Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
10 JUNI 2016. - Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van het decreet van 4 maart 2016 houdende het Vlaamse doelgroepenbeleid(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-06-2016 en tekstbijwerking tot 25-01-2019)
Titre
10 JUIN 2016. - Arrêté du Gouvernement flamand portant exécution du décret du 4 mars 2016 relatif à la politique flamande des groupes-cibles(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 28-06-2016 et mise à jour au 25-01-2019)
Informations sur le document
Numac: 2016036032
Datum: 2016-06-10
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2016036032
Date: 2016-06-10
Moniteur: Voir
Tekst (43)
Texte (43)
HOOFDSTUK 1. - De doelgroepverminderingen
CHAPITRE 1er. - Les réductions groupes-cibles
Artikel 1. Artikel 6 van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen, vervangen bij het koninklijk van 24 januari 2013, wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 6. De doelgroepvermindering voor de oudere zittende werknemer bestaat uit :
  1° een forfaitaire vermindering G4 als de oudere zittende werknemer op de laatste dag van het kwartaal van zijn tewerkstelling minimaal 55 jaar is;
  2° een forfaitaire vermindering G6 als de oudere zittende werknemer op de laatste dag van het kwartaal van zijn tewerkstelling minimaal zestig jaar is.".
Article 1er. § 1er. L'article 6 de l'arrêté royal du 16 mai 2003 pris en exécution du Chapitre 7 du Titre IV de la loi-programme du 24 décembre 2002 (I), visant à harmoniser et à simplifier les régimes de réductions de cotisations de sécurité sociale, remplacé par l'arrêté royal du 24 janvier 2013, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 6. La réduction groupe-cible pour le travailleur âgé en activité se compose :
  1° d'une réduction forfaitaire G4 si le travailleur âgé en activité est âgé de 55 ans au moins au dernier jour du trimestre de son occupation ;
  2° d'une réduction forfaitaire G6 si le travailleur âgé en activité est âgé de 60 ans au moins au dernier jour du trimestre de son occupation. ".
Art. 2. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 26 januari 2016, worden een artikel 6/1 tot en met 6/3 ingevoegd, die luiden als volgt :
  "Art. 6/1. § 1. De doelgroepvermindering voor de indienstneming van oudere niet-werkende werkzoekenden bestaat uit :
  1° een forfaitaire vermindering G6 tijdens het kwartaal van de indienstneming en de zeven daaropvolgende kwartalen, als de aangeworven werknemer op de laatste dag van het kwartaal van de indienstneming minimaal 55 jaar is en de leeftijd van 60 jaar niet heeft bereikt;
  2° een forfaitaire vermindering G8 tijdens het kwartaal van de indienstneming en de zeven daaropvolgende kwartalen, als de aangeworven werknemer op de laatste dag van het kwartaal van de indienstneming minimaal zestig jaar is en de leeftijd, vermeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikel 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, niet heeft bereikt.
  Onder oudere niet-werkende werkzoekenden worden personen verstaan die :
  1° bij de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding ingeschreven zijn als een niet-werkende werkzoekende als vermeld in artikel 1, eerste lid, 8°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 houdende de organisatie van de arbeidsbemiddeling en de beroepsopleiding;
  2° gedurende de voorbije vier kwartalen voorafgaand aan het kwartaal van hun indienstneming niet zijn tewerkgesteld bij de werkgever die de doelgroepvermindering aanvraagt.".
  § 2. Als aan een werkgever een doelgroepvermindering is toegekend voor een werknemer die hij opnieuw in dienst neemt binnen een periode van vier kwartalen na de beëindiging van de vorige arbeidsovereenkomst, worden die tewerkstellingen, voor de vaststelling van de forfaitaire doelgroepvermindering en voor de looptijd ervan, als één tewerkstelling beschouwd. De periode tussen de arbeidsovereenkomsten verlengt de periode niet waarin de doelgroepvermindering wordt toegekend.".
  Art. 6/2. De loongrens, vermeld in artikel 339, tweede lid, 3°, van de wet van 24 december 2002 bedraagt 13.400 euro.
  Art. 6/3. De Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding bezorgt via elektronische weg aan de instelling die belast is met de inning en de invordering van de socialezekerheidsbijdragen, alle gegevens die die instelling nodig heeft om op een geautomatiseerde manier het recht op de doelgroepvermindering voor de oudere niet-werkende werkzoekenden, vermeld in artikel 6/1, te beoordelen.".
Art. 2. Dans le même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 26 janvier 2016, il est inséré des articles 6/1 à 6/3, libellés comme suit :
  " Art. 6/1. § 1er. La réduction groupe-cible pour l'engagement de demandeurs d'emploi âgés inoccupés se compose :
  1° d'une réduction forfaitaire G6 durant le trimestre de l'engagement et les sept trimestres qui suivent si, au dernier jour du trimestre de l'engagement, le travailleur engagé est âgé de 55 ans au moins et n'a pas atteint l'âge de 60 ans ;
  2° d'une réduction forfaitaire G8 durant le trimestre de l'engagement et les sept trimestres qui suivent si, au dernier jour du trimestre de l'engagement, le travailleur engagé est âgé de 60 ans au moins et n'a pas atteint l'âge visé à l'article 2 de l'arrêté royal du 23 décembre 1996 portant exécution des articles 15, 16 et 17 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions.
  Par demandeurs d'emploi âgés inoccupés, il faut entendre les personnes qui :
  1° sont inscrites auprès du Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle) comme demandeur d'emploi inoccupé tel que visé à l'article 1er, alinéa 1er, 8°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 juin 2009 portant organisation de l'emploi et de la formation professionnelle ;
  2° au cours des quatre derniers trimestres précédant le trimestre de leur engagement, n'ont pas été occupées chez l'employeur qui demande la réduction groupe-cible. ".
  § 2. Lorsqu'une réduction groupe-cible a été accordée à un employeur pour un travailleur qu'il engage à nouveau au cours d'une période de quatre trimestres après la fin du contrat de travail précédent, ces occupations sont considérées, pour la fixation de la réduction groupe-cible forfaitaire et pour sa durée, comme une seule occupation. La période située entre les contrats de travail ne prolonge pas la période pendant laquelle la réduction groupe-cible est accordée. ".
  Art. 6/2. Le plafond salarial visé à l'article 339, alinéa 2, 3°, de la loi du 24 décembre 2002, s'élève à 13.400 euros.
  Art. 6/3. Le Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding transmet par voie électronique à l'organisme chargé de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale toutes les données dont cet organisme a besoin pour apprécier de façon automatisée le droit à la réduction groupe-cible pour les demandeurs d'emploi âgés inoccupés, visé à l'article 6/1. ".
Art. 3. In artikel 8 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 maart 2007, wordt de zinsnede "De artikelen 9, 9bis en 12 van dit besluit zijn" vervangen door de zinsnede "Het artikel 9bis van dit besluit is".
Art. 3. A l'article 8 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 28 mars 2007, le membre de phrase " Les articles 9, 9bis et 12 du présent arrêté ne sont pas applicables " est remplacé par le membre de phrase " L'article 9bis du présent arrêté n'est pas applicable ".
Art. 4. Artikel 9 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 17 juli 2013, 21 januari 2014 en 26 januari 2014, opgeheven.
Art. 4. L'article 9 du même arrêté, modifié par les arrêtés royaux des 17 juillet 2013, 21 janvier 2014 et 26 janvier 2014, est abrogé.
Art. 5. In artikel 10 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 maart 2007, wordt de zinsnede "artikelen 9 en 9bis" telkens vervangen door de zinsnede "artikel 9bis".
Art. 5. A l'article 10 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 28 mars 2007, les membres de phrase " aux articles 9 et 9bis ", " des articles 9 et 9bis " et " les articles 9 et 9bis " sont respectivement remplacés par les membres de phrase " à l'article 9bis ", " de l'article 9bis " et " l'article 9bis ".
Art. 6. In artikel 11 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 21 januari 2004 en 28 maart 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de zinsnede "Voor de toepassing van artikelen 9 en 9bis" wordt vervangen door de zinsnede "Voor de toepassing van artikel 9bis";
  2° de zinsnede "van respectievelijk de voormelde artikelen 9 en 9bis" wordt vervangen door de zinsnede ", vermeld artikel 9bis".
Art. 6. A l'article 11 du même arrêté, modifié par les arrêtés royaux des 21 janvier 2004 et 28 mars 2007, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le membre de phrase " Pour l'application des articles 9 et 9bis " est remplacé par le membre de phrase " Pour l'application de l'article 9bis " ;
  2° le membre de phrase " desdits articles 9 et 9bis " est remplacé par le membre de phrase " visées à l'article 9bis " ;
Art. 7. Artikel 12 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 21 januari 2004, wordt opgeheven.
Art. 7. L'article 12 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 21 janvier 2004, est abrogé.
Art. 8. In artikel 14 bis, eerste lid van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 21 januari 2004 en gewijzigd bij het koninklijk 28 maart 2007, wordt de zinsnede "artikelen 9 en 9bis" vervangen door de zinsnede "artikel 9bis".
Art. 8. A l'article 14 bis, alinéa 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté royal du 21 janvier 2004 et modifié par l'arrêté royal du 28 mars 2007, le membre de phrase " des articles 9 ou 9bis " est remplacé par le membre de phrase " de l'article 9bis ".
Art. 9. Artikel 17 van hetzelfde besluit wordt opgeheven.
Art. 9. L'article 17 du même arrêté est abrogé.
Art. 10. Artikel 18 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 29 maart 2006 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 3 februari 2010, 2 april 2010 en 24 januari 2013, wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 18. § 1. De doelgroepvermindering voor de tewerkstelling tijdens de opleiding van leerlingen als vermeld in artikel 1bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, bestaat uit een forfaitaire vermindering van G1 per kwartaal tijdens de duur van hun tewerkstelling.
  Na afloop van de opleiding als leerling, vermeld in het eerste lid, kan de werkgever een beroep doen op de doelgroepvermindering voor jonge werknemers, vermeld in paragraaf 2 of 3.
  § 2. De doelgroepvermindering voor de tewerkstelling van laaggeschoolde jonge werknemers die op de laatste dag van het kwartaal van de indienstneming de leeftijd van 25 jaar niet bereikt hebben, bestaat uit een forfaitaire vermindering van G6 tijdens het kwartaal van die indienstneming en de zeven daaropvolgende kwartalen.
  § 3. De doelgroepvermindering voor de tewerkstelling van middengeschoolde jonge werknemers die op de laatste dag van het kwartaal van de indienstneming de leeftijd van 25 jaar niet bereikt hebben, bestaat uit een forfaitaire vermindering van G1 tijdens het kwartaal van de indienstneming en de zeven daaropvolgende kwartalen.
  § 4. De doelgroepvermindering, vermeld in paragraaf 1 tot en met paragraaf 3, wordt per kwartaal toegekend vanaf de datum van de eerste indienstneming van de laaggeschoolde of middengeschoolde jonge werknemer die plaatsvindt vanaf 1 juli 2016. Als de werkgever een jonge werknemer opnieuw in dienst neemt binnen een periode van vier kwartalen na de beëindiging van de vorige arbeidsovereenkomst, worden die tewerkstellingen, voor de vaststelling van de forfaitaire doelgroepvermindering en voor de looptijd ervan, als één tewerkstelling beschouwd. De periode tussen de arbeidsovereenkomsten verlengt de periode niet waarin de doelgroepvermindering wordt toegekend.".
Art. 10. L'article 18 du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 29 mars 2006 et modifié par les arrêtés royaux des 3 février 2010, 2 avril 2010 et 24 janvier 2013, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 18. § 1er. La réduction groupe-cible pour l'occupation, durant la formation, d'apprentis tels que visés à l'article 1erbis de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, se compose d'une réduction forfaitaire G1 par trimestre pendant la durée de leur occupation.
  A l'issue de la formation en tant qu'apprenti, visée à l'alinéa 1er, l'employeur peut faire appel à la réduction groupe-cible pour jeunes travailleurs visée au paragraphe 2 ou 3.
  § 2. La réduction groupe-cible pour l'occupation de jeunes travailleurs moins qualifiés qui, au dernier jour du trimestre de l'engagement, n'ont pas atteint l'âge de 25 ans, se compose d'une réduction forfaitaire G6 durant le trimestre de cet engagement et les sept trimestres qui suivent.
  § 3. La réduction groupe-cible pour l'occupation de jeunes travailleurs moyennement qualifiés qui, au dernier jour du trimestre de l'engagement, n'ont pas atteint l'âge de 25 ans, se compose d'une réduction forfaitaire G1 durant le trimestre de l'engagement et les sept trimestres qui suivent.
  § 4. La réduction groupe-cible, visée aux paragraphes 1er à 3, est accordée par trimestre à partir de la date du premier engagement du jeune travailleur moins ou moyennement qualifié qui intervient à partir du 1er juillet 2016. Si l'employeur engage à nouveau un jeune travailleur au cours d'une période de quatre trimestres après la fin du contrat de travail précédent, ces occupations sont considérées, pour la fixation de la réduction groupe-cible forfaitaire et pour sa durée, comme une seule occupation. La période située entre les contrats de travail ne prolonge pas la période pendant laquelle la réduction groupe-cible est accordée. ".
Art. 11. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 26 januari 2016, wordt een artikel 18/1 ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Art. 18/1. De loongrens, vermeld in artikel 346, § 2, tweede lid, 1°, van de wet van 24 december 2002 bedraagt 7.500 euro gedurende het kwartaal van de indienstneming en de drie daaropvolgende kwartalen en bedraagt 8.100 euro gedurende de daaropvolgende vier kwartalen.".
Art. 11. Dans le même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 26 janvier 2016, il est inséré un article 18/1, libellé comme suit :
  " Art. 18/1. Le plafond salarial visé à l'article 346, alinéa 2, 1°, de la loi du 24 décembre 2002, s'élève à 7.500 euros pendant le trimestre de l'engagement et les trois trimestres qui suivent et à 8.100 euros pendant les quatre trimestres suivants. ".
Art. 12. Artikel 20 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 21 januari 2004 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 29 maart 2006, 2 april 2010 en 24 januari 2013, wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 20. § 1. De werkgever krijgt alleen de doelgroepvermindering voor een jonge werknemer, bepaald in artikel 18, § 2 en § 3, als die op de laatste dag van het kwartaal over een elektronisch dossier beschikt.
  Onder elektronisch dossier als vermeld in het eerste lid, wordt verstaan : het elektronische dossier, vermeld in artikel 22/2 van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding".
  § 2. Als het elektronische dossier wordt opgemaakt na de laatste dag van het kwartaal van de indienstneming van de jonge werknemer, wordt, met behoud van de toepassing van artikel 18, § 2 en § 3, de periode waarin de doelgroepvermindering voor jonge werknemers kan worden toegekend, verminderd met de periode die aanvangt op de dag van de indienstneming en die eindigt op de laatste dag van het kwartaal dat voorafgaat aan het kwartaal van de opmaak van het elektronische dossier.
  § 3. De Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding bezorgt via elektronische weg aan de instellingen die belast zijn met de inning en de invordering van de socialezekerheidsbijdragen, alle gegevens die de instellingen nodig hebben om op een geautomatiseerde manier het recht op de doelgroepvermindering voor jonge werknemers, vermeld in artikel 18, § 2 en § 3, te beoordelen.
  § 4. De werkgever of werknemer die de juistheid van de gegevens, vermeld in paragraaf 3, betwist, kan bij het Departement Werk en Sociale Economie van het Vlaams Ministerie van Werk en Sociale Economie een aanvraag tot wijziging indienen, waarbij hij de nodige bewijsstukken aanlevert.
  Het voormelde departement kan alle noodzakelijk gegevensbronnen raadplegen met het oog op de verwerking van de aanvraag.".
Art. 12. L'article 20 du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 21 janvier 2004 et modifié par les arrêtés royaux des 29 mars 2006, 2 avril 2010 et 24 janvier 2013, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 20. § 1er. L'employeur ne reçoit la réduction groupe-cible pour un jeune travailleur visé à l'article 18, §§ 2 et 3, que si celui-ci dispose d'un dossier électronique au dernier jour du trimestre.
  Par dossier électronique tel que visé à l'alinéa 1er, on entend : le dossier électronique visé à l'article 22/2 du décret du 7 mai 2004 relatif à la création de l'agence autonomisée externe de droit public " Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding " (Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle) ".
  § 2. Si le dossier électronique est établi après le dernier jour du trimestre de l'engagement du jeune travailleur, la période durant laquelle la réduction groupe-cible pour jeunes travailleurs peut être accordée est diminuée, sans préjudice de l'application de l'article 18, §§ 2 et 3, de la période qui débute le jour de l'engagement et prend fin le dernier jour du trimestre qui précède celui de l'établissement du dossier électronique.
  § 3. Le Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding transmet par voie électronique aux organismes chargés de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale toutes les données dont ces organismes ont besoin pour apprécier de façon automatisée le droit à la réduction groupe-cible pour jeunes travailleurs, visé à l'article 18, §§ 2 et 3.
  § 4. L'employeur ou le travailleur qui conteste l'exactitude des données visées au paragraphe 3, peut introduire une demande de modification auprès du Département de l'Emploi et de l'Economie sociale du Ministère flamand de l'Emploi et de l'Economie sociale, en joignant les pièces justificatives nécessaires.
  Le département précité peut consulter toutes les sources de données nécessaires en vue du traitement de la demande. ".
Art. 13. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 26 januari 2016, worden de volgende artikelen opgeheven :
  1° artikel 28/1, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 16 juli 2004, vervangen bij het koninklijk besluit van 28 maart 2007 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 22 april 2009;
  2° artikel 28/1bis, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 28 juni 2009 en gewijzigd bij de wet van 30 december 2009 en het koninklijk besluit van 13 augustus 2011;
  3° artikel 28/1ter, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 3 februari 2010.
Art. 13. Dans le même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 26 janvier 2016, les articles suivants sont abrogés :
  1° l'article 28/1, inséré par l'arrêté royal du 16 juillet 2004, remplacé par l'arrêté royal du 28 mars 2007 et modifié par l'arrêté royal du 22 avril 2009 ;
  2° l'article 28/1bis, inséré par l'arrêté royal du 28 juin 2009 et modifié par la loi du 30 décembre 2009 et l'arrêté royal du 13 août 2011 ;
  3° l'article 28/1ter, inséré par l'arrêté royal du 3 février 2010.
HOOFDSTUK 2. - De Vlaamse ondersteuningspremie
CHAPITRE 2. - La Prime flamande de soutien
Art. 14. Aan artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2008 betreffende de professionele integratie van personen met een arbeidshandicap, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid wordt tussen het woord "werkgevers" en het woord "worden" de woorden "en de zelfstandigen" ingevoegd;
  2° er wordt een tweede lid tot en met een vijfde lid toegevoegd, die luiden als volgt :
  "De volgende ondernemingen worden van steun uitgesloten :
  1° een onderneming ten aanzien waarvan er een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Commissie waarbij de steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard, met uitzondering van steunregelingen tot herstel van de schade die veroorzaakt is door bepaalde natuurrampen;
  2° ondernemingen in moeilijkheden.
  In het tweede lid, 2° wordt verstaan onder onderneming in moeilijkheden : een onderneming die aan een van de volgende voorwaarden voldoet :
  1° de onderneming is een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met uitzondering van een kmo die minder dan drie jaar bestaat, waarvan meer dan de helft van het geplaatste aandelenkapitaal door de opgebouwde verliezen is verdwenen. Dat is het geval als het in mindering brengen van de opgebouwde verliezen op de reserves en alle andere elementen die doorgaans worden beschouwd als een onderdeel van het eigen vermogen van de onderneming, een negatieve uitkomst oplevert die groter is dan de helft van het geplaatste aandelenkapitaal;
  2° een aantal van de vennoten is onbeperkt aansprakelijk voor de schulden van de onderneming, met uitsluiting van een kmo die minder dan drie jaar bestaat, en meer dan de helft van het kapitaal van de onderneming, zoals dat in de boeken van de onderneming is vermeld, is door de gecumuleerde verliezen verdwenen;
  3° tegen de onderneming loopt een collectieve insolventieprocedure of de onderneming voldoet volgens de criteria van het nationale recht aan de criteria om, op verzoek van haar schuldeisers, aan een collectieve insolventieprocedure te worden onderworpen;
  4° de onderneming heeft reddingssteun ontvangen en heeft de lening nog niet terugbetaald of heeft de garantie nog niet beëindigd, dan wel herstructureringssteun ontvangen en zit nog altijd in een herstructureringsplan;
  5° de onderneming is geen kmo waarbij de afgelopen twee jaar :
  a) de verhouding tussen het vreemde vermogen en het eigen vermogen, volgens de boekhouding van de onderneming, meer dan 7,5 bedroeg;
  b) de op basis van de EBITDA bepaalde rentedekkingsgraad lager lag dan 1,0.
  In het derde lid, 1°, wordt verstaan onder vennootschap met beperkte aansprakelijkheid : de met name bedoelde rechtsvormen van ondernemingen, vermeld in de bijlage I bij Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad, en omvat het aandelenkapitaal ook het eventuele agio.
  In het derde lid, 1°, 2°, en 5° wordt verstaan onder kmo : de onderneming die voldoet aan de in bijlage 1 vastgestelde criteria bij verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard.
  In het derde lid, 2°, wordt verstaan onder onderneming waarin ten minste een aantal van de vennoten onbeperkt aansprakelijk is voor de schulden van de onderneming, de rechtsvormen van ondernemingen, vermeld in bijlage II bij voormelde Richtlijn 2013/34/EU.".
Art. 14. A l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 juillet 2008 relatif à l'intégration professionnelle des personnes atteintes d'un handicap à l'emploi, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 décembre 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° à l'alinéa 1er, les mots " aux employeurs et aux indépendants " sont insérés entre le mot " allouées " et les mots " en vertu " ;
  2° il est ajouté des alinéas 2 à 5, libellés comme suit :
  " Les entreprises suivantes sont exclues du soutien :
  1° une entreprise faisant l'objet d'une injonction de récupération non exécutée, émise dans une décision antérieure de la Commission déclarant des aides illégales et incompatibles avec le marché intérieur, exception faite des régimes d'aides destinés à remédier aux dommages causés par certaines calamités naturelles ;
  2° les entreprises en difficulté.
  A l'alinéa 2, 2°, on entend par entreprise en difficulté : une entreprise remplissant au moins une des conditions suivantes :
  1° l'entreprise est une société à responsabilité limitée, à l'exception d'une PME existant depuis moins de trois ans, dont plus de la moitié du capital social souscrit a disparu en raison des pertes accumulées. Tel est le cas lorsque la déduction des pertes accumulées des réserves et de tous les autres éléments généralement considérés comme relevant des fonds propres de l'entreprise conduit à un résultat négatif qui excède la moitié du capital social souscrit ;
  2° certains associés ont une responsabilité illimitée pour les dettes de l'entreprise, à l'exclusion d'une PME existant depuis moins de trois ans, et plus de la moitié des fonds propres, tels qu'ils sont inscrits dans les comptes de la société, a disparu en raison des pertes accumulées ;
  3° l'entreprise fait l'objet d'une procédure collective d'insolvabilité ou remplit, selon le droit national qui lui est applicable, les conditions de soumission à une procédure collective d'insolvabilité à la demande de ses créanciers ;
  4° l'entreprise a bénéficié d'une aide au sauvetage et n'a pas encore remboursé le prêt ou mis fin à la garantie, ou a bénéficié d'une aide à la restructuration et est toujours soumise à un plan de restructuration ;
  5° l'entreprise autre qu'une PME où depuis les deux exercices précédents :
  a) le ratio emprunts/capitaux propres est supérieur, selon la comptabilité de l'entreprise, à 7,5 ;
  b) le ratio de couverture des intérêts, calculé sur la base de l'EBITDA, est inférieur à 1,0 ;
  A l'alinéa 3, 1°, on entend par société à responsabilité limitée : notamment les types d'entreprises mentionnés à l'annexe I de la directive 2013/34/UE du Parlement européen et du Conseil du 26 juin 2013 relative aux états financiers annuels, aux états financiers consolidés et aux rapports y afférents de certaines formes d'entreprises, modifiant la directive 2006/43/CE du Parlement européen et du Conseil et abrogeant les directives 78/660/CEE et 83/349/CEE du Conseil, et le capital social comprend, le cas échéant, les primes d'émission.
  A l'alinéa 3, 1°, 2°, et 5°, on entend par PME : l'entreprise qui répond aux critères fixés à l'annexe 1redu règlement (UE) n° 651/2014 de la Commission du 17 juin 2014 déclarant certaines catégories d'aides compatibles avec le marché intérieur en application des articles 107 et 108 du traité.
  A l'alinéa 3, 2°, on entend par entreprise dont certains associés au moins ont une responsabilité illimitée pour les dettes de l'entreprise, les types d'entreprises mentionnés à l'annexe II de la directive 2013/34/UE précitée. ".
Art. 15. In artikel 4 van hetzelfde besluit wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Voor de toekenning van de VOP, vermeld in hoofdstuk VI, bepaalt de VDAB dat recht op basis van een van de onderstaande mogelijkheden :
  1° de lijst met aandoeningen en voorgaande feiten van personen met een indicatie van een arbeidshandicap, die na advies van de raad van bestuur van de VDAB door de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, wordt vastgesteld;
  2° multidisciplinaire informatie;
  3° het gespecialiseerde arbeidsonderzoek, uitgevoerd door een gespecialiseerde arbeidsonderzoekdienst (GA).".
Art. 15. A l'article 4 du même arrêté, il est inséré entre l'alinéa 1er et l'alinéa 2, un alinéa libellé comme suit :
  " Pour l'octroi de la VOP (Prime flamande de Soutien, visée au chapitre VI, le VDAB détermine ce droit sur la base de l'une des possibilités suivantes :
  1° la liste des affections et antécédents de personnes avec une indication de handicap à l'emploi, fixée après avis du conseil d'administration du VDAB par le ministre flamand compétent pour la Politique de l'Emploi ;
  2° l'information multidisciplinaire ;
  3° l'étude de l'emploi spécialisée, réalisée par service spécialisé d'étude de l'emploi (GA). ".
Art. 16. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2014, wordt hoofdstuk VI, dat bestaat uit artikel 28 tot en met 36, vervangen door wat volgt :
  "Hoofdstuk VI. De Vlaamse ondersteuningspremie
  Afdeling I. - De VOP voor werkgevers
  Art. 28. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
  1° departement : het Departement Werk en Sociale Economie van het Vlaams Ministerie van Werk en Sociale Economie;
  2° referteloon : het referteloon, vermeld in artikel 30, § 2;
  3° werkgever : de werkgever die behoort tot een van de volgende categorieën :
  a) een natuurlijke persoon of een privaatrechtelijke rechtspersoon;
  b) een provincie, een gemeente, of OCMW, of een door een provincie, gemeente of OCMW opgericht verzelfstandigd agentschap, of de vereniging waaraan ze deelnemen met toepassing van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking of van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, die een werknemer met een arbeidshandicap na 1 juli 2008 heeft aangeworven;
  c) een onderwijsinstelling als vermeld in artikel 127, § 1, eerste lid, 2°, van de Grondwet;
  d) een maatwerkbedrijf als vermeld in artikel 3, 5°, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling, dat een persoon aanwerft die aan een van de volgende voorwaarden voldoet :
  1) de persoon is een werknemer met een arbeidshandicap die vanaf 1 januari 2015 door het maatwerkbedrijf is aangeworven;
  2) de persoon is een werknemer die als doelgroepwerknemer als vermeld in artikel 3, 2°, van het voormelde decreet, na een evaluatie door de VDAB als vermeld in artikel 8 van het voormelde decreet, doorgestroomd is naar een aansluitende tewerkstelling in een betrekking met geheel zonder of met geringere ondersteuning dan vermeld in het voormelde decreet en die aan de volgende voorwaarden voldoet :
  i) de functie van de werknemer is verschillend van de functie die hij heeft uitgeoefend als doelgroepwerknemer;
  ii) de werknemer bekleedt niet de functie van begeleider, vermeld in artikel 15, van het voormelde decreet;
  4° werknemer met een arbeidshandicap : de persoon met een arbeidshandicap van wie de VDAB met toepassing van hoofdstuk II bepaalt dat hij in aanmerking komt voor een VOP, of de persoon die na een evaluatie door de VDAB als vermeld in artikel 8 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling, kan doorstromen naar een aansluitende tewerkstelling in een betrekking met geheel zonder of met geringere ondersteuning als vermeld in het voormelde decreet.
  Voor de toepassing van dit besluit wordt met maatwerkbedrijf als vermeld in het eerste lid, 3°, d) gelijkgesteld :
  1° de beschutte werkplaats, erkend conform artikel 79 van het decreet van 23 december 2005 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2006;
  2° de sociale werkplaats, erkend conform het decreet van 14 juli 1998 inzake sociale werkplaatsen.
  Art. 29. § 1. Het departement kent aan een werkgever die een werknemer met een arbeidshandicap tewerkstelt een VOP toe om de integratie van die werknemer in het arbeidscircuit te bevorderen. Het departement kent de VOP toe op basis van :
  1° het onderzoek van de VDAB, vermeld in paragraaf 3;
  2° het onderzoek naar de arbeidsrelatie tussen de werkgever en de werknemer.
  § 2. De werkgever dient bij het departement een aanvraag voor de VOP in. Het departement stelt daarvoor een elektronisch aanvraagformulier ter beschikking. De aanvraag vermeldt de volgende gegevens :
  1° de identiteitsgegevens van de werkgever;
  2° de identiteitsgegevens van de werknemer;
  3° de datum van indiensttreding van de werknemer.
  Het departement beoordeelt de ontvankelijkheid van de aanvraag op basis van een volledig en correct ingevuld aanvraagformulier.
  De werkgever van wie de aanvraag ontvankelijk is, wordt daarvan schriftelijk op de hoogte gebracht binnen zeven kalenderdagen na de ontvangst. Die termijn van zeven kalenderdagen wordt geschorst als het departement de werkgever om aanvullende informatie heeft verzocht en het die informatie nog niet heeft ontvangen.
  De werkgever van wie de aanvraag niet ontvankelijk is, wordt daarvan binnen zeven kalenderdagen na de ontvangst schriftelijk op de hoogte gebracht. Die kennisgeving vermeldt de motivering en de mogelijkheid om een nieuwe aanvraag in te dienen.
  § 3. Het departement bezorgt het ontvankelijk verklaard aanvraagdossier via elektronische weg aan de VDAB met het verzoek om een onderzoek te voeren naar het recht op een VOP voor de werknemer conform artikel 3 en 4.
  § 4. Uiterlijk dertig dagen na de ontvankelijk verklaarde aanvraag brengt het departement de werkgever op de hoogte van, in voorkomend geval :
  1° de beslissing tot toekenning van een VOP aan de werkgever;
  2° de stand van zaken in het onderzoek, vermeld in paragraaf 3.
  De beslissing tot toekenning, vermeld in het eerste lid, 1°, omvat :
  1° de identiteitsgegevens van de werknemer die recht heeft op een VOP;
  2° de aanvangsdatum en de duurtijd van de toekenning van de VOP;
  3° het bedrag van de VOP.
  § 5. Als het onderzoek, vermeld in paragraaf 3, niet kan worden afgerond door de VDAB uiterlijk vier maanden na de datum van de ontvankelijkheidsverklaring, vervalt de aanvraag van de werkgever.
  In afwijking van eerste lid kan het departement die termijn verlengen als het onderzoek door de VDAB niet tijdig kan worden afgerond om redenen die vreemd zijn aan de wil van de werkgever of de werknemer.
  § 6. Het departement betaalt de VOP uit vanaf het kwartaal van de aanvraag voor de duurtijd van het recht op ondersteuning, zoals dat conform artikel 4 door de VDAB is bepaald, maximaal gedurende de negentien daaropvolgende kwartalen.
  Art. 30. § 1. Het bedrag van de VOP is gelijk aan :
  1° tijdens periode 1, die gelijk is aan het kwartaal van de eerste aanwerving en de vier daaropvolgende kwartalen van de tewerkstelling bij dezelfde werkgever : 40 % van het geplafonneerde referteloon;
  2° tijdens periode 2, die gelijk is aan het vijfde kwartaal na het kwartaal van de eerste aanwerving tot en met het achtste kwartaal na het kwartaal van de eerste aanwerving bij dezelfde werkgever : 30 % van het geplafonneerde referteloon;
  3° tijdens periode 3, die aanvangt in het negende kwartaal na het kwartaal van de eerste aanwerving bij dezelfde werkgever : 20 % van het geplafonneerde referteloon.
  § 2. Het referteloon, vermeld in paragraaf 1, is samengesteld uit de volgende bestanddelen die daadwerkelijk door de werkgever worden betaald voor de bezoldiging van de persoon met een arbeidshandicap :
  1° het loon, vermeld in artikel 14 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en zoals als dusdanig gekwalificeerd door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid;
  2° alle verplichte werkgeversbijdragen die verschuldigd zijn conform artikel 38, § 3, § 3bis, § 3quinquies en § 3undecies, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers;
  3° de verminderingen van socialezekerheidsbijdragen ten voordele van de werkgever, meer in het bijzonder de socialezekerheidsbijdragen, vermeld in titel IV, hoofdstuk 7, van de Programmawet (I) van 24 december 2002.
  Bij voltijdse tewerkstelling wordt het referteloon geplafonneerd tot het dubbele van het gewaarborgde gemiddelde minimummaandinkomen, vermeld in artikel 3, eerste lid van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 van 2 mei 1988 betreffende de waarborg van een gemiddeld minimummaandinkomen.
  Bij deeltijdse tewerkstelling wordt het plafond van het referteloon pro rata verrekend voor nieuwe aanvragen die worden ingediend vanaf de inwerkintreding van dit besluit. Voor de aanvragen die vóór de inwerkingtreding van dit besluit zijn goedgekeurd, wordt de tegemoetkoming bij een verlenging van de aanvraag of uiterlijk vanaf 1 januari 2019 toegekend op grond van een pro rata verrekening van het plafond van het referteloon.
  § 3. Voor de vaststelling van de periodes, vermeld in paragraaf 1, wordt de periode tussen twee arbeidsovereenkomsten, als die korter is dan vier kwartalen, gelijkgesteld met een tewerkstelling voor de berekening van het bedrag van de VOP, conform paragraaf 1.
  Voor de berekening van het bedrag van de VOP, vermeld in paragraaf 1, wordt de periode waarin de werknemer een GIBO of een doorstroomtraject volgt, vermeld in artikel 24 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling, gelijkgesteld met een periode van tewerkstelling.
  § 4. Tijdens het voorlaatste kwartaal van de toekenning van de VOP brengt het departement de werkgever op de hoogte van het einde van de betalingen van de VOP en van de mogelijkheid om bij het departement een gemotiveerde aanvraag tot behoud van de VOP in te dienen.
  Vanaf het voorlaatste kwartaal van de toekenning van de VOP kan de werkgever een gemotiveerde aanvraag indienen bij het departement tot behoud van de VOP. Het departement beslist op basis van de evaluatie door de VDAB, vermeld in artikel 32, over het bedrag en de duurtijd van de VOP.
  Art. 31. Het departement kan aan de werkgever die daarom gemotiveerd verzoekt, een hogere tegemoetkoming toekennen dan de tegemoetkoming, vermeld in artikel 30.
  De Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, stelt na het advies van de raad van bestuur van de VDAB de lijst met aandoeningen en voorgaande feiten van personen met een indicatie van een arbeidshandicap vast, die recht geven op een verhoogde tegemoetkoming.
  Het departement beslist over het bedrag en de duurtijd van de VOP op basis van een evaluatie door de VDAB als vermeld in artikel 32.
  Tijdens het voorlaatste kwartaal waarin de hogere tegemoetkoming wordt toegekend, brengt het departement de werkgever op de hoogte van het einde van de betalingen van de hogere tegemoetkoming en van de mogelijkheid om bij het departement een gemotiveerde aanvraag in te dienen tot behoud van de hogere tegemoetkoming.
  Vanaf het voorlaatste kwartaal waarin de hogere tegemoetkoming wordt toegekend, kan de werkgever een gemotiveerde aanvraag indienen bij het departement om die hogere tegemoetkoming te behouden. Het departement beslist op basis van een evaluatie door de VDAB over het bedrag en de duurtijd van de VOP.
  Art. 32. Als de werkgever een aanvraag indient tot verlenging van de tegemoetkoming, vermeld in artikel 30, § 3, of tot een verhoging van de tegemoetkoming, vermeld in artikel 31, evalueert de VDAB de behoefte aan ondersteuning en de duurtijd van de ondersteuning ter plaatse bij de werkgever.
  De werkgever heeft recht op een verlenging of verhoging van de VOP als de kosten van de inschakeling in het beroepsleven, de kosten van de ondersteuning en van de verminderde productiviteit van de werknemer minimaal twintig procent van zijn referteloon bedragen.
  De VOP wordt maximaal gedurende twintig kwartalen toegekend. De VOP kan maximaal verhoogd worden tot 60 procent van het referteloon.
  Art. 33. De werkgever aan wie de VOP wordt toegekend, kan geen werknemers ontslaan met de uitsluitende bedoeling :
  1° hen te vervangen door een of meer werknemers met een arbeidshandicap, die recht geven op een VOP of op een hogere VOP;
  2° hen daarna opnieuw aan te werven met het oog op de toekenning van een VOP of een hogere VOP.
  Art. 34. De VOP voor dezelfde werknemer is niet cumuleerbaar met :
  1° de vergoeding voor het inschakelingstraject van de doelgroepwerknemer, vermeld in artikel 25 van het decreet van 22 november 2013 betreffende de lokale diensteneconomie;
  2° de premie, vermeld in het besluit van de Vlaamse regering van 27 oktober 1993 tot veralgemening van het stelsel van gesubsidieerde contractuelen;
  3° de tegemoetkoming, vermeld in hoofdstuk III van het koninklijk besluit nr. 25 van 24 maart 1982 tot opzetting van een programma ter bevordering van de werkgelegenheid in de niet-commerciële sector;
  4° de loonpremie voor de doelgroepwerknemer, vermeld in artikel 12 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling;
  5° het loon dat wordt uitbetaald aan de personen die tewerkgesteld zijn met toepassing van artikel 60, § 7, en artikel 61 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
  6° de loonpremie voor de invoegwerknemers, vermeld in artikel 11 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2005 betreffende de erkenning en financiering van de invoegbedrijven;
  7° de subsidie van loon en sociale lasten voor gehandicapte werknemers, vermeld in hoofdstuk II van het besluit van de Vlaamse regering van 19 december 1996 houdende de subsidieregeling van het loon en van de sociale lasten van de werknemers in de beschutte werkplaatsen die erkend zijn door het Departement Werk en Sociale Economie;
  8° de loonpremie voor een doelgroepwerknemer in een sociale werkplaats, vermeld in artikel 18 van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 1998 tot uitvoering van het decreet inzake sociale werkplaatsen.
  Als de hoogste steunintensiteit of het hoogste steunbedrag, vermeld in verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, wordt overschreden, worden de vergoedingen die buiten dit besluit zijn verworven, in mindering gebracht van de VOP.
  Afdeling II. - De VOP voor zelfstandigen
  Art. 35. Het departement kent de VOP toe aan de persoon met een arbeidshandicap die na 1 oktober 2008 zelfstandige in hoofdberoep is geworden of vanaf de inwerkingtreding van dit besluit zelfstandige in bijberoep is geworden als vermeld in het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen.
  Het departement kent, na aanvraag van de zelfstandige, een VOP toe aan de zelfstandige in hoofdberoep of de zelfstandige in bijberoep, bepaald in het voormelde koninklijk besluit, die vanaf de inwerkingtreding van dit besluit een persoon met een arbeidshandicap wordt en recht heeft op bijzondere tewerkstellingsondersteunende maatregelen en voorheen geen erkenning had voor een tegemoetkoming om de tewerkstelling onder gewone arbeidsvoorwaarden te bevorderen vanwege het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap of een van zijn rechtsvoorgangers.
  De toekenning van een VOP aan de persoon, vermeld in het eerste lid is afhankelijk van een positieve beoordeling van de zelfstandige activiteit van de door de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, erkende organisatie. De erkende organisatie beoordeelt de zelfstandige activiteit positief voor zover het belastbare nettobedrijfsinkomen van de zelfstandige activiteit tijdens het kwartaal van de aanvraag en tijdens de vier volgende kwartalen hoger is dan 15.000 euro.
  De beoordeling, vermeld in het derde lid, is niet vereist voor de personen die met betrekking tot hun zelfstandige activiteit beschikken over een fiscaal aanslagbiljet voor het aanslagjaar dat voorafgaat aan de aanvraag van de VOP.
  Art. 36. § 1. Voor de berekening van de VOP wordt het gewaarborgd gemiddeld minimummaandinkomen als basis genomen.
  § 2. Het bedrag van de VOP voor zelfstandigen, vermeld in artikel 35, is gelijk aan :
  1° 40 % gedurende het kwartaal van de aanvraag en de vier daaropvolgende kwartalen;
  2° 20 % vanaf het zesde kwartaal tot en met het twintigste kwartaal, op voorwaarde dat voldoende bedrijfsactiviteit kan worden aangetoond.
  Tijdens het voorlaatste kwartaal van de toekenning van de VOP brengt het departement de zelfstandige op de hoogte van het einde van de betalingen van de VOP en van de mogelijkheid om bij het departement een gemotiveerde aanvraag in te dienen tot behoud van het bedrag, vermeld in het eerste lid, 2°.
  Vanaf het voorlaatste kwartaal van de toekenning van de VOP kan de zelfstandige een gemotiveerde aanvraag indienen bij het departement tot behoud van het bedrag, vermeld in het eerste lid, 2°. Het departement beslist op basis van een evaluatie door de VDAB over het bedrag en de periode van de VOP.
  § 3. Er is voldoende bedrijfsactiviteit zolang het belastbare nettobedrijfsinkomen hoger is dan 15.000 euro. Dat wordt aangetoond met een fiscaal aanslagbiljet.".
Art. 16. Dans le même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 décembre 2014, le chapitre VI, comprenant les articles 28 à 36, est remplacé par ce qui suit :
  " Chapitre VI. La Prime flamande de soutien
  Section Ire. - La VOP pour les employeurs
  Art. 28. Dans le présent arrêté, on entend par :
  1° département : le Département de l'Emploi et de l'Economie sociale du Ministère flamand de l'Emploi et de l'Economie sociale ;
  2° salaire de référence : le salaire de référence visé à l'article 30, § 2 ;
  3° employeur : l'employeur qui relève d'une des catégories suivantes :
  a) une personne physique ou une personne morale de droit privé ;
  b) une province, une commune, un C.P.A.S. ou une agence autonomisée créée par une province, une commune ou un C.P.A.S. ou l'association à laquelle ils participent en application du décret du 6 juillet 2001 portant réglementation de la coopération intercommunale ou de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'action sociale qui a engagé un travailleur avec un handicap à l'emploi après le 1er juillet 2008 ;
  c) un établissement d'enseignement tel que visé à l'article 127, § 1er, alinéa 1er, 2°, de la Constitution ;
  d) une entreprise de travail adapté telle que visée à l'article 3, 5°, du décret du 12 juillet 2013 relatif au travail adapté dans le cadre de l'intégration collective, qui engage une personne répondant à l'une des conditions suivantes :
  1) la personne est un travailleur avec un handicap à l'emploi qui a été engagé par l'entreprise de travail adapté à partir du 1er janvier 2015 ;
  2) la personne est un travailleur qui, en tant que travailleur de groupe-cible tel que visé à l'article 3, 2°, du décret précité, s'est orienté, après une évaluation par le VDAB telle que visée à l'article 8 du décret précité, vers un emploi successif à un poste qui ne fait l'objet d'aucune aide ou que d'une aide plus limitée que celle visée dans le décret précité et qui répond aux conditions suivantes :
  i) la fonction du travailleur est différente de la fonction qu'il a exercée en tant que travailleur de groupe-cible ;
  ii) le travailleur ne revêt pas la fonction d'accompagnateur visée à l'article 15 du décret précité ;
  4° travailleur avec un handicap à l'emploi : la personne avec un handicap à l'emploi dont le VDAB détermine, en application du chapitre II, qu'elle a droit à une VOP ou la personne qui, après une évaluation par le VDAB telle que visée à l'article 8 du décret du 12 juillet 2013 relatif au travail adapté dans le cadre de l'intégration collective, peut s'orienter vers un emploi successif à un poste qui ne fait l'objet d'aucune aide ou que d'une aide plus limitée que celle visée dans le décret précité.
  Pour l'application du présent arrêté, est assimilé à l'entreprise de travail adapté telle que visée à l'alinéa 1er, 3°, d) :
  1° l'atelier protégé, agréé conformément à l'article 79 du décret du 23 décembre 2005 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2006 ;
  2° l'atelier social, agréé conformément au décret du 14 juillet 1998 relatif aux ateliers sociaux.
  Art. 29. § 1er. Le département octroie une VOP à l'employeur qui occupe un travailleur avec un handicap à l'emploi en vue de favoriser l'intégration de ce travailleur dans le circuit de travail. Le département octroie la VOP sur la base de :
  1° l'examen du VDAB visé au paragraphe 3 ;
  2° l'examen de la relation de travail entre l'employeur et le travailleur.
  § 2. L'employeur introduit une demande pour la VOP auprès du département. Le département met à cet effet un formulaire de demande électronique à disposition. La demande mentionne les données suivantes :
  1° les données d'identité de l'employeur ;
  2° les données d'identité du travailleur ;
  3° la date d'entrée en fonction du travailleur.
  Le département apprécie la recevabilité de la demande sur la base d'un formulaire de demande entièrement et correctement complété.
  L'employeur dont la demande est recevable en est informé par écrit dans les sept jours civils suivant la réception. Ce délai de sept jours civils est suspendu si le département a demandé à l'employeur des informations complémentaires et ne les a pas encore reçues.
  L'employeur dont la demande n'est pas recevable en est informé par écrit dans les sept jours civils suivant la réception. Cette notification précise le motif et fait part de la possibilité d'introduire une nouvelle demande.
  § 3. Le département transmet le dossier de demande déclaré recevable par voie électronique au VDAB en lui demandant d'examiner le droit à une VOP pour le travailleur conformément aux articles 3 et 4.
  § 4. Au plus tard trente jours après la demande déclarée recevable, le département informe l'employeur, le cas échéant, de :
  1° la décision d'octroi d'une VOP à l'employeur ;
  2° l'état d'avancement de l'examen visé au paragraphe 3.
  La décision d'octroi visée à l'alinéa 1er comporte :
  1° les données d'identité du travailleur qui a droit à une VOP ;
  2° la date de début et la durée de l'octroi de la VOP ;
  3° le montant de la VOP.
  § 5. Si le VDAB ne peut clôturer l'examen visé au paragraphe 3 au plus tard quatre mois après la date de la déclaration de recevabilité, la demande de l'employeur est caduque.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, le département peut prolonger ce délai si le VDAB ne peut clôturer l'examen pour des raisons indépendantes de la volonté de l'employeur ou du travailleur.
  § 6. Le département paie la VOP à partir du trimestre de la demande pour la durée du droit au soutien tel qu'il a été déterminé par le VDAB conformément à l'article 4, au maximum pendant les dix-neuf trimestres suivants.
  Art. 30. § 1er. Le montant de la VOP est égal à :
  1° durant la période 1, qui correspond au trimestre du premier engagement et aux quatre trimestres suivants d'occupation auprès du même employeur : 40 % du salaire de référence plafonné ;
  2° durant la période 2, qui correspond au cinquième trimestre après le trimestre du premier engagement jusqu'au huitième trimestre inclus après le trimestre du premier engagement auprès du même employeur : 30 % du salaire de référence plafonné ;
  3° durant la période 3, qui commence au neuvième trimestre après le trimestre du premier engagement auprès du même employeur : 20 % du salaire de référence plafonné.
  § 2. Le salaire de référence, visé au paragraphe 1er, se compose des éléments suivants réellement payés par l'employeur pour la rémunération de la personne avec un handicap à l'emploi :
  1° la rémunération visée à l'article 14 de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs et qualifiée comme telle par l'Office National de Sécurité Sociale ;
  2° toutes les cotisations patronales obligatoires dues conformément à l'article 38, §§ 3, 3bis, 3quinquies et 3undecies, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés ;
  3° les réductions de cotisations de sécurité sociale en faveur de l'employeur, en particulier les cotisations de sécurité sociale visées au titre IV, chapitre 7, de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002.
  En cas d'occupation à temps plein, le salaire de référence est plafonné au double du revenu minimum mensuel moyen garanti visé à l'article 3, alinéa 1er, de la convention collective de travail n° 43 du 2 mai 1988 relative à la garantie d'un revenu minimum mensuel moyen.
  En cas d'occupation à temps partiel, le plafond du salaire de référence est proratisé pour les nouvelles demandes introduites à partir de l'entrée en vigueur du présent arrêté. Pour les demandes approuvées avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, l'intervention est accordée, en cas de prolongation de la demande ou au plus tard à partir du 1er janvier 2019, sur la base d'une proratisation du plafond du salaire de référence.
  § 3. Pour la détermination des périodes visées au paragraphe 1er, la période inférieure à quatre trimestres séparant deux contrats de travail est assimilée à une occupation pour le calcul du montant de la VOP, conformément au paragraphe 1er.
  Pour le calcul du montant de la VOP visé au paragraphe 1er, la période au cours de laquelle le travailleur suit une formation professionnelle individuelle spécialisée en entreprise (GIBO - gespecialiseerde individuele beroepsopleiding in een onderneming) ou un parcours de transition visé à l'article 24 du décret du 12 juillet 2013 relatif au travail adapté dans le cadre de l'intégration collective est assimilée à une période d'occupation.
  § 4. Au cours de l'avant-dernier trimestre d'octroi de la VOP, le département informe l'employeur de la fin des paiements de la VOP et de la possibilité d'introduire auprès du département une demande motivée de maintien de la VOP.
  A partir de l'avant-dernier trimestre d'octroi de la VOP, l'employeur peut introduire auprès du département une demande motivée de maintien de la VOP. Le département décide sur la base de l'évaluation par le VDAB, visée à l'article 32, du montant et de la durée de la VOP.
  Art. 31. Le département peut octroyer à l'employeur qui en fait la demande motivée une intervention plus importante que celle visée à l'article 30.
  Le ministre flamand compétent pour la Politique de l'Emploi fixe, après avis du conseil d'administration du VDAB, la liste des affections et antécédents de personnes avec une indication de handicap à l'emploi donnant doit à une intervention majorée.
  Le département décide du montant et de la durée de la VOP sur la base de l'évaluation par le VDAB, visée à l'article 32.
  Au cours de l'avant-dernier trimestre d'octroi de l'intervention majorée, le département informe l'employeur de la fin des paiements de l'intervention majorée et de la possibilité d'introduire auprès du département une demande motivée de maintien de l'intervention majorée.
  A partir de l'avant-dernier trimestre d'octroi de l'intervention majorée, l'employeur peut introduire auprès du département une demande motivée de maintien de cette intervention majorée. Le département décide sur la base d'une évaluation par le VDAB du montant et de la durée de la VOP.
  Art. 32. Si l'employeur introduit une demande de prolongation de l'intervention visée à l'article 30, § 3, ou de majoration de l'intervention visée à l'article 31, le VDAB évalue le besoin de soutien et la durée du soutien sur place chez l'employeur.
  L'employeur a droit à une prolongation ou majoration de la VOP si les frais d'insertion dans la vie active, les frais de soutien et de productivité réduite du travailleur s'élèvent à 20 % au moins de son salaire de référence.
  La VOP est octroyée durant vingt trimestres maximum. La VOP peut être majorée au maximum à 60 % du salaire de référence.
  Art. 33. L'employeur auquel la VOP est octroyée ne peut licencier des travailleurs dans le but unique de :
  1° les remplacer par un ou plusieurs travailleurs avec un handicap à l'emploi qui donnent droit à une VOP ou à une VOP plus importante ;
  2° les réengager par la suite en vue d'obtenir une VOP ou une VOP plus importante.
  Art. 34. La VOP pour le même travailleur n'est pas cumulable avec :
  1° l'indemnité pour le trajet d'insertion du travailleur de groupe-cible, visée à l'article 25 du décret du 22 novembre 2013 relatif à l'économie de services locaux ;
  2° la prime visée à l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 octobre 1993 portant généralisation du régime des contractuels subventionnés ;
  3° l'intervention visée au chapitre III de l'arrêté royal n° 25 du 24 mars 1982 créant un programme de promotion de l'emploi dans le secteur non-marchand ;
  4° la prime salariale pour le travailleur de groupe-cible visée à l'article 12 du décret du 12 juillet 2013 relatif au travail adapté dans le cadre de l'intégration collective ;
  5° la rémunération payée aux personnes occupées en application de l'article 60, § 7, et de l'article 61 de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'action sociale;
  6° la prime salariale pour les travailleurs d'insertion visée à l'article 11 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 juillet 2005 relatif à l'agrément et au financement des entreprises d'insertion ;
  7° la subvention de la rémunération et des charges sociales pour les travailleurs handicapés visée au chapitre II de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 décembre 1996 réglant l'octroi d'interventions dans la rémunération et les charges sociales des travailleurs employés par les ateliers protégés, agréés par le Département de l'Emploi et de l'Economie sociale ;
  8° la prime salariale pour un travailleur de groupe-cible dans un atelier social visée à l'article 18 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 décembre 1998 portant exécution du décret relatif aux ateliers sociaux.
  En cas de dépassement de l'intensité ou du montant d'aide les plus élevés visés dans le règlement (UE) n° 651/2014 de la Commission du 17 juin 2014 déclarant certaines catégories d'aides compatibles avec le marché intérieur en application des articles 107 et 108 du traité, les indemnités acquises en dehors du présent arrêté sont déduites de la VOP.
  Section II. - La VOP pour indépendants
  Art. 35. Le département octroie la VOP à la personne atteinte d'un handicap à l'emploi devenue indépendante à titre principal après le 1er octobre 2008 ou devenue indépendante à titre accessoire à partir de l'entrée en vigueur du présent arrêté, telle que visée à l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants.
  Le département octroie, après demande de l'indépendant, une VOP à l'indépendant à titre principal ou à l'indépendant à titre accessoire défini dans l'arrêté royal précité qui, après l'entrée en vigueur du présent arrêté, devient une personne avec un handicap à l'emploi et a droit aux mesures particulières de soutien à l'emploi et qui, auparavant, n'était pas reconnue pour l'octroi d'une intervention visant à favoriser l'occupation dans des conditions de travail normales par la Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (Agence flamande pour les Personnes handicapées) ou l'un de ses prédécesseurs.
  L'octroi d'une VOP à la personne visée à l'alinéa 1er dépend d'une appréciation positive de l'activité indépendante par une organisation agréée par le ministre flamand compétent pour la Politique de l'Emploi. L'organisation agréée apprécie positivement l'activité indépendante dans la mesure où le revenu professionnel net imposable de l'activité indépendante est supérieur à 15.000 euros durant le trimestre de la demande et les quatre trimestres suivants.
  L'appréciation visée à l'alinéa 3 n'est pas requise pour les personnes disposant d'un avertissement-extrait de rôle relatif à leur activité indépendante pour l'exercice d'imposition précédant la demande de VOP.
  Art. 36. § 1er. Le revenu minimum mensuel moyen garanti sert de base au calcul de la VOP.
  § 2. Le montant de la VOP pour indépendants, visée à l'article 35, est égal à :
  1° 40 % durant le trimestre de la demande et les quatre trimestres suivants ;
  2° 20 % à partir du sixième trimestre jusqu'au vingtième trimestre inclus à condition qu'une activité professionnelle suffisante puisse être démontrée.
  Au cours de l'avant-dernier trimestre d'octroi de la VOP, le département informe l'indépendant de la fin des paiements de la VOP et de la possibilité d'introduire auprès du département une demande motivée de maintien du montant visé à l'alinéa 1er, 2°.
  A partir de l'avant-dernier trimestre d'octroi de la VOP, l'indépendant peut introduire auprès du département une demande motivée de maintien du montant visé à l'alinéa 1er, 2°. Le département décide sur la base d'une évaluation par le VDAB du montant et de la période de la VOP.
  § 3. Il y a une activité professionnelle suffisante tant que le revenu professionnel net imposable est supérieur à 15.000 euros, ce dont atteste un avertissement-extrait de rôle. ".
Art. 17. Artikel 40 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 40. De VDAB schorst de betaling van de tegemoetkomingen, vermeld in hoofdstuk III, IV en V, en vordert die terug als de persoon met een arbeidshandicap of een werkgever de voorwaarden, vermeld in dit besluit niet naleeft.
  Het departement schorst de betaling van de tegemoetkomingen, vermeld in hoofdstuk VI, en vordert die in een van onderstaande gevallen terug :
  1° de persoon met een arbeidshandicap of een werkgever leeft de voorwaarden, vermeld in hoofdstuk VI niet na;
  2° er zijn nauwkeurige of overeenstemmende vermoedens dat een werkgever een of meer personen met een arbeidshandicap heeft ontslagen uitsluitend met de bedoeling hen te vervangen door een of meer personen met een arbeidshandicap die recht geven op een VOP of op een hogere VOP, of uitsluitend met de bedoeling hen daarna opnieuw aan te werven om een hogere VOP te verkrijgen.".
Art. 17. L'article 40 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 40. Le VDAB suspend le paiement des interventions visées aux chapitres III, IV et V et les récupère si la personne avec un handicap à l'emploi ou l'employeur ne respecte pas les conditions énoncées dans le présent arrêté.
  Le département suspend le paiement des interventions visées au chapitre VI et les récupère dans un des cas suivants :
  1° la personne avec un handicap à l'emploi ou un employeur ne respecte pas les conditions énoncées au chapitre VI ;
  2° il existe des présomptions précises ou concordantes selon lesquelles un employeur a licencié une ou plusieurs personnes dans le but unique de les remplacer par une ou plusieurs personnes avec un handicap à l'emploi qui donnent droit à une VOP ou à une VOP plus importante ou dans le but unique les réengager par la suite en vue d'obtenir une VOP plus importante. ".
Art. 18. Artikel 63 en 64 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 september 2010, worden opgeheven.
Art. 18. Les articles 63 et 64 du même arrêté, remplacés par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 septembre 2010, sont abrogés.
Art. 18/1. In het zelfde besluit wordt een artikel 67/2 ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Art. 67/2. Voor werknemers met een arbeidshandicap die uiterlijk op 30 juni 2016 met een VOP zijn tewerkgesteld in het kader van uitzendarbeid conform de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, blijven werkgevers de VOP behouden tot uiterlijk 30 juni 2017 conform het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2008 betreffende de professionele integratie van personen met een arbeidshandicap, zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van dit besluit.".
Art. 18/1. Dans le même arrêté, il est inséré un article 67/2, libellé comme suit :
  " Art. 67/2. Pour les travailleurs avec un handicap à l'emploi occupés au plus tard au 30 juin 2016 avec une VOP dans le cadre du travail intérimaire conformément à la loi 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs, les employeurs conservent la VOP jusqu'au 30 juin 2017 au plus tard conformément à l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 juillet 2008 relatif à l'intégration professionnelle des personnes atteintes d'un handicap à l'emploi tel qu'en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent arrêté. " .
HOOFDSTUK 3. - Slotbepalingen
CHAPITRE 3. - Dispositions finales
Art. 19. In het koninklijk besluit van 19 december 2001 tot bevordering van de tewerkstelling van langdurig werkzoekenden worden de volgende artikelen opgeheven :
  1° artikel 7, vervangen bij het koninklijk besluit van 16 mei 2003 en het laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 26 januari 2014;
  2° artikel 10, vervangen bij het koninklijk besluit van 16 mei 2003 en het laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 30 september 2012.
Art. 19. Dans l'arrêté royal du 19 décembre 2001 de promotion de mise à l'emploi des demandeurs d'emploi de longue durée, les articles suivants sont abrogés :
  1° l'article 7, remplacé par l'arrêté royal du 16 mai 2003 et modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 26 janvier 2014 ;
  2° l'article 10, remplacé par l'arrêté royal du 16 mai 2003 et modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 30 septembre 2012.
Art. 20. In het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering worden de volgende artikelen opgeheven;
  1° artikel 78 ter, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 9 juni 1997 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 15 juli 1998 en 7 juni 2013;
  2° artikel 131 quater, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 9 juni 1997, vervangen bij het koninklijk besluit van 15 juli 1998 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 juli 2001.
Art. 20. Dans l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage, les articles suivants sont abrogés :
  1° l'article 78ter, inséré par l'arrêté royal du 9 juin 1997 et modifié par les arrêtés royaux des 15 juillet 1998 et 7 juin 2013 ;
  2° l'article 131quater, inséré par l'arrêté royal du 9 juin 1997, remplacé par l'arrêté royal du 15 juillet 1998 et modifié par l'arrêté royal du 13 juillet 2001.
Art. 21. De volgende regelingen worden opgeheven :
  1° het koninklijk besluit van 9 juni 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de doorstromingsprogramma's, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 juni 2007;
  2° het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die wordt aangeworven in het kader van het Activaplan, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 23 december 2002, 11 september 2003 en 11 april 2004;
  3° het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die wordt tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 16 mei 2003 en 1 april 2004;
  4° het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in het kader van de invoeginterim;
  5° het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp die wordt aangeworven in het kader van het Activaplan, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 1 april 2004 en 23 december 2002;
  6° het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp die wordt tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 1 april 2004 en 16 mei 2003;
  7° het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn voor een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp in het kader van de invoeginterim, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 1 april 2004;
  8° het koninklijk besluit van 29 maart 2006 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders ter bevordering van de tewerkstelling van laaggeschoolde of erg laag geschoolde jongeren, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 juli 2006 en 2 mei 2007;
  9° het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 2006 tot invoering van de tewerkstellingspremie, laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2014;
  10° het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2008 betreffende werkervaring, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juni 2014.
Art. 21. Les réglementations suivantes sont abrogées :
  1° l'arrêté royal du 9 juin 1997 d'exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs relatif aux programmes de transition professionnelle, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 3 juin 2007 ;
  2° l'arrêté royal du 11 juillet 2002 déterminant l'intervention financière du centre public d'aide sociale dans le coût salarial d'un ayant droit à l'intégration sociale qui est engagé dans le cadre du plan Activa, modifié par les arrêtés royaux des 23 décembre 2002, 11 septembre 2003 et 11 avril 2004 ;
  3° l'arrêté royal du 11 juillet 2002 déterminant l'intervention financière du centre public d'aide sociale dans le coût salarial d'un ayant droit à l'intégration sociale mis au travail dans un programme de transition professionnelle, modifié par les arrêtés royaux des 16 mai 2003 et 1er avril 2004 ;
  4° l'arrêté royal du 11 juillet 2002 déterminant l'intervention financière du centre public d'aide sociale dans le cadre de l'intérim d'insertion ;
  5° l'arrêté royal du 14 novembre 2002 déterminant l'intervention financière du centre public d'aide sociale dans le coût salarial d'un ayant droit à une aide sociale financière qui est engagé dans le cadre du plan Activa, modifié par les arrêtés royaux des 23 décembre 2002 et 1er avril 2004 ;
  6° l'arrêté royal du 14 novembre 2002 déterminant l'intervention financière du centre public d'aide sociale dans le coût salarial d'un ayant droit à une aide sociale financière mis au travail dans un programme de transition professionnelle, modifié par les arrêtés royaux des 16 mai 2003 et 1er avril 2004 ;
  7° l'arrêté royal du 14 novembre 2002 déterminant l'intervention financière du centre public d'aide sociale pour un ayant droit à une aide sociale financière dans le cadre de l'intérim d'insertion, modifié par l'arrêté royal du 1er avril 2004 ;
  8° l'arrêté royal du 29 mars 2006 d'exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 relatif à la sécurité sociale des travailleurs pour la promotion de mise à l'emploi des jeunes moins qualifiés ou très peu qualifiés, modifié par les arrêtés royaux des 20 juillet 2006 et 2 mai 2007 ;
  9° l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 avril 2006 instaurant la prime d'emploi, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 décembre 2014 ;
  10° l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juillet 2008 relatif à l'expérience du travail, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 juin 2014.
Art. 22. De werknemers die uiterlijk op 31 december 2016 in dienst zijn getreden, behouden hun integratie-uitkering tot uiterlijk 31 december 2018 overeenkomstig de volgende voorwaarden, vermeld in de volgende besluiten, zoals van kracht vóór de inwerkintreding van dit besluit :
  1° het koninklijk besluit van 9 juni 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de doorstromingsprogramma's;
  2° het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die wordt tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma;
  3° het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp die wordt tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma.
Art. 22. Les travailleurs entrés en fonction au plus tard le 31 décembre 2016 conservent leur allocation d'intégration jusqu'au 31 décembre 2018 au plus tard conformément aux conditions suivantes visées dans les arrêtés ci-après tels qu'en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent arrêté :
  1° l'arrêté royal du 9 juin 1997 d'exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs relatif aux programmes de transition professionnelle ;
  2° l'arrêté royal du 11 juillet 2002 déterminant l'intervention financière du centre public d'aide sociale dans le coût salarial d'un ayant droit à l'intégration sociale mis au travail dans un programme de transition professionnelle ;
  3° l'arrêté royal du 14 novembre 2002 déterminant l'intervention financière du centre public d'aide sociale dans le coût salarial d'un ayant droit à une aide sociale financière mis au travail dans un programme de transition professionnelle ;
Art. 23. De werknemers met een verminderde arbeidsgeschiktheid die uiterlijk op 30 juni 2016 in dienst zijn getreden, behouden hun werkuitkering tot uiterlijk 31 december 2018 overeenkomstig de voorwaarden, vermeld in artikel 7, § 8, en artikel 10, § 4, van het koninklijk besluit van 19 december 2001 tot bevordering van de tewerkstelling van langdurige werkzoekenden, zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van dit besluit.
Art. 23. Les travailleurs avec une aptitude au travail réduite entrés en fonction au plus tard le 30 juin 2016 conservent leur allocation de travail jusqu'au 31 décembre 2018 au plus tard conformément aux conditions visées à l'article 7, § 8, et à l'article 10, § 4, de l'arrêté royal du 19 décembre 2001 de promotion de mise à l'emploi des demandeurs d'emploi de longue durée tel qu'en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent arrêté.
Art. 24. De werknemers die uiterlijk op 31 december 2016 in dienst zijn getreden, behouden hun werkuitkering tot uiterlijk 31 december 2018 overeenkomstig de volgende voorwaarden, vermeld in de volgende bepalingen en besluiten, zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van dit besluit :
  1° artikel 7, § 1 tot en met § 7, en § 9, en artikel 10, § 1 tot en met § 3, van het koninklijk besluit van 19 december 2001 tot bevordering van de tewerkstelling van langdurige werkzoekenden;
  2° het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die wordt aangeworven in het kader van het Activaplan;
  3° het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp die wordt aangeworven in het kader van het Activaplan.
Art. 24. Les travailleurs entrés en fonction au plus tard le 31 décembre 2016 conservent leur allocation de travail jusqu'au 31 décembre 2018 au plus tard conformément aux conditions suivantes visées dans les dispositions et arrêtés ci-après tels qu'en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent arrêté :
  1° l'article 7, §§ 1er à 7 et 9, et article 10, §§ 1er à 3, de l'arrêté royal du 19 décembre 2001 de promotion de mise à l'emploi des demandeurs d'emploi de longue durée ;
  2° l'arrêté royal du 11 juillet 2002 déterminant l'intervention financière du centre public d'aide sociale dans le coût salarial d'un ayant droit à l'intégration sociale qui est engagé dans le cadre du plan Activa ;
  3° l'arrêté royal du 14 novembre 2002 déterminant l'intervention financière du centre public d'aide sociale dans le coût salarial d'un ayant droit à une aide sociale financière qui est engagé dans le cadre du plan Activa.
Art. 25. Voor werknemers die uiterlijk 31 december 2016 in dienst zijn getreden, behouden de uitzendbureaus de voordelen in het kader van invoeginterim tot uiterlijk 31 december 2018 overeenkomstig de voorwaarden, bepaald krachtens de volgende besluiten, zoals van kracht vóór de inwerkintreding van dit besluit :
  1° het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in het kader van de invoeginterim;
  2° het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn voor een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp in het kader van de invoeginterim.
Art. 25. Pour les travailleurs entrés en fonction au plus tard le 31 décembre 2016, les entreprises de travail intérimaire conservent les avantages dans le cadre de l'intérim d'insertion jusqu'au 31 décembre 2018 au plus tard conformément aux conditions fixées en vertu des arrêtés suivants tels qu'en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent arrêté :
  1° l'arrêté royal du 11 juillet 2002 déterminant l'intervention financière du centre public d'aide sociale dans le cadre de l'intérim d'insertion ;
  2° l'arrêté royal du 14 novembre 2002 déterminant l'intervention financière du centre public d'aide sociale pour un ayant droit à une aide sociale financière dans le cadre de l'intérim d'insertion.
Art. 26. Voor werknemers die uiterlijk op 31 december 2016 in dienst zijn getreden, behouden werkgevers tot uiterlijk 31 december 2018 de werkgeversbijdragevermindering van het Activaplan volgens de voorwaarden, bepaald krachtens artikel 7, 8, 9, 9bis, 10, 11, 13 en 14 bis van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van dit besluit.
Art. 26. Pour les travailleurs entrés en fonction au plus tard le 31 décembre 2016, les employeurs conservent jusqu'au 31 décembre 2018 au plus tard la réduction de cotisations patronale du plan Activa conformément aux conditions fixées en vertu des articles 7, 8, 9, 9bis, 10, 11, 13 et 14bis de l'arrêté royal du 16 mai 2003 pris en exécution du Chapitre 7 du Titre IV de la loi-programme du 24 décembre 2002 (I), visant à harmoniser et à simplifier les régimes de réductions de cotisations de sécurité sociale, tel qu'en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent arrêté.
Art. 27. Voor werknemers die zijn ontslagen in het kader van een herstructurering en uiterlijk op 31 december 2016 in dienst zijn getreden, behouden werkgevers tot uiterlijk 31 december 2018 een doelgroepvermindering volgens de voorwaarden, bepaald krachtens artikel 28/1, 28/1bis en 28/1ter van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen, zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van dit besluit.
  [1 In afwijking van artikel 28/1, tweede lid, 3°, is het referteloon van de werknemer niet hoger dan :
   a) 13.942,47 euro als de werknemer op de dag van de indiensttreding minstens dertig jaar is;
   b) 7178,76 euro als de werknemer op de dag van de indiensttreding jonger dan dertig jaar is.]1
Art. 27. Pour les travailleurs licenciés dans le cadre d'une restructuration et entrés en fonction au plus tard le 31 décembre 2016, les employeurs conservent jusqu'au 31 décembre 2018 au plus tard la réduction groupe-cible conformément aux conditions fixées en vertu des articles 28/1, 28/1bis et 28/1ter de l'arrêté royal du 16 mai 2003 pris en exécution du Chapitre 7 du Titre IV de la loi-programme du 24 décembre 2002 (I), visant à harmoniser et à simplifier les régimes de réductions de cotisations de sécurité sociale, tel qu'en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent arrêté.
  [1 Par dérogation à l'article 28/1, alinéa 2, 3°, le salaire de référence du travailleur ne dépasse pas :
   a) 13.942,47 euros si le travailleur a au moins trente ans à la date d'entrée en service ;
   b) 7.178,76 euros si le travailleur a moins de trente ans à la date d'entrée en service.]1
Art. 28. Voor jonge werknemers die uiterlijk op 30 juni 2016 in dienst zijn getreden, behouden werkgevers een doelgroepvermindering tot uiterlijk 31 december 2018 volgens de voorwaarden, vermeld in artikel 18 en 20 van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen, zoals van kracht vóór de inwerkintreding van dit besluit.
  [1 Ter uitvoering van artikel 18, § 4, van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen wordt bij de hertewerkstelling bij dezelfde werkgever geen onderscheid gemaakt tussen tewerkstellingen die begonnen zijn voor en na 1 juli 2016.]1
  
Art. 28. Pour les jeunes travailleurs entrés en fonction au plus tard le 30 juin 2016, les employeurs conservent jusqu'au 31 décembre 2018 au plus tard une réduction groupe-cible conformément aux conditions visées aux articles 18 et 20 de l'arrêté royal du 16 mai 2003 pris en exécution du Chapitre 7 du Titre IV de la loi-programme du 24 décembre 2002 (I), visant à harmoniser et à simplifier les régimes de réductions de cotisations de sécurité sociale, tel qu'en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent arrêté.
  [1 En exécution de l'article 18, § 4, de l'arrêté royal du 16 mai 2003 pris en exécution du Chapitre 7 du Titre IV de la Loi-programme du 24 décembre 2002 (I), visant à harmoniser et à simplifier les régimes de réductions de cotisations de sécurité sociale, aucune distinction n'est faite, dans le cas du réemploi auprès du même employeur, entre des emplois qui ont débuté avant et après le 1er juillet 2016.]1
  
Art. 28/1. Voor de jongere, vermeld in artikel 4 of 5bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders die uiterlijk op 30 juni 2016 is tewerkgesteld, krijgt de werkgever een doelgroepvermindering als laaggeschoolden of middengeschoolde jongere overeenkomstig artikel 18 paragraaf 2 en 3 van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen. De doelgroepvermindering wordt in voorkomend geval toegekend vanaf 1 januari van het kalenderjaar waarop voormelde jongere de leeftijd van 19 jaar bereikt.
Art. 28/1. Pour le jeune, visé à l'article 4 ou 5bis de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, mis au travail au plus tard le 30 juin 2016, l'employeur reçoit une réduction groupe-cible en tant que jeune moins qualifié ou moyennement qualifié conformément à l'article 18, paragraphes 2 et 3 de l'arrêté royal du 16 mai 2003 pris en exécution du Chapitre 7 du Titre IV de la loi-programme du 24 décembre 2002 (I), visant à harmoniser et à simplifier les régimes de réductions de cotisations de sécurité sociale. La réduction groupe-cible est accordée le cas échéant à partir du 1er janvier de l'année civile durant laquelle le jeune précité atteint l'âge de 19 ans.
Art. 29. Jonge werknemers die uiterlijk op 30 juni 2016 in dienst zijn getreden, behouden hun werkuitkering overeenkomstig de voorwaarden, bepaald conform het koninklijk besluit van 29 maart 2006 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders ter bevordering van de tewerkstelling van laaggeschoolde of erg laag geschoolde jongeren, zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van dit besluit.
Art. 29. Les jeunes travailleurs entrés en fonction au plus tard le 30 juin 2016 conservent leur allocation de travail conformément aux conditions fixées en vertu de l'arrêté royal du 29 mars 2006 d'exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 relatif à la sécurité sociale des travailleurs pour la promotion de mise à l'emploi des jeunes moins qualifiés ou très peu qualifiés tel qu'en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent arrêté.
Art. 30. Voor werknemers die vanaf de inwerkingtreding van dit besluit verhuizen naar een ander gewest loopt de integratieuitkering, vermeld in artikel 22, of de werkuitkering van werknemers, vermeld in artikel 23, 24, of 29, onverminderd verder tot en met de laatste dag van de maand volgend op de datum van de kennisname van die verhuis door de RVA.
Art. 30. Pour les travailleurs qui déménagent vers une autre région à partir de l'entrée en vigueur du présent arrêté, l'allocation d'intégration visée à l'article 22 ou l'allocation de travail des travailleurs visée aux articles 23, 24 ou 29 continue à courir sans restriction jusqu'au dernier jour du mois suivant la date de la prise de connaissance de ce déménagement par l'ONEM.
Art. 31. Voor werknemers die uiterlijk op 30 juni 2016 in dienst zijn getreden, blijven werkgevers hun tewerkstellingspremie behouden tot uiterlijk 31 december 2018 conform het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 2006 tot invoering van de tewerkstellingspremie, zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van dit besluit.
Art. 31. Pour les travailleurs entrés en fonction au plus tard le 30 juin 2016, les employeurs conservent leur prime à l'emploi jusqu'au 31 décembre 2018 au plus tard conformément à l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 avril 2006 instaurant la prime d'emploi tel qu'en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent arrêté.
Art. 32. Het decreet van 23 november 2012 tot wijziging van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding", met uitzondering van artikel 3 en 4, treedt in werking op 1 juli 2016.
Art. 32. Le décret du 23 novembre 2012 modifiant le décret du 7 mai 2004 relatif à la création de l'agence autonomisée externe de droit public " Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding " (Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle) entre en vigueur le 1er juillet 2016 à l'exception des articles 3 et 4.
Art. 33. Artikel 1, 4, 7, 8, 11 tot en met 15 van het decreet van 4 maart 2016 houdende het Vlaamse doelgroepenbeleid treden inwerking op 1 juli 2016.
Art. 33. Les articles 1er, 4, 7, 8, 11 à 15 du décret du 4 mars 2016 relatif à la politique flamande des groupes-cibles entrent en vigueur le 1er juillet 2016.
Art. 34. Artikel 2 en 3 van het voormelde decreet treden inwerking op 1 september 2016.
Art. 34. Les articles 2 et 3 du décret précité entrent en vigueur le 1er septembre 2016.
Art. 35. Artikel 9 van voormelde decreet treedt in werking op 1 januari 2019.
Art. 35. L'article 9 du décret précité entre en vigueur le 1er janvier 2019.
Art. 36. Artikel 16 tot met 26 van voormelde decreet treden hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2016.
Art. 36. Les articles 16 à 26 inclus du décret précité produisent leurs effets à compter du 1er janvier 2016.
Art. 37. Dit besluit treedt in werking op 1 juli 2016, met uitzondering van :
  1° artikel 3, 4, 5, 6, 13, 19, 20 en artikel 21, 1° tot en met 9°, die inwerking treden op 1 januari 2019;
  2° artikel 7 en artikel 21, 10°, die inwerking treden op 1 september 2016.
Art. 37. Le présent arrêté en vigueur le 1er juillet 2016, à l'exception :
  1° des articles 3, 4, 5, 6, 13, 19, 20 et 21, 1° à 9°, qui entrent en vigueur le 1er janvier 2019 ;
  2° des articles 7 et 21, 10°, qui entrent en vigueur le 1er septembre 2016.
Art. 38. De Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 38. Le ministre flamand compétent pour la Politique de l'Emploi est chargé de l'exécution du présent arrêté.