Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
18 NOVEMBER 2015. - [Koninklijk besluit van 18 november 2015 betreffende rechtshulp aan het gerechtspersoneel, de magistraten en de [magistraten in opleiding]en de schadeloosstelling van de door hen opgelopen zaakschade] <KB2017-06-08/08, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 20-06-2017> <KB2025-11-10/05, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 05-12-2025>(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 04-12-2015 en tekstbijwerking tot 25-11-2025)
Titre
18 NOVEMBRE 2015. - [Arrêté royal du 18 novembre 2015 relatif à l'assistance en justice du personnel judiciaire, des magistrats, ainsi que des [magistrats en formation ] et à l'indemnisation des dommages aux biens encourus par eux] <AR2017-06-08/08, art. 1, 002; En vigueur : 20-06-2017><AR2025-11-10/05, art. 1, 004; En vigueur : 05-12-2025>(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 04-12-2015 et mise à jour au 25-11-2025)
Informations sur le document
Numac: 2015009549
Datum: 2015-11-18
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2015009549
Date: 2015-11-18
Moniteur: Voir
Tekst (21)
Texte (21)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
CHAPITRE Ier. - Champ d'application
Artikel 1. Dit besluit is van toepassing op :
  1° de magistraten van de rechterlijke orde;
  2° de rechters in sociale zaken;
  3°[2 de rechters in ondernemingszaken]2;
  4° de raadsheren in sociale zaken;
  5° de referendarissen [2 , de parketjuristen en de criminologen]2 bij de hoven en rechtbanken;
  6° de griffiers;
  7° de secretarissen;
  8° het personeel van de griffies, van de parketsecretariaten en van de steundiensten;
  9° de attachés [2 en de adviseurs]2 in de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie;
  [1 10° de referendarissen bij het Hof van Cassatie;
   11° de assessoren in de strafuitvoeringsrechtbank;
   12° [2 de magistraten in opleiding;]2.]1

  [2 13° overeenkomstig artikel 259octies, § 8, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, de kandidaat-magistraten.]2
  
Article 1er. Le présent arrêté est applicable :
  1° aux magistrats de l'Ordre judiciaire;
  2° aux juges sociaux;
  3° aux juges consulaires;
  4° aux conseillers sociaux;
  5° aux référendaires [2 , aux juristes de parquet et aux criminologues]2 près les cours et près les tribunaux;
  6° aux greffiers;
  7° aux secrétaires;
  8° au personnel des greffes, des secrétariats de parquet et des services d'appui;
  9° aux attachés [2 et aux conseillers ]2 au service de la documentation et de la concordance des textes auprès de la Cour de cassation;
  [1 10° aux référendaires près la Cour de Cassation ;
   11° aux assesseurs au tribunal de l'application des peines ;
   12° [2 aux magistrats en formation ]2.]1

  [2 13° conformément à l'article 259octies, § 8, alinéa 1er, du Code judiciaire, aux candidats-magistrats.]2
  
HOOFDSTUK II. - Rechtshulp
CHAPITRE II. - Assistance en justice
Art. 2. [1 § 1. Rechtshulp wordt toegekend aan een in artikel 1 bedoelde persoon die:
   1° als verdachte wordt verhoord wegens gestelde daden of verzuim bij de uitoefening van zijn functie;
   2° van zijn vrijheid ontnomen wordt of die het voorwerp uitmaakt van een aanhoudingsmandaat of van een bevel tot verlenging van de detentietermijn wegens gestelde daden of verzuim bij het uitoefenen van zijn functie;
   3° in rechte gedagvaard wordt of tegen wie de strafvordering wordt ingesteld wegens gestelde daden of verzuim bij de uitoefening van zijn functie;
   4° het slachtoffer is, bij de uitoefening van zijn functies, van een fysieke of materiële schade die niet vergoed is overeenkomstig hoofdstuk III.
   § 2. De Staat kan rechtshulp toekennen aan een in artikel 1 bedoelde persoon die een rechtsvordering instelt of klacht indient bij de gerechtelijke instanties wanneer hij aangesproken wordt bij de uitoefening van zijn functies.
   § 3. Rechtshulp kan bestaan uit:
   1° een tenlasteneming, bij met redenen omklede dringende noodzaak, van de honoraria en de kosten van de door de in artikel 1 bedoelde persoon gekozen advocaat, alsook van de kosten inherent aan de gerechtelijke procedure;
   2° een tenlasteneming van de gerechtskosten waartoe de in artikel 1 bedoelde persoon in rechte veroordeeld wordt wegens feiten gepleegd of verzuim tijdens de uitoefening van zijn functies;
   3° de terbeschikkingstelling van een advocaat ]1
.
  
Art. 2. [1 § 1er. L'assistance en justice est accordée à une personne visée à l'article 1er qui :
   1° est interrogée en tant que suspect pour des actes commis ou des négligences dans l'exercice de sa fonction ;
   2° est privée de liberté ou fait l'objet d'un mandat d'arrêt ou d'une ordonnance de prorogation du délai de détention pour des actes commis ou des négligences dans l'exercice de sa fonction ;
   3° est citée en justice ou contre laquelle l'action publique est intentée pour des actes commis ou des négligences dans l'exercice de sa fonction ;
   4° est victime, dans l'exercice de ses fonctions d'un dommage physique ou matériel qui n'est pas indemnisé conformément au chapitre III.
   § 2. L'Etat peut accorder une assistance en justice à une personne visée à l'article 1er qui intente une action en justice ou dépose plainte auprès des autorités judiciaires lorsqu'elle est mise en cause dans l'exercice de ses fonctions.
   § 3. L'assistance en justice peut consister :
   1° en la prise en charge, en cas d'urgence dûment constatée, des frais et honoraires de l'avocat choisi par une personne visée à l'article 1er, ainsi que des frais inhérents à la procédure judiciaire ;
   2° en une prise en charge des frais de justice auxquels la personne visée à l'article 1er est condamnée pour des faits commis ou des négligences dans l'exercice de ses fonctions ;
   3° en la mise à disposition d'un avocat ]1
.
  
Art. 3. [1 Rechtshulp wordt geweigerd aan de in artikel 1 bedoelde persoon:
   1° tegen wie de Staat een vordering tot schadeloosstelling of een regresvordering instelt;
   2° die een vordering tegen de Staat instelt;
   3° in het kader van een tuchtprocedure of een tuchtvordering voor de tuchtrechtbank en de tuchtrechtbank in hoger beroep bedoeld in artikel 58 van het Gerechtelijk Wetboek;
   4° die een vordering instelt tegen een ander lid van het gerechtspersoneel, een magistraat of een magistraat in opleiding ]1
.
  
Art. 3. [1 L'assistance en justice est refusée à la personne visée à l'article 1er :
   1° contre laquelle l'Etat intente une action en dommages et intérêts ou une action récursoire ;
   2° qui intente une action contre l'Etat ;
   3° dans le cadre d'une procédure disciplinaire ou une action disciplinaire devant le tribunal disciplinaire et le tribunal disciplinaire d'appel visés à l'article 58 du Code judicaire ;
   4° qui intente une action contre un autre membre du personnel judiciaire, un magistrat ou un magistrat en formation ]1
.
  
Art. 4. Rechtshulp wordt geweigerd wanneer :
  1° de feiten kennelijk geen verband houden met de uitoefening van de functies;
  2° kennelijk blijkt dat de in artikel 1 bedoelde persoon bedrog heeft gepleegd of een zware fout heeft begaan, of dat hij, als slachtoffer, van meet af aan en zonder gegronde redenen de in artikel 216ter, § 1, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering bedoelde strafbemiddeling heeft geweigerd.
  Indien de rechtshulp verleend werd op basis van een leugenachtige verklaring of van een verklaring die relevante informatie heeft achtergehouden zodanig dat de hulp had moeten worden geweigerd overeenkomstig het eerste lid, wordt de terugbetaling van de honoraria en de kosten geëist.
Art. 4. L'assistance en justice est refusée lorsque :
  1° les faits ne présentent manifestement aucun lien avec l'exercice des fonctions;
  2° il est manifeste que la personne visée à l'article 1er a commis un dol ou une faute lourde ou qu'il a, en tant que victime, refusé d'emblée et sans motifs fondés la médiation pénale visée à l'article 216ter, § 1er, alinéa 1er, du Code d'instruction criminelle.
  Si l'assistance en justice est accordée sur la base d'une déclaration mensongère ou qui passait sous silence des informations pertinentes de sorte que l'assistance aurait dû être refusée conformément à l'alinéa 1er, le remboursement des honoraires et des frais est exigé.
Art. 5. § 1. Wanneer rechtshulp werd geweigerd met toepassing van artikel 4 en uit een definitieve rechterlijke beslissing blijkt dat die weigering ongegrond was, heeft de in artikel 1 bedoelde persoon recht op de terugbetaling van de kosten die hij heeft gedragen om voor zijn verdediging in te staan, onverminderd de bepalingen van artikel 6, § 1, vierde lid, 7°.
  De schuldeiser dient hiertoe, [1 bij een aangetekende zending en wanneer ze elektronisch gebeurt, via een gekwalificeerde dienst voor elektronisch aangetekende bezorging in de zin van artikel 3.37. van de Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG, een aanvraag in]1 bij de voorzitter van het directiecomité van de FOD Justitie. Bij deze aanvraag voegt hij een afschrift van de rechterlijke beslissing en de staat van de honoraria en de kosten die hij voor zijn verdediging heeft gedragen, vergezeld van de bewijsstukken die er betrekking op hebben.
  § 2. Wanneer rechtshulp werd verleend met toepassing van een bepaling die van artikel 4 afwijkt kan, voor zover de in artikel 1 bedoelde persoon uitdrukkelijk daarvan verwittigd werd op het tijdstip dat die hulp verleend wordt, de terugbetaling van het ereloon en de kosten geëist worden indien uit de definitieve rechterlijke beslissing blijkt dat de in artikel 1 bedoelde persoon bedrog heeft gepleegd of een zware fout heeft begaan.
  
Art. 5. § 1er . Lorsque l'assistance en justice a été refusée en application de l'article 4 et qu'il ressort d'une décision judiciaire définitive que ce refus n'était pas fondé, la personne visée à l'article 1er a droit au remboursement des frais qu'il a exposés pour assurer sa défense, sans préjudice des dispositions de l'article 6, § 1e, alinéa 4, 7°.
  Le créancier introduit à cet effet [1 une demande de remboursement par envoi recommandé et s'il est électronique, via un service d'envoi recommandé électronique qualifié au sens de l'article 3.37. du règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE,]1 auprès du président de comité de direction du SPF Justice. Il joint à cette demande une copie de la décision judiciaire ainsi que l'état des honoraires et frais qu'il a exposés pour assurer sa défense, accompagné des pièces probantes y afférentes.
  § 2. Lorsque l'assistance en justice a été accordée en application d'une disposition dérogeant à l'article 4 et, pour autant que la personne visée à l'article 1er en ait été expressément avertie au moment de l'octroi de cette assistance, le remboursement des honoraires et frais peut être exigé s'il ressort de la décision judiciaire définitive que la personne visée à l'article 1er a commis un dol ou une faute lourde.
  
Art. 6. § 1. De in [1 artikel 2, § 1, 1° tot en met 3°]1 bedoelde persoon die rechtshulp wenst, dient hiertoe een schriftelijke aanvraag in bij de voorzitter van het directiecomité van de FOD Justitie.
  Deze aanvraag gebeurt zo spoedig mogelijk na de kennisneming van de tegen hem gerichte vordering.
  In spoedeisende gevallen kan de aanvraag via een ander communicatiemiddel gebeuren, mits zij naderhand schriftelijk bevestigd wordt.
  Deze aanvraag bevat :
  1° de vermelding van de datum;
  2° de identiteit, de functie, desgevallend de graad of de klasse, alsook de gewone plaats van tewerkstelling van de aanvrager;
  3° een omstandige beschrijving van de zaak;
  4° een afschrift van de dagvaarding of van de akte van rechtsingang;
  5° de identiteit en de woonplaats van de eventuele getuigen;
  6° desgevallend, de identiteit, de woonplaats en het telefoonnummer van de gekozen advocaat;
  7° een ontwerp van overeenkomst waarmee de [1 ...]1 Staat in de plaats treedt van de rechten van de in artikel 1 bedoelde persoon die rechtshulp bekomen heeft wat de honoraria van de gekozen advocaat en de gerechtskosten betreft. Krachtens deze overeenkomst, kan de [1 ...]1Staat de honoraria van de advocaat onderzoeken en betwisten op basis van de geleverde prestaties, de gerechtskosten en het ereloon van de advocaat terugeisen van de tegenpartij, alsook de eventuele rechtsplegingsvergoeding.
  De aanvraag eindigt met de woorden "Ik bevestig op mijn eer dat deze verklaring oprecht en volledig is".
  Indien de in artikel 1 bedoelde persoon in de onmogelijkheid verkeert om deze aanvraag zelf in te dienen, kan zij door een andere persoon worden ingediend. In dat geval worden in de aanvraag eveneens de identiteit en hoedanigheid van deze persoon, alsmede de reden van de indeplaatsstelling vermeld.
  Uiterlijk tien werkdagen na ontvangst van de aanvraag en in elke graad van de procedure, deelt de voorzitter van het directiecomité van de FOD Justitie aan de aanvrager schriftelijk mee of de rechtshulp hem al dan niet en, desgevallend, onder welke voorwaarden wordt toegekend; hij geeft de redenen van weigering of de opgelegde voorwaarden op. Bij gebreke van een antwoord binnen deze termijn, wordt de beslissing geacht gunstig te zijn.
  De voorzitter van het directiecomité van de FOD Justitie stelt een einde aan de rechtshulp indien bewezen is dat de aanvraag een ernstig leugenachtig karakter vertoont of indien in de aanvraag relevante informatie werd achtergehouden. In dit geval zijn desgevallend de bepalingen van artikel 5 § 1, van toepassing.
  § 2. De in [1 artikel 2, § 1, 4° en § 2]1 en tweede lid, bedoelde persoon die rechtshulp wenst, dient hiertoe zo spoedig mogelijk en uiterlijk, op straffe van verval, vijftien dagen na het instellen van de rechtsvordering, [1 per aangetekende zending en wanneer ze elektronisch gebeurt, via een gekwalificeerde dienst voor elektronisch aangetekende bezorging in de zin van artikel 3.37. van de Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG,]1 een aanvraag in gericht aan de voorzitter van het directiecomité van FOD Justitie.
  De bepalingen van § 1, derde tot achtste lid, zijn van toepassing op deze aanvraag.
  § 3. Wanneer de in [1 artikel 2, § 2,]1, bedoelde persoon met zijn vordering of zijn klacht een louter morele schadevergoeding nastreeft, kan de voorzitter van het directiecomité van de FOD Justitie, na de betrokkene gehoord te hebben, beslissen de kosten inherent aan de gerechtelijke procedure en de honoraria van zijn advocaat niet ten laste te nemen, noch een advocaat te zijner beschikking te stellen.
  
Art. 6. § 1er. La personne visée à [1 l'article 2, § 1er, 1° à 3°]1, qui souhaite obtenir une assistance en justice, introduit à cet effet une demande écrite auprès du président du comité de direction du SPF Justice.
  Cette demande est formulée dans les plus brefs délais après avoir pris connaissance de l'action intentée à son égard.
  En cas d'urgence, cette demande peut être formulée par un autre moyen de communication, pour autant qu'elle soit confirmée ultérieurement par un écrit.
  Cette demande contient :
  1° l'indication de la date;
  2° l'identité, la fonction, le cas échéant le grade ou la classe ainsi que le lieu habituel de travail du demandeur;
  3° une description circonstanciée de l'affaire;
  4° une copie de la citation ou de l'acte introductif d'instance;
  5° l'identité et le domicile des témoins éventuels;
  6° s'il y échet, l'identité, le domicile et le numéro de téléphone de l'avocat choisi;
  7° un projet de convention par laquelle l'Etat est subrogé dans les droits de la personne visée à l'article 1er qui a obtenu l'assistance en justice en ce qui concerne les honoraires de l'avocat choisi et les frais de justice. En vertu de cette convention, l'Etat [1 ...]1 peut examiner et contester les honoraires de l'avocat sur la base des prestations accomplies, récupérer les frais de justice et honoraires d'avocat à charge de la partie adverse ainsi que l'éventuelle indemnité de procédure.
  La demande se termine par les mots " J'affirme sur l'honneur que la présente demande est sincère et complète ".
  Si la personne visée à l'article 1er est dans l'impossibilité d'introduire elle-même cette demande, elle peut l'être par une autre personne. Dans ce cas, la demande mentionne également l'identité et la qualité de cette personne ainsi que la raison de la substitution.
  Au plus tard dix jours ouvrables après la réception de la demande, et à chaque degré de la procédure, le président du comité de direction du SPF Justice informe le demandeur par écrit que l'assistance en justice est accordée ou non, et s'il échet, à quelles conditions; il précise les motifs du refus ou les conditions émises. A défaut de réponse dans ce délai, la décision est réputée favorable.
  Le président du comité de direction du SPF Justice met fin à l'assistance en justice s'il est démontré que la demande était gravement mensongère ou si la demande a passé sous silence des informations pertinentes. En ce cas, les dispositions de l'article 5, § 1er, sont, s'il y échet, d'application.
  § 2. La personne visée à [1 l'article 2, § 1er, 4° et § 2, ]1 et alinéa 2, qui souhaite obtenir une assistance en justice introduit à cet effet dans les plus brefs délais et au plus tard, sous peine de non-recevabilité, quinze jours après avoir intenté l'action en justice, une demande [1 par envoi recommandé et s'il est électronique, via un service d'envoi recommandé électronique qualifié au sens de l'article 3.37. du règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE ]1, adressée au président du comité de direction du SPF Justice.
  Les dispositions du § 1er, alinéas 3 à 8, s'appliquent à cette demande.
  § 3.Lorsque la personne visée à [1 l'article 2, § 2,]1, poursuit par son action ou sa plainte un dédommagement purement moral, le président du comité de direction du SPF Justice peut décider, après avoir entendu l'intéressé, de ne pas prendre en charge les frais inhérents à la procédure judiciaire, les honoraires de son avocat, ni d'en mettre un à sa disposition.
  
Art. 7. Als de rechtshulp bestaat uit de tussenkomst bedoeld in [1 artikel 2, § 3, 1°]1, en indien de in artikel 1 bedoelde persoon beslist zijn advocaat te vervangen, verwittigt hij onverwijld de voorzitter van het directiecomité van FOD Justitie. In dit geval wordt de bij artikel 6 § 1, vierde lid, 7°, bedoelde overeenkomst aangepast.
  
Art. 7. Si l'assistance en justice consiste en l'intervention visée à [1 l'article 2, § 3, 1°]1, et si la personne visée à l'article 1er décide de remplacer son avocat, il avertit, sans retard le président du comité de direction du SPF Justice. Dans ce cas, la convention visée à l'article 6, § 1er, alinéa 4, 7°, est adaptée.
  
Art. 8. Als de rechtshulp bestaat uit de tussenkomst bedoeld in [1 artikel 2, § 3, 1°]1, licht de in artikel 1 bedoelde persoon of zijn advocaat de voorzitter van het directiecomité van de FOD Justitie in over het verloop van het geding.
  
Art. 8. Si l'assistance en justice consiste en l'intervention visée à [1 l'article 2, § 3, 1°]1, la personne visée à l'article 1er ou son avocat informe le président du comité de direction du SPF Justice du déroulement de la cause.
  
HOOFDSTUK III. - Zaakschade
CHAPITRE III. - Dommage aux biens
Art. 9. De in artikel 1 bedoelde persoon kan op zijn vraag worden vergoed voor de schade aan goederen waarvan hij eigenaar of houder is wanneer vastgesteld is dat de schade berokkend werd in verband met de uitoefening van zijn functies.
  De schadeloosstelling kan aan voorwaarden worden onderworpen, inzonderheid de neerlegging van een klacht of de dagvaarding van de aansprakelijke derde.
Art. 9. A sa demande, la personne visée à l'article 1er peut être indemnisée pour le dommage aux biens dont il est propriétaire ou détenteur lorsqu'il est établi que le dommage a été causé en relation avec l'exercice de ses fonctions.
  L'indemnisation peut être soumise à condition, notamment de dépôt d'une plainte ou d'assignation en justice du tiers responsable.
Art. 10. De schadeloosstelling is uitgesloten wanneer de schade te wijten is aan een opzettelijke fout, een zware fout begaan door de in artikel 1 bedoelde persoon of een lichte fout die bij hem eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt.
  Hetzelfde geldt, ten belope van het verleende of te verlenen bedrag, wanneer de schade werd of kan worden vergoed :
  1° krachtens een verzekering die door de in artikel 1 bedoelde persoon of in zijn voordeel werd aangegaan, behoudens niet-betaling door de verzekeraar binnen een termijn van één jaar te rekenen vanaf het ontstaan van de schade;
  2° als gerechtskosten in strafzaken.
  Indien de schadeloosstelling werd verleend op basis van een leugenachtige verklaring of van een verklaring waarin relevante informatie werd achtergehouden zodanig dat zij had moeten worden geweigerd, wordt de terugbetaling van de schadeloosstelling geëist.
Art. 10. L'indemnisation est exclue, lorsque le dommage est dû à une faute intentionnelle, une faute lourde imputable à la personne visée à l'article 1er ou à une faute légère qui présente dans son chef un caractère habituel plutôt qu'accidentel.
  Il en va de même, à concurrence du montant accordé ou à accorder, lorsque le dommage a été ou est susceptible d'être indemnisé :
  1° en vertu d'une assurance contractée par la personne visée à l'article 1er ou à son profit, sous réserve du défaut de paiement par l'organisme assureur dans le délai d'un an à partir de la réalisation du dommage;
  2° à titre de frais de justice en matière répressive.
  Si l'indemnisation a été accordée sur la base d'une déclaration mensongère ou qui passait sous silence des informations pertinentes de sorte qu'elle aurait dû être refusée, le remboursement de l'indemnisation est exigé.
Art. 11. De in artikel 9 bedoelde aanvraag wordt slechts in aanmerking genomen voor zover de in artikel 1 bedoelde persoon, behoudens overmacht, binnen acht dagen na de vaststelling van de schade, de dienst die de voorzitter van het directiecomité van FOD Justitie heeft aangewezen om de aanvragen te ontvangen, schriftelijk op de hoogte heeft gebracht van het bestaan van de schade.
Art. 11. Sauf force majeure, la demande visée à l'article 9 n'est prise en considération que pour autant que, dans les huit jours de la constatation du dommage, la personne visée à l'article 1er ait informé par écrit le service désigné par le président du comité de direction du SPF Justice pour recevoir les demandes de l'existence de ce dommage.
Art. 12. § 1. De in artikel 1 bedoelde persoon richt binnen dertig dagen te rekenen van de vaststelling van de schade, een vergoedingsaanvraag tot de voorzitter van het directiecomité van de FOD Justitie.
  Die aanvraag wordt door de aanvrager ondertekend en omvat de volgende vermeldingen :
  1° de vermelding van de datum;
  2° de identiteit, de functie, desgevallend de graad of de klasse, de gewone plaats van de tewerkstelling, de woonplaats en het rekeningnummer van de aanvrager;
  3° een korte beschrijving van de omstandigheden waarin de zaakschade werd geleden, met vermelding van de datum en de plaats;
  4° een beschrijving van de geleden zaakschade, alsook de begroting van de restwaarde van de beschadigde goederen of van de herstelkosten;
  5° de vermelding van de naam, voornamen, het beroep en de woonplaats van de eventuele getuigen en, in voorkomend geval, van de aansprakelijk geachte derde;
  6° in voorkomend geval, de vermelding dat proces-verbaal is opgemaakt, dat een klacht is ingediend tegen de aansprakelijk geachte derde of dat de aansprakelijk geachte derde in gebreke werd gesteld, in welk geval een kopie van de ingebrekestelling bij de aanvraag wordt gevoegd;
  7° in voorkomend geval, de vermelding van het feit dat de in artikel 1 bedoelde persoon zich burgerlijke partij heeft gesteld;
  8° de vermelding van de andere middelen waarover de in artikel 1 bedoelde persoon beschikt om herstel van de geleden schade te bekomen, of de vermelding van de ontstentenis ervan, evenals in voorkomend geval, de vermelding van de krachtens één of meer van deze middelen verkregen schadevergoeding;
  9° een ontwerp van overeenkomst waardoor de [1 ...]1 Staat in de rechten en vorderingen treedt van de in artikel 1 bedoelde persoon ten belope van de betaalde sommen.
  § 2. Bij de aanvraag worden de stukken gevoegd tot staving van de verschillende elementen ervan.
  De aanvraag eindigt met de woorden "Ik bevestig op mijn eer dat deze verklaring oprecht en volledig is".
  
Art. 12. § 1er. La personne visée à l'article 1er adresse au président du comité de direction du SPF Justice, dans les trente jours de la constatation du dommage, une demande d'indemnité.
  Cette demande est signée par le demandeur et contient les mentions suivantes :
  1° l'indication de la date;
  2° l'identité, la fonction, le cas échéant le grade ou la classe, le lieu habituel de travail, le domicile et le numéro de compte du demandeur;
  3° une description sommaire des circonstances dans lesquelles est survenu le dommage, en ce compris l'indication de la date et du lieu;
  4° une description du dommage subi aux biens, ainsi que l'évaluation de la valeur résiduelle des biens endommagés ou des coûts de réparation;
  5° l'indication des noms, prénoms, profession et domicile des témoins éventuels, ainsi que le cas échéant, du tiers présumé responsable;
  6° le cas échéant, la mention du fait qu'il a été dressé procès-verbal, qu'il a été déposé plainte à l'encontre du tiers présumé responsable ou que celui-ci a été mis en demeure, une copie de la mise en demeure est jointe en ce cas à la demande;
  7° le cas échéant, la mention du fait que la personne visée à l'article 1er s'est constituée partie civile;
  8° l'indication des autres moyens dont dispose la personne visée à l'article 1er pour obtenir la réparation du dommage, ou l'indication de leur défaut ainsi que, le cas échéant, l'indication de l'indemnisation obtenue en vertu de l'un ou l'autre de ces moyens;
  9° un projet de convention par laquelle l'Etat [1 ...]1 est subrogé dans les droits et actions de la personne visée à l'article 1er à concurrence des sommes payées.
  § 2. A la demande sont jointes les pièces justificatives des éléments y indiqués.
  La demande se termine par les mots " J'affirme sur l'honneur que la présente déclaration est sincère et complète ".
  
Art. 13. Onverminderd een latere rechterlijke uitspraak over het schadeverwekkende feit, bepaalt de voorzitter van het directiecomité van de FOD Justitie, op grond van de bewijselementen aangevoerd door de belanghebbende en de concrete gegevens van de zaak, voor elk geval, het bedrag van de vergoeding dat hem zal worden uitgekeerd.
Art. 13. Sans préjudice d'une décision judiciaire ultérieure relative au fait dommageable, le président du comité de direction du SPF Justice fixe, dans chaque cas, sur base des éléments de preuve avancés par l'intéressé et des données concrètes de la cause, le montant de l'indemnité qui lui sera versé.
HOOFDSTUK IV. - Gemeenschappelijke bepalingen
CHAPITRE IV. - Dispositions communes
Art. 14. Indien de in artikel 1 bedoelde persoon na rechtshulp overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk II, of de schadeloosstelling van de zaakschade, overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk III, te hebben aangevraagd op pensioen wordt gesteld, ontslag neemt, zijn functie verliest op grond van medische ongeschiktheid of over geen arbeidsovereenkomst meer beschikt, blijven de rechtshulp of de schadeloosstelling hem verschuldigd.
Art. 14. Si, après avoir sollicité l'assistance en justice conformément aux dispositions du chapitre II, ou l'indemnisation du dommage aux biens, conformément aux dispositions du chapitre III, la personne visée à l'article 1er est mise à la pension, démissionne, perd sa fonction sur base de son inaptitude médicale ou ne bénéficie plus d'un contrat de travail, l'assistance ou l'indemnisation lui reste due.
HOOFDSTUK V. - Slotbepalingen
CHAPITRE 5. - Dispositions finales
Art. 15. Dit besluit treedt in werking de dag waarop ze in het Belgisch staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art. 15. Le présent arrêté entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge.
Art. 16. De minister bevoegd voor Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 16. Le ministre qui à la Justice dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.