, est publiée par extrait au Moniteur belge, avec indication du nom de la réserve naturelle, de la commune ou des communes en question, et des données cadastrales des parcelles dont l'agrément est abrogé.
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingsbepalingen
CHAPITRE 4. - Dispositions modificatives
Afdeling 1. - Wijzigingen van de uitvoeringsbesluiten van het decreet van 21 oktober 1997
Section 1. - Modifications des arrêtés d'exécution du décret du 21 octobre 1997
Art. 34. In artikel 9, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° punt a) wordt vervangen door wat volgt: "a) een beheerplan vastgesteld op grond van het decreet of van het Bosdecreet van 13 juni 1990;";
2° punt b) wordt opgeheven.
1° punt a) wordt vervangen door wat volgt: "a) een beheerplan vastgesteld op grond van het decreet of van het Bosdecreet van 13 juni 1990;";
2° punt b) wordt opgeheven.
Art. 34. A l'article 9, 4°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 juillet 1998 fixant les modalités d'exécution du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juillet 2009, les modifications suivantes sont apportées :
1° le point a) est remplacé par ce qui suit : " a) un plan de gestion établi sur la base du décret ou du Décret forestier du 13 juin 1990 ; " ;
2° le point b) est abrogé.
1° le point a) est remplacé par ce qui suit : " a) un plan de gestion établi sur la base du décret ou du Décret forestier du 13 juin 1990 ; " ;
2° le point b) est abrogé.
Art. 35. In artikel 20 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 2 februari 2007 en 7 maart 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2 wordt aan punt 1° de zinsnede ", voorgedragen door de leidend ambtenaar in kwestie" toegevoegd;
2° in paragraaf 2 wordt aan punt 2° de zinsnede ", voorgedragen door de leidend ambtenaar in kwestie" toegevoegd;
3° in paragraaf 2 wordt in punt 3° de zinsnede "voorgedragen door de voor deze materie bevoegde minister" vervangen door de zinsnede "voorgedragen door de leidend ambtenaar in kwestie";
4° in paragraaf 2 wordt aan punt 9° de zinsnede ", voorgedragen door de betrokken vereniging" toegevoegd;
5° in paragraaf 2 wordt aan punt 10° de zinsnede ", voorgedragen door de betrokken watervoorzieningsmaatschappij" toegevoegd;
6° in paragraaf 2 wordt het derde lid en het vierde lid opgeheven.
1° in paragraaf 2 wordt aan punt 1° de zinsnede ", voorgedragen door de leidend ambtenaar in kwestie" toegevoegd;
2° in paragraaf 2 wordt aan punt 2° de zinsnede ", voorgedragen door de leidend ambtenaar in kwestie" toegevoegd;
3° in paragraaf 2 wordt in punt 3° de zinsnede "voorgedragen door de voor deze materie bevoegde minister" vervangen door de zinsnede "voorgedragen door de leidend ambtenaar in kwestie";
4° in paragraaf 2 wordt aan punt 9° de zinsnede ", voorgedragen door de betrokken vereniging" toegevoegd;
5° in paragraaf 2 wordt aan punt 10° de zinsnede ", voorgedragen door de betrokken watervoorzieningsmaatschappij" toegevoegd;
6° in paragraaf 2 wordt het derde lid en het vierde lid opgeheven.
Art. 35. A l'article 20 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 2 février 2007 et 7 mars 2008, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 2, le point 1° est complété par le membre de phrase " , proposés par le fonctionnaire dirigeant en question " ;
2° dans le paragraphe 2, le point 2° est complété par le membre de phrase " , proposé par le fonctionnaire dirigeant en question " ;
3° dans le paragraphe 2, point 3°, le membre de phrase " sur proposition du ministre compétent en la matière " est remplacé par le membre de phrase " proposé par le fonctionnaire dirigeant en question " ;
4° dans le paragraphe 2, le point 9° est complété par le membre de phrase " , proposé par l'association concernée " ;
5° dans le paragraphe 2, le point 10° est complété par le membre de phrase " , proposé par la société de distribution d'eau concernée " ;
6° dans le paragraphe 2, les alinéas 3 et 4 sont abrogés.
1° dans le paragraphe 2, le point 1° est complété par le membre de phrase " , proposés par le fonctionnaire dirigeant en question " ;
2° dans le paragraphe 2, le point 2° est complété par le membre de phrase " , proposé par le fonctionnaire dirigeant en question " ;
3° dans le paragraphe 2, point 3°, le membre de phrase " sur proposition du ministre compétent en la matière " est remplacé par le membre de phrase " proposé par le fonctionnaire dirigeant en question " ;
4° dans le paragraphe 2, le point 9° est complété par le membre de phrase " , proposé par l'association concernée " ;
5° dans le paragraphe 2, le point 10° est complété par le membre de phrase " , proposé par la société de distribution d'eau concernée " ;
6° dans le paragraphe 2, les alinéas 3 et 4 sont abrogés.
Art. 36. In artikel 22 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 2 februari 2007, 7 maart 2008 en 29 mei 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2 wordt aan punt 3° de zinsnede ", voorgedragen door het projectsecretariaat" toegevoegd;
2° in paragraaf 2 wordt aan punt 7° de zinsnede ", voorgedragen door de betrokken watervoorzieningsmaatschappij" toegevoegd;
3° in paragraaf 2 wordt het derde lid en het vierde lid opgeheven.
1° in paragraaf 2 wordt aan punt 3° de zinsnede ", voorgedragen door het projectsecretariaat" toegevoegd;
2° in paragraaf 2 wordt aan punt 7° de zinsnede ", voorgedragen door de betrokken watervoorzieningsmaatschappij" toegevoegd;
3° in paragraaf 2 wordt het derde lid en het vierde lid opgeheven.
Art. 36. A l'article 22 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 2 février 2007, 7 mars 2008 et 29 mai 2009, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 2, le point 3° est complété par le membre de phrase " , proposés par le secrétariat du projet " ;
2° dans le paragraphe 2, le point 7° est complété par le membre de phrase " , proposé par la société de distribution d'eau concernée " ;
3° dans le paragraphe 2, les alinéas 3 et 4 sont abrogés.
1° dans le paragraphe 2, le point 3° est complété par le membre de phrase " , proposés par le secrétariat du projet " ;
2° dans le paragraphe 2, le point 7° est complété par le membre de phrase " , proposé par la société de distribution d'eau concernée " ;
3° dans le paragraphe 2, les alinéas 3 et 4 sont abrogés.
Art. 37. In artikel 24, § 2, 2°, van hetzelfde besluit wordt punt a) vervangen door wat volgt: "a) indien er voor het vastgestelde gebied of voor een deel ervan geen natuurrichtplan, managementplan of managementplan Natura 2000, vermeld in het decreet, is vastgesteld: een voorstel voor de natuurdoeltypes, de natuurstreefbeelden, de doelsystemen en de doelsoorten van het project;".
Art. 37. Dans l'article 24, § 2, 2°, du même arrêté, le point a) est remplacé par ce qui suit : " a) si aucun plan directeur de la nature, plan de gestion ou plan de gestion Natura 2000 n'est établi pour la zone concernée ou pour une partie de celle-ci : une proposition pour les types de nature cibles, les objectifs naturels, les systèmes cibles et les espèces cibles du projet ; ".
Art. 38. In artikel 31, eerste lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in punt 2° wordt punt b) vervangen door wat volgt: "b) een uitvoeringsprogramma dat de verantwoordelijke actoren en het tijdsschema voor het uitvoeren van de natuurinrichtingsmaatregelen bepaalt, alsook, in voorkomend geval, de voorwaarden vermeldt waaraan de betrokken eigenaars of gebruikers moeten voldoen wanneer zij mede instaan voor de uitvoering van het natuurinrichtingsproject;";
2° punt 3° wordt vervangen door wat volgt: "3° een financieringsplan, met, in voorkomend geval, de wijze van medefinanciering en afspraken met betrekking tot de vergoeding voor uitvoering van het natuurinrichtingsproject aan betrokken eigenaars of gebruikers;".
1° in punt 2° wordt punt b) vervangen door wat volgt: "b) een uitvoeringsprogramma dat de verantwoordelijke actoren en het tijdsschema voor het uitvoeren van de natuurinrichtingsmaatregelen bepaalt, alsook, in voorkomend geval, de voorwaarden vermeldt waaraan de betrokken eigenaars of gebruikers moeten voldoen wanneer zij mede instaan voor de uitvoering van het natuurinrichtingsproject;";
2° punt 3° wordt vervangen door wat volgt: "3° een financieringsplan, met, in voorkomend geval, de wijze van medefinanciering en afspraken met betrekking tot de vergoeding voor uitvoering van het natuurinrichtingsproject aan betrokken eigenaars of gebruikers;".
Art. 38. A l'article 31, alinéa 1er, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 2 février 2007, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le point 2°, le point b) est remplacé par ce qui suit : " b) un programme d'exécution définissant les divers acteurs responsables et précisant le calendrier d'exécution des mesures d'aménagement de la nature, ainsi que, le cas échéant, mentionnant les conditions auxquelles les propriétaires ou utilisateurs concernés doivent répondre lorsqu'ils participent à l'exécution du projet d'aménagement de la nature ; " ;
2° le point 3° est remplacé par ce qui suit : " 3° un plan de financement avec, le cas échéant, le mode de cofinancement et des accords relatifs à l'indemnité pour l'exécution du projet d'aménagement de la nature aux propriétaires ou utilisateurs concernés ; ".
1° dans le point 2°, le point b) est remplacé par ce qui suit : " b) un programme d'exécution définissant les divers acteurs responsables et précisant le calendrier d'exécution des mesures d'aménagement de la nature, ainsi que, le cas échéant, mentionnant les conditions auxquelles les propriétaires ou utilisateurs concernés doivent répondre lorsqu'ils participent à l'exécution du projet d'aménagement de la nature ; " ;
2° le point 3° est remplacé par ce qui suit : " 3° un plan de financement avec, le cas échéant, le mode de cofinancement et des accords relatifs à l'indemnité pour l'exécution du projet d'aménagement de la nature aux propriétaires ou utilisateurs concernés ; ".
Art. 39. In artikel 44bis, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2007, wordt een nieuw derde lid en een nieuw vierde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
"De minister kan ambtshalve gelijktijdig beslissen over de instelling van het natuurinrichtingsproject, de oprichting van het projectcomité en het vaststellen van de binnen het natuurinrichtingsproject te treffen natuurinrichtingsmaatregelen, alsook de uitvoeringsmodaliteiten indien de eigenaars naast de instemming, vermeld in artikel 44, ook instemmen met het uitvoeringsprogramma, vermeld in artikel 31, eerste lid, 2°, b), en het financieringsplan, vermeld in artikel 31, eerste lid, 3°.
In het geval vermeld in het derde lid is artikel 44ter niet van toepassing. Artikel 44quater tot en met 44sexies zijn desgevallend wel van toepassing.".
"De minister kan ambtshalve gelijktijdig beslissen over de instelling van het natuurinrichtingsproject, de oprichting van het projectcomité en het vaststellen van de binnen het natuurinrichtingsproject te treffen natuurinrichtingsmaatregelen, alsook de uitvoeringsmodaliteiten indien de eigenaars naast de instemming, vermeld in artikel 44, ook instemmen met het uitvoeringsprogramma, vermeld in artikel 31, eerste lid, 2°, b), en het financieringsplan, vermeld in artikel 31, eerste lid, 3°.
In het geval vermeld in het derde lid is artikel 44ter niet van toepassing. Artikel 44quater tot en met 44sexies zijn desgevallend wel van toepassing.".
Art. 39. A l'article 44bis, § 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 2 février 2007, il est ajouté un nouvel alinéa 3 et un nouvel alinéa 4, rédigés comme suit :
" Le Ministre peut décider d'office simultanément sur l'institution du projet d'aménagement de la nature, la création du comité de projet et l'établissement des mesures d'aménagement de la nature à prendre au sein du projet d'aménagement de la nature, ainsi que les modalités d'exécution si les propriétaires donnent, outre le consentement visé à l'article 44, également leur consentement au programme d'exécution, visé à l'article 31, alinéa 1er, 2°, b), et au plan de financement, visé à l'article 31, alinéa 1er, 3°.
Dans le cas visé à l'alinéa 3, l'article 44ter ne s'applique pas. Les articles 44quater à 44sexies s'appliquent effectivement le cas échéant. ".
" Le Ministre peut décider d'office simultanément sur l'institution du projet d'aménagement de la nature, la création du comité de projet et l'établissement des mesures d'aménagement de la nature à prendre au sein du projet d'aménagement de la nature, ainsi que les modalités d'exécution si les propriétaires donnent, outre le consentement visé à l'article 44, également leur consentement au programme d'exécution, visé à l'article 31, alinéa 1er, 2°, b), et au plan de financement, visé à l'article 31, alinéa 1er, 3°.
Dans le cas visé à l'alinéa 3, l'article 44ter ne s'applique pas. Les articles 44quater à 44sexies s'appliquent effectivement le cas échéant. ".
Art. 40. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 november 2003 houdende maatregelen ter uitvoering van het gebiedsgericht natuurbeleid, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007, 7 maart 2008 en 11 januari 2013, wordt punt 18° vervangen door wat volgt:
"18° erkende terreinbeherende natuurvereniging : erkende terreinbeherende natuurvereniging als vermeld in artikel 2, punt 16°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;".
"18° erkende terreinbeherende natuurvereniging : erkende terreinbeherende natuurvereniging als vermeld in artikel 2, punt 16°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;".
Art. 40. Dans l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 novembre 2003 contenant des mesures d'exécution de la politique naturelle zonale, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 juillet 2007, 7 mars 2008 et 11 janvier 2013, le point 18° est remplacé par ce qui suit :
" 18° association de défense de la nature agréée pour la gestion de terrains : une association de défense de la nature agréée pour la gestion de terrains telle que visée à l'article 2, point 16°, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ; ".
" 18° association de défense de la nature agréée pour la gestion de terrains : une association de défense de la nature agréée pour la gestion de terrains telle que visée à l'article 2, point 16°, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ; ".
Art. 41. In hetzelfde besluit wordt het opschrift van hoofdstuk II vervangen door wat volgt:
"Algemene bepalingen betreffende natuurrichtplannen, managementplannen en managementplannen Natura 2000".
"Algemene bepalingen betreffende natuurrichtplannen, managementplannen en managementplannen Natura 2000".
Art. 41. Dans le même arrêté, l'intitulé du chapitre II est remplacé par ce qui suit :
" Dispositions générales relatives aux plans directeurs de la nature, plans de gestion et plans de gestion Natura 2000 ".
" Dispositions générales relatives aux plans directeurs de la nature, plans de gestion et plans de gestion Natura 2000 ".
Art. 42. In artikel 2 van hetzelfde besluit worden na het woord "natuurrichtplan" de woorden "of met de bepalingen van een managementplan Natura 2000 of een managementplan" toegevoegd.
Art. 42. Dans l'article 2 du même arrêté, les mots " ou aux dispositions d'un plan de gestion Natura 2000 ou d'un plan de gestion " sont ajoutés après les mots " d'un plan directeur de la nature approuvé ".
Art. 43. In artikel 3 van hetzelfde besluit worden na het woord "natuurrichtplan" de woorden "of met de bepalingen van een managementplan Natura 2000 of een managementplan" toegevoegd.
Art. 43. Dans l'article 3 du même arrêté, les mots " ou aux dispositions d'un plan de gestion Natura 2000 ou d'un plan de gestion " sont ajoutés après les mots " du plan directeur de la nature approuvé ".
Art. 44. In artikel 4 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de zinsnede "Onverminderd art. 48, § 4, van het decreet draagt een administratieve overheid er zorg voor" wordt vervangen door de zinsnede "De administratieve overheid draagt er zorg voor";
2° na het woord "natuurrichtplan" worden de woorden "of met de bepalingen van een managementplan Natura 2000 of een managementplan" ingevoegd.
1° de zinsnede "Onverminderd art. 48, § 4, van het decreet draagt een administratieve overheid er zorg voor" wordt vervangen door de zinsnede "De administratieve overheid draagt er zorg voor";
2° na het woord "natuurrichtplan" worden de woorden "of met de bepalingen van een managementplan Natura 2000 of een managementplan" ingevoegd.
Art. 44. A l'article 4 du même arrêté les modifications suivantes sont apportées :
1° le membre de phrase " Sans préjudice de l'article 48, § 4, du décret, une autorité administrative veille à ce qu'une " est remplacé par le membre de phrase " L'autorité administrative veille à ce qu'une " ;
2° les mots " ou aux dispositions d'un plan de gestion Natura 2000 ou d'un plan de gestion " sont ajoutés après les mots " du plan directeur de la nature approuvé ".
1° le membre de phrase " Sans préjudice de l'article 48, § 4, du décret, une autorité administrative veille à ce qu'une " est remplacé par le membre de phrase " L'autorité administrative veille à ce qu'une " ;
2° les mots " ou aux dispositions d'un plan de gestion Natura 2000 ou d'un plan de gestion " sont ajoutés après les mots " du plan directeur de la nature approuvé ".
Art. 45. In artikel 6 van hetzelfde besluit wordt het punt 2° opgeheven.
Art. 45. Dans l'article 6 du même arrêté, le point 2° est abrogé.
Art. 46. In artikel 61 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002, wordt de zinsnede "of binnen een periode van twee jaar na de aanwijzing van de speciale beschermingszone" vervangen door de zinsnede "of binnen een periode van twee jaar na de opname van het onroerend goed in een vastgesteld managementplan Natura 2000 of een vastgestelde planversie als vermeld in artikel 50octies, § 1, van het decreet".
Art. 46. Dans l'article 61 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2002, le membre de phrase " ou la zone de protection spéciale concernée " est remplacé par le membre de phrase " ou dans deux ans après la reprise du bien immobilier dans un plan de gestion Natura 2000 établi ou une version de plan établie telle que visée à l'article 50octies, § 1er, du décret ".
Art. 47. In artikel 62 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het vierde lid worden na het woord "overdragen" de woorden "aan een beheerder van een terrein van type vier" toegevoegd;
2° het vijfde lid wordt opgeheven.
1° in het vierde lid worden na het woord "overdragen" de woorden "aan een beheerder van een terrein van type vier" toegevoegd;
2° het vijfde lid wordt opgeheven.
Art. 47. A l'article 62 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2002 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 mars 2008, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 4, les mots " à un gestionnaire d'un terrain du type 4 " sont ajoutés après les mots " céder la gestion des biens immeubles " ;
2° l'alinéa 5 est abrogé.
1° dans l'alinéa 4, les mots " à un gestionnaire d'un terrain du type 4 " sont ajoutés après les mots " céder la gestion des biens immeubles " ;
2° l'alinéa 5 est abrogé.
Afdeling 2. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014 houdende vaststelling van de voorwaarden waaronder de jacht kan worden uitgeoefend
Section 2. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 25 avril 2014 établissant les conditions d'exercice de la chasse
Art. 48. In artikel 14, § 3, tweede lid, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014 houdende vaststelling van de voorwaarden waaronder de jacht kan worden uitgeoefend wordt de zinsnede "met de verenigingen die in het gebied erkende bos- of natuurreservaten beheren, met de overheden die in het gebied erkende bos- of natuurreservaten beheren," vervangen door de zinsnede "met de beheerders van erkende reservaten in het gebied".
Art. 48. Dans l'article 14, § 3, alinéa 2, 1°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 25 avril 2014 établissant les conditions d'exercice de la chasse, le membre de phrase " avec les associations qui gèrent des réserves forestières ou naturelles agréées dans la zone, avec les autorités qui gèrent des réserves forestières ou naturelles agréées dans la zone " est remplacé par le membre de phrase " avec les gestionnaires des réserves agréées dans la zone ".
Art. 49. In artikel 54, tweede lid, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede "de erkende terreinbeherende verenigingen die in de faunabeheerzone erkende bos- of natuurreservaten beheren, de overheden die in de faunabeheerzone erkende bos- of natuurreservaten beheren," vervangen door de zinsnede "de beheerders van erkende reservaten in de faunabeheerzone".
Art. 49. Dans l'article 54, alinéa 2, du même arrêté, le membre de phrase " les associations agréées de gestion du terrain qui gèrent des réserves forestières et naturelles agréées au sein de la zone de gestion de la faune, les autorités qui gèrent des réserves forestières et naturelles agréées au sein de la zone de gestion de la faune " est remplacé par le membre de phrase " les gestionnaires des réserves agréées dans la zone de gestion de la faune ".
Art. 50. In artikel 554, eerste lid, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede "met de erkende terreinbeherende verenigingen die in hun WBE-werkingsgebied erkende bos- of natuurreservaten beheren, met vertegenwoordigers van de bijzondere veldwachters van het WBE-werkingsgebied, met de overheden die in hun WBE-werkingsgebied erkende bos- of natuurreservaten beheren" vervangen door de zinsnede "met de beheerders van erkende reservaten in hun WBE-werkingsgebied, met vertegenwoordigers van de bijzondere veldwachters van het WBE-werkingsgebied".
Art. 50. Dans l'article 55, alinéa 1er, du même arrêté, le membre de phrase " avec les associations agréées de gestion du terrain qui gèrent des réserves forestières et naturelles agréées au sein de leur zone d'activités UGG, avec des représentants des gardes champêtres particuliers de la zone d'activités UGG, avec les autorités qui gèrent des réserves forestières et naturelles agréées au sein de leur zone d'activités UGG " est remplacé par le membre de phrase " avec les gestionnaires des réserves agréées dans leur zone d'activités UGG, avec des représentants des gardes champêtres particuliers de la zone d'activités UGG ".
Afdeling 3. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 betreffende de uitvoering van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.
Section 3. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014 portant exécution du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013
Art. 51. In artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 betreffende de uitvoering van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 4 december 2015 en 16 december 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° er wordt voor punt 1°, dat punt 1° /1 wordt, een nieuw punt 1° ingevoegd, dat luidt als volgt:
"1° behandelende agentschap: de instantie waarbij een aanvraag tot opmaak van een geïntegreerd beheersplan wordt ingediend, namelijk het agentschap of het Agentschap voor Natuur en Bos;";
2° er wordt een punt 10° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"10° /1 geïntegreerd beheersplan: een beheersplan waarin één gebiedsgerichte beheerplanning voor een onroerend erfgoed, voor erfgoedlandschappen, een natuurdomein of voor een ander terrein, beheerd ten behoeve van het natuurbehoud wordt vooropgesteld, en/of waarbij in geval van het overlappen van de verschillende beschermingsstatuten de verschillende beleidsdoelstellingen op elkaar worden afgestemd. Dat geïntegreerde beheersplan omvat steeds de verschillende beheerdoelstellingen en garandeert één afgestemde gebiedsgerichte visie binnen de geldende regelgeving;";
3° er wordt een punt 16° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"16° /1 natuurdomein: een terrein als vermeld in artikel 2, punt 55°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;";
4° er wordt een punt 24° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"24° /1 terrein beheerd ten behoeve van het natuurbehoud: een terrein dat beheerd wordt conform de bepalingen van hoofdstuk IIIbis van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;".
1° er wordt voor punt 1°, dat punt 1° /1 wordt, een nieuw punt 1° ingevoegd, dat luidt als volgt:
"1° behandelende agentschap: de instantie waarbij een aanvraag tot opmaak van een geïntegreerd beheersplan wordt ingediend, namelijk het agentschap of het Agentschap voor Natuur en Bos;";
2° er wordt een punt 10° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"10° /1 geïntegreerd beheersplan: een beheersplan waarin één gebiedsgerichte beheerplanning voor een onroerend erfgoed, voor erfgoedlandschappen, een natuurdomein of voor een ander terrein, beheerd ten behoeve van het natuurbehoud wordt vooropgesteld, en/of waarbij in geval van het overlappen van de verschillende beschermingsstatuten de verschillende beleidsdoelstellingen op elkaar worden afgestemd. Dat geïntegreerde beheersplan omvat steeds de verschillende beheerdoelstellingen en garandeert één afgestemde gebiedsgerichte visie binnen de geldende regelgeving;";
3° er wordt een punt 16° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"16° /1 natuurdomein: een terrein als vermeld in artikel 2, punt 55°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;";
4° er wordt een punt 24° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"24° /1 terrein beheerd ten behoeve van het natuurbehoud: een terrein dat beheerd wordt conform de bepalingen van hoofdstuk IIIbis van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;".
Art. 51. A l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014 portant exécution du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 4 décembre 2015 et 16 décembre 2016, les modifications suivantes sont apportées :
1° avant le point 1°, qui devient le point 1° /1, il est inséré un nouveau point 1°, rédigé comme suit :
" 1° agence traitante : l'instance auprès de laquelle une demande d'établissement d'un plan de gestion intégré est introduite, à savoir l'agence ou l'Agence de la Nature et des Forêts ; " ;
2° il est inséré un point 10° /1 rédigé comme suit :
" 10° /1 plan de gestion intégré : un plan de gestion dans lequel une seule planification de la gestion, propre à la région, pour un bien immobilier, pour des paysages patrimoniaux, un domaine naturel ou pour un autre terrain, géré en faveur de la conservation de la nature est envisagée, et/ou pour lequel les différents objectifs politiques sont harmonisés en cas de chevauchement des différents statuts de protection. Ce plan de gestion intégré comprend toujours les différents objectifs de gestion et garantit une seule vision harmonisée propre à la région, au sein de la réglementation en vigueur ; " ;
3° il est inséré un point 16° /1 rédigé comme suit :
" 16° /1 domaine naturel : un terrain tel que visé à l'article 2, point 55°, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ; " ;
4° il est inséré un point 24° /1, rédigé comme suit :
" 24° /1 terrain géré en faveur de la conservation de la nature : un terrain géré conformément aux dispositions du chapitre IIIbis du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ; ".
1° avant le point 1°, qui devient le point 1° /1, il est inséré un nouveau point 1°, rédigé comme suit :
" 1° agence traitante : l'instance auprès de laquelle une demande d'établissement d'un plan de gestion intégré est introduite, à savoir l'agence ou l'Agence de la Nature et des Forêts ; " ;
2° il est inséré un point 10° /1 rédigé comme suit :
" 10° /1 plan de gestion intégré : un plan de gestion dans lequel une seule planification de la gestion, propre à la région, pour un bien immobilier, pour des paysages patrimoniaux, un domaine naturel ou pour un autre terrain, géré en faveur de la conservation de la nature est envisagée, et/ou pour lequel les différents objectifs politiques sont harmonisés en cas de chevauchement des différents statuts de protection. Ce plan de gestion intégré comprend toujours les différents objectifs de gestion et garantit une seule vision harmonisée propre à la région, au sein de la réglementation en vigueur ; " ;
3° il est inséré un point 16° /1 rédigé comme suit :
" 16° /1 domaine naturel : un terrain tel que visé à l'article 2, point 55°, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ; " ;
4° il est inséré un point 24° /1, rédigé comme suit :
" 24° /1 terrain géré en faveur de la conservation de la nature : un terrain géré conformément aux dispositions du chapitre IIIbis du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ; ".
Art. 52. In hoofdstuk 8 van hetzelfde besluit wordt afdeling 3, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 december 2015, vervangen door wat volgt :
"Afdeling 3. - Geïntegreerde beheersplannen
Onderafdeling 1. - Opdrachtgever
Art. 8.3.1. Als de zakelijkrechthouder of de gebruiker voor een onroerend erfgoed of een erfgoedlandschap of voor een deel ervan dat een opzichzelfstaand geheel vormt, tegelijkertijd of opeenvolgend een beheersplan onroerend erfgoed en een natuurbeheerplan met toepassing van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu opstelt, dan worden de verwezenlijkingen van alle beheersdoelstellingen voor dat goed in 1 beheersplan geïntegreerd. Eén of meer zakelijkrechthouders of gebruikers kunnen een gevolmachtigde aanwijzen die een gezamenlijke aanvraag tot opmaak van een geïntegreerd beheersplan in hun plaats indient.
Het Agentschap voor Natuur en Bos maakt het ontwerp van een geïntegreerd beheersplan voor een natuurdomein op.
Onderafdeling 2. - Verkenning
Art. 8.3.2. Voor er gestart wordt met de opmaak van een geïntegreerd beheersplan, dient de zakelijkrechthouder, de gebruiker of de gevolmachtigde een verkenning in bij het agentschap of bij het Agentschap voor Natuur en Bos.
De verkenning als vermeld in het eerste lid bevat, naast de elementen als vermeld in artikel 3, eerste lid, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2017 betreffende de natuurbeheerplannen en de erkenning van natuurreservaten, tevens de volgende elementen:
1° de identificatie en grafische afbakening van het onroerend erfgoed of erfgoedlandschap of van het deel ervan dat een op-zichzelf-staand geheel vormt, waarvoor het nodige beheersplan zal worden opgesteld;
2° een oplijsting en een beschrijving van de erfgoedwaarde en erfgoedelementen;
3° een beknopte omschrijving van de visie op het beheer;
4° als het beheersplan betrekking heeft op verschillende zakelijkrechthouders of gebruikers, een voorstel over hoe de participatie in en communicatie over de opmaak van het beheersplan zal verlopen.
Onderafdeling 3. - Ontvankelijkheid van de verkenning
Art. 8.3.3. Het behandelende agentschap gaat na of de in artikel 8.3.2 vermelde verkenning volledig is, en verzendt binnen een termijn van dertig kalenderdagen na de indiening ervan met een beveiligde zending een ontvangstmelding met daarin een volledigheidsverklaring. Bij eventuele onvolkomenheden zendt het behandelende agentschap binnen een termijn van dertig kalenderdagen het dossier terug met opgave van de redenen van onvolledigheid. Het behandelend agentschap neemt de beslissing inzake de volledigheid op basis van de elementen vermeld in artikel 4, vierde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2017 betreffende de natuurbeheerplannen en de erkenning van natuurreservaten en op basis van de elementen in artikel 8.3.2.
Het Agentschap voor Natuur en Bos beoordeelt de verkenning op basis van de overeenstemming van de keuze voor één van de vier types terreinen, vermeld in artikel 16ter, § 1, van het decreet van 21 oktober 1997, met de bepalingen van artikel 16ter, § 2, artikel 16quater, artikel 16quinquies en artikel 16sexies van het decreet van 21 oktober 1997 en aan de hand van de natuurstreefbeelden, vermeld in bijlage 3 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2017 betreffende de natuurbeheerplannen en de erkenning van natuurreservaten, die voor het type in aanmerking komen.
Binnen een termijn van zestig kalenderdagen na de volledigheidsverklaring, vermeld in het eerste lid, neemt het behandelend agentschap een beslissing over de verkenning. Het bezorgt die beslissing met een beveiligde zending aan de indiener.
Onderafdeling 4. - Opmaak
Art. 8.3.4. Het geïntegreerd beheersplan bevat ten minste de elementen, als vermeld in artikel 8.1.4, § 1, eerste en tweede lid, alsook de delen vermeld in artikel 3, eerste lid, 2°, 3°, 4° en 5°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2017 betreffende de natuurbeheerplannen en de erkenning van natuurreservaten.
De visie op het beheer, de beheerdoelstellingen en de richtlijnen, maatregelen en werkzaamheden moet in voorkomend geval in overeenstemming zijn met de geldende regelgeving.
Onderafdeling 5. - Indiening
Art. 8.3.5. Nadat het agentschap een gunstige beslissing heeft genomen over de verkenning, vermeld in artikel 8.3.2 van dit besluit, wordt het ontwerp van een geïntegreerd beheersplan, vermeld in artikel 8.3.4, ingediend bij het behandelende agentschap.
Het ontwerp van een geïntegreerd beheersplan wordt in vier papieren exemplaren en één digitaal exemplaar ingediend bij het behandelende agentschap, voorzien van de gegevens of bijlagen vermeld in artikel 8.1.5.
Onderafdeling 6. - Goedkeuringsprocedure
Art. 8.3.6. § 1. Binnen de dertig kalenderdagen nadat het ontwerp van het geïntegreerde beheersplan werd ingediend, stuurt het behandelende agentschap met een beveiligde zending een ontvangstmelding met daarin een volledigheidsverklaring aan de indiener. Ingeval er elementen, als vermeld in artikel 8.3.4, ontbreken, stuurt het behandelende agentschap met een beveiligde zending het ontwerp van geïntegreerd beheersplan terug, met opgave van de redenen van onvolledigheid.
§ 2. Als het ontwerp van geïntegreerd beheersplan betrekking heeft op een terrein van type twee, drie of vier als vermeld in artikel 16ter, § 1, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, moet het ontwerp voor consultatie ter inzage gelegd worden bij het behandelende agentschap, bij de indiener of op een door de indiener en het behandelende agentschap gezamenlijk te bepalen plaats in de omgeving van het gebied in kwestie. De indiener zorgt voor de aankondiging van de consultatie over het ontwerp van het geïntegreerde beheersplan binnen een termijn van dertig kalenderdagen, die ingaat op de dag na de kennisgeving van de ontvangstmelding, vermeld in paragraaf 2. De aankondiging wordt bekend gemaakt op één van de volgende wijzen:
1° in minstens één regionale krant;
2° via de gemeentelijke informatiekanalen;
3° door middel van aanplakking op een duidelijk zichtbare wijze langs de toegangsweg of -wegen van het terrein in kwestie.
De wijze van bekendmaking als vermeld in het eerste lid wordt nader bepaald in de verkenning, vermeld in artikel 8.3.2, van dit besluit.
In de aankondiging worden de volgende gegevens vermeld:
1° de ligging en, in voorkomend geval, de naam van het gebied waarop het ontwerp van geïntegreerd beheersplan betrekking heeft;
2° de plaats waar en de uren waarop het ontwerp van het geïntegreerde beheersplan kan worden ingezien;
3° de begin- en de einddatum van de consultatieperiode. Die periode moet dertig kalenderdagen duren;
4° de mededeling dat gedurende de periode, vermeld in punt 3°, opmerkingen en bezwaren aan het behandelende agentschap kunnen worden gericht .
§ 3. Na de kennisgeving van de volledigheidsverklaring, vermeld in artikel 8.3.6, § 1, legt het behandelende agentschap het ontwerp van natuurbeheerplan ter advies voor aan de instanties en in die gevallen als vermeld in artikel 6, § 3, 1°, 2° en 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2017 betreffende de natuurbeheerplannen en de erkenning van natuurreservaten.
De adviezen worden uitgebracht aan het behandelende agentschap binnen een termijn van dertig kalenderdagen, die ingaat de dag na de ontvangst van de adviesvraag. Als die termijn wordt overschreden, kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
§ 4. Binnen zeven kalenderdagen na het verstrijken van de consultatieperiode, vermeld in paragraaf 2, en de termijn van dertig kalenderdagen, vermeld in paragraaf 3, tweede lid, bezorgt het behandelende agentschap een kopie van de ingediende opmerkingen en bezwaren en adviezen aan de indiener van het geïntegreerde beheersplan.
De indiener past het ontwerp van het geïntegreerd beheersplan zo nodig aan en voegt er een verslag van de consultatie en adviesronde bij. Dat verslag omvat, naast het bewijs van de aankondiging van de consultatie, ook een vermelding van de manier waarop en de redenen waarom al dan niet rekening wordt gehouden met de ingediende opmerkingen, bezwaren en adviezen.
Aan het ontwerp van het geïntegreerde beheersplan kan de indiener alleen aanpassingen aanbrengen die gebaseerd zijn op of voortvloeien uit de ingediende opmerkingen, bezwaren en adviezen. Het aangepaste ontwerp van het geïntegreerd beheersplan kan echter de oppervlakte van het gebied waarop het betrekking heeft, niet uitbreiden.
Het verslag van de consultatie- en adviesronde wordt samen met het definitieve ontwerp van het geïntegreerd beheersplan ingediend bij het behandelend agentschap binnen negentig kalenderdagen na ontvangst van de opmerkingen, de bezwaren en de adviezen, vermeld in het eerste lid.
§ 5. Het agentschap en het agentschap voor Natuur en Bos beslissen samen over de goedkeuring binnen een termijn van negentig kalenderdagen, die ingaat op de dag na ontvangst van het verslag van de consultatie- en adviesronde en het ontwerp van het geïntegreerd beheersplan. Het agentschap voor Natuur en Bos neemt de beslissing op basis van de elementen vermeld in artikel 7, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2017 betreffende de natuurbeheerplannen en de erkenning van natuurreservaten. Als er geen beslissing wordt genomen binnen de daarvoor uitgetrokken termijn, wordt ervan uitgegaan dat het ontwerp van geïntegreerd beheersplan afgekeurd is.
§ 6. Het behandelende agentschap brengt de indiener met een beveiligde zending op de hoogte van de beslissing vermeld in paragraaf 5.
§ 7. In een beslissing tot goedkeuring kunnen voorwaarden opgelegd worden over de uitvoering en de opvolging van het geïntegreerde beheersplan.
Als het geïntegreerd beheersplan niet wordt goedgekeurd, brengt het behandelende agentschap de indiener met een beveiligde zending op de hoogte van de gemotiveerde beslissing over de onderdelen van het ontwerp van geïntegreerd beheersplan die moeten worden gewijzigd.
Een aangepast ontwerp van geïntegreerd beheersplan kan ingediend worden bij het behandelende agentschap binnen een termijn van negentig kalenderdagen, die ingaat de dag na ontvangst van de melding, vermeld in het tweede lid. Een aanpassing van het beheersplan kan bovendien alleen met betrekking tot de voorgestelde wijzigingen en kan de oppervlakte van het gebied waarop het betrekking heeft, niet uitbreiden.
Als het aangepaste beheersplan tegemoetkomt aan de voorgestelde wijzigingen, dan beslissen het agentschap en het agentschap voor Natuur en Bos dat het beheersplan wordt goedgekeurd. Als het aangepaste beheersplan niet tegemoetkomt aan de voorgestelde wijzigingen, vermeld in paragraaf 7, tweede lid, of als er binnen de voormelde termijn van negentig kalenderdagen geen aangepast beheerplan is ingediend, brengt het behandelende agentschap de indiener met een beveiligde zending op de hoogte van de afkeuring. Het behandelende agentschap brengt ook de gemeente of gemeenten waarin het onroerend goed ligt en/of intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst of -diensten van die gemeente of gemeenten, op de hoogte van die beslissing.
§ 8. Als het geïntegreerd beheersplan een gebied betreft dat een natuurdomein omvat, of een gebied betreft met enerzijds natuurdomein en anderzijds één of meer openbare of private terreinen die beheerd worden ten behoeve van het natuurbehoud, dan is de goedkeuringsprocedure, vermeld in paragraaf 2 tot en met 7 van overeenkomstige toepassing, evenwel met dien verstande dat beslissingen genomen worden door het agentschap en de minister, bevoegd voor het natuurbehoud.
Onderafdeling 7. - Geldigheidsduur
Art. 8.3.7. Het geïntegreerde beheersplan heeft een geldigheidsduur van vierentwintig jaar.
Onderafdeling 8. - Evaluatie en opvolging
Art. 8.3.8. De zakelijkrechthouder, de gebruiker of hun gevolmachtigde is belast met de opvolging en bezorgt een verslag over de uitvoering van het geïntegreerde beheersplan aan het behandelende agentschap.
Te rekenen vanaf de datum van goedkeuring van het geïntegreerde beheersplan voor een terrein van type twee, type drie of type vier, als vermeld in artikel 16ter, § 1, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, maakt het Agentschap voor Natuur en Bos om de zes jaar, op basis van het verslag, vermeld in het eerste lid, een evaluatie van de uitvoering van het geïntegreerde beheersplan.
Als uit de evaluatie blijkt dat de beheersmaatregelen die in het goedgekeurde beheersplan zijn opgenomen, onvoldoende uitgevoerd werden of niet geschikt zijn om de beheerdoelstellingen te halen, nemen het agentschap en het Agentschap voor Natuur en Bos daarover samen een beslissing binnen zestig kalenderdagen, te rekenen vanaf de dag na de ontvangst van het verslag.
Het behandelende agentschap brengt de zakelijkrechthouder, de gebruiker of hun gevolmachtigde met een beveiligde zending op de hoogte van de beslissing, vermeld in het derde lid, met de vermelding van de redenen waarom en de manier waarop het beheer moet worden aangepast.
Het behandelende agentschap brengt ook de gemeente of gemeenten waarin het onroerend goed ligt en/of intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst of -diensten van die gemeente of gemeenten, op de hoogte van die beslissing.
Onderafdeling 9. - Aanpassingen
Art. 8.3.9. § 1. Een goedgekeurd geïntegreerd beheersplan kan op gemotiveerde vraag van de zakelijkrechthouder, de gebruiker of de gevolmachtigde aangepast worden.
§ 2. Het agentschap of het Agentschap voor Natuur en Bos kunnen de zakelijkrechthouder, de gebruiker of de gevolmachtigde verzoeken om een aanvraag tot aanpassing van het geïntegreerde beheersplan in te dienen, als de aanpassing van het goedgekeurd beheersplan wenselijk is in het kader van een optimaler beheer van de erfgoedwaarden van het gebied of met toepassing van artikel 12, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2017 betreffende de natuurbeheerplannen en de erkenning van natuurreservaten.
De zakelijkrechthouder, de gebruiker of de gevolmachtigde dient binnen een termijn van 180 kalenderdagen na het verzoek, vermeld in het eerste lid, een aanvraag tot aanpassing in bij het behandelende agentschap. Artikel 7, § 3, vierde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2017 betreffende de natuurbeheerplannen en de erkenning van natuurreservaten is hierop van overeenkomstige toepassing.
§ 3. De aanvraag tot aanpassing bevat de volgende elementen:
1° de identificatiegegevens van de zakelijkrechthouder, de gebruiker en/of de gevolmachtigde;
2° een volmacht;
3° de afbakening op het kadasterplan van het gebied waarvoor het beheersplan zou worden aangepast;
4° de motivering van de vraag tot aanpassing en een gecoördineerde versie van de aangepaste delen van het goedgekeurde beheersplan, met aanduiding van de aangepaste gegevens.
§ 4. De aanvraag tot aanpassing van een goedgekeurd geïntegreerd beheersplan wordt behandeld volgens de procedure, vermeld in de artikelen 8.3.5 en 8.3.6.
In afwijking van artikel 8.3.6., § 2 en 3, kan, na gemotiveerd verzoek en na akkoord van het behandelende agentschap, afgezien worden van de verplichte consultatie- en adviesronde, als de aanpassing alleen betrekking heeft op onroerend erfgoed of indien voldaan wordt aan de voorwaarden voor toepassing van de beperkte procedure als vermeld in artikel 12, § 4, derde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2017 betreffende de natuurbeheerplannen en de erkenning van natuurreservaten.
Tijdens de consultatie- en adviesronde kunnen alleen bezwaren, opmerkingen en adviezen worden ingediend die betrekking hebben op de te wijzigen gegevens.
De goedkeuring van de aanpassing van een geïntegreerd beheersplan geldt voor de resterende termijn van de oorspronkelijke looptijd van het beheersplan.
§ 5. Een geïntegreerd beheersplan voor een terrein dat ligt in een gebied waarvoor een managementplan Natura 2000 met toepassing van artikel 50septies van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, of een managementplan als vermeld in artikel 48 van hetzelfde decreet, van kracht wordt, en waarvoor wordt vastgesteld dat de aanpassing tot gevolg heeft dat de beheerdoelstellingen voor dat terrein wijzigen, moet worden gewijzigd. Die wijziging vindt uiterlijk plaats bij de eerstvolgende evaluatie van het geïntegreerd beheersplan, vermeld in artikel 8.3.8 van dit besluit.
Art. 8.3.10. De bepalingen met betrekking tot de opheffing en de overname van het beheer bij een natuurbeheerplan, vermeld in hoofdstuk 2, afdeling 6, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2017 betreffende de natuurbeheerplannen en de erkenning van natuurreservaten zijn van overeenkomstige toepassing op het geïntegreerde beheersplan.
Onderafdeling 10. - Beroepsprocedure
Art. 8.3.11. De zakelijkrechthouder, de gebruiker of de gevolmachtigde kan tegen de beslissingen, genomen met toepassing van deze onderafdeling, een georganiseerd administratief beroep instellen bij de Vlaamse Regering.
Een beroepschrift wordt met een beveiligde zending ingesteld binnen een termijn van dertig kalenderdagen, die ingaat op dag na de kennisgeving van de beslissing of, in geval van een stilzwijgende beslissing na het verstrijken van de uitgetrokken beslissingstermijn, vanaf de dag die volgt op het verstrijken van die termijn.
Het beroepschrift bestaat minstens uit een gemotiveerd verzoekschrift met vermelding van de datum en het referentienummer van de bestreden beslissing.
De Vlaamse Regering kan bij de Commissie en bij de adviesinstantie, vermeld in artikel 16undecies, § 2, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, over het beroep advies inwinnen. De Commissie en de adviesinstantie beschikken over een termijn van dertig kalenderdagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de adviesvraag, om over het beroep een advies uit te brengen. Als het advies niet tijdig wordt verleend, wordt aan de adviesvraag voorbijgegaan.
De Vlaamse Regering neemt een beslissing over het beroep binnen een termijn van zestig kalenderdagen, die ingaat de dag na de ontvangst van het beroepschrift. Als er geen beslissing wordt genomen binnen de toepasselijke vervaltermijn wordt, er van uitgegaan dat het beroep afgewezen is. De beslissing wordt onverwijld met een beveiligde zending aan de indiener van het beroep bezorgd.".
"Afdeling 3. - Geïntegreerde beheersplannen
Onderafdeling 1. - Opdrachtgever
Art. 8.3.1. Als de zakelijkrechthouder of de gebruiker voor een onroerend erfgoed of een erfgoedlandschap of voor een deel ervan dat een opzichzelfstaand geheel vormt, tegelijkertijd of opeenvolgend een beheersplan onroerend erfgoed en een natuurbeheerplan met toepassing van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu opstelt, dan worden de verwezenlijkingen van alle beheersdoelstellingen voor dat goed in 1 beheersplan geïntegreerd. Eén of meer zakelijkrechthouders of gebruikers kunnen een gevolmachtigde aanwijzen die een gezamenlijke aanvraag tot opmaak van een geïntegreerd beheersplan in hun plaats indient.
Het Agentschap voor Natuur en Bos maakt het ontwerp van een geïntegreerd beheersplan voor een natuurdomein op.
Onderafdeling 2. - Verkenning
Art. 8.3.2. Voor er gestart wordt met de opmaak van een geïntegreerd beheersplan, dient de zakelijkrechthouder, de gebruiker of de gevolmachtigde een verkenning in bij het agentschap of bij het Agentschap voor Natuur en Bos.
De verkenning als vermeld in het eerste lid bevat, naast de elementen als vermeld in artikel 3, eerste lid, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2017 betreffende de natuurbeheerplannen en de erkenning van natuurreservaten, tevens de volgende elementen:
1° de identificatie en grafische afbakening van het onroerend erfgoed of erfgoedlandschap of van het deel ervan dat een op-zichzelf-staand geheel vormt, waarvoor het nodige beheersplan zal worden opgesteld;
2° een oplijsting en een beschrijving van de erfgoedwaarde en erfgoedelementen;
3° een beknopte omschrijving van de visie op het beheer;
4° als het beheersplan betrekking heeft op verschillende zakelijkrechthouders of gebruikers, een voorstel over hoe de participatie in en communicatie over de opmaak van het beheersplan zal verlopen.
Onderafdeling 3. - Ontvankelijkheid van de verkenning
Art. 8.3.3. Het behandelende agentschap gaat na of de in artikel 8.3.2 vermelde verkenning volledig is, en verzendt binnen een termijn van dertig kalenderdagen na de indiening ervan met een beveiligde zending een ontvangstmelding met daarin een volledigheidsverklaring. Bij eventuele onvolkomenheden zendt het behandelende agentschap binnen een termijn van dertig kalenderdagen het dossier terug met opgave van de redenen van onvolledigheid. Het behandelend agentschap neemt de beslissing inzake de volledigheid op basis van de elementen vermeld in artikel 4, vierde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2017 betreffende de natuurbeheerplannen en de erkenning van natuurreservaten en op basis van de elementen in artikel 8.3.2.
Het Agentschap voor Natuur en Bos beoordeelt de verkenning op basis van de overeenstemming van de keuze voor één van de vier types terreinen, vermeld in artikel 16ter, § 1, van het decreet van 21 oktober 1997, met de bepalingen van artikel 16ter, § 2, artikel 16quater, artikel 16quinquies en artikel 16sexies van het decreet van 21 oktober 1997 en aan de hand van de natuurstreefbeelden, vermeld in bijlage 3 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2017 betreffende de natuurbeheerplannen en de erkenning van natuurreservaten, die voor het type in aanmerking komen.
Binnen een termijn van zestig kalenderdagen na de volledigheidsverklaring, vermeld in het eerste lid, neemt het behandelend agentschap een beslissing over de verkenning. Het bezorgt die beslissing met een beveiligde zending aan de indiener.
Onderafdeling 4. - Opmaak
Art. 8.3.4. Het geïntegreerd beheersplan bevat ten minste de elementen, als vermeld in artikel 8.1.4, § 1, eerste en tweede lid, alsook de delen vermeld in artikel 3, eerste lid, 2°, 3°, 4° en 5°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2017 betreffende de natuurbeheerplannen en de erkenning van natuurreservaten.
De visie op het beheer, de beheerdoelstellingen en de richtlijnen, maatregelen en werkzaamheden moet in voorkomend geval in overeenstemming zijn met de geldende regelgeving.
Onderafdeling 5. - Indiening
Art. 8.3.5. Nadat het agentschap een gunstige beslissing heeft genomen over de verkenning, vermeld in artikel 8.3.2 van dit besluit, wordt het ontwerp van een geïntegreerd beheersplan, vermeld in artikel 8.3.4, ingediend bij het behandelende agentschap.
Het ontwerp van een geïntegreerd beheersplan wordt in vier papieren exemplaren en één digitaal exemplaar ingediend bij het behandelende agentschap, voorzien van de gegevens of bijlagen vermeld in artikel 8.1.5.
Onderafdeling 6. - Goedkeuringsprocedure
Art. 8.3.6. § 1. Binnen de dertig kalenderdagen nadat het ontwerp van het geïntegreerde beheersplan werd ingediend, stuurt het behandelende agentschap met een beveiligde zending een ontvangstmelding met daarin een volledigheidsverklaring aan de indiener. Ingeval er elementen, als vermeld in artikel 8.3.4, ontbreken, stuurt het behandelende agentschap met een beveiligde zending het ontwerp van geïntegreerd beheersplan terug, met opgave van de redenen van onvolledigheid.
§ 2. Als het ontwerp van geïntegreerd beheersplan betrekking heeft op een terrein van type twee, drie of vier als vermeld in artikel 16ter, § 1, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, moet het ontwerp voor consultatie ter inzage gelegd worden bij het behandelende agentschap, bij de indiener of op een door de indiener en het behandelende agentschap gezamenlijk te bepalen plaats in de omgeving van het gebied in kwestie. De indiener zorgt voor de aankondiging van de consultatie over het ontwerp van het geïntegreerde beheersplan binnen een termijn van dertig kalenderdagen, die ingaat op de dag na de kennisgeving van de ontvangstmelding, vermeld in paragraaf 2. De aankondiging wordt bekend gemaakt op één van de volgende wijzen:
1° in minstens één regionale krant;
2° via de gemeentelijke informatiekanalen;
3° door middel van aanplakking op een duidelijk zichtbare wijze langs de toegangsweg of -wegen van het terrein in kwestie.
De wijze van bekendmaking als vermeld in het eerste lid wordt nader bepaald in de verkenning, vermeld in artikel 8.3.2, van dit besluit.
In de aankondiging worden de volgende gegevens vermeld:
1° de ligging en, in voorkomend geval, de naam van het gebied waarop het ontwerp van geïntegreerd beheersplan betrekking heeft;
2° de plaats waar en de uren waarop het ontwerp van het geïntegreerde beheersplan kan worden ingezien;
3° de begin- en de einddatum van de consultatieperiode. Die periode moet dertig kalenderdagen duren;
4° de mededeling dat gedurende de periode, vermeld in punt 3°, opmerkingen en bezwaren aan het behandelende agentschap kunnen worden gericht .
§ 3. Na de kennisgeving van de volledigheidsverklaring, vermeld in artikel 8.3.6, § 1, legt het behandelende agentschap het ontwerp van natuurbeheerplan ter advies voor aan de instanties en in die gevallen als vermeld in artikel 6, § 3, 1°, 2° en 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2017 betreffende de natuurbeheerplannen en de erkenning van natuurreservaten.
De adviezen worden uitgebracht aan het behandelende agentschap binnen een termijn van dertig kalenderdagen, die ingaat de dag na de ontvangst van de adviesvraag. Als die termijn wordt overschreden, kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
§ 4. Binnen zeven kalenderdagen na het verstrijken van de consultatieperiode, vermeld in paragraaf 2, en de termijn van dertig kalenderdagen, vermeld in paragraaf 3, tweede lid, bezorgt het behandelende agentschap een kopie van de ingediende opmerkingen en bezwaren en adviezen aan de indiener van het geïntegreerde beheersplan.
De indiener past het ontwerp van het geïntegreerd beheersplan zo nodig aan en voegt er een verslag van de consultatie en adviesronde bij. Dat verslag omvat, naast het bewijs van de aankondiging van de consultatie, ook een vermelding van de manier waarop en de redenen waarom al dan niet rekening wordt gehouden met de ingediende opmerkingen, bezwaren en adviezen.
Aan het ontwerp van het geïntegreerde beheersplan kan de indiener alleen aanpassingen aanbrengen die gebaseerd zijn op of voortvloeien uit de ingediende opmerkingen, bezwaren en adviezen. Het aangepaste ontwerp van het geïntegreerd beheersplan kan echter de oppervlakte van het gebied waarop het betrekking heeft, niet uitbreiden.
Het verslag van de consultatie- en adviesronde wordt samen met het definitieve ontwerp van het geïntegreerd beheersplan ingediend bij het behandelend agentschap binnen negentig kalenderdagen na ontvangst van de opmerkingen, de bezwaren en de adviezen, vermeld in het eerste lid.
§ 5. Het agentschap en het agentschap voor Natuur en Bos beslissen samen over de goedkeuring binnen een termijn van negentig kalenderdagen, die ingaat op de dag na ontvangst van het verslag van de consultatie- en adviesronde en het ontwerp van het geïntegreerd beheersplan. Het agentschap voor Natuur en Bos neemt de beslissing op basis van de elementen vermeld in artikel 7, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2017 betreffende de natuurbeheerplannen en de erkenning van natuurreservaten. Als er geen beslissing wordt genomen binnen de daarvoor uitgetrokken termijn, wordt ervan uitgegaan dat het ontwerp van geïntegreerd beheersplan afgekeurd is.
§ 6. Het behandelende agentschap brengt de indiener met een beveiligde zending op de hoogte van de beslissing vermeld in paragraaf 5.
§ 7. In een beslissing tot goedkeuring kunnen voorwaarden opgelegd worden over de uitvoering en de opvolging van het geïntegreerde beheersplan.
Als het geïntegreerd beheersplan niet wordt goedgekeurd, brengt het behandelende agentschap de indiener met een beveiligde zending op de hoogte van de gemotiveerde beslissing over de onderdelen van het ontwerp van geïntegreerd beheersplan die moeten worden gewijzigd.
Een aangepast ontwerp van geïntegreerd beheersplan kan ingediend worden bij het behandelende agentschap binnen een termijn van negentig kalenderdagen, die ingaat de dag na ontvangst van de melding, vermeld in het tweede lid. Een aanpassing van het beheersplan kan bovendien alleen met betrekking tot de voorgestelde wijzigingen en kan de oppervlakte van het gebied waarop het betrekking heeft, niet uitbreiden.
Als het aangepaste beheersplan tegemoetkomt aan de voorgestelde wijzigingen, dan beslissen het agentschap en het agentschap voor Natuur en Bos dat het beheersplan wordt goedgekeurd. Als het aangepaste beheersplan niet tegemoetkomt aan de voorgestelde wijzigingen, vermeld in paragraaf 7, tweede lid, of als er binnen de voormelde termijn van negentig kalenderdagen geen aangepast beheerplan is ingediend, brengt het behandelende agentschap de indiener met een beveiligde zending op de hoogte van de afkeuring. Het behandelende agentschap brengt ook de gemeente of gemeenten waarin het onroerend goed ligt en/of intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst of -diensten van die gemeente of gemeenten, op de hoogte van die beslissing.
§ 8. Als het geïntegreerd beheersplan een gebied betreft dat een natuurdomein omvat, of een gebied betreft met enerzijds natuurdomein en anderzijds één of meer openbare of private terreinen die beheerd worden ten behoeve van het natuurbehoud, dan is de goedkeuringsprocedure, vermeld in paragraaf 2 tot en met 7 van overeenkomstige toepassing, evenwel met dien verstande dat beslissingen genomen worden door het agentschap en de minister, bevoegd voor het natuurbehoud.
Onderafdeling 7. - Geldigheidsduur
Art. 8.3.7. Het geïntegreerde beheersplan heeft een geldigheidsduur van vierentwintig jaar.
Onderafdeling 8. - Evaluatie en opvolging
Art. 8.3.8. De zakelijkrechthouder, de gebruiker of hun gevolmachtigde is belast met de opvolging en bezorgt een verslag over de uitvoering van het geïntegreerde beheersplan aan het behandelende agentschap.
Te rekenen vanaf de datum van goedkeuring van het geïntegreerde beheersplan voor een terrein van type twee, type drie of type vier, als vermeld in artikel 16ter, § 1, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, maakt het Agentschap voor Natuur en Bos om de zes jaar, op basis van het verslag, vermeld in het eerste lid, een evaluatie van de uitvoering van het geïntegreerde beheersplan.
Als uit de evaluatie blijkt dat de beheersmaatregelen die in het goedgekeurde beheersplan zijn opgenomen, onvoldoende uitgevoerd werden of niet geschikt zijn om de beheerdoelstellingen te halen, nemen het agentschap en het Agentschap voor Natuur en Bos daarover samen een beslissing binnen zestig kalenderdagen, te rekenen vanaf de dag na de ontvangst van het verslag.
Het behandelende agentschap brengt de zakelijkrechthouder, de gebruiker of hun gevolmachtigde met een beveiligde zending op de hoogte van de beslissing, vermeld in het derde lid, met de vermelding van de redenen waarom en de manier waarop het beheer moet worden aangepast.
Het behandelende agentschap brengt ook de gemeente of gemeenten waarin het onroerend goed ligt en/of intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst of -diensten van die gemeente of gemeenten, op de hoogte van die beslissing.
Onderafdeling 9. - Aanpassingen
Art. 8.3.9. § 1. Een goedgekeurd geïntegreerd beheersplan kan op gemotiveerde vraag van de zakelijkrechthouder, de gebruiker of de gevolmachtigde aangepast worden.
§ 2. Het agentschap of het Agentschap voor Natuur en Bos kunnen de zakelijkrechthouder, de gebruiker of de gevolmachtigde verzoeken om een aanvraag tot aanpassing van het geïntegreerde beheersplan in te dienen, als de aanpassing van het goedgekeurd beheersplan wenselijk is in het kader van een optimaler beheer van de erfgoedwaarden van het gebied of met toepassing van artikel 12, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2017 betreffende de natuurbeheerplannen en de erkenning van natuurreservaten.
De zakelijkrechthouder, de gebruiker of de gevolmachtigde dient binnen een termijn van 180 kalenderdagen na het verzoek, vermeld in het eerste lid, een aanvraag tot aanpassing in bij het behandelende agentschap. Artikel 7, § 3, vierde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2017 betreffende de natuurbeheerplannen en de erkenning van natuurreservaten is hierop van overeenkomstige toepassing.
§ 3. De aanvraag tot aanpassing bevat de volgende elementen:
1° de identificatiegegevens van de zakelijkrechthouder, de gebruiker en/of de gevolmachtigde;
2° een volmacht;
3° de afbakening op het kadasterplan van het gebied waarvoor het beheersplan zou worden aangepast;
4° de motivering van de vraag tot aanpassing en een gecoördineerde versie van de aangepaste delen van het goedgekeurde beheersplan, met aanduiding van de aangepaste gegevens.
§ 4. De aanvraag tot aanpassing van een goedgekeurd geïntegreerd beheersplan wordt behandeld volgens de procedure, vermeld in de artikelen 8.3.5 en 8.3.6.
In afwijking van artikel 8.3.6., § 2 en 3, kan, na gemotiveerd verzoek en na akkoord van het behandelende agentschap, afgezien worden van de verplichte consultatie- en adviesronde, als de aanpassing alleen betrekking heeft op onroerend erfgoed of indien voldaan wordt aan de voorwaarden voor toepassing van de beperkte procedure als vermeld in artikel 12, § 4, derde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2017 betreffende de natuurbeheerplannen en de erkenning van natuurreservaten.
Tijdens de consultatie- en adviesronde kunnen alleen bezwaren, opmerkingen en adviezen worden ingediend die betrekking hebben op de te wijzigen gegevens.
De goedkeuring van de aanpassing van een geïntegreerd beheersplan geldt voor de resterende termijn van de oorspronkelijke looptijd van het beheersplan.
§ 5. Een geïntegreerd beheersplan voor een terrein dat ligt in een gebied waarvoor een managementplan Natura 2000 met toepassing van artikel 50septies van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, of een managementplan als vermeld in artikel 48 van hetzelfde decreet, van kracht wordt, en waarvoor wordt vastgesteld dat de aanpassing tot gevolg heeft dat de beheerdoelstellingen voor dat terrein wijzigen, moet worden gewijzigd. Die wijziging vindt uiterlijk plaats bij de eerstvolgende evaluatie van het geïntegreerd beheersplan, vermeld in artikel 8.3.8 van dit besluit.
Art. 8.3.10. De bepalingen met betrekking tot de opheffing en de overname van het beheer bij een natuurbeheerplan, vermeld in hoofdstuk 2, afdeling 6, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2017 betreffende de natuurbeheerplannen en de erkenning van natuurreservaten zijn van overeenkomstige toepassing op het geïntegreerde beheersplan.
Onderafdeling 10. - Beroepsprocedure
Art. 8.3.11. De zakelijkrechthouder, de gebruiker of de gevolmachtigde kan tegen de beslissingen, genomen met toepassing van deze onderafdeling, een georganiseerd administratief beroep instellen bij de Vlaamse Regering.
Een beroepschrift wordt met een beveiligde zending ingesteld binnen een termijn van dertig kalenderdagen, die ingaat op dag na de kennisgeving van de beslissing of, in geval van een stilzwijgende beslissing na het verstrijken van de uitgetrokken beslissingstermijn, vanaf de dag die volgt op het verstrijken van die termijn.
Het beroepschrift bestaat minstens uit een gemotiveerd verzoekschrift met vermelding van de datum en het referentienummer van de bestreden beslissing.
De Vlaamse Regering kan bij de Commissie en bij de adviesinstantie, vermeld in artikel 16undecies, § 2, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, over het beroep advies inwinnen. De Commissie en de adviesinstantie beschikken over een termijn van dertig kalenderdagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de adviesvraag, om over het beroep een advies uit te brengen. Als het advies niet tijdig wordt verleend, wordt aan de adviesvraag voorbijgegaan.
De Vlaamse Regering neemt een beslissing over het beroep binnen een termijn van zestig kalenderdagen, die ingaat de dag na de ontvangst van het beroepschrift. Als er geen beslissing wordt genomen binnen de toepasselijke vervaltermijn wordt, er van uitgegaan dat het beroep afgewezen is. De beslissing wordt onverwijld met een beveiligde zending aan de indiener van het beroep bezorgd.".
Art. 52. Dans le chapitre 8 du même arrêté, la section 3, insérée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 décembre 2015, est remplacée par ce qui suit :
" Section 3. - Plans de gestion intégrés
Sous-section 1re. - Donneur d'ordre
Art. 8.3.1. Si le titulaire du droit réel ou l'utilisateur pour un patrimoine immobilier ou un paysage patrimonial ou pour une partie qui constitue un ensemble à part, établit simultanément ou consécutivement un plan de gestion de patrimoine immobilier et un plan de gestion de la nature en application du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, les réalisations de tous les objectifs de gestion pour ce bien sont intégrées dans 1 plan de gestion. Un ou plusieurs titulaires du droit réel ou utilisateurs peuvent désigner un mandataire qui introduit une demande commune d'établissement d'un plan de gestion intégré en leur nom.
L'Agence de la Nature et des Forêts établit le projet d'un plan de gestion intégré pour un domaine naturel.
Sous-section 2. - Exploration
Art. 8.3.2. Avant de commencer l'établissement d'un plan de gestion intégré, le titulaire du droit réel, l'utilisateur ou le mandataire introduit une exploration auprès de l'agence ou auprès de l'Agence de la Nature et des Forêts.
L'exploration telle que visée à l'alinéa 1er comprend, outre les éléments visés à l'article 3, alinéa 1er, 1°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juillet 2017 relatif aux plans de gestion de la nature et à l'agrément de réserves naturelles, également les éléments suivants :
1° l'identification et la délimitation graphique du patrimoine immobilier ou paysage patrimonial ou de la partie qui constitue un ensemble à part, pour lequel/laquelle le plan de gestion nécessaire sera établi ;
2° une liste et une description de la valeur patrimoniale et des éléments patrimoniaux ;
3° une description succincte de la vision sur la gestion ;
4° lorsque le plan de gestion a trait à différents titulaires du droit réel ou utilisateurs, une proposition concernant la manière dont la participation à et la communication sur l'établissement du plan de gestion se déroulera.
Sous-section 3. - Recevabilité de l'exploration
Art. 8.3.3. L'agence traitante vérifie si l'exploration visée à l'article 8.3.2 est complète et envoie, dans un délai de trente jours calendaires après son introduction, par envoi sécurisé un accusé de réception contenant une déclaration de complétude. En cas de défauts, l'agence traitante renvoie le dossier dans un délai de trente jours calendaires moyennant mention des motifs d'incomplétude. L'agence traitante prend la décision relative à la complétude sur la base des éléments visés à l'article 4, alinéa 4, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juillet 2017 relatif aux plans de gestion de la nature et à l'agrément de réserves naturelles, et sur la base des éléments de l'article 8.3.2.
L'Agence de la Nature et des Forêts évalue l'exploration sur la base de la concordance du choix d'un des quatre types de terrains, visés à l'article 16ter, § 1er, du décret du 21 octobre 1997, avec les dispositions de l'article 16ter, § 2, l'article 16quater, l'article 16quinquies et l'article 16sexies du décret du 21 octobre 1997 et à l'aide des objectifs naturels, visés à l'annexe 3 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juillet 2017 relatif aux plans de gestion de la nature et à l'agrément de réserves naturelles, qui entrent en considération pour le type.
Dans un délai de soixante jours calendaires après la déclaration de complétude, visée à l'alinéa 1er, l'agence traitante prend une décision sur l'exploration. Elle transmet cette décision à l'auteur par envoi sécurisé.
Sous-section 4. - Etablissement
Art. 8.3.4. Le plan de gestion intégré comprend au moins les éléments tels que visés à l'article 8.1.4, § 1er, alinéas 1er et 2, ainsi que les parties visées à l'article 3, alinéa 1er, 2°, 3°, 4° et 5°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juillet 2017 relatif aux plans de gestion de la nature et à l'agrément de réserves naturelles.
La vision concernant la gestion, les objectifs de gestion et les directives, les mesures et les travaux doivent, le cas échéant, être conformes à la réglementation en vigueur.
Sous-section 5. - Introduction
Art. 8.3.5. Après que l'agence a pris une décision favorable sur l'exploration, visée à l'article 8.3.2 du présent arrêté, le projet d'un plan de gestion intégré, visé à l'article 8.3.4, est introduit auprès de l'agence traitante.
Le projet d'un plan de gestion intégré est introduit auprès de l'agence en quatre exemplaires papier et un exemplaire numérique, comprenant les données ou annexes visées à l'article 8.1.5.
Sous-section 6. - Procédure d'approbation
Art. 8.3.6. § 1er. Dans les trente jours calendaires après l'introduction du projet du plan de gestion intégré, l'agence traitante envoie à l'auteur par envoi sécurisé un accusé de réception contenant une déclaration de complétude. Si certains éléments, visés à l'article 8.3.4, font défaut, l'agence traitante renvoie par envoi sécurisé le projet de plan de gestion intégré, avec mention des motifs d'incomplétude.
§ 2. Si le projet du plan de gestion intégré concerne un terrain du type 2, 3 ou 4, tel que visé à l'article 16ter, § 1er, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, le projet doit pouvoir être consulté auprès de l'agence traitante, de l'auteur ou à un endroit à déterminer en commun par l'auteur et l'agence traitante, aux environs de la zone en question. L'auteur assure l'annonce de la consultation sur le projet de plan de gestion intégré dans les trente jours calendaires, qui commence le jour après la notification de l'accusé de réception, visée au paragraphe 2. L'annonce est publiée d'une des manières suivantes :
1° dans au moins un journal régional ;
2° par le biais des canaux d'information communaux ;
3° au moyen d'affichage clairement visible le long de la (des) voie(s) d'accès au terrain en question.
Le mode de publication tel que visé à l'alinéa 1er, est précisé dans l'exploration, visée à l'article 8.3.2 du présent arrêté.
L'annonce fera mention des éléments suivants :
1° l'emplacement et, le cas échéant, le nom de la zone à laquelle le projet de plan de gestion intégré a trait ;
2° le lieu où et les heures auxquelles le projet du plan de gestion intégré peut être consulté ;
3° la date de début et de fin de la période consultation. Cette période doit durer trente jours calendaires ;
4° la communication que, pendant la période visée au point 3°, des objections et observations peuvent être adressées à l'agence traitante.
§ 3. Après la notification de la déclaration de complétude, visée à l'article 8.3.6, § 1er, l'agence traitante soumet le projet du plan de gestion intégré à l'avis des instances et dans ces cas tels que visés à l'article 6, § 3, 1°, 2° et 4°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juillet 2017 relatif aux plans de gestion de la nature et à l'agrément de réserves naturelles.
Les avis sont rendus à l'agence traitante dans un délai de trente jours calendaires, qui prend cours le jour après la réception de la demande d'avis. Lorsque ce délai est dépassé, l'exigence d'avis peut être ignorée.
§ 4. Dans les sept jours calendaires après l'expiration de la période de consultation, visée au paragraphe 2, et du délai de trente jours calendaires, visé au paragraphe 3, alinéa 2, l'agence traitante transmet une copie des observations, objections et avis soumis à l'auteur du plan de gestion intégré.
L'auteur adapte le projet du plan de gestion intégré si nécessaire, et y ajoute un rapport de la phase de consultation et d'avis. Outre la preuve de l'annonce de la consultation, ce rapport contient également une mention de la manière dont et des raisons pour lesquelles il est tenu compte ou non des observations, objections et avis soumis.
L'auteur ne peut apporter des adaptations au projet de plan de gestion intégré que si elles sont basées sur ou résultent des observations, objections et avis soumis. Le projet adapté du plan de gestion intégré ne peut toutefois pas étendre la superficie de la zone à laquelle le plan a trait.
Le rapport de la phase de consultation et d'avis et le projet définitif du plan de gestion intégré sont introduits auprès de l'agence traitante dans les nonante jours calendaires après la réception des observations, des objections et des avis, visés à l'alinéa 1er.
§ 5. L'agence et l'Agence de la Nature et des Forêts décident conjointement de l'approbation dans un délai de nonante jours calendaires, qui commence le jour après la réception du rapport de la phase de consultation et d'avis et du projet du plan de gestion intégré. L'Agence de la Nature et des Forêts prend la décision sur la base des éléments visés à l'article 7, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juillet 2017 relatif aux plans de gestion de la nature et à l'agrément de réserves naturelles. A défaut de décision dans le délai prévu, le projet de plan de gestion intégré est censé être désapprouvé.
§ 6. L'agence traitante informe l'auteur par envoi sécurisé de la décision visée au paragraphe 5.
§ 7. Dans une décision d'approbation, des conditions peuvent être imposées quant à l'exécution et au suivi du plan de gestion intégré.
Si le plan de gestion intégré n'est pas approuvé, l'agence traitante informe l'auteur par envoi sécurisé de la décision motivée sur les parties du projet du plan de gestion intégré qui doivent être modifiées.
Un projet de plan de gestion intégré adapté peut être introduit auprès de l'agence traitante dans un délai de nonante jours, qui prend cours le jour après la réception de la notification visée à l'alinéa 2. En outre, une adaptation du plan de gestion est uniquement possible en ce qui concerne les modifications proposées et ne peut pas étendre la superficie de la zone à laquelle il a trait.
Si le plan de gestion adapté répond aux modifications proposées, l'agence et l'Agence de la Nature et des Forêts décident d'approuver le plan de gestion. Si le plan de gestion adapté ne répond pas aux modifications proposées, visées au paragraphe 7, alinéa 2, ou si aucun plan de gestion adapté n'est introduit dans le délai précité de nonante jours calendaires, l'agence traitante informe l'auteur par envoi sécurisé de la désapprobation. L'agence traitante informe également la commune ou les communes dans lesquelles se situe le bien immobilier, et/ou le(s) service(s) intercommunal du patrimoine immobilier de cette commune ou de ces communes, de la décision.
§ 8. Si le plan de gestion intégré concerne une zone qui comprend un domaine naturel, ou une zone contenant un domaine naturel d'une part et un ou plusieurs terrains privés ou publics gérés en faveur de la conservation de la nature d'autre part, la procédure d'approbation, visée aux paragraphes 2 à 7 inclus, s'applique par analogie, étant entendu toutefois que les décisions sont prises par l'agence et le Ministre, chargé de la conservation de la nature.
Sous-section 7. - Durée de validité
Art. 8.3.7. Le plan de gestion intégré a une durée de validité de vingt-quatre ans.
Sous-section 8. - Evaluation et suivi
Art. 8.3.8. Le titulaire du droit réel, l'utilisateur ou leur mandataire est chargé du suivi et transmet un rapport sur l'exécution du plan de gestion intégré à l'agence traitante.
A compter de la date d'approbation du plan de gestion intégré pour un terrain du type 2, 3 ou 4, tel que visé à l'article 16ter, § 1er, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, l'Agence de la Nature et des Forêts établit tous les six ans, sur la base du rapport visé à l'alinéa 1er, une évaluation de l'exécution du plan de gestion intégré.
Lorsqu'il ressort de l'évaluation que les mesures de gestion qui sont reprises dans le plan de gestion approuvé sont insuffisamment exécutées ou ne sont pas aptes à atteindre les objectifs de gestion, l'agence et l'Agence de la Nature et des Forêts prennent conjointement une décision à ce sujet dans un délai de soixante jours calendaires, qui prend cours le jour après la réception du rapport.
L'agence traitante informe le titulaire du droit réel, l'utilisateur ou leur mandataire par envoi sécurisé de la décision, visée à l'alinéa 3, avec mention des raisons pour lesquelles et de quelle manière la gestion doit être adaptée.
L'agence traitante informe également la commune ou les communes dans lesquelles se situe le bien immobilier, et/ou le(s) service(s) intercommunal du patrimoine immobilier de cette commune ou de ces communes, de la décision.
Sous-section 9. - Adaptations
Art. 8.3.9. § 1er. Un plan de gestion intégré approuvé peut être adapté à la demande motivée du titulaire du droit réel, de l'utilisateur ou du mandataire.
§ 2. L'agence ou l'Agence de la Nature et des Forêts peuvent inviter le titulaire du droit réel, l'utilisateur ou le mandataire à introduire une demande d'adaptation du plan de gestion intégré, si l'adaptation du plan de gestion approuvé est souhaitable dans le cadre d'une gestion plus optimale des valeurs patrimoniales de la zone ou en application de l'article 12, § 2, de l'Arrêté du Gouvernement flamand du 14 juillet 2017 relatif aux plans de gestion de la nature et à l'agrément de réserves naturelles.
Le titulaire du droit réel, l'utilisateur ou le mandataire introduit une demande d'adaptation auprès de l'agence traitante, dans un délai de 180 jours calendaires après la demande, visée à l'alinéa 1er. L'article 7, § 3, alinéa 4, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juillet 2017 relatif aux plans de gestion de la nature et à l'agrément de réserves naturelles s'applique par analogie.
§ 3. La demande d'adaptation comprend les éléments suivants :
1° les données d'identification du titulaire du droit réel, de l'utilisateur et/ou du mandataire ;
2° un mandat ;
3° la délimitation sur le plan cadastral de la zone pour laquelle le plan de gestion serait adapté ;
4° la motivation de la demande d'adaptation et une version coordonnée des parties adaptées du plan de gestion approuvé avec indication des données adaptées.
§ 4. La demande d'adaptation d'un plan de gestion intégré approuvé est traitée selon la procédure, visée aux articles 8.3.5 et 8.3.6.
Par dérogation à l'article 8.3.6, §§ 2 et 3, il peut être renoncé, après une demande motivée et après l'accord de l'agence traitante, à la phase de consultation et d'avis obligatoire, si l'adaptation ne concerne que du patrimoine immobilier ou s'il est satisfait aux conditions d'application de la procédure restreinte telle que visée à l'article 12, § 4, alinéa 3, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juillet 2017 relatif aux plans de gestion de la nature et à l'agrément de réserves naturelles.
Pendant la phase de consultation et d'avis, seuls des objections, observations et avis peuvent introduits qui concernent les données à modifier.
L'approbation de l'adaptation d'un plan de gestion intégré vaut pour le délai restant de la durée initiale du plan de gestion.
§ 5. Un plan de gestion intégré pour un terrain qui se situe dans une zone pour laquelle un plan de gestion Natura 2000, en application de l'article 50septies du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, ou un plan de gestion tel que visé à l'article 48 du même décret, entre en vigueur, et pour lequel il est arrêté que l'adaptation entraîne une modification des objectifs de gestion pour ce terrain, doit être modifié. Cette modification a lieu au plus tard lors de le prochaine évaluation du plan de gestion intégré, visée à l'article 8.3.8 du présent arrêté.
Art. 8.3.10. Les dispositions relatives à l'abrogation et à la reprise de la gestion d'un plan de gestion de la nature, visées au chapitre 2, section 6, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juillet 2017 relatif aux plans de gestion de la nature et à l'agrément de réserves naturelles, s'appliquent par analogie au plan de gestion intégré.
Sous-section 10. - Procédure de recours
Art. 8.3.11. Le titulaire du droit réel, l'utilisateur ou le mandataire peut introduire un recours administratif organisé auprès du Gouvernement flamand contre les décisions qui sont prises en application de la présente sous-section.
Un recours est introduit par envoi sécurisé dans un délai de trente jours calendaires qui prend cours le jour après la notification de la décision ou, en cas d'une décision tacite, après l'expiration du délai de décision fixé, à partir du jour qui suit l'expiration de ce délai.
Le recours comprend au moins une requête motivée avec mention de la date et du numéro de référence de la décision contestée.
Le Gouvernement flamand peut recueillir l'avis de la Commission et de l'instance consultative, visée à l'article 16undecies, § 2, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, concernant le recours. La Commission et l'instance consultative disposent d'un délai de trente jours calendaires, qui prend cours le jour après la réception de la demande d'avis, pour émettre un avis concernant le recours. Lorsque l'avis n'est pas rendu à temps, la demande d'avis est ignorée.
Le Gouvernement flamand prend une décision concernant le recours dans un délai de soixante jours calendaires, qui prend cours le jour après la réception du recours. Lorsqu'aucune décision n'est prise dans le délai d'échéance applicable, le recours est censé être rejeté. La décision est transmise sans délai à l'auteur du recours, par envoi sécurisé. ".
" Section 3. - Plans de gestion intégrés
Sous-section 1re. - Donneur d'ordre
Art. 8.3.1. Si le titulaire du droit réel ou l'utilisateur pour un patrimoine immobilier ou un paysage patrimonial ou pour une partie qui constitue un ensemble à part, établit simultanément ou consécutivement un plan de gestion de patrimoine immobilier et un plan de gestion de la nature en application du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, les réalisations de tous les objectifs de gestion pour ce bien sont intégrées dans 1 plan de gestion. Un ou plusieurs titulaires du droit réel ou utilisateurs peuvent désigner un mandataire qui introduit une demande commune d'établissement d'un plan de gestion intégré en leur nom.
L'Agence de la Nature et des Forêts établit le projet d'un plan de gestion intégré pour un domaine naturel.
Sous-section 2. - Exploration
Art. 8.3.2. Avant de commencer l'établissement d'un plan de gestion intégré, le titulaire du droit réel, l'utilisateur ou le mandataire introduit une exploration auprès de l'agence ou auprès de l'Agence de la Nature et des Forêts.
L'exploration telle que visée à l'alinéa 1er comprend, outre les éléments visés à l'article 3, alinéa 1er, 1°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juillet 2017 relatif aux plans de gestion de la nature et à l'agrément de réserves naturelles, également les éléments suivants :
1° l'identification et la délimitation graphique du patrimoine immobilier ou paysage patrimonial ou de la partie qui constitue un ensemble à part, pour lequel/laquelle le plan de gestion nécessaire sera établi ;
2° une liste et une description de la valeur patrimoniale et des éléments patrimoniaux ;
3° une description succincte de la vision sur la gestion ;
4° lorsque le plan de gestion a trait à différents titulaires du droit réel ou utilisateurs, une proposition concernant la manière dont la participation à et la communication sur l'établissement du plan de gestion se déroulera.
Sous-section 3. - Recevabilité de l'exploration
Art. 8.3.3. L'agence traitante vérifie si l'exploration visée à l'article 8.3.2 est complète et envoie, dans un délai de trente jours calendaires après son introduction, par envoi sécurisé un accusé de réception contenant une déclaration de complétude. En cas de défauts, l'agence traitante renvoie le dossier dans un délai de trente jours calendaires moyennant mention des motifs d'incomplétude. L'agence traitante prend la décision relative à la complétude sur la base des éléments visés à l'article 4, alinéa 4, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juillet 2017 relatif aux plans de gestion de la nature et à l'agrément de réserves naturelles, et sur la base des éléments de l'article 8.3.2.
L'Agence de la Nature et des Forêts évalue l'exploration sur la base de la concordance du choix d'un des quatre types de terrains, visés à l'article 16ter, § 1er, du décret du 21 octobre 1997, avec les dispositions de l'article 16ter, § 2, l'article 16quater, l'article 16quinquies et l'article 16sexies du décret du 21 octobre 1997 et à l'aide des objectifs naturels, visés à l'annexe 3 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juillet 2017 relatif aux plans de gestion de la nature et à l'agrément de réserves naturelles, qui entrent en considération pour le type.
Dans un délai de soixante jours calendaires après la déclaration de complétude, visée à l'alinéa 1er, l'agence traitante prend une décision sur l'exploration. Elle transmet cette décision à l'auteur par envoi sécurisé.
Sous-section 4. - Etablissement
Art. 8.3.4. Le plan de gestion intégré comprend au moins les éléments tels que visés à l'article 8.1.4, § 1er, alinéas 1er et 2, ainsi que les parties visées à l'article 3, alinéa 1er, 2°, 3°, 4° et 5°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juillet 2017 relatif aux plans de gestion de la nature et à l'agrément de réserves naturelles.
La vision concernant la gestion, les objectifs de gestion et les directives, les mesures et les travaux doivent, le cas échéant, être conformes à la réglementation en vigueur.
Sous-section 5. - Introduction
Art. 8.3.5. Après que l'agence a pris une décision favorable sur l'exploration, visée à l'article 8.3.2 du présent arrêté, le projet d'un plan de gestion intégré, visé à l'article 8.3.4, est introduit auprès de l'agence traitante.
Le projet d'un plan de gestion intégré est introduit auprès de l'agence en quatre exemplaires papier et un exemplaire numérique, comprenant les données ou annexes visées à l'article 8.1.5.
Sous-section 6. - Procédure d'approbation
Art. 8.3.6. § 1er. Dans les trente jours calendaires après l'introduction du projet du plan de gestion intégré, l'agence traitante envoie à l'auteur par envoi sécurisé un accusé de réception contenant une déclaration de complétude. Si certains éléments, visés à l'article 8.3.4, font défaut, l'agence traitante renvoie par envoi sécurisé le projet de plan de gestion intégré, avec mention des motifs d'incomplétude.
§ 2. Si le projet du plan de gestion intégré concerne un terrain du type 2, 3 ou 4, tel que visé à l'article 16ter, § 1er, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, le projet doit pouvoir être consulté auprès de l'agence traitante, de l'auteur ou à un endroit à déterminer en commun par l'auteur et l'agence traitante, aux environs de la zone en question. L'auteur assure l'annonce de la consultation sur le projet de plan de gestion intégré dans les trente jours calendaires, qui commence le jour après la notification de l'accusé de réception, visée au paragraphe 2. L'annonce est publiée d'une des manières suivantes :
1° dans au moins un journal régional ;
2° par le biais des canaux d'information communaux ;
3° au moyen d'affichage clairement visible le long de la (des) voie(s) d'accès au terrain en question.
Le mode de publication tel que visé à l'alinéa 1er, est précisé dans l'exploration, visée à l'article 8.3.2 du présent arrêté.
L'annonce fera mention des éléments suivants :
1° l'emplacement et, le cas échéant, le nom de la zone à laquelle le projet de plan de gestion intégré a trait ;
2° le lieu où et les heures auxquelles le projet du plan de gestion intégré peut être consulté ;
3° la date de début et de fin de la période consultation. Cette période doit durer trente jours calendaires ;
4° la communication que, pendant la période visée au point 3°, des objections et observations peuvent être adressées à l'agence traitante.
§ 3. Après la notification de la déclaration de complétude, visée à l'article 8.3.6, § 1er, l'agence traitante soumet le projet du plan de gestion intégré à l'avis des instances et dans ces cas tels que visés à l'article 6, § 3, 1°, 2° et 4°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juillet 2017 relatif aux plans de gestion de la nature et à l'agrément de réserves naturelles.
Les avis sont rendus à l'agence traitante dans un délai de trente jours calendaires, qui prend cours le jour après la réception de la demande d'avis. Lorsque ce délai est dépassé, l'exigence d'avis peut être ignorée.
§ 4. Dans les sept jours calendaires après l'expiration de la période de consultation, visée au paragraphe 2, et du délai de trente jours calendaires, visé au paragraphe 3, alinéa 2, l'agence traitante transmet une copie des observations, objections et avis soumis à l'auteur du plan de gestion intégré.
L'auteur adapte le projet du plan de gestion intégré si nécessaire, et y ajoute un rapport de la phase de consultation et d'avis. Outre la preuve de l'annonce de la consultation, ce rapport contient également une mention de la manière dont et des raisons pour lesquelles il est tenu compte ou non des observations, objections et avis soumis.
L'auteur ne peut apporter des adaptations au projet de plan de gestion intégré que si elles sont basées sur ou résultent des observations, objections et avis soumis. Le projet adapté du plan de gestion intégré ne peut toutefois pas étendre la superficie de la zone à laquelle le plan a trait.
Le rapport de la phase de consultation et d'avis et le projet définitif du plan de gestion intégré sont introduits auprès de l'agence traitante dans les nonante jours calendaires après la réception des observations, des objections et des avis, visés à l'alinéa 1er.
§ 5. L'agence et l'Agence de la Nature et des Forêts décident conjointement de l'approbation dans un délai de nonante jours calendaires, qui commence le jour après la réception du rapport de la phase de consultation et d'avis et du projet du plan de gestion intégré. L'Agence de la Nature et des Forêts prend la décision sur la base des éléments visés à l'article 7, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juillet 2017 relatif aux plans de gestion de la nature et à l'agrément de réserves naturelles. A défaut de décision dans le délai prévu, le projet de plan de gestion intégré est censé être désapprouvé.
§ 6. L'agence traitante informe l'auteur par envoi sécurisé de la décision visée au paragraphe 5.
§ 7. Dans une décision d'approbation, des conditions peuvent être imposées quant à l'exécution et au suivi du plan de gestion intégré.
Si le plan de gestion intégré n'est pas approuvé, l'agence traitante informe l'auteur par envoi sécurisé de la décision motivée sur les parties du projet du plan de gestion intégré qui doivent être modifiées.
Un projet de plan de gestion intégré adapté peut être introduit auprès de l'agence traitante dans un délai de nonante jours, qui prend cours le jour après la réception de la notification visée à l'alinéa 2. En outre, une adaptation du plan de gestion est uniquement possible en ce qui concerne les modifications proposées et ne peut pas étendre la superficie de la zone à laquelle il a trait.
Si le plan de gestion adapté répond aux modifications proposées, l'agence et l'Agence de la Nature et des Forêts décident d'approuver le plan de gestion. Si le plan de gestion adapté ne répond pas aux modifications proposées, visées au paragraphe 7, alinéa 2, ou si aucun plan de gestion adapté n'est introduit dans le délai précité de nonante jours calendaires, l'agence traitante informe l'auteur par envoi sécurisé de la désapprobation. L'agence traitante informe également la commune ou les communes dans lesquelles se situe le bien immobilier, et/ou le(s) service(s) intercommunal du patrimoine immobilier de cette commune ou de ces communes, de la décision.
§ 8. Si le plan de gestion intégré concerne une zone qui comprend un domaine naturel, ou une zone contenant un domaine naturel d'une part et un ou plusieurs terrains privés ou publics gérés en faveur de la conservation de la nature d'autre part, la procédure d'approbation, visée aux paragraphes 2 à 7 inclus, s'applique par analogie, étant entendu toutefois que les décisions sont prises par l'agence et le Ministre, chargé de la conservation de la nature.
Sous-section 7. - Durée de validité
Art. 8.3.7. Le plan de gestion intégré a une durée de validité de vingt-quatre ans.
Sous-section 8. - Evaluation et suivi
Art. 8.3.8. Le titulaire du droit réel, l'utilisateur ou leur mandataire est chargé du suivi et transmet un rapport sur l'exécution du plan de gestion intégré à l'agence traitante.
A compter de la date d'approbation du plan de gestion intégré pour un terrain du type 2, 3 ou 4, tel que visé à l'article 16ter, § 1er, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, l'Agence de la Nature et des Forêts établit tous les six ans, sur la base du rapport visé à l'alinéa 1er, une évaluation de l'exécution du plan de gestion intégré.
Lorsqu'il ressort de l'évaluation que les mesures de gestion qui sont reprises dans le plan de gestion approuvé sont insuffisamment exécutées ou ne sont pas aptes à atteindre les objectifs de gestion, l'agence et l'Agence de la Nature et des Forêts prennent conjointement une décision à ce sujet dans un délai de soixante jours calendaires, qui prend cours le jour après la réception du rapport.
L'agence traitante informe le titulaire du droit réel, l'utilisateur ou leur mandataire par envoi sécurisé de la décision, visée à l'alinéa 3, avec mention des raisons pour lesquelles et de quelle manière la gestion doit être adaptée.
L'agence traitante informe également la commune ou les communes dans lesquelles se situe le bien immobilier, et/ou le(s) service(s) intercommunal du patrimoine immobilier de cette commune ou de ces communes, de la décision.
Sous-section 9. - Adaptations
Art. 8.3.9. § 1er. Un plan de gestion intégré approuvé peut être adapté à la demande motivée du titulaire du droit réel, de l'utilisateur ou du mandataire.
§ 2. L'agence ou l'Agence de la Nature et des Forêts peuvent inviter le titulaire du droit réel, l'utilisateur ou le mandataire à introduire une demande d'adaptation du plan de gestion intégré, si l'adaptation du plan de gestion approuvé est souhaitable dans le cadre d'une gestion plus optimale des valeurs patrimoniales de la zone ou en application de l'article 12, § 2, de l'Arrêté du Gouvernement flamand du 14 juillet 2017 relatif aux plans de gestion de la nature et à l'agrément de réserves naturelles.
Le titulaire du droit réel, l'utilisateur ou le mandataire introduit une demande d'adaptation auprès de l'agence traitante, dans un délai de 180 jours calendaires après la demande, visée à l'alinéa 1er. L'article 7, § 3, alinéa 4, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juillet 2017 relatif aux plans de gestion de la nature et à l'agrément de réserves naturelles s'applique par analogie.
§ 3. La demande d'adaptation comprend les éléments suivants :
1° les données d'identification du titulaire du droit réel, de l'utilisateur et/ou du mandataire ;
2° un mandat ;
3° la délimitation sur le plan cadastral de la zone pour laquelle le plan de gestion serait adapté ;
4° la motivation de la demande d'adaptation et une version coordonnée des parties adaptées du plan de gestion approuvé avec indication des données adaptées.
§ 4. La demande d'adaptation d'un plan de gestion intégré approuvé est traitée selon la procédure, visée aux articles 8.3.5 et 8.3.6.
Par dérogation à l'article 8.3.6, §§ 2 et 3, il peut être renoncé, après une demande motivée et après l'accord de l'agence traitante, à la phase de consultation et d'avis obligatoire, si l'adaptation ne concerne que du patrimoine immobilier ou s'il est satisfait aux conditions d'application de la procédure restreinte telle que visée à l'article 12, § 4, alinéa 3, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juillet 2017 relatif aux plans de gestion de la nature et à l'agrément de réserves naturelles.
Pendant la phase de consultation et d'avis, seuls des objections, observations et avis peuvent introduits qui concernent les données à modifier.
L'approbation de l'adaptation d'un plan de gestion intégré vaut pour le délai restant de la durée initiale du plan de gestion.
§ 5. Un plan de gestion intégré pour un terrain qui se situe dans une zone pour laquelle un plan de gestion Natura 2000, en application de l'article 50septies du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, ou un plan de gestion tel que visé à l'article 48 du même décret, entre en vigueur, et pour lequel il est arrêté que l'adaptation entraîne une modification des objectifs de gestion pour ce terrain, doit être modifié. Cette modification a lieu au plus tard lors de le prochaine évaluation du plan de gestion intégré, visée à l'article 8.3.8 du présent arrêté.
Art. 8.3.10. Les dispositions relatives à l'abrogation et à la reprise de la gestion d'un plan de gestion de la nature, visées au chapitre 2, section 6, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juillet 2017 relatif aux plans de gestion de la nature et à l'agrément de réserves naturelles, s'appliquent par analogie au plan de gestion intégré.
Sous-section 10. - Procédure de recours
Art. 8.3.11. Le titulaire du droit réel, l'utilisateur ou le mandataire peut introduire un recours administratif organisé auprès du Gouvernement flamand contre les décisions qui sont prises en application de la présente sous-section.
Un recours est introduit par envoi sécurisé dans un délai de trente jours calendaires qui prend cours le jour après la notification de la décision ou, en cas d'une décision tacite, après l'expiration du délai de décision fixé, à partir du jour qui suit l'expiration de ce délai.
Le recours comprend au moins une requête motivée avec mention de la date et du numéro de référence de la décision contestée.
Le Gouvernement flamand peut recueillir l'avis de la Commission et de l'instance consultative, visée à l'article 16undecies, § 2, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, concernant le recours. La Commission et l'instance consultative disposent d'un délai de trente jours calendaires, qui prend cours le jour après la réception de la demande d'avis, pour émettre un avis concernant le recours. Lorsque l'avis n'est pas rendu à temps, la demande d'avis est ignorée.
Le Gouvernement flamand prend une décision concernant le recours dans un délai de soixante jours calendaires, qui prend cours le jour après la réception du recours. Lorsqu'aucune décision n'est prise dans le délai d'échéance applicable, le recours est censé être rejeté. La décision est transmise sans délai à l'auteur du recours, par envoi sécurisé. ".
Afdeling 4. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 1983 houdende sommige maatregelen tot harmonisatie van de werking en van de presentiegelden en vergoedingen van adviesorganen
Section 4. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 1983 portant certaines mesures en vue d'harmoniser le fonctionnement, les jetons de présence et les indemnités des organes consultatifs
Art. 53. In de bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 1983 houdende sommige maatregelen tot harmonisatie van de werking en van de presentiegelden en vergoedingen van adviesorganen, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 juli 2013, wordt aan punt 7 de volgende bepaling toegevoegd:
"- de adviesinstantie, vermeld in artikel 16decies, § 1 en § 2, en artikel 16undecies, § 2, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;".
"- de adviesinstantie, vermeld in artikel 16decies, § 1 en § 2, en artikel 16undecies, § 2, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;".
Art. 53. Le point 7 de l'annexe à l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 1983 portant certaines mesures en vue d'harmoniser le fonctionnement, les jetons de présence et les indemnités aux organes consultatifs, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 juillet 2013, est complété par la disposition suivante :
" - l'instance consultative, visée à l'article 16decies, §§ 1er, 2 et l'article 16undecies, § 2, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ; ".
" - l'instance consultative, visée à l'article 16decies, §§ 1er, 2 et l'article 16undecies, § 2, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ; ".
Afdeling 5. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 tot bepaling van handelingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is
Section 5. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 juillet 2010 portant détermination des actes qui ne requièrent pas d'autorisation urbanistique
Art. 54. In artikel 6.2, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 tot bepaling van handelingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is, wordt een punt 11° toegevoegd, dat luidt als volgt: "11° een goedgekeurd natuurbeheerplan op basis van artikel 16octies van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.".
Art. 54. L'article 6.2, alinéa 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 juillet 2010 portant détermination des actes qui ne requièrent pas d'autorisation urbanistique, est complété par un point 11°, rédigé comme suit : " 11° un plan de gestion de la nature approuvé sur la base de l'article 16octies du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel. ".
HOOFDSTUK 5. - Slotbepalingen
CHAPITRE 5. - Dispositions finales
Art. 55. De volgende regelingen worden opgeheven:
1° het besluit van de Vlaamse Regering van 28 februari 2003 betreffende de natuurrichtplannen;
2° het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juni 2003 betreffende de beheerplannen van bossen, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008 en 10 juni 2011;
1° het besluit van de Vlaamse Regering van 28 februari 2003 betreffende de natuurrichtplannen;
2° het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juni 2003 betreffende de beheerplannen van bossen, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008 en 10 juni 2011;
Art. 55. Les réglementations suivantes sont abrogées :
1° l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 février 2003 relatif aux plans directeurs de la nature ;
2° l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 juin 2003 relatif aux plans de gestion des bois, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 7 mars 2008 et 10 juin 2011 ;
1° l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 février 2003 relatif aux plans directeurs de la nature ;
2° l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 juin 2003 relatif aux plans de gestion des bois, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 7 mars 2008 et 10 juin 2011 ;
Art. 56. Het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juni 2003 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van natuurreservaten en van terreinbeherende natuurverenigingen en houdende toekenning van subsidies blijft van toepassing op de aanvragen voor de erkenning van een terrein als natuurreservaat die werden ingediend maar nog niet afgehandeld vóór de inwerkingtreding van dit besluit. De minister neemt binnen twee jaren na de inwerkingtreding van dit besluit een actieve beslissing als vermeld in artikel 10 van voormeld besluit.
Het besluit van de Vlaamse Regering van 20 januari 1993 tot vaststelling van regelen betreffende de aanwijzing of erkenning en het beheer van de bosreservaten blijft van toepassing op de aanvragen voor de erkenning van een bos als bosreservaat die werden ingediend maar nog niet afgehandeld vóór de inwerkingtreding van dit besluit.
Het besluit van de Vlaamse Regering van 20 januari 1993 tot vaststelling van regelen betreffende de aanwijzing of erkenning en het beheer van de bosreservaten blijft van toepassing op de aanvragen voor de erkenning van een bos als bosreservaat die werden ingediend maar nog niet afgehandeld vóór de inwerkingtreding van dit besluit.
Art. 56. L'arrêté du Gouvernement flamand du 27 juin 2003 fixant les conditions d'agrément de réserves naturelles et d'associations de défense de la nature gérant des terrains et portant l'octroi de subventions, reste d'application aux demandes d'agrément d'un terrain comme réserve naturelle qui ont été introduites mais qui n'ont pas encore été traitées avant l'entrée en vigueur du présent arrêté. Dans les deux ans après l'entrée en vigueur du présent arrêté, le Ministre prend une décision active, telle que visée à l'article 10 de l'arrêté précité.
L'arrêté du Gouvernement flamand du 20 janvier 1993 réglementant la désignation ou l'agrément et la gestion des réserves forestières reste d'application aux demandes d'agrément d'un bois comme réserve forestière qui ont été introduites mais qui n'ont pas encore été traitées avant l'entrée en vigueur du présent arrêté.
L'arrêté du Gouvernement flamand du 20 janvier 1993 réglementant la désignation ou l'agrément et la gestion des réserves forestières reste d'application aux demandes d'agrément d'un bois comme réserve forestière qui ont été introduites mais qui n'ont pas encore été traitées avant l'entrée en vigueur du présent arrêté.
Art. 57. § 1. Het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juni 2003 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van natuurreservaten en van terreinbeherende natuurverenigingen en houdende toekenning van subsidies blijft van toepassing op de beheerplannen voor natuurreservaten die werden ingediend maar nog niet afgehandeld vóór de inwerkingtreding van dit besluit.
Het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juni 2003 betreffende de beheerplannen van bossen blijft van toepassing op de beheerplannen voor bossen die werden ingediend maar nog niet afgehandeld vóór de inwerkingtreding van dit besluit.
§ 2. De indiener van een beheerplan als vermeld in paragraaf 1 heeft de mogelijkheid om het beheerplan dat hij al heeft ingediend, te herroepen met het oog op herindiening als een natuurbeheerplan overeenkomstig de bepalingen, vermeld in hoofdstuk 2, van dit besluit.
Het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juni 2003 betreffende de beheerplannen van bossen blijft van toepassing op de beheerplannen voor bossen die werden ingediend maar nog niet afgehandeld vóór de inwerkingtreding van dit besluit.
§ 2. De indiener van een beheerplan als vermeld in paragraaf 1 heeft de mogelijkheid om het beheerplan dat hij al heeft ingediend, te herroepen met het oog op herindiening als een natuurbeheerplan overeenkomstig de bepalingen, vermeld in hoofdstuk 2, van dit besluit.
Art. 57. § 1er. L'arrêté du Gouvernement flamand du 27 juin 2003 fixant les conditions d'agrément de réserves naturelles et d'associations de défense de la nature gérant des terrains et portant l'octroi de subventions, reste d'application aux plans de gestion pour des réserves naturelles qui ont été introduits mais qui n'ont pas encore été traités avant l'entrée en vigueur du présent arrêté.
L'arrêté du Gouvernement flamand du 27 juin 2003 relatif aux plans de gestion des bois reste d'application aux plans de gestion pour des bois, qui ont été introduits mais qui n'ont pas encore été traités avant l'entrée en vigueur du présent arrêté.
§ 2. L'auteur d'un plan de gestion tel que visé au paragraphe 1er a la possibilité de révoquer le plan de gestion qu'il a déjà introduit, en vue de la réintroduction comme un plan de gestion de la nature conformément aux dispositions visées au chapitre 2 du présent arrêté.
L'arrêté du Gouvernement flamand du 27 juin 2003 relatif aux plans de gestion des bois reste d'application aux plans de gestion pour des bois, qui ont été introduits mais qui n'ont pas encore été traités avant l'entrée en vigueur du présent arrêté.
§ 2. L'auteur d'un plan de gestion tel que visé au paragraphe 1er a la possibilité de révoquer le plan de gestion qu'il a déjà introduit, en vue de la réintroduction comme un plan de gestion de la nature conformément aux dispositions visées au chapitre 2 du présent arrêté.
Art. 58. De Vlaamse minister, bevoegd voor de landinrichting en het natuurbehoud, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 58. Le Ministre flamand, ayant la rénovation rurale et la conservation de la nature dans ses attributions, est chargé de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage 1. - Gegevens die moeten worden opgenomen in de verschillende delen van een natuurbeheerplan als vermeld in artikel 3, tweede lid
Hieronder worden de gegevens vermeld die moeten worden opgenomen in elk van de vijf delen van een natuurbeheerplan.
Deel 1. - Verkenning
HOOFDSTUK 1. - Algemene beschrijving In dit hoofdstuk wordt een algemene beschrijving gegeven, die ten minste de volgende informatie bevat:
1° de deelnemende beheerder of beheerders: eigendom, zakelijke en persoonlijke rechten, en kadastrale gegevens van de percelen in beheer;
2° de indiener van het beheerplan: naam, adres en contactgegevens;
3° de situering en identificatie van het terrein:
a) topokaart met situering van het terrein;
b) kaart met de bestemming volgens het geldende plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan;
c) kaart met de ligging in gebieden met een beschermingsstatuut volgens nationale en internationale wetgeving;
d) kaart met de ligging volgens de biologische waarderingskaart die is opgesteld door het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek;
e) bodemkaart met situering van het terrein.
HOOFDSTUK 2. - Bespreking van de drie functies van het terrein In dit hoofdstuk wordt een oplijsting gegeven van de bekende sterktes, zwaktes, opportuniteiten en bedreigingen voor de ecologische, de economische en de sociale functie. In dat opzicht wordt elke functie besproken vanuit de volgende invalshoeken:
1° de huidige toestand;
2° de beschermingsstatuten die van toepassing zijn en de gevolgen ervan voor het beheer van het terrein in relatie met de omgeving;
3° de potenties van het terrein;
4° de visie van de beheerder of beheerders.
HOOFDSTUK 3. - Globaal kader Het globale kader beschrijft op hoofdlijnen de volgende aspecten:
1° de invulling van de drie functies van het terrein en de differentiatie ervan over het terrein;
2° de gewenste natuurstreefbeelden en/ of doelen voor soorten die men op lange termijn voor het terrein wil bereiken. Daarbij gebeurt een toetsing aan de instandhoudingsdoelstellingen en, voor zover dat van toepassing is, aan het managementplan Natura 2000, het managementplan, vermeld in artikel 48 van het decreet van 21 oktober 1997, het natuurrichtplan, het soortenbeschermingsprogramma en een beheerregeling als vermeld in artikel 28 van het Soortenbesluit van 15 mei 2009;
3° het ambitieniveau voor de realisatie van de beheerdoelstellingen van de ecologische functie (type een, type twee, type drie of type vier) en al dan niet het voornemen om voor het terrein of een gedeelte ervan de erkenning als natuurreservaat aan te vragen;
4° in voorkomend geval: de doelstellingen in het kader van het beschermingsstatuut overeenkomstig het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.
Het globale kader kan opgesteld worden voor een ruimer gebied dan de effectief deelnemende percelen in eigendom of beheer, als dat nuttig is voor een betere ecologische onderbouwing van de gemaakte keuzen. Bij het globaal kader voor een natuurbeheerplan voor een terrein van type vier kan een gebied worden afgebakend dat ruimer is dan de effectief deelnemende percelen in eigendom of beheer.
HOOFDSTUK 4. - Werkplan inventarisatie In dit hoofdstuk wordt een omschrijving en motivering gegeven van de uit te voeren inventarisatie van de aanwezige natuurwaarden. Daarvoor gelden de volgende regels:
1° het terrein moet worden ingedeeld in beheereenheden en per beheereenheid wordt een standaardfiche ingevuld;
2° als de standaardfiche, vermeld in punt 1°, onvoldoende informatie bevat om de beheerdoelstellingen te kunnen formuleren, is een bijkomende inventarisatie nodig voor bepaalde beheereenheden, vegetaties of indicatoren. In dat geval moet de daarbij te volgen methode worden vastgesteld.
De inventarisatie zelf wordt pas uitgevoerd na de goedkeuring van deel 1 van het natuurbeheerplan. De resultaten van de inventarisatie worden opgenomen in deel 2. Inventaris.
HOOFDSTUK 5. - Bekendmaking consultatie In dit hoofdstuk wordt de wijze van bekendmaking van de aankondiging, vermeld in artikel 6, § 2, van het besluit gespecifieerd.
Deel 2. - Inventaris
HOOFDSTUK 1. - Standaardfiches 1° een overzichtskaart van de indeling van het terrein in beheereenheden;
2° per beheereenheid een standaardfiche voor bos, voor open vegetatietype of voor andere terreintypes. De standaardfiche omvat gegevens over standplaats, vegetatie, type bos, soorten, cultuurhistorische elementen en milieu.
HOOFDSTUK 2. - Specifieke inventarisatie 1° het resultaat van de bijkomende inventarisatie, vermeld in deel 1, hoofdstuk 4, 2°, van deze bijlage;
2° de bespreking van de vermelde inventarisatie, vermeld in punt 1° ;
3° een kaart met aanduiding van de staat van instandhouding van de aanwezige Europees te beschermen habitats en regionaal belangrijke biotopen.
Deel 3. - Beheerdoelstellingen
HOOFDSTUK 1. - Beheervisie Het globale kader, beschreven in deel 1, kan overgenomen worden of wordt verfijnd op basis van deel 2 en op basis van de resultaten van verder overleg.
HOOFDSTUK 2. - Beheerdoelstellingen Voor elk van de drie functies worden de beheerdoelstellingen geformuleerd aan de hand van de onder vermelde parameters, als een uitwerking van het globale kader naar concrete, meetbare doelen die men binnen de planperiode van het beheerplan wil realiseren. De beheerdoelstellingen worden ruimtelijk toegewezen binnen het terrein in kwestie. Beheerdoelstellingen worden alleen uitgeschreven voor de effectief deelnemende percelen in eigendom of beheer, niet voor een ruimer gebied.
Meer bepaald worden voor de drie functies de volgende parameters opgenomen:
1° voor de ecologische functie:
a) een kaart met aanduiding van de zones waar een natuurstreefbeeld tot doel gesteld wordt en oppervlaktegegevens per natuurstreefbeeld;
b) in voorkomend geval de instandhoudingsdoelstellingen, en dan met name waar en over welke oppervlakte welke instandhoudingsdoelstellingen zullen worden gerealiseerd;
c) een bosbalans: waar en over welke oppervlakte worden er ontbossingen of bebossingen gepland en, voor zover dat van toepassing is, een vermelding dat er ontbost of bebost zal worden in functie van de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen en een motivering voor deze stelling.
2° voor de economische functie:
a) productie en verkoop van vermarktbare natuurlijke producten: hout, biomassa, wild, enzovoort;
b) overige inkomsten, zoals bijvoorbeeld concessies, gebruiksrechten en jachtrechten.
3° voor de sociale functie:
a) vermelding van de aard van toegankelijkheid:
i. principiële toegankelijkheid: toegankelijk voor voetgangers op de openbare en de private wegen;
ii. verwijzing naar een toegankelijkheidsregeling: onder meer bij toelating voor andere categorieën van weggebruikers of toestemming om de wegen te verlaten;
iii. ontoegankelijk: als in een openbaar terrein gekozen wordt voor het ontoegankelijk maken van wegen wordt een motivatie gegeven waarom dat gebeurt, met verwijzing naar één of meer van de in aanmerking komende gevallen, vermeld in artikel 12septies, § 2, derde lid van het decreet. Voor terreinen van type twee, drie of vier wordt omschreven op welke manier invulling gegeven zal worden aan het principe van minimale toegankelijkheid, vermeld in artikel 12septies, § 2, vijfde lid, van het decreet van 21 oktober 1997;
b) als het terrein toegankelijk is, en voor zover van toepassing: vermelding of er een subsidie voor openstelling zal aangevraagd worden en voor welke wegen en/of zones;
c) onroerend erfgoed: als het terrein een beschermd statuut heeft overeenkomstig het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, of als erfgoedlandschap opgenomen werd in een ruimtelijk uitvoeringsplan, wordt vermeld welke specifieke doelen daarover worden opgenomen;
d) indien voor het terrein specifieke wetenschappelijke doelen worden vooropgesteld worden deze hier opgenomen.
Deel 4. - Beheermaatregelen
HOOFDSTUK 1. - Eenmalige maatregelen Een omschrijving van de maatregelen per beheereenheid, vegetatietype of per type maatregel, met vermelding van de volgende gegevens met betrekking tot elke maatregel:
1° plaats;
2° tijdstip;
3° op welke wijze invulling wordt gegeven aan de zorgplicht
4° voor zover van toepassing:
a) de vermelding dat de maatregel in het kader van de realisatie van instandhoudingsdoelen genomen wordt;
b) de vermelding dat voor de maatregel via de goedkeuring van het natuurbeheerplan ook een vergunning, vrijstelling of ontheffing op de natuurregelgeving of van de stedenbouwkundige vergunningsplicht gevraagd wordt, of dat naast een beheerplan een aparte vergunning nodig is;
c) de vermelding dat er voor de maatregel een investeringssubsidie zal aangevraagd worden.
Eenmalige maatregelen die specifiek voor het herstel van cultuurhistorische elementen worden genomen, worden afzonderlijk opgesomd.
HOOFDSTUK 2. - Terugkerende maatregelen Een omschrijving van de maatregelen per beheereenheid, per vegetatietype of per type maatregel, met vermelding van de volgende gegevens met betrekking tot elke maatregel:
1° plaats;
2° tijdstip en/of frequentie;
3° op welke wijze invulling wordt gegeven aan de naleving van de zorgplicht;
4° voor zover van toepassing: de vermelding dat voor de maatregel via de goedkeuring van het natuurbeheerplan ook een vergunning, vrijstelling of ontheffing op de natuurregelgeving of van de stedenbouwkundige vergunningsplicht gevraagd wordt of dat naast een beheerplan een aparte vergunning nodig is;
5° indien van toepassing : de vermelding dat er voor de maatregel een subsidie voor instandhoudingsbeheer of herstelbeheer zal aangevraagd worden.
Deel 5. - Opvolging De opvolging heeft in eerste instantie betrekking op de mate waarin de beoogde natuurstreefbeelden worden bereikt, en in tweede instantie op de mate waarin de beheer- en inrichtingsmaatregelen worden uitgevoerd.
HOOFDSTUK 1. - Opvolging van de beheerdoelstellingen Een opsomming van de doelstellingen en, voor zover dat van toepassing is, de indicatoren die opgevolgd zullen worden, met aanduiding van de te hanteren methodiek en de frequentie.
In principe worden alleen die indicatoren opgevolgd waarvoor er onvoldoende zekerheid is dat de beheerdoelstellingen voor de ecologische functie die ermee overeenstemmen gehaald zullen worden bij het uitvoeren van de maatregelen zoals die gepland zijn.
HOOFDSTUK 2. - Opvolging van de beheermaatregelen Een opsomming van de beheermaatregelen die jaarlijks geregistreerd zullen worden. In principe zijn dat minstens die beheermaatregelen die voor subsidiëring in aanmerking komen. Het agentschap stelt daarvoor een registratiemodule ter beschikking.
Hieronder worden de gegevens vermeld die moeten worden opgenomen in elk van de vijf delen van een natuurbeheerplan.
Deel 1. - Verkenning
HOOFDSTUK 1. - Algemene beschrijving In dit hoofdstuk wordt een algemene beschrijving gegeven, die ten minste de volgende informatie bevat:
1° de deelnemende beheerder of beheerders: eigendom, zakelijke en persoonlijke rechten, en kadastrale gegevens van de percelen in beheer;
2° de indiener van het beheerplan: naam, adres en contactgegevens;
3° de situering en identificatie van het terrein:
a) topokaart met situering van het terrein;
b) kaart met de bestemming volgens het geldende plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan;
c) kaart met de ligging in gebieden met een beschermingsstatuut volgens nationale en internationale wetgeving;
d) kaart met de ligging volgens de biologische waarderingskaart die is opgesteld door het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek;
e) bodemkaart met situering van het terrein.
HOOFDSTUK 2. - Bespreking van de drie functies van het terrein In dit hoofdstuk wordt een oplijsting gegeven van de bekende sterktes, zwaktes, opportuniteiten en bedreigingen voor de ecologische, de economische en de sociale functie. In dat opzicht wordt elke functie besproken vanuit de volgende invalshoeken:
1° de huidige toestand;
2° de beschermingsstatuten die van toepassing zijn en de gevolgen ervan voor het beheer van het terrein in relatie met de omgeving;
3° de potenties van het terrein;
4° de visie van de beheerder of beheerders.
HOOFDSTUK 3. - Globaal kader Het globale kader beschrijft op hoofdlijnen de volgende aspecten:
1° de invulling van de drie functies van het terrein en de differentiatie ervan over het terrein;
2° de gewenste natuurstreefbeelden en/ of doelen voor soorten die men op lange termijn voor het terrein wil bereiken. Daarbij gebeurt een toetsing aan de instandhoudingsdoelstellingen en, voor zover dat van toepassing is, aan het managementplan Natura 2000, het managementplan, vermeld in artikel 48 van het decreet van 21 oktober 1997, het natuurrichtplan, het soortenbeschermingsprogramma en een beheerregeling als vermeld in artikel 28 van het Soortenbesluit van 15 mei 2009;
3° het ambitieniveau voor de realisatie van de beheerdoelstellingen van de ecologische functie (type een, type twee, type drie of type vier) en al dan niet het voornemen om voor het terrein of een gedeelte ervan de erkenning als natuurreservaat aan te vragen;
4° in voorkomend geval: de doelstellingen in het kader van het beschermingsstatuut overeenkomstig het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.
Het globale kader kan opgesteld worden voor een ruimer gebied dan de effectief deelnemende percelen in eigendom of beheer, als dat nuttig is voor een betere ecologische onderbouwing van de gemaakte keuzen. Bij het globaal kader voor een natuurbeheerplan voor een terrein van type vier kan een gebied worden afgebakend dat ruimer is dan de effectief deelnemende percelen in eigendom of beheer.
HOOFDSTUK 4. - Werkplan inventarisatie In dit hoofdstuk wordt een omschrijving en motivering gegeven van de uit te voeren inventarisatie van de aanwezige natuurwaarden. Daarvoor gelden de volgende regels:
1° het terrein moet worden ingedeeld in beheereenheden en per beheereenheid wordt een standaardfiche ingevuld;
2° als de standaardfiche, vermeld in punt 1°, onvoldoende informatie bevat om de beheerdoelstellingen te kunnen formuleren, is een bijkomende inventarisatie nodig voor bepaalde beheereenheden, vegetaties of indicatoren. In dat geval moet de daarbij te volgen methode worden vastgesteld.
De inventarisatie zelf wordt pas uitgevoerd na de goedkeuring van deel 1 van het natuurbeheerplan. De resultaten van de inventarisatie worden opgenomen in deel 2. Inventaris.
HOOFDSTUK 5. - Bekendmaking consultatie In dit hoofdstuk wordt de wijze van bekendmaking van de aankondiging, vermeld in artikel 6, § 2, van het besluit gespecifieerd.
Deel 2. - Inventaris
HOOFDSTUK 1. - Standaardfiches 1° een overzichtskaart van de indeling van het terrein in beheereenheden;
2° per beheereenheid een standaardfiche voor bos, voor open vegetatietype of voor andere terreintypes. De standaardfiche omvat gegevens over standplaats, vegetatie, type bos, soorten, cultuurhistorische elementen en milieu.
HOOFDSTUK 2. - Specifieke inventarisatie 1° het resultaat van de bijkomende inventarisatie, vermeld in deel 1, hoofdstuk 4, 2°, van deze bijlage;
2° de bespreking van de vermelde inventarisatie, vermeld in punt 1° ;
3° een kaart met aanduiding van de staat van instandhouding van de aanwezige Europees te beschermen habitats en regionaal belangrijke biotopen.
Deel 3. - Beheerdoelstellingen
HOOFDSTUK 1. - Beheervisie Het globale kader, beschreven in deel 1, kan overgenomen worden of wordt verfijnd op basis van deel 2 en op basis van de resultaten van verder overleg.
HOOFDSTUK 2. - Beheerdoelstellingen Voor elk van de drie functies worden de beheerdoelstellingen geformuleerd aan de hand van de onder vermelde parameters, als een uitwerking van het globale kader naar concrete, meetbare doelen die men binnen de planperiode van het beheerplan wil realiseren. De beheerdoelstellingen worden ruimtelijk toegewezen binnen het terrein in kwestie. Beheerdoelstellingen worden alleen uitgeschreven voor de effectief deelnemende percelen in eigendom of beheer, niet voor een ruimer gebied.
Meer bepaald worden voor de drie functies de volgende parameters opgenomen:
1° voor de ecologische functie:
a) een kaart met aanduiding van de zones waar een natuurstreefbeeld tot doel gesteld wordt en oppervlaktegegevens per natuurstreefbeeld;
b) in voorkomend geval de instandhoudingsdoelstellingen, en dan met name waar en over welke oppervlakte welke instandhoudingsdoelstellingen zullen worden gerealiseerd;
c) een bosbalans: waar en over welke oppervlakte worden er ontbossingen of bebossingen gepland en, voor zover dat van toepassing is, een vermelding dat er ontbost of bebost zal worden in functie van de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen en een motivering voor deze stelling.
2° voor de economische functie:
a) productie en verkoop van vermarktbare natuurlijke producten: hout, biomassa, wild, enzovoort;
b) overige inkomsten, zoals bijvoorbeeld concessies, gebruiksrechten en jachtrechten.
3° voor de sociale functie:
a) vermelding van de aard van toegankelijkheid:
i. principiële toegankelijkheid: toegankelijk voor voetgangers op de openbare en de private wegen;
ii. verwijzing naar een toegankelijkheidsregeling: onder meer bij toelating voor andere categorieën van weggebruikers of toestemming om de wegen te verlaten;
iii. ontoegankelijk: als in een openbaar terrein gekozen wordt voor het ontoegankelijk maken van wegen wordt een motivatie gegeven waarom dat gebeurt, met verwijzing naar één of meer van de in aanmerking komende gevallen, vermeld in artikel 12septies, § 2, derde lid van het decreet. Voor terreinen van type twee, drie of vier wordt omschreven op welke manier invulling gegeven zal worden aan het principe van minimale toegankelijkheid, vermeld in artikel 12septies, § 2, vijfde lid, van het decreet van 21 oktober 1997;
b) als het terrein toegankelijk is, en voor zover van toepassing: vermelding of er een subsidie voor openstelling zal aangevraagd worden en voor welke wegen en/of zones;
c) onroerend erfgoed: als het terrein een beschermd statuut heeft overeenkomstig het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, of als erfgoedlandschap opgenomen werd in een ruimtelijk uitvoeringsplan, wordt vermeld welke specifieke doelen daarover worden opgenomen;
d) indien voor het terrein specifieke wetenschappelijke doelen worden vooropgesteld worden deze hier opgenomen.
Deel 4. - Beheermaatregelen
HOOFDSTUK 1. - Eenmalige maatregelen Een omschrijving van de maatregelen per beheereenheid, vegetatietype of per type maatregel, met vermelding van de volgende gegevens met betrekking tot elke maatregel:
1° plaats;
2° tijdstip;
3° op welke wijze invulling wordt gegeven aan de zorgplicht
4° voor zover van toepassing:
a) de vermelding dat de maatregel in het kader van de realisatie van instandhoudingsdoelen genomen wordt;
b) de vermelding dat voor de maatregel via de goedkeuring van het natuurbeheerplan ook een vergunning, vrijstelling of ontheffing op de natuurregelgeving of van de stedenbouwkundige vergunningsplicht gevraagd wordt, of dat naast een beheerplan een aparte vergunning nodig is;
c) de vermelding dat er voor de maatregel een investeringssubsidie zal aangevraagd worden.
Eenmalige maatregelen die specifiek voor het herstel van cultuurhistorische elementen worden genomen, worden afzonderlijk opgesomd.
HOOFDSTUK 2. - Terugkerende maatregelen Een omschrijving van de maatregelen per beheereenheid, per vegetatietype of per type maatregel, met vermelding van de volgende gegevens met betrekking tot elke maatregel:
1° plaats;
2° tijdstip en/of frequentie;
3° op welke wijze invulling wordt gegeven aan de naleving van de zorgplicht;
4° voor zover van toepassing: de vermelding dat voor de maatregel via de goedkeuring van het natuurbeheerplan ook een vergunning, vrijstelling of ontheffing op de natuurregelgeving of van de stedenbouwkundige vergunningsplicht gevraagd wordt of dat naast een beheerplan een aparte vergunning nodig is;
5° indien van toepassing : de vermelding dat er voor de maatregel een subsidie voor instandhoudingsbeheer of herstelbeheer zal aangevraagd worden.
Deel 5. - Opvolging De opvolging heeft in eerste instantie betrekking op de mate waarin de beoogde natuurstreefbeelden worden bereikt, en in tweede instantie op de mate waarin de beheer- en inrichtingsmaatregelen worden uitgevoerd.
HOOFDSTUK 1. - Opvolging van de beheerdoelstellingen Een opsomming van de doelstellingen en, voor zover dat van toepassing is, de indicatoren die opgevolgd zullen worden, met aanduiding van de te hanteren methodiek en de frequentie.
In principe worden alleen die indicatoren opgevolgd waarvoor er onvoldoende zekerheid is dat de beheerdoelstellingen voor de ecologische functie die ermee overeenstemmen gehaald zullen worden bij het uitvoeren van de maatregelen zoals die gepland zijn.
HOOFDSTUK 2. - Opvolging van de beheermaatregelen Een opsomming van de beheermaatregelen die jaarlijks geregistreerd zullen worden. In principe zijn dat minstens die beheermaatregelen die voor subsidiëring in aanmerking komen. Het agentschap stelt daarvoor een registratiemodule ter beschikking.
Art. N1. Annexe 1. - Données qui doivent être reprises dans les différentes parties d'un plan de gestion de la nature, telles que visées à l'article 3, alinéa 2
Les données qui doivent être reprises dans chacune des cinq parties d'un plan de gestion de la nature, sont mentionnées ci-dessous.
Partie 1. - Exploration
CHAPITRE 1er. - Description générale Ce chapitre comprend une description générale, contenant au moins les informations suivantes :
1° le(s) gestionnaire(s) participant(s) : propriété, droits réels et personnels, et données cadastrales des parcelles gérées ;
2° l'auteur du plan de gestion : nom, adresse et coordonnées ;
3° la situation et l'identification du terrain :
a) carte topographique avec la situation du terrain ;
b) carte avec l'affectation suivant le plan d'aménagement ou le plan d'exécution spatial en vigueur ;
c) carte avec la situation dans des zones ayant un statut de protection selon la législation nationale et internationale ;
d) carte avec la situation selon la carte d'évaluation biologique établie par l'Institut de Recherche des Forêts et de la Nature ;
e) carte des sols avec la situation du terrain.
CHAPITRE 2. - Discussion des 3 fonctions du terrain Dans ce chapitre, les forces, faiblesses, opportunités et menaces connues pour les fonctions écologique, économique et sociale sont répertoriées. A cet égard, chaque fonction est abordée sous les angles suivants :
1° la situation actuelle ;
2° les statuts de protection applicables et les conséquences qui en découlent pour la gestion du terrain en relation avec l'environnement ;
3° les potentialités du terrain ;
4° la vision du gestionnaire ou des gestionnaires.
CHAPITRE 3. - Cadre global Le cadre global décrit dans les grandes lignes les aspects suivants :
1° la concrétisation des trois fonctions du terrain et leur différenciation à travers le terrain ;
2° les objectifs naturels souhaités et/ou les objectifs pour des espèces qu'on souhaite atteindre pour le terrain à long terme. A cet effet, une confrontation est effectuée aux objectifs de conservation et, pour autant que cela soit d'application, au plan de gestion Natura 2000, au plan de gestion, visé à l'article 48 du décret du 21 octobre 1997, au plan directeur de la nature, au programme de protection des espèces et à un règlement de gestion tel que visé à l'article 28 de l'Arrêté des Espèces du 15 mai 2009 ;
3° le niveau d'ambition pour la réalisation des objectifs de gestion de la fonction écologique (type 1, type 2, type 3 ou type 4) et l'intention ou non de demander l'agrément comme réserve naturelle pour le terrain ou pour une partie du terrain ;
4° le cas échéant : les objectifs dans le cadre du statut de protection conformément au Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013.
Le cadre global peut être établi pour une zone plus étendue que les parcelles effectivement participant en propriété ou en gestion, si c'est utile pour un meilleur étayage des choix faits. Le cadre global pour un plan de gestion de la nature pour un terrain du type 4, peut délimiter une zone plus étendue que les parcelles effectivement participant en propriété ou en gestion.
CHAPITRE 4. - Plan de travail inventoriage Ce chapitre donne une description et une motivation de l'inventoriage à effectuer des valeurs naturelles présentes. Les règles suivantes s'appliquent à cet effet :
1° le terrain doit être subdivisé en des unités de gestion, et une fiche standard est complétée par unité de gestion ;
2° si la fiche standard, visée au point 1°, contient insuffisamment d'information pour pouvoir formuler les objectifs de gestion, un inventoriage supplémentaire est nécessaire pour certains unités de gestion, végétations ou indicateurs. Dans ce cas, la méthode à suivre doit être arrêtée.
L'inventoriage n'est effectué qu'après l'approbation de la partie 1 du plan de gestion de la nature. Les résultats de l'inventoriage sont repris dans la partie 2. Inventaire.
CHAPITRE 5. - Publication de la consultation Ce chapitre spécifie le mode de publication de l'annonce, visée à l'article 6, § 2, de l'arrêté.
Partie 2. - Inventaire
CHAPITRE 1. - Fiches standard 1° une carte synoptique de la division du terrain en unités de gestion ;
2° par unité de gestion, une fiche standard pour bois, pour type de végétation ouverte, ou pour d'autres types de terrain. La fiche standard comprend des données concernant la station végétale, la végétation, le type de bois, les espèces, les éléments historico-culturels et l'environnement.
CHAPITRE 2. - Inventoriage spécifique 1° le résultat de l'inventoriage supplémentaire, visé à la partie 1, chapitre 4, 2°, de cette annexe ;
2° la discussion de l'inventoriage visé au point 1° ;
3° une carte indiquant l'état de conservation des habitats présents à protéger au niveau européen et des biotopes importants au niveau régional.
Partie 3. - Objectifs de gestion
CHAPITRE 1. - Vision de gestion La cadre global, décrit dans la partie 1, peut être repris ou est peaufiné sur la base de la partie 2 et des résultats de la concertation ultérieure.
CHAPITRE 2. - Objectifs de gestion Pour chacune des trois fonctions, les objectifs de gestion sont formulés à l'aide des paramètres visés ci-après, comme une concrétisation du cadre global en des objectifs concrets, mesurables qu'on souhaite réaliser dans la période de plan du plan de gestion. Les objectifs de gestion sont attribués au niveau spatial au sein du terrain en question. Les objectifs de gestion ne sont formulés que pour les parcelles effectivement participant en propriété ou en gestion, et non pas pour une zone plus étendue.
Plus spécifiquement, les paramètres suivants sont repris pour les trois fonctions :
1° pour la fonction écologique :
a) une carte indiquant les zones où un objectif naturel est arrêté, et des données concernant la superficie par objectif naturel ;
b) le cas échéant les objectifs de conservation, spécifiant notamment l'endroit, la superficie et les objectifs de conservation qui seront réalisés ;
c) un bilan forestier : les endroits où et les superficies sur lesquelles des déboisements ou boisements sont prévus et, pour autant que cela s'applique, une mention que le déboisement ou le boisement sera effectué en fonction de la réalisation des objectifs de conservation et une motivation pour cette thèse.
2° pour la fonction économique :
a) production et vente de produits naturels commercialisables : bois, biomasse, gibier, etcetera ;
b) autres revenus, tels que des concessions, droits d'usage et droits de chasse.
3° pour la fonction sociale :
a) mention de la nature d'accessibilité :
i. accessibilité de principe : accessible aux piétons sur les voies publiques et privées ;
ii. référence à un règlement d'accessibilité : entre autres en cas d'autorisation pour d'autres catégories d'usagers de la route ou d'autorisation pour quitter les chemins ;
iii. inaccessible : si l'on opte, dans un terrain public, de rendre certaines voies inaccessibles, une motivation est formulée en renvoyant à un ou plusieurs cas éligibles, visés à l'article 12septies, § 2, alinéa 3, du décret. Pour les terrains du type 2, 3 ou 4, une description est donnée de la concrétisation du principe de l'accessibilité minimale, visée à l'article 12septies, § 2, alinéa 5, du décret du 21 octobre 1997 ;
b) si le terrain est accessible et pour autant que cela s'applique : une mention si une subvention d'ouverture sera demandée, et pour quelles voies et/ou zones ;
c) patrimoine immobilier : si le terrain a un statut protégé conformément au Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 ou a été repris comme paysage patrimonial dans un plan d'exécution spatial, on mentionne les objectifs spécifiques qui sont repris à ce sujet ;
d) si des objectifs scientifiques spécifiques sont arrêtés pour le terrain, ceux-ci sont repris ici.
Partie 4. - Mesures de gestion
CHAPITRE 1. - Mesures uniques Une description des mesures par unité de gestion, type de végétation ou type de mesure, avec mention des données suivantes relatives à chaque mesure :
1° le lieu ;
2° l'heure ;
3° la manière dont l'obligation de protection est concrétisée ;
4° pour autant que cela s'applique :
a) la mention que la mesure est prise dans le cadre de la réalisation des objectifs de conservation ;
b) la mention que, par le biais de l'approbation du plan de gestion de la nature, l'on demande également une autorisation, dispense ou exonération de la réglementation sur la nature ou de l'obligation d'autorisation urbanistique, ou que, outre un plan de gestion, une autorisation distincte est nécessaire ;
c) la mention qu'on demandera une subvention d'investissement pour la mesure.
Les mesures uniques qui sont prises spécifiquement pour la restauration d'éléments historico-culturels, sont énumérées séparément.
CHAPITRE 2. - Mesures périodiques Une description des mesures par unité de gestion, type de végétation ou type de mesure, avec mention des données suivantes relatives à chaque mesure :
1° le lieu ;
2° l'heure et/ou la fréquence ;
3° la manière dont le respect de l'obligation de protection est concrétisé ;
4° si applicable : la mention que, par le biais de l'approbation du plan de gestion de la nature, l'on demande également une autorisation, dispense ou exonération de la réglementation sur la nature ou de l'obligation d'autorisation urbanistique, ou que, outre un plan de gestion, une autorisation distincte est nécessaire ;
5° si applicable : la mention que l'on demandera une subvention pour la gestion conservatoire ou la gestion de restauration.
Partie 5. - Suivi Le suivi concerne en premier lieu le degré de réalisation des objectifs naturels visés et, ensuite, le degré d'exécution des mesures de gestion et d'aménagement.
CHAPITRE 1. - Suivi des objectifs de gestion Une énumération des objectifs et, pour autant que cela s'applique, des indicateurs qui seront suivis, avec indication de la méthodologie et de la fréquence à utiliser.
En principe, seuls les indicateurs sont suivis pour lesquels il est insuffisamment certain que les objectifs de gestion pour la fonction écologique correspondants seront réalisés lors de l'exécution des mesures prévues.
CHAPITRE 2. - Suivi des mesures de gestion Une énumération des mesures de gestion qui seront enregistrées annuellement. En principe, ce sont au moins les mesures de gestion qui sont éligibles au subventionnement. L'agence met à disposition un module d'enregistrement à cet effet.
Les données qui doivent être reprises dans chacune des cinq parties d'un plan de gestion de la nature, sont mentionnées ci-dessous.
Partie 1. - Exploration
CHAPITRE 1er. - Description générale Ce chapitre comprend une description générale, contenant au moins les informations suivantes :
1° le(s) gestionnaire(s) participant(s) : propriété, droits réels et personnels, et données cadastrales des parcelles gérées ;
2° l'auteur du plan de gestion : nom, adresse et coordonnées ;
3° la situation et l'identification du terrain :
a) carte topographique avec la situation du terrain ;
b) carte avec l'affectation suivant le plan d'aménagement ou le plan d'exécution spatial en vigueur ;
c) carte avec la situation dans des zones ayant un statut de protection selon la législation nationale et internationale ;
d) carte avec la situation selon la carte d'évaluation biologique établie par l'Institut de Recherche des Forêts et de la Nature ;
e) carte des sols avec la situation du terrain.
CHAPITRE 2. - Discussion des 3 fonctions du terrain Dans ce chapitre, les forces, faiblesses, opportunités et menaces connues pour les fonctions écologique, économique et sociale sont répertoriées. A cet égard, chaque fonction est abordée sous les angles suivants :
1° la situation actuelle ;
2° les statuts de protection applicables et les conséquences qui en découlent pour la gestion du terrain en relation avec l'environnement ;
3° les potentialités du terrain ;
4° la vision du gestionnaire ou des gestionnaires.
CHAPITRE 3. - Cadre global Le cadre global décrit dans les grandes lignes les aspects suivants :
1° la concrétisation des trois fonctions du terrain et leur différenciation à travers le terrain ;
2° les objectifs naturels souhaités et/ou les objectifs pour des espèces qu'on souhaite atteindre pour le terrain à long terme. A cet effet, une confrontation est effectuée aux objectifs de conservation et, pour autant que cela soit d'application, au plan de gestion Natura 2000, au plan de gestion, visé à l'article 48 du décret du 21 octobre 1997, au plan directeur de la nature, au programme de protection des espèces et à un règlement de gestion tel que visé à l'article 28 de l'Arrêté des Espèces du 15 mai 2009 ;
3° le niveau d'ambition pour la réalisation des objectifs de gestion de la fonction écologique (type 1, type 2, type 3 ou type 4) et l'intention ou non de demander l'agrément comme réserve naturelle pour le terrain ou pour une partie du terrain ;
4° le cas échéant : les objectifs dans le cadre du statut de protection conformément au Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013.
Le cadre global peut être établi pour une zone plus étendue que les parcelles effectivement participant en propriété ou en gestion, si c'est utile pour un meilleur étayage des choix faits. Le cadre global pour un plan de gestion de la nature pour un terrain du type 4, peut délimiter une zone plus étendue que les parcelles effectivement participant en propriété ou en gestion.
CHAPITRE 4. - Plan de travail inventoriage Ce chapitre donne une description et une motivation de l'inventoriage à effectuer des valeurs naturelles présentes. Les règles suivantes s'appliquent à cet effet :
1° le terrain doit être subdivisé en des unités de gestion, et une fiche standard est complétée par unité de gestion ;
2° si la fiche standard, visée au point 1°, contient insuffisamment d'information pour pouvoir formuler les objectifs de gestion, un inventoriage supplémentaire est nécessaire pour certains unités de gestion, végétations ou indicateurs. Dans ce cas, la méthode à suivre doit être arrêtée.
L'inventoriage n'est effectué qu'après l'approbation de la partie 1 du plan de gestion de la nature. Les résultats de l'inventoriage sont repris dans la partie 2. Inventaire.
CHAPITRE 5. - Publication de la consultation Ce chapitre spécifie le mode de publication de l'annonce, visée à l'article 6, § 2, de l'arrêté.
Partie 2. - Inventaire
CHAPITRE 1. - Fiches standard 1° une carte synoptique de la division du terrain en unités de gestion ;
2° par unité de gestion, une fiche standard pour bois, pour type de végétation ouverte, ou pour d'autres types de terrain. La fiche standard comprend des données concernant la station végétale, la végétation, le type de bois, les espèces, les éléments historico-culturels et l'environnement.
CHAPITRE 2. - Inventoriage spécifique 1° le résultat de l'inventoriage supplémentaire, visé à la partie 1, chapitre 4, 2°, de cette annexe ;
2° la discussion de l'inventoriage visé au point 1° ;
3° une carte indiquant l'état de conservation des habitats présents à protéger au niveau européen et des biotopes importants au niveau régional.
Partie 3. - Objectifs de gestion
CHAPITRE 1. - Vision de gestion La cadre global, décrit dans la partie 1, peut être repris ou est peaufiné sur la base de la partie 2 et des résultats de la concertation ultérieure.
CHAPITRE 2. - Objectifs de gestion Pour chacune des trois fonctions, les objectifs de gestion sont formulés à l'aide des paramètres visés ci-après, comme une concrétisation du cadre global en des objectifs concrets, mesurables qu'on souhaite réaliser dans la période de plan du plan de gestion. Les objectifs de gestion sont attribués au niveau spatial au sein du terrain en question. Les objectifs de gestion ne sont formulés que pour les parcelles effectivement participant en propriété ou en gestion, et non pas pour une zone plus étendue.
Plus spécifiquement, les paramètres suivants sont repris pour les trois fonctions :
1° pour la fonction écologique :
a) une carte indiquant les zones où un objectif naturel est arrêté, et des données concernant la superficie par objectif naturel ;
b) le cas échéant les objectifs de conservation, spécifiant notamment l'endroit, la superficie et les objectifs de conservation qui seront réalisés ;
c) un bilan forestier : les endroits où et les superficies sur lesquelles des déboisements ou boisements sont prévus et, pour autant que cela s'applique, une mention que le déboisement ou le boisement sera effectué en fonction de la réalisation des objectifs de conservation et une motivation pour cette thèse.
2° pour la fonction économique :
a) production et vente de produits naturels commercialisables : bois, biomasse, gibier, etcetera ;
b) autres revenus, tels que des concessions, droits d'usage et droits de chasse.
3° pour la fonction sociale :
a) mention de la nature d'accessibilité :
i. accessibilité de principe : accessible aux piétons sur les voies publiques et privées ;
ii. référence à un règlement d'accessibilité : entre autres en cas d'autorisation pour d'autres catégories d'usagers de la route ou d'autorisation pour quitter les chemins ;
iii. inaccessible : si l'on opte, dans un terrain public, de rendre certaines voies inaccessibles, une motivation est formulée en renvoyant à un ou plusieurs cas éligibles, visés à l'article 12septies, § 2, alinéa 3, du décret. Pour les terrains du type 2, 3 ou 4, une description est donnée de la concrétisation du principe de l'accessibilité minimale, visée à l'article 12septies, § 2, alinéa 5, du décret du 21 octobre 1997 ;
b) si le terrain est accessible et pour autant que cela s'applique : une mention si une subvention d'ouverture sera demandée, et pour quelles voies et/ou zones ;
c) patrimoine immobilier : si le terrain a un statut protégé conformément au Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 ou a été repris comme paysage patrimonial dans un plan d'exécution spatial, on mentionne les objectifs spécifiques qui sont repris à ce sujet ;
d) si des objectifs scientifiques spécifiques sont arrêtés pour le terrain, ceux-ci sont repris ici.
Partie 4. - Mesures de gestion
CHAPITRE 1. - Mesures uniques Une description des mesures par unité de gestion, type de végétation ou type de mesure, avec mention des données suivantes relatives à chaque mesure :
1° le lieu ;
2° l'heure ;
3° la manière dont l'obligation de protection est concrétisée ;
4° pour autant que cela s'applique :
a) la mention que la mesure est prise dans le cadre de la réalisation des objectifs de conservation ;
b) la mention que, par le biais de l'approbation du plan de gestion de la nature, l'on demande également une autorisation, dispense ou exonération de la réglementation sur la nature ou de l'obligation d'autorisation urbanistique, ou que, outre un plan de gestion, une autorisation distincte est nécessaire ;
c) la mention qu'on demandera une subvention d'investissement pour la mesure.
Les mesures uniques qui sont prises spécifiquement pour la restauration d'éléments historico-culturels, sont énumérées séparément.
CHAPITRE 2. - Mesures périodiques Une description des mesures par unité de gestion, type de végétation ou type de mesure, avec mention des données suivantes relatives à chaque mesure :
1° le lieu ;
2° l'heure et/ou la fréquence ;
3° la manière dont le respect de l'obligation de protection est concrétisé ;
4° si applicable : la mention que, par le biais de l'approbation du plan de gestion de la nature, l'on demande également une autorisation, dispense ou exonération de la réglementation sur la nature ou de l'obligation d'autorisation urbanistique, ou que, outre un plan de gestion, une autorisation distincte est nécessaire ;
5° si applicable : la mention que l'on demandera une subvention pour la gestion conservatoire ou la gestion de restauration.
Partie 5. - Suivi Le suivi concerne en premier lieu le degré de réalisation des objectifs naturels visés et, ensuite, le degré d'exécution des mesures de gestion et d'aménagement.
CHAPITRE 1. - Suivi des objectifs de gestion Une énumération des objectifs et, pour autant que cela s'applique, des indicateurs qui seront suivis, avec indication de la méthodologie et de la fréquence à utiliser.
En principe, seuls les indicateurs sont suivis pour lesquels il est insuffisamment certain que les objectifs de gestion pour la fonction écologique correspondants seront réalisés lors de l'exécution des mesures prévues.
CHAPITRE 2. - Suivi des mesures de gestion Une énumération des mesures de gestion qui seront enregistrées annuellement. En principe, ce sont au moins les mesures de gestion qui sont éligibles au subventionnement. L'agence met à disposition un module d'enregistrement à cet effet.
Art. N2. Bijlage 2. - Toetsingskader voor de Vlaamse natuurreservaten
Een terrein komt in aanmerking voor erkenning als natuurreservaat overeenkomstig hoofdstuk 3 van dit besluit als kan aangetoond worden dat het voldoet aan minstens één van de volgende vier beschrijvingen bij het indienen van de aanvraag tot erkenning of als de beheerdoelstellingen in het goedgekeurde natuurbeheerplan zo omschreven zijn dat het terrein binnen de geldigheidstermijn van het natuurbeheerplan zal voldoen aan minstens één van de volgende vier beschrijvingen:
1° het gaat om een terrein waar de natuurlijke processen en dynamische interacties kunnen plaats vinden, al dan niet bijgestuurd door extensieve begrazing. Het zijn mozaïeklandschappen ontstaan door extensieve begrazing of onbeheerde climaxvegetaties die bestaan uit of spontaan evolueren in de richting van:
a) één of meerdere vegetaties opgenomen in de tabel van natuurstreefbeelden voor type drie of type vier, vermeld in bijlage 3A bij dit besluit;
b) een leefgebied van een soort als vermeld in bijlage 3B, 1°, bij dit besluit.
Het terrein is voldoende groot om de natuurlijke processen en dynamische interacties tussen de aanwezige vegetaties en soorten volwaardig tot uiting te laten komen;
2° het gaat om een terrein dat bestaat uit of beheerd wordt in functie van één of meer goed ontwikkelde vegetaties, opgenomen in de tabel van natuurstreefbeelden voor type drie of type vier, vermeld in bijlage 3A bij dit besluit.
Het terrein is voldoende groot om een betekenisvolle bijdrage te leveren aan de regionaal gunstige staat van instandhouding van de vegetatie en van de typische soorten die kenmerkend zijn voor de goed ontwikkelde vegetatie in kwestie;
3° het gaat om een terrein dat een geschikt leefgebied van een lokaal belangrijke populatie of deelpopulatie van één of meerdere soorten, vermeld in bijlage 3B, 1°, bij dit besluit bevat.
Het leefgebied van de soorten in kwestie is voldoende groot om goede kansen te bieden voor de instandhouding van het leefgebied en van de soorten in kwestie, alsook om een betekenisvolle bijdrage te leveren aan de regionaal gunstige staat van instandhouding van deze soorten;
4° het gaat om een terrein met uitzonderlijk hoge biologische diversiteit, die van bovenlokaal belang is, door het voorkomen van één of meerdere soorten, vermeld in bijlage 3B, 1°, of van één of meerdere vegetaties, opgenomen in de tabel van natuurstreefbeelden voor type drie of type vier, vermeld in bijlage 3 bij dit besluit.
Het terrein is voldoende groot om goede kansen te bieden voor de instandhouding van de uitzonderlijk hoge biologische diversiteit in kwestie.
Een terrein komt in aanmerking voor erkenning als natuurreservaat overeenkomstig hoofdstuk 3 van dit besluit als kan aangetoond worden dat het voldoet aan minstens één van de volgende vier beschrijvingen bij het indienen van de aanvraag tot erkenning of als de beheerdoelstellingen in het goedgekeurde natuurbeheerplan zo omschreven zijn dat het terrein binnen de geldigheidstermijn van het natuurbeheerplan zal voldoen aan minstens één van de volgende vier beschrijvingen:
1° het gaat om een terrein waar de natuurlijke processen en dynamische interacties kunnen plaats vinden, al dan niet bijgestuurd door extensieve begrazing. Het zijn mozaïeklandschappen ontstaan door extensieve begrazing of onbeheerde climaxvegetaties die bestaan uit of spontaan evolueren in de richting van:
a) één of meerdere vegetaties opgenomen in de tabel van natuurstreefbeelden voor type drie of type vier, vermeld in bijlage 3A bij dit besluit;
b) een leefgebied van een soort als vermeld in bijlage 3B, 1°, bij dit besluit.
Het terrein is voldoende groot om de natuurlijke processen en dynamische interacties tussen de aanwezige vegetaties en soorten volwaardig tot uiting te laten komen;
2° het gaat om een terrein dat bestaat uit of beheerd wordt in functie van één of meer goed ontwikkelde vegetaties, opgenomen in de tabel van natuurstreefbeelden voor type drie of type vier, vermeld in bijlage 3A bij dit besluit.
Het terrein is voldoende groot om een betekenisvolle bijdrage te leveren aan de regionaal gunstige staat van instandhouding van de vegetatie en van de typische soorten die kenmerkend zijn voor de goed ontwikkelde vegetatie in kwestie;
3° het gaat om een terrein dat een geschikt leefgebied van een lokaal belangrijke populatie of deelpopulatie van één of meerdere soorten, vermeld in bijlage 3B, 1°, bij dit besluit bevat.
Het leefgebied van de soorten in kwestie is voldoende groot om goede kansen te bieden voor de instandhouding van het leefgebied en van de soorten in kwestie, alsook om een betekenisvolle bijdrage te leveren aan de regionaal gunstige staat van instandhouding van deze soorten;
4° het gaat om een terrein met uitzonderlijk hoge biologische diversiteit, die van bovenlokaal belang is, door het voorkomen van één of meerdere soorten, vermeld in bijlage 3B, 1°, of van één of meerdere vegetaties, opgenomen in de tabel van natuurstreefbeelden voor type drie of type vier, vermeld in bijlage 3 bij dit besluit.
Het terrein is voldoende groot om goede kansen te bieden voor de instandhouding van de uitzonderlijk hoge biologische diversiteit in kwestie.
Art. N2. Annexe 2. - Cadre d'évaluation pour les réserves naturelles flamandes
Un terrain est éligible à l'agrément comme réserve naturelle conformément au chapitre 3 du présent arrêté s'il est possible de démontrer qu'il répond à au moins un des quatre descriptions suivantes lors de l'introduction de la demande d'agrément ou si les objectifs de gestion dans le plan de gestion de la nature approuvé sont décrits de manière à ce que le terrain répondra, dans le délai de validité du plan de gestion de la nature, à au moins un des quatre descriptions suivantes :
1° il s'agit d'un terrain où les processus naturels et interactions dynamiques peuvent avoir lieu, ajustés ou non par un pâturage extensif. Ce sont des mosaïques de paysages, créés par le pâturage extensif ou des végétations climatiques non gérées, qui consistent en ou évoluent spontanément dans la direction :
a) d'une ou plusieurs végétations reprises au tableau des objectifs naturels pour le type 3 ou 4, visés à l'annexe 3A au présent arrêté ;
b) d'un habitat d'une espèce visée à l'annexe 3B, 1°, au présent arrêté.
Le terrain est suffisamment grand pour permettre l'expression à part entière des processus naturels et des interactions dynamiques entre les végétations et espèces présentes ;
2° il s'agit d'un terrain qui consiste en ou est géré en fonction d'une ou plusieurs végétations bien développées, reprises au tableau des objectifs naturels pour le type 3 ou 4, visés à l'annexe 3A au présent arrêté.
Le terrain est suffisamment grand pour fournir une contribution significative à l'état de conservation régional favorable de la végétation et des espèces typiques qui sont caractéristiques de la végétation bien développée en question ;
3° il s'agit d'un terrain qui comprend un habitat approprié d'une population ou sous-population localement importante d'une ou plusieurs espèces, visées à l'annexe 3B, 1°, du présent arrêté.
L'habitat des espèces en question est suffisamment grand pour offrir de bonnes chances pour la conservation de l'habitat et des espèces en question, ainsi que pour fournir une contribution significative à l'état de conservation régional favorable de ces espèces ;
4° il s'agit d'un terrain à diversité biologique exceptionnellement élevée, d'intérêt supralocal, en raison de la présence d'une ou plusieurs espèces, visées à l'annexe 3B, 1°, ou d'une ou plusieurs végétations, reprises au tableau des objectifs naturels pour le type 3 ou 4, visés à l'annexe 3 au présent arrêté.
Le terrain est suffisamment grand pour offrir de bonnes chances pour la conservation de la diversité biologique exceptionnellement élevée en question.
Un terrain est éligible à l'agrément comme réserve naturelle conformément au chapitre 3 du présent arrêté s'il est possible de démontrer qu'il répond à au moins un des quatre descriptions suivantes lors de l'introduction de la demande d'agrément ou si les objectifs de gestion dans le plan de gestion de la nature approuvé sont décrits de manière à ce que le terrain répondra, dans le délai de validité du plan de gestion de la nature, à au moins un des quatre descriptions suivantes :
1° il s'agit d'un terrain où les processus naturels et interactions dynamiques peuvent avoir lieu, ajustés ou non par un pâturage extensif. Ce sont des mosaïques de paysages, créés par le pâturage extensif ou des végétations climatiques non gérées, qui consistent en ou évoluent spontanément dans la direction :
a) d'une ou plusieurs végétations reprises au tableau des objectifs naturels pour le type 3 ou 4, visés à l'annexe 3A au présent arrêté ;
b) d'un habitat d'une espèce visée à l'annexe 3B, 1°, au présent arrêté.
Le terrain est suffisamment grand pour permettre l'expression à part entière des processus naturels et des interactions dynamiques entre les végétations et espèces présentes ;
2° il s'agit d'un terrain qui consiste en ou est géré en fonction d'une ou plusieurs végétations bien développées, reprises au tableau des objectifs naturels pour le type 3 ou 4, visés à l'annexe 3A au présent arrêté.
Le terrain est suffisamment grand pour fournir une contribution significative à l'état de conservation régional favorable de la végétation et des espèces typiques qui sont caractéristiques de la végétation bien développée en question ;
3° il s'agit d'un terrain qui comprend un habitat approprié d'une population ou sous-population localement importante d'une ou plusieurs espèces, visées à l'annexe 3B, 1°, du présent arrêté.
L'habitat des espèces en question est suffisamment grand pour offrir de bonnes chances pour la conservation de l'habitat et des espèces en question, ainsi que pour fournir une contribution significative à l'état de conservation régional favorable de ces espèces ;
4° il s'agit d'un terrain à diversité biologique exceptionnellement élevée, d'intérêt supralocal, en raison de la présence d'une ou plusieurs espèces, visées à l'annexe 3B, 1°, ou d'une ou plusieurs végétations, reprises au tableau des objectifs naturels pour le type 3 ou 4, visés à l'annexe 3 au présent arrêté.
Le terrain est suffisamment grand pour offrir de bonnes chances pour la conservation de la diversité biologique exceptionnellement élevée en question.
Art. N3. Bijlage 3.
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 18-10-2017, p. 94522)
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 18-10-2017, p. 94522)
Art. N3. Annexe 3.
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 18-10-2017, p. 94554)
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 18-10-2017, p. 94554)