Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
17 JUNI 2016. - Decreet betreffende het onderwijs XXVI(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 10-08-2016 en tekstbijwerking tot 18-08-2017)
Titre
17 JUIN 2016. - Décret relatif à l'enseignement XXVI(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 10-08-2016 et mise à jour au 18-08-2017)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
HOOFDSTUK I. - Inleidende bepaling
HOOFDSTUK II. - Basisonderwijs
Afdeling I. - Decreet basisonderwijs
Afdeling II. - Inwerkingtreding
HOOFDSTUK III. - Secundair onderwijs
Afdeling I. - Codex Secundair Onderwijs
Afdeling II. - Leren en werken
Afdeling III. - Inwerkingtreding
HOOFDSTUK IV. - Deeltijds kunstonderwijs
HOOFDSTUK V. - Volwassenenonderwijs
HOOFDSTUK VI. - Secundair na secundair onderwij...
HOOFDSTUK VII. - Hoger onderwijs
Afdeling I. - Codex Hoger Onderwijs
Afdeling II. - Inwerkintreding
HOOFDSTUK VIII. - Decreten Rechtspositie Onderw...
Afdeling I. - Decreet betreffende de rechtsposi...
Afdeling II. - Decreet betreffende de rechtspos...
Afdeling III. - Inwerkingtreding
HOOFDSTUK IX. - Subsidiëring ouderkoepelverenig...
HOOFDSTUK X. - Diverse decreten
Afdeling I. - Decreten betreffende het onderwijs
Afdeling II. - Decreet betreffende de centra vo...
Afdeling III. - Decreet betreffende de gelijke ...
Afdeling IV. - Decreet betreffende de organisat...
Afdeling V. - Decreet betreffende de studiefina...
Afdeling VI. - Decreet betreffende het flankere...
Afdeling VII. - Decreet houdende organisatie en...
Afdeling VIII. - Decreet Kwalificatiestructuur
Afdeling IX. - Decreet Kwaliteit van onderwijs
Afdeling X. - Decreet betreffende de integrale ...
Afdeling XI. - Decreet houdende diverse maatreg...
Afdeling XII. - Onderwijsinfrastructuur
Afdeling XIII. - Decreet betreffende participat...
Afdeling XIV. - Inwerkingtreding
Table des matières
CHAPITRE Ier. - Disposition préliminaire
CHAPITRE II. - Enseignement fondamental
Section Ire. - Décret relatif à l'enseignement ...
Section II. - Entrée en vigueur
CHAPITRE III. - Enseignement secondaire
Section Ire. - Code de l'Enseignement secondaire
Section II. - Apprentissage et travail
Section III. - Entrée en vigueur
CHAPITRE IV. - Enseignement artistique à temps ...
CHAPITRE V. - Education des Adultes
CHAPITRE VI. L'enseignement secondaire après se...
CHAPITRE VII. - Enseignement supérieur
Section Ire. - Code de l'Enseignement supérieur
Section II. - Entrée en vigueur
CHAPITRE VIII. - Décrets Statut Personnel de l'...
Section Ire. - Décret relatif au statut de cert...
Section II. - Décret relatif au statut de certa...
Section III. - Entrée en vigueur
CHAPITRE IX. - Subventionnement des association...
CHAPITRE X. - Divers décrets
Section Ire. - Décrets relatif à l'enseignement
Section II. - Décret relatif aux centres d'enca...
Section III. - Décret relatif à l'égalité des c...
Section IV. - Décret relatif à l'organisation d...
Section V. - Décret relatif à l'aide financière...
Section VI. - Décret sur la politique locale d'...
Section VII. - Décret portant organisation et f...
Section VIII. - Décret relatif à la structure d...
Section IX. - Décret relatif à la qualité de l'...
Section X. - Décret relatif à l'aide intégrale ...
Section XI. - Décret contenant diverses mesures...
Section XII. - Infrastructure scolaire
Section XIII. - Décret relatif à la participati...
Section XIV. - Entrée en vigueur
Tekst (233)
Texte (233)
HOOFDSTUK I. - Inleidende bepaling
CHAPITRE Ier. - Disposition préliminaire
Artikel I.1. Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.
Article I.1. Le présent décret règle une matière communautaire.
HOOFDSTUK II. - Basisonderwijs
CHAPITRE II. - Enseignement fondamental
Afdeling I. - Decreet basisonderwijs
Section Ire. - Décret relatif à l'enseignement fondamental
Art. II.1. In artikel 3 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het punt 4° quater, a), ingevoegd bij het decreet van 25 november 2011, worden de woorden "die op de dag van inschrijving of op 1 september die volgt op de inschrijving", vervangen door de woorden "die op de dag van de voorziene instap in de school";
2° in het punt 8°, gewijzigd bij de decreten van 9 juli 2010 en 17 juni 2011, wordt de zinsnede ", § 4, of respectievelijk op 1 februari van het schooljaar voorafgaand aan de start van de driejaarlijkse periode voor scholengemeenschappen, vermeld in artikel 125quinquies, § 2,", opgeheven;
3° er wordt een punt 9° sexies ingevoegd dat luidt als volgt :
"9° sexies : contactonderwijs : onderwijs waarbij er een rechtstreeks en regelmatig contact is tussen de leraar of begeleider van een onderwijsactiviteit en de leerling, gebonden aan een bepaald tijdstip en plaats van onderwijsverstrekking;";
4° in het punt 22°, b), gewijzigd bij het decreet van 22 december 2000, wordt het woord "wordt" vervangen door de woorden "en veranderingen van bestaande types of niveaus binnen bestaande vestigingsplaatsen in de school zonder dat het bestaande aanbod in de totale school wijzigt, worden".
1° in het punt 4° quater, a), ingevoegd bij het decreet van 25 november 2011, worden de woorden "die op de dag van inschrijving of op 1 september die volgt op de inschrijving", vervangen door de woorden "die op de dag van de voorziene instap in de school";
2° in het punt 8°, gewijzigd bij de decreten van 9 juli 2010 en 17 juni 2011, wordt de zinsnede ", § 4, of respectievelijk op 1 februari van het schooljaar voorafgaand aan de start van de driejaarlijkse periode voor scholengemeenschappen, vermeld in artikel 125quinquies, § 2,", opgeheven;
3° er wordt een punt 9° sexies ingevoegd dat luidt als volgt :
"9° sexies : contactonderwijs : onderwijs waarbij er een rechtstreeks en regelmatig contact is tussen de leraar of begeleider van een onderwijsactiviteit en de leerling, gebonden aan een bepaald tijdstip en plaats van onderwijsverstrekking;";
4° in het punt 22°, b), gewijzigd bij het decreet van 22 december 2000, wordt het woord "wordt" vervangen door de woorden "en veranderingen van bestaande types of niveaus binnen bestaande vestigingsplaatsen in de school zonder dat het bestaande aanbod in de totale school wijzigt, worden".
Art. II.1. A l'article 3 du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental sont apportées les modifications suivantes :
1° au point 4° quater, a), inséré par le décret du 25 novembre 2011, les mots " qui, à la date d'inscription ou au 1er septembre suivant l'inscription " sont remplacés par les mots " qui, à la date d'entrée prévue à l'école " ;
2° au point 8°, modifié par les décrets des 9 juillet 2010 et 17 juin 2011, le membre de phrase ", § 4, ou respectivement au 1er février de l'année scolaire précédant le début de la période triennale pour les centres d'enseignement visée à l'article 125quinquies, § 2, " est abrogé ;
3° il est inséré un point 9° sexies rédigé comme suit :
" 9° sexies : enseignement de contact : un enseignement en contact direct et régulier entre l'enseignant ou l'accompagnateur d'une activité d'enseignement et l'élève, dispensé à un moment donné et se déroulant dans un lieu d'enseignement déterminé ; "
4° au point 22°, b), modifié par le décret du 22 décembre 2000, les mots " n'est pas censée " sont remplacés par les mots " et des changements de types ou de niveaux existants dans des lieux d'implantation existants de l'école sans que l'offre existante dans l'école dans son ensemble ne change, ne sont pas censés ".
1° au point 4° quater, a), inséré par le décret du 25 novembre 2011, les mots " qui, à la date d'inscription ou au 1er septembre suivant l'inscription " sont remplacés par les mots " qui, à la date d'entrée prévue à l'école " ;
2° au point 8°, modifié par les décrets des 9 juillet 2010 et 17 juin 2011, le membre de phrase ", § 4, ou respectivement au 1er février de l'année scolaire précédant le début de la période triennale pour les centres d'enseignement visée à l'article 125quinquies, § 2, " est abrogé ;
3° il est inséré un point 9° sexies rédigé comme suit :
" 9° sexies : enseignement de contact : un enseignement en contact direct et régulier entre l'enseignant ou l'accompagnateur d'une activité d'enseignement et l'élève, dispensé à un moment donné et se déroulant dans un lieu d'enseignement déterminé ; "
4° au point 22°, b), modifié par le décret du 22 décembre 2000, les mots " n'est pas censée " sont remplacés par les mots " et des changements de types ou de niveaux existants dans des lieux d'implantation existants de l'école sans que l'offre existante dans l'école dans son ensemble ne change, ne sont pas censés ".
Art. II.2. In artikel 11ter van hetzelfde decreet, ingevoegd door het decreet van 19 juli 2013, wordt aan paragraaf 1 een tweede lid toegevoegd dat luidt als volgt :
"In afwijking van het eerste lid, is de screening niet verplicht voor anderstalige nieuwkomers zoals bepaald in artikel 3, 4° quater. Deze leerlingen krijgen in elk geval een taaltraject dat aansluit bij hun beginsituatie en specifieke noden inzake de onderwijstaal.".
"In afwijking van het eerste lid, is de screening niet verplicht voor anderstalige nieuwkomers zoals bepaald in artikel 3, 4° quater. Deze leerlingen krijgen in elk geval een taaltraject dat aansluit bij hun beginsituatie en specifieke noden inzake de onderwijstaal.".
Art. II.2. A l'article 11ter du même décret inséré par le décret du 19 juillet 2013, il est ajouté au paragraphe 1er, un alinéa 2 rédigé comme suit :
" Par dérogation au premier alinéa, le screening n'est pas obligatoire pour des primo-arrivants allophones tels que fixés à l'article 3, 4° quater. En tout cas, il est prévu pour ces élèves un parcours langagier qui s'aligne sur la situation initiale et leurs besoins spécifiques au niveau de la langue d'enseignement. ".
" Par dérogation au premier alinéa, le screening n'est pas obligatoire pour des primo-arrivants allophones tels que fixés à l'article 3, 4° quater. En tout cas, il est prévu pour ces élèves un parcours langagier qui s'aligne sur la situation initiale et leurs besoins spécifiques au niveau de la langue d'enseignement. ".
Art. II.3. In hoofdstuk IV, afdeling 1, van hetzelfde decreet wordt het opschrift van onderafdeling A vervangen door wat volgt :
"Onderafdeling A. Toelatingsvoorwaarden tot het kleuteronderwijs".
"Onderafdeling A. Toelatingsvoorwaarden tot het kleuteronderwijs".
Art. II.3. Dans le chapitre IV, section 1re, du même décret, l'intitulé de la sous-section A est remplacé par ce qui suit :
" Sous-Section A. Conditions d'admission à l'enseignement maternel ".
" Sous-Section A. Conditions d'admission à l'enseignement maternel ".
Art. II.4. In artikel 12, § 1, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 14 februari 2003 en gewijzigd bij het decreet van 15 juli 2005, wordt het woord "in" vervangen door het woord "tot".
Art. II.4. A l'article 12, § 1er, du même décret, remplacé par le décret du 14 février 2003 et modifié par le décret du 15 juillet 2005, les mots " Afin d'être admis à l'enseignement " sont remplacés par les mots " Pour l'admission à l'enseignement ".
Art. II.5. In hetzelfde decreet wordt een artikel 12/1 ingevoegd dat luidt als volgt :
"Art. 12/1. § 1. In het gewoon onderwijs kan een leerling die 6 jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar nog één schooljaar tot het kleuteronderwijs toegelaten worden. In dit geval is de leerling onderworpen aan de controle op de leerplicht. Na kennisneming van en toelichting bij de adviezen van de klassenraad en van het CLB nemen de ouders daaromtrent een beslissing.
Voor leerplichtige leerlingen die nog geen kleuteronderwijs volgden, is enkel een advies van een CLB vereist.
§ 2. In het buitengewoon onderwijs kan een leerling die 6 jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar tot het kleuteronderwijs toegelaten worden. In dit geval is de leerling onderworpen aan de controle op de leerplicht. Het volgen van kleuteronderwijs kan daarna nog met één schooljaar verlengd worden. Na kennisneming van en toelichting bij de adviezen van de klassenraad en van het CLB nemen de ouders daaromtrent een beslissing.
Voor leerplichtige leerlingen die nog geen kleuteronderwijs volgden, is enkel een advies van een CLB vereist.".
"Art. 12/1. § 1. In het gewoon onderwijs kan een leerling die 6 jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar nog één schooljaar tot het kleuteronderwijs toegelaten worden. In dit geval is de leerling onderworpen aan de controle op de leerplicht. Na kennisneming van en toelichting bij de adviezen van de klassenraad en van het CLB nemen de ouders daaromtrent een beslissing.
Voor leerplichtige leerlingen die nog geen kleuteronderwijs volgden, is enkel een advies van een CLB vereist.
§ 2. In het buitengewoon onderwijs kan een leerling die 6 jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar tot het kleuteronderwijs toegelaten worden. In dit geval is de leerling onderworpen aan de controle op de leerplicht. Het volgen van kleuteronderwijs kan daarna nog met één schooljaar verlengd worden. Na kennisneming van en toelichting bij de adviezen van de klassenraad en van het CLB nemen de ouders daaromtrent een beslissing.
Voor leerplichtige leerlingen die nog geen kleuteronderwijs volgden, is enkel een advies van een CLB vereist.".
Art. II.5. Dans le même décret, il est inséré un article 12/1, rédigé comme suit :
" Art. 12/1. § 1er. Dans l'enseignement ordinaire, un élève qui atteint l'âge de 6 ans avant le 1er janvier de l'année scolaire en cours peut encore être admis à l'enseignement maternel pendant une année scolaire. Dans ce cas, l'élève est soumis au contrôle de l'obligation scolaire. Après avoir pris connaissance des avis formulés par le conseil de classe et le CLB et avoir reçu des explications à propos de ceux-ci, les parents prennent une décision à ce sujet.
Pour les élèves scolarisables qui n'ont encore suivi aucun enseignement maternel, l'avis d'un CLB suffit.
§ 2. Dans l'enseignement spécial, un élève qui atteint l'âge de 6 ans avant le 1er janvier de l'année scolaire en cours peut être admis à l'enseignement maternel. Dans ce cas, l'élève est soumis au contrôle de l'obligation scolaire. Après cette année, l'élève peut encore suivre l'enseignement maternel pendant une année scolaire de plus. Après avoir pris connaissance des avis formulés par le conseil de classe et le CLB et avoir reçu des explications à propos de ceux-ci, les parents prennent une décision à ce sujet.
Pour les élèves scolarisables qui n'ont encore suivi aucun enseignement maternel, l'avis d'un CLB suffit. ".
" Art. 12/1. § 1er. Dans l'enseignement ordinaire, un élève qui atteint l'âge de 6 ans avant le 1er janvier de l'année scolaire en cours peut encore être admis à l'enseignement maternel pendant une année scolaire. Dans ce cas, l'élève est soumis au contrôle de l'obligation scolaire. Après avoir pris connaissance des avis formulés par le conseil de classe et le CLB et avoir reçu des explications à propos de ceux-ci, les parents prennent une décision à ce sujet.
Pour les élèves scolarisables qui n'ont encore suivi aucun enseignement maternel, l'avis d'un CLB suffit.
§ 2. Dans l'enseignement spécial, un élève qui atteint l'âge de 6 ans avant le 1er janvier de l'année scolaire en cours peut être admis à l'enseignement maternel. Dans ce cas, l'élève est soumis au contrôle de l'obligation scolaire. Après cette année, l'élève peut encore suivre l'enseignement maternel pendant une année scolaire de plus. Après avoir pris connaissance des avis formulés par le conseil de classe et le CLB et avoir reçu des explications à propos de ceux-ci, les parents prennent une décision à ce sujet.
Pour les élèves scolarisables qui n'ont encore suivi aucun enseignement maternel, l'avis d'un CLB suffit. ".
Art. II.6. In hetzelfde decreet wordt na artikel 12/1 en voor artikel 13 een onderafdeling B ingevoegd die luidt als volgt :
"Onderafdeling B. Toelatingsvoorwaarden tot het lager onderwijs".
"Onderafdeling B. Toelatingsvoorwaarden tot het lager onderwijs".
Art. II.6. Au même décret, après l'article 12/1 et avant l'article 13, il est ajouté une sous-section B, rédigée ainsi qu'il suit :
" Sous-Section B. Conditions d'admission à l'enseignement primaire ".
" Sous-Section B. Conditions d'admission à l'enseignement primaire ".
Art. II.7. Artikel 14 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 14. § 1. In afwijking van artikel 13, § 1, kan een leerling die 5 jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar toegelaten worden tot het gewoon lager onderwijs. Na kennisneming van en toelichting bij het advies van het CLB en na toelating door de klassenraad overeenkomstig artikel 13, § 1, 2°, nemen de ouders daaromtrent een beslissing.
§ 2. In afwijking van artikel 13, § 4, kan een leerling die 5 jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar toegelaten worden tot het buitengewoon lager onderwijs. Na kennisneming van en toelichting bij de adviezen van de klassenraad en van het CLB nemen de ouders daaromtrent een beslissing.
§ 3. Een leerling die 5 jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar en die in het lager onderwijs toegelaten is, is onderworpen aan de leerplicht.".
"Art. 14. § 1. In afwijking van artikel 13, § 1, kan een leerling die 5 jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar toegelaten worden tot het gewoon lager onderwijs. Na kennisneming van en toelichting bij het advies van het CLB en na toelating door de klassenraad overeenkomstig artikel 13, § 1, 2°, nemen de ouders daaromtrent een beslissing.
§ 2. In afwijking van artikel 13, § 4, kan een leerling die 5 jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar toegelaten worden tot het buitengewoon lager onderwijs. Na kennisneming van en toelichting bij de adviezen van de klassenraad en van het CLB nemen de ouders daaromtrent een beslissing.
§ 3. Een leerling die 5 jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar en die in het lager onderwijs toegelaten is, is onderworpen aan de leerplicht.".
Art. II.7. L'article 14 du même décret est remplacé par ce qui suit :
" Art. 14. § 1er. Par dérogation à l'article 13, § 1er, un élève qui atteint l'âge de 5 ans avant le 1er janvier de l'année scolaire en cours peut être admis à l'enseignement primaire ordinaire. Après avoir pris connaissance des avis formulés par le CLB et avoir reçu des explications à propos de ceux-ci et après admission par le conseil de classe, conformément à l'article 13, § 1er, 2°, les parents prennent une décision à ce sujet.
§ 2. Par dérogation à l'article 13, § 4, un élève qui atteint l'âge de 5 ans avant le 1er janvier de l'année scolaire en cours peut être admis à l'enseignement primaire spécial. Après avoir pris connaissance des avis formulés par le conseil de classe et le CLB et avoir reçu des explications à propos de ceux-ci, les parents prennent une décision à ce sujet.
§ 3. L'élève qui atteint l'âge de 5 ans avant le 1er janvier de l'année scolaire en cours et qui est admis à l'enseignement primaire, est soumis à l'obligation scolaire. ".
" Art. 14. § 1er. Par dérogation à l'article 13, § 1er, un élève qui atteint l'âge de 5 ans avant le 1er janvier de l'année scolaire en cours peut être admis à l'enseignement primaire ordinaire. Après avoir pris connaissance des avis formulés par le CLB et avoir reçu des explications à propos de ceux-ci et après admission par le conseil de classe, conformément à l'article 13, § 1er, 2°, les parents prennent une décision à ce sujet.
§ 2. Par dérogation à l'article 13, § 4, un élève qui atteint l'âge de 5 ans avant le 1er janvier de l'année scolaire en cours peut être admis à l'enseignement primaire spécial. Après avoir pris connaissance des avis formulés par le conseil de classe et le CLB et avoir reçu des explications à propos de ceux-ci, les parents prennent une décision à ce sujet.
§ 3. L'élève qui atteint l'âge de 5 ans avant le 1er janvier de l'année scolaire en cours et qui est admis à l'enseignement primaire, est soumis à l'obligation scolaire. ".
Art. II.8. In hetzelfde decreet wordt in onderafdeling B een artikel 14/1 ingevoegd dat luidt als volgt :
"Art. 14/1. § 1. Een leerling die het getuigschrift basisonderwijs behaald heeft, kan geen lager onderwijs meer volgen tenzij, na toelating door de klassenraad.
§ 2. In het gewoon lager onderwijs kan een leerling die 14 jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar, nog één schooljaar het lager onderwijs volgen, na gunstig advies van de klassenraad en een advies van het CLB. Na kennisneming van en toelichting bij de adviezen van de klassenraad en van het CLB nemen de ouders daaromtrent een beslissing.
§ 3. In het buitengewoon onderwijs kan een leerling die 14 jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar, nog één schooljaar het lager onderwijs volgen. Na kennisneming van en toelichting bij de adviezen van de klassenraad en het CLB nemen de ouders hieromtrent een beslissing.
Een inschrijving in het type basisaanbod is maximaal twee schooljaren geldig. Aan het einde van deze periode volgt een evaluatie door de klassenraad en het CLB. Wanneer de klassenraad en het CLB op basis van deze evaluatie beslissen dat de aanpassingen, waaronder remedierende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, disproportioneel of onvoldoende zullen zijn om de leerling het gemeenschappelijk curriculum te laten volgen in een school voor gewoon onderwijs en een verder verblijf in het basisaanbod nodig is, bevestigt het CLB dit door de opmaak van een nieuw verslag, als vermeld in artikel 15, dat de inschrijving verlengt met maximaal twee schooljaren.
Ten laatste na twee schooljaren volgt opnieuw een evaluatie. Wanneer de klassenraad en het CLB op basis van de evaluatie beslissen dat de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen wel proportioneel zullen zijn om de leerling het gemeenschappelijk curriculum te laten volgen in een school voor gewoon onderwijs dan :
1° ondersteunen de school voor buitengewoon onderwijs en het CLB de ouders bij het vinden van een school voor gewoon onderwijs waar de leerling kan ingeschreven worden;
2° maken de betrokken scholen, de CLB's en de ouders afspraken in functie van een vlotte overgang van de leerling van de school voor buitengewoon onderwijs naar de school voor gewoon onderwijs.
§ 4. Een leerling die 15 jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar kan niet meer toegelaten worden tot het lager onderwijs.".
"Art. 14/1. § 1. Een leerling die het getuigschrift basisonderwijs behaald heeft, kan geen lager onderwijs meer volgen tenzij, na toelating door de klassenraad.
§ 2. In het gewoon lager onderwijs kan een leerling die 14 jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar, nog één schooljaar het lager onderwijs volgen, na gunstig advies van de klassenraad en een advies van het CLB. Na kennisneming van en toelichting bij de adviezen van de klassenraad en van het CLB nemen de ouders daaromtrent een beslissing.
§ 3. In het buitengewoon onderwijs kan een leerling die 14 jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar, nog één schooljaar het lager onderwijs volgen. Na kennisneming van en toelichting bij de adviezen van de klassenraad en het CLB nemen de ouders hieromtrent een beslissing.
Een inschrijving in het type basisaanbod is maximaal twee schooljaren geldig. Aan het einde van deze periode volgt een evaluatie door de klassenraad en het CLB. Wanneer de klassenraad en het CLB op basis van deze evaluatie beslissen dat de aanpassingen, waaronder remedierende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, disproportioneel of onvoldoende zullen zijn om de leerling het gemeenschappelijk curriculum te laten volgen in een school voor gewoon onderwijs en een verder verblijf in het basisaanbod nodig is, bevestigt het CLB dit door de opmaak van een nieuw verslag, als vermeld in artikel 15, dat de inschrijving verlengt met maximaal twee schooljaren.
Ten laatste na twee schooljaren volgt opnieuw een evaluatie. Wanneer de klassenraad en het CLB op basis van de evaluatie beslissen dat de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen wel proportioneel zullen zijn om de leerling het gemeenschappelijk curriculum te laten volgen in een school voor gewoon onderwijs dan :
1° ondersteunen de school voor buitengewoon onderwijs en het CLB de ouders bij het vinden van een school voor gewoon onderwijs waar de leerling kan ingeschreven worden;
2° maken de betrokken scholen, de CLB's en de ouders afspraken in functie van een vlotte overgang van de leerling van de school voor buitengewoon onderwijs naar de school voor gewoon onderwijs.
§ 4. Een leerling die 15 jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar kan niet meer toegelaten worden tot het lager onderwijs.".
Art. II.8. Dans le même décret, il est inséré dans la sous-section B un article 14/1 rédigé comme suit :
" Art. 14/1. § 1er. L'élève qui a obtenu le certificat d'enseignement fondamental, ne peut plus suivre l'enseignement primaire sauf, après l'autorisation par le conseil de classe.
§ 2. Dans l'enseignement primaire ordinaire, un élève qui atteint l'âge de 14 ans avant le 1er janvier de l'année scolaire en cours, peut encore suivre l'enseignement primaire pendant une année scolaire, après avis favorable du conseil de classe et un avis du CLB. Après avoir pris connaissance des avis formulés par le conseil de classe et le CLB et avoir reçu des explications à propos de ceux-ci, les parents prennent une décision à ce sujet.
§ 3. Dans l'enseignement spécial, un élève qui atteint l'âge de 14 ans avant le 1er janvier de l'année scolaire en cours peut encore suivre pendant une année scolaire l'enseignement primaire. Après avoir pris connaissance des avis formulés par le conseil de classe et le CLB et avoir reçu des explications à propos de ceux-ci, les parents prennent une décision à ce sujet.
Une inscription dans le type offre de base a une validité de deux années scolaires au maximum. A la fin de cette période, le conseil de classe et le CLB établissent une évaluation. Si le conseil de classe et le CLB décident, au vu de cette évaluation, que les aménagements, dont des mesures correctrices, différenciantes, compensatoires ou de dispense seront soit disproportionnels, soit insuffisants, pour pouvoir assurer pour l'élève un programme d'études commun dans une école d'enseignement ordinaire et qu'il est nécessaire de continuer à suivre l'offre de base, le CLB confirme cette conclusion dans un nouveau rapport, tel que visé à l'article 15, qui prolonge l'inscription de deux années scolaires au maximum.
A l'issue de deux années scolaires au plus tard, une nouvelle évaluation est effectuée. Si le conseil de classe et le CLB décident, au vu de l'évaluation, que les aménagements, dont des mesures correctrices, différenciantes, compensatoires ou de dispense, seront effectivement proportionnels pour permettre à l'élève de suivre le programme d'études commun dans une école d'enseignement ordinaire :
1° l'école d'enseignement spécial et le CLB appuient les parents dans la recherche d'une école d'enseignement ordinaire où l'élève peut être inscrit ;
2° les écoles concernées, les CLB et les parents concluent des accords pour assurer une transition aisée de l'élève de l'école d'enseignement spécial à l'école d'enseignement ordinaire.
§ 4. Un élève qui atteint l'âge de 15 ans avant le 1er janvier de l'année scolaire en cours ne peut plus être admis à l'enseignement primaire. ".
" Art. 14/1. § 1er. L'élève qui a obtenu le certificat d'enseignement fondamental, ne peut plus suivre l'enseignement primaire sauf, après l'autorisation par le conseil de classe.
§ 2. Dans l'enseignement primaire ordinaire, un élève qui atteint l'âge de 14 ans avant le 1er janvier de l'année scolaire en cours, peut encore suivre l'enseignement primaire pendant une année scolaire, après avis favorable du conseil de classe et un avis du CLB. Après avoir pris connaissance des avis formulés par le conseil de classe et le CLB et avoir reçu des explications à propos de ceux-ci, les parents prennent une décision à ce sujet.
§ 3. Dans l'enseignement spécial, un élève qui atteint l'âge de 14 ans avant le 1er janvier de l'année scolaire en cours peut encore suivre pendant une année scolaire l'enseignement primaire. Après avoir pris connaissance des avis formulés par le conseil de classe et le CLB et avoir reçu des explications à propos de ceux-ci, les parents prennent une décision à ce sujet.
Une inscription dans le type offre de base a une validité de deux années scolaires au maximum. A la fin de cette période, le conseil de classe et le CLB établissent une évaluation. Si le conseil de classe et le CLB décident, au vu de cette évaluation, que les aménagements, dont des mesures correctrices, différenciantes, compensatoires ou de dispense seront soit disproportionnels, soit insuffisants, pour pouvoir assurer pour l'élève un programme d'études commun dans une école d'enseignement ordinaire et qu'il est nécessaire de continuer à suivre l'offre de base, le CLB confirme cette conclusion dans un nouveau rapport, tel que visé à l'article 15, qui prolonge l'inscription de deux années scolaires au maximum.
A l'issue de deux années scolaires au plus tard, une nouvelle évaluation est effectuée. Si le conseil de classe et le CLB décident, au vu de l'évaluation, que les aménagements, dont des mesures correctrices, différenciantes, compensatoires ou de dispense, seront effectivement proportionnels pour permettre à l'élève de suivre le programme d'études commun dans une école d'enseignement ordinaire :
1° l'école d'enseignement spécial et le CLB appuient les parents dans la recherche d'une école d'enseignement ordinaire où l'élève peut être inscrit ;
2° les écoles concernées, les CLB et les parents concluent des accords pour assurer une transition aisée de l'élève de l'école d'enseignement spécial à l'école d'enseignement ordinaire.
§ 4. Un élève qui atteint l'âge de 15 ans avant le 1er janvier de l'année scolaire en cours ne peut plus être admis à l'enseignement primaire. ".
Art. II.9. In hoofdstuk IV, afdeling 1, van hetzelfde decreet wordt voor artikel 15 het opschrift van onderafdeling B vervangen door wat volgt :
"Onderafdeling C. Bijkomende toelatingsvoorwaarden voor het buitengewoon basisonderwijs".
"Onderafdeling C. Bijkomende toelatingsvoorwaarden voor het buitengewoon basisonderwijs".
Art. II.9. Dans le chapitre IV, section 1re, du même décret, l'intitulé de la sous-section B figurant avant l'article 15 est remplacé par ce qui suit :
" Sous-Section C. Conditions d'admission supplémentaires à l'enseignement fondamental spécial ".
" Sous-Section C. Conditions d'admission supplémentaires à l'enseignement fondamental spécial ".
Art. II.10. In artikel 15 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 7 juli 2006, het decreet van 21 maart 2014 en het decreet van 19 juni 2015, wordt in de eerste zin van paragraaf 1 de zinsnede "de artikelen 12, § 1 en 13, § 4" vervangen door de zinsnede "de artikelen 12, § 1, 12/1, § 2, 13, § 4, en 14, § 2".
Art. II.10. Dans l'article 15 du même décret, modifié par le décret du 7 juillet 2006, le décret du 21 mars 2014 et le décret du 19 juin 2015, le membre de phrase " aux articles 12, § 1er, et 13, § 4, " dans la première phrase du premier paragraphe est remplacé par le membre de phrase " aux articles 12, § 1er, 12/1, § 2, 13, § 4, et 14, § 2 ".
Art. II.11. In hoofdstuk IV, afdeling 1, van hetzelfde decreet wordt voor artikel 16 het opschrift van onderafdeling C, vervangen door wat volgt :
"Onderafdeling D. Bijkomende toelatingsvoorwaarden tot het geïntegreerd onderwijs".
"Onderafdeling D. Bijkomende toelatingsvoorwaarden tot het geïntegreerd onderwijs".
Art. II.11. Dans le chapitre IV, section 1re, du même décret, l'intitulé de la sous-section C figurant avant l'article 16 est remplacé par ce qui suit :
" Sous-Section D. Conditions d'admission supplémentaires à l'enseignement intégré ".
" Sous-Section D. Conditions d'admission supplémentaires à l'enseignement intégré ".
Art. II.12. In hetzelfde decreet wordt in hoofdstuk IV, afdeling 1, de onderafdeling D, die bestaat uit artikel 17 tot en met 19, opgeheven.
Art. II.12. Dans le chapitre IV, section 1re, du même décret, la sous-section D comprenant les articles 17 à 19, est abrogée.
Art. II.13. In artikel 20 van hetzelfde decreet, vervangen bij decreet van 14 februari 2003, wordt in het eerste lid van paragraaf 1, de zinsnede "de artikelen 12, 13, 15 of 16 of die hiervan afwijkt bij toepassing van de artikelen 17, 18 of 19;" vervangen door de zinsnede "de artikelen 12, 12/1, 13, 14, 14/1, 15 of 16;".
Art. II.13. Dans l'article 20 du même décret remplacé par le décret du 14 février 2003, le membre de phrase " aux articles 12, 13, 15 ou 16 ou qui y déroge en application des articles 17, 18 ou 19 " dans le premier alinéa du premier paragraphe est remplacé par le membre de phrase " aux articles 12, 12/1,13, 14, 14/1, 15 ou 16 ; ".
Art. II.14. In paragraaf 1 van artikel 26bis/1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij decreet van 19 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° er wordt tussen het tweede en het derde lid een nieuw lid ingevoegd, dat luidt als volgt :
"In het geval dat voor twee of meerdere leerplichtige kinderen gezamenlijk huisonderwijs wordt georganiseerd en de plaats waar dit huisonderwijs wordt georganiseerd verschilt van het adres waar de kinderen gedomicilieerd zijn, dan kan voor deze leerplichtige kinderen één gezamenlijke verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie over huisonderwijs ingediend worden door de organisator van het huisonderwijs. De bijhorende informatie over het huisonderwijs moet naast de elementen vermeld in het tweede lid ook het adres bevatten waarop het huisonderwijs effectief wordt verstrekt.";
2° aan het punt 4° van het bestaande vierde lid, dat het vijfde lid wordt, wordt een zinsnede toegevoegd die luidt als volgt :
", waar het leerplichtige kind contactonderwijs volgt".
1° er wordt tussen het tweede en het derde lid een nieuw lid ingevoegd, dat luidt als volgt :
"In het geval dat voor twee of meerdere leerplichtige kinderen gezamenlijk huisonderwijs wordt georganiseerd en de plaats waar dit huisonderwijs wordt georganiseerd verschilt van het adres waar de kinderen gedomicilieerd zijn, dan kan voor deze leerplichtige kinderen één gezamenlijke verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie over huisonderwijs ingediend worden door de organisator van het huisonderwijs. De bijhorende informatie over het huisonderwijs moet naast de elementen vermeld in het tweede lid ook het adres bevatten waarop het huisonderwijs effectief wordt verstrekt.";
2° aan het punt 4° van het bestaande vierde lid, dat het vijfde lid wordt, wordt een zinsnede toegevoegd die luidt als volgt :
", waar het leerplichtige kind contactonderwijs volgt".
Art. II.14. Au paragraphe 1er de l'article 26bis/1 du même décret, inséré par le décret du 19 juillet 2013, sont apportées les modifications suivantes :
1° il est inséré entre le deuxième et le troisième alinéa un nouvel alinéa rédigé comme suit :
" Dans le cas où il est organisé un enseignement à domicile commun pour deux ou plusieurs enfants scolarisables et le lieu où l'enseignement est organisé diffère de l'adresse où les enfants sont domiciliés, une seule déclaration d'enseignement à domicile assortie d'informations afférentes à l'enseignement à domicile peut être présentée pour ces enfants scolarisables par l'organisateur de l'enseignement à domicile. Les informations afférentes à l'enseignement à domicile doivent contenir également, outre les éléments visés au deuxième alinéa, l'adresse où l'enseignement à domicile est effectivement dispensé. " ;
2° au point 4° du quatrième alinéa existant, qui devient le cinquième alinéa, il est ajouté un membre de phrase rédigé comme suit :
" , où l'enfant scolarisable suit un enseignement de contact ".
1° il est inséré entre le deuxième et le troisième alinéa un nouvel alinéa rédigé comme suit :
" Dans le cas où il est organisé un enseignement à domicile commun pour deux ou plusieurs enfants scolarisables et le lieu où l'enseignement est organisé diffère de l'adresse où les enfants sont domiciliés, une seule déclaration d'enseignement à domicile assortie d'informations afférentes à l'enseignement à domicile peut être présentée pour ces enfants scolarisables par l'organisateur de l'enseignement à domicile. Les informations afférentes à l'enseignement à domicile doivent contenir également, outre les éléments visés au deuxième alinéa, l'adresse où l'enseignement à domicile est effectivement dispensé. " ;
2° au point 4° du quatrième alinéa existant, qui devient le cinquième alinéa, il est ajouté un membre de phrase rédigé comme suit :
" , où l'enfant scolarisable suit un enseignement de contact ".
Art. II.15. In artikel 26bis/2 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij decreet van 19 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° aan het punt 4° van het tweede lid van paragraaf 1, worden de woorden ", waar het leerplichtige kind contactonderwijs volgt", toegevoegd;
2° aan het punt d) van punt 3° van paragraaf 2, worden de woorden ", waar het leerplichtige kind contactonderwijs volgt", toegevoegd.
1° aan het punt 4° van het tweede lid van paragraaf 1, worden de woorden ", waar het leerplichtige kind contactonderwijs volgt", toegevoegd;
2° aan het punt d) van punt 3° van paragraaf 2, worden de woorden ", waar het leerplichtige kind contactonderwijs volgt", toegevoegd.
Art. II.15. A l'article 26bis/2 du même décret, inséré par le décret du 19 juillet 2013, sont apportées les modifications suivantes :
1° au point 4° du deuxième alinéa du paragraphe 1er, les mots " où l'enfant scolarisable suit un enseignement de contact ", sont ajoutés ;
2° au point d) du point 3° du paragraphe 2, les mots " où l'enfant scolarisable suit un enseignement de contact ", sont ajoutés ;
1° au point 4° du deuxième alinéa du paragraphe 1er, les mots " où l'enfant scolarisable suit un enseignement de contact ", sont ajoutés ;
2° au point d) du point 3° du paragraphe 2, les mots " où l'enfant scolarisable suit un enseignement de contact ", sont ajoutés ;
Art. II.16. Aan het punt 4° van het eerste lid van paragraaf 3 van het artikel 26ter van hetzelfde decreet, ingevoegd bij decreet van 19 juli 2013, worden de woorden ", waar het leerplichtige kind contactonderwijs volgt", toegevoegd.
Art. II.16. Au point 4° du premier alinéa du paragraphe 3 de l'article 26ter du même décret, inséré par le décret du 19 juillet 2013, les mots " où l'enfant scolarisable suit un enseignement de contact " sont ajoutés.
Art. II.17. In artikel 31, 4°, van hetzelfde decreet, ingevoegd door het decreet van 19 juni 2015, worden de woorden "een verslag of een gemotiveerd verslag" vervangen door de woorden "een kopie van het verslag of gemotiveerd verslag".
Art. II.17. Dans l'article 31, 4°, du même décret, inséré par le décret du 19 juin 2015, les mots " un rapport ou un rapport motivé d'un CLB dans le cadre du décret relatif à des mesures pour les élèves à besoins éducatifs spécifiques doit obligatoirement être transmis " sont remplacés par les mots " une copie du rapport ou du rapport motivé d'un CLB dans le cadre du décret relatif à des mesures pour les élèves à besoins éducatifs spécifiques doit obligatoirement être transmise ".
Art. II.18. In artikel 32 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 4 april 2014, wordt in paragraaf 2 de laatste zin opgeheven.
Art. II.18. A l'article 32 du même décret, remplacé par le décret du 4 avril 2014, la dernière phrase dans le paragraphe 2 est abrogée.
Art. II.19. In artikel 37 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 2 wordt in punt 5°, gewijzigd bij decreet van 8 mei 2009, de zinsnede "de afspraken in verband met onderwijs aan huis;" vervangen door de zinsnede "de bepalingen in verband met onderwijs aan huis en synchroon internetonderwijs;";
2° aan paragraaf 2 wordt een punt 10° toegevoegd dat luidt als volgt :
"10° de mededeling dat de school bij schoolverandering verplicht is een kopie van het gemotiveerd verslag voor toegang tot het geintegreerd onderwijs en een kopie van het verslag voor toegang tot het buitengewoon onderwijs over te dragen aan de nieuwe school.";
3° in paragraaf 3 wordt in punt 1°, vervangen bij het decreet van 4 april 2014, de zinsnede "artikel 32, § 2, en" opgeheven;
4° in paragraaf 3 wordt in punt 3° de zinsnede "bepalingen in verband met onderwijs aan huis;" vervangen door de zinsnede "de bepalingen in verband met onderwijs aan huis en synchroon internetonderwijs;";
5° aan paragraaf 3 wordt een punt 14° toegevoegd dat luidt als volgt :
"14° de mededeling dat de school bij schoolverandering verplicht is een kopie van het gemotiveerd verslag voor toegang tot het geïntegreerd onderwijs en een kopie van het verslag voor toegang tot het buitengewoon onderwijs over te dragen aan de nieuwe school.";
6° aan paragraaf 3 wordt een punt 15° toegevoegd dat luidt als volgt :
"15° eventuele beroepsprocedures buiten de verplichte beroepsprocedures zoals vermeld in punt 1° en punt 2°. ".
1° in paragraaf 2 wordt in punt 5°, gewijzigd bij decreet van 8 mei 2009, de zinsnede "de afspraken in verband met onderwijs aan huis;" vervangen door de zinsnede "de bepalingen in verband met onderwijs aan huis en synchroon internetonderwijs;";
2° aan paragraaf 2 wordt een punt 10° toegevoegd dat luidt als volgt :
"10° de mededeling dat de school bij schoolverandering verplicht is een kopie van het gemotiveerd verslag voor toegang tot het geintegreerd onderwijs en een kopie van het verslag voor toegang tot het buitengewoon onderwijs over te dragen aan de nieuwe school.";
3° in paragraaf 3 wordt in punt 1°, vervangen bij het decreet van 4 april 2014, de zinsnede "artikel 32, § 2, en" opgeheven;
4° in paragraaf 3 wordt in punt 3° de zinsnede "bepalingen in verband met onderwijs aan huis;" vervangen door de zinsnede "de bepalingen in verband met onderwijs aan huis en synchroon internetonderwijs;";
5° aan paragraaf 3 wordt een punt 14° toegevoegd dat luidt als volgt :
"14° de mededeling dat de school bij schoolverandering verplicht is een kopie van het gemotiveerd verslag voor toegang tot het geïntegreerd onderwijs en een kopie van het verslag voor toegang tot het buitengewoon onderwijs over te dragen aan de nieuwe school.";
6° aan paragraaf 3 wordt een punt 15° toegevoegd dat luidt als volgt :
"15° eventuele beroepsprocedures buiten de verplichte beroepsprocedures zoals vermeld in punt 1° en punt 2°. ".
Art. II.19. A l'article 37 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 2, point 5°, modifié par le décret du 8 mai 2009, le membre de phrase " les accords en matière d'enseignement en milieu familial ; " est remplacé par le membre de phrase " les dispositions relatives à l'enseignement en milieu familial et l'enseignement synchrone via internet ; " ;
2° au paragraphe 2, il est ajouté un point 10° rédigé comme suit :
" 10° la communication que l'école est obligée, lorsque l'élève change d'école, de présenter à la nouvelle école une copie du rapport motivé pour l'accès à l'enseignement intégré et une copie du rapport pour l'accès à l'enseignement spécial. " ;
3° au paragraphe 3, point 1° remplacé par le décret du 4 avril 2014, le membre de phrase " à l'article 32, § 2, et " est abrogé ;
4° au paragraphe 3, point 3°, le membre de phrase " les dispositions relatives à l'enseignement en milieu familial ; " est remplacé par le membre de phrase " les dispositions relatives à l'enseignement en milieu familial et l'enseignement synchrone via internet ; " ;
5° au paragraphe 3, il est ajouté un point 14° rédigé comme suit :
" 14° la communication que l'école est obligée, lorsque l'élève change d'école, de présenter à la nouvelle école une copie du rapport motivé pour l'accès à l'enseignement intégré et une copie du rapport pour l'accès à l'enseignement spécial. " ;
6° au paragraphe 3, il est ajouté un point 15° rédigé comme suit :
" 15° les procédures de recours éventuelles en dehors des procédures de recours obligatoires telles que visées au point 1° et au point 2°. ".
1° au paragraphe 2, point 5°, modifié par le décret du 8 mai 2009, le membre de phrase " les accords en matière d'enseignement en milieu familial ; " est remplacé par le membre de phrase " les dispositions relatives à l'enseignement en milieu familial et l'enseignement synchrone via internet ; " ;
2° au paragraphe 2, il est ajouté un point 10° rédigé comme suit :
" 10° la communication que l'école est obligée, lorsque l'élève change d'école, de présenter à la nouvelle école une copie du rapport motivé pour l'accès à l'enseignement intégré et une copie du rapport pour l'accès à l'enseignement spécial. " ;
3° au paragraphe 3, point 1° remplacé par le décret du 4 avril 2014, le membre de phrase " à l'article 32, § 2, et " est abrogé ;
4° au paragraphe 3, point 3°, le membre de phrase " les dispositions relatives à l'enseignement en milieu familial ; " est remplacé par le membre de phrase " les dispositions relatives à l'enseignement en milieu familial et l'enseignement synchrone via internet ; " ;
5° au paragraphe 3, il est ajouté un point 14° rédigé comme suit :
" 14° la communication que l'école est obligée, lorsque l'élève change d'école, de présenter à la nouvelle école une copie du rapport motivé pour l'accès à l'enseignement intégré et une copie du rapport pour l'accès à l'enseignement spécial. " ;
6° au paragraphe 3, il est ajouté un point 15° rédigé comme suit :
" 15° les procédures de recours éventuelles en dehors des procédures de recours obligatoires telles que visées au point 1° et au point 2°. ".
Art. II.20. In artikel 37undecies, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 25 november 2011, vervangen door het decreet van 21 maart 2014, en het laatst gewijzigd door het decreet van 19 juni 2015, worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° aan het eerste lid van paragraaf 2 wordt de volgende zin toegevoegd :
"Ook indien de school pas nadat de inschrijving reeds gerealiseerd werd, kennis neemt van een verslag, ten laatste gedateerd op de dag waarop de leerling in de betreffende school instapt, wordt de inschrijving van de leerling omgezet in een inschrijving onder ontbindende voorwaarde.";
2° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt :
" § 3. Wanneer tijdens de schoolloopbaan de nood aan aanpassingen voor een leerling wijzigt en de vastgestelde onderwijsbehoeften van die aard zijn dat voor de leerling een verslag dan wel een wijziging van een verslag, als vermeld in artikel 15, nodig is, organiseert de school een overleg met de klassenraad, de ouders en het CLB en beslist op basis daarvan en nadat het verslag of het gewijzigd verslag werd afgeleverd, om de leerling op vraag van de ouders studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum of om de inschrijving van de leerling voor een daaropvolgend schooljaar te ontbinden.".
1° aan het eerste lid van paragraaf 2 wordt de volgende zin toegevoegd :
"Ook indien de school pas nadat de inschrijving reeds gerealiseerd werd, kennis neemt van een verslag, ten laatste gedateerd op de dag waarop de leerling in de betreffende school instapt, wordt de inschrijving van de leerling omgezet in een inschrijving onder ontbindende voorwaarde.";
2° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt :
" § 3. Wanneer tijdens de schoolloopbaan de nood aan aanpassingen voor een leerling wijzigt en de vastgestelde onderwijsbehoeften van die aard zijn dat voor de leerling een verslag dan wel een wijziging van een verslag, als vermeld in artikel 15, nodig is, organiseert de school een overleg met de klassenraad, de ouders en het CLB en beslist op basis daarvan en nadat het verslag of het gewijzigd verslag werd afgeleverd, om de leerling op vraag van de ouders studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum of om de inschrijving van de leerling voor een daaropvolgend schooljaar te ontbinden.".
Art. II.20. A l'article 37undecies du même décret, inséré par le décret du 25 novembre 2011, remplacé par le décret du 21 mars 2014 et modifié en dernier lieu par le décret du 19 juin 2015, sont apportées les modifications suivantes :
1° le premier alinéa du paragraphe 2 est complété par la phrase suivante :
" Même si ce n'est qu'après la réalisation de l'inscription que l'école prend connaissance d'un rapport, daté au plus tard le jour d'entrée de l'élève à l'école concernée, l'inscription de l'élève est convertie en une inscription sous condition résolutoire. " ;
2° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Lorsqu'au cours du parcours scolaire le besoin d'aménagements change pour un élève et lorsque les besoins éducatifs constatés sont tels, qu'un rapport ou bien une modification d'un rapport tel que visé à l'article 15, devient nécessaire pour l'élève, l'école organisera une concertation avec le conseil de classe, les parents et le CLB ; elle décidera sur la base de cette concertation et après production du rapport ou du rapport modifié si, à la demande des parents, la progression des études de l'élève se fera en suivant un programme adapté individuellement ou si l'inscription de l'élève sera dissolue à partir de l'année scolaire successive. ".
1° le premier alinéa du paragraphe 2 est complété par la phrase suivante :
" Même si ce n'est qu'après la réalisation de l'inscription que l'école prend connaissance d'un rapport, daté au plus tard le jour d'entrée de l'élève à l'école concernée, l'inscription de l'élève est convertie en une inscription sous condition résolutoire. " ;
2° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Lorsqu'au cours du parcours scolaire le besoin d'aménagements change pour un élève et lorsque les besoins éducatifs constatés sont tels, qu'un rapport ou bien une modification d'un rapport tel que visé à l'article 15, devient nécessaire pour l'élève, l'école organisera une concertation avec le conseil de classe, les parents et le CLB ; elle décidera sur la base de cette concertation et après production du rapport ou du rapport modifié si, à la demande des parents, la progression des études de l'élève se fera en suivant un programme adapté individuellement ou si l'inscription de l'élève sera dissolue à partir de l'année scolaire successive. ".
Art. II.21. Aan artikel 53 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 25 april 2014, wordt een derde lid toegevoegd dat luidt als volgt :
"Het getuigschrift basisonderwijs kan slechts uitgereikt worden aan leerlingen die vóór 1 januari van het lopende schooljaar al acht jaar geworden zijn.".
"Het getuigschrift basisonderwijs kan slechts uitgereikt worden aan leerlingen die vóór 1 januari van het lopende schooljaar al acht jaar geworden zijn.".
Art. II.21. Un troisième alinéa, qui s'énonce comme suit, est inséré à l'article 53 du même décret, modifié par le décret du 25 avril 2014 :
" Le certificat d'enseignement fondamental ne peut être délivré qu'aux élèves ayant atteint l'âge de huit ans avant le 1er janvier de l'année scolaire en cours. ".
" Le certificat d'enseignement fondamental ne peut être délivré qu'aux élèves ayant atteint l'âge de huit ans avant le 1er janvier de l'année scolaire en cours. ".
Art. II.22. In artikel 91 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 19 juli 2013, worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 2 wordt opgeheven;
2° paragraaf 3 tot en met 6 worden hernummerd tot paragraaf 2 tot en met 5;
3° in paragraaf 3, die hernummerd wordt tot paragraaf 2, worden volgende wijzigingen aangebracht :
a) punt 1° wordt opgeheven;
b) punt 2° tot en met 4° worden hernummerd tot punt 1° tot en met 3° ;
c) er wordt een punt 4° toegevoegd dat luidt als volgt :
"4° de definitie van de doelgroep.";
4° paragraaf 4, die hernummerd wordt tot paragraaf 3, wordt vervangen door wat volgt :
" § 3. Indien deze speciale onderwijsleermiddelen, vermeld in paragraaf 1, de vorm aannemen van tolken Vlaamse gebarentaal of schrijftolken, dan verleent de Vlaamse Regering voor de realisatie van deze tolkuren een subsidie aan een centraal tolkenbureau, die bestaat uit enerzijds werkingsmiddelen voor dit tolkenbureau en anderzijds lonen en verplaatsingskosten voor de tolken.
De Vlaamse Regering bepaalt de verdere voorwaarden voor de werking van dit tolkenbureau.";
5° in paragraaf 6, die hernummerd wordt tot paragraaf 5, wordt het cijfer "5" vervangen door het cijfer "4".
1° paragraaf 2 wordt opgeheven;
2° paragraaf 3 tot en met 6 worden hernummerd tot paragraaf 2 tot en met 5;
3° in paragraaf 3, die hernummerd wordt tot paragraaf 2, worden volgende wijzigingen aangebracht :
a) punt 1° wordt opgeheven;
b) punt 2° tot en met 4° worden hernummerd tot punt 1° tot en met 3° ;
c) er wordt een punt 4° toegevoegd dat luidt als volgt :
"4° de definitie van de doelgroep.";
4° paragraaf 4, die hernummerd wordt tot paragraaf 3, wordt vervangen door wat volgt :
" § 3. Indien deze speciale onderwijsleermiddelen, vermeld in paragraaf 1, de vorm aannemen van tolken Vlaamse gebarentaal of schrijftolken, dan verleent de Vlaamse Regering voor de realisatie van deze tolkuren een subsidie aan een centraal tolkenbureau, die bestaat uit enerzijds werkingsmiddelen voor dit tolkenbureau en anderzijds lonen en verplaatsingskosten voor de tolken.
De Vlaamse Regering bepaalt de verdere voorwaarden voor de werking van dit tolkenbureau.";
5° in paragraaf 6, die hernummerd wordt tot paragraaf 5, wordt het cijfer "5" vervangen door het cijfer "4".
Art. II.22. A l'article 91 du même décret, remplacé par le décret du 19 juillet 2013, sont apportées les modifications suivantes :
1° le paragraphe 2 est abrogé ;
2° les paragraphes 3 à 6 sont renumérotés paragraphes 2 à 5 ;
3° au paragraphe 3, qui est renuméroté paragraphe 2, les modifications suivantes sont apportées :
a) le point 1° est abrogé ;
b) les points 2° à 4 sont renumérotés points 1° à 3° ;
c) il est ajouté un point 4° ainsi rédigé :
" 4° la définition du groupe-cible. " ;
4° le paragraphe 4, renuméroté paragraphe 3, est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Si ces moyens spéciaux d'aide à l'enseignement, visés au paragraphe 1er, prennent la forme d'interprètes Langage gestuel flamand ou d'interprètes écrits, le Gouvernement flamand octroie, pour la réalisation de ces heures d'interprétation, à une agence centrale d'interprétation une subvention qui consiste, d'une part, de moyens de fonctionnement pour cette agence d'interprètes et, d'autre part, de traitements et de frais de déplacement pour les interprètes.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités de fonctionnement de cette agence d'interprétation. " ;
5° dans le paragraphe 6, renuméroté paragraphe 5, le chiffre " 5 " est remplacé par le chiffre " 4 ".
1° le paragraphe 2 est abrogé ;
2° les paragraphes 3 à 6 sont renumérotés paragraphes 2 à 5 ;
3° au paragraphe 3, qui est renuméroté paragraphe 2, les modifications suivantes sont apportées :
a) le point 1° est abrogé ;
b) les points 2° à 4 sont renumérotés points 1° à 3° ;
c) il est ajouté un point 4° ainsi rédigé :
" 4° la définition du groupe-cible. " ;
4° le paragraphe 4, renuméroté paragraphe 3, est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Si ces moyens spéciaux d'aide à l'enseignement, visés au paragraphe 1er, prennent la forme d'interprètes Langage gestuel flamand ou d'interprètes écrits, le Gouvernement flamand octroie, pour la réalisation de ces heures d'interprétation, à une agence centrale d'interprétation une subvention qui consiste, d'une part, de moyens de fonctionnement pour cette agence d'interprètes et, d'autre part, de traitements et de frais de déplacement pour les interprètes.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités de fonctionnement de cette agence d'interprétation. " ;
5° dans le paragraphe 6, renuméroté paragraphe 5, le chiffre " 5 " est remplacé par le chiffre " 4 ".
Art. II.23. In artikel 125quinquies, § 4, 3°, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 25 april 2014, wordt het jaartal "2017," opgeheven.
Art. II.23. Dans l'article 125quinquies, § 4, 3°, du même décret, remplacé par le décret du 25 avril 2014, l'année " 2017 " est supprimée.
Art. II.24. In artikel 125septies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 10 juli 2003 en gewijzigd bij de decreten van 17 juni 2011 en 25 april 2014, worden de paragrafen 3bis en 4 opgeheven.
Art. II.24. Dans l'article 125septies du même décret, inséré par le décret du 10 juillet 2003 et modifié par les décrets des 17 juin 2011 et 25 avril 2014, les paragraphes 3bis et 4 sont abrogés.
Art. II.25. In artikel 125decies, 6°, van hetzelfde decreet, toegevoegd bij het decreet van 9 juli 2010 en gewijzigd bij het decreet van 17 juni 2011, wordt de zinsnede "125quinquies, § 3, tweede lid, 1° en 2°, of § 6, tweede lid, 1° en 2°, " vervangen door de zinsnede "125quinquies, § 4, 1° en 2°, ".
Art. II.25. Dans l'article 125decies, 6°, du même décret, ajouté par le décret du 9 juillet 2010 et modifié par le décret du 17 juin 2011, le membre de phrase " 125quinquies, § 3, deuxième alinéa, 1° et 2°, ou § 6, deuxième alinéa, 1° et 2°, " est remplacé par le membre de phrase " 125quinquies, § 4, 1° et 2°, ".
Art. II.26. In artikel 125duodecies1, § 1, 1°, tweede lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 8 mei 2009 en gewijzigd bij het decreet van 17 juni 2011, wordt de zinsnede "125quinquies, § 3 of § 6," vervangen door de zinsnede "125quinquies, § 4,".
Art. II.26. Dans l'article 125duodecies1, § 1er, 1°, alinéa 2, du même décret, inséré par le décret du 8 mai 2009 et modifié par le décret du 17 juin 2011, le membre de phrase " 125quinquies, § 3 ou § 6, " est remplacé par le membre de phrase " 125quinquies, § 4, ".
Art. II.27. In artikel 139 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 7 juli 2006 en 6 juli 2012, wordt tussen de zinsnede "artikel 138," en de zinsnede "1°, 2°, " de zinsnede " § 1," ingevoegd.
Art. II.27. Dans l'article 139, du même décret, modifié par les décrets des 7 juillet 2006 et 6 juillet 2012, il est inséré entre le membre de phrase " l'article 138 " et le membre de phrase " 1°, 2° " le membre de phrase " § 1er ".
Art. II.28. In artikel 149 van hetzelfde decreet, gewijzigd door het decreet van 13 juli 2001, wordt het eerste streepje opgeheven.
Art. II.28. Dans l'article 149, du même décret, modifié par le décret du 13 juillet 2001, le premier tiret est abrogé.
Art. II.29. In afdeling 3 van hoofdstuk XI van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 3 juli 2015, worden in de titel de jaartallen "2015-2016" vervangen door de jaartallen "2016-2017".
Art. II.29. Dans la section 3 du chapitre XI du même décret, insérée par le décret du 3 juillet 2015, les années " 2015-2016 " dans le titre sont remplacés par les années " 2016-2017 ".
Art. II.30. In artikel 172ter van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 3 juli 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt :
"Met het oog op het opvangen van de effecten van de leerlingendaling die zich met de invoering van het decreet van 21 maart 2014 betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften al hebben voorgedaan in scholen voor buitengewoon basisonderwijs op de teldag van de eerste schooldag van februari 2016 in vergelijking met de teldag van de eerste schooldag van februari 2014, kent de Vlaamse Regering voor het schooljaar 2016-2017 lestijden en uren toe aan het buitengewoon basisonderwijs ten belope van 4408 lestijden onderwijzend personeel en 4930 uren paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel.'';
2° in paragraaf 2 worden tussen de woorden "type 1," en de woorden "type basisaanbod", de woorden "type 8," ingevoegd;
3° aan paragraaf 4, eerste lid, wordt de volgende zin toegevoegd :
"In de schoot van de commissie voor het gesubsidieerd vrij onderwijs, kan voor een of meer groepen binnen het gesubsidieerd vrij onderwijs anders dan het gesubsidieerd vrij katholiek onderwijs, een subcommissie opgericht worden.".
1° in paragraaf 1 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt :
"Met het oog op het opvangen van de effecten van de leerlingendaling die zich met de invoering van het decreet van 21 maart 2014 betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften al hebben voorgedaan in scholen voor buitengewoon basisonderwijs op de teldag van de eerste schooldag van februari 2016 in vergelijking met de teldag van de eerste schooldag van februari 2014, kent de Vlaamse Regering voor het schooljaar 2016-2017 lestijden en uren toe aan het buitengewoon basisonderwijs ten belope van 4408 lestijden onderwijzend personeel en 4930 uren paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel.'';
2° in paragraaf 2 worden tussen de woorden "type 1," en de woorden "type basisaanbod", de woorden "type 8," ingevoegd;
3° aan paragraaf 4, eerste lid, wordt de volgende zin toegevoegd :
"In de schoot van de commissie voor het gesubsidieerd vrij onderwijs, kan voor een of meer groepen binnen het gesubsidieerd vrij onderwijs anders dan het gesubsidieerd vrij katholiek onderwijs, een subcommissie opgericht worden.".
Art. II.30. A l'article 172ter du même décret, inséré par le décret du 3 juillet 2015, sont apportées les modifications suivantes :
1° au paragraphe 1er, l'alinéa 1er est remplacé par la disposition suivante :
" Afin de remédier aux effets de la baisse du nombre d'élèves qui se sont déjà produits par l'introduction du décret du 21 mars 2014 relatif à des mesures pour les élèves à besoins éducatifs spécifiques dans des écoles d'enseignement fondamental spécial au jour de comptage du premier jour de classe de février 2016 par rapport au jour de comptage du premier jour de classe de février 2014, le Gouvernement attribue à l'enseignement fondamental spécial pour l'année scolaire 2016-2017 des périodes de cours et des heures au prorata de 4408 périodes de cours destinées au personnel enseignant et de 4930 heures destinées au personnel paramédical, médical, social, psychologique et orthopédagogique. " ;
2° au paragraphe 2 les mots " le type 8, " sont insérés entre les mots " le type 1, " et les mots " le type offre de base, " ;
3° le paragraphe 4, alinéa 1er, est complété par la phrase suivante :
" Au sein de la commission pour l'enseignement libre subventionné, une sous-commission peut être établie pour un ou plusieurs groupes dans l'enseignement libre subventionné autre que l'enseignement libre catholique subventionné. ".
1° au paragraphe 1er, l'alinéa 1er est remplacé par la disposition suivante :
" Afin de remédier aux effets de la baisse du nombre d'élèves qui se sont déjà produits par l'introduction du décret du 21 mars 2014 relatif à des mesures pour les élèves à besoins éducatifs spécifiques dans des écoles d'enseignement fondamental spécial au jour de comptage du premier jour de classe de février 2016 par rapport au jour de comptage du premier jour de classe de février 2014, le Gouvernement attribue à l'enseignement fondamental spécial pour l'année scolaire 2016-2017 des périodes de cours et des heures au prorata de 4408 périodes de cours destinées au personnel enseignant et de 4930 heures destinées au personnel paramédical, médical, social, psychologique et orthopédagogique. " ;
2° au paragraphe 2 les mots " le type 8, " sont insérés entre les mots " le type 1, " et les mots " le type offre de base, " ;
3° le paragraphe 4, alinéa 1er, est complété par la phrase suivante :
" Au sein de la commission pour l'enseignement libre subventionné, une sous-commission peut être établie pour un ou plusieurs groupes dans l'enseignement libre subventionné autre que l'enseignement libre catholique subventionné. ".
Art. II.31. Artikel 193 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art. II.31. L'article 193 du même décret est abrogé.
Afdeling II. - Inwerkingtreding
Section II. - Entrée en vigueur
Art. II.32. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 september 2016.
Artikel II.22 heeft uitwerking met ingang van 19 december 2015.
Artikel II.22 heeft uitwerking met ingang van 19 december 2015.
Art. II.32. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er septembre 2016.
L'article II.22 produit ses effets le 19 décembre 2015.
L'article II.22 produit ses effets le 19 décembre 2015.
HOOFDSTUK III. - Secundair onderwijs
CHAPITRE III. - Enseignement secondaire
Afdeling I. - Codex Secundair Onderwijs
Section Ire. - Code de l'Enseignement secondaire
Art. III.1. In artikel 2, § 1, tweede lid, van de Codex Secundair Onderwijs, worden in punt 3°, gewijzigd bij de decreten van 4 april 2014 en 19 juni 2015, de woorden "tot en met 123/14'' vervangen door de woorden "tot en met 123/20''.
Art. III.1. Dans l'article 2, § 1er, alinéa 2, du Code de l'Enseignement secondaire, point 3°, modifié par les décrets des 4 avril 2014 et 19 juin 2015, les mots " à 123/14 " sont remplacés par les mots " à 123/20 ".
Art. III.2. In artikel 3 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het punt 2° /1, a), ingevoegd bij het decreet van 25 november 2011, worden de woorden "bij de start van het onthaalonderwijs" geschrapt;
2° er wordt een punt 10° /3 ingevoegd dat luidt als volgt :
"10° /3 contactonderwijs : onderwijs waarbij er een rechtstreeks en regelmatig contact is tussen de leraar of begeleider van een onderwijsactiviteit en de leerling, gebonden aan een bepaald tijdstip en plaats van onderwijsverstrekking;".
1° in het punt 2° /1, a), ingevoegd bij het decreet van 25 november 2011, worden de woorden "bij de start van het onthaalonderwijs" geschrapt;
2° er wordt een punt 10° /3 ingevoegd dat luidt als volgt :
"10° /3 contactonderwijs : onderwijs waarbij er een rechtstreeks en regelmatig contact is tussen de leraar of begeleider van een onderwijsactiviteit en de leerling, gebonden aan een bepaald tijdstip en plaats van onderwijsverstrekking;".
Art. III.2. A l'article 3 du même Code sont apportées les modifications suivantes :
1° au point 2° /1, a), inséré par le décret du 25 novembre 2011, les mots " , au début de l'enseignement d'accueil, " sont supprimés ;
2° il est inséré un point 10° /3 rédigé comme suit :
" 10° /3 enseignement de contact : un enseignement en contact direct et régulier entre l'enseignant ou l'accompagnateur d'une activité d'enseignement et l'élève, dispensé à un moment donné et se déroulant dans un lieu d'enseignement déterminé ; ".
1° au point 2° /1, a), inséré par le décret du 25 novembre 2011, les mots " , au début de l'enseignement d'accueil, " sont supprimés ;
2° il est inséré un point 10° /3 rédigé comme suit :
" 10° /3 enseignement de contact : un enseignement en contact direct et régulier entre l'enseignant ou l'accompagnateur d'une activité d'enseignement et l'élève, dispensé à un moment donné et se déroulant dans un lieu d'enseignement déterminé ; ".
Art. III.3. In artikel 30 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 17 juni 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt aan de opsomming in punt 2° een zin toegevoegd die luidt als volgt :
"- voor de tijdelijke verhoging van de puntenwaarde van een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel, vermeld in § 1, waarvan de titularis een dienstonderbreking heeft, zodat aan de vervanger een hogere salarisschaal kan worden toegekend.";
2° in paragraaf 1, tweede lid, wordt aan de opsomming een zin toegevoegd die luidt als volgt :
"- als een titularis van een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel bij een dienstonderbreking niet of gedeeltelijk wordt vervangen, kan de school de puntenwaarde van de niet-ingevulde opdracht van de titularis gebruiken om aan een vervanger in een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel een hogere salarisschaal toe te kennen.";
3° in paragraaf 2, eerste lid, wordt aan de opsomming een zin toegevoegd die luidt als volgt :
"- voor de tijdelijke verhoging van de puntenwaarde van een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel, vermeld in § 1, waarvan de titularis een dienstonderbreking heeft, zodat aan de vervanger een hogere salarisschaal kan worden toegekend.";
4° in paragraaf 2, tweede lid, wordt aan de opsomming een punt 3° toegevoegd dat luidt als volgt :
"3° als een titularis van een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel bij een dienstonderbreking niet of gedeeltelijk wordt vervangen, kan de scholengemeenschap de puntenwaarde van de niet-ingevulde opdracht van de titularis gebruiken om aan een vervanger in een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel een hogere salarisschaal toe te kennen.".
1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt aan de opsomming in punt 2° een zin toegevoegd die luidt als volgt :
"- voor de tijdelijke verhoging van de puntenwaarde van een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel, vermeld in § 1, waarvan de titularis een dienstonderbreking heeft, zodat aan de vervanger een hogere salarisschaal kan worden toegekend.";
2° in paragraaf 1, tweede lid, wordt aan de opsomming een zin toegevoegd die luidt als volgt :
"- als een titularis van een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel bij een dienstonderbreking niet of gedeeltelijk wordt vervangen, kan de school de puntenwaarde van de niet-ingevulde opdracht van de titularis gebruiken om aan een vervanger in een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel een hogere salarisschaal toe te kennen.";
3° in paragraaf 2, eerste lid, wordt aan de opsomming een zin toegevoegd die luidt als volgt :
"- voor de tijdelijke verhoging van de puntenwaarde van een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel, vermeld in § 1, waarvan de titularis een dienstonderbreking heeft, zodat aan de vervanger een hogere salarisschaal kan worden toegekend.";
4° in paragraaf 2, tweede lid, wordt aan de opsomming een punt 3° toegevoegd dat luidt als volgt :
"3° als een titularis van een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel bij een dienstonderbreking niet of gedeeltelijk wordt vervangen, kan de scholengemeenschap de puntenwaarde van de niet-ingevulde opdracht van de titularis gebruiken om aan een vervanger in een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel een hogere salarisschaal toe te kennen.".
Art. III.3. A l'article 30 du même Code, modifié par le décret du 17 juin 2011, sont apportées les modifications suivantes :
1° l'énumération au paragraphe 1er, alinéa 1er, point 2°, est complétée par une phrase ainsi rédigée :
" - pour l'augmentation temporaire de la pondération d'un emploi dans la fonction du personnel d'appui, visé au § 1er, dont le titulaire est en interruption de service, de manière à ce qu'une échelle de traitement supérieure puisse être attribuée au remplaçant. " ;
2° l'énumération au paragraphe 1er, alinéa 2, est complétée par une phrase ainsi rédigée :
" - si un titulaire d'un emploi dans une fonction du personnel d'appui n'est pas ou n'est que partiellement remplacé s'il interrompt son service, l'école peut utiliser la pondération de la charge non remplie du titulaire pour l'attribution d'une échelle de traitement supérieure à un remplaçant dans un emploi dans une fonction du personnel d'appui. " ;
3° l'énumération au paragraphe 2, alinéa 1er, est complétée par une phrase ainsi rédigée :
" - pour l'augmentation temporaire de la pondération d'un emploi dans une fonction du personnel d'appui, visé au § 1er, dont le titulaire est en interruption de service, de manière à ce qu'une échelle de traitement supérieure puisse être attribuée au remplaçant. " ;
4° l'énumération au paragraphe 2, alinéa 2, est complétée par un point 3° ainsi rédigé :
" 3° si un titulaire d'un emploi dans une fonction du personnel d'appui n'est pas ou partiellement remplacé s'il interrompt son service, le centre d'enseignement peut utiliser la pondération de la charge non remplie du titulaire pour l'attribution d'une échelle de traitement supérieure à un remplaçant dans un emploi dans une fonction du personnel d'appui. ".
1° l'énumération au paragraphe 1er, alinéa 1er, point 2°, est complétée par une phrase ainsi rédigée :
" - pour l'augmentation temporaire de la pondération d'un emploi dans la fonction du personnel d'appui, visé au § 1er, dont le titulaire est en interruption de service, de manière à ce qu'une échelle de traitement supérieure puisse être attribuée au remplaçant. " ;
2° l'énumération au paragraphe 1er, alinéa 2, est complétée par une phrase ainsi rédigée :
" - si un titulaire d'un emploi dans une fonction du personnel d'appui n'est pas ou n'est que partiellement remplacé s'il interrompt son service, l'école peut utiliser la pondération de la charge non remplie du titulaire pour l'attribution d'une échelle de traitement supérieure à un remplaçant dans un emploi dans une fonction du personnel d'appui. " ;
3° l'énumération au paragraphe 2, alinéa 1er, est complétée par une phrase ainsi rédigée :
" - pour l'augmentation temporaire de la pondération d'un emploi dans une fonction du personnel d'appui, visé au § 1er, dont le titulaire est en interruption de service, de manière à ce qu'une échelle de traitement supérieure puisse être attribuée au remplaçant. " ;
4° l'énumération au paragraphe 2, alinéa 2, est complétée par un point 3° ainsi rédigé :
" 3° si un titulaire d'un emploi dans une fonction du personnel d'appui n'est pas ou partiellement remplacé s'il interrompt son service, le centre d'enseignement peut utiliser la pondération de la charge non remplie du titulaire pour l'attribution d'une échelle de traitement supérieure à un remplaçant dans un emploi dans une fonction du personnel d'appui. ".
Art. III.4. In artikel 31, § 1, van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid wordt aan de opsomming in punt 2°, een zin toegevoegd die luidt als volgt :
"- voor de tijdelijke verhoging van de puntenwaarde van een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel waarvan de titularis een dienstonderbreking heeft, zodat aan de vervanger een hogere salarisschaal kan worden toegekend.";
2° in het tweede lid wordt aan de opsomming een zin toegevoegd die luidt als volgt :
"- als een titularis van een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel bij een dienstonderbreking niet of gedeeltelijk wordt vervangen, kan de school de puntenwaarde van de niet-ingevulde opdracht van de titularis gebruiken om aan een vervanger in een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel een hogere salarisschaal toe te kennen.".
1° in het eerste lid wordt aan de opsomming in punt 2°, een zin toegevoegd die luidt als volgt :
"- voor de tijdelijke verhoging van de puntenwaarde van een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel waarvan de titularis een dienstonderbreking heeft, zodat aan de vervanger een hogere salarisschaal kan worden toegekend.";
2° in het tweede lid wordt aan de opsomming een zin toegevoegd die luidt als volgt :
"- als een titularis van een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel bij een dienstonderbreking niet of gedeeltelijk wordt vervangen, kan de school de puntenwaarde van de niet-ingevulde opdracht van de titularis gebruiken om aan een vervanger in een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel een hogere salarisschaal toe te kennen.".
Art. III.4. A l'article 31, § 1er, du même Code, sont apportées les modifications suivantes :
1° l'énumération à l'alinéa 1er, point 2°, est complétée par une phrase ainsi rédigée :
" - pour l'augmentation temporaire de la pondération d'un emploi dans une fonction du personnel d'appui, dont le titulaire est en interruption de service, de manière à ce qu'une échelle de traitement supérieure puisse être attribuée au remplaçant. " ;
2° l'énumération à l'alinéa 2, est complétée par une phrase ainsi rédigée :
" - si un titulaire d'un emploi dans une fonction du personnel d'appui n'est pas ou partiellement remplacé s'il interrompt son service, l'école peut utiliser la pondération de la charge non remplie du titulaire pour l'attribution d'une échelle de traitement supérieure à un remplaçant dans un emploi dans une fonction du personnel d'appui. ".
1° l'énumération à l'alinéa 1er, point 2°, est complétée par une phrase ainsi rédigée :
" - pour l'augmentation temporaire de la pondération d'un emploi dans une fonction du personnel d'appui, dont le titulaire est en interruption de service, de manière à ce qu'une échelle de traitement supérieure puisse être attribuée au remplaçant. " ;
2° l'énumération à l'alinéa 2, est complétée par une phrase ainsi rédigée :
" - si un titulaire d'un emploi dans une fonction du personnel d'appui n'est pas ou partiellement remplacé s'il interrompt son service, l'école peut utiliser la pondération de la charge non remplie du titulaire pour l'attribution d'une échelle de traitement supérieure à un remplaçant dans un emploi dans une fonction du personnel d'appui. ".
Art. III.5. In artikel 32, § 2, van dezelfde codex wordt aan het tweede lid een zin toegevoegd die luidt als volgt :
"De betrekking is onderhevig aan de regelgeving die van kracht is op het ambt van administratief medewerker in het gewoon secundair onderwijs.".
"De betrekking is onderhevig aan de regelgeving die van kracht is op het ambt van administratief medewerker in het gewoon secundair onderwijs.".
Art. III.5. Dans l'article 32, § 2, du même Code, il est ajouté une phrase à l'alinéa 2, rédigé comme suit :
" La fonction est soumise à la réglementation applicable à la fonction de collaborateur administratif dans l'enseignement secondaire ordinaire. ".
" La fonction est soumise à la réglementation applicable à la fonction de collaborateur administratif dans l'enseignement secondaire ordinaire. ".
Art. III.6. In artikel 51 van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 25 april 2014, wordt in het vierde lid het jaartal "2017," opgeheven.
Art. III.6. Dans l'article 51, du même Code, remplacé par le décret du 25 avril 2014, l'année " 2017 " dans le quatrième alinéa est abrogée.
Art. III.7. In artikel 110/1, § 4, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 25 november 2011, wordt tussen het woord "kan" en het woord "ervoor" de zinsnede ", afzonderlijk in het gewoon en in het buitengewoon secundair onderwijs," ingevoegd.
Art. III.7. Dans l'article 110/1, § 4, du même Code, inséré par le décret du 25 novembre 2011, les mots " séparément dans l'enseignement secondaire ordinaire et dans l'enseignement secondaire spécial " sont insérés entre les mots " peut opter, " et les mots " dans le cas ".
Art. III.8. In artikel 110/11, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 25 november 2011, vervangen door het decreet van 21 maart 2014, en het laatst gewijzigd door het decreet van 19 juni 2015, worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° aan het eerste lid van paragraaf 2 wordt de volgende zin toegevoegd :
"Ook indien de school pas nadat de inschrijving reeds gerealiseerd werd, kennis neemt van een verslag, ten laatste gedateerd op de dag waarop de leerling in de betreffende school instapt, wordt de inschrijving van de leerling omgezet in een inschrijving onder ontbindende voorwaarde.";
2° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt :
" § 3. Wanneer tijdens de schoolloopbaan de nood aan aanpassingen voor een leerling wijzigt en de vastgestelde onderwijsbehoeften van die aard zijn dat voor de leerling een verslag dan wel een wijziging van een verslag, als vermeld in artikel 294, nodig is, organiseert de school een overleg met de klassenraad, de ouders en het CLB en beslist op basis daarvan en nadat het verslag of het gewijzigd verslag werd afgeleverd, om de leerling op vraag van de ouders studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum of om de inschrijving van de leerling voor een daaropvolgend schooljaar te ontbinden.";
3° er wordt een paragraaf 4 toegevoegd die luidt als volgt :
" § 4. In afwijking op paragraaf 2 en 3 is studievoortgang op basis van een individueel aangepast curriculum niet mogelijk in de leertijd.".
1° aan het eerste lid van paragraaf 2 wordt de volgende zin toegevoegd :
"Ook indien de school pas nadat de inschrijving reeds gerealiseerd werd, kennis neemt van een verslag, ten laatste gedateerd op de dag waarop de leerling in de betreffende school instapt, wordt de inschrijving van de leerling omgezet in een inschrijving onder ontbindende voorwaarde.";
2° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt :
" § 3. Wanneer tijdens de schoolloopbaan de nood aan aanpassingen voor een leerling wijzigt en de vastgestelde onderwijsbehoeften van die aard zijn dat voor de leerling een verslag dan wel een wijziging van een verslag, als vermeld in artikel 294, nodig is, organiseert de school een overleg met de klassenraad, de ouders en het CLB en beslist op basis daarvan en nadat het verslag of het gewijzigd verslag werd afgeleverd, om de leerling op vraag van de ouders studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum of om de inschrijving van de leerling voor een daaropvolgend schooljaar te ontbinden.";
3° er wordt een paragraaf 4 toegevoegd die luidt als volgt :
" § 4. In afwijking op paragraaf 2 en 3 is studievoortgang op basis van een individueel aangepast curriculum niet mogelijk in de leertijd.".
Art. III.8. A l'article 110/11, du même Code, inséré par le décret du 25 novembre 2011, remplacé par le décret du 21 mars 2014 et modifié en dernier lieu par le décret du 19 juin 2015, sont apportées les modifications suivantes :
1° le premier alinéa du paragraphe 2 est complété par la phrase suivante :
" Même si ce n'est qu'après la réalisation de l'inscription que l'école prend connaissance d'un rapport, daté au plus tard le jour d'entrée de l'élève à l'école concernée, l'inscription de l'élève est convertie en une inscription sous condition résolutoire. " ;
2° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Lorsqu'au cours du parcours scolaire le besoin d'aménagements change pour un élève et lorsque les besoins éducatifs constatés sont tels, qu'un rapport ou bien une modification d'un rapport tel que visé à l'article 294, devient nécessaire pour l'élève, l'école organisera une concertation avec le conseil de classe, les parents et le CLB ; elle décidera sur la base de cette concertation et après production du rapport ou du rapport modifié si, à la demande des parents, la progression des études de l'élève se fera en suivant un programme adapté individuellement ou si l'inscription de l'élève sera dissolue à partir de l'année scolaire successive. " ;
3° il est ajouté un paragraphe 4 qui s'énonce comme suit :
" § 4. Par dérogation aux paragraphes 2 et 3, la progression des études sur la base d'un programme adapté individuellement n'est pas possible pendant l'apprentissage. ".
1° le premier alinéa du paragraphe 2 est complété par la phrase suivante :
" Même si ce n'est qu'après la réalisation de l'inscription que l'école prend connaissance d'un rapport, daté au plus tard le jour d'entrée de l'élève à l'école concernée, l'inscription de l'élève est convertie en une inscription sous condition résolutoire. " ;
2° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Lorsqu'au cours du parcours scolaire le besoin d'aménagements change pour un élève et lorsque les besoins éducatifs constatés sont tels, qu'un rapport ou bien une modification d'un rapport tel que visé à l'article 294, devient nécessaire pour l'élève, l'école organisera une concertation avec le conseil de classe, les parents et le CLB ; elle décidera sur la base de cette concertation et après production du rapport ou du rapport modifié si, à la demande des parents, la progression des études de l'élève se fera en suivant un programme adapté individuellement ou si l'inscription de l'élève sera dissolue à partir de l'année scolaire successive. " ;
3° il est ajouté un paragraphe 4 qui s'énonce comme suit :
" § 4. Par dérogation aux paragraphes 2 et 3, la progression des études sur la base d'un programme adapté individuellement n'est pas possible pendant l'apprentissage. ".
Art. III.9. In artikel 110/14, § 3, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 25 november 2011, wordt in het tweede lid de zinsnede "artikel 110/11, § 3" vervangen door de zinsnede "artikel 110/11".
Art. III.9. Dans l'article 110/14, § 3, du même Code, inséré par le décret du 25 novembre 2011, le membre de phrase dans le deuxième alinéa " l'article 110/11, § 3, " est remplacé par le membre de phrase " l'article 110/11 ".
Art. III.10. In artikel 110/29, § 1, van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° er wordt tussen het eerste en het tweede lid een nieuw lid ingevoegd dat luidt als volgt :
"In het geval dat voor twee of meerdere leerplichtige kinderen gezamenlijk huisonderwijs wordt georganiseerd en de plaats waar dit huisonderwijs wordt georganiseerd verschilt van het adres waar de kinderen gedomicilieerd zijn, dan kan voor deze leerplichtige kinderen één gezamenlijke verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie over huisonderwijs ingediend worden door de organisator van het huisonderwijs. De bijhorende informatie over het huisonderwijs moet naast de elementen vermeld in het tweede lid ook het adres bevatten waarop het huisonderwijs effectief wordt verstrekt.";
2° aan het punt 4° van het bestaande tweede lid, dat het derde lid wordt, worden de volgende woorden toegevoegd :
", waar het leerplichtige kind contactonderwijs volgt".
1° er wordt tussen het eerste en het tweede lid een nieuw lid ingevoegd dat luidt als volgt :
"In het geval dat voor twee of meerdere leerplichtige kinderen gezamenlijk huisonderwijs wordt georganiseerd en de plaats waar dit huisonderwijs wordt georganiseerd verschilt van het adres waar de kinderen gedomicilieerd zijn, dan kan voor deze leerplichtige kinderen één gezamenlijke verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie over huisonderwijs ingediend worden door de organisator van het huisonderwijs. De bijhorende informatie over het huisonderwijs moet naast de elementen vermeld in het tweede lid ook het adres bevatten waarop het huisonderwijs effectief wordt verstrekt.";
2° aan het punt 4° van het bestaande tweede lid, dat het derde lid wordt, worden de volgende woorden toegevoegd :
", waar het leerplichtige kind contactonderwijs volgt".
Art. III.10. A l'article 110/29, § 1er, du même code, les modifications suivantes sont apportées :
1° il est inséré, entre les premier et deuxième alinéas, un nouvel alinéa ainsi rédigé :
" Dans le cas où il est organisé un enseignement à domicile commun pour deux ou plusieurs enfants scolarisables et le lieu où l'enseignement est organisé diffère de l'adresse où les enfants sont domiciliés, une seule déclaration d'enseignement à domicile assortie d'informations afférentes à l'enseignement à domicile peut être présentée pour ces enfants scolarisables par l'organisateur de l'enseignement à domicile. Les informations afférentes à l'enseignement à domicile doivent contenir également, outre les éléments visés au deuxième alinéa, l'adresse où l'enseignement à domicile est effectivement dispensé. " ;
2° au point 4° de deuxième alinéa existant, qui devient le troisième alinéa, les mots suivants sont ajoutés :
" , où l'enfant scolarisable suit un enseignement de contact ".
1° il est inséré, entre les premier et deuxième alinéas, un nouvel alinéa ainsi rédigé :
" Dans le cas où il est organisé un enseignement à domicile commun pour deux ou plusieurs enfants scolarisables et le lieu où l'enseignement est organisé diffère de l'adresse où les enfants sont domiciliés, une seule déclaration d'enseignement à domicile assortie d'informations afférentes à l'enseignement à domicile peut être présentée pour ces enfants scolarisables par l'organisateur de l'enseignement à domicile. Les informations afférentes à l'enseignement à domicile doivent contenir également, outre les éléments visés au deuxième alinéa, l'adresse où l'enseignement à domicile est effectivement dispensé. " ;
2° au point 4° de deuxième alinéa existant, qui devient le troisième alinéa, les mots suivants sont ajoutés :
" , où l'enfant scolarisable suit un enseignement de contact ".
Art. III.11. In artikel 110/30 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° aan het punt 4° van het tweede lid van paragraaf 1, worden de woorden ", waar het leerplichtige kind contactonderwijs volgt" toegevoegd;
2° aan het punt d) van punt 3° van paragraaf 2, worden de woorden ", waar het leerplichtige kind contactonderwijs volgt" toegevoegd.
1° aan het punt 4° van het tweede lid van paragraaf 1, worden de woorden ", waar het leerplichtige kind contactonderwijs volgt" toegevoegd;
2° aan het punt d) van punt 3° van paragraaf 2, worden de woorden ", waar het leerplichtige kind contactonderwijs volgt" toegevoegd.
Art. III.11. A l'article 110/30 du même Code, les modifications suivantes sont apportées :
1° au point 4° du deuxième alinéa du paragraphe 1er, les mots " où l'enfant scolarisable suit un enseignement de contact ", sont ajoutés ;
2° au point d) du point 3° du paragraphe 2, les mots " où l'enfant scolarisable suit un enseignement de contact ", sont ajoutés.
1° au point 4° du deuxième alinéa du paragraphe 1er, les mots " où l'enfant scolarisable suit un enseignement de contact ", sont ajoutés ;
2° au point d) du point 3° du paragraphe 2, les mots " où l'enfant scolarisable suit un enseignement de contact ", sont ajoutés.
Art. III.12. Aan het punt 4° van het eerste lid van paragraaf 3 van het artikel 110/31 van dezelfde codex worden de woorden ", waar het leerplichtige kind contactonderwijs volgt" toegevoegd.
Art. III.12. Au point 4° du premier alinéa du paragraphe 3 de l'article 110/31 du même Code, les mots " où l'enfant scolarisable suit un enseignement de contact " sont ajoutés.
Art. III.13. In artikel 112 van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 4 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het punt 5° wordt vervangen door wat volgt :
"5° het tijdelijk onderwijs aan huis en het synchroon internetonderwijs, met vermelding dat de betrokken personen op die onderwijsvoorzieningen zullen worden gewezen in het geval dat de leerling aan de gestelde voorwaarden voldoet om er recht op te hebben;";
2° een punt 15° wordt toegevoegd, dat luidt als volgt :
"15° de mededeling dat de school bij schoolverandering verplicht is een kopie van het eventueel gemotiveerd verslag voor toegang tot het geïntegreerd onderwijs en een kopie van het eventueel verslag voor toegang tot het buitengewoon onderwijs over te dragen aan de nieuwe school.".
1° het punt 5° wordt vervangen door wat volgt :
"5° het tijdelijk onderwijs aan huis en het synchroon internetonderwijs, met vermelding dat de betrokken personen op die onderwijsvoorzieningen zullen worden gewezen in het geval dat de leerling aan de gestelde voorwaarden voldoet om er recht op te hebben;";
2° een punt 15° wordt toegevoegd, dat luidt als volgt :
"15° de mededeling dat de school bij schoolverandering verplicht is een kopie van het eventueel gemotiveerd verslag voor toegang tot het geïntegreerd onderwijs en een kopie van het eventueel verslag voor toegang tot het buitengewoon onderwijs over te dragen aan de nieuwe school.".
Art. III.13. A l'article 112 du même Code, remplacé par le décret du 4 avril 2014, sont apportées les modifications suivantes :
1° le point 5° est remplacé par ce qui suit :
" 5° l'enseignement temporaire en milieu familial et l'enseignement synchrone via internet, tout en signalant que les personnes concernées seront informées de ces formes d'enseignement au cas où l'élève répond aux conditions pour y prétendre ; " ;
2° il est ajouté un point 15°, rédigé comme suit :
" 15° la communication que l'école est obligée, lorsque l'élève change d'école, de présenter à la nouvelle école une copie du rapport éventuellement motivé pour l'accès à l'enseignement intégré et une copie du rapport éventuel pour l'accès à l'enseignement spécial. ".
1° le point 5° est remplacé par ce qui suit :
" 5° l'enseignement temporaire en milieu familial et l'enseignement synchrone via internet, tout en signalant que les personnes concernées seront informées de ces formes d'enseignement au cas où l'élève répond aux conditions pour y prétendre ; " ;
2° il est ajouté un point 15°, rédigé comme suit :
" 15° la communication que l'école est obligée, lorsque l'élève change d'école, de présenter à la nouvelle école une copie du rapport éventuellement motivé pour l'accès à l'enseignement intégré et une copie du rapport éventuel pour l'accès à l'enseignement spécial. ".
Art. III.14. Artikel 115/5 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 1 juli 2011, wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 115/5. Een beslissing van de delibererende klassenraad waartegen de betrokken personen geen beroep of een niet ontvankelijk beroep hebben ingesteld, kan door het schoolbestuur omstreden worden geacht. In dat geval kan het schoolbestuur de klassenraad opnieuw doen samenkomen om de omstreden beslissing te heroverwegen. Het opnieuw samenkomen dient te gebeuren hetzij uiterlijk op 15 september van het daaropvolgend schooljaar, hetzij uiterlijk op 15 maart van het schooljaar in kwestie als de omstreden beslissing betrekking heeft op een Se-n-Se die eindigt op 31 januari. In het geval de dan genomen beslissing afwijkt van de omstreden beslissing, wordt ze schriftelijk en gemotiveerd onmiddellijk aan de betrokken personen meegedeeld.".
"Art. 115/5. Een beslissing van de delibererende klassenraad waartegen de betrokken personen geen beroep of een niet ontvankelijk beroep hebben ingesteld, kan door het schoolbestuur omstreden worden geacht. In dat geval kan het schoolbestuur de klassenraad opnieuw doen samenkomen om de omstreden beslissing te heroverwegen. Het opnieuw samenkomen dient te gebeuren hetzij uiterlijk op 15 september van het daaropvolgend schooljaar, hetzij uiterlijk op 15 maart van het schooljaar in kwestie als de omstreden beslissing betrekking heeft op een Se-n-Se die eindigt op 31 januari. In het geval de dan genomen beslissing afwijkt van de omstreden beslissing, wordt ze schriftelijk en gemotiveerd onmiddellijk aan de betrokken personen meegedeeld.".
Art. III.14. L'article 115/5 du même Code, inséré par le décret du 1er juillet 2011, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 115/5. Une décision du conseil de classe délibérant, contre laquelle les personnes concernées n'ont pas introduit de recours ou ont introduit un recours irrecevable, peut être considéré comme contesté. Dans ce cas, l'autorité scolaire peut convoquer à nouveau le conseil de classe pour reconsidérer la décision contestée. Cette nouvelle réunion doit avoir lieu soit au plus tard le 15 septembre de l'année scolaire suivante, soit au plus tard le 15 mars de l'année scolaire en question si la décision contestée a trait à une formation Se-n-Se qui se termine le 31 janvier. Si la décision alors prise déroge à la décision contestée, elle est immédiatement notifiée et motivée par écrit aux personnes intéressées. ".
" Art. 115/5. Une décision du conseil de classe délibérant, contre laquelle les personnes concernées n'ont pas introduit de recours ou ont introduit un recours irrecevable, peut être considéré comme contesté. Dans ce cas, l'autorité scolaire peut convoquer à nouveau le conseil de classe pour reconsidérer la décision contestée. Cette nouvelle réunion doit avoir lieu soit au plus tard le 15 septembre de l'année scolaire suivante, soit au plus tard le 15 mars de l'année scolaire en question si la décision contestée a trait à une formation Se-n-Se qui se termine le 31 janvier. Si la décision alors prise déroge à la décision contestée, elle est immédiatement notifiée et motivée par écrit aux personnes intéressées. ".
Art. III.15. In deel III, titel 2, van dezelfde codex wordt het opschrift van hoofdstuk 4 "Onderwijs voor zieke jongeren", vervangen door het opschrift "Specifieke maatregelen voor bepaalde doelgroepen".
Art. III.15. Dans le titre III, titre 2, du même Code, l'intitulé du Chapitre 4 " Enseignement destiné aux jeunes malades ", est remplacé par l'intitulé " Mesures spécifiques en faveur de certains groupes-cibles ".
Art. III.16. In artikel 121 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 19 juli 2013, wordt tussen het woord "Voor" en het woord "leerlingen" de zinsnede "leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften of" ingevoegd.
Art. III.16. Dans l'article 121 du même Code, inséré par le décret du 19 juillet 2013, les mots " ou les élèves à besoins éducatifs spécifiques " sont insérés entre les mots " Pour les élèves " et les mots " qui ne peuvent ".
Art. III.17. In artikel 122 van dezelfde codex wordt de zinsnede "op voorwaarde dat de leerlingen vervangende activiteiten volgen." vervangen door de zinsnede "van doelen van het gemeenschappelijk curriculum en die waar mogelijk vervangen door gelijkwaardige doelen, in die mate dat ofwel de doelen voor de studiebekrachtiging in functie van de finaliteit voor het betreffende structuuronderdeel ofwel de doelen voor het doorstromen naar het beoogde vervolgonderwijs of naar de arbeidsmarkt nog in voldoende mate kunnen bereikt worden.".
Art. III.17. Dans l'article 122 du même Code, le membre de phrase " à condition que les élèves suivent des activités remplaçantes " est remplacé par le membre de phrase " d'objectifs du programme d'études commun et les remplacer, là où c'est possible, par des objectifs équivalents, dans la mesure où soit les objectifs pour la validation des études en fonction de la finalité de la subdivision structurelle concernée, soit les objectifs de transition vers l'enseignement complémentaire envisagé ou vers le marché de l'emploi puissent encore être atteints dans une mesure suffisante. ".
Art. III.18. In het laatste lid van artikel 122/1 van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 4 april 2014, worden na het woord "huis" de woorden "en synchroon internetonderwijs" ingevoegd.
Art. III.18. Dans le dernier alinéa de l'article 122/1 du même Code, remplacé par le décret du 4 avril 2014, les mots " et à un enseignement synchrone via internet " sont insérés après les mots " en milieu familial ".
Art. III.19. Artikel 123/1 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 21 maart 2014, en vervangen bij het decreet van 19 juni 2015, wordt opgeheven.
Art. III.19. L'article 123/1 du même Code, inséré par le décret du 21 mars 2014 et remplacé par le décret du 19 juin 2015, est abrogé.
Art. III.20. Aan artikel 123/6 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 4 april 2014, wordt een punt 4° toegevoegd dat luidt als volgt :
"4° een kopie van het verslag of gemotiveerd verslag van een CLB in het kader van het decreet betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften dient verplicht te worden overgedragen door de oude school aan de nieuwe school. Tevens zal het CLB dat verbonden was aan de oude school een kopie van het verslag of gemotiveerd verslag verplicht overdragen aan het CLB, dat verbonden is met de nieuwe school. In het belang van de optimale begeleiding van de betrokken leerling en de organisatie van de school kunnen ouders zich tegen deze overdracht niet verzetten.".
"4° een kopie van het verslag of gemotiveerd verslag van een CLB in het kader van het decreet betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften dient verplicht te worden overgedragen door de oude school aan de nieuwe school. Tevens zal het CLB dat verbonden was aan de oude school een kopie van het verslag of gemotiveerd verslag verplicht overdragen aan het CLB, dat verbonden is met de nieuwe school. In het belang van de optimale begeleiding van de betrokken leerling en de organisatie van de school kunnen ouders zich tegen deze overdracht niet verzetten.".
Art. III.20. A l'article 123/6 du même Code, inséré par le décret du 4 avril 2014, il est ajouté un point 4°, rédigé comme suit :
" 4° une copie du rapport ou du rapport motivé d'un CLB dans le cadre du décret relatif à des mesures pour les élèves à besoins éducatifs spécifiques doit obligatoirement être transmis par l'ancienne école à la nouvelle école. Le CLB étant rattaché à l'ancienne école devra également obligatoirement transmettre une copie du rapport ou du rapport motivé au CLB rattaché à la nouvelle école. Dans le but d'assurer un accompagnement optimal de l'élève intéressé et de l'organisation de l'école, les parents ne peuvent s'opposer à ce transfert. ".
" 4° une copie du rapport ou du rapport motivé d'un CLB dans le cadre du décret relatif à des mesures pour les élèves à besoins éducatifs spécifiques doit obligatoirement être transmis par l'ancienne école à la nouvelle école. Le CLB étant rattaché à l'ancienne école devra également obligatoirement transmettre une copie du rapport ou du rapport motivé au CLB rattaché à la nouvelle école. Dans le but d'assurer un accompagnement optimal de l'élève intéressé et de l'organisation de l'école, les parents ne peuvent s'opposer à ce transfert. ".
Art. III.21. Aan artikel 123/20 van dezelfde codex, ingevoegd door het decreet van 19 juni 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° aan het derde lid wordt de volgende zin toegevoegd :
"De aansprakelijkheid van de vader en de moeder in de zin van artikel 1384, tweede lid van het burgerlijk wetboek geldt enkel wanneer de minderjarige leerling-stagiair overeenkomstig de hier voormelde gevallen persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld.";
2° het vierde lid wordt vervangen door wat volgt :
"De stagegever is een aansteller in de zin van artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek.";
3° tussen het vierde en het vijfde lid wordt een nieuw lid ingevoegd dat luidt als volgt :
"Alle met de bepalingen van dit artikel strijdige bedingen zijn nietig.".
1° aan het derde lid wordt de volgende zin toegevoegd :
"De aansprakelijkheid van de vader en de moeder in de zin van artikel 1384, tweede lid van het burgerlijk wetboek geldt enkel wanneer de minderjarige leerling-stagiair overeenkomstig de hier voormelde gevallen persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld.";
2° het vierde lid wordt vervangen door wat volgt :
"De stagegever is een aansteller in de zin van artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek.";
3° tussen het vierde en het vijfde lid wordt een nieuw lid ingevoegd dat luidt als volgt :
"Alle met de bepalingen van dit artikel strijdige bedingen zijn nietig.".
Art. III.21. A l'article 123/20 du même Code, inséré par le décret du 19 juin 2015, sont apportées les modifications suivantes :
1° l'alinéa 3 est complété par la phrase suivante :
" La responsabilité du père et de la mère au sens de l'article 1384, alinéa 2, du Code civil s'applique uniquement lorsque l'élève-stagiaire mineur peut être tenu personnellement responsable conformément aux cas précités. " ;
2° l'alinéa 4 est remplacé par ce qui suit :
" Le donneur de stage est un commettant au sens de l'article 1384, alinéa 3, du Code civil. " ;
3° il est inséré, entre les alinéas 4 et 5, un nouvel alinéa ainsi rédigé :
" Toutes les stipulations contraires aux dispositions du présent article sont nulles. ".
1° l'alinéa 3 est complété par la phrase suivante :
" La responsabilité du père et de la mère au sens de l'article 1384, alinéa 2, du Code civil s'applique uniquement lorsque l'élève-stagiaire mineur peut être tenu personnellement responsable conformément aux cas précités. " ;
2° l'alinéa 4 est remplacé par ce qui suit :
" Le donneur de stage est un commettant au sens de l'article 1384, alinéa 3, du Code civil. " ;
3° il est inséré, entre les alinéas 4 et 5, un nouvel alinéa ainsi rédigé :
" Toutes les stipulations contraires aux dispositions du présent article sont nulles. ".
Art. III.22. In artikel 130 van dezelfde codex wordt de paragraaf 2 vervangen door wat volgt :
" § 2. Voor de organisatie van een Se-n-Se kan een school voor voltijds secundair onderwijs samenwerken met :
1° één of meer andere scholen voor secundair onderwijs, centra voor volwassenenonderwijs of hogescholen;
2° één of meer publieke verstrekkers van beroepsopleidingen voor volwassenen;
3° andere organisaties of bedrijven uit de publieke of private sector.
Binnen dat samenwerkingsverband is de eerst vermelde school voor voltijds secundair onderwijs altijd de coördinerende school. Uitsluitend de coördinerende school is bevoegd en verantwoordelijk voor de inschrijving van leerlingen voor het geheel van de Se-n-Se, de programmatie, de evaluatie, de studiebekrachtiging en de kwaliteitszorg, terwijl op het vlak van de financiering of subsidiëring de vigerende decretale en regelgevende bepalingen enkel van toepassing zijn op de coördinerende school.
De samenwerking wordt vastgelegd in een overeenkomst waarin ten minste de volgende elementen worden opgenomen :
1° de partners waarmee wordt samengewerkt;
2° de coördinerende school;
3° de invulling van de samenwerking;
4° de looptijd van de samenwerking;
5° de afspraken over de evaluatie en de kwaliteitszorg;
6° de afspraken over het inzetten van personeel. Het protocol van de onderhandelingen hierover in de lokale comités wordt als bijlage bij de samenwerkingsovereenkomst gevoegd.
Een coördinerende school kan, na onderhandeling in het lokale comité, uren-leraar overdragen aan een partner waarmee wordt samengewerkt. Tenzij die overdracht plaats vindt naar een andere school voor secundair onderwijs of naar een centrum voor volwassenenonderwijs, worden de betrokken uren-leraar beschouwd als uren-leraar aangewend voor voordrachtgevers en gelden de bepalingen van artikel 211, § 3.".
" § 2. Voor de organisatie van een Se-n-Se kan een school voor voltijds secundair onderwijs samenwerken met :
1° één of meer andere scholen voor secundair onderwijs, centra voor volwassenenonderwijs of hogescholen;
2° één of meer publieke verstrekkers van beroepsopleidingen voor volwassenen;
3° andere organisaties of bedrijven uit de publieke of private sector.
Binnen dat samenwerkingsverband is de eerst vermelde school voor voltijds secundair onderwijs altijd de coördinerende school. Uitsluitend de coördinerende school is bevoegd en verantwoordelijk voor de inschrijving van leerlingen voor het geheel van de Se-n-Se, de programmatie, de evaluatie, de studiebekrachtiging en de kwaliteitszorg, terwijl op het vlak van de financiering of subsidiëring de vigerende decretale en regelgevende bepalingen enkel van toepassing zijn op de coördinerende school.
De samenwerking wordt vastgelegd in een overeenkomst waarin ten minste de volgende elementen worden opgenomen :
1° de partners waarmee wordt samengewerkt;
2° de coördinerende school;
3° de invulling van de samenwerking;
4° de looptijd van de samenwerking;
5° de afspraken over de evaluatie en de kwaliteitszorg;
6° de afspraken over het inzetten van personeel. Het protocol van de onderhandelingen hierover in de lokale comités wordt als bijlage bij de samenwerkingsovereenkomst gevoegd.
Een coördinerende school kan, na onderhandeling in het lokale comité, uren-leraar overdragen aan een partner waarmee wordt samengewerkt. Tenzij die overdracht plaats vindt naar een andere school voor secundair onderwijs of naar een centrum voor volwassenenonderwijs, worden de betrokken uren-leraar beschouwd als uren-leraar aangewend voor voordrachtgevers en gelden de bepalingen van artikel 211, § 3.".
Art. III.22. Dans l'article 130 du même Code, le paragraphe 2 est remplacé par la disposition suivante :
" § 2. Pour l'organisation d'une 'Se-n-Se', une école d'enseignement secondaire à temps plein peut collaborer avec :
1° une ou plusieurs autres écoles d'enseignement secondaire, un ou plusieurs autres centres d'éducation des adultes ou instituts supérieurs ;
2° un ou plusieurs dispensateurs publics de formations professionnelles pour adultes ;
3° d'autres organisations ou entreprises du secteur public et privé.
Au sein de cette structure de coopération, l'école d'enseignement secondaire à temps plein premièrement citée est toujours l'école coordinatrice. Seule l'école coordinatrice est compétente et responsable de l'inscription d'élèves à l'ensemble de la Se-n-Se, de la programmation, de l'évaluation, de la validation des études et de la gestion de la qualité, tandis que pour ce qui est du financement ou du subventionnement, les dispositions décrétales et réglementaires en vigueur s'appliquent uniquement à l'école coordinatrice.
La coopération est coulée dans un accord reprenant au moins les éléments suivants :
1° les partenaires avec qui on coopère ;
2° l'école coordinatrice ;
3° la concrétisation de la coopération ;
4° la durée de la coopération ;
5° les arrangements pris au sujet de l'évaluation et de la gestion de la qualité ;
6° les arrangements pris sur l'affectation du personnel. Le protocole des négociations en la matière au sein des comités locaux est joint en annexe à l'accord de coopération.
Une école coordinatrice peut, après négociation au sein du comité local, transférer des périodes-professeur à un partenaire avec lequel une coopération a été mise sur pied. Dans le cas d'un transfert à une autre école d'enseignement secondaire ou un centre d'éducation des adultes, les périodes-professeur concernées sont considérées comme des périodes-professeur utilisées pour des conférenciers et les dispositions de l'article 211, § 3 sont d'application. ".
" § 2. Pour l'organisation d'une 'Se-n-Se', une école d'enseignement secondaire à temps plein peut collaborer avec :
1° une ou plusieurs autres écoles d'enseignement secondaire, un ou plusieurs autres centres d'éducation des adultes ou instituts supérieurs ;
2° un ou plusieurs dispensateurs publics de formations professionnelles pour adultes ;
3° d'autres organisations ou entreprises du secteur public et privé.
Au sein de cette structure de coopération, l'école d'enseignement secondaire à temps plein premièrement citée est toujours l'école coordinatrice. Seule l'école coordinatrice est compétente et responsable de l'inscription d'élèves à l'ensemble de la Se-n-Se, de la programmation, de l'évaluation, de la validation des études et de la gestion de la qualité, tandis que pour ce qui est du financement ou du subventionnement, les dispositions décrétales et réglementaires en vigueur s'appliquent uniquement à l'école coordinatrice.
La coopération est coulée dans un accord reprenant au moins les éléments suivants :
1° les partenaires avec qui on coopère ;
2° l'école coordinatrice ;
3° la concrétisation de la coopération ;
4° la durée de la coopération ;
5° les arrangements pris au sujet de l'évaluation et de la gestion de la qualité ;
6° les arrangements pris sur l'affectation du personnel. Le protocole des négociations en la matière au sein des comités locaux est joint en annexe à l'accord de coopération.
Une école coordinatrice peut, après négociation au sein du comité local, transférer des périodes-professeur à un partenaire avec lequel une coopération a été mise sur pied. Dans le cas d'un transfert à une autre école d'enseignement secondaire ou un centre d'éducation des adultes, les périodes-professeur concernées sont considérées comme des périodes-professeur utilisées pour des conférenciers et les dispositions de l'article 211, § 3 sont d'application. ".
Art. III.23. In artikel 136/1 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 1 juli 2011 en gewijzigd bij het decreet van 19 juni 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden "opleidingsvorm 4" vervangen door de woorden "opleidingsvorm 3 en opleidingsvorm 4";
2° er wordt aan het tweede lid een zevende punt toegevoegd dat luidt als volgt :
"7° indien het een leerling betreft van het buitengewoon secundair onderwijs die de lessen bijwoont in het gewoon secundair onderwijs dan kan deze maximaal halftijds een deel van de vorming bijwonen in het gewoon onderwijs, dit wil zeggen maximaal voor de helft van de wekelijkse lesuren van het structuuronderdeel van het buitengewoon onderwijs waar hij is ingeschreven;";
3° er wordt aan het tweede lid een achtste punt toegevoegd dat luidt als volgt :
``8° deze regeling is in hoofde van een leerling gedurende hetzelfde schooljaar niet combineerbaar met hetgeen in artikel 260/1 is opgenomen.".
1° in het eerste lid worden de woorden "opleidingsvorm 4" vervangen door de woorden "opleidingsvorm 3 en opleidingsvorm 4";
2° er wordt aan het tweede lid een zevende punt toegevoegd dat luidt als volgt :
"7° indien het een leerling betreft van het buitengewoon secundair onderwijs die de lessen bijwoont in het gewoon secundair onderwijs dan kan deze maximaal halftijds een deel van de vorming bijwonen in het gewoon onderwijs, dit wil zeggen maximaal voor de helft van de wekelijkse lesuren van het structuuronderdeel van het buitengewoon onderwijs waar hij is ingeschreven;";
3° er wordt aan het tweede lid een achtste punt toegevoegd dat luidt als volgt :
``8° deze regeling is in hoofde van een leerling gedurende hetzelfde schooljaar niet combineerbaar met hetgeen in artikel 260/1 is opgenomen.".
Art. III.23. A l'article 136/1 du même Code, inséré par le décret du 1er juillet 2011 et modifié par le décret du 19 juin 2015, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, les mots " de la forme d'enseignement 4 " sont remplacés par les mots " de la forme d'enseignement 3 et de la forme d'enseignement 4 " ;
2° à l'alinéa 2, il est ajouté un point 7°, rédigé comme suit :
" 7° s'il s'agit d'un élève de l'enseignement secondaire spécial qui suit les cours dans l'enseignement secondaire ordinaire, celui-ci peut au maximum suivre à mi-temps une partie de la formation dans l'enseignement ordinaire, cela veut dire au maximum la moitié des heures de cours hebdomadaires de la subdivision structurelle de l'enseignement spécial dans lequel il est inscrit ; " ;
3° à l'alinéa 2, il est ajouté un point 8°, rédigé comme suit :
" 8° ce régime n'est pas compatible avec les dispositions de l'article 260/1 dans le chef d'un élève pendant la même année scolaire. ".
1° dans l'alinéa 1er, les mots " de la forme d'enseignement 4 " sont remplacés par les mots " de la forme d'enseignement 3 et de la forme d'enseignement 4 " ;
2° à l'alinéa 2, il est ajouté un point 7°, rédigé comme suit :
" 7° s'il s'agit d'un élève de l'enseignement secondaire spécial qui suit les cours dans l'enseignement secondaire ordinaire, celui-ci peut au maximum suivre à mi-temps une partie de la formation dans l'enseignement ordinaire, cela veut dire au maximum la moitié des heures de cours hebdomadaires de la subdivision structurelle de l'enseignement spécial dans lequel il est inscrit ; " ;
3° à l'alinéa 2, il est ajouté un point 8°, rédigé comme suit :
" 8° ce régime n'est pas compatible avec les dispositions de l'article 260/1 dans le chef d'un élève pendant la même année scolaire. ".
Art. III.24. In de artikelen 175, § 6, 178, 200, 206, 274, § 1, 4°, en § 4, en 285/1, van dezelfde codex worden de woorden "uiterlijk 1 mei" telkens vervangen door de woorden "uiterlijk 1 april".
Art. III.24. Dans les articles 175, § 6, 178, 200, 206, 274, § 1er, 4°, et § 4, en 285/1, du même Code, les mots " au plus tard le 1er mai " sont chaque fois remplacés par les mots " au plus tard le 1er avril ".
Art. III.25. Artikel 177 van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 19 juli 2013 en 25 april 2014, wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 177. De Vlaamse Regering legt de lijst van structuuronderdelen vast die niet programmeerbaar zijn met toepassing van het in artikel 70, eerste en tweede lid, gestelde. Ze houdt daarbij rekening met volgende criteria :
1° het niet of in onvoldoende mate aansluiten op de arbeidsmarkt op basis van tewerkstellingscijfers van schoolverlaters of door het ontbreken van een erkende beroepskwalificatie binnen de Vlaamse kwalificatiestructuur;
2° het niet of in onvoldoende mate aansluiten op het hoger onderwijs op basis van slaagcijfers in het hoger onderwijs.
Met het oog op eventuele actualisering wordt bedoelde lijst jaarlijks geevalueerd.".
"Art. 177. De Vlaamse Regering legt de lijst van structuuronderdelen vast die niet programmeerbaar zijn met toepassing van het in artikel 70, eerste en tweede lid, gestelde. Ze houdt daarbij rekening met volgende criteria :
1° het niet of in onvoldoende mate aansluiten op de arbeidsmarkt op basis van tewerkstellingscijfers van schoolverlaters of door het ontbreken van een erkende beroepskwalificatie binnen de Vlaamse kwalificatiestructuur;
2° het niet of in onvoldoende mate aansluiten op het hoger onderwijs op basis van slaagcijfers in het hoger onderwijs.
Met het oog op eventuele actualisering wordt bedoelde lijst jaarlijks geevalueerd.".
Art. III.25. L'article 177 du même Code, modifié par les décrets des 19 juillet 2013 et 25 avril 2014, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 177. Le Gouvernement flamand détermine la liste des subdivisions structurelles n'étant pas programmables par application des dispositions de l'article 70, alinéas 1er et 2. Ce faisant, il tient compte des critères suivants :
1° le fait que la subdivision structurelle ne s'aligne pas ou de manière insuffisante sur le marché de l'emploi au vu du taux d'emploi des jeunes sortants de l'école ou parce qu'il n'existe pas de qualification professionnelle reconnue au sein de la structure flamande des certifications ;
2° le fait que la subdivision structurelle ne s'aligne pas ou insuffisamment sur l'enseignement supérieur sur la base du taux de réussite dans l'enseignement supérieur.
La liste susvisée fait l'objet d'une évaluation annuelle en vue d'une actualisation éventuelle. ".
" Art. 177. Le Gouvernement flamand détermine la liste des subdivisions structurelles n'étant pas programmables par application des dispositions de l'article 70, alinéas 1er et 2. Ce faisant, il tient compte des critères suivants :
1° le fait que la subdivision structurelle ne s'aligne pas ou de manière insuffisante sur le marché de l'emploi au vu du taux d'emploi des jeunes sortants de l'école ou parce qu'il n'existe pas de qualification professionnelle reconnue au sein de la structure flamande des certifications ;
2° le fait que la subdivision structurelle ne s'aligne pas ou insuffisamment sur l'enseignement supérieur sur la base du taux de réussite dans l'enseignement supérieur.
La liste susvisée fait l'objet d'une évaluation annuelle en vue d'une actualisation éventuelle. ".
Art. III.26. In dezelfde codex wordt een artikel 178/1 ingevoegd dat luidt als volgt :
"Art. 178/1. In afwijking van artikel 177 is een niet programmeerbaar structuuronderdeel alsnog programmeerbaar indien noodzakelijk om, na verleende programmatie van een structuuronderdeel van de tweede graad of - doch enkel voor het BSO - de derde graad, de studiecontinuïteit van de leerlingen te garanderen binnen de school of scholengemeenschap vanaf het schooljaar dat onmiddellijk volgt op de volledige uitbouw van het eerder geprogrammeerd structuuronderdeel. De studiecontinuïteit betreft dan het eerste en tweede leerjaar van de derde graad of - doch enkel voor het BSO - het derde leerjaar van de derde graad, met het oog op het verwerven van het diploma van secundair onderwijs. In voorkomend geval wordt de programmatie van het structuuronderdeel door het schoolbestuur bij AgODI schriftelijk en gemotiveerd aangevraagd uiterlijk op 30 november van het voorafgaand schooljaar.
Voor de programmatie per 1 september 2016 geldt, bij wijze van uitzondering, 15 maart 2016 als uiterlijke aanvraagdatum. Na advies van enerzijds de Vlaamse Onderwijsraad en anderzijds de onderwijsinspectie en AgODI, neemt de Vlaamse Regering een beslissing over de programmatie. Bij de aanvraag gaan het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegd lokaal comité en, indien de school tot een scholengemeenschap behoort, een uittreksel van het proces-verbaal waaruit moet blijken dat de programmatie in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt.".
"Art. 178/1. In afwijking van artikel 177 is een niet programmeerbaar structuuronderdeel alsnog programmeerbaar indien noodzakelijk om, na verleende programmatie van een structuuronderdeel van de tweede graad of - doch enkel voor het BSO - de derde graad, de studiecontinuïteit van de leerlingen te garanderen binnen de school of scholengemeenschap vanaf het schooljaar dat onmiddellijk volgt op de volledige uitbouw van het eerder geprogrammeerd structuuronderdeel. De studiecontinuïteit betreft dan het eerste en tweede leerjaar van de derde graad of - doch enkel voor het BSO - het derde leerjaar van de derde graad, met het oog op het verwerven van het diploma van secundair onderwijs. In voorkomend geval wordt de programmatie van het structuuronderdeel door het schoolbestuur bij AgODI schriftelijk en gemotiveerd aangevraagd uiterlijk op 30 november van het voorafgaand schooljaar.
Voor de programmatie per 1 september 2016 geldt, bij wijze van uitzondering, 15 maart 2016 als uiterlijke aanvraagdatum. Na advies van enerzijds de Vlaamse Onderwijsraad en anderzijds de onderwijsinspectie en AgODI, neemt de Vlaamse Regering een beslissing over de programmatie. Bij de aanvraag gaan het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegd lokaal comité en, indien de school tot een scholengemeenschap behoort, een uittreksel van het proces-verbaal waaruit moet blijken dat de programmatie in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt.".
Art. III.26. Dans le même Code, il est inséré un article 178/1, rédigé comme suit :
" Art. 178/1. Par dérogation à l'article 177, une subdivision structurelle non programmable devient programmable si tel est nécessaire pour assurer, après la programmation autorisée d'une subdivision structurelle du deuxième degré ou - et ce uniquement pour l'enseignement secondaire professionnel (bso) - du troisième degré, la continuité des études des élèves au sein de l'école ou du centre d'enseignement à partir de l'année scolaire qui suit immédiatement le développement complet de la subdivision structurelle programmée précédemment. La continuité des études concerne les première et deuxième années d'études du troisième degré ou - mais uniquement pour le bso - la troisième année d'études du troisième degré en vue de l'obtention du diplôme de l'enseignement secondaire. Le cas échéant, la programmation de la subdivision structurelle par l'autorité scolaire est demandée, par écrit et de façon motivée, auprès d'AgODI au plus tard le 30 novembre de l'année scolaire précédente.
A titre exceptionnel, la date limite de demande est fixée au 15 mars 2016 pour la programmation au 1er septembre 2016. Après avis du Vlaamse Onderwijsraad d'une part et de l'Inspection de l'Enseignement et d'AgODI, d'autre part, le Gouvernement flamand prend une décision sur la programmation. La demande doit être assortie du protocole de la négociation en question au sein du comité local compétent et, au cas où l'école appartient à un centre d'enseignement, d'un extrait du procès-verbal devant démontrer que la programmation est conforme aux arrangements faits au sein du centre d'enseignement. ".
" Art. 178/1. Par dérogation à l'article 177, une subdivision structurelle non programmable devient programmable si tel est nécessaire pour assurer, après la programmation autorisée d'une subdivision structurelle du deuxième degré ou - et ce uniquement pour l'enseignement secondaire professionnel (bso) - du troisième degré, la continuité des études des élèves au sein de l'école ou du centre d'enseignement à partir de l'année scolaire qui suit immédiatement le développement complet de la subdivision structurelle programmée précédemment. La continuité des études concerne les première et deuxième années d'études du troisième degré ou - mais uniquement pour le bso - la troisième année d'études du troisième degré en vue de l'obtention du diplôme de l'enseignement secondaire. Le cas échéant, la programmation de la subdivision structurelle par l'autorité scolaire est demandée, par écrit et de façon motivée, auprès d'AgODI au plus tard le 30 novembre de l'année scolaire précédente.
A titre exceptionnel, la date limite de demande est fixée au 15 mars 2016 pour la programmation au 1er septembre 2016. Après avis du Vlaamse Onderwijsraad d'une part et de l'Inspection de l'Enseignement et d'AgODI, d'autre part, le Gouvernement flamand prend une décision sur la programmation. La demande doit être assortie du protocole de la négociation en question au sein du comité local compétent et, au cas où l'école appartient à un centre d'enseignement, d'un extrait du procès-verbal devant démontrer que la programmation est conforme aux arrangements faits au sein du centre d'enseignement. ".
Art. III.27. Artikel 179 van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 19 juli 2013 en 25 april 2014, wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 179. De programmatie van een niet vrij programmeerbaar structuuronderdeel is toegelaten onder de volgende gezamenlijke voorwaarden :
1° in de school of in een andere school van de scholengemeenschap wordt tegelijkertijd een ander structuuronderdeel opgeheven; dat ander structuuronderdeel kan niet het onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers zijn;
2° de programmatie beantwoordt aan eventueel vigerende regelgeving met betrekking tot frequentie, inplanting of andere organisatievoorwaarden van het structuuronderdeel in kwestie.
Indien de programmatie niet leidt tot een voor de school nieuw studiegebied en geen afwijking inhoudt van artikel 177, wordt ze door het schoolbestuur bij AgODI schriftelijk gemeld uiterlijk 1 april van het voorafgaand schooljaar en uiterlijk 30 november van het lopende schooljaar indien het een Se-n-Se betreft die van start gaat op 1 februari daaropvolgend.
Indien de programmatie leidt tot een voor de school nieuw studiegebied of een afwijking inhoudt van artikel 177, wordt ze door het schoolbestuur bij AgODI schriftelijk en gemotiveerd aangevraagd uiterlijk op 30 november van het voorafgaand schooljaar.
Voor de programmatie per 1 september 2016 geldt, bij wijze van uitzondering, 15 maart 2016 als uiterlijke aanvraagdatum. Na advies van enerzijds de Vlaamse Onderwijsraad en anderzijds de onderwijsinspectie en AgODI, neemt de Vlaamse Regering een beslissing over de programmatie.
Bij de melding of de aanvraag, naargelang van het geval, gaan per betrokken school het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegd lokaal comité en, indien de school tot een scholengemeenschap behoort, een uittreksel van het proces-verbaal waaruit moet blijken dat de programmatie in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt.".
"Art. 179. De programmatie van een niet vrij programmeerbaar structuuronderdeel is toegelaten onder de volgende gezamenlijke voorwaarden :
1° in de school of in een andere school van de scholengemeenschap wordt tegelijkertijd een ander structuuronderdeel opgeheven; dat ander structuuronderdeel kan niet het onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers zijn;
2° de programmatie beantwoordt aan eventueel vigerende regelgeving met betrekking tot frequentie, inplanting of andere organisatievoorwaarden van het structuuronderdeel in kwestie.
Indien de programmatie niet leidt tot een voor de school nieuw studiegebied en geen afwijking inhoudt van artikel 177, wordt ze door het schoolbestuur bij AgODI schriftelijk gemeld uiterlijk 1 april van het voorafgaand schooljaar en uiterlijk 30 november van het lopende schooljaar indien het een Se-n-Se betreft die van start gaat op 1 februari daaropvolgend.
Indien de programmatie leidt tot een voor de school nieuw studiegebied of een afwijking inhoudt van artikel 177, wordt ze door het schoolbestuur bij AgODI schriftelijk en gemotiveerd aangevraagd uiterlijk op 30 november van het voorafgaand schooljaar.
Voor de programmatie per 1 september 2016 geldt, bij wijze van uitzondering, 15 maart 2016 als uiterlijke aanvraagdatum. Na advies van enerzijds de Vlaamse Onderwijsraad en anderzijds de onderwijsinspectie en AgODI, neemt de Vlaamse Regering een beslissing over de programmatie.
Bij de melding of de aanvraag, naargelang van het geval, gaan per betrokken school het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegd lokaal comité en, indien de school tot een scholengemeenschap behoort, een uittreksel van het proces-verbaal waaruit moet blijken dat de programmatie in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt.".
Art. III.27. L'article 179 du même Code, modifié par les décrets des 19 juillet 2013 et 25 avril 2014, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 179. La programmation d'une subdivision structurelle non librement programmable est autorisée aux suivantes conditions cumulées :
1° une autre subdivision structurelle est abrogée en même temps dans l'école ou dans une autre école du centre d'enseignement ; cette autre subdivision structurelle ne peut pas être l'année d'accueil pour primo-arrivants allophones ;
2° la programmation répond à la réglementation éventuellement applicable relative à la fréquence, l'implantation ou d'autres conditions d'organisation de la subdivision structurelle en question.
Si la programmation ne conduit pas à une nouvelle discipline pour l'école et n'est pas une dérogation à l'article 177, elle est communiquée par écrit par l'autorité scolaire à AgODI au plus tard le 1er avril de l'année scolaire précédente et au plus tard le 30 novembre de l'année scolaire en cours s'il s'agit une formation Se-n-Se qui commence le 1er février suivant.
Si la programmation conduit à une nouvelle discipline pour l'école et est une dérogation à l'article 177, elle est communiquée, par écrit et de façon motivée, par l'autorité scolaire à AgODI au plus tard le 30 novembre de l'année scolaire précédente.
A titre exceptionnel, la date limite de demande est fixée au 15 mars 2016 pour la programmation au 1er septembre 2016. Après avis du Vlaamse Onderwijsraad d'une part et de l'Inspection de l'Enseignement et d'AgODI, d'autre part, le Gouvernement flamand prend une décision sur la programmation.
La communication ou la demande, selon le cas, doit être assortie, par école concernée, du protocole de la négociation en question au sein du comité local compétent et, au cas où l'école appartient à un centre d'enseignement, d'un extrait du procès-verbal devant démontrer que la programmation est conforme aux arrangements faits au sein du centre d'enseignement. ".
" Art. 179. La programmation d'une subdivision structurelle non librement programmable est autorisée aux suivantes conditions cumulées :
1° une autre subdivision structurelle est abrogée en même temps dans l'école ou dans une autre école du centre d'enseignement ; cette autre subdivision structurelle ne peut pas être l'année d'accueil pour primo-arrivants allophones ;
2° la programmation répond à la réglementation éventuellement applicable relative à la fréquence, l'implantation ou d'autres conditions d'organisation de la subdivision structurelle en question.
Si la programmation ne conduit pas à une nouvelle discipline pour l'école et n'est pas une dérogation à l'article 177, elle est communiquée par écrit par l'autorité scolaire à AgODI au plus tard le 1er avril de l'année scolaire précédente et au plus tard le 30 novembre de l'année scolaire en cours s'il s'agit une formation Se-n-Se qui commence le 1er février suivant.
Si la programmation conduit à une nouvelle discipline pour l'école et est une dérogation à l'article 177, elle est communiquée, par écrit et de façon motivée, par l'autorité scolaire à AgODI au plus tard le 30 novembre de l'année scolaire précédente.
A titre exceptionnel, la date limite de demande est fixée au 15 mars 2016 pour la programmation au 1er septembre 2016. Après avis du Vlaamse Onderwijsraad d'une part et de l'Inspection de l'Enseignement et d'AgODI, d'autre part, le Gouvernement flamand prend une décision sur la programmation.
La communication ou la demande, selon le cas, doit être assortie, par école concernée, du protocole de la négociation en question au sein du comité local compétent et, au cas où l'école appartient à un centre d'enseignement, d'un extrait du procès-verbal devant démontrer que la programmation est conforme aux arrangements faits au sein du centre d'enseignement. ".
Art. III.28. In artikel 179/1 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 19 juli 2013, worden de woorden "artikel 177, 178 en 179" vervangen door de woorden "artikel 177 tot en met 179".
Art. III.28. A l'article 179/1 du même Code, inséré par le décret du 19 juillet 2013, les mots " des articles 177, 178 et 179, " sont remplacés par les mots " des articles 177 à 179 inclus ".
Art. III.29. In artikel 179/3 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 25 april 2014 en gewijzigd bij het decreet van 13 november 2015, wordt in het derde lid het punt 1° vervangen door wat volgt :
"1° de programmatie wordt voorafgaand bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap schriftelijk en gemotiveerd aangevraagd :
a) hetzij per scholengemeenschap; in dat geval wordt bij de aanvraag het protocol gevoegd van de onderhandeling ter zake in het bevoegde lokaal comité van de scholengemeenschap;
b) hetzij door het schoolbestuur per school die niet tot een scholengemeenschap behoort; in dat geval wordt bij de aanvraag het protocol gevoegd van de onderhandeling ter zake in het bevoegde lokaal comité;".
"1° de programmatie wordt voorafgaand bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap schriftelijk en gemotiveerd aangevraagd :
a) hetzij per scholengemeenschap; in dat geval wordt bij de aanvraag het protocol gevoegd van de onderhandeling ter zake in het bevoegde lokaal comité van de scholengemeenschap;
b) hetzij door het schoolbestuur per school die niet tot een scholengemeenschap behoort; in dat geval wordt bij de aanvraag het protocol gevoegd van de onderhandeling ter zake in het bevoegde lokaal comité;".
Art. III.29. A l'article 179/3, du même Code, inséré par le décret du 25 avril 2014 et modifié par le décret du 13 novembre 2015, le point 1° dans l'alinéa 3 est remplacé par la disposition suivante :
" 1° la programmation est préalablement demandée, par écrit et de façon motivée, aux services compétents de la Communauté flamande :
a) ou bien par centre d'enseignement ; dans ce cas, la demande est assortie du protocole de la négociation en la matière au sein du comité local compétent du centre d'enseignement ;
b) ou bien par l'autorité scolaire par école n'appartenant pas à un centre d'enseignement ; dans ce cas, la demande est assortie du protocole de la négociation en la matière au sein du comité local compétent ; ".
" 1° la programmation est préalablement demandée, par écrit et de façon motivée, aux services compétents de la Communauté flamande :
a) ou bien par centre d'enseignement ; dans ce cas, la demande est assortie du protocole de la négociation en la matière au sein du comité local compétent du centre d'enseignement ;
b) ou bien par l'autorité scolaire par école n'appartenant pas à un centre d'enseignement ; dans ce cas, la demande est assortie du protocole de la négociation en la matière au sein du comité local compétent ; ".
Art. III.30. In artikel 211 van dezelfde codex wordt paragraaf 3 vervangen door wat volgt :
" § 3. De aanwending van uren-leraar kan in volgende structuuronderdelen ook plaatsvinden onder vorm van het inzetten van voordrachtgevers :
1° alle structuuronderdelen van het studiegebied Ballet van de tweede en de derde graad kso;
2° alle structuuronderdelen van de derde graad tso;
3° alle structuuronderdelen van de derde graad bso;
4° hbo-verpleegkunde.
Een voordrachtgever is een persoon die geen deel uitmaakt van het schoolbestuur of van het personeel van de school. Een voordrachtgever geeft, hetzij in eigen naam hetzij in dienst van een organisatie of onderneming uit de publieke of private sector, voordrachten in de school of op een andere locatie in het kader van de realisatie van het onderwijsprogramma en vanuit zijn deskundigheid of ervaring met betrekking tot de arbeidsmarkt en de bedrijfswereld.
Het aantal lesuren van de wekelijkse lessentabel van het betrokken structuuronderdeel dat, omgerekend naar schooljaarbasis, aan voordrachtgevers kan worden besteed, bedraagt maximum 2, uitgezonderd in de structuuronderdelen van het studiegebied Ballet en Integrale veiligheid, waar het maximum 6 bedraagt.
Bij deze vorm van aanwending worden uren-leraar omgezet in een krediet. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van melding ervan aan de bevoegde dienst, de grootte van het krediet per uur-leraar dat wordt omgezet en de wijze van toekenning van het krediet.
De regeling in kwestie is dezelfde voor het voltijds secundair onderwijs en voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs.".
" § 3. De aanwending van uren-leraar kan in volgende structuuronderdelen ook plaatsvinden onder vorm van het inzetten van voordrachtgevers :
1° alle structuuronderdelen van het studiegebied Ballet van de tweede en de derde graad kso;
2° alle structuuronderdelen van de derde graad tso;
3° alle structuuronderdelen van de derde graad bso;
4° hbo-verpleegkunde.
Een voordrachtgever is een persoon die geen deel uitmaakt van het schoolbestuur of van het personeel van de school. Een voordrachtgever geeft, hetzij in eigen naam hetzij in dienst van een organisatie of onderneming uit de publieke of private sector, voordrachten in de school of op een andere locatie in het kader van de realisatie van het onderwijsprogramma en vanuit zijn deskundigheid of ervaring met betrekking tot de arbeidsmarkt en de bedrijfswereld.
Het aantal lesuren van de wekelijkse lessentabel van het betrokken structuuronderdeel dat, omgerekend naar schooljaarbasis, aan voordrachtgevers kan worden besteed, bedraagt maximum 2, uitgezonderd in de structuuronderdelen van het studiegebied Ballet en Integrale veiligheid, waar het maximum 6 bedraagt.
Bij deze vorm van aanwending worden uren-leraar omgezet in een krediet. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van melding ervan aan de bevoegde dienst, de grootte van het krediet per uur-leraar dat wordt omgezet en de wijze van toekenning van het krediet.
De regeling in kwestie is dezelfde voor het voltijds secundair onderwijs en voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs.".
Art. III.30. A l'article 211 du même Code, le paragraphe 3 est remplacé par la disposition suivante :
" § 3. L'affectation de périodes-professeur peut s'opérer sous forme de recrutement de conférenciers dans les subdivisions structurelles suivantes :
1° toutes les subdivisions structurelles de la discipline Ballet des deuxième et troisième degrés kso ;
2° toutes les subdivisions structurelles du troisième degré tso ;
3° toutes les subdivisions structurelles du troisième degré bso ;
4° la formation hbo5 de nursing.
Un conférencier est une personne qui ne fait pas partie de l'autorité scolaire ou du personnel de l'école. Un conférencier donne, soit en son propre nom, soit au service d'une organisation ou d'une entreprise du secteur public ou privé, des exposés dans l'école ou dans un autre lieu dans le cadre de la réalisation du programme d'enseignement. Pour ces exposés, il se sert de son expertise ou son expérience du marché de l'emploi et dans l'industrie.
Le nombre d'heures de cours de la grille horaire hebdomadaire de la subdivision structurelle concernée pouvant être destiné, sur la base d'une année scolaire, à des conférenciers, est de 2 au maximum, à l'exception dans les subdivisions structurelles de la discipline Ballet et Integrale veiligheid, où le maximum est de 6.
Pour cette forme d'affectation, les périodes-professeur sont converties en un crédit. Le Gouvernement flamand arrête le mode de notification au service compétent, le volume du crédit converti par période-professeur et le mode d'octroi du crédit.
Le régime en question est le même pour l'enseignement secondaire à temps plein et pour l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel. ".
" § 3. L'affectation de périodes-professeur peut s'opérer sous forme de recrutement de conférenciers dans les subdivisions structurelles suivantes :
1° toutes les subdivisions structurelles de la discipline Ballet des deuxième et troisième degrés kso ;
2° toutes les subdivisions structurelles du troisième degré tso ;
3° toutes les subdivisions structurelles du troisième degré bso ;
4° la formation hbo5 de nursing.
Un conférencier est une personne qui ne fait pas partie de l'autorité scolaire ou du personnel de l'école. Un conférencier donne, soit en son propre nom, soit au service d'une organisation ou d'une entreprise du secteur public ou privé, des exposés dans l'école ou dans un autre lieu dans le cadre de la réalisation du programme d'enseignement. Pour ces exposés, il se sert de son expertise ou son expérience du marché de l'emploi et dans l'industrie.
Le nombre d'heures de cours de la grille horaire hebdomadaire de la subdivision structurelle concernée pouvant être destiné, sur la base d'une année scolaire, à des conférenciers, est de 2 au maximum, à l'exception dans les subdivisions structurelles de la discipline Ballet et Integrale veiligheid, où le maximum est de 6.
Pour cette forme d'affectation, les périodes-professeur sont converties en un crédit. Le Gouvernement flamand arrête le mode de notification au service compétent, le volume du crédit converti par période-professeur et le mode d'octroi du crédit.
Le régime en question est le même pour l'enseignement secondaire à temps plein et pour l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel. ".
Art. III.31. In artikel 256/11 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 19 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de bestaande bepalingen worden ondergebracht in een paragraaf 1;
2° een paragraaf 2 wordt toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 2. In afwijking van paragraaf 1, is de screening niet verplicht voor een anderstalige nieuwkomer zoals bepaald in artikel 3, 2° /1. Voor deze leerling treft de school in elk geval maatregelen die aansluiten bij zijn beginsituatie en zijn specifieke noden inzake de onderwijstaal.".
1° de bestaande bepalingen worden ondergebracht in een paragraaf 1;
2° een paragraaf 2 wordt toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 2. In afwijking van paragraaf 1, is de screening niet verplicht voor een anderstalige nieuwkomer zoals bepaald in artikel 3, 2° /1. Voor deze leerling treft de school in elk geval maatregelen die aansluiten bij zijn beginsituatie en zijn specifieke noden inzake de onderwijstaal.".
Art. III.31. A l'article 256/11 du même Code, inséré par le décret du 19 juillet 2013, sont apportées les modifications suivantes :
1° les dispositions existantes sont intégrées dans un paragraphe 1er ;
2° il est ajouté un paragraphe 2, rédigé comme suit :
" § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, le screening n'est pas obligatoire pour un primo-arrivant allophone tel que visé à l'article 3, 2° /1. Pour cet élève, l'école prend en tout cas des mesures qui s'alignent sur sa situation initiale et ses besoins spécifiques en matière de langue d'enseignement. ".
1° les dispositions existantes sont intégrées dans un paragraphe 1er ;
2° il est ajouté un paragraphe 2, rédigé comme suit :
" § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, le screening n'est pas obligatoire pour un primo-arrivant allophone tel que visé à l'article 3, 2° /1. Pour cet élève, l'école prend en tout cas des mesures qui s'alignent sur sa situation initiale et ses besoins spécifiques en matière de langue d'enseignement. ".
Art. III.32. In artikel 259, § 4, 3°, van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 21 maart 2014, wordt de zinsnede "studiebekrachtiging van de opleidingsfase" vervangen door het woord "studieadvies".
Art. III.32. Dans l'article 259, § 4, 3°, du même Code, remplacé par le décret du 21 mars 2014, le membre de phrase " une validation des études de la phase de formation " est remplacé par le membre de phrase " un avis d'orientation ".
Art. III.33. Er wordt in dezelfde codex een artikel 260/1 ingevoegd dat luidt als volgt :
"Art. 260/1. De bepaling van artikel 252, § 1, a), 2), voor wat het buitengewoon secundair onderwijs betreft, sluit niet uit dat een deel van de vorming van de opleidingsvorm en in voorkomend geval ook opleiding of studierichting waarin de leerling is ingeschreven, wordt verstrekt door leraars van een andere school in dezelfde opleidingsvorm en in dezelfde administratieve groep voor buitengewoon secundair onderwijs, dan de school waarin de leerling is ingeschreven en dit op een vestigingsplaats van die andere school. Indien van deze mogelijkheid tot samenwerking gebruik wordt gemaakt, dan zijn de volgende voorwaarden van toepassing :
1° de regeling wordt in het schoolreglement van de school waar de leerling is ingeschreven opgenomen;
2° het schoolreglement van de school waar de leerling is ingeschreven, blijft onverkort van toepassing;
3° de regeling wordt voorafgaand onderhandeld in de lokale comités, bevoegd inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden, van de betrokken scholen;
4° de leraars van de andere school die aan de leerling vorming geven :
a) maken stemgerechtigd deel uit van de bevoegde klassenraden in het geval het scholen betreft die tot hetzelfde schoolbestuur behoren;
b) maken raadgevend deel uit van de bevoegde klassenraden in het geval het scholen betreft die niet tot hetzelfde schoolbestuur behoren;
5° uitsluitend de school waar de leerling is ingeschreven, is bevoegd en verantwoordelijk voor evaluatie, studiebekrachtiging en kwaliteitszorg;
6° de samenwerking tussen de scholen wordt vastgelegd in een overeenkomst waarin alleszins volgende elementen worden opgenomen :
a) de samenwerkende scholen, met vermelding van de school van inschrijving;
b) de invulling van de samenwerking;
c) de looptijd van de samenwerking;
d) de afspraken over de evaluatie en kwaliteitszorg.
De samenwerkingsovereenkomst ligt steeds in de scholen ter inzage met het oog op administratieve controle en externe kwaliteitscontrole;
7° de leerling kan maximaal halftijds een deel van de vorming bijwonen in de andere school van het buitengewoon secundair onderwijs, dit wil zeggen maximaal voor de helft van de wekelijkse lesuren van het structuuronderdeel van het buitengewoon onderwijs waar hij is ingeschreven;
8° deze regeling is in hoofde van een leerling gedurende hetzelfde schooljaar niet combineerbaar met hetgeen in artikel 136/1 is opgenomen.".
"Art. 260/1. De bepaling van artikel 252, § 1, a), 2), voor wat het buitengewoon secundair onderwijs betreft, sluit niet uit dat een deel van de vorming van de opleidingsvorm en in voorkomend geval ook opleiding of studierichting waarin de leerling is ingeschreven, wordt verstrekt door leraars van een andere school in dezelfde opleidingsvorm en in dezelfde administratieve groep voor buitengewoon secundair onderwijs, dan de school waarin de leerling is ingeschreven en dit op een vestigingsplaats van die andere school. Indien van deze mogelijkheid tot samenwerking gebruik wordt gemaakt, dan zijn de volgende voorwaarden van toepassing :
1° de regeling wordt in het schoolreglement van de school waar de leerling is ingeschreven opgenomen;
2° het schoolreglement van de school waar de leerling is ingeschreven, blijft onverkort van toepassing;
3° de regeling wordt voorafgaand onderhandeld in de lokale comités, bevoegd inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden, van de betrokken scholen;
4° de leraars van de andere school die aan de leerling vorming geven :
a) maken stemgerechtigd deel uit van de bevoegde klassenraden in het geval het scholen betreft die tot hetzelfde schoolbestuur behoren;
b) maken raadgevend deel uit van de bevoegde klassenraden in het geval het scholen betreft die niet tot hetzelfde schoolbestuur behoren;
5° uitsluitend de school waar de leerling is ingeschreven, is bevoegd en verantwoordelijk voor evaluatie, studiebekrachtiging en kwaliteitszorg;
6° de samenwerking tussen de scholen wordt vastgelegd in een overeenkomst waarin alleszins volgende elementen worden opgenomen :
a) de samenwerkende scholen, met vermelding van de school van inschrijving;
b) de invulling van de samenwerking;
c) de looptijd van de samenwerking;
d) de afspraken over de evaluatie en kwaliteitszorg.
De samenwerkingsovereenkomst ligt steeds in de scholen ter inzage met het oog op administratieve controle en externe kwaliteitscontrole;
7° de leerling kan maximaal halftijds een deel van de vorming bijwonen in de andere school van het buitengewoon secundair onderwijs, dit wil zeggen maximaal voor de helft van de wekelijkse lesuren van het structuuronderdeel van het buitengewoon onderwijs waar hij is ingeschreven;
8° deze regeling is in hoofde van een leerling gedurende hetzelfde schooljaar niet combineerbaar met hetgeen in artikel 136/1 is opgenomen.".
Art. III.33. Dans le même code, il est inséré un article 260/1, rédigé comme suit :
" Art. 260/1. Pour ce qui est de l'enseignement secondaire spécial, la disposition de l'article 252, § 1er, a), 2) n'exclut pas qu'une partie de l'éducation de la forme d'enseignement et, le cas échéant, de la formation ou de l'orientation d'études dans laquelle l'élève a été inscrit, est délivrée par des enseignants d'une école dans la même forme d'enseignement et dans le même groupe administratif pour l'enseignement secondaire spécial autre que l'école dans laquelle l'élève est inscrit et ce dans une implantation de cette autre école. S'il est fait usage de cette possibilité de coopération, les conditions suivantes s'appliquent :
1° les mesures sont reprises dans le règlement d'école de l'école où l'élève est inscrit ;
2° le règlement d'école de l'école où l'élève est inscrit continue à s'appliquer intégralement ;
3° les mesures sont négociées au préalable dans les comités locaux compétents en matière de conditions de travail et de gestion des ressources humaines, des écoles concernées ;
4° les enseignants de l'autre école qui assurent la formation de l'élève :
a) font partie des conseils de classe compétents et y ont voix délibérative dans le cas où il s'agit d'écoles appartenant à la même autorité scolaire ;
b) font partie des conseils de classe compétents et y ont voix consultative dans le cas où il s'agit d'écoles n'appartenant pas à la même autorité scolaire ;
5° seule l'école où l'élève est inscrit détient la compétence et la responsabilité en matière d'évaluation, de validation des études et de gestion de la qualité ;
6° la coopération entre les écoles est formalisée dans un accord reprenant au moins les éléments suivants :
a) les écoles coopérantes, avec mention de l'école d'inscription ;
b) la concrétisation de la coopération ;
c) la durée de la coopération ;
d) les arrangements pris au sujet de l'évaluation et de la gestion de la qualité.
L'accord de coopération peut à tout moment être consulté dans les écoles en vue du contrôle administratif et du contrôle qualitatif externe ;
7° l'élève peut au maximum suivre à mi-temps une partie de la formation dans une autre école d'enseignement secondaire spécial, cela veut dire au maximum la moitié des heures de cours hebdomadaires de la subdivision structurelle de l'enseignement spécial où il est inscrit ;
8° ce régime ne peut pas être combiné dans le chef de l'élève pendant la même année scolaire avec les dispositions de l'article 136/1. ".
" Art. 260/1. Pour ce qui est de l'enseignement secondaire spécial, la disposition de l'article 252, § 1er, a), 2) n'exclut pas qu'une partie de l'éducation de la forme d'enseignement et, le cas échéant, de la formation ou de l'orientation d'études dans laquelle l'élève a été inscrit, est délivrée par des enseignants d'une école dans la même forme d'enseignement et dans le même groupe administratif pour l'enseignement secondaire spécial autre que l'école dans laquelle l'élève est inscrit et ce dans une implantation de cette autre école. S'il est fait usage de cette possibilité de coopération, les conditions suivantes s'appliquent :
1° les mesures sont reprises dans le règlement d'école de l'école où l'élève est inscrit ;
2° le règlement d'école de l'école où l'élève est inscrit continue à s'appliquer intégralement ;
3° les mesures sont négociées au préalable dans les comités locaux compétents en matière de conditions de travail et de gestion des ressources humaines, des écoles concernées ;
4° les enseignants de l'autre école qui assurent la formation de l'élève :
a) font partie des conseils de classe compétents et y ont voix délibérative dans le cas où il s'agit d'écoles appartenant à la même autorité scolaire ;
b) font partie des conseils de classe compétents et y ont voix consultative dans le cas où il s'agit d'écoles n'appartenant pas à la même autorité scolaire ;
5° seule l'école où l'élève est inscrit détient la compétence et la responsabilité en matière d'évaluation, de validation des études et de gestion de la qualité ;
6° la coopération entre les écoles est formalisée dans un accord reprenant au moins les éléments suivants :
a) les écoles coopérantes, avec mention de l'école d'inscription ;
b) la concrétisation de la coopération ;
c) la durée de la coopération ;
d) les arrangements pris au sujet de l'évaluation et de la gestion de la qualité.
L'accord de coopération peut à tout moment être consulté dans les écoles en vue du contrôle administratif et du contrôle qualitatif externe ;
7° l'élève peut au maximum suivre à mi-temps une partie de la formation dans une autre école d'enseignement secondaire spécial, cela veut dire au maximum la moitié des heures de cours hebdomadaires de la subdivision structurelle de l'enseignement spécial où il est inscrit ;
8° ce régime ne peut pas être combiné dans le chef de l'élève pendant la même année scolaire avec les dispositions de l'article 136/1. ".
Art. III.34. In artikel 277 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 21 maart 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, 2 en 3 wordt de zinsnede " § 5" vervangen door de zinsnede " § 4";
2° paragraaf 5 wordt vervangen door wat volgt :
" § 5. Het aantal leerlingen van type 6 in alle opleidingsvormen, van type 7 in opleidingsvorm 1 en 4, en van type 3, opleidingsvorm 3 wordt met 2 vermenigvuldigd om de norm te bereiken bepaald in paragraaf 4 van dit artikel.".
1° in paragraaf 1, 2 en 3 wordt de zinsnede " § 5" vervangen door de zinsnede " § 4";
2° paragraaf 5 wordt vervangen door wat volgt :
" § 5. Het aantal leerlingen van type 6 in alle opleidingsvormen, van type 7 in opleidingsvorm 1 en 4, en van type 3, opleidingsvorm 3 wordt met 2 vermenigvuldigd om de norm te bereiken bepaald in paragraaf 4 van dit artikel.".
Art. III.34. A l'article 277 du même Code, modifié par le décret du 21 mars 2014, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans les paragraphes 1er, 2 et 3, le membre de phrase " § 5 " est remplacé par le membre de phrase " § 4 " ;
2° le paragraphe 5 est remplacé par ce qui suit :
" § 5. Le nombre d'élèves du type 6 dans toutes les formes d'enseignement, du type 7 dans les formes d'enseignement 1 et 4, et du type 3, de la forme d'enseignement 3 est multiplié par 2 pour atteindre la norme fixée au paragraphe 4 du présent article. ".
1° dans les paragraphes 1er, 2 et 3, le membre de phrase " § 5 " est remplacé par le membre de phrase " § 4 " ;
2° le paragraphe 5 est remplacé par ce qui suit :
" § 5. Le nombre d'élèves du type 6 dans toutes les formes d'enseignement, du type 7 dans les formes d'enseignement 1 et 4, et du type 3, de la forme d'enseignement 3 est multiplié par 2 pour atteindre la norme fixée au paragraphe 4 du présent article. ".
Art. III.35. In artikel 280 van dezelfde codex worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, 2, 3 en 4 wordt de zinsnede ", § 5," telkens geschrapt;
2° aan paragraaf 4 wordt een lid toegevoegd dat luidt als volgt :
"In afwijking van het voorgaande lid kan de school verder voortbestaan, na een gunstige beslissing van de Vlaamse Regering. Het schoolbestuur moet hiertoe een gemotiveerde afwijkingsaanvraag indienen, met daarin een omgevingsanalyse die de noodzaak, de doelmatigheid en de leefbaarheid aantoont, rekening houdend met het lokale aanbod, en dit ten laatste op 1 september van het tweede schooljaar.".
1° in paragraaf 1, 2, 3 en 4 wordt de zinsnede ", § 5," telkens geschrapt;
2° aan paragraaf 4 wordt een lid toegevoegd dat luidt als volgt :
"In afwijking van het voorgaande lid kan de school verder voortbestaan, na een gunstige beslissing van de Vlaamse Regering. Het schoolbestuur moet hiertoe een gemotiveerde afwijkingsaanvraag indienen, met daarin een omgevingsanalyse die de noodzaak, de doelmatigheid en de leefbaarheid aantoont, rekening houdend met het lokale aanbod, en dit ten laatste op 1 september van het tweede schooljaar.".
Art. III.35. A l'article 280 du même Code sont apportées les modifications suivantes :
1° aux paragraphes 1, 2, 3 et 4, le membre de phrase " , § 5, " est chaque fois supprimé;
2° le paragraphe 4 est complété par un alinéa, rédigé comme suit :
" Par dérogation à l'alinéa précédent, l'école peut continuer à exister après une décision favorable du Gouvernement flamand. L'autorité scolaire doit déposer à cet effet une demande de dérogation motivée, comportant une analyse de l'environnement qui démontre la nécessité, l'efficacité et la viabilité, en tenant compte de l'offre locale, et ce au plus tard au 1er septembre de la deuxième année scolaire. ".
1° aux paragraphes 1, 2, 3 et 4, le membre de phrase " , § 5, " est chaque fois supprimé;
2° le paragraphe 4 est complété par un alinéa, rédigé comme suit :
" Par dérogation à l'alinéa précédent, l'école peut continuer à exister après une décision favorable du Gouvernement flamand. L'autorité scolaire doit déposer à cet effet une demande de dérogation motivée, comportant une analyse de l'environnement qui démontre la nécessité, l'efficacité et la viabilité, en tenant compte de l'offre locale, et ce au plus tard au 1er septembre de la deuxième année scolaire. ".
Art. III.36. In paragraaf 2 van artikel 281 van dezelfde codex wordt de zinsnede "types 6 en 7" vervangen door de zinsnede "types 3, 6 en 7".
Art. III.36. Dans le paragraphe 2 de l'article 281 du même Code, le membre de phrase " des types 6 et 7 " est remplacé par le membre de phrase " des types 3, 6 et 7 ".
Art. III.37. In artikel 289 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 21 maart 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 2 wordt een nieuw eerste streepje aangebracht dat luidt als volgt :
"- dit de enige opleidingsvorm is in die provincie per groep en per taalstelstel of maximaal de tweede opleidingsvorm is in het tweetalige gebied Brussel-hoofdstad per groep en per taalstelsel;";
2° in paragraaf 3 wordt het getal "60" vervangen door het getal "24" en wordt het getal "50" vervangen door het getal "25".
1° in paragraaf 2 wordt een nieuw eerste streepje aangebracht dat luidt als volgt :
"- dit de enige opleidingsvorm is in die provincie per groep en per taalstelstel of maximaal de tweede opleidingsvorm is in het tweetalige gebied Brussel-hoofdstad per groep en per taalstelsel;";
2° in paragraaf 3 wordt het getal "60" vervangen door het getal "24" en wordt het getal "50" vervangen door het getal "25".
Art. III.37. A l'article 289 du même Code, modifié par le décret du 21 mars 2014, sont apportées les modifications suivantes :
1° au paragraphe 2, il est ajouté un nouveau premier tiret, rédigé comme suit :
" - celle-ci est l'unique forme d'enseignement dans cette province par groupe et par régime linguistique ou est au maximum la deuxième forme d'enseignement dans la Région bilingue de Bruxelles-Capitale par groupe et par régime linguistique ; " ;
2° au paragraphe 3, le nombre " 60 " est remplacé par le nombre " 24 " et le nombre " 50 " est remplacé par le nombre " 25 ".
1° au paragraphe 2, il est ajouté un nouveau premier tiret, rédigé comme suit :
" - celle-ci est l'unique forme d'enseignement dans cette province par groupe et par régime linguistique ou est au maximum la deuxième forme d'enseignement dans la Région bilingue de Bruxelles-Capitale par groupe et par régime linguistique ; " ;
2° au paragraphe 3, le nombre " 60 " est remplacé par le nombre " 24 " et le nombre " 50 " est remplacé par le nombre " 25 ".
Art. III.38. In punt 2° van artikel 292 van dezelfde codex, worden de woorden "gevoegd bij" vervangen door de woorden "opgenomen in".
Art. III.38. Dans le point 2° de l'article 292 du même Code, les mots " joint au " sont remplacés par les mots " contenu dans le ".
Art. III.39. In paragraaf 3 van artikel 309 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 21 maart 2014, worden het derde en vierde lid vervangen door wat volgt :
"Bij de opname in de financiering of de subsidiëring is de teldatum 1 oktober van het lopende schooljaar en van de twee daaropvolgende schooljaren.
In geval van oprichting van een nieuw type, alsook in geval van fusie, afschaffing van een opleidingsvorm of omvorming is de teldatum 1 oktober van het lopende schooljaar.".
"Bij de opname in de financiering of de subsidiëring is de teldatum 1 oktober van het lopende schooljaar en van de twee daaropvolgende schooljaren.
In geval van oprichting van een nieuw type, alsook in geval van fusie, afschaffing van een opleidingsvorm of omvorming is de teldatum 1 oktober van het lopende schooljaar.".
Art. III.39. Dans le paragraphe 3 de l'article 309 du même Code, modifié par le décret du 21 mars 2014, les alinéas 3 et 4 sont remplacés par la disposition suivante :
" Lors de la reprise dans le financement ou le subventionnement, la date de comptage est le 1er octobre de l'année scolaire en cours et des deux années scolaires suivantes.
Dans le cas d'une création d'un nouveau type, ainsi que dans le cas d'une fusion, suppression d'une forme d'enseignement ou transformation, la date de comptage est le 1er octobre de l'année scolaire en cours. ".
" Lors de la reprise dans le financement ou le subventionnement, la date de comptage est le 1er octobre de l'année scolaire en cours et des deux années scolaires suivantes.
Dans le cas d'une création d'un nouveau type, ainsi que dans le cas d'une fusion, suppression d'une forme d'enseignement ou transformation, la date de comptage est le 1er octobre de l'année scolaire en cours. ".
Art. III.40. In artikel 310 van dezelfde codex wordt het punt a) opgeheven.
Art. III.40. Dans l'article 310 du même Code, le point a) est abrogé.
Art. III.41. In paragraaf 1 van artikel 314/1 van dezelfde codex, laatst gewijzigd bij het decreet van 19 juni 2015, worden de woorden "2014-2015 en 2015-2016" vervangen door de woorden "2014-2015, 2015-2016 en 2016-2017".
Art. III.41. Dans le paragraphe 1er de l'article 314/1 du même Code, modifié en dernier lieu par le décret du 19 juin 2015, les mots " 2014-2015 et 2015-2016 " sont remplacés par les mots " 2014-2015, 2015-2016 et 2016-2017 ".
Art. III.42. In artikel 314/4 van dezelfde codex, laatst gewijzigd bij het decreet van 19 juni 2015, wordt het getal "2016" vervangen door het getal "2017".
Art. III.42. A l'article 314/4 du même Code, modifié en dernier lieu par le décret du 19 juin 2015, le nombre " 2016 " est remplacé par le nombre " 2017 ".
Art. III.43. In paragraaf 1 van artikel 314/5 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 21 maart 2014 en gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2015, worden de woorden "2013-2014" vervangen door de woorden "2014-2015".
Art. III.43. Dans le paragraphe 1er de l'article 314/5 du même Code, inséré par le décret du 21 mars 2014 et modifié par le décret du 3 juillet 2015, les mots " 2013-2014 " sont remplacés par les mots " 2014-2015 ".
Art. III.44. In deel V, titel 2, hoofdstuk 3, afdeling 1, van dezelfde codex wordt een onderafdeling 3/3 ingevoegd, die luidt als volgt :
"Onderafdeling 3/3. Project voor opvang van de effecten van de invoering van het decreet van 21 maart 2014 betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften in het schooljaar 2016-2017".
"Onderafdeling 3/3. Project voor opvang van de effecten van de invoering van het decreet van 21 maart 2014 betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften in het schooljaar 2016-2017".
Art. III.44. Une sous-section 3/3, rédigée comme suit, est insérée dans la partie V, titre 2, chapitre 3, section 1re du même Code :
" Sous-section 3/3. Projet visant à remédier aux effets de l'introduction du décret du 21 mars 2014 relatif à des mesures pour les élèves à besoins éducatifs spécifiques dans l'année scolaire 2016-2017 ".
" Sous-section 3/3. Projet visant à remédier aux effets de l'introduction du décret du 21 mars 2014 relatif à des mesures pour les élèves à besoins éducatifs spécifiques dans l'année scolaire 2016-2017 ".
Art. III.45. In dezelfde codex wordt in onderafdeling 3/3, ingevoegd door artikel III.41/2, een artikel 314/6 ingevoegd dat luidt als volgt :
"Art. 314/6. § 1. Met het oog op het opvangen van de effecten van de leerlingendaling die zich met de invoering van het decreet van 21 maart 2014 betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften al hebben voorgedaan in scholen voor buitengewoon secundair onderwijs op de teldag van de eerste schooldag van februari 2016 in vergelijking met de teldag van de eerste schooldag van februari 2015, kent de Vlaamse Regering voor het schooljaar 2016-2017 lesuren en uren toe aan het buitengewoon secundair onderwijs ten belope van 686 lesuren onderwijzend personeel en 765 uren paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel.
Deze lesuren of uren worden beschouwd als extra lesuren of extra uren.
§ 2. De lesuren en uren worden ingericht in de scholen voor buitengewoon secundair onderwijs en aangewend om leraren en lerarenteams voor gewoon secundair onderwijs te ondersteunen in het onderwijs aan leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften, in het bijzonder leerlingen met een inschrijvingsverslag, verslag of gemotiveerd verslag voor type 1, type basisaanbod, type 2 of type 3 in de B-stroom en in het beroepssecundair onderwijs.
§ 3. De lesuren en uren worden proportioneel verdeeld tussen het gesubsidieerd vrij onderwijs enerzijds en het gesubsidieerd officieel onderwijs en het GO!-onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap anderzijds op basis van het aandeel van de in paragraaf 1 bedoelde effecten in de scholen van de betrokken onderwijsnetten.
§ 4. Voor beide groepen wordt telkens een commissie opgericht die in een gelijke vertegenwoordiging is samengesteld uit leden van het GO!-onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap respectievelijk de representatieve verenigingen van inrichtende machten en de representatieve groeperingen van personeelsverenigingen aangesloten bij een in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen vertegenwoordigde syndicale organisatie. In de schoot van de commissie voor het gesubsidieerd vrij onderwijs kan voor een of meer groepen in het gesubsidieerd vrij onderwijs anders dan het gesubsidieerd vrij katholiek onderwijs, een subcommissie opgericht worden.
De Vlaamse Regering beslist, op voorstel van deze twee commissies, over de toewijzing van de in paragraaf 3 bedoelde lesuren en uren aan de scholen voor buitengewoon secundair onderwijs van de betrokken onderwijsnetten. De commissie houdt bij het uitwerken van het voorstel van toewijzing ten minste rekening met de volgende criteria :
1° de effecten van de leerlingendaling, vermeld in paragraaf 1, op niveau van de individuele scholen;
2° de organiseerbaarheid van de ondersteuning van de scholen zoals bedoeld in paragraaf 2;
3° de aanwezige expertise in de scholen voor buitengewoon secundair onderwijs in functie van de aanwending voor de ondersteuningsbehoeften in scholen voor gewoon secundair onderwijs zoals vermeld in paragraaf 2.
De commissie begeleidt de samenwerkende scholen bij de aanstelling en de inzetbaarheid van personeelsleden in betrekkingen in deze lesuren en uren.
§ 5. Het personeelslid dat in een betrekking wordt aangesteld op basis van deze lesuren of uren, wordt steeds aangesteld als tijdelijk personeelslid. De bepalingen van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs of het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs zijn, naargelang van het geval, van toepassing op deze aanstelling, met uitzondering van de volgende bepalingen :
1° de betrekking is niet onderworpen aan de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling. Het schoolbestuur van de school waar de betrekking wordt opgericht, kan evenwel op vrijwillige basis een personeelslid aanstellen dat ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Deze aanstelling gebeurt steeds met instemming van het ter beschikking gestelde personeelslid en is, naargelang van het geval, een reaffectatie, een wedertewerkstelling of een tewerkstelling. Indien deze aanstelling een tewerkstelling is, dan wordt ze beschouwd als een wedertewerkstelling;
2° het schoolbestuur van de school waaraan de betrekking wordt toegewezen, is niet verplicht om in de betrekking een personeelslid aan te stellen dat het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven, overeenkomstig artikelen 21 en 21bis van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs of artikelen 23 en 23bis van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs, naargelang van het geval;
3° de betrekking kan niet vacant worden verklaard. Het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in de betrekking.
§ 6. De afspraken die samenwerkende scholen in dit project maken betreffende de inzetbaarheid van de personeelsleden, vallen onder de toepassing van artikel 12quater van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs en artikel 17quater van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs.
§ 7. Onverminderd paragraaf 5 en paragraaf 6 wordt de Vlaamse Regering gemachtigd om voor de duur van het project, zoals bepaald in paragraaf 1, af te wijken van de bepalingen van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs en het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs, voor de personeelsleden die worden aangesteld in een betrekking die in een school voor buitengewoon secundair onderwijs wordt ingericht met lesuren en uren, bedoeld in paragraaf 1. Deze afwijkingen betreffen de uitwerking van een aangepaste prestatieregeling, van bijkomende aanstellingsvoorwaarden en van aanvullende secundaire arbeidsvoorwaarden.
De Vlaamse Regering wordt gemachtigd de wijze vast te leggen waarop de lesuren en uren kunnen worden omgezet in ambten en betrekkingen.
De Vlaamse Regering neemt deze beslissing op basis van een voorstel van een gemeenschappelijke vergadering van het Sectorcomité X - Onderwijs (Vlaamse Gemeenschap), het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten - afdeling 2 - onderafdeling `Vlaamse Gemeenschap' en het Overkoepelend onderhandelingscomité gesubsidieerd vrij onderwijs.
Een personeelslid kan enkel aangesteld worden in een betrekking die in een school voor buitengewoon secundair onderwijs wordt ingericht met lesuren of uren, bedoeld in paragraaf 3, als het instemt met de afwijkingen die de Vlaamse Regering heeft vastgelegd.
§ 8. Een stuurgroep die wordt opgericht in de schoot van deze gemeenschappelijke vergadering, zoals bepaald in paragraaf 7, staat in voor de voorbereiding, opvolging en aansturing van de uitvoering van dit tijdelijk project. De onderwijsinspectie zal, in het kader van de reguliere schooldoorlichting, toezicht houden op de correcte aanwending van deze middelen.".
"Art. 314/6. § 1. Met het oog op het opvangen van de effecten van de leerlingendaling die zich met de invoering van het decreet van 21 maart 2014 betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften al hebben voorgedaan in scholen voor buitengewoon secundair onderwijs op de teldag van de eerste schooldag van februari 2016 in vergelijking met de teldag van de eerste schooldag van februari 2015, kent de Vlaamse Regering voor het schooljaar 2016-2017 lesuren en uren toe aan het buitengewoon secundair onderwijs ten belope van 686 lesuren onderwijzend personeel en 765 uren paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel.
Deze lesuren of uren worden beschouwd als extra lesuren of extra uren.
§ 2. De lesuren en uren worden ingericht in de scholen voor buitengewoon secundair onderwijs en aangewend om leraren en lerarenteams voor gewoon secundair onderwijs te ondersteunen in het onderwijs aan leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften, in het bijzonder leerlingen met een inschrijvingsverslag, verslag of gemotiveerd verslag voor type 1, type basisaanbod, type 2 of type 3 in de B-stroom en in het beroepssecundair onderwijs.
§ 3. De lesuren en uren worden proportioneel verdeeld tussen het gesubsidieerd vrij onderwijs enerzijds en het gesubsidieerd officieel onderwijs en het GO!-onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap anderzijds op basis van het aandeel van de in paragraaf 1 bedoelde effecten in de scholen van de betrokken onderwijsnetten.
§ 4. Voor beide groepen wordt telkens een commissie opgericht die in een gelijke vertegenwoordiging is samengesteld uit leden van het GO!-onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap respectievelijk de representatieve verenigingen van inrichtende machten en de representatieve groeperingen van personeelsverenigingen aangesloten bij een in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen vertegenwoordigde syndicale organisatie. In de schoot van de commissie voor het gesubsidieerd vrij onderwijs kan voor een of meer groepen in het gesubsidieerd vrij onderwijs anders dan het gesubsidieerd vrij katholiek onderwijs, een subcommissie opgericht worden.
De Vlaamse Regering beslist, op voorstel van deze twee commissies, over de toewijzing van de in paragraaf 3 bedoelde lesuren en uren aan de scholen voor buitengewoon secundair onderwijs van de betrokken onderwijsnetten. De commissie houdt bij het uitwerken van het voorstel van toewijzing ten minste rekening met de volgende criteria :
1° de effecten van de leerlingendaling, vermeld in paragraaf 1, op niveau van de individuele scholen;
2° de organiseerbaarheid van de ondersteuning van de scholen zoals bedoeld in paragraaf 2;
3° de aanwezige expertise in de scholen voor buitengewoon secundair onderwijs in functie van de aanwending voor de ondersteuningsbehoeften in scholen voor gewoon secundair onderwijs zoals vermeld in paragraaf 2.
De commissie begeleidt de samenwerkende scholen bij de aanstelling en de inzetbaarheid van personeelsleden in betrekkingen in deze lesuren en uren.
§ 5. Het personeelslid dat in een betrekking wordt aangesteld op basis van deze lesuren of uren, wordt steeds aangesteld als tijdelijk personeelslid. De bepalingen van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs of het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs zijn, naargelang van het geval, van toepassing op deze aanstelling, met uitzondering van de volgende bepalingen :
1° de betrekking is niet onderworpen aan de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling. Het schoolbestuur van de school waar de betrekking wordt opgericht, kan evenwel op vrijwillige basis een personeelslid aanstellen dat ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Deze aanstelling gebeurt steeds met instemming van het ter beschikking gestelde personeelslid en is, naargelang van het geval, een reaffectatie, een wedertewerkstelling of een tewerkstelling. Indien deze aanstelling een tewerkstelling is, dan wordt ze beschouwd als een wedertewerkstelling;
2° het schoolbestuur van de school waaraan de betrekking wordt toegewezen, is niet verplicht om in de betrekking een personeelslid aan te stellen dat het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven, overeenkomstig artikelen 21 en 21bis van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs of artikelen 23 en 23bis van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs, naargelang van het geval;
3° de betrekking kan niet vacant worden verklaard. Het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in de betrekking.
§ 6. De afspraken die samenwerkende scholen in dit project maken betreffende de inzetbaarheid van de personeelsleden, vallen onder de toepassing van artikel 12quater van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs en artikel 17quater van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs.
§ 7. Onverminderd paragraaf 5 en paragraaf 6 wordt de Vlaamse Regering gemachtigd om voor de duur van het project, zoals bepaald in paragraaf 1, af te wijken van de bepalingen van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs en het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs, voor de personeelsleden die worden aangesteld in een betrekking die in een school voor buitengewoon secundair onderwijs wordt ingericht met lesuren en uren, bedoeld in paragraaf 1. Deze afwijkingen betreffen de uitwerking van een aangepaste prestatieregeling, van bijkomende aanstellingsvoorwaarden en van aanvullende secundaire arbeidsvoorwaarden.
De Vlaamse Regering wordt gemachtigd de wijze vast te leggen waarop de lesuren en uren kunnen worden omgezet in ambten en betrekkingen.
De Vlaamse Regering neemt deze beslissing op basis van een voorstel van een gemeenschappelijke vergadering van het Sectorcomité X - Onderwijs (Vlaamse Gemeenschap), het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten - afdeling 2 - onderafdeling `Vlaamse Gemeenschap' en het Overkoepelend onderhandelingscomité gesubsidieerd vrij onderwijs.
Een personeelslid kan enkel aangesteld worden in een betrekking die in een school voor buitengewoon secundair onderwijs wordt ingericht met lesuren of uren, bedoeld in paragraaf 3, als het instemt met de afwijkingen die de Vlaamse Regering heeft vastgelegd.
§ 8. Een stuurgroep die wordt opgericht in de schoot van deze gemeenschappelijke vergadering, zoals bepaald in paragraaf 7, staat in voor de voorbereiding, opvolging en aansturing van de uitvoering van dit tijdelijk project. De onderwijsinspectie zal, in het kader van de reguliere schooldoorlichting, toezicht houden op de correcte aanwending van deze middelen.".
Art. III.45. Dans le même Code, il est inséré dans la sous-section 3/3, insérée par l'article III.41/2, un article 314/6, rédigé comme suit :
" Art. 314/6. § 1er. Afin de remédier aux effets de la baisse du nombre d'élèves qui se sont déjà produits par l'introduction du décret du 21 mars 2014 relatif à des mesures pour les élèves à besoins éducatifs spécifiques, dans des écoles d'enseignement secondaire spécial au jour de comptage du premier jour de classe de février 2016 en comparaison avec le jour de comptage du premier jour de classe de février 2015, le Gouvernement flamand attribue, à l'enseignement secondaire spécial pour l'année scolaire 2016-2017, des heures de cours et des heures au prorata de 686 heures de cours destinées au personnel enseignant et de 765 heures destinées au personnel paramédical, médical, social, psychologique et orthopédagogique.
Ces heures de cours ou heures sont considérées comme des heures de cours supplémentaires ou des heures supplémentaires.
§ 2. Les heures de cours et les heures sont organisées dans les écoles d'enseignement secondaire spécial et utilisées pour appuyer des enseignants et équipes d'enseignants de l'enseignement secondaire ordinaire dans l'enseignement qu'ils donnent à des élèves à besoins éducatifs spécifiques, notamment à des élèves qui disposent d'un rapport d'inscription, d'un rapport ou d'un rapport motivé pour le type 1, le type offre de base, le type 2 ou le type 3, dans la filière B et dans l'enseignement secondaire professionnel.
§ 3. Les heures de cours et heures sont réparties de façon proportionnelle entre l'enseignement libre subventionné d'une part et l'enseignement officiel subventionné et l'enseignement communautaire (GO!) de la Communauté flamande d'autre part, sur la base de la part des effets au sens du paragraphe 1er subis par les écoles des réseaux d'enseignement concernés.
§ 4. Pour les deux groupes, il est créé chaque fois une commission qui se compose d'un nombre égal de représentants de l'enseignement communautaire (GO!) de la Communauté flamande, respectivement des associations représentatives des pouvoirs organisateurs et des groupements représentatifs des associations de personnels affiliées à une organisation syndicale représentée dans le Sociaal Economische Raad van Vlaanderen. Au sein de la commission pour l'enseignement libre subventionné, une sous-commission peut être établie pour un ou plusieurs groupes dans l'enseignement libre subventionné autre que l'enseignement libre catholique subventionné.
Le Gouvernement statue, sur la proposition de ces deux commissions, sur l'affectation des heures de cours et heures visées au paragraphe 3 aux écoles d'enseignement secondaire spécial des réseaux d'enseignement concernés. Lors de l'élaboration de la proposition d'affectation, la commission tient au moins compte des critères suivants :
1° les effets de la baisse du nombre d'élèves visés au paragraphe 1er, au niveau des écoles individuelles ;
2° l'organisabilité de l'appui des écoles tel que visé au paragraphe 2 ;
3° l'expertise présente dans les écoles d'enseignement secondaire spécial en fonction de l'utilisation pour les besoins de soutien dans les écoles d'enseignement secondaire ordinaire tels que visés au paragraphe 2.
La commission accompagne les écoles coopérantes pour la désignation et l'employabilité des membres du personnel dans des emplois organisés sur la base de ces heures de cours et heures.
§ 5. Le membre du personnel qui est désigné à un emploi sur la base de ces heures de cours ou heures, l'est toujours en qualité de membre du personnel temporaire. Les dispositions du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire et du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné s'appliquent, suivant le cas, à cette désignation, à l'exception des dispositions suivantes :
1° l'emploi n'est pas régi par la réglementation relative à la mise en disponibilité par défaut d'emploi, à la réaffectation et à la remise au travail. L'autorité scolaire de l'école où est organisé l'emploi peut toutefois désigner, sur une base volontaire, un membre du personnel mis en disponibilité par défaut d'emploi. Cette désignation se fait toujours moyennant le consentement du membre du personnel mis en disponibilité et constitue, suivant le cas, une réaffectation, une remise au travail ou une mise au travail. Si cette désignation est une mise au travail, elle est considérée comme une remise au travail ;
2° l'autorité scolaire de l'école à laquelle l'emploi est attribué n'est pas obligée de désigner à cet emploi un membre du personnel ayant acquis le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, conformément aux articles 21 et 21bis du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire ou aux articles 23 et 23bis du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné, suivant le cas ;
3° l'emploi ne peut être déclaré vacant. L'autorité scolaire ne peut en aucun cas nommer à titre définitif, affecter ou muter un membre du personnel dans cet emploi.
§ 6. Les accords que des écoles coopérantes concluent dans ce projet concernant l'employabilité des membres du personnel, relèvent de l'article 12quater du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire et de l'article 17quater du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné.
§ 7. Sans préjudice des paragraphes 5 et 6, le Gouvernement flamand est autorisé, pour la durée du projet tel que visé au paragraphe 1er, à déroger aux dispositions du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire et du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné, pour ce qui est des membres du personnel qui sont désignés à un emploi organisé dans une école d'enseignement secondaire spécial sur la base d'heures de cours et d'heures telles que visées au paragraphe 1er. Ces dérogations concernent l'élaboration d'un régime de prestations adapté, de conditions de désignation supplémentaires et de conditions de travail secondaires complémentaires.
Le Gouvernement flamand est autorisé à fixer le mode de conversion des heures de cours et des heures en fonctions et en emplois.
Le Gouvernement prend cette décision sur la base d'une proposition d'une réunion commune du Comité sectoriel X - Enseignement (Communauté flamande), du Comité des services publics provinciaux et locaux - Section 2 - Sous-section " Communauté flamande " et du Comité coordinateur de négociation Enseignement libre subventionné.
Un membre du personnel ne peut être désigné que dans un emploi qui est organisé dans une école d'enseignement secondaire spécial sur la base d'heures de cours ou d'heures visées au paragraphe 3, s'il marque son accord sur les dérogations fixées par le Gouvernement flamand.
§ 8. Un groupe de pilotage installé au sein de cette réunion commune, telle que visée au paragraphe 7, est chargé de la préparation, du suivi et du pilotage de l'exécution de ce projet temporaire. Dans le cadre de la radioscopie scolaire régulière, l'Inspection de l'Enseignement exercera le contrôle sur l'utilisation correcte de ces moyens. ".
" Art. 314/6. § 1er. Afin de remédier aux effets de la baisse du nombre d'élèves qui se sont déjà produits par l'introduction du décret du 21 mars 2014 relatif à des mesures pour les élèves à besoins éducatifs spécifiques, dans des écoles d'enseignement secondaire spécial au jour de comptage du premier jour de classe de février 2016 en comparaison avec le jour de comptage du premier jour de classe de février 2015, le Gouvernement flamand attribue, à l'enseignement secondaire spécial pour l'année scolaire 2016-2017, des heures de cours et des heures au prorata de 686 heures de cours destinées au personnel enseignant et de 765 heures destinées au personnel paramédical, médical, social, psychologique et orthopédagogique.
Ces heures de cours ou heures sont considérées comme des heures de cours supplémentaires ou des heures supplémentaires.
§ 2. Les heures de cours et les heures sont organisées dans les écoles d'enseignement secondaire spécial et utilisées pour appuyer des enseignants et équipes d'enseignants de l'enseignement secondaire ordinaire dans l'enseignement qu'ils donnent à des élèves à besoins éducatifs spécifiques, notamment à des élèves qui disposent d'un rapport d'inscription, d'un rapport ou d'un rapport motivé pour le type 1, le type offre de base, le type 2 ou le type 3, dans la filière B et dans l'enseignement secondaire professionnel.
§ 3. Les heures de cours et heures sont réparties de façon proportionnelle entre l'enseignement libre subventionné d'une part et l'enseignement officiel subventionné et l'enseignement communautaire (GO!) de la Communauté flamande d'autre part, sur la base de la part des effets au sens du paragraphe 1er subis par les écoles des réseaux d'enseignement concernés.
§ 4. Pour les deux groupes, il est créé chaque fois une commission qui se compose d'un nombre égal de représentants de l'enseignement communautaire (GO!) de la Communauté flamande, respectivement des associations représentatives des pouvoirs organisateurs et des groupements représentatifs des associations de personnels affiliées à une organisation syndicale représentée dans le Sociaal Economische Raad van Vlaanderen. Au sein de la commission pour l'enseignement libre subventionné, une sous-commission peut être établie pour un ou plusieurs groupes dans l'enseignement libre subventionné autre que l'enseignement libre catholique subventionné.
Le Gouvernement statue, sur la proposition de ces deux commissions, sur l'affectation des heures de cours et heures visées au paragraphe 3 aux écoles d'enseignement secondaire spécial des réseaux d'enseignement concernés. Lors de l'élaboration de la proposition d'affectation, la commission tient au moins compte des critères suivants :
1° les effets de la baisse du nombre d'élèves visés au paragraphe 1er, au niveau des écoles individuelles ;
2° l'organisabilité de l'appui des écoles tel que visé au paragraphe 2 ;
3° l'expertise présente dans les écoles d'enseignement secondaire spécial en fonction de l'utilisation pour les besoins de soutien dans les écoles d'enseignement secondaire ordinaire tels que visés au paragraphe 2.
La commission accompagne les écoles coopérantes pour la désignation et l'employabilité des membres du personnel dans des emplois organisés sur la base de ces heures de cours et heures.
§ 5. Le membre du personnel qui est désigné à un emploi sur la base de ces heures de cours ou heures, l'est toujours en qualité de membre du personnel temporaire. Les dispositions du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire et du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné s'appliquent, suivant le cas, à cette désignation, à l'exception des dispositions suivantes :
1° l'emploi n'est pas régi par la réglementation relative à la mise en disponibilité par défaut d'emploi, à la réaffectation et à la remise au travail. L'autorité scolaire de l'école où est organisé l'emploi peut toutefois désigner, sur une base volontaire, un membre du personnel mis en disponibilité par défaut d'emploi. Cette désignation se fait toujours moyennant le consentement du membre du personnel mis en disponibilité et constitue, suivant le cas, une réaffectation, une remise au travail ou une mise au travail. Si cette désignation est une mise au travail, elle est considérée comme une remise au travail ;
2° l'autorité scolaire de l'école à laquelle l'emploi est attribué n'est pas obligée de désigner à cet emploi un membre du personnel ayant acquis le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, conformément aux articles 21 et 21bis du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire ou aux articles 23 et 23bis du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné, suivant le cas ;
3° l'emploi ne peut être déclaré vacant. L'autorité scolaire ne peut en aucun cas nommer à titre définitif, affecter ou muter un membre du personnel dans cet emploi.
§ 6. Les accords que des écoles coopérantes concluent dans ce projet concernant l'employabilité des membres du personnel, relèvent de l'article 12quater du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire et de l'article 17quater du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné.
§ 7. Sans préjudice des paragraphes 5 et 6, le Gouvernement flamand est autorisé, pour la durée du projet tel que visé au paragraphe 1er, à déroger aux dispositions du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire et du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné, pour ce qui est des membres du personnel qui sont désignés à un emploi organisé dans une école d'enseignement secondaire spécial sur la base d'heures de cours et d'heures telles que visées au paragraphe 1er. Ces dérogations concernent l'élaboration d'un régime de prestations adapté, de conditions de désignation supplémentaires et de conditions de travail secondaires complémentaires.
Le Gouvernement flamand est autorisé à fixer le mode de conversion des heures de cours et des heures en fonctions et en emplois.
Le Gouvernement prend cette décision sur la base d'une proposition d'une réunion commune du Comité sectoriel X - Enseignement (Communauté flamande), du Comité des services publics provinciaux et locaux - Section 2 - Sous-section " Communauté flamande " et du Comité coordinateur de négociation Enseignement libre subventionné.
Un membre du personnel ne peut être désigné que dans un emploi qui est organisé dans une école d'enseignement secondaire spécial sur la base d'heures de cours ou d'heures visées au paragraphe 3, s'il marque son accord sur les dérogations fixées par le Gouvernement flamand.
§ 8. Un groupe de pilotage installé au sein de cette réunion commune, telle que visée au paragraphe 7, est chargé de la préparation, du suivi et du pilotage de l'exécution de ce projet temporaire. Dans le cadre de la radioscopie scolaire régulière, l'Inspection de l'Enseignement exercera le contrôle sur l'utilisation correcte de ces moyens. ".
Art. III.46. In artikel 336 van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 21 maart 2014, worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt :
" § 2. In deze opleidingsvorm kan tijdens het schooljaar in het laatste jaar van de opleidingsfase en in de kwalificatiefase gedurende een beperkt aantal dagen een leerlingenstage worden ingericht, die in groep en onder voortdurende begeleiding van de leraar plaatsvindt. In de kwalificatiefase is tijdens het schooljaar gedurende een beperkt aantal dagen leerlingenstage verplicht, waarbij elke leerling-stagiair afzonderlijk op stage gaat. Uitzonderlijk kunnen de leerlingenstages die in de kwalificatiefase plaatsvinden georganiseerd worden tijdens de vakanties. De werkervaring in de integratiefase wordt organisatorisch gelijkgesteld met een leerlingenstage.";
2° in paragraaf 3 wordt in de eerste zin het woord "studiebekrachtiging" vervangen door het woord "studieadvies".
1° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt :
" § 2. In deze opleidingsvorm kan tijdens het schooljaar in het laatste jaar van de opleidingsfase en in de kwalificatiefase gedurende een beperkt aantal dagen een leerlingenstage worden ingericht, die in groep en onder voortdurende begeleiding van de leraar plaatsvindt. In de kwalificatiefase is tijdens het schooljaar gedurende een beperkt aantal dagen leerlingenstage verplicht, waarbij elke leerling-stagiair afzonderlijk op stage gaat. Uitzonderlijk kunnen de leerlingenstages die in de kwalificatiefase plaatsvinden georganiseerd worden tijdens de vakanties. De werkervaring in de integratiefase wordt organisatorisch gelijkgesteld met een leerlingenstage.";
2° in paragraaf 3 wordt in de eerste zin het woord "studiebekrachtiging" vervangen door het woord "studieadvies".
Art. III.46. A l'article 336 du même Code, remplacé par le décret du 21 mars 2014, sont apportées les modifications suivantes :
1° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Dans cette forme d'enseignement, un stage d'élèves ayant lieu en groupe et avec l'accompagnement permanent assuré par l'enseignant peut être organisé pendant un nombre limité de jours au cours de l'année scolaire dans la dernière année de la phase de formation et dans la phase de qualification. Dans la phase de qualification, un nombre limité de jours de stage d'élèves est obligatoire pendant l'année scolaire, chaque élève-stagiaire accomplissant son stage individuellement. A titre exceptionnel, les stages d'élèves ayant lieu dans la phase de qualification peuvent être organisés pendant les vacances. L'expérience professionnelle dans la phase d'intégration est assimilée à un stage d'élèves au niveau organisation. " ;
2° au paragraphe 3, dans la première phrase, les mots " une validation des études " sont remplacés par les mots " un avis d'orientation ".
1° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Dans cette forme d'enseignement, un stage d'élèves ayant lieu en groupe et avec l'accompagnement permanent assuré par l'enseignant peut être organisé pendant un nombre limité de jours au cours de l'année scolaire dans la dernière année de la phase de formation et dans la phase de qualification. Dans la phase de qualification, un nombre limité de jours de stage d'élèves est obligatoire pendant l'année scolaire, chaque élève-stagiaire accomplissant son stage individuellement. A titre exceptionnel, les stages d'élèves ayant lieu dans la phase de qualification peuvent être organisés pendant les vacances. L'expérience professionnelle dans la phase d'intégration est assimilée à un stage d'élèves au niveau organisation. " ;
2° au paragraphe 3, dans la première phrase, les mots " une validation des études " sont remplacés par les mots " un avis d'orientation ".
Art. III.47. In artikel 350/1 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 21 maart 2014, worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 3 wordt tussen het woord "onderwijs" en het woord "inrichten" telkens de zinsnede "en buitengewoon secundair onderwijs" ingevoegd;
2° aan paragraaf 3 wordt een zin toegevoegd die luidt als volgt :
"Naargelang de keuze van de ouders mag men in de school van opleidingsvorm 4, type 5, verbonden aan het Zeepreventorium verschillende leerplannen aanbieden.";
3° in paragraaf 4 wordt de zinsnede "gewoon voltijds secundair onderwijs" vervangen door de zinsnede "gewoon voltijds secundair onderwijs en buitengewoon secundair onderwijs";
4° een paragraaf 5 wordt toegevoegd die luidt als volgt :
" § 5. Voor zover de school van opleidingsvorm 4, type 5, verbonden aan het Zeepreventorium, die behoort tot het gemeenschapsonderwijs, leerplannen aanbiedt van het vrij onderwijs, gebeurt dit in afwijking van de voorwaarde, vermeld in artikel 15, § 1, 12°, b).".
1° in paragraaf 3 wordt tussen het woord "onderwijs" en het woord "inrichten" telkens de zinsnede "en buitengewoon secundair onderwijs" ingevoegd;
2° aan paragraaf 3 wordt een zin toegevoegd die luidt als volgt :
"Naargelang de keuze van de ouders mag men in de school van opleidingsvorm 4, type 5, verbonden aan het Zeepreventorium verschillende leerplannen aanbieden.";
3° in paragraaf 4 wordt de zinsnede "gewoon voltijds secundair onderwijs" vervangen door de zinsnede "gewoon voltijds secundair onderwijs en buitengewoon secundair onderwijs";
4° een paragraaf 5 wordt toegevoegd die luidt als volgt :
" § 5. Voor zover de school van opleidingsvorm 4, type 5, verbonden aan het Zeepreventorium, die behoort tot het gemeenschapsonderwijs, leerplannen aanbiedt van het vrij onderwijs, gebeurt dit in afwijking van de voorwaarde, vermeld in artikel 15, § 1, 12°, b).".
Art. III.47. A l'article 350/1 du même Code, modifié par le décret du 21 mars 2014, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 3, les mots " et de l'enseignement secondaire spécial " sont insérés entre les mots " de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein " et les mots " , même si les subdivisions structurelles " ;
2° le paragraphe 3 est complété par une phrase rédigée comme suit :
" Selon le choix des parents, on peut dispenser différents programmes d'études dans l'école de la forme d'enseignement 4, type 5, rattachée au préventorium. " ;
3° dans le paragraphe 4, le membre de phrase " l'enseignement secondaire à temps plein " est remplacé par le membre de phrase " l'enseignement secondaire à temps plein et l'enseignement secondaire spécial " ;
4° il est ajouté un paragraphe 5, rédigé comme suit :
" § 5. Pour autant que l'école de la forme d'enseignement 4, type 5, rattachée au préventorium appartenant à l'enseignement communautaire, propose des programmes d'études de l'enseignement libre, cela se fait par dérogation à la condition mentionnée à l'article 15, § 1er, 12°, b). ".
1° au paragraphe 3, les mots " et de l'enseignement secondaire spécial " sont insérés entre les mots " de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein " et les mots " , même si les subdivisions structurelles " ;
2° le paragraphe 3 est complété par une phrase rédigée comme suit :
" Selon le choix des parents, on peut dispenser différents programmes d'études dans l'école de la forme d'enseignement 4, type 5, rattachée au préventorium. " ;
3° dans le paragraphe 4, le membre de phrase " l'enseignement secondaire à temps plein " est remplacé par le membre de phrase " l'enseignement secondaire à temps plein et l'enseignement secondaire spécial " ;
4° il est ajouté un paragraphe 5, rédigé comme suit :
" § 5. Pour autant que l'école de la forme d'enseignement 4, type 5, rattachée au préventorium appartenant à l'enseignement communautaire, propose des programmes d'études de l'enseignement libre, cela se fait par dérogation à la condition mentionnée à l'article 15, § 1er, 12°, b). ".
Art. III.48. In artikel 357 van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 19 juli 2013, worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 2 wordt opgeheven;
2° paragraaf 3 tot en met 6 worden hernummerd tot paragraaf 2 tot en met 5;
3° in paragraaf 3, die hernummerd wordt tot paragraaf 2, worden volgende wijzigingen aangebracht :
a) punt 1° wordt opgeheven;
b) punt 2° tot en met 4° worden hernummerd tot punt 1° tot en met 3° ;
c) er wordt een punt 4° toegevoegd dat luidt als volgt :
"4° de definitie van de doelgroep.";
4° paragraaf 4, die hernummerd wordt tot paragraaf 3, wordt vervangen door wat volgt :
" § 3. Indien deze speciale onderwijsleermiddelen, vermeld in paragraaf 1, de vorm aannemen van tolken Vlaamse gebarentaal of schrijftolken, dan verleent de Vlaamse Regering voor de realisatie van deze tolkuren een subsidie aan een centraal tolkenbureau, die bestaat uit enerzijds werkingsmiddelen voor dit tolkenbureau en anderzijds lonen en verplaatsingskosten voor de tolken.
De Vlaamse Regering bepaalt de verdere voorwaarden voor de werking van dit tolkenbureau.";
5° in paragraaf 6, die hernummerd wordt tot paragraaf 5, wordt het cijfer "5" vervangen door het cijfer "4".
1° paragraaf 2 wordt opgeheven;
2° paragraaf 3 tot en met 6 worden hernummerd tot paragraaf 2 tot en met 5;
3° in paragraaf 3, die hernummerd wordt tot paragraaf 2, worden volgende wijzigingen aangebracht :
a) punt 1° wordt opgeheven;
b) punt 2° tot en met 4° worden hernummerd tot punt 1° tot en met 3° ;
c) er wordt een punt 4° toegevoegd dat luidt als volgt :
"4° de definitie van de doelgroep.";
4° paragraaf 4, die hernummerd wordt tot paragraaf 3, wordt vervangen door wat volgt :
" § 3. Indien deze speciale onderwijsleermiddelen, vermeld in paragraaf 1, de vorm aannemen van tolken Vlaamse gebarentaal of schrijftolken, dan verleent de Vlaamse Regering voor de realisatie van deze tolkuren een subsidie aan een centraal tolkenbureau, die bestaat uit enerzijds werkingsmiddelen voor dit tolkenbureau en anderzijds lonen en verplaatsingskosten voor de tolken.
De Vlaamse Regering bepaalt de verdere voorwaarden voor de werking van dit tolkenbureau.";
5° in paragraaf 6, die hernummerd wordt tot paragraaf 5, wordt het cijfer "5" vervangen door het cijfer "4".
Art. III.48. A l'article 357 du même Code, remplacé par le décret du 19 juillet 2013, sont apportées les modifications suivantes :
1° le paragraphe 2 est abrogé ;
2° les paragraphes 3 à 6 sont renumérotés paragraphes 2 à 5 ;
3° au paragraphe 3, qui est renuméroté paragraphe 2, les modifications suivantes sont apportées :
a) le point 1° est abrogé ;
b) les points 2° à 4 sont renumérotés points 1° à 3° ;
c) il est ajouté un point 4° ainsi rédigé :
" 4° la définition du groupe-cible. " ;
4° le paragraphe 4, renuméroté paragraphe 3, est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Si ces moyens spéciaux d'aide à l'enseignement, visés au paragraphe 1er, prennent la forme d'interprètes Langage gestuel flamand ou d'interprètes écrits, le Gouvernement flamand octroie, pour la réalisation de ces heures d'interprétation, une subvention à une agence centrale d'interprétation qui consiste, d'une part, de moyens de fonctionnement pour cette agence d'interprètes et, d'autre part, de traitements et de frais de déplacement pour les interprètes.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités de fonctionnement de cette agence d'interprétation. " ;
5° dans le paragraphe 6, renuméroté paragraphe 5, le chiffre " 5 " est remplacé par le chiffre " 4 ".
1° le paragraphe 2 est abrogé ;
2° les paragraphes 3 à 6 sont renumérotés paragraphes 2 à 5 ;
3° au paragraphe 3, qui est renuméroté paragraphe 2, les modifications suivantes sont apportées :
a) le point 1° est abrogé ;
b) les points 2° à 4 sont renumérotés points 1° à 3° ;
c) il est ajouté un point 4° ainsi rédigé :
" 4° la définition du groupe-cible. " ;
4° le paragraphe 4, renuméroté paragraphe 3, est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Si ces moyens spéciaux d'aide à l'enseignement, visés au paragraphe 1er, prennent la forme d'interprètes Langage gestuel flamand ou d'interprètes écrits, le Gouvernement flamand octroie, pour la réalisation de ces heures d'interprétation, une subvention à une agence centrale d'interprétation qui consiste, d'une part, de moyens de fonctionnement pour cette agence d'interprètes et, d'autre part, de traitements et de frais de déplacement pour les interprètes.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités de fonctionnement de cette agence d'interprétation. " ;
5° dans le paragraphe 6, renuméroté paragraphe 5, le chiffre " 5 " est remplacé par le chiffre " 4 ".
Afdeling II. - Leren en werken
Section II. - Apprentissage et travail
Art. III.49. Aan artikel 3 van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap wordt in punt 11° een zin toegevoegd die luidt als volgt :
"De Vlaamse Regering bakent de doelgroep af, ten minste rekening houdend met de criteria `leeftijd', `taalkennis Nederlands' en `duurtijd van de aanwezigheid op het Belgische grondgebied' van de anderstalige nieuwkomers.''.
"De Vlaamse Regering bakent de doelgroep af, ten minste rekening houdend met de criteria `leeftijd', `taalkennis Nederlands' en `duurtijd van de aanwezigheid op het Belgische grondgebied' van de anderstalige nieuwkomers.''.
Art. III.49. Dans l'article 3 du décret du 10 juillet 2008 relatif au système d'apprentissage et de travail en Communauté flamande, il est inséré au point 11° une phrase ainsi rédigée :
" Le Gouvernement flamand délimite le groupe cible, au moins en tenant compte des critères " âge ", " connaissance du néerlandais " et " temps de présence sur le territoire belge " des primo-arrivants allophones. ".
" Le Gouvernement flamand délimite le groupe cible, au moins en tenant compte des critères " âge ", " connaissance du néerlandais " et " temps de présence sur le territoire belge " des primo-arrivants allophones. ".
Art. III.50. Artikel 20 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 19 juli 2013, wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 20. De programmatie van een opleiding in het deeltijds beroepssecundair onderwijs is vrij en kan op elk tijdstip van het schooljaar. In het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs in kwestie liggen, ter eventuele controle door de overheid, het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegd lokaal comité, het document waaruit moet blijken dat de programmatie vooraf is besproken in het regionaal overlegplatform waarin het centrum participeert en, in het geval het centrum tot een scholengemeenschap behoort, een uittreksel van het proces-verbaal waaruit moet blijken dat de programmatie in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt.".
"Art. 20. De programmatie van een opleiding in het deeltijds beroepssecundair onderwijs is vrij en kan op elk tijdstip van het schooljaar. In het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs in kwestie liggen, ter eventuele controle door de overheid, het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegd lokaal comité, het document waaruit moet blijken dat de programmatie vooraf is besproken in het regionaal overlegplatform waarin het centrum participeert en, in het geval het centrum tot een scholengemeenschap behoort, een uittreksel van het proces-verbaal waaruit moet blijken dat de programmatie in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt.".
Art. III.50. L'article 20 du même décret, remplacé par le décret du 19 juillet 2013, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 20. La programmation d'une formation dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel est libre et peut être prévue à tout moment de l'année scolaire. Dans le centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, se trouvent pour le contrôle éventuel par l'autorité, le protocole de la négociation en question au sein du comité local compétent, le document devant démontrer que la programmation a été discutée préalablement au sein de la plate-forme régionale de concertation dans laquelle participe le centre et, au cas où le centre appartient à un centre d'enseignement, un extrait du procès-verbal devant démontrer que la programmation est conforme aux arrangements faits au sein du centre d'enseignement. ".
" Art. 20. La programmation d'une formation dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel est libre et peut être prévue à tout moment de l'année scolaire. Dans le centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, se trouvent pour le contrôle éventuel par l'autorité, le protocole de la négociation en question au sein du comité local compétent, le document devant démontrer que la programmation a été discutée préalablement au sein de la plate-forme régionale de concertation dans laquelle participe le centre et, au cas où le centre appartient à un centre d'enseignement, un extrait du procès-verbal devant démontrer que la programmation est conforme aux arrangements faits au sein du centre d'enseignement. ".
Art. III.51. In artikel 35 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 21 december 2012, wordt het tweede lid vervangen door wat volgt :
"Een persoonlijk ontwikkelingstraject kan gespreid worden over een aantal weken, eventueel schooljaaroverschrijdend, zonder afbreuk te doen aan het tijdelijke karakter ervan. Voor een jongere die in het deeltijds beroepssecundair onderwijs instapt, kan een persoonlijk ontwikkelingstraject starten op elk ogenblik van het schooljaar. Een jongere die al van vóór juni een persoonlijk ontwikkelingstraject volgt, moet alleszins tijdens de maand juni dit traject met een ongewijzigd uren-aantal blijven volgen.".
"Een persoonlijk ontwikkelingstraject kan gespreid worden over een aantal weken, eventueel schooljaaroverschrijdend, zonder afbreuk te doen aan het tijdelijke karakter ervan. Voor een jongere die in het deeltijds beroepssecundair onderwijs instapt, kan een persoonlijk ontwikkelingstraject starten op elk ogenblik van het schooljaar. Een jongere die al van vóór juni een persoonlijk ontwikkelingstraject volgt, moet alleszins tijdens de maand juni dit traject met een ongewijzigd uren-aantal blijven volgen.".
Art. III.51. Dans l'article 35 du même décret, modifié par le décret du 21 décembre 2012, l'alinéa 2 est remplacé par la disposition suivante :
" Un parcours de développement personnel peut s'étaler sur plusieurs semaines, en dépassant éventuellement les limites de l'année scolaire, sans porter préjudice à son caractère temporaire. Pour un jeune qui entre l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, un parcours de développement personnel peut débuter à tout moment de l'année scolaire. Un jeune qui suit un parcours de développement personnel déjà avant le mois de juin, doit obligatoirement continuer à suivre pendant le mois de juin ce trajet avec un nombre inchangé d'heures. ".
" Un parcours de développement personnel peut s'étaler sur plusieurs semaines, en dépassant éventuellement les limites de l'année scolaire, sans porter préjudice à son caractère temporaire. Pour un jeune qui entre l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, un parcours de développement personnel peut débuter à tout moment de l'année scolaire. Un jeune qui suit un parcours de développement personnel déjà avant le mois de juin, doit obligatoirement continuer à suivre pendant le mois de juin ce trajet avec un nombre inchangé d'heures. ".
Art. III.52. Artikel 42 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art. III.52. L'article 42 du même décret est abrogé.
Art. III.53. Aan het eerste lid van artikel 58 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 25 november 2011, wordt een zin toegevoegd die luidt als volgt :
"In afwijking hierop moet de jongere in het deeltijds beroepssecundair onderwijs, met een verslag zoals bepaald in artikel 294 van de Codex Secundair Onderwijs, van zodra hij met de effectieve lesbijwoning start, het individueel aangepast curriculum dat is bepaald door de klassenraad werkelijk en regelmatig volgen, behoudens in geval van gewettigde afwezigheid.".
"In afwijking hierop moet de jongere in het deeltijds beroepssecundair onderwijs, met een verslag zoals bepaald in artikel 294 van de Codex Secundair Onderwijs, van zodra hij met de effectieve lesbijwoning start, het individueel aangepast curriculum dat is bepaald door de klassenraad werkelijk en regelmatig volgen, behoudens in geval van gewettigde afwezigheid.".
Art. III.53. Au premier alinéa de l'article 58 du même décret, modifié par le décret du 25 novembre 2011, il est ajouté une phrase ainsi rédigée :
" Par dérogation à la disposition précédente, le jeune dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel disposant d'un rapport tel que visé à l'article 294 du Code de l'Enseignement secondaire, doit, dès qu'il commence effectivement à fréquenter les cours, suivre effectivement et régulièrement le programme adapté individuellement établi par le conseil de classe, sauf en cas d'absence justifiée. ".
" Par dérogation à la disposition précédente, le jeune dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel disposant d'un rapport tel que visé à l'article 294 du Code de l'Enseignement secondaire, doit, dès qu'il commence effectivement à fréquenter les cours, suivre effectivement et régulièrement le programme adapté individuellement établi par le conseil de classe, sauf en cas d'absence justifiée. ".
Art. III.54. Aan artikel 60 van hetzelfde decreet wordt een vierde lid toegevoegd dat luidt als volgt :
"In elk van die gevallen kan het centrum dat uitschrijft, weigeren om de betrokken jongere tijdens hetzelfde schooljaar herin te schrijven.".
"In elk van die gevallen kan het centrum dat uitschrijft, weigeren om de betrokken jongere tijdens hetzelfde schooljaar herin te schrijven.".
Art. III.54. Dans l'article 60 du même décret, il est inséré un alinéa 4 qui s'énonce comme suit :
" Dans chacun de ces cas, le centre qui désinscrit peut refuser de réinscrire le jeune concerné pendant la même année scolaire. ".
" Dans chacun de ces cas, le centre qui désinscrit peut refuser de réinscrire le jeune concerné pendant la même année scolaire. ".
Art. III.55. Artikel 61bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 9 juli 2010, wordt opgeheven.
Art. III.55. L'article 61bis du même décret, inséré par le décret du 9 juillet 2010, est abrogé.
Art. III.56. Aan het tweede lid van artikel 70 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 25 november 2011, wordt volgende zin toegevoegd :
"Een attest van verworven competenties wordt eveneens uitgereikt aan de jongeren met een verslag zoals bepaald in artikel 294 van de Codex Secundair Onderwijs, die een individueel aangepast curriculum volgen.".
"Een attest van verworven competenties wordt eveneens uitgereikt aan de jongeren met een verslag zoals bepaald in artikel 294 van de Codex Secundair Onderwijs, die een individueel aangepast curriculum volgen.".
Art. III.56. Le deuxième alinéa de l'article 70 du même décret, modifié par le décret du 25 novembre 2011, est complété par la phrase suivante :
" Une attestation de compétences acquises est également délivrée à des jeunes avec un rapport tel que visé à l'article 294 du Code de l'Enseignement, qui suivent un programme adapté individuellement. ".
" Une attestation de compétences acquises est également délivrée à des jeunes avec un rapport tel que visé à l'article 294 du Code de l'Enseignement, qui suivent un programme adapté individuellement. ".
Art. III.57. Aan het derde lid van artikel 71 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 25 november 2011, wordt volgende zin toegevoegd :
"Een attest van verworven competenties wordt eveneens uitgereikt aan de jongeren met een verslag zoals bepaald in artikel 294 van de Codex Secundair Onderwijs, die een individueel aangepast curriculum volgen.".
"Een attest van verworven competenties wordt eveneens uitgereikt aan de jongeren met een verslag zoals bepaald in artikel 294 van de Codex Secundair Onderwijs, die een individueel aangepast curriculum volgen.".
Art. III.57. L'alinéa 3 de l'article 71 du même décret, modifié par le décret du 25 novembre 2011, est complété par la phrase suivante :
" Une attestation de compétences acquises est également délivrée à des jeunes avec un rapport tel que visé à l'article 294 du Code de l'Enseignement, qui suivent un programme adapté individuellement. ".
" Une attestation de compétences acquises est également délivrée à des jeunes avec un rapport tel que visé à l'article 294 du Code de l'Enseignement, qui suivent un programme adapté individuellement. ".
Art. III.58. Artikel 77 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 77. Het begeleidingsteam kan gemotiveerde voorstellen doen voor het verdere verloop van de leertijd en de leerovereenkomst. Die voorstellen kunnen zijn : voortzetting, verlenging of opheffing van de erkenning van de leerovereenkomst.
Daarbij wordt rekening gehouden met de concrete gegevens uit het dossier van de jongere, inzonderheid met de resultaten die voortvloeien uit de evaluatie van de jongere. De evaluatie slaat op de theoretische vorming en de praktijkopleiding in de onderneming en gebeurt permanent om enerzijds de jongere te ondersteunen in zijn leerproces en anderzijds te beslissen of hij in voldoende mate de opleidingsdoelstellingen heeft bereikt. Het begeleidingsteam bepaalt de vorm waarin de jongere wordt geëvalueerd.".
"Art. 77. Het begeleidingsteam kan gemotiveerde voorstellen doen voor het verdere verloop van de leertijd en de leerovereenkomst. Die voorstellen kunnen zijn : voortzetting, verlenging of opheffing van de erkenning van de leerovereenkomst.
Daarbij wordt rekening gehouden met de concrete gegevens uit het dossier van de jongere, inzonderheid met de resultaten die voortvloeien uit de evaluatie van de jongere. De evaluatie slaat op de theoretische vorming en de praktijkopleiding in de onderneming en gebeurt permanent om enerzijds de jongere te ondersteunen in zijn leerproces en anderzijds te beslissen of hij in voldoende mate de opleidingsdoelstellingen heeft bereikt. Het begeleidingsteam bepaalt de vorm waarin de jongere wordt geëvalueerd.".
Art. III.58. L'article 77 du même décret est remplacé par ce qui suit :
" Art. 77. L'équipe d'accompagnement peut émettre des propositions motivées pour la suite de l'apprentissage et pour le contrat d'apprentissage. Ces propositions peuvent être : poursuite, prolongation ou suspension de la reconnaissance du contrat d'apprentissage.
Dans ce contexte, il est tenu compte des données concrètes du dossier du jeune, en particulier des résultats découlant de l'évaluation du jeune. L'évaluation concerne la formation théorique et la formation pratique en entreprise et se fait en permanence, d'une part, pour soutenir le jeune dans son processus d'apprentissage et, d'autre part, pour décider s'il a atteint de manière suffisante les objectifs de la formation. L'équipe d'accompagnement détermine le mode d'évaluation de la progression du jeune. ".
" Art. 77. L'équipe d'accompagnement peut émettre des propositions motivées pour la suite de l'apprentissage et pour le contrat d'apprentissage. Ces propositions peuvent être : poursuite, prolongation ou suspension de la reconnaissance du contrat d'apprentissage.
Dans ce contexte, il est tenu compte des données concrètes du dossier du jeune, en particulier des résultats découlant de l'évaluation du jeune. L'évaluation concerne la formation théorique et la formation pratique en entreprise et se fait en permanence, d'une part, pour soutenir le jeune dans son processus d'apprentissage et, d'autre part, pour décider s'il a atteint de manière suffisante les objectifs de la formation. L'équipe d'accompagnement détermine le mode d'évaluation de la progression du jeune. ".
Art. III.59. In artikel 86, § 1, van hetzelfde decreet wordt in punt 3° de zinsnede "uren in een voortraject, brugproject of arbeidsdeelname in het voorafgaande schooljaar" vervangen door de zinsnede "uren in het voorafgaande schooljaar in een voortraject, brugproject, arbeidsdeelname of een door de Vlaamse Regering bepaald project dat voorbereidt op arbeidsdeelname.".
Art. III.59. Dans l'article 86, § 1er, du même décret, le membre de phrase " d'heures effectivement prestées par des jeunes dans un parcours préalable, un projet-tremplin ou une participation au marché de l'emploi durant l'année scolaire précédente " est remplacé par le membre de phrase " d'heures effectivement prestées par des jeunes pendant l'année scolaire précédente dans un parcours préalable, un projet-tremplin, une participation au marché de l'emploi ou un projet fixé par le Gouvernement flamand qui prépare à la participation au marché du travail. ".
Art. III.60. In artikel 95 van hetzelfde decreet worden in § 1/1, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2012, de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden "uiterlijk 31 januari" worden telkens vervangen door de woorden "uiterlijk 30 juni";
2° een vierde lid wordt toegevoegd dat luidt als volgt :
"Voor de aanvragen vermeld in het eerste en tweede lid verloopt het beslissingsproces analoog aan dat voor de gevallen bedoeld in paragraaf 2.".
1° de woorden "uiterlijk 31 januari" worden telkens vervangen door de woorden "uiterlijk 30 juni";
2° een vierde lid wordt toegevoegd dat luidt als volgt :
"Voor de aanvragen vermeld in het eerste en tweede lid verloopt het beslissingsproces analoog aan dat voor de gevallen bedoeld in paragraaf 2.".
Art. III.60. Au paragraphe § 1er/1 de l'article 95 du même décret, inséré par le décret du 21 décembre 2012, sont apportées les modifications suivantes :
1° les mots " au plus tard le 31 janvier " sont chaque fois remplacés par les mots " au plus tard le 30 juin " ;
2° il est ajouté un alinéa 4, rédigé comme suit :
" Pour les demandes visées aux alinéas 1er et 2, le processus décisionnel se déroule par analogie aux cas visés au paragraphe 2. ".
1° les mots " au plus tard le 31 janvier " sont chaque fois remplacés par les mots " au plus tard le 30 juin " ;
2° il est ajouté un alinéa 4, rédigé comme suit :
" Pour les demandes visées aux alinéas 1er et 2, le processus décisionnel se déroule par analogie aux cas visés au paragraphe 2. ".
Art. III.61. In artikel 101 van hetzelfde decreet in de Vlaamse Gemeenschap, gewijzigd bij de decreten van 19 juli 2013 en 25 april 2014, wordt in het derde lid het woord "opleidingsvergoedingen" vervangen door de woorden "een vergoeding".
Art. III.61. Dans l'article 101 du même décret de la Communauté flamande, modifié par les décrets des 19 juillet 2013 et 25 avril 2014, les mots " d'indemnités de formation " dans l'alinéa 3 est remplacé par les mots " d'une indemnité ".
Art. III.62. Artikel 102 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 19 juli 2013 en 25 april 2014, wordt opgeheven.
Art. III.62. L'article 102 du même décret, modifié par les décrets des 19 juillet 2013 et 25 avril 2014, est abrogé.
Afdeling III. - Inwerkingtreding
Section III. - Entrée en vigueur
Art. III.63. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 september 2016.
Artikel III.3, III.4, III.5, III.21 hebben uitwerking met ingang van 1 september 2015.
Artikel III.48 heeft uitwerking met ingang van 19 december 2015.
Artikel III.29 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2016.
Artikel III.14 heeft uitwerking met ingang van 1 juli 2016.
Artikel III.24 treedt in werking op 1 september 2017.
Artikel III.3, III.4, III.5, III.21 hebben uitwerking met ingang van 1 september 2015.
Artikel III.48 heeft uitwerking met ingang van 19 december 2015.
Artikel III.29 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2016.
Artikel III.14 heeft uitwerking met ingang van 1 juli 2016.
Artikel III.24 treedt in werking op 1 september 2017.
Art. III.63. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er septembre 2016.
Les articles III.3, III.4, III.5, III.21 produisent leurs effets le 1er septembre 2015.
L'article III.48 produit ses effets le 19 décembre 2015.
L'article III.29 produit ses effets le 1er janvier 2016.
L'article III.14 produit ses effets le 1er juillet 2016.
L'article III.24 entre en vigueur le 1er septembre 2017.
Les articles III.3, III.4, III.5, III.21 produisent leurs effets le 1er septembre 2015.
L'article III.48 produit ses effets le 19 décembre 2015.
L'article III.29 produit ses effets le 1er janvier 2016.
L'article III.14 produit ses effets le 1er juillet 2016.
L'article III.24 entre en vigueur le 1er septembre 2017.
HOOFDSTUK IV. - Deeltijds kunstonderwijs
CHAPITRE IV. - Enseignement artistique à temps partiel
Art. IV.1. In artikel 100ter van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II, gewijzigd bij het decreet van 19 december 2014, worden in het eerste lid, 2°, de woorden "niet heeft bereikt" vervangen door de woorden "niet bereikt heeft op 31 december van het schooljaar in kwestie".
Art. IV.1. Dans l'article 100ter du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement-II, modifié par le décret du 19 décembre 2014, les mots " n'a pas atteint " sont remplacés par les mots " n'a pas atteint au 31 décembre de l'année scolaire en question ".
Art. IV.2. In artikel 100quater, eerste lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 25 april 2014, wordt het punt 5° opgeheven.
Art. IV.2. Dans l'article 100quater, alinéa 1er, du même décret, modifié par le décret du 25 avril 2014, le point 5° est abrogé.
Art. IV.3. In artikel 2, § 1, 7°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichting "Beeldende Kunst" worden de woorden "of die conform artikel 1, § 4ter, een aangepast curriculum volgt" vervangen door de woorden "of artikel 7, § 4quater, of die conform artikel 7, § 4ter, een individueel aangepast curriculum volgt".
Art. IV.3. A l'article 2, § 1er, 7°, de l'arrêté du Gouvernement du 31 juillet 1990 portant organisation de l'enseignement artistique à temps partiel, orientation " Arts plastiques ", les mots " ou qui, conformément à l'article 1er, § 4ter, suit un programme adapté individuellement " sont remplacés par les mots " ou de l'article 7, § 4quater ou qui, conformément à l'article 7, § 4ter, suit un programme adapté individuellement ".
Art. IV.4. § 1. In artikel 2, § 1, 8°, b), van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichtingen "Muziek", "Woordkunst" en "Dans" worden de woorden "of die conform artikel 26ter een aangepast curriculum volgt" vervangen door de woorden "of artikel 26quater, of die conform artikel 26ter een individueel aangepast curriculum volgt".
§ 2. In artikel 2, § 1, 11°, van hetzelfde besluit worden aan het vijfde lid van de opsomming de woorden "of artikel 26quater" toegevoegd.
§ 2. In artikel 2, § 1, 11°, van hetzelfde besluit worden aan het vijfde lid van de opsomming de woorden "of artikel 26quater" toegevoegd.
Art. IV.4. § 1er. A l'article 2, § 1er, 8°, b), de l'arrêté du Gouvernement du 31 juillet 1990 portant organisation de l'enseignement artistique à temps partiel, orientation " Musique ", " Arts de la Parole " et " Danse ", les mots " ou qui suit un programme adapté individuellement conformément à l'article 26ter " sont remplacés par les mots " ou de l'article 26quater ou qui suit un programme adapté individuellement conformément à l'article 26ter ".
§ 2. A l'article 2, § 1er, 11°, du même arrêté, les mots " ou de l'article 26quater " sont ajoutés à l'alinéa 5 de l'énumération.
§ 2. A l'article 2, § 1er, 11°, du même arrêté, les mots " ou de l'article 26quater " sont ajoutés à l'alinéa 5 de l'énumération.
Art. IV.5. In artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichting ``Beeldende kunst'', gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 10 juli 1991, 14 december 2001, 30 oktober 2009 en 3 oktober 2014 en gewijzigd bij het decreet van 19 juni 2015 worden in de paragrafen § 4ter en § 4quater de woorden "die ingeschreven is in het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap" telkens vervangen door de woorden "die erkend is als persoon met een handicap krachtens een Belgische of buitenlandse wetgeving".
Art. IV.5. Dans les paragraphes § 4ter et § 4quater de l'article 7 de l'arrêté du Gouvernement du 31 juillet 1990 portant organisation de l'enseignement artistique à temps partiel, orientation " Arts plastiques ", modifié par les arrêtés du Gouvernement du 10 juillet 1991, 14 décembre 2001, 30 octobre 2009 et 3 octobre 2014 et modifié par le décret du 19 juin 2015, les mots " qui est inscrit à la " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " " sont chaque fois remplacés par les mots " qui est reconnu comme une personne handicapée en vertu d'une législation belge ou étrangère ".
Art. IV.6. In artikel 26ter van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichtingen ``Muziek'', "Woordkunst" en ``Dans'', ingevoegd bij besluit van de Vlaamse Regering van 3 oktober 2014, worden de woorden "die ingeschreven is in het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap" vervangen door de woorden "die erkend is als persoon met een handicap krachtens een Vlaamse, een andere Belgische of buitenlandse wetgeving".
Art. IV.6. Dans l'article 26ter de l'arrêté du Gouvernement du 31 juillet 1990 portant organisation de l'enseignement artistique à temps partiel, orientation " Musique ", " Arts de la Parole " et " Danse ", inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 octobre 2014, les mots " qui est inscrit à l'Agence flamande pour les Personnes handicapées " sont chaque fois remplacés par les mots " qui est reconnu comme une personne handicapée en vertu d'une législation flamande, d'une autre législation belge ou étrangère ".
Art. IV.7. In artikel 26quater van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het decreet van 19 juni 2015, worden de woorden "die ingeschreven is in het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap" vervangen door de woorden "die erkend is als persoon met een handicap krachtens een Vlaamse, een andere Belgische of een buitenlandse wetgeving".
Art. IV.7. Dans l'article 26quater du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juin 2015, les mots " qui est inscrit à l'Agence flamande pour les Personnes handicapées " sont chaque fois remplacés par les mots " qui est reconnu comme une personne handicapée en vertu d'une législation flamande, d'une autre législation belge ou étrangère ".
Art. IV.8. De Vlaamse Regering wordt gemachtigd om wijzigingen in de volgende artikels van besluiten van de Vlaamse Regering uit te voeren via een besluit van de Vlaamse Regering :
- artikel 34 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 oktober 2014 tot wijziging van diverse besluiten betreffende het deeltijds kunstonderwijs met het oog op een aantal maatregelen voor de inhoudelijke vernieuwing;
- artikel 2, § 1, 7°, en artikel 7, van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichting "Beeldende kunst";
- artikel 2, § 1, 8°, b), artikel 2, § 1, 11°, [1 en artikel 26ter]1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichtingen "Muziek", "Woordkunst" en "Dans".
- artikel 34 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 oktober 2014 tot wijziging van diverse besluiten betreffende het deeltijds kunstonderwijs met het oog op een aantal maatregelen voor de inhoudelijke vernieuwing;
- artikel 2, § 1, 7°, en artikel 7, van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichting "Beeldende kunst";
- artikel 2, § 1, 8°, b), artikel 2, § 1, 11°, [1 en artikel 26ter]1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichtingen "Muziek", "Woordkunst" en "Dans".
Modifications
Art. IV.8. Le Gouvernement flamand est autorisé à modifier les articles suivants des arrêtés du Gouvernement flamand par arrêté du Gouvernement flamand :
- l'article 34 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 octobre 2014 modifiant divers arrêtés relatifs à l'enseignement artistique à temps partiel en vue d'un certain nombre de mesures pour l'innovation au niveau du contenu ;
- l'article 2, § 1er, 7° et l'article 7 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 juillet 1990 portant organisation de l'enseignement artistique à temps partiel, orientation " Arts plastiques " ;
- l'article 2, § 1er, 8°, b), l'article 2, § 1er, 11°, [1 et l'article 26ter]1, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 juillet 1990 portant organisation de l'enseignement artistique à temps partiel, orientation " Musique ", " Arts de la Parole " et " Danse ".
- l'article 34 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 octobre 2014 modifiant divers arrêtés relatifs à l'enseignement artistique à temps partiel en vue d'un certain nombre de mesures pour l'innovation au niveau du contenu ;
- l'article 2, § 1er, 7° et l'article 7 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 juillet 1990 portant organisation de l'enseignement artistique à temps partiel, orientation " Arts plastiques " ;
- l'article 2, § 1er, 8°, b), l'article 2, § 1er, 11°, [1 et l'article 26ter]1, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 juillet 1990 portant organisation de l'enseignement artistique à temps partiel, orientation " Musique ", " Arts de la Parole " et " Danse ".
Modifications
Art. IV.9. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 september 2016.
Artikel IV.3 en IV.4 hebben uitwerking met ingang van 1 september 2015.
Artikel IV.3 en IV.4 hebben uitwerking met ingang van 1 september 2015.
Art. IV.9. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er septembre 2016.
Les articles IV.3 et IV.4 produisent leurs effets le 1er septembre 2015.
Les articles IV.3 et IV.4 produisent leurs effets le 1er septembre 2015.
HOOFDSTUK V. - Volwassenenonderwijs
CHAPITRE V. - Education des Adultes
Art. V.1. In artikel 7 van het decreet betreffende het volwassenenonderwijs van 15 juni 2007 wordt een punt 2° bis ingevoegd dat luidt als volgt :
"2° bis bibliotheek-, archief- en documentatiekunde;".
"2° bis bibliotheek-, archief- en documentatiekunde;".
Art. V.1. Dans l'article 7 du même décret relatif à l'éducation des adultes du 15 juin 2007, il est inséré un point 2° bis, rédigé comme suit :
" 2° bis bibliotheek-, archief- en documentatiekunde (bibliothèques, archives et documentation) ; ".
" 2° bis bibliotheek-, archief- en documentatiekunde (bibliothèques, archives et documentation) ; ".
Art. V.2. In artikel 46 van hetzelfde decreet wordt punt 3° vervangen door wat volgt :
"3° driejaarlijks een beleidsplan wordt opgesteld, waarin de uitvoering van de opdrachten, vermeld in artikel 45, verduidelijkt worden;".
"3° driejaarlijks een beleidsplan wordt opgesteld, waarin de uitvoering van de opdrachten, vermeld in artikel 45, verduidelijkt worden;".
Art. V.2. A l'article 46 du même décret, le point 3° est remplacé par la disposition suivante :
" 3° un plan de gestion est dressé tous les trois ans aux fins de préciser l'exécution des missions visées à l'article 45 ; ".
" 3° un plan de gestion est dressé tous les trois ans aux fins de préciser l'exécution des missions visées à l'article 45 ; ".
Art. V.3. In artikel 47 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 1 juni 2012, 21 december 2012 en 19 december 2014, wordt paragraaf 2 opgeheven.
Art. V.3. A l'article 47 du même décret, modifié par les décrets des 1er juin 2012, 21 décembre 2012 et 19 décembre 2014, le paragraphe 2 est abrogé.
Art. V.4. Artikel 50 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 19 juni 2015, wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 50. De middelen, vermeld in artikel 49, kunnen enkel aangewend worden, als het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs enerzijds en de pedagogische begeleidingsdiensten anderzijds driejaarlijks een protocol tot samenwerking over de aanwending van de middelen en de uitvoering van de opdrachten afsluiten en dit protocol meedelen aan de centra en aan de Vlaamse Regering.".
"Art. 50. De middelen, vermeld in artikel 49, kunnen enkel aangewend worden, als het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs enerzijds en de pedagogische begeleidingsdiensten anderzijds driejaarlijks een protocol tot samenwerking over de aanwending van de middelen en de uitvoering van de opdrachten afsluiten en dit protocol meedelen aan de centra en aan de Vlaamse Regering.".
Art. V.4. L'article 50 du même décret, modifié par le décret du 19 juin 2015, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 50. Les moyens visés à l'article 49 ne peuvent être affectées que si le Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs, d'une part, et les services d'encadrement pédagogique, d'autre part, concluent tous les trois ans un protocole de coopération sur l'affectation des moyens et l'exécution des missions et communiquent ce protocole aux centres et au Gouvernement flamand. ".
" Art. 50. Les moyens visés à l'article 49 ne peuvent être affectées que si le Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs, d'une part, et les services d'encadrement pédagogique, d'autre part, concluent tous les trois ans un protocole de coopération sur l'affectation des moyens et l'exécution des missions et communiquent ce protocole aux centres et au Gouvernement flamand. ".
Art. V.5. In hetzelfde decreet wordt een artikel 56bis ingevoegd dat luidt als volgt :
"Art. 56bis. Erkenning is de toekenning van de bevoegdheid aan het centrumbestuur om aan cursisten de van rechtswege geldende studiebewijzen toe te kennen.
Erkenning is noodzakelijk om in aanmerking te kunnen komen voor subsidiëring of financiering. Uitsluitend de erkende centra die subsidiëring of financiering wensen, moeten voldoen aan de bepalingen van titel V. Opleidingen van erkende Centra voor Volwassenenonderwijs komen enkel in aanmerking voor subsidiëring of financiering indien de onderwijsbevoegdheid is toegekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 64.".
"Art. 56bis. Erkenning is de toekenning van de bevoegdheid aan het centrumbestuur om aan cursisten de van rechtswege geldende studiebewijzen toe te kennen.
Erkenning is noodzakelijk om in aanmerking te kunnen komen voor subsidiëring of financiering. Uitsluitend de erkende centra die subsidiëring of financiering wensen, moeten voldoen aan de bepalingen van titel V. Opleidingen van erkende Centra voor Volwassenenonderwijs komen enkel in aanmerking voor subsidiëring of financiering indien de onderwijsbevoegdheid is toegekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 64.".
Art. V.5. Dans le même décret, il est inséré un article 56bis, rédigé comme suit :
" Art. 56bis. L'agrément est l'octroi à l'autorité du centre du pouvoir de délivrer aux apprenants des titres valables de plein droit.
L'agrément est nécessaire pour être admissible au financement ou aux subventions. Seuls les centres agréés désireux de bénéficier de subventions ou d'un financement doivent répondre aux dispositions du titre V. Formations de centres d'éducation des adultes agréés et sont uniquement admissibles aux subventions ou au financement si la compétence d'enseignement est accordée conformément aux dispositions de l'article 64. ".
" Art. 56bis. L'agrément est l'octroi à l'autorité du centre du pouvoir de délivrer aux apprenants des titres valables de plein droit.
L'agrément est nécessaire pour être admissible au financement ou aux subventions. Seuls les centres agréés désireux de bénéficier de subventions ou d'un financement doivent répondre aux dispositions du titre V. Formations de centres d'éducation des adultes agréés et sont uniquement admissibles aux subventions ou au financement si la compétence d'enseignement est accordée conformément aux dispositions de l'article 64. ".
Art. V.6. In artikel 98, § 1, 6°, van hetzelfde decreet worden tussen het woord "studiegebieden" en het woord "lederbewerking" de woorden "bibliotheek-, archief- en documentatiekunde" ingevoegd.
Art. V.6. Dans l'article 98, § 1er, 6°, du même décret, les mots " bibliotheek-, archief- en documentatiekunde (bibliothèques, archives et documentation) " sont insérés entre les mots " pour les disciplines " et les mots " lederbewerking (maroquinerie), ".
Art. V.7. In artikel 105, § 5, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 4 juli 2008, 1 juli 2011, 29 juni 2012 en 19 juli 2013, wordt het laatste lid vervangen door wat volgt :
"Als het centrumbestuur na de voormelde verplichting nog punten over heeft, dan kan het die punten aanwenden :
- voor de oprichting van betrekkingen in de ambten, vermeld in § 3, eerste lid, rekening houdende met de criteria waarover wordt onderhandeld in het lokale comité;
- voor de tijdelijke verhoging van de puntenwaarde van een betrekking in een ambt, vermeld in paragraaf 3, waarvan de titularis een dienstonderbreking heeft, zodat aan de vervanger een hogere salarisschaal kan worden toegekend. Als een titularis van een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel bij een dienstonderbreking niet of gedeeltelijk wordt vervangen, kan het centrumbestuur ook de puntenwaarde van de niet-ingevulde opdracht van de titularis gebruiken om aan een vervanger in een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel een hogere salarisschaal toe te kennen.".
"Als het centrumbestuur na de voormelde verplichting nog punten over heeft, dan kan het die punten aanwenden :
- voor de oprichting van betrekkingen in de ambten, vermeld in § 3, eerste lid, rekening houdende met de criteria waarover wordt onderhandeld in het lokale comité;
- voor de tijdelijke verhoging van de puntenwaarde van een betrekking in een ambt, vermeld in paragraaf 3, waarvan de titularis een dienstonderbreking heeft, zodat aan de vervanger een hogere salarisschaal kan worden toegekend. Als een titularis van een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel bij een dienstonderbreking niet of gedeeltelijk wordt vervangen, kan het centrumbestuur ook de puntenwaarde van de niet-ingevulde opdracht van de titularis gebruiken om aan een vervanger in een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel een hogere salarisschaal toe te kennen.".
Art. V.7. Dans l'article 105, § 5, du même décret, modifié par les décrets des 4 juillet 2008, 1er juillet 2011, 29 juin 2012 et 19 juillet 2013, le dernier alinéa est remplacé par ce qui suit :
Si, après l'obligation susmentionnée, il lui reste encore des points, l'autorité du centre peut utiliser ceux-ci :
- pour la création d'emplois dans les fonctions visées au § 3, alinéa 1er, tout en tenant compte des critères négociés au sein du comité local ;
- pour l'augmentation temporaire de la pondération d'un emploi dans une fonction, visée au paragraphe 3, dont le titulaire est en interruption de service, de manière à ce qu'une échelle de traitement supérieure puisse être attribuée au remplaçant. Si un titulaire d'un emploi dans une fonction du personnel d'appui n'est pas ou n'est que partiellement remplacé s'il interrompt son service, l'autorité du centre peut utiliser la pondération de la charge non remplie du titulaire pour l'attribution d'une échelle de traitement supérieure à un remplaçant dans un emploi dans une fonction du personnel d'appui. ".
Si, après l'obligation susmentionnée, il lui reste encore des points, l'autorité du centre peut utiliser ceux-ci :
- pour la création d'emplois dans les fonctions visées au § 3, alinéa 1er, tout en tenant compte des critères négociés au sein du comité local ;
- pour l'augmentation temporaire de la pondération d'un emploi dans une fonction, visée au paragraphe 3, dont le titulaire est en interruption de service, de manière à ce qu'une échelle de traitement supérieure puisse être attribuée au remplaçant. Si un titulaire d'un emploi dans une fonction du personnel d'appui n'est pas ou n'est que partiellement remplacé s'il interrompt son service, l'autorité du centre peut utiliser la pondération de la charge non remplie du titulaire pour l'attribution d'une échelle de traitement supérieure à un remplaçant dans un emploi dans une fonction du personnel d'appui. ".
Art. V.8. In artikel 126 van hetzelfde decreet worden de woorden "van deze afdeling" vervangen door de woorden "van artikel 120 tot en met 126".
Art. V.8. Dans l'article 126 du même arrêté, les mots " de cette section " sont remplacés par les mots " des articles 120 à 126 inclus ".
Art. V.9. Aan titel V, afdeling III, van hetzelfde decreet wordt een artikel 126bis toegevoegd dat luidt als volgt :
"Art. 126bis. Voor een cursistenstage wordt een overeenkomst afgesloten tussen de onderwijsinstelling, de stagegever en de cursist-stagiair. Een cursistenstage is een vorm van opleiding buiten een lesplaats van een centrum, in een reële arbeidsomgeving bij een werkgever, onder gelijkaardige omstandigheden als reguliere werknemers van die werkgever waarbij effectieve arbeid wordt verricht met de bedoeling beroepservaring op te doen.
Indien de cursist-stagiair bij de uitvoering van zijn stage de stagegever of derden schade berokkent, is hij, met behoud van toepassing van artikel 1384, derde tot en met het vijfde lid van het Burgerlijk Wetboek, enkel aansprakelijk voor zijn bedrog en zijn zware schuld. Voor lichte schuld is de cursist-stagiair enkel aansprakelijk als die bij hem eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt.
De aansprakelijkheid van de vader en de moeder in de zin van artikel 1384, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek geldt enkel wanneer een minderjarige cursist-stagiair overeenkomstig de hier voormelde gevallen persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld.
De stagegever is een aansteller in de zin van artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek.
Alle met de bepalingen van dit artikel strijdige bedingen zijn nietig.".
"Art. 126bis. Voor een cursistenstage wordt een overeenkomst afgesloten tussen de onderwijsinstelling, de stagegever en de cursist-stagiair. Een cursistenstage is een vorm van opleiding buiten een lesplaats van een centrum, in een reële arbeidsomgeving bij een werkgever, onder gelijkaardige omstandigheden als reguliere werknemers van die werkgever waarbij effectieve arbeid wordt verricht met de bedoeling beroepservaring op te doen.
Indien de cursist-stagiair bij de uitvoering van zijn stage de stagegever of derden schade berokkent, is hij, met behoud van toepassing van artikel 1384, derde tot en met het vijfde lid van het Burgerlijk Wetboek, enkel aansprakelijk voor zijn bedrog en zijn zware schuld. Voor lichte schuld is de cursist-stagiair enkel aansprakelijk als die bij hem eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt.
De aansprakelijkheid van de vader en de moeder in de zin van artikel 1384, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek geldt enkel wanneer een minderjarige cursist-stagiair overeenkomstig de hier voormelde gevallen persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld.
De stagegever is een aansteller in de zin van artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek.
Alle met de bepalingen van dit artikel strijdige bedingen zijn nietig.".
Art. V.9. Au Titre V, section III, du même décret, il est ajouté un article 126bis ainsi rédigé :
" Art. 126bis. Pour un stage pour apprenants, un accord est conclu entre l'établissement d'enseignement, le donneur de stage et l'apprenant-stagiaire. Un stage pour apprenants est une forme de formation en dehors du lieu de cours d'un centre, dans un environnement professionnel réel auprès d'un employeur, dans des conditions similaires à celles des travailleurs réguliers de cet employeur où un travail effectif est effectué dans le but d'acquérir une expérience professionnelle.
Si, lors de l'exécution de son stage, l'apprenant-stagiaire cause des dommages au donneur de stage ou à des tiers, il n'est, sans préjudice de l'application de l'article 1384, alinéas 3 à 5 inclus du Code civil, responsable qu'en cas de fraude et de faute grave. En cas de faute légère, l'apprenant-stagiaire n'est responsable que si celle-ci revêt un caractère habituel plutôt qu'occasionnel.
La responsabilité du père et de la mère au sens de l'article 1384, alinéa 2, du Code civil s'applique uniquement lorsque l'apprenant-stagiaire mineur peut être tenu personnellement responsable conformément aux cas précités.
Le donneur de stage est un commettant au sens de l'article 1384, alinéa 3, du Code civil.
Toutes les stipulations contraires aux dispositions du présent article sont nulles. ".
" Art. 126bis. Pour un stage pour apprenants, un accord est conclu entre l'établissement d'enseignement, le donneur de stage et l'apprenant-stagiaire. Un stage pour apprenants est une forme de formation en dehors du lieu de cours d'un centre, dans un environnement professionnel réel auprès d'un employeur, dans des conditions similaires à celles des travailleurs réguliers de cet employeur où un travail effectif est effectué dans le but d'acquérir une expérience professionnelle.
Si, lors de l'exécution de son stage, l'apprenant-stagiaire cause des dommages au donneur de stage ou à des tiers, il n'est, sans préjudice de l'application de l'article 1384, alinéas 3 à 5 inclus du Code civil, responsable qu'en cas de fraude et de faute grave. En cas de faute légère, l'apprenant-stagiaire n'est responsable que si celle-ci revêt un caractère habituel plutôt qu'occasionnel.
La responsabilité du père et de la mère au sens de l'article 1384, alinéa 2, du Code civil s'applique uniquement lorsque l'apprenant-stagiaire mineur peut être tenu personnellement responsable conformément aux cas précités.
Le donneur de stage est un commettant au sens de l'article 1384, alinéa 3, du Code civil.
Toutes les stipulations contraires aux dispositions du présent article sont nulles. ".
Art. V.10. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 september 2016.
Artikel V.2, V.3 en V.4 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2015.
Artikel V.7 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2015.
Artikel V.2, V.3 en V.4 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2015.
Artikel V.7 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2015.
Art. V.10. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er septembre 2016.
Les articles V.2, V.3 et V.4 produisent leurs effets le 1er janvier 2015.
L'article V.7 produit ses effets le 1er septembre 2015.
Les articles V.2, V.3 et V.4 produisent leurs effets le 1er janvier 2015.
L'article V.7 produit ses effets le 1er septembre 2015.
HOOFDSTUK VI. - Secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs
CHAPITRE VI. L'enseignement secondaire après secondaire et l'enseignement supérieur professionnel hbo5
Art. VI.1. In artikel 3 van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs, gewijzigd bij de decreten van 1 juli 2011 en 12 juli 2013, wordt het punt 19° opgeheven.
Art. VI.1. Dans l'article 3 du décret du 30 avril 2009 relatif à l'enseignement secondaire après secondaire et l'enseignement supérieur professionnel hbo5, modifié par les décrets des 1er juillet 2011 et 12 juillet 2013, le point 19° est supprimé.
Art. VI.2. In artikel 164, § 2, 1°, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 12 juli 2013, worden de woorden "de stuurgroep en" geschrapt.
Art. VI.2. Dans l'article 164, § 2, 1° du même décret, modifié par le décret du 12 juillet 2013, les mots " au comité directeur et " sont supprimés.
Art. VI.3. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 september 2016.
Art. VI.3. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er septembre 2016.
HOOFDSTUK VII. - Hoger onderwijs
CHAPITRE VII. - Enseignement supérieur
Afdeling I. - Codex Hoger Onderwijs
Section Ire. - Code de l'Enseignement supérieur
Art. VII.1. In artikel II.75 van de Codex Hoger Onderwijs worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° aan paragraaf 1 worden een tweede, derde en vierde lid toegevoegd, die luiden als volgt :
"De personen die in het bezit zijn van een diploma van een Nederlandse bachelor- of masteropleiding dat overeenkomstig het Protocol tot wijziging van het Verdrag tussen de Vlaamse Gemeenschap van België en het Koninkrijk der Nederlanden inzake de accreditatie van opleidingen binnen het Nederlandse en het Vlaamse hoger onderwijs, ondertekend te Den Haag op 12 december 2012 en te Brussel op 16 januari 2013, goedgekeurd bij decreet van 29 november 2013, gelijk werd gesteld met de overeenkomstige Vlaamse bachelor- of masteropleiding, zijn gerechtigd tot het voeren van de overeenkomstige titel van bachelor of master met of zonder de in Nederland wettige specificatie.
De personen die in het bezit zijn van een buitenlands diploma van hoger onderwijs dat in toepassing van artikel II.255, § 1, bij besluit van de Vlaamse Regering als gelijkwaardig werd erkend met de graad van bachelor, master of doctor, zijn gerechtigd tot het voeren van de overeenkomstige titel van bachelor, master of doctor met of zonder de in het land van oorsprong wettige specificatie.
De personen die in het bezit zijn van een buitenlandse diploma van hoger onderwijs dat in toepassing van artikel II.255, § 2, als gelijkwaardig werd erkend met de graad van bachelor of master, zijn gerechtigd tot het voeren van de overeenkomstige titel van bachelor of master met of zonder de in het land van oorsprong wettige specificatie.";
2° aan paragraaf 2 worden een punt 3°, een punt 4° en een punt 5° toegevoegd die luiden als volgt :
"3° de personen die in het bezit zijn van een diploma van een Nederlandse masteropleiding dat overeenkomstig het Protocol tot Wijziging van het Verdrag tussen de Vlaamse Gemeenschap van België en het Koninkrijk der Nederlanden inzake de accreditatie van opleidingen binnen het Nederlandse en het Vlaamse hoger onderwijs, ondertekend te Den Haag op 12 december 2012 en te Brussel op 16 januari 2013, goedgekeurd bij decreet van 29 november 2013, gelijk werd gesteld met de overeenkomstige Vlaamse masteropleiding;
4° de personen die in het bezit zijn van een buitenlands diploma van een masteropleiding onderwijs dat in toepassing van artikel II.255, § 1, bij besluit van de Vlaamse Regering als gelijkwaardig werd erkend met de graad van master;
5° de personen die in het bezit zijn van een buitenlandse diploma van een masteropleiding dat in toepassing van artikel II. 255, § 2, als gelijkwaardig werd erkend met de graad van master.";
3° er wordt een paragraaf 11 toegevoegd die luidt als volgt :
" § 11. De personen die in het bezit zijn van een diploma van een Nederlandse masteropleiding dat overeenkomstig het Protocol tot wijziging van het Verdrag tussen de Vlaamse Gemeenschap van België en het Koninkrijk der Nederlanden inzake de accreditatie van opleidingen binnen het Nederlandse en het Vlaamse hoger onderwijs, ondertekend te Den Haag op 12 december 2012 en te Brussel op 16 januari 2013, goedgekeurd bij decreet van 29 november 2013, gelijk werd gesteld met de overeenkomstige Vlaamse masteropleiding, en die in Nederland er toe gerechtigd zijn de afkorting `ing' of `ir' vóór of na hun naam te plaatsen, zijn er toe gerechtigd deze afkorting ook in Vlaanderen te gebruiken.".
1° aan paragraaf 1 worden een tweede, derde en vierde lid toegevoegd, die luiden als volgt :
"De personen die in het bezit zijn van een diploma van een Nederlandse bachelor- of masteropleiding dat overeenkomstig het Protocol tot wijziging van het Verdrag tussen de Vlaamse Gemeenschap van België en het Koninkrijk der Nederlanden inzake de accreditatie van opleidingen binnen het Nederlandse en het Vlaamse hoger onderwijs, ondertekend te Den Haag op 12 december 2012 en te Brussel op 16 januari 2013, goedgekeurd bij decreet van 29 november 2013, gelijk werd gesteld met de overeenkomstige Vlaamse bachelor- of masteropleiding, zijn gerechtigd tot het voeren van de overeenkomstige titel van bachelor of master met of zonder de in Nederland wettige specificatie.
De personen die in het bezit zijn van een buitenlands diploma van hoger onderwijs dat in toepassing van artikel II.255, § 1, bij besluit van de Vlaamse Regering als gelijkwaardig werd erkend met de graad van bachelor, master of doctor, zijn gerechtigd tot het voeren van de overeenkomstige titel van bachelor, master of doctor met of zonder de in het land van oorsprong wettige specificatie.
De personen die in het bezit zijn van een buitenlandse diploma van hoger onderwijs dat in toepassing van artikel II.255, § 2, als gelijkwaardig werd erkend met de graad van bachelor of master, zijn gerechtigd tot het voeren van de overeenkomstige titel van bachelor of master met of zonder de in het land van oorsprong wettige specificatie.";
2° aan paragraaf 2 worden een punt 3°, een punt 4° en een punt 5° toegevoegd die luiden als volgt :
"3° de personen die in het bezit zijn van een diploma van een Nederlandse masteropleiding dat overeenkomstig het Protocol tot Wijziging van het Verdrag tussen de Vlaamse Gemeenschap van België en het Koninkrijk der Nederlanden inzake de accreditatie van opleidingen binnen het Nederlandse en het Vlaamse hoger onderwijs, ondertekend te Den Haag op 12 december 2012 en te Brussel op 16 januari 2013, goedgekeurd bij decreet van 29 november 2013, gelijk werd gesteld met de overeenkomstige Vlaamse masteropleiding;
4° de personen die in het bezit zijn van een buitenlands diploma van een masteropleiding onderwijs dat in toepassing van artikel II.255, § 1, bij besluit van de Vlaamse Regering als gelijkwaardig werd erkend met de graad van master;
5° de personen die in het bezit zijn van een buitenlandse diploma van een masteropleiding dat in toepassing van artikel II. 255, § 2, als gelijkwaardig werd erkend met de graad van master.";
3° er wordt een paragraaf 11 toegevoegd die luidt als volgt :
" § 11. De personen die in het bezit zijn van een diploma van een Nederlandse masteropleiding dat overeenkomstig het Protocol tot wijziging van het Verdrag tussen de Vlaamse Gemeenschap van België en het Koninkrijk der Nederlanden inzake de accreditatie van opleidingen binnen het Nederlandse en het Vlaamse hoger onderwijs, ondertekend te Den Haag op 12 december 2012 en te Brussel op 16 januari 2013, goedgekeurd bij decreet van 29 november 2013, gelijk werd gesteld met de overeenkomstige Vlaamse masteropleiding, en die in Nederland er toe gerechtigd zijn de afkorting `ing' of `ir' vóór of na hun naam te plaatsen, zijn er toe gerechtigd deze afkorting ook in Vlaanderen te gebruiken.".
Art. VII.1. A l'article II.75 du Code de l'Enseignement supérieur sont apportées les modifications suivantes :
1° au paragraphe 1er, il est ajouté des alinéas 2, 3 et 4, rédigés comme suit :
" Les personnes en possession d'un diplôme d'une formation néerlandaise de bachelor ou de master qui, conformément au Protocole portant modification de la convention entre le Royaume des Pays-Bas et la Communauté flamande de Belgique concernant l'accréditation de formations au sein de l'enseignement supérieur néerlandais et flamand du 3 septembre 2003, signé à La Haye le 12 décembre 2012 et à Bruxelles le 16 janvier 2013, approuvé par décret du 29 novembre 2013, a été assimilée à une formation flamande de bachelor ou de master, sont autorisées à porter le titre correspondant de bachelor ou de master avec ou sans la spécification légale aux Pays-Bas.
Les personnes en possession d'un diplôme étranger de l'enseignement supérieur qui, en application de l'article II.255, § 1er, a été assimilé par arrêté du Gouvernement flamand au grade de bachelor, de master ou de docteur, sont autorisées à porter le titre correspondant de bachelor, de master ou de docteur avec ou sans la spécification légale dans le pays d'origine.
Les personnes en possession d'un diplôme étranger de l'enseignement supérieur qui, en application de l'article II.255, § 2, a été assimilé au grade de bachelor ou de master, sont autorisées à porter le titre correspondant de bachelor ou de master avec ou sans la spécification légale dans le pays d'origine. " ;
2° le paragraphe 2 est complété par des points 3°, 4° et 5° ainsi rédigés :
" 3° les personnes en possession d'un diplôme d'une formation néerlandaise de master qui, conformément au Protocole portant modification de la convention entre le Royaume des Pays-Bas et la Communauté flamande de Belgique concernant l'accréditation de formations au sein de l'enseignement supérieur néerlandais et flamand du 3 septembre 2003, signé à La Haye le 12 décembre 2012 et à Bruxelles le 16 janvier 2013, approuvé par décret du 29 novembre 2013, a été assimilée à la formation flamande correspondante de master ;
4° les personnes en possession d'un diplôme étranger d'une formation de master " enseignement " qui, en application de l'article II.255, § 1er, a été assimilé par arrêté du Gouvernement flamand au grade de master ;
5° les personnes en possession d'un diplôme étranger d'une formation de master qui, en application de l'article II.255, § 2, a été assimilé au grade de master. " ;
3° il est ajouté un paragraphe 11 qui s'énonce comme suit :
" § 11. Les personnes en possession d'un diplôme d'une formation néerlandaise de master qui, conformément au Protocole portant modification de la convention entre le Royaume des Pays-Bas et la Communauté flamande de Belgique concernant l'accréditation de formations au sein de l'enseignement supérieur néerlandais et flamand du 3 septembre 2003, signé à La Haye le 12 décembre 2012 et à Bruxelles le 16 janvier 2013, approuvé par décret du 29 novembre 2013, a été assimilée à la formation flamande correspondante de master, et qui aux Pays-Bas sont autorisées à placer l'abréviation " ing " ou " ir " avant ou après leur nom, sont également autorisées à utiliser cette abréviation en Flandre. ".
1° au paragraphe 1er, il est ajouté des alinéas 2, 3 et 4, rédigés comme suit :
" Les personnes en possession d'un diplôme d'une formation néerlandaise de bachelor ou de master qui, conformément au Protocole portant modification de la convention entre le Royaume des Pays-Bas et la Communauté flamande de Belgique concernant l'accréditation de formations au sein de l'enseignement supérieur néerlandais et flamand du 3 septembre 2003, signé à La Haye le 12 décembre 2012 et à Bruxelles le 16 janvier 2013, approuvé par décret du 29 novembre 2013, a été assimilée à une formation flamande de bachelor ou de master, sont autorisées à porter le titre correspondant de bachelor ou de master avec ou sans la spécification légale aux Pays-Bas.
Les personnes en possession d'un diplôme étranger de l'enseignement supérieur qui, en application de l'article II.255, § 1er, a été assimilé par arrêté du Gouvernement flamand au grade de bachelor, de master ou de docteur, sont autorisées à porter le titre correspondant de bachelor, de master ou de docteur avec ou sans la spécification légale dans le pays d'origine.
Les personnes en possession d'un diplôme étranger de l'enseignement supérieur qui, en application de l'article II.255, § 2, a été assimilé au grade de bachelor ou de master, sont autorisées à porter le titre correspondant de bachelor ou de master avec ou sans la spécification légale dans le pays d'origine. " ;
2° le paragraphe 2 est complété par des points 3°, 4° et 5° ainsi rédigés :
" 3° les personnes en possession d'un diplôme d'une formation néerlandaise de master qui, conformément au Protocole portant modification de la convention entre le Royaume des Pays-Bas et la Communauté flamande de Belgique concernant l'accréditation de formations au sein de l'enseignement supérieur néerlandais et flamand du 3 septembre 2003, signé à La Haye le 12 décembre 2012 et à Bruxelles le 16 janvier 2013, approuvé par décret du 29 novembre 2013, a été assimilée à la formation flamande correspondante de master ;
4° les personnes en possession d'un diplôme étranger d'une formation de master " enseignement " qui, en application de l'article II.255, § 1er, a été assimilé par arrêté du Gouvernement flamand au grade de master ;
5° les personnes en possession d'un diplôme étranger d'une formation de master qui, en application de l'article II.255, § 2, a été assimilé au grade de master. " ;
3° il est ajouté un paragraphe 11 qui s'énonce comme suit :
" § 11. Les personnes en possession d'un diplôme d'une formation néerlandaise de master qui, conformément au Protocole portant modification de la convention entre le Royaume des Pays-Bas et la Communauté flamande de Belgique concernant l'accréditation de formations au sein de l'enseignement supérieur néerlandais et flamand du 3 septembre 2003, signé à La Haye le 12 décembre 2012 et à Bruxelles le 16 janvier 2013, approuvé par décret du 29 novembre 2013, a été assimilée à la formation flamande correspondante de master, et qui aux Pays-Bas sont autorisées à placer l'abréviation " ing " ou " ir " avant ou après leur nom, sont également autorisées à utiliser cette abréviation en Flandre. ".
Art.VII.2. In artikel II.110 van dezelfde codex wordt de paragraaf 5, gewijzigd bij het decreet van 19 juni 2015, vervangen door wat volgt :
" § 5. Een student die reeds beschikt over één van volgende diploma's of diplomacombinaties kan, in afwijking van paragraaf 3 en paragraaf 4, een diploma van de geïntegreerde lerarenopleiding secundair onderwijs behalen met slechts één onderwijsvak :
1° een diploma van bachelor in het onderwijs : kleuteronderwijs, lager onderwijs of secundair onderwijs;
2° een diploma van de specifieke lerarenopleiding in combinatie met een bachelor- of masterdiploma;
3° een diploma van een Academische Initiële Lerarenopleiding, een Initiële lerarenopleiding van Academisch Niveau of een Getuigschrift Pedagogische bekwaamheid in combinatie met een bachelor- of masterdiploma;
4° een studiebewijs dat krachtens een wettelijke norm, een Europese richtlijn of een internationale overeenkomst als gelijkwaardig met 1 van de voorgaande diploma's wordt erkend.".
" § 5. Een student die reeds beschikt over één van volgende diploma's of diplomacombinaties kan, in afwijking van paragraaf 3 en paragraaf 4, een diploma van de geïntegreerde lerarenopleiding secundair onderwijs behalen met slechts één onderwijsvak :
1° een diploma van bachelor in het onderwijs : kleuteronderwijs, lager onderwijs of secundair onderwijs;
2° een diploma van de specifieke lerarenopleiding in combinatie met een bachelor- of masterdiploma;
3° een diploma van een Academische Initiële Lerarenopleiding, een Initiële lerarenopleiding van Academisch Niveau of een Getuigschrift Pedagogische bekwaamheid in combinatie met een bachelor- of masterdiploma;
4° een studiebewijs dat krachtens een wettelijke norm, een Europese richtlijn of een internationale overeenkomst als gelijkwaardig met 1 van de voorgaande diploma's wordt erkend.".
Art.VII.2. Dans l'article II.110 du même Code, le paragraphe 5, modifié par le décret du 19 juin 2015, est remplacé par la disposition suivante :
" § 5. Un étudiant qui possède déjà un des diplômes suivants ou une des combinaisons suivantes de diplômes, peut, par dérogation aux paragraphes 3 et 4, obtenir un diplôme de la formation intégrée des enseignants " enseignement secondaire " avec un seul cours d'enseignement :
1° un diplôme de bachelor en enseignement : enseignement maternel, enseignement primaire ou enseignement secondaire ;
2° un diplôme de la formation spécifique des enseignants en combinaison avec un diplôme de bachelor ou de master ;
3° un diplôme d'une formation initiale académique des enseignants, d'une formation initiale des enseignants de niveau académique ou un certificat d'aptitude pédagogique en combinaison avec un diplôme de bachelor ou de master ;
4° un titre reconnu, en vertu d'une norme légale, d'une directive européenne ou d'une convention internationale, comme équivalent à 1 des diplômes précités. ".
" § 5. Un étudiant qui possède déjà un des diplômes suivants ou une des combinaisons suivantes de diplômes, peut, par dérogation aux paragraphes 3 et 4, obtenir un diplôme de la formation intégrée des enseignants " enseignement secondaire " avec un seul cours d'enseignement :
1° un diplôme de bachelor en enseignement : enseignement maternel, enseignement primaire ou enseignement secondaire ;
2° un diplôme de la formation spécifique des enseignants en combinaison avec un diplôme de bachelor ou de master ;
3° un diplôme d'une formation initiale académique des enseignants, d'une formation initiale des enseignants de niveau académique ou un certificat d'aptitude pédagogique en combinaison avec un diplôme de bachelor ou de master ;
4° un titre reconnu, en vertu d'une norme légale, d'une directive européenne ou d'une convention internationale, comme équivalent à 1 des diplômes précités. ".
Art. VII.3. In artikel II.112, § 1, van dezelfde codex wordt het vierde lid vervangen door wat volgt :
"In afwijking van het eerste lid, kan een hogeschool die de professionele bacheloropleiding dans aanbiedt, ook de specifieke lerarenopleiding dans aanbieden.
In afwijking van het tweede en derde lid kunnen kandidaten die voldoen aan de algemene toelatingsvoorwaarden tot de basisopleidingen van 1 cyclus, geslaagd zijn voor een artistiek toelatingsexamen, georganiseerd door de hogeschool die de professionele bacheloropleiding dans organiseert, en 5 jaar nuttige ervaring als professioneel danser in een erkend gezelschap kunnen aantonen, toegelaten worden tot de specifieke lerarenopleiding dans en het diploma behalen.".
"In afwijking van het eerste lid, kan een hogeschool die de professionele bacheloropleiding dans aanbiedt, ook de specifieke lerarenopleiding dans aanbieden.
In afwijking van het tweede en derde lid kunnen kandidaten die voldoen aan de algemene toelatingsvoorwaarden tot de basisopleidingen van 1 cyclus, geslaagd zijn voor een artistiek toelatingsexamen, georganiseerd door de hogeschool die de professionele bacheloropleiding dans organiseert, en 5 jaar nuttige ervaring als professioneel danser in een erkend gezelschap kunnen aantonen, toegelaten worden tot de specifieke lerarenopleiding dans en het diploma behalen.".
Art. VII.3. A l'article II.112, § 1er du même code, l'alinéa 4 est remplacé par ce qui suit :
" Par dérogation à l'alinéa 1er, un institut supérieur qui propose une formation professionnelle de bachelor " danse ", peut également proposer une formation spécifique des enseignants " danse ".
Par dérogation aux alinéas 2 et 3, peuvent être admis à la formation spécifique des enseignants " danse " et obtenir le diplôme, les candidats qui remplissent les conditions générales d'admission aux formations initiales de 1 cycle, qui ont réussi un examen d'admission artistique, organisé par l'institut supérieur organisant la formation initiale " danse " et qui peuvent justifier d'une expérience utile de 5 ans comme danseur professionnel d'une compagnie agréée. ".
" Par dérogation à l'alinéa 1er, un institut supérieur qui propose une formation professionnelle de bachelor " danse ", peut également proposer une formation spécifique des enseignants " danse ".
Par dérogation aux alinéas 2 et 3, peuvent être admis à la formation spécifique des enseignants " danse " et obtenir le diplôme, les candidats qui remplissent les conditions générales d'admission aux formations initiales de 1 cycle, qui ont réussi un examen d'admission artistique, organisé par l'institut supérieur organisant la formation initiale " danse " et qui peuvent justifier d'une expérience utile de 5 ans comme danseur professionnel d'une compagnie agréée. ".
Art. VII.4. In artikel II.118, § 1, 2°, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juni 2015, wordt het derde lid vervangen door wat volgt :
"Bij wijze van overgangsmaatregel kan bij ontstentenis van een gemotiveerd verslag, in de academiejaren 2015-2016 en 2016-2017, een leerling die geïntegreerd secundair onderwijs of buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 4 heeft gevolgd, op basis van een inschrijvingsverslag, of op basis van een verslag opgemaakt door het CLB, zoals vermeld in artikel 294 van de Codex Secundair Onderwijs, of op basis van een gemotiveerd verslag opgemaakt door het CLB, zoals vermeld in artikel 352 van de Codex Secundair Onderwijs, toegelaten worden tot het geïntegreerd hoger onderwijs, op voorwaarde dat hij aan de in artikel II.118, 1°, vernoemde toelatingsvoorwaarde beantwoordt.".
"Bij wijze van overgangsmaatregel kan bij ontstentenis van een gemotiveerd verslag, in de academiejaren 2015-2016 en 2016-2017, een leerling die geïntegreerd secundair onderwijs of buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 4 heeft gevolgd, op basis van een inschrijvingsverslag, of op basis van een verslag opgemaakt door het CLB, zoals vermeld in artikel 294 van de Codex Secundair Onderwijs, of op basis van een gemotiveerd verslag opgemaakt door het CLB, zoals vermeld in artikel 352 van de Codex Secundair Onderwijs, toegelaten worden tot het geïntegreerd hoger onderwijs, op voorwaarde dat hij aan de in artikel II.118, 1°, vernoemde toelatingsvoorwaarde beantwoordt.".
Art. VII.4. Dans l'article II.118, § 1er, 2°, du même Code, modifié par le décret du 16 juin 2015, l'alinéa 3 est remplacé par la disposition suivante :
" A titre de mesure transitoire, un élève ayant suivi un enseignement secondaire intégré ou un enseignement secondaire spécial de la forme d'enseignement 4 peut, à défaut d'un rapport motivé, dans les années académiques 2015-2016 et 2016-2017, être admis à l'enseignement supérieur intégré sur la base d'un rapport d'inscription, ou sur la base d'un rapport établi par le CLB, tel que prévu à l'article 294 du Code de l'Enseignement secondaire, ou sur la base d'un rapport motivé établi par le CLB, tel que prévu à l'article 352 du Code de l'Enseignement secondaire, à condition qu'il remplisse la condition d'admission visée à l'article II.118, 1°. ".
" A titre de mesure transitoire, un élève ayant suivi un enseignement secondaire intégré ou un enseignement secondaire spécial de la forme d'enseignement 4 peut, à défaut d'un rapport motivé, dans les années académiques 2015-2016 et 2016-2017, être admis à l'enseignement supérieur intégré sur la base d'un rapport d'inscription, ou sur la base d'un rapport établi par le CLB, tel que prévu à l'article 294 du Code de l'Enseignement secondaire, ou sur la base d'un rapport motivé établi par le CLB, tel que prévu à l'article 352 du Code de l'Enseignement secondaire, à condition qu'il remplisse la condition d'admission visée à l'article II.118, 1°. ".
Art. VII.5. Aan artikel II.164 van de Codex Hoger Onderwijs, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt een paragraaf 2 toegevoegd die luidt als volgt :
" § 2. In het academiejaar dat de uitbreiding van de studieomvang van een bacheloropleiding wordt ingevoerd en in de drie academiejaren die daarop volgen kunnen studenten nog het diploma behalen van de bacheloropleiding op basis van de studieomvang van voor de uitbreiding. Deze mogelijkheid bestaat voor :
1° studenten die reeds in de bacheloropleiding ingeschreven waren vóór het academiejaar waarin de uitbreiding van de studieomvang wordt ingevoerd;
2° studenten die zich voor een traject met vermindering van studieduur op grond van een eerder behaald HBO5-diploma inschrijven in het academiejaar waarin de uitbreiding van de studieomvang ingevoerd wordt;
3° studenten die zich voor een traject met vermindering van studieduur op grond van een eerder behaald bachelor- of masterdiploma inschrijven in het academiejaar waarin de uitbreiding van de studieomvang ingevoerd wordt of het daaropvolgend academiejaar.
Instellingen moeten door middel van de organisatie van specifieke studietrajecten met een studieomvang van ten hoogste de omvang van de studie-uitbreiding aan studenten die een bacheloropleiding van 180 studiepunten hebben voltooid, de mogelijkheid bieden om de graad van bachelor te behalen van de in studieomvang uitgebreide bacheloropleiding.".
" § 2. In het academiejaar dat de uitbreiding van de studieomvang van een bacheloropleiding wordt ingevoerd en in de drie academiejaren die daarop volgen kunnen studenten nog het diploma behalen van de bacheloropleiding op basis van de studieomvang van voor de uitbreiding. Deze mogelijkheid bestaat voor :
1° studenten die reeds in de bacheloropleiding ingeschreven waren vóór het academiejaar waarin de uitbreiding van de studieomvang wordt ingevoerd;
2° studenten die zich voor een traject met vermindering van studieduur op grond van een eerder behaald HBO5-diploma inschrijven in het academiejaar waarin de uitbreiding van de studieomvang ingevoerd wordt;
3° studenten die zich voor een traject met vermindering van studieduur op grond van een eerder behaald bachelor- of masterdiploma inschrijven in het academiejaar waarin de uitbreiding van de studieomvang ingevoerd wordt of het daaropvolgend academiejaar.
Instellingen moeten door middel van de organisatie van specifieke studietrajecten met een studieomvang van ten hoogste de omvang van de studie-uitbreiding aan studenten die een bacheloropleiding van 180 studiepunten hebben voltooid, de mogelijkheid bieden om de graad van bachelor te behalen van de in studieomvang uitgebreide bacheloropleiding.".
Art. VII.5. A l'article II.164 du Code de l'Enseignement supérieur, dont le texte actuel formera le paragraphe 1er, il est ajouté un paragraphe 2, rédigé comme suit :
" § 2. Pendant l'année académique au cours de laquelle l'extension du volume des études de la formation de bachelor est introduite, et pendant les trois années académiques qui suivent, les étudiants peuvent toujours obtenir le diplôme d'une formation de bachelor sur la base du volume des études d'avant l'extension. Cette possibilité existe pour :
1° les étudiants qui étaient déjà inscrits à une formation de bachelor avant l'année académique au cours de laquelle l'extension du volume des études est introduite ;
2° les étudiants qui s'inscrivent à un parcours d'études à durée réduite sur la base d'un diplôme hbo5 obtenu précédemment pendant l'année académique au cours de laquelle l'extension du volume des études est introduite ;
3° les étudiants qui s'inscrivent à un parcours d'études à durée réduite sur la base d'un diplôme de bachelor ou de master obtenu précédemment pendant l'année académique au cours de laquelle l'extension du volume des études est introduite ou pendant l'année académique suivante.
Au moyen de l'organisation de parcours de formation spécifiques d'un volume des études ne dépassant pas le volume de l'extension des études, les institutions doivent donner aux étudiants ayant achevé une formation de bachelor de 180 unités d'études, la possibilité d'obtenir le grade de bachelor de la formation de bachelor ayant un volume des études étendu. ".
" § 2. Pendant l'année académique au cours de laquelle l'extension du volume des études de la formation de bachelor est introduite, et pendant les trois années académiques qui suivent, les étudiants peuvent toujours obtenir le diplôme d'une formation de bachelor sur la base du volume des études d'avant l'extension. Cette possibilité existe pour :
1° les étudiants qui étaient déjà inscrits à une formation de bachelor avant l'année académique au cours de laquelle l'extension du volume des études est introduite ;
2° les étudiants qui s'inscrivent à un parcours d'études à durée réduite sur la base d'un diplôme hbo5 obtenu précédemment pendant l'année académique au cours de laquelle l'extension du volume des études est introduite ;
3° les étudiants qui s'inscrivent à un parcours d'études à durée réduite sur la base d'un diplôme de bachelor ou de master obtenu précédemment pendant l'année académique au cours de laquelle l'extension du volume des études est introduite ou pendant l'année académique suivante.
Au moyen de l'organisation de parcours de formation spécifiques d'un volume des études ne dépassant pas le volume de l'extension des études, les institutions doivent donner aux étudiants ayant achevé une formation de bachelor de 180 unités d'études, la possibilité d'obtenir le grade de bachelor de la formation de bachelor ayant un volume des études étendu. ".
Art. VII.6. In artikel II.187 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, 1°, wordt de zinsnede "het niveau is afgestemd op het gemiddelde van de programma's van de derde graad van het algemeen secundair onderwijs" vervangen door de volgende zinsnede "afgestemd op de tweede en de derde graad van het algemeen secundair onderwijs";
2° in paragraaf 2 wordt het punt 4° vervangen door wat volgt :
"4° de examencommissie stelt een werkings- en examenreglement op;".
1° in paragraaf 1, 1°, wordt de zinsnede "het niveau is afgestemd op het gemiddelde van de programma's van de derde graad van het algemeen secundair onderwijs" vervangen door de volgende zinsnede "afgestemd op de tweede en de derde graad van het algemeen secundair onderwijs";
2° in paragraaf 2 wordt het punt 4° vervangen door wat volgt :
"4° de examencommissie stelt een werkings- en examenreglement op;".
Art. VII.6. A l'article II.187 du même Code sont apportées les modifications suivantes :
1° au paragraphe 1er, 1°, le membre de phrase " le niveau correspond à la moyenne des programmes du troisième degré de l'enseignement secondaire général ; " est remplacé par le membre de phrase " axé sur les deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire général " ;
2° dans le paragraphe 2, le point 4° est remplacé par ce qui suit :
" 4° le jury fixe un règlement de fonctionnement et un règlement des examens ; ".
1° au paragraphe 1er, 1°, le membre de phrase " le niveau correspond à la moyenne des programmes du troisième degré de l'enseignement secondaire général ; " est remplacé par le membre de phrase " axé sur les deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire général " ;
2° dans le paragraphe 2, le point 4° est remplacé par ce qui suit :
" 4° le jury fixe un règlement de fonctionnement et un règlement des examens ; ".
Art. VII.7. In artikel II.198 van dezelfde codex worden in het tweede lid na het woord "noodzakelijk," de woorden ", of dient de student het voorbereidings- of schakelprogramma met succes voltooid te hebben" ingevoegd.
Art. VII.7. Dans l'article II.198 du même Code, les mots " ou l'étudiant doit avoir terminé avec succès le programme préparatoire ou de transition " doivent être ajoutés après les mots " est cependant requise ".
Art. VII.8. In artikel II.265, § 1, van dezelfde codex worden tussen de woorden "gezamenlijke diplomering wordt vooropgesteld" en de woorden "of als het gaat om onderzoeksmasters" de woorden ", ook wanneer de opleiding na afloop van de erkenning wordt voortgezet," ingevoegd.
Art. VII.8. Dans l'article II.265, § 1er, du même Code, les mots " , même si la formation est poursuivie à l'expiration de l'agrément " sont insérés entre les mots " dans le cadre duquel la diplômation multiple ou conjointe est soutenue " et les mots " ou qu'il s'agisse de masters recherche ".
Art. VII.9. In artikel II.283, tweede lid, van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het getal "5" wordt vervangen door het getal "7";
2° in het punt 2° wordt de zinsnede "de dag na deze waarop de student kennis heeft genomen van de genomen beslissing" vervangen door de zinsnede "de dag na de kennisgeving van de genomen beslissing aan de student".
1° het getal "5" wordt vervangen door het getal "7";
2° in het punt 2° wordt de zinsnede "de dag na deze waarop de student kennis heeft genomen van de genomen beslissing" vervangen door de zinsnede "de dag na de kennisgeving van de genomen beslissing aan de student".
Art. VII.9. A l'article II.283, alinéa 2 du même Code, les modifications suivantes sont apportées :
1° le nombre " 5 " est remplacé par le nombre " 7 " ;
2° dans le point 2°, la lecture du membre de phrase " le lendemain de la notification à l'étudiant de la décision prise. " demeure inchangée.
1° le nombre " 5 " est remplacé par le nombre " 7 " ;
2° dans le point 2°, la lecture du membre de phrase " le lendemain de la notification à l'étudiant de la décision prise. " demeure inchangée.
Art. VII.10. In artikel II.284 van dezelfde codex wordt het getal "15" vervangen door het getal "20".
Art. VII.10. Dans l'article II.284 du même Code, le nombre " 15 " est remplacé par le nombre " 20 ".
Art. VII.11. In artikel II.287, § 1, van dezelfde codex worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° in punt 1° wordt tussen het woord "en" en de zinsnede "2 plaatsvervangende" het woord "minimaal" ingevoegd;
2° in punt 2° wordt tussen het woord "en" en de zinsnede "4 plaatsvervangende" het woord "minimaal" ingevoegd;
3° na de woorden "de werkende bijzitters vervangen." wordt de zin "In functie van de werkbelasting van de Raad kan de Vlaamse Regering bijkomende plaatsvervangende leden benoemen" ingevoegd.".
1° in punt 1° wordt tussen het woord "en" en de zinsnede "2 plaatsvervangende" het woord "minimaal" ingevoegd;
2° in punt 2° wordt tussen het woord "en" en de zinsnede "4 plaatsvervangende" het woord "minimaal" ingevoegd;
3° na de woorden "de werkende bijzitters vervangen." wordt de zin "In functie van de werkbelasting van de Raad kan de Vlaamse Regering bijkomende plaatsvervangende leden benoemen" ingevoegd.".
Art. VII.11. A l'article II.287, § 1er, du même Code, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le point 1°, entre le mot " et " et le membre de phrase " 2 présidents suppléants " sont insérés les mots " au minimum " ;
2° dans le point 2°, entre le mot " et " et le membre de phrase " 4 assesseurs suppléants " sont insérés les mots " au minimum " ;
3° après les mots " chacun des assesseurs actifs. ", la phrase " En fonction de la charge du Conseil, le Gouvernement flamand peut nommer des membres suppléants supplémentaires. " est insérée.
1° dans le point 1°, entre le mot " et " et le membre de phrase " 2 présidents suppléants " sont insérés les mots " au minimum " ;
2° dans le point 2°, entre le mot " et " et le membre de phrase " 4 assesseurs suppléants " sont insérés les mots " au minimum " ;
3° après les mots " chacun des assesseurs actifs. ", la phrase " En fonction de la charge du Conseil, le Gouvernement flamand peut nommer des membres suppléants supplémentaires. " est insérée.
Art. VII.12. In artikel II.292, § 1, van dezelfde codex wordt een derde lid toegevoegd dat luidt als volgt :
"De termijn voor het nemen van een nieuwe beslissing overeenkomstig het eerste lid, 2°, bedraagt ten minste 7 kalenderdagen.".
"De termijn voor het nemen van een nieuwe beslissing overeenkomstig het eerste lid, 2°, bedraagt ten minste 7 kalenderdagen.".
Art. VII.12. L'article II.292, § 1er, du même Code, est complété par un alinéa 3, rédigé comme suit :
" Le délai pour prendre une nouvelle décision est d'au moins 7 jours calendaires, conformément à l'alinéa 1er, 2°. ".
" Le délai pour prendre une nouvelle décision est d'au moins 7 jours calendaires, conformément à l'alinéa 1er, 2°. ".
Art. VII.13. In artikel II.294, § 1, van dezelfde codex worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° het getal "5" wordt viermaal vervangen door het getal "7";
2° het woord "vijfde" wordt vervangen door het woord "zevende";
3° in het tweede lid worden de woorden "binnen een vervaltermijn van 30 dagen die ingaat de dag na kennisname van de definitieve beslissing van het bij of krachtens het decreet bevoegd orgaan en" opgeheven;
4° het woord "kennisname" wordt telkens vervangen door het woord "kennisgeving";
5° de woorden "kennis heeft genomen" worden vervangen door de woorden "ter kennis is gebracht".
1° het getal "5" wordt viermaal vervangen door het getal "7";
2° het woord "vijfde" wordt vervangen door het woord "zevende";
3° in het tweede lid worden de woorden "binnen een vervaltermijn van 30 dagen die ingaat de dag na kennisname van de definitieve beslissing van het bij of krachtens het decreet bevoegd orgaan en" opgeheven;
4° het woord "kennisname" wordt telkens vervangen door het woord "kennisgeving";
5° de woorden "kennis heeft genomen" worden vervangen door de woorden "ter kennis is gebracht".
Art. VII.13. A l'article II.294, § 1er, du même Code, sont apportées les modifications suivantes :
1° le nombre " 5 " est remplacé à quatre reprises par le nombre " 7 " ;
2° le mot " cinquième " est remplacé par le mot " septième " ;
3° dans l'alinéa 2, les mots " dans un délai de 30 jours prenant cours le lendemain de la prise de connaissance de la décision définitive de l'organe compétent par ou en vertu du décret et " sont abrogés ;
4° les mots " prise de connaissance " sont chaque fois remplacés par le mot " notification " ;
5° les mots " a pris connaissance " sont remplacés par les mots " est informé ".
1° le nombre " 5 " est remplacé à quatre reprises par le nombre " 7 " ;
2° le mot " cinquième " est remplacé par le mot " septième " ;
3° dans l'alinéa 2, les mots " dans un délai de 30 jours prenant cours le lendemain de la prise de connaissance de la décision définitive de l'organe compétent par ou en vertu du décret et " sont abrogés ;
4° les mots " prise de connaissance " sont chaque fois remplacés par le mot " notification " ;
5° les mots " a pris connaissance " sont remplacés par les mots " est informé ".
Art. VII.14. In artikel II.302 van dezelfde codex wordt het getal "48" vervangen door het getal "96".
Art. VII.14. Dans l'article II.302 du même Code, le nombre " 48 " est remplacé par le nombre " 96 ".
Art. VII.15. In artikel II.308 van dezelfde codex wordt het getal "15" vervangen door het getal "20".
Art. VII.15. Dans l'article II.308 du même Code, le nombre " 15 " est remplacé par le nombre " 20 ".
Art. VII.16. In artikel II.313 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het woord "geanonimiseerde" wordt geschrapt;
2° een tweede lid wordt toegevoegd dat luidt als volgt :
"Bij publicatie van de uitspraak wordt de identiteit van de student als procespartij, op diens uitdrukkelijk verzoek, weggelaten.".
1° het woord "geanonimiseerde" wordt geschrapt;
2° een tweede lid wordt toegevoegd dat luidt als volgt :
"Bij publicatie van de uitspraak wordt de identiteit van de student als procespartij, op diens uitdrukkelijk verzoek, weggelaten.".
Art. VII.16. A l'article II.313 du même Code sont apportées les modifications suivantes :
1° le mot " anonymisée " est supprimé ;
2° il est ajouté un alinéa 2, rédigé comme suit :
" Lors de la publication du prononcé, l'identité de l'étudiant comme partie au litige est omise à sa demande explicite. ".
1° le mot " anonymisée " est supprimé ;
2° il est ajouté un alinéa 2, rédigé comme suit :
" Lors de la publication du prononcé, l'identité de l'étudiant comme partie au litige est omise à sa demande explicite. ".
Art. VII.17. Artikel II.355 van dezelfde codex wordt opgeheven.
Art. VII.17. L'article II.355 du même Code est abrogé.
Art. VII.18. In dezelfde codex wordt in titel 5 een hoofdstuk 8 toegevoegd, waarvan de titel luidt als volgt :
"Hoofdstuk 8. Stage en werkplekleren".
"Hoofdstuk 8. Stage en werkplekleren".
Art. VII.18. Au titre 5 du même Code, il est ajouté un chapitre 8 dont l'intitulé s'énonce comme suit :
" Chapitre 8. Stage et apprentissage sur le lieu de travail ".
" Chapitre 8. Stage et apprentissage sur le lieu de travail ".
Art. VII.19. In dezelfde codex wordt aan hoofdstuk 8 een artikel II.355/1 toegevoegd dat luidt als volgt :
"Art. II.355/1. Indien de student-stagiair of cursist-stagiair bij de uitvoering van zijn stage de stagegever of derden schade berokkent, is hij, met behoud van toepassing van artikel 1384, derde tot en met het vijfde lid, van het Burgerlijk Wetboek, enkel aansprakelijk voor zijn bedrog en zijn zware schuld. Voor lichte schuld is de student-stagiair of cursist-stagiair enkel aansprakelijk als die bij hem eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt.
De aansprakelijkheid van de vader en de moeder in de zin van artikel 1384, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek geldt enkel wanneer een minderjarige student-stagiair of cursist-stagiair overeenkomstig de hier voormelde gevallen persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld.
De stagegever is een aansteller in de zin van artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek.
Alle met de bepalingen van dit artikel strijdige bedingen zijn nietig.".
"Art. II.355/1. Indien de student-stagiair of cursist-stagiair bij de uitvoering van zijn stage de stagegever of derden schade berokkent, is hij, met behoud van toepassing van artikel 1384, derde tot en met het vijfde lid, van het Burgerlijk Wetboek, enkel aansprakelijk voor zijn bedrog en zijn zware schuld. Voor lichte schuld is de student-stagiair of cursist-stagiair enkel aansprakelijk als die bij hem eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt.
De aansprakelijkheid van de vader en de moeder in de zin van artikel 1384, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek geldt enkel wanneer een minderjarige student-stagiair of cursist-stagiair overeenkomstig de hier voormelde gevallen persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld.
De stagegever is een aansteller in de zin van artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek.
Alle met de bepalingen van dit artikel strijdige bedingen zijn nietig.".
Art. VII.19. Dans le même Code, il est ajouté, au chapitre 8 un article II.355/1, rédigé comme suit :
" Art. II.355/1. Si, lors de l'exécution de son stage, l'étudiant-stagiaire ou l'apprenant-stagiaire cause des dommages au donneur de stage ou à des tiers, il n'est, sans préjudice de l'application de l'article 1384, alinéas 3 à 5 inclus du Code civil, responsable qu'en cas de fraude et de faute grave. En cas de faute légère, l'étudiant-stagiaire ou l'apprenant-stagiaire n'est responsable que si celle-ci revêt un caractère habituel plutôt qu'occasionnel.
La responsabilité du père et de la mère au sens de l'article 1384, alinéa 2, du Code civil s'applique uniquement lorsque l'étudiant-stagiaire ou l'apprenant-stagiaire mineur peut être tenu personnellement responsable conformément aux cas précités.
Le donneur de stage est un commettant au sens de l'article 1384, alinéa 3, du Code civil.
Toutes les stipulations contraires aux dispositions du présent article sont nulles. ".
" Art. II.355/1. Si, lors de l'exécution de son stage, l'étudiant-stagiaire ou l'apprenant-stagiaire cause des dommages au donneur de stage ou à des tiers, il n'est, sans préjudice de l'application de l'article 1384, alinéas 3 à 5 inclus du Code civil, responsable qu'en cas de fraude et de faute grave. En cas de faute légère, l'étudiant-stagiaire ou l'apprenant-stagiaire n'est responsable que si celle-ci revêt un caractère habituel plutôt qu'occasionnel.
La responsabilité du père et de la mère au sens de l'article 1384, alinéa 2, du Code civil s'applique uniquement lorsque l'étudiant-stagiaire ou l'apprenant-stagiaire mineur peut être tenu personnellement responsable conformément aux cas précités.
Le donneur de stage est un commettant au sens de l'article 1384, alinéa 3, du Code civil.
Toutes les stipulations contraires aux dispositions du présent article sont nulles. ".
Art. VII.20. In artikel III.3, § 3, van dezelfde codex wordt het jaartal "2015" vervangen door het jaartal "2018".
Art. VII.20. Dans l'article III.3, § 3, du même Code, l'année " 2015 " est remplacée par l'année " 2018 ".
Art. VII.21. Aan artikel III.6, § 2, van dezelfde codex wordt een negende lid toegevoegd dat luidt als volgt :
"De opgenomen studiepunten in een door de Vlaamse Regering conform artikel II.153 van de Codex Hoger Onderwijs nieuwe erkende opleiding, aangeboden door een universiteit in een studiegebied dat met ingang van het academiejaar 2013-2014 geïntegreerd is in de universiteiten, worden meegerekend voor het variabel onderwijsdeel VOWun.".
"De opgenomen studiepunten in een door de Vlaamse Regering conform artikel II.153 van de Codex Hoger Onderwijs nieuwe erkende opleiding, aangeboden door een universiteit in een studiegebied dat met ingang van het academiejaar 2013-2014 geïntegreerd is in de universiteiten, worden meegerekend voor het variabel onderwijsdeel VOWun.".
Art. VII.21. L'article III.6, § 2, du même Code, est complété par un alinéa 9, rédigé comme suit :
" Les unités d'études engagées dans une formation nouvellement reconnue par le Gouvernement flamand, conformément à l'article II.153 du Code de l'Enseignement supérieur et proposée par une université dans une discipline qui, à partir de l'année académique 2013-2014, est intégrée dans les universités, sont prises en compte pour le volet variable " enseignement " VOWun. ".
" Les unités d'études engagées dans une formation nouvellement reconnue par le Gouvernement flamand, conformément à l'article II.153 du Code de l'Enseignement supérieur et proposée par une université dans une discipline qui, à partir de l'année académique 2013-2014, est intégrée dans les universités, sont prises en compte pour le volet variable " enseignement " VOWun. ".
Art. VII.22. Aan artikel III.19, § 1, 3°, van dezelfde codex wordt een punt ad) toegevoegd dat luidt als volgt :
"ad) handelswetenschappen en bedrijfskunde - opleidingen die vanaf het academiejaar 2013-2014 door de Vlaamse Regering conform artikel II.153 erkend zijn als nieuwe opleiding;".
"ad) handelswetenschappen en bedrijfskunde - opleidingen die vanaf het academiejaar 2013-2014 door de Vlaamse Regering conform artikel II.153 erkend zijn als nieuwe opleiding;".
Art. VII.22. L'article III.19, § 1er, 3°, du même Code, est complété par un point ad), rédigé comme suit :
"ad) Sciences commerciales et gestion d'entreprises - formations qui à partir de l'année académique 2013-2014 sont reconnues par le Gouvernement flamand comme nouvelle formation conformément à l'article II.153 ;".
"ad) Sciences commerciales et gestion d'entreprises - formations qui à partir de l'année académique 2013-2014 sont reconnues par le Gouvernement flamand comme nouvelle formation conformément à l'article II.153 ;".
Art. VII.23. Artikel III.48 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt :
"Art. III.48. § 1. Om voor de financiering van de investeringen in aanmerking te komen moet de hogeschool eigenaar zijn van het onroerend goed, ofwel een zakelijk recht bezitten op het onroerend goed dat haar het genot waarborgt voor ten minste een periode van dertig jaar. Deze voorwaarde geldt niet bij de aankoop van een gebouw, van grond of van zware didactische en wetenschappelijke apparatuur.
§ 2. In de schoot van de associatie wordt een advies gegeven over de meerjarenplanning en over de besteding van de investeringsmiddelen. Dit advies is gebaseerd op het in artikel II.11, tweede lid, 7°, bedoelde meerjarenplan voor de onderlinge afstemming van investeringen, infrastructuur, bibliotheek- en documentatievoorzieningen.".
"Art. III.48. § 1. Om voor de financiering van de investeringen in aanmerking te komen moet de hogeschool eigenaar zijn van het onroerend goed, ofwel een zakelijk recht bezitten op het onroerend goed dat haar het genot waarborgt voor ten minste een periode van dertig jaar. Deze voorwaarde geldt niet bij de aankoop van een gebouw, van grond of van zware didactische en wetenschappelijke apparatuur.
§ 2. In de schoot van de associatie wordt een advies gegeven over de meerjarenplanning en over de besteding van de investeringsmiddelen. Dit advies is gebaseerd op het in artikel II.11, tweede lid, 7°, bedoelde meerjarenplan voor de onderlinge afstemming van investeringen, infrastructuur, bibliotheek- en documentatievoorzieningen.".
Art. VII.23. L'article III.48 du même Code est remplacé par ce qui suit :
" Art. III.48. § 1er. Pour être éligible au financement des investissements, l'institut supérieur doit être propriétaire du bien immobilier ou avoir un droit réel sur le bien immobilier qui en garantit la jouissance pour une période d'au moins trente ans. Cette condition n'est pas exigée lors de l'acquisition d'un bâtiment, d'un terrain ou d'appareillage didactique et scientifique lourd.
§ 2. Au sein de l'association, un avis sera émis sur la planification pluriannuelle et sur l'affectation des moyens d'investissement. Cet avis est fondé sur le plan pluriannuel pour la coordination des investissements, de l'infrastructure, des structures en matière de bibliothèque et de documentation visé à l'article II.11, alinéa 2, 7°.
" Art. III.48. § 1er. Pour être éligible au financement des investissements, l'institut supérieur doit être propriétaire du bien immobilier ou avoir un droit réel sur le bien immobilier qui en garantit la jouissance pour une période d'au moins trente ans. Cette condition n'est pas exigée lors de l'acquisition d'un bâtiment, d'un terrain ou d'appareillage didactique et scientifique lourd.
§ 2. Au sein de l'association, un avis sera émis sur la planification pluriannuelle et sur l'affectation des moyens d'investissement. Cet avis est fondé sur le plan pluriannuel pour la coordination des investissements, de l'infrastructure, des structures en matière de bibliothèque et de documentation visé à l'article II.11, alinéa 2, 7°.
Art. VII.24. In artikel III.55 van dezelfde codex wordt paragraaf 5 vervangen door wat volgt :
" § 5. Indien de Hogere Zeevaartschool gebruik maakt van de bepaling, vermeld in artikel 50, § 2, van het decreet betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs, kan ze geen aanspraak maken op de werkingstoelage als vermeld in paragraaf 1.".
" § 5. Indien de Hogere Zeevaartschool gebruik maakt van de bepaling, vermeld in artikel 50, § 2, van het decreet betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs, kan ze geen aanspraak maken op de werkingstoelage als vermeld in paragraaf 1.".
Art. VII.24. A l'article III.55 du même Code, le paragraphe 5 est remplacé par la disposition suivante :
" § 5. Si la Hogere Zeevaartschool fait usage de la disposition, visée à l'article 50, § 2, du décret du 30 avril 2009 relatif à l'enseignement secondaire après secondaire et l'enseignement supérieur professionnel hbo5, elle ne peut pas prétendre à l'allocation de fonctionnement, telle que visée au paragraphe 1er. ".
" § 5. Si la Hogere Zeevaartschool fait usage de la disposition, visée à l'article 50, § 2, du décret du 30 avril 2009 relatif à l'enseignement secondaire après secondaire et l'enseignement supérieur professionnel hbo5, elle ne peut pas prétendre à l'allocation de fonctionnement, telle que visée au paragraphe 1er. ".
Art. VII.25. In artikel III.58 van dezelfde codex wordt in paragraaf 2 enkel de tekst vervangen door wat volgt :
" § 2. Naast de uitkeringen in § 1, ontvangen de volgende universiteiten vanaf het begrotingsjaar 2008 de hierna vermelde uitkeringen, uitgedrukt in k euro, als bijdrage in de voorziening van de aanvullende pensioenregeling die deze universiteiten inrichten ten gunste van de leden van hun administratief en technisch personeel die bezoldigd worden met de werkingsuitkeringen, zoals bedoeld in artikel V.47 van dit decreet. Om van de hierna vermelde uitkeringen te kunnen genieten, richten de universiteiten een pensioenregeling in, via één of meerdere aanvullende pensioenstelsels, die ten gunste van voormelde personeelsleden voorziet in een aanvulling op het wettelijk pensioen dat zij later ontvangen uit het pensioenstelsel der loontrekkenden, die, samen met dat wettelijk pensioen, globaal genomen een vergelijkbare pensioenregeling beoogt als deze die van toepassing is op de leden van het administratief en technisch personeel van de gemeenschapsuniversiteiten, en waarbij de voorwaarden en bepalingen van deze pensioenregeling uitgewerkt worden, overeenkomstig de wetgeving inzake aanvullende pensioenen, in pensioenreglementen die een concrete invulling geven aan deze doelstelling. Aldus uitgewerkte pensioenregelingen gefinancierd met de hieronder vermelde uitkeringen leggen de aanvullende pensioenvoordelen en -aanspraken vast ten gunste van de leden van het administratief en technisch personeel dat bezoldigd wordt met de werkingsuitkeringen, van de universiteiten hieronder vermeld, alsook van hun rechthebbenden of begunstigden.
Vanaf het begrotingsjaar 2016 wordt voor de toekenning van de hierna vermelde uitkeringen bovendien vereist dat de universiteit kan aantonen dat de door haar daartoe bevoegde organen goedgekeurde aanpassingen van bestaande pensioenregelingen of de inrichting van nieuwe pensioenregelingen het voorwerp hebben uitgemaakt van een collectief overleg of tot stand kwamen met inspraak vanwege de vertegenwoordigers van de leden van het administratief en technisch personeel bezoldigd met bedoelde werkingsuitkeringen.".
" § 2. Naast de uitkeringen in § 1, ontvangen de volgende universiteiten vanaf het begrotingsjaar 2008 de hierna vermelde uitkeringen, uitgedrukt in k euro, als bijdrage in de voorziening van de aanvullende pensioenregeling die deze universiteiten inrichten ten gunste van de leden van hun administratief en technisch personeel die bezoldigd worden met de werkingsuitkeringen, zoals bedoeld in artikel V.47 van dit decreet. Om van de hierna vermelde uitkeringen te kunnen genieten, richten de universiteiten een pensioenregeling in, via één of meerdere aanvullende pensioenstelsels, die ten gunste van voormelde personeelsleden voorziet in een aanvulling op het wettelijk pensioen dat zij later ontvangen uit het pensioenstelsel der loontrekkenden, die, samen met dat wettelijk pensioen, globaal genomen een vergelijkbare pensioenregeling beoogt als deze die van toepassing is op de leden van het administratief en technisch personeel van de gemeenschapsuniversiteiten, en waarbij de voorwaarden en bepalingen van deze pensioenregeling uitgewerkt worden, overeenkomstig de wetgeving inzake aanvullende pensioenen, in pensioenreglementen die een concrete invulling geven aan deze doelstelling. Aldus uitgewerkte pensioenregelingen gefinancierd met de hieronder vermelde uitkeringen leggen de aanvullende pensioenvoordelen en -aanspraken vast ten gunste van de leden van het administratief en technisch personeel dat bezoldigd wordt met de werkingsuitkeringen, van de universiteiten hieronder vermeld, alsook van hun rechthebbenden of begunstigden.
Vanaf het begrotingsjaar 2016 wordt voor de toekenning van de hierna vermelde uitkeringen bovendien vereist dat de universiteit kan aantonen dat de door haar daartoe bevoegde organen goedgekeurde aanpassingen van bestaande pensioenregelingen of de inrichting van nieuwe pensioenregelingen het voorwerp hebben uitgemaakt van een collectief overleg of tot stand kwamen met inspraak vanwege de vertegenwoordigers van de leden van het administratief en technisch personeel bezoldigd met bedoelde werkingsuitkeringen.".
Art. VII.25. A l'article III.58 du même Code, seul le texte dans le paragraphe 2 est remplacé par la disposition suivante :
" § 2. A compter de l'année budgétaire 2008, les universités suivantes reçoivent, outre les allocations visées au § 1er, les allocations mentionnés ci-après, exprimées en k euros, à titre d'intervention dans le régime de pension complémentaire prévu par ces universités au bénéfice des membres du personnel administratif et technique, qui sont rémunérés par les allocations de fonctionnement telles que visées à l'article V.47 du présent décret. Pour pouvoir bénéficier des allocations mentionnées ci-après, les universités mettent sur pied un régime de pension qui prévoit, au profit des membres du personnel précités, via un ou plusieurs régimes de pensions complémentaires, un complément à la pension légale qu'ils percevront au titre du régime de retraite des travailleurs salariés, et qui avec cette pension légale doit aboutir à un régime de pensions globalement comparable à celui qui est d'application aux membres du personnel administratif et technique des universités communautaires. Les conditions et les dispositions de ce régime de pensions sont élaborées conformément à la législation sur les pensions complémentaires dans des règlements de pensions qui concrétisent cet objectif. Les régimes de pension ainsi élaborés et financés par les allocations mentionnées ci-après fixent les droits et les prétentions à pension complémentaires au bénéfice des membres du personnel administratif et technique qui sont rémunérés par les allocations de fonctionnement des universités citées ci-dessous, ainsi qu'au bénéfice de leurs ayant droits ou leurs bénéficiaires.
A partir de l'année budgétaire 2016, l'université doit en outre démontrer que, pour l'octroi des allocations précitées, les ajustements approuvés des régimes de pension existants ou la mise sur pied de nouveaux régimes de pension par des organes habilités à cet effet par elle ont fait l'objet d'une concertation collective ou ont vu le jour avec la participation des représentants des membres du personnel administratif et technique rémunérés avec les allocations de fonctionnement en question. ".
" § 2. A compter de l'année budgétaire 2008, les universités suivantes reçoivent, outre les allocations visées au § 1er, les allocations mentionnés ci-après, exprimées en k euros, à titre d'intervention dans le régime de pension complémentaire prévu par ces universités au bénéfice des membres du personnel administratif et technique, qui sont rémunérés par les allocations de fonctionnement telles que visées à l'article V.47 du présent décret. Pour pouvoir bénéficier des allocations mentionnées ci-après, les universités mettent sur pied un régime de pension qui prévoit, au profit des membres du personnel précités, via un ou plusieurs régimes de pensions complémentaires, un complément à la pension légale qu'ils percevront au titre du régime de retraite des travailleurs salariés, et qui avec cette pension légale doit aboutir à un régime de pensions globalement comparable à celui qui est d'application aux membres du personnel administratif et technique des universités communautaires. Les conditions et les dispositions de ce régime de pensions sont élaborées conformément à la législation sur les pensions complémentaires dans des règlements de pensions qui concrétisent cet objectif. Les régimes de pension ainsi élaborés et financés par les allocations mentionnées ci-après fixent les droits et les prétentions à pension complémentaires au bénéfice des membres du personnel administratif et technique qui sont rémunérés par les allocations de fonctionnement des universités citées ci-dessous, ainsi qu'au bénéfice de leurs ayant droits ou leurs bénéficiaires.
A partir de l'année budgétaire 2016, l'université doit en outre démontrer que, pour l'octroi des allocations précitées, les ajustements approuvés des régimes de pension existants ou la mise sur pied de nouveaux régimes de pension par des organes habilités à cet effet par elle ont fait l'objet d'une concertation collective ou ont vu le jour avec la participation des représentants des membres du personnel administratif et technique rémunérés avec les allocations de fonctionnement en question. ".
Art. VII.26. In artikel III.116 van dezelfde codex wordt aan punt 1° een tweede lid toegevoegd dat luidt als volgt :
"De Vlaamse Regering kan de looptijd van een reeds afgesloten beheersovereenkomst met een instelling voor postinitieel onderwijs verlengen om de einddatum ervan af te stemmen met de beheersovereenkomsten van de andere instellingen voor postinitieel onderwijs.".
"De Vlaamse Regering kan de looptijd van een reeds afgesloten beheersovereenkomst met een instelling voor postinitieel onderwijs verlengen om de einddatum ervan af te stemmen met de beheersovereenkomsten van de andere instellingen voor postinitieel onderwijs.".
Art. VII.26. Le point 1° de l'article III.116 du même Code est complété par un alinéa 2, rédigé comme suit :
" Le Gouvernement flamand peut prolonger la durée du contrat de gestion déjà conclu avec une institution d'enseignement post-initial afin d'aligner la date de fin de celui-ci sur les contrats de gestion d'autres institutions d'enseignement post-initial. ".
" Le Gouvernement flamand peut prolonger la durée du contrat de gestion déjà conclu avec une institution d'enseignement post-initial afin d'aligner la date de fin de celui-ci sur les contrats de gestion d'autres institutions d'enseignement post-initial. ".
Art. VII.27. In artikel IV.43 van dezelfde codex wordt de laatste zin opgeheven.
Art. VII.27. Dans l'article IV.43 du même Code, la dernière phrase est abrogée.
Art. VII.28. In artikel IV.48, § 1, van dezelfde codex wordt na het derde lid een nieuw lid toegevoegd dat luidt als volgt :
"De universiteit of de hogeschool kan bij intern reglement verder verduidelijken welke categorieën hieronder begrepen worden.".
"De universiteit of de hogeschool kan bij intern reglement verder verduidelijken welke categorieën hieronder begrepen worden.".
Art. VII.28. Dans l'article IV.48, § 1er, du même Code, il est inséré après l'alinéa 3 un nouvel alinéa, rédigé comme suit :
" L'université ou l'institut supérieur peut expliquer par règlement interne quelles catégories sont concernées. ".
" L'université ou l'institut supérieur peut expliquer par règlement interne quelles catégories sont concernées. ".
Art. VII.29. In artikel IV.88 van dezelfde codex worden het eerste en het derde lid opgeheven.
Art. VII.29. Dans l'article IV.88 du même Code, les alinéas 1er et 3 sont abrogés.
Art. VII.30. In dezelfde codex wordt een artikel V.65/1 ingevoegd dat luidt als volgt :
"Art. V.65/1. De bepalingen over de samenstelling van het college van beroep inzake evaluatie, vermeld in artikel V.93, § 3, tweede lid, en het college van beroep inzake tucht, vermeld in artikel V.101, zijn niet van toepassing op de personeelsleden in het integratiekader. Indien een personeelslid in het integratiekader beroep wil indienen tegen een evaluatie- of een tuchtbeslissing, kan het terecht bij een beroepsinstantie die is ingesteld voor de personeelsleden in het universitaire kader. De samenstelling van de beroepsinstantie wordt voorgelegd aan het medezeggenschapsorgaan of de ondernemingsraad.
Alle personeelsleden uit het integratiekader zijn uiterlijk 3 jaar na de inwerkingtreding van dit artikel minstens eenmaal geëvalueerd door het universiteitsbestuur.".
"Art. V.65/1. De bepalingen over de samenstelling van het college van beroep inzake evaluatie, vermeld in artikel V.93, § 3, tweede lid, en het college van beroep inzake tucht, vermeld in artikel V.101, zijn niet van toepassing op de personeelsleden in het integratiekader. Indien een personeelslid in het integratiekader beroep wil indienen tegen een evaluatie- of een tuchtbeslissing, kan het terecht bij een beroepsinstantie die is ingesteld voor de personeelsleden in het universitaire kader. De samenstelling van de beroepsinstantie wordt voorgelegd aan het medezeggenschapsorgaan of de ondernemingsraad.
Alle personeelsleden uit het integratiekader zijn uiterlijk 3 jaar na de inwerkingtreding van dit artikel minstens eenmaal geëvalueerd door het universiteitsbestuur.".
Art. VII.30. Dans le même Code, il est inséré un article V.65/1, rédigé comme suit :
" Art. V.65/1. Les dispositions sur la composition du collège de recours en matière d'évaluation, visé à l'article V.93, § 3, alinéa 2 et du collège de recours en matière disciplinaire, visé à l'article V.101, ne sont pas d'application aux membres du personnel dans le cadre d'intégration. Si un membre du personnel dans le cadre d'intégration veut introduire un recours contre une décision d'évaluation ou une décision disciplinaire, il peut s'adresser à une instance de recours qui est instituée pour les membres du personnel du cadre universitaire. La composition de l'instance de recours est soumise à l'organe de participation ou au conseil d'entreprise.
Tous les membres du personnel du cadre d'intégration sont évalués au moins une fois par les autorités universitaires au plus tard 3 ans après l'entrée en vigueur du présent article. ".
" Art. V.65/1. Les dispositions sur la composition du collège de recours en matière d'évaluation, visé à l'article V.93, § 3, alinéa 2 et du collège de recours en matière disciplinaire, visé à l'article V.101, ne sont pas d'application aux membres du personnel dans le cadre d'intégration. Si un membre du personnel dans le cadre d'intégration veut introduire un recours contre une décision d'évaluation ou une décision disciplinaire, il peut s'adresser à une instance de recours qui est instituée pour les membres du personnel du cadre universitaire. La composition de l'instance de recours est soumise à l'organe de participation ou au conseil d'entreprise.
Tous les membres du personnel du cadre d'intégration sont évalués au moins une fois par les autorités universitaires au plus tard 3 ans après l'entrée en vigueur du présent article. ".
Art. VII.31. Aan artikel V.67, § 1, van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° tussen de woorden "of decretale bepalingen," en de woorden "blijven na de integratie" wordt de zinsnede "zoals die op de dag voor de overgang naar het integratiekader van toepassing waren" ingevoegd;
2° er wordt een tweede lid ingevoegd dat luidt als volgt :
"Wanneer het universiteitsbestuur in uitvoering van paragraaf 2 een eigen regeling of reglement uitgewerkt heeft, is, in afwijking van het eerste lid, deze regeling of reglement meteen van toepassing op het personeelslid dat na 1 oktober 2013 naar het integratiekader overgaat.".
1° tussen de woorden "of decretale bepalingen," en de woorden "blijven na de integratie" wordt de zinsnede "zoals die op de dag voor de overgang naar het integratiekader van toepassing waren" ingevoegd;
2° er wordt een tweede lid ingevoegd dat luidt als volgt :
"Wanneer het universiteitsbestuur in uitvoering van paragraaf 2 een eigen regeling of reglement uitgewerkt heeft, is, in afwijking van het eerste lid, deze regeling of reglement meteen van toepassing op het personeelslid dat na 1 oktober 2013 naar het integratiekader overgaat.".
Art. VII.31. A l'article V.67, § 1er, du même Code, sont apportées les modifications suivantes :
1° entre les mots " aux autres dispositions légales ou décrétales, " et les mots " restent d'application ", le membre de phrase " telles qu'elles étaient applicables au jour de la transition vers le cadre d'intégration " est inséré ;
2° il est inséré un alinéa 2, rédigé comme suit :
" Lorsque les autorités universitaires ont élaboré en exécution du paragraphe 2 leurs propres règles ou règlements, ces propres règles ou règlements sont, par dérogation à l'alinéa 1er, immédiatement d'application au membre du personnel qui est transféré au cadre d'intégration après le 1er octobre 2013. ".
1° entre les mots " aux autres dispositions légales ou décrétales, " et les mots " restent d'application ", le membre de phrase " telles qu'elles étaient applicables au jour de la transition vers le cadre d'intégration " est inséré ;
2° il est inséré un alinéa 2, rédigé comme suit :
" Lorsque les autorités universitaires ont élaboré en exécution du paragraphe 2 leurs propres règles ou règlements, ces propres règles ou règlements sont, par dérogation à l'alinéa 1er, immédiatement d'application au membre du personnel qui est transféré au cadre d'intégration après le 1er octobre 2013. ".
Art. VII.32. Aan dezelfde codex wordt een artikel V.85/1 toegevoegd dat luidt als volgt :
"Art. V.85/1. Het personeelslid heeft recht op borstvoedingspauzes op het werk conform de bepalingen die opgenomen zijn in de cao nr. 80 van de Nationale Arbeidsraad van 27 november 2001 zoals gewijzigd bij de cao nr. 80bis van 13 oktober 2010.
De periode van de borstvoedingspauze wordt bezoldigd en is gelijkgesteld met dienstactiviteit.".
"Art. V.85/1. Het personeelslid heeft recht op borstvoedingspauzes op het werk conform de bepalingen die opgenomen zijn in de cao nr. 80 van de Nationale Arbeidsraad van 27 november 2001 zoals gewijzigd bij de cao nr. 80bis van 13 oktober 2010.
De periode van de borstvoedingspauze wordt bezoldigd en is gelijkgesteld met dienstactiviteit.".
Art. VII.32. Dans le même Code, il est ajouté un article V.85/1 rédigé comme suit :
" Art. V.85/1. Le membre du personnel a droit aux pauses d'allaitement conformément aux dispositions reprises dans la CCT n° 80 du Conseil national du Travail du 27 novembre 2001 telle que modifiée par la CCT n° 80bis du 13 octobre 2010.
La période de pauses d'allaitement est rémunérée et assimilée à des activités de service. ".
" Art. V.85/1. Le membre du personnel a droit aux pauses d'allaitement conformément aux dispositions reprises dans la CCT n° 80 du Conseil national du Travail du 27 novembre 2001 telle que modifiée par la CCT n° 80bis du 13 octobre 2010.
La période de pauses d'allaitement est rémunérée et assimilée à des activités de service. ".
Art. VII.33. Aan artikel V.93, § 3, tweede lid, van dezelfde codex wordt een zin toegevoegd die luidt als volgt :
"Wanneer er tijdens de mandaatstermijn een einde komt aan het mandaat van een effectief of plaatsvervangend lid, duidt het hogeschoolbestuur een vervanger aan voor de resterende termijn van het mandaat. Dit zonder afbreuk te doen aan het vooropgestelde aantal leden die instemming moeten krijgen van het hogeschoolonderhandelingscomité.".
"Wanneer er tijdens de mandaatstermijn een einde komt aan het mandaat van een effectief of plaatsvervangend lid, duidt het hogeschoolbestuur een vervanger aan voor de resterende termijn van het mandaat. Dit zonder afbreuk te doen aan het vooropgestelde aantal leden die instemming moeten krijgen van het hogeschoolonderhandelingscomité.".
Art. VII.33. L'article V.93, § 3, alinéa 2, du même Code, est complété par une phrase, rédigée comme suit :
Lorsque, pendant la période de mandat, le mandat d'un membre effectif ou suppléant prend fin, la direction de l'institut supérieur désigne un remplaçant pour la durée restante du mandat. Et ce, sans porter préjudice au nombre envisagé de membres qui doivent obtenir l'accord du comité de négociation de l'institut supérieur. ".
Lorsque, pendant la période de mandat, le mandat d'un membre effectif ou suppléant prend fin, la direction de l'institut supérieur désigne un remplaçant pour la durée restante du mandat. Et ce, sans porter préjudice au nombre envisagé de membres qui doivent obtenir l'accord du comité de négociation de l'institut supérieur. ".
Art. VII.34. Aan artikel V.101 van dezelfde codex wordt een tweede lid toegevoegd dat luidt als volgt :
"Wanneer er tijdens de mandaatstermijn een einde komt aan het mandaat van een effectief of plaatsvervangend lid, duidt het hogeschoolbestuur een vervanger aan voor de resterende termijn van het mandaat. Dit zonder afbreuk te doen aan het vooropgestelde aantal leden die instemming moeten krijgen van het hogeschoolonderhandelingscomité. Deze aanduiding moet niet bekrachtigd worden door de Vlaamse Regering.".
"Wanneer er tijdens de mandaatstermijn een einde komt aan het mandaat van een effectief of plaatsvervangend lid, duidt het hogeschoolbestuur een vervanger aan voor de resterende termijn van het mandaat. Dit zonder afbreuk te doen aan het vooropgestelde aantal leden die instemming moeten krijgen van het hogeschoolonderhandelingscomité. Deze aanduiding moet niet bekrachtigd worden door de Vlaamse Regering.".
Art. VII.34. L'article V.101 du même Code est complété par un alinéa 2, rédigé comme suit :
Lorsque, pendant la période de mandat, le mandat d'un membre effectif ou suppléant prend fin, la direction de l'institut supérieur désigne un remplaçant pour la durée restante du mandat. Et ce, sans porter préjudice au nombre envisagé de membres qui doivent obtenir l'accord du comité de négociation de l'institut supérieur. Cette désignation ne doit pas être sanctionnée par le Gouvernement flamand. ".
Lorsque, pendant la période de mandat, le mandat d'un membre effectif ou suppléant prend fin, la direction de l'institut supérieur désigne un remplaçant pour la durée restante du mandat. Et ce, sans porter préjudice au nombre envisagé de membres qui doivent obtenir l'accord du comité de négociation de l'institut supérieur. Cette désignation ne doit pas être sanctionnée par le Gouvernement flamand. ".
Afdeling II. - Inwerkintreding
Section II. - Entrée en vigueur
Art. VII.35. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 september 2016.
Artikel VII.25 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2013.
Artikel VII.31 heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 2013.
Artikel VII.21 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2016.
Artikel VII.7, VII.9,VII.10, VII.12, VII.13, VII.14, VII.15 treden in werking op 1 oktober 2016.
Artikel VII.22, VII.23, VII.24, VII.27, VII.29 treden in werking op 1 januari 2017.
Artikel VII.25 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2013.
Artikel VII.31 heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 2013.
Artikel VII.21 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2016.
Artikel VII.7, VII.9,VII.10, VII.12, VII.13, VII.14, VII.15 treden in werking op 1 oktober 2016.
Artikel VII.22, VII.23, VII.24, VII.27, VII.29 treden in werking op 1 januari 2017.
Art. VII.35. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er septembre 2016.
L'article VII.25 produit ses effets le 1er septembre 2013.
L'article VII.31 produit ses effets le 1er octobre 2013.
L'article VII.21 produit ses effets le 1er janvier 2016.
Les articles VII.7, VII.9, VII.10, VII.12, VII.13, VII.14, VII.15 entrent en vigueur le 1er octobre 2016.
Les articles VII.22, VII.23, VII.24, VII.27, VII.29 entrent en vigueur le 1er janvier 2017.
L'article VII.25 produit ses effets le 1er septembre 2013.
L'article VII.31 produit ses effets le 1er octobre 2013.
L'article VII.21 produit ses effets le 1er janvier 2016.
Les articles VII.7, VII.9, VII.10, VII.12, VII.13, VII.14, VII.15 entrent en vigueur le 1er octobre 2016.
Les articles VII.22, VII.23, VII.24, VII.27, VII.29 entrent en vigueur le 1er janvier 2017.
HOOFDSTUK VIII. - Decreten Rechtspositie Onderwijspersoneel
CHAPITRE VIII. - Décrets Statut Personnel de l'enseignement
Afdeling I. - Decreet betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs
Section Ire. - Décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire
Art. VIII.1. In artikel 3, 10°, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs, gewijzigd bij de decreten van 15 juli 2005, 4 juli 2008 en 30 april 2009, worden de zinnen "Als het gaat om een opdracht in een ambt van het ondersteunend personeel in het gewoon- en buitengewoon secundair onderwijs vermeldt de inrichtende macht eveneens het vereiste niveau van bekwaamheidsbewijs. Als het gaat om een opdracht in een ambt van het beleids- en ondersteunend personeel in het basisonderwijs of een ambt van het ondersteunend personeel in het volwassenenonderwijs dan vermeldt de inrichtende macht eveneens het vereiste opleidingsniveau." vervangen door de volgende zin "Als het gaat om een opdracht in een ambt van het beleids- en ondersteunend personeel of in een ambt van het ondersteunend personeel dan vermeldt de inrichtende macht eveneens het vereiste opleidingsniveau en de puntenwaarde.".
Art. VIII.1. Dans l'article 3, 10°, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire, modifié par les décrets des 15 juillet 2005, 4 juillet 2008 et 30 avril 2009, les phrases " S'il s'agit d'une charge dans une fonction du personnel d'appui dans l'enseignement secondaire ordinaire et spécial, le pouvoir organisateur mentionne également le niveau requis de titre de capacité. S'il s'agit d'une charge dans une fonction du personnel de gestion et d'appui dans l'enseignement fondamental ou une fonction du personnel d'appui dans l'éducation des adultes, le pouvoir organisateur mentionne également le niveau requis de formation. " sont remplacées par la phrase suivante " S'il s'agit d'une charge dans une fonction du personnel de gestion et d'appui ou dans une fonction du personnel d'appui, le pouvoir organisateur mentionne également le niveau de formation requis et la pondération. ".
Art. VIII.2. In artikel 77quater, § 2, van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2015, wordt het punt 6° opgeheven.
Art. VIII.2. Dans l'article 77quater, § 2, du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 3 juillet 2015, le point 6° est abrogé.
Art. VIII.3. In hoofdstuk IX, afdeling II, van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2015, wordt een artikel 77octies ingevoegd dat luidt als volgt :
"Art. 77octies. Het personeelslid heeft recht op borstvoedingspauzes op het werk conform de bepalingen die opgenomen zijn in de cao nr. 80 van de Nationale Arbeidsraad van 27 november 2001 zoals gewijzigd bij de cao nr. 80bis van 13 oktober 2010. De periode van de borstvoedingspauze wordt bezoldigd en gelijkgesteld met dienstactiviteit.".
"Art. 77octies. Het personeelslid heeft recht op borstvoedingspauzes op het werk conform de bepalingen die opgenomen zijn in de cao nr. 80 van de Nationale Arbeidsraad van 27 november 2001 zoals gewijzigd bij de cao nr. 80bis van 13 oktober 2010. De periode van de borstvoedingspauze wordt bezoldigd en gelijkgesteld met dienstactiviteit.".
Art. VIII.3. Dans le chapitre IX, section II, du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 3 juillet 2015, un article 77octies est inséré et s'énonce comme suit :
" Art. 77octies. Le membre du personnel a droit aux pauses d'allaitement conformément aux dispositions reprises dans la CCT n° 80 du Conseil national du Travail du 27 novembre 2001 telle que modifiée par la CCT n° 80bis du 13 octobre 2010. La période de pauses d'allaitement est rémunérée et assimilée à des activités de service. ".
" Art. 77octies. Le membre du personnel a droit aux pauses d'allaitement conformément aux dispositions reprises dans la CCT n° 80 du Conseil national du Travail du 27 novembre 2001 telle que modifiée par la CCT n° 80bis du 13 octobre 2010. La période de pauses d'allaitement est rémunérée et assimilée à des activités de service. ".
Afdeling II. - Decreet betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding
Section II. - Décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres subventionnés d'encadrement des élèves
Art. VIII.4. In artikel 5, 12°, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, gewijzigd bij de decreten van 15 juli 2005, 4 juli 2008, 30 april 2009 en 7 mei 2009, worden de zinnen "Als het gaat om een opdracht in een ambt van het ondersteunend personeel in het gewoon- en buitengewoon secundair onderwijs vermeldt de inrichtende macht eveneens het vereiste niveau van bekwaamheidsbewijs. Als het gaat om een opdracht in een ambt van het beleids- en ondersteunend personeel in het basisonderwijs of een ambt van het ondersteunend personeel in het volwassenenonderwijs dan vermeldt de inrichtende macht eveneens het vereiste opleidingsniveau." vervangen door de volgende zin "Als het gaat om een opdracht in een ambt van het beleids- en ondersteunend personeel of in een ambt van het ondersteunend personeel dan vermeldt de inrichtende macht eveneens het vereiste opleidingsniveau en de puntenwaarde.".
Art. VIII.4. Dans l'article 5, 12°, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres subventionnés d'encadrement des élèves, modifié par les décrets des 15 juillet 2005, 4 juillet 2008, 30 avril 2009 et 7 mai 2009, les phrases " S'il s'agit d'une charge dans une fonction du personnel d'appui dans l'enseignement secondaire ordinaire et spécial, le pouvoir organisateur mentionne également le niveau requis de titre de capacité. S'il s'agit d'une charge dans une fonction du personnel de gestion et d'appui dans l'enseignement fondamental ou une fonction du personnel d'appui dans l'éducation des adultes, le pouvoir organisateur mentionne également le niveau requis de formation. " sont remplacées par la phrase suivante " S'il s'agit d'une charge dans une fonction du personnel de gestion et d'appui ou dans une fonction du personnel d'appui, le pouvoir organisateur mentionne également le niveau de formation requis et la pondération. ".
Art. VIII.5. In artikel 51quater, § 2, van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2015, wordt het punt 6° opgeheven.
Art. VIII.5. Dans l'article 51quater, § 2, du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 3 juillet 2015, le point 6° est abrogé.
Art. VIII.6. In titel II, hoofdstuk VI, afdeling 2, van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2015, wordt een artikel 51octies toegevoegd dat luidt als volgt :
"Art. 51octies. Het personeelslid heeft recht op borstvoedingspauzes op het werk conform de bepalingen die opgenomen zijn in de cao nr. 80 van de Nationale Arbeidsraad van 27 november 2001 zoals gewijzigd bij de cao nr. 80bis van 13 oktober 2010. De periode van de borstvoedingspauze wordt bezoldigd en gelijkgesteld met dienstactiviteit.".
"Art. 51octies. Het personeelslid heeft recht op borstvoedingspauzes op het werk conform de bepalingen die opgenomen zijn in de cao nr. 80 van de Nationale Arbeidsraad van 27 november 2001 zoals gewijzigd bij de cao nr. 80bis van 13 oktober 2010. De periode van de borstvoedingspauze wordt bezoldigd en gelijkgesteld met dienstactiviteit.".
Art. VIII.6. Au titre II, chapitre VI, section 2 du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 3 juillet 2015, il est ajouté un article 51octies rédigé comme suit :
" Art. 51octies. Le membre du personnel a droit aux pauses d'allaitement conformément aux dispositions reprises dans la CCT n° 80 du Conseil national du Travail du 27 novembre 2001 telle que modifiée par la CCT n° 80bis du 13 octobre 2010. La période de pauses d'allaitement est rémunérée et assimilée à des activités de service. ".
" Art. 51octies. Le membre du personnel a droit aux pauses d'allaitement conformément aux dispositions reprises dans la CCT n° 80 du Conseil national du Travail du 27 novembre 2001 telle que modifiée par la CCT n° 80bis du 13 octobre 2010. La période de pauses d'allaitement est rémunérée et assimilée à des activités de service. ".
Afdeling III. - Inwerkingtreding
Section III. - Entrée en vigueur
Art. VIII.7. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 september 2016.
Artikel VIII.2, VIII.5 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2015.
Artikel VIII.2, VIII.5 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2015.
Art. VIII.7. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er septembre 2016.
Les articles VIII.2, VIII.5 produisent leurs effets le 1er janvier 2015.
Les articles VIII.2, VIII.5 produisent leurs effets le 1er janvier 2015.
HOOFDSTUK IX. - Subsidiëring ouderkoepelverenigingen
CHAPITRE IX. - Subventionnement des associations coordinatrices de parents
Art. IX.1. Artikel 2 van het decreet van 20 juni 1996 betreffende de subsidiëring van ouderkoepelverenigingen wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 2. Voor de toepassing van dit decreet worden de volgende begrippen gebruikt :
1° expertisecentrum : het expertisecentrum zoals bedoeld in het decreet van 2 april 2004 betreffende participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad dat de uitbouw van een rationeel vormingsaanbod coördineert gericht op de implementatie van de regelgeving van titel II van voornoemd decreet;
2° ouderraad : een ouderraad zoals bedoeld in hoofdstuk III van titel II van het decreet van 2 april 2004 betreffende participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad;
3° ouderwerking : elke vorm van niet-formele ouderparticipatie op school;
4° Vlor : de Vlaamse Onderwijsraad.".
"Art. 2. Voor de toepassing van dit decreet worden de volgende begrippen gebruikt :
1° expertisecentrum : het expertisecentrum zoals bedoeld in het decreet van 2 april 2004 betreffende participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad dat de uitbouw van een rationeel vormingsaanbod coördineert gericht op de implementatie van de regelgeving van titel II van voornoemd decreet;
2° ouderraad : een ouderraad zoals bedoeld in hoofdstuk III van titel II van het decreet van 2 april 2004 betreffende participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad;
3° ouderwerking : elke vorm van niet-formele ouderparticipatie op school;
4° Vlor : de Vlaamse Onderwijsraad.".
Art. IX.1. L'article 2 du décret du 20 juin 1996 relatif au subventionnement d'associations coordinatrices de parents, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 2. Pour l'application du présent décret, les notions suivantes sont utilisées :
1° centre d'expertise : le centre d'expertise tel que visé au décret du 2 avril 2004 relatif à la participation à l'école et au " Vlaamse Onderwijsraad " qui coordonne l'élaboration d'une offre rationnelle de formation axée sur la mise en oeuvre de la réglementation du titre II du décret précité ;
2° conseil des parents : un conseil des parents visé au chapitre III du titre II du décret du 2 avril 2004 relatif à la participation à l'école et au " Vlaamse Onderwijsraad " ;
3° animation des parents : toute forme de participation des parents non formelle à l'école ;
4° Vlor : le Vlaamse Onderwijsraad (Conseil flamand de l'enseignement). ".
" Art. 2. Pour l'application du présent décret, les notions suivantes sont utilisées :
1° centre d'expertise : le centre d'expertise tel que visé au décret du 2 avril 2004 relatif à la participation à l'école et au " Vlaamse Onderwijsraad " qui coordonne l'élaboration d'une offre rationnelle de formation axée sur la mise en oeuvre de la réglementation du titre II du décret précité ;
2° conseil des parents : un conseil des parents visé au chapitre III du titre II du décret du 2 avril 2004 relatif à la participation à l'école et au " Vlaamse Onderwijsraad " ;
3° animation des parents : toute forme de participation des parents non formelle à l'école ;
4° Vlor : le Vlaamse Onderwijsraad (Conseil flamand de l'enseignement). ".
Art. IX.2. Artikel 3 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 3. Een ouderkoepelvereniging is een vereniging zonder winstoogmerk, waarvan de statuten ten minste volgende doelstellingen omvatten :
1° ouders, ouderwerkingen en ouderraden ondersteunen en begeleiden;
2° ouders, ouderwerkingen en ouderraden informeren en sensibiliseren;
3° de belangen van ouders behartigen in de Vlor en, mits operationeel, in het expertisecentrum;
4° op verzoek van de Vlaamse overheid meewerken aan de totstandkoming van het onderwijsbeleid.".
"Art. 3. Een ouderkoepelvereniging is een vereniging zonder winstoogmerk, waarvan de statuten ten minste volgende doelstellingen omvatten :
1° ouders, ouderwerkingen en ouderraden ondersteunen en begeleiden;
2° ouders, ouderwerkingen en ouderraden informeren en sensibiliseren;
3° de belangen van ouders behartigen in de Vlor en, mits operationeel, in het expertisecentrum;
4° op verzoek van de Vlaamse overheid meewerken aan de totstandkoming van het onderwijsbeleid.".
Art. IX.2. L'article 3 du même décret est remplacé par ce qui suit :
" Art. 3. Une association coordinatrice de parents est une association sans but lucratif, dont les statuts comprennent au moins les objectifs suivants :
1° soutenir et accompagner les parents, les animations des parents et les conseils des parents ;
2° informer et sensibiliser les parents, les animations des parents et les conseils des parents ;
3° défendre les intérêts des parents dans le Vlor et dans le centre d'expertise, s'il est opérationnel ;
4° collaborer à l'élaboration d'une politique d'enseignement à la demande de l'Autorité flamande. ".
" Art. 3. Une association coordinatrice de parents est une association sans but lucratif, dont les statuts comprennent au moins les objectifs suivants :
1° soutenir et accompagner les parents, les animations des parents et les conseils des parents ;
2° informer et sensibiliser les parents, les animations des parents et les conseils des parents ;
3° défendre les intérêts des parents dans le Vlor et dans le centre d'expertise, s'il est opérationnel ;
4° collaborer à l'élaboration d'une politique d'enseignement à la demande de l'Autorité flamande. ".
Art. IX.3. Artikel 4 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 4. § 1. Binnen de beschikbare begrotingskredieten verleent de Vlaamse Regering driejaarlijks een subsidieenveloppe aan elke ouderkoepelvereniging waarmee zij een beheersovereenkomst heeft afgesloten. Deze beheersovereenkomst bevat ten minste :
1° de doelstellingen en bijhorende resultaatsindicatoren;
2° de planning, rapportering en opvolging van de werkzaamheden, gebaseerd op het in paragraaf 2 gestelde;
3° de aanwending van de subsidie, gebaseerd op het in paragraaf 3 gestelde.
§ 2. De planning omvat een driejarig werkingsprogramma met overeenstemmende begroting en, jaarlijks, een actieplan met overeenstemmende begroting. Het driejarig werkingsprogramma is maximaal afgestemd op de strategische en operationele doelstellingen uit de beheersovereenkomst en bevat driejarige streefwaarden die gekoppeld zijn aan de resultaatsindicatoren. Het jaarlijks op te stellen actieplan is maximaal afgestemd op de inhoud van het driejarig werkingsprogramma, vermeldt concrete acties en bevat jaarlijkse streefwaarden die gekoppeld zijn aan de resultaatsindicatoren.
De jaarlijkse rapportering over de werking en realisatie van de strategische en operationele doelstellingen gebeurt aan de hand van een inhoudelijk verslag en van een financieel verslag. Het inhoudelijk verslag is maximaal afgestemd op de inhoud van het jaaractieplan en bevat een duidelijk overzicht van de gerealiseerde acties en de tussentijds gerealiseerde streefwaarden gekoppeld aan de resultaatsindicatoren. Het financieel verslag betreft alle inkomsten en alle uitgaven.
De periodieke opvolging van de werking gebeurt door een stuurgroep, opgericht door het Departement Onderwijs en Vorming van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming.
§ 3. De subsidie kan worden aangewend voor het dekken van enerzijds exploitatie- en werkingskosten en anderzijds voor personeelskosten. Van de subsidie kunnen geen andere reserves worden aangelegd dan voor het sociaal passief ter bezoldiging van prestaties, gerelateerd aan deze subsidie, van personeelsleden.".
"Art. 4. § 1. Binnen de beschikbare begrotingskredieten verleent de Vlaamse Regering driejaarlijks een subsidieenveloppe aan elke ouderkoepelvereniging waarmee zij een beheersovereenkomst heeft afgesloten. Deze beheersovereenkomst bevat ten minste :
1° de doelstellingen en bijhorende resultaatsindicatoren;
2° de planning, rapportering en opvolging van de werkzaamheden, gebaseerd op het in paragraaf 2 gestelde;
3° de aanwending van de subsidie, gebaseerd op het in paragraaf 3 gestelde.
§ 2. De planning omvat een driejarig werkingsprogramma met overeenstemmende begroting en, jaarlijks, een actieplan met overeenstemmende begroting. Het driejarig werkingsprogramma is maximaal afgestemd op de strategische en operationele doelstellingen uit de beheersovereenkomst en bevat driejarige streefwaarden die gekoppeld zijn aan de resultaatsindicatoren. Het jaarlijks op te stellen actieplan is maximaal afgestemd op de inhoud van het driejarig werkingsprogramma, vermeldt concrete acties en bevat jaarlijkse streefwaarden die gekoppeld zijn aan de resultaatsindicatoren.
De jaarlijkse rapportering over de werking en realisatie van de strategische en operationele doelstellingen gebeurt aan de hand van een inhoudelijk verslag en van een financieel verslag. Het inhoudelijk verslag is maximaal afgestemd op de inhoud van het jaaractieplan en bevat een duidelijk overzicht van de gerealiseerde acties en de tussentijds gerealiseerde streefwaarden gekoppeld aan de resultaatsindicatoren. Het financieel verslag betreft alle inkomsten en alle uitgaven.
De periodieke opvolging van de werking gebeurt door een stuurgroep, opgericht door het Departement Onderwijs en Vorming van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming.
§ 3. De subsidie kan worden aangewend voor het dekken van enerzijds exploitatie- en werkingskosten en anderzijds voor personeelskosten. Van de subsidie kunnen geen andere reserves worden aangelegd dan voor het sociaal passief ter bezoldiging van prestaties, gerelateerd aan deze subsidie, van personeelsleden.".
Art. IX.3. L'article 4 du même décret est remplacé par ce qui suit :
" Art. 4. § 1er. Dans les limites des crédits budgétaires disponibles, le Gouvernement flamand accorde, tous les trois ans, une enveloppe subventionnelle à toute association coordinatrice de parents avec laquelle il a conclu un contrat de gestion. Ce contrat de gestion comprend au moins :
1° les objectifs et les indicateurs de résultats correspondants ;
2° la planification, le rapportage et le suivi des activités, basés sur la disposition au paragraphe 2 ;
3° l'affectation de la subvention, basée sur la disposition au paragraphe 3.
§ 2. La planification comprend un programme d'activités triennal avec le budget correspondant et un plan d'action annuel avec le budget correspondant. Le programme d'activités triennal est aligné au mieux sur les objectifs stratégiques et opérationnels du contrat de gestion et comprend des valeurs cibles triennales liées aux indicateurs de résultats. Le plan d'action annuel est aligné au mieux sur le contenu du programme d'activités triennal, mentionne des actions concrètes et comprend des valeurs cibles annuelles liées aux indicateurs de résultats.
Le rapportage annuel sur le fonctionnement et la réalisation des objectifs stratégiques et opérationnels se fait à l'aide d'un rapport de fond et un rapport financier. Le rapport de fond est aligné au maximum sur le contenu du plan d'action annuel et comprend un aperçu clair tant des actions que des valeurs cibles liées aux indicateurs de résultats qui ont été réalisées dans l'intervalle. Le rapport financier concerne tous les revenus et toutes les dépenses.
Le suivi périodique du fonctionnement se fait par un comité directeur créé par le Département de l'Enseignement et de la Formation du Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation.
§ 3. La subvention peut être affectée à la couverture des frais d'exploitation et de fonctionnement d'une part et des frais de personnel d'autre part. De la subvention, des réserves peuvent uniquement être constituées pour le passif social destiné à couvrir la rémunération des prestations liées à cette subvention, fournies par des membres du personnel. ".
" Art. 4. § 1er. Dans les limites des crédits budgétaires disponibles, le Gouvernement flamand accorde, tous les trois ans, une enveloppe subventionnelle à toute association coordinatrice de parents avec laquelle il a conclu un contrat de gestion. Ce contrat de gestion comprend au moins :
1° les objectifs et les indicateurs de résultats correspondants ;
2° la planification, le rapportage et le suivi des activités, basés sur la disposition au paragraphe 2 ;
3° l'affectation de la subvention, basée sur la disposition au paragraphe 3.
§ 2. La planification comprend un programme d'activités triennal avec le budget correspondant et un plan d'action annuel avec le budget correspondant. Le programme d'activités triennal est aligné au mieux sur les objectifs stratégiques et opérationnels du contrat de gestion et comprend des valeurs cibles triennales liées aux indicateurs de résultats. Le plan d'action annuel est aligné au mieux sur le contenu du programme d'activités triennal, mentionne des actions concrètes et comprend des valeurs cibles annuelles liées aux indicateurs de résultats.
Le rapportage annuel sur le fonctionnement et la réalisation des objectifs stratégiques et opérationnels se fait à l'aide d'un rapport de fond et un rapport financier. Le rapport de fond est aligné au maximum sur le contenu du plan d'action annuel et comprend un aperçu clair tant des actions que des valeurs cibles liées aux indicateurs de résultats qui ont été réalisées dans l'intervalle. Le rapport financier concerne tous les revenus et toutes les dépenses.
Le suivi périodique du fonctionnement se fait par un comité directeur créé par le Département de l'Enseignement et de la Formation du Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation.
§ 3. La subvention peut être affectée à la couverture des frais d'exploitation et de fonctionnement d'une part et des frais de personnel d'autre part. De la subvention, des réserves peuvent uniquement être constituées pour le passif social destiné à couvrir la rémunération des prestations liées à cette subvention, fournies par des membres du personnel. ".
Art. IX.4. Artikel 5 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 5. De beschikbare begrotingskredieten worden als volgt verdeeld over de ouderkoepelverenigingen :
1° een vast bedrag van 16% van de beschikbare kredieten wordt als sokkel gelijkmatig verdeeld;
2° het resterende bedrag wordt lineair verdeeld naar rato van het aantal regelmatige leerlingen in het basis- en het secundair onderwijs dat het onderwijsnet waartoe de ouderkoepelvereniging behoort en die geteld worden op 1 februari van het jaar dat voorafgaat aan de driejarige subsidieperiode.
Voor de toepassing van deze bepaling zijn "onderwijsnetten" : het gemeenschapsonderwijs, het gesubsidieerd officieel onderwijs, het gesubsidieerd vrij onderwijs.".
"Art. 5. De beschikbare begrotingskredieten worden als volgt verdeeld over de ouderkoepelverenigingen :
1° een vast bedrag van 16% van de beschikbare kredieten wordt als sokkel gelijkmatig verdeeld;
2° het resterende bedrag wordt lineair verdeeld naar rato van het aantal regelmatige leerlingen in het basis- en het secundair onderwijs dat het onderwijsnet waartoe de ouderkoepelvereniging behoort en die geteld worden op 1 februari van het jaar dat voorafgaat aan de driejarige subsidieperiode.
Voor de toepassing van deze bepaling zijn "onderwijsnetten" : het gemeenschapsonderwijs, het gesubsidieerd officieel onderwijs, het gesubsidieerd vrij onderwijs.".
Art. IX.4. L'article 5 du même décret est remplacé par ce qui suit :
" Art. 5. Les crédits budgétaires disponibles sont ventilés comme suit sur les associations coordinatrices de parents :
1° un montant fixe de 16% des crédits disponibles sert de socle et est uniformément répartie ;
2° le montant restant est réparti de manière linéaire au prorata du nombre d'élèves réguliers dans l'enseignement fondamental et secondaire que compte le réseau d'enseignement auquel appartient l'association coordinatrice de parents au 1er février de l'année qui précède la période de subventionnement triennal.
Pour l'application de la présente disposition, par réseaux d'enseignement on entend : l'enseignement communautaire, l'enseignement officiel subventionné, l'enseignement libre subventionné. ".
" Art. 5. Les crédits budgétaires disponibles sont ventilés comme suit sur les associations coordinatrices de parents :
1° un montant fixe de 16% des crédits disponibles sert de socle et est uniformément répartie ;
2° le montant restant est réparti de manière linéaire au prorata du nombre d'élèves réguliers dans l'enseignement fondamental et secondaire que compte le réseau d'enseignement auquel appartient l'association coordinatrice de parents au 1er février de l'année qui précède la période de subventionnement triennal.
Pour l'application de la présente disposition, par réseaux d'enseignement on entend : l'enseignement communautaire, l'enseignement officiel subventionné, l'enseignement libre subventionné. ".
Art. IX.5. Artikel 5/1 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art. IX.5. L'article 5/1 du même décret est abrogé.
Art. IX.6. Artikel 7 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 7. De jaarlijkse subsidie wordt uitbetaald in twee schijven :
1° 80% na de goedkeuring van de planning van de werkzaamheden en de begroting voor het betreffende werkingsjaar en uiterlijk 1 maart van dat werkingsjaar;
2° 20% na de goedkeuring van de rapportering van de werkzaamheden en het financieel verslag betreffende het werkingsjaar.".
"Art. 7. De jaarlijkse subsidie wordt uitbetaald in twee schijven :
1° 80% na de goedkeuring van de planning van de werkzaamheden en de begroting voor het betreffende werkingsjaar en uiterlijk 1 maart van dat werkingsjaar;
2° 20% na de goedkeuring van de rapportering van de werkzaamheden en het financieel verslag betreffende het werkingsjaar.".
Art. IX.6. L'article 7 du même décret est remplacé par ce qui suit :
" Art. 7. La subvention annuelle est versée en deux tranches :
1° 80% après l'approbation de la planification des activités et du budget pour l'année d'activité en question et au plus tard le 1er mars de cette année d'activité ;
2° 20% après l'approbation du rapportage des activités et du rapport financier sur l'année d'activité. ".
" Art. 7. La subvention annuelle est versée en deux tranches :
1° 80% après l'approbation de la planification des activités et du budget pour l'année d'activité en question et au plus tard le 1er mars de cette année d'activité ;
2° 20% après l'approbation du rapportage des activités et du rapport financier sur l'année d'activité. ".
Art. IX.7. Artikel 8 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art. IX.7. L'article 8 du même décret est abrogé.
Art. IX.8. Het besluit van de Vlaamse Regering van 22 september 2006 betreffende de subsidiëring van ouderkoepelverenigingen wordt opgeheven.
Art. IX.8. L'arrêté du Gouvernement flamand du 22 septembre 2006 relatif au subventionnement d'associations coordinatrices de parents est abrogé.
Art. IX.9. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 september 2016.
Art. IX.9. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er septembre 2016.
HOOFDSTUK X. - Diverse decreten
CHAPITRE X. - Divers décrets
Afdeling I. - Decreten betreffende het onderwijs
Section Ire. - Décrets relatif à l'enseignement
Art. X.1. In artikel 67 van het decreet van 8 juli 1996 betreffende het onderwijs VII, vervangen bij het decreet van 19 juli 2013 en gewijzigd bij het decreet van 25 april 2014, worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 2 wordt opgeheven;
2° paragraaf 3 tot en met 6 worden hernummerd tot paragraaf 2 tot en met 5;
3° in paragraaf 3, die hernummerd wordt tot paragraaf 2, worden volgende wijzigingen aangebracht :
a) punt 1° wordt opgeheven;
b) punt 2° tot en met 4° worden hernummerd tot punt 1° tot en met 3° ;
c) er wordt een punt 4° toegevoegd dat luidt als volgt :
"4° de definitie van de doelgroep.";
4° paragraaf 4, die hernummerd wordt tot paragraaf 3, wordt vervangen door wat volgt :
" § 3. Indien deze speciale onderwijsleermiddelen, vermeld in paragraaf 1, de vorm aannemen van tolken Vlaamse gebarentaal of schrijftolken, dan verleent de Vlaamse Regering voor de realisatie van deze tolkuren een subsidie aan een centraal tolkenbureau, die bestaat uit enerzijds werkingsmiddelen voor dit tolkenbureau en anderzijds lonen en verplaatsingskosten voor de tolken. De Vlaamse Regering bepaalt de verdere voorwaarden voor de werking van dit tolkenbureau.";
5° in paragraaf 6, die hernummerd wordt tot paragraaf 5, wordt het cijfer "5" vervangen door het cijfer "4".
1° paragraaf 2 wordt opgeheven;
2° paragraaf 3 tot en met 6 worden hernummerd tot paragraaf 2 tot en met 5;
3° in paragraaf 3, die hernummerd wordt tot paragraaf 2, worden volgende wijzigingen aangebracht :
a) punt 1° wordt opgeheven;
b) punt 2° tot en met 4° worden hernummerd tot punt 1° tot en met 3° ;
c) er wordt een punt 4° toegevoegd dat luidt als volgt :
"4° de definitie van de doelgroep.";
4° paragraaf 4, die hernummerd wordt tot paragraaf 3, wordt vervangen door wat volgt :
" § 3. Indien deze speciale onderwijsleermiddelen, vermeld in paragraaf 1, de vorm aannemen van tolken Vlaamse gebarentaal of schrijftolken, dan verleent de Vlaamse Regering voor de realisatie van deze tolkuren een subsidie aan een centraal tolkenbureau, die bestaat uit enerzijds werkingsmiddelen voor dit tolkenbureau en anderzijds lonen en verplaatsingskosten voor de tolken. De Vlaamse Regering bepaalt de verdere voorwaarden voor de werking van dit tolkenbureau.";
5° in paragraaf 6, die hernummerd wordt tot paragraaf 5, wordt het cijfer "5" vervangen door het cijfer "4".
Art. X.1. A l'article 67 du décret du 8 juillet 1996 relatif à l'enseignement VII, remplacé par le décret du 19 juillet 2013 et modifié par le décret du 25 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 2 est abrogé ;
2° les paragraphes 3 à 6 sont renumérotés paragraphes 2 à 5 ;
3° au paragraphe 3, qui est renuméroté paragraphe 2, les modifications suivantes sont apportées :
a) le point 1° est abrogé ;
b) les points 2° à 4 sont renumérotés points 1° à 3° ;
c) il est ajouté un point 4° ainsi rédigé :
" 4° la définition du groupe-cible. " ;
4° le paragraphe 4, renuméroté paragraphe 3, est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Si ces moyens spéciaux d'aide à l'enseignement, visés au paragraphe 1er, prennent la forme d'interprètes Langage gestuel flamand ou d'interprètes écrits, le Gouvernement flamand octroie, pour la réalisation de ces heures d'interprétation, à une agence centrale d'interprétation une subvention qui consiste, d'une part, de moyens de fonctionnement pour cette agence d'interprètes et, d'autre part, de traitements et de frais de déplacement pour les interprètes. Le Gouvernement flamand arrête les modalités de fonctionnement de cette agence d'interprétation. " ;
5° dans le paragraphe 6, renuméroté paragraphe 5, le chiffre " 5 " est remplacé par le chiffre " 4 ".
1° le paragraphe 2 est abrogé ;
2° les paragraphes 3 à 6 sont renumérotés paragraphes 2 à 5 ;
3° au paragraphe 3, qui est renuméroté paragraphe 2, les modifications suivantes sont apportées :
a) le point 1° est abrogé ;
b) les points 2° à 4 sont renumérotés points 1° à 3° ;
c) il est ajouté un point 4° ainsi rédigé :
" 4° la définition du groupe-cible. " ;
4° le paragraphe 4, renuméroté paragraphe 3, est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Si ces moyens spéciaux d'aide à l'enseignement, visés au paragraphe 1er, prennent la forme d'interprètes Langage gestuel flamand ou d'interprètes écrits, le Gouvernement flamand octroie, pour la réalisation de ces heures d'interprétation, à une agence centrale d'interprétation une subvention qui consiste, d'une part, de moyens de fonctionnement pour cette agence d'interprètes et, d'autre part, de traitements et de frais de déplacement pour les interprètes. Le Gouvernement flamand arrête les modalités de fonctionnement de cette agence d'interprétation. " ;
5° dans le paragraphe 6, renuméroté paragraphe 5, le chiffre " 5 " est remplacé par le chiffre " 4 ".
Art. X.2. In artikel X.35 van het decreet betreffende het onderwijs XIV van 14 februari 2003, gewijzigd bij de decreten van 7 juli 2006, 22 juni 2007, 4 juli 2008, 8 mei 2009, 9 juli 2010 en 1 juli 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° er wordt een punt 2° bis ingevoegd dat luidt als volgt :
"2° bis het koninklijk besluit van 18 april 1967 tot regeling van de wijze waarop het aantal opvoeders in het Rijksonderwijs wordt berekend;";
2° er wordt een punt 5° quinquies/1 ingevoegd dat luidt als volgt :
"5° quinquies/1 het koninklijk besluit nr. 184 van 30 december 1982 tot vaststelling van de wijze waarop voor de Rijksinstituten voor buitengewoon onderwijs en de tehuizen van het Rijk de ambten worden bepaald van het paramedisch personeel en van het personeel toegekend in het kader van het internaat;";
3° er wordt een punt 5° sexies/1 ingevoegd dat luidt als volgt :
"5° sexies/1 het koninklijk besluit nr. 456 van 10 september 1986 houdende rationalisatie en programmatie van de internaten van het door de Staat georganiseerde of gesubsidieerde onderwijs;";
4° er wordt een punt 42° bis ingevoegd dat luidt als volgt :
"42° bis het decreet van 6 juni 2008 houdende het instellen van een rookverbod in onderwijsinstellingen en centra voor leerlingenbegeleiding;";
5° er worden een punt 48° tot en met 53° toegevoegd die luiden als volgt :
"48° het decreet betreffende het onderwijs XXII;
49° het decreet betreffende het onderwijs XXIII;
50° het decreet betreffende het onderwijs XXIV;
51° het decreet betreffende het onderwijs XXV;
52° het decreet van 21 maart 2014 betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften;
53° het decreet betreffende het onderwijs XXVI;".
1° er wordt een punt 2° bis ingevoegd dat luidt als volgt :
"2° bis het koninklijk besluit van 18 april 1967 tot regeling van de wijze waarop het aantal opvoeders in het Rijksonderwijs wordt berekend;";
2° er wordt een punt 5° quinquies/1 ingevoegd dat luidt als volgt :
"5° quinquies/1 het koninklijk besluit nr. 184 van 30 december 1982 tot vaststelling van de wijze waarop voor de Rijksinstituten voor buitengewoon onderwijs en de tehuizen van het Rijk de ambten worden bepaald van het paramedisch personeel en van het personeel toegekend in het kader van het internaat;";
3° er wordt een punt 5° sexies/1 ingevoegd dat luidt als volgt :
"5° sexies/1 het koninklijk besluit nr. 456 van 10 september 1986 houdende rationalisatie en programmatie van de internaten van het door de Staat georganiseerde of gesubsidieerde onderwijs;";
4° er wordt een punt 42° bis ingevoegd dat luidt als volgt :
"42° bis het decreet van 6 juni 2008 houdende het instellen van een rookverbod in onderwijsinstellingen en centra voor leerlingenbegeleiding;";
5° er worden een punt 48° tot en met 53° toegevoegd die luiden als volgt :
"48° het decreet betreffende het onderwijs XXII;
49° het decreet betreffende het onderwijs XXIII;
50° het decreet betreffende het onderwijs XXIV;
51° het decreet betreffende het onderwijs XXV;
52° het decreet van 21 maart 2014 betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften;
53° het decreet betreffende het onderwijs XXVI;".
Art. X.2. A l'article X.35 du décret du 14 février 2003 relatif à l'enseignement XIV, modifié par les décrets des 7 juillet 2006, 22 juin 2007, 4 juillet 2008, 8 mai 2009, 9 juillet 2010 et 1er juillet 2011, sont apportées les modifications suivantes :
1° il est inséré un point 2° bis, rédigé comme suit :
" 2° bis l'arrêté royal du 18 avril 1967 fixant les règles de calcul du nombre d'éducateurs dans l'enseignement de l'Etat ; " ;
2° il est inséré un point 5° quinquies/1, rédigé comme suit :
" 5° quinquies/1 l'arrêté royal n° 184 du 30 décembre 1982 fixant la façon de déterminer, pour les instituts d'enseignement spécial de l'Etat et les homes de l'Etat, les fonctions du personnel paramédical et du personnel attribué dans le cadre de leur internat ; " ;
3° il est inséré un point 5° sexies/1, rédigé comme suit :
" 5° sexies/1 l'arrêté royal n° 456 du 10 septembre 1986 portant rationalisation et programmation des internats de l'enseignement organisé ou subventionné par l'Etat ; " ;
4° il est inséré un point 42° bis, rédigé comme suit :
" 42° bis le décret du 6 juin 2008 instituant une interdiction de fumer dans les établissements d'enseignement et les centres d'encadrement des élèves ; " ;
5° il est ajoute des points 48° à 53° libellés comme suit :
" 48° le décret relatif à l'enseignement XXII ;
49° le décret relatif à l'enseignement XXIII ;
50° le décret relatif à l'enseignement XXIV ;
51° le décret relatif à l'enseignement XXV ;
52° le décret du 21 mars 2014 relatif à des mesures pour les élèves à besoins éducatifs spécifiques ;
53° le décret relatif à l'enseignement XXVI ; ".
1° il est inséré un point 2° bis, rédigé comme suit :
" 2° bis l'arrêté royal du 18 avril 1967 fixant les règles de calcul du nombre d'éducateurs dans l'enseignement de l'Etat ; " ;
2° il est inséré un point 5° quinquies/1, rédigé comme suit :
" 5° quinquies/1 l'arrêté royal n° 184 du 30 décembre 1982 fixant la façon de déterminer, pour les instituts d'enseignement spécial de l'Etat et les homes de l'Etat, les fonctions du personnel paramédical et du personnel attribué dans le cadre de leur internat ; " ;
3° il est inséré un point 5° sexies/1, rédigé comme suit :
" 5° sexies/1 l'arrêté royal n° 456 du 10 septembre 1986 portant rationalisation et programmation des internats de l'enseignement organisé ou subventionné par l'Etat ; " ;
4° il est inséré un point 42° bis, rédigé comme suit :
" 42° bis le décret du 6 juin 2008 instituant une interdiction de fumer dans les établissements d'enseignement et les centres d'encadrement des élèves ; " ;
5° il est ajoute des points 48° à 53° libellés comme suit :
" 48° le décret relatif à l'enseignement XXII ;
49° le décret relatif à l'enseignement XXIII ;
50° le décret relatif à l'enseignement XXIV ;
51° le décret relatif à l'enseignement XXV ;
52° le décret du 21 mars 2014 relatif à des mesures pour les élèves à besoins éducatifs spécifiques ;
53° le décret relatif à l'enseignement XXVI ; ".
Afdeling II. - Decreet betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding
Section II. - Décret relatif aux centres d'encadrement des élèves
Art. X.3. In artikel 20 van het decreet betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding van 1 december 1998 wordt een paragraaf 3 toegevoegd die luidt als volgt :
" § 3. De Vlaamse Regering kan binnen de beschikbare kredieten jaarlijks een forfaitaire subsidie verlenen aan het Gemeenschapsonderwijs en elke representatieve vereniging van de besturen van de centra voor leerlingenbegeleiding van het gesubsidieerd onderwijs. Deze subsidies strekken ertoe begeleiding en ondersteuning te bieden aan alle centra voor leerlingenbegeleiding bij de uitvoering van hun opdracht als vermeld in artikel 20, § 1.
De Vlaamse Regering bepaalt :
1° de voorwaarden waaronder de subsidie kan worden toegekend;
2° de aanwendingsmogelijkheden van de subsidie, waaronder alleszins de verplichting dat de diverse begunstigden van deze subsidie de ontvangen middelen moeten samenleggen met het oog op optimale en efficiënte besteding;
3° de controle op de aanwending.''.
" § 3. De Vlaamse Regering kan binnen de beschikbare kredieten jaarlijks een forfaitaire subsidie verlenen aan het Gemeenschapsonderwijs en elke representatieve vereniging van de besturen van de centra voor leerlingenbegeleiding van het gesubsidieerd onderwijs. Deze subsidies strekken ertoe begeleiding en ondersteuning te bieden aan alle centra voor leerlingenbegeleiding bij de uitvoering van hun opdracht als vermeld in artikel 20, § 1.
De Vlaamse Regering bepaalt :
1° de voorwaarden waaronder de subsidie kan worden toegekend;
2° de aanwendingsmogelijkheden van de subsidie, waaronder alleszins de verplichting dat de diverse begunstigden van deze subsidie de ontvangen middelen moeten samenleggen met het oog op optimale en efficiënte besteding;
3° de controle op de aanwending.''.
Art. X.3. L'article 20 du décret du 1er décembre 1998 relatifs aux centres d'encadrement des élèves est complété par un paragraphe 3, rédigé comme suit :
" § 3. Dans les limites des crédits budgétaires disponibles, le Gouvernement flamand peut octroyer une subvention forfaitaire annuelle à l'Enseignement communautaire et à toute association représentative des autorités des centres d'encadrement des élèves de l'enseignement subventionné. Ces subventions visent à fournir un soutien et un accompagnement à tous les centres d'encadrement des élèves pour l'exécution de leur mission, telle que visée à l'article 20, § 1er.
Le Gouvernement flamand fixe :
1° les conditions auxquelles cette subvention peut être accordée ;
2° les possibilités d'affectation de la subvention, parmi lesquelles en tout cas l'obligation que les différents bénéficiaires de cette subvention doivent mettre en commun les moyens reçus en vue d'une affectation optimale et efficace ;
3° le contrôle de l'affectation. ".
" § 3. Dans les limites des crédits budgétaires disponibles, le Gouvernement flamand peut octroyer une subvention forfaitaire annuelle à l'Enseignement communautaire et à toute association représentative des autorités des centres d'encadrement des élèves de l'enseignement subventionné. Ces subventions visent à fournir un soutien et un accompagnement à tous les centres d'encadrement des élèves pour l'exécution de leur mission, telle que visée à l'article 20, § 1er.
Le Gouvernement flamand fixe :
1° les conditions auxquelles cette subvention peut être accordée ;
2° les possibilités d'affectation de la subvention, parmi lesquelles en tout cas l'obligation que les différents bénéficiaires de cette subvention doivent mettre en commun les moyens reçus en vue d'une affectation optimale et efficace ;
3° le contrôle de l'affectation. ".
Afdeling III. - Decreet betreffende de gelijke onderwijskansen
Section III. - Décret relatif à l'égalité des chances en éducation
Art. X.4. In artikel IV.7 van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijkeonderwijskansen-I, gewijzigd bij de decreten van 25 november 2011 en 21 maart 2014, worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 2 wordt een punt 8° toegevoegd dat luidt als volgt :
"8° lidmaatschap van de Vlaamse Bemiddelingscommissie";
2° in paragraaf 4 wordt de zinsnede "artikel 37undecies van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 110/11 van de Codex Secundair Onderwijs" vervangen door de zinsnede "artikel 37undecies, § 2 en § 3, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 110/11, § 2 en § 3, van de Codex Secundair Onderwijs";
3° in paragraaf 4 wordt een zin toegevoegd die luidt als volgt :
"Deze leden zetelen met een raadgevend mandaat.".
1° in paragraaf 2 wordt een punt 8° toegevoegd dat luidt als volgt :
"8° lidmaatschap van de Vlaamse Bemiddelingscommissie";
2° in paragraaf 4 wordt de zinsnede "artikel 37undecies van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 110/11 van de Codex Secundair Onderwijs" vervangen door de zinsnede "artikel 37undecies, § 2 en § 3, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 110/11, § 2 en § 3, van de Codex Secundair Onderwijs";
3° in paragraaf 4 wordt een zin toegevoegd die luidt als volgt :
"Deze leden zetelen met een raadgevend mandaat.".
Art. X.4. A l'article IV.7 du décret du 28 juin 2002 relatif à l'égalité des chances en éducation-I, modifié par les décrets des 25 novembre 2011 et 21 mars 2014, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 2, il est ajouté un point 8°, rédigé comme suit :
" 8° l'affiliation à la Vlaamse Bemiddelingscommissie (Commission de médiation flamande) " ;
2° dans le paragraphe 4, le membre de phrase " de l'article 37undecies du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental et de l'article 110/11 du Code de l'Enseignement secondaire " est remplacé par le membre de phrase " de l'article 37undecies, §§ 2 et 3, du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental et de l'article 110/11, §§ 2 et 3, du Code de l'Enseignement secondaire " ;
3° au paragraphe 4 est ajoutée une phrase rédigée comme suit :
" Ces membres ont un mandat consultatif. ".
1° au paragraphe 2, il est ajouté un point 8°, rédigé comme suit :
" 8° l'affiliation à la Vlaamse Bemiddelingscommissie (Commission de médiation flamande) " ;
2° dans le paragraphe 4, le membre de phrase " de l'article 37undecies du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental et de l'article 110/11 du Code de l'Enseignement secondaire " est remplacé par le membre de phrase " de l'article 37undecies, §§ 2 et 3, du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental et de l'article 110/11, §§ 2 et 3, du Code de l'Enseignement secondaire " ;
3° au paragraphe 4 est ajoutée une phrase rédigée comme suit :
" Ces membres ont un mandat consultatif. ".
Afdeling IV. - Decreet betreffende de organisatie van tijdelijke projecten
Section IV. - Décret relatif à l'organisation de projets temporaires
Art. X.5. In artikel 2 van het decreet van 9 december 2005 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het onderwijs wordt een punt 7° toegevoegd dat luidt als volgt :
"7° voor wat de leertijd betreft : de gesubsidieerde centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen;".
"7° voor wat de leertijd betreft : de gesubsidieerde centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen;".
Art. X.5. A l'article 2 du décret du 9 décembre 2005 relatif à l'organisation de projets temporaires dans l'enseignement, il est ajouté un point 7°, rédigé comme suit :
" 7° pour ce qui est de l'apprentissage : aux centres subventionnés de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises ; ".
" 7° pour ce qui est de l'apprentissage : aux centres subventionnés de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises ; ".
Art. X.6. In artikel 3 van hetzelfde decreet wordt een paragraaf 4 toegevoegd die luidt als volgt :
" § 4. De Vlaamse Regering kan een tijdelijk project vroegtijdig beëindigen indien de doelstelling(en) ervan minder relevant of niet meer relevant zijn geworden. Beëindiging kan enkel bij het einde van een schooljaar en mits de studievoortgang van de betrokken leerlingen niet in het gedrang wordt gebracht. De scholen en centra die aan het tijdelijke project deelnemen, worden op een uiterste datum te bepalen door de Vlaamse Regering van deze beëindiging op de hoogte gebracht.".
" § 4. De Vlaamse Regering kan een tijdelijk project vroegtijdig beëindigen indien de doelstelling(en) ervan minder relevant of niet meer relevant zijn geworden. Beëindiging kan enkel bij het einde van een schooljaar en mits de studievoortgang van de betrokken leerlingen niet in het gedrang wordt gebracht. De scholen en centra die aan het tijdelijke project deelnemen, worden op een uiterste datum te bepalen door de Vlaamse Regering van deze beëindiging op de hoogte gebracht.".
Art. X.6. L'article 3 du même décret est complété par un paragraphe 4, rédigé comme suit :
" § 4. Le Gouvernement flamand peut décider d'arrêter prématurément un projet temporaire si son (ses) objectif(s) sont devenus moins pertinents ou ne sont plus pertinents. L'arrêt d'un projet n'est possible qu'à la fin de l'année scolaire et étant entendu que la progression des études des élèves concernés ne soit pas compromise. Les écoles et les centres participant au projet temporaire sont informés de cet arrêt à une date limite à déterminer par le Gouvernement flamand. ".
" § 4. Le Gouvernement flamand peut décider d'arrêter prématurément un projet temporaire si son (ses) objectif(s) sont devenus moins pertinents ou ne sont plus pertinents. L'arrêt d'un projet n'est possible qu'à la fin de l'année scolaire et étant entendu que la progression des études des élèves concernés ne soit pas compromise. Les écoles et les centres participant au projet temporaire sont informés de cet arrêt à une date limite à déterminer par le Gouvernement flamand. ".
Afdeling V. - Decreet betreffende de studiefinanciering
Section V. - Décret relatif à l'aide financière aux études
Art. X.7. In artikel 8 van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, gewijzigd door het decreet van 21 december 2012, wordt het eerste lid aangevuld met de volgende zin :
"De afdeling Studietoelagen kan eveneens gegevens uitwisselen met de voor studiefinanciering bevoegde overheden uit het buitenland, voor zover deze informatieuitwisseling noodzakelijk is voor de toepassing van de buitenlandse regelgeving en berust op een schriftelijk afsprakenkader tussen de betrokken overheidsdiensten, met inachtname van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.".
"De afdeling Studietoelagen kan eveneens gegevens uitwisselen met de voor studiefinanciering bevoegde overheden uit het buitenland, voor zover deze informatieuitwisseling noodzakelijk is voor de toepassing van de buitenlandse regelgeving en berust op een schriftelijk afsprakenkader tussen de betrokken overheidsdiensten, met inachtname van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.".
Art. X.7. A l'article 8 du décret du 8 juin 2007 relatif à l'aide financière aux études de la Communauté flamande, modifié par le décret du 21 décembre 2012, l'alinéa 1er est complété par la phrase suivante :
" La Division des Allocations d'Etudes peut également échanger des données avec les autorités compétentes pour l'aide financière aux études à l'étranger, pour autant que cet échange d'informations soit nécessaire pour l'application de la réglementation étrangère et s'inscrit dans un cadre d'accords écrit entre les services publics concernés, dans le respect de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel. ".
" La Division des Allocations d'Etudes peut également échanger des données avec les autorités compétentes pour l'aide financière aux études à l'étranger, pour autant que cet échange d'informations soit nécessaire pour l'application de la réglementation étrangère et s'inscrit dans un cadre d'accords écrit entre les services publics concernés, dans le respect de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel. ".
Art. X.8. In artikel 30, § 2, van hetzelfde decreet, wordt in punt 1° de zin "Hierbij wint de Vlaamse Regering het advies in van het Agentschap voor Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming." opgeheven.
Art. X.8. Dans l'article 30, § 2, du même décret, la phrase " Pour parvenir à cette conclusion, le Gouvernement flamand demande l'avis de l'Agentschap voor Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming (Agence pour la Gestion de la Qualité dans l'Enseignement et la Formation) " dans le point 1° est abrogée.
Art. X.9. In artikel 34, § 1, van hetzelfde decreet wordt het punt 2° vervangen door wat volgt :
"2° de leefeenheid waar de leerling of student ingevolge een gerechtelijke uitspraak of een tussenkomst van een publiekrechtelijke overheid of instelling fiscaal ten laste is van een andere natuurlijke persoon dan de ouders van wie zijn afstamming vaststaat, of de leefeenheid waar de leerling of student minstens drie jaar zijn hoofdverblijfplaats heeft bij of fiscaal ten laste is van een andere natuurlijke persoon dan een of beide ouders van wie zijn afstamming vaststaat;".
"2° de leefeenheid waar de leerling of student ingevolge een gerechtelijke uitspraak of een tussenkomst van een publiekrechtelijke overheid of instelling fiscaal ten laste is van een andere natuurlijke persoon dan de ouders van wie zijn afstamming vaststaat, of de leefeenheid waar de leerling of student minstens drie jaar zijn hoofdverblijfplaats heeft bij of fiscaal ten laste is van een andere natuurlijke persoon dan een of beide ouders van wie zijn afstamming vaststaat;".
Art. X.9. Dans l'article 34, § 1er, du même décret, le point 2° est remplacé par la disposition suivante :
" 2° l'unité de vie dans laquelle l'élève ou l'étudiant, par suite d'une décision de justice ou d'une intervention d'une autre autorité ou institution de droit public, est fiscalement à charge d'une personne physique autre que les parents dont la filiation est établie, ou l'unité de vie dans laquelle l'étudiant a sa résidence principale pendant au moins trois ans ou est fiscalement à charge d'une personne physique autre qu'un des deux ou les deux parents dont la filiation est établie ; ".
" 2° l'unité de vie dans laquelle l'élève ou l'étudiant, par suite d'une décision de justice ou d'une intervention d'une autre autorité ou institution de droit public, est fiscalement à charge d'une personne physique autre que les parents dont la filiation est établie, ou l'unité de vie dans laquelle l'étudiant a sa résidence principale pendant au moins trois ans ou est fiscalement à charge d'une personne physique autre qu'un des deux ou les deux parents dont la filiation est établie ; ".
Art. X.10. In artikel 35, § 1, van hetzelfde decreet wordt het punt 7° opgeheven.
Art. X.10. Dans l'article 35, § 1er, du même décret, le point 7° est abrogé.
Afdeling VI. - Decreet betreffende het flankerend onderwijsbeleid op lokaal niveau
Section VI. - Décret sur la politique locale d'encadrement de l'enseignement
Art. X.11. Artikel 20 van het decreet van 30 november 2007 betreffende het flankerend onderwijsbeleid op lokaal niveau wordt opgeheven.
Art. X.11. L'article 20 du décret du 30 novembre 2007 relatif à la politique locale d'encadrement de l'enseignement est abrogé.
Afdeling VII. - Decreet houdende organisatie en werking van de regionale technologische centra
Section VII. - Décret portant organisation et fonctionnement des centres technologiques régionaux
Art. X.12. In artikel 2 van het decreet van 14 december 2007 houdende de organisatie en werking van de regionale technologische centra wordt het tweede lid vervangen door wat volgt :
"De werking van een RTC is gericht op :
1° de bewerkstelliging van synergiën tussen onderwijsinstellingen en bedrijven;
2° de optimale doorstroming van leerlingen naar het bedrijfsleven;
3° de ondersteuning van het technisch onderwijs, het beroepsonderwijs en de leertijd.".
"De werking van een RTC is gericht op :
1° de bewerkstelliging van synergiën tussen onderwijsinstellingen en bedrijven;
2° de optimale doorstroming van leerlingen naar het bedrijfsleven;
3° de ondersteuning van het technisch onderwijs, het beroepsonderwijs en de leertijd.".
Art. X.12. A l'article 2 du décret du 14 décembre 2007 portant organisation et fonctionnement des centres technologiques régionaux, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" Le fonctionnement d'un CTR est centré sur :
1° la réalisation de synergies entre des établissements d'enseignement et des entreprises ;
2° une transition optimale d'élèves vers les entreprises ;
3° l'appui de l'enseignement technique, de l'enseignement professionnel et de l'apprentissage. ".
" Le fonctionnement d'un CTR est centré sur :
1° la réalisation de synergies entre des établissements d'enseignement et des entreprises ;
2° une transition optimale d'élèves vers les entreprises ;
3° l'appui de l'enseignement technique, de l'enseignement professionnel et de l'apprentissage. ".
Art. X.13. In artikel 5 van hetzelfde decreet wordt het woord "procescontrole" vervangen door het woord "controle".
Art. X.13. Dans l'article 5 du même décret, les mots " d'un contrôle ciblé de processus " sont remplacés par les mots " d'un contrôle ciblé ".
Art. X.14. Aan artikel 7 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 10 juni 2015, wordt een punt 7° toegevoegd dat luidt als volgt :
"7° vergoedingen vanwege scholen bij deelname van leraren aan door een RTC ingerichte nascholingsprojecten; de bepaling van het bedrag zal in de beheersovereenkomst geregeld worden;".
"7° vergoedingen vanwege scholen bij deelname van leraren aan door een RTC ingerichte nascholingsprojecten; de bepaling van het bedrag zal in de beheersovereenkomst geregeld worden;".
Art. X.14. L'article 7 du même décret, modifié par le décret du 10 juin 2015, est complété par un point 7° rédigé comme suit :
" 7° des indemnités versées par des écoles pour la participation d'enseignants à des projets de formation continue organisés par un CTR ; la détermination du montant sera réglée dans le contrat de gestion ; ".
" 7° des indemnités versées par des écoles pour la participation d'enseignants à des projets de formation continue organisés par un CTR ; la détermination du montant sera réglée dans le contrat de gestion ; ".
Afdeling VIII. - Decreet Kwalificatiestructuur
Section VIII. - Décret relatif à la structure des certifications
Art. X.15. Aan afdeling I van hoofdstuk IV van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur wordt een artikel 13/1 toegevoegd dat luidt als volgt :
"Art. 13/1. De Vlaamse Regering bepaalt een verkorte procedure voor het actualiseren of schrappen van een beroepskwalificatie.".
"Art. 13/1. De Vlaamse Regering bepaalt een verkorte procedure voor het actualiseren of schrappen van een beroepskwalificatie.".
Art. X.15. A la section Ire du chapitre IV du décret du 30 avril 2009 relatif à la structure des certifications est ajouté un article 13/1 rédigé comme suit :
" Art. 13/1. Le Gouvernement flamand arrête une procédure abrégée pour l'actualisation ou la radiation d'une qualification professionnelle. ".
" Art. 13/1. Le Gouvernement flamand arrête une procédure abrégée pour l'actualisation ou la radiation d'une qualification professionnelle. ".
Afdeling IX. - Decreet Kwaliteit van onderwijs
Section IX. - Décret relatif à la qualité de l'enseignement
Art. X.16. Aan artikel 16 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, gewijzigd door de decreten van 9 juli 2010 en 19 juni 2015, wordt een paragraaf 7 toegevoegd die luidt als volgt :
" § 7. De pedagogische begeleidingsdienst die op 1 februari 2015 voor het eerst 350 of meer organieke betrekkingen telt in een van de niveaus, vermeld in § 1, zal voor het schooljaar 2015-2016 en voor het schooljaar 2016-2017 niet over een personeelsformatie beschikken.".
" § 7. De pedagogische begeleidingsdienst die op 1 februari 2015 voor het eerst 350 of meer organieke betrekkingen telt in een van de niveaus, vermeld in § 1, zal voor het schooljaar 2015-2016 en voor het schooljaar 2016-2017 niet over een personeelsformatie beschikken.".
Art. X.16. A l'article 16 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement, modifié par les décrets des 9 juillet 2010 et 19 juin 2015, est ajouté un paragraphe 7, rédigé comme suit :
" § 7. Le service d'encadrement pédagogique qui, au 1er février 2015, compte pour la première fois 350 emplois organiques ou plus dans un des niveaux visés au § 1er, ne disposera pas d'un cadre organique pour l'année scolaire 2015-2016 et pour l'année scolaire 2016-2017. ".
" § 7. Le service d'encadrement pédagogique qui, au 1er février 2015, compte pour la première fois 350 emplois organiques ou plus dans un des niveaux visés au § 1er, ne disposera pas d'un cadre organique pour l'année scolaire 2015-2016 et pour l'année scolaire 2016-2017. ".
Art. X.17. In artikel 27/2 van hetzelfde decreet, ingevoegd door het decreet van 19 juni 2015, wordt de zinsnede "het Nederlandstalig onderwijs in Brussel in de instellingen verbonden aan de pedagogische begeleidingsdiensten" vervangen door de zinsnede "de scholen en de centra van het basisonderwijs en secundair onderwijs die erkend, gefinancierd of gesubsidieerd zijn door de Vlaamse Gemeenschap en gelegen zijn in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad en die zij begeleiden".
Art. X.17. Dans l'article 27/2 du même décret, inséré par le décret du 19 juin 2015, le membre de phrase " dans l'enseignement néerlandophone à Bruxelles auprès des établissements rattachés au service d'encadrement pédagogique " est remplacé par le membre de phrase " dans les écoles et les centres de l'enseignement fondamental et de l'enseignement secondaire qui sont agréés, financés ou subventionnés par la Communauté flamande et situés dans la région bilingue de Bruxelles-capitale et qu'ils accompagnent ".
Art. X.18. In artikel 28 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 18 december 2009, 21 december 2012 en 19 december 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt :
" § 3. Het krediet, vermeld in paragraaf 1, wordt alleen ter beschikking gesteld als :
1° driejaarlijks een beleidsplan wordt opgesteld, waarin de uitvoering van de opdracht, vermeld in paragraaf 1, verduidelijkt wordt en dit beleidsplan toegevoegd wordt aan het begeleidingsplan, vermeld in artikel 15, § 2, eerste lid;
2° jaarlijks een activiteitenverslag en een financieel rapport worden opgesteld en worden toegevoegd aan het activiteitenverslag met inbegrip van een financiële verantwoording, vermeld in artikel 15, § 2, tweede lid.";
2° paragraaf 4 wordt opgeheven.
1° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt :
" § 3. Het krediet, vermeld in paragraaf 1, wordt alleen ter beschikking gesteld als :
1° driejaarlijks een beleidsplan wordt opgesteld, waarin de uitvoering van de opdracht, vermeld in paragraaf 1, verduidelijkt wordt en dit beleidsplan toegevoegd wordt aan het begeleidingsplan, vermeld in artikel 15, § 2, eerste lid;
2° jaarlijks een activiteitenverslag en een financieel rapport worden opgesteld en worden toegevoegd aan het activiteitenverslag met inbegrip van een financiële verantwoording, vermeld in artikel 15, § 2, tweede lid.";
2° paragraaf 4 wordt opgeheven.
Art. X.18. A l'article 28 du même décret, modifié par les décrets des 18 décembre 2009, 21 décembre 2012 et 19 décembre 2014, sont apportées les modifications suivantes :
1° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Le crédit, visé au paragraphe 1er, n'est mis à la disposition que si :
1° un plan de gestion est dressé tous les trois ans aux fins de préciser l'exécution de la mission, visée au paragraphe 1er, et ce plan de gestion est ajouté au plan d'encadrement visé à l'article 15, § 2, alinéa 1er ;
2° un rapport d'activités et un rapport financier sont établis chaque année et ajoutés au rapport d'activités y compris une justification financière au sens de l'article 15, § 2, alinéa 2. ".
2° le paragraphe 4 est abrogé.
1° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Le crédit, visé au paragraphe 1er, n'est mis à la disposition que si :
1° un plan de gestion est dressé tous les trois ans aux fins de préciser l'exécution de la mission, visée au paragraphe 1er, et ce plan de gestion est ajouté au plan d'encadrement visé à l'article 15, § 2, alinéa 1er ;
2° un rapport d'activités et un rapport financier sont établis chaque année et ajoutés au rapport d'activités y compris une justification financière au sens de l'article 15, § 2, alinéa 2. ".
2° le paragraphe 4 est abrogé.
Art. X.19. In artikel 87, § 3, van hetzelfde decreet worden de woorden "artikel 88." vervangen door de zinsnede "artikel 88, behalve indien het een vaste benoeming betreft volgens artikel 88, § 1/1.".
Art. X.19. Dans l'article 87, § 3, du même décret, les mots " l'article 88. " sont remplacés par les mots " l'article 88, sauf s'il s'agit d'une nomination définitive conformément à l'article 88, § 1/1. ".
Art. X.20. In artikel 88 van hetzelfde decreet wordt een paragraaf 1/1 ingevoegd die luidt als volgt :
" § 1/1. Het volgens artikel 79, § 1, extern geworven personeelslid dat belast is met een mandaat van coördinerend inspecteur wordt op zijn verzoek in het onderliggend ambt van inspecteur benoemd, als aan de volgende voorwaarden is voldaan :
1° het personeelslid heeft in het ambt van coördinerend inspecteur geen definitieve eindevaluatie met eindconclusie onvoldoende gekregen;
2° het personeelslid wordt voorgedragen door de inspecteur-generaal;
3° het personeelslid heeft op het ogenblik van de vaste benoeming ten minste 2 jaar het mandaat van coördinerend inspecteur voltijds uitgeoefend.".
" § 1/1. Het volgens artikel 79, § 1, extern geworven personeelslid dat belast is met een mandaat van coördinerend inspecteur wordt op zijn verzoek in het onderliggend ambt van inspecteur benoemd, als aan de volgende voorwaarden is voldaan :
1° het personeelslid heeft in het ambt van coördinerend inspecteur geen definitieve eindevaluatie met eindconclusie onvoldoende gekregen;
2° het personeelslid wordt voorgedragen door de inspecteur-generaal;
3° het personeelslid heeft op het ogenblik van de vaste benoeming ten minste 2 jaar het mandaat van coördinerend inspecteur voltijds uitgeoefend.".
Art. X.20. A l'article 88 du même décret il est inséré un paragraphe 1/1er, rédigé comme suit :
" § 1/1. Le membre du personnel recruté à l'extérieur conformément à l'article 79, § 1er, qui est chargé d'un mandat d'inspecteur coordinateur est nommé, à sa demande, à la fonction sous- jacente d'inspecteur si les conditions suivantes sont remplies :
1° le membre du personnel n'a pas obtenu une évaluation finale définitive portant la conclusion finale " insuffisant " dans la fonction d'inspecteur coordinateur ;
2° le membre du personnel est proposé par l'inspecteur général ;
3° le membre du personnel a exercé pendant au moins 2 ans le mandat d'inspecteur coordinateur au moment de la nomination définitive. ".
" § 1/1. Le membre du personnel recruté à l'extérieur conformément à l'article 79, § 1er, qui est chargé d'un mandat d'inspecteur coordinateur est nommé, à sa demande, à la fonction sous- jacente d'inspecteur si les conditions suivantes sont remplies :
1° le membre du personnel n'a pas obtenu une évaluation finale définitive portant la conclusion finale " insuffisant " dans la fonction d'inspecteur coordinateur ;
2° le membre du personnel est proposé par l'inspecteur général ;
3° le membre du personnel a exercé pendant au moins 2 ans le mandat d'inspecteur coordinateur au moment de la nomination définitive. ".
Art. X.21. In artikel 90, § 1, en in artikel 98, § 1, van hetzelfde decreet wordt de zinsnede "artikel 63 tot en met artikel 65." vervangen door de zinsnede "artikel 63 tot en met artikel 65/1.".
Art. X.21. Dans l'article 90, § 1er et l'article 98, § 1er du même décret, le membre de phrase " aux articles 63 à 65 " est remplacé par le membre de phrase " aux articles 63 à 65/1. ".
Art. X.22. In artikel 142 van hetzelfde decreet wordt tussen het tweede en het derde lid een lid ingevoegd dat luidt als volgt :
"Als in de voormelde wettelijke of reglementaire bepalingen of in de door de Vlaamse Regering uitgevaardigde verlofstelsels wordt vermeld dat als gevolg van een tijdens het schooljaar of dienstjaar genoten verlof het salaris tijdens het jaarlijkse vakantieverlof in evenredige mate wordt verminderd, heeft dat tot gevolg dat in de zomervakantie van dat schooljaar of dienstjaar, enkel voor de bezoldiging, een aantal kalenderdagen eveneens als dergelijk verlof wordt beschouwd. De aldus met een periode van verlof gelijkgestelde dagen worden niet meegerekend om de duur te bepalen van de periode van verlof waarop het personeelslid nog recht heeft. Voor het berekenen van dit aantal kalenderdagen :
1° worden het aantal kalenderdagen genoten verlof opgeteld met een maximum van driehonderd dagen per schooljaar of dienstjaar;
2° wordt het resultaat met 0,2 vermenigvuldigd;
3° wordt het resultaat naar de lagere eenheid afgerond.".
"Als in de voormelde wettelijke of reglementaire bepalingen of in de door de Vlaamse Regering uitgevaardigde verlofstelsels wordt vermeld dat als gevolg van een tijdens het schooljaar of dienstjaar genoten verlof het salaris tijdens het jaarlijkse vakantieverlof in evenredige mate wordt verminderd, heeft dat tot gevolg dat in de zomervakantie van dat schooljaar of dienstjaar, enkel voor de bezoldiging, een aantal kalenderdagen eveneens als dergelijk verlof wordt beschouwd. De aldus met een periode van verlof gelijkgestelde dagen worden niet meegerekend om de duur te bepalen van de periode van verlof waarop het personeelslid nog recht heeft. Voor het berekenen van dit aantal kalenderdagen :
1° worden het aantal kalenderdagen genoten verlof opgeteld met een maximum van driehonderd dagen per schooljaar of dienstjaar;
2° wordt het resultaat met 0,2 vermenigvuldigd;
3° wordt het resultaat naar de lagere eenheid afgerond.".
Art. X.22. Entre les alinéas 2 et 3 de l'article 142 du même décret, il est inséré un alinéa ainsi rédigé :
" Si les dispositions légales ou réglementaires précitées ou les régimes de congé adoptés par le Gouvernement flamand stipulent que, suite à un congé pris au cours de l'année scolaire ou de l'année de service, le traitement est réduit proportionnellement pendant le congé annuel de vacances, cela a pour conséquence qu'un nombre de jours calendaires sera également considéré comme un tel congé pendant les vacances d'été de cette année scolaire ou cette année de service, uniquement à des fins de rémunération. Les jours ainsi assimilés à une période de congé ne sont pas pris en compte pour déterminer la durée de la période de congé à laquelle le membre du personnel a encore droit. Pour calculer ce nombre de jours calendaires :
1° le nombre de jours calendaires de congé pris sont additionnés, avec un maximum de trois cent jours par année scolaire ou année de service ;
2° le résultat est multiplié par 0,2 ;
3° le résultat est arrondi à l'unité inférieure. ".
" Si les dispositions légales ou réglementaires précitées ou les régimes de congé adoptés par le Gouvernement flamand stipulent que, suite à un congé pris au cours de l'année scolaire ou de l'année de service, le traitement est réduit proportionnellement pendant le congé annuel de vacances, cela a pour conséquence qu'un nombre de jours calendaires sera également considéré comme un tel congé pendant les vacances d'été de cette année scolaire ou cette année de service, uniquement à des fins de rémunération. Les jours ainsi assimilés à une période de congé ne sont pas pris en compte pour déterminer la durée de la période de congé à laquelle le membre du personnel a encore droit. Pour calculer ce nombre de jours calendaires :
1° le nombre de jours calendaires de congé pris sont additionnés, avec un maximum de trois cent jours par année scolaire ou année de service ;
2° le résultat est multiplié par 0,2 ;
3° le résultat est arrondi à l'unité inférieure. ".
Art. X.23. Aan artikel 146 van hetzelfde decreet wordt een vierde lid toegevoegd dat luidt als volgt :
"Als in de voormelde wettelijke of reglementaire bepalingen of in de door de Vlaamse Regering uitgevaardigde verlofstelsels wordt vermeld dat als gevolg van een tijdens het schooljaar of dienstjaar genoten terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden het salaris tijdens het jaarlijkse vakantieverlof in evenredige mate wordt verminderd, heeft dat tot gevolg dat in de zomervakantie van dat schooljaar of dienstjaar, enkel voor de bezoldiging, een aantal kalenderdagen eveneens als dergelijk verlof wordt beschouwd. De aldus met een periode van verlof gelijkgestelde dagen worden niet meegerekend om de duur te bepalen van de periode van verlof waarop het personeelslid nog recht heeft. Voor het berekenen van dit aantal kalenderdagen :
1° worden het aantal kalenderdagen genoten verlof opgeteld met een maximum van driehonderd dagen per schooljaar of dienstjaar;
2° wordt het resultaat met 0,2 vermenigvuldigd;
3° wordt het resultaat naar de lagere eenheid afgerond.".
"Als in de voormelde wettelijke of reglementaire bepalingen of in de door de Vlaamse Regering uitgevaardigde verlofstelsels wordt vermeld dat als gevolg van een tijdens het schooljaar of dienstjaar genoten terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden het salaris tijdens het jaarlijkse vakantieverlof in evenredige mate wordt verminderd, heeft dat tot gevolg dat in de zomervakantie van dat schooljaar of dienstjaar, enkel voor de bezoldiging, een aantal kalenderdagen eveneens als dergelijk verlof wordt beschouwd. De aldus met een periode van verlof gelijkgestelde dagen worden niet meegerekend om de duur te bepalen van de periode van verlof waarop het personeelslid nog recht heeft. Voor het berekenen van dit aantal kalenderdagen :
1° worden het aantal kalenderdagen genoten verlof opgeteld met een maximum van driehonderd dagen per schooljaar of dienstjaar;
2° wordt het resultaat met 0,2 vermenigvuldigd;
3° wordt het resultaat naar de lagere eenheid afgerond.".
Art. X.23. Dans l'article 146 du même décret, il est inséré un alinéa 4 qui s'énonce comme suit :
" Si les dispositions légales ou réglementaires précitées ou les régimes de congé adoptés par le Gouvernement flamand stipulent que, suite à un congé pris au cours de l'année scolaire ou de l'année de service, le traitement est réduit proportionnellement pendant le congé annuel de vacances, cela a pour conséquence qu'un nombre de jours calendaires sera également considéré comme un tel congé pendant les vacances d'été de cette année scolaire ou cette année de service, uniquement à des fins de rémunération. Les jours ainsi assimilés à une période de congé ne sont pas pris en compte pour déterminer la durée de la période de congé à laquelle le membre du personnel a encore droit. Pour calculer ce nombre de jours calendaires :
1° le nombre de jours calendaires de congé pris sont additionnés, avec un maximum de trois cent jours par année scolaire ou année de service ;
2° le résultat est multiplié par 0,2 ;
3° le résultat est arrondi à l'unité inférieure. ".
" Si les dispositions légales ou réglementaires précitées ou les régimes de congé adoptés par le Gouvernement flamand stipulent que, suite à un congé pris au cours de l'année scolaire ou de l'année de service, le traitement est réduit proportionnellement pendant le congé annuel de vacances, cela a pour conséquence qu'un nombre de jours calendaires sera également considéré comme un tel congé pendant les vacances d'été de cette année scolaire ou cette année de service, uniquement à des fins de rémunération. Les jours ainsi assimilés à une période de congé ne sont pas pris en compte pour déterminer la durée de la période de congé à laquelle le membre du personnel a encore droit. Pour calculer ce nombre de jours calendaires :
1° le nombre de jours calendaires de congé pris sont additionnés, avec un maximum de trois cent jours par année scolaire ou année de service ;
2° le résultat est multiplié par 0,2 ;
3° le résultat est arrondi à l'unité inférieure. ".
Afdeling X. - Decreet betreffende de integrale jeugdhulp
Section X. - Décret relatif à l'aide intégrale à la jeunesse
Art. X.24. Aan artikel 78, § 1, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp wordt een paragraaf 3 toegevoegd die luidt als volgt :
`` § 3. In afwijking van de paragrafen 1 en 2, werkt de zorginspectie voor het toezicht samen met de onderwijsinspectie, vermeld in artikel 38, § 1, tweede lid, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, voor zover het een centrum voor leerlingenbegeleiding betreft.''.
`` § 3. In afwijking van de paragrafen 1 en 2, werkt de zorginspectie voor het toezicht samen met de onderwijsinspectie, vermeld in artikel 38, § 1, tweede lid, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, voor zover het een centrum voor leerlingenbegeleiding betreft.''.
Art. X.24. A l'article 78, § 1er du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse, il est ajouté un paragraphe 3, rédigé comme suit :
" § 3. Par dérogation aux paragraphes 1er et 2, l'Inspection des Soins collabore pour la surveillance avec l' l'Inspection de l'Enseignement, visée à l'article 38, § 1er, alinéa 2, du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement, pour autant qu'il s'agisse d'un centre d'encadrement des élèves. ".
" § 3. Par dérogation aux paragraphes 1er et 2, l'Inspection des Soins collabore pour la surveillance avec l' l'Inspection de l'Enseignement, visée à l'article 38, § 1er, alinéa 2, du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement, pour autant qu'il s'agisse d'un centre d'encadrement des élèves. ".
Afdeling XI. - Decreet houdende diverse maatregelen betreffende de rechtspositie van leerlingen in het basis- en secundair onderwijs en betreffende de participatie op school
Section XI. - Décret contenant diverses mesures relatives au statut des élèves dans l'enseignement fondamental et secondaire et relatives à la participation à l'école
Art. X.25. In het decreet van 4 april 2014 houdende diverse maatregelen betreffende de rechtspositie van leerlingen in het basis- en secundair onderwijs en betreffende de participatie op school moet het op basis van artikel V.12, V.13, V.15, V.16, V.17, V.18, V.21, V.22, V.24, V.26, V.27, V.28, V.29, respectievelijk V.31, in de Codex Secundair Onderwijs ingevoerd artikel 123/1, 123/2, 123/3, 123/4, 123/5, 123/6, 123/7, 123/8, 123/9, 123/10, 123/11, 123/12, 123/13, respectievelijk 123/14, qua nummering worden gewijzigd in artikel 123/6, 123/7, 123/8, 123/9, 123/10, 123/11, 123/12, 123/13, 123/14, 123/15, 123/16, 123/17, 123/18, respectievelijk 123/19.
Art. X.25. Dans le décret du 4 avril 2014 contenant diverses mesures relatives au statut des élèves dans l'enseignement fondamental et secondaire et relatives à la participation à l'école la numérotation des articles 123/1, 123/2, 123/3, 123/4, 123/5, 123/6, 123/7, 123/8, 123/9, 123/10, 123/11, 123/12, 123/13, respectivement 123/14 insérés dans le Code de l'Enseignement secondaire sur la base des articles V.12, V.13, V.15, V.16, V.17, V.18, V.21, V.22, V.24, V.26, V.27, V.28, V.29, respectivement V.31, doit être modifiée en articles 123/6, 123/7, 123/8, 123/9, 123/10, 123/11, 123/12, 123/13, 123/14, 123/15, 123/16, 123/17, 123/18, respectivement 123/19.
Afdeling XII. - Onderwijsinfrastructuur
Section XII. - Infrastructure scolaire
Art. X.26. In artikel 17, § 2, eerste zin, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, zoals gewijzigd bij het decreet van 7 december 2007 wordt de zinsnede "dat overeenstemt met een peil van E70." vervangen door de zinsnede "dat overeenstemt met een peil van E70 voor de scholenbouwprojecten die gerealiseerd worden in het kader van het decreet van 7 juli 2006 betreffende de inhaalbeweging voor schoolinfrastructuur en met een peil van E40 voor de reguliere subsidiëring.".
Art. X.26. Dans l'article 17, § 2, première phrase, de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement, telle que modifiée par le décret du 7 décembre 2007, le membre de phrase " correspondant à un niveau de E70 " est remplacé par le membre de phrase " correspondant à un niveau de E70 pour les projets de construction de bâtiments scolaires qui sont réalisés dans le cadre du décret du 7 juillet 2006 relatif au mouvement de rattrapage pour l'infrastructure scolaire et à un niveau de E40 pour le subventionnement régulier. ".
Art. X.27. In artikel 5, § 2, van het decreet van 7 juli 2006 betreffende de inhaalbeweging voor schoolinfrastructuur wordt de zinsnede "waarin de Participatiemaatschappij Vlaanderen voor 50% participeert in het kapitaal." vervangen door de zinsnede "waarin de Vlaamse Gemeenschap voor 50% participeert in het kapitaal.".
Art. X.27. Dans l'article 5, § 2, du décret du 7 juillet 2006 relatif au mouvement de rattrapage pour l'infrastructure scolaire, le membre de phrase " dans laquelle la " Participatiemaatschappij Vlaanderen " participe pour 50 % au capital " est remplacé par le membre de phrase " dans laquelle la Communauté flamande participe pour 50 % au capital. ".
Afdeling XIII. - Decreet betreffende participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad
Section XIII. - Décret relatif à la participation à l'école et au " Vlaamse Onderwijsraad " (Conseil flamand de l'Enseignement)
Art. X.28. In artikel 15 van het decreet van 2 april 2004, gewijzigd bij het decreet van 4 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° er wordt een nieuw tweede lid ingevoegd dat luidt als volgt :
"Het schoolbestuur bezorgt daartoe aan de leden van de schoolraad, samen met de vergaderagenda, alle relevante documenten. Indien tijdens of na een overleg vastgesteld wordt dat er cruciale informatie ontbrak, dan wordt de desbetreffende beslissing van het schoolbestuur opgeschort.";
2° het bestaande tweede lid wordt derde lid;
3° er wordt een nieuw vierde lid toegevoegd dat luidt als volgt :
"Indien een schoolbestuur een overleg vraagt over een ontwerp van beslissing die de schoolorganisatie en de eigenheid van de school fundamenteel verandert, dan moeten de leden van de schoolraad eerst de geleding die ze vertegenwoordigen informeren én raadplegen.".
1° er wordt een nieuw tweede lid ingevoegd dat luidt als volgt :
"Het schoolbestuur bezorgt daartoe aan de leden van de schoolraad, samen met de vergaderagenda, alle relevante documenten. Indien tijdens of na een overleg vastgesteld wordt dat er cruciale informatie ontbrak, dan wordt de desbetreffende beslissing van het schoolbestuur opgeschort.";
2° het bestaande tweede lid wordt derde lid;
3° er wordt een nieuw vierde lid toegevoegd dat luidt als volgt :
"Indien een schoolbestuur een overleg vraagt over een ontwerp van beslissing die de schoolorganisatie en de eigenheid van de school fundamenteel verandert, dan moeten de leden van de schoolraad eerst de geleding die ze vertegenwoordigen informeren én raadplegen.".
Art. X.28. A l'article 15 du décret du 2 avril 2004, modifié par le décret du 4 avril 2014, sont apportées les modifications suivantes :
1° il est inséré un nouvel alinéa 2, rédigé comme suit :
" A cet effet, l'autorité scolaire transmet aux membres du conseil scolaire, conjointement avec l'ordre du jour de la réunions, tous les documents pertinents. Si, pendant ou après une concertation, il est constaté que des informations clés faisaient défaut, la décision en question est suspendue. " ;
2° l'alinéa 2 devient l'alinéa 3 ;
3° il est ajouté un nouvel alinéa 4, rédigé comme suit :
" Si une autorité scolaire demande une concertation sur un projet de décision qui change fondamentalement l'organisation scolaire et la spécificité de l'école, les membres du conseil scolaire doivent informer et consulter d'abord la catégorie qu'ils représentent. ".
1° il est inséré un nouvel alinéa 2, rédigé comme suit :
" A cet effet, l'autorité scolaire transmet aux membres du conseil scolaire, conjointement avec l'ordre du jour de la réunions, tous les documents pertinents. Si, pendant ou après une concertation, il est constaté que des informations clés faisaient défaut, la décision en question est suspendue. " ;
2° l'alinéa 2 devient l'alinéa 3 ;
3° il est ajouté un nouvel alinéa 4, rédigé comme suit :
" Si une autorité scolaire demande une concertation sur un projet de décision qui change fondamentalement l'organisation scolaire et la spécificité de l'école, les membres du conseil scolaire doivent informer et consulter d'abord la catégorie qu'ils représentent. ".
Art. X.29. In artikel 22 van het decreet van 2 april 2014, gewijzigd bij het decreet van 4 april 2014, wordt een nieuw derde lid ingevoegd dat luidt als volgt :
"Indien een schoolbestuur een overleg vraagt over een ontwerp van beslissing die de schoolorganisatie en de eigenheid van de school fundamenteel verandert, dan moeten de leden van de schoolraad eerst de geleding die ze vertegenwoordigen informeren én raadplegen zoals voorzien in artikel 15.".
"Indien een schoolbestuur een overleg vraagt over een ontwerp van beslissing die de schoolorganisatie en de eigenheid van de school fundamenteel verandert, dan moeten de leden van de schoolraad eerst de geleding die ze vertegenwoordigen informeren én raadplegen zoals voorzien in artikel 15.".
Art. X.29. A l'article 22 du décret du 2 avril 2014, modifié par le décret du 4 avril 2014, il est ajouté un nouvel alinéa 3, rédigé comme suit :
" Si une autorité scolaire demande une concertation sur un projet de décision qui change fondamentalement l'organisation scolaire et la spécificité de l'école, les membres du conseil scolaire doivent informer et consulter d'abord la catégorie qu'ils représentent comme le prévoit l'article 15. ".
" Si une autorité scolaire demande une concertation sur un projet de décision qui change fondamentalement l'organisation scolaire et la spécificité de l'école, les membres du conseil scolaire doivent informer et consulter d'abord la catégorie qu'ils représentent comme le prévoit l'article 15. ".
Afdeling XIV. - Inwerkingtreding
Section XIV. - Entrée en vigueur
Art. X.30. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 september 2016.
Artikel X.25 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2014.
Artikel X.18 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2015.
Artikel X.16, X.21, hebben uitwerking met ingang van 1 september 2015.
Artikel X.1 heeft uitwerking met ingang van 19 december 2015.
Artikel X.4 heeft uitwerking met ingang van 1 maart 2016.
Artikel X.5 heeft uitwerking met ingang van 15 juni 2016.
Artikel X.19, X.20 hebben uitwerking met ingang van 1 juni 2016.
Artikel X.25 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2014.
Artikel X.18 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2015.
Artikel X.16, X.21, hebben uitwerking met ingang van 1 september 2015.
Artikel X.1 heeft uitwerking met ingang van 19 december 2015.
Artikel X.4 heeft uitwerking met ingang van 1 maart 2016.
Artikel X.5 heeft uitwerking met ingang van 15 juni 2016.
Artikel X.19, X.20 hebben uitwerking met ingang van 1 juni 2016.
Art. X.30. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er septembre 2016.
L'article X.25 produit ses effets le 1er septembre 2014.
L'article X.18 produit ses effets le 1er janvier 2015.
Les articles X.16, X.21, produisent leurs effets le 1er septembre 2015.
L'article X.1 produit ses effets le 19 décembre 2015.
L'article X.4 produit ses effets le 1er mars 2016.
L'article X.5 produit ses effets le 15 juin 2016.
Les articles X.19, X.20, produisent leurs effets le 1er juin 2016.
L'article X.25 produit ses effets le 1er septembre 2014.
L'article X.18 produit ses effets le 1er janvier 2015.
Les articles X.16, X.21, produisent leurs effets le 1er septembre 2015.
L'article X.1 produit ses effets le 19 décembre 2015.
L'article X.4 produit ses effets le 1er mars 2016.
L'article X.5 produit ses effets le 15 juin 2016.
Les articles X.19, X.20, produisent leurs effets le 1er juin 2016.