Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1° minister : de minister bevoegd voor Justitie;
2° Instituut : het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie;
3° FOD : de Federale Overheidsdienst.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
21 SEPTEMBER 2016. - Koninklijk besluit tot vaststelling van de organieke voorschriften voor het financieel en materieel beheer van het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie, staatsdienst met boekhoudkundige autonomie
Titre
21 SEPTEMBRE 2016. - Arrêté royal fixant les règles organiques de la gestion financière et matérielle de l'Institut National de Criminalistique et de Criminologie comme service de l'Etat à comptabilité autonome
Informations sur le document
Numac: 2016009510
Datum: 2016-09-21
Info du document
Numac: 2016009510
Date: 2016-09-21
Table des matières
Tekst (28)
Texte (28)
HOOFDSTUK 1. - Definities en algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Définitions et dispositions générales
Article 1er. Pour l'application du présent arrêté, on entend par :
1° ministre : le ministre qui a la Justice dans ses attributions;
2° Institut : l'Institut National de Criminalistique et de Criminologie;
3° SPF : le Service Public Fédéral.
1° ministre : le ministre qui a la Justice dans ses attributions;
2° Institut : l'Institut National de Criminalistique et de Criminologie;
3° SPF : le Service Public Fédéral.
Art.2. De beheersorganen van het Instituut zijn de beheerscommissie, de ordonnateur en de rekenplichtige.
Art.2. Les organes de l'Institut sont la commission de gestion, l'ordonnateur et le comptable.
Art.3. Het Instituut valt onder het gezag van de minister.
Art.3. L'Institut est soumis à l'autorité du ministre.
HOOFDSTUK 2. - De beheerscommissie
CHAPITRE 2. - La commission de gestion
Art.4. De beheerscommissie is belast met :
1° het toezien op de optimale aanwending van de beschikbare middelen voor de verwezenlijking van het managementplan van de directeur-generaal van het Instituut of, in voorkomend geval, de bestuursovereenkomst afgesloten met de minister;
2° het opstellen van de begroting vóór het begin van het begrotingsjaar en het, zo nodig, aanpassen ervan in de loop van het begrotingsjaar;
3° het goedkeuren, samen met de initiële begroting, van het jaarlijks investeringsplan;
4° het goedkeuren van het jaarlijks activiteitenverslag;
5° het afsluiten van de rekeningen van het afgelopen begrotingsjaar;
6° het voorstellen, aan de minister, van de bepaling van de tarifering van de producten en diensten;
7° het in dienst nemen van het personeel bezoldigd ten laste van de begroting van de Staatsdienst met afzonderlijk beheer;
8° het nauwgezet beheren van de middelen en het patrimonium van de instelling.
1° het toezien op de optimale aanwending van de beschikbare middelen voor de verwezenlijking van het managementplan van de directeur-generaal van het Instituut of, in voorkomend geval, de bestuursovereenkomst afgesloten met de minister;
2° het opstellen van de begroting vóór het begin van het begrotingsjaar en het, zo nodig, aanpassen ervan in de loop van het begrotingsjaar;
3° het goedkeuren, samen met de initiële begroting, van het jaarlijks investeringsplan;
4° het goedkeuren van het jaarlijks activiteitenverslag;
5° het afsluiten van de rekeningen van het afgelopen begrotingsjaar;
6° het voorstellen, aan de minister, van de bepaling van de tarifering van de producten en diensten;
7° het in dienst nemen van het personeel bezoldigd ten laste van de begroting van de Staatsdienst met afzonderlijk beheer;
8° het nauwgezet beheren van de middelen en het patrimonium van de instelling.
Art.4. La commission de gestion est chargée :
1° de veiller à optimiser l'utilisation des moyens disponibles afin de réaliser le plan de management du directeur général de l'Institut ou, le cas échéant, le contrat d'administration conclu avec le ministre;
2° d'établir le budget d'un exercice avant le début de celui-ci et, le cas échéant, de l'adapter au cours de l'exercice;
3° d'approuver, en même temps que le budget initial, le plan annuel des investissements;
4° d'approuver le rapport annuel d'activités;
5° d'arrêter les comptes de l'exercice écoulé;
6° de proposer au ministre la fixation de la tarification des produits et services;
7° d'engager le personnel rémunéré à charge du budget du service de l'Etat à gestion séparée;
8° de gérer consciencieusement les ressources et le patrimoine de l'établissement.
1° de veiller à optimiser l'utilisation des moyens disponibles afin de réaliser le plan de management du directeur général de l'Institut ou, le cas échéant, le contrat d'administration conclu avec le ministre;
2° d'établir le budget d'un exercice avant le début de celui-ci et, le cas échéant, de l'adapter au cours de l'exercice;
3° d'approuver, en même temps que le budget initial, le plan annuel des investissements;
4° d'approuver le rapport annuel d'activités;
5° d'arrêter les comptes de l'exercice écoulé;
6° de proposer au ministre la fixation de la tarification des produits et services;
7° d'engager le personnel rémunéré à charge du budget du service de l'Etat à gestion séparée;
8° de gérer consciencieusement les ressources et le patrimoine de l'établissement.
Art.5. § 1. De beheerscommissie is samengesteld uit :
1° als stemgerechtigde leden :
a) de directeur-generaal van het Instituut of zijn plaatsvervanger;
b) de voorzitter van de FOD Justitie of zijn plaatsvervanger;
c) de voorzitter van de FOD Binnenlandse Zaken of zijn plaatsvervanger;
d) drie leden aangewezen door de minister die geen deel uitmaken en geen deel uitgemaakt hebben van het personeel van het Instituut en waarvan twee geen deel uitmaken en geen deel uitgemaakt hebben van het personeel van de FOD Justitie.
e) een directeur-generaal van een andere federale wetenschappelijke instelling;
f) het lid van het College van procureurs-generaal dat belast is met de materies van het Instituut.
2° als leden met raadgevende stem:
a) de bij de Minister geaccrediteerde Inspecteur van Financiën die belast is met de dossiers van het Instituut;
b) de leden van de directieraad van het Instituut;
c) de rekenplichtige van het Instituut;
d) een aan te wijzen onderzoeksrechter door het College van Hoven en Rechtbanken.
Een van de leden bedoeld in 1°, d), wordt aangesteld op basis van een lijst in dubbeltal opgesteld door de directeur-generaal van het Instituut.
Het mandaat van de leden bedoeld in 1° loopt over vier jaar en is hernieuwbaar.
De leden bedoeld in paragraaf 1, 1°, d) tot f), worden gekozen in functie van hun ervaring inzake beheer of op basis van hun kennis van het Instituut.
§ 2. Het lid van de beheerscommissie dat ontslag neemt of overlijdt, wordt onmiddellijk vervangen. Het nieuwe lid voltooit het mandaat van zijn voorganger.
§ 3. Het lid van de beheerscommissie bedoeld in § 1, 1°, d) dat, behalve om behoorlijk vastgestelde medische redenen, niet aan drie opeenvolgende vergaderingen van de beheerscommissie deelneemt, wordt als ontslagnemend beschouwd. Het lid wordt op dezelfde wijze vervangen als die vastgelegd in § 1, 1°, d). Hij beëindigt het mandaat van zijn voorganger.
§ 4. Het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten en het koninklijk besluit van 24 december 1964 tot vaststelling van de vergoedingen wegens verblijfkosten toegekend aan de leden van het personeel der federale overheidsdiensten, zijn van toepassing op de leden van de beheerscommissie bedoeld in § 1, 1°, d), die daartoe gelijkgesteld worden met Rijksambtenaren van de klasse A4.
§ 5. De beheerscommissie kan iedere persoon uitnodigen om aan haar werkzaamheden deel te nemen wegens zijn ervaring op het gebied van de behandelde materie(s). In dat geval heeft deze persoon een raadgevende stem.
1° als stemgerechtigde leden :
a) de directeur-generaal van het Instituut of zijn plaatsvervanger;
b) de voorzitter van de FOD Justitie of zijn plaatsvervanger;
c) de voorzitter van de FOD Binnenlandse Zaken of zijn plaatsvervanger;
d) drie leden aangewezen door de minister die geen deel uitmaken en geen deel uitgemaakt hebben van het personeel van het Instituut en waarvan twee geen deel uitmaken en geen deel uitgemaakt hebben van het personeel van de FOD Justitie.
e) een directeur-generaal van een andere federale wetenschappelijke instelling;
f) het lid van het College van procureurs-generaal dat belast is met de materies van het Instituut.
2° als leden met raadgevende stem:
a) de bij de Minister geaccrediteerde Inspecteur van Financiën die belast is met de dossiers van het Instituut;
b) de leden van de directieraad van het Instituut;
c) de rekenplichtige van het Instituut;
d) een aan te wijzen onderzoeksrechter door het College van Hoven en Rechtbanken.
Een van de leden bedoeld in 1°, d), wordt aangesteld op basis van een lijst in dubbeltal opgesteld door de directeur-generaal van het Instituut.
Het mandaat van de leden bedoeld in 1° loopt over vier jaar en is hernieuwbaar.
De leden bedoeld in paragraaf 1, 1°, d) tot f), worden gekozen in functie van hun ervaring inzake beheer of op basis van hun kennis van het Instituut.
§ 2. Het lid van de beheerscommissie dat ontslag neemt of overlijdt, wordt onmiddellijk vervangen. Het nieuwe lid voltooit het mandaat van zijn voorganger.
§ 3. Het lid van de beheerscommissie bedoeld in § 1, 1°, d) dat, behalve om behoorlijk vastgestelde medische redenen, niet aan drie opeenvolgende vergaderingen van de beheerscommissie deelneemt, wordt als ontslagnemend beschouwd. Het lid wordt op dezelfde wijze vervangen als die vastgelegd in § 1, 1°, d). Hij beëindigt het mandaat van zijn voorganger.
§ 4. Het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten en het koninklijk besluit van 24 december 1964 tot vaststelling van de vergoedingen wegens verblijfkosten toegekend aan de leden van het personeel der federale overheidsdiensten, zijn van toepassing op de leden van de beheerscommissie bedoeld in § 1, 1°, d), die daartoe gelijkgesteld worden met Rijksambtenaren van de klasse A4.
§ 5. De beheerscommissie kan iedere persoon uitnodigen om aan haar werkzaamheden deel te nemen wegens zijn ervaring op het gebied van de behandelde materie(s). In dat geval heeft deze persoon een raadgevende stem.
Art.5. § 1. La commission de gestion est composée:
1° avec voix délibérative :
a) du directeur général de l'Institut ou de son remplaçant;
b) du président du SPF Justice ou de son remplaçant;
c) du président du SPF Intérieur ou de son remplaçant;
d) de trois membres désignés par le ministre, qui ne font pas et n'ont pas fait partie du personnel de l'Institut, et dont deux ne font pas et n'ont pas fait partie du personnel du SPF Justice.
e) d'un directeur général d'un autre établissement scientifique fédéral;
f) du membre du Collège des Procureurs généraux qui est en charge des matières liées à l'Institut.
2° avec voix consultative :
a) de l'Inspecteur des Finances accrédité auprès du Ministre et en charge des dossiers de l'Institut;
b) des membres du conseil de direction de l'Institut;
c) du comptable de l'Institut;
d) d'un juge d'instruction désigné par le Collège des Cours et Tribunaux.
Un des membres visés au 1°, d), est désigné sur la base d'une liste double établie par le directeur général de l'Institut.
Le mandat des membres visés au 1° a une durée de quatre ans et est renouvelable.
Les membres visés au paragraphe 1, 1°, d) à f), sont choisis en fonction de leur expérience en matière de gestion ou sur la base de leur connaissance de l'Institut.
§ 2. Le membre de la commission de gestion, démissionnaire ou décédé, est remplacé immédiatement. Le nouveau membre achève le mandat de son prédécesseur.
§ 3. Le membre de la commission de gestion visé au § 1er, 1°, d) qui ne participe pas à trois réunions consécutives de la commission de gestion, sauf pour raison médicale dûment établie, est réputé démissionnaire. Le membre est remplacé selon des modalités analogues à celles fixées au § 1er, 1°, d). Il achève le mandat de son prédécesseur.
§ 4. Les arrêté royaux du 18 janvier 1965 portant réglementation générale en matière de frais de parcours et du 24 décembre 1964 fixant les indemnités pour frais de séjour des membres du personnel des ministères s'appliquent aux membres de la commission de gestion visés au § 1er, 1°, d), ceux-ci étant assimilés à cet effet aux agents de l'Etat de la classe A4.
§ 5. La commission de gestion peut inviter toute personne à participer à ses travaux en raison de son expérience dans la (les) matière(s) traitée(s). Dans ce cas, cette personne a voix consultative.
1° avec voix délibérative :
a) du directeur général de l'Institut ou de son remplaçant;
b) du président du SPF Justice ou de son remplaçant;
c) du président du SPF Intérieur ou de son remplaçant;
d) de trois membres désignés par le ministre, qui ne font pas et n'ont pas fait partie du personnel de l'Institut, et dont deux ne font pas et n'ont pas fait partie du personnel du SPF Justice.
e) d'un directeur général d'un autre établissement scientifique fédéral;
f) du membre du Collège des Procureurs généraux qui est en charge des matières liées à l'Institut.
2° avec voix consultative :
a) de l'Inspecteur des Finances accrédité auprès du Ministre et en charge des dossiers de l'Institut;
b) des membres du conseil de direction de l'Institut;
c) du comptable de l'Institut;
d) d'un juge d'instruction désigné par le Collège des Cours et Tribunaux.
Un des membres visés au 1°, d), est désigné sur la base d'une liste double établie par le directeur général de l'Institut.
Le mandat des membres visés au 1° a une durée de quatre ans et est renouvelable.
Les membres visés au paragraphe 1, 1°, d) à f), sont choisis en fonction de leur expérience en matière de gestion ou sur la base de leur connaissance de l'Institut.
§ 2. Le membre de la commission de gestion, démissionnaire ou décédé, est remplacé immédiatement. Le nouveau membre achève le mandat de son prédécesseur.
§ 3. Le membre de la commission de gestion visé au § 1er, 1°, d) qui ne participe pas à trois réunions consécutives de la commission de gestion, sauf pour raison médicale dûment établie, est réputé démissionnaire. Le membre est remplacé selon des modalités analogues à celles fixées au § 1er, 1°, d). Il achève le mandat de son prédécesseur.
§ 4. Les arrêté royaux du 18 janvier 1965 portant réglementation générale en matière de frais de parcours et du 24 décembre 1964 fixant les indemnités pour frais de séjour des membres du personnel des ministères s'appliquent aux membres de la commission de gestion visés au § 1er, 1°, d), ceux-ci étant assimilés à cet effet aux agents de l'Etat de la classe A4.
§ 5. La commission de gestion peut inviter toute personne à participer à ses travaux en raison de son expérience dans la (les) matière(s) traitée(s). Dans ce cas, cette personne a voix consultative.
Art.6. De voorzitter van de beheerscommissie wordt door haar aangewezen onder de leden bedoeld in artikel 5, § 1, 1°, d). Hij is van een andere taalrol dan die van de directeur-generaal van het Instituut.
De ondervoorzitter van de beheerscommissie is de directeur-generaal van het Instituut.
De secretaris van de beheerscommissie wordt door haar aangewezen onder het personeel van het Instituut.
De ondervoorzitter van de beheerscommissie is de directeur-generaal van het Instituut.
De secretaris van de beheerscommissie wordt door haar aangewezen onder het personeel van het Instituut.
Art.6. Le président de la commission de gestion est désigné par celle-ci parmi les membres visés à l'article 5, § 1er, 1°, d). Il doit être de l'autre rôle linguistique que celui du directeur général de l'Institut.
Le vice-président de la commission de gestion est le directeur général de l'Institut.
Le secrétaire de la commission de gestion est désigné par celle-ci au sein du personnel de l'Institut.
Le vice-président de la commission de gestion est le directeur général de l'Institut.
Le secrétaire de la commission de gestion est désigné par celle-ci au sein du personnel de l'Institut.
Art.7. De beheerscommissie stelt een eigen huishoudelijk reglement op en legt het ter goedkeuring voor aan de minister.
Art.7. La commission de gestion arrête son propre règlement d'ordre intérieur qui est soumis à l'approbation du ministre.
Art.8. De beheerscommissie kan, uit eigen beweging of op verzoek van de minister of van de directeur-generaal, samen vergaderen met de Wetenschappelijke raad van het Instituut om elk specifiek probleem van het Instituut te onderzoeken.
Art.8. La commission de gestion peut, d'initiative ou a` la demande du ministre ou du directeur général, tenir une réunion commune avec le Conseil scientifique de l'Institut pour examiner tout problème spécifique a` l'Institut.
HOOFDSTUK 3. - De ordonnateur
CHAPITRE 3. - L'ordonnateur
Art.9. De ordonnateur van het Instituut is de directeur-generaal van het Instituut.
Art.9. L'ordonnateur l'Institut est le directeur-général de l'Institut.
Art.10. De ordonnateur is belast met :
1° het vertegenwoordigen van het Instituut in alle handelingen van het dagelijkse beheer;
2° het voorbereiden van de vergaderingen en het uitvoeren van de beslissingen van de beheerscommissie;
3° het vaststellen van de rechten ten bate van het Instituut;
4° het opmaken van het bestek of van de documenten ter vervanging ervan, het kiezen van de wijze van gunning van de opdracht, het opstarten van de procedure en het gunnen van de opdracht voor aanneming van werken, leveringen of diensten, zulks binnen de perken van de kredieten uitgetrokken voor de opdrachten die niet meer bedragen dan 85.000 euro excl. btw.
1° het vertegenwoordigen van het Instituut in alle handelingen van het dagelijkse beheer;
2° het voorbereiden van de vergaderingen en het uitvoeren van de beslissingen van de beheerscommissie;
3° het vaststellen van de rechten ten bate van het Instituut;
4° het opmaken van het bestek of van de documenten ter vervanging ervan, het kiezen van de wijze van gunning van de opdracht, het opstarten van de procedure en het gunnen van de opdracht voor aanneming van werken, leveringen of diensten, zulks binnen de perken van de kredieten uitgetrokken voor de opdrachten die niet meer bedragen dan 85.000 euro excl. btw.
Art.10. L'ordonnateur est chargé :
1° de représenter l'Institut dans tous les actes de la gestion journalière;
2° de préparer les réunions et d'exécuter les décisions de la commission de gestion;
3° de constater les droits au profit de l'Institut;
4° de fixer le cahier des charges ou les documents en tenant lieu, de choisir le mode de passation du marché, d'entamer la procédure et de passer le marché des travaux, de fournitures et de service, et ce dans la limite des crédits ouverts pour les marchés qui n'excèdent pas 85.000 euros htva.
1° de représenter l'Institut dans tous les actes de la gestion journalière;
2° de préparer les réunions et d'exécuter les décisions de la commission de gestion;
3° de constater les droits au profit de l'Institut;
4° de fixer le cahier des charges ou les documents en tenant lieu, de choisir le mode de passation du marché, d'entamer la procédure et de passer le marché des travaux, de fournitures et de service, et ce dans la limite des crédits ouverts pour les marchés qui n'excèdent pas 85.000 euros htva.
Art.11. Na toestemming van de beheerscommissie kan de ordonnateur, onder zijn verantwoordelijkheid, bepaalde taken bedoeld in artikel 10 opdragen aan de leden van de directieraad van het Instituut.
In afwijking van artikel 10, 4°, is de ordonnateur gemachtigd zijn goedkeuring te geven aan alle uitgaven gedaan via het Federaal Aankoopbureau en aan de uitgaven voor telefonie en voor het water-, elektriciteits-, en brandstofverbruik.
In afwijking van artikel 10, 4°, is de ordonnateur gemachtigd zijn goedkeuring te geven aan alle uitgaven gedaan via het Federaal Aankoopbureau en aan de uitgaven voor telefonie en voor het water-, elektriciteits-, en brandstofverbruik.
Art.11. Après accord de la commission de gestion, l'ordonnateur peut déléguer, sous sa responsabilité, certaines tâches visées à l'article 10 aux membres du conseil de direction de l'Institut.
Par dérogation a` l'article 10, 4°, l'ordonnateur est autorisé à approuver toutes les dépenses effectuées via le bureau fédéral d'achats ainsi que les dépenses liées à la téléphonie, la consommation d'eau, d'électricité et de combustible.
Par dérogation a` l'article 10, 4°, l'ordonnateur est autorisé à approuver toutes les dépenses effectuées via le bureau fédéral d'achats ainsi que les dépenses liées à la téléphonie, la consommation d'eau, d'électricité et de combustible.
HOOFDSTUK 4. - De rekenplichtige
CHAPITRE 4. - Le comptable
Art.12. Op voorstel van de beheerscommissie wijst de minister een rekenplichtige aan onder het personeel van het Instituut, die belast is met de verrichtingen van ontvangsten en uitgaven.
Art.12. Sur la proposition de la commission de gestion le ministre désigne un comptable au sein du personnel de l'Institut chargé des opérations de recettes et de dépenses.
Art.13. De rekenplichtige is belast met :
1° het registreren van de vastgestelde rechten en het verrichten van de betalingen;
2° het bewaren en behandelen van de gelden en waarden;
3° het opstellen en bewaren van de bescheiden met betrekking tot de begrotingen en rekeningen, alsmede van ieder bewijsstuk;
4° het bijhouden van de boekhouding en de inventaris van het vermogen.
Hij is verantwoording verschuldigd aan het Rekenhof.
1° het registreren van de vastgestelde rechten en het verrichten van de betalingen;
2° het bewaren en behandelen van de gelden en waarden;
3° het opstellen en bewaren van de bescheiden met betrekking tot de begrotingen en rekeningen, alsmede van ieder bewijsstuk;
4° het bijhouden van de boekhouding en de inventaris van het vermogen.
Hij is verantwoording verschuldigd aan het Rekenhof.
Art.13. Le comptable est chargé :
1° de l'enregistrement des droits constatés et de l'exécution des paiements;
2° de la garde et du maniement des fonds et des valeurs;
3° de l'élaboration et de la garde des documents relatifs aux budgets et comptes, ainsi que de toute pièce justificative;
4° de la tenue de la comptabilité et de l'inventaire du patrimoine.
Il est justiciable de la Cour des Comptes.
1° de l'enregistrement des droits constatés et de l'exécution des paiements;
2° de la garde et du maniement des fonds et des valeurs;
3° de l'élaboration et de la garde des documents relatifs aux budgets et comptes, ainsi que de toute pièce justificative;
4° de la tenue de la comptabilité et de l'inventaire du patrimoine.
Il est justiciable de la Cour des Comptes.
Art.14. De rekenplichtige ontvangt een jaarlijkse forfaitaire vergoeding waarvan het bedrag wordt vastgesteld door de minister.
Art.14. Le comptable bénéficie d'une allocation forfaitaire annuelle dont le montant est fixé par le ministre.
Art.15. Bij zijn ambtsneerlegging maakt de rekenplichtige een eindrekening van zijn beheer op.
Art.15. Lors de la cessation de ses fonctions, le comptable établit un compte de fin de gestion.
HOOFDSTUK 5. - De begroting
CHAPITRE 5. - Le budget
Art.16. De begroting bevat alle uitgaven en ontvangsten. Het begrotingsjaar begint op 1 januari en eindigt op 31 december van hetzelfde jaar.
Art.16. Le budget contient toutes les dépenses et toutes les recettes. L'année budgétaire débute le 1er janvier et se termine le 31 décembre de la même année.
Art.17. Het begrotingsontwerp van de dienst wordt toegevoegd aan het ontwerp van algemene uitgavenbegroting.
De begroting van de dienst wordt goedgekeurd door de Kamer van volksvertegenwoordigers. De goedkeuring wordt verkregen door de aanneming van de betrokken bepalingen in de wet houdende de algemene uitgavenbegroting.
De begroting van de dienst wordt goedgekeurd door de Kamer van volksvertegenwoordigers. De goedkeuring wordt verkregen door de aanneming van de betrokken bepalingen in de wet houdende de algemene uitgavenbegroting.
Art.17. Le projet de budget du service est annexé au projet de budget général des dépenses.
Le budget du service est approuvé par la Chambre des représentants. Cette approbation est acquise par le vote des dispositions qui le concernent dans la loi fixant le budget général des dépenses.
Le budget du service est approuvé par la Chambre des représentants. Cette approbation est acquise par le vote des dispositions qui le concernent dans la loi fixant le budget général des dépenses.
Art.18. De geldmiddelen die beschikbaar zijn bij het verstrijken van het begrotingsjaar mogen vanaf het begin van het volgend jaar gebruikt worden.
Art.18. Les moyens financiers disponibles à l'expiration de l'année budgétaire peuvent être utilisés dès le début de l'année suivante.
Art.19. De winsten die voortkomen uit de geleverde expertises in het jaar X-1 worden in het jaar X aan de Schatkist overgemaakt. Het betreffende bedrag wordt vastgelegd op basis van de rekeningen van het jaar X-1 in een verantwoordingsrapport goedgekeurd door de inspectie van financiën en de beheerscommissie.
Art.19. L'institut rétrocède l'année X au Trésor les bénéfices dans ses comptes résultant de son activité d'expertise de l'année X-1. Le montant rétrocédé est fixé sur la base des comptes de l'année X-1, d'un rapport justificatif approuvé par l'inspection des finances et la commission de gestion.
HOOFDSTUK 6. - Slotbepalingen
CHAPITRE 6. - Dispositions finales
Art.20. Het koninklijk besluit van 7 januari 1998 houdende organisatie van het administratief en financieel beheer van het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie als Staatsdienst met afzonderlijk beheer, wordt opgeheven.
Art.20. L'arrêté royal du 7 janvier 1998 organisant la gestion administrative et financière de l'Institut national de criminalistique et criminologie comme service de l'Etat à gestion séparée est abrogé.
Art.21. Dit koninklijk besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
Art.21. Le présent arrêté entre en vigueur à la date de sa publication au Moniteur belge.
Art. 22. De Minister bevoegd voor Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 22. Le Ministre qui a la Justice dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.