Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
25 DECEMBER 2016. - Wet tot wijziging van de rechtspositie van de gedetineerden en van het toezicht op de gevangenissen en houdende diverse bepalingen inzake justitie(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 30-12-2016 en tekstbijwerking tot 27-04-2018)
Titre
25 DECEMBRE 2016. - Loi modifiant le statut juridique des détenus et la surveillance des prisons et portant des dispositions diverses en matière de justice(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 30-12-2016 et mise à jour au 27-04-2018)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het Wetboek van ...
HOOFDSTUK 3. - Wijziging van het Strafwetboek
HOOFDSTUK 4. - Wijziging van de voorafgaande ti...
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van de wet van 25 ju...
HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen van de wet van 27 ju...
HOOFDSTUK 7. - Wijziging van de wet van 15 juni...
HOOFDSTUK 8. - Wijzigingen van het koninklijk b...
HOOFDSTUK 9. - Wijziging van de wet van 3 april...
HOOFDSTUK 10. - Wijziging van de wet van 12 apr...
HOOFDSTUK 11. - Wijzigingen van het Gerechtelij...
HOOFDSTUK 12. - Wijziging van de wet van 13 maa...
HOOFDSTUK 13. - Wijziging van de wet van 20 jul...
HOOFDSTUK 14. - Wijziging van de wet van 22 feb...
HOOFDSTUK 15. - Wijziging van de wet van 5 juli...
HOOFDSTUK 16. - Wijziging van de wet van 29 apr...
HOOFDSTUK 17. - Wijziging van de wet van 7 mei ...
HOOFDSTUK 18. - Wijziging van de wet van 2 augu...
HOOFDSTUK 19. - Wijziging van de wet van 17 jan...
HOOFDSTUK 20. - Wijziging van de wet van 12 mei...
HOOFDSTUK 21. - Wijziging van de wet van 9 juli...
HOOFDSTUK 22. - Wijzigingen van de basiswet van...
HOOFDSTUK 23. - Wijziging van de wet van 6 juli...
HOOFDSTUK 24. - Wijziging van de wet van 1 apri...
HOOFDSTUK 25. - Wijziging van de wet van 31 jan...
HOOFDSTUK 26. - Wijzigingen van het Wetboek van...
HOOFDSTUK 27. - Wijzigingen van de wet van 30 a...
HOOFDSTUK 28. - Wijzigingen van de wet van 1 de...
HOOFDSTUK 29. - Wijziging van de wet van 4 mei ...
HOOFDSTUK 30. - Wijzigingen van de wet van 1 de...
HOOFDSTUK 31. - Opheffingsbepalingen
HOOFDSTUK 32. - Overgangsbepalingen
HOOFDSTUK 33. - Inwerkingtreding
Table des matières
CHAPITRE 1er. - Disposition générale
CHAPITRE 2. - Modifications du Code d'instructi...
CHAPITRE 3. - Modification du Code pénal
CHAPITRE 4. - Modification du titre préliminair...
CHAPITRE 5. - Modifications de la loi du 25 jui...
CHAPITRE 6. - Modifications de la loi du 27 jui...
CHAPITRE 7. - Modification de la loi du 15 juin...
CHAPITRE 8. - Modifications de l'arrêté royal n...
CHAPITRE 9. - Modification de la loi du 3 avril...
CHAPITRE 10. - Modification de la loi du 12 avr...
CHAPITRE 11. - Modifications du Code Judiciaire
CHAPITRE 12. - Modification de la loi du 13 mar...
CHAPITRE 13. - Modification de la loi du 20 jui...
CHAPITRE 14. - Modification de la loi du 22 fév...
CHAPITRE 15. - Modification de la loi du 5 juil...
CHAPITRE 16. - Modification de la loi du 29 avr...
CHAPITRE 17. - Modification de la loi du 7 mai ...
CHAPITRE 18. - Modification de la loi du 2 août...
CHAPITRE 19. - Modification de la loi du 17 jan...
CHAPITRE 20. - Modification de la loi du 12 mai...
CHAPITRE 21. - Modification de la loi du 9 juil...
CHAPITRE 22. - Modifications de la loi de princ...
CHAPITRE 23. - Modification de la loi du 6 juil...
CHAPITRE 24. - Modification de la loi du 1er av...
CHAPITRE 25. - Modification de la loi du 31 jan...
CHAPITRE 26. - Modifications du Code de droit é...
CHAPITRE 27. - Modifications de la loi du 30 ao...
CHAPITRE 28. - Modifications de la loi du 1er d...
CHAPITRE 29. - Modification de la loi du 4 mai ...
CHAPITRE 30. - Modifications de la loi du 1er d...
CHAPITRE 31. - Dispositions abrogatoires
CHAPITRE 32. - Dispositions transitoires
CHAPITRE 33. - Entrée en vigueur
Tekst (215)
Texte (215)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition générale
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het Wetboek van strafvordering
CHAPITRE 2. - Modifications du Code d'instruction criminelle
Art. 2. In artikel 29 van het Wetboek van strafvordering, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 15 september 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het tweede lid wordt vervangen als volgt :
"De ambtenaren van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, van de Algemene Administratie van de inning en de invordering, van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie en van de Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie kunnen echter de feiten die, naar luid van de belastingwetten en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten, strafrechtelijk strafbaar zijn, niet zonder de machtiging van de adviseur-generaal onder wie zij ressorteren, ter kennis brengen van de procureur des Konings.";
2° in het derde lid, worden de woorden "gewestelijke directeur" vervangen door de woorden "adviseur-generaal".
1° het tweede lid wordt vervangen als volgt :
"De ambtenaren van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, van de Algemene Administratie van de inning en de invordering, van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie en van de Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie kunnen echter de feiten die, naar luid van de belastingwetten en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten, strafrechtelijk strafbaar zijn, niet zonder de machtiging van de adviseur-generaal onder wie zij ressorteren, ter kennis brengen van de procureur des Konings.";
2° in het derde lid, worden de woorden "gewestelijke directeur" vervangen door de woorden "adviseur-generaal".
Art. 2. A l'article 29 du Code d'Instruction criminelle, modifié en dernier lieu par la loi du 15 septembre 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
"Toutefois, les fonctionnaires de l'Administration générale de la fiscalité, de l'Administration générale de la perception et du recouvrement, de l'Administration générale de la documentation patrimoniale et de l'Administration générale de l'Inspection spéciale des Impôts, ne peuvent, sans autorisation du conseiller général dont ils dépendent, porter à la connaissance du procureur du Roi les faits pénalement punissables aux termes des lois fiscales et des arrêtés pris pour leur exécution.";
2° dans l'alinéa 3, les mots "Le directeur régional" sont remplacés par les mots "Le conseiller général".
1° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
"Toutefois, les fonctionnaires de l'Administration générale de la fiscalité, de l'Administration générale de la perception et du recouvrement, de l'Administration générale de la documentation patrimoniale et de l'Administration générale de l'Inspection spéciale des Impôts, ne peuvent, sans autorisation du conseiller général dont ils dépendent, porter à la connaissance du procureur du Roi les faits pénalement punissables aux termes des lois fiscales et des arrêtés pris pour leur exécution.";
2° dans l'alinéa 3, les mots "Le directeur régional" sont remplacés par les mots "Le conseiller général".
Art. 3. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 75quater ingevoegd, luidende :
"Art. 75quater. Indien een klacht wordt neergelegd tegen of door een persoon bedoeld in de artikelen 112quater en 112quinquies of die, in de uitoefening van zijn beroepsactiviteiten, belast is met de opsporing, het vaststellen, het onderzoeken, de vervolging, het vonnissen van misdrijven of de uitvoering van de straf, maken de processen-verbaal of de andere stukken van het dossier geen melding van zijn woon- of verblijfplaats, maar geeft de betrokken persoon aan op welk adres hij woonst kiest en waarop hem nadien de voor het onderzoek en het strafproces vereiste oproepingen en betekeningen kunnen worden gedaan.
De oproepingen en betekeningen worden geldig op dat adres gedaan, tot de betrokken persoon per aangetekende zending de procureur des Konings in kennis stelt van een wijziging van zijn woonstkeuze.
Indien een proces-verbaal of een ander stuk van het dossier melding maakt van de woon- of verblijfplaats van de persoon bedoeld in het eerste lid, beveelt de procureur des Konings of, in voorkomend geval, de onderzoeksrechter de weglating van de betrokken meldingen en vervangt ze door het adres van zijn woonstkeuze, bedoeld in het tweede lid.".
"Art. 75quater. Indien een klacht wordt neergelegd tegen of door een persoon bedoeld in de artikelen 112quater en 112quinquies of die, in de uitoefening van zijn beroepsactiviteiten, belast is met de opsporing, het vaststellen, het onderzoeken, de vervolging, het vonnissen van misdrijven of de uitvoering van de straf, maken de processen-verbaal of de andere stukken van het dossier geen melding van zijn woon- of verblijfplaats, maar geeft de betrokken persoon aan op welk adres hij woonst kiest en waarop hem nadien de voor het onderzoek en het strafproces vereiste oproepingen en betekeningen kunnen worden gedaan.
De oproepingen en betekeningen worden geldig op dat adres gedaan, tot de betrokken persoon per aangetekende zending de procureur des Konings in kennis stelt van een wijziging van zijn woonstkeuze.
Indien een proces-verbaal of een ander stuk van het dossier melding maakt van de woon- of verblijfplaats van de persoon bedoeld in het eerste lid, beveelt de procureur des Konings of, in voorkomend geval, de onderzoeksrechter de weglating van de betrokken meldingen en vervangt ze door het adres van zijn woonstkeuze, bedoeld in het tweede lid.".
Art. 3. Dans le même Code, il est inséré un article 75quater rédigé comme suit :
"Art. 75quater. Si une plainte est déposée contre ou par une personne qui est visée aux articles 112quater et 112quinquies ou qui, dans l'exercice de ses activités professionnelles, est chargée de la recherche, de la constatation, de l'instruction, de la poursuite, du jugement d'infractions ou de l'exécution de la peine, les procès-verbaux et autres pièces du dossier ne font pas état de son domicile ou de sa résidence, mais la personne concernée communique à quelle adresse elle élit domicile et à laquelle les significations ultérieures dans le cadre de l'enquête et de la procédure pénale peuvent être faites.
Les citations et significations sont valablement faites à cette adresse, jusqu'à ce que la personne concernée informe le procureur du Roi d'un changement du domicile élu par envoi recommandé.
Dans le cas où un procès-verbal ou toute autre pièce du dossier fait mention du domicile ou de la résidence de la personne visée à l'alinéa 1er, le procureur du Roi ou, le cas échéant, le juge d'instruction ordonne le retrait de toutes les mentions et les remplace par l'adresse du domicile élu mentionné visé à l'alinéa 2.".
"Art. 75quater. Si une plainte est déposée contre ou par une personne qui est visée aux articles 112quater et 112quinquies ou qui, dans l'exercice de ses activités professionnelles, est chargée de la recherche, de la constatation, de l'instruction, de la poursuite, du jugement d'infractions ou de l'exécution de la peine, les procès-verbaux et autres pièces du dossier ne font pas état de son domicile ou de sa résidence, mais la personne concernée communique à quelle adresse elle élit domicile et à laquelle les significations ultérieures dans le cadre de l'enquête et de la procédure pénale peuvent être faites.
Les citations et significations sont valablement faites à cette adresse, jusqu'à ce que la personne concernée informe le procureur du Roi d'un changement du domicile élu par envoi recommandé.
Dans le cas où un procès-verbal ou toute autre pièce du dossier fait mention du domicile ou de la résidence de la personne visée à l'alinéa 1er, le procureur du Roi ou, le cas échéant, le juge d'instruction ordonne le retrait de toutes les mentions et les remplace par l'adresse du domicile élu mentionné visé à l'alinéa 2.".
Art. 4. In boek I van hetzelfde Wetboek wordt een hoofdstuk VIIquinquies ingevoegd, luidende "Afscherming van de identiteit van de leden van de politiediensten behorend tot de speciale eenheden of die onderzoek doen naar of interveniëren bij bijzonder zware misdrijven".
Art. 4. Dans le livre premier du même Code, il est inséré un chapitre VIIquinquies intitulé "Protection de l'identité des membres des services de police appartenant à des unités spéciales ou chargés d'enquêter ou d'intervenir sur des infractions particulièrement graves".
Art. 5. In hoofdstuk VIIquinquies, ingevoegd bij artikel 4, wordt een afdeling 1 ingevoegd, luidende "Afdeling 1. Leden van de politiediensten binnen de directie van speciale eenheden van de federale politie".
Art. 5. Dans le chapitre VIIquinquies, inséré par l'article 4, il est inséré une section 1re intitulée "Section 1re. Des membres des services de police au sein de la direction des unités spéciales de la police fédérale".
Art. 6. In afdeling 1, ingevoegd bij artikel 5, wordt een artikel 112quater ingevoegd, luidende :
"Art. 112quater. De identiteit van de leden van de politiediensten binnen de directie van de speciale eenheden van de federale politie wordt afgeschermd in het kader van de uitvoering van de opdrachten en interventies die hen bij wet worden toegekend.
Daartoe kent de leidinggevende officier van die directie een code toe aan die leden."
"Art. 112quater. De identiteit van de leden van de politiediensten binnen de directie van de speciale eenheden van de federale politie wordt afgeschermd in het kader van de uitvoering van de opdrachten en interventies die hen bij wet worden toegekend.
Daartoe kent de leidinggevende officier van die directie een code toe aan die leden."
Art. 6. Dans la section 1re, insérée par l'article 5, il est inséré un article 112quater rédigé comme suit :
"Art. 112quater. L'identité des membres des services de police au sein de la direction des unités spéciales de la police fédérale est protégée dans le cadre de l'exécution des missions et interventions qui leur sont attribuées par la loi.
A cette fin, l'officier dirigeant de cette direction attribue un code auxdits membres."
"Art. 112quater. L'identité des membres des services de police au sein de la direction des unités spéciales de la police fédérale est protégée dans le cadre de l'exécution des missions et interventions qui leur sont attribuées par la loi.
A cette fin, l'officier dirigeant de cette direction attribue un code auxdits membres."
Art. 7. In hoofdstuk VIIquinquies, ingevoegd bij artikel 4, wordt een afdeling 2 ingevoegd, luidende "Afdeling 2. Leden van de politiediensten die onderzoek doen naar of interveniëren bij bijzonder zware misdrijven".
Art. 7. Dans le chapitre VIIquinquies, inséré par l'article 4, il est inséré une section 2 intitulée "Section 2. Des membres des services de police chargés d'enquêter ou intervenir sur des infractions particulièrement graves".
Art. 8. In afdeling 2, ingevoegd bij artikel 7, wordt een artikel 112quinquies ingevoegd, luidende :
"Art. 112quinquies. § 1. Indien de beschermingsmaatregel bedoeld in artikel 75ter niet lijkt te volstaan en er ernstige aanwijzingen bestaan dat de feiten een misdrijf uitmaken bedoeld in paragraaf 2, wordt de identiteit van de leden van de politiediensten die met het onderzoek zijn belast, afgeschermd en kent hen de officier van gerechtelijke politie die het onderzoek leidt voor de duur van dat onderzoek een code toe.
§ 2. De misdrijven die de afschermingsmaatregel bedoeld in paragraaf 1 kunnen wettigen, zijn deze bedoeld in :
- boek II, titel Iter van het Strafwetboek;
- de artikelen 323, eerste lid, en 324ter van hetzelfde Wetboek indien er een redelijk vermoeden bestaat dat de vereniging of organisatie gebruik maakt van intimidatie, bedreiging of geweld;
- in artikel 323, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, indien er een redelijk vermoeden bestaat dat de vereniging gebruikt maakt van intimidatie, bedreiging of geweld om misdrijven bedoeld in artikel 90ter, § 2, te plegen.".
"Art. 112quinquies. § 1. Indien de beschermingsmaatregel bedoeld in artikel 75ter niet lijkt te volstaan en er ernstige aanwijzingen bestaan dat de feiten een misdrijf uitmaken bedoeld in paragraaf 2, wordt de identiteit van de leden van de politiediensten die met het onderzoek zijn belast, afgeschermd en kent hen de officier van gerechtelijke politie die het onderzoek leidt voor de duur van dat onderzoek een code toe.
§ 2. De misdrijven die de afschermingsmaatregel bedoeld in paragraaf 1 kunnen wettigen, zijn deze bedoeld in :
- boek II, titel Iter van het Strafwetboek;
- de artikelen 323, eerste lid, en 324ter van hetzelfde Wetboek indien er een redelijk vermoeden bestaat dat de vereniging of organisatie gebruik maakt van intimidatie, bedreiging of geweld;
- in artikel 323, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, indien er een redelijk vermoeden bestaat dat de vereniging gebruikt maakt van intimidatie, bedreiging of geweld om misdrijven bedoeld in artikel 90ter, § 2, te plegen.".
Art. 8. Dans la section 2, insérée par l'article 7, il est inséré un article 112quinquies rédigé comme suit :
"Art. 112quinquies. § 1er. Si la mesure de protection visée à l'article 75ter paraît insuffisante et s'il existe des indices sérieux que les faits constituent une infraction visée au paragraphe 2, l'identité des membres des services de police chargés de l'enquête est protégée et l'officier de police judiciaire qui dirige l'enquête leur attribue un code pour toute la durée de celle-ci.
§ 2. Les infractions pouvant justifier la mesure de protection prévue au paragraphe 1er sont celles qui sont visées :
- au livre II, titre Iter du Code pénal;
- aux articles 323, alinéa 1er, et 324ter du même Code, s'il existe une présomption raisonnable que l'association ou l'organisation utilise l'intimidation, la menace ou la violence;
- à l'article 323, alinéa 2 du même Code, s'il existe une présomption raisonnable que l'association utilise l'intimidation, la menace ou la violence afin de commettre des infractions visées à l'article 90ter, § 2.".
"Art. 112quinquies. § 1er. Si la mesure de protection visée à l'article 75ter paraît insuffisante et s'il existe des indices sérieux que les faits constituent une infraction visée au paragraphe 2, l'identité des membres des services de police chargés de l'enquête est protégée et l'officier de police judiciaire qui dirige l'enquête leur attribue un code pour toute la durée de celle-ci.
§ 2. Les infractions pouvant justifier la mesure de protection prévue au paragraphe 1er sont celles qui sont visées :
- au livre II, titre Iter du Code pénal;
- aux articles 323, alinéa 1er, et 324ter du même Code, s'il existe une présomption raisonnable que l'association ou l'organisation utilise l'intimidation, la menace ou la violence;
- à l'article 323, alinéa 2 du même Code, s'il existe une présomption raisonnable que l'association utilise l'intimidation, la menace ou la violence afin de commettre des infractions visées à l'article 90ter, § 2.".
Art. 9. In hoofdstuk VIIquinquies, ingevoegd bij artikel 4, wordt een afdeling 3 ingevoegd, luidende "Afdeling 3. Algemene bepalingen".
Art. 9. Dans le chapitre VIIquinquies, inséré par l'article 4, il est inséré une section 3 intitulée "Section 3. Dispositions générales".
Art. 10. In afdeling 3, ingevoegd bij artikel 9, wordt een artikel 112sexies ingevoegd, luidende :
"Art. 112sexies. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder identiteit alle gegevens of handelingen die rechtstreeks of onrechtstreeks tot identificatie van een lid van de politiediensten kunnen leiden.".
"Art. 112sexies. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder identiteit alle gegevens of handelingen die rechtstreeks of onrechtstreeks tot identificatie van een lid van de politiediensten kunnen leiden.".
Art. 10. Dans la section 3 insérée par l'article 9, il est inséré un article 112sexies rédigé comme suit :
"Art. 112sexies. Pour l'application du présent chapitre on entend par identité l'ensemble des données ou actes qui peuvent permettre directement ou indirectement l'identification d'un membre des services de police.".
"Art. 112sexies. Pour l'application du présent chapitre on entend par identité l'ensemble des données ou actes qui peuvent permettre directement ou indirectement l'identification d'un membre des services de police.".
Art. 11. In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 112septies ingevoegd, luidende :
"Art. 112septies. De identiteit en de code van het lid van de politiediensten bedoeld in de artikelen 112quater of 112quinquies worden door de in deze artikelen bedoelde leidinggevende officier onverwijld opgetekend in een vertrouwelijk register en bewaard wordt binnen die dienst.
Enkel de procureur des Konings of de onderzoeksrechter in het kader van een gerechtelijk onderzoek kan kennisnemen van de volledige identiteit van het lid van de politiediensten waaraan een code is toegekend, en nagaan of de voorwaarden bedoeld in de artikelen 112quater en 112quinquies vervuld zijn.".
"Art. 112septies. De identiteit en de code van het lid van de politiediensten bedoeld in de artikelen 112quater of 112quinquies worden door de in deze artikelen bedoelde leidinggevende officier onverwijld opgetekend in een vertrouwelijk register en bewaard wordt binnen die dienst.
Enkel de procureur des Konings of de onderzoeksrechter in het kader van een gerechtelijk onderzoek kan kennisnemen van de volledige identiteit van het lid van de politiediensten waaraan een code is toegekend, en nagaan of de voorwaarden bedoeld in de artikelen 112quater en 112quinquies vervuld zijn.".
Art. 11. Dans la même section 3, il est inséré un article 112septies rédigé comme suit :
"Art. 112septies. L'identité et le code du membre des services de police visé aux articles 112quater ou 112quinquies sont consignés sans délai par l'officier dirigeant visé à ces articles dans un registre confidentiel et conservé au sein de ce service.
Seul le procureur du Roi ou le juge d'instruction dans le cadre d'une instruction peut prendre connaissance de l'identité complète du membre des services de police doté d'un code et vérifier si les conditions prévues aux articles 112quater et 112quinquies sont remplies.".
"Art. 112septies. L'identité et le code du membre des services de police visé aux articles 112quater ou 112quinquies sont consignés sans délai par l'officier dirigeant visé à ces articles dans un registre confidentiel et conservé au sein de ce service.
Seul le procureur du Roi ou le juge d'instruction dans le cadre d'une instruction peut prendre connaissance de l'identité complète du membre des services de police doté d'un code et vérifier si les conditions prévues aux articles 112quater et 112quinquies sont remplies.".
Art. 12. In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 112octies ingevoegd, luidende :
"Art. 112octies. De processen-verbaal opgesteld door om het even welke politie -of opsporingsdienst vermelden geen enkel element dat de veiligheid en de anonimiteit van de onder code handelende leden van de politiediensten in het gedrang kan brengen.
In voorkomend geval neemt de procureur des Konings of de onderzoeksrechter alle maatregelen om de identiteit van het betrokken lid van de politiediensten verborgen te houden. Hij beveelt dat de vermeldingen strijdig met het eerste lid weggelaten worden uit de processen-verbaal.".
"Art. 112octies. De processen-verbaal opgesteld door om het even welke politie -of opsporingsdienst vermelden geen enkel element dat de veiligheid en de anonimiteit van de onder code handelende leden van de politiediensten in het gedrang kan brengen.
In voorkomend geval neemt de procureur des Konings of de onderzoeksrechter alle maatregelen om de identiteit van het betrokken lid van de politiediensten verborgen te houden. Hij beveelt dat de vermeldingen strijdig met het eerste lid weggelaten worden uit de processen-verbaal.".
Art. 12. Dans la même section 3, il est inséré un article 112octies rédigé comme suit :
"Art. 112octies. Les procès-verbaux rédigés par quelque service de police ou d'enquête que ce soit ne peuvent mentionner aucun élément susceptible de compromettre la sécurité et l'anonymat des membres des services de police intervenant sous code.
Le cas échéant, le procureur du Roi ou le juge d'instruction prend toutes les mesures pour tenir secrète l'identité du membre des services de police concerné. Il ordonne la suppression dans les procès-verbaux des mentions contraires à l'alinéa 1er.".
"Art. 112octies. Les procès-verbaux rédigés par quelque service de police ou d'enquête que ce soit ne peuvent mentionner aucun élément susceptible de compromettre la sécurité et l'anonymat des membres des services de police intervenant sous code.
Le cas échéant, le procureur du Roi ou le juge d'instruction prend toutes les mesures pour tenir secrète l'identité du membre des services de police concerné. Il ordonne la suppression dans les procès-verbaux des mentions contraires à l'alinéa 1er.".
Art. 13. In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 112novies ingevoegd, luidende :
"Art. 112novies. In afwijking van de artikelen 75 en 75ter, en onverminderd de bepalingen van hoofdstuk IV, afdeling 3, geven de betrokken leden van de politiediensten die als getuige gehoord worden enkel hun hoedanigheid en code op die hen werd toegekend.
Voorts neemt de procureur des Konings of de onderzoeksrechter alle maatregelen om de identiteit van het desbetreffende lid van de politiediensten verborgen te houden.".
"Art. 112novies. In afwijking van de artikelen 75 en 75ter, en onverminderd de bepalingen van hoofdstuk IV, afdeling 3, geven de betrokken leden van de politiediensten die als getuige gehoord worden enkel hun hoedanigheid en code op die hen werd toegekend.
Voorts neemt de procureur des Konings of de onderzoeksrechter alle maatregelen om de identiteit van het desbetreffende lid van de politiediensten verborgen te houden.".
Art. 13. Dans la même section 3, il est inséré un article 112novies rédigé comme suit :
"Art. 112novies. Par dérogation aux articles 75 et 75ter, et sans préjudice des dispositions du chapitre IV, section 3, les membres des services de police concernés qui sont entendus comme témoin indiquent uniquement leur qualité et le code qui leur a été attribué.
En outre, le procureur du Roi ou le juge d'instruction prend toutes les mesures pour tenir secrète l'identité du membre des services de police concerné.".
"Art. 112novies. Par dérogation aux articles 75 et 75ter, et sans préjudice des dispositions du chapitre IV, section 3, les membres des services de police concernés qui sont entendus comme témoin indiquent uniquement leur qualité et le code qui leur a été attribué.
En outre, le procureur du Roi ou le juge d'instruction prend toutes les mesures pour tenir secrète l'identité du membre des services de police concerné.".
Art. 14. In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 112decies ingevoegd, luidende :
"Art. 112decies. De identiteit van het betrokken lid van de politiediensten wordt enkel onthuld op het ogenblik dat het openbaar ministerie hem als beklaagde dagvaardt of na de verwijzing, internering of opschorting van de uitspraak door een onderzoeksgerecht ten laste van dat lid. In dat laatste geval wordt, nadat de beslissing van verwijzing, internering of opschorting van de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, op vordering van het openbaar ministerie de identiteit vermeld in een afzonderlijke beschikking of arrest.".
"Art. 112decies. De identiteit van het betrokken lid van de politiediensten wordt enkel onthuld op het ogenblik dat het openbaar ministerie hem als beklaagde dagvaardt of na de verwijzing, internering of opschorting van de uitspraak door een onderzoeksgerecht ten laste van dat lid. In dat laatste geval wordt, nadat de beslissing van verwijzing, internering of opschorting van de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, op vordering van het openbaar ministerie de identiteit vermeld in een afzonderlijke beschikking of arrest.".
Art. 14. Dans la même section 3, il est inséré un article 112decies rédigé comme suit :
"Art. 112decies. L'identité du membre des services de police concerné n'est révélée qu'au moment où le ministère public cite ce dernier en qualité de prévenu ou après le renvoi, l'internement ou la suspension du prononcé par une juridiction d'instruction en cause de ce membre. Dans ce dernier cas, après que la décision de renvoi, d'internement ou de suspension du prononcé est coulée en force de chose jugée, l'identité est mentionnée, sur réquisition du ministère public, dans une ordonnance ou un arrêt distinct.".
"Art. 112decies. L'identité du membre des services de police concerné n'est révélée qu'au moment où le ministère public cite ce dernier en qualité de prévenu ou après le renvoi, l'internement ou la suspension du prononcé par une juridiction d'instruction en cause de ce membre. Dans ce dernier cas, après que la décision de renvoi, d'internement ou de suspension du prononcé est coulée en force de chose jugée, l'identité est mentionnée, sur réquisition du ministère public, dans une ordonnance ou un arrêt distinct.".
Art. 15. In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 112undecies ingevoegd, luidende :
"Art. 112undecies. Het kenbaar maken van de identiteit van het lid van de politiediensten die overeenkomstig dit hoofdstuk wordt afgeschermd, buiten de gevallen waarin artikel 112decies voorziet, wordt gestraft met gevangenisstraf van een jaar tot twee jaar en met geldboete van driehonderd euro tot drieduizend euro of met een van die straffen alleen. Dezelfde straf is van toepassing op het zich onrechtmatig toegang verschaffen tot het register bedoeld in artikel 112septies.".
"Art. 112undecies. Het kenbaar maken van de identiteit van het lid van de politiediensten die overeenkomstig dit hoofdstuk wordt afgeschermd, buiten de gevallen waarin artikel 112decies voorziet, wordt gestraft met gevangenisstraf van een jaar tot twee jaar en met geldboete van driehonderd euro tot drieduizend euro of met een van die straffen alleen. Dezelfde straf is van toepassing op het zich onrechtmatig toegang verschaffen tot het register bedoeld in artikel 112septies.".
Art. 15. Dans la même section 3, il est inséré un article 112undecies rédigé comme suit :
"Art. 112undecies. La divulgation, hors les cas prévus à l'article 112decies, de l'identité du membre des services de police qui est protégée conformément au présent chapitre est punie d'une peine d'emprisonnement d'un an à deux ans et d'une amende de trois cents euros à trois mille euros ou d'une de ces peines seulement. La même peine est applicable à la consultation non autorisée du registre visé à l'article 112septies.".
"Art. 112undecies. La divulgation, hors les cas prévus à l'article 112decies, de l'identité du membre des services de police qui est protégée conformément au présent chapitre est punie d'une peine d'emprisonnement d'un an à deux ans et d'une amende de trois cents euros à trois mille euros ou d'une de ces peines seulement. La même peine est applicable à la consultation non autorisée du registre visé à l'article 112septies.".
Art. 16. In artikel 441 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 10 juli 1967 en 14 februari 2014, worden de woorden "op vertoon van een uitdrukkelijk bevel, hem door de minister van Justitie gegeven," vervangen door de woorden "op verzoek van een procureur-generaal bij het hof van beroep of van de minister bevoegd voor Justitie,".
Art. 16. Dans l'article 441 du même Code, modifié par les lois du 10 juillet 1967 et du 14 février 2014, les mots "sur l'exhibition d'un ordre formel à lui donné par le ministre de la justice" sont remplacés par les mots "à la demande d'un procureur général près la cour d'appel ou du ministre compétent pour la Justice".
Art. 17. In artikel 464/2, § 4, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 februari 2014, wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, luidende :
"De in het eerste lid bedoelde politiediensten genieten de bescherming van hun identiteit onder de voorwaarden bepaald in de artikelen 112quater en 112quinquies.".
"De in het eerste lid bedoelde politiediensten genieten de bescherming van hun identiteit onder de voorwaarden bepaald in de artikelen 112quater en 112quinquies.".
Art. 17. Dans l'article 464/2, § 4 du même Code, inséré par la loi du 11 février 2014, un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 1er et 2 :
"Les services de police visés à l'alinéa 1er bénéficient de la protection de leur identité dans les conditions fixées aux articles 112quater et 112quinquies.".
"Les services de police visés à l'alinéa 1er bénéficient de la protection de leur identité dans les conditions fixées aux articles 112quater et 112quinquies.".
Art. 18. In artikel 589 van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 8 augustus 1997 en gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) het tweede lid, 3°, wordt vervangen als volgt :
"3° natuurlijke personen en rechtspersonen ingeval zij een uittreksel uit het Strafregister moeten voorleggen;";
b) in het derde lid worden de woorden "het Ministerie van Justitie" vervangen door de woorden "de Federale Overheidsdienst Justitie";
c) het vierde lid wordt vervangen als volgt :
"Deze gegevens kunnen dienen als grondslag voor statistieken uitgewerkt en verspreid op initiatief van de Federale Overheidsdienst Justitie.".
a) het tweede lid, 3°, wordt vervangen als volgt :
"3° natuurlijke personen en rechtspersonen ingeval zij een uittreksel uit het Strafregister moeten voorleggen;";
b) in het derde lid worden de woorden "het Ministerie van Justitie" vervangen door de woorden "de Federale Overheidsdienst Justitie";
c) het vierde lid wordt vervangen als volgt :
"Deze gegevens kunnen dienen als grondslag voor statistieken uitgewerkt en verspreid op initiatief van de Federale Overheidsdienst Justitie.".
Art. 18. Dans l'article 589 du même Code, rétabli par la loi du 8 août 1997 et modifié par la loi du 25 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées :
a) l'alinéa 2, 3°, est remplacé par ce qui suit :
"3° aux personnes physiques et aux personnes morales lorsqu'elles doivent produire un extrait de casier judiciaire;";
b) dans l'alinéa 3, les mots "Ministère de la Justice" sont remplacés par les mots "Service public fédéral Justice";
c) l'alinéa 4 est remplacé par ce qui suit :
"Ces informations peuvent servir de base à des statistiques établies et diffusées à l'initiative du Service public fédéral Justice.".
a) l'alinéa 2, 3°, est remplacé par ce qui suit :
"3° aux personnes physiques et aux personnes morales lorsqu'elles doivent produire un extrait de casier judiciaire;";
b) dans l'alinéa 3, les mots "Ministère de la Justice" sont remplacés par les mots "Service public fédéral Justice";
c) l'alinéa 4 est remplacé par ce qui suit :
"Ces informations peuvent servir de base à des statistiques établies et diffusées à l'initiative du Service public fédéral Justice.".
Art. 19. In artikel 590, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 8 augustus 1997 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 5 februari 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in de bepaling onder 3 worden de woorden ", gewone of" ingevoegd tussen de woorden "herroeping van het" en "probatie-uitstel";
b) in de bepaling onder 16 worden de woorden "of rechtspersonen die hun maatschappelijke zetel of een exploitatiezetel in België hebben" ingevoegd tussen de woorden "ten aanzien van Belgen" en de woorden "die krachtens internationale overeenkomsten ter kennis van de Belgische Regering worden gebracht";
c) in de bepaling onder 18 worden de woorden ", wanneer het personen betreft die geen woon- of verblijfplaats in België hebben" opgeheven.
a) in de bepaling onder 3 worden de woorden ", gewone of" ingevoegd tussen de woorden "herroeping van het" en "probatie-uitstel";
b) in de bepaling onder 16 worden de woorden "of rechtspersonen die hun maatschappelijke zetel of een exploitatiezetel in België hebben" ingevoegd tussen de woorden "ten aanzien van Belgen" en de woorden "die krachtens internationale overeenkomsten ter kennis van de Belgische Regering worden gebracht";
c) in de bepaling onder 18 worden de woorden ", wanneer het personen betreft die geen woon- of verblijfplaats in België hebben" opgeheven.
Art. 19. Dans l'article 590, alinéa 1er, du même Code, rétabli par la loi du 8 août 1997 et modifié en dernier lieu par la loi du 5 février 2016, les modifications suivantes sont apportées :
a) dans le 3°, les mots ", simple ou" sont insérés entre les mots "la révocation du sursis" et le mot "probatoire";
b) dans le 16°, les mots "ou de personnes morales ayant leur siège social ou un siège d'exploitation en Belgique" sont insérés entre les mots "à charge de Belges" et les mots ", qui sont notifiées au Gouvernement belge";
c) dans le 18°, les mots ", lorsqu'elles concernent des personnes qui n'ont pas de résidence ou de domicile en Belgique" sont abrogés.
a) dans le 3°, les mots ", simple ou" sont insérés entre les mots "la révocation du sursis" et le mot "probatoire";
b) dans le 16°, les mots "ou de personnes morales ayant leur siège social ou un siège d'exploitation en Belgique" sont insérés entre les mots "à charge de Belges" et les mots ", qui sont notifiées au Gouvernement belge";
c) dans le 18°, les mots ", lorsqu'elles concernent des personnes qui n'ont pas de résidence ou de domicile en Belgique" sont abrogés.
Art. 20. Artikel 591 van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 8 augustus 1997, wordt vervangen als volgt :
"Art. 591. § 1. De schriftelijk bij naam aangewezen ambtenaren van niveau A van de dienst van het Strafregister van de Federale Overheidsdienst Justitie, de hoofdgriffiers, de griffiers-hoofden van dienst en de griffiers van de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde hebben, uitsluitend in het kader van het beheer van het Strafregister, toegang tot de gegevens bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1° tot 8°, en tweede lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.
De personen bedoeld in artikel 593 hebben in het kader van de raadpleging van het Strafregister toegang tot de gegevens bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1° tot 9° en tweede lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.
§ 2. De personen bedoeld in paragraaf 1 mogen de identificatienummers van het Rijksregister van de natuurlijke personen alleen gebruiken voor de identificatie van de in het Strafregister opgenomen of op te nemen personen.
Zij mogen het inschrijvingsnummer in de Kruispuntbank van Ondernemingen bedoeld in artikel III.49 van het Wetboek van economisch recht alleen gebruiken voor de identificatie van de in het Strafregister opgenomen of op te nemen rechtspersonen.
§ 3. De personen bedoeld in paragraaf 1 kunnen de bevoegdheden bedoeld in paragraaf 2 overdragen aan één of meer schriftelijk bij naam aangewezen personen binnen hun dienst. Dergelijke delegaties moeten met redenen zijn omkleed en verantwoord door de behoeften van de dienst.
De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder die delegaties worden verleend.".
"Art. 591. § 1. De schriftelijk bij naam aangewezen ambtenaren van niveau A van de dienst van het Strafregister van de Federale Overheidsdienst Justitie, de hoofdgriffiers, de griffiers-hoofden van dienst en de griffiers van de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde hebben, uitsluitend in het kader van het beheer van het Strafregister, toegang tot de gegevens bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1° tot 8°, en tweede lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.
De personen bedoeld in artikel 593 hebben in het kader van de raadpleging van het Strafregister toegang tot de gegevens bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1° tot 9° en tweede lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.
§ 2. De personen bedoeld in paragraaf 1 mogen de identificatienummers van het Rijksregister van de natuurlijke personen alleen gebruiken voor de identificatie van de in het Strafregister opgenomen of op te nemen personen.
Zij mogen het inschrijvingsnummer in de Kruispuntbank van Ondernemingen bedoeld in artikel III.49 van het Wetboek van economisch recht alleen gebruiken voor de identificatie van de in het Strafregister opgenomen of op te nemen rechtspersonen.
§ 3. De personen bedoeld in paragraaf 1 kunnen de bevoegdheden bedoeld in paragraaf 2 overdragen aan één of meer schriftelijk bij naam aangewezen personen binnen hun dienst. Dergelijke delegaties moeten met redenen zijn omkleed en verantwoord door de behoeften van de dienst.
De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder die delegaties worden verleend.".
Art. 20. L'article 591 du même Code, rétabli par la loi du 8 août 1997, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 591. § 1er. Les agents de niveau A du service du Casier judiciaire du Service public fédéral Justice, nommément désignés par écrit, les greffiers en chef, les greffiers-chefs de service et les greffiers des cours et tribunaux de l'ordre judiciaire ont, uniquement dans le cadre de la gestion du Casier judiciaire, accès aux informations visées à l'article 3, alinéa 1er, 1° à 8°, et alinéa 2, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques.
Les personnes visées à l'article 593 ont, dans le cadre de la consultation du Casier judiciaire, accès aux informations visées à l'article 3, alinéa 1er, 1° à 9°, et alinéa 2, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques.
§ 2. Les personnes visées au paragraphe 1er sont autorisées à utiliser les numéros d'identification du Registre national des personnes physiques à seule fin d'identification des personnes inscrites ou à inscrire dans le Casier judiciaire.
Elles sont autorisées à utiliser le numéro d'inscription dans la Banque-Carrefour des Entreprises tel que prévu par l'article III.49 du Code de droit économique à seule fin d'identification des personnes morales inscrites ou à inscrire dans le Casier judiciaire.
§ 3. Les personnes visées au paragraphe 1er peuvent déléguer les facultés visées au paragraphe 2 à une ou plusieurs personnes de leur service, désignées nommément et par écrit. Ces délégations doivent être motivées et justifiées par les nécessités du service.
Le Roi fixe les conditions dans lesquelles ces délégations sont données.".
"Art. 591. § 1er. Les agents de niveau A du service du Casier judiciaire du Service public fédéral Justice, nommément désignés par écrit, les greffiers en chef, les greffiers-chefs de service et les greffiers des cours et tribunaux de l'ordre judiciaire ont, uniquement dans le cadre de la gestion du Casier judiciaire, accès aux informations visées à l'article 3, alinéa 1er, 1° à 8°, et alinéa 2, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques.
Les personnes visées à l'article 593 ont, dans le cadre de la consultation du Casier judiciaire, accès aux informations visées à l'article 3, alinéa 1er, 1° à 9°, et alinéa 2, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques.
§ 2. Les personnes visées au paragraphe 1er sont autorisées à utiliser les numéros d'identification du Registre national des personnes physiques à seule fin d'identification des personnes inscrites ou à inscrire dans le Casier judiciaire.
Elles sont autorisées à utiliser le numéro d'inscription dans la Banque-Carrefour des Entreprises tel que prévu par l'article III.49 du Code de droit économique à seule fin d'identification des personnes morales inscrites ou à inscrire dans le Casier judiciaire.
§ 3. Les personnes visées au paragraphe 1er peuvent déléguer les facultés visées au paragraphe 2 à une ou plusieurs personnes de leur service, désignées nommément et par écrit. Ces délégations doivent être motivées et justifiées par les nécessités du service.
Le Roi fixe les conditions dans lesquelles ces délégations sont données.".
Art. 21. In artikel 592 van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 8 augustus 1997, wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd luidende :
"Indien de beslissing is uitgesproken door van een rechtscollege, dat noch een politierechtbank noch een rechtbank van eerste aanleg zetelend in hoger beroep tegen een vonnis van een politierechtbank is, en die beslissing heeft betrekking op een rechtspersoon die zijn statuten in België heeft neergelegd, zenden de griffiers bovendien een uittreksel van deze beslissing aan de griffie van het rechtscollege waar de statuten van deze rechtspersoon zijn neergelegd.".
"Indien de beslissing is uitgesproken door van een rechtscollege, dat noch een politierechtbank noch een rechtbank van eerste aanleg zetelend in hoger beroep tegen een vonnis van een politierechtbank is, en die beslissing heeft betrekking op een rechtspersoon die zijn statuten in België heeft neergelegd, zenden de griffiers bovendien een uittreksel van deze beslissing aan de griffie van het rechtscollege waar de statuten van deze rechtspersoon zijn neergelegd.".
Art. 21. Dans l'article 592 du même Code, rétabli par la loi du 8 août 1997, un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 1 et 2 :
"Lorsque la décision est prononcée par une juridiction autre qu'un tribunal de police ou qu'un tribunal de première instance siégeant en degré d'appel contre un jugement du tribunal de police, et qu'elle concerne une personne morale qui a déposé ses statuts en Belgique, les greffiers transmettent en outre un extrait de cette décision au greffe de la juridiction où les statuts de celle-ci ont été déposés.".
"Lorsque la décision est prononcée par une juridiction autre qu'un tribunal de police ou qu'un tribunal de première instance siégeant en degré d'appel contre un jugement du tribunal de police, et qu'elle concerne une personne morale qui a déposé ses statuts en Belgique, les greffiers transmettent en outre un extrait de cette décision au greffe de la juridiction où les statuts de celle-ci ont été déposés.".
Art. 22. In artikel 593 van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 8 augustus 1997 en gewijzigd bij de wetten van 21 juni 2004, 31 juli 2009 en 21 februari 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden "de vrederechters," ingevoegd tussen de woorden "de onderzoeksrechters," en de woorden "de rechters en de assessoren van de strafuitvoeringsrechtbanken";
2° in het tweede lid worden de woorden "vrederechters," ingevoegd tussen de woorden "onderzoeksrechters," en de woorden "rechters en assessoren van de strafuitvoeringsrechtbanken".
1° in het eerste lid worden de woorden "de vrederechters," ingevoegd tussen de woorden "de onderzoeksrechters," en de woorden "de rechters en de assessoren van de strafuitvoeringsrechtbanken";
2° in het tweede lid worden de woorden "vrederechters," ingevoegd tussen de woorden "onderzoeksrechters," en de woorden "rechters en assessoren van de strafuitvoeringsrechtbanken".
Art. 22. A l'article 593 du même Code, rétabli par la loi du 8 août 1997 et modifié par les lois des 21 juin 2004, 31 juillet 2009 et 21 février 2010, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, les mots "les juges de paix," sont insérés entre les mots "les juges d'instruction," et les mots "les juges et assesseurs des tribunaux de l'application des peines";
2° dans l'alinéa 2, les mots "juges de paix," sont insérés entre les mots "juges d'instruction," et "juges et assesseurs des tribunaux de l'application des peines".
1° dans l'alinéa 1er, les mots "les juges de paix," sont insérés entre les mots "les juges d'instruction," et les mots "les juges et assesseurs des tribunaux de l'application des peines";
2° dans l'alinéa 2, les mots "juges de paix," sont insérés entre les mots "juges d'instruction," et "juges et assesseurs des tribunaux de l'application des peines".
Art. 23. In artikel 595 van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 8 augustus 1997 en gewijzigd bij de wetten van 15 mei 2006, 31 juli 2009 en 10 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden "Een ieder" vervangen door de woorden "Elke natuurlijke persoon of elke persoon bekwaam om een rechtspersoon te vertegenwoordigen,", en worden de woorden "of, naar gelang het geval, op de rechtspersoon" ingevoegd tussen de woorden "op hem" en de woorden "betrekking hebben";
2° het derde lid wordt vervangen als volgt :
"De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels voor het uitreiken van dit uittreksel. Voor een natuurlijke persoon die een woon- of verblijfplaats heeft in België, wordt het uittreksel uitgereikt door het gemeentebestuur van de woon- of verblijfplaats. Indien de betrokkene in België geen woon- of verblijfplaats heeft, wordt het uittreksel uitgereikt door de dienst van het Strafregister van de Federale Overheidsdienst Justitie. Wanneer het een rechtspersoon betreft, wordt dit uittreksel uitgereikt door de dienst van het Strafregister van de Federale Overheidsdienst Justitie.";
3° het vierde lid wordt vervangen als volgt :
"Elke natuurlijke persoon, voor zover hij zijn identiteit bewijst, geniet het recht op mededeling van de rechtstreeks op hem betrekking hebbende gegevens uit het Strafregister, overeenkomstig artikel 10 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens. Ieder persoon bevoegd om een rechtspersoon te vertegenwoordigen, voor zover hij zijn identiteit bewijst, geniet het recht op mededeling van gegevens uit het Strafregister die betrekking hebben op de rechtspersoon die hij vertegenwoordigt.".
1° in het eerste lid worden de woorden "Een ieder" vervangen door de woorden "Elke natuurlijke persoon of elke persoon bekwaam om een rechtspersoon te vertegenwoordigen,", en worden de woorden "of, naar gelang het geval, op de rechtspersoon" ingevoegd tussen de woorden "op hem" en de woorden "betrekking hebben";
2° het derde lid wordt vervangen als volgt :
"De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels voor het uitreiken van dit uittreksel. Voor een natuurlijke persoon die een woon- of verblijfplaats heeft in België, wordt het uittreksel uitgereikt door het gemeentebestuur van de woon- of verblijfplaats. Indien de betrokkene in België geen woon- of verblijfplaats heeft, wordt het uittreksel uitgereikt door de dienst van het Strafregister van de Federale Overheidsdienst Justitie. Wanneer het een rechtspersoon betreft, wordt dit uittreksel uitgereikt door de dienst van het Strafregister van de Federale Overheidsdienst Justitie.";
3° het vierde lid wordt vervangen als volgt :
"Elke natuurlijke persoon, voor zover hij zijn identiteit bewijst, geniet het recht op mededeling van de rechtstreeks op hem betrekking hebbende gegevens uit het Strafregister, overeenkomstig artikel 10 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens. Ieder persoon bevoegd om een rechtspersoon te vertegenwoordigen, voor zover hij zijn identiteit bewijst, geniet het recht op mededeling van gegevens uit het Strafregister die betrekking hebben op de rechtspersoon die hij vertegenwoordigt.".
Art. 23. A l'article 595 du même Code, rétabli par la loi du 8 août 1997 et modifié par les lois des 15 mai 2006, 31 juillet 2009 et 10 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, les mots "physique ou toute personne compétente pour représenter une personne morale," sont insérés avant les mots "justifiant de son identité", et les mots "ou la personne morale selon le cas," sont insérés entre le mot "personnellement" et les mots ", à l'exception";
2° l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
"Le Roi fixe les conditions et les modalités de délivrance de cet extrait. Lorsque l'extrait concerne une personne physique qui a son domicile ou sa résidence en Belgique, il est délivré par l'administration de la commune où la personne physique a son domicile ou sa résidence. Si elle n'a pas de domicile ou de résidence en Belgique, l'extrait est délivré par le service du Casier judiciaire du Service public fédéral Justice. Lorsque l'extrait concerne une personne morale, il est délivré par le service du Casier judiciaire du Service public fédéral Justice.";
3° l'alinéa 4 est remplacé par ce qui suit :
"Toute personne physique, justifiant de son identité, bénéficie du droit de communication des données du Casier judiciaire qui la concernent directement, conformément à l'article 10 de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel. Toute personne compétente pour représenter une personne morale, justifiant de son identité, bénéficie du droit de communication des données du Casier judiciaire qui concernent la personne morale qu'elle représente.".
1° dans l'alinéa 1er, les mots "physique ou toute personne compétente pour représenter une personne morale," sont insérés avant les mots "justifiant de son identité", et les mots "ou la personne morale selon le cas," sont insérés entre le mot "personnellement" et les mots ", à l'exception";
2° l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
"Le Roi fixe les conditions et les modalités de délivrance de cet extrait. Lorsque l'extrait concerne une personne physique qui a son domicile ou sa résidence en Belgique, il est délivré par l'administration de la commune où la personne physique a son domicile ou sa résidence. Si elle n'a pas de domicile ou de résidence en Belgique, l'extrait est délivré par le service du Casier judiciaire du Service public fédéral Justice. Lorsque l'extrait concerne une personne morale, il est délivré par le service du Casier judiciaire du Service public fédéral Justice.";
3° l'alinéa 4 est remplacé par ce qui suit :
"Toute personne physique, justifiant de son identité, bénéficie du droit de communication des données du Casier judiciaire qui la concernent directement, conformément à l'article 10 de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel. Toute personne compétente pour représenter une personne morale, justifiant de son identité, bénéficie du droit de communication des données du Casier judiciaire qui concernent la personne morale qu'elle représente.".
Art. 24. Artikel 596, derde lid, van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 8 augustus 1997, wordt vervangen als volgt :
"De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels voor het uitreiken van dit uittreksel. Voor een natuurlijke persoon die een woon- of verblijfplaats heeft in België, wordt het uittreksel uitgereikt door het gemeentebestuur van de woon- of verblijfplaats. Indien de betrokkene in België geen woon- of verblijfplaats heeft, wordt het uittreksel uitgereikt door de dienst van het Strafregister van de Federale Overheidsdienst Justitie. Wanneer het een rechtspersoon betreft, wordt dit uittreksel uitgereikt door de dienst van het Strafregister van de Federale Overheidsdienst Justitie.".
"De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels voor het uitreiken van dit uittreksel. Voor een natuurlijke persoon die een woon- of verblijfplaats heeft in België, wordt het uittreksel uitgereikt door het gemeentebestuur van de woon- of verblijfplaats. Indien de betrokkene in België geen woon- of verblijfplaats heeft, wordt het uittreksel uitgereikt door de dienst van het Strafregister van de Federale Overheidsdienst Justitie. Wanneer het een rechtspersoon betreft, wordt dit uittreksel uitgereikt door de dienst van het Strafregister van de Federale Overheidsdienst Justitie.".
Art. 24. L'article 596, alinéa 3, du même Code, rétabli par la loi du 8 août 1997, est remplacé par ce qui suit :
"Le Roi fixe les conditions et les modalités de délivrance de cet extrait. Lorsque l'extrait concerne une personne physique qui a son domicile ou sa résidence en Belgique, il est délivré par l'administration de la commune où la personne physique a son domicile ou sa résidence. Si elle n'a pas de domicile ou de résidence en Belgique, l'extrait est délivré par le service du Casier judiciaire du Service public fédéral Justice. Lorsque l'extrait concerne une personne morale, il est délivré par le service du Casier judiciaire du Service public fédéral Justice.".
"Le Roi fixe les conditions et les modalités de délivrance de cet extrait. Lorsque l'extrait concerne une personne physique qui a son domicile ou sa résidence en Belgique, il est délivré par l'administration de la commune où la personne physique a son domicile ou sa résidence. Si elle n'a pas de domicile ou de résidence en Belgique, l'extrait est délivré par le service du Casier judiciaire du Service public fédéral Justice. Lorsque l'extrait concerne une personne morale, il est délivré par le service du Casier judiciaire du Service public fédéral Justice.".
Art. 25. Artikel 598 van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 8 augustus 1997, wordt vervangen als volgt :
"Art. 598. De gegevens van het Strafregister die betrekking hebben op overleden natuurlijke personen of rechtspersonen na afsluiting van de vereffening, gerechtelijke ontbinding of ontbinding zonder vereffening, worden eenmaal per jaar aan het Algemeen Rijksarchief toegezonden.".
"Art. 598. De gegevens van het Strafregister die betrekking hebben op overleden natuurlijke personen of rechtspersonen na afsluiting van de vereffening, gerechtelijke ontbinding of ontbinding zonder vereffening, worden eenmaal per jaar aan het Algemeen Rijksarchief toegezonden.".
Art. 25. L'article 598 du même Code, rétabli par la loi du 8 août 1997, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 598. Les renseignements enregistrés dans le Casier judiciaire au sujet de personnes physiques décédées ou de personnes morales après clôture de la liquidation, dissolution judiciaire ou dissolution sans liquidation, sont transmis une fois par an aux Archives générales du Royaume.".
"Art. 598. Les renseignements enregistrés dans le Casier judiciaire au sujet de personnes physiques décédées ou de personnes morales après clôture de la liquidation, dissolution judiciaire ou dissolution sans liquidation, sont transmis une fois par an aux Archives générales du Royaume.".
Art. 26. In artikel 624 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 7 april 1964 en gewijzigd bij de wet van 8 augustus 1997, wordt het eerste lid vervangen als volgt :
"Herstel in eer en rechten is afhankelijk van een proeftijd gedurende dewelke de verzoeker die een natuurlijke persoon is in België of in het buitenland een vaste verblijfplaats moet hebben gehad en blijk moet hebben gegeven van verbetering en van goed gedrag.
Wanneer het een rechtspersoon betreft, is het herstel in eer en rechten afhankelijk van een proeftijd gedurende dewelke de rechtspersoon zijn bedrijfszetel of een exploitatiezetel in België moet hebben gehad en worden de elementen die in aanmerking komen om de aanvraag tot herstel in eer en rechten te beoordelen door de procureur des Konings bepaald.".
"Herstel in eer en rechten is afhankelijk van een proeftijd gedurende dewelke de verzoeker die een natuurlijke persoon is in België of in het buitenland een vaste verblijfplaats moet hebben gehad en blijk moet hebben gegeven van verbetering en van goed gedrag.
Wanneer het een rechtspersoon betreft, is het herstel in eer en rechten afhankelijk van een proeftijd gedurende dewelke de rechtspersoon zijn bedrijfszetel of een exploitatiezetel in België moet hebben gehad en worden de elementen die in aanmerking komen om de aanvraag tot herstel in eer en rechten te beoordelen door de procureur des Konings bepaald.".
Art. 26. Dans l'article 624 du même Code, remplacé par la loi du 7 avril 1964 et modifié par la loi du 8 août 1997, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
"La réhabilitation est subordonnée à un temps d'épreuve au cours duquel le requérant, personne physique, doit avoir eu une résidence certaine en Belgique ou à l'étranger et avoir fait preuve d'amendement et avoir été de bonne conduite.
Lorsque la réhabilitation concerne une personne morale, elle est subordonnée à un temps d'épreuve au cours duquel la personne morale doit avoir eu son siège social ou un siège d'exploitation en Belgique, et le procureur du Roi détermine les éléments susceptibles d'influencer l'évaluation de la demande en réhabilitation.".
"La réhabilitation est subordonnée à un temps d'épreuve au cours duquel le requérant, personne physique, doit avoir eu une résidence certaine en Belgique ou à l'étranger et avoir fait preuve d'amendement et avoir été de bonne conduite.
Lorsque la réhabilitation concerne une personne morale, elle est subordonnée à un temps d'épreuve au cours duquel la personne morale doit avoir eu son siège social ou un siège d'exploitation en Belgique, et le procureur du Roi détermine les éléments susceptibles d'influencer l'évaluation de la demande en réhabilitation.".
Art. 27. In artikel 628 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 7 april 1964 en gewijzigd bij de wetten van 9 januari 1991 en 8 augustus 1997, worden het eerste en het tweede lid vervangen als volgt :
"De verzoeker richt zijn aanvraag tot herstel in eer en rechten aan de procureur des Konings van het arrondissement waarin hij verblijft of indien het een rechtspersoon betreft, waarin zijn maatschappelijke zetel of een exploitatiezetel gevestigd is, onder opgave van de veroordelingen waarop de aanvraag betrekking heeft en van de plaatsen waar hij gedurende de proeftijd verbleven heeft of zijn maatschappelijke zetel of een exploitatiezetel heeft gehad.
Wanneer de verzoeker in het buitenland verblijft of indien het een rechtspersoon betreft die zijn maatschappelijke zetel of een exploitatiezetel in het buitenland heeft, wordt de aanvraag gericht aan de procureur des Konings van het arrondissement Brussel.".
"De verzoeker richt zijn aanvraag tot herstel in eer en rechten aan de procureur des Konings van het arrondissement waarin hij verblijft of indien het een rechtspersoon betreft, waarin zijn maatschappelijke zetel of een exploitatiezetel gevestigd is, onder opgave van de veroordelingen waarop de aanvraag betrekking heeft en van de plaatsen waar hij gedurende de proeftijd verbleven heeft of zijn maatschappelijke zetel of een exploitatiezetel heeft gehad.
Wanneer de verzoeker in het buitenland verblijft of indien het een rechtspersoon betreft die zijn maatschappelijke zetel of een exploitatiezetel in het buitenland heeft, wordt de aanvraag gericht aan de procureur des Konings van het arrondissement Brussel.".
Art. 27. Dans l'article 628 du même Code, remplacé par la loi du 7 avril 1964 et modifié par les lois des 9 janvier 1991 et 8 août 1997, les alinéas 1er et 2 sont remplacés par ce qui suit :
"Le requérant adresse sa demande en réhabilitation au procureur du Roi de l'arrondissement dans lequel il réside, ou s'il s'agit d'une personne morale, dans lequel elle a établi son siège social ou un siège d'exploitation, en lui faisant connaître les condamnations que vise la demande et les lieux où il a résidé ou elle a eu son siège social ou un siège d'exploitation pendant le délai d'épreuve.
Lorsqu'il réside à l'étranger, ou s'il s'agit d'une personne morale, qui a son siège social ou un siège d'exploitation à l'étranger, la demande est adressée au procureur du Roi de l'arrondissement de Bruxelles.".
"Le requérant adresse sa demande en réhabilitation au procureur du Roi de l'arrondissement dans lequel il réside, ou s'il s'agit d'une personne morale, dans lequel elle a établi son siège social ou un siège d'exploitation, en lui faisant connaître les condamnations que vise la demande et les lieux où il a résidé ou elle a eu son siège social ou un siège d'exploitation pendant le délai d'épreuve.
Lorsqu'il réside à l'étranger, ou s'il s'agit d'une personne morale, qui a son siège social ou un siège d'exploitation à l'étranger, la demande est adressée au procureur du Roi de l'arrondissement de Bruxelles.".
Art. 28. Artikel 629 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 7 april 1964 en gewijzigd bij de wetten van 8 augustus 1997 en 1 februari 2016, wordt vervangen als volgt :
"Art. 629. § 1. Wanneer de verzoeker een natuurlijke persoon is, laat de procureur des Konings zich afgeven :
1° een uittreksel uit het strafregister van de verzoeker;
2° een voor eensluidend verklaard uittreksel uit alle arresten en vonnissen in strafzaken die de verzoeker betreffen;
3° een uittreksel uit het moraliteitsregister van de verzoeker gehouden tijdens de uitvoering van de vrijheidsstraffen of de maatregelen van vrijheidsbeneming die hij heeft ondergaan;
4° de verklaringen van de burgemeesters van de gemeenten waar hij gedurende de proeftijd heeft verbleven, betreffende het tijdstip en de duur van zijn verblijf in elke gemeente, zijn beroepsarbeid, zijn middelen van bestaan en zijn gedrag gedurende die tijd.
De in het eerste lid, 2°, bedoelde uittreksels vermelden, benevens de juiste aard van de feiten en de uitgesproken straffen of maatregelen, iedere veroordeling tot teruggave, tot schadevergoeding jegens een burgerlijke partij en in de proceskosten.
§ 2. Wanneer de verzoeker een rechtspersoon is, laat de procureur des Konings zich afgeven :
1° een uittreksel uit het strafregister van de verzoeker;
2° een voor eensluidend verklaard uittreksel uit alle arresten en vonnissen in strafzaken de verzoeker betreffende.
Die uittreksels vermelden, benevens de juiste aard van de feiten en de uitgesproken straffen of maatregelen, iedere veroordeling tot teruggave, tot schadevergoeding jegens een burgerlijke partij en in de proceskosten.
3° de verklaringen van de burgemeesters van de gemeenten waar de rechtspersoon zijn maatschappelijke zetel of een exploitatiezetel gevestigd was tijdens de proeftijd, betreffende de elementen die door de procureur des Konings worden bepaald om de aanvraag tot herstel in eer en rechten te beoordelen.
Wanneer de verzoeker een rechtspersoon is met maatschappelijke zetel of een exploitatiezetel in het buitenland, bepaalt de procureur des Konings welke verklaringen moeten worden overgelegd ter vervanging van de hierboven bedoelde, of verschaft zich de nodige bescheiden.
§ 3. De procureur des Konings wint ambtshalve of op verzoek van de procureur-generaal alle nodig geachte inlichtingen in. Hij zendt het dossier met de stukken en zijn advies aan de procureur-generaal.
Wanneer de veroordeelde een natuurlijke persoon is en een straf heeft ondergaan voor feiten bedoeld in de artikelen 371/1 tot 378 van het Strafwetboek of voor feiten bedoeld in de artikelen 379 tot 386ter van hetzelfde Wetboek indien ze gepleegd werden op minderjarigen of met hun deelneming, bevat het dossier het advies van een dienst die gespecialiseerd is in de begeleiding of de behandeling van seksuele delinquenten.".
"Art. 629. § 1. Wanneer de verzoeker een natuurlijke persoon is, laat de procureur des Konings zich afgeven :
1° een uittreksel uit het strafregister van de verzoeker;
2° een voor eensluidend verklaard uittreksel uit alle arresten en vonnissen in strafzaken die de verzoeker betreffen;
3° een uittreksel uit het moraliteitsregister van de verzoeker gehouden tijdens de uitvoering van de vrijheidsstraffen of de maatregelen van vrijheidsbeneming die hij heeft ondergaan;
4° de verklaringen van de burgemeesters van de gemeenten waar hij gedurende de proeftijd heeft verbleven, betreffende het tijdstip en de duur van zijn verblijf in elke gemeente, zijn beroepsarbeid, zijn middelen van bestaan en zijn gedrag gedurende die tijd.
De in het eerste lid, 2°, bedoelde uittreksels vermelden, benevens de juiste aard van de feiten en de uitgesproken straffen of maatregelen, iedere veroordeling tot teruggave, tot schadevergoeding jegens een burgerlijke partij en in de proceskosten.
§ 2. Wanneer de verzoeker een rechtspersoon is, laat de procureur des Konings zich afgeven :
1° een uittreksel uit het strafregister van de verzoeker;
2° een voor eensluidend verklaard uittreksel uit alle arresten en vonnissen in strafzaken de verzoeker betreffende.
Die uittreksels vermelden, benevens de juiste aard van de feiten en de uitgesproken straffen of maatregelen, iedere veroordeling tot teruggave, tot schadevergoeding jegens een burgerlijke partij en in de proceskosten.
3° de verklaringen van de burgemeesters van de gemeenten waar de rechtspersoon zijn maatschappelijke zetel of een exploitatiezetel gevestigd was tijdens de proeftijd, betreffende de elementen die door de procureur des Konings worden bepaald om de aanvraag tot herstel in eer en rechten te beoordelen.
Wanneer de verzoeker een rechtspersoon is met maatschappelijke zetel of een exploitatiezetel in het buitenland, bepaalt de procureur des Konings welke verklaringen moeten worden overgelegd ter vervanging van de hierboven bedoelde, of verschaft zich de nodige bescheiden.
§ 3. De procureur des Konings wint ambtshalve of op verzoek van de procureur-generaal alle nodig geachte inlichtingen in. Hij zendt het dossier met de stukken en zijn advies aan de procureur-generaal.
Wanneer de veroordeelde een natuurlijke persoon is en een straf heeft ondergaan voor feiten bedoeld in de artikelen 371/1 tot 378 van het Strafwetboek of voor feiten bedoeld in de artikelen 379 tot 386ter van hetzelfde Wetboek indien ze gepleegd werden op minderjarigen of met hun deelneming, bevat het dossier het advies van een dienst die gespecialiseerd is in de begeleiding of de behandeling van seksuele delinquenten.".
Art. 28. L'article 629 du même Code, remplacé par la loi du 7 avril 1964 et modifié par les lois des 8 août 1997 et 1er février 2016, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 629. § 1er. Lorsque le requérant est une personne physique, le procureur du Roi se fait délivrer :
1° un extrait de casier judiciaire du requérant;
2° un extrait certifié conforme de tous les arrêts et jugements en matière répressive qui concernent le requérant;
3° un extrait du registre de comptabilité morale du requérant tenu pendant l'exécution des peines ou mesures privatives de liberté qu'il a subies;
4° les attestations des bourgmestres des communes où le requérant a résidé pendant le délai d'épreuve, faisant connaître l'époque et la durée de sa résidence dans chaque commune, son activité professionnelle, ses moyens de subsistance et sa conduite pendant le même temps.
Les extraits visés à l'alinéa 1er mentionnent, outre la nature précise des faits et les peines ou mesures prononcées, toute condamnation à des restitutions, à des dommages-intérêts envers une partie civile et aux frais de l'instance.
§ 2. Lorsque le demandeur est une personne morale, le procureur du Roi se fait délivrer :
1 ° un extrait du casier judiciaire du requérant;
2° un extrait certifié conforme de tous les arrêts ou jugements en matière répressive qui concernent le requérant.
Ces extraits mentionnent, outre la nature précise des faits et les peines ou mesures prononcées, toute condamnation à des restitutions, à des dommages-intérêts envers une partie civile et aux frais de l'instance;
3° les attestations des bourgmestres des communes où la personne morale a établi son siège social ou un siège d'exploitation pendant le délai d'épreuve, relatifs aux éléments déterminés par le procureur du Roi pour évaluer la demande de réhabilitation.
Si le requérant est une personne morale ayant son siège social ou un siège d'exploitation à l'étranger, le procureur du Roi détermine les attestations à produire pour tenir lieu de celles prévues ci-dessus, ou se procure les documents nécessaires.
§ 3. Le procureur du Roi prend d'office ou à la demande du procureur général toutes informations jugées nécessaires. Il transmet le dossier de la procédure avec son avis au procureur général.
Si le condamné est une personne physique et a subi une peine pour des faits visés aux articles 371/1 à 378 du Code pénal, ou pour des faits visés aux articles 379 à 386ter du même Code lorsque ceux-ci ont été accomplis sur des mineurs ou ont impliqué leur participation, le dossier contient l'avis d'un service spécialisé dans la guidance ou le traitement des délinquants sexuels.".
"Art. 629. § 1er. Lorsque le requérant est une personne physique, le procureur du Roi se fait délivrer :
1° un extrait de casier judiciaire du requérant;
2° un extrait certifié conforme de tous les arrêts et jugements en matière répressive qui concernent le requérant;
3° un extrait du registre de comptabilité morale du requérant tenu pendant l'exécution des peines ou mesures privatives de liberté qu'il a subies;
4° les attestations des bourgmestres des communes où le requérant a résidé pendant le délai d'épreuve, faisant connaître l'époque et la durée de sa résidence dans chaque commune, son activité professionnelle, ses moyens de subsistance et sa conduite pendant le même temps.
Les extraits visés à l'alinéa 1er mentionnent, outre la nature précise des faits et les peines ou mesures prononcées, toute condamnation à des restitutions, à des dommages-intérêts envers une partie civile et aux frais de l'instance.
§ 2. Lorsque le demandeur est une personne morale, le procureur du Roi se fait délivrer :
1 ° un extrait du casier judiciaire du requérant;
2° un extrait certifié conforme de tous les arrêts ou jugements en matière répressive qui concernent le requérant.
Ces extraits mentionnent, outre la nature précise des faits et les peines ou mesures prononcées, toute condamnation à des restitutions, à des dommages-intérêts envers une partie civile et aux frais de l'instance;
3° les attestations des bourgmestres des communes où la personne morale a établi son siège social ou un siège d'exploitation pendant le délai d'épreuve, relatifs aux éléments déterminés par le procureur du Roi pour évaluer la demande de réhabilitation.
Si le requérant est une personne morale ayant son siège social ou un siège d'exploitation à l'étranger, le procureur du Roi détermine les attestations à produire pour tenir lieu de celles prévues ci-dessus, ou se procure les documents nécessaires.
§ 3. Le procureur du Roi prend d'office ou à la demande du procureur général toutes informations jugées nécessaires. Il transmet le dossier de la procédure avec son avis au procureur général.
Si le condamné est une personne physique et a subi une peine pour des faits visés aux articles 371/1 à 378 du Code pénal, ou pour des faits visés aux articles 379 à 386ter du même Code lorsque ceux-ci ont été accomplis sur des mineurs ou ont impliqué leur participation, le dossier contient l'avis d'un service spécialisé dans la guidance ou le traitement des délinquants sexuels.".
Art. 29. In artikel 630 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 7 april 1964, wordt het negende lid vervangen als volgt :
"De verzoeker moet verschijnen op elke terechtzitting, behalve op die waarop het arrest wordt uitgesproken. De verzoeker die natuurlijke persoon is, verschijnt in persoon. De verzoeker die rechtspersoon is, verschijnt in de persoon van degene die bevoegd is om de rechtspersoon te vertegenwoordigen.".
"De verzoeker moet verschijnen op elke terechtzitting, behalve op die waarop het arrest wordt uitgesproken. De verzoeker die natuurlijke persoon is, verschijnt in persoon. De verzoeker die rechtspersoon is, verschijnt in de persoon van degene die bevoegd is om de rechtspersoon te vertegenwoordigen.".
Art. 29. Dans l'article 630 du même Code, remplacé par la loi du 7 avril 1964, l'alinéa 9 est remplacé par ce qui suit :
"Le requérant doit comparaître à chaque audience sauf à celle où l'arrêt est prononcé. Le requérant qui est une personne physique comparaît en personne. S'il s'agit d'une personne morale, c'est la personne compétente pour la représenter qui comparaît.".
"Le requérant doit comparaître à chaque audience sauf à celle où l'arrêt est prononcé. Le requérant qui est une personne physique comparaît en personne. S'il s'agit d'une personne morale, c'est la personne compétente pour la représenter qui comparaît.".
Art. 30. In artikel 632 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 7 april 1964, wordt het eerste lid vervangen als volgt :
"Van het herstel in eer en rechten wordt melding gemaakt op de kant van de eindarresten of -vonnissen waarvoor het wordt verleend; een uittreksel uit het arrest wordt gezonden aan de minister van Justitie, aan de procureur des Konings die verslag heeft gedaan, aan de burgemeester van de gemeente waar de verzoeker zijn woonplaats of indien het een rechtspersoon betreft, zijn maatschappelijke zetel of een exploitatiezetel heeft. Indien de in eer en rechten herstelde een privaatrechtelijke rechtspersoon is die zijn statuten in België heeft neergelegd, dan wordt een uittreksel van het arrest toegezonden aan de griffie van het rechtscollege waar de statuten van deze zijn neergelegd.".
"Van het herstel in eer en rechten wordt melding gemaakt op de kant van de eindarresten of -vonnissen waarvoor het wordt verleend; een uittreksel uit het arrest wordt gezonden aan de minister van Justitie, aan de procureur des Konings die verslag heeft gedaan, aan de burgemeester van de gemeente waar de verzoeker zijn woonplaats of indien het een rechtspersoon betreft, zijn maatschappelijke zetel of een exploitatiezetel heeft. Indien de in eer en rechten herstelde een privaatrechtelijke rechtspersoon is die zijn statuten in België heeft neergelegd, dan wordt een uittreksel van het arrest toegezonden aan de griffie van het rechtscollege waar de statuten van deze zijn neergelegd.".
Art. 30. Dans l'article 632 du même Code, remplacé par la loi du 7 avril 1964, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
"Mention de la réhabilitation est faite en marge des arrêts ou jugements définitifs pour lesquels elle est accordée; un extrait de l'arrêt est adressé au ministre de la Justice, au procureur du Roi qui a fait rapport, au bourgmestre de la commune où le requérant est domicilié ou, s'il s'agit d'une personne morale, où elle a son siège social ou un siège d'exploitation. Lorsque le réhabilité est une personne morale qui a déposé ses statuts en Belgique, un extrait de l'arrêt est adressé au greffe de la juridiction où les statuts de celle-ci ont été déposés.".
"Mention de la réhabilitation est faite en marge des arrêts ou jugements définitifs pour lesquels elle est accordée; un extrait de l'arrêt est adressé au ministre de la Justice, au procureur du Roi qui a fait rapport, au bourgmestre de la commune où le requérant est domicilié ou, s'il s'agit d'une personne morale, où elle a son siège social ou un siège d'exploitation. Lorsque le réhabilité est une personne morale qui a déposé ses statuts en Belgique, un extrait de l'arrêt est adressé au greffe de la juridiction où les statuts de celle-ci ont été déposés.".
HOOFDSTUK 3. - Wijziging van het Strafwetboek
CHAPITRE 3. - Modification du Code pénal
Art. 31. In artikel 30, eerste lid, van het Strafwetboek worden de woorden "dat tot die veroordeling aanleiding geeft, wordt toegerekend op de duur van de vrijheidsstraffen." vervangen door de woorden ", met uitzondering van de veroordeling tot een eenvoudige schuldigverklaring, wordt toegerekend op de duur van de nog lopende vrijheidsstraffen.".
Art. 31. Dans l'article 30, alinéa 1er, du Code pénal, les mots ", sera imputée sur la durée des peines emportant privation de la liberté." sont remplacés par les mots ", à l'exception de la condamnation par simple déclaration de culpabilité, sera imputée sur la durée des peines emportant privation de la liberté restant à courir.".
HOOFDSTUK 4. - Wijziging van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering
CHAPITRE 4. - Modification du titre préliminaire du Code de procédure pénale
Art. 32. In artikel 24 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, vervangen bij de wet van 16 juli 2002 en gewijzigd bij de wetten van 14 januari 2013, 25 april 2014 en van 5 februari 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het derde lid wordt vervangen als volgt :
"De verjaring van de strafvordering is geschorst telkens als de raadkamer in het kader van de regeling van de rechtspleging, ingevolge de toepassing van artikel 127, § 3, van het Wetboek van strafvordering door een inverdenkinggestelde ingediend verzoek, de rechtspleging niet kan regelen. De schorsing gaat in op de dag van de eerste zitting voor de raadkamer die vastgesteld werd met het oog op de regeling van de rechtspleging, zowel wanneer het verzoek geweigerd dan wel ingewilligd werd, en eindigt de dag voor de eerste zitting waarop de regeling van de rechtspleging door het onderzoeksgerecht wordt hervat, zonder dat elke schorsing evenwel langer dan een jaar mag duren.".
2° het vierde lid wordt opgeheven.
1° het derde lid wordt vervangen als volgt :
"De verjaring van de strafvordering is geschorst telkens als de raadkamer in het kader van de regeling van de rechtspleging, ingevolge de toepassing van artikel 127, § 3, van het Wetboek van strafvordering door een inverdenkinggestelde ingediend verzoek, de rechtspleging niet kan regelen. De schorsing gaat in op de dag van de eerste zitting voor de raadkamer die vastgesteld werd met het oog op de regeling van de rechtspleging, zowel wanneer het verzoek geweigerd dan wel ingewilligd werd, en eindigt de dag voor de eerste zitting waarop de regeling van de rechtspleging door het onderzoeksgerecht wordt hervat, zonder dat elke schorsing evenwel langer dan een jaar mag duren.".
2° het vierde lid wordt opgeheven.
Art. 32. A l'article 24 du titre préliminaire du Code de procédure pénale, remplacé par la loi du 16 juillet 2002 et modifié par les lois des 14 janvier 2013, 25 avril 2014 et 5 février 2016, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
"La prescription de l'action publique est suspendue chaque fois que la chambre du conseil, dans le cadre du règlement de la procédure, suite à l'application de l'article 127, § 3, du Code d'instruction criminelle, par une requête introduite par un inculpé ne peut pas régler la procédure. La suspension prend effet le jour de la première audience devant la chambre du conseil fixée en vue du règlement de la procédure, que la requête ait été rejetée ou acceptée, et s'achève la veille de la première audience où le règlement de la procédure est repris par la juridiction d'instruction, sans que chaque suspension puisse toutefois dépasser un an.".
2° l'alinéa 4 est abrogé.
1° l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
"La prescription de l'action publique est suspendue chaque fois que la chambre du conseil, dans le cadre du règlement de la procédure, suite à l'application de l'article 127, § 3, du Code d'instruction criminelle, par une requête introduite par un inculpé ne peut pas régler la procédure. La suspension prend effet le jour de la première audience devant la chambre du conseil fixée en vue du règlement de la procédure, que la requête ait été rejetée ou acceptée, et s'achève la veille de la première audience où le règlement de la procédure est repris par la juridiction d'instruction, sans que chaque suspension puisse toutefois dépasser un an.".
2° l'alinéa 4 est abrogé.
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van de wet van 25 juli 1893 betreffende de aantekening van beroep van gevangenzittende of geïnterneerde personen
CHAPITRE 5. - Modifications de la loi du 25 juillet 1893 relative aux déclarations d'appel des personnes détenues ou internées
Art. 33. In het opschrift van de wet van 25 juli 1893 betreffende de aantekening van beroep van gevangenzittende of geïnterneerde personen, vervangen bij de wet van 14 februari 2014, wordt het woord "hoger" ingevoegd tussen de woorden "aantekening van" en het woord "beroep" ingevoegd en wordt het woord "gevangenzittende" vervangen door het woord "gedetineerde".
Art. 33. Dans le texte néerlandais de l'intitulé de la loi du 25 juillet 1893 relative aux déclarations d'appel des personnes détenues ou internées, remplacé par la loi du 14 février 2014, le mot "hoger" est inséré entre les mots "aantekening van" et le mot "beroep" et le mot "gevangenzittende" est remplacé par le mot "gedetineerde".
Art. 34. Artikel 1 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 19 december 2014, wordt vervangen als volgt :
"Artikel 1. In de gevangenissen, inrichtingen of afdelingen tot bescherming van de maatschappij en de gemeenschapscentra voor minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, kunnen door de personen die erin opgesloten of geïnterneerd zijn, de verklaringen van hoger beroep in strafzaken en de verzoekschriften waarin nauwkeurig de grieven worden bepaald die tegen het vonnis worden ingebracht, aan de directeur van die instelling of zijn gemachtigde worden gedaan.
In de gevangenissen en inrichtingen of afdelingen tot bescherming van de maatschappij worden deze verklaringen gedaan en deze verzoekschriften ingediend binnen de door de Koning te bepalen openingsuren van de griffie van deze instellingen.
Deze verklaringen en verzoekschriften hebben dezelfde uitwerking als die ter griffie of door de griffier ontvangen.
Uiterlijk de eerste werkdag volgend op de verklaring van hoger beroep wordt daarvan een akte van hoger beroep opgesteld, die bewaard wordt in een daartoe bestemd register.
De akte van hoger beroep vermeldt minstens :
1° de identiteit van de persoon die de verklaring heeft afgelegd;
2° de datum waarop die verklaring heeft plaatsgevonden;
3° de bestreden rechterlijke beslissing;
4° de identiteit en de hoedanigheid van de persoon die de akte heeft opgesteld;
5° de ondertekening door de persoon die de verklaring heeft afgelegd en de persoon die de akte heeft opgesteld.
De directeur of zijn gemachtigde bezorgt dezelfde dag een kopie van deze akte van hoger beroep via het snelste schriftelijke communicatiemiddel aan de griffier van de rechtbank waarvan de beslissing uitgaat waartegen beroep wordt ingesteld.
De directeur of zijn gemachtigde bezorgt aan de griffier van de rechtbank waarvan de beslissing uitgaat waartegen beroep wordt ingesteld, het verzoekschrift waarin nauwkeurig de grieven worden bepaald die tegen het vonnis worden ingebracht, uiterlijk de eerste werkdag volgend op de ontvangst ervan, met vermelding van de datum van ontvangst.".
"Artikel 1. In de gevangenissen, inrichtingen of afdelingen tot bescherming van de maatschappij en de gemeenschapscentra voor minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, kunnen door de personen die erin opgesloten of geïnterneerd zijn, de verklaringen van hoger beroep in strafzaken en de verzoekschriften waarin nauwkeurig de grieven worden bepaald die tegen het vonnis worden ingebracht, aan de directeur van die instelling of zijn gemachtigde worden gedaan.
In de gevangenissen en inrichtingen of afdelingen tot bescherming van de maatschappij worden deze verklaringen gedaan en deze verzoekschriften ingediend binnen de door de Koning te bepalen openingsuren van de griffie van deze instellingen.
Deze verklaringen en verzoekschriften hebben dezelfde uitwerking als die ter griffie of door de griffier ontvangen.
Uiterlijk de eerste werkdag volgend op de verklaring van hoger beroep wordt daarvan een akte van hoger beroep opgesteld, die bewaard wordt in een daartoe bestemd register.
De akte van hoger beroep vermeldt minstens :
1° de identiteit van de persoon die de verklaring heeft afgelegd;
2° de datum waarop die verklaring heeft plaatsgevonden;
3° de bestreden rechterlijke beslissing;
4° de identiteit en de hoedanigheid van de persoon die de akte heeft opgesteld;
5° de ondertekening door de persoon die de verklaring heeft afgelegd en de persoon die de akte heeft opgesteld.
De directeur of zijn gemachtigde bezorgt dezelfde dag een kopie van deze akte van hoger beroep via het snelste schriftelijke communicatiemiddel aan de griffier van de rechtbank waarvan de beslissing uitgaat waartegen beroep wordt ingesteld.
De directeur of zijn gemachtigde bezorgt aan de griffier van de rechtbank waarvan de beslissing uitgaat waartegen beroep wordt ingesteld, het verzoekschrift waarin nauwkeurig de grieven worden bepaald die tegen het vonnis worden ingebracht, uiterlijk de eerste werkdag volgend op de ontvangst ervan, met vermelding van de datum van ontvangst.".
Art. 34. L'article 1er de la même loi, modifié en dernier par la loi du 19 décembre 2014, est remplacé par ce qui suit :
"Article 1er. Dans les prisons, les établissements ou les sections de défense sociale et les centres communautaires pour mineurs ayant commis un fait qualifié infraction, les déclarations d'appel en matière pénale et les requêtes qui contiennent précisément les griefs élevés contre le jugement peuvent être faites aux directeurs de ces établissements ou à leur délégué par les personnes qui y sont détenues ou internées.
Dans les prisons et établissements ou sections de défense sociale, ces déclarations sont faites et ces requêtes sont remises pendant les heures d'ouverture du greffe de ces établissements fixées par le Roi.
Ces déclarations et requêtes ont les mêmes effets que celles reçues au greffe ou par le greffier.
Un acte d'appel est rédigé à partir de la déclaration d'appel au plus tard le premier jour ouvrable suivant cette dernière. Cet acte est conservé dans un registre prévu à cet effet.
L'acte d'appel mentionne au minimum :
1° l'identité de la personne qui formule la déclaration;
2° la date à laquelle a lieu la déclaration;
3° la décision judiciaire contestée;
4° l'identité et la qualité de la personne qui a dressé l'acte;
5° la signature de la personne qui formule la déclaration et celle de la personne qui a dressé l'acte.
Le directeur ou son délégué transmet le même jour une copie de cet acte d'appel par le moyen de communication écrit le plus rapide au greffier du tribunal qui a rendu la décision contre laquelle l'appel est interjeté.
Le directeur ou son délégué transmet au greffier du tribunal dont émane la décision qui fait l'objet de l'appel, la requête qui contient précisément les griefs élevés contre le jugement au plus tard le premier jour ouvrable suivant sa réception, avec mention de la date de réception.".
"Article 1er. Dans les prisons, les établissements ou les sections de défense sociale et les centres communautaires pour mineurs ayant commis un fait qualifié infraction, les déclarations d'appel en matière pénale et les requêtes qui contiennent précisément les griefs élevés contre le jugement peuvent être faites aux directeurs de ces établissements ou à leur délégué par les personnes qui y sont détenues ou internées.
Dans les prisons et établissements ou sections de défense sociale, ces déclarations sont faites et ces requêtes sont remises pendant les heures d'ouverture du greffe de ces établissements fixées par le Roi.
Ces déclarations et requêtes ont les mêmes effets que celles reçues au greffe ou par le greffier.
Un acte d'appel est rédigé à partir de la déclaration d'appel au plus tard le premier jour ouvrable suivant cette dernière. Cet acte est conservé dans un registre prévu à cet effet.
L'acte d'appel mentionne au minimum :
1° l'identité de la personne qui formule la déclaration;
2° la date à laquelle a lieu la déclaration;
3° la décision judiciaire contestée;
4° l'identité et la qualité de la personne qui a dressé l'acte;
5° la signature de la personne qui formule la déclaration et celle de la personne qui a dressé l'acte.
Le directeur ou son délégué transmet le même jour une copie de cet acte d'appel par le moyen de communication écrit le plus rapide au greffier du tribunal qui a rendu la décision contre laquelle l'appel est interjeté.
Le directeur ou son délégué transmet au greffier du tribunal dont émane la décision qui fait l'objet de l'appel, la requête qui contient précisément les griefs élevés contre le jugement au plus tard le premier jour ouvrable suivant sa réception, avec mention de la date de réception.".
Art. 35. In artikel 2 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 14 februari 2014, worden de woorden "het bericht en het proces-verbaal" vervangen door de woorden "de akte van hoger beroep".
Art. 35. Dans l'article 2 de la même loi, modifié par la loi du 14 février 2014, les mots "l'avis et le procès-verbal" sont remplacés par les mots "l'acte d'appel".
Art. 36. Artikel 3 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
"Art. 3. De directeur of zijn gemachtigde mag van de krachtens artikel 1 opgestelde akten van hoger beroep geen andere kopie afleveren dan die waarvan in dat artikel melding is gemaakt.".
"Art. 3. De directeur of zijn gemachtigde mag van de krachtens artikel 1 opgestelde akten van hoger beroep geen andere kopie afleveren dan die waarvan in dat artikel melding is gemaakt.".
Art. 36. L'article 3 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
"Art. 3. Le directeur ou son délégué ne peut pas fournir d'autre copie des actes d'appel rédigés en vertu de l'article 1er que celle dont il est fait mention dans cet article.".
"Art. 3. Le directeur ou son délégué ne peut pas fournir d'autre copie des actes d'appel rédigés en vertu de l'article 1er que celle dont il est fait mention dans cet article.".
Art. 37. In artikel 4, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 14 februari 2014, worden de woorden "afschriften der aangiften van beroep" vervangen door de woorden "kopieën van aktes van hoger beroep".
Art. 37. Dans l'article 4, alinéa 1er, de la même loi, modifié par la loi du 14 février 2014, les mots "expéditions des déclarations" sont remplacés par les mots "copies d'actes".
HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen met het oog op de tenuitvoerlegging van verordening nr. 1141/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende het statuut en de financiering van de Europese politieke partijen en de Europese politieke stichtingen
CHAPITRE 6. - Modifications de la loi du 27 juin 1921 sur les associations sans but lucratif, les associations internationales sans but lucratif et les fondations en vue de la mise en oeuvre du règlement n° 1141/2014 du Parlement européen et du Conseil du 22 octobre 2014 relatif au statut et au financement des partis politiques européens et des fondations politiques européennes
Art. 38. Het opschrift van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, vervangen bij de wet van 2 mei 2002, wordt vervangen als volgt :
"Wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen".
"Wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen".
Art. 38. L'intitulé de la loi du 27 juin 1921 sur les associations sans but lucratif, les associations internationales sans but lucratif et les fondations, remplacé par la loi du 2 mai 2002, est remplacé par ce qui suit :
"Loi du 27 juin 1921 sur les associations sans but lucratif, les fondations, les partis politiques européens et les fondations politiques européennes".
"Loi du 27 juin 1921 sur les associations sans but lucratif, les fondations, les partis politiques européens et les fondations politiques européennes".
Art. 39. In dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, wordt een titel IIIter ingevoegd, luidende "TITEL IIIter. - De Europese politieke partij".
Art. 39. Dans la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2014, il est inséré un Titre IIIter, intitulé "TITRE IIIter. - Du parti politique européen".
Art. 40. In titel IIIter, ingevoegd bij artikel 39, wordt een artikel 58/1 ingevoegd, luidende :
"Art. 58/1. Elke Europese politieke partij met zetel in België, afgekort EUPP, is aanvullend aan de bepalingen van verordening nr. 1141/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende het statuut en de financiering van de Europese politieke partijen en de Europese politieke stichtingen, onderworpen naargelang van het gekozen van statuut, hetzij aan de bepalingen van Titel I, hoofdstuk 1, en titel IIIter, hetzij aan Titel III en IIIter. In het laatste geval is artikel 46, eerste lid, niet van toepassing.
Een afschrift van de bekendmaking bedoeld in artikel 15, § 1, van voormelde verordening wordt door de notaris neergelegd, naargelang van het gekozen statuut, in het dossier bepaald in artikel 26novies of 51. Tot het ogenblik bepaald in artikel 58/4 zijn de artikelen 26novies en 51 niet van toepassing.".
"Art. 58/1. Elke Europese politieke partij met zetel in België, afgekort EUPP, is aanvullend aan de bepalingen van verordening nr. 1141/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende het statuut en de financiering van de Europese politieke partijen en de Europese politieke stichtingen, onderworpen naargelang van het gekozen van statuut, hetzij aan de bepalingen van Titel I, hoofdstuk 1, en titel IIIter, hetzij aan Titel III en IIIter. In het laatste geval is artikel 46, eerste lid, niet van toepassing.
Een afschrift van de bekendmaking bedoeld in artikel 15, § 1, van voormelde verordening wordt door de notaris neergelegd, naargelang van het gekozen statuut, in het dossier bepaald in artikel 26novies of 51. Tot het ogenblik bepaald in artikel 58/4 zijn de artikelen 26novies en 51 niet van toepassing.".
Art. 40. Dans le titre IIIter, inséré par l'article 39, il est inséré un article 58/1, rédigé comme suit :
"Art. 58/1. Chaque parti politique européen ayant son siège en Belgique, en abrégé PPEU, est soumis, complémentairement aux dispositions du règlement n° 1141/2014 du Parlement européen et du Conseil du 22 octobre 2014 relatif au statut et au financement des partis politiques européens et des fondations politiques européennes, soit aux dispositions du titre Ier, chapitre Ier, et du titre IIIter, soit aux titres III et IIIter en fonction du statut choisi. Dans le dernier cas, l'article 46, alinéa 1er, n'est pas applicable.
Une copie de la publication visée à l'article 15, § 1er, du règlement précité est déposée par le notaire au dossier visé soit à l'article 26novies, soit à l'article 51 en fonction du statut choisi. Jusqu'au moment prévu à l'article 58/4, les articles 26novies et 51 ne sont pas applicables.".
"Art. 58/1. Chaque parti politique européen ayant son siège en Belgique, en abrégé PPEU, est soumis, complémentairement aux dispositions du règlement n° 1141/2014 du Parlement européen et du Conseil du 22 octobre 2014 relatif au statut et au financement des partis politiques européens et des fondations politiques européennes, soit aux dispositions du titre Ier, chapitre Ier, et du titre IIIter, soit aux titres III et IIIter en fonction du statut choisi. Dans le dernier cas, l'article 46, alinéa 1er, n'est pas applicable.
Une copie de la publication visée à l'article 15, § 1er, du règlement précité est déposée par le notaire au dossier visé soit à l'article 26novies, soit à l'article 51 en fonction du statut choisi. Jusqu'au moment prévu à l'article 58/4, les articles 26novies et 51 ne sont pas applicables.".
Art. 41. In dezelfde titel IIIter wordt een artikel 58/2 ingevoegd, luidende :
"Art. 58/2. De statuten van de EUPP worden opgesteld bij authentieke akte. Ingeval van een bestaande vereniging zonder winstoogmerk of internationale vereniging zonder winstoogmerk geschiedt de omzetting tot EUPP eveneens bij authentieke akte. Overeenkomstig artikel 15, § 2, van voormelde verordening levert de notaris een attest af dat bevestigt dat de zetel van de EUPP in België is gevestigd en dat zijn statuten in overeenstemming zijn met het in artikel 58/1 bepaalde toepasselijk recht.".
"Art. 58/2. De statuten van de EUPP worden opgesteld bij authentieke akte. Ingeval van een bestaande vereniging zonder winstoogmerk of internationale vereniging zonder winstoogmerk geschiedt de omzetting tot EUPP eveneens bij authentieke akte. Overeenkomstig artikel 15, § 2, van voormelde verordening levert de notaris een attest af dat bevestigt dat de zetel van de EUPP in België is gevestigd en dat zijn statuten in overeenstemming zijn met het in artikel 58/1 bepaalde toepasselijk recht.".
Art. 41. Dans le même titre IIIter il est inséré un article 58/2, rédigé comme suit :
"Art. 58/2. Les statuts du PPEU sont établis par acte authentique. En cas d'une association sans but lucratif ou d'une association internationale sans but lucratif existante, la transformation en un PPEU se fait également par acte authentique. Conformément à l'article 15, § 2, du règlement précité, le notaire délivre une attestation qui certifie que le siège du PPEU est établi en Belgique et que ses statuts sont conformes au droit applicable visé à l'article 58/1.".
"Art. 58/2. Les statuts du PPEU sont établis par acte authentique. En cas d'une association sans but lucratif ou d'une association internationale sans but lucratif existante, la transformation en un PPEU se fait également par acte authentique. Conformément à l'article 15, § 2, du règlement précité, le notaire délivre une attestation qui certifie que le siège du PPEU est établi en Belgique et que ses statuts sont conformes au droit applicable visé à l'article 58/1.".
Art. 42. In dezelfde titel IIIter wordt een artikel 58/3 ingevoegd, luidende :
"Art. 58/3. De bevoegde instantie die overeenkomstig artikel 16, §§ 2, 3 en 4, van voormelde verordening, een verzoek tot schrapping kan overmaken, is het openbaar ministerie.".
"Art. 58/3. De bevoegde instantie die overeenkomstig artikel 16, §§ 2, 3 en 4, van voormelde verordening, een verzoek tot schrapping kan overmaken, is het openbaar ministerie.".
Art. 42. Dans le même titre IIIter il est inséré un article 58/3, rédigé comme suit :
"Art. 58/3. L'instance compétente qui, conformément à l'article 16, §§ 2, 3 et 4, du règlement précité, peut transmettre une demande de radiation est le ministère public.".
"Art. 58/3. L'instance compétente qui, conformément à l'article 16, §§ 2, 3 et 4, du règlement précité, peut transmettre une demande de radiation est le ministère public.".
Art. 43. In dezelfde titel IIIter wordt een artikel 58/4 ingevoegd, luidende :
"Art. 58/4. § 1. In geval van verlies van de Europese rechtspersoonlijkheid in toepassing van artikel 16 van voormelde verordening wordt de EUPP van rechtswege omgezet naar een vereniging zonder winstoogmerk.
§ 2. Iedere EUPP die overeenkomstig § 1 in een vereniging zonder winstoogmerk wordt omgezet, kan, met goedkeuring van de Koning, bij authentieke akte worden omgezet in een internationale vereniging zonder winstoogmerk.
Aan de akte worden toegevoegd :
1° een toelichtend verslag opgesteld door de raad van bestuur;
2° een staat van de activa en de passiva van de vereniging die niet meer dan drie maanden voordien is vastgesteld;
3° een verslag over die staat waarin inzonderheid wordt vermeld of daarin de toestand van de vereniging op volledige, getrouwe en juiste wijze is weergegeven, en dat is opgesteld door een bedrijfsrevisor of door een accountant ingeschreven op het tableau van de externe accountants van het Instituut der accountants en aangewezen door de raad van bestuur.
§ 3. De akte wordt gevoegd bij het dossier bedoeld in de artikelen 26novies of 51 en bekendgemaakt respectievelijk overeenkomstig § 2 en § 3 van voormelde bepalingen.
§ 4. Het in artikel 16, § 7, van voormelde verordening bepaalde wordt in voorkomend geval overlegd met het openbaar ministerie.".
"Art. 58/4. § 1. In geval van verlies van de Europese rechtspersoonlijkheid in toepassing van artikel 16 van voormelde verordening wordt de EUPP van rechtswege omgezet naar een vereniging zonder winstoogmerk.
§ 2. Iedere EUPP die overeenkomstig § 1 in een vereniging zonder winstoogmerk wordt omgezet, kan, met goedkeuring van de Koning, bij authentieke akte worden omgezet in een internationale vereniging zonder winstoogmerk.
Aan de akte worden toegevoegd :
1° een toelichtend verslag opgesteld door de raad van bestuur;
2° een staat van de activa en de passiva van de vereniging die niet meer dan drie maanden voordien is vastgesteld;
3° een verslag over die staat waarin inzonderheid wordt vermeld of daarin de toestand van de vereniging op volledige, getrouwe en juiste wijze is weergegeven, en dat is opgesteld door een bedrijfsrevisor of door een accountant ingeschreven op het tableau van de externe accountants van het Instituut der accountants en aangewezen door de raad van bestuur.
§ 3. De akte wordt gevoegd bij het dossier bedoeld in de artikelen 26novies of 51 en bekendgemaakt respectievelijk overeenkomstig § 2 en § 3 van voormelde bepalingen.
§ 4. Het in artikel 16, § 7, van voormelde verordening bepaalde wordt in voorkomend geval overlegd met het openbaar ministerie.".
Art. 43. Dans le même titre IIIter il est inséré un article 58/4, rédigé comme suit :
"Art. 58/4. § 1er. En cas de perte de la personnalité juridique européenne en application de l'article 16 du règlement précité, le PPEU est transformé de plein droit en association sans but lucratif.
§ 2. Chaque PPEU transformé en association sans but lucratif conformément au § 1er peut se transformer en association internationale sans but lucratif par acte authentique moyennant l'approbation du Roi.
A l'acte sont joints :
1° un rapport justificatif établi par le conseil d'administration;
2° un état résumant la situation active et passive de l'association, arrêté à une date ne remontant pas à plus de trois mois;
3° un rapport sur cet état indiquant notamment s'il traduit d'une manière complète, fidèle et correcte la situation de l'association, établi par un réviseur d'entreprises, ou un expert-comptable inscrit au tableau des experts-comptables externes de l'Institut des experts-comptables, désigné par le conseil d'administration.
§ 3. L'acte est déposé au dossier visé à l'article 26novies ou à l'article 51, et respectivement publié conformément au § 2 et § 3 des dispositions précitées.
§ 4. Les dispositions de l'article 16, paragraphe 7, du règlement précité font, le cas échéant, l'objet d'une concertation avec le ministère public.".
"Art. 58/4. § 1er. En cas de perte de la personnalité juridique européenne en application de l'article 16 du règlement précité, le PPEU est transformé de plein droit en association sans but lucratif.
§ 2. Chaque PPEU transformé en association sans but lucratif conformément au § 1er peut se transformer en association internationale sans but lucratif par acte authentique moyennant l'approbation du Roi.
A l'acte sont joints :
1° un rapport justificatif établi par le conseil d'administration;
2° un état résumant la situation active et passive de l'association, arrêté à une date ne remontant pas à plus de trois mois;
3° un rapport sur cet état indiquant notamment s'il traduit d'une manière complète, fidèle et correcte la situation de l'association, établi par un réviseur d'entreprises, ou un expert-comptable inscrit au tableau des experts-comptables externes de l'Institut des experts-comptables, désigné par le conseil d'administration.
§ 3. L'acte est déposé au dossier visé à l'article 26novies ou à l'article 51, et respectivement publié conformément au § 2 et § 3 des dispositions précitées.
§ 4. Les dispositions de l'article 16, paragraphe 7, du règlement précité font, le cas échéant, l'objet d'une concertation avec le ministère public.".
Art. 44. In dezelfde titel IIIter wordt een artikel 58/5 ingevoegd, luidende :
"Art. 58/5. § 1. Uiterlijk binnen twee maanden na de bekendmaking van de buitenlandse zetelverplaatsing, kunnen de schuldeisers van de EUPP die tot zetelverplaatsing overgaat en van wie de vordering is ontstaan vóór die bekendmaking en nog niet is vervallen of voor wier schuldvordering in rechte of via arbitrage een bezwaar werd ingesteld voor die bekendmaking, niettegenstaande enig andersluidend beding, zekerheid eisen.
De EUPP kan deze eis afweren door de schuldvordering te voldoen tegen haar waarde, na aftrek van het disconto.
Indien geen overeenstemming wordt bereikt of indien de schuldeiser geen voldoening heeft gekregen, wordt het geschil door de meest gerede partij voorgelegd aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waarbinnen de schuldplichtige EUPP haar zetel heeft. De rechtspleging wordt ingeleid en behandeld zoals in kort geding; hetzelfde geldt voor de tenuitvoerlegging van de gewezen beslissing. Onverminderd de rechten in de zaak zelf bepaalt de voorzitter de zekerheid die de EUPP moet stellen en de termijn waarbinnen zulks moet geschieden, tenzij hij beslist dat geen zekerheid moet worden gesteld gelet op de waarborgen en de voorrechten waarover de schuldeiser beschikt of gelet op de solvabiliteit van de betrokken EUPP.
Indien de zekerheid niet binnen de bepaalde termijn is gesteld, wordt de schuldvordering onmiddellijk opeisbaar en is de EUPP hoofdelijk gehouden tot nakoming van deze verbintenis.
§ 2. De doorhaling in België van de oude inschrijving in het rechtspersonenregister ten gevolge van de verplaatsing van de statutaire zetel naar het buitenland wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.".
"Art. 58/5. § 1. Uiterlijk binnen twee maanden na de bekendmaking van de buitenlandse zetelverplaatsing, kunnen de schuldeisers van de EUPP die tot zetelverplaatsing overgaat en van wie de vordering is ontstaan vóór die bekendmaking en nog niet is vervallen of voor wier schuldvordering in rechte of via arbitrage een bezwaar werd ingesteld voor die bekendmaking, niettegenstaande enig andersluidend beding, zekerheid eisen.
De EUPP kan deze eis afweren door de schuldvordering te voldoen tegen haar waarde, na aftrek van het disconto.
Indien geen overeenstemming wordt bereikt of indien de schuldeiser geen voldoening heeft gekregen, wordt het geschil door de meest gerede partij voorgelegd aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waarbinnen de schuldplichtige EUPP haar zetel heeft. De rechtspleging wordt ingeleid en behandeld zoals in kort geding; hetzelfde geldt voor de tenuitvoerlegging van de gewezen beslissing. Onverminderd de rechten in de zaak zelf bepaalt de voorzitter de zekerheid die de EUPP moet stellen en de termijn waarbinnen zulks moet geschieden, tenzij hij beslist dat geen zekerheid moet worden gesteld gelet op de waarborgen en de voorrechten waarover de schuldeiser beschikt of gelet op de solvabiliteit van de betrokken EUPP.
Indien de zekerheid niet binnen de bepaalde termijn is gesteld, wordt de schuldvordering onmiddellijk opeisbaar en is de EUPP hoofdelijk gehouden tot nakoming van deze verbintenis.
§ 2. De doorhaling in België van de oude inschrijving in het rechtspersonenregister ten gevolge van de verplaatsing van de statutaire zetel naar het buitenland wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.".
Art. 44. Dans le même titre IIIter il est inséré un article 58/5, rédigé comme suit :
"Art. 58/5. § 1er. Au plus tard dans les deux mois de la publication relative au transfert de siège à l'étranger, les créanciers du PPEU qui procède au transfert de son siège et dont la créance est antérieure à cette publication et n'est pas encore échue, ou dont la créance fait l'objet d'une réclamation introduite en justice ou par voie d'arbitrage avant cette publication, peuvent exiger une sûreté, nonobstant toute convention contraire.
Le PPEU peut écarter cette exigence en payant la créance à sa valeur, après déduction de l'escompte.
A défaut d'accord ou si le créancier n'est pas payé, la contestation est soumise par la partie la plus diligente au président du tribunal de première instance dans l'arrondissement duquel le PPEU débiteur a son siège. La procédure est introduite et instruite comme en référé; il en est de même de l'exécution de la décision rendue. Tous droits saufs au fond, le président détermine la sûreté à fournir par le PPEU et fixe le délai dans lequel elle doit être constituée, à moins qu'il ne décide qu'aucune sûreté ne sera fournie, eu égard soit aux garanties et privilèges dont jouit le créancier, soit à la solvabilité du PPEU concerné.
Si la sûreté n'est pas fournie dans le délai fixé, la créance devient immédiatement exigible et le PPEU est tenu solidairement pour cette obligation.
§ 2. La radiation en Belgique de l'ancienne immatriculation au registre des personnes morales suite au transfert à l'étranger du siège statutaire est publiée au Moniteur belge.".
"Art. 58/5. § 1er. Au plus tard dans les deux mois de la publication relative au transfert de siège à l'étranger, les créanciers du PPEU qui procède au transfert de son siège et dont la créance est antérieure à cette publication et n'est pas encore échue, ou dont la créance fait l'objet d'une réclamation introduite en justice ou par voie d'arbitrage avant cette publication, peuvent exiger une sûreté, nonobstant toute convention contraire.
Le PPEU peut écarter cette exigence en payant la créance à sa valeur, après déduction de l'escompte.
A défaut d'accord ou si le créancier n'est pas payé, la contestation est soumise par la partie la plus diligente au président du tribunal de première instance dans l'arrondissement duquel le PPEU débiteur a son siège. La procédure est introduite et instruite comme en référé; il en est de même de l'exécution de la décision rendue. Tous droits saufs au fond, le président détermine la sûreté à fournir par le PPEU et fixe le délai dans lequel elle doit être constituée, à moins qu'il ne décide qu'aucune sûreté ne sera fournie, eu égard soit aux garanties et privilèges dont jouit le créancier, soit à la solvabilité du PPEU concerné.
Si la sûreté n'est pas fournie dans le délai fixé, la créance devient immédiatement exigible et le PPEU est tenu solidairement pour cette obligation.
§ 2. La radiation en Belgique de l'ancienne immatriculation au registre des personnes morales suite au transfert à l'étranger du siège statutaire est publiée au Moniteur belge.".
Art. 45. In dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, wordt een titel IIIquater ingevoegd luidende "Titel IIIquater. De Europese politieke stichting".
Art. 45. Dans la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2014, il est inséré un Titre IIIquater, intitulé "Titre IIIquater. De la fondation politique européenne".
Art. 46. In titel IIIquater, ingevoegd bij artikel 45, wordt een artikel 58/6 ingevoegd, luidende :
"Art. 58/6. Elke Europese politieke stichting met zetel in België, afgekort EUPS, is aanvullend aan de bepalingen van verordening nr. 1141/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende het statuut en de financiering van de Europese politieke partijen en de Europese politieke stichtingen onderworpen naargelang van het gekozen statuut, hetzij aan de bepalingen van titel I, hoofdstuk 1, en titel IIIquater, hetzij aan Titel III en IIIquater. In het laatste geval is artikel 46, eerste lid, niet van toepassing.
Een afschrift van de bekendmaking bedoeld in artikel 15, § 1, van voormelde verordening wordt door de notaris neergelegd, naargelang van het gekozen statuut, in het dossier bepaald in artikel 26novies of 51. Tot het ogenblik bepaald in artikel 58/9 zijn de artikelen 26novies en 51 niet van toepassing.".
"Art. 58/6. Elke Europese politieke stichting met zetel in België, afgekort EUPS, is aanvullend aan de bepalingen van verordening nr. 1141/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende het statuut en de financiering van de Europese politieke partijen en de Europese politieke stichtingen onderworpen naargelang van het gekozen statuut, hetzij aan de bepalingen van titel I, hoofdstuk 1, en titel IIIquater, hetzij aan Titel III en IIIquater. In het laatste geval is artikel 46, eerste lid, niet van toepassing.
Een afschrift van de bekendmaking bedoeld in artikel 15, § 1, van voormelde verordening wordt door de notaris neergelegd, naargelang van het gekozen statuut, in het dossier bepaald in artikel 26novies of 51. Tot het ogenblik bepaald in artikel 58/9 zijn de artikelen 26novies en 51 niet van toepassing.".
Art. 46. Dans le même titre IIIquater inséré par l'article 45, il est inséré un article 58/6, rédigé comme suit :
"Art. 58/6. Chaque fondation politique européenne ayant son siège en Belgique, en abrégé FPEU, est soumise, complémentairement aux dispositions du règlement n° 1141/2014 du Parlement européen et du Conseil du 22 octobre 2014 relatif au statut et au financement des partis politiques européens et des fondations politiques européennes, soit aux dispositions du titre 1er, chapitre 1er, et du titre IIIquater soit au titre III et IIIquater en fonction du statut choisi . Dans le dernier cas, l'article 46, alinéa 1er, n'est pas applicable.
Une copie de la publication visée à l'article 15, § 1er, du règlement précité est déposée par le notaire au dossier visé soit à l'article 26novies, soit à l'article 51 en fonction du statut choisi. Jusqu'au moment prévu à l'article 58/9, les articles 26novies et 51 ne sont pas applicables.".
"Art. 58/6. Chaque fondation politique européenne ayant son siège en Belgique, en abrégé FPEU, est soumise, complémentairement aux dispositions du règlement n° 1141/2014 du Parlement européen et du Conseil du 22 octobre 2014 relatif au statut et au financement des partis politiques européens et des fondations politiques européennes, soit aux dispositions du titre 1er, chapitre 1er, et du titre IIIquater soit au titre III et IIIquater en fonction du statut choisi . Dans le dernier cas, l'article 46, alinéa 1er, n'est pas applicable.
Une copie de la publication visée à l'article 15, § 1er, du règlement précité est déposée par le notaire au dossier visé soit à l'article 26novies, soit à l'article 51 en fonction du statut choisi. Jusqu'au moment prévu à l'article 58/9, les articles 26novies et 51 ne sont pas applicables.".
Art. 47. In dezelfde titel IIIquater wordt een artikel 58/7 ingevoegd, luidende :
"Art. 58/7. De statuten van de EUPS worden opgesteld bij authentieke akte. Ingeval van een bestaande vereniging zonder winstoogmerk of internationale vereniging zonder winstoogmerk geschiedt de omzetting tot EUPS eveneens bij authentieke akte. Overeenkomstig artikel 15, § 2, van voormelde verordening levert de notaris een attest af dat bevestigt dat de zetel van de EUPS is gevestigd in België en dat de statuten ervan in overeenstemming zijn met het in artikel 58/6 bepaalde toepasselijk recht .".
"Art. 58/7. De statuten van de EUPS worden opgesteld bij authentieke akte. Ingeval van een bestaande vereniging zonder winstoogmerk of internationale vereniging zonder winstoogmerk geschiedt de omzetting tot EUPS eveneens bij authentieke akte. Overeenkomstig artikel 15, § 2, van voormelde verordening levert de notaris een attest af dat bevestigt dat de zetel van de EUPS is gevestigd in België en dat de statuten ervan in overeenstemming zijn met het in artikel 58/6 bepaalde toepasselijk recht .".
Art. 47. Dans le même titre IIIquater, il est inséré un article 58/7, rédigé comme suit :
"Art. 58/7. Les statuts de la FPEU sont établis par acte authentique. Dans le cas d'une association sans but lucratif ou d'une association internationale sans but lucratif existante, la transformation en FPEU se fait également par acte authentique. Conformément à l'article 15, § 2, du règlement précité, le notaire délivre une attestation certifiant que le siège de la FPEU est établi en Belgique et que ses statuts sont conformes au droit applicable visé à l'article 58/6.".
"Art. 58/7. Les statuts de la FPEU sont établis par acte authentique. Dans le cas d'une association sans but lucratif ou d'une association internationale sans but lucratif existante, la transformation en FPEU se fait également par acte authentique. Conformément à l'article 15, § 2, du règlement précité, le notaire délivre une attestation certifiant que le siège de la FPEU est établi en Belgique et que ses statuts sont conformes au droit applicable visé à l'article 58/6.".
Art. 48. In dezelfde titel IIIquater wordt een artikel 58/8 ingevoegd, luidende :
"Art. 58/8. De bevoegde instantie die overeenkomstig artikel 16, §§ 2, 3 en 4, van voormelde verordening, een verzoek tot schrapping kan overmaken, is het openbaar ministerie.".
"Art. 58/8. De bevoegde instantie die overeenkomstig artikel 16, §§ 2, 3 en 4, van voormelde verordening, een verzoek tot schrapping kan overmaken, is het openbaar ministerie.".
Art. 48. Dans le même titre IIIquater, il est inséré un article 58/8, rédigé comme suit :
"Art. 58/8. L'instance compétente qui, conformément à l'article 16, §§ 2, 3 et 4, du règlement précité, peut transmettre une demande de radiation est le ministère public.".
"Art. 58/8. L'instance compétente qui, conformément à l'article 16, §§ 2, 3 et 4, du règlement précité, peut transmettre une demande de radiation est le ministère public.".
Art. 49. In dezelfde titel IIIquater wordt een artikel 58/9 ingevoegd, luidende :
"Art. 58/9. § 1. In geval van verlies van de Europese rechtspersoonlijkheid in toepassing van artikel 16 van voormelde verordening wordt de EUPS van rechtswege omgezet naar een vereniging zonder winstoogmerk. Zij heeft vervolgens de keuze zich om te zetten in een internationale vereniging zonder winstoogmerk, overeenkomstig artikel 58/4, § 2.
§ 2. De akte wordt naargelang van het gekozen van statuut gevoegd bij het dossier bedoeld in de artikelen 26novies of 51 en bekendgemaakt respectievelijk overeenkomstig paragraaf 2 en paragraaf 3 van voormelde bepalingen.
§ 3. Het in artikel 16, § 7, van voormelde verordening bepaalde wordt in voorkomend geval overlegd met het openbaar ministerie.".
"Art. 58/9. § 1. In geval van verlies van de Europese rechtspersoonlijkheid in toepassing van artikel 16 van voormelde verordening wordt de EUPS van rechtswege omgezet naar een vereniging zonder winstoogmerk. Zij heeft vervolgens de keuze zich om te zetten in een internationale vereniging zonder winstoogmerk, overeenkomstig artikel 58/4, § 2.
§ 2. De akte wordt naargelang van het gekozen van statuut gevoegd bij het dossier bedoeld in de artikelen 26novies of 51 en bekendgemaakt respectievelijk overeenkomstig paragraaf 2 en paragraaf 3 van voormelde bepalingen.
§ 3. Het in artikel 16, § 7, van voormelde verordening bepaalde wordt in voorkomend geval overlegd met het openbaar ministerie.".
Art. 49. Dans le même titre IIIquater, il est inséré un article 58/9, rédigé comme suit :
"Art. 58/9. § 1er. En cas de perte de la personnalité juridique européenne en application de l'article 16 du règlement précité, la FPEU est transformée de plein droit en association sans but lucratif. Elle peut ensuite choisir de se transformer en association internationale sans but lucratif conformément à l'article 58/4, § 2, s'il s'agit d'une association sans but lucratif.
§ 2. En fonction du statut choisi, l'acte est soit joint au dossier aux articles 26novies et 51 et publié respectivement conformément au paragraphe 2 et au paragraphe 3, selon le cas, des dispositions précitées.
§ 3. Les dispositions de l'article 16, § 7, du règlement précité font, le cas échéant, l'objet d'une concertation avec le ministère public.".
"Art. 58/9. § 1er. En cas de perte de la personnalité juridique européenne en application de l'article 16 du règlement précité, la FPEU est transformée de plein droit en association sans but lucratif. Elle peut ensuite choisir de se transformer en association internationale sans but lucratif conformément à l'article 58/4, § 2, s'il s'agit d'une association sans but lucratif.
§ 2. En fonction du statut choisi, l'acte est soit joint au dossier aux articles 26novies et 51 et publié respectivement conformément au paragraphe 2 et au paragraphe 3, selon le cas, des dispositions précitées.
§ 3. Les dispositions de l'article 16, § 7, du règlement précité font, le cas échéant, l'objet d'une concertation avec le ministère public.".
Art. 50. In dezelfde titel IIIquater wordt een artikel 58/10 ingevoegd, luidende :
"Art. 58/10. § 1. Uiterlijk twee maanden na de bekendmaking van de buitenlandse zetelverplaatsing, kunnen de schuldeisers van de EUPS die tot zetelverplaatsing overgaat en van wie de vordering is ontstaan vóór die bekendmaking en nog niet is vervallen of voor wier schuldvordering in rechte of via arbitrage een bezwaar werd ingesteld voor die bekendmaking, niettegenstaande enig andersluidend beding, zekerheid eisen.
De EUPS kan deze eis afweren door de schuldvordering te voldoen tegen haar waarde, na aftrek van het disconto.
Indien geen overeenstemming wordt bereikt of indien de schuldeiser geen voldoening heeft gekregen, wordt het geschil door de meest gerede partij voorgelegd aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waarbinnen de schuldplichtige EUPS haar zetel heeft. De rechtspleging wordt ingeleid en behandeld zoals in kort geding; hetzelfde geldt voor de tenuitvoerlegging van de gewezen beslissing. Onverminderd de rechten in de zaak zelf bepaalt de voorzitter de zekerheid die de EUPS moet stellen en de termijn waarbinnen zulks moet geschieden, tenzij hij beslist dat geen zekerheid moet worden gesteld gelet op de waarborgen en de voorrechten waarover de schuldeiser beschikt of gelet op de solvabiliteit van de betrokken EUPS.
Indien de zekerheid niet binnen de bepaalde termijn is gesteld, wordt de schuldvordering onmiddellijk opeisbaar en is de EUPS hoofdelijk gehouden tot nakoming van deze verbintenis.
§ 2. De doorhaling in België van de oude inschrijving ten gevolge van de verplaatsing van de statutaire zetel naar het buitenland wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.".
"Art. 58/10. § 1. Uiterlijk twee maanden na de bekendmaking van de buitenlandse zetelverplaatsing, kunnen de schuldeisers van de EUPS die tot zetelverplaatsing overgaat en van wie de vordering is ontstaan vóór die bekendmaking en nog niet is vervallen of voor wier schuldvordering in rechte of via arbitrage een bezwaar werd ingesteld voor die bekendmaking, niettegenstaande enig andersluidend beding, zekerheid eisen.
De EUPS kan deze eis afweren door de schuldvordering te voldoen tegen haar waarde, na aftrek van het disconto.
Indien geen overeenstemming wordt bereikt of indien de schuldeiser geen voldoening heeft gekregen, wordt het geschil door de meest gerede partij voorgelegd aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waarbinnen de schuldplichtige EUPS haar zetel heeft. De rechtspleging wordt ingeleid en behandeld zoals in kort geding; hetzelfde geldt voor de tenuitvoerlegging van de gewezen beslissing. Onverminderd de rechten in de zaak zelf bepaalt de voorzitter de zekerheid die de EUPS moet stellen en de termijn waarbinnen zulks moet geschieden, tenzij hij beslist dat geen zekerheid moet worden gesteld gelet op de waarborgen en de voorrechten waarover de schuldeiser beschikt of gelet op de solvabiliteit van de betrokken EUPS.
Indien de zekerheid niet binnen de bepaalde termijn is gesteld, wordt de schuldvordering onmiddellijk opeisbaar en is de EUPS hoofdelijk gehouden tot nakoming van deze verbintenis.
§ 2. De doorhaling in België van de oude inschrijving ten gevolge van de verplaatsing van de statutaire zetel naar het buitenland wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.".
Art. 50. Dans le même titre IIIquater il est inséré un article 58/10, rédigé comme suit :
"Art. 58/10, § 1er. Au plus tard dans les deux mois de la publication relative au transfert de siège à l'étranger, les créanciers de la FPEU qui procède au transfert de son siège et dont la créance est antérieure à cette publication et n'est pas encore échue, ou dont la créance fait l'objet d'une réclamation introduite en justice ou par voie d'arbitrage avant cette publication, peuvent exiger une sûreté, nonobstant toute convention contraire.
La FPEU peut écarter cette exigence en payant la créance à sa valeur, après déduction de l'escompte.
A défaut d'accord ou si le créancier n'est pas payé, la contestation est soumise par la partie la plus diligente au président du tribunal de première instance dans l'arrondissement duquel la FPEU débitrice a son siège. La procédure est introduite et instruite comme en référé; il en est de même de l'exécution de la décision rendue. Tous droits saufs au fond, le président détermine la sûreté à fournir par la FPEU et fixe le délai dans lequel elle doit être constituée, à moins qu'il ne décide qu'aucune sûreté ne sera fournie, eu égard soit aux garanties et privilèges dont jouit le créancier, soit à la solvabilité de la FPEU concernée.
Si la sûreté n'est pas fournie dans le délai fixé, la créance devient immédiatement exigible et la FPEU est tenue solidairement pour cette obligation.
§ 2. La radiation en Belgique de l'ancienne immatriculation suite au transfert à l'étranger du siège statutaire est publiée au Moniteur belge.".
"Art. 58/10, § 1er. Au plus tard dans les deux mois de la publication relative au transfert de siège à l'étranger, les créanciers de la FPEU qui procède au transfert de son siège et dont la créance est antérieure à cette publication et n'est pas encore échue, ou dont la créance fait l'objet d'une réclamation introduite en justice ou par voie d'arbitrage avant cette publication, peuvent exiger une sûreté, nonobstant toute convention contraire.
La FPEU peut écarter cette exigence en payant la créance à sa valeur, après déduction de l'escompte.
A défaut d'accord ou si le créancier n'est pas payé, la contestation est soumise par la partie la plus diligente au président du tribunal de première instance dans l'arrondissement duquel la FPEU débitrice a son siège. La procédure est introduite et instruite comme en référé; il en est de même de l'exécution de la décision rendue. Tous droits saufs au fond, le président détermine la sûreté à fournir par la FPEU et fixe le délai dans lequel elle doit être constituée, à moins qu'il ne décide qu'aucune sûreté ne sera fournie, eu égard soit aux garanties et privilèges dont jouit le créancier, soit à la solvabilité de la FPEU concernée.
Si la sûreté n'est pas fournie dans le délai fixé, la créance devient immédiatement exigible et la FPEU est tenue solidairement pour cette obligation.
§ 2. La radiation en Belgique de l'ancienne immatriculation suite au transfert à l'étranger du siège statutaire est publiée au Moniteur belge.".
HOOFDSTUK 7. - Wijziging van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken
CHAPITRE 7. - Modification de la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire
Art. 51. Artikel 43bis, § 3, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, ingevoegd bij de wet van 10 oktober 1967 en gewijzigd bij de wetten van 26 juni 1974, 23 september 1985 en 22 december 1998, wordt aangevuld met een lid, luidende :
"De raadsheren in het hof van beroep te Brussel die bij voorrang zitting nemen in het Marktenhof moeten het bewijs leveren van ten minste een functionele kennis van de andere taal dan diegene van hun diploma, overeenkomstig artikel 43quinquies, § 1, derde lid.".
"De raadsheren in het hof van beroep te Brussel die bij voorrang zitting nemen in het Marktenhof moeten het bewijs leveren van ten minste een functionele kennis van de andere taal dan diegene van hun diploma, overeenkomstig artikel 43quinquies, § 1, derde lid.".
Art. 51. L'article 43bis, § 3, de la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire, inséré par la loi du 10 octobre 1967 et modifié par les lois des 26 juin 1974, 23 septembre 1985 et 22 décembre 1998, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"Les conseillers à la cour d'appel de Bruxelles qui siègent prioritairement à la Cour des marchés doivent justifier d'au moins une connaissance fonctionnelle de l'autre langue que celle de leur diplôme, conformément à l'article 43quinquies, § 1er, alinéa 3.".
"Les conseillers à la cour d'appel de Bruxelles qui siègent prioritairement à la Cour des marchés doivent justifier d'au moins une connaissance fonctionnelle de l'autre langue que celle de leur diplôme, conformément à l'article 43quinquies, § 1er, alinéa 3.".
HOOFDSTUK 8. - Wijzigingen van het koninklijk besluit nr. 236 van 20 januari 1936 tot vereenvoudiging van sommige vormen van de strafvordering ten opzichte van de gedetineerden
CHAPITRE 8. - Modifications de l'arrêté royal n° 236 du 20 janvier 1936 simplifiant certaines formes de la procédure pénale à l'égard des détenus
Art. 52. Artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 236 van 20 januari 1936 tot vereenvoudiging van sommige vormen van de strafvordering ten opzichte van de gedetineerden, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 december 2006 en de wetten van 19 december 2014 en 5 februari 2016, wordt vervangen als volgt :
"Art. 2. Wanneer hij die verzet doet, zich in hechtenis bevindt, kan het verzet tegen de veroordelingen in strafzaken, uitgesproken door de hoven van beroep, de correctionele rechtbanken en de politierechtbanken, gedaan worden door middel van een verklaring aan de directeur of zijn gemachtigde van een gevangenis, van een inrichting of afdeling tot bescherming van de maatschappij of van een gemeenschapscentrum voor minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd.
In de gevangenissen en inrichtingen of afdelingen tot bescherming van de maatschappij worden deze verklaringen gedaan binnen de door de Koning te bepalen openingsuren van de griffie van deze instellingen.
Uiterlijk de eerste werkdag volgend op deze verklaring wordt daarvan een akte van verzet opgesteld, die bewaard wordt in een daartoe bestemd register.
De akte van verzet vermeldt minstens :
1° de identiteit van de persoon die de verklaring heeft afgelegd;
2° de datum waarop die verklaring heeft plaatsgevonden;
3° de bestreden rechterlijke beslissing;
4° de identiteit en de hoedanigheid van de persoon die de akte heeft opgesteld;
5° de ondertekening door de persoon die de verklaring heeft afgelegd en de persoon die de akte heeft opgesteld.
De directeur of zijn gemachtigde bezorgt dezelfde dag een kopie van deze akte van verzet via het snelst mogelijke schriftelijke communicatiemiddel aan de ambtenaar van het openbaar ministerie bij de rechtbank of het hof waarvan de beslissing waartegen verzet wordt gedaan, uitgaat.
De akte van verzet brengt van rechtswege dagvaarding mee op de eerstkomende terechtzitting na het verstrijken van de termijnen en wordt als ongedaan beschouwd indien de eiser in verzet niet verschijnt.
Onmiddellijk na de ontvangst van de kopie van de akte van verzet, roept de ambtenaar van het openbaar ministerie de eiser in verzet op voor deze terechtzitting, volgens de in artikel 1 beschreven vorm.".
"Art. 2. Wanneer hij die verzet doet, zich in hechtenis bevindt, kan het verzet tegen de veroordelingen in strafzaken, uitgesproken door de hoven van beroep, de correctionele rechtbanken en de politierechtbanken, gedaan worden door middel van een verklaring aan de directeur of zijn gemachtigde van een gevangenis, van een inrichting of afdeling tot bescherming van de maatschappij of van een gemeenschapscentrum voor minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd.
In de gevangenissen en inrichtingen of afdelingen tot bescherming van de maatschappij worden deze verklaringen gedaan binnen de door de Koning te bepalen openingsuren van de griffie van deze instellingen.
Uiterlijk de eerste werkdag volgend op deze verklaring wordt daarvan een akte van verzet opgesteld, die bewaard wordt in een daartoe bestemd register.
De akte van verzet vermeldt minstens :
1° de identiteit van de persoon die de verklaring heeft afgelegd;
2° de datum waarop die verklaring heeft plaatsgevonden;
3° de bestreden rechterlijke beslissing;
4° de identiteit en de hoedanigheid van de persoon die de akte heeft opgesteld;
5° de ondertekening door de persoon die de verklaring heeft afgelegd en de persoon die de akte heeft opgesteld.
De directeur of zijn gemachtigde bezorgt dezelfde dag een kopie van deze akte van verzet via het snelst mogelijke schriftelijke communicatiemiddel aan de ambtenaar van het openbaar ministerie bij de rechtbank of het hof waarvan de beslissing waartegen verzet wordt gedaan, uitgaat.
De akte van verzet brengt van rechtswege dagvaarding mee op de eerstkomende terechtzitting na het verstrijken van de termijnen en wordt als ongedaan beschouwd indien de eiser in verzet niet verschijnt.
Onmiddellijk na de ontvangst van de kopie van de akte van verzet, roept de ambtenaar van het openbaar ministerie de eiser in verzet op voor deze terechtzitting, volgens de in artikel 1 beschreven vorm.".
Art. 52. L'article 2 de l'arrêté royal n° 236 du 20 janvier 1936 simplifiant certaines formes de la procédure pénale à l'égard des détenus, modifié par l'arrêté royal du 28 décembre 2006 et les lois des 19 décembre 2014 et 5 février 2016, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 2. Lorsque l'opposant est détenu, l'opposition contre la condamnation pénale prononcée par les cours d'appel, les tribunaux correctionnels et les tribunaux de police peut être formée par déclaration au directeur ou son délégué d'une prison, d'un établissement ou d'une section de défense sociale ou d'un centre communautaire pour mineurs ayant commis un fait qualifié infraction.
Dans les prisons et établissements ou sections de défense sociale, ces déclarations doivent être faites pendant les heures d'ouverture fixées par le Roi du greffe de ces établissements.
Un acte d'opposition est rédigé à partir de cette déclaration au plus tard le premier jour ouvrable suivant cette dernière. Cet acte est conservé dans un registre prévu à cet effet.
L'acte d'opposition mentionne au moins :
1° l'identité de la personne qui formule la déclaration;
2° la date à laquelle a lieu la déclaration;
3° la décision judiciaire contestée;
4° l'identité et la qualité de la personne qui a dressé l'acte;
5° la signature des la personne qui formule la déclaration et celle de la personne qui a dressé l'acte.
Le directeur ou son délégué transmet le même jour une copie de cet acte d'opposition par le moyen de communication écrit le plus rapide à l'officier du ministère public du tribunal ou de la cour qui a rendu la décision contre laquelle l'opposition est dirigée.
L'acte d'opposition emporte de plein droit citation à la première audience après expiration des délais et est réputé non avenu si l'opposant n'y comparaît pas.
Immédiatement après la réception de la copie de l'acte d'opposition, l'officier du ministère public convoque l'opposant à cette audience, dans la forme décrite à l'article 1er.".
"Art. 2. Lorsque l'opposant est détenu, l'opposition contre la condamnation pénale prononcée par les cours d'appel, les tribunaux correctionnels et les tribunaux de police peut être formée par déclaration au directeur ou son délégué d'une prison, d'un établissement ou d'une section de défense sociale ou d'un centre communautaire pour mineurs ayant commis un fait qualifié infraction.
Dans les prisons et établissements ou sections de défense sociale, ces déclarations doivent être faites pendant les heures d'ouverture fixées par le Roi du greffe de ces établissements.
Un acte d'opposition est rédigé à partir de cette déclaration au plus tard le premier jour ouvrable suivant cette dernière. Cet acte est conservé dans un registre prévu à cet effet.
L'acte d'opposition mentionne au moins :
1° l'identité de la personne qui formule la déclaration;
2° la date à laquelle a lieu la déclaration;
3° la décision judiciaire contestée;
4° l'identité et la qualité de la personne qui a dressé l'acte;
5° la signature des la personne qui formule la déclaration et celle de la personne qui a dressé l'acte.
Le directeur ou son délégué transmet le même jour une copie de cet acte d'opposition par le moyen de communication écrit le plus rapide à l'officier du ministère public du tribunal ou de la cour qui a rendu la décision contre laquelle l'opposition est dirigée.
L'acte d'opposition emporte de plein droit citation à la première audience après expiration des délais et est réputé non avenu si l'opposant n'y comparaît pas.
Immédiatement après la réception de la copie de l'acte d'opposition, l'officier du ministère public convoque l'opposant à cette audience, dans la forme décrite à l'article 1er.".
Art. 53. Artikel 3 van hetzelfde koninklijk besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 december 2006 en de wet van 19 december 2014, wordt vervangen als volgt :
"Art. 3. De directeur of zijn gemachtigde mag van de krachtens artikel 2 opgestelde akten van verzet geen andere kopie afleveren dan die waarvan in dat artikel melding is gemaakt.".
"Art. 3. De directeur of zijn gemachtigde mag van de krachtens artikel 2 opgestelde akten van verzet geen andere kopie afleveren dan die waarvan in dat artikel melding is gemaakt.".
Art. 53. L'article 3 du même arrêté royal, modifié par l'arrêté royal du 28 décembre 2006 et la loi du 19 décembre 2014, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 3. Le directeur ou son délégué ne peut pas fournir d'autre copie des actes rédigés en vertu de l'article 2 que celle dont il est fait mention dans cet article.".
"Art. 3. Le directeur ou son délégué ne peut pas fournir d'autre copie des actes rédigés en vertu de l'article 2 que celle dont il est fait mention dans cet article.".
Art. 54. In artikel 4 van hetzelfde koninklijk besluit worden de woorden "processen-verbaal, registers, berichten en uitgiften" vervangen door de woorden "akten van verzet en registers".
Art. 54. Dans l'article 4 du même arrêté royal, les mots "procès-verbaux, registres, avis et expéditions" sont remplacés par les mots "actes d'opposition et registres".
HOOFDSTUK 9. - Wijziging van de wet van 3 april 1953 betreffende de rechterlijke inrichting
CHAPITRE 9. - Modification de la loi du 3 avril 1953 d'organisation judiciaire
Art. 55. In artikel 2 van de wet van 3 april 1953 betreffende de rechterlijke inrichting, hersteld bij de wet van 4 maart 1997, vervangen bij de wet van 21 juni 2001 en gewijzigd bij de wetten van 14 december 2004, 30 december 2009 en 5 februari 2016, wordt het cijfer "28" vervangen door het cijfer "32".
Art. 55. Dans l'article 2 de la loi du 3 avril 1953 d'organisation judiciaire, rétabli par la loi du 4 mars 1997, remplacé par la loi du 21 juin 2001 et modifié par les lois des 14 décembre 2004, 30 décembre 2009 et 5 février 2016, le chiffre "28" est remplacé par le chiffre "32".
HOOFDSTUK 10. - Wijziging van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen
CHAPITRE 10. - Modification de la loi du 12 avril 1965 relative au transport de produits gazeux et autres par canalisations
Art. 56. In de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen worden de woorden "hof van beroep te Brussel", "hof van beroep van Brussel" en "hof van beroep" telkens vervangen door het woord "Marktenhof", behalve in de volgende bepalingen :
1° artikel 15/21, § 2, ingevoegd bij de wet van 20 juli 2005;
2° artikel 15/21, § 3, eerste, tweede en laatste zin, ingevoegd bij de wet van 20 juli 2005 en vervangen bij de wet van 8 januari 2012.
1° artikel 15/21, § 2, ingevoegd bij de wet van 20 juli 2005;
2° artikel 15/21, § 3, eerste, tweede en laatste zin, ingevoegd bij de wet van 20 juli 2005 en vervangen bij de wet van 8 januari 2012.
Art. 56. Dans la loi du 12 avril 1965 relative au transport de produits gazeux et autres par canalisations, les mots "cour d'appel de Bruxelles" et "cour d'appel" sont chaque fois remplacés par les mots "Cour des marchés", sauf dans les dispositions suivantes :
1° l'article 15/21, § 2, inséré par la loi du 20 juillet 2005;
2° l'article 15/21, § 3, première, deuxième et dernière phrase, insérées par la loi du 20 juillet 2005 et remplacées par la loi du 8 janvier 2012.
1° l'article 15/21, § 2, inséré par la loi du 20 juillet 2005;
2° l'article 15/21, § 3, première, deuxième et dernière phrase, insérées par la loi du 20 juillet 2005 et remplacées par la loi du 8 janvier 2012.
HOOFDSTUK 11. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
CHAPITRE 11. - Modifications du Code Judiciaire
Art. 57. Artikel 32ter van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 oktober 2015, wordt vervangen als volgt :
"Art. 32ter. Elke kennisgeving of mededeling aan of neerlegging bij de hoven of rechtbanken, het openbaar ministerie, diensten die afhangen van de rechterlijke macht, met inbegrip van de griffies en parketsecretariaten, of andere openbare diensten, of elke kennisgeving of mededeling aan een advocaat, een gerechtsdeurwaarder of een notaris, door de hoven of rechtbanken, het openbaar ministerie, diensten die afhangen van de rechterlijke macht, met inbegrip van de griffies en parketsecretariaten, of andere openbare diensten, of door een advocaat, een gerechtsdeurwaarder of een notaris, kan gebeuren door middel van het informaticasysteem van Justitie dat door de Koning wordt aangewezen.
De Koning bepaalt de nadere regels van dat informaticasysteem, waarbij de vertrouwelijkheid en effectiviteit van de communicatie worden verzekerd. Het gebruik van het voormelde informaticasysteem kan door de Koning aan de instanties, diensten of actoren vermeld in het eerste lid of sommigen onder hen worden opgelegd.
De Koning kan de toepassing van deze bepaling bij besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, uitbreiden tot andere instellingen en diensten.".
"Art. 32ter. Elke kennisgeving of mededeling aan of neerlegging bij de hoven of rechtbanken, het openbaar ministerie, diensten die afhangen van de rechterlijke macht, met inbegrip van de griffies en parketsecretariaten, of andere openbare diensten, of elke kennisgeving of mededeling aan een advocaat, een gerechtsdeurwaarder of een notaris, door de hoven of rechtbanken, het openbaar ministerie, diensten die afhangen van de rechterlijke macht, met inbegrip van de griffies en parketsecretariaten, of andere openbare diensten, of door een advocaat, een gerechtsdeurwaarder of een notaris, kan gebeuren door middel van het informaticasysteem van Justitie dat door de Koning wordt aangewezen.
De Koning bepaalt de nadere regels van dat informaticasysteem, waarbij de vertrouwelijkheid en effectiviteit van de communicatie worden verzekerd. Het gebruik van het voormelde informaticasysteem kan door de Koning aan de instanties, diensten of actoren vermeld in het eerste lid of sommigen onder hen worden opgelegd.
De Koning kan de toepassing van deze bepaling bij besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, uitbreiden tot andere instellingen en diensten.".
Art. 57. Art. 32ter du Code judiciaire, inséré par la loi du 19 octobre 2015, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 32ter. Toute notification ou toute communication à ou tout dépôt auprès des cours ou tribunaux, du ministère public, des services qui dépendent du pouvoir judiciaire en ce compris les greffes et les secrétariats de parquet, ou d'autres services publics, ou toute notification ou toute communication à un avocat, un huissier de justice ou un notaire par les cours ou tribunaux, le ministère public, des services qui dépendent du pouvoir judiciaire en ce compris les greffes et les secrétariats de parquet, ou d'autres services publics, ou par un avocat, un huissier de justice ou un notaire, peut se faire au moyen du système informatique de la Justice désigné par le Roi.
Le Roi fixe les modalités de ce système informatique, la confidentialité et l'effectivité de la communication étant garanties. Le recours au système informatique précité peut être imposé par le Roi aux instances, services ou acteurs mentionnés à l'alinéa 1er ou à certains d'entre eux.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, étendre l'application de cette disposition à d'autres institutions et services.".
"Art. 32ter. Toute notification ou toute communication à ou tout dépôt auprès des cours ou tribunaux, du ministère public, des services qui dépendent du pouvoir judiciaire en ce compris les greffes et les secrétariats de parquet, ou d'autres services publics, ou toute notification ou toute communication à un avocat, un huissier de justice ou un notaire par les cours ou tribunaux, le ministère public, des services qui dépendent du pouvoir judiciaire en ce compris les greffes et les secrétariats de parquet, ou d'autres services publics, ou par un avocat, un huissier de justice ou un notaire, peut se faire au moyen du système informatique de la Justice désigné par le Roi.
Le Roi fixe les modalités de ce système informatique, la confidentialité et l'effectivité de la communication étant garanties. Le recours au système informatique précité peut être imposé par le Roi aux instances, services ou acteurs mentionnés à l'alinéa 1er ou à certains d'entre eux.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, étendre l'application de cette disposition à d'autres institutions et services.".
Art. 58. In artikel 80 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2013, wordt tussen het tweede en het derde lid een lid ingevoegd, luidende :
"In afwijking van artikel 79, tweede lid, wijst de eerste voorzitter van het hof van beroep, in uitzonderlijke omstandigheden en na het advies van de federale procureur te hebben ingewonnen, uit de onderzoeksrechters van zijn rechtsgebied die over nuttige ervaring beschikken, een of meer aanvullende onderzoeksrechters aan, voor een termijn van ten hoogste twee jaar, die tweemaal kan worden hernieuwd.".
"In afwijking van artikel 79, tweede lid, wijst de eerste voorzitter van het hof van beroep, in uitzonderlijke omstandigheden en na het advies van de federale procureur te hebben ingewonnen, uit de onderzoeksrechters van zijn rechtsgebied die over nuttige ervaring beschikken, een of meer aanvullende onderzoeksrechters aan, voor een termijn van ten hoogste twee jaar, die tweemaal kan worden hernieuwd.".
Art. 58. Dans l'article 80 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 30 juillet 2013, un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 2 et 3 :
"Par dérogation à l'article 79, alinéa 2, en cas de circonstances exceptionnelles, après avoir recueilli l'avis du procureur fédéral, le premier président de la cour d'appel désigne un ou plusieurs juges d'instruction supplémentaires, pour un terme de deux ans au plus, renouvelable deux fois, parmi les juges d'instruction de son ressort qui disposent de l'expérience utile.".
"Par dérogation à l'article 79, alinéa 2, en cas de circonstances exceptionnelles, après avoir recueilli l'avis du procureur fédéral, le premier président de la cour d'appel désigne un ou plusieurs juges d'instruction supplémentaires, pour un terme de deux ans au plus, renouvelable deux fois, parmi les juges d'instruction de son ressort qui disposent de l'expérience utile.".
Art. 59. In artikel 101 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 30 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende :
"In het hof van beroep te Brussel zijn er tevens kamers voor marktzaken, wier bevoegdheid wordt bepaald bij de wet. Die kamers vormen een sectie, Marktenhof genoemd."
2° paragraaf 2 wordt aangevuld met een lid, luidende :
"Het Marktenhof, bedoeld in paragraaf 1, vierde lid, omvat ten minste zes raadsheren, onder wie ten hoogste zes raadsheren worden benoemd met toepassing van artikel 207, § 3, 4°. Bij de benoeming wordt er rekening gehouden met het taalevenwicht.".
1° paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende :
"In het hof van beroep te Brussel zijn er tevens kamers voor marktzaken, wier bevoegdheid wordt bepaald bij de wet. Die kamers vormen een sectie, Marktenhof genoemd."
2° paragraaf 2 wordt aangevuld met een lid, luidende :
"Het Marktenhof, bedoeld in paragraaf 1, vierde lid, omvat ten minste zes raadsheren, onder wie ten hoogste zes raadsheren worden benoemd met toepassing van artikel 207, § 3, 4°. Bij de benoeming wordt er rekening gehouden met het taalevenwicht.".
Art. 59. A l'article 101 du même Code, remplacé par la loi du 30 juillet 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 1er est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"A la cour d'appel de Bruxelles il y a également des chambres qui traitent les affaires des marchés, dont la compétence est déterminée par la loi. Ces chambres constituent une section, appelée Cour des marchés.";
2° le paragraphe 2 est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"La Cour des marchés visée au paragraphe 1er, alinéa 4, est composée d'au moins six conseillers, parmi lesquels six au plus sont nommés en application de l'article 207, § 3, 4°. Lors de la nomination, il est tenu compte de l'équilibre linguistique.".
1° le paragraphe 1er est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"A la cour d'appel de Bruxelles il y a également des chambres qui traitent les affaires des marchés, dont la compétence est déterminée par la loi. Ces chambres constituent une section, appelée Cour des marchés.";
2° le paragraphe 2 est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"La Cour des marchés visée au paragraphe 1er, alinéa 4, est composée d'au moins six conseillers, parmi lesquels six au plus sont nommés en application de l'article 207, § 3, 4°. Lors de la nomination, il est tenu compte de l'équilibre linguistique.".
Art. 60. Artikel 109bis, § 2, van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 19 oktober 2015, wordt hersteld als volgt :
" § 2. Het Marktenhof neemt steeds zitting met drie raadsheren.".
" § 2. Het Marktenhof neemt steeds zitting met drie raadsheren.".
Art. 60. L'article 109bis, § 2, du même Code, abrogé par la loi du 19 octobre 2015, est rétabli dans la rédaction suivante :
" § 2. La Cour des marchés siège toujours au nombre de trois conseillers.".
" § 2. La Cour des marchés siège toujours au nombre de trois conseillers.".
Art. 61. Artikel 157, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 25 april 2007, wordt aangevuld met de volgende zinnen :
"De Koning kan, op voorstel of na advies van de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank, eenzelfde griffie aan meerdere vredegerechten van eenzelfde arrondissement verbinden en bepalen waar deze griffie haar zetel houdt. Voor de vredegerechten en de politierechtbanken van het gerechtelijk arrondissement Brussel komt de bevoegdheid van de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank toe aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg. De voorzitter van de bevoegde rechtbank van eerste aanleg wordt bepaald overeenkomstig artikel 72bis, tweede tot vierde lid.".
"De Koning kan, op voorstel of na advies van de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank, eenzelfde griffie aan meerdere vredegerechten van eenzelfde arrondissement verbinden en bepalen waar deze griffie haar zetel houdt. Voor de vredegerechten en de politierechtbanken van het gerechtelijk arrondissement Brussel komt de bevoegdheid van de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank toe aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg. De voorzitter van de bevoegde rechtbank van eerste aanleg wordt bepaald overeenkomstig artikel 72bis, tweede tot vierde lid.".
Art. 61. L'article 157, alinéa 1er, du même Code, remplacé par la loi du 25 avril 2007, est complété par les phrases suivantes :
"Le Roi peut, sur proposition ou après avis du président des juges de paix et des juges au tribunal de police, attacher un même greffe à plusieurs justices de paix au sein d'un même arrondissement et déterminer où ce greffe a son siège. Pour les justices de paix et les tribunaux de police de l'arrondissement judiciaire de Bruxelles, la compétence du président des juges de paix et des juges au tribunal de police appartient au président du tribunal de première instance. Le président du tribunal de première instance compétent est déterminé conformément à l'article 72bis, alinéas 2 à 4.".
"Le Roi peut, sur proposition ou après avis du président des juges de paix et des juges au tribunal de police, attacher un même greffe à plusieurs justices de paix au sein d'un même arrondissement et déterminer où ce greffe a son siège. Pour les justices de paix et les tribunaux de police de l'arrondissement judiciaire de Bruxelles, la compétence du président des juges de paix et des juges au tribunal de police appartient au président du tribunal de première instance. Le président du tribunal de première instance compétent est déterminé conformément à l'article 72bis, alinéas 2 à 4.".
Art. 62. In artikel 159 van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 25 april 2007 en gewijzigd bij de wet van 1 december 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het derde lid, derde zin, worden de woorden "een kanton" vervangen door de woorden "een of meerdere griffies van aan elkaar grenzende kantons van eenzelfde arrondissement";
2° het derde lid wordt aangevuld met de volgende zin :
"Op het ogenblik dat de Koning bij toepassing van artikel 157, eerste lid, tweede zin, eenzelfde griffie verbindt aan meerdere vredegerechten van eenzelfde arrondissement worden de personeelsleden van niveau C en D die vast benoemd zijn in de betrokken kantons of griffies ambtshalve herbenoemd in deze nieuwe griffie, zonder toepassing van artikel 287sexies en zonder nieuwe eedaflegging.";
3° in het vijfde lid, tweede zin, worden de woorden "een ander kanton" vervangen door de woorden "een griffie";
4° het vijfde lid wordt aangevuld met de volgende zinnen :
"Voor de vredegerechten en de politierechtbanken van het gerechtelijk arrondissement Brussel komt deze bevoegdheid toe aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg. De voorzitter van de bevoegde rechtbank van eerste aanleg wordt bepaald overeenkomstig artikel 186bis, tweede tot zevende lid.".
1° in het derde lid, derde zin, worden de woorden "een kanton" vervangen door de woorden "een of meerdere griffies van aan elkaar grenzende kantons van eenzelfde arrondissement";
2° het derde lid wordt aangevuld met de volgende zin :
"Op het ogenblik dat de Koning bij toepassing van artikel 157, eerste lid, tweede zin, eenzelfde griffie verbindt aan meerdere vredegerechten van eenzelfde arrondissement worden de personeelsleden van niveau C en D die vast benoemd zijn in de betrokken kantons of griffies ambtshalve herbenoemd in deze nieuwe griffie, zonder toepassing van artikel 287sexies en zonder nieuwe eedaflegging.";
3° in het vijfde lid, tweede zin, worden de woorden "een ander kanton" vervangen door de woorden "een griffie";
4° het vijfde lid wordt aangevuld met de volgende zinnen :
"Voor de vredegerechten en de politierechtbanken van het gerechtelijk arrondissement Brussel komt deze bevoegdheid toe aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg. De voorzitter van de bevoegde rechtbank van eerste aanleg wordt bepaald overeenkomstig artikel 186bis, tweede tot zevende lid.".
Art. 62. A l'article 159 du même Code, rétabli par la loi du 25 avril 2007 et modifié par la loi du 1er décembre 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 3, troisième phrase, les mots "un canton" sont remplacés par les mots "un ou plusieurs greffes des cantons limitrophes d'un même arrondissement";
2° l'alinéa 3 est complété par la phrase suivante :
Dès lors que le Roi, en application de l'article 157, alinéa 1er, deuxième phrase, attache un même greffe à plusieurs justices de paix au sein d'un même arrondissement, les membres du personnel de niveau C et D qui sont nommés dans les cantons ou greffes concernés sont renommés d'office dans ce nouveau greffe, sans application de l'article 287sexies et sans nouvelle prestation de serment.";
3° dans l'alinéa 5, deuxième phrase, les mots "un autre canton" sont remplacés par les mots "un greffe";
4° l'alinéa 5 est complété par les phrases suivantes :
"Pour les justices de paix et les tribunaux de police de l'arrondissement judiciaire de Bruxelles, cette compétence appartient au président du tribunal de première instance. Le président du tribunal de première instance compétent est déterminé conformément à l'article 186bis, alinéas 2 à 7.".
1° dans l'alinéa 3, troisième phrase, les mots "un canton" sont remplacés par les mots "un ou plusieurs greffes des cantons limitrophes d'un même arrondissement";
2° l'alinéa 3 est complété par la phrase suivante :
Dès lors que le Roi, en application de l'article 157, alinéa 1er, deuxième phrase, attache un même greffe à plusieurs justices de paix au sein d'un même arrondissement, les membres du personnel de niveau C et D qui sont nommés dans les cantons ou greffes concernés sont renommés d'office dans ce nouveau greffe, sans application de l'article 287sexies et sans nouvelle prestation de serment.";
3° dans l'alinéa 5, deuxième phrase, les mots "un autre canton" sont remplacés par les mots "un greffe";
4° l'alinéa 5 est complété par les phrases suivantes :
"Pour les justices de paix et les tribunaux de police de l'arrondissement judiciaire de Bruxelles, cette compétence appartient au président du tribunal de première instance. Le président du tribunal de première instance compétent est déterminé conformément à l'article 186bis, alinéas 2 à 7.".
Art. 63. In artikel 186 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 4 mei 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 1, negende lid, wordt aangevuld met de volgende zinnen :
"Hij kan, op voorstel of na advies van de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank, eenzelfde griffie aan meerdere zetels van eenzelfde kanton verbinden en bepalen waar deze griffie haar zetel houdt. Voor de vredegerechten en de politierechtbanken van het gerechtelijk arrondissement Brussel komt de bevoegdheid van de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank toe aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg. De voorzitter van de bevoegde rechtbank van eerste aanleg wordt bepaald overeenkomstig artikel 72bis, tweede tot vierde lid.";
2° in paragraaf 2, eerste lid, wordt de eerste zin vervangen door de volgende zin :
"De neerlegging van stukken ter griffie met het oog op de aanhangigmaking en behandeling van zaken die, overeenkomstig paragraaf 1, ingevolge een zaakverdelingsreglement zijn toegewezen aan een afdeling, kan gebeuren in elke afdeling van de bevoegde rechtbank.".
1° paragraaf 1, negende lid, wordt aangevuld met de volgende zinnen :
"Hij kan, op voorstel of na advies van de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank, eenzelfde griffie aan meerdere zetels van eenzelfde kanton verbinden en bepalen waar deze griffie haar zetel houdt. Voor de vredegerechten en de politierechtbanken van het gerechtelijk arrondissement Brussel komt de bevoegdheid van de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank toe aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg. De voorzitter van de bevoegde rechtbank van eerste aanleg wordt bepaald overeenkomstig artikel 72bis, tweede tot vierde lid.";
2° in paragraaf 2, eerste lid, wordt de eerste zin vervangen door de volgende zin :
"De neerlegging van stukken ter griffie met het oog op de aanhangigmaking en behandeling van zaken die, overeenkomstig paragraaf 1, ingevolge een zaakverdelingsreglement zijn toegewezen aan een afdeling, kan gebeuren in elke afdeling van de bevoegde rechtbank.".
Art. 63. A l'article 186 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 4 mai 2016, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 1er, alinéa 9, est complété par les phrases suivantes :
"Il peut, sur proposition ou après avis du président des juges de paix et des juges au tribunal de police, attacher un même greffe à plusieurs sièges au sein d'un même canton et déterminer où ce greffe a son siège. Pour les justices de paix et les tribunaux de police de l'arrondissement judiciaire de Bruxelles, la compétence du président des juges de paix et des juges au tribunal de police appartient au président du tribunal de première instance. Le président du tribunal de première instance compétent est déterminé conformément à l'article 72bis, alinéas 2 à 4.";
2° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, la première phrase est remplacée par la phrase suivante :
"Le dépôt de pièces au greffe en vue de la saisine et du traitement des affaires qui sont attribuées, conformément au paragraphe 1er, à une division en vertu d'un règlement de répartition des affaires, peut avoir lieu dans chaque division du tribunal compétent.".
1° le paragraphe 1er, alinéa 9, est complété par les phrases suivantes :
"Il peut, sur proposition ou après avis du président des juges de paix et des juges au tribunal de police, attacher un même greffe à plusieurs sièges au sein d'un même canton et déterminer où ce greffe a son siège. Pour les justices de paix et les tribunaux de police de l'arrondissement judiciaire de Bruxelles, la compétence du président des juges de paix et des juges au tribunal de police appartient au président du tribunal de première instance. Le président du tribunal de première instance compétent est déterminé conformément à l'article 72bis, alinéas 2 à 4.";
2° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, la première phrase est remplacée par la phrase suivante :
"Le dépôt de pièces au greffe en vue de la saisine et du traitement des affaires qui sont attribuées, conformément au paragraphe 1er, à une division en vertu d'un règlement de répartition des affaires, peut avoir lieu dans chaque division du tribunal compétent.".
Art. 64. Artikel 207, § 3, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 22 december 1998 en gewijzigd bij de wet van 3 mei 2003, wordt aangevuld met de bepaling onder 4 luidende :
"4° hetzij, wat betreft de raadsheren in het hof van beroep te Brussel die bij voorrang zitting nemen in het Marktenhof, beschikken over ten minste vijftien jaar nuttige beroepservaring die blijk geeft van gespecialiseerde kennis van het economisch, financieel of marktrecht.".
"4° hetzij, wat betreft de raadsheren in het hof van beroep te Brussel die bij voorrang zitting nemen in het Marktenhof, beschikken over ten minste vijftien jaar nuttige beroepservaring die blijk geeft van gespecialiseerde kennis van het economisch, financieel of marktrecht.".
Art. 64. L'article 207, § 3, du même Code, remplacé par la loi du 22 décembre 1998 et modifié par la loi du 3 mai 2003, est complété par le 4° rédigé comme suit :
"4° soit, concernant les conseillers à la cour d'appel de Bruxelles qui siègent prioritairement à la Cour des marchés, posséder quinze années au moins d'expérience professionnelle utile attestant d'une connaissance spécialisée du droit économique, financier ou des marchés.".
"4° soit, concernant les conseillers à la cour d'appel de Bruxelles qui siègent prioritairement à la Cour des marchés, posséder quinze années au moins d'expérience professionnelle utile attestant d'une connaissance spécialisée du droit économique, financier ou des marchés.".
Art. 65. In hetzelfde Wetboek wordt in de plaats van artikel 330quinquies, vernietigd bij arrest nr. 138/2015 van het Grondwettelijk Hof, het als volgt luidende artikel 330quinquies ingevoegd :
"Art. 330quinquies. Een magistraat die opgedragen wordt zijn ambt uit te oefenen in een andere afdeling of gerechtelijke entiteit en die daarmee niet hoeft in te stemmen, kan tegen die opdracht administratief beroep aantekenen, naargelang van het geval bij het College van de hoven en de rechtbanken of bij het College van het openbaar ministerie.
Het beroep heeft geen schorsende kracht.
Het betrokken College beslist binnen een maand bij meerderheid, nadat het de verzoeker heeft gehoord. Het kan de beslissing bevestigen of ongedaan maken. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter van het College doorslaggevend.
Tegen de beslissing van het College kan een beroep tot nietigverklaring worden ingesteld bij de Raad van State met toepassing van artikel 14, § 1, 2°, van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State. In voorkomend geval wordt het beroep bij de tuchtrechtbank, bedoeld in de artikelen 413, § 5, en 418, § 4, niet toegelaten.".
"Art. 330quinquies. Een magistraat die opgedragen wordt zijn ambt uit te oefenen in een andere afdeling of gerechtelijke entiteit en die daarmee niet hoeft in te stemmen, kan tegen die opdracht administratief beroep aantekenen, naargelang van het geval bij het College van de hoven en de rechtbanken of bij het College van het openbaar ministerie.
Het beroep heeft geen schorsende kracht.
Het betrokken College beslist binnen een maand bij meerderheid, nadat het de verzoeker heeft gehoord. Het kan de beslissing bevestigen of ongedaan maken. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter van het College doorslaggevend.
Tegen de beslissing van het College kan een beroep tot nietigverklaring worden ingesteld bij de Raad van State met toepassing van artikel 14, § 1, 2°, van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State. In voorkomend geval wordt het beroep bij de tuchtrechtbank, bedoeld in de artikelen 413, § 5, en 418, § 4, niet toegelaten.".
Art. 65. Dans le même Code, à la place de l'article 330quinquies annulé par l'arrêt n° 138/2015 de la Cour constitutionnelle, il est inséré un article 330quinquies rédigé comme suit :
"Art. 330quinquies. Lorsqu'un magistrat est chargé d'exercer ses fonctions dans une autre division ou une autre entité judiciaire, sans que son consentement soit requis, il peut introduire un recours administratif auprès, selon le cas, du Collège des cours et tribunaux ou du Collège du ministère public.
Le recours n'est pas suspensif.
Le Collège concerné décide dans le mois à la majorité, après que le requérant ait été entendu. Il peut confirmer ou annuler la décision. En cas de parité des voix, la voix du président du Collège est prépondérante.
Un recours en annulation peut être introduit contre la décision du Collège devant le Conseil d'Etat en application de l'article 14, § 1er, 2°, des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973. Le cas échéant, le recours intenté devant le tribunal disciplinaire visé aux articles 413, § 5, et 418, § 4, n'est pas admis.".
"Art. 330quinquies. Lorsqu'un magistrat est chargé d'exercer ses fonctions dans une autre division ou une autre entité judiciaire, sans que son consentement soit requis, il peut introduire un recours administratif auprès, selon le cas, du Collège des cours et tribunaux ou du Collège du ministère public.
Le recours n'est pas suspensif.
Le Collège concerné décide dans le mois à la majorité, après que le requérant ait été entendu. Il peut confirmer ou annuler la décision. En cas de parité des voix, la voix du président du Collège est prépondérante.
Un recours en annulation peut être introduit contre la décision du Collège devant le Conseil d'Etat en application de l'article 14, § 1er, 2°, des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973. Le cas échéant, le recours intenté devant le tribunal disciplinaire visé aux articles 413, § 5, et 418, § 4, n'est pas admis.".
Art. 66. Artikel 355ter, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 mei 2006, wordt aangevuld met de volgende zin :
"Alle periodes gedurende dewelke het ambt van assessor in de strafuitvoeringsrechtbank werd uitgeoefend worden in aanmerking genomen voor de berekening van de geldelijke anciënniteit.".
"Alle periodes gedurende dewelke het ambt van assessor in de strafuitvoeringsrechtbank werd uitgeoefend worden in aanmerking genomen voor de berekening van de geldelijke anciënniteit.".
Art. 66. L'article 355ter, alinéa 2, du même Code, inséré par la loi du 17 mai 2006, est complété par la phrase suivante :
"Toutes les périodes durant lesquelles la fonction d'assesseur au tribunal de l'application des peines a été exercée entrent en compte pour le calcul de l'ancienneté pécuniaire.".
"Toutes les périodes durant lesquelles la fonction d'assesseur au tribunal de l'application des peines a été exercée entrent en compte pour le calcul de l'ancienneté pécuniaire.".
Art. 67. Artikel 413, § 5, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 15 juli 2013, wordt aangevuld met de volgende zin :
"Dit beroep wordt alleen toegelaten indien de betrokken magistraten vooraf het administratief beroep bedoeld in artikel 330quinquies hebben ingesteld en daarover uitspraak is gedaan."
"Dit beroep wordt alleen toegelaten indien de betrokken magistraten vooraf het administratief beroep bedoeld in artikel 330quinquies hebben ingesteld en daarover uitspraak is gedaan."
Art. 67. L'article 413, § 5, du même Code, inséré par la loi du 15 juillet 2013, est complété par la phrase suivante :
"Ces recours ne sont admis que si les magistrats concernés ont introduit préalablement le recours administratif visé à l'article 330quinquies et qu'il a été statué sur celui-ci.".
"Ces recours ne sont admis que si les magistrats concernés ont introduit préalablement le recours administratif visé à l'article 330quinquies et qu'il a été statué sur celui-ci.".
Art. 68. Artikel 418, § 4, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 15 juli 2013, wordt aangevuld met de volgende zin :
"Dit beroep wordt alleen toegelaten indien de betrokken magistraat vooraf het administratief beroep bedoeld bij artikel 330quinquies heeft ingesteld en daarover uitspraak is gedaan. Het instellen van het administratief beroep stuit de termijn bedoeld in de eerste zin.".
"Dit beroep wordt alleen toegelaten indien de betrokken magistraat vooraf het administratief beroep bedoeld bij artikel 330quinquies heeft ingesteld en daarover uitspraak is gedaan. Het instellen van het administratief beroep stuit de termijn bedoeld in de eerste zin.".
Art. 68. L'article 418, § 4, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 15 juillet 2013, est complété par la phrase suivante :
"Ce recours n'est admis que si le magistrat concerné a introduit préalablement le recours administratif visé à l'article 330quinquies et qu'il a été statué sur celui-ci. L'introduction du recours administratif interrompt le délai visé à la première phrase.".
"Ce recours n'est admis que si le magistrat concerné a introduit préalablement le recours administratif visé à l'article 330quinquies et qu'il a été statué sur celui-ci. L'introduction du recours administratif interrompt le délai visé à la première phrase.".
Art. 69. In artikel 446quater, § 5, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 21 december 2013, worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° vóór het enig lid wordt een lid ingevoegd, luidende :
"De Koning kan nadere regels vaststellen met betrekking tot het beheer, de toegang, de controle en het toezicht op de in § 2 bedoelde rekeningen.";
2° in het enig lid, dat het tweede lid wordt, wordt de eerste zin aangevuld met de woorden :
", met uitzondering van de rekeningen die beheerd worden in het kader van een gerechtelijk mandaat.".
1° vóór het enig lid wordt een lid ingevoegd, luidende :
"De Koning kan nadere regels vaststellen met betrekking tot het beheer, de toegang, de controle en het toezicht op de in § 2 bedoelde rekeningen.";
2° in het enig lid, dat het tweede lid wordt, wordt de eerste zin aangevuld met de woorden :
", met uitzondering van de rekeningen die beheerd worden in het kader van een gerechtelijk mandaat.".
Art. 69. A l'article 446quater, § 5, du même Code, inséré par la loi du 21 décembre 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° un alinéa rédigé comme suit est inséré avant l'alinéa unique :
"Le Roi peut fixer les modalités relatives à la gestion, à l'accès, au contrôle et à la surveillance des comptes visés au § 2.";
2° dans l'alinéa unique, qui devient l'alinéa 2, la première phrase est complétée par les mots :
", à l'exception des comptes gérés dans le cadre d'un mandat judiciaire.".
1° un alinéa rédigé comme suit est inséré avant l'alinéa unique :
"Le Roi peut fixer les modalités relatives à la gestion, à l'accès, au contrôle et à la surveillance des comptes visés au § 2.";
2° dans l'alinéa unique, qui devient l'alinéa 2, la première phrase est complétée par les mots :
", à l'exception des comptes gérés dans le cadre d'un mandat judiciaire.".
Art. 70. In artikel 522/1, § 5, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 7 januari 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° vóór het enig lid wordt een lid ingevoegd, luidende :
"De Koning kan nadere regels vaststellen met betrekking tot het beheer, de toegang, de controle en het toezicht op de in § 2 bedoelde rekeningen.";
2° in het enig lid, dat het tweede lid wordt, wordt de eerste zin aangevuld met de woorden :
", met uitzondering van de rekeningen die beheerd worden in het kader van een gerechtelijk mandaat.".
1° vóór het enig lid wordt een lid ingevoegd, luidende :
"De Koning kan nadere regels vaststellen met betrekking tot het beheer, de toegang, de controle en het toezicht op de in § 2 bedoelde rekeningen.";
2° in het enig lid, dat het tweede lid wordt, wordt de eerste zin aangevuld met de woorden :
", met uitzondering van de rekeningen die beheerd worden in het kader van een gerechtelijk mandaat.".
Art. 70. A l'article 522/1, § 5, du même Code, remplacé par la loi du 7 janvier 2014, les modifications suivantes sont apportées :
1° un alinéa rédigé comme suit est inséré avant l'alinéa unique :
"Le Roi peut fixer les modalités relatives à la gestion, à l'accès, au contrôle et à la surveillance des comptes visés au § 2.";
2° dans l'alinéa unique, qui devient l'alinéa 2, la première phrase est complétée par les mots :
", à l'exception des comptes gérés dans le cadre d'un mandat judiciaire.".
1° un alinéa rédigé comme suit est inséré avant l'alinéa unique :
"Le Roi peut fixer les modalités relatives à la gestion, à l'accès, au contrôle et à la surveillance des comptes visés au § 2.";
2° dans l'alinéa unique, qui devient l'alinéa 2, la première phrase est complétée par les mots :
", à l'exception des comptes gérés dans le cadre d'un mandat judiciaire.".
Art. 71. In artikel 585, 1°, van hetzelfde Wetboek wordt het woord "scheidsrechters," opgeheven.
Art. 71. Dans l'article 585, 1°, du même Code, les mots "d'arbitres," sont abrogés.
Art. 72. Het artikel 586 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 16 juli 2004, wordt opgeheven.
Art. 72. L'article 586 du même Code, modifié par la loi du 16 juillet 2004, est abrogé.
Art. 73. In artikel 588, 1°, van hetzelfde Wetboek wordt het woord "scheidsrechters," opgeheven.
Art. 73. Dans l'article 588, 1°, du même Code, les mots "d'arbitres," sont abrogés.
Art. 74. In artikel 594, 1°, van hetzelfde Wetboek worden de woorden "of scheidsrechters" opgeheven.
Art. 74. Dans l'article 594, 1°, du même Code, les mots "ou d'arbitres" sont abrogés.
Art. 75. In artikel 605quater van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 27 juli 2005 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 december 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) de bepaling onder 6 wordt vervangen als volgt :
"6° de artikelen 221/1 en 221/3 van de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex;";
b) de bepaling onder 7 wordt opgeheven.
a) de bepaling onder 6 wordt vervangen als volgt :
"6° de artikelen 221/1 en 221/3 van de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex;";
b) de bepaling onder 7 wordt opgeheven.
Art. 75. Dans l'article 605quater du même Code, inséré par la loi du 27 juillet 2005 et modifié en dernier lieu par la loi du 21 décembre 2013, les modifications suivantes sont apportées :
a) le 6° est remplacé par ce qui suit :
"6° les articles 221/1 et 221/3 de la loi du 30 août 2013 portant le Code ferroviaire;";
b) le 7° est abrogé.
a) le 6° est remplacé par ce qui suit :
"6° les articles 221/1 et 221/3 de la loi du 30 août 2013 portant le Code ferroviaire;";
b) le 7° est abrogé.
Art. 76. In artikel 606 van hetzelfde Wetboek wordt de bepaling onder 1° opgeheven.
Art. 76. Dans l'article 606 du même Code, le 1° est abrogé.
Art. 77. In artikel 633bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 2 augustus 2002, worden de woorden "hof van beroep te Brussel" vervangen door het woord "Marktenhof".
Art. 77. Dans l'article 633bis du même Code, inséré par la loi du 2 août 2002, les mots "cour d'appel de Bruxelles" sont remplacés par les mots "Cour des marchés".
Art. 78. In artikel 711, eerste lid, van hetzelfde Wetboek worden de woorden "de griffie van ieder gerecht" vervangen door de woorden "ieder griffie".
Art. 78. Dans l'article 711, alinéa 1er, du même Code, les mots "au greffe de chaque juridiction" sont remplacés par les mots "au sein de chaque greffe".
Art. 79. Artikel 828 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 17 maart 2013, wordt aangevuld een bepaling onder 13°, luidende :
"13° wegens tegenstrijdigheid van belangen.".
"13° wegens tegenstrijdigheid van belangen.".
Art. 79. L'article 828 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 17 mars 2013, est complété par un 13° rédigé comme suit :
"13° pour un conflit d'intérêts.".
"13° pour un conflit d'intérêts.".
Art. 80. In artikel 972, § 1, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 mei 2007 en gewijzigd bij de wet van 30 december 2009, wordt tussen het derde en het vierde lid een lid ingevoegd, luidende :
"Onverminderd de toepassing van artikel 967 en van het derde lid, deelt de deskundige binnen dezelfde termijn van acht dagen in elk geval de feiten en omstandigheden mee op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan zijn onafhankelijkheid of onpartijdigheid. Het derde lid, met uitzondering van de eerste zin, is van overeenkomstige toepassing. Indien de rechter het aangewezen acht, wijst hij een nieuwe deskundige aan.".
"Onverminderd de toepassing van artikel 967 en van het derde lid, deelt de deskundige binnen dezelfde termijn van acht dagen in elk geval de feiten en omstandigheden mee op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan zijn onafhankelijkheid of onpartijdigheid. Het derde lid, met uitzondering van de eerste zin, is van overeenkomstige toepassing. Indien de rechter het aangewezen acht, wijst hij een nieuwe deskundige aan.".
Art. 80. A l'article 972, § 1er, du même Code, remplacé par la loi du 15 mai 2007 et modifié par la loi du 30 décembre 2009, un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 3 et 4 :
"Sans préjudice de l'application de l'article 967 et de l'alinéa 3, l'expert communique en tous cas dans le même délai de huit jours les faits et les circonstances qui pourraient être de nature à mettre en cause son indépendance et impartialité. L'alinéa 3, à l'exception de la première phrase, s'applique par analogie. Si le juge l'estime indiqué, il désigne un autre expert.".
"Sans préjudice de l'application de l'article 967 et de l'alinéa 3, l'expert communique en tous cas dans le même délai de huit jours les faits et les circonstances qui pourraient être de nature à mettre en cause son indépendance et impartialité. L'alinéa 3, à l'exception de la première phrase, s'applique par analogie. Si le juge l'estime indiqué, il désigne un autre expert.".
Art. 81. Artikel 1017, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 24 juni 1970, wordt aangevuld met de volgende zin :
"Niettemin worden nutteloze kosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022, zelfs ambtshalve ten laste gelegd van de partij die ze foutief heeft veroorzaakt.".
"Niettemin worden nutteloze kosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022, zelfs ambtshalve ten laste gelegd van de partij die ze foutief heeft veroorzaakt.".
Art. 81. L'article 1017, alinéa 1er, du même Code, remplacé par la loi du 24 juin 1970, est complété par la phrase suivante :
"Toutefois, les frais inutiles, y compris l'indemnité de procédure visée à l'article 1022, sont mis à charge, même d'office, de la partie qui les a causés fautivement.".
"Toutefois, les frais inutiles, y compris l'indemnité de procédure visée à l'article 1022, sont mis à charge, même d'office, de la partie qui les a causés fautivement.".
Art. 82. Artikel 1380 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 27 december 2012, wordt aangevuld met twee leden, luidende :
"Om de richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties toe te passen, deelt het openbaar ministerie ambtshalve een afschrift van de strafrechtelijke veroordeling mee aan de tuchtoverheid of administratieve overheid waartoe de veroordeelde behoort die een in de zin van de richtlijn gereglementeerd beroep uitoefent. Die mededeling heeft plaats zodra de veroordeling in kracht van gewijsde is gegaan.
Het openbaar ministerie beoordeelt in dezelfde zin of het noodzakelijk is om de bevoegde tuchtoverheid of administratieve overheid informatie mee te delen over een lopend onderzoek of een lopende vervolging ten aanzien van een persoon die een in de zin van de richtlijn gereglementeerd beroep uitoefent. Indien de zaak aanhangig is gemaakt bij een onderzoeksrechter, deelt het openbaar ministerie slechts informatie mee aan de tuchtoverheid of administratieve overheid na het advies van de onderzoeksrechter te hebben ingewonnen.".
"Om de richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties toe te passen, deelt het openbaar ministerie ambtshalve een afschrift van de strafrechtelijke veroordeling mee aan de tuchtoverheid of administratieve overheid waartoe de veroordeelde behoort die een in de zin van de richtlijn gereglementeerd beroep uitoefent. Die mededeling heeft plaats zodra de veroordeling in kracht van gewijsde is gegaan.
Het openbaar ministerie beoordeelt in dezelfde zin of het noodzakelijk is om de bevoegde tuchtoverheid of administratieve overheid informatie mee te delen over een lopend onderzoek of een lopende vervolging ten aanzien van een persoon die een in de zin van de richtlijn gereglementeerd beroep uitoefent. Indien de zaak aanhangig is gemaakt bij een onderzoeksrechter, deelt het openbaar ministerie slechts informatie mee aan de tuchtoverheid of administratieve overheid na het advies van de onderzoeksrechter te hebben ingewonnen.".
Art. 82. L'article 1380 du même Code, modifié par la loi du 27 décembre 2012, est complété par deux alinéas rédigés comme suit :
"En vue de l'application de la directive 2005/36/ CE du Parlement européen et du Conseil du 7 septembre 2005 relative à la reconnaissance des qualifications professionnelles, le ministère public communique d'office une copie de la condamnation pénale à l'autorité disciplinaire ou administrative dont relève la personne condamnée qui exerce une profession réglementée au sens de la directive. Cette communication a lieu dès que la condamnation est coulée en force de chose jugée.
Le ministère public apprécie, dans le même sens, la nécessité de communiquer à l'autorité disciplinaire ou administrative compétente des informations relatives à une enquête ou à des poursuites en cours à l'encontre d'une personne qui exerce une profession réglementée au sens de la directive. Si un juge d'instruction est saisi de l'affaire, le ministère public ne communique des informations à l'autorité disciplinaire ou administrative qu'après avoir recueilli l'avis du juge d'instruction.".
"En vue de l'application de la directive 2005/36/ CE du Parlement européen et du Conseil du 7 septembre 2005 relative à la reconnaissance des qualifications professionnelles, le ministère public communique d'office une copie de la condamnation pénale à l'autorité disciplinaire ou administrative dont relève la personne condamnée qui exerce une profession réglementée au sens de la directive. Cette communication a lieu dès que la condamnation est coulée en force de chose jugée.
Le ministère public apprécie, dans le même sens, la nécessité de communiquer à l'autorité disciplinaire ou administrative compétente des informations relatives à une enquête ou à des poursuites en cours à l'encontre d'une personne qui exerce une profession réglementée au sens de la directive. Si un juge d'instruction est saisi de l'affaire, le ministère public ne communique des informations à l'autorité disciplinaire ou administrative qu'après avoir recueilli l'avis du juge d'instruction.".
Art. 83. In het vijfde deel, titel IV, van hetzelfde Wetboek wordt een hoofdstuk III ingevoegd, luidende "Het centraal register collectieve schuldenregelingen".
Art. 83. Dans la cinquième partie, titre IV, du même Code, il est inséré un chapitre III intitulé "Du registre central des règlements collectifs de dettes".
Art. 84. In hoofdstuk III, ingevoegd bij artikel 83, wordt een artikel 1675/20 ingevoegd, luidende :
"Art. 1675/20. Het centraal register collectieve schuldenregelingen, hierna "register" genoemd, is de geïnformatiseerde gegevensbank voor het beheer, de opvolging en de behandeling van de procedures van collectieve schuldenregeling.
Het register verzamelt alle stukken en gegevens betreffende een procedure van collectieve schuldenregeling, overeenkomstig de artikelen 1675/2 tot 1675/19.
Het register geldt als authentieke bron voor alle akten en gegevens die erin zijn opgenomen.".
"Art. 1675/20. Het centraal register collectieve schuldenregelingen, hierna "register" genoemd, is de geïnformatiseerde gegevensbank voor het beheer, de opvolging en de behandeling van de procedures van collectieve schuldenregeling.
Het register verzamelt alle stukken en gegevens betreffende een procedure van collectieve schuldenregeling, overeenkomstig de artikelen 1675/2 tot 1675/19.
Het register geldt als authentieke bron voor alle akten en gegevens die erin zijn opgenomen.".
Art. 84. Dans le chapitre III inséré par l'article 83, il est inséré un article 1675/20 rédigé comme suit :
"Art. 1675/20. Le registre central des règlements collectifs de dettes, ci-après dénommé "registre", est la banque de données informatisée qui permet la gestion, le suivi et le traitement des procédures de règlement collectif de dettes.
Le registre rassemble toutes les pièces et toutes les données relatives à une procédure de règlement collectif de dettes, conformément aux articles 1675/2 à 1675/19.
Le registre vaut comme source authentique pour tous les actes et données qui y sont enregistrés.".
"Art. 1675/20. Le registre central des règlements collectifs de dettes, ci-après dénommé "registre", est la banque de données informatisée qui permet la gestion, le suivi et le traitement des procédures de règlement collectif de dettes.
Le registre rassemble toutes les pièces et toutes les données relatives à une procédure de règlement collectif de dettes, conformément aux articles 1675/2 à 1675/19.
Le registre vaut comme source authentique pour tous les actes et données qui y sont enregistrés.".
Art. 85. In hetzelfde hoofdstuk III wordt een artikel 1675/21 ingevoegd, luidende :
"Art. 1675/21. § 1. De Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des barreaux francophones et germanophone, bedoeld in artikel 488, eerste en tweede lid, hierna "de beheerder" genoemd, staan gezamenlijk in voor de inrichting en het beheer van het register.
§ 2. De beheerder wordt met betrekking tot het in artikel 1675/20 bedoelde bestand beschouwd als de verantwoordelijke voor de verwerking in de zin van artikel 1, § 4, van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.
§ 3. De beheerder stelt een aangestelde voor de gegevensbescherming aan.
Deze is meer bepaald belast met :
1° het verstrekken van deskundige adviezen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de beveiliging van persoonsgegevens en informatie en inzake hun verwerking;
2° het informeren en adviseren van de beheerder die de persoonsgegevens behandelt over zijn verplichtingen krachtens deze wet en het algemeen kader van de bescherming van de gegevens en de persoonlijke levenssfeer.
3° het opstellen, het toepassen, het bijwerken en het controleren van een beleid inzake de beveiliging en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer;
4° het functioneren als contactpunt voor de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer;
5° de uitvoering van de andere opdrachten inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de beveiliging die door de Koning worden bepaald, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
Bij het uitoefenen van zijn opdrachten handelt de aangestelde voor de gegevensbescherming volledig onafhankelijk en brengt rechtstreeks verslag uit aan de beheerder.
De Koning bepaalt, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de nadere regels volgens dewelke de aangestelde voor de gegevensbescherming zijn opdrachten uitvoert."
"Art. 1675/21. § 1. De Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des barreaux francophones et germanophone, bedoeld in artikel 488, eerste en tweede lid, hierna "de beheerder" genoemd, staan gezamenlijk in voor de inrichting en het beheer van het register.
§ 2. De beheerder wordt met betrekking tot het in artikel 1675/20 bedoelde bestand beschouwd als de verantwoordelijke voor de verwerking in de zin van artikel 1, § 4, van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.
§ 3. De beheerder stelt een aangestelde voor de gegevensbescherming aan.
Deze is meer bepaald belast met :
1° het verstrekken van deskundige adviezen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de beveiliging van persoonsgegevens en informatie en inzake hun verwerking;
2° het informeren en adviseren van de beheerder die de persoonsgegevens behandelt over zijn verplichtingen krachtens deze wet en het algemeen kader van de bescherming van de gegevens en de persoonlijke levenssfeer.
3° het opstellen, het toepassen, het bijwerken en het controleren van een beleid inzake de beveiliging en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer;
4° het functioneren als contactpunt voor de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer;
5° de uitvoering van de andere opdrachten inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de beveiliging die door de Koning worden bepaald, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
Bij het uitoefenen van zijn opdrachten handelt de aangestelde voor de gegevensbescherming volledig onafhankelijk en brengt rechtstreeks verslag uit aan de beheerder.
De Koning bepaalt, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de nadere regels volgens dewelke de aangestelde voor de gegevensbescherming zijn opdrachten uitvoert."
Art. 85. Dans le même chapitre III, il est inséré un article 1675/21 rédigé comme suit :
"Art. 1675/21. § 1er. L'Ordre des barreaux francophones et germanophone et l'Orde van Vlaamse Balies visés à l'article 488 alinéa 1er et alinéa 2, ci-après dénommés "le gestionnaire", mettent en place et gèrent le registre conjointement.
§ 2. En ce qui concerne le fichier visé à l'article 1675/20, le gestionnaire est considéré comme le responsable du traitement au sens de l'article 1er, § 4, de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel.
§ 3. Le gestionnaire désigne un préposé à la protection des données.
Celui-ci est plus particulièrement chargé :
1° de la remise d'avis qualifiés en matière de protection de la vie privée et de sécurisation des données à caractère personnel et des informations et de leur traitement;
2° d'informer et conseiller le gestionnaire traitant les données à caractère personnel de ses obligations en vertu de la présente loi et du cadre général de la protection des données et de la vie privée;
3° de l'établissement, de la mise en oeuvre, de la mise à jour et du contrôle d'une politique de sécurisation et de protection de la vie privée;
4° d'être le point de contact pour la Commission de la protection de la vie privée;
5° de l'exécution des autres missions relatives à la protection de la vie privée et à la sécurisation qui sont déterminées par le Roi, après avis de la Commission de la protection de la vie privée.
Dans l'exercice de ses missions, le préposé à la protection des données agit en toute indépendance et rend compte directement au gestionnaire.
Le Roi détermine, après avis de la Commission de la protection de la vie privée, les règles selon lesquelles le préposé à la protection des données exerce ses missions."
"Art. 1675/21. § 1er. L'Ordre des barreaux francophones et germanophone et l'Orde van Vlaamse Balies visés à l'article 488 alinéa 1er et alinéa 2, ci-après dénommés "le gestionnaire", mettent en place et gèrent le registre conjointement.
§ 2. En ce qui concerne le fichier visé à l'article 1675/20, le gestionnaire est considéré comme le responsable du traitement au sens de l'article 1er, § 4, de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel.
§ 3. Le gestionnaire désigne un préposé à la protection des données.
Celui-ci est plus particulièrement chargé :
1° de la remise d'avis qualifiés en matière de protection de la vie privée et de sécurisation des données à caractère personnel et des informations et de leur traitement;
2° d'informer et conseiller le gestionnaire traitant les données à caractère personnel de ses obligations en vertu de la présente loi et du cadre général de la protection des données et de la vie privée;
3° de l'établissement, de la mise en oeuvre, de la mise à jour et du contrôle d'une politique de sécurisation et de protection de la vie privée;
4° d'être le point de contact pour la Commission de la protection de la vie privée;
5° de l'exécution des autres missions relatives à la protection de la vie privée et à la sécurisation qui sont déterminées par le Roi, après avis de la Commission de la protection de la vie privée.
Dans l'exercice de ses missions, le préposé à la protection des données agit en toute indépendance et rend compte directement au gestionnaire.
Le Roi détermine, après avis de la Commission de la protection de la vie privée, les règles selon lesquelles le préposé à la protection des données exerce ses missions."
Art. 86. In hetzelfde hoofdstuk III wordt een artikel 1675/22 ingevoegd, luidende :
"Art. 1675/22. § 1. De magistraten van de rechterlijke orde bedoeld in artikel 58bis, de griffiers en de schuldbemiddelaars, in het kader van de vervulling van hun wettelijke opdrachten, alsook de schuldenaar, de schuldeisers en de beheerder hebben toegang tot de voor hen relevante in artikel 1675/20, tweede lid, bedoelde gegevens, volgens de nadere regels bepaald door de Koning, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
De Koning kan, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, andere categorieën van personen de toestemming geven om die gegevens te raadplegen onder de voorwaarden die Hij bepaalt.
§ 2. Het is de beheerder verboden om de in artikel 1675/20, tweede lid, bedoelde gegevens te verstrekken aan andere dan de in paragraaf 1 bedoelde personen.
Hij die in welke hoedanigheid ook deelneemt aan de verzameling, de verwerking of de mededeling van de in artikel 1675/20, tweede lid, bedoelde gegevens of kennis heeft van die gegevens, moet het vertrouwelijk karakter ervan in acht nemen.
Artikel 458 van het Strafwetboek is op hem van toepassing.".
"Art. 1675/22. § 1. De magistraten van de rechterlijke orde bedoeld in artikel 58bis, de griffiers en de schuldbemiddelaars, in het kader van de vervulling van hun wettelijke opdrachten, alsook de schuldenaar, de schuldeisers en de beheerder hebben toegang tot de voor hen relevante in artikel 1675/20, tweede lid, bedoelde gegevens, volgens de nadere regels bepaald door de Koning, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
De Koning kan, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, andere categorieën van personen de toestemming geven om die gegevens te raadplegen onder de voorwaarden die Hij bepaalt.
§ 2. Het is de beheerder verboden om de in artikel 1675/20, tweede lid, bedoelde gegevens te verstrekken aan andere dan de in paragraaf 1 bedoelde personen.
Hij die in welke hoedanigheid ook deelneemt aan de verzameling, de verwerking of de mededeling van de in artikel 1675/20, tweede lid, bedoelde gegevens of kennis heeft van die gegevens, moet het vertrouwelijk karakter ervan in acht nemen.
Artikel 458 van het Strafwetboek is op hem van toepassing.".
Art. 86. Dans le même chapitre III, il est inséré un article 1675/22 rédigé comme suit :
"Art. 1675/22. § 1er. Les magistrats de l'ordre judiciaire visés à l'article 58bis, les greffiers et les médiateurs de dettes, dans le cadre de l'accomplissement de leurs missions légales, ainsi que le débiteur, les créanciers et le gestionnaire ont accès aux données visées à l'article 1675/20, alinéa 2, qui sont pertinentes pour eux, selon les modalités fixées par le Roi, après avis de la Commission de la protection de la vie privée.
Le Roi peut, après avis de la Commission de la protection de la vie privée, permettre à d'autres catégories de personnes de consulter ces données dans les conditions qu'Il détermine.
§ 2. Le gestionnaire n'est pas autorisé à communiquer les données visées à l'article 1675/20, alinéa 2, à d'autres personnes que celles visées au paragraphe 1er.
Quiconque participe, à quelque titre que ce soit, à la collecte, au traitement ou à la communication des données visées à l'article 1675/20, alinéa 2, ou a connaissance de telles données est tenu d'en respecter le caractère confidentiel.
L'article 458 du Code pénal lui est applicable.".
"Art. 1675/22. § 1er. Les magistrats de l'ordre judiciaire visés à l'article 58bis, les greffiers et les médiateurs de dettes, dans le cadre de l'accomplissement de leurs missions légales, ainsi que le débiteur, les créanciers et le gestionnaire ont accès aux données visées à l'article 1675/20, alinéa 2, qui sont pertinentes pour eux, selon les modalités fixées par le Roi, après avis de la Commission de la protection de la vie privée.
Le Roi peut, après avis de la Commission de la protection de la vie privée, permettre à d'autres catégories de personnes de consulter ces données dans les conditions qu'Il détermine.
§ 2. Le gestionnaire n'est pas autorisé à communiquer les données visées à l'article 1675/20, alinéa 2, à d'autres personnes que celles visées au paragraphe 1er.
Quiconque participe, à quelque titre que ce soit, à la collecte, au traitement ou à la communication des données visées à l'article 1675/20, alinéa 2, ou a connaissance de telles données est tenu d'en respecter le caractère confidentiel.
L'article 458 du Code pénal lui est applicable.".
Art. 87. In hetzelfde hoofdstuk III wordt een artikel 1675/23 ingevoegd, luidende :
"Art. 1675/23. De beheerder stelt, op de door de Koning, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, bepaalde wijze, de schuldenaar in kennis van :
1° de in artikel 1675/20, tweede lid, bedoelde gegevens die hem betreffen;
2° de categorieën van personen die toegang hebben tot de in de bepaling onder 1 bedoelde gegevens;
3° de bewaartermijn van de in de bepaling onder 1 bedoelde gegevens;
4° de in artikel 1675/21, § 2, bedoelde verantwoordelijke voor de verwerking;
5° de wijze waarop hij inzage kan verkrijgen van de in de bepaling onder 1 bedoelde gegevens.".
"Art. 1675/23. De beheerder stelt, op de door de Koning, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, bepaalde wijze, de schuldenaar in kennis van :
1° de in artikel 1675/20, tweede lid, bedoelde gegevens die hem betreffen;
2° de categorieën van personen die toegang hebben tot de in de bepaling onder 1 bedoelde gegevens;
3° de bewaartermijn van de in de bepaling onder 1 bedoelde gegevens;
4° de in artikel 1675/21, § 2, bedoelde verantwoordelijke voor de verwerking;
5° de wijze waarop hij inzage kan verkrijgen van de in de bepaling onder 1 bedoelde gegevens.".
Art. 87. Dans le même chapitre III, il est inséré un article 1675/23 rédigé comme suit :
"Art. 1675/23. Le gestionnaire informe le débiteur, selon les modalités fixées par le Roi après avis de la Commission de la protection de la vie privée :
1° des données visées à l'article 1675/20, alinéa 2, qui le concernent;
2° des catégories de personnes qui ont accès aux données visées au 1° ;
3° du délai de conservation des données visées au 1° ;
4° du responsable du traitement visé à l'article 1675/21, § 2;
5° de la manière dont il peut obtenir accès aux données visées au 1°.
"Art. 1675/23. Le gestionnaire informe le débiteur, selon les modalités fixées par le Roi après avis de la Commission de la protection de la vie privée :
1° des données visées à l'article 1675/20, alinéa 2, qui le concernent;
2° des catégories de personnes qui ont accès aux données visées au 1° ;
3° du délai de conservation des données visées au 1° ;
4° du responsable du traitement visé à l'article 1675/21, § 2;
5° de la manière dont il peut obtenir accès aux données visées au 1°.
Art. 88. In hetzelfde hoofdstuk III wordt een artikel 1675/24 ingevoegd, luidende :
"Art. 1675/24. De gegevens bedoeld in artikel 1675/20, tweede lid, worden bewaard gedurende de vijf jaren die volgen op het einde van de slotverrichtingen van de procedure van collectieve schuldenregeling.
Na afloop van deze termijn worden de gegevens naar het Rijksarchief overgebracht.".
"Art. 1675/24. De gegevens bedoeld in artikel 1675/20, tweede lid, worden bewaard gedurende de vijf jaren die volgen op het einde van de slotverrichtingen van de procedure van collectieve schuldenregeling.
Na afloop van deze termijn worden de gegevens naar het Rijksarchief overgebracht.".
Art. 88. Dans le même chapitre III, il est inséré un article 1675/24 rédigé comme suit :
"Art. 1675/24. Les données visées à l'article 1675/20, alinéa 2, sont conservées pendant les cinq années qui suivent la fin des opérations de clôture de la procédure en règlement collectif de dettes.
A l'expiration de ce délai, les données sont déposées aux Archives de l'Etat.".
"Art. 1675/24. Les données visées à l'article 1675/20, alinéa 2, sont conservées pendant les cinq années qui suivent la fin des opérations de clôture de la procédure en règlement collectif de dettes.
A l'expiration de ce délai, les données sont déposées aux Archives de l'Etat.".
Art. 89. In hetzelfde hoofdstuk III wordt een artikel 1675/25 ingevoegd, luidende :
"Art. 1675/25. De beheerder staat in voor de controle op de werking en het gebruik van het register.".
"Art. 1675/25. De beheerder staat in voor de controle op de werking en het gebruik van het register.".
Art. 89. Dans le même chapitre III, il est inséré un article 1675/25 rédigé comme suit :
"Art. 1675/25. Le gestionnaire assure le contrôle du fonctionnement et de l'utilisation du registre.".
"Art. 1675/25. Le gestionnaire assure le contrôle du fonctionnement et de l'utilisation du registre.".
Art. 90. In hetzelfde hoofdstuk III wordt een artikel 1675/26 ingevoegd, luidende :
"Art. 1675/26. De Koning bepaalt, na het advies te hebben ingewonnen van de beheerder en de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de gegevens van en de nadere regels voor de inrichting en werking van het register.".
"Art. 1675/26. De Koning bepaalt, na het advies te hebben ingewonnen van de beheerder en de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de gegevens van en de nadere regels voor de inrichting en werking van het register.".
Art. 90. Dans le même chapitre III, il est inséré un article 1675/26 rédigé comme suit :
"Art. 1675/26. Le Roi détermine, après avoir recueilli l'avis du gestionnaire et de la Commission de la protection de la vie privée, les données du registre ainsi que les modalités de mise en place et de fonctionnement du registre.".
"Art. 1675/26. Le Roi détermine, après avoir recueilli l'avis du gestionnaire et de la Commission de la protection de la vie privée, les données du registre ainsi que les modalités de mise en place et de fonctionnement du registre.".
Art. 91. In artikel 1676 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 juli 1972 en vervangen bij de wet van 24 juni 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 3 wordt het woord "arbitrage-overeenkomst" vervangen door het woord "arbitrageovereenkomst";
2° in paragraaf 6 wordt het eerste lid opgeheven;
3° paragraaf 7 wordt vervangen als volgt :
" § 7. Het zesde deel van dit Wetboek is van toepassing, en de Belgische rechters zijn bevoegd wanneer de plaats van de arbitrage in de zin van artikel 1701, § 1, in België ligt, of wanneer de partijen dit zijn overeengekomen.".
1° in paragraaf 3 wordt het woord "arbitrage-overeenkomst" vervangen door het woord "arbitrageovereenkomst";
2° in paragraaf 6 wordt het eerste lid opgeheven;
3° paragraaf 7 wordt vervangen als volgt :
" § 7. Het zesde deel van dit Wetboek is van toepassing, en de Belgische rechters zijn bevoegd wanneer de plaats van de arbitrage in de zin van artikel 1701, § 1, in België ligt, of wanneer de partijen dit zijn overeengekomen.".
Art. 91. A l'article 1676 du même Code, inséré par la loi du 4 juillet 1972 et remplacé par la loi du 24 juin 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le texte néerlandais du paragraphe 3,, le mot "arbitrage-overeenkomst" est remplacé par le mot "arbitrageovereenkomst";
2° dans le paragraphe 6, l'alinéa 1er est abrogé;
3° le paragraphe 7 est remplacé par ce qui suit :
" § 7. La sixième partie du présent Code s'applique et les juges belges sont compétents lorsque le lieu de l'arbitrage au sens de l'article 1701, § 1er, est situé en Belgique, ou lorsque les parties en ont convenu.".
1° dans le texte néerlandais du paragraphe 3,, le mot "arbitrage-overeenkomst" est remplacé par le mot "arbitrageovereenkomst";
2° dans le paragraphe 6, l'alinéa 1er est abrogé;
3° le paragraphe 7 est remplacé par ce qui suit :
" § 7. La sixième partie du présent Code s'applique et les juges belges sont compétents lorsque le lieu de l'arbitrage au sens de l'article 1701, § 1er, est situé en Belgique, ou lorsque les parties en ont convenu.".
Art. 92. In artikel 1678 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 juli 1972 en vervangen bij de wet van 24 juni 2013, wordt paragraaf 3 opgeheven.
Art. 92. Dans l'article 1678 du même Code, inséré par la loi du 4 juillet 1972 et remplacé par la loi du 24 juin 2013, le paragraphe 3 est abrogé.
Art. 93. In artikel 1680 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 juli 1972 en vervangen bij de wet van 24 juni 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 4 worden de woorden "artikel 1709" vervangen door de woorden "artikel 1708";
2° paragraaf 5 wordt vervangen als volgt :
" § 5. Tenzij in de gevallen bedoeld in de paragrafen 1 tot 4, en in de artikelen 1683 en 1698, is de rechtbank van eerste aanleg bevoegd om te beslissen over de vorderingen bedoeld in het zesde deel van dit Wetboek. Zij beslist in eerste en laatste aanleg.";
3° paragraaf 6 wordt vervangen als volgt :
" § 6. Onder voorbehoud van de artikelen 1696, § 1, en 1720, § 2, vallen de in het zesde deel van dit Wetboek bedoelde vorderingen onder de territoriale bevoegdheid van de rechter wiens zetel die is van het hof van beroep met in zijn rechtsgebied de plaats waar de arbitrage is bepaald.
Wanneer die plaats niet bepaald is, of niet in België is gelegen, is de rechter territoriaal bevoegd wiens zetel die is van het hof van beroep met in zijn rechtsgebied de rechtbank die bevoegd zou zijn geweest kennis te nemen van het geschil, indien het niet aan arbitrage was onderworpen.".
1° in paragraaf 4 worden de woorden "artikel 1709" vervangen door de woorden "artikel 1708";
2° paragraaf 5 wordt vervangen als volgt :
" § 5. Tenzij in de gevallen bedoeld in de paragrafen 1 tot 4, en in de artikelen 1683 en 1698, is de rechtbank van eerste aanleg bevoegd om te beslissen over de vorderingen bedoeld in het zesde deel van dit Wetboek. Zij beslist in eerste en laatste aanleg.";
3° paragraaf 6 wordt vervangen als volgt :
" § 6. Onder voorbehoud van de artikelen 1696, § 1, en 1720, § 2, vallen de in het zesde deel van dit Wetboek bedoelde vorderingen onder de territoriale bevoegdheid van de rechter wiens zetel die is van het hof van beroep met in zijn rechtsgebied de plaats waar de arbitrage is bepaald.
Wanneer die plaats niet bepaald is, of niet in België is gelegen, is de rechter territoriaal bevoegd wiens zetel die is van het hof van beroep met in zijn rechtsgebied de rechtbank die bevoegd zou zijn geweest kennis te nemen van het geschil, indien het niet aan arbitrage was onderworpen.".
Art. 93. A l'article 1680 du même Code, inséré par la loi du 4 juillet 1972 et remplacé par la loi du 24 juin 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 4, les mots "l'article 1709" sont remplacés par les mots "l'article 1708";
2° le paragraphe 5 est remplacé par ce qui suit :
" § 5. Sauf dans les cas visés aux paragraphes 1er à 4, et aux articles 1683 et 1698, le tribunal de première instance est compétent pour statuer sur les actions visées à la sixième partie du présent Code. Il statue en premier et dernier ressort.";
3° le paragraphe 6 est remplacé par ce qui suit :
" § 6. Sous réserve des articles 1696, § 1er, et 1720, § 2, les actions visées dans la sixième partie du présent Code sont de la compétence territoriale du juge dont le siège est celui de la cour d'appel dans le ressort duquel est fixé le lieu de l'arbitrage.
Lorsque ce lieu n'a pas été fixé ou n'est pas situé en Belgique, est compétent territorialement le juge dont le siège est celui de la cour d'appel dans le ressort duquel se trouve la juridiction qui eut pu connaître du litige s'il n'avait pas été soumis à l'arbitrage.".
1° dans le paragraphe 4, les mots "l'article 1709" sont remplacés par les mots "l'article 1708";
2° le paragraphe 5 est remplacé par ce qui suit :
" § 5. Sauf dans les cas visés aux paragraphes 1er à 4, et aux articles 1683 et 1698, le tribunal de première instance est compétent pour statuer sur les actions visées à la sixième partie du présent Code. Il statue en premier et dernier ressort.";
3° le paragraphe 6 est remplacé par ce qui suit :
" § 6. Sous réserve des articles 1696, § 1er, et 1720, § 2, les actions visées dans la sixième partie du présent Code sont de la compétence territoriale du juge dont le siège est celui de la cour d'appel dans le ressort duquel est fixé le lieu de l'arbitrage.
Lorsque ce lieu n'a pas été fixé ou n'est pas situé en Belgique, est compétent territorialement le juge dont le siège est celui de la cour d'appel dans le ressort duquel se trouve la juridiction qui eut pu connaître du litige s'il n'avait pas été soumis à l'arbitrage.".
Art. 94. In de Franse tekst van artikel 1685, § 2, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 juli 1972 en vervangen bij de wet van 24 juni 2013, wordt het woord "dindépendance" vervangen door de woorden "d'indépendance".
Art. 94. Dans l'article 1685, § 2, du même Code, inséré par la loi du 4 juillet 1972 et remplacé par la loi du 24 juin 2013, le mot "dindépendance" est remplacé par les mots "d'indépendance".
Art. 95. In artikel 1696 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 juli 1972 en vervangen bij de wet van 24 juni 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° tussen paragraaf 1 en paragraaf 2 worden twee paragrafen ingevoegd, luidende :
" § 1/1. De vordering wordt ingesteld en behandeld op eenzijdig verzoekschrift. De rechtbank van eerste aanleg beslist in eerste en laatste aanleg overeenkomstig artikel 1680, § 5.
§ 1/2. Wanneer de voorlopige of bewarende maatregel in het buitenland werd genomen, is de territoriaal bevoegde rechtbank de rechtbank van eerste aanleg van de zetel van het hof van beroep in wiens rechtsgebied de persoon tegen wie de uitvoerbaarverklaring wordt gevorderd zijn woonplaats of, bij afwezigheid daarvan, zijn gewone verblijfplaats, of, in voorkomend geval, zijn maatschappelijke zetel, of, bij afwezigheid daarvan, zijn vestiging of filiaal heeft. Indien die persoon in België geen woonplaats of gewone verblijfplaats, noch een maatschappelijke zetel, vestiging of filiaal heeft, wordt de vordering gebracht voor de rechtbank van eerste aanleg van de zetel van het hof van beroep in wiens rechtsgebied het arrondissement ligt waar de voorlopige of bewarende maatregel moet worden uitgevoerd.";
2° in paragraaf 2 worden de woorden "de enkele arbiter of de voorzitter van" opgeheven.
1° tussen paragraaf 1 en paragraaf 2 worden twee paragrafen ingevoegd, luidende :
" § 1/1. De vordering wordt ingesteld en behandeld op eenzijdig verzoekschrift. De rechtbank van eerste aanleg beslist in eerste en laatste aanleg overeenkomstig artikel 1680, § 5.
§ 1/2. Wanneer de voorlopige of bewarende maatregel in het buitenland werd genomen, is de territoriaal bevoegde rechtbank de rechtbank van eerste aanleg van de zetel van het hof van beroep in wiens rechtsgebied de persoon tegen wie de uitvoerbaarverklaring wordt gevorderd zijn woonplaats of, bij afwezigheid daarvan, zijn gewone verblijfplaats, of, in voorkomend geval, zijn maatschappelijke zetel, of, bij afwezigheid daarvan, zijn vestiging of filiaal heeft. Indien die persoon in België geen woonplaats of gewone verblijfplaats, noch een maatschappelijke zetel, vestiging of filiaal heeft, wordt de vordering gebracht voor de rechtbank van eerste aanleg van de zetel van het hof van beroep in wiens rechtsgebied het arrondissement ligt waar de voorlopige of bewarende maatregel moet worden uitgevoerd.";
2° in paragraaf 2 worden de woorden "de enkele arbiter of de voorzitter van" opgeheven.
Art. 95. A l'article 1696 du même Code, inséré par la loi du 4 juillet 1972 et remplacé par la loi du 24 juin 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° deux paragraphes rédigés comme suit sont insérés entre les paragraphes 1er et 2 :
" § 1/1. La demande est introduite et instruite sur requête unilatérale. Le tribunal de première instance statue en premier et dernier ressort conformément à l'article 1680, § 5.
§ 1/2. Lorsque la mesure provisoire ou conservatoire a été rendue à l'étranger, le tribunal territorialement compétent est le tribunal de première instance du siège de la cour d'appel dans le ressort duquel la personne contre laquelle la déclaration exécutoire est demandée a son domicile et, à défaut de domicile, sa résidence habituelle, ou, le cas échéant, son siège social, ou à défaut, son établissement ou sa succursale. Si cette personne n'a ni domicile, ni résidence habituelle, ni siège social, ni établissement ou succursale en Belgique, la demande est portée devant le tribunal de première instance du siège de la cour d'appel dans le ressort de laquelle se trouve l'arrondissement dans lequel la mesure provisoire ou conservatoire doit être exécutée.";
2° dans le paragraphe 2, les mots "l'arbitre unique ou le président du" sont remplacés par le mot "le".
1° deux paragraphes rédigés comme suit sont insérés entre les paragraphes 1er et 2 :
" § 1/1. La demande est introduite et instruite sur requête unilatérale. Le tribunal de première instance statue en premier et dernier ressort conformément à l'article 1680, § 5.
§ 1/2. Lorsque la mesure provisoire ou conservatoire a été rendue à l'étranger, le tribunal territorialement compétent est le tribunal de première instance du siège de la cour d'appel dans le ressort duquel la personne contre laquelle la déclaration exécutoire est demandée a son domicile et, à défaut de domicile, sa résidence habituelle, ou, le cas échéant, son siège social, ou à défaut, son établissement ou sa succursale. Si cette personne n'a ni domicile, ni résidence habituelle, ni siège social, ni établissement ou succursale en Belgique, la demande est portée devant le tribunal de première instance du siège de la cour d'appel dans le ressort de laquelle se trouve l'arrondissement dans lequel la mesure provisoire ou conservatoire doit être exécutée.";
2° dans le paragraphe 2, les mots "l'arbitre unique ou le président du" sont remplacés par le mot "le".
Art. 96. In artikel 1702 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 juli 1972 en vervangen bij de wet van 24 juni 2013, worden de woorden "het verzoek tot arbitrage overeenkomstig artikel 1678, § 1, a) werd ontvangen door de verweerder" vervangen door de woorden "de mededeling van het verzoek tot arbitrage werd gedaan overeenkomstig artikel 1678, § 1".
Art. 96. Dans l'article 1702 du même Code, inséré par la loi du 4 juillet 1972 et remplacé par la loi du 24 juin 2013, les mots "demande d'arbitrage est reçue par le défendeur, conformément à l'article 1678, § 1er, a)" sont remplacés par les mots "communication de la demande d'arbitrage a été faite conformément à l'article 1678, § 1er".
Art. 97. In artikel 1705 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 juli 1972 en vervangen bij de wet van 24 juni 2013, wordt het woord "anders" opgeheven.
Art. 97. Dans le texte néerlandais de l'article 1705 du même Code, inséré par la loi du 4 juillet 1972 et remplacé par la loi du 24 juin 2013, le mot "anders" est abrogé.
Art. 98. In artikel 1713 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 juli 1972 en vervangen bij de wet van 24 juni 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 5, e), worden de woorden ", evenals de plaats waar de uitspraak is gedaan" opgeheven;
2° paragraaf 8 wordt vervangen als volgt :
" § 8. Een exemplaar van de arbitrale uitspraak wordt overeenkomstig artikel 1678 aan iedere partij meegedeeld door de enkele arbiter of de voorzitter van het scheidsgerecht. Indien de wijze van mededeling overeenkomstig artikel 1678 niet geleid heeft tot de afgifte van een origineel, zendt de enkele arbiter of de voorzitter van het scheidsgerecht ook een dergelijk origineel aan de partijen.".
1° in paragraaf 5, e), worden de woorden ", evenals de plaats waar de uitspraak is gedaan" opgeheven;
2° paragraaf 8 wordt vervangen als volgt :
" § 8. Een exemplaar van de arbitrale uitspraak wordt overeenkomstig artikel 1678 aan iedere partij meegedeeld door de enkele arbiter of de voorzitter van het scheidsgerecht. Indien de wijze van mededeling overeenkomstig artikel 1678 niet geleid heeft tot de afgifte van een origineel, zendt de enkele arbiter of de voorzitter van het scheidsgerecht ook een dergelijk origineel aan de partijen.".
Art. 98. A l'article 1713 du même Code, inséré par la loi du 4 juillet 1972 et remplacé par la loi du 24 juin 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 5, e), les mots ", ainsi que le lieu où la sentence est rendue" sont abrogés;
2° le paragraphe 8 est remplacé par ce qui suit :
" § 8. Un exemplaire de la sentence arbitrale est communiqué, conformément à l'article 1678, à chacune des parties par l'arbitre unique ou par le président du tribunal arbitral. Si le mode de communication retenu conformément à l'article 1678 n'a pas emporté remise d'un original, l'arbitre unique ou le président du tribunal arbitral envoie également un tel original aux parties.".
1° dans le paragraphe 5, e), les mots ", ainsi que le lieu où la sentence est rendue" sont abrogés;
2° le paragraphe 8 est remplacé par ce qui suit :
" § 8. Un exemplaire de la sentence arbitrale est communiqué, conformément à l'article 1678, à chacune des parties par l'arbitre unique ou par le président du tribunal arbitral. Si le mode de communication retenu conformément à l'article 1678 n'a pas emporté remise d'un original, l'arbitre unique ou le président du tribunal arbitral envoie également un tel original aux parties.".
Art. 99. In artikel 1714, § 3, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 juli 1972 en vervangen bij de wet van 24 juni 2013, worden de woorden ", de mededeling van de uitspraak en de neerlegging ervan" vervangen door de woorden "en de mededeling van de uitspraak".
Art. 99. Dans l'article 1714, § 3, du même Code, inséré par la loi du 4 juillet 1972 et remplacé par la loi du 24 juin 2013, les mots ", la communication de la sentence et son dépôt" sont remplacés par les mots "et la communication de la sentence".
Art. 100. In artikel 1715, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 juli 1972 en vervangen bij de wet van 24 juni 2013, worden de woorden "ontvangst van de uitspraak overeenkomstig artikel 1678, § 1" telkens vervangen door de woorden "de mededeling van de uitspraak gedaan overeenkomstig artikel 1678".
Art. 100. Dans l'article 1715 du même Code, inséré par la loi du 4 juillet 1972 et remplacé par la loi du 24 juin 2013, les mots "réception de la sentence conformément à l'article 1678, § 1er" sont chaque fois remplacés par les mots "communication de la sentence faite conformément à l'article 1678".
Art. 101. In artikel 1716 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 juli 1972 en vervangen bij de wet van 24 juni 2013, worden de woorden "overeenkomstig artikel 1678, § 1" vervangen door de woorden "gedaan overeenkomstig artikel 1678".
Art. 101. Dans l'article 1716 du même Code, inséré par la loi du 4 juillet 1972 et remplacé par la loi du 24 juin 2013, les mots ", conformément à l'article 1678, § 1er" sont remplacés par les mots "faite conformément à l'article 1678".
Art. 102. In artikel 1717 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 juli 1972, vervangen bij de wet van 24 juni 2013, en gewijzigd bij de wet van 25 april 2014 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in paragraaf 2 worden de woorden ", en zij kan slechts worden vernietigd in de in dit artikel genoemde gevallen." vervangen door de woorden ". Zij beslist in eerste en laatste aanleg overeenkomstig artikel 1680, § 5. De uitspraak kan slechts worden vernietigd in de in dit artikel genoemde gevallen.";
b) paragraaf 4 wordt vervangen als volgt :
" § 4. Behalve in het in artikel 1690, § 4, eerste lid, bedoelde geval, kan een vordering tot vernietiging niet worden ingesteld na verloop van een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de datum waarop de uitspraak overeenkomstig artikel 1678 werd meegedeeld aan de partij die deze vordering instelt, of, wanneer een vordering werd ingesteld krachtens artikel 1715, te rekenen van de datum waarop mededeling overeenkomstig artikel 1678 werd gedaan van de beslissing van het scheidsgerecht over de vordering ingesteld krachtens artikel 1715 aan de partij die de vordering tot vernietiging instelt.";
c) artikel 1717 wordt aangevuld met een paragraaf 7, luidende :
" § 7. De partij die derdenverzet aantekent tegen een beslissing waardoor de uitspraak uitvoerbaar werd verklaard en die de vernietiging van de uitspraak wil bekomen zonder daartoe voorafgaandelijk een vordering te hebben ingesteld, moet haar vordering tot vernietiging, op straffe van verval, in dezelfde procedure instellen voor zover de termijn voorzien in § 4 niet is verstreken.".
a) in paragraaf 2 worden de woorden ", en zij kan slechts worden vernietigd in de in dit artikel genoemde gevallen." vervangen door de woorden ". Zij beslist in eerste en laatste aanleg overeenkomstig artikel 1680, § 5. De uitspraak kan slechts worden vernietigd in de in dit artikel genoemde gevallen.";
b) paragraaf 4 wordt vervangen als volgt :
" § 4. Behalve in het in artikel 1690, § 4, eerste lid, bedoelde geval, kan een vordering tot vernietiging niet worden ingesteld na verloop van een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de datum waarop de uitspraak overeenkomstig artikel 1678 werd meegedeeld aan de partij die deze vordering instelt, of, wanneer een vordering werd ingesteld krachtens artikel 1715, te rekenen van de datum waarop mededeling overeenkomstig artikel 1678 werd gedaan van de beslissing van het scheidsgerecht over de vordering ingesteld krachtens artikel 1715 aan de partij die de vordering tot vernietiging instelt.";
c) artikel 1717 wordt aangevuld met een paragraaf 7, luidende :
" § 7. De partij die derdenverzet aantekent tegen een beslissing waardoor de uitspraak uitvoerbaar werd verklaard en die de vernietiging van de uitspraak wil bekomen zonder daartoe voorafgaandelijk een vordering te hebben ingesteld, moet haar vordering tot vernietiging, op straffe van verval, in dezelfde procedure instellen voor zover de termijn voorzien in § 4 niet is verstreken.".
Art. 102. A l'article 1717 du même Code, inséré par la loi du 4 juillet 1972, remplacé par la loi du 24 juin 2013, et modifié par la loi du 25 avril 2014 les modifications suivantes sont apportées :
a) dans le paragraphe 2, les mots ", et elle ne peut être annulée que dans les cas énumérés au présent article." sont remplacés par les mots ". Il statue en premier et dernier ressort conformément à l'article 1680, § 5. La sentence ne peut être annulée que dans les cas énumérés au présent article.";
b) le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
" § 4. Hormis dans le cas visé à l'article 1690, § 4, alinéa 1er, une demande d'annulation ne peut être introduite après l'expiration d'un délai de trois mois à compter de la date à laquelle la sentence a été communiquée, conformément à l'article 1678, à la partie introduisant cette demande, ou, si une demande a été introduite en vertu de l'article 1715, à compter de la date à laquelle la décision du tribunal arbitral sur la demande introduite en vertu de l'article 1715 a été communiquée, conformément à l'article 1678, à la partie introduisant la demande d'annulation.";
c) l'article 1717 est complété par un paragraphe 7, rédigé comme suit :
" § 7. La partie qui fait tierce opposition contre une décision par laquelle la sentence a été revêtue de la force exécutoire et qui prétend obtenir l'annulation de la sentence sans avoir précédemment introduit une demande à cet effet doit former sa demande d'annulation, à peine de déchéance, dans la même procédure pour autant que le délai prévu au § 4 ne soit pas expiré.".
a) dans le paragraphe 2, les mots ", et elle ne peut être annulée que dans les cas énumérés au présent article." sont remplacés par les mots ". Il statue en premier et dernier ressort conformément à l'article 1680, § 5. La sentence ne peut être annulée que dans les cas énumérés au présent article.";
b) le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
" § 4. Hormis dans le cas visé à l'article 1690, § 4, alinéa 1er, une demande d'annulation ne peut être introduite après l'expiration d'un délai de trois mois à compter de la date à laquelle la sentence a été communiquée, conformément à l'article 1678, à la partie introduisant cette demande, ou, si une demande a été introduite en vertu de l'article 1715, à compter de la date à laquelle la décision du tribunal arbitral sur la demande introduite en vertu de l'article 1715 a été communiquée, conformément à l'article 1678, à la partie introduisant la demande d'annulation.";
c) l'article 1717 est complété par un paragraphe 7, rédigé comme suit :
" § 7. La partie qui fait tierce opposition contre une décision par laquelle la sentence a été revêtue de la force exécutoire et qui prétend obtenir l'annulation de la sentence sans avoir précédemment introduit une demande à cet effet doit former sa demande d'annulation, à peine de déchéance, dans la même procédure pour autant que le délai prévu au § 4 ne soit pas expiré.".
Art. 103. In artikel 1720 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 juli 1972 en vervangen bij de wet van 24 juni 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° een paragraaf 1/1 wordt ingevoegd, luidende :
" § 1/1. De vordering wordt ingesteld en behandeld op eenzijdig verzoekschrift. De rechtbank beslist in eerste en laatste aanleg overeenkomstig artikel 1680, § 5. De verzoeker moet woonplaats kiezen in het rechtsgebied van de rechtbank.";
2° in paragraaf 2 worden de woorden "De territoriaal bevoegde rechtbank is de rechtbank van eerste aanleg in het rechtsgebied van het hof van beroep waarin" vervangen door de woorden "Wanneer de uitspraak in het buitenland werd gedaan, is de territoriaal bevoegde rechtbank de rechtbank van eerste aanleg van de zetel van het hof van beroep in wiens rechtsgebied";
3° paragraaf 3 wordt opgeheven;
4° in paragraaf 4 worden de woorden "evenals het origineel van de arbitrageovereenkomst of een eensluidend verklaarde kopie ervan" opgeheven.
1° een paragraaf 1/1 wordt ingevoegd, luidende :
" § 1/1. De vordering wordt ingesteld en behandeld op eenzijdig verzoekschrift. De rechtbank beslist in eerste en laatste aanleg overeenkomstig artikel 1680, § 5. De verzoeker moet woonplaats kiezen in het rechtsgebied van de rechtbank.";
2° in paragraaf 2 worden de woorden "De territoriaal bevoegde rechtbank is de rechtbank van eerste aanleg in het rechtsgebied van het hof van beroep waarin" vervangen door de woorden "Wanneer de uitspraak in het buitenland werd gedaan, is de territoriaal bevoegde rechtbank de rechtbank van eerste aanleg van de zetel van het hof van beroep in wiens rechtsgebied";
3° paragraaf 3 wordt opgeheven;
4° in paragraaf 4 worden de woorden "evenals het origineel van de arbitrageovereenkomst of een eensluidend verklaarde kopie ervan" opgeheven.
Art. 103. A l'article 1720 du même Code, inséré par la loi du 4 juillet 1972 et remplacé par la loi du 24 juin 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° il est inséré un paragraphe 1er/1, rédigé comme suit :
" § 1er/1. La demande est introduite et instruite sur requête unilatérale. Le tribunal statue en premier et dernier ressort conformément à l'article 1680, § 5. Le requérant doit faire élection de domicile dans l'arrondissement du tribunal.";
2° dans le paragraphe 2, les mots "Le tribunal territorialement compétent est le tribunal de première instance du siège de la cour d'appel dans le ressort duquel" sont remplacés par les mots "Lorsque la sentence a été rendue à l'étranger, le tribunal territorialement compétent est le tribunal de première instance du siège de la cour d'appel dans le ressort de laquelle";
3° le paragraphe 3 est abrogé;
4° dans le paragraphe 4, les mots "ainsi que l'original de la convention d'arbitrage ou une copie certifiée conforme" sont abrogés.
1° il est inséré un paragraphe 1er/1, rédigé comme suit :
" § 1er/1. La demande est introduite et instruite sur requête unilatérale. Le tribunal statue en premier et dernier ressort conformément à l'article 1680, § 5. Le requérant doit faire élection de domicile dans l'arrondissement du tribunal.";
2° dans le paragraphe 2, les mots "Le tribunal territorialement compétent est le tribunal de première instance du siège de la cour d'appel dans le ressort duquel" sont remplacés par les mots "Lorsque la sentence a été rendue à l'étranger, le tribunal territorialement compétent est le tribunal de première instance du siège de la cour d'appel dans le ressort de laquelle";
3° le paragraphe 3 est abrogé;
4° dans le paragraphe 4, les mots "ainsi que l'original de la convention d'arbitrage ou une copie certifiée conforme" sont abrogés.
Art. 104. In artikel 1721 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 juli 1972 en vervangen bij de wet van 24 juni 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 2 wordt het woord "zijn" vervangen door het woord "haar";
2° in paragraaf 2 wordt in de Franse tekst het woord "surseoit" vervangen door het woord "sursoit".
1° in paragraaf 2 wordt het woord "zijn" vervangen door het woord "haar";
2° in paragraaf 2 wordt in de Franse tekst het woord "surseoit" vervangen door het woord "sursoit".
Art. 104. A l'article 1721 du même Code, inséré par la loi du 4 juillet 1972 et remplacé par la loi du 24 juin 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 2, dans le texte néerlandais, le mot "zijn" est remplacé par le mot "haar";
2° dans le paragraphe 2, le mot "surseoit" est remplacé par le mot "sursoit".
1° dans le paragraphe 2, dans le texte néerlandais, le mot "zijn" est remplacé par le mot "haar";
2° dans le paragraphe 2, le mot "surseoit" est remplacé par le mot "sursoit".
HOOFDSTUK 12. - Wijziging van de wet van 13 maart 1973 betreffende de vergoeding voor onwerkzame voorlopige hechtenis
CHAPITRE 12. - Modification de la loi du 13 mars 1973 relative à l'indemnité en cas de détention préventive inopérante
Art. 105. In artikel 28 van de wet van 13 maart 1973 betreffende de onwerkzame voorlopige hechtenis, ingevoegd bij de wet van 13 maart 1973 en gewijzigd bij de wetten van 4 juli 2001 en 30 december 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 2 wordt aangevuld met twee leden, luidende :
"Evenwel, ingeval de persoon nog lopende vrijheidsstraffen heeft, worden de dagen van de voorlopige hechtenis die in aanmerking komen eerst toegerekend op de nog lopende vrijheidsstraffen.
Het met inachtneming van het eerste en het tweede lid bepaalde bedrag van de vergoeding wordt zonder formaliteit, in voorkomend geval, aangewend ter betaling van de door deze persoon nog verschuldigde bedragen naar aanleiding van strafrechtelijke veroordelingen, overeenkomstig de regeling voorzien in artikel 49 van het Strafwetboek en in artikel 29 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen. Tegen deze verrekening staat geen rechtsmiddel open.";
2° in paragraaf 3, derde lid, worden de woorden "Indien de vergoeding geweigerd wordt, indien het bedrag ervan onvoldoende geacht wordt" vervangen door de woorden "Indien de vergoeding of de toerekening geweigerd wordt, indien het bedrag ervan of het aantal dagen die worden toegerekend onvoldoende geacht worden,".
1° paragraaf 2 wordt aangevuld met twee leden, luidende :
"Evenwel, ingeval de persoon nog lopende vrijheidsstraffen heeft, worden de dagen van de voorlopige hechtenis die in aanmerking komen eerst toegerekend op de nog lopende vrijheidsstraffen.
Het met inachtneming van het eerste en het tweede lid bepaalde bedrag van de vergoeding wordt zonder formaliteit, in voorkomend geval, aangewend ter betaling van de door deze persoon nog verschuldigde bedragen naar aanleiding van strafrechtelijke veroordelingen, overeenkomstig de regeling voorzien in artikel 49 van het Strafwetboek en in artikel 29 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen. Tegen deze verrekening staat geen rechtsmiddel open.";
2° in paragraaf 3, derde lid, worden de woorden "Indien de vergoeding geweigerd wordt, indien het bedrag ervan onvoldoende geacht wordt" vervangen door de woorden "Indien de vergoeding of de toerekening geweigerd wordt, indien het bedrag ervan of het aantal dagen die worden toegerekend onvoldoende geacht worden,".
Art. 105. A l'article 28 de la loi du 13 mars 1973 relative à l'indemnité en cas de détention préventive inopérante, inséré par la loi du 13 mars 1973 et modifié par les lois des 4 juillet 2001 et 30 décembre 2009, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 2 est complété par deux alinéas rédigés comme suit :
"Toutefois, lorsque la personne a encore des peines privatives de liberté en cours, les jours de détention préventive entrant en ligne de compte sont d'abord imputés sur les peines privatives de liberté encore en cours.
Le montant de l'indemnité déterminé conformément aux alinéas 1er et 2 est, le cas échéant, affecté sans formalités au paiement des montants restant dus par cette personne à la suite de condamnations pénales conformément à la réglementation prévue à l'article 49 du Code pénal et à l'article 29 de la loi du 1er août 1985 portant des mesures fiscales et autres. Cette compensation n'est susceptible d'aucun recours.";
2° dans le paragraphe 3, alinéa 3, les mots "Si l'indemnité est refusée, si le montant en est jugé insuffisant" sont remplacés par les mots "Si l'indemnité ou l'imputation sont refusées, si le montant de l'indemnité ou le nombre de jours imputés sont jugés insuffisants".
1° le paragraphe 2 est complété par deux alinéas rédigés comme suit :
"Toutefois, lorsque la personne a encore des peines privatives de liberté en cours, les jours de détention préventive entrant en ligne de compte sont d'abord imputés sur les peines privatives de liberté encore en cours.
Le montant de l'indemnité déterminé conformément aux alinéas 1er et 2 est, le cas échéant, affecté sans formalités au paiement des montants restant dus par cette personne à la suite de condamnations pénales conformément à la réglementation prévue à l'article 49 du Code pénal et à l'article 29 de la loi du 1er août 1985 portant des mesures fiscales et autres. Cette compensation n'est susceptible d'aucun recours.";
2° dans le paragraphe 3, alinéa 3, les mots "Si l'indemnité est refusée, si le montant en est jugé insuffisant" sont remplacés par les mots "Si l'indemnité ou l'imputation sont refusées, si le montant de l'indemnité ou le nombre de jours imputés sont jugés insuffisants".
HOOFDSTUK 13. - Wijziging van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis
CHAPITRE 13. - Modification de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive
Art. 106. In artikel 37, tweede lid, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, ingevoegd bij de wet van 31 juli 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de eerste zin worden de woorden "aan het Centraal Strafregister en" ingevoegd tussen het woord "overgezonden" en de woorden "aan de politiedienst";
2° de zin "Wanneer de betrokkene geen woon- of verblijfplaats in België heeft, wordt deze informatie overgezonden aan het Centraal Strafregister. "wordt opgeheven.
1° in de eerste zin worden de woorden "aan het Centraal Strafregister en" ingevoegd tussen het woord "overgezonden" en de woorden "aan de politiedienst";
2° de zin "Wanneer de betrokkene geen woon- of verblijfplaats in België heeft, wordt deze informatie overgezonden aan het Centraal Strafregister. "wordt opgeheven.
Art. 106. A l'article 37, alinéa 2, de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive, inséré par la loi du 31 juillet 2009, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans la première phrase, les mots "au Casier judiciaire central et" sont insérés entre les mots "sont transmises" et les mots "au service de police";
2° la phrase "Lorsque l'intéressé n'a pas de domicile ou de résidence en Belgique, ces informations sont transmises au Casier judiciaire central." est abrogée.
1° dans la première phrase, les mots "au Casier judiciaire central et" sont insérés entre les mots "sont transmises" et les mots "au service de police";
2° la phrase "Lorsque l'intéressé n'a pas de domicile ou de résidence en Belgique, ces informations sont transmises au Casier judiciaire central." est abrogée.
HOOFDSTUK 14. - Wijziging van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België
CHAPITRE 14. - Modification de la loi du 22 février 1998 fixant le statut organique de la Banque Nationale de Belgique
Art. 107. In artikel 36/21 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011, dat bekrachtigd is bij de wet van 3 augustus 2012, en gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, worden de woorden "hof van beroep te Brussel" vervangen door het woord "Marktenhof";
2° in paragraaf 3, vierde lid, worden de woorden "hof van beroep te Brussel" vervangen door het woord "Marktenhof";
3° in paragraaf 3, vijfde lid, worden de woorden "hof van beroep" vervangen door het woord "Marktenhof";
4° in paragraaf 3, zevende lid, worden de woorden "hof van beroep" vervangen door het woord "Marktenhof".
1° in paragraaf 1, worden de woorden "hof van beroep te Brussel" vervangen door het woord "Marktenhof";
2° in paragraaf 3, vierde lid, worden de woorden "hof van beroep te Brussel" vervangen door het woord "Marktenhof";
3° in paragraaf 3, vijfde lid, worden de woorden "hof van beroep" vervangen door het woord "Marktenhof";
4° in paragraaf 3, zevende lid, worden de woorden "hof van beroep" vervangen door het woord "Marktenhof".
Art. 107. A l'article 36/21 de loi du 22 février 1998 fixant le statut organique de la Banque Nationale de Belgique, inséré par l'arrêté royal du 3 mars 2011 confirmé par la loi du 3 août 2012, et modifié par la loi du 25 avril 2014, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le paragraphe 1er, les mots "cour d'appel de Bruxelles" sont remplacés par les mots "Cour des marchés";
2° dans le paragraphe 3, alinéa 4, les mots "cour d'appel de Bruxelles" sont remplacés par les mots "Cour des marchés";
3° dans le paragraphe 3, alinéa 5, les mots "cour d'appel" sont remplacés par les mots "Cour des marchés";
4° dans le paragraphe 3, alinéa 7, les mots "cour d'appel de Bruxelles" sont remplacés par les mots "Cour des marchés".
1° dans le paragraphe 1er, les mots "cour d'appel de Bruxelles" sont remplacés par les mots "Cour des marchés";
2° dans le paragraphe 3, alinéa 4, les mots "cour d'appel de Bruxelles" sont remplacés par les mots "Cour des marchés";
3° dans le paragraphe 3, alinéa 5, les mots "cour d'appel" sont remplacés par les mots "Cour des marchés";
4° dans le paragraphe 3, alinéa 7, les mots "cour d'appel de Bruxelles" sont remplacés par les mots "Cour des marchés".
HOOFDSTUK 15. - Wijziging van de wet van 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen
CHAPITRE 15. - Modification de la loi du 5 juillet 1998 relative au règlement collectif de dettes et à la possibilité de vente de gré à gré des biens immeubles saisis
Art. 108. Artikel 20, § 1, van de wet van 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen, vervangen bij de wet van 26 december 2015, wordt aangevuld met de bepaling onder 5, luidende :
"5° de oprichtings- en beheerskosten van het centraal register collectieve schuldenregelingen zoals bedoeld in de artikelen 1675/20 tot 1675/26 van het Gerechtelijk Wetboek. De Koning bepaalt, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, het bedrag van de oprichtingskosten en de beheerskosten dat in rekening wordt gebracht, en de nadere regels voor de toegang tot het register voor de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie die belast zijn met de betaling van de staten van erelonen, kosten en emolumenten van de schuldbemiddelaar.".
"5° de oprichtings- en beheerskosten van het centraal register collectieve schuldenregelingen zoals bedoeld in de artikelen 1675/20 tot 1675/26 van het Gerechtelijk Wetboek. De Koning bepaalt, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, het bedrag van de oprichtingskosten en de beheerskosten dat in rekening wordt gebracht, en de nadere regels voor de toegang tot het register voor de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie die belast zijn met de betaling van de staten van erelonen, kosten en emolumenten van de schuldbemiddelaar.".
Art. 108. L'article 20, § 1er, de la loi du 5 juillet 1998 relative au règlement collectif de dettes et à la possibilité de vente de gré à gré des biens immeubles saisis, remplacé par la loi du 26 décembre 2015, est complété par le 5° rédigé comme suit :
"5° des frais de mise en place et de gestion du registre central des règlements collectifs de dettes visé aux articles 1675/20 à 1675/26 du Code judiciaire. Le Roi détermine, après avis de la Commission de la protection de la vie privée, le montant des frais de création et des frais de gestion qui est pris en compte et les modalités d'accès au registre pour les fonctionnaires du Service Public Fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie, chargés du paiement d'états d'honoraires, des émoluments et des frais du médiateur de dettes.".
"5° des frais de mise en place et de gestion du registre central des règlements collectifs de dettes visé aux articles 1675/20 à 1675/26 du Code judiciaire. Le Roi détermine, après avis de la Commission de la protection de la vie privée, le montant des frais de création et des frais de gestion qui est pris en compte et les modalités d'accès au registre pour les fonctionnaires du Service Public Fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie, chargés du paiement d'états d'honoraires, des émoluments et des frais du médiateur de dettes.".
HOOFDSTUK 16. - Wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt
CHAPITRE 16. - Modification de la loi du 29 avril 1999 relative à l'organisation du marché de l'électricité
Art. 109. In de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, worden de woorden "hof van beroep te Brussel", "hof van beroep van Brussel" en "hof van beroep" telkens vervangen door het woord "Marktenhof", behalve in de volgende bepalingen :
1° artikel 29quater, § 2, ingevoegd bij de wet van 20 juli 2005;
2° artikel 29quater, § 3, eerste, tweede en laatste zin, ingevoegd bij de wet van 20 juli 2005 en vervangen bij de wet van 8 januari 2012.
1° artikel 29quater, § 2, ingevoegd bij de wet van 20 juli 2005;
2° artikel 29quater, § 3, eerste, tweede en laatste zin, ingevoegd bij de wet van 20 juli 2005 en vervangen bij de wet van 8 januari 2012.
Art. 109. Dans la loi du 29 avril 1999 relative à l'organisation du marché de l'électricité, les mots "cour d'appel de Bruxelles" et "cour d'appel" sont chaque fois remplacés par les mots "Cour des marchés", sauf dans les dispositions suivantes :
1° l'article 29quater, § 2, inséré par la loi du 20 juillet 2005;
2° l'article 29quater, § 3, première, deuxième et dernière phrase, insérées par la loi du 20 juillet 2005 et remplacées par la loi du 8 janvier 2012.
1° l'article 29quater, § 2, inséré par la loi du 20 juillet 2005;
2° l'article 29quater, § 3, première, deuxième et dernière phrase, insérées par la loi du 20 juillet 2005 et remplacées par la loi du 8 janvier 2012.
HOOFDSTUK 17. - Wijziging van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers
CHAPITRE 17. - Modification de la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, les paris, les établissements de jeux de hasard et la protection des joueurs
Art. 110. In artikel 25 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, vervangen bij de wet van 10 januari 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in de bepaling onder 1, worden de woorden "of in voorkomend geval voor een kleinere periode met toepassing van de bepaling onder 1/2" ingevoegd tussen de woorden "voor hernieuwbare periodes van vijftien jaar" en de woorden ", onder de door haar bepaalde voorwaarden";
b) het artikel wordt aangevuld met een lid luidende :
"Indien de commissie tijdens het onderzoek van een aanvraag om hernieuwing van een vergunning klasse A of om de toekenning van een nieuwe vergunning klasse A vaststelt dat de lopende of de nieuwe concessieovereenkomst verstrijkt voor het einde van de vergunningsperiode van vijftien jaar, kan zij de vergunning hernieuwen of toekennen voor een termijn die de einddatum van de concessie niet te boven gaat.".
a) in de bepaling onder 1, worden de woorden "of in voorkomend geval voor een kleinere periode met toepassing van de bepaling onder 1/2" ingevoegd tussen de woorden "voor hernieuwbare periodes van vijftien jaar" en de woorden ", onder de door haar bepaalde voorwaarden";
b) het artikel wordt aangevuld met een lid luidende :
"Indien de commissie tijdens het onderzoek van een aanvraag om hernieuwing van een vergunning klasse A of om de toekenning van een nieuwe vergunning klasse A vaststelt dat de lopende of de nieuwe concessieovereenkomst verstrijkt voor het einde van de vergunningsperiode van vijftien jaar, kan zij de vergunning hernieuwen of toekennen voor een termijn die de einddatum van de concessie niet te boven gaat.".
Art. 110. Dans l'article 25 de la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, les paris, les établissements de jeux de hasard et la protection des joueurs, remplacé par la loi du 10 janvier 2010, les modifications suivantes sont apportées :
a) au 1° les mots ", ou le cas échéant pour une période inférieure en application du point 1/2" sont insérés entre les mots "pour des périodes de quinze ans renouvelables" et les mots ",aux conditions qu'elle détermine";
b) l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"Si au moment de l'examen d'une demande de renouvellement d'une licence de classe A ou d'octroi d'une nouvelle licence de classe A, la commission constate que la nouvelle convention de concession ou celle en cours expire avant la fin de la période de licence de quinze ans, elle peut renouveler ou octroyer la licence pour une durée ne dépassant pas la date d'expiration de la concession.".
a) au 1° les mots ", ou le cas échéant pour une période inférieure en application du point 1/2" sont insérés entre les mots "pour des périodes de quinze ans renouvelables" et les mots ",aux conditions qu'elle détermine";
b) l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"Si au moment de l'examen d'une demande de renouvellement d'une licence de classe A ou d'octroi d'une nouvelle licence de classe A, la commission constate que la nouvelle convention de concession ou celle en cours expire avant la fin de la période de licence de quinze ans, elle peut renouveler ou octroyer la licence pour une durée ne dépassant pas la date d'expiration de la concession.".
HOOFDSTUK 18. - Wijziging van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten
CHAPITRE 18. - Modification de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers
Art. 111. In de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, worden de woorden "hof van beroep te Brussel" en "hof van beroep" telkens vervangen door het woord "Marktenhof", behalve in de volgende bepalingen :
1° artikel 48bis, § 1, tweede lid, 3° ;
2° artikel 120, § 3, eerste lid;
3° artikel 120, § 3, tweede lid, 5° ;
4° artikel 120, § 3, derde lid;
5° artikel 120, § 3, zesde lid, eerste zin;
6° artikel 120, § 4;
7° artikel 121, § 4, gewijzigd door het koninklijk besluit van 25 maart 2003;
8° artikel 123, § 5, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011.
1° artikel 48bis, § 1, tweede lid, 3° ;
2° artikel 120, § 3, eerste lid;
3° artikel 120, § 3, tweede lid, 5° ;
4° artikel 120, § 3, derde lid;
5° artikel 120, § 3, zesde lid, eerste zin;
6° artikel 120, § 4;
7° artikel 121, § 4, gewijzigd door het koninklijk besluit van 25 maart 2003;
8° artikel 123, § 5, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011.
Art. 111. Dans la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers, les mots "cour d'appel de Bruxelles" et "cour d'appel" sont chaque fois remplacés par les mots "Cour des marchés", sauf dans les dispositions suivantes :
1° l'article 48bis, § 1er, alinéa 2, 3° ;
2° l'article 120, § 3, alinéa 1er;
3° l'article 120, § 3, alinéa 2, 5° ;
4° l'article 120, § 3, alinéa 3;
5° l'article 120, § 3, alinéa 6, première phrase;
6° l'article 120, § 4;
7° l'article 121, § 4, modifié par l'arrêté royal du 25 mars 2003;
8° l'article 123, § 5, modifié par l'arrêté royal du 3 mars 2011.
1° l'article 48bis, § 1er, alinéa 2, 3° ;
2° l'article 120, § 3, alinéa 1er;
3° l'article 120, § 3, alinéa 2, 5° ;
4° l'article 120, § 3, alinéa 3;
5° l'article 120, § 3, alinéa 6, première phrase;
6° l'article 120, § 4;
7° l'article 121, § 4, modifié par l'arrêté royal du 25 mars 2003;
8° l'article 123, § 5, modifié par l'arrêté royal du 3 mars 2011.
HOOFDSTUK 19. - Wijziging van de wet van 17 januari 2003 betreffende de rechtsmiddelen en de geschillenbehandeling naar aanleiding van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector
CHAPITRE 19. - Modification de la loi du 17 janvier 2003 concernant les recours et le traitement des litiges à l'occasion de la loi du 17 janvier 2003 relative au statut du régulateur des secteurs des postes et télécommunications belges
Art. 112. In de wet van 17 januari 2003 betreffende de rechtsmiddelen en de geschillenbehandeling naar aanleiding van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector, worden de woorden "hof van beroep te Brussel", "hof van beroep van Brussel" en "hof van beroep" telkens vervangen door het woord "Marktenhof", behalve in de volgende bepalingen :
1° artikel 2, § 2, eerste lid, ingevoegd bij de wet van 31 mei 2009;
2° artikel 2, § 2, tweede lid, 6°, ingevoegd bij de wet van 31 mei 2009;
3° artikel 2, § 2, vierde lid, ingevoegd bij de wet van 31 mei 2009 en vervangen bij de wet van 10 juli 2012;
4° artikel 2, § 2, zevende lid, eerste zin, ingevoegd bij de wet van 31 mei 2009 en gewijzigd bij de wet van 13 december 2010;
5° artikel 2, § 3, ingevoegd bij de wet van 31 mei 2009 en gewijzigd bij de wet van 10 juli 2012.
1° artikel 2, § 2, eerste lid, ingevoegd bij de wet van 31 mei 2009;
2° artikel 2, § 2, tweede lid, 6°, ingevoegd bij de wet van 31 mei 2009;
3° artikel 2, § 2, vierde lid, ingevoegd bij de wet van 31 mei 2009 en vervangen bij de wet van 10 juli 2012;
4° artikel 2, § 2, zevende lid, eerste zin, ingevoegd bij de wet van 31 mei 2009 en gewijzigd bij de wet van 13 december 2010;
5° artikel 2, § 3, ingevoegd bij de wet van 31 mei 2009 en gewijzigd bij de wet van 10 juli 2012.
Art. 112. Dans la loi du 17 janvier 2003 concernant les recours et le traitement des litiges à l'occasion de la loi du 17 janvier 2003 relative au statut du régulateur des secteurs des postes et télécommunications belges, les mots "cour d'appel de Bruxelles" et "cour d'appel" sont remplacés chaque fois par les mots "Cour des marchés", sauf dans les dispositions suivantes :
1° l'article 2, § 2, alinéa 1er, inséré par la loi du 31 mai 2009;
2° l'article 2, § 2, alinéa 2, 6°, inséré par la loi du 31 mai 2009;
3° l'article 2, § 2, alinéa 4, inséré par la loi du 31 mai 2009 et remplacé par la loi du 10 juillet 2012;
4° l'article 2, § 2, alinéa 7, première phrase, inséré par la loi du 31 mai 2009 et modifié par la loi du 13 décembre 2010;
5° l'article 2, § 3, inséré par la loi du 31 mai 2009 et modifié par la loi du 10 juillet 2012.
1° l'article 2, § 2, alinéa 1er, inséré par la loi du 31 mai 2009;
2° l'article 2, § 2, alinéa 2, 6°, inséré par la loi du 31 mai 2009;
3° l'article 2, § 2, alinéa 4, inséré par la loi du 31 mai 2009 et remplacé par la loi du 10 juillet 2012;
4° l'article 2, § 2, alinéa 7, première phrase, inséré par la loi du 31 mai 2009 et modifié par la loi du 13 décembre 2010;
5° l'article 2, § 3, inséré par la loi du 31 mai 2009 et modifié par la loi du 10 juillet 2012.
HOOFDSTUK 20. - Wijziging van de wet van 12 mei 2004 tot regeling van een beroepsprocedure in het kader van de bescherming tegen valsemunterij en de handhaving van de kwaliteit van de geldomloop
CHAPITRE 20. - Modification de la loi du 12 mai 2004 organisant une procédure de recours dans le cadre de la protection contre le faux monnayage et du maintien de la qualité de la circulation fiduciaire
Art. 113. In artikel 2 van de wet van 12 mei 2004 tot regeling van een beroepsprocedure in het kader van de bescherming tegen valsemunterij en de handhaving van de kwaliteit van de geldomloop, gewijzigd bij de wet van 18 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° In paragraaf 1 worden de woorden "hof van beroep te Brussel" vervangen door het woord "Marktenhof";
2° In paragraaf 3, vierde lid, worden de woorden "hof van beroep te Brussel" vervangen door het woord "Marktenhof";
3° In paragraaf 3, vijfde lid, worden de woorden "hof van beroep" vervangen door het woord "Marktenhof";
4° In paragraaf 3, zesde lid, tweede zin, worden de woorden "hof van beroep te Brussel" vervangen door het woord "Marktenhof";
5° in paragraaf 5 worden de woorden "hof van beroep te Brussel" vervangen door het woord "Marktenhof".
1° In paragraaf 1 worden de woorden "hof van beroep te Brussel" vervangen door het woord "Marktenhof";
2° In paragraaf 3, vierde lid, worden de woorden "hof van beroep te Brussel" vervangen door het woord "Marktenhof";
3° In paragraaf 3, vijfde lid, worden de woorden "hof van beroep" vervangen door het woord "Marktenhof";
4° In paragraaf 3, zesde lid, tweede zin, worden de woorden "hof van beroep te Brussel" vervangen door het woord "Marktenhof";
5° in paragraaf 5 worden de woorden "hof van beroep te Brussel" vervangen door het woord "Marktenhof".
Art. 113. A l'article 2 de la loi du 12 mai 2004 organisant une procédure de recours dans le cadre de la protection contre le faux monnayage et du maintien de la qualité de la circulation fiduciaire, modifié par la loi du 18 juillet 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, les mots "cour d'appel de Bruxelles" sont remplacés par les mots "Cour des marchés";
2° dans le paragraphe 3, alinéa 4, les mots "cour d'appel de Bruxelles" sont remplacés par les mots "Cour des marchés";
3° dans le paragraphe 3, alinéa 5, les mots "cour d'appel" sont remplacés par les mots "Cour des marchés";
4° dans le paragraphe 3, alinéa 6, deuxième phrase, les mots "cour d'appel de Bruxelles" sont remplacés par les mots "Cour des marchés";
5° dans le paragraphe 5, les mots "cour d'appel de Bruxelles" sont remplacés par les mots "Cour des marchés".
1° dans le paragraphe 1er, les mots "cour d'appel de Bruxelles" sont remplacés par les mots "Cour des marchés";
2° dans le paragraphe 3, alinéa 4, les mots "cour d'appel de Bruxelles" sont remplacés par les mots "Cour des marchés";
3° dans le paragraphe 3, alinéa 5, les mots "cour d'appel" sont remplacés par les mots "Cour des marchés";
4° dans le paragraphe 3, alinéa 6, deuxième phrase, les mots "cour d'appel de Bruxelles" sont remplacés par les mots "Cour des marchés";
5° dans le paragraphe 5, les mots "cour d'appel de Bruxelles" sont remplacés par les mots "Cour des marchés".
HOOFDSTUK 21. - Wijziging van de wet van 9 juli 2004 houdende diverse bepalingen
CHAPITRE 21. - Modification de la loi du 9 juillet 2004 portant des dispositions diverses
Art. 114. In artikel 2 van de wet van 9 juli 2004 houdende diverse bepalingen worden de woorden "hof van beroep van Brussel" en de woorden "hof van beroep" vervangen door het woord "Marktenhof".
Art. 114. Dans l'article 2 de la loi du 9 juillet 2004 portant des dispositions diverses, les mots "cour d'appel de Bruxelles" et les mots "la cour d'appel" sont remplacés par les mots "Cour des marchés".
HOOFDSTUK 22. - Wijzigingen van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden
CHAPITRE 22. - Modifications de la loi de principes du 12 janvier 2005 concernant l'administration pénitentiaire ainsi que le statut juridique des détenus
Art. 115. In artikel 2 van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden, gewijzigd bij de wet 23 december 2005 en bij de wet van 5 mei 2014, die gewijzigd is bij de wet van 4 mei 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in de Franse tekst worden in de bepaling onder 17 de woorden "l'aile" vervangen door de woorden "une partie";
b) in de bepaling onder 18, tweede streepje, worden de woorden "of maatschappelijk assistent" ingevoegd tussen het woord "psycholoog" en de woorden "die met een opdracht".
a) in de Franse tekst worden in de bepaling onder 17 de woorden "l'aile" vervangen door de woorden "une partie";
b) in de bepaling onder 18, tweede streepje, worden de woorden "of maatschappelijk assistent" ingevoegd tussen het woord "psycholoog" en de woorden "die met een opdracht".
Art. 115. Dans l'article 2 de la loi de principes du 12 janvier 2005 concernant l'administration pénitentiaire ainsi que le statut juridique des détenus, modifié par la loi du 23 décembre 2005 et par la loi du 5 mai 2014 modifiée par la loi du 4 mai 2016, les modifications suivantes sont apportées :
a) dans le 17°, le mot "l'aile" est remplacé par les mots "une partie";
b) au 18°, deuxième tiret, les mots "ou l'assistant social" sont insérés entre le mot "psychologue" et les mots "attaché à la prison".
a) dans le 17°, le mot "l'aile" est remplacé par les mots "une partie";
b) au 18°, deuxième tiret, les mots "ou l'assistant social" sont insérés entre le mot "psychologue" et les mots "attaché à la prison".
Art. 116. In artikel 15, § 2, van dezelfde wet worden de bepalingen onder 4, 5 en 6 opgeheven.
Art. 116. Dans l'article 15, § 2, de la même loi, les 4°, 5° et 6° sont abrogés.
Art. 117. In artikel 17 van dezelfde wet worden de woorden "met de bestemming ervan zoals bepaald in artikel 15" vervangen door de woorden "met de bestemming of andere criteria zoals bepaald in artikel 14 of 15".
Art. 117. Dans l'article 17 de la même loi, les mots "de la destination qui y a été donnée comme prévu à l'article 15" sont remplacés par les mots "de la destination ou d'autres critères comme prévu à l'article 14 ou 15."
Art. 118. In artikel 18 van dezelfde wet wordt paragraaf 3 opgeheven.
Art. 118. Dans l'article 18 de la même loi, le paragraphe 3 est abrogé.
Art. 119. Artikel 21 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
"Art. 21. Bij de Kamer van volksvertegenwoordigers wordt een Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen opgericht, hierna de "Centrale Raad" genoemd.".
"Art. 21. Bij de Kamer van volksvertegenwoordigers wordt een Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen opgericht, hierna de "Centrale Raad" genoemd.".
Art. 119. L'article 21 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
"Art. 21. Il est institué auprès de la Chambre des représentants un Conseil central de surveillance pénitentiaire, dénommé ci-après "Conseil central".
"Art. 21. Il est institué auprès de la Chambre des représentants un Conseil central de surveillance pénitentiaire, dénommé ci-après "Conseil central".
Art. 120. Artikel 22 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
"Art. 22. De Centrale Raad heeft tot taak :
1° een onafhankelijk toezicht te houden op de gevangenissen, op de bejegening van de gedetineerden en op de naleving van de hen betreffende voorschriften;
2° aan de Kamer van volksvertegenwoordigers, aan de minister bevoegd voor Justitie en aan de minister bevoegd voor de penitentiaire gezondheidszorg, hetzij ambtshalve, hetzij op hun verzoek, advies te verlenen over het gevangeniswezen en de uitvoering van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen;
3° Commissies van toezicht, zoals bedoeld in artikel 26, op te richten en de werking ervan te ondersteunen, te coördineren en te controleren;
4° jaarlijks ten behoeve van de Kamer van volksvertegenwoordigers en van de minister bevoegd voor Justitie en de minister bevoegd voor de penitentiaire gezondheidszorg, een verslag op te stellen betreffende de gevangenissen, de bejegening van gedetineerden en de naleving van de hen betreffende voorschriften. Het verslag omvat onder meer alle adviezen die conform de bepaling onder 2° zijn uitgebracht, een beleidsplan en de jaarverslagen zoals bepaald in artikel 26, § 2, 4°.
Het verslag is publiek.
Het ontwerp van verslag wordt voorafgaandelijk aan de bekendmaking bezorgd aan de minister bevoegd voor Justitie en aan de minister bevoegd voor de penitentiaire gezondheidszorg, die binnen een termijn van twee maanden vanaf datum van ontvangst hun gebeurlijke bemerkingen bezorgen.".
"Art. 22. De Centrale Raad heeft tot taak :
1° een onafhankelijk toezicht te houden op de gevangenissen, op de bejegening van de gedetineerden en op de naleving van de hen betreffende voorschriften;
2° aan de Kamer van volksvertegenwoordigers, aan de minister bevoegd voor Justitie en aan de minister bevoegd voor de penitentiaire gezondheidszorg, hetzij ambtshalve, hetzij op hun verzoek, advies te verlenen over het gevangeniswezen en de uitvoering van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen;
3° Commissies van toezicht, zoals bedoeld in artikel 26, op te richten en de werking ervan te ondersteunen, te coördineren en te controleren;
4° jaarlijks ten behoeve van de Kamer van volksvertegenwoordigers en van de minister bevoegd voor Justitie en de minister bevoegd voor de penitentiaire gezondheidszorg, een verslag op te stellen betreffende de gevangenissen, de bejegening van gedetineerden en de naleving van de hen betreffende voorschriften. Het verslag omvat onder meer alle adviezen die conform de bepaling onder 2° zijn uitgebracht, een beleidsplan en de jaarverslagen zoals bepaald in artikel 26, § 2, 4°.
Het verslag is publiek.
Het ontwerp van verslag wordt voorafgaandelijk aan de bekendmaking bezorgd aan de minister bevoegd voor Justitie en aan de minister bevoegd voor de penitentiaire gezondheidszorg, die binnen een termijn van twee maanden vanaf datum van ontvangst hun gebeurlijke bemerkingen bezorgen.".
Art. 120. L'article 22 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
"Art. 22. Le Conseil central a pour mission :
1° d'exercer un contrôle indépendant sur les prisons, sur le traitement réservé aux détenus et sur le respect des règles les concernant;
2° de soumettre à la Chambre des représentants, au ministre qui a la Justice dans ses attributions et au ministre qui a les soins des santé pénitentiaires dans ses attributions, soit d'office, soit à la demande de ceux-ci, des avis sur l'administration des établissements pénitentiaires et sur l'exécution des peines et mesures privatives de liberté;
3° de créer des Commissions de surveillance telles que visées à l'article 26 et en assurer l'appui, la coordination et le contrôle de fonctionnement;
4° de rédiger pour la Chambre des représentants et le ministre qui a la Justice dans ses attributions et le ministre qui a les soins de santé pénitentiaires dans ses attributions un rapport concernant les prisons, le traitement réservé aux détenus et le respect des règles les concernant. Le rapport contient notamment tous les avis rendus conformément au 2°, un plan stratégique et les rapports annuels prévus à l'article 26, § 2, 4°.
Le rapport est public.
Le projet de rapport est transmis avant la publication au ministre qui a la Justice dans ses attributions et au ministre qui a les soins de santé pénitentiaires dans ses attributions, lesquels communiquent leurs éventuelles remarques dans un délai de deux mois à compter de la date de réception.".
"Art. 22. Le Conseil central a pour mission :
1° d'exercer un contrôle indépendant sur les prisons, sur le traitement réservé aux détenus et sur le respect des règles les concernant;
2° de soumettre à la Chambre des représentants, au ministre qui a la Justice dans ses attributions et au ministre qui a les soins des santé pénitentiaires dans ses attributions, soit d'office, soit à la demande de ceux-ci, des avis sur l'administration des établissements pénitentiaires et sur l'exécution des peines et mesures privatives de liberté;
3° de créer des Commissions de surveillance telles que visées à l'article 26 et en assurer l'appui, la coordination et le contrôle de fonctionnement;
4° de rédiger pour la Chambre des représentants et le ministre qui a la Justice dans ses attributions et le ministre qui a les soins de santé pénitentiaires dans ses attributions un rapport concernant les prisons, le traitement réservé aux détenus et le respect des règles les concernant. Le rapport contient notamment tous les avis rendus conformément au 2°, un plan stratégique et les rapports annuels prévus à l'article 26, § 2, 4°.
Le rapport est public.
Le projet de rapport est transmis avant la publication au ministre qui a la Justice dans ses attributions et au ministre qui a les soins de santé pénitentiaires dans ses attributions, lesquels communiquent leurs éventuelles remarques dans un délai de deux mois à compter de la date de réception.".
Art. 121. Artikel 23 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 23 december 2005, wordt vervangen als volgt :
"Art. 23. § 1. Voor zover dit voor de uitoefening van hun taken noodzakelijk is, hebben de leden van de Centrale Raad vrije toegang tot alle plaatsen in de gevangenissen en, mits voorafgaandelijke instemming van de gedetineerde, tot de verblijfsruimte van de gedetineerde en hebben zij het recht om ter plaatse, behoudens wettelijk bepaalde uitzonderingen, alle op de gevangenis betrekking hebbende boeken en bescheiden in te zien, met inbegrip van het register van de tuchtsancties en, mits voorafgaandelijke schriftelijke instemming van de gedetineerde, alle stukken die individuele gegevens bevatten van de gedetineerde.
Zij zijn ertoe gehouden de geldende veiligheidsregels na te leven.
§ 2. Zij hebben het recht zonder controle briefwisseling te voeren met de gedetineerden en zonder toezicht in contact te treden met hen.
§ 3. Op verzoek van de voorzitter van de Centrale Raad brengt de directeur-generaal verslag uit over aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de Centrale Raad behoren. De directeur-generaal antwoordt binnen een termijn van twee maanden na ontvangst van het verzoek op de vragen om inlichtingen vanwege de Centrale Raad.".
"Art. 23. § 1. Voor zover dit voor de uitoefening van hun taken noodzakelijk is, hebben de leden van de Centrale Raad vrije toegang tot alle plaatsen in de gevangenissen en, mits voorafgaandelijke instemming van de gedetineerde, tot de verblijfsruimte van de gedetineerde en hebben zij het recht om ter plaatse, behoudens wettelijk bepaalde uitzonderingen, alle op de gevangenis betrekking hebbende boeken en bescheiden in te zien, met inbegrip van het register van de tuchtsancties en, mits voorafgaandelijke schriftelijke instemming van de gedetineerde, alle stukken die individuele gegevens bevatten van de gedetineerde.
Zij zijn ertoe gehouden de geldende veiligheidsregels na te leven.
§ 2. Zij hebben het recht zonder controle briefwisseling te voeren met de gedetineerden en zonder toezicht in contact te treden met hen.
§ 3. Op verzoek van de voorzitter van de Centrale Raad brengt de directeur-generaal verslag uit over aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de Centrale Raad behoren. De directeur-generaal antwoordt binnen een termijn van twee maanden na ontvangst van het verzoek op de vragen om inlichtingen vanwege de Centrale Raad.".
Art. 121. L'article 23 de la même loi, modifié par la loi du 23 décembre 2005, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 23. § 1er. Pour autant que cela soit nécessaire à l'accomplissement de leurs missions, les membres du Conseil central ont librement accès à tous les endroits des prisons et, moyennant autorisation préalable du détenu, à l'espace de séjour du détenu et ont le droit de consulter sur place, sauf exceptions prévues par la loi, tous les livres et documents se rapportant à la prison, y compris le registre des sanctions disciplinaires et, moyennant autorisation préalable écrite du détenu, toutes les pièces contenant des informations personnelles concernant le détenu.
Ils sont tenus de respecter les règles de sécurité en vigueur.
§ 2. Ils ont le droit d'entretenir une correspondance avec les détenus sans être contrôlés et d'entrer en contact avec eux sans être surveillés.
§ 3. A la demande du président du Conseil central, le directeur général fait rapport sur des questions relevant de la compétence du Conseil central. Le directeur général répond dans un délai de deux mois après réception à la demande d'informations émanant du Conseil central.".
"Art. 23. § 1er. Pour autant que cela soit nécessaire à l'accomplissement de leurs missions, les membres du Conseil central ont librement accès à tous les endroits des prisons et, moyennant autorisation préalable du détenu, à l'espace de séjour du détenu et ont le droit de consulter sur place, sauf exceptions prévues par la loi, tous les livres et documents se rapportant à la prison, y compris le registre des sanctions disciplinaires et, moyennant autorisation préalable écrite du détenu, toutes les pièces contenant des informations personnelles concernant le détenu.
Ils sont tenus de respecter les règles de sécurité en vigueur.
§ 2. Ils ont le droit d'entretenir une correspondance avec les détenus sans être contrôlés et d'entrer en contact avec eux sans être surveillés.
§ 3. A la demande du président du Conseil central, le directeur général fait rapport sur des questions relevant de la compétence du Conseil central. Le directeur général répond dans un délai de deux mois après réception à la demande d'informations émanant du Conseil central.".
Art. 122. Artikel 24 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 23 december 2005, wordt vervangen als volgt :
"Art. 24. § 1. De Centrale Raad bestaat uit twaalf leden en uit een gelijk aantal plaatsvervangers, die door de Kamer van volksvertegenwoordigers worden benoemd en afgezet.
Bij de samenstelling van de Centrale Raad wordt de taalpariteit in acht genomen.
§ 2. De leden worden benoemd op grond van hun deskundigheid of ervaring met betrekking tot de taken die aan de Centrale Raad worden toevertrouwd.
§ 3. De Centrale Raad is samengesteld uit ten minste :
1° twee Nederlandstaligen en twee Franstaligen die houder zijn van een diploma licentiaat of master in de rechtswetenschappen waaronder minstens één Nederlandstalige magistraat van de zetel en één Franstalige magistraat van de zetel;
2° een Nederlandstalige en een Franstalige arts.
§ 4. De Kamer van volksvertegenwoordigers wijst onder de leden van de Centrale Raad een vast bureau aan, bestaande uit twee Nederlandstalige leden en twee Franstalige leden, waarvan minstens één lid per taalrol houder is van een diploma licentiaat of master in de rechtswetenschappen.
De leden van het bureau oefenen hun ambt voltijds uit en kunnen geen enkele andere beroepsactiviteit uitoefenen tijdens de duur van hun mandaat. De Kamer van volksvertegenwoordigers kan afwijkingen op dat verbod toestaan op voorwaarde dat zij de betrokkene niet hinderen bij de behoorlijke uitoefening van zijn opdracht.
§ 5. De Kamer van volksvertegenwoordigers wijst één lid van het vast bureau aan als voorzitter en één lid als ondervoorzitter. De voorzitter en de ondervoorzitter dienen van een verschillende taalrol te zijn.
§ 6. Het lidmaatschap van de Centrale Raad is tijdens de duur van het mandaat onverenigbaar met :
1° het lidmaatschap van een Commissie van toezicht;
2° de uitoefening van een ambt bij of de uitvoering van een opdracht voor de penitentiaire administratie;
3° het uitoefenen van een functie bij de Beleidcel van een minister;
4° het uitoefenen van een verkozen mandaat of het lidmaatschap van een uitvoerend orgaan op Europees niveau, federaal niveau, gemeenschapsniveau of gewestniveau.
§ 7. De duur van het mandaat van de leden van de Centrale Raad is vastgesteld op vijf jaar. Het mandaat kan tweemaal hernieuwd worden.
§ 8. De Kamer van volksvertegenwoordigers kan een einde maken aan het mandaat van de leden van de Centrale Raad :
1° op hun verzoek;
2° om ernstige en dwingende redenen.".
"Art. 24. § 1. De Centrale Raad bestaat uit twaalf leden en uit een gelijk aantal plaatsvervangers, die door de Kamer van volksvertegenwoordigers worden benoemd en afgezet.
Bij de samenstelling van de Centrale Raad wordt de taalpariteit in acht genomen.
§ 2. De leden worden benoemd op grond van hun deskundigheid of ervaring met betrekking tot de taken die aan de Centrale Raad worden toevertrouwd.
§ 3. De Centrale Raad is samengesteld uit ten minste :
1° twee Nederlandstaligen en twee Franstaligen die houder zijn van een diploma licentiaat of master in de rechtswetenschappen waaronder minstens één Nederlandstalige magistraat van de zetel en één Franstalige magistraat van de zetel;
2° een Nederlandstalige en een Franstalige arts.
§ 4. De Kamer van volksvertegenwoordigers wijst onder de leden van de Centrale Raad een vast bureau aan, bestaande uit twee Nederlandstalige leden en twee Franstalige leden, waarvan minstens één lid per taalrol houder is van een diploma licentiaat of master in de rechtswetenschappen.
De leden van het bureau oefenen hun ambt voltijds uit en kunnen geen enkele andere beroepsactiviteit uitoefenen tijdens de duur van hun mandaat. De Kamer van volksvertegenwoordigers kan afwijkingen op dat verbod toestaan op voorwaarde dat zij de betrokkene niet hinderen bij de behoorlijke uitoefening van zijn opdracht.
§ 5. De Kamer van volksvertegenwoordigers wijst één lid van het vast bureau aan als voorzitter en één lid als ondervoorzitter. De voorzitter en de ondervoorzitter dienen van een verschillende taalrol te zijn.
§ 6. Het lidmaatschap van de Centrale Raad is tijdens de duur van het mandaat onverenigbaar met :
1° het lidmaatschap van een Commissie van toezicht;
2° de uitoefening van een ambt bij of de uitvoering van een opdracht voor de penitentiaire administratie;
3° het uitoefenen van een functie bij de Beleidcel van een minister;
4° het uitoefenen van een verkozen mandaat of het lidmaatschap van een uitvoerend orgaan op Europees niveau, federaal niveau, gemeenschapsniveau of gewestniveau.
§ 7. De duur van het mandaat van de leden van de Centrale Raad is vastgesteld op vijf jaar. Het mandaat kan tweemaal hernieuwd worden.
§ 8. De Kamer van volksvertegenwoordigers kan een einde maken aan het mandaat van de leden van de Centrale Raad :
1° op hun verzoek;
2° om ernstige en dwingende redenen.".
Art. 122. L'article 24 de la même loi, modifié par la loi du 23 décembre 2005, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 24. § 1er. Le Conseil central est composé de douze membres et d'un nombre équivalent de suppléants qui sont nommés et révoqués par la Chambre des représentants;
Pour la composition du Conseil central, il est tenu compte de la parité linguistique.
§ 2. Les membres sont nommés sur la base de leur compétence ou de leur expérience en rapport avec les missions qui sont confiées au Conseil central.
§ 3. Le Conseil central se compose d'au moins :
1° deux francophones et deux néerlandophones titulaires d'une licence ou d'un master en droit parmi lesquelles au moins un magistrat francophone du siège et un magistrat néerlandophone du siège;
2° un médecin francophone et un médecin néerlandophone.
§ 4. La Chambre des représentants désigne parmi les membres du Conseil central un bureau permanent, composé de deux membres francophones et de deux membres néerlandophones, dont au moins un membre par rôle linguistique est titulaire d'une licence ou d'un master en droit.
Les membres du bureau exercent leurs fonctions à temps plein et ne peuvent exercer aucune autre activité professionnelle pendant la durée de leur mandat. La Chambre des représentants peut accorder des dérogations à cette interdiction à condition qu'elles n'empêchent pas l'intéressé de s'acquitter dûment de sa mission.
§ 5. La Chambre des représentants désigne un des membres du bureau permanent en qualité de président et un autre en qualité de vice-président. Le président et le vice-président doivent appartenir à un rôle linguistique différent.
§ 6. Pendant la durée du mandat, l'appartenance au Conseil central est incompatible avec :
1° l'appartenance à une Commission de surveillance;
2° l'exercice d'une fonction auprès de l'administration pénitentiaire ou l'exécution d'une mission pour celle-ci;
3° l'exercice d'une fonction au sein de la cellule stratégique d'un ministre;
4° l'exercice d'un mandat électif ou l'appartenance à un organe exécutif européen, fédéral, communautaire ou régional.
§ 7. La durée du mandat des membres du Conseil central est fixée à cinq ans. Le mandat peut être renouvelé deux fois.
§ 8. La Chambre des représentants peut mettre fin au mandat des membres du Conseil central :
1° à leur demande;
2° pour des raisons graves et impérieuses.".
"Art. 24. § 1er. Le Conseil central est composé de douze membres et d'un nombre équivalent de suppléants qui sont nommés et révoqués par la Chambre des représentants;
Pour la composition du Conseil central, il est tenu compte de la parité linguistique.
§ 2. Les membres sont nommés sur la base de leur compétence ou de leur expérience en rapport avec les missions qui sont confiées au Conseil central.
§ 3. Le Conseil central se compose d'au moins :
1° deux francophones et deux néerlandophones titulaires d'une licence ou d'un master en droit parmi lesquelles au moins un magistrat francophone du siège et un magistrat néerlandophone du siège;
2° un médecin francophone et un médecin néerlandophone.
§ 4. La Chambre des représentants désigne parmi les membres du Conseil central un bureau permanent, composé de deux membres francophones et de deux membres néerlandophones, dont au moins un membre par rôle linguistique est titulaire d'une licence ou d'un master en droit.
Les membres du bureau exercent leurs fonctions à temps plein et ne peuvent exercer aucune autre activité professionnelle pendant la durée de leur mandat. La Chambre des représentants peut accorder des dérogations à cette interdiction à condition qu'elles n'empêchent pas l'intéressé de s'acquitter dûment de sa mission.
§ 5. La Chambre des représentants désigne un des membres du bureau permanent en qualité de président et un autre en qualité de vice-président. Le président et le vice-président doivent appartenir à un rôle linguistique différent.
§ 6. Pendant la durée du mandat, l'appartenance au Conseil central est incompatible avec :
1° l'appartenance à une Commission de surveillance;
2° l'exercice d'une fonction auprès de l'administration pénitentiaire ou l'exécution d'une mission pour celle-ci;
3° l'exercice d'une fonction au sein de la cellule stratégique d'un ministre;
4° l'exercice d'un mandat électif ou l'appartenance à un organe exécutif européen, fédéral, communautaire ou régional.
§ 7. La durée du mandat des membres du Conseil central est fixée à cinq ans. Le mandat peut être renouvelé deux fois.
§ 8. La Chambre des représentants peut mettre fin au mandat des membres du Conseil central :
1° à leur demande;
2° pour des raisons graves et impérieuses.".
Art. 123. Artikel 25 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
"Art. 25. § 1. De Centrale Raad wordt bijgestaan door een secretariaat dat naar taal paritair samengesteld is. De leden van het secretariaat zijn geen lid van de Centrale Raad.
§ 2. De voorzitter van de Centrale Raad geeft leiding aan het secretariaat.".
"Art. 25. § 1. De Centrale Raad wordt bijgestaan door een secretariaat dat naar taal paritair samengesteld is. De leden van het secretariaat zijn geen lid van de Centrale Raad.
§ 2. De voorzitter van de Centrale Raad geeft leiding aan het secretariaat.".
Art. 123. L'article 25 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
"Art. 25. § 1er. Le Conseil central est assisté par un secrétariat composé paritairement sur le plan linguistique. Les membres du secrétariat ne sont pas membres du Conseil central.
§ 2. Le président du Conseil central dirige le secrétariat.".
"Art. 25. § 1er. Le Conseil central est assisté par un secrétariat composé paritairement sur le plan linguistique. Les membres du secrétariat ne sont pas membres du Conseil central.
§ 2. Le président du Conseil central dirige le secrétariat.".
Art. 124. In titel III, hoofdstuk IV, afdeling II, van dezelfde wet wordt een artikel 25/1 ingevoegd, luidende :
"Art. 25/1. § 1. De Centrale Raad stelt zijn huishoudelijk reglement op.
Het reglement bepaalt in het bijzonder de wijze van oproeping van de leden, de wijze van beraadslaging en de wijze van controle van de werking van de Commissies van toezicht.
Het huishoudelijk reglement wordt goedgekeurd door de Kamer van volksvertegenwoordigers.
§ 2. De Centrale Raad houdt ten minste één zitting per maand, op bijeenroeping van zijn voorzitter of op verzoek van één derde van zijn leden. De Centrale Raad kan slechts vergaderen wanneer de helft plus één van de leden aanwezig is.
§ 3. De Centrale Raad stelt zowel voor haar werking als die van de Commissies van toezicht een deontologische code op.
§ 4. De artikelen 458 en 458bis van het Strafwetboek zijn van toepassing op de leden van de Centrale Raad en de leden van het secretariaat zonder afbreuk te doen aan de taak van de Centrale Raad.".
"Art. 25/1. § 1. De Centrale Raad stelt zijn huishoudelijk reglement op.
Het reglement bepaalt in het bijzonder de wijze van oproeping van de leden, de wijze van beraadslaging en de wijze van controle van de werking van de Commissies van toezicht.
Het huishoudelijk reglement wordt goedgekeurd door de Kamer van volksvertegenwoordigers.
§ 2. De Centrale Raad houdt ten minste één zitting per maand, op bijeenroeping van zijn voorzitter of op verzoek van één derde van zijn leden. De Centrale Raad kan slechts vergaderen wanneer de helft plus één van de leden aanwezig is.
§ 3. De Centrale Raad stelt zowel voor haar werking als die van de Commissies van toezicht een deontologische code op.
§ 4. De artikelen 458 en 458bis van het Strafwetboek zijn van toepassing op de leden van de Centrale Raad en de leden van het secretariaat zonder afbreuk te doen aan de taak van de Centrale Raad.".
Art. 124. Dans le titre III, chapitre IV, section II, de la même loi, il est inséré un article 25/1 rédigé comme suit :
"Art. 25/1. § 1er. Le Conseil central établit son règlement d'ordre intérieur.
Le règlement fixe en particulier les modalités de convocation des membres, les modalités de délibération et les modalités de contrôle du fonctionnement des Commissions de surveillance.
Le règlement d'ordre intérieur est approuvé par la Chambre des représentants.
§ 2. Le Conseil central se réunit au moins une fois par mois, sur convocation de son président ou à la demande d'un tiers de ses membres. Le Conseil central ne peut se réunir que si la moitié de ses membres plus un sont présents.
§ 3. Le Conseil central rédige un code de déontologie pour son propre fonctionnement, de même que pour celui des Commissions de surveillance.
§ 4. Les articles 458 et 458bis du Code pénal sont applicables aux membres du Conseil central et aux membres du secrétariat sans porter atteinte à la mission du Conseil central.".
"Art. 25/1. § 1er. Le Conseil central établit son règlement d'ordre intérieur.
Le règlement fixe en particulier les modalités de convocation des membres, les modalités de délibération et les modalités de contrôle du fonctionnement des Commissions de surveillance.
Le règlement d'ordre intérieur est approuvé par la Chambre des représentants.
§ 2. Le Conseil central se réunit au moins une fois par mois, sur convocation de son président ou à la demande d'un tiers de ses membres. Le Conseil central ne peut se réunir que si la moitié de ses membres plus un sont présents.
§ 3. Le Conseil central rédige un code de déontologie pour son propre fonctionnement, de même que pour celui des Commissions de surveillance.
§ 4. Les articles 458 et 458bis du Code pénal sont applicables aux membres du Conseil central et aux membres du secrétariat sans porter atteinte à la mission du Conseil central.".
Art. 125. In dezelfde afdeling II wordt een artikel 25/2 ingevoegd, luidende :
"Art. 25/2. § 1. De Centrale Raad stelt uit zijn leden een Franstalige en een Nederlandstalige Beroepscommissie samen, elk samengesteld uit drie leden.
De Centrale Raad wijst eveneens drie plaatsvervangende leden per taalrol aan.
Elke Beroepscommissie wordt voorgezeten door een magistraat van de zetel.
§ 2. De Beroepscommissie is belast met de behandeling van :
1° de beroepschriften ingediend tegen de uitspraken van de klachtencommissies zoals bepaald in artikel 31;
2° de beroepschriften ingediend tegen de beslissingen tot plaatsen in een individueel bijzonder veiligheidsregime, zoals bepaald in titel VI, hoofdstuk III, afdeling III;
3° de beroepschriften ingediend tegen de beslissingen die genomen worden naar aanleiding van bezwaarschriften tegen een plaatsing of overplaatsing, zoals bepaald in titel VIII, hoofdstuk III.
§ 3. Bij de behandeling van het beroepschrift wraakt de Beroepscommissie, ambtshalve, op vraag van één van de partijen of op vraag van het lid zelf, elk lid van de Beroepscommissie van wie de onafhankelijkheid ten aanzien van de behandeling van de klacht kan worden betwist.
"Art. 25/2. § 1. De Centrale Raad stelt uit zijn leden een Franstalige en een Nederlandstalige Beroepscommissie samen, elk samengesteld uit drie leden.
De Centrale Raad wijst eveneens drie plaatsvervangende leden per taalrol aan.
Elke Beroepscommissie wordt voorgezeten door een magistraat van de zetel.
§ 2. De Beroepscommissie is belast met de behandeling van :
1° de beroepschriften ingediend tegen de uitspraken van de klachtencommissies zoals bepaald in artikel 31;
2° de beroepschriften ingediend tegen de beslissingen tot plaatsen in een individueel bijzonder veiligheidsregime, zoals bepaald in titel VI, hoofdstuk III, afdeling III;
3° de beroepschriften ingediend tegen de beslissingen die genomen worden naar aanleiding van bezwaarschriften tegen een plaatsing of overplaatsing, zoals bepaald in titel VIII, hoofdstuk III.
§ 3. Bij de behandeling van het beroepschrift wraakt de Beroepscommissie, ambtshalve, op vraag van één van de partijen of op vraag van het lid zelf, elk lid van de Beroepscommissie van wie de onafhankelijkheid ten aanzien van de behandeling van de klacht kan worden betwist.
Art. 125. Dans la même section II, il est inséré un article 25/2 rédigé comme suit :
"Art. 25/2. § 1er. Le Conseil central constitue parmi ses membres une commission d'appel francophone et une commission d'appel néerlandophone, comprenant chacune trois membres.
Le Conseil central désigne également trois membres suppléants pour chaque rôle linguistique.
Chaque Commission d'appel est présidée par un magistrat du siège.
§ 2. La Commission d'appel est chargée d'examiner :
1° les recours introduits contre les décisions des commissions des plaintes, tel que déterminé à l'article 31;
2° les recours introduits contre les décisions de placement sous régime de sécurité particulier individuel, tel que prévu au titre VI, chapitre III, section III;
3° les recours introduits contre les décisions prises suite à des réclamations contre un placement ou un transfèrement, tel que prévu au titre VIII, chapitre III.
§ 3. Lors du traitement du recours, la Commission d'appel récuse tout membre de la Commission d'appel dont l'indépendance concernant le traitement de la plainte peut être contestée, et ce d'office, à la demande d'une des parties ou à la demande du membre lui-même.
"Art. 25/2. § 1er. Le Conseil central constitue parmi ses membres une commission d'appel francophone et une commission d'appel néerlandophone, comprenant chacune trois membres.
Le Conseil central désigne également trois membres suppléants pour chaque rôle linguistique.
Chaque Commission d'appel est présidée par un magistrat du siège.
§ 2. La Commission d'appel est chargée d'examiner :
1° les recours introduits contre les décisions des commissions des plaintes, tel que déterminé à l'article 31;
2° les recours introduits contre les décisions de placement sous régime de sécurité particulier individuel, tel que prévu au titre VI, chapitre III, section III;
3° les recours introduits contre les décisions prises suite à des réclamations contre un placement ou un transfèrement, tel que prévu au titre VIII, chapitre III.
§ 3. Lors du traitement du recours, la Commission d'appel récuse tout membre de la Commission d'appel dont l'indépendance concernant le traitement de la plainte peut être contestée, et ce d'office, à la demande d'une des parties ou à la demande du membre lui-même.
Art. 126. In dezelfde afdeling II wordt een artikel 25/3 ingevoegd, luidende :
"Art. 25/3. § 1. De Kamer van volksvertegenwoordigers stelt de bezoldiging van de leden van het bureau en de vergoeding van de leden van de Centrale Raad en van de leden van de commissies vast. Hetzelfde geldt voor de personeelsformatie en het statuut van de leden van het secretariaat.
De Kamer van volksvertegenwoordigers kan deze bezoldiging, deze vergoeding, deze personeelsformatie en dit statuut wijzigen, na het advies van de Centrale Raad te hebben ingewonnen.
§ 2. Voor de werking van de Centrale Raad en van de commissies van toezicht wordt een dotatie uitgetrokken op de algemene uitgavenbegroting van het Rijk.
De Centrale Raad stelt jaarlijks een ontwerp van begroting op voor zijn werking en de werking van de commissies van toezicht. Bijgestaan door het Rekenhof, onderzoekt de Kamer van volksvertegenwoordigers de gedetailleerde begrotingsvoorstellen van de Centrale Raad, keurt ze goed en controleert de uitvoering van zijn begroting. Zij onderzoekt ze en keurt daarenboven de gedetailleerde rekeningen goed.
De Centrale Raad hanteert voor zijn begroting en rekeningen een schema dat vergelijkbaar is met het schema van de begroting en rekeningen van de Kamer van volksvertegenwoordigers.".
"Art. 25/3. § 1. De Kamer van volksvertegenwoordigers stelt de bezoldiging van de leden van het bureau en de vergoeding van de leden van de Centrale Raad en van de leden van de commissies vast. Hetzelfde geldt voor de personeelsformatie en het statuut van de leden van het secretariaat.
De Kamer van volksvertegenwoordigers kan deze bezoldiging, deze vergoeding, deze personeelsformatie en dit statuut wijzigen, na het advies van de Centrale Raad te hebben ingewonnen.
§ 2. Voor de werking van de Centrale Raad en van de commissies van toezicht wordt een dotatie uitgetrokken op de algemene uitgavenbegroting van het Rijk.
De Centrale Raad stelt jaarlijks een ontwerp van begroting op voor zijn werking en de werking van de commissies van toezicht. Bijgestaan door het Rekenhof, onderzoekt de Kamer van volksvertegenwoordigers de gedetailleerde begrotingsvoorstellen van de Centrale Raad, keurt ze goed en controleert de uitvoering van zijn begroting. Zij onderzoekt ze en keurt daarenboven de gedetailleerde rekeningen goed.
De Centrale Raad hanteert voor zijn begroting en rekeningen een schema dat vergelijkbaar is met het schema van de begroting en rekeningen van de Kamer van volksvertegenwoordigers.".
Art. 126. Dans la même section II, il est inséré un article 25/3 rédigé comme suit :
"Art. 25/3. § 1er. La Chambre des représentants fixe la rémunération des membres du bureau et l'indemnité des membres du Conseil central et des membres des commissions. La même chose vaut pour la cadre organique et le statut des membres du secrétariat.
La Chambre des représentants peut modifier cette rémunération, cette indemnité, ce cadre et ce statut après avoir recueilli l'avis du Conseil central.
§ 2. Une dotation est inscrite au budget général des dépenses de l'Etat pour financer le fonctionnement du Conseil central et des commissions de surveillance.
Le Conseil central établit annuellement un projet de budget pour son fonctionnement et celui des commissions de surveillance. Assistée par la Cour des comptes, la Chambre des représentants examine les propositions budgétaires détaillées du Conseil central. Elle les approuve et contrôle l'exécution de son budget, elle examine et approuve en outre les comptes détaillés.
Pour son budget et ses comptes, le Conseil central utilise un schéma budgétaire et des comptes comparable à celui qui est utilisé par la Chambre des représentants.".
"Art. 25/3. § 1er. La Chambre des représentants fixe la rémunération des membres du bureau et l'indemnité des membres du Conseil central et des membres des commissions. La même chose vaut pour la cadre organique et le statut des membres du secrétariat.
La Chambre des représentants peut modifier cette rémunération, cette indemnité, ce cadre et ce statut après avoir recueilli l'avis du Conseil central.
§ 2. Une dotation est inscrite au budget général des dépenses de l'Etat pour financer le fonctionnement du Conseil central et des commissions de surveillance.
Le Conseil central établit annuellement un projet de budget pour son fonctionnement et celui des commissions de surveillance. Assistée par la Cour des comptes, la Chambre des représentants examine les propositions budgétaires détaillées du Conseil central. Elle les approuve et contrôle l'exécution de son budget, elle examine et approuve en outre les comptes détaillés.
Pour son budget et ses comptes, le Conseil central utilise un schéma budgétaire et des comptes comparable à celui qui est utilisé par la Chambre des représentants.".
Art. 127. Artikel 26 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
"Art. 26. § 1. De Centrale Raad richt bij elke gevangenis een Commissie van toezicht op en deelt dit mee aan de Kamer van volksvertegenwoordigers.
§ 2. De Commissie van toezicht heeft tot taak :
1° een onafhankelijk toezicht te houden op de gevangenis waarvoor ze bevoegd is, op de bejegening van de gedetineerden en op de naleving van de hen betreffende voorschriften;
2° aan de Centrale Raad, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek, advies en inlichtingen te geven betreffende aangelegenheden in de gevangenis die rechtstreeks of onrechtstreeks met het welzijn van de gedetineerden verband houden en voorstellen te doen die zij gepast acht;
3° te bemiddelen tussen de directeur en de gedetineerden omtrent problemen die ter kennis worden gebracht van de leden;
4° jaarlijks een verslag betreffende de gevangenis, de bejegening van gedetineerden en de naleving van de hen betreffende voorschriften op te stellen.".
"Art. 26. § 1. De Centrale Raad richt bij elke gevangenis een Commissie van toezicht op en deelt dit mee aan de Kamer van volksvertegenwoordigers.
§ 2. De Commissie van toezicht heeft tot taak :
1° een onafhankelijk toezicht te houden op de gevangenis waarvoor ze bevoegd is, op de bejegening van de gedetineerden en op de naleving van de hen betreffende voorschriften;
2° aan de Centrale Raad, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek, advies en inlichtingen te geven betreffende aangelegenheden in de gevangenis die rechtstreeks of onrechtstreeks met het welzijn van de gedetineerden verband houden en voorstellen te doen die zij gepast acht;
3° te bemiddelen tussen de directeur en de gedetineerden omtrent problemen die ter kennis worden gebracht van de leden;
4° jaarlijks een verslag betreffende de gevangenis, de bejegening van gedetineerden en de naleving van de hen betreffende voorschriften op te stellen.".
Art. 127. L'article 26 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
"Art. 26. § 1er. Le Conseil central institue une commission de surveillance auprès de chaque prison et en informe la Chambre des représentants.
§ 2. La Commission de surveillance a pour mission :
1° d'exercer un contrôle indépendant sur la prison pour laquelle elle est compétente, sur le traitement réservé aux détenus et sur le respect des règles les concernant;
2° de soumettre au Conseil central, soit d'office, soit sur demande, des avis et des informations concernant des questions qui, dans la prison, présentent un lien direct ou indirect avec le bien-être des détenus, et de formuler les propositions qu'elle juge appropriées;
3° d'assurer la médiation entre le directeur et les détenus concernant des problèmes qui sont portés à la connaissance des membres;
4° de rédiger un rapport annuel concernant la prison, le traitement réservé aux détenus et le respect des règles les concernant.".
"Art. 26. § 1er. Le Conseil central institue une commission de surveillance auprès de chaque prison et en informe la Chambre des représentants.
§ 2. La Commission de surveillance a pour mission :
1° d'exercer un contrôle indépendant sur la prison pour laquelle elle est compétente, sur le traitement réservé aux détenus et sur le respect des règles les concernant;
2° de soumettre au Conseil central, soit d'office, soit sur demande, des avis et des informations concernant des questions qui, dans la prison, présentent un lien direct ou indirect avec le bien-être des détenus, et de formuler les propositions qu'elle juge appropriées;
3° d'assurer la médiation entre le directeur et les détenus concernant des problèmes qui sont portés à la connaissance des membres;
4° de rédiger un rapport annuel concernant la prison, le traitement réservé aux détenus et le respect des règles les concernant.".
Art. 128. Artikel 27 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
"Art. 27. § 1. Voor zover dit voor de uitoefening van de taken noodzakelijk is, hebben de leden van de Commissies van toezicht vrije toegang tot alle plaatsen in de gevangenis en, mits voorafgaandelijke instemming van de gedetineerde, tot de verblijfsruimte van de gedetineerde en hebben zij het recht om ter plaatse, behoudens wettelijk bepaalde uitzonderingen, alle op de gevangenis betrekking hebbende boeken en bescheiden in te zien, met inbegrip van het register van de tuchtsancties en, mits voorafgaandelijke schriftelijke instemming van de gedetineerde, van alle stukken die individuele gegevens bevatten van de gedetineerde.
Zij zijn ertoe gehouden de geldende veiligheidsregels na te leven.
§ 2. Ze hebben het recht zonder controle briefwisseling te voeren met de gedetineerden en zonder toezicht in contact te treden met hen.
§ 3. Op verzoek van de voorzitter van de Commissie van toezicht brengt de directeur verslag uit over de aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de Commissie behoren. De directeur antwoordt uiterlijk binnen een maand na ontvangst van het verzoek op de vragen om inlichtingen vanwege de Commissie van toezicht.".
"Art. 27. § 1. Voor zover dit voor de uitoefening van de taken noodzakelijk is, hebben de leden van de Commissies van toezicht vrije toegang tot alle plaatsen in de gevangenis en, mits voorafgaandelijke instemming van de gedetineerde, tot de verblijfsruimte van de gedetineerde en hebben zij het recht om ter plaatse, behoudens wettelijk bepaalde uitzonderingen, alle op de gevangenis betrekking hebbende boeken en bescheiden in te zien, met inbegrip van het register van de tuchtsancties en, mits voorafgaandelijke schriftelijke instemming van de gedetineerde, van alle stukken die individuele gegevens bevatten van de gedetineerde.
Zij zijn ertoe gehouden de geldende veiligheidsregels na te leven.
§ 2. Ze hebben het recht zonder controle briefwisseling te voeren met de gedetineerden en zonder toezicht in contact te treden met hen.
§ 3. Op verzoek van de voorzitter van de Commissie van toezicht brengt de directeur verslag uit over de aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de Commissie behoren. De directeur antwoordt uiterlijk binnen een maand na ontvangst van het verzoek op de vragen om inlichtingen vanwege de Commissie van toezicht.".
Art. 128. L'article 27 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
"Art. 27. § 1er. Pour autant que cela soit nécessaire à l'accomplissement des missions, les membres des Commissions de surveillance ont librement accès à tous les endroits de la prison et, moyennant autorisation préalable du détenu, à l'espace de séjour du détenu et ont le droit de consulter sur place, sauf exceptions prévues par la loi, tous les livres et documents se rapportant à la prison, y compris le registre des sanctions disciplinaires et, moyennant autorisation écrite préalable du détenu, à toutes les pièces contenant des informations personnelles concernant le détenu.
Ils sont tenus de respecter les règles de sécurité en vigueur.
§ 2. Ils ont le droit d'entretenir une correspondance avec les détenus sans être contrôlés et d'entrer en contact avec eux sans être surveillés.
§ 3. A la demande du président de la Commission de surveillance, le directeur fait rapport sur les questions relevant de la compétence de la Commission. Le directeur répond au plus tard dans le mois de la réception de la demande d'informations émanant de la Commission de surveillance.".
"Art. 27. § 1er. Pour autant que cela soit nécessaire à l'accomplissement des missions, les membres des Commissions de surveillance ont librement accès à tous les endroits de la prison et, moyennant autorisation préalable du détenu, à l'espace de séjour du détenu et ont le droit de consulter sur place, sauf exceptions prévues par la loi, tous les livres et documents se rapportant à la prison, y compris le registre des sanctions disciplinaires et, moyennant autorisation écrite préalable du détenu, à toutes les pièces contenant des informations personnelles concernant le détenu.
Ils sont tenus de respecter les règles de sécurité en vigueur.
§ 2. Ils ont le droit d'entretenir une correspondance avec les détenus sans être contrôlés et d'entrer en contact avec eux sans être surveillés.
§ 3. A la demande du président de la Commission de surveillance, le directeur fait rapport sur les questions relevant de la compétence de la Commission. Le directeur répond au plus tard dans le mois de la réception de la demande d'informations émanant de la Commission de surveillance.".
Art. 129. Artikel 28 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 5 mei 2014, wordt vervangen als volgt :
"Art. 28. § 1. Elke Commissie van toezicht bestaat uit ten minste acht en maximum twaalf leden en uit een gelijk aantal plaatsvervangende leden. Ze worden voor een termijn van vijf jaar, die tweemaal hernieuwbaar is, door de Centrale Raad benoemd, na schriftelijk advies van de voorzitter van de Commissie van toezicht.
§ 2. Elke Commissie van toezicht telt onder haar leden ten minste :
1° twee personen die houder zijn van een diploma licentiaat of master in de rechtswetenschappen;
2° een arts.
§ 3. De Centrale Raad wijst, op voordracht van de Commissie van toezicht, bij elke Commissie van toezicht één lid aan als voorzitter en één lid als ondervoorzitter.
Voor de Commissies van toezicht bij een gevangenis gelegen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, behoren de voorzitter en de ondervoorzitter tot een verschillende taalrol.
§ 4. Het lidmaatschap van een Commissie van toezicht is tijdens de duur van het mandaat onverenigbaar met :
1° het lidmaatschap van de Centrale Raad;
2° de uitoefening van een ambt bij of de uitvoering van een opdracht voor de penitentiaire administratie;
3° de uitoefening van een ambt bij de strafuitvoeringsrechtbank;
4° de uitoefening van een ambt bij de Beleidscel van een minister;
5° het uitoefenen van een verkozen mandaat of het lidmaatschap van een uitvoerend orgaan op Europees niveau, federaal niveau, gemeenschapsniveau of gewestniveau.
§ 5. De Centrale Raad kan een einde maken aan het mandaat van de leden :
1° op hun verzoek;
2° om ernstige en dwingende redenen.".
"Art. 28. § 1. Elke Commissie van toezicht bestaat uit ten minste acht en maximum twaalf leden en uit een gelijk aantal plaatsvervangende leden. Ze worden voor een termijn van vijf jaar, die tweemaal hernieuwbaar is, door de Centrale Raad benoemd, na schriftelijk advies van de voorzitter van de Commissie van toezicht.
§ 2. Elke Commissie van toezicht telt onder haar leden ten minste :
1° twee personen die houder zijn van een diploma licentiaat of master in de rechtswetenschappen;
2° een arts.
§ 3. De Centrale Raad wijst, op voordracht van de Commissie van toezicht, bij elke Commissie van toezicht één lid aan als voorzitter en één lid als ondervoorzitter.
Voor de Commissies van toezicht bij een gevangenis gelegen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, behoren de voorzitter en de ondervoorzitter tot een verschillende taalrol.
§ 4. Het lidmaatschap van een Commissie van toezicht is tijdens de duur van het mandaat onverenigbaar met :
1° het lidmaatschap van de Centrale Raad;
2° de uitoefening van een ambt bij of de uitvoering van een opdracht voor de penitentiaire administratie;
3° de uitoefening van een ambt bij de strafuitvoeringsrechtbank;
4° de uitoefening van een ambt bij de Beleidscel van een minister;
5° het uitoefenen van een verkozen mandaat of het lidmaatschap van een uitvoerend orgaan op Europees niveau, federaal niveau, gemeenschapsniveau of gewestniveau.
§ 5. De Centrale Raad kan een einde maken aan het mandaat van de leden :
1° op hun verzoek;
2° om ernstige en dwingende redenen.".
Art. 129. L'article 28 de la même loi, modifié par la loi du 5 mai 2014, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 28. § 1er. Chaque Commission de surveillance se compose d'un minimum de huit et d'un maximum de douze membres et d'un nombre égal de membres suppléants. Ils sont nommés par le Conseil central pour un terme de cinq ans, renouvelable deux fois, après avis écrit du président de la Commission de surveillance.
§ 2. Chaque Commission de surveillance compte parmi ses membres au moins :
1° deux personnes titulaires d'une licence ou d'un master en droit;
2° un médecin.
§ 3. Le Conseil central désigne, sur proposition de la Commission de surveillance, dans chaque Commission de surveillance, l'un des membres en qualité de président et un autre en qualité de vice-président.
Pour les commissions de surveillance instituées auprès d'une prison située dans la Région de Bruxelles-Capitale, le président et le vice-président appartiennent à un rôle linguistique différent.
§ 4. Pendant la durée du mandat, l'appartenance à une commission de surveillance est incompatible avec :
1° l'appartenance au Conseil central;
2° l'exercice d'une fonction auprès de l'administration pénitentiaire ou l'exécution d'une mission pour celle-ci;
3° l'exercice d'une fonction au sein du tribunal de l'application des peines;
4° l'exercice d'une fonction au sein de la Cellule stratégique d'un ministre;
5° l'exercice d'un mandat électif ou l'appartenance à un organe exécutif européen, fédéral, communautaire ou régional.
§ 5. Le Conseil central peut mettre fin au mandat des membres :
1° à leur demande;
2° pour des raisons graves et impérieuses.".
"Art. 28. § 1er. Chaque Commission de surveillance se compose d'un minimum de huit et d'un maximum de douze membres et d'un nombre égal de membres suppléants. Ils sont nommés par le Conseil central pour un terme de cinq ans, renouvelable deux fois, après avis écrit du président de la Commission de surveillance.
§ 2. Chaque Commission de surveillance compte parmi ses membres au moins :
1° deux personnes titulaires d'une licence ou d'un master en droit;
2° un médecin.
§ 3. Le Conseil central désigne, sur proposition de la Commission de surveillance, dans chaque Commission de surveillance, l'un des membres en qualité de président et un autre en qualité de vice-président.
Pour les commissions de surveillance instituées auprès d'une prison située dans la Région de Bruxelles-Capitale, le président et le vice-président appartiennent à un rôle linguistique différent.
§ 4. Pendant la durée du mandat, l'appartenance à une commission de surveillance est incompatible avec :
1° l'appartenance au Conseil central;
2° l'exercice d'une fonction auprès de l'administration pénitentiaire ou l'exécution d'une mission pour celle-ci;
3° l'exercice d'une fonction au sein du tribunal de l'application des peines;
4° l'exercice d'une fonction au sein de la Cellule stratégique d'un ministre;
5° l'exercice d'un mandat électif ou l'appartenance à un organe exécutif européen, fédéral, communautaire ou régional.
§ 5. Le Conseil central peut mettre fin au mandat des membres :
1° à leur demande;
2° pour des raisons graves et impérieuses.".
Art. 130. Artikel 29 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
"Art. 29. § 1. Elke Commissie van toezicht wordt bijgestaan door een secretaris en een plaatsvervangend secretaris, die niet behoren tot de penitentiaire administratie. Zij worden op voordracht van de Commissie van toezicht aangewezen door de Centrale Raad.
§ 2. De aanwijzing van secretaris of plaatsvervangend secretaris van de Commissie van toezicht kan om ernstige redenen bij gemotiveerde beslissing worden opgeheven door de Centrale Raad.
§ 3. De taak van de secretaris wordt bepaald door de voorzitter van de Commissie van toezicht.".
"Art. 29. § 1. Elke Commissie van toezicht wordt bijgestaan door een secretaris en een plaatsvervangend secretaris, die niet behoren tot de penitentiaire administratie. Zij worden op voordracht van de Commissie van toezicht aangewezen door de Centrale Raad.
§ 2. De aanwijzing van secretaris of plaatsvervangend secretaris van de Commissie van toezicht kan om ernstige redenen bij gemotiveerde beslissing worden opgeheven door de Centrale Raad.
§ 3. De taak van de secretaris wordt bepaald door de voorzitter van de Commissie van toezicht.".
Art. 130. L'article 29 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
"Art. 29. § 1er. Chaque Commission de surveillance est assistée par un secrétaire et un secrétaire suppléant, qui n'appartiennent pas à l'administration pénitentiaire. Ils sont désignés par le Conseil central sur proposition de la Commission de surveillance.
§ 2. Il peut être mis fin à la désignation du secrétaire ou du secrétaire suppléant de la Commission de surveillance par décision motivée du Conseil central pour des raisons graves.
§ 3. La mission du secrétaire est fixée par le président de la Commission de surveillance.".
"Art. 29. § 1er. Chaque Commission de surveillance est assistée par un secrétaire et un secrétaire suppléant, qui n'appartiennent pas à l'administration pénitentiaire. Ils sont désignés par le Conseil central sur proposition de la Commission de surveillance.
§ 2. Il peut être mis fin à la désignation du secrétaire ou du secrétaire suppléant de la Commission de surveillance par décision motivée du Conseil central pour des raisons graves.
§ 3. La mission du secrétaire est fixée par le président de la Commission de surveillance.".
Art. 131. Artikel 30 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 23 december 2005, wordt vervangen als volgt :
"Art. 30. § 1. Elke Commissie van toezicht stelt haar huishoudelijk reglement op, dat ter goedkeuring wordt voorgelegd aan de Centrale Raad. Het reglement bepaalt in het bijzonder de wijze van oproeping van de leden en de wijze van beraadslaging.
§ 2. De Commissie van toezicht houdt ten minste één zitting per maand. De Commissie kan slechts vergaderen wanneer de helft plus één van de leden aanwezig is.
§ 3. Eén of meer leden van de Commissie van toezicht zijn er beurtelings mee belast gedurende één maand tenminste éénmaal per week als maandcommissaris de gevangenis of gevangenissen waarbij zij zijn ingericht te bezoeken, inzonderheid met het oog op de uitoefening van de taken bedoeld in artikel 26, § 2, 1°.
De maandcommissarissen houden wekelijks spreekuur ten behoeve van de gedetineerden.
§ 4. De artikelen 458 en 458bis van het Strafwetboek zijn van toepassing op de leden van de Commissie van toezicht en de leden van het secretariaat zonder afbreuk te doen aan de taak van de Commissie voor toezicht.".
"Art. 30. § 1. Elke Commissie van toezicht stelt haar huishoudelijk reglement op, dat ter goedkeuring wordt voorgelegd aan de Centrale Raad. Het reglement bepaalt in het bijzonder de wijze van oproeping van de leden en de wijze van beraadslaging.
§ 2. De Commissie van toezicht houdt ten minste één zitting per maand. De Commissie kan slechts vergaderen wanneer de helft plus één van de leden aanwezig is.
§ 3. Eén of meer leden van de Commissie van toezicht zijn er beurtelings mee belast gedurende één maand tenminste éénmaal per week als maandcommissaris de gevangenis of gevangenissen waarbij zij zijn ingericht te bezoeken, inzonderheid met het oog op de uitoefening van de taken bedoeld in artikel 26, § 2, 1°.
De maandcommissarissen houden wekelijks spreekuur ten behoeve van de gedetineerden.
§ 4. De artikelen 458 en 458bis van het Strafwetboek zijn van toepassing op de leden van de Commissie van toezicht en de leden van het secretariaat zonder afbreuk te doen aan de taak van de Commissie voor toezicht.".
Art. 131. L'article 30 de la même loi, modifié par la loi du 23 décembre 2005, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 30. § 1er. Chaque Commission de surveillance établit son règlement intérieur, qu'elle soumet à l'approbation du Conseil central. Le règlement fixe en particulier les modalités de convocation des membres et de délibération.
§ 2. La Commission de surveillance se réunit au moins une fois par mois. La Commission ne peut se réunir que si la moitié de ses membres plus un sont présents.
§ 3. Un ou plusieurs membres de la Commission de surveillance sont chargés à tour de rôle, pendant un mois et à raison d'au moins une fois par semaine, de visiter en qualité de commissaire de mois la ou les prisons auprès desquelles la commission est établie, en particulier afin d'accomplir les missions visées à l'article 26, § 2, 1°.
Les commissaires de mois organisent chaque semaine une permanence pour les détenus.
§ 4. Les articles 458 et 458bis du Code pénal sont applicables aux membres de la Commission de surveillance et aux membres du secrétariat sans porter atteinte à la mission de la Commission de surveillance.".
"Art. 30. § 1er. Chaque Commission de surveillance établit son règlement intérieur, qu'elle soumet à l'approbation du Conseil central. Le règlement fixe en particulier les modalités de convocation des membres et de délibération.
§ 2. La Commission de surveillance se réunit au moins une fois par mois. La Commission ne peut se réunir que si la moitié de ses membres plus un sont présents.
§ 3. Un ou plusieurs membres de la Commission de surveillance sont chargés à tour de rôle, pendant un mois et à raison d'au moins une fois par semaine, de visiter en qualité de commissaire de mois la ou les prisons auprès desquelles la commission est établie, en particulier afin d'accomplir les missions visées à l'article 26, § 2, 1°.
Les commissaires de mois organisent chaque semaine une permanence pour les détenus.
§ 4. Les articles 458 et 458bis du Code pénal sont applicables aux membres de la Commission de surveillance et aux membres du secrétariat sans porter atteinte à la mission de la Commission de surveillance.".
Art. 132. Artikel 31 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
"Art. 31. § 1. Elke Commissie van toezicht stelt uit haar leden een Klachtencommissie van drie leden samen, voorgezeten door een persoon die houder is van een diploma licentiaat of master in de rechtswetenschappen.
In geval van verhindering van een of meer leden van de Klachtencommissie wijst de voorzitter de leden van de Commissie van toezicht aan die hen kunnen vervangen.
§ 2. De leden van de Klachtencommissie zijn uitsluitend belast met de behandeling van de klachten, zoals bepaald in titel VIII, hoofdstuk I.
§ 3. Bij de behandeling van de klacht wraakt de Klachtencommissie, ambtshalve, op vraag van een van de partijen of op vraag van het lid zelf, elk lid van wie de onafhankelijkheid ten aanzien van de behandeling van de klacht kan worden betwist.".
"Art. 31. § 1. Elke Commissie van toezicht stelt uit haar leden een Klachtencommissie van drie leden samen, voorgezeten door een persoon die houder is van een diploma licentiaat of master in de rechtswetenschappen.
In geval van verhindering van een of meer leden van de Klachtencommissie wijst de voorzitter de leden van de Commissie van toezicht aan die hen kunnen vervangen.
§ 2. De leden van de Klachtencommissie zijn uitsluitend belast met de behandeling van de klachten, zoals bepaald in titel VIII, hoofdstuk I.
§ 3. Bij de behandeling van de klacht wraakt de Klachtencommissie, ambtshalve, op vraag van een van de partijen of op vraag van het lid zelf, elk lid van wie de onafhankelijkheid ten aanzien van de behandeling van de klacht kan worden betwist.".
Art. 132. L'article 31 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
"Art. 31. § 1er. Chaque Commission de surveillance constitue parmi ses membres une Commission des plaintes de trois membres, présidée par une personne titulaire d'une licence ou d'un master en droit.
En cas d'empêchement d'un ou plusieurs membres de la commission des plaintes, le président désigne les membres de la Commission de surveillance qui peuvent les remplacer.
§ 2. Les membres de la Commission des plaintes sont uniquement chargés du traitement des plaintes tel que prévu au titre VIII, chapitre Ier.
§ 3. Lors du traitement d'une plainte, la Commission des plaintes récuse tout membre dont l'indépendance concernant le traitement de la plainte peut être contestée, et ce, d'office, à la demande d'une des parties ou à la demande du membre lui-même.".
"Art. 31. § 1er. Chaque Commission de surveillance constitue parmi ses membres une Commission des plaintes de trois membres, présidée par une personne titulaire d'une licence ou d'un master en droit.
En cas d'empêchement d'un ou plusieurs membres de la commission des plaintes, le président désigne les membres de la Commission de surveillance qui peuvent les remplacer.
§ 2. Les membres de la Commission des plaintes sont uniquement chargés du traitement des plaintes tel que prévu au titre VIII, chapitre Ier.
§ 3. Lors du traitement d'une plainte, la Commission des plaintes récuse tout membre dont l'indépendance concernant le traitement de la plainte peut être contestée, et ce, d'office, à la demande d'une des parties ou à la demande du membre lui-même.".
Art. 133. In titel III, hoofdstuk IV, afdeling III, van dezelfde wet wordt een artikel 31/1 ingevoegd, luidende :
"Art. 31/1. De Kamer van volksvertegenwoordigers stelt de vergoeding en het statuut van de leden van de commissies van toezicht, van de leden van de klachtencommissies en van de secretarissen vast.
De Kamer van volksvertegenwoordigers kan deze vergoeding en dat statuut wijzigen, na het advies van de Centrale Raad te hebben ingewonnen.".
"Art. 31/1. De Kamer van volksvertegenwoordigers stelt de vergoeding en het statuut van de leden van de commissies van toezicht, van de leden van de klachtencommissies en van de secretarissen vast.
De Kamer van volksvertegenwoordigers kan deze vergoeding en dat statuut wijzigen, na het advies van de Centrale Raad te hebben ingewonnen.".
Art. 133. Dans le titre III, chapitre IV, section III, de la même loi, il est inséré un article 31/1 rédigé comme suit :
"Art. 31/1. La Chambre des représentants fixe l'indemnité et le statut des membres des commissions de surveillance, des membres des commissions des plaintes et des secrétaires.
La Chambre des représentants peut modifier cette indemnité et ce statut après avoir sollicité l'avis du Conseil central.".
"Art. 31/1. La Chambre des représentants fixe l'indemnité et le statut des membres des commissions de surveillance, des membres des commissions des plaintes et des secrétaires.
La Chambre des représentants peut modifier cette indemnité et ce statut après avoir sollicité l'avis du Conseil central.".
Art. 134. In artikel 35, § 2, van dezelfde wet worden de woorden "een door de Koning vast te stellen formulier" vervangen door de woorden "het dossier van de veroordeelde".
Art. 134. Dans l'article 35, § 2, de la même loi, les mots "un formulaire dont le modèle sera arrêté par le Roi" sont remplacés par les mots "le dossier du condamné".
Art. 135. In artikel 36 van dezelfde wet wordt paragraaf 3 opgeheven.
Art. 135. Dans l'article 36 de la même loi le paragraphe 3 est abrogé.
Art. 136. Artikel 37 van dezelfde wet wordt opgeheven.
Art. 136. L'article 37 de la même loi est abrogé.
Art. 137. In artikel 38 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 worden de woorden "tot 37" vervangen door de woorden "en 36";
2° paragraaf 2 wordt opgeheven;
3° paragraaf 5 wordt opgeheven.
1° in paragraaf 1 worden de woorden "tot 37" vervangen door de woorden "en 36";
2° paragraaf 2 wordt opgeheven;
3° paragraaf 5 wordt opgeheven.
Art. 137. A l'article 38 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, les mots "à 37" sont remplacés par les mots "et 36";
2° le paragraphe 2 est abrogé;
3° le paragraphe 5 est abrogé.
1° dans le paragraphe 1er, les mots "à 37" sont remplacés par les mots "et 36";
2° le paragraphe 2 est abrogé;
3° le paragraphe 5 est abrogé.
Art. 138. Artikel 40 van dezelfde wet wordt opgeheven.
Art. 138. L'article 40 de la même loi est abrogé.
Art. 139. In artikel 48 van dezelfde wet waarvan de tekst van paragraaf 1 het enige lid wordt, wordt paragraaf 2 opgeheven.
Art. 139. Dans l'article 48 de la même loi, dont le texte du paragraphe 1er constitue l'alinéa unique, le paragraphe 2 est abrogé.
Art. 140. Artikel 65 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
"Art. 65. Elk telecommunicatiemiddel dat niet ter beschikking wordt gesteld van de gedetineerden door de penitentiaire administratie of dat niet toegelaten is door of krachtens deze wet, is verboden.".
"Art. 65. Elk telecommunicatiemiddel dat niet ter beschikking wordt gesteld van de gedetineerden door de penitentiaire administratie of dat niet toegelaten is door of krachtens deze wet, is verboden.".
Art. 140. L'article 65 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
"Art. 65. Tout moyen de télécommunication qui n'est pas mis à disposition des détenus par l'administration pénitentiaire ou autorisé par ou en vertu de la présente loi, est interdit.".
"Art. 65. Tout moyen de télécommunication qui n'est pas mis à disposition des détenus par l'administration pénitentiaire ou autorisé par ou en vertu de la présente loi, est interdit.".
Art. 141. In artikel 72 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 20 juli 2006, waarvan de tekst van paragraaf 1 het enige lid zal vormen, wordt paragraaf 2 opgeheven.
Art. 141. Dans l'article 72 de la même loi, remplacé par la loi du 20 juillet 2006, dont le texte du paragraphe 1er constituera l'alinéa unique, le paragraphe 2 est abrogé.
Art. 142. In artikel 73, § 1, van dezelfde wet worden de woorden "72, § 1," vervangen door het woord "72".
Art. 142. Dans l'article 73, § 1er, de la même loi, les mots "72, § 1er" sont remplacés par le mot "72".
Art. 143. In artikel 108 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 1 juli 2013 en gedeeltelijk vernietigd bij arrest nr. 20/2014 van het Grondwettelijk Hof, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "door daartoe door de directeur gemandateerde leden van het bewakingspersoneel, overeenkomstig de door hem gegeven richtlijnen" vervangen door de woorden "door leden van het bewakingspersoneel, overeenkomstig de door de directeur gegeven richtlijnen";
2° in paragraaf 2, derde lid, worden de woorden "daartoe door de directeur gemandateerde personeelsleden" vervangen door de woorden "leden van het bewakingspersoneel".
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "door daartoe door de directeur gemandateerde leden van het bewakingspersoneel, overeenkomstig de door hem gegeven richtlijnen" vervangen door de woorden "door leden van het bewakingspersoneel, overeenkomstig de door de directeur gegeven richtlijnen";
2° in paragraaf 2, derde lid, worden de woorden "daartoe door de directeur gemandateerde personeelsleden" vervangen door de woorden "leden van het bewakingspersoneel".
Art. 143. A l'article 108 de la même loi, modifié par la loi du 1er juillet 2013 et partiellement annulé par l'arrêt n° 20/2014 de la Cour constitutionnelle, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots "par les membres du personnel de surveillance mandatés à cet effet par le directeur, conformément aux directives données par celui-ci" sont remplacés par les mots "par les membres du personnel de surveillance, conformément aux directives données par le directeur";
2° au paragraphe 2, alinéa 3, les mots "de surveillance" sont insérés entre les mots "du personnel" et "du même sexe" et les mots ", mandatés à cet effet par le directeur" sont abrogés.
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots "par les membres du personnel de surveillance mandatés à cet effet par le directeur, conformément aux directives données par celui-ci" sont remplacés par les mots "par les membres du personnel de surveillance, conformément aux directives données par le directeur";
2° au paragraphe 2, alinéa 3, les mots "de surveillance" sont insérés entre les mots "du personnel" et "du même sexe" et les mots ", mandatés à cet effet par le directeur" sont abrogés.
Art. 144. In artikel 109, § 1, eerste lid, van dezelfde wet worden de woorden "daartoe door de directeur gemandateerde personeelsleden" vervangen door de woorden "de leden van het bewakingspersoneel".
Art. 144. A l'article 109, § 1er, alinéa 1er, de la même loi, les mots "des membres du personnel mandatés à cet effet par le directeur" sont remplacés par les mots "les membres du personnel de surveillance".
Art. 145. In artikel 147 van dezelfde wet worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden "wensen, voorstellen en" opgeheven;
2° het tweede lid wordt opgeheven.
1° in het eerste lid worden de woorden "wensen, voorstellen en" opgeheven;
2° het tweede lid wordt opgeheven.
Art. 145. A l'article 147 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er les mots "des souhaits, des propositions et" sont abrogés;
2° l'alinéa 2 est abrogé.
1° dans l'alinéa 1er les mots "des souhaits, des propositions et" sont abrogés;
2° l'alinéa 2 est abrogé.
Art. 146. In artikel 148 van dezelfde wet worden de woorden "Onverminderd de mogelijkheid tot het uiten van informele klachten bij de Commissie van toezicht" vervangen door de woorden "Onverminderd de mogelijkheid voor een gedetineerde om zich te richten tot de directie en de Commissie van toezicht".
Art. 146. A l'article 148 de la même loi, les mots "Sans préjudice de la possibilité de se plaindre de manière informelle auprès de la Commission de surveillance" sont remplacés par les mots "Sans préjudice de la possibilité pour un détenu de s'adresser à la direction et à la Commission de surveillance".
Art. 147. In artikel 150, § 4, van dezelfde wet worden de woorden "overeenkomstig door de Koning vast te stellen regels" opgeheven.
Art. 147. A l'article 150, § 4, de la même loi, les mots ", conformément aux règles à établir par le Roi" sont abrogés.
Art. 148. In de Franse tekst van artikel 152, § 1, van dezelfde wet wordt het woord "Après" vervangen door het woord "Dès".
Art. 148. Dans l'article 152, § 1er, de la même loi, le mot "Après" est remplacé par le mot "Dès".
Art. 149. In artikel 153, § 1, van dezelfde wet worden de woorden "ambtshalve of op voorstel van de directeur" vervangen door de woorden "behoudens verzet van de directeur".
Art. 149. A l'article 153, § 1er, de la même loi, les mots "d'office ou sur proposition du directeur" sont remplacés par les mots "sauf opposition du directeur".
Art. 150. In artikel 155, § 2, van dezelfde wet worden de woorden "overeenkomstig door de Koning te stellen regels" opgeheven.
Art. 150. A l'article 155, § 2, de la même loi, les mots "conformément aux règles fixées par le Roi" sont abrogés.
Art. 151. In artikel 156 van dezelfde wet worden de woorden "op verzoek van de klager" opgeheven.
Art. 151. A l'article 156 de la même loi, les mots "à la demande du plaignant et" sont abrogés.
Art. 152. In artikel 157, § 3, van dezelfde wet, wordt de tweede zin die aanvangt met de woorden "De minister stelt" en eindigt met de woorden "kan worden afgeleid." opgeheven.
Art. 152. Dans l'article 157, § 3, de la même loi, la deuxième phrase commençant par les mots "Le ministre détermine" et finissant par les mots "d'identifier le détenu." est abrogée.
Art. 153. In artikel 161, § 2, van dezelfde wet worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de inleidende zin worden de woorden "dat de Beroepscommissie kan bepalen" opgeheven;
2° in de bepaling onder 2° worden de woorden "in de gevangenis" ingevoegd tussen de woorden "de Beroepscommissie" en de woorden "kunnen worden gemaakt".
1° in de inleidende zin worden de woorden "dat de Beroepscommissie kan bepalen" opgeheven;
2° in de bepaling onder 2° worden de woorden "in de gevangenis" ingevoegd tussen de woorden "de Beroepscommissie" en de woorden "kunnen worden gemaakt".
Art. 153. A l'article 161, § 2, de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans la phrase préliminaire, les mots "que la Commission d'appel peut décider" sont supprimés;
2° dans le 2°, les mots "dans la prison" sont insérés entre les mots "peuvent être formulées" et "à un membre de la commission".
1° dans la phrase préliminaire, les mots "que la Commission d'appel peut décider" sont supprimés;
2° dans le 2°, les mots "dans la prison" sont insérés entre les mots "peuvent être formulées" et "à un membre de la commission".
Art. 154. In artikel 162 van dezelfde wet wordt paragraaf 2 opgeheven.
Art. 154. Dans l'article 162 de la même loi le paragraphe 2 est abrogé.
Art. 155. In artikel 164, § 2, van dezelfde wet wordt het woord "zeven" vervangen door het woord "veertien".
Art. 155. A l'article 164, § 2, de la même loi le mot "sept" est remplacé par le mot "quatorze".
Art. 156. In artikel 166 van dezelfde wet wordt paragraaf 1 vervangen als volgt :
" § 1. Ten aanzien van de behandeling van het beroepschrift zijn de artikelen 154 en 155 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in deze procedure de directeur-generaal of zijn gemachtigde optreedt en dat alle opmerkingen schriftelijk geformuleerd worden.".
" § 1. Ten aanzien van de behandeling van het beroepschrift zijn de artikelen 154 en 155 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in deze procedure de directeur-generaal of zijn gemachtigde optreedt en dat alle opmerkingen schriftelijk geformuleerd worden.".
Art. 156. Dans l'article 166 de la même loi le paragraphe 1er est remplacé comme suit :
" § 1er. Les articles 154 et 155 sont applicables par analogie à l'examen du recours, étant entendu que c'est le directeur-général ou son délégué qui agit dans cette procédure et que toutes les observations doivent être formulées par écrit.".
" § 1er. Les articles 154 et 155 sont applicables par analogie à l'examen du recours, étant entendu que c'est le directeur-général ou son délégué qui agit dans cette procédure et que toutes les observations doivent être formulées par écrit.".
HOOFDSTUK 23. - Wijziging van de wet van 6 juli 2005 betreffende sommige juridische bepalingen inzake elektronische communicatie
CHAPITRE 23. - Modification de la loi du 6 juillet 2005 relative à certaines dispositions judiciaires en matière de communications électroniques
Art. 157. In artikel 2 van de wet van 6 juli 2005 betreffende sommige juridische bepalingen inzake elektronische communicatie, gewijzigd bij de wet van 26 maart 2014, worden de woorden "hof van beroep te Brussel" telkens vervangen door het woord "Marktenhof".
Art. 157. Dans l'article 2 de la loi du 6 juillet 2005 relative à certaines dispositions judiciaires en matière de communications électroniques, modifié par la loi du 26 mars 2014, les mots "cour d'appel de Bruxelles" sont remplacés chaque fois par les mots "Cour des marchés".
HOOFDSTUK 24. - Wijziging van de wet van 1 april 2007 op de openbare overnamebiedingen
CHAPITRE 24. - Modification de la loi du 1er avril 2007 relative aux offres publiques d'acquisition
Art. 158. In de wet van 1 april 2007 op de openbare overnamebiedingen, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 oktober 2016, worden de woorden "hof van beroep te Brussel", "hof van beroep van Brussel" en "hof van beroep" telkens vervangen door het woord "Marktenhof", behalve in de volgende bepalingen :
1° artikel 41, § 3, eerste lid;
2° artikel 41, § 3, tweede lid, 5° ;
3° artikel 41, § 3, derde lid;
4° artikel 41, § 3, vijfde lid, eerste zin.
1° artikel 41, § 3, eerste lid;
2° artikel 41, § 3, tweede lid, 5° ;
3° artikel 41, § 3, derde lid;
4° artikel 41, § 3, vijfde lid, eerste zin.
Art. 158. Dans la loi du 1er avril 2007 relative aux offres publiques d'acquisition, modifiée en dernier lieu par la loi du 25 octobre 2016, les mots "cour d'appel de Bruxelles" et "cour d'appel" sont chaque fois remplacés par les mots "Cour des marchés", sauf dans les dispositions suivantes :
1° l'article 41, § 3, alinéa 1er;
2° l'article 41, § 3, alinéa 2, 5° ;
3° l'article 41, § 3, alinéa 3;
4° l'article 41, § 3, alinéa 5, première phrase.
1° l'article 41, § 3, alinéa 1er;
2° l'article 41, § 3, alinéa 2, 5° ;
3° l'article 41, § 3, alinéa 3;
4° l'article 41, § 3, alinéa 5, première phrase.
HOOFDSTUK 25. - Wijziging van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit der ondernemingen
CHAPITRE 25. - Modification de la loi du 31 janvier 2009 relative à la continuité des entreprises
Art. 159. In artikel 11 van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit der ondernemingen, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden "het beheerscomité en van het toezichtscomité" vervangen door de woorden "de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer";
2° in het tweede lid worden de woorden "dezelfde comités" vervangen door de woorden "de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer".
1° in het eerste lid worden de woorden "het beheerscomité en van het toezichtscomité" vervangen door de woorden "de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer";
2° in het tweede lid worden de woorden "dezelfde comités" vervangen door de woorden "de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer".
Art. 159. A l'article 11 de la loi du 31 janvier 2009 relative à la continuité des entreprises, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, les mots "du comité de gestion et du comité de surveillance" sont remplacés par les mots "de la Commission de la protection de la vie privée";
2° dans l'alinéa 2, les mots "des mêmes comités" sont remplacés par les mots "de la Commission de la protection de la vie privée".
1° dans l'alinéa 1er, les mots "du comité de gestion et du comité de surveillance" sont remplacés par les mots "de la Commission de la protection de la vie privée";
2° dans l'alinéa 2, les mots "des mêmes comités" sont remplacés par les mots "de la Commission de la protection de la vie privée".
HOOFDSTUK 26. - Wijzigingen van het Wetboek van economisch recht
CHAPITRE 26. - Modifications du Code de droit économique
Art. 161. In artikel VI.83 van het Wetboek van economisch recht, ingevoegd bij de wet van 21 december 2013 en gewijzigd bij de wet van 26 oktober 2015, wordt de bepaling onder 23 opgeheven.
Art. 161. Dans l'article VI.83 du Code de droit économique, inséré par la loi du 21 décembre 2013 et modifié par la loi du 26 octobre 2015, le 23° est abrogé.
Art. 162. In artikel XIV.50 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 15 mei 2014 en gewijzigd bij de wet van 26 oktober 2015, wordt de bepaling onder 23 opgeheven.
Art. 162. Dans l'article XIV.50 du même Code, inséré par la loi du 15 mai 2014 et modifié par la loi du 26 octobre 2015, le 23° est abrogé.
HOOFDSTUK 27. - Wijzigingen van de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex
CHAPITRE 27. - Modifications de la loi du 30 août 2013 portant le Code ferroviaire
Art. 163. In artikel 221/1 van de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex, ingevoegd bij de wet van 30 augustus 2013, worden de woorden "hof van beroep te Brussel" telkens vervangen door het woord "Marktenhof".
Art. 163. Dans l'article 221/1 de la loi du 30 août 2013 portant le Code ferroviaire, inséré par la loi du 30 août 2013, les mots "cour d'appel de Bruxelles" sont chaque fois remplacés par les mots "Cour des marchés".
Art. 164. In artikel 221/2 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 30 augustus 2013, worden de woorden "hof van beroep te Brussel" vervangen door het woord "Marktenhof".
Art. 164. Dans l'article 221/2 de la même loi, inséré par la loi du 30 août 2013, les mots "cour d'appel de Bruxelles" sont remplacés par les mots "Cour des marchés".
Art. 165. In artikel 221/3 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 30 augustus 2013, worden de woorden "hof van beroep te Brussel" en "hof van beroep van Brussel" telkens vervangen door het woord "Marktenhof".
Art. 165. Dans l'article 221/3 de la même loi, inséré par la loi du 30 août 2013, les mots "cour d'appel de Bruxelles" sont chaque fois remplacés par les mots "Cour des marchés".
Art. 166. In artikel 221/5 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 30 augustus 2013, worden de woorden "hof van beroep te Brussel" vervangen door het woord "Marktenhof".
Art. 166. Dans l'article 221/5 de la même loi, inséré par la loi du 30 août 2013, les mots "cour d'appel de Bruxelles" sont remplacés par les mots "Cour des marchés".
HOOFDSTUK 28. - Wijzigingen van de wet van 1 december 2013 tot hervorming van de gerechtelijke arrondissementen en tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op een grotere mobiliteit van de leden van de rechterlijke orde
CHAPITRE 28. - Modifications de la loi du 1er décembre 2013 portant réforme des arrondissements judiciaires et modifiant le Code judiciaire en vue de renforcer la mobilité des membres de l'ordre judiciaire
Art. 167. In de wet van 1 december 2013 tot hervorming van de gerechtelijke arrondissementen en tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op een grotere mobiliteit van de leden van de rechterlijke orde wordt in de plaats van artikel 152, vernietigd bij arrest nr. 139/2015 van het Grondwettelijk Hof, het als volgt luidende artikel 152 ingevoegd :
"Art. 152. Magistraten die op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet bij toepassing van artikel 100 van het Gerechtelijk Wetboek benoemd zijn in of bij verschillende rechtbanken van eerste aanleg van het rechtsgebied van het hof van beroep en die door deze wet deel uitmaken van verschillende rechtbanken van eerste aanleg van dat rechtsgebied, zijn van rechtswege benoemd in een rechtbank van eerste aanleg of een parket waarin zij benoemd waren op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet en, in subsidiaire orde, in alle rechtbanken van eerste aanleg of parketten van het rechtsgebied van het hof van beroep, zonder toepassing van artikel 287sexies van hetzelfde Wetboek en zonder nieuwe eedaflegging.".
"Art. 152. Magistraten die op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet bij toepassing van artikel 100 van het Gerechtelijk Wetboek benoemd zijn in of bij verschillende rechtbanken van eerste aanleg van het rechtsgebied van het hof van beroep en die door deze wet deel uitmaken van verschillende rechtbanken van eerste aanleg van dat rechtsgebied, zijn van rechtswege benoemd in een rechtbank van eerste aanleg of een parket waarin zij benoemd waren op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet en, in subsidiaire orde, in alle rechtbanken van eerste aanleg of parketten van het rechtsgebied van het hof van beroep, zonder toepassing van artikel 287sexies van hetzelfde Wetboek en zonder nieuwe eedaflegging.".
Art. 167. Dans la loi du 1er décembre 2013 portant réforme des arrondissements judiciaires et modifiant le Code judiciaire en vue de renforcer la mobilité des membres de l'ordre judiciaire, à la place de l'article 152 annulé par l'arrêt n° 139/2015 de la Cour constitutionnelle, il est inséré un article 152 rédigé comme suit :
"Art. 152. Les magistrats qui, au moment de l'entrée en vigueur de la présente loi, sont nommés, en application de l'article 100 du Code judiciaire, à ou près de différents tribunaux de première instance du ressort de la cour d'appel et qui, conformément à la présente loi, font partie de différents tribunaux de première instance de ce ressort, sont de plein droit nommés dans un tribunal de première instance ou un parquet dans lequel ils étaient nommés au moment de l'entrée en vigueur de la présente loi et, à titre subsidiaire, dans tous les tribunaux de première instance ou parquets du ressort de la cour d'appel, sans qu'il soit fait application de l'article 287sexies du même Code et sans nouvelle prestation de serment.".
"Art. 152. Les magistrats qui, au moment de l'entrée en vigueur de la présente loi, sont nommés, en application de l'article 100 du Code judiciaire, à ou près de différents tribunaux de première instance du ressort de la cour d'appel et qui, conformément à la présente loi, font partie de différents tribunaux de première instance de ce ressort, sont de plein droit nommés dans un tribunal de première instance ou un parquet dans lequel ils étaient nommés au moment de l'entrée en vigueur de la présente loi et, à titre subsidiaire, dans tous les tribunaux de première instance ou parquets du ressort de la cour d'appel, sans qu'il soit fait application de l'article 287sexies du même Code et sans nouvelle prestation de serment.".
Art. 168. Artikel 156, eerste lid, van dezelfde wet wordt aangevuld met de volgende zin :
"De op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet in de vredegerechten benoemde personeelsleden van niveau A en B worden ambtshalve herbenoemd in het gerechtelijk arrondissement, zonder toepassing van artikel 287sexies van het Gerechtelijk Wetboek en zonder nieuwe eedaflegging.".
"De op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet in de vredegerechten benoemde personeelsleden van niveau A en B worden ambtshalve herbenoemd in het gerechtelijk arrondissement, zonder toepassing van artikel 287sexies van het Gerechtelijk Wetboek en zonder nieuwe eedaflegging.".
Art. 168. L'article 156, alinéa 1er, de la même loi est complété par la phrase suivante :
"Les membres du personnel de niveau A et B nommés dans les justices de paix au moment de l'entrée en vigueur de la présente loi sont renommés d'office dans l'arrondissement judiciaire sans qu'il soit fait application de l'article 287sexies du Code judiciaire et sans nouvelle prestation de serment.".
"Les membres du personnel de niveau A et B nommés dans les justices de paix au moment de l'entrée en vigueur de la présente loi sont renommés d'office dans l'arrondissement judiciaire sans qu'il soit fait application de l'article 287sexies du Code judiciaire et sans nouvelle prestation de serment.".
HOOFDSTUK 29. - Wijziging van de wet van 4 mei 2016 houdende internering en diverse bepalingen inzake Justitie
CHAPITRE 29. - Modification de la loi du 4 mai 2016 relative à l'internement et à diverses dispositions en matière de Justice
Art. 169. In artikel 130 van de wet van 4 mei 2016 houdende internering en diverse bepalingen inzake Justitie, worden de bepalingen onder 6 en 7 opgeheven.
Art. 169. Dans l'article 130 de la loi du 4 mai 2016 relatif à l'internement et à diverses dispositions en matière de Justice, les 6° et 7° sont abrogés.
Art. 170. In artikel 258, eerste lid, van dezelfde wet worden de woorden "zes maanden" vervangen door de woorden "één jaar".
Art. 170. Dans l'article 258, alinéa 1er, de la même loi les mots "de six mois" sont remplacés par les mots "d'un an".
HOOFDSTUK 30. - Wijzigingen van de wet van 1 december 2016 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en de faillissementswet van 8 augustus 1997 met het oog op de invoering van het Centraal Register Solvabiliteit
CHAPITRE 30. - Modifications de la loi du 1er décembre 2016 modifiant le Code judiciaire et la loi du 8 août 1997 sur les faillites en vue d'introduire le Registre Central de la Solvabilité
Art. 171. In artikel 10 van de wet van 1 december 2016 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en de faillissementswet van 8 augustus 1997 met het oog op de invoering van het Centraal Register Solvabiliteit worden in het artikel 5/6, § 1, van de faillissementswet van 8 augustus 1997 tussen de woorden "worden door" en de woorden "het beheer" de woorden "de inrichting en" ingevoegd.
Art. 171. Dans l'article 10 de la loi du 1er décembre modifiant le Code judiciaire et la loi du 8 août 1997 sur les faillites, sont insérés, dans l'article 5/6, § 1er, de la loi du 8 août 1997 sur les faillites les mots "l'organisation et" sont insérés entre les mots "engendrés par" et les mots "la gestion du".
Art. 172. In artikel 18 van dezelfde wet worden in de bepaling onder b), tweede lid, de woorden "neer bij de curator" vervangen door de woorden "aangetekend of tegen ontvangstbewijs op het kantooradres van de curator zoals in het vonnis aangegeven neer".
Art. 172. Dans l'article 18, de la même loi, dans le b), alinéa 2, les mots "auprès du curateur les pièces visées à l'alinéa 1er" sont remplacés par les mots "les pièces visées à l'alinéa 1er par envoi recommandé ou contre récépissé à l'adresse du bureau du curateur telle que mentionnée dans le jugement".
Art. 173. Artikel 23 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
"De stukken van een faillissementsdossier die op het ogenblik van inwerkingtreding van deze wet in papieren vorm ter griffie worden gehouden, worden geacht deel uit te maken van het faillissementsdossier. Zij hoeven niet te worden opgeladen in het register en zijn raadpleegbaar ter griffie.".
"De stukken van een faillissementsdossier die op het ogenblik van inwerkingtreding van deze wet in papieren vorm ter griffie worden gehouden, worden geacht deel uit te maken van het faillissementsdossier. Zij hoeven niet te worden opgeladen in het register en zijn raadpleegbaar ter griffie.".
Art. 173. L'article 23 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
"Les pièces d'un dossier de faillite qui, au moment de l'entrée en vigueur de la présente loi, sont tenues au greffe sous format papier sont censées faire partie du dossier de la faillite. Elles ne doivent pas être chargées dans le registre et peuvent être consultées au greffe.".
"Les pièces d'un dossier de faillite qui, au moment de l'entrée en vigueur de la présente loi, sont tenues au greffe sous format papier sont censées faire partie du dossier de la faillite. Elles ne doivent pas être chargées dans le registre et peuvent être consultées au greffe.".
Art. 174. In artikel 24 van dezelfde wet worden de woorden "31 december 2016" vervangen door de woorden "1 april 2017".
Art. 174. Dans l'article 24 de la même loi, les mots "31 décembre 2016" sont remplacés par les mots "1er avril 2017".
HOOFDSTUK 31. - Opheffingsbepalingen
CHAPITRE 31. - Dispositions abrogatoires
Art. 175. De artikelen 4 tot 7 van de wet van 20 oktober 2000 tot invoering van het gebruik van telecommunicatiemiddelen en van de elektronische handtekening in de gerechtelijke en de buitengerechtelijke procedure worden opgeheven.
Art. 175. Les articles 4 à 7 de la loi du 20 octobre 2000 introduisant l'utilisation de moyens de télécommunication et de la signature électronique dans la procédure judiciaire et extrajudiciaire sont abrogés.
Art. 176. In de wet van 10 juli 2006 betreffende de elektronische procesvoering, worden de volgende artikelen opgeheven :
1° artikel 2, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 4 mei 2016;
2° artikel 3;
3° de artikelen 5 en 6;
4° artikel 8, gewijzigd bij de wet van 12 mei 2014;
5° artikel 11, gewijzigd bij de wet van 12 mei 2014;
6° artikel 12, gewijzigd bij de wet van 12 mei 2014;
7° artikel 13, gewijzigd bij de wet van 12 mei 2014;
8° artikel 14;
9° artikel 15, gewijzigd bij de wet van 13 augustus 2011;
10° de artikelen 16 tot 28;
11° artikel 38, gewijzigd bij de wet van 12 mei 2014.
1° artikel 2, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 4 mei 2016;
2° artikel 3;
3° de artikelen 5 en 6;
4° artikel 8, gewijzigd bij de wet van 12 mei 2014;
5° artikel 11, gewijzigd bij de wet van 12 mei 2014;
6° artikel 12, gewijzigd bij de wet van 12 mei 2014;
7° artikel 13, gewijzigd bij de wet van 12 mei 2014;
8° artikel 14;
9° artikel 15, gewijzigd bij de wet van 13 augustus 2011;
10° de artikelen 16 tot 28;
11° artikel 38, gewijzigd bij de wet van 12 mei 2014.
Art. 176. Dans la loi du 10 juillet 2006 relative à la procédure par voie électronique, les articles suivants sont abrogés :
1° l'article 2, modifié en dernier lieu par la loi du 4 mai 2016;
2° l'article 3;
3° les articles 5 et 6;
4° l'article 8, modifié par la loi du 5 mai 2014;
5° l'article 11, modifié par la loi du 5 mai 2014;
6° l'article 12, modifié par la loi du 5 mai 2014;
7° l'article 13, modifié par la loi du 5 mai 2014;
8° l'article 14;
9° l'article 15, modifié par la loi du 13 août 2011;
10° les articles 16 à 28;
11° l'article 38, modifié par la loi du 5 mai 2014.
1° l'article 2, modifié en dernier lieu par la loi du 4 mai 2016;
2° l'article 3;
3° les articles 5 et 6;
4° l'article 8, modifié par la loi du 5 mai 2014;
5° l'article 11, modifié par la loi du 5 mai 2014;
6° l'article 12, modifié par la loi du 5 mai 2014;
7° l'article 13, modifié par la loi du 5 mai 2014;
8° l'article 14;
9° l'article 15, modifié par la loi du 13 août 2011;
10° les articles 16 à 28;
11° l'article 38, modifié par la loi du 5 mai 2014.
Art. 177. De wet van 5 augustus 2006 tot wijziging van sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de elektronische procesvoering, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 4 mei 2016, wordt opgeheven.
Art. 177. La loi du 5 août 2006 modifiant certaines dispositions du Code judiciaire en vue de la procédure par voie électronique, modifiée en dernier lieu par la loi du 4 mai 2016, est abrogée.
Art. 178. Artikel 2, a) en b), van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit der ondernemingen worden opgeheven.
Art. 178. L'article 2, a) et b), de la loi du 31 janvier 2009 relative à la continuité des entreprises sont abrogés.
Art. 179. Artikel 145 van de wet van 1 december 2013 tot hervorming van de gerechtelijke arrondissementen en tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op een grotere mobiliteit van de leden van de rechterlijke orde, vervangen bij de wet van 8 mei 2014 en gewijzigd bij de wet van 10 augustus 2015, wordt opgeheven.
Art. 179. L'article 145 de la loi du 1er décembre 2013 portant réforme des arrondissements judiciaires et modifiant le Code judiciaire en vue de renforcer la mobilité des membres de l'ordre judiciaire, remplacé par la loi du 8 mai 2014 et modifié par la loi du 10 août 2015, est abrogé.
HOOFDSTUK 32. - Overgangsbepalingen
CHAPITRE 32. - Dispositions transitoires
Art. 180. Wanneer de partijen zijn overeengekomen om rechtsmacht te verlenen aan de voorzitter van de [1 ondernemingsrechtbank]1 of aan de vrederechter, overeenkomstig de artikelen 585, 588 en 594 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ze van toepassing waren voor de inwerkingtreding van deze wet, en zij geen overeenstemming kunnen bereiken over de aanwijzing van de arbiter of arbiters, zal worden gehandeld overeenkomstig artikel 1685, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek.
Modifications
Art. 180. Lorsque les parties ont convenu de donner pouvoir au président du tribunal de première instance, au président du [1 tribunal de l'entreprise]1 ou au juge de paix, conformément aux articles 585, 588 et 594 du Code judiciaire tels qu'applicables avant l'entrée en vigueur de la présente loi, et qu'elles ne peuvent s'accorder sur la désignation de l'arbitre ou des arbitres, il sera procédé conformément à l'article 1685, § 3, du Code judiciaire.
Modifications
Art. 181. De artikelen 79 en 80 zijn toepasselijk op de deskundigenonderzoeken die worden bevolen na de inwerkingtreding van deze wet.
Art. 181. Les articles 79 et 80 sont d'application sur les expertises qui sont ordonnées à partir de l'entrée en vigueur de la présente loi.
HOOFDSTUK 33. - Inwerkingtreding
CHAPITRE 33. - Entrée en vigueur
Art. 182. Artikel 66 heeft uitwerking met ingang van 13 mei 2016.
Artikel 167 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2016.
Hoofdstuk 30 en artikel 169 treden in werking op 30 december 2016.
De hoofdstukken 17 en 31 en de artikelen 63, 2°, en 159 treden in werking op 31 december 2016.
Hoofdstuk 6 en de artikelen 32 en 81 treden in werking op 1 januari 2017.
Artikel 167 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2016.
Hoofdstuk 30 en artikel 169 treden in werking op 30 december 2016.
De hoofdstukken 17 en 31 en de artikelen 63, 2°, en 159 treden in werking op 31 december 2016.
Hoofdstuk 6 en de artikelen 32 en 81 treden in werking op 1 januari 2017.
Art. 182. L'article 66 produit ses effets le 13 mai 2016.
L'article 167 produit ses effets le 1er septembre 2016.
Le chapitre 30 et l'article 169 entrent en vigueur le 30 décembre 2016.
Les chapitres 17 et 31 et les articles 63, 2°, et 159 entrent en vigueur le 31 décembre 2016.
Le chapitre 6 et les articles 32 et 81 entrent en vigueur le 1er janvier 2017.
L'article 167 produit ses effets le 1er septembre 2016.
Le chapitre 30 et l'article 169 entrent en vigueur le 30 décembre 2016.
Les chapitres 17 et 31 et les articles 63, 2°, et 159 entrent en vigueur le 31 décembre 2016.
Le chapitre 6 et les articles 32 et 81 entrent en vigueur le 1er janvier 2017.