Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder:
1° trajectbegeleider: de persoon van de gemandateerde partnerorganisatie die is aangewezen om de werkzoekende te begeleiden tijdens het traject tijdelijke werkervaring;
2° gemandateerde partnerorganisatie: de instelling die is aangewezen of gemachtigd om de dienstverlening, vermeld in dit besluit, uit te oefenen. Dat kan het gemandateerde OCMW zijn of een andere partnerorganisatie;
3° OCMW: een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn;
4° gemandateerd OCMW: het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat door de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, is gemachtigd om de dienstverlening, vermeld in dit besluit uit te oefenen;
5° wet van 8 juli 1976: de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
6° besluit van 5 juni 2009: het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 houdende de organisatie van de arbeidsbemiddeling en de beroepsopleiding;
7° werkzoekende: de werkzoekende, vermeld in artikel 1, eerste lid, 7°, van het besluit van 5 juni 2009;
8° werkplek in de sociale economie: een werkplek op het niveau van een werknemer die erkend is als behorend tot de doelgroep van de sociale economie;
9° sociale economie: de ondernemingen die tot een van de volgende categorieën behoort:
a) de maatwerkbedrijven, vermeld in artikel 3, 5°, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling;
b) de maatwerkafdelingen, vermeld in artikel 3, 4°, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling;
c) de lokalediensteneconomieondernemingen, vermeld in artikel 3, 5°, van het decreet van 22 november 2013 betreffende de lokale diensteneconomie;
d) de beschutte werkplaatsen, erkend conform artikel 79 van het decreet van 23 december 2005 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2006;
e) de sociale werkplaatsen, erkend conform het decreet van 14 juli 1998 inzake sociale werkplaatsen.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
23 DECEMBER 2016. - Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de tijdelijke werkervaring(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 09-02-2017 en tekstbijwerking tot 26-08-2019)
Titre
23 DECEMBRE 2016. - Arrêté du Gouvernement flamand relatif à l'expérience professionnelle temporaire(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 09-02-2017 et mise à jour au 26-08-2019)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
Afdeling 1. - Definities
Afdeling 2. - Toeleiding
Afdeling 3. - Werkervaringsovereenkomst
Afdeling 4. - Begeleiding
Afdeling 5. - Instrumenten en opbouw traject
Onderafdeling 1. - Instrumenten
Onderafdeling 2. - Opbouw traject
HOOFDSTUK 2. - Subsidievoorwaarden voor de bege...
Afdeling 1. - Definitie
Afdeling 2. - Voorwaarden
Afdeling 3. - Steun
Afdeling 4. - Controle en sancties
HOOFDSTUK 3. - Toezicht op de toelagen aan open...
HOOFDSTUK 4. - Slotbepalingen
Table des matières
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Section 1re. - Définitions
Section 2. - Orientation
Section 3. - Contrat d'expérience professionnelle
Section 4. - Accompagnement
Section 5. - Outils et structure du parcours
Sous-section 1re. - Outils
Sous-section 2. - Structure du parcours
CHAPITRE 2. - Conditions de subvention de l'acc...
Section 1re. - Définition
Section 2. - Conditions
Section 3. - Aide
Section 4. - Contrôle et sanctions
CHAPITRE 3. - Contrôle des indemnités aux centr...
CHAPITRE 4. - Dispositions finales
Tekst (59)
Texte (59)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Afdeling 1. - Definities
Section 1re. - Définitions
Article 1er. Aux fins du présent arrêté, on entend par :
1° accompagnateur de parcours : la personne de l'organisation partenaire mandatée, désignée pour accompagner les demandeurs d'emploi durant le parcours d'expérience professionnelle temporaire ;
2° organisation partenaire mandatée : l'organisme désigné pour, ou habilité à fournir les services, visés au présent arrêté. Il peut s'agir du CPAS mandaté ou d'une autre organisation partenaire ;
3° CPAS : un centre public d'action sociale ;
4° CPAS mandaté : le centre public d'action sociale mandaté par le Ministre flamand chargé de la politique de l'emploi à fournir les services, visés au présent arrêté ;
5° loi du 8 juillet 1976 : la loi organique du 8 juillet 1976 sur les centres publics d'action sociale ;
6° arrêté du 5 juin 2009 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 juin 2009 portant organisation du placement et de la formation professionnelle ;
7° demandeur d'emploi : le demandeur d'emploi, visé à l'article 1er, alinéa 1er, 7°, de l'arrêté du 5 juin 2009 ;
8° emploi dans l'économie sociale : un emploi adapté à l'employé reconnu comme appartenant au groupe-cible de l'économie sociale ;
9° économie sociale : les entreprises appartenant à l'une des catégories suivantes :
a) les entreprises de travail adapté, visées à l'article 3, 5°, du décret du 12 juillet 2013 relatif au travail adapté dans le cadre de l'intégration collective ;
b) les divisions de travail adapté, visées à l'article 3, 4°, du décret du 12 juillet 2013 relatif au travail adapté dans le cadre de l'intégration collective ;
c) les entreprises de l'économie de services locaux, visées à l'article 3, 5°, du décret du 22 novembre 2013 relatif à l'économie de services locaux ;
d) les ateliers protégés, agréés conformément à l'article 79 du décret du 23 décembre 2005 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2006 ;
e) les ateliers sociaux, agréés conformément au décret du 14 juillet 1998 relatif aux ateliers sociaux.
1° accompagnateur de parcours : la personne de l'organisation partenaire mandatée, désignée pour accompagner les demandeurs d'emploi durant le parcours d'expérience professionnelle temporaire ;
2° organisation partenaire mandatée : l'organisme désigné pour, ou habilité à fournir les services, visés au présent arrêté. Il peut s'agir du CPAS mandaté ou d'une autre organisation partenaire ;
3° CPAS : un centre public d'action sociale ;
4° CPAS mandaté : le centre public d'action sociale mandaté par le Ministre flamand chargé de la politique de l'emploi à fournir les services, visés au présent arrêté ;
5° loi du 8 juillet 1976 : la loi organique du 8 juillet 1976 sur les centres publics d'action sociale ;
6° arrêté du 5 juin 2009 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 juin 2009 portant organisation du placement et de la formation professionnelle ;
7° demandeur d'emploi : le demandeur d'emploi, visé à l'article 1er, alinéa 1er, 7°, de l'arrêté du 5 juin 2009 ;
8° emploi dans l'économie sociale : un emploi adapté à l'employé reconnu comme appartenant au groupe-cible de l'économie sociale ;
9° économie sociale : les entreprises appartenant à l'une des catégories suivantes :
a) les entreprises de travail adapté, visées à l'article 3, 5°, du décret du 12 juillet 2013 relatif au travail adapté dans le cadre de l'intégration collective ;
b) les divisions de travail adapté, visées à l'article 3, 4°, du décret du 12 juillet 2013 relatif au travail adapté dans le cadre de l'intégration collective ;
c) les entreprises de l'économie de services locaux, visées à l'article 3, 5°, du décret du 22 novembre 2013 relatif à l'économie de services locaux ;
d) les ateliers protégés, agréés conformément à l'article 79 du décret du 23 décembre 2005 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2006 ;
e) les ateliers sociaux, agréés conformément au décret du 14 juillet 1998 relatif aux ateliers sociaux.
Afdeling 2. - Toeleiding
Section 2. - Orientation
Art. 2. De beslissing of een werkzoekende of een leefloongerechtigde in aanmerking komt voor het traject tijdelijke werkervaring wordt genomen door:
1° het gemandateerde OCMW, als het een werkzoekende betreft die bij de aanvang van het traject leefloongerechtigde is;
2° de VDAB, in alle andere gevallen dan het geval, vermeld in punt 1°.
De beslissing wordt genomen na een grondige inschatting van het arbeidsmatige profiel van de werkzoekende.
Bij het nemen van de beslissing wordt minstens rekening gehouden met de volgende principes:
1° de werkzoekende heeft een gebrek aan werkervaring;
2° de werkzoekende heeft een gebrek aan generieke competenties die van elke werknemer verwacht worden, ongeacht de functie die hij uitoefent;
3° de werkzoekende is niet in staat om onmiddellijk door te stromen naar de reguliere arbeidsmarkt;
4° de werkzoekende beschikt over voldoende leerpotentieel om binnen maximaal vierentwintig maanden inzetbaar te zijn op de reguliere arbeidsmarkt.
Voor de toepassing van het principe, vermeld in het derde lid, 1°, worden de werkzoekenden die recent werden tewerkgesteld met toepassing van artikel 60, § 7, of artikel 61 van de wet van 8 juli 1976 geacht tot de doelgroep van het stelsel tijdelijke werkervaring te behoren.
1° het gemandateerde OCMW, als het een werkzoekende betreft die bij de aanvang van het traject leefloongerechtigde is;
2° de VDAB, in alle andere gevallen dan het geval, vermeld in punt 1°.
De beslissing wordt genomen na een grondige inschatting van het arbeidsmatige profiel van de werkzoekende.
Bij het nemen van de beslissing wordt minstens rekening gehouden met de volgende principes:
1° de werkzoekende heeft een gebrek aan werkervaring;
2° de werkzoekende heeft een gebrek aan generieke competenties die van elke werknemer verwacht worden, ongeacht de functie die hij uitoefent;
3° de werkzoekende is niet in staat om onmiddellijk door te stromen naar de reguliere arbeidsmarkt;
4° de werkzoekende beschikt over voldoende leerpotentieel om binnen maximaal vierentwintig maanden inzetbaar te zijn op de reguliere arbeidsmarkt.
Voor de toepassing van het principe, vermeld in het derde lid, 1°, worden de werkzoekenden die recent werden tewerkgesteld met toepassing van artikel 60, § 7, of artikel 61 van de wet van 8 juli 1976 geacht tot de doelgroep van het stelsel tijdelijke werkervaring te behoren.
Art. 2. La décision sur l'éligibilité d'un demandeur d'emploi ou du bénéficiaire du revenu d'intégration au parcours d'expérience professionnelle temporaire est prise par :
1° le CPAS mandaté, s'il s'agit d'un demandeur d'emploi qui bénéficie d'un revenu d'intégration au début du parcours ;
2° le VDAB, dans tous les autres cas.
La décision est prise après une évaluation approfondie du profil du demandeur d'emploi.
La décision est basée au moins sur les critères suivants :
1° le demandeur d'emploi a un manque d'expérience professionnelle ;
2° le demandeur d'emploi a un manque de compétences génériques, attendues de chaque employé, quelle que soit la fonction qu'il exerce ;
3° le demandeur d'emploi n'est pas en mesure d'évoluer à court terme vers le marché du travail régulier ;
4° le demandeur d'emploi a suffisamment de potentiel d'apprentissage pour être disponible au marché du travail régulier dans les 24 mois.
Pour l'application du critère, visé à l'alinéa 3, 1°, les demandeurs d'emploi récemment employés en vertu des articles 60, § 7, et 61 de la loi du 8 juillet 1976 sont considérés comme appartenant au groupe-cible du régime d'expérience professionnelle temporaire.
1° le CPAS mandaté, s'il s'agit d'un demandeur d'emploi qui bénéficie d'un revenu d'intégration au début du parcours ;
2° le VDAB, dans tous les autres cas.
La décision est prise après une évaluation approfondie du profil du demandeur d'emploi.
La décision est basée au moins sur les critères suivants :
1° le demandeur d'emploi a un manque d'expérience professionnelle ;
2° le demandeur d'emploi a un manque de compétences génériques, attendues de chaque employé, quelle que soit la fonction qu'il exerce ;
3° le demandeur d'emploi n'est pas en mesure d'évoluer à court terme vers le marché du travail régulier ;
4° le demandeur d'emploi a suffisamment de potentiel d'apprentissage pour être disponible au marché du travail régulier dans les 24 mois.
Pour l'application du critère, visé à l'alinéa 3, 1°, les demandeurs d'emploi récemment employés en vertu des articles 60, § 7, et 61 de la loi du 8 juillet 1976 sont considérés comme appartenant au groupe-cible du régime d'expérience professionnelle temporaire.
Art. 3. Er wordt een afsprakenkader opgesteld tussen de VDAB en de gemandateerde OCMW's om nadere richtlijnen en structuren te bieden bij het maken van de inschatting en het nemen van de beslissing, vermeld in artikel 2, de toepassing van dit besluit en de uitwerking van de samenwerking met de VDAB.
Dat afsprakenkader omvat ten minste:
1° de rechten en de plichten van de VDAB, de gemandateerde partnerorganisatie en van de trajectbegeleider;
2° aanvullende afspraken over de toeleiding tot het traject tijdelijke werkervaring;
3° concrete afspraken rond het inzetten van de instrumenten tijdens het traject tijdelijke werkervaring;
4° aanvullende regels over de schorsing en de stopzetting van het traject;
5° afspraken over de samenwerking en de uitwisseling van expertise en ervaring tussen de VDAB en de gemandateerde OCMW's;
6° afspraken over de kwaliteit en de monitoring.
Dat afsprakenkader omvat ten minste:
1° de rechten en de plichten van de VDAB, de gemandateerde partnerorganisatie en van de trajectbegeleider;
2° aanvullende afspraken over de toeleiding tot het traject tijdelijke werkervaring;
3° concrete afspraken rond het inzetten van de instrumenten tijdens het traject tijdelijke werkervaring;
4° aanvullende regels over de schorsing en de stopzetting van het traject;
5° afspraken over de samenwerking en de uitwisseling van expertise en ervaring tussen de VDAB en de gemandateerde OCMW's;
6° afspraken over de kwaliteit en de monitoring.
Art. 3. Un cadre d'accords est établi entre le VDAB et les CPAS mandatés contenant des directives et des structures à l'appui de l'évaluation, de la prise de décision, visée à l'article 2, de l'application du présent arrêté et de l'élaboration de la coopération avec le VDAB.
Ce cadre d'accords porte au moins sur :
1° les droits et obligations du VDAB, de l'organisation partenaire mandatée et de l'accompagnateur de parcours ;
2° l'orientation vers le parcours d'expérience professionnelle temporaire ;
3° l'utilisation des outils pendant le parcours d'expérience professionnelle temporaire ;
4° la suspension ou la cessation du parcours ;
5° la coopération et l'échange d'expertise et d'expériences entre le VDAB et les CPAS mandatés ;
6° la qualité et le suivi.
Ce cadre d'accords porte au moins sur :
1° les droits et obligations du VDAB, de l'organisation partenaire mandatée et de l'accompagnateur de parcours ;
2° l'orientation vers le parcours d'expérience professionnelle temporaire ;
3° l'utilisation des outils pendant le parcours d'expérience professionnelle temporaire ;
4° la suspension ou la cessation du parcours ;
5° la coopération et l'échange d'expertise et d'expériences entre le VDAB et les CPAS mandatés ;
6° la qualité et le suivi.
Art. 4. De leefloongerechtigde die in aanmerking komt voor een traject tijdelijke werkervaring, schrijft zich in als werkzoekende bij de VDAB vóór de start van het traject.
Art. 4. Le bénéficiaire du revenu d'intégration qui est éligible au parcours d'expérience professionnelle temporaire s'inscrit comme demandeur d'emploi auprès du VDAB avant le début du parcours.
Afdeling 3. - Werkervaringsovereenkomst
Section 3. - Contrat d'expérience professionnelle
Art. 5. [1 § 1.]1 De VDAB of de gemandateerde partnerorganisatie sluit met de werkzoekende die toegelaten is tot het traject tijdelijke werkervaring, uiterlijk op de eerste dag van het traject een werkervaringsovereenkomst.
In afwijking van het eerste lid sluit het gemandateerde OCMW de werkervaringsovereenkomst als het een werkzoekende betreft die bij de aanvang van het traject leefloongerechtigde is.
De werkervaringsovereenkomst geeft recht op de premies, de vergoedingen en de verzekering, vermeld in titel II, hoofdstuk I, afdeling II, van het besluit van 5 juni 2009, voor zover dat recht wordt geopend door de instrumenten die worden ingezet gedurende de werkervaringsovereenkomst.
[1 § 2. De gemandateerde partnerorganisatie of het gemandateerde OCMW, vermeld in § 1, is geregistreerd als dienstverlener conform artikel 4 van het decreet van 29 maart 2019 betreffende het kwaliteits- en registratiemodel van dienstverleners in het beleidsdomein werk en sociale economie.]1
In afwijking van het eerste lid sluit het gemandateerde OCMW de werkervaringsovereenkomst als het een werkzoekende betreft die bij de aanvang van het traject leefloongerechtigde is.
De werkervaringsovereenkomst geeft recht op de premies, de vergoedingen en de verzekering, vermeld in titel II, hoofdstuk I, afdeling II, van het besluit van 5 juni 2009, voor zover dat recht wordt geopend door de instrumenten die worden ingezet gedurende de werkervaringsovereenkomst.
[1 § 2. De gemandateerde partnerorganisatie of het gemandateerde OCMW, vermeld in § 1, is geregistreerd als dienstverlener conform artikel 4 van het decreet van 29 maart 2019 betreffende het kwaliteits- en registratiemodel van dienstverleners in het beleidsdomein werk en sociale economie.]1
Modifications
Art. 5. [1 § 1.]1 Au plus tard le premier jour du parcours, le VDAB ou l'organisation partenaire mandatée conclut un contrat d'expérience professionnelle avec le demandeur d'emploi qui a été admis au parcours d'expérience professionnelle temporaire.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le contrat d'expérience professionnelle est conclu par le CPAS mandaté lorsqu'il s'agit d'un demandeur d'emploi bénéficiant d'un revenu d'intégration au début du parcours.
Le contrat d'expérience professionnelle donne droit aux primes, aux indemnités et à l'assurance, visées au titre II, chapitre Ier, section II, de l'arrêté du 5 juin 2009, pour autant que les outils utilisés au cours du contrat donnent lieu à ces droits.
[1 § 2. L'organisation partenaire mandatée ou le CPAS mandaté, visé au § 1er, est enregistré en tant que prestataire de services conformément à l'article 4 du décret du 29 mars 2019 relatif au modèle de qualité et d'enregistrement des prestataires de services dans le domaine politique de l'Emploi et de l'Economie sociale.]1
Par dérogation à l'alinéa 1er, le contrat d'expérience professionnelle est conclu par le CPAS mandaté lorsqu'il s'agit d'un demandeur d'emploi bénéficiant d'un revenu d'intégration au début du parcours.
Le contrat d'expérience professionnelle donne droit aux primes, aux indemnités et à l'assurance, visées au titre II, chapitre Ier, section II, de l'arrêté du 5 juin 2009, pour autant que les outils utilisés au cours du contrat donnent lieu à ces droits.
[1 § 2. L'organisation partenaire mandatée ou le CPAS mandaté, visé au § 1er, est enregistré en tant que prestataire de services conformément à l'article 4 du décret du 29 mars 2019 relatif au modèle de qualité et d'enregistrement des prestataires de services dans le domaine politique de l'Emploi et de l'Economie sociale.]1
Modifications
Art. 6. De werkervaringsovereenkomst vermeldt minstens:
1° de identiteit van de partijen;
2° de aanvangsdatum van het traject en de vermoedelijke duur ervan;
3° de omschrijving en de inhoud van het traject;
4° de rechten en de plichten van de partijen.
De werkervaringsovereenkomst wordt door alle partijen ondertekend. Aan iedere partij wordt een exemplaar overhandigd. De gemandateerde partnerorganisatie bewaart de overeenkomst gedurende minstens tien jaar.
1° de identiteit van de partijen;
2° de aanvangsdatum van het traject en de vermoedelijke duur ervan;
3° de omschrijving en de inhoud van het traject;
4° de rechten en de plichten van de partijen.
De werkervaringsovereenkomst wordt door alle partijen ondertekend. Aan iedere partij wordt een exemplaar overhandigd. De gemandateerde partnerorganisatie bewaart de overeenkomst gedurende minstens tien jaar.
Art. 6. Le contrat d'expérience professionnelle mentionne au moins :
1° l'identité des parties ;
2° la date de début et la durée probable du parcours ;
3° la description et le contenu du parcours ;
4° les droits et obligations des parties.
Le contrat d'expérience professionnelle est signé par l'ensemble des parties. Une copie en est remise à chaque partie. L'organisation partenaire mandatée conserve le contrat pendant au moins 10 ans.
1° l'identité des parties ;
2° la date de début et la durée probable du parcours ;
3° la description et le contenu du parcours ;
4° les droits et obligations des parties.
Le contrat d'expérience professionnelle est signé par l'ensemble des parties. Une copie en est remise à chaque partie. L'organisation partenaire mandatée conserve le contrat pendant au moins 10 ans.
Art. 7. § 1. De trajectbegeleider bepaalt de vermoedelijke duur van het traject tijdelijke werkervaring op basis van de noden en competenties van de werkzoekende, met een maximum van vierentwintig maanden. De trajectbegeleider waakt er over dat het traject niet langer duurt dan noodzakelijk is om de doelstelling te bereiken.
De werkervaringsovereenkomst kan verlengd worden als dat noodzakelijk is om de doelstelling van het traject tijdelijke werkervaring te bereiken, maar de gecumuleerde duur mag niet meer bedragen dan vierentwintig maanden.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 bedraagt de duur van de werkervaringsovereenkomst minstens de tijd die noodzakelijk is om volledige sociale uitkeringen te verkrijgen, als een werkervaringsovereenkomst een instrument als vermeld in artikel 60, § 7, van de wet van 8 juli 1976, bevat.
§ 3. In geval van ziekte, moederschapsverlof, ongeval of overmacht wordt de uitvoering van de overeenkomst geschorst. De werkzoekende is er in geval van ziekte of ongeval toe gehouden zijn ongeschiktheid te rechtvaardigen met een geneeskundig getuigschrift.
De VDAB of de gemandateerde partnerorganisatie kan de werkervaringsovereenkomst ook schorsen als de werkzoekende niet aan zijn verplichtingen voldoet.
De werkervaringsovereenkomst kan verlengd worden als dat noodzakelijk is om de doelstelling van het traject tijdelijke werkervaring te bereiken, maar de gecumuleerde duur mag niet meer bedragen dan vierentwintig maanden.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 bedraagt de duur van de werkervaringsovereenkomst minstens de tijd die noodzakelijk is om volledige sociale uitkeringen te verkrijgen, als een werkervaringsovereenkomst een instrument als vermeld in artikel 60, § 7, van de wet van 8 juli 1976, bevat.
§ 3. In geval van ziekte, moederschapsverlof, ongeval of overmacht wordt de uitvoering van de overeenkomst geschorst. De werkzoekende is er in geval van ziekte of ongeval toe gehouden zijn ongeschiktheid te rechtvaardigen met een geneeskundig getuigschrift.
De VDAB of de gemandateerde partnerorganisatie kan de werkervaringsovereenkomst ook schorsen als de werkzoekende niet aan zijn verplichtingen voldoet.
Art. 7. § 1er. L'accompagnateur de parcours fixe la durée probable du parcours d'expérience professionnelle temporaire en fonction des besoins et des compétences du demandeur d'emploi, avec un maximum de 24 mois. L'accompagnateur veille à ce que la durée du parcours n'excède pas ce qui est nécessaire pour atteindre l'objectif.
Le contrat d'expérience professionnelle peut être prolongé si nécessaire afin d'atteindre l'objectif du parcours d'expérience professionnelle temporaire, mais la durée cumulée ne peut dépasser 24 mois.
§ 2. Par dérogation au § 1er, le contrat d'expérience professionnelle dure au moins le temps nécessaire pour obtenir les prestations sociales complètes, si le contrat d'expérience professionnelle comprend un outil, tel que visé à l'article 60, § 7 de la loi du 8 juillet 1976.
§ 3. En cas de maladie, de maternité, d'accident ou de force majeure l'exécution du contrat est suspendue. En cas de maladie ou d'accident, le demandeur d'emploi est tenu de justifier son incapacité à l'aide d'un certificat médical.
Le VDAB ou l'organisation partenaire mandatée peut suspendre le contrat d'expérience professionnelle si le demandeur d'emploi ne respecte pas ses obligations.
Le contrat d'expérience professionnelle peut être prolongé si nécessaire afin d'atteindre l'objectif du parcours d'expérience professionnelle temporaire, mais la durée cumulée ne peut dépasser 24 mois.
§ 2. Par dérogation au § 1er, le contrat d'expérience professionnelle dure au moins le temps nécessaire pour obtenir les prestations sociales complètes, si le contrat d'expérience professionnelle comprend un outil, tel que visé à l'article 60, § 7 de la loi du 8 juillet 1976.
§ 3. En cas de maladie, de maternité, d'accident ou de force majeure l'exécution du contrat est suspendue. En cas de maladie ou d'accident, le demandeur d'emploi est tenu de justifier son incapacité à l'aide d'un certificat médical.
Le VDAB ou l'organisation partenaire mandatée peut suspendre le contrat d'expérience professionnelle si le demandeur d'emploi ne respecte pas ses obligations.
Art. 8. § 1. De VDAB of de gemandateerde partnerorganisatie kan de werkervaringsovereenkomst onmiddellijk beëindigen:
1° als de werkzoekende ernstig tekortschiet in zijn verplichtingen of in de uitvoering van de acties die met hem in het kader van zijn traject tijdelijke werkervaring zijn overeengekomen;
2° als de schorsing, vermeld in artikel 7, § 3, een dusdanige duur heeft bereikt dat de re-integratie van de werkzoekende in het traject tijdelijke werkervaring niet zonder moeilijkheden kan verlopen;
3° als de VDAB of de gemandateerde partnerorganisatie van oordeel is dat de uitvoering van de overeenkomst kennelijk onmogelijk is geworden;
4° als de werkzoekende aan het werk is, zonder dat het hier een tewerkstelling als vermeld in artikel 60, § 7, van de wet van 8 juli 1976 betreft.
Voor de toepassing van het eerste lid, 2°, beoordeelt de gemandateerde partnerorganisatie wanneer een dusdanige duur is bereikt, echter:
1° een dergelijke duur wordt geacht bereikt te zijn vanaf een schorsingsperiode van ten minste zes maanden;
2° een dergelijke duur kan nooit bereikt zijn als het een schorsingsperiode betreft van minder dan een maand.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 wordt de werkervaringsovereenkomst die een instrument als vermeld in artikel 60, § 7, van de wet van 8 juli 1976, omvat, pas effectief beëindigd zodra dat mogelijk is volgens het geldende arbeidsrecht.
§ 3. Elke stopzetting van de werkervaringsovereenkomst wordt geregistreerd in het systeem van de VDAB. De VDAB kan aanvullende richtlijnen opstellen met betrekking tot die registratie.
1° als de werkzoekende ernstig tekortschiet in zijn verplichtingen of in de uitvoering van de acties die met hem in het kader van zijn traject tijdelijke werkervaring zijn overeengekomen;
2° als de schorsing, vermeld in artikel 7, § 3, een dusdanige duur heeft bereikt dat de re-integratie van de werkzoekende in het traject tijdelijke werkervaring niet zonder moeilijkheden kan verlopen;
3° als de VDAB of de gemandateerde partnerorganisatie van oordeel is dat de uitvoering van de overeenkomst kennelijk onmogelijk is geworden;
4° als de werkzoekende aan het werk is, zonder dat het hier een tewerkstelling als vermeld in artikel 60, § 7, van de wet van 8 juli 1976 betreft.
Voor de toepassing van het eerste lid, 2°, beoordeelt de gemandateerde partnerorganisatie wanneer een dusdanige duur is bereikt, echter:
1° een dergelijke duur wordt geacht bereikt te zijn vanaf een schorsingsperiode van ten minste zes maanden;
2° een dergelijke duur kan nooit bereikt zijn als het een schorsingsperiode betreft van minder dan een maand.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 wordt de werkervaringsovereenkomst die een instrument als vermeld in artikel 60, § 7, van de wet van 8 juli 1976, omvat, pas effectief beëindigd zodra dat mogelijk is volgens het geldende arbeidsrecht.
§ 3. Elke stopzetting van de werkervaringsovereenkomst wordt geregistreerd in het systeem van de VDAB. De VDAB kan aanvullende richtlijnen opstellen met betrekking tot die registratie.
Art. 8. § 1er. Le VDAB ou l'organisme partenaire peuvent mettre un terme immédiat au contrat d'expérience professionnelle dans les cas suivants :
1° le demandeur d'emploi manque gravement à ses obligations ou à l'exécution des actions convenues avec lui dans le cadre de son parcours d'expérience professionnelle temporaire ;
2° la période de suspension, visée à l'article 7, § 3, a atteint une telle durée que la réinsertion du demandeur d'emploi dans le parcours d'expérience professionnelle temporaire s'en trouve compromise ;
3° le VDAB ou l'organisation partenaire mandatée jugent que l'exécution du contrat est devenue manifestement impossible ;
4° le demandeur d'emploi est au travail, sans qu'il s'agisse d'un emploi tel que visé à l'article 60, § 7 de la loi du 8 juillet 1976.
Pour l'application de l'alinéa 1er, 2°, l'organisation partenaire mandatée évalue si une telle durée est atteinte, étant entendu que :
1° une telle durée est considérée être atteinte à partir d'une période de suspension de 6 mois au moins ;
2° une telle durée ne peut pas être atteinte si la période de suspension dure moins d'un mois.
§ 2. Par dérogation au § 1er, le contrat d'expérience professionnelle qui comprend un outil tel que visé à l'article 60, § 7 de la loi du 8 juillet 1976, n'est résilié à titre définitif qu'à partir du moment où le droit du travail en vigueur le permet.
§ 3. Toute cessation de contrat d'expérience de travail est enregistrée dans le système du VDAB. Le VDAB peut prévoir des modalités d'enregistrement.
1° le demandeur d'emploi manque gravement à ses obligations ou à l'exécution des actions convenues avec lui dans le cadre de son parcours d'expérience professionnelle temporaire ;
2° la période de suspension, visée à l'article 7, § 3, a atteint une telle durée que la réinsertion du demandeur d'emploi dans le parcours d'expérience professionnelle temporaire s'en trouve compromise ;
3° le VDAB ou l'organisation partenaire mandatée jugent que l'exécution du contrat est devenue manifestement impossible ;
4° le demandeur d'emploi est au travail, sans qu'il s'agisse d'un emploi tel que visé à l'article 60, § 7 de la loi du 8 juillet 1976.
Pour l'application de l'alinéa 1er, 2°, l'organisation partenaire mandatée évalue si une telle durée est atteinte, étant entendu que :
1° une telle durée est considérée être atteinte à partir d'une période de suspension de 6 mois au moins ;
2° une telle durée ne peut pas être atteinte si la période de suspension dure moins d'un mois.
§ 2. Par dérogation au § 1er, le contrat d'expérience professionnelle qui comprend un outil tel que visé à l'article 60, § 7 de la loi du 8 juillet 1976, n'est résilié à titre définitif qu'à partir du moment où le droit du travail en vigueur le permet.
§ 3. Toute cessation de contrat d'expérience de travail est enregistrée dans le système du VDAB. Le VDAB peut prévoir des modalités d'enregistrement.
Art. 9. § 1. De verplicht ingeschreven werkzoekende die werkloosheids- of inschakelingsuitkeringen geniet en die een werkervaringsovereenkomst heeft gesloten, wordt automatisch vrijgesteld van beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt met toepassing van artikel 5, § 1, 7°, b), van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding" voor de duur van de werkervaringsovereenkomst, met een maximum van twaalf maanden.
Als de werkervaringsovereenkomst, vermeld in het eerste lid, langer duurt dan twaalf maanden, wordt de vrijstelling automatisch verlengd tot het einde van de werkervaringsovereenkomst zonder dat daarvoor een tussenkomst van de werkzoekende vereist is.
§ 2. De vrijstelling, vermeld in paragraaf 1, houdt in dat de verplicht ingeschreven werkzoekende tijdens de duur van de werkervaringsovereenkomst niet hoeft in te gaan op een passend aanbod of een passende dienstbetrekking en zich niet langer hoeft te integreren op de arbeidsmarkt. Hij gaat echter wel in op de acties en afspraken die worden gemaakt in het kader van het traject tijdelijke werkervaring. De werkzoekende werkt ook actief mee aan de uitvoering van het traject tijdelijke werkervaring en de instrumenten die worden ingezet in het kader van dat traject.
Als de werkervaringsovereenkomst wordt stopgezet met toepassing van artikel 111/40 van het besluit van 5 juni 2009, wordt de vrijstelling automatisch en onmiddellijk ingetrokken.
§ 3. De toepassing van dit artikel kan uitsluitend aanleiding geven tot het verlenen van een vrijstelling. Er kunnen geen andere rechten aan ontleend worden.
Als de werkervaringsovereenkomst, vermeld in het eerste lid, langer duurt dan twaalf maanden, wordt de vrijstelling automatisch verlengd tot het einde van de werkervaringsovereenkomst zonder dat daarvoor een tussenkomst van de werkzoekende vereist is.
§ 2. De vrijstelling, vermeld in paragraaf 1, houdt in dat de verplicht ingeschreven werkzoekende tijdens de duur van de werkervaringsovereenkomst niet hoeft in te gaan op een passend aanbod of een passende dienstbetrekking en zich niet langer hoeft te integreren op de arbeidsmarkt. Hij gaat echter wel in op de acties en afspraken die worden gemaakt in het kader van het traject tijdelijke werkervaring. De werkzoekende werkt ook actief mee aan de uitvoering van het traject tijdelijke werkervaring en de instrumenten die worden ingezet in het kader van dat traject.
Als de werkervaringsovereenkomst wordt stopgezet met toepassing van artikel 111/40 van het besluit van 5 juni 2009, wordt de vrijstelling automatisch en onmiddellijk ingetrokken.
§ 3. De toepassing van dit artikel kan uitsluitend aanleiding geven tot het verlenen van een vrijstelling. Er kunnen geen andere rechten aan ontleend worden.
Art. 9. § 1er. Le demandeur d'emploi inscrit obligatoirement, qui bénéficie d'une allocation de chômage ou d'insertion et qui a conclu un contrat d'expérience professionnelle, est automatiquement exempté de disponibilité sur le marché du travail en application de l'article 5, § 1er, 7°, b) du décret du 7 mai 2004 relatif à la création de l'agence autonomisée externe de droit public Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle pour la durée du contrat d'expérience professionnelle, avec un maximum de 12 mois.
Si le contrat d'expérience professionnelle, visé à l'alinéa 1er, dure plus de 12 mois, l'exemption est automatiquement prolongée jusqu'à la fin du contrat d'expérience professionnelle sans l'intervention du demandeur d'emploi.
§ 2. L'exemption, visée au § 1er, implique que pendant la durée du contrat d'expérience professionnelle le demandeur d'emploi inscrit obligatoirement n'est ni obligé de donner suite à des offres appropriées ou d'accepter des emplois appropriés, ni de s'insérer sur le marché du travail. Il donne cependant suite aux actions et accords convenus dans le cadre du parcours d'expérience professionnelle temporaire. En outre, le demandeur d'emploi participe activement à la mise en oeuvre du parcours d'expérience professionnelle temporaire et des outils utilisés dans le cadre de ce parcours.
Si le contrat d'expérience professionnelle est arrêté en vertu de l'article 111/40 de l'arrêté du 5 juin 2009, l'exemption est révoquée automatiquement avec effet immédiat.
§ 3. L'application du présent article ne peut donner lieu qu'à l'octroi d'une exemption. Aucun autre droit ne peut en découler.
Si le contrat d'expérience professionnelle, visé à l'alinéa 1er, dure plus de 12 mois, l'exemption est automatiquement prolongée jusqu'à la fin du contrat d'expérience professionnelle sans l'intervention du demandeur d'emploi.
§ 2. L'exemption, visée au § 1er, implique que pendant la durée du contrat d'expérience professionnelle le demandeur d'emploi inscrit obligatoirement n'est ni obligé de donner suite à des offres appropriées ou d'accepter des emplois appropriés, ni de s'insérer sur le marché du travail. Il donne cependant suite aux actions et accords convenus dans le cadre du parcours d'expérience professionnelle temporaire. En outre, le demandeur d'emploi participe activement à la mise en oeuvre du parcours d'expérience professionnelle temporaire et des outils utilisés dans le cadre de ce parcours.
Si le contrat d'expérience professionnelle est arrêté en vertu de l'article 111/40 de l'arrêté du 5 juin 2009, l'exemption est révoquée automatiquement avec effet immédiat.
§ 3. L'application du présent article ne peut donner lieu qu'à l'octroi d'une exemption. Aucun autre droit ne peut en découler.
Afdeling 4. - Begeleiding
Section 4. - Accompagnement
Art. 10. Een werkzoekende in tijdelijke werkervaring zal tijdens de duur van het traject tijdelijke werkervaring begeleid worden door de trajectbegeleider van de gemandateerde partnerorganisatie.
De begeleiding van de werkzoekende die bij de aanvang van het traject tijdelijke werkervaring leefloongerechtigde was, wordt opgenomen door de trajectbegeleider van het gemandateerde OCMW voor de duur van het traject tijdelijke werkervaring.
De gemandateerde partnerorganisatie kan voor de uitvoering van haar opdracht beroep doen op andere ondernemingen om de opdracht geheel of gedeeltelijk uit te voeren. Die onderaanneming gebeurt op initiatief en verantwoordelijkheid van de gemandateerde partnerorganisatie.
De begeleiding van de werkzoekende die bij de aanvang van het traject tijdelijke werkervaring leefloongerechtigde was, wordt opgenomen door de trajectbegeleider van het gemandateerde OCMW voor de duur van het traject tijdelijke werkervaring.
De gemandateerde partnerorganisatie kan voor de uitvoering van haar opdracht beroep doen op andere ondernemingen om de opdracht geheel of gedeeltelijk uit te voeren. Die onderaanneming gebeurt op initiatief en verantwoordelijkheid van de gemandateerde partnerorganisatie.
Art. 10. Un demandeur d'emploi suivant un parcours d'expérience professionnelle temporaire sera accompagné pendant la durée du parcours par l'accompagnateur de parcours de l'organisation partenaire mandatée.
L'accompagnement du demandeur d'emploi bénéficiant au début du parcours du revenu d'intégration, est assuré par l'accompagnateur de parcours du CPAS mandaté pour la durée du parcours d'expérience professionnelle temporaire.
L'organisation partenaire mandatée peut faire appel à d'autres entreprises pour l'exécution partielle ou entière de sa mission. L'initiative et la responsabilité de cette sous-traitance incombent à l'organisation partenaire mandatée.
L'accompagnement du demandeur d'emploi bénéficiant au début du parcours du revenu d'intégration, est assuré par l'accompagnateur de parcours du CPAS mandaté pour la durée du parcours d'expérience professionnelle temporaire.
L'organisation partenaire mandatée peut faire appel à d'autres entreprises pour l'exécution partielle ou entière de sa mission. L'initiative et la responsabilité de cette sous-traitance incombent à l'organisation partenaire mandatée.
Art. 11. § 1. Voor de aanvang van het traject tijdelijke werkervaring wordt door de trajectbegeleider en de werkzoekende in onderling overleg een opleidingsplan opgesteld. De trajectbegeleider bezorgt een exemplaar van het opleidingsplan aan de werkzoekende.
§ 2. Het opleidingsplan bevat minstens:
1° een concrete weergave van de competenties die de werkzoekende gedurende het traject tijdelijke werkervaring moet verwerven;
2° de instrumenten die zullen worden ingezet gedurende het traject. De instrumenten worden in volgorde vermeld.
Gedurende het traject tijdelijke werkervaring kunnen er wijzigingen van het opleidingsplan worden voorgesteld door de trajectbegeleider. Elke wijziging van het opleidingsplan wordt meegedeeld aan de werkzoekende.
§ 2. Het opleidingsplan bevat minstens:
1° een concrete weergave van de competenties die de werkzoekende gedurende het traject tijdelijke werkervaring moet verwerven;
2° de instrumenten die zullen worden ingezet gedurende het traject. De instrumenten worden in volgorde vermeld.
Gedurende het traject tijdelijke werkervaring kunnen er wijzigingen van het opleidingsplan worden voorgesteld door de trajectbegeleider. Elke wijziging van het opleidingsplan wordt meegedeeld aan de werkzoekende.
Art. 11. § 1er. Avant le début du parcours d'expérience professionnelle temporaire, l'accompagnateur de parcours et le demandeur d'emploi élaborent ensemble un plan de formation. L'accompagnateur de parcours transmet une copie du plan de formation au demandeur d'emploi.
§ 2. Le plan de formation comprend au moins :
1° une description concrète des compétences à acquérir pendant le parcours d'expérience professionnelle temporaire ;
2° les outils qui seront utilisés pendant le parcours. Les outils sont mentionnés par ordre de mise en oeuvre.
L'accompagnateur de parcours peut proposer au cours du parcours d'expérience professionnelle temporaire des modifications au plan de formation. Chaque modification au plan de formation est communiquée au demandeur d'emploi.
§ 2. Le plan de formation comprend au moins :
1° une description concrète des compétences à acquérir pendant le parcours d'expérience professionnelle temporaire ;
2° les outils qui seront utilisés pendant le parcours. Les outils sont mentionnés par ordre de mise en oeuvre.
L'accompagnateur de parcours peut proposer au cours du parcours d'expérience professionnelle temporaire des modifications au plan de formation. Chaque modification au plan de formation est communiquée au demandeur d'emploi.
Art. 12. De taken van de trajectbegeleider omvatten ten minste:
1° de werkervaringsovereenkomst met de VDAB opmaken, sluiten en registreren;
2° het opleidingsplan, vermeld in artikel 11, opstellen;
3° de werkzoekende opvolgen en het traject tijdelijke werkervaring en het opleidingsplan evalueren, waarbij minstens om de zes maanden een evaluatie wordt gemaakt;
4° de werkzoekende begeleiden en ondersteunen met aandacht voor de ontwikkeling van zijn generieke competenties;
5° de verschillende instrumenten, vermeld in afdeling 5, inzetten in overeenstemming met het opleidingsplan en met aandacht voor de ondersteuning en begeleiding van de werkzoekende, en naar werkplekken voor de werkzoekende zoeken;
6° de verschillende instrumenten, vermeld in afdeling 5, als ze ingezet worden, opvolgen en evalueren, ook op de werkplek zelf;
7° de rol van contactpersoon vervullen voor de VDAB, voor de werkzoekende en voor de aanbieders van werkplekken, inclusief administratieve ondersteuning bieden;
8° algemene ondersteuning bieden aan de aanbieder van de werkplek;
9° registratie de werkzoekende registreren in het systeem van de VDAB en administratieve opvolging van het dossier van de werkzoekende administratief opvolgen;
10° de rol van contactpersoon vervullen voor de werkzoekende en voor de werkgever bij een tewerkstelling die volgt op het traject tijdelijke werkervaring.
1° de werkervaringsovereenkomst met de VDAB opmaken, sluiten en registreren;
2° het opleidingsplan, vermeld in artikel 11, opstellen;
3° de werkzoekende opvolgen en het traject tijdelijke werkervaring en het opleidingsplan evalueren, waarbij minstens om de zes maanden een evaluatie wordt gemaakt;
4° de werkzoekende begeleiden en ondersteunen met aandacht voor de ontwikkeling van zijn generieke competenties;
5° de verschillende instrumenten, vermeld in afdeling 5, inzetten in overeenstemming met het opleidingsplan en met aandacht voor de ondersteuning en begeleiding van de werkzoekende, en naar werkplekken voor de werkzoekende zoeken;
6° de verschillende instrumenten, vermeld in afdeling 5, als ze ingezet worden, opvolgen en evalueren, ook op de werkplek zelf;
7° de rol van contactpersoon vervullen voor de VDAB, voor de werkzoekende en voor de aanbieders van werkplekken, inclusief administratieve ondersteuning bieden;
8° algemene ondersteuning bieden aan de aanbieder van de werkplek;
9° registratie de werkzoekende registreren in het systeem van de VDAB en administratieve opvolging van het dossier van de werkzoekende administratief opvolgen;
10° de rol van contactpersoon vervullen voor de werkzoekende en voor de werkgever bij een tewerkstelling die volgt op het traject tijdelijke werkervaring.
Art. 12. L'accompagnateur de parcours a au moins les tâches suivantes :
1° établir, conclure et enregistrer le contrat d'expérience professionnelle avec le VDAB ;
2° élaborer le plan de formation, visé à l'article 11 ;
3° suivre le demandeur d'emploi et évaluer au moins tous les 6 mois le trajet d'expérience professionnelle temporaire et le plan de formation ;
4° accompagner et soutenir le demandeur d'emploi, avec une attention particulière au développement de ses compétences génériques ;
5° utiliser les différents outils, mentionnés à la section 5, conformément au plan de formation avec une attention particulière au soutien et à l'accompagnement du demandeur d'emploi, et chercher des postes d'emploi pour le demandeur d'emploi ;
6° faire le suivi de, et évaluer les différents outils utilisés, visés à la section 5, y compris sur le lieu de travail ;
7° agir en tant que personne de contact pour le VDAB, le demandeur d'emploi et les offreurs d'emplois, y compris l'appui administratif ;
8° offrir un soutien général à l'offreur d'emploi ;
9° enregistrer le demandeur d'emploi dans le système du VDAB et assurer le suivi administratif de son dossier ;
10° agir en tant que personne de contact pour le demandeur d'emploi et l'employeur lorsque le parcours d'expérience professionnelle temporaire est suivi d'une mise à l'emploi.
1° établir, conclure et enregistrer le contrat d'expérience professionnelle avec le VDAB ;
2° élaborer le plan de formation, visé à l'article 11 ;
3° suivre le demandeur d'emploi et évaluer au moins tous les 6 mois le trajet d'expérience professionnelle temporaire et le plan de formation ;
4° accompagner et soutenir le demandeur d'emploi, avec une attention particulière au développement de ses compétences génériques ;
5° utiliser les différents outils, mentionnés à la section 5, conformément au plan de formation avec une attention particulière au soutien et à l'accompagnement du demandeur d'emploi, et chercher des postes d'emploi pour le demandeur d'emploi ;
6° faire le suivi de, et évaluer les différents outils utilisés, visés à la section 5, y compris sur le lieu de travail ;
7° agir en tant que personne de contact pour le VDAB, le demandeur d'emploi et les offreurs d'emplois, y compris l'appui administratif ;
8° offrir un soutien général à l'offreur d'emploi ;
9° enregistrer le demandeur d'emploi dans le système du VDAB et assurer le suivi administratif de son dossier ;
10° agir en tant que personne de contact pour le demandeur d'emploi et l'employeur lorsque le parcours d'expérience professionnelle temporaire est suivi d'une mise à l'emploi.
Afdeling 5. - Instrumenten en opbouw traject
Section 5. - Outils et structure du parcours
Onderafdeling 1. - Instrumenten
Sous-section 1re. - Outils
Art. 13. Tijdens het traject tijdelijke werkervaring kan de trajectbegeleider in overeenstemming met het opleidingsplan de instrumenten, vermeld in deze afdeling, inzetten.
Art. 13. Au cours du parcours d'expérience professionnelle temporaire l'accompagnateur de parcours peut utiliser les outils mentionnés dans la présente section, conformément au plan de formation.
Art. 14. De trajectbegeleider kan het instrument van de beroepsopleiding of de opleidingsstage, vermeld in artikel 78 tot en met 86 van het besluit van 5 juni 2009, inzetten.
Art. 14. L'accompagnateur de parcours peut utiliser les outils de la formation professionnelle et du stage de formation, visés aux articles 78 à 86 de l'arrêté du 5 juin 2009.
Art. 15. De trajectbegeleider van het gemandateerde OCMW moet het instrument, vermeld in artikel 60, § 7, van de wet van 8 juli 1976, inzetten als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1° de werkzoekende is een leefloongerechtigde bij de aanvang van het traject en heeft bij de aanvang van het traject tijdelijke werkervaring geen recht op volledige sociale uitkeringen;
2° het instrument wordt ingezet aan het begin van het traject en begint uiterlijk vóór het einde van de tweede maand van het traject;
3 het instrument wordt slechts ingezet tot het moment dat de werkzoekende volledige sociale rechten heeft verworven;
4° het instrument wordt bij voorkeur ingezet met een voltijdse tewerkstelling. Uitzonderlijk is een deeltijdse tewerkstelling mogelijk, als het minstens een halftijdse tewerkstelling bedraagt.
Als de trajectbegeleider van het gemandateerde OCMW niet het OCMW is dat bevoegd is voor het afsluiten van de arbeidsovereenkomst, vermeld in artikel 60, § 7, van de wet van 8 juli 1976, verzoekt het gemandateerde OCMW aan het bevoegde OCMW om de arbeidsovereenkomst te sluiten.
1° de werkzoekende is een leefloongerechtigde bij de aanvang van het traject en heeft bij de aanvang van het traject tijdelijke werkervaring geen recht op volledige sociale uitkeringen;
2° het instrument wordt ingezet aan het begin van het traject en begint uiterlijk vóór het einde van de tweede maand van het traject;
3 het instrument wordt slechts ingezet tot het moment dat de werkzoekende volledige sociale rechten heeft verworven;
4° het instrument wordt bij voorkeur ingezet met een voltijdse tewerkstelling. Uitzonderlijk is een deeltijdse tewerkstelling mogelijk, als het minstens een halftijdse tewerkstelling bedraagt.
Als de trajectbegeleider van het gemandateerde OCMW niet het OCMW is dat bevoegd is voor het afsluiten van de arbeidsovereenkomst, vermeld in artikel 60, § 7, van de wet van 8 juli 1976, verzoekt het gemandateerde OCMW aan het bevoegde OCMW om de arbeidsovereenkomst te sluiten.
Art. 15. L'accompagnateur de parcours du CPAS mandaté doit utiliser l'outil, visé à l'article 60, § 7 de la loi du 8 juillet 1976, si les conditions suivantes sont réunies :
1° le demandeur d'emploi bénéficie du revenu d'intégration au début du parcours et n'a pas droit aux prestations sociales intégrales à ce moment ;
2° l'outil est utilisé au début du parcours et commence au plus tard avant la fin du deuxième mois du parcours ;
3° l'outil n'est utilisé que jusqu'à ce que le demandeur d'emploi a acquis les droits sociaux intégraux ;
4° l'outil est utilisé de préférence dans un emploi à temps plein. Un emploi à temps partiel est exceptionnellement possible, s'il s'agit au moins d'un emploi à mi-temps.
Si l'accompagnateur de parcours du CPAS mandaté n'est pas le CPAS compétent pour la conclusion du contrat de travail, visé à l'article 60, § 7, de la loi du 8 juillet 1976, le CPAS mandaté demande au CPAS compétent de conclure le contrat de travail.
1° le demandeur d'emploi bénéficie du revenu d'intégration au début du parcours et n'a pas droit aux prestations sociales intégrales à ce moment ;
2° l'outil est utilisé au début du parcours et commence au plus tard avant la fin du deuxième mois du parcours ;
3° l'outil n'est utilisé que jusqu'à ce que le demandeur d'emploi a acquis les droits sociaux intégraux ;
4° l'outil est utilisé de préférence dans un emploi à temps plein. Un emploi à temps partiel est exceptionnellement possible, s'il s'agit au moins d'un emploi à mi-temps.
Si l'accompagnateur de parcours du CPAS mandaté n'est pas le CPAS compétent pour la conclusion du contrat de travail, visé à l'article 60, § 7, de la loi du 8 juillet 1976, le CPAS mandaté demande au CPAS compétent de conclure le contrat de travail.
Art. 16. De trajectbegeleider kan het instrument van de [1 beroepsverkennende]1 stage, vermeld in titel II, hoofdstuk II, afdeling III, van het besluit van 5 juni 2009, inzetten als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1° het instrument wordt ingezet aan het begin van het traject, bij voorkeur als eerste instrument van het traject tijdelijke werkervaring. Uitzonderlijk kan de trajectbegeleider daarvan afwijken als hij op een later tijdstip een behoefte aan oriëntering of heroriëntering bij de werkzoekende vaststelt;
2° verschillende [1 beroepsverkennende]1 stages zijn alleen mogelijk als de gecumuleerde duur van die stages niet meer dan dertig dagen bedraagt.
1° het instrument wordt ingezet aan het begin van het traject, bij voorkeur als eerste instrument van het traject tijdelijke werkervaring. Uitzonderlijk kan de trajectbegeleider daarvan afwijken als hij op een later tijdstip een behoefte aan oriëntering of heroriëntering bij de werkzoekende vaststelt;
2° verschillende [1 beroepsverkennende]1 stages zijn alleen mogelijk als de gecumuleerde duur van die stages niet meer dan dertig dagen bedraagt.
Modifications
Art. 16. L'accompagnateur de parcours peut utiliser l'outil du stage [1 d'orientation professionnelle]1, visé au titre II, chapitre II, section III, de l'arrêté du 5 juin 2009, lorsque les conditions suivantes sont réunies :
1° l'outil est utilisé au début du trajet, de préférence comme premier outil du parcours d'expérience professionnelle temporaire. A titre exceptionnel l'accompagnateur de parcours peut déroger de cette règle lorsqu'il constate à un stade ultérieur un besoin [1 d'orientation professionnelle]1 ou de réorientation auprès du demandeur d'emploi ;
2° il n'est possible de suivre différents stages [1 d'orientation professionnelle]1 que si la durée cumulée de ces stages ne dépasse pas 30 jours.
1° l'outil est utilisé au début du trajet, de préférence comme premier outil du parcours d'expérience professionnelle temporaire. A titre exceptionnel l'accompagnateur de parcours peut déroger de cette règle lorsqu'il constate à un stade ultérieur un besoin [1 d'orientation professionnelle]1 ou de réorientation auprès du demandeur d'emploi ;
2° il n'est possible de suivre différents stages [1 d'orientation professionnelle]1 que si la durée cumulée de ces stages ne dépasse pas 30 jours.
Modifications
Art. 17. De trajectbegeleider kan het instrument van de werkervaringsstage, vermeld in artikel 111/0/1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 houdende de organisatie van de arbeidsbemiddeling en de beroepsopleiding, inzetten als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1° de werkzoekende heeft een grote, maar overbrugbare afstand tot de arbeidsmarkt;
2° de werkzoekende beschikt over voldoende leerpotentieel om baat te hebben bij een werkervaring;
3° een werkervaringsstage op een werkplek in de sociale economie is alleen mogelijk in de eerste twaalf maanden van het traject tijdelijke werkervaring;
4° de werkervaringsstage op een werkplek in de sociale economie mag de gecumuleerde duur van twaalf maanden niet overschrijden;
5° verschillende werkervaringsstages zijn alleen mogelijk op duidelijk verschillende werkplekken of bij duidelijk verschillende functies.
1° de werkzoekende heeft een grote, maar overbrugbare afstand tot de arbeidsmarkt;
2° de werkzoekende beschikt over voldoende leerpotentieel om baat te hebben bij een werkervaring;
3° een werkervaringsstage op een werkplek in de sociale economie is alleen mogelijk in de eerste twaalf maanden van het traject tijdelijke werkervaring;
4° de werkervaringsstage op een werkplek in de sociale economie mag de gecumuleerde duur van twaalf maanden niet overschrijden;
5° verschillende werkervaringsstages zijn alleen mogelijk op duidelijk verschillende werkplekken of bij duidelijk verschillende functies.
Art. 17. L'accompagnateur de parcours peut utiliser l'outil du stage d'expérience professionnelle, visé à l'article 111/0/1 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 juin 2009 portant organisation du placement et de la formation professionnelle, lorsque les conditions suivantes sont réunies :
1° la distance entre le demandeur d'emploi et le marché du travail est importante mais surmontable ;
2° le demandeur d'emploi a suffisamment de potentiel d'apprentissage pour tirer profit d'une expérience professionnelle ;
3° un stage d'expérience professionnelle dans l'économie sociale n'est possible que pendant les 12 premiers mois du parcours d'expérience professionnelle temporaire ;
4° le stage d'expérience professionnelle dans l'économie sociale ne peut pas dépasser la durée cumulée de 12 mois ;
5° il n'est possible de suivre différents stages d'expérience professionnelle que sur des lieux de travail ou dans des fonctions nettement différents.
1° la distance entre le demandeur d'emploi et le marché du travail est importante mais surmontable ;
2° le demandeur d'emploi a suffisamment de potentiel d'apprentissage pour tirer profit d'une expérience professionnelle ;
3° un stage d'expérience professionnelle dans l'économie sociale n'est possible que pendant les 12 premiers mois du parcours d'expérience professionnelle temporaire ;
4° le stage d'expérience professionnelle dans l'économie sociale ne peut pas dépasser la durée cumulée de 12 mois ;
5° il n'est possible de suivre différents stages d'expérience professionnelle que sur des lieux de travail ou dans des fonctions nettement différents.
Art. 18. De trajectbegeleider kan het instrument van de individuele beroepsopleiding, vermeld in titel III, hoofdstuk III, van het besluit van 5 juni 2009, inzetten als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1° de werkzoekende heeft reeds een ander instrument van deze afdeling doorlopen en is bijna klaar om ingezet te worden op de reguliere arbeidsmarkt;
2° de individuele beroepsopleiding wordt ingezet als laatste instrument van het traject.
1° de werkzoekende heeft reeds een ander instrument van deze afdeling doorlopen en is bijna klaar om ingezet te worden op de reguliere arbeidsmarkt;
2° de individuele beroepsopleiding wordt ingezet als laatste instrument van het traject.
Art. 18. L'accompagnateur de parcours peut utiliser l'outil de la formation professionnelle individuelle, visée au titre III, chapitre III, de l'arrêté du 5 juin 2009, lorsque les conditions suivantes sont réunies :
1° le demandeur d'emploi a déjà parcouru un autre outil de cette section et est presque prêt à s'insérer dans le marché du travail régulier ;
2° la formation professionnelle individuelle est utilisée comme dernier outil du parcours.
1° le demandeur d'emploi a déjà parcouru un autre outil de cette section et est presque prêt à s'insérer dans le marché du travail régulier ;
2° la formation professionnelle individuelle est utilisée comme dernier outil du parcours.
Onderafdeling 2. - Opbouw traject
Sous-section 2. - Structure du parcours
Art. 19. De trajectbegeleider die tijdens het traject tijdelijke werkervaring de instrumenten, vermeld in onderafdeling 1, inzet, waakt er over een logische volgorde van de instrumenten te hanteren. Deze volgorde van de instrumenten wordt opgenomen in het opleidingsplan.
Om de instrumenten en de volgorde van de instrumenten vast te stellen, houdt de trajectbegeleider rekening met de volgende principes:
1° de instrumenten die een oriënterende doelstelling hebben, worden zo veel mogelijk ingezet aan het begin van het traject;
2° de instrumenten worden ingezet met aandacht voor de ontwikkeling van de toenemende competenties van de werkzoekende in de loop van het traject;
3° de instrumenten worden zo veel mogelijk ingezet in een volgorde die voor de werkzoekende een stijgende financiële tegemoetkoming tot gevolg heeft;
4° de inzet van de instrumenten op werkplekken in de sociale economie is alleen mogelijk tijdens twaalf maanden van het traject tijdelijke werkervaring;
5° het traject tijdelijke werkervaring omvat ten minste twee instrumenten per jaar;
6° er wordt naar gestreefd om de instrumenten die worden ingezet gedurende het traject tijdelijke werkervaring, zo goed mogelijk op elkaar te laten aansluiten, zodat de periodes tussen de inzet van de instrumenten tot een minimum worden herleid.
Voor het instrument, vermeld in artikel 60, § 7, van de wet van 8 juli 1976, kan van de principes, vermeld in het tweede lid, 3° tot en met 5°, worden afgeweken.
Om de instrumenten en de volgorde van de instrumenten vast te stellen, houdt de trajectbegeleider rekening met de volgende principes:
1° de instrumenten die een oriënterende doelstelling hebben, worden zo veel mogelijk ingezet aan het begin van het traject;
2° de instrumenten worden ingezet met aandacht voor de ontwikkeling van de toenemende competenties van de werkzoekende in de loop van het traject;
3° de instrumenten worden zo veel mogelijk ingezet in een volgorde die voor de werkzoekende een stijgende financiële tegemoetkoming tot gevolg heeft;
4° de inzet van de instrumenten op werkplekken in de sociale economie is alleen mogelijk tijdens twaalf maanden van het traject tijdelijke werkervaring;
5° het traject tijdelijke werkervaring omvat ten minste twee instrumenten per jaar;
6° er wordt naar gestreefd om de instrumenten die worden ingezet gedurende het traject tijdelijke werkervaring, zo goed mogelijk op elkaar te laten aansluiten, zodat de periodes tussen de inzet van de instrumenten tot een minimum worden herleid.
Voor het instrument, vermeld in artikel 60, § 7, van de wet van 8 juli 1976, kan van de principes, vermeld in het tweede lid, 3° tot en met 5°, worden afgeweken.
Art. 19. L'accompagnateur de parcours utilisant au cours du parcours d'expérience professionnelle temporaire les outils, visés à la sous-section 1re, veille à ce qu'ils soient utilisés dans un ordre logique. L'ordre de ces outils est repris dans le plan de formation.
L'accompagnateur de parcours fixe les outils et leur ordre sur la base des principes suivants :
1° les outils d'orientation sont utilisés dans la mesure du possible au début du parcours ;
2° les outils sont utilisés en tenant compte de l'évolution des compétences du demandeur d'emploi au cours du parcours ;
3° les outils sont utilisés dans la mesure du possible dans un ordre correspondant à une aide financière croissante pour le demandeur d'emploi ;
4° l'utilisation des outils pour des emplois dans l'économie sociale n'est possible que pendant 12 mois du parcours d'expérience professionnelle temporaire ;
5° le parcours d'expérience professionnelle temporaire prévoit au moins 2 outils par an ;
6° les outils utilisés pendant le parcours d'expérience professionnelle temporaire s'enchaînent le mieux possible, de manière à réduire au minimum les périodes entre les différents outils.
En ce qui concerne l'outil, visé à l'article 60, § 7 de la loi du 8 juillet 1976, il peut être dérogé aux principes, mentionnés à l'alinéa 2, 3° à 5°.
L'accompagnateur de parcours fixe les outils et leur ordre sur la base des principes suivants :
1° les outils d'orientation sont utilisés dans la mesure du possible au début du parcours ;
2° les outils sont utilisés en tenant compte de l'évolution des compétences du demandeur d'emploi au cours du parcours ;
3° les outils sont utilisés dans la mesure du possible dans un ordre correspondant à une aide financière croissante pour le demandeur d'emploi ;
4° l'utilisation des outils pour des emplois dans l'économie sociale n'est possible que pendant 12 mois du parcours d'expérience professionnelle temporaire ;
5° le parcours d'expérience professionnelle temporaire prévoit au moins 2 outils par an ;
6° les outils utilisés pendant le parcours d'expérience professionnelle temporaire s'enchaînent le mieux possible, de manière à réduire au minimum les périodes entre les différents outils.
En ce qui concerne l'outil, visé à l'article 60, § 7 de la loi du 8 juillet 1976, il peut être dérogé aux principes, mentionnés à l'alinéa 2, 3° à 5°.
Art. 20. Als de VDAB vaststelt dat de bepalingen van dit hoofdstuk niet worden nageleefd door de gemandateerde partnerorganisatie bij een traject tijdelijke werkervaring, kan de VDAB beslissen het traject stop te zetten.
De gemandateerde partnerorganisatie laat de VDAB of de door de VDAB aangestelde persoon of organisatie op elk moment toe een kwaliteitscontrole te verrichten op de dienstverlening ter uitvoering van dit besluit.
Voor de controle op de bepalingen van dit hoofdstuk kan de VDAB alle noodzakelijke gegevensbronnen raadplegen.
De gemandateerde partnerorganisatie laat de VDAB of de door de VDAB aangestelde persoon of organisatie op elk moment toe een kwaliteitscontrole te verrichten op de dienstverlening ter uitvoering van dit besluit.
Voor de controle op de bepalingen van dit hoofdstuk kan de VDAB alle noodzakelijke gegevensbronnen raadplegen.
Art. 20. Lorsque le VDAB constate le non-respect des dispositions du présent chapitre par l'organisation partenaire mandatée lors d'un parcours d'expérience professionnelle temporaire, il peut décider de mettre fin au parcours.
L'organisation partenaire mandatée permet à tout moment que des contrôles de qualité des services fournis en exécution du présent arrêté soient effectués par le VDAB ou la personne ou l'organisation désignées par le VDAB.
Le VDAB peut consulter toutes les sources de données nécessaires dans le cadre du contrôle du respect des dispositions du présent chapitre.
L'organisation partenaire mandatée permet à tout moment que des contrôles de qualité des services fournis en exécution du présent arrêté soient effectués par le VDAB ou la personne ou l'organisation désignées par le VDAB.
Le VDAB peut consulter toutes les sources de données nécessaires dans le cadre du contrôle du respect des dispositions du présent chapitre.
HOOFDSTUK 2. - Subsidievoorwaarden voor de begeleiding van leefloongerechtigden die in een traject tijdelijk werkervaring stappen
CHAPITRE 2. - Conditions de subvention de l'accompagnement des bénéficiaires du revenu d'intégration qui suivent un parcours d'expérience professionnelle temporaire
Afdeling 1. - Definitie
Section 1re. - Définition
Art. 21. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder vergoeding: een financiële compensatie voor de uitvoering van de dienstverlening, vermeld in dit hoofdstuk.
Art. 21. Dans le présent chapitre, il y a lieu d'entendre par indemnité : une compensation financière pour l'exécution des services visés au présent chapitre.
Afdeling 2. - Voorwaarden
Section 2. - Conditions
Art. 22. Binnen de perken van de goedgekeurde jaarlijkse begrotingskredieten en volgens de voorwaarden, vermeld in dit hoofdstuk, kent de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, de dienstverlening, vermeld in dit hoofdstuk, toe aan het OCMW. De VDAB verstrekt aan het gemandateerde OCMW de steun, vermeld in dit hoofdstuk, voor de realisatie van de voormelde dienstverlening.
Zolang het gemandateerde OCMW voldoet aan de voorwaarden voor de realisatie van de dienstverlening, vermeld in dit besluit, geldt de steun, vermeld in dit besluit, voor een duur van tien jaar vanaf de mandatering.
De Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, brengt het gemandateerde OCMW schriftelijk op de hoogte van de toekenningsvoorwaarden van de mandatering. Hij vermeldt daarbij in het bijzonder:
1° de naam en het adres van het OCMW;
2° de duur van de beslissing;
3° de omschrijving van de openbare dienstverlening;
4° een beschrijving van het compensatiemechanisme en de parameters voor de berekening, monitoring en herziening van de compensatie;
5° de regeling om eventuele overcompensatie te vermijden en terug te vorderen;
6° de opgave van de wettelijke grondslag voor de dienstverlening;
7° de niet-overdraagbaarheid van het mandaat.
Zolang het gemandateerde OCMW voldoet aan de voorwaarden voor de realisatie van de dienstverlening, vermeld in dit besluit, geldt de steun, vermeld in dit besluit, voor een duur van tien jaar vanaf de mandatering.
De Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, brengt het gemandateerde OCMW schriftelijk op de hoogte van de toekenningsvoorwaarden van de mandatering. Hij vermeldt daarbij in het bijzonder:
1° de naam en het adres van het OCMW;
2° de duur van de beslissing;
3° de omschrijving van de openbare dienstverlening;
4° een beschrijving van het compensatiemechanisme en de parameters voor de berekening, monitoring en herziening van de compensatie;
5° de regeling om eventuele overcompensatie te vermijden en terug te vorderen;
6° de opgave van de wettelijke grondslag voor de dienstverlening;
7° de niet-overdraagbaarheid van het mandaat.
Art. 22. Dans les limites des crédits budgétaires annuels approuvés et aux conditions, visées au présent chapitre, le Ministre flamand chargé de la politique de l'emploi mandate le CPAS de fournir les services, visés au présent chapitre. Le VDAB fournit au CPAS mandaté l'aide, visée au présent chapitre, pour la mise en place de ces services.
Dans la mesure où le CPAS mandaté répond aux conditions pour la prestation de service, visée au présent arrêté, l'aide, visée au présent arrêté, est fournie pendant 10 ans à compter du début du mandat.
Le Ministre flamand chargé de la politique de l'emploi informe le CPAS mandaté des conditions d'octroi du mandat. Il précise en particulier :
1° le nom et l'adresse du CPAS ;
2° la durée de validité de la décision ;
3° la description des prestations de services publics ;
4° une description du mécanisme de compensation et des paramètres pour le calcul, le monitoring et la révision de la compensation ;
5° les modalités de récupération des éventuelles surcompensations et les moyens d'éviter ces dernières ;
6° la base légale des services ;
7° la non-transmissibilité du mandat.
Dans la mesure où le CPAS mandaté répond aux conditions pour la prestation de service, visée au présent arrêté, l'aide, visée au présent arrêté, est fournie pendant 10 ans à compter du début du mandat.
Le Ministre flamand chargé de la politique de l'emploi informe le CPAS mandaté des conditions d'octroi du mandat. Il précise en particulier :
1° le nom et l'adresse du CPAS ;
2° la durée de validité de la décision ;
3° la description des prestations de services publics ;
4° une description du mécanisme de compensation et des paramètres pour le calcul, le monitoring et la révision de la compensation ;
5° les modalités de récupération des éventuelles surcompensations et les moyens d'éviter ces dernières ;
6° la base légale des services ;
7° la non-transmissibilité du mandat.
Art. 23. Het gemandateerde OCMW is belast met de begeleiding van werkzoekenden tijdens het traject tijdelijke werkervaring en verkrijgt de steun, vermeld in dit besluit, als aan de volgende voorwaarden voldaan is:
1° het gaat om een leefloongerechtigde bij de start van het traject tijdelijke werkervaring;
2° het gemandateerde OCMW voorziet tijdens het traject tijdelijke werkervaring in de toepassing van het instrument, vermeld in artikel 15;
3° het gemandateerde OCMW voorziet in begeleiding conform alle bepalingen van dit besluit voor de volledige duur van het traject tijdelijke werkervaring, met inbegrip van de tewerkstelling met toepassing van artikel 60, § 7, van de wet van 8 juli 1976.
1° het gaat om een leefloongerechtigde bij de start van het traject tijdelijke werkervaring;
2° het gemandateerde OCMW voorziet tijdens het traject tijdelijke werkervaring in de toepassing van het instrument, vermeld in artikel 15;
3° het gemandateerde OCMW voorziet in begeleiding conform alle bepalingen van dit besluit voor de volledige duur van het traject tijdelijke werkervaring, met inbegrip van de tewerkstelling met toepassing van artikel 60, § 7, van de wet van 8 juli 1976.
Art. 23. Le CPAS mandaté est chargé d'accompagner les demandeurs d'emploi pendant le parcours d'expérience professionnelle temporaire et reçoit l'aide, visée au présent arrêté, si les conditions suivantes sont remplies :
1° le demandeur d'emploi bénéficie du revenu d'intégration au début du parcours d'expérience professionnelle temporaire ;
2° le CPAS mandaté prévoit pendant le parcours d'expérience professionnelle temporaire l'utilisation de l'outil, visé à l'article 15 ;
3° le CPAS mandaté assure l'accompagnement conformément au présent arrêté pour la durée totale du parcours d'expérience professionnelle temporaire, y compris la mise à l'emploi en application de l'article 60, § 7, de la loi du 8 juillet 1976.
1° le demandeur d'emploi bénéficie du revenu d'intégration au début du parcours d'expérience professionnelle temporaire ;
2° le CPAS mandaté prévoit pendant le parcours d'expérience professionnelle temporaire l'utilisation de l'outil, visé à l'article 15 ;
3° le CPAS mandaté assure l'accompagnement conformément au présent arrêté pour la durée totale du parcours d'expérience professionnelle temporaire, y compris la mise à l'emploi en application de l'article 60, § 7, de la loi du 8 juillet 1976.
Art. 24. § 1. Het gemandateerde OCMW kan voor de uitvoering van de dienstverlening, vermeld in dit besluit, een beroep doen op onderaannemers. Dat gebeurt telkens op initiatief en verantwoordelijkheid van het gemandateerde OCMW zelf.
De steun kan door het gemandateerde OCMW geheel of gedeeltelijk doorgegeven worden aan de onderaannemers waar het gemandateerde OCMW mee samenwerkt voor de uitvoering van de begeleiding. Het gemandateerde OCMW verbindt er zich in dat geval toe om een samenwerkingsovereenkomst te sluiten met die onderaannemers, waarin minstens afspraken worden vastgelegd over de verdeling van het ontvangen subsidiebedrag.
§ 2. Het gemandateerde OCMW kan ervoor kiezen om de dienstverlening, vermeld in dit besluit, door te geven aan een ander OCMW dat gemandateerd is in het kader van dit besluit. Het gemandateerde OCMW maakt in dat geval de nodige afspraken over de verdeling van het ontvangen subsidiebedrag.
De steun kan door het gemandateerde OCMW geheel of gedeeltelijk doorgegeven worden aan de onderaannemers waar het gemandateerde OCMW mee samenwerkt voor de uitvoering van de begeleiding. Het gemandateerde OCMW verbindt er zich in dat geval toe om een samenwerkingsovereenkomst te sluiten met die onderaannemers, waarin minstens afspraken worden vastgelegd over de verdeling van het ontvangen subsidiebedrag.
§ 2. Het gemandateerde OCMW kan ervoor kiezen om de dienstverlening, vermeld in dit besluit, door te geven aan een ander OCMW dat gemandateerd is in het kader van dit besluit. Het gemandateerde OCMW maakt in dat geval de nodige afspraken over de verdeling van het ontvangen subsidiebedrag.
Art. 24. § 1er. Pour la prestation des services, visés au présent arrêté, le CPAS peut faire appel à des sous-traitants. L'initiative et la responsabilité de cette sous-traitance incombent toujours au CPAS.
Le CPAS mandaté peut transférer la totalité ou une partie de l'aide à ses sous-traitants dans le cadre de l'exécution de l'accompagnement. Dans ce cas le CPAS s'engage à conclure un accord de coopération avec ces sous-traitants, qui prévoit au moins la répartition du montant de subvention perçu.
§ 2. Le CPAS mandaté peut décider de transférer la prestation de service, telle que visée au présent arrêté, à un autre CPAS qui est mandaté dans le cadre du présent arrêté. Dans ce cas le CPAS mandaté conclut des accords sur la répartition du montant de subvention perçu.
Le CPAS mandaté peut transférer la totalité ou une partie de l'aide à ses sous-traitants dans le cadre de l'exécution de l'accompagnement. Dans ce cas le CPAS s'engage à conclure un accord de coopération avec ces sous-traitants, qui prévoit au moins la répartition du montant de subvention perçu.
§ 2. Le CPAS mandaté peut décider de transférer la prestation de service, telle que visée au présent arrêté, à un autre CPAS qui est mandaté dans le cadre du présent arrêté. Dans ce cas le CPAS mandaté conclut des accords sur la répartition du montant de subvention perçu.
Art. 25. Het gemandateerde OCMW maakt jaarlijks een begroting op met een overzicht van de voorzienbare inkomsten en de geraamde uitgaven voor de van toepassing zijnde dienstverlening, vermeld in dit hoofdstuk.
Het gemandateerde OCMW hanteert een boekhouding die de inkomsten en de uitgaven die verband houden met de dienstverlening, vermeld in dit besluit, alsook de parameters, vermeld in artikel 29 en 34, voor de toerekening van de kosten en de inkomsten, transparant afzondert.
Als het gemandateerde OCMW met onderaannemers werkt, moet duidelijk zichtbaar zijn welke inkomsten die onderaannemers verworven hebben en welke uitgaven ze gedaan hebben, en aan welke dienstverlening dat gekoppeld is.
Het gemandateerde OCMW draagt in alle gevallen de financiële eindverantwoordelijkheid voor de toepassing van dit hoofdstuk, ongeacht of er met onderaannemers wordt gewerkt.
De VDAB kan aanvullende richtlijnen uitvaardigen voor de te hanteren boekhouding en de wijze waarop ze ingediend moet worden met het oog op de rechtmatigheidscontrole van de kosten en de inkomsten.
Het gemandateerde OCMW hanteert een boekhouding die de inkomsten en de uitgaven die verband houden met de dienstverlening, vermeld in dit besluit, alsook de parameters, vermeld in artikel 29 en 34, voor de toerekening van de kosten en de inkomsten, transparant afzondert.
Als het gemandateerde OCMW met onderaannemers werkt, moet duidelijk zichtbaar zijn welke inkomsten die onderaannemers verworven hebben en welke uitgaven ze gedaan hebben, en aan welke dienstverlening dat gekoppeld is.
Het gemandateerde OCMW draagt in alle gevallen de financiële eindverantwoordelijkheid voor de toepassing van dit hoofdstuk, ongeacht of er met onderaannemers wordt gewerkt.
De VDAB kan aanvullende richtlijnen uitvaardigen voor de te hanteren boekhouding en de wijze waarop ze ingediend moet worden met het oog op de rechtmatigheidscontrole van de kosten en de inkomsten.
Art. 25. Le CPAS mandaté publie chaque année un budget récapitulant les recettes prévisibles et des dépenses estimées pour la prestation de service applicable, visée au présent chapitre.
Le CPAS tient une comptabilité détaillée et transparente des recettes et des dépenses liées aux services, visés au présent arrêté, ainsi que des paramètres figurant aux articles 29 et 34, en vue de l'imputation des recettes et dépenses.
Les recettes et dépenses des éventuels sous-traitants, ainsi que leurs prestations de service y afférentes, doivent être clairement indiquées.
Dans tous les cas l'ultime responsabilité financière de l'application du présent chapitre incombe au CPAS mandaté, qu'il y ait des sous-traitants ou non.
Le VDAB peut donner des directives supplémentaires concernant la comptabilité à utiliser et la manière dont elle doit être présentée en vue du contrôle de la justification des recettes et des dépenses.
Le CPAS tient une comptabilité détaillée et transparente des recettes et des dépenses liées aux services, visés au présent arrêté, ainsi que des paramètres figurant aux articles 29 et 34, en vue de l'imputation des recettes et dépenses.
Les recettes et dépenses des éventuels sous-traitants, ainsi que leurs prestations de service y afférentes, doivent être clairement indiquées.
Dans tous les cas l'ultime responsabilité financière de l'application du présent chapitre incombe au CPAS mandaté, qu'il y ait des sous-traitants ou non.
Le VDAB peut donner des directives supplémentaires concernant la comptabilité à utiliser et la manière dont elle doit être présentée en vue du contrôle de la justification des recettes et des dépenses.
Art. 26. Het gemandateerde OCMW registreert minimaal de volgende gegevens in de databank van de VDAB:
1° de identiteit van de werkzoekende;
2° de identiteit van de trajectbegeleider;
3° de aanvangsdatum en de datum van de beëindiging van de werkervaringsovereenkomst;
4° de tussentijdse evaluaties van het traject tijdelijke werkervaring, met inbegrip van het scoren van de verworven competenties en het in kaart brengen van de te verwerven competenties;
5° de eindevaluatie van het traject tijdelijke werkervaring;
6° het opleidingsplan, vermeld in artikel 11.
Voor de toepassing van het eerste lid kan het gemandateerde OCMW de gegevens laten registreren door de onderaannemer die het heeft aangesteld om die dienstverlening uit te voeren.
Elke registratie verloopt volgens de richtlijnen die de VDAB opstelt. De VDAB kan bijkomende registratieverplichtingen bepalen.
1° de identiteit van de werkzoekende;
2° de identiteit van de trajectbegeleider;
3° de aanvangsdatum en de datum van de beëindiging van de werkervaringsovereenkomst;
4° de tussentijdse evaluaties van het traject tijdelijke werkervaring, met inbegrip van het scoren van de verworven competenties en het in kaart brengen van de te verwerven competenties;
5° de eindevaluatie van het traject tijdelijke werkervaring;
6° het opleidingsplan, vermeld in artikel 11.
Voor de toepassing van het eerste lid kan het gemandateerde OCMW de gegevens laten registreren door de onderaannemer die het heeft aangesteld om die dienstverlening uit te voeren.
Elke registratie verloopt volgens de richtlijnen die de VDAB opstelt. De VDAB kan bijkomende registratieverplichtingen bepalen.
Art. 26. Le CPAS mandaté enregistre au moins les données suivantes dans la base de données du VDAB :
1° l'identité du demandeur d'emploi ;
2° l'identité de l'accompagnateur de parcours ;
3° la date de début et de fin du contrat d'expérience professionnelle ;
4° les évaluations intermédiaires du parcours d'expérience professionnelle temporaire, y compris les scores des compétences acquises et la cartographie des compétences à acquérir ;
5° l'évaluation finale du parcours d'expérience professionnelle temporaire ;
6° le plan de formation visé à l'article 11 ;
Pour l'application de l'alinéa 1er, le CPAS mandaté peut faire enregistrer les données par le sous-traitant désigné pour effectuer ces prestations.
Chaque enregistrement se déroule selon les directives établies par le VDAB. Le VDAB peut prévoir d'autres obligations d'enregistrement.
1° l'identité du demandeur d'emploi ;
2° l'identité de l'accompagnateur de parcours ;
3° la date de début et de fin du contrat d'expérience professionnelle ;
4° les évaluations intermédiaires du parcours d'expérience professionnelle temporaire, y compris les scores des compétences acquises et la cartographie des compétences à acquérir ;
5° l'évaluation finale du parcours d'expérience professionnelle temporaire ;
6° le plan de formation visé à l'article 11 ;
Pour l'application de l'alinéa 1er, le CPAS mandaté peut faire enregistrer les données par le sous-traitant désigné pour effectuer ces prestations.
Chaque enregistrement se déroule selon les directives établies par le VDAB. Le VDAB peut prévoir d'autres obligations d'enregistrement.
Art. 27. Het gemandateerde OCMW heeft de integriteit en geschiktheid om op een rechtmatige manier, rekening houdend met geldende normen en waarden, met de steun, vermeld in dit besluit, om te gaan en de bijbehorende specifieke dienstverlening en voorwaarden na te leven.
Art. 27. Le CPAS mandaté doit faire preuve d'intégrité et de l'aptitude à utiliser l'aide, visée au présent arrêté, de manière licite et en tenant compte des normes et des valeurs en vigueur et à respecter les obligations et conditions de la prestation de service y afférente.
Afdeling 3. - Steun
Section 3. - Aide
Art. 28. De steun, verleend met toepassing of ter uitvoering van dit hoofdstuk, wordt toegekend met inachtneming van de voorwaarden van het besluit 2012/21/EU van de Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen.
Art. 28. Les aides, octroyées en vertu du présent chapitre, sont octroyées dans le respect des conditions de la décision 2012/21/UE de la Commission du 20 décembre 2011 relative à l'application de l'article 106, alinéa 2, du Traité sur le fonctionnement de l'Union européenne aux aides d'Etat sous forme de compensations de service public, octroyées à certaines entreprises chargées de la gestion de services d'intérêt économique général.
Art. 29. § 1. Volgens de voorwaarden, vermeld in dit besluit, verstrekt de VDAB aan het gemandateerde OCMW een vergoeding voor de realisatie van de dienstverlening, vermeld in dit besluit.
De vergoeding bedraagt per begeleiding per jaar maximaal 3000 euro en vertegenwoordigt:
1° de personeelskosten van de begeleider;
2° de werkingskosten die maximaal 20% van de personeelskosten bedragen;
3° een winstaandeel dat niet hoger ligt dan de relevante swaprente, verhoogd met een opslag van 100 basispunten.
In het tweede lid, 1°, wordt onder personeelskosten ook verstaan: het geheel van vergoedingen aan de onderaannemer die overeenkomen met de personeelskosten van het gemandateerde OCMW, als de onderaannemer in dienst zou zijn van het gemandateerde OCMW.
In het tweede lid, 2°, wordt verstaan onder werkingskosten:
1° de uitgaven die rechtstreeks betrekking hebben op de planning, uitvoering, monitoring en evaluatie van de begeleiding;
2° de uitgaven die onrechtstreeks betrekking hebben op de organisatie van het gemandateerde OCMW in het kader van de begeleiding.
In het tweede lid, 3°, wordt verstaan onder relevante swaprente: de swaprente waarvan de looptijd en de valuta overeenstemmen met de looptijd en de valuta uit dit besluit.
Als het gemandateerde OCMW een beroep doet op onderaannemers, worden de werkingskosten, vermeld in het vierde lid, van het gemandateerde OCMW en de onderaannemers samengeteld.
De vergoeding, vermeld in dit artikel, kan maximaal betrekking hebben op 24 maanden dienstverlening, zelfs als het traject tijdelijke werkervaring langer dan 24 maanden duurt.
§ 2. De vergoeding, vermeld in paragraaf 1, wordt uitbetaald in het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin de dienstverlening is geleverd, en heeft betrekking op maximaal 24 maanden effectieve dienstverlening als vermeld in dit hoofdstuk.
In het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar in kwestie, is er een afrekening. Als de gegevens die de basis vormen voor de berekening van de steun, fout zijn, kan er een rechtzetting komen.
§ 3. De vergoeding, vermeld in paragraaf 1, wordt aangevuld met een compensatie voor de maanden van het traject tijdelijke werkervaring waarin gebruik gemaakt wordt van het instrument vermeld in artikel 15.
De compensatie bedraagt het verschil tussen 445 euro en de reeds genoten vergoedingen die werden toegekend met toepassing van paragraaf 1 of artikel 34.
De compensatie wordt uitbetaald in het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin de dienstverlening werd geleverd. Per maand wordt een voorlopig bedrag van 150 euro uitbetaald. De betaalde bedragen worden na afloop van het traject tijdelijke werkervaring verrekend met de vergoedingen die werden toegekend met toepassing van paragraaf 1 of artikel 34.
In afwijking van artikel 28 valt de compensatie, vermeld in deze paragraaf, niet onder de toepassing van het besluit 2012/21/EU van de Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen.
De vergoeding bedraagt per begeleiding per jaar maximaal 3000 euro en vertegenwoordigt:
1° de personeelskosten van de begeleider;
2° de werkingskosten die maximaal 20% van de personeelskosten bedragen;
3° een winstaandeel dat niet hoger ligt dan de relevante swaprente, verhoogd met een opslag van 100 basispunten.
In het tweede lid, 1°, wordt onder personeelskosten ook verstaan: het geheel van vergoedingen aan de onderaannemer die overeenkomen met de personeelskosten van het gemandateerde OCMW, als de onderaannemer in dienst zou zijn van het gemandateerde OCMW.
In het tweede lid, 2°, wordt verstaan onder werkingskosten:
1° de uitgaven die rechtstreeks betrekking hebben op de planning, uitvoering, monitoring en evaluatie van de begeleiding;
2° de uitgaven die onrechtstreeks betrekking hebben op de organisatie van het gemandateerde OCMW in het kader van de begeleiding.
In het tweede lid, 3°, wordt verstaan onder relevante swaprente: de swaprente waarvan de looptijd en de valuta overeenstemmen met de looptijd en de valuta uit dit besluit.
Als het gemandateerde OCMW een beroep doet op onderaannemers, worden de werkingskosten, vermeld in het vierde lid, van het gemandateerde OCMW en de onderaannemers samengeteld.
De vergoeding, vermeld in dit artikel, kan maximaal betrekking hebben op 24 maanden dienstverlening, zelfs als het traject tijdelijke werkervaring langer dan 24 maanden duurt.
§ 2. De vergoeding, vermeld in paragraaf 1, wordt uitbetaald in het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin de dienstverlening is geleverd, en heeft betrekking op maximaal 24 maanden effectieve dienstverlening als vermeld in dit hoofdstuk.
In het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar in kwestie, is er een afrekening. Als de gegevens die de basis vormen voor de berekening van de steun, fout zijn, kan er een rechtzetting komen.
§ 3. De vergoeding, vermeld in paragraaf 1, wordt aangevuld met een compensatie voor de maanden van het traject tijdelijke werkervaring waarin gebruik gemaakt wordt van het instrument vermeld in artikel 15.
De compensatie bedraagt het verschil tussen 445 euro en de reeds genoten vergoedingen die werden toegekend met toepassing van paragraaf 1 of artikel 34.
De compensatie wordt uitbetaald in het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin de dienstverlening werd geleverd. Per maand wordt een voorlopig bedrag van 150 euro uitbetaald. De betaalde bedragen worden na afloop van het traject tijdelijke werkervaring verrekend met de vergoedingen die werden toegekend met toepassing van paragraaf 1 of artikel 34.
In afwijking van artikel 28 valt de compensatie, vermeld in deze paragraaf, niet onder de toepassing van het besluit 2012/21/EU van de Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen.
Art. 29. § 1er. Sous réserve des conditions visées au présent arrêté, le VDAB octroie au CPAS mandaté une indemnité pour la réalisation de la prestation de services, visée au présent arrêté.
Cette indemnité est plafonnée à 3.000 euros par an et représente :
1° les coûts de personnel de l'accompagnateur de parcours ;
2° les frais de fonctionnement, plafonnés à 20% des frais de personnel ;
3° une participation aux bénéfices qui ne dépasse pas le taux de swap applicable majoré de 100 points de base.
A l'alinéa 2, 1°, on entend également par frais de personnel : l'ensemble des indemnités payées au sous-traitant, qui correspondent aux frais de personnel du CPAS mandaté dans l'hypothèse où le sous-traitant serait un employé de ce dernier.
Dans l'alinéa 2, 2°, on entend par frais de fonctionnement :
1° les dépenses liées directement à la planification, à la mise en oeuvre, au suivi et à l'évaluation de l'accompagnement ;
2° les dépenses liées indirectement à l'organisation du CPAS mandaté dans le cadre de l'accompagnement.
Dans l'alinéa 2, 3°, on entend par taux de swap applicable : le taux de swap dont la maturité et la monnaie correspondent à la durée et à la monnaie du présent arrêté.
Lorsque le CPAS mandaté fait appel à des sous-traitants, les frais de fonctionnement, visés à l'alinéa 4, du CPAS et des sous-traitants sont agrégés.
La durée maximale des prestations de service à laquelle l'indemnité, visée au présent arrêté, a trait est plafonnée à 24 mois, même si le parcours d'expérience professionnelle temporaire dure plus de 24 mois.
§ 2. L'indemnité, visée au § 1er, est payée dans le trimestre qui suit celui durant lequel la prestation a été fournie, et porte sur un maximum de 24 mois de prestation de service effective, telle que visée au présent chapitre.
Un décompte est fait dans l'année civile suivant l'année civile concernée. Lorsque les données sur lesquelles le calcul de l'aide est basé sont fautives, le calcul peut être rectifié.
§ 3. L'indemnité visée au § 1er est complétée par une compensation pour les mois du parcours d'expérience professionnelle temporaire pendant lesquels l'outil visé à l'article 15 est utilisé.
La compensation est égale à la différence entre 445 euros et les indemnités déjà perçues, octroyées en vertu du § 1er ou de l'article 34.
La compensation est versée au cours du trimestre suivant celui pendant lequel la prestation a été fournie. Un montant mensuel de 150 euros est versé à titre provisoire. A l'issue du parcours d'expérience professionnelle temporaire les montants versés sont déduits des indemnités accordées en vertu du § 1er ou de l'article 34.
Par dérogation à l'article 28, la compensation visée au présent paragraphe, ne relève pas de l'application de la décision 2012/21/UE de la Commission du 20 décembre 2011 relative à l'application de l'article 106, paragraphe 2, du traité sur le fonctionnement de l'Union européenne aux aides d'Etat sous forme de compensations de service public octroyées à certaines entreprises chargées de la gestion de services d'intérêt économique général.
Cette indemnité est plafonnée à 3.000 euros par an et représente :
1° les coûts de personnel de l'accompagnateur de parcours ;
2° les frais de fonctionnement, plafonnés à 20% des frais de personnel ;
3° une participation aux bénéfices qui ne dépasse pas le taux de swap applicable majoré de 100 points de base.
A l'alinéa 2, 1°, on entend également par frais de personnel : l'ensemble des indemnités payées au sous-traitant, qui correspondent aux frais de personnel du CPAS mandaté dans l'hypothèse où le sous-traitant serait un employé de ce dernier.
Dans l'alinéa 2, 2°, on entend par frais de fonctionnement :
1° les dépenses liées directement à la planification, à la mise en oeuvre, au suivi et à l'évaluation de l'accompagnement ;
2° les dépenses liées indirectement à l'organisation du CPAS mandaté dans le cadre de l'accompagnement.
Dans l'alinéa 2, 3°, on entend par taux de swap applicable : le taux de swap dont la maturité et la monnaie correspondent à la durée et à la monnaie du présent arrêté.
Lorsque le CPAS mandaté fait appel à des sous-traitants, les frais de fonctionnement, visés à l'alinéa 4, du CPAS et des sous-traitants sont agrégés.
La durée maximale des prestations de service à laquelle l'indemnité, visée au présent arrêté, a trait est plafonnée à 24 mois, même si le parcours d'expérience professionnelle temporaire dure plus de 24 mois.
§ 2. L'indemnité, visée au § 1er, est payée dans le trimestre qui suit celui durant lequel la prestation a été fournie, et porte sur un maximum de 24 mois de prestation de service effective, telle que visée au présent chapitre.
Un décompte est fait dans l'année civile suivant l'année civile concernée. Lorsque les données sur lesquelles le calcul de l'aide est basé sont fautives, le calcul peut être rectifié.
§ 3. L'indemnité visée au § 1er est complétée par une compensation pour les mois du parcours d'expérience professionnelle temporaire pendant lesquels l'outil visé à l'article 15 est utilisé.
La compensation est égale à la différence entre 445 euros et les indemnités déjà perçues, octroyées en vertu du § 1er ou de l'article 34.
La compensation est versée au cours du trimestre suivant celui pendant lequel la prestation a été fournie. Un montant mensuel de 150 euros est versé à titre provisoire. A l'issue du parcours d'expérience professionnelle temporaire les montants versés sont déduits des indemnités accordées en vertu du § 1er ou de l'article 34.
Par dérogation à l'article 28, la compensation visée au présent paragraphe, ne relève pas de l'application de la décision 2012/21/UE de la Commission du 20 décembre 2011 relative à l'application de l'article 106, paragraphe 2, du traité sur le fonctionnement de l'Union européenne aux aides d'Etat sous forme de compensations de service public octroyées à certaines entreprises chargées de la gestion de services d'intérêt économique général.
Art. 30. De VDAB stelt jaarlijks in het eerste kwartaal van het kalenderjaar een kasvoorschot van de jaarlijkse vergoeding bepaald in artikel 29 voor het gemiddelde aantal begeleidingen op jaarbasis ter beschikking van de gemandateerde OCMW's, vermenigvuldigd met 25%. Dat kasvoorschot wordt jaarlijks bijgesteld naargelang het aantal trajecten dat in begeleiding was in het voorafgaande kalenderjaar.
In afwijking van het eerste lid wordt het eerste kasvoorschot uitbetaald in het eerste kwartaal na de opstart van het stelsel tijdelijke werkervaring, gebaseerd op historische gegevens. Om die historische gegevens te bepalen, wordt rekening gehouden met het aantal tewerkstellingen met toepassing van artikel 60, § 7, van de wet van 8 juli 1976 in refertejaar 2015, vermenigvuldigd met de jaarlijkse vergoeding voor de begeleiding, vermeld in artikel 29 van dit besluit, vermenigvuldigd met 25%, rekening houdend met de verwachte evolutie van het aantal tewerkstellingen met toepassing van artikel 60, § 7, van de wet van 8 juli 1976.
In afwijking van het eerste lid wordt het eerste kasvoorschot uitbetaald in het eerste kwartaal na de opstart van het stelsel tijdelijke werkervaring, gebaseerd op historische gegevens. Om die historische gegevens te bepalen, wordt rekening gehouden met het aantal tewerkstellingen met toepassing van artikel 60, § 7, van de wet van 8 juli 1976 in refertejaar 2015, vermenigvuldigd met de jaarlijkse vergoeding voor de begeleiding, vermeld in artikel 29 van dit besluit, vermenigvuldigd met 25%, rekening houdend met de verwachte evolutie van het aantal tewerkstellingen met toepassing van artikel 60, § 7, van de wet van 8 juli 1976.
Art. 30. Chaque année dans le premier trimestre le VDAB met à disposition des CPAS mandatés une avance de trésorerie sur l'indemnité annuelle, déterminée à l'article 29, pour le nombre moyen annuel d'accompagnements, multipliée par 25%. Cette avance est ajustée chaque année en fonction du nombre de parcours accompagnés au cours de l'année civile précédente.
Par dérogation à l'alinéa 1er, la première avance de trésorerie est versée au premier trimestre après le démarrage du régime d'expérience professionnelle temporaire sur la base de données historiques. Afin de déterminer ces données historiques, il est tenu compte du nombre de mises à l'emploi en vertu de l'article 60, § 7, de la loi du 8 juillet 1976 dans l'année de référence 2015, multiplié par l'indemnité annuelle pour l'accompagnement, visée à l'article 29 du présent arrêté, multipliée par 25%, en tenant compte de l'évolution attendue du nombre de mises à l'emploi en vertu de l'article 60, § 7, de la loi du 8 juillet 1976.
Par dérogation à l'alinéa 1er, la première avance de trésorerie est versée au premier trimestre après le démarrage du régime d'expérience professionnelle temporaire sur la base de données historiques. Afin de déterminer ces données historiques, il est tenu compte du nombre de mises à l'emploi en vertu de l'article 60, § 7, de la loi du 8 juillet 1976 dans l'année de référence 2015, multiplié par l'indemnité annuelle pour l'accompagnement, visée à l'article 29 du présent arrêté, multipliée par 25%, en tenant compte de l'évolution attendue du nombre de mises à l'emploi en vertu de l'article 60, § 7, de la loi du 8 juillet 1976.
Art. 31. De vergoeding, vermeld in artikel 29, wordt verrekend naar rato van de correct geregistreerde prestaties die het gemandateerde OCMW of zijn onderaannemers conform dit besluit effectief geleverd hebben op het vlak van de begeleiding.
Art. 31. L'indemnité, visée à l'article 29, est corrigée en fonction des prestations correctement enregistrées, effectivement fournies conformément au présent arrêté par le CPAS mandaté ou ses sous-traitants dans le cadre de l'accompagnement.
Art. 32. De vergoeding, vermeld in artikel 29, kan niet gecumuleerd worden met enige andere vorm van steun voor dezelfde kosten of voor kosten die elkaar geheel of gedeeltelijk overlappen, van werknemers die het gemandateerde OCMW of zijn onderaannemers in dienst hebben voor de uitvoering van de begeleiding.
Art. 32. L'indemnité, visée à l'article 29, ne peut pas être cumulée avec d'autres aides pour les mêmes frais ou pour des frais qui se recouvrent en tout ou en partie, des employés du CPAS mandaté ou de ses sous-traitants qui sont chargés de la mise en oeuvre de l'accompagnement.
Art. 33. Het gemandateerde OCMW kan voor de leefloongerechtigde geen enkele andere vergoeding voor de begeleiding ontvangen dan de vergoeding, vermeld in dit besluit.
Art. 33. Pour l'accompagnement du bénéficiaire du revenu d'intégration, le CPAS mandaté ne peut percevoir aucune autre indemnité que celle visée au présent arrêté.
Art. 34. In dit artikel wordt verstaan onder:
1° professionele activering: het geheel van acties, adviezen en diensten die de VDAB of een partnerorganisatie aanbiedt in het kader van een traject naar werk van de werkzoekende;
2° stimuleringsfinanciering: de bijkomende financiële ondersteuning met het oog op een hoger bereik van een positieve uitstroom.
Binnen de grenzen van de goedgekeurde jaarlijkse begrotingskredieten en volgens de voorwaarden, vermeld in dit besluit, verkrijgt het gemandateerde OCMW een stimuleringsfinanciering per geslaagde begeleiding. De begeleiding wordt als geslaagd beschouwd als de werkzoekende aan het werk is.
Het gemandateerd OCMW ontvangt een forfaitaire vergoeding van 300 euro indien de werkzoekende de dag na beëindiging van de werkervaringsovereenkomst aan het werk is.
Het gemandateerd OCMW ontvangt een forfaitaire vergoeding van 600 euro indien de werkzoekende drie maanden na beëindiging van de werkervaringsovereenkomst aan het werk is.
De vergoeding bepaald in dit artikel moet aangewend worden in het kader van professionele activering.
1° professionele activering: het geheel van acties, adviezen en diensten die de VDAB of een partnerorganisatie aanbiedt in het kader van een traject naar werk van de werkzoekende;
2° stimuleringsfinanciering: de bijkomende financiële ondersteuning met het oog op een hoger bereik van een positieve uitstroom.
Binnen de grenzen van de goedgekeurde jaarlijkse begrotingskredieten en volgens de voorwaarden, vermeld in dit besluit, verkrijgt het gemandateerde OCMW een stimuleringsfinanciering per geslaagde begeleiding. De begeleiding wordt als geslaagd beschouwd als de werkzoekende aan het werk is.
Het gemandateerd OCMW ontvangt een forfaitaire vergoeding van 300 euro indien de werkzoekende de dag na beëindiging van de werkervaringsovereenkomst aan het werk is.
Het gemandateerd OCMW ontvangt een forfaitaire vergoeding van 600 euro indien de werkzoekende drie maanden na beëindiging van de werkervaringsovereenkomst aan het werk is.
De vergoeding bepaald in dit artikel moet aangewend worden in het kader van professionele activering.
Art. 34. Dans le présent article, on entend par :
1° activation professionnelle : l'ensemble des actions, conseils et services offerts par le VDAB ou une organisation partenaire dans le cadre d'un parcours d'un demandeur d'emploi vers le marché du travail ;
2° financement d'encouragement : l'aide financière supplémentaire visant à augmenter le taux d'insertion.
Dans les limites des crédits budgétaires annuels approuvés et sous réserve des conditions du présent arrêté, le CPAS mandaté reçoit un financement d'encouragement par accompagnement réussi. L'accompagnement est considéré comme réussi si le demandeur d'emploi est au travail.
Le CPAS mandaté reçoit une indemnité forfaitaire de 300 euros si le demandeur d'emploi est au travail dès le jour suivant la fin du contrat d'expérience professionnelle.
Le CPAS mandaté reçoit une indemnité forfaitaire de 600 euros si le demandeur d'emploi est au travail trois mois après la fin du contrat d'expérience professionnelle.
L'indemnité fixée en vertu du présent article doit être utilisée dans le cadre de l'activation professionnelle.
1° activation professionnelle : l'ensemble des actions, conseils et services offerts par le VDAB ou une organisation partenaire dans le cadre d'un parcours d'un demandeur d'emploi vers le marché du travail ;
2° financement d'encouragement : l'aide financière supplémentaire visant à augmenter le taux d'insertion.
Dans les limites des crédits budgétaires annuels approuvés et sous réserve des conditions du présent arrêté, le CPAS mandaté reçoit un financement d'encouragement par accompagnement réussi. L'accompagnement est considéré comme réussi si le demandeur d'emploi est au travail.
Le CPAS mandaté reçoit une indemnité forfaitaire de 300 euros si le demandeur d'emploi est au travail dès le jour suivant la fin du contrat d'expérience professionnelle.
Le CPAS mandaté reçoit une indemnité forfaitaire de 600 euros si le demandeur d'emploi est au travail trois mois après la fin du contrat d'expérience professionnelle.
L'indemnité fixée en vertu du présent article doit être utilisée dans le cadre de l'activation professionnelle.
Afdeling 4. - Controle en sancties
Section 4. - Contrôle et sanctions
Art. 35. De VDAB voert op regelmatige basis en minimaal om de drie jaar en na het beëindigen van de mandatering controles uit die gericht zijn op de naleving van de bepalingen van dit besluit, om de omvang van de vergoeding voor de begeleiding te bepalen.
De controle, vermeld in het eerste lid, kan aanleiding geven tot de herziening van de vergoeding, vermeld in artikel 29.
De controle, vermeld in het eerste lid, kan aanleiding geven tot de herziening van de vergoeding, vermeld in artikel 29.
Art. 35. Sur une base régulière, et au moins tous les trois ans et après la fin du mandat, le VDAB effectue un contrôle du respect des dispositions du présent arrêté en vue de déterminer l'indemnité d'accompagnement.
Le contrôle visé à l'alinéa 1er peut donner lieu à une révision de l'indemnité visée à l'article 29.
Le contrôle visé à l'alinéa 1er peut donner lieu à une révision de l'indemnité visée à l'article 29.
Art. 36. De informatiegegevens die betrekking hebben op de naleving van de voorwaarden van dit besluit, worden door het gemandateerde OCMW bewaard gedurende minimaal tien jaar na afloop van de periode van mandatering.
Art. 36. Les données ayant trait au respect des conditions du présent arrêté sont conservées par le CPAS mandaté pendant au moins dix ans après la fin du mandat.
Art. 37. De VDAB zal de vergoeding verminderen of terugvorderen als:
1° het gemandateerde OCMW de bepalingen van dit besluit niet naleeft;
2° de VDAB inbreuken vaststelt op de bepalingen van het besluit 2012/21/EU van de Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen.
De beslissing tot vermindering of terugvordering is definitief nadat het gemandateerde OCMW de mogelijkheid heeft gekregen om zijn verweermiddelen mee te delen binnen een vervaltermijn van dertig dagen.
De termijn, vermeld in het tweede lid, vangt aan de dag nadat het voornemen aan het gemandateerde OCMW ter kennisgeving is verzonden met een aangetekende brief.
1° het gemandateerde OCMW de bepalingen van dit besluit niet naleeft;
2° de VDAB inbreuken vaststelt op de bepalingen van het besluit 2012/21/EU van de Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen.
De beslissing tot vermindering of terugvordering is definitief nadat het gemandateerde OCMW de mogelijkheid heeft gekregen om zijn verweermiddelen mee te delen binnen een vervaltermijn van dertig dagen.
De termijn, vermeld in het tweede lid, vangt aan de dag nadat het voornemen aan het gemandateerde OCMW ter kennisgeving is verzonden met een aangetekende brief.
Art. 37. Le VDAB réduira ou recouvrera l'indemnité si :
1° le CPAS mandaté ne respecte pas les dispositions du présent arrêté ;
2° le VDAB constate des infractions aux dispositions de la décision 2012/21/UE de la Commission du 20 décembre 2011 relative à l'application de l'article 106, paragraphe 2, du traité sur le fonctionnement de l'Union européenne aux aides d'Etat sous forme de compensations de service public octroyées à certaines entreprises chargées de la gestion de services d'intérêt économique général.
La décision de réduire ou de recouvrer l'indemnité est définitive après que le CPAS mandaté ait eu la possibilité de faire valoir ses moyens de défense dans un délai de 30 jours.
Le délai visé à l'alinéa 2 prend cours le jour suivant l'envoi au CPAS mandaté de l'intention par lettre recommandée à titre de notification.
1° le CPAS mandaté ne respecte pas les dispositions du présent arrêté ;
2° le VDAB constate des infractions aux dispositions de la décision 2012/21/UE de la Commission du 20 décembre 2011 relative à l'application de l'article 106, paragraphe 2, du traité sur le fonctionnement de l'Union européenne aux aides d'Etat sous forme de compensations de service public octroyées à certaines entreprises chargées de la gestion de services d'intérêt économique général.
La décision de réduire ou de recouvrer l'indemnité est définitive après que le CPAS mandaté ait eu la possibilité de faire valoir ses moyens de défense dans un délai de 30 jours.
Le délai visé à l'alinéa 2 prend cours le jour suivant l'envoi au CPAS mandaté de l'intention par lettre recommandée à titre de notification.
Art. 38. Ieder kwartaal vindt er een monitoring plaats door de VDAB op de uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk door de gemandateerde OCMW's. Die monitoring houdt het volgende in:
1° de monitoring van de correctheid van de ingevoerde gegevens;
2° de monitoring van de effectieve prestaties.
Als aan de twee voorwaarden, vermeld in het eerste lid, is voldaan, wordt het kwartaal waarin prestaties zijn geleverd, volledig uitbetaald in het volgende kwartaal.
Ieder kalenderjaar vindt er bijkomend een financiële controle plaats van dubbele inkomsten. De vastgestelde extra inkomsten worden daarbij in mindering gebracht van de reeds al verkregen vergoeding. Ieder kalenderjaar worden daarnaast de niet-geleverde prestaties op maandbasis in mindering gebracht van de al betaalde vergoedingen op jaarbasis.
1° de monitoring van de correctheid van de ingevoerde gegevens;
2° de monitoring van de effectieve prestaties.
Als aan de twee voorwaarden, vermeld in het eerste lid, is voldaan, wordt het kwartaal waarin prestaties zijn geleverd, volledig uitbetaald in het volgende kwartaal.
Ieder kalenderjaar vindt er bijkomend een financiële controle plaats van dubbele inkomsten. De vastgestelde extra inkomsten worden daarbij in mindering gebracht van de reeds al verkregen vergoeding. Ieder kalenderjaar worden daarnaast de niet-geleverde prestaties op maandbasis in mindering gebracht van de al betaalde vergoedingen op jaarbasis.
Art. 38. Le VDAB évalue chaque trimestre le respect des dispositions du présent chapitre par les CPAS mandatés. Cette évaluation porte sur les éléments suivants :
1° l'exactitude des données saisies ;
2° les prestations effectivement fournies.
Si les deux conditions, visées à l'alinéa 1er, sont remplies, l'indemnité pour le trimestre au cours duquel les prestations ont été fournies, est intégralement versée dans le trimestre suivant.
En outre, chaque année un contrôle financier des doubles revenus est effectué. Les recettes supplémentaires constatées sont déduites de l'indemnité déjà perçue. Chaque année civile les prestations non exécutées par mois sont également déduites des indemnités déjà payées sur une base annuelle.
1° l'exactitude des données saisies ;
2° les prestations effectivement fournies.
Si les deux conditions, visées à l'alinéa 1er, sont remplies, l'indemnité pour le trimestre au cours duquel les prestations ont été fournies, est intégralement versée dans le trimestre suivant.
En outre, chaque année un contrôle financier des doubles revenus est effectué. Les recettes supplémentaires constatées sont déduites de l'indemnité déjà perçue. Chaque année civile les prestations non exécutées par mois sont également déduites des indemnités déjà payées sur une base annuelle.
HOOFDSTUK 3. - Toezicht op de toelagen aan openbare centra voor maatschappelijk welzijn in het kader van artikel 60, § 7, van de wet van 8 juli 1976
CHAPITRE 3. - Contrôle des indemnités aux centres publics d'action sociale dans le cadre de l'article 60, § 7 de la loi du 8 juillet 1976.
Art. 39. De VDAB oefent toezicht uit op de OCMW's voor de toekenning en aanwending van toelagen voor tewerkstelling in het kader van artikel 57quater, 60, § 7, en artikel 61 van de wet van 8 juli 1976.
Om het toezicht, vermeld in het eerste lid, uit te voeren, kan de VDAB de volgende stukken en informatie opvragen bij de OCMW's:
1° boekhoudkundige stukken;
2° de volgende informatie over de trajecten:
a) het aantal lopende trajecten tijdelijke werkervaring;
b) het aantal lopende arbeidsovereenkomsten met toepassing van artikel 60, § 7, van de wet van 8 juli 1976;
c) het aantal lopende overeenkomsten met toepassing van artikel 61 van de wet van 8 juli 1976;
3° de volgende informatie over de toelagen:
a) het aantal ontvangen toelagen voor de toepassing van artikel 57quater van de wet van 8 juli 1976;
b) het aantal ontvangen toelagen voor tewerkstellingen met toepassing van artikel 60, § 7, van het wet van 8 juli 1976;
c) het aantal ontvangen toelagen voor de toepassing van artikel 61 van de wet van 8 juli 1976.
De VDAB kan aanvullende informatie of toelichting vragen bij het betrokken OCMW. Het betrokken OCMW kan op eigen initiatief aan de VDAB ook aanvullende informatie bezorgen of een toelichting geven.
Voor de controle op de bepalingen van dit hoofdstuk kan de VDAB alle noodzakelijke gegevensbronnen raadplegen.
Om het toezicht, vermeld in het eerste lid, uit te voeren, kan de VDAB de volgende stukken en informatie opvragen bij de OCMW's:
1° boekhoudkundige stukken;
2° de volgende informatie over de trajecten:
a) het aantal lopende trajecten tijdelijke werkervaring;
b) het aantal lopende arbeidsovereenkomsten met toepassing van artikel 60, § 7, van de wet van 8 juli 1976;
c) het aantal lopende overeenkomsten met toepassing van artikel 61 van de wet van 8 juli 1976;
3° de volgende informatie over de toelagen:
a) het aantal ontvangen toelagen voor de toepassing van artikel 57quater van de wet van 8 juli 1976;
b) het aantal ontvangen toelagen voor tewerkstellingen met toepassing van artikel 60, § 7, van het wet van 8 juli 1976;
c) het aantal ontvangen toelagen voor de toepassing van artikel 61 van de wet van 8 juli 1976.
De VDAB kan aanvullende informatie of toelichting vragen bij het betrokken OCMW. Het betrokken OCMW kan op eigen initiatief aan de VDAB ook aanvullende informatie bezorgen of een toelichting geven.
Voor de controle op de bepalingen van dit hoofdstuk kan de VDAB alle noodzakelijke gegevensbronnen raadplegen.
Art. 39. Le VDAB surveille les CPAS quant à l'octroi et à l'utilisation des indemnités d'emploi dans le cadre des articles 57quater, 60, § 7, et 61 de la loi du 8 juillet 1976.
En vue de la surveillance, visée à l'alinéa 1er, le VDAB peut demander au CPAS les pièces et informations suivantes :
1° les pièces comptables ;
2° les informations suivantes concernant les parcours :
a) le nombre de parcours d'expérience professionnelle temporaire en cours ;
b) le nombre de contrats de travail en cours en application de l'article 60, § 7 de la loi du 8 juillet 1976 ;
c) le nombre de contrats en cours en application de l'article 61 de la loi du 8 juillet 1976 ;
3° les informations suivantes concernant les indemnités :
a) le nombre d'indemnités reçues en application de l'article 57 quater de la loi du 8 juillet 1976 ;
b) le nombre d'indemnités reçues pour les mises à l'emploi en application de l'article 60, § 7 de la loi du 8 juillet 1976 ;
c) le nombre d'indemnités reçues en application de l'article 61 de la loi du 8 juillet 1976.
Le VDAB peut demander des informations ou explications supplémentaires au CPAS concerné. Le CPAS concerné peut fournir ces informations et explications supplémentaires de sa propre initiative au VDAB.
Le VDAB peut consulter toutes les sources de données nécessaires dans le cadre du contrôle du respect des dispositions du présent chapitre.
En vue de la surveillance, visée à l'alinéa 1er, le VDAB peut demander au CPAS les pièces et informations suivantes :
1° les pièces comptables ;
2° les informations suivantes concernant les parcours :
a) le nombre de parcours d'expérience professionnelle temporaire en cours ;
b) le nombre de contrats de travail en cours en application de l'article 60, § 7 de la loi du 8 juillet 1976 ;
c) le nombre de contrats en cours en application de l'article 61 de la loi du 8 juillet 1976 ;
3° les informations suivantes concernant les indemnités :
a) le nombre d'indemnités reçues en application de l'article 57 quater de la loi du 8 juillet 1976 ;
b) le nombre d'indemnités reçues pour les mises à l'emploi en application de l'article 60, § 7 de la loi du 8 juillet 1976 ;
c) le nombre d'indemnités reçues en application de l'article 61 de la loi du 8 juillet 1976.
Le VDAB peut demander des informations ou explications supplémentaires au CPAS concerné. Le CPAS concerné peut fournir ces informations et explications supplémentaires de sa propre initiative au VDAB.
Le VDAB peut consulter toutes les sources de données nécessaires dans le cadre du contrôle du respect des dispositions du présent chapitre.
Art. 40. Als de VDAB bij de uitoefening van het toezicht, vermeld in artikel 39 van dit besluit, onregelmatigheden vaststelt die buiten het toepassingsgebied van dit besluit vallen, maar waarvan de VDAB vermoedt dat ze een inbreuk kunnen vormen op het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht van 30 april 2004, kan de VDAB het dossier bezorgen aan de instelling die belast is met de toepassing van het voormelde decreet.
Art. 40. Si, dans le cadre de la surveillance, visée à l'article 39 du présent arrêté, le VDAB constate des irrégularités n'entrant pas dans le champ d'application du présent arrêté, mais qu'il soupçonne susceptibles de constituer une infraction au décret du 30 avril 2004 relatif au contrôle des lois sociales, il peut transmettre le dossier à l'organisme chargé d'appliquer le décret précité.
Art. 41. Als de VDAB bij de uitoefening van het toezicht, vermeld in artikel 39, vaststelt dat er ten onrechte toelagen zijn betaald of dat er te veel toelagen zijn betaald aan het betrokken OCMW, kan hij die toelagen terugvorderen.
Art. 41. Si, dans le cadre de la surveillance, visée à l'article 39 du présent arrêté, le VDAB constate que des indemnités ont été indûment payées ou que trop d'indemnités ont été payées au CPAS concerné, il peut réclamer ces indemnités.
HOOFDSTUK 4. - Slotbepalingen
CHAPITRE 4. - Dispositions finales
Art. 42. De volgende bepalingen treden in werking op 1 januari 2017:
1° artikel 1 tot en met 23 en 27 tot en met 36 van het Tijdelijke-werkervaringsdecreet van 9 december 2016;
2° dit besluit.
1° artikel 1 tot en met 23 en 27 tot en met 36 van het Tijdelijke-werkervaringsdecreet van 9 december 2016;
2° dit besluit.
Art. 42. Les dispositions suivantes entrent en vigueur le 1er janvier 2017 :
1° les articles 1er à 23 et 27 à 36 du décret du 9 décembre 2016 sur l'expérience professionnelle temporaire ;
2° le présent arrêté.
1° les articles 1er à 23 et 27 à 36 du décret du 9 décembre 2016 sur l'expérience professionnelle temporaire ;
2° le présent arrêté.
Art. 43. De arbeidsovereenkomsten die gesloten zijn met toepassing van artikel 60, § 7, of artikel 61 van de wet van 8 juli 1976, die zijn ingegaan vóór de inwerkingtreding van dit besluit, lopen verder volgens de regelgeving die gold op de dag vóór de inwerkingtreding van dit besluit, met inbegrip van de toelagen die aan het betrokken OCMW worden toegekend voor deze tewerkstelling, en met inbegrip van de bijdragevermindering voor de sociale zekerheid bedoeld in de artikelen 12, 15, 34 en 35 van het Tijdelijke-werkervaringsdecreet van 9 december 2016.
In afwijking van artikel 42 treden de artikelen 12, 15, 34 en 35 van het Tijdelijke-werkervaringsdecreet van 9 december 2016, voor zover zij van toepassing zijn op overeenkomsten bedoeld in het eerste lid die zijn ingegaan vóór de inwerkingtreding van dit besluit, ten laatste in werking op 1 januari 2019. Vanaf die datum kan er niet langer van de bijdragevermindering voor de sociale zekerheid worden genoten die worden opgeheven met deze artikelen.
In afwijking van artikel 42 treden de artikelen 12, 15, 34 en 35 van het Tijdelijke-werkervaringsdecreet van 9 december 2016, voor zover zij van toepassing zijn op overeenkomsten bedoeld in het eerste lid die zijn ingegaan vóór de inwerkingtreding van dit besluit, ten laatste in werking op 1 januari 2019. Vanaf die datum kan er niet langer van de bijdragevermindering voor de sociale zekerheid worden genoten die worden opgeheven met deze artikelen.
Art. 43. Les contrats de travail conclus en vertu des articles 60, § 7, ou 61 de la loi du 8 juillet 1976, entrés en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, demeurent régis par la réglementation qui était en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, y compris les indemnités accordées au CPAS concerné pour cette mise à l'emploi, et y compris la réduction de cotisations de sécurité sociale, visée aux articles 12, 15, 34 et 35 du décret du 9 décembre 2016 sur l'expérience professionnelle temporaire.
Par dérogation à l'article 42 les articles 12, 15, 34 et 35 du décret du 9 décembre 2016 sur l'expérience professionnelle temporaire entrent en vigueur au plus tard le 1er janvier 2019, pour autant qu'ils s'appliquent aux contrats visés à l'alinéa 1er qui sont entrés en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent arrêté. A partir du 1er janvier 2019 la réduction des cotisations de sécurité sociale, abrogée par ces articles, ne peut plus être accordée.
Par dérogation à l'article 42 les articles 12, 15, 34 et 35 du décret du 9 décembre 2016 sur l'expérience professionnelle temporaire entrent en vigueur au plus tard le 1er janvier 2019, pour autant qu'ils s'appliquent aux contrats visés à l'alinéa 1er qui sont entrés en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent arrêté. A partir du 1er janvier 2019 la réduction des cotisations de sécurité sociale, abrogée par ces articles, ne peut plus être accordée.
Art. 44. De Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 44. Le Ministre flamand qui a la politique de l'emploi dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.