Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
21 JULI 2016. - Wet houdende wijziging van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie
Titre
21 JUILLET 2016. - Loi modifiant la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale
Informations sur le document
Numac: 2016011330
Datum: 2016-07-21
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2016011330
Date: 2016-07-21
Moniteur: Voir
Tekst (16)
Texte (16)
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepaling
CHAPITRE 1. - Disposition introductive
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie
CHAPITRE 2. - Modifications de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale
Art. 2. Artikel 3, 3°, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, gewijzigd bij de wet van 28 juni 2013, wordt aangevuld met de bepaling onder een zesde streepje, luidende:
  "- hetzij de subsidiaire beschermingsstatus in de zin van artikel 49/2 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen genieten;".
Art. 2. L'article 3, 3°, de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale, modifié par la loi du 28 juin 2013, est complété par un sixième tiret, rédigé comme suit:
  "- soit bénéficier de la protection subsidiaire au sens de l'article 49/2 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;".
Art. 3. In dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 december 2015, wordt een artikel 3/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 3/1. De werkbereidheid bedoeld in artikel 3, 5°, kan blijken uit het aanvaarden van gemeenschapsdienst.".
Art. 3. Dans la même loi, modifiée en dernier lieu par la loi du 26 décembre 2015, il est inséré un article 3/1 rédigé comme suit:
  "Art. 3/1. La disposition à travailler visée à l'article 3, 5°, peut être rencontrée par l'acceptation d'un service communautaire.".
(NOTA : bij arrest nr.86/2018 van 05-07-2018 (B.St. 01-08-2018, p. 60477), heeft het Grondwettelijk Hof dit artikel vernietigd)
(NOTE : par son arrêt n° 86/2018 du 05-07-2018 (M.B. 01-08-2018, p. 60477), la Cour constitutionnelle a annulé le présent article)
Art. 4. In artikel 6, § 1, van dezelfde wet, worden de woorden "zijn aanvraag wanneer hij" vervangen door de woorden "de beslissing van het centrum dat de persoon".
Art. 4. Dans l'article 6, § 1er, de la même loi, les mots "sa demande lorsqu'elle" sont remplacés par les mots "la décision du centre selon laquelle la personne".
Art. 5. Artikel 10 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
  "Art. 10. In afwachting van een tewerkstelling in het kader van een arbeidsovereenkomst of een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie, heeft de persoon overeenkomstig de bij deze wet gestelde voorwaarden, recht op een leefloon.
  Wanneer de inkomsten uit de tewerkstelling lager zijn dan het bedrag van het leefloon waarop de betrokkene aanspraak kan maken, blijft het recht op een leefloon onder de bij deze wet gestelde voorwaarden behouden.
  Indien het centrum door een met redenen omklede beslissing aantoont dat de persoon wegens gezondheids- of billijkheidsredenen niet kan werken, heeft hij, overeenkomstig de bij deze wet gestelde voorwaarden, recht op een leefloon, al dan niet gepaard gaand met een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie.
  Indien het centrum door een met redenen omklede beslissing aantoont dat de persoon wegens gezondheids- of billijkheidsredenen niet kan deelnemen aan een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie, heeft hij, overeenkomstig de bij deze wet gestelde voorwaarden, recht op een leefloon.".
Art. 5. L'article 10 de la même loi est remplacé par ce qui suit:
  "Art. 10. Dans l'attente d'un emploi dans le cadre d'un contrat de travail ou dans le cadre d'un projet individualisé d'intégration sociale, la personne a droit, aux conditions fixées par la présente loi, à un revenu d'intégration.
  Lorsque les revenus résultant d'une mise à l'emploi sont inférieurs au montant du revenu d'intégration auquel l'intéressé peut prétendre, le droit au revenu d'intégration est maintenu dans les conditions fixées par la présente loi.
  Si le centre établit par une décision motivée que la personne ne peut travailler pour des raisons de santé ou d'équité, elle a droit, aux conditions fixées par la présente loi, à un revenu d'intégration, assorti ou non d'un projet individualisé d'intégration sociale.
  Si le centre établit par une décision motivée que la personne ne peut participer à un projet individualisé d'intégration sociale, pour des raisons de santé ou d'équité, elle a droit, aux conditions fixées par la présente loi, à un revenu d'intégration.".
Art. 6. In artikel 11 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, derde lid, worden de woorden "ofwel op de inschakeling in het beroepsleven, ofwel op de integratie in de maatschappij" vervangen door de woorden "bij voorkeur betrekking hebben op de inschakeling in het beroepsleven, of, bij gebrek daaraan, op de inschakeling in de maatschappij";
  2° paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "Het geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie kan betrekking hebben op een gemeenschapsdienst, die daar dan onlosmakelijk deel van uitmaakt. De gemeenschapsdienst bestaat uit het verrichten van activiteiten op een vrijwillige basis die zowel positief bijdragen aan het persoonlijk ontwikkelingstraject van de betrokkene, als positief bijdragen aan de gemeenschap";
  3° paragraaf 2 wordt aangevuld met de bepaling onder c), luidende :
  "c) wanneer de betrokkene de laatste drie maanden geen recht op maatschappelijke integratie heeft genoten.";
  4° paragraaf 2 wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "Iedere persoon heeft recht op een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie aangepast aan zijn persoonlijke situatie en zijn capaciteiten binnen drie maanden vanaf de datum van de beslissing van het centrum dat de persoon voldoet aan de in de artikelen 3 en 4 gestelde voorwaarden.";
  5° in paragraaf 3, eerste lid, in fine, worden de woorden "op verzoek van elke partij" vervangen door de woorden "op verzoek van elke partij, in onderlinge overeenstemming";
  6° in paragraaf 3, tweede lid, worden de woorden ", alsook de specifieke voorwaarden voor een overeenkomst die binnen een bepaalde periode leidt tot een arbeidsovereenkomst, een overeenkomst inzake studies met een voltijds leerplan of overeenkomst gericht op vorming" opgeheven.
Art. 6. A l'article 11 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, alinéa 3, les mots "soit sur l'insertion professionnelle, soit sur l'insertion sociale", sont remplacés par les mots "de préférence sur l'insertion professionnelle, ou, à défaut, sur l'insertion sociale";
  2° le paragraphe 1er est complété par un alinéa rédigé comme suit:
  "Le projet individualisé d'intégration sociale peut avoir trait à un service communautaire, qui en fait alors partie intégrante. Le service communautaire consiste à exercer des activités sur une base volontaire qui constituent une contribution positive tant pour le parcours de développement personnel de l'intéressé que pour la société.";
  3° le paragraphe 2 est complété par un c) rédigé comme suit:
  "c) lorsque l'intéressé n'a pas bénéficié du droit à l'intégration sociale au cours des trois derniers mois.";
  4° le paragraphe 2 est complété par un alinéa rédigé comme suit:
  "Toute personne a droit à un projet individualisé d'intégration sociale adapté à sa situation personnelle et à ses capacités dans les trois mois de la décision du centre selon laquelle la personne remplit les conditions prévues aux articles 3 et 4.";
  5° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, in fine, les mots "à la demande de chacune des parties" sont remplacés par les mots "à la demande de chacune des parties, de commun accord";
  6° dans le paragraphe 3, alinéa 2, les mots ", ainsi que les conditions spécifiques d'un contrat contenant un projet menant dans une période déterminée à un contrat de travail, d'un contrat d'études de plein exercice ou d'un contrat de formation" sont abrogés.
(NOTA : bij arrest nr.86/2018 van 05-07-2018 (B.St. 01-08-2018, p. 60477), heeft het Grondwettelijk Hof het artikel 6, 2° vernietigd)
(NOTE : par son arrêt n° 86/2018 du 05-07-2018 (M.B. 01-08-2018, p. 60477), la Cour constitutionnelle a annulé le 2° du présent article)
Art. 7. Artikel 13 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
  "Art. 13. § 1. Het recht op maatschappelijke integratie kan worden gerealiseerd door een tewerkstelling in het kader van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in de artikelen 8 en 9 of door de toekenning van een leefloon dat, indien de betrokkene de laatste drie maanden geen recht op maatschappelijke integratie heeft genoten, gepaard gaat met een in artikel 11, § 1, bedoeld geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie. Het geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie is facultatief als het recht op maatschappelijke integratie gerealiseerd wordt door een tewerkstelling aangevuld met de toekering van een leefloon.
  § 2. Iedere persoon heeft recht op een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie aangepast aan zijn persoonlijke situatie en zijn capaciteiten binnen drie maanden vanaf de datum van de beslissing van het centrum dat de persoon voldoet aan de in de artikelen 3 en 4 gestelde voorwaarden.
  § 3. Artikel 6, § 3, is van toepassing wanneer in het kader van zijn recht op maatschappelijke integratie aan de betrokkene een tewerkstelling of een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie wordt voorgesteld.
  § 4. In afwachting van een tewerkstelling in het kader van een arbeidsovereenkomst of een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie, heeft de persoon overeenkomstig de bij deze wet gestelde voorwaarden, recht op een leefloon.
  Wanneer de inkomsten uit de tewerkstelling lager zijn dan het bedrag van het leefloon waarop de betrokkene aanspraak kan maken, blijft het recht op een leefloon onder de bij deze wet gestelde voorwaarden behouden.
  Indien het centrum door een met redenen omklede beslissing aantoont dat de persoon wegens gezondheids- of billijkheidsredenen niet kan werken, heeft hij, overeenkomstig de bij deze wet gestelde voorwaarden, recht op een leefloon, al dan niet gepaard gaand met een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie.
  Indien het centrum door een met redenen omklede beslissing aantoont dat de persoon wegens gezondheids- of billijkheidsredenen niet kan deelnemen aan een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie, heeft hij, overeenkomstig de bij deze wet gestelde voorwaarden, recht op een leefloon.
  § 5. De betrokken persoon en het centrum sluiten een schriftelijke overeenkomst, met betrekking tot het in § 1 bedoeld project. Op vraag van één van de partijen kunnen ook een of meer derden partij zijn bij de overeenkomst. De overeenkomst kan tijdens de uitvoering worden gewijzigd op verzoek van elke partij, in onderlinge overeenstemming.
  De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de minimumvoorwaarden en de nadere regels waaraan een overeenkomst betreffende een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie voldoet.".
Art. 7. L'article 13 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 13. § 1er. Le droit à l'intégration sociale peut être réalisé par un emploi dans le cadre d'un contrat de travail tel que visé aux articles 8 et 9 ou par l'octroi d'un revenu d'intégration assorti, lorsque l'intéressé n'a pas bénéficié du droit à l'intégration sociale au cours des trois derniers mois, d'un projet individualisé d'intégration sociale visé à l'article 11, § 1er. Le projet individualisé d'intégration sociale est facultatif lorsque le droit à l'intégration sociale est réalisé par un emploi complété par l'octroi d'un revenu d'intégration.
  § 2. Toute personne a droit à un projet individualisé d'intégration sociale adapté à sa situation personnelle et à ses capacités dans les trois mois de la décision du centre selon laquelle la personne remplit les conditions prévues aux articles 3 et 4.
  § 3. L'article 6, § 3, est d'application lorsque dans le cadre de son droit à l'intégration sociale, l'intéressé se voit proposer un emploi ou un projet individualisé d'intégration sociale.
  § 4. Dans l'attente d'un emploi dans le cadre d'un contrat de travail ou dans le cadre d'un projet individualisé d'intégration sociale, la personne a droit, aux conditions fixées par la présente loi, à un revenu d'intégration.
  Lorsque les revenus résultant d'une mise à l'emploi sont inférieurs au montant du revenu d'intégration auquel l'intéressé peut prétendre, le droit au revenu d'intégration est maintenu dans les conditions fixées par la présente loi.
  Si le centre établit par une décision motivée que la personne ne peut pas travailler pour des raisons de santé ou d'équité, elle a droit, aux conditions fixées par la présente loi, à un revenu d'intégration, assortis ou non d'un projet individualisé d'intégration sociale.
  Si le centre établit par une décision motivée que la personne ne peut participer à un projet individualisé d'intégration sociale, pour des raisons de santé ou d'équité, elle a droit, aux conditions fixées par la présente loi, à un revenu d'intégration.
  § 5. Le projet visé au § 1er fait l'objet d'un contrat écrit entre la personne concernée et le centre. A la demande d'une des parties, un ou plusieurs tiers peuvent être partie au contrat. A la demande de chacune des parties le contrat peut, de commun accord, être modifié au cours de son exécution.
  Le Roi fixe par arrêté délibéré en Conseil des ministres les conditions minimales et les modalités auxquelles un contrat concernant un projet individualisé d'intégration sociale répond.".
Art. 8. In artikel 30 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 2 wordt het tweede lid vervangen als volgt:
  "De in het eerste lid bepaalde sanctie gaat in ten vroegste op de dag volgend op de kennisgeving van de beslissing van het centrum aan de betrokkene en ten laatste op de eerste dag van de derde maand volgend op de beslissing van het centrum.";
  2° het artikel wordt aangevuld met de paragrafen 4 en 5, luidende :
  § 4. De in paragraaf 1 bedoelde administratieve sancties kunnen geheel of gedeeltelijk worden uitgesteld.".
  " § 5. De in paragraaf 2 bedoelde administratieve sancties kunnen geheel of gedeeltelijk worden uitgesteld. Indien de voorwaarden verbonden aan het uitstel geschonden worden binnen de in § 2, tweede lid, bedoelde periode wordt de sanctie uitgevoerd en dit ten laatste op de eerste dag van de zesde maand volgend op de beslissing van het centrum waarin het uitstel werd toegekend.
Art. 8. A l'article 30 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées:
  1° dans le paragraphe 2, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit:
  "La sanction prévue à l'alinéa 1er prend cours au plus tôt le jour suivant la notification de la décision du centre à l'intéressé et au plus tard le premier jour du troisième mois suivant la décision du centre.";
  2° l'article est complété par les paragraphes 4 et 5 rédigés comme suit :
  § 4. Les sanctions administratives visées au paragraphe 1er peuvent être assorties d'un sursis partiel ou complet.".
  " § 5. Les sanctions administratives visées au paragraphe 2 peuvent être assorties d'un sursis partiel ou complet. Si les conditions liées au sursis sont enfreintes dans la période visée au § 2, alinéa 2, la sanction est appliquée, et ce au plus tard le premier jour du sixième mois suivant la décision du centre par laquelle le sursis a été accordé.
Art. 9. In dezelfde wet worden artikel 33, gewijzigd bij de wet van 15 mei 2014, en artikel 34 opgeheven.
Art. 9. Dans la même loi, l'article 33, modifié par la loi du 15 mai 2014, et l'article 34 sont abrogés.
Art. 10. In titel II, hoofdstuk VI, van dezelfde wet, wordt in afdeling 4/1, ingevoegd bij de wet van 26 december 2013, een artikel 43/2 ingevoegd, luidende:
  "Art. 43/2. § 1. Een bijzondere toelage van 10 % van het toegekende bedrag van het leefloon is verschuldigd aan het centrum voor de kosten van begeleiding en activering wanneer er voor de rechthebbende een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie bestaat. De bijzondere toelage wordt slechts eenmaal gedurende het leven van de rechthebbende toegekend en dit gedurende een kalenderjaar te rekenen vanaf de eerste dag van de maand waarin het geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie werd ondertekend. Deze toelage kan gevolgd worden door of voorafgaan aan de in § 2 bedoelde bijzondere toelage.
  § 2. In afwijking van § 1 is de bijzondere toelage van 10 % van het toegekende bedrag van het leefloon aan het centrum voor de kosten van begeleiding en activering verschuldigd wanneer er voor de rechthebbende een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie gesloten met toepassing van artikel 11, § 2, eerste lid, (a), bestaat en dit gedurende de hele periode dat er een dergelijk geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie bestaat. De bijzondere toelage van 10 % is verschuldigd vanaf de eerste dag van de maand waarin het geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie werd ondertekend.
  § 3. In afwijking van § 1 blijft de bijzondere toelage van 10 % van het toegekende bedrag van het leefloon verschuldigd aan het centrum voor de kosten van begeleiding en activering gedurende een tweede kalenderjaar voor de dossiers met betrekking tot personen die bijzonder ver verwijderd zijn van een maatschappelijke of socioprofessionele integratie en dit voor zover er een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie bestaat.
  De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de minimumvoorwaarden en de nadere regels waaraan een dossier met betrekking tot personen die bijzonder ver verwijderd zijn van een maatschappelijke of socioprofessionele integratie voldoet. Deze toelage kan gevolgd worden door of voorafgaan aan de in paragraaf 2 bedoelde bijzondere toelage.
  § 4. In afwijking van § 1 is de bijzondere toelage van 10 % van het toegekende bedrag van het leefloon een tweede maal gedurende het leven van de rechthebbende verschuldigd aan het centrum voor de kosten van begeleiding en activering en dit op voorwaarde dat er een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie bestaat, op voorwaarde dat de betrokkene bijzonder kwetsbaar is en een bijzondere aandacht van het centrum behoeft en op voorwaarde dat de betrokkene geen recht op maatschappelijke integratie had gedurende de twaalf voorafgaande maanden.
  Deze bijzondere toelage is niet verschuldigd voor de dossiers waarvoor er in het verleden reeds een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie gesloten met toepassing van artikel 11, § 2, eerste lid, (a), werd betoelaagd.
  De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de minimumvoorwaarden en de nadere regels waaraan een dossier moet voldoen opdat er sprake is van een persoon die bijzonder kwetsbaar is en een bijzondere aandacht behoeft van het centrum.
  De bijzondere toelage is dan verschuldigd vanaf de eerste dag van de maand waarin het geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie werd ondertekend.".
Art. 10. Dans le titre II, chapitre VI de la même loi, il est inséré dans la section 4/1, insérée par la loi du 26 décembre 2013, un article 43/2 rédigé comme suit:
  "Art. 43/2. § 1er. Une subvention particulière de 10 % du montant octroyé du revenu d'intégration est due au centre pour les frais d'accompagnement et d'activation lorsqu'il existe un projet individualisé d'intégration sociale pour le bénéficiaire. La subvention particulière n'est octroyée qu'une seule fois pendant la vie du bénéficiaire, et ce pendant une année civile à compter du premier jour du mois au cours duquel le projet individualisé d'intégration sociale a été signé. Cette subvention peut être suivie ou précédée de la subvention particulière visée au § 2.
  § 2. Par dérogation au § 1er, la subvention particulière de 10 % du montant octroyé du revenu d'intégration est due au centre pour les frais d'accompagnement et d'activation lorsqu'il existe un projet individualisé d'intégration sociale pour le bénéficiaire en application de l'article 11, § 2, alinéa 1er, (a), et ce pendant toute la période pour laquelle il existe un tel projet individualisé d'intégration sociale. La subvention particulière de 10 % est due à compter du premier jour du mois au cours duquel le projet individualisé d'intégration sociale a été signé.
  § 3. Par dérogation au § 1er, la subvention particulière de 10 % du montant octroyé du revenu d'intégration reste due au centre pour les frais d'accompagnement et d'activation pendant une deuxième année civile pour les dossiers concernant des personnes particulièrement éloignées d'une intégration sociale ou socioprofessionnelle, et ce pour autant qu'il existe un projet individualisé d'intégration sociale.
  Le Roi fixe par arrêté délibéré en Conseil des ministres les conditions minimales et les modalités auxquelles doit satisfaire un dossier concernant des personnes particulièrement éloignées d'une intégration sociale ou socioprofessionnelle. Cette subvention peut être suivie ou précédée de la subvention particulière visée au paragraphe 2.
  § 4. Par dérogation au § 1er, la subvention particulière de 10 % du montant octroyé du revenu d'intégration est due une deuxième fois au centre pour les frais d'accompagnement et d'activation pendant la vie de l'intéressé, et ce à condition qu'il existe un projet individualisé d'intégration sociale, à condition que l'intéressé soit particulièrement vulnérable et nécessite une attention particulière du centre et à condition que l'intéressé n'avait pas droit à l'intégration sociale pendant les douze mois précédents.
  Cette subvention particulière n'est pas due pour les dossiers pour lesquels un projet individualisé d'intégration sociale en application de l'article 11, § 2, alinéa 1er, (a), a déjà été subventionné dans le passé.
  Le Roi fixe par arrêté délibéré en Conseil des ministres les conditions minimales et les modalités auxquelles doit satisfaire un dossier afin qu'il soit question d'une personne particulièrement vulnérable et qui nécessite une attention particulière du centre.
  La subvention particulière est alors due à partir du premier jour du mois au cours duquel le projet individualisé d'intégration sociale a été signé.".
HOOFDSTUK 3. - Overgangsbepalingen en inwerkingtreding
CHAPITRE 3. - Dispositions transitoires et entrée en vigueur
Art. 11. In afwijking van artikel 10, is de bijzondere toelage voor het dekken van de kosten van begeleiding en activering van 10 % van het toegekende bedrag van het leefloon voor de op de datum van inwerkingtreding van deze wet bestaande geïndividualiseerde projecten voor maatschappelijke integratie verschuldigd aan het centrum vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet.
Art. 11. Par dérogation à l'article 10, la subvention particulière pour couvrir les frais d'accompagnement et d'activation de 10 % du montant octroyé du revenu d'intégration des projets individualisés d'intégration sociale existants à la date d'entrée en vigueur de la présente loi est due au centre à partir de la date d'entrée en vigueur de la présente loi.
Art. 12. De persoon die na de inwerkingtreding van deze wet nog het leefloon geniet zonder dat dit gepaard gaat met een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie en waarbij de beslissing tot het toekennen van dit leefloon werd genomen in de periode van zes maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet en voor zover de persoon voorafgaand aan deze beslissing tot het toekennen van het recht op maatschappelijke integratie drie maanden geen recht op maatschappelijke integratie heeft genoten, heeft recht op een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie. Het centrum heeft twaalf maanden de tijd te rekenen vanaf de inwerkingtreding van deze wet om met die persoon een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie af te sluiten.
Art. 12. La personne qui après l'entrée en vigueur de cette loi bénéficie encore du revenu d'intégration non assorti d'un projet individualisé d'intégration sociale pour lequel la décision de l'octroi du revenu d'intégration a été prise dans la période de six mois préalablement à l'entrée en vigueur de cette loi et pour autant que la personne n'a pas eu droit à l'intégration sociale pendant trois mois préalablement à cette décision d'octroi du droit à l'intégration sociale, a droit à un projet individualisé d'intégration. Le centre dispose d'un délai de douze mois à partir de l'entrée en vigueur de cette loi pour conclure avec cette personne un projet individualisé d'intégration sociale.
Art. 13. Deze wet treedt in werking op de door de Koning bepaalde datum.
Art. 13. La présente loi entre en vigueur à la date fixée par le Roi.
(NOTE : Inwerkingtreding van art. 1, 3 tot 13 vastgesteld op 01-11-2016 en art. 2, Inwerkingtreding : 01-12-2016 door W 2016-10-03/03, art. 10, 1°)
(NOTE : Entrée en vigueur des art. 1er, 3 à 13 fixée au 01-11-2016 et art. 2, En vigueur : 01-12-2016 par L 2016-10-03/03, art. 10, 1°)