Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
28 JUNI 2015. - Koninklijk besluit betreffende de belasting van energieproducten en elektriciteit(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-07-2015 en tekstbijwerking tot 07-08-2024)
Titre
28 JUIN 2015. - Arrêté royal concernant la taxation des produits énergétiques et de l'électricité(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 23-07-2015 et mise à jour au 07-08-2024)
Informations sur le document
Numac: 2015003213
Datum: 2015-06-28
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2015003213
Date: 2015-06-28
Moniteur: Voir
Tekst (86)
Texte (86)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales
Artikel 1. Dit besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 95/60/EG van de Raad van 27 november 1995 betreffende het merken van gasolie en kerosine voor fiscale doeleinden en van [1 Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/197 van de Commissie van 17 januari 2022]1 tot vaststelling van een gemeenschappelijke merkstof voor gasolie en kerosine voor fiscale doeleinden.
  
Article 1er. Le présent arrêté transpose partiellement la Directive 95/60/CE du Conseil du 27 novembre 1995 concernant le marquage fiscal du gazole et du pétrole lampant et la [1 décision d'exécution (UE) 2022/197 de la Commission du 17 janvier 2022]1 relative à l'établissement d'un marqueur commun pour le marquage fiscal du gazole et du pétrole lampant.
  
Art. 2. In dit besluit wordt verstaan onder :
  1° wet : de programmawet van 27 december 2004;
  2° controleur : de eerstaanwezend inspecteur van de controle der accijnzen of der douane en accijnzen aangeduid door de administrateur-generaal;
  3° belastingentrepot : het belastingentrepot zoals bedoeld in artikel 5, § 1, 9°, van de wet van 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen;
  4° administrateur-generaal : de administrateur-generaal van de Algemene administratie van de Douane en Accijnzen;
  5° ambtenaren : de ambtenaren van de Algemene administratie van de Douane en Accijnzen;
  6° directeur : de gewestelijk directeur der douane en accijnzen;
  7° ontvanger : de ambtenaar belast met het beheer van het hulpkantoor aangeduid door de administrateur-generaal;
  8° hulpkantoor : het hulpkantoor beoogd door het ministerieel besluit van 26 maart 2007 houdende de oprichting van de hulpkantoren van het enig kantoor der douane en accijnzen en de bepaling van de bevoegdheden van het enig kantoor der douane en accijnzen en van zijn hulpkantoren.
Art. 2. Pour l'application du présent arrêté, on entend par :
  1° loi : la loi-programme du 27 décembre 2004;
  2° contrôleur : l'inspecteur principal du contrôle des accises ou des douanes et accises désigné par l'administrateur général;
  3° entrepôt fiscal : l'entrepôt fiscal tel que défini à l'article 5, § 1er, 9°, de la loi du 22 décembre 2009 relative au régime général d'accise;
  4° l'administrateur général : l'administrateur général de l'Administration générale des Douanes et Accises;
  5° agents : les agents de l'Administration générale des Douanes et Accises;
  6° directeur : le directeur régional des douanes et accises;
  7° receveur : le fonctionnaire responsable de la gestion de la succursale désigné par l'administrateur général;
  8° succursale : la succursale visée par l'arrêté ministériel du 26 mars 2007 relatif à la création des succursales du bureau unique des douanes et accises et à la détermination des compétences du bureau unique des douanes et accises et de ses succursales.
HOOFDSTUK II. - Belastingentrepot
CHAPITRE II. - Entrepôt fiscal
Afdeling 1. - Erkenning in de hoedanigheid van erkend entrepothouder
Section 1re. - Reconnaissance en qualité d'entrepositaire agréé
Art. 3. Is gehouden zich, voorafgaandelijk aan het opstarten van zijn activiteiten, te laten erkennen in de hoedanigheid van erkend entrepothouder iedere persoon die :
  1° de in artikel 418, § 1, van de wet vermelde energieproducten produceert;
  2° de in artikel 418, § 1, van de wet vermelde energieproducten verwerkt. Onverminderd de bepalingen van artikel 14 wordt niet als "verwerkt" beschouwd het gebruik van de energieproducten als dusdanig;
  3° de in artikel 418, § 1 van de wet vermelde energieproducten onder de schorsingsregeling voorhanden heeft, ontvangt of verzendt.
  Dit artikel is niet van toepassing op aardgas, kolen, cokes en bruinkool.
Art. 3. Est tenue de se faire reconnaître en qualité d'entrepositaire agréé, préalablement au commencement de son activité, toute personne qui :
  1° procède à la production de produits énergétiques de l'article 418, § 1er, de la loi;
  2° procède à la transformation de produits énergétiques de l'article 418, § 1er, de la loi. Sans préjudice des dispositions de l'article 14, n'est pas considérée comme " transformation ", l'utilisation de produits énergétiques en tant que tels;
  3° détient, reçoit ou expédie en régime de suspension de droits des produits énergétiques de l'article 418, § 1er, de la loi.
  Le présent article ne s'applique pas au gaz naturel, à la houille, au coke et au lignite.
Art. 4. § 1. De persoon bedoeld in artikel 3, 3°, die de in artikel 418, § 1, van de wet vermelde energieproducten onder de schorsingsregeling voorhanden heeft, ontvangt of verzendt dient aan de volgende voorwaarden te voldoen :
  1° het beroep van handelaar in energieproducten uitoefenen en over een gemiddelde voorraad beschikken die, op jaarbasis berekend, groter is dan :
  a) benzine : 500 000 liter;
  b) kerosine : 500 000 liter;
  c) gasolie : 500 000 liter;
  d) zware stookolie : 1 000 000 kg;
  e) vloeibaar petroleumgas : 250 000 kg;
  f) andere energieproducten : 500 000 liter.
  Het betrokken bedrijf dient echter niet over deze gemiddelde voorraad te beschikken indien ten minste 80 % van de voorhanden zijnde producten worden verzonden naar een andere lidstaat of worden uitgevoerd onder de schorsingsregeling,
  of
  2° een opslagbedrijf inzake energieproducten vermeld in artikel 418, § 1, van de wet uitbaten en over een opslagcapaciteit van meer dan 10 000 m3 beschikken.
  § 2. De persoon die voldoet aan de voorwaarde inzake gemiddelde voorraad die is gesteld voor één van de categorieën energieproducten vermeld in § 1, 1°, is vrijgesteld van de verplichting te voldoen aan de voorwaarde inzake gemiddelde voorraad die voor de andere betrokken categorieën energieproducten is gesteld.
  § 3. De handelaar in zware stookolie die jaarlijks een hoeveelheid van meer dan 1 000 000 kg van dit product verkoopt, evenals de handelaar in vloeibaar petroleumgas die jaarlijks een hoeveelheid van meer dan 250 000 kg van deze producten verkoopt, wordt vrijgesteld van het voorhanden hebben van een fysieke voorraad.
  § 4. De trader is vrijgesteld van het voorhanden hebben van een fysieke voorraad.
  Onder "trader" wordt verstaan de handelaar die energieproducten dewelke onder de schorsingsregeling voorhanden zijn, koopt en opnieuw verkoopt zonder tot de uitslag tot verbruik ervan over te gaan.
  § 5. Een bunkermaatschappij kan in de hoedanigheid van erkend entrepothouder erkend worden. De controlebepalingen met betrekking tot deze erkenning worden vastgelegd door de minister bevoegd voor Financiën.
Art. 4. § 1er. La personne visée à l'article 3, 3°, qui détient, reçoit ou expédie en régime de suspension de droits des produits énergétiques de l'article 418, § 1er, de la loi doit satisfaire aux conditions suivantes :
  1° exercer la profession de négociant en produits énergétiques et disposer d'un stock moyen, calculé sur une base annuelle, supérieur à :
  a) essence : 500 000 litres;
  b) pétrole lampant : 500 000 litres;
  c) gasoil : 500 000 litres;
  d) fioul lourd : 1 000 000 kg;
  e) gaz de pétrole liquéfiés : 250 000 kg;
  f) autres produits énergétiques : 500 000 litres.
  Elle n'est cependant pas tenue de disposer de ce stock moyen lorsqu'au moins 80 % des produits détenus sont expédiés vers un autre Etat membre ou exportés en régime de suspension de droits,
  ou
  2° exploiter une société de stockage en produits énergétiques de l'article 418, § 1er, de la loi et disposer d'une capacité d'entreposage supérieure à 10 000 mü.
  § 2. La personne qui satisfait à la condition de stock moyen fixée pour l'une des catégories de produits énergétiques visés au § 1er, 1°, est dispensée de devoir satisfaire à la condition de stock moyen fixée pour les autres catégories de produits énergétiques.
  § 3. Le négociant en fioul lourd qui vend annuellement une quantité de ce produit supérieure à 1 000 000 kg ainsi que le négociant en gaz de pétrole liquéfiés qui vend annuellement une quantité de ces produits supérieure à 250 000 kg est dispensé de la détention d'un stock physique.
  § 4. Le trader est dispensé de la détention d'un stock physique.
  Par " trader ", on entend le négociant qui achète et revend des produits énergétiques placés en régime de suspension de droits, sans procéder à leur mise à la consommation.
  § 5. Une société d'avitaillement peut être reconnue en qualité d'entrepositaire agréé. Le ministre qui a les Finances dans ses attributions établit les mesures de contrôle relatives à cette reconnaissance.
Art. 5. § 1. De persoon, andere dan die bedoeld in artikel 3, die energieproducten ontvangt, voorhanden heeft en aanwendt uitsluitend voor eigen verbruik kan niet worden erkend in de hoedanigheid van erkend entrepothouder.
  § 2. Tankstations kunnen niet worden erkend als belastingentrepot.
Art. 5. § 1er. Ne peut se faire reconnaître en qualité d'entrepositaire agréé, la personne autre que celle visée à l'article 3 qui reçoit, détient et emploie des produits énergétiques exclusivement pour sa consommation propre.
  § 2. Les stations-service ne peuvent être reconnues comme entrepôt fiscal.
Art. 6. Onverminderd de bepalingen van het ministerieel besluit van 18 maart 2010 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen dient iedere persoon die in de hoedanigheid van erkend entrepothouder erkend wenst te worden tot staving van zijn aanvraag de volgende stukken voor te leggen :
  1° een gedetailleerde beschrijving van de eventueel toegepaste productie- of verwerkingsprocessen;
  2° een plan met legende waarop alle gebouwen, productie- en verwerkingseenheden, opslagtanks, los- en laadinstallaties, pomphuizen, leidingen van en naar de opslagtanks, leidingen die in of uit het bedrijf gaan, de andere in- of uitgangen en de automatische injectiesystemen voorkomen;
  3° een afzonderlijke lijst waarop elke opslagtank is aangetekend, met vermelding van het nummer en de opslagcapaciteit ervan;
  4° een praktische omschrijving van de toegepaste bedrijfsboekhouding betreffende de productie en de verwerking, de voorraden, de inslag en de uitslag van de energieproducten;
  5° een afschrift van het getuigschrift van inschrijving afgeleverd door de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie overeenkomstig artikel 4 van het ministerieel besluit van 27 december 1978 betreffende de inschrijving van de personen die optreden in de bevoorradingsketen van het land en van de verbruikers in aardolie en aardolieproducten;
  6° een getuigschrift van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie waarin wordt bevestigd dat aan deze de inlichtingen werden verstrekt opgelegd door het ministerieel besluit van 17 april 1989 tot regeling van de wijze waarop de Minister van Economische Zaken van de opslagcapaciteit voor aardolie en aardolieproducten dient te worden ingelicht.
  Deze bepalingen zijn niet van toepassing op de handelaar en op de trader, bedoeld in artikel 4, §§ 3 en 4. De stukken vermeld in 5° en 6° zijn enkel vereist voor aardolie en aardolieproducten.
Art. 6. Sans préjudice des dispositions de l'arrêté ministériel du 18 mars 2010 relatif au régime général en matière d'accise, toute personne qui désire être reconnue en qualité d'entrepositaire agréé doit produire à l'appui de sa demande, les pièces suivantes :
  1° une description détaillée des procédés de production ou de transformation éventuellement appliqués;
  2° un plan avec légende mentionnant tous les bâtiments, unités de production et de transformation, tanks d'emmagasinage, installations de chargement et de déchargement, stations de pompage, conduites de et vers les tanks d'emmagasinage, conduites venant ou sortant de l'entreprise, les autres entrées ou sorties et les systèmes d'injection automatique;
  3° une liste particulière reprenant chaque tank d'emmagasinage avec mention de son numéro et de sa capacité d'emmagasinage;
  4° une description pratique de la comptabilité de l'entreprise relative à la production et à la transformation, aux stocks, à l'entrée et à la sortie des produits énergétiques;
  5° une copie de l'attestation d'enregistrement délivrée par le Service public fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie conformément à l'article 4 de l'arrêté ministériel du 27 décembre 1978 relatif à l'enregistrement des personnes qui interviennent dans le circuit d'approvisionnement du pays et des consommateurs en pétrole et produits pétroliers;
  6° une attestation du Service public fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie établissant le dépôt auprès de celui-ci des renseignements requis par l'arrêté ministériel du 17 avril 1989 réglant le mode selon lequel il y a lieu d'informer le Ministre des Affaires économiques de la capacité de stockage de pétrole et de produits pétroliers.
  Ces dispositions ne s'appliquent pas au négociant et au trader visés à l'article 4, §§ 3 et 4. Les pièces mentionnées aux 5° et 6° ne sont exigées que pour le pétrole et les produits pétroliers.
Afdeling 2. - Voorhanden hebben van energieproducten
Section 2. - Détention de produits énergétiques
Art. 7. § 1. Het voorhanden hebben van energieproducten in een belastingentrepot dient te geschieden in opslagtanks die onderworpen zijn aan de eerste ijk en de herijk overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van [1 21 februari 2024 betreffende de ijkverrichtingen voor opslagtanks]1.
  Er moeten afzonderlijke opslagtanks worden voorzien met betrekking tot de soort, de kwaliteit alsmede tot het eventueel denatureren of merken van de energieproducten.
  § 2. De geproduceerde hoeveelheden energieproducten moeten in vooraf aangewezen opslagtanks worden opgeslagen.
  § 3. Door de erkend entrepothouder moet een lijst worden opgesteld van de opslagtanks waarin de producten zich onder de schorsingsregeling bevinden. Deze lijst wordt ter beschikking gehouden van de controleur.
  § 4. Met het oog op een rationeel gebruik van de opslagtanks kan de minister bevoegd voor Financiën, onder de voorwaarden die hij bepaalt, toestaan dat energieproducten die zich onder een douaneregeling bevinden samen in dezelfde opslagtank worden opgeslagen met energieproducten van dezelfde soort en kwaliteit die voorhanden zijn in een belastingentrepot.
  
Art. 7. § 1er. La détention de produits énergétiques en entrepôt fiscal s'effectue dans des tanks d'emmagasinage qui sont soumis à la vérification primitive et à la vérification périodique selon les dispositions de l'arrêté royal du [1 21 février 2024 relatif aux opérations de vérification des réservoirs de stockage]1.
  Des tanks d'emmagasinage distincts sont prévus en fonction de l'espèce, de la qualité ainsi que de la dénaturation ou du marquage éventuel des produits énergétiques.
  § 2. Les quantités de produits énergétiques produites doivent être stockées dans des tanks préalablement désignés.
  § 3. L'entrepositaire agréé établit une liste des tanks d'emmagasinage dans lesquels les produits se trouvent en régime de suspension de droits. Cette liste est tenue à la disposition du contrôleur.
  § 4. En vue d'une utilisation rationnelle des tanks d'emmagasinage, le ministre qui a les Finances dans ses attributions peut, aux conditions qu'il détermine, autoriser que des produits énergétiques placés sous un régime douanier soient entreposés dans un même tank d'emmagasinage que des produits énergétiques, de même espèce et qualité, détenus en entrepôt fiscal.
  
Afdeling 3. - Voorraadadministratie
Section 3. - Comptabilité matières
Art. 8. Iedere erkend entrepothouder moet de boekhouding van de voorraden en de bewegingen van de energieproducten bedoeld in artikel 19 van de wet van 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen, houden, onder de vorm van een magazijnregister 592.
  Er moet een afzonderlijk magazijnregister 592 worden gehouden met betrekking tot de soort, de kwaliteit alsmede tot het eventueel denatureren of merken van de energieproducten.
  Het model en de instructies betreffende het houden van dit register zijn opgenomen in bijlage I.
Art. 8. Tout entrepositaire agréé tient la comptabilité des stocks et des mouvements des produits énergétiques visée à l'article 19 de la loi du 22 décembre 2009 relative au régime général d'accise, sous la forme d'un registre de magasin 592.
  Un registre de magasin 592 distinct est tenu en fonction de l'espèce, de la qualité ainsi que de la dénaturation ou du marquage éventuel des produits énergétiques.
  Le modèle et les instructions relatives à l'emploi de ce registre font l'objet de l'annexe Ire.
Art. 9. § 1. Indien een erkend entrepothouder energieproducten levert dient hij in een specifieke kolom van zijn voorraadadministratie de hoeveelheden te vermelden die aan een verlaagd tarief inzake accijnzen of met vrijstelling van accijnzen werden geleverd, onder verwijzing naar het nummer van de overgelegde vergunning, aangevuld met het nummer van de gebruiksplaats.
  § 2. De geleverde hoeveelheden worden tot verbruik uitgeslagen aan de overeenstemmende verlaagde tarieven inzake accijnzen.
Art. 9. § 1er. Lorsque le fournisseur livre des produits énergétiques il mentionne dans une colonne spécifique de sa comptabilité matières les quantités livrées aux taux réduits d'accise, sous la référence au numéro de l'autorisation présentée, complété du numéro du lieu d'utilisation.
  § 2. Les quantités livrées sont mises à la consommation aux taux réduits d'accise correspondants.
Afdeling 4. - Opneming
Section 4. - Recensement
Art. 10. Ten minste eenmaal per jaar wordt een boekhoudkundige controle en een opneming gecombineerd uitgevoerd, onder de leiding van de controleur.
Art. 10. Au moins une fois par an, un contrôle comptable et un recensement conjoint, s'effectuent sous la direction du contrôleur.
Art. 11. § 1. Onverminderd de toepassing van artikel 19bis van het ministerieel besluit van 18 maart 2010 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen, resulteren de te vertonen hoeveelheden uit de balans tussen enerzijds de aangenomen hoeveelheden bij de laatste opneming, verhoogd met de sindsdien geproduceerde hoeveelheden en met de sindsdien onder de schorsingsregeling ontvangen hoeveelheden en anderzijds de hoeveelheden die met een geoorloofde bestemming werden uitgeslagen.
  § 2. De geproduceerde, verwerkte, ontvangen en uitgeslagen hoeveelheden worden vastgesteld door een boekhoudkundige controle. De voorraden maken het voorwerp uit van een fysieke verificatie.
  § 3. In het geval van gemeenschappelijke opslag bedoeld in artikel 7, § 4 wordt ieder tekort of teveel dat in dergelijke tank wordt vastgesteld, beschouwd als betrekking hebbend op het energieproduct dat onder de douaneregeling is geplaatst. Indien meerdere tanks worden gebruikt voor gemeenschappelijke opslag wordt het verschil per tank beschouwd, voor zover de tanks niet met elkaar verbonden zijn.
Art. 11. § 1er. Sans préjudice de l'application de l'article 19bis, de l'arrêté ministériel du 18 mars 2010 relatif au régime général en matière d'accise, les quantités à représenter résultent de la balance entre d'une part, les quantités acceptées lors du dernier recensement augmentées des quantités produites et des quantités reçues en régime de suspension de droits et d'autre part, les quantités sorties pour une destination autorisée.
  § 2. Les quantités produites, transformées, reçues et sorties sont établies par un contrôle comptable. Les stocks font l'objet d'une vérification physique.
  § 3. Dans le cas d'un emmagasinage en commun visé à l'article 7, § 4, tout manquant ou excédent constaté dans le tank est imputé sur le produit énergétique placé sous le régime douanier. Lorsque plusieurs tanks sont affectés à l'emmagasinage en commun, l'imputation s'effectue par tank pour autant que les tanks ne soient pas connectés l'un à l'autre.
Art. 12. Na iedere opneming stellen de ambtenaren een proces-verbaal van opneming op, dat door hen alsmede door de erkend entrepothouder of zijn afgevaardigde wordt ondertekend.
Art. 12. Après chaque recensement, les agents établissent un procès-verbal de recensement qu'ils signent ainsi que l'entrepositaire agréé ou son représentant.
HOOFDSTUK III. - Industriële en commerciële doeleinden
CHAPITRE III. - Utilisations industrielles et commerciales
Art. 13. Betreffende de industriële en commerciële doeleinden zoals bepaald in artikel 420, § 4 van de wet :
  1° wordt onder "stationaire motoren" verstaan, de vaste motoren voor het aandrijven van generatoren, compressoren, pompen, centrifuges en dergelijke, ook indien deze gemonteerd zijn op voertuigen, voor zover de motor niet verbonden is met het aandrijfmechanisme van het voertuig en over een afzonderlijk brandstofreservoir beschikt.
  2° wordt onder "installaties en machines die worden gebruikt in de bouw, de weg- en waterbouw en voor openbare werken" verstaan, schrapers, laadschoppen, heimachines, wegwalsen, egaliseermachines, bulldozers, graafmachines, hijstoestellen, grasmaaimachines en dergelijk, ingedeeld onder hoofdstuk 84 van bijlage I van Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief;
  3° a) wordt onder "voertuigen bestemd om buiten de openbare weg te worden gebruikt" verstaan de voertuigen die niet bij de Dienst voor Inschrijving van de Voertuigen (DIV) zijn ingeschreven en derhalve niet over een kentekenplaat beschikken;
  b) wordt onder "voertuigen waarvoor geen vergunning is verleend voor overwegend gebruik op de openbare weg" verstaan :
  i) de voertuigen die niet voldoen aan de voorwaarden vastgesteld voor het afleveren door de Dienst voor Inschrijving van de Voertuigen (DIV) van een vergunning voor overwegend gebruik op de openbare weg. De voertuigen waarvoor wel een vergunning is verleend voor overwegend gebruik op de openbare weg zijn de voertuigen ingeschreven bij de Dienst voor Inschrijving van de Voertuigen (DIV), voorzien van een kentekenplaat en een bewijs van inschrijving, beschikkend over een gelijkvormigheidsattest afgeleverd op basis van een proces-verbaal van goedkeuring van de FOD Mobiliteit en Vervoer en onderworpen aan een periodieke technische controle; of
  ii) [1 ...]1.
  
Art. 13. Concernant les utilisations industrielles et commerciales telles que définies à l'article 420, § 4, de la loi :
  1° par " moteurs stationnaires ", on entend les moteurs fixes pour la mise en marche de générateurs, de compresseurs, de pompes, de centrifugeuses et assimilés, même lorsqu'ils sont montés sur des véhicules pour autant que le moteur ne soit pas relié au mécanisme de propulsion du véhicule et qu'il dispose d'un réservoir à carburant distinct;
  2° par " installations et machines utilisées dans la construction, le génie civil et les travaux publics ", on entend les grappins, les élévateurs, les débroussailleuses, les rouleaux compresseurs, les niveleuses, les bulldozers, les excavatrices, les appareils de levage, les tondeuses et assimilés relevant du chapitre 84 de l'annexe Ire du Règlement (CEE) n° 2658/87 du Conseil relatif à la nomenclature tarifaire et statistique et au tarif douanier commun;
  3° a) par " véhicules destinés à une utilisation hors voie publique ", on entend les véhicules qui ne sont pas immatriculés auprès de la Direction pour l'Immatriculation des Véhicules (DIV) et qui, dès lors, ne disposent pas d'une marque d'immatriculation;
  b) par " véhicules qui n'ont pas reçu d'autorisation pour être principalement utilisés sur la voie publique ", on entend :
  i) les véhicules qui ne satisfont pas aux conditions fixées pour la délivrance par la Direction pour l'Immatriculation des Véhicules (DIV) d'une autorisation pour être principalement utilisés sur la voie publique. Les véhicules qui ont reçu une autorisation pour être principalement utilisés sur la voie publique sont les véhicules immatriculés auprès de la Direction pour l'Immatriculation des Véhicules (DIV) munis d'une marque d'immatriculation et d'une preuve d'immatriculation, disposant d'un certificat de conformité délivré sur la base d'un procès-verbal d'approbation du SPF Mobilité et Transports et soumis à un contrôle technique périodique; ou
  ii) [1 ...]1.
  
HOOFDSTUK IV. - Registratie
CHAPITRE IV. - Enregistrement
Art. 14. § 1. Is gehouden, overeenkomstig [1 artikelen 425 en 432, § 3]1 van de wet, over een registratie energieproducten en elektriciteit te beschikken :
  1° iedere distributeur van aardgas of elektriciteit;
  2° iedere netbeheerder van aardgas en elektriciteit;
  3° iedere producent en handelaar in kolen, cokes of bruinkool of zijn fiscaal vertegenwoordiger;
  4° iedere handelaar in energieproducten met uitzondering van aardgas, kolen, cokes en bruinkool die niet de hoedanigheid van erkend entrepothouder bezit en dit, onafhankelijk van het feit dat hij eventueel de hoedanigheid van geregistreerde geadresseerde of tijdelijk geregistreerde geadresseerde bezit;
  5° iedere houder van een tankstation, zoals bepaald in artikel 46;
  Onder "houder van een tankstation" verstaat men de eigenaar van de energieproducten die zijn opgeslagen in het tankstation;
  6° [7 iedere persoon die voor zijn zakelijk gebruik van een vrijstelling inzake accijnzen wenst te genieten, met uitzondering van:
   a) de personen die van de vrijstellingen voorzien in artikel 429, § 1, f), of g) of § 2, g), van de wet wensen te genieten;
   b) de personen die van de vrijstelling voorzien in artikel 429, § 2, b), van de wet wensen te genieten;
   c) de personen die van de vrijstelling voorzien in artikel 429, § 2, d), van de wet wensen te genieten;]7

  7° [7 iedere persoon die voor zijn zakelijk gebruik wenst te genieten van de toepassing van het verlaagd tarief inzake accijnzen voorzien in artikel 419, i), iii), 1, a, van de wet.]7
  § 2. De registratie wordt uitgevoerd door het verlenen van een vergunning energieproducten en elektriciteit.
  § 3. De vergunning energieproducten en elektriciteit bedoeld in § 2, wordt ingedeeld in verschillende types, gedefinieerd als volgt :
  1° "distributeur van aardgas" of "distributeur van elektriciteit", volgens het product;
  2° "aardgasnetbeheerder" of "elektriciteitsnetbeheerder", volgens het product;
  3° "producent en handelaar in kolen, cokes en bruinkool of zijn fiscaal vertegenwoordiger";
  4° "handelaar";
  5° "pomphouder";
  6° "eindgebruiker" overeenkomstig [7 Hoofdstuk X]7.
  § 4. [7 De vergunning energieproducten en elektriciteit moet worden aangevraagd bij de dienst aangeduid door de minister van Financiën.
   Zij moet worden aangevraagd ten laatste 10 werkdagen vóór de aanvang van iedere activiteit, door middel van het formulier opgenomen in bijlage II. De administrateur-generaal stelt de verklarende nota op betreffende dit formulier.]7

  § 5. Bij de aanvraag tot het bekomen van een vergunning energieproducten en elektriciteit van de volgende types moet worden bijgevoegd :
  1° [7 voor "distributeur van aardgas" of "distributeur van elektriciteit": indien een zekerheidsstelling is vereist door artikel 16/1, een kopie van de akte van zekerheidsstelling;]7
  2° voor "producent en handelaar in kolen, cokes en bruinkool of zijn fiscaal vertegenwoordiger" : wanneer de producent, invoerder of eventueel zijn fiscaal vertegenwoordiger overeenkomstig artikel 425 van de wet, in de plaats treedt van de bedrijven die aan de kleinhandelaar leveren, de lijst van deze leveranciers en een attest van hen waarmee ze zich akkoord verklaren met deze substitutie;
  3° [4 voor "iedere [7 persoon]7 bedoeld in § 1, 7° :
   a) een kopie van de "energiebeleidsovereenkomst", "accord de branche" of gelijkaardige overeenkomst afgeleverd door het Gewest;
   b) indien de aanvraag wordt ingediend door een divisie van het bedrijf : de elementen die aantonen dat de divisie "op eigen kracht kan functioneren" in de zin van artikel 420, § 5, 6de lid van de wet;]4

  [7 ...]7
  [7 4° voor "eindgebruiker" die wenst te genieten van de gedeeltelijke vrijstelling voorzien in artikel 429, § 5, van de wet: een lijst van de voertuigen waarvoor de terugbetaling wordt gevraagd;
   5° voor ondernemingen die niet gevestigd zijn in België, indien noodzakelijk, de documenten met betrekking tot de aanstelling van een vertegenwoordiger.]7

  § 6. Het model van de vergunning is opgenomen in bijlage III.
  De titularis van de vergunning moet de autoriteit die deze heeft afgeleverd onmiddellijk in kennis stellen van ieder element dat kan aanleiding geven tot een wijziging of de intrekking ervan.
  Een vergunning wordt geweigerd, ingetrokken of gewijzigd onder de voorwaarden bepaald in de artikelen 22, 23 en 24 van de wet van 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen.
  § 7. [5 De titularis van de vergunning energieproducten en elektriciteit dient onmiddellijk aan de autoriteit die deze heeft afgeleverd, elke wijziging mee te delen die door het Gewest wordt aangebracht aan zijn "energiebeleidsovereenkomst", "accord de branche" of gelijkaardige overeenkomst, evenals de schorsing of intrekking van de bedoelde overeenkomsten.]5
  § 8. [6 ...]6.
  § 9. Met uitzondering van de netbeheerder voor aardgas en elektriciteit en van de kleinhandelaar in kolen, cokes of bruinkool, dient de titularis van een vergunning energieproducten en elektriciteit een boekhouding van de voorraden en de bewegingen van de producten waarvoor de vergunning werd afgeleverd, te houden.
  
Art. 14. § 1er. Est tenu de disposer d'un enregistrement produits énergétiques et électricité, conformément [1 aux articles 425 et 432, § 3]1 de la loi :
  1° tout distributeur de gaz naturel ou d'électricité;
  2° tout gestionnaire de réseau de gaz naturel ou d'électricité;
  3° tout producteur et commerçant en houille, coke ou lignite ou son représentant fiscal;
  4° tout commerçant en produits énergétiques (à l'exclusion du gaz naturel, de la houille, du coke et du lignite) qui ne possède pas la qualité d'entrepositaire agréé et ce, indépendamment du fait qu'il possède éventuellement la qualité de destinataire enregistré ou de destinataire enregistré à titre temporaire;
  5° tout exploitant de station-service telle que définie à l'article 46;
  On entend par " exploitant de station-service ", le propriétaire des produits énergétiques qui sont entreposés dans la station-service;
  6° [7 toute personne qui, pour sa consommation professionnelle, souhaite bénéficier d'une exonération d'accise, à l'exception :
   a) des personnes qui souhaitent bénéficier des exonérations prévues à l'article 429, § 1er, f), ou g) ou § 2, g), de la loi ;
   b) des personnes qui souhaitent bénéficier de l'exonération prévue à l'article 429, § 2, b), de la loi ;
   c) des personnes qui souhaitent bénéficier de l'exonération prévue à l'article 429, § 2, d), de la loi ;]7

  7° [7 toute personne qui, pour sa consommation professionnelle, souhaite bénéficier de l'application du taux réduit d'accise prévu à l'article 419, i), iii), 1, a, de la loi.]7
  § 2. L'enregistrement est réalisé par l'attribution d'une autorisation produits énergétiques et électricité.
  § 3. L'autorisation produits énergétiques et électricité visée au § 2, est classée en différents types, définis comme suit :
  1° " distributeur de gaz naturel " ou " distributeur d'électricité ", selon le produit;
  2° " gestionnaire de réseau de gaz naturel " ou " gestionnaire de réseau d'électricité ", selon le produit;
  3° " producteur et commerçant en houille, coke et lignite ou leur représentant fiscal ";
  4° " commerçant ";
  5° " pompiste ";
  6° " utilisateur final " conformément [7 au Chapitre X]7.
  § 4. [7 L'autorisation produits énergétiques et électricité est requise auprès le service désigné par le ministre des Finances.
   Elle doit être requise au plus tard 10 jours ouvrables avant le début de toute activité, au moyen du formulaire reproduit à l'annexe II. L'administrateur général établit la notice explicative de ce formulaire.]7

  § 5. Il est joint à la demande d'autorisation produits énergétiques et électricité, de type :
  1° [7 "distributeur de gaz naturel" ou "distributeur d'électricité" : si une garantie est exigée par l'article 16/1, une copie de l'acte de garantie ;]7
  2° " producteur et commerçant en houille, coke et lignite ou leur représentant fiscal " : lorsque le producteur, l'importateur ou éventuellement son représentant fiscal se substitue, conformément à l'article 425 de la loi, aux sociétés qui fournissent le détaillant, la liste de ces fournisseurs et une attestation de ceux-ci par laquelle ils agréent cette substitution;
  3° [4 pour "chaque [7 personne]7 " visée au § 1er, 7° :
   a) une copie du "energiebeleidsovereenkomst", de l'"accord de branche" ou d'un accord similaire délivré par la Région;
   b) lorsque la demande est introduite par une division de l'entreprise : les éléments démontrant que la division est "capable de fonctionner par ses propres moyens" au sens de l'article 420, § 5, 6e alinéa de la loi;]4

  [7 ...]7
  [7 4° "utilisateur final" qui souhaite bénéficier de l'exonération partielle prévue à l'article 429, § 5, de la loi : une liste des véhicules pour lesquels le remboursement est demandé ;
   5° pour les entreprises non établies en Belgique, si nécessaire, les documents concernant la désignation d'un représentant.]7

  § 6. Le modèle de l'autorisation fait l'objet de l'annexe III.
  Le bénéficiaire de l'autorisation porte immédiatement à l'attention de l'autorité qui l'a délivrée tout élément pouvant mener à sa modification ou à son annulation.
  Une autorisation est refusée, retirée ou révoquée aux conditions fixées par les articles 22, 23 et 24 de la loi du 22 décembre 2009 relative au régime général d'accise.
  § 7. [5 Le titulaire de l'autorisation produits énergétiques et électricité est tenu de communiquer immédiatement à l'autorité qui l'a délivrée toute modification apportée par la Région à son "energiebeleidsovereenkomst", à son "accord de branche"ou à son accord similaire, ainsi que la suspension ou le retrait des accords concernés.]5
  § 8. [6 ...]6.
  § 9. A l'exception du gestionnaire de réseau de gaz naturel ou d'électricité et du détaillant en houille, coke ou lignite, le titulaire d'une autorisation produits énergétiques et électricité tient une comptabilité des stocks et des mouvements des produits visés par l'autorisation.
  
HOOFDSTUK V. - Handelaar
CHAPITRE V. - Commerçant
Art. 15. § 1. De handelaar in energieproducten die niet de hoedanigheid van erkend entrepothouder bezit en bedoeld wordt in artikel 14, § 1, 4° kan slechts het volgende betrekken :
  1° benzine;
  2° kerosine of gasolie, aan het tarief vastgesteld voor gebruik als motorbrandstof zoals bepaald in artikel 419, d) i), e) i) en f) i) van de wet;
  3° kerosine of gasolie, aan het hoogste tarief dat overeenstemt met het gebruik als verwarmingsbrandstof zoals bepaald in artikel 419, d) iii), e) iii) en f) iii) van de wet;
  4° zware stookolie, aan het hoogste tarief zoals bepaald in artikel 419, g) van de wet;
  5° vloeibaar petroleumgas, aan het hoogste tarief dat overeenstemt met het gebruik als verwarmingsbrandstof zoals bepaald in artikel 419, h) iii) van de wet;
  6° de energieproducten opgenomen in artikel 415 van de wet en waarvoor geen tarief is vastgesteld in artikel 419 van de wet.
  § 2. De erkend entrepothouder mag slechts tot levering van de in § 1 bedoelde energieproducten overgaan op overlegging van de vergunning energieproducten en elektriciteit die werd afgeleverd aan de handelaar.
Art. 15. § 1er. Le commerçant en produits énergétiques qui ne possède pas la qualité d'entrepositaire agréé visé à l'article 14, § 1er, 4°, ne peut acquérir que :
  1° de l'essence;
  2° du pétrole lampant ou du gasoil, au taux de l'utilisation comme carburant tel que visé à l'article 419, d) i), e) i) et f) i) de la loi;
  3° du pétrole lampant ou du gasoil, au taux le plus élevé correspondant à l'usage comme combustible tel que visé à l'article 419, d) iii), e) iii) et f) iii) de la loi;
  4° du fioul lourd au taux le plus élevé tel que visé à l'article 419, g) de la loi;
  5° du gaz de pétrole liquéfié, au taux le plus élevé correspondant à l'usage comme combustible tel que visé à l'article 419, h) iii) de la loi;
  6° des produits énergétiques repris à l'article 415 de la loi pour lesquels aucun taux n'est fixé à l'article 419 de la loi.
  § 2. L'entrepositaire agréé ne peut procéder à la livraison des produits énergétiques visés au § 1er que sur présentation de l'autorisation produits énergétiques et électricité délivrée au commerçant.
Art. 16. § 1. De handelaar in energieproducten die niet de hoedanigheid van erkend entrepothouder bezit en bedoeld wordt in artikel 13, § 1, d) mag slechts producten leveren aan het tarief waaraan hij ze heeft betrokken.
  § 2. In afwijking van § 1, mag de handelaar producten leveren :
  1° met vrijstelling van de accijnzen bij toepassing van artikel 429, § 2, i) van de wet, op overlegging door zijn klant van de vergunning energieproducten en elektriciteit die aan deze laatste werd afgeleverd;
  2° aan een verlaagd tarief inzake accijnzen, op overlegging door zijn klant van de vergunning energieproducten en elektriciteit die aan deze laatste werd afgeleverd.
  Indien de energieproducten worden ingevoerd en tot verbruik worden aangegeven met vrijstelling van accijnzen of aan een verlaagd tarief inzake accijnzen dient de bedoelde vergunning overgelegd te worden op het kantoor van invoer.
  § 3. De leverancier die energieproducten (met uitsluiting van aardgas) levert en niet over de hoedanigheid van erkend entrepothouder beschikt, mag, middels het overleggen door zijn klant van de vergunning energieproducten en elektriciteit, aan deze laatste producten leveren met vrijstelling van accijnzen of aan het verlaagde tarief inzake accijnzen en bij de erkend entrepothouder die hem heeft bevoorraad het verschil inzake accijnzen recupereren dat uit deze levering voortvloeit.
  Het verschil inzake accijnzen wordt bekomen door het bedrag inzake accijnzen met vrijstelling of aan het verlaagde tarief dat overeenstemt met de "productcode" vermeld in de vergunning energieproducten en elektriciteit in mindering te brengen van het bedrag inzake accijnzen :
  1° voor kerosine en gasolie aan het hoogste tarief dat overeenstemt met het gebruik als verwarmingsbrandstof zoals respectievelijk bepaald in artikel 419, letters d), e) en f) van de wet;
  2° voor zware stookolie, aan het hoogste tarief zoals bepaald in artikel 419, letter g) van de wet;
  3° voor vloeibaar petroleumgas, aan het hoogste tarief dat overeenstemt met het gebruik als verwarmingsbrandstof zoals bepaald in artikel 419, letter h) van de wet.
  De recuperatie van de accijnzen is onderworpen aan het overhandigen aan de betrokken erkend entrepothouder van het origineel van het attest (conform bijlage V) afgeleverd door de controleur van het gebied van de leverancier. Het bedrag inzake accijnzen dat op dit attest is vermeld, wordt in mindering gebracht van het bedrag inzake accijnzen dat door de erkend entrepothouder is verschuldigd ingevolge latere uitslagen tot verbruik van energieproducten.
  Het verwerven van dit attest is onderworpen aan het respecteren van volgende voorwaarden :
  1° [1 de leverancier dient, volgens de periodiciteit voorzien in het aanvraagformulier (punt 1) van de toelichting bij bijlage IV) de aanvraag tot terugbetaling in, uiterlijk twee maanden na het verstrijken van de periode waarvoor de terugbetaling gevraagd wordt, bij de dienst aangeduid door de minister van Financiën. De bepalingen voorzien in artikel 9 van de wet van 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen blijven onverminderd van toepassing;]1
  2° de aanvraag dient vergezeld te gaan van een lijst die per type van het geleverde product het volgende vermeldt :
  a) de hoeveelheid;
  b) het hoogste tarief inzake accijnzen bedoeld in artikel 16, § 3 (zoals vermeld op de inkomende facturen) en het daarmee gepaard gaande bedrag inzake accijnzen;
  c) het tarief inzake accijnzen dat overeenstemt met het reële gebruik van het product (zoals vermeld op de uitgaande facturen) en het daarmee gepaard gaande bedrag inzake accijnzen;
  d) het nummer van de vergunning energieproducten en elektriciteit die werd afgeleverd aan de eindgebruiker;
  e) de "productcode", zoals opgenomen in de vergunning energieproducten en elektriciteit die werd afgeleverd aan de eindgebruiker;
  f) het verschil tussen de bedragen bedoeld onder b) en c).
  
Art. 16. § 1er. Le commerçant en produits énergétiques qui ne possède pas la qualité d'entrepositaire agréé visé à l'article 13, § 1er, d), ne peut livrer des produits qu'au taux d'accise auquel il les a acquis.
  § 2. Par dérogation au § 1er, le commerçant peut livrer des produits :
  1° exonérés de l'accise en application de l'article 429, § 2, i), de la loi, moyennant la présentation par son client de l'autorisation produits énergétiques et électricité délivrée à ce dernier;
  2° aux taux réduits d'accise, moyennant la présentation par son client de l'autorisation produits énergétiques et électricité délivrée à ce dernier.
  Lorsque les produits énergétiques sont importés et mis à la consommation à un taux réduit d'accise, ladite autorisation est présentée au bureau d'importation.
  § 3. Le fournisseur qui livre des produits énergétiques (à l'exclusion du gaz naturel) et ne possède pas la qualité d'entrepositaire agréé, peut, moyennant la présentation par son client de l'autorisation produits énergétiques et électricité , lui livrer des produits à un taux réduit d'accise et récupérer auprès de l'entrepositaire agréé qui l'a approvisionné, la différence d'accise résultant de cette livraison.
  La différence d'accise est obtenue par la soustraction du montant d'accise à taux réduit tel que correspondant au "code du produit" mentionné dans l'autorisation produits énergétiques et électricité de celui de l'accise :
  1° pour le pétrole lampant et le gasoil, au taux le plus élevé correspondant à l'utilisation comme combustible tel que visé respectivement à l'article 419, lettres d), e) et f) de la loi;
  2° pour le fioul lourd, au taux le plus élevé tel que visé à l'article 419, lettre g) de la loi;
  3° pour le gaz de pétrole liquéfié, au taux le plus élevé correspondant à l'utilisation comme combustible tel que visé à l'article 419, lettre h) de la loi.
  La récupération de l'accise est soumise à la remise à cet entrepositaire agréé de l'original de l'attestation (conforme annexe V) délivrée par le contrôleur du ressort du fournisseur. Le montant d'accise mentionné sur cette attestation est porté en déduction du montant d'accise dû par l'entrepositaire agréé suite à une mise à la consommation ultérieure de produits énergétiques.
  L'obtention de cette attestation est soumise au respect des conditions suivantes :
  1° [1 le fournisseur introduit la demande de remboursement auprès le service désigné par le ministre des Finances, au plus tard deux mois après l'expiration de la période pour laquelle le remboursement est demandé, selon la fréquence prévue dans le formulaire de demande (point 1) des notes explicatives de l'annexe IV). Les dispositions prévues à l'article 9 de la loi du 22 décembre 2009 relative au régime général d'accise restent pleinement applicables;]1
  2° la demande est accompagnée d'une liste mentionnant par type de produit livré :
  a) la quantité;
  b) le taux d'accise le plus élevé tel que défini à l'article 16, § 3 (comme mentionné sur la facture de réception) et le montant d'accise associé;
  c) le taux d'accise correspondant à l'utilisation réelle du produit (tel que mentionné sur la facture de livraison) et le montant d'accise associé;
  d) le numéro de l'autorisation produits énergétiques et électricité délivrée à l'utilisateur final;
  e) le "code produit", tel qu'il ressort de l'autorisation produits énergétiques et électricité délivrée à l'utilisateur final;
  f) la différence entre les montants de b) et c).
  
HOOFDSTUK VI. [1 - Aardgas en elektriciteit]1
CHAPITRE VI. [1 - Gaz naturel et électricité]1
Art.16/1. [1 De distributeur bedoeld in artikel 424, § 1, van de wet moet een zekerheid stellen voor een bedrag dat gelijk is aan twee representatieve maanden accijnzen om de fiscale risico's, inherent aan de levering van elektriciteit of aardgas door deze distributeur aan de eindgebruiker, te dekken, zonder dat het bedrag van deze zekerheid minder mag bedragen dan 500,00 euro.
   Deze zekerheid moet, voorafgaand aan de eerste levering bij het Departement Boekhouding van de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen geregistreerd zijn.]1

  
Art.16/1. [1 Le distributeur visé à l'article 424, § 1er, de la loi est tenu de constituer une garantie égale au montant de deux mois représentatifs de l'accise pour couvrir les risques fiscaux inhérents à la fourniture d'électricité ou de gaz naturel par ce distributeur au consommateur final, sans que son montant ne puisse être inférieur à 500,00 euros.
   Cette garantie doit avoir été enregistrée auprès du Département Comptabilité de l'Administration Général des Douanes et Accises, préalablement à la première fourniture.]1

  
Art. 17. De leverancier van aardgas of elektriciteit mag slechts leveringen met vrijstelling van accijns of het verlaagde tarief inzake accijnzen verrichten aan personen die een vergunning energieproducten en elektriciteit heeft verkregen. Deze vergunning dient hem te worden overgelegd.
Art. 17. Le fournisseur de gaz naturel ou d'électricité ne peut procéder à des livraisons avec exonération d'accise ou aux taux réduits d'accise, qu'à la personne à laquelle une autorisation produits énergétiques et électricité a été accordée. Cette autorisation doit lui être présentée.
Art. 18. Indien de leverancier leveringen verricht van aardgas of elektriciteit, dient hij in een specifieke kolom van zijn voorraadadministratie de hoeveelheden te vermelden die met vrijstelling van accijnzen of aan een verlaagd tarief inzake accijnzen werden geleverd, onder verwijzing naar het nummer van de overgelegde vergunning, aangevuld met het nummer van de gebruiksplaats.
  De geleverde hoeveelheden worden tot verbruik uitgeslagen aan de overeenstemmende verlaagde tarieven inzake accijnzen.
Art. 18. Lorsque le fournisseur livre du gaz naturel ou de l'électricité, il mentionne dans une colonne spécifique de sa comptabilité matières les quantités livrées aux taux réduits d'accise, sous la référence au numéro de l'autorisation présentée, complétée du numéro de lieu d'utilisation.
  Les quantités livrées sont mises à la consommation aux taux réduits d'accise correspondants.
Art. 18/1. [1 § 1. De bijzondere accijns, zoals vastgesteld in artikel 419, i) en k) van de wet, wordt berekend volgens een degressief tarief per verbruiksschijf, berekend op jaarbasis. De berekeningen gelden per verbruikslocatie.
   § 2. Het begrip "verbruikslocatie" met betrekking tot aardgas wordt als volgt gedefinieerd:
   "verbruiksinstallaties op een topografisch geïdentificeerde plaats, waarvan het aardgas dat dient voor hun bevoorrading wordt afgenomen van een aardgastransmissienet, en/of van een distributienet en/of van een directe leiding door eenzelfde netgebruiker".
   § 3. Het begrip "verbruikslocatie" met betrekking tot elektriciteit wordt als volgt gedefinieerd :
   "verbruiksinstallaties gelegen op een topografisch geïdentificeerde plaats waarvan elektriciteit wordt afgenomen [2 van het transmissie- of distributienet en/of van een directe leiding door eenzelfde netgebruiker]2. Eenzelfde spoorwegnet of stedelijk spoorwegnet, zelfs indien er meerdere voedingspunten zijn, wordt beschouwd als één enkele verbruikslocatie".
   § 4. Indien, met betrekking tot elektriciteit, de eindafnemer op één verbruikslocatie verschillende afnamepunten op het transmissie- of distributienet heeft, dan maakt de eindafnemer aan zijn distributeur de vereiste informatie vervat in de verklaring in bijlage VII over.
   De verschillende afnamepunten worden dan als één verbruikslocatie beschouwd.
   Bij gebrek aan deze verklaring wordt elk afnamepunt als een aparte verbruikslocatie beschouwd.
   § 5. Indien de distributeur levert via een aansluiting op het transmissie- of distributienet (elektriciteit) of via een aansluiting op het aardgastransmissienet, het distributienet of op een directe leiding (aardgas) dan maakt hij gebruik van de verbruiksgegevens zoals deze hem door de betrokken beheerder van het betrokken elektriciteits- of aardgasnet zijn overgemaakt conform de toepasselijke wetgevingen en reglementen.
   § 6. Indien de afrekening, opgesteld door de distributeur overeenkomstig artikel 424, § 1 van de wet, betrekking heeft op een verbruik (doorlopende levering) van elektriciteit of aardgas voor een periode korter of langer dan een jaar, dan is het verbruik van deze periode onderworpen aan de verbruiksschijven vastgesteld in artikel 419, i) en k) van de wet, in dezelfde verhouding als deze die zouden toegepast worden voor de voortschrijdende jaarlijkse som van de afnamen.
   § 7. Het begrip "voortschrijdende jaarlijkse som van de afname" wordt als volgt gedefinieerd :
   1° indien de distributeur levert via een aansluiting op het transmissie- of distributienetwerk en wanneer de afrekeningsfacturen op maandelijkse basis worden opgemaakt: de afname van de laatste twaalf maanden op de aansluiting op het betrokken elektriciteits- of aardgasnet.
   Indien de gegevens van deze periode niet volledig beschikbaar zijn, wordt een lineaire extrapolatie toegepast op basis van de meest recente gegevens waarover de distributeur beschikt.
   Indien een gedeelte van het verbruik kan genieten van een vrijstelling wordt de voortschrijdende jaarlijkse som met een naar verhouding zelfde gedeelte verminderd.
   2° indien de distributeur levert via een aansluiting op het transmissie- of distributienetwerk en wanneer de afrekeningsfacturen op jaarlijkse basis worden opgemaakt: de afnamen bepaald op basis van de beschikbare verbruiksgegevens op de aansluiting op het betrokken elektriciteits- of aardgasnet over de twaalf maanden die voorafgaan aan de einddatum van de periode waarop de factuur betrekking heeft, indien nodig geëxtrapoleerd aan de hand van in de elektriciteits- of aardgasmarkt vastgelegde verbruiksprofielen.
   Indien een gedeelte van het verbruik kan genieten van een vrijstelling wordt de voortschrijdende jaarlijkse som met een naar verhouding zelfde gedeelte verminderd.
   3° indien de distributeur niet levert via een aansluiting op het transmissie- of distributienetwerk: de afname van de laatste twaalf maanden. Indien de gegevens van deze periode niet volledig beschikbaar zijn, wordt een lineaire extrapolatie toegepast op basis van de meest recente gegevens waarover de distributeur beschikt.
   Indien een gedeelte van het verbruik kan genieten van een vrijstelling wordt de voortschrijdende jaarlijkse som met een naar verhouding zelfde gedeelte verminderd.
   § 8. Wanneer de afrekening betrekking heeft op een tijdsperiode waarin één of meerdere tariefwijzigingen plaatsvonden, dan wordt voor de berekening van de accijnzen het verbruik gesplitst over de tariefperioden, indien nodig aan de hand van in de elektriciteits- of aardgasmarkt vastgelegde verbruiksprofielen.]1

  
Art. 18/1. [1 § 1. Le droit d'accise spécial, comme établi à l'article 419, i) et k) de la loi est calculé suivant un taux dégressif par tranche de consommation, calculées sur une base annuelle. Les calculs s'appliquent par site de consommation.
   § 2. La notion "site de consommation" en ce qui concerne le gaz naturel est définie comme suit :
   "installations de consommation situées dans un lieu topographiquement identifié, dont le gaz naturel destiné à leur alimentation est prélevé d'un réseau de transmission de gaz naturel, et/ou d'un réseau de distribution et/ou d'une conduite directe par un même utilisateur de réseau".
   § 3. La notion "site de consommation" en ce qui concerne l'électricité est définie comme suit :
   "installations de consommation situées dans un lieu topographiquement identifié dont l'électricité est prélevée [2 sur le réseau de transmission ou de distribution et/ou sur une conduite directe par un même utilisateur de réseau]2. Un même réseau de chemins de fer ou de transport ferroviaire urbain, même s'il y a plusieurs points d'alimentation, est considéré comme un seul site de consommation".
   § 4. Si, en ce qui concerne l'électricité, le consommateur finale dispose, sur un seul site de consommation, de différents points de prélèvement sur le réseau de transmission ou de distribution, le consommateur final transmet à son distributeur les informations nécessaire contenues dans la déclaration reprise à l'annexe VII.
   Les différents points de prélèvement sont considérés comme un seul site de consommation.
   En l'absence de cette déclaration, chaque point de prélèvement est considéré comme un site de consommation distinct.
   § 5. Si le distributeur livre via un raccordement au réseau de transmission ou de distribution (électricité) ou par un raccordement au réseau de transmission de gaz naturel, ou au réseau de distribution ou à une conduite directe (gaz naturel) il utilise les données de consommation telles qu'elles lui ont été transmises par le gestionnaire du réseau de l'électricité ou de gaz naturel concerné conformément aux législations et règlements applicables.
   § 6. Si le décompte, établi par le distributeur conformément à l'article 424, § 1er de la loi, concerne une consommation (livraison en continu) d'électricité ou de gaz naturel pour une période inférieure ou supérieure à un an, la consommation de cette période est soumise aux tranches de consommation mentionnées à l'article 419, i) et k), de la loi dans la même proportion que celles qui seraient applicables pour la somme annuelle glissante des prélèvements.
   § 7. La notion "somme annuelle glissante des prélèvements" est définie comme suit :
   1° si le distributeur livre via un raccordement au réseau de transmission ou de distribution et si les factures de décompte sont établies sur base mensuelle : le prélèvement des douze derniers mois du raccordement au réseau d'électricité ou de gaz naturel concerné.
   Si les données de cette période ne sont pas entièrement disponibles, une extrapolation linéaire est effectuée sur base des données les plus récentes dont dispose le distributeur.
   Si une partie de la consommation peut bénéficier d'une exonération, la somme annuelle glissante est diminuée proportionnellement à cette part exonérée.
   2° si le distributeur livre via un raccordement au réseau de transmission ou de distribution et si les factures de décompte sont établies sur base annuelle : les prélèvements déterminés sur base des données de consommations disponibles sur le raccordement au réseau d'électricité ou de gaz naturel concerné sur une période de douze mois qui précède la date de fin de la période de facturation, si nécessaire, extrapolés au moyen des profils de consommation établis sur le marché de l'électricité ou du gaz naturel.
   Si une partie de la consommation peut bénéficier d'une exonération, la somme annuelle glissante est diminuée proportionnellement à cette part exonérée.
   3° si le distributeur ne livre pas via un raccordement au réseau de transmission ou de distribution: le prélèvement des douze derniers mois. Si les données de cette période ne sont pas entièrement disponibles, une extrapolation linéaire est effectuée sur base des données les plus récentes dont dispose le distributeur.
   Si une partie de la consommation peut bénéficier d'une exonération, la somme annuelle glissante est diminuée proportionnellement à cette part exonérée.
   § 8. Si le décompte couvre une période où un ou plusieurs changements de taux ont eu lieu, les consommations sont réparties sur les périodes d'imposition pour le calcul des droits d'accise, si nécessaire déterminé au moyen des profils de consommation établis sur le marché de l'électricité ou du gaz naturel.]1

  
Art.18//2. [1 Iedere netbeheerder van aardgas of elektriciteit en iedere distributeur van aardgas of elektriciteit die niet in België gevestigd is, moet een fiscaal vertegenwoordiger aanstellen. Deze fiscaal vertegenwoordiger moet een natuurlijk persoon of een rechtspersoon zijn die gevestigd is in België, en die zich ertoe verbindt ten opzichte van de Belgische Staat alle door de Belgische wetgeving voorgeschreven verplichtingen en formaliteiten inzake accijnzen te vervullen, in naam en voor rekening van de betrokken netbeheerder of distributeur.]1
  
Art.18/2. [1 Chaque gestionnaire de réseau de gaz naturel ou d'électricité et chaque distributeur de gaz naturel ou d'électricité qui n'est pas établi en Belgique, doit désigner un représentant fiscal. Ce représentant fiscal doit être une personne physique ou une personne morale, établie en Belgique, qui s'engage envers l'Etat belge à remplir toutes les obligations et formalités en matière d'accises prescrites par la législation belge, au nom et pour le compte du gestionnaire de réseau ou distributeur concerné.]1
  
HOOFDSTUK VII. - Herbewerking
CHAPITRE VII. - Remise en oeuvre
Art. 19. § 1. Mogen aan een herbewerking, zoals bedoeld in artikel 428, § 1 van de wet, worden onderworpen :
  1° ieder energieproduct dat accidenteel is vermengd met andere energieproducten of met andere stoffen;
  2° ieder energieproduct dat is vermengd met modder, water of andere residuen voortvloeiend uit de opslag ervan in de opslagtanks van een belastingentrepot of in de opslagtanks van een tankstation.
  De denaturering van een energieproduct of de toevoeging van een merkstof aan een energieproduct kan niet als accidenteel vermengd worden beschouwd.
  § 2. De herbewerking van energieproducten die nog niet tot verbruik werden uitgeslagen is onderworpen aan het opstellen van een verpompingsorder met vermelding van de soort, de kwaliteit en de hoeveelheid van de te herbewerken producten. Dit verpompingsorder is onderworpen aan het voorafgaandelijke akkoord van de controleur waarvan het belastingentrepot afhangt.
  § 3. De herbewerking van energieproducten die reeds tot verbruik werden uitgeslagen is onderworpen aan de voorafgaandelijke machtiging van de controleur aangeduid voor het betrokken belastingentrepot waarbinnen deze herbewerking wordt verricht, volgens een procedure bepaald door de administrateur-generaal.
  § 4. De terugbetaling van de accijnzen met betrekking tot de hoeveelheden die overeenstemmen met de opnieuw ingeslagen energieproducten in het belastingentrepot, geschiedt door een overeenstemmende vermindering, van het bedrag aan accijnzen verschuldigd op de volgende vervaldag van de kredietrekening van de aanvrager of bij de volgende betaling.
Art. 19. § 1er. Peuvent être remis en oeuvre, comme visé à l'article 428, § 1er, de la loi :
  1° tout produit énergétique mélangé accidentellement avec d'autres produits énergétiques ou d'autres matières;
  2° tout produit énergétique mélangé avec de la boue, de l'eau ou autres résidus suite à son emmagasinage dans les tanks de stockage d'un entrepôt fiscal ou dans les citernes d'emmagasinage d'une station-service.
  N'est pas considéré comme mélange accidentel, la dénaturation d'un produit énergétique ou l'ajout de marqueur à un produit énergétique.
  § 2. La remise en oeuvre de produits énergétiques qui n'ont pas encore été mis à la consommation est soumise à l'établissement d'un ordre de pompage mentionnant l'espèce, la qualité et les quantités de produits à remettre en oeuvre. Cet ordre de pompage est soumis à l'accord préalable du contrôleur dont relève l'entrepôt fiscal.
  § 3. La remise en oeuvre de produits énergétiques mis à la consommation est soumise à l'autorisation préalable du contrôleur dont relève l'entrepôt fiscal où s'effectue cette remise en oeuvre, au terme d'une procédure déterminée par l'administrateur général.
  § 4. Le remboursement de l'accise relative aux quantités de produits énergétiques réintroduits en entrepôt fiscal, s'effectue par une diminution correspondante du montant de l'accise inscrit sur la prochaine échéance du compte de crédit du demandeur ou du prochain paiement.
HOOFDSTUK VIII. - Damprecuperatie
CHAPITRE VIII. - Récupération de vapeurs
Art. 20. § 1. In de zin van artikel 428, § 2 van de wet wordt verstaan onder :
  1° benzinedampen : een gasvormige, uit benzine vervluchtigde verbinding;
  2° dampterugwinningseenheid : een installatie voor de terugwinning van benzine uit damp, met inbegrip van eventuele buffertanksystemen van een terminal;
  3° terminal : iedere installatie die voor de opslag en het laden van benzine in tankwagens, tankwagons of schepen wordt gebruikt, met inbegrip van de opslaginstallaties op het terrein van de installaties voor de terugwinning van benzine;
  4° opslaginstallatie : iedere vaste tank die op een terminal voor de opslag van benzine wordt gebruikt.
  § 2. Teneinde de dubbele belasting te vermijden op de benzines die worden verkregen bij de terugwinning van benzinedampen in een dampterugwinningseenheid, onder de voorwaarden bepaald in artikel 428, § 2 van de wet, wordt een terugbetalingsprocedure voorzien.
Art. 20. § 1er. Au sens de l'article 428, § 2, de la loi, on entend par :
  1° vapeurs d'essence : tout composé gazeux s'évaporant de l'essence;
  2° unité de récupération de vapeurs : les équipements de récupération d'essence à partir des vapeurs, y compris les éventuels systèmes de réservoirs tampons d'un terminal;
  3° terminal : toute installation utilisée pour le stockage et le chargement de l'essence dans des véhicules-citernes, des wagons-citernes ou des bateaux, y compris les installations de stockage sur le site des équipements de récupération d'essence;
  4° installation de stockage : tout réservoir fixe utilisé dans un terminal pour le stockage de l'essence.
  § 2. Afin d'éviter une double taxation sur les essences obtenues suite à la récupération de vapeurs d'essence dans une unité de récupération de vapeurs, une procédure de remboursement a été établie conformément aux conditions fixées à l'article 428, § 2, de la loi.
Art. 21. § 1. De aanvraag tot terugbetaling moet worden ingediend door de persoon die de benzines die de dampen hebben voortgebracht waarvoor de terugbetaling van de accijnzen wordt gevraagd, tot verbruik heeft uitgeslagen.
  § 2. De aanvraag tot terugbetaling bedoeld in § 1 moet maandelijks worden ingediend en dit binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf het verstrijken van de maand waarin de benzines in het verbruik werden gesteld. Ze moet worden gericht aan de directeur van het gebied waarin het belastingentrepot is gevestigd en dient de volgende elementen te bevatten :
  1° de naam en het adres van de aanvrager;
  2° de refertes van de aangifte die aanleiding heeft gegeven tot de inning van de accijnzen waarvan de terugbetaling wordt gevraagd, alsmede de benaming en het adres van het hulpkantoor waar de aangifte ten verbruik werd ingediend;
  3° per tankstation uitgerust met een dampterugwinningseenheid, de soort en de hoeveelheid van de geleverde benzines;
  4° het tarief inzake accijnzen, per soort en hoeveelheid benzine, alsmede de week van de uitslag tot verbruik;
  5° het bedrag van de betaalde accijnzen voor de leveringen aan benzinestations uitgerust met een dampterugwinningseenheid;
  6° de benaming, het adres en het nummer van de machtiging van het of de belastingentrepot(s) van waaruit de tot verbruik uitgeslagen benzines werden geleverd aan tankstations uitgerust met een dampterugwinningseenheid;
  7° de benaming, het adres en het nummer van de machtiging van het belastingentrepot waarin de benzinedampen werden binnengebracht;
  8° de lijst van de tankstations uitgerust met een dampterugwinningseenheid die bevoorraad werden door elk van de belastingentrepots bedoeld in 6°.
Art. 21. § 1er. La demande de remboursement doit être introduite par la personne ayant mis à la consommation les essences qui ont produit les vapeurs pour lesquelles la récupération de l'accise est sollicitée.
  § 2. La demande de remboursement visée au § 1er doit être introduite mensuellement et dans un délai de trois mois à compter de l'expiration du mois au cours duquel les essences ont été mises à la consommation. Elle doit être adressée au directeur dans le ressort duquel est établi l'entrepôt fiscal et comporter les éléments suivants :
  1° le nom et l'adresse du demandeur;
  2° les références de la déclaration qui a donné lieu à la perception de l'accise dont le remboursement est demandé, ainsi que la dénomination et l'adresse du bureau où la déclaration de mise à la consommation a été introduite;
  3° par station-service équipée d'une unité de récupération de vapeurs, l'espèce et la quantité des essences livrées;
  4° le taux d'accise, par espèce et quantité d'essence, ainsi que la semaine de la mise à la consommation;
  5° le montant de l'accise payée pour les livraisons aux stations-service équipées d'une unité de récupération de vapeurs;
  6° la dénomination, l'adresse et le numéro d'autorisation du ou des entrepôts fiscaux d'où proviennent les essences mises à la consommation livrées aux stations-service équipées d'une unité de récupération de vapeurs;
  7° la dénomination, l'adresse et le numéro d'autorisation de l'entrepôt fiscal où les vapeurs d'essence ont été introduites;
  8° la liste des stations-service équipées d'une unité de récupération de vapeurs desservies par chacun des entrepôts fiscaux désignés au 6°.
Art. 22. De terugbetaling van de accijnzen met betrekking tot de hoeveelheid benzine die overeenstemt met de gerecupereerde damp die wederingeslagen werd in het belastingentrepot, geschiedt door een overeenstemmende vermindering, van het bedrag aan accijnzen verschuldigd op de volgende vervaldag van de kredietrekening van de aanvrager of bij de volgende betaling.
Art. 22. Le remboursement de l'accise afférente à la quantité d'essence correspondante aux vapeurs récupérées réintroduites dans l'entrepôt fiscal s'effectue par une diminution correspondante du montant de l'accise inscrit pour la prochaine échéance du compte de crédit du demandeur ou du prochain paiement.
Art. 23. Indien de benzinedampen worden gebruikt voor de aandrijving van turbines die alternatoren in werking stellen voor de productie van elektriciteit moeten de lokalen waar deze dampen worden opgeslagen als belastingentrepot worden erkend. In dat geval wordt het gebruik van de teruggewonnen dampen belast volgens het tarief vastgesteld voor de brandstof.
Art. 23. Lorsque les vapeurs d'essence sont utilisées pour l'alimentation de turbines actionnant des alternateurs pour la production d'électricité, les locaux où sont emmagasinées ces vapeurs doivent être agréés en tant qu'entrepôt fiscal. Dans cette éventualité, l'utilisation des vapeurs récupérées est taxée au taux prévu pour le carburant.
HOOFDSTUK IX. - Denaturanten en merkstoffen
CHAPITRE IX. - Dénaturants et marqueurs
Afdeling 1. - Denaturanten
Section 1re. - Dénaturants
Art. 24. § 1. Benzine die bestemd is om te worden gebruikt voor andere doeleinden dan als motorbrandstof of als verwarmingsbrandstof moet worden gedenatureerd door toevoeging, per 1 000 liter bij 15 ° C, van één van de volgende stoffen in de vermelde hoeveelheid :
  1° 2 liter dichloorethaan;
  2° 1,5 liter trichloorethyleen of tetrachloorethaan;
  3° 1,3 liter perchloorethyleen;
  4° 1,2 liter koolstoftetrachloride;
  5° 4 liter dichloorether;
  6° 1 kg dammargom, vioolhars of erythriethars.
  § 2. Door middel van het respecteren van de controlebepalingen vastgelegd door de administrateur-generaal, kan ontheffing van de verplichting tot toevoeging van de denaturanten verleend worden.
Art. 24. § 1er. L'essence destinée à être utilisée à d'autres usages que comme carburant ou comme combustible doit être dénaturée en y ajoutant, par 1 000 litres à 15° C, une des matières suivantes dans la quantité indiquée :
  1° 2 litres de dichloréthane;
  2° 1,5 litre de trichloréthylène ou de tétrachloréthane;
  3° 1,3 litre de perchloréthylène;
  4° 1,2 litre de tétrachlorure de carbone;
  5° 4 litres d'éther dichloré;
  6° 1 kg de gomme dammar, de colophane ou de gomme d'érythrite.
  § 2. Moyennant le respect des modalités de contrôle fixées par l'administrateur général, une dispense de l'obligation d'ajouter des dénaturants peut être accordée.
Afdeling 2. - Merkstoffen
Section 2. - Marqueurs
Art. 25. § 1. [1 Aan kerosine en aan gasolie bestemd om te worden gebruikt:
   1° als motorbrandstof voor industriële en commerciële doeleinden;
   2° als verwarmingsbrandstof;
   3° in de gevallen van vrijstelling vermeld in artikel 429, §§ 1 en 2 van de wet;
   4° als motorbrandstof voor de vaart op niet-communautaire wateren,
   moet ten minste 12,5 gram en niet meer dan 18,75 gram van de merkstof ACCUTRACET PLUS per 1.000 liter energieproduct bij 15 ° C en een hoeveelheid rode merkstof die voldoende moet zijn om aan het product een goed merkbare en blijvende rode kleur te geven, worden toegevoegd.
   De vermeldde hoeveelheden aan merkstof ACCUTRACET PLUS komen overeen met een gehalte van ten minste 9,5 gram butoxybenzeen en niet meer dan 14,25 gram butoxybenzeen per 1.000 liter energieproduct bij 15° C.]1

  § 2. [1 In afwijking van paragraaf 1 moet aan kerosine die, overeenkomstig artikel 429, § 1, f), van de wet met vrijstelling van de accijnzen wordt gebruikt als reactiemotorbrandstof voor de luchtvaart, geen ACCUTRACET PLUS en geen rode merkstof worden toegevoegd, voor zover de kerosine voldoet aan de volgende specificaties:
   1° een zwavelgehalte van ten hoogste 0,3 %;
   2° een soortelijke massa bij 16 ° C van ten minste 0,775 g/cm3 en ten hoogste 0,845 g/cm3;
   3° een vlampunt van ten minste 38° C;
   4° een stollingspunt van ten hoogste - 47° C.]1

  § 3. [1 Aan zware stookolie bestemd om gebruikt te worden in scheepsmotoren, die een volgens de methode ASTM D 976 berekende cetaanindex heeft van ten minste 35 en een viscositeit, uitgedrukt in 10-6m2.S-1, berekend volgens de methode ASTM D 445 van ten hoogste 14 bij 40° C, moet ten minste 12,5 gram en niet meer dan 18,75 gram van de merkstof ACCUTRACET PLUS worden toegevoegd per 1.000 kilogram en, indien het energieproduct een volgens de methode ASTM D 1.500 bepaalde natuurlijke kleur vertoont van 5,0 of minder, een voldoende hoeveelheid rode merkstof om aan het product een goed merkbare en blijvende rode kleur te geven.
   De vermeldde hoeveelheden aan merkstof ACCUTRACET PLUS komen overeen met een gehalte van ten minste 9,5 gram butoxybenzeen per 1.000 kilogram en niet meer dan 14,25 gram butoxybenzeen per 1.000 kilogram energieproduct.]1

  [1 § 3/1. Van 1 juli 2023 tot en met 18 januari 2024 mogen de energieproducten vermeld in paragraaf 1 gemerkt worden met minimum 6 gram en maximum 9 gram van de merkstof Solvent Yellow 124 per 1.000 liter energieproduct bij 15° C in de plaats van ACCUTRACET PLUS.
   Als energieproducten tijdens deze periode een combinatie van de merkstoffen Solvent Yellow 124 en ACCUTRACET PLUS bevatten moet de verhouding tussen de merkstoffen per 1.000 liter energieproduct bij 15° C voldoen aan volgende voorwaarden:
   1° voor elke gram Solvent Yellow 124 minder dan de voorgeschreven hoeveelheid in paragraaf 3/1, ten minste 2,08 gram ACCUTRACET PLUS waarbij 2,08 gram ACCUTRACET PLUS overeenkomt met 1,58 gram butoxybenzeen; en
   2° voor elke gram ACCUTRACET PLUS minder dan de voorgeschreven hoeveelheid in paragraaf 1, waarbij 1 gram ACCUTRACET PLUS overeenkomt met 0,76 gram butoxybenzeen, ten minste 0,48 gram Solvent Yellow 124.
   § 3/2. Van 1 juli 2023 tot en met 18 januari 2024 mogen de energieproducten vermeld in de paragraaf 3 gemerkt worden met minimum 6 gram en maximum 9 gram van de merkstof Solvent Yellow 124 per 1.000 kilogram in de plaats van ACCUTRACET PLUS.
   Als energieproducten tijdens deze periode een combinatie van de merkstoffen Solvent Yellow 124 en ACCUTRACET PLUS bevatten moet de verhouding tussen de merkstoffen per 1.000 kilogram voldoen aan volgende voorwaarden:
   1° voor elke gram Solvent Yellow 124 minder dan de voorgeschreven hoeveelheid in paragraaf 3/2, ten minste 2,08 gram ACCUTRACET PLUS waarbij 2,08 gram ACCUTRACET PLUS overeenkomt met 1,58 gram butoxybenzeen; en
   2° voor elke gram ACCUTRACET PLUS minder dan de voorgeschreven hoeveelheid in paragraaf 3, waarbij 1 gram ACCUTRACET PLUS overeenkomt met 0,76 gram butoxybenzeen, ten minste 0,48 gram Solvent Yellow 124.
   § 3/3. In afwijking van paragraaf 1 moet geen rode merkstof toegevoegd worden wanneer kerosine gemerkt wordt met Solvent Yellow 124 tijdens de periode van 1 juli 2023 tot en met 18 januari 2024.]1

  § 4. Door middel van het respecteren van de controlebepalingen vastgelegd door de administrateur-generaal kan ontheffing van de verplichting tot toevoeging van de merkstoffen verleend worden.
  § 5. Het is verboden aan de kerosine, gasolie of zware stookolie bedoeld in de §§ 1 en 3, enig product toe te voegen dat bestemd is om de merkstoffen minder opspoorbaar of onopspoorbaar te maken. Het is verboden om op het even welke wijze merkstoffen uit de betrokken energieproducten te verwijderen.
  § 6. De bepalingen van de §§ 1 tot en met 5 zijn, in geval van hetzelfde gebruik, eveneens van toepassing op de energieproducten en andere gelijkwaardige koolwaterstoffen.
  
Art. 25. § 1er. [1 Au pétrole lampant et au gasoil destinés à être utilisés :
   1° comme carburant pour des utilisations industrielles et commerciales ;
   2° comme combustible ;
   3° dans les situations d'exonérations visées à l'article 429, §§ 1er et 2 de la loi ;
   4° comme carburant pour la navigation dans les eaux non communautaires,
   doivent être ajoutés au minimum 12,5 grammes et au maximum 18,75 grammes de marqueur ACCUTRACET PLUS par 1.000 litres de produits énergétiques à 15° C et une quantité de marqueur rouge suffisante pour donner au produit une couleur rouge bien nette et stable.
   Les quantités mentionnées de marqueur ACCUTRACET PLUS correspondent à un niveau de marquage de butoxybenzène de 9,5 grammes au minimum et de 14,25 grammes au maximum par 1.000 litres de produits énergétiques à 15° C.]1

  § 2. [1 Par dérogation aux dispositions du paragraphe 1er, aucun marqueur ACCUTRACET PLUS et aucun marqueur rouge ne doit être ajouté au pétrole lampant utilisé, en exonération de l'accise conformément à l'article 429, § 1er, f), de la loi, comme carburéacteur pour la navigation aérienne, pour autant que le pétrole lampant réponde aux caractéristiques suivantes :
   1° une teneur en soufre n'excédant pas 0,3 % ;
   2° une masse spécifique à 16° C d'au moins 0,775 g/cm3 et n'excédant pas 0,845 g/cm3 ;
   3° un point éclair d'au moins 38° C ;
   4° un point de solidification n'excédant pas -47° C.]1

  § 3. [1 Au fioul lourd destiné à être utilisé dans les moteurs navals, qui présente un index-cétane calculé d'après la méthode ASTM D 976 d'au moins 35 et une viscosité, exprimée en 10-6m2.S-1, calculée d'après la méthode ASTM D 445, n'excédant pas 14 à 40° C, doivent être ajoutés au minimum 12,5 grammes et au maximum 18,75 grammes de marqueur ACCUTRACET PLUS par 1.000 kilogrammes et, si le produit énergétique présente une couleur naturelle de 5,0 au moins, calculée d'après la méthode ASTM D 1500, une quantité suffisante de marqueur rouge pour donner au produit une couleur rouge bien nette et stable.
   Les quantités mentionnées de marqueur ACCUTRACET PLUS correspondent à un niveau de marquage de butoxybenzène de 9,5 grammes au minimum et de 14,25 grammes au maximum par 1.000 kilogrammes de produits énergétiques.]1

  [1 § 3/1. Du 1er juillet 2023 au 18 janvier 2024, les produits énergétiques mentionnés au paragraphe 1er peuvent être marqués avec un minimum de 6 grammes et un maximum de 9 grammes du marqueur Solvent Yellow 124 par 1.000 litres de produits énergétiques à 15° C en lieu et place du marqueur ACCUTRACET PLUS.
   Si les produits énergétiques contiennent une combinaison des marqueurs Solvent Yellow 124 et ACCUTRACET PLUS pendant cette période, le ratio des marqueurs pour 1.000 litres de produits énergétiques à 15° C doit répondre aux conditions suivantes :
   1° pour chaque gramme de Solvent Yellow 124 inférieur à la quantité prescrite au paragraphe 3/1, au moins 2,08 grammes d'ACCUTRACET PLUS où 2,08 grammes d'ACCUTRACET PLUS correspondent à 1,58 gramme de butoxybenzène ; et
   2° pour chaque gramme d'ACCUTRACET PLUS inférieur à la quantité prescrite au paragraphe 1, où 1 gramme d'ACCUTRACET PLUS correspond à 0,76 gramme de butoxybenzène, au moins 0,48 gramme de Solvent Yellow 124.
   § 3/2. Du 1er juillet 2023 au 18 janvier 2024, les produits énergétiques mentionnés au paragraphe 3 peuvent être marqués avec un minimum de 6 grammes et un maximum de 9 grammes du marqueur Solvent Yellow 124 par 1.000 kilogrammes en lieu et place du marqueur ACCUTRACET PLUS.
   Si les produits énergétiques contiennent une combinaison des marqueurs Solvent Yellow 124 et ACCUTRACET PLUS pendant cette période, le ratio des marqueurs pour 1.000 kilogrammes doit répondre aux conditions suivantes :
   1° pour chaque gramme de Solvent Yellow 124 inférieur à la quantité prescrite au paragraphe 3/2, au moins 2,08 grammes d'ACCUTRACET PLUS où 2,08 grammes d'ACCUTRACET PLUS correspondent à 1,58 gramme de butoxybenzène ; et
   2° pour chaque gramme d'ACCUTRACET PLUS inférieur à la quantité prescrite au paragraphe 3, où 1 gramme d'ACCUTRACET PLUS correspond à 0,76 gramme de butoxybenzène, au moins 0,48 gramme de Solvent Yellow 124.
   § 3/3. Par dérogation aux dispositions du paragraphe 1er, aucun marqueur rouge ne doit être ajouté lorsque le pétrole lampant est marqué au Solvent Yellow 124 pendant la période allant du 1er juillet 2023 au 18 janvier 2024.]1

  § 4. Moyennant le respect des modalités de contrôle fixées par l'administrateur général, une dispense de l'obligation d'ajouter des marqueurs peut être accordée.
  § 5. Il est interdit d'ajouter au pétrole lampant, au gasoil et au fioul lourd visés aux §§ 1er et 3, un quelconque produit destiné à rendre les marqueurs moins détectables ou indétectables. Il est interdit de retirer les marqueurs de ces produits de quelque façon que ce soit.
  § 6. Les dispositions des §§ 1er à 5 s'appliquent également, en cas d'utilisation identique, aux produits énergétiques et autres hydrocarbures équivalents.
  
Afdeling 3. - Methodes voor het denatureren en voor het toevoegen van merkstoffen
Section 3. - Méthodes de dénaturation et d'ajout de marqueurs
Art. 26. § 1. Onder voorbehoud van de bepalingen van de §§ 3 en 4 moet het denatureren van energieproducten of het toevoegen van merkstoffen aan dergelijke producten geschieden in een belastingentrepot uiterlijk bij de uitslag van de energieproducten uit dat entrepot.
  § 2. De toevoegingen van de denaturanten of van merkstoffen moeten manueel geschieden in een binnen het belastingentrepot gevestigde vaste tank die voorafgaandelijk werd geïdentificeerd.
  In uitzonderlijke gevallen en voor zover de noodwendigheden van de dienst het toelaten, kan de directeur of een door hem aangewezen ambtenaar, toestaan dat de toevoeging, onder ambtelijk toezicht, manueel geschiedt in het vervoermiddel.
  Voor de toevoeging van merkstoffen aan de energieproducten bedoeld in artikel 25, §§ 1 en 3 mag evenwel een automatisch injectiesysteem worden gebruikt.
  In de zin van dit besluit wordt onder "automatisch injectiesysteem" verstaan, ieder injectiesysteem dat, als het in werking is, het onmogelijk maakt dat, door de leiding waarop het is gemonteerd, energieproducten lopen indien er geen merkstoffen worden geïnjecteerd of indien er onvoldoende worden geïnjecteerd.
  § 3. Indien de benzine bedoeld in artikel 24, § 1 :
  1° wordt binnengebracht, hetzij onder de schorsingsregeling ter bestemming van een geregistreerde geadresseerde of van een tijdelijk geregistreerde geadresseerde, hetzij buiten de schorsingsregeling, moet het denatureren ervan, onder ambtelijk toezicht, geschieden voorafgaandelijk aan het inreiken van de aangifte van de uitslag tot verbruik;
  2° wordt ingevoerd, kan het denatureren ervan geschieden op het kantoor van invoer;
  3° tenzij de denaturering reeds op de voorgeschreven wijze werd verricht in het buitenland.
  § 4. Indien de energieproducten bedoeld in artikel 25, §§ 1 en 3 :
  1° worden binnengebracht, hetzij onder de schorsingsregeling ter bestemming van een geregistreerde geadresseerde of een tijdelijk geregistreerde geadresseerde hetzij buiten de schorsingsregeling, moet het toevoegen van de merkstoffen, onder ambtelijk toezicht, geschieden voorafgaandelijk aan het inreiken van de aangifte van de uitslag tot verbruik;
  2° worden ingevoerd, kan het toevoegen van de merkstoffen geschieden op het kantoor van invoer;
  3° tenzij de toevoeging reeds op de voorgeschreven wijze werd verricht in het buitenland.
Art. 26. § 1er. Sous réserve des dispositions des §§ 3 et 4, la dénaturation de produits énergétiques ou l'ajout de marqueurs à de tels produits doit être effectuée en entrepôt fiscal au plus tard lors de la sortie des produits énergétiques de cet entrepôt.
  § 2. Les adjonctions de dénaturants ou de marqueurs doivent se réaliser manuellement dans un tank fixe préalablement identifié situé à l'intérieur de l'entrepôt fiscal.
  Dans des cas exceptionnels et pour autant que les nécessités du service le permettent, le directeur ou un fonctionnaire qu'il désigne peut autoriser, sous surveillance administrative, l'adjonction manuelle dans le moyen de transport.
  Toutefois, un système d'injection automatique peut être utilisé aux fins d'ajouter des marqueurs aux produits énergétiques visés à l'article 25, §§ 1er et 3.
  Au sens du présent arrêté, on entend par " système d'injection automatique ", tout système d'injection qui, lorsqu'il est branché, rend impossible l'écoulement de produits énergétiques dans la canalisation sur laquelle il est installé, en l'absence d'injection de marqueurs ou en cas d'injection insatisfaisante.
  § 3. Lorsque l'essence visée à l'article 24, § 1er, est :
  1° introduite soit en régime de suspension de droits à destination d'un destinataire enregistré ou d'un destinataire enregistré à titre temporaire soit en régime non suspensif, sa dénaturation doit s'effectuer sous surveillance administrative, préalablement au dépôt de la déclaration de mise à la consommation;
  2° importée, sa dénaturation peut s'effectuer au bureau d'importation;
  3° à moins qu'elle n'ait déjà eu lieu, à l'étranger, de la manière prescrite.
  § 4. Lorsque les produits énergétiques visés à l'article 25, §§ 1er et 3 sont :
  1° introduits soit en régime de suspension de droits à destination d'un destinataire enregistré ou d'un destinataire enregistré à titre temporaire soit en régime non suspensif, l'ajout de marqueurs doit s'effectuer sous surveillance administrative, préalablement au dépôt de la déclaration de mise à la consommation;
  2° importés, l'ajout de marqueurs peut s'effectuer au bureau d'importation;
  3° à moins qu'il n'ait déjà eu lieu, à l'étranger, de la manière prescrite.
Art. 27. Een automatisch injectiesysteem mag enkel worden geïnstalleerd in een raffinaderij of in een opslagplaats erkend als belastingentrepot.
Art. 27. Un système d'injection automatique ne peut être installé que dans une raffinerie ou un dépôt reconnu en tant qu'entrepôt fiscal.
Art. 28. § 1. Voorafgaand aan de installatie van een automatisch injectiesysteem in een raffinaderij, stelt de erkend entrepothouder een gedetailleerde beschrijving op van de gehele werking van dat systeem en bezorgt die, samen met een plan en een kopie van het besturingssysteem ervan, aan de controleur.
  Het op een andere wijze dan via het automatisch injectiesysteem toevoegen van merkers aan energieproducten moet eveneens in de beschrijving van het systeem worden opgenomen.
  § 2. De erkend entrepothouder ontwikkelt een intern controlesysteem dat elke manipulatie van het automatische injectiesysteem (besturingssysteem en technisch gedeelte) uitsluit. Wijzigingen aan het intern controlesysteem moeten gedurende drie jaar in het systeem zelf worden bijgehouden.
  De controleur heeft toegang tot het intern controlesysteem.
  Dit intern controlesysteem :
  1° beperkt de toegang tot de raffinaderij en registreert alle personen die toegang hebben tot haar bedrijfssite;
  2° beperkt het aantal personen met toegang tot het systeem dat het automatisch injectiesysteem stuurt en identificeert die personen duidelijk;
  3° identificeert de personen duidelijk die wijzigingen mogen aanbrengen aan het automatisch injectiesysteem (bevattende speciale controlemaatregelen in geval van alarm, gekoppeld aan het automatisch stilvallen van de vloeistofstroom in geval van het uitvallen van de injectiepomp) en die analyserapporten over de werking van het systeem opstellen en die rapporten gedurende ten minste drie jaar archiveren;
  4° voorziet in het houden van een balans tussen de hoeveelheid gemerkte energieproducten en de hoeveelheid gebruikte merker;
  5° voorziet, in het kader van een door de controleur goedgekeurd controleplan, in het op regelmatige tijdstippen nemen van monsters van de gemerkte energieproducten en van de merkstoffen, het analyseren van die monsters en het archiveren van de analyseresultaten ervan gedurende drie jaar.
  De erkend entrepothouder bezorgt de controleur een handleiding die duidelijk de precieze werking van het automatische injectiesysteem beschrijft en die tevens aanduidt welke parameters er mogen worden gewijzigd zonder dat die aanpassing de correcte werking van het systeem verhindert. De handleiding beschrijft hoe die parameters kunnen worden opgevraagd in het besturingssysteem.
  § 3. De controleur verifieert het systeem. Hij stelt de voorwaarden vast voor het gebruik van dat systeem door de erkend entrepothouder.
  § 4. Alle wijzigingen aan het automatisch injectiesysteem en/of aan de wijze van toevoegen van merkers moeten vooraf schriftelijk worden medegedeeld aan de controleur, die de voorwaarden voor het gebruik van het systeem kan wijzigen.
Art. 28. § 1er. Préalablement à l'installation d'un système d'injection automatique dans une raffinerie, l'entrepositaire agréé rédige une description détaillée du fonctionnement global de ce système et fournit celle-ci au contrôleur, accompagnée d'un plan du système et d'une copie de son logiciel de gestion.
  L'adjonction, par un autre moyen que le système d'injection automatique, de marqueurs aux produits énergétiques est également reprise dans la description du système.
  § 2. L'entrepositaire agréé développe un système de contrôle interne qui exclut toute manipulation du système d'injection automatique (logiciel de gestion et partie technique). Les modifications du système de contrôle interne doivent être conservées durant trois ans dans le système lui-même.
  Le contrôleur a accès au système de contrôle interne.
  Ce système de contrôle interne :
  1° limite l'accès à la raffinerie et enregistre toute personne qui a accès au site de l'entreprise;
  2° limite le nombre de personnes ayant accès au logiciel de gestion du système d'injection automatique et identifie clairement celles-ci;
  3° identifie clairement les personnes pouvant apporter des modifications au système d'injection automatique (comportant des mesures particulières de contrôle en cas d'alarme, couplées à l'arrêt automatique de l'écoulement du liquide en cas de disfonctionnement de la pompe d'injection), édite des rapports d'analyse du fonctionnement du système et archive ces rapports durant au moins trois ans;
  4° prévoit la tenue d'une balance entre la quantité de produit énergétique marqué et la quantité de marqueur utilisé;
  5° prévoit, dans le cadre d'un plan de contrôle approuvé par le contrôleur, la prise régulière d'échantillons de produits énergétiques marqués et de marqueurs, l'analyse de ces échantillons et l'archivage du résultat de ces analyses durant au moins trois ans.
  L'entrepositaire agréé fournit au contrôleur un manuel qui décrit clairement la manière dont le système d'injection automatique fonctionne; ce manuel indique également les paramètres qui peuvent être modifiés sans que cela n'empêche le fonctionnement correct du système. Le manuel décrit la manière dont ces paramètres peuvent être consultés dans le logiciel de gestion.
  § 3. Le contrôleur vérifie le système. Il en fixe les conditions d'utilisation par l'entrepositaire agréé.
  § 4. Toutes modifications du système d'injection automatique et/ou de la manière dont les marqueurs sont ajoutés, doivent être préalablement communiquées, par écrit, au contrôleur qui peut modifier les conditions d'utilisation du système.
Art. 29. § 1. Een automatisch injectiesysteem mag enkel geïnstalleerd worden in een opslagplaats, erkend als belastingentrepot, van :
  1° niet-gemerkte energieproducten;
  2° gemerkte en niet-gemerkte energieproducten. De toepassing van dit systeem is enkel toegestaan voor het merken van niet-gemerkte energieproducten.
  § 2. Voorafgaand aan de installatie van een automatisch injectiesysteem in een opslagplaats bezorgt de erkend entrepothouder aan de controleur een gedetailleerde beschrijving van de gehele werking van het systeem, samen met een plan en een kopie van het besturingssysteem ervan.
  Het op een andere wijze dan via het automatisch injectiesysteem toevoegen van merkers aan energieproducten moet in de beschrijving van het systeem zijn opgenomen.
  § 3. Het automatisch injectiesysteem wordt gestuurd door een uitsluitend hiervoor bestemd Programmeerbaar Logisch Controlesysteem (Programmable Logic Controller - PLC), dat onafhankelijk werkt van de bestaande automatiseringsprogramma's voor het laden van de transportmiddelen. Indien het automatisch injectiesysteem niet gestuurd wordt door middel van een uitsluitend hiervoor bestemde PLC, mag er op geen enkele manier enige interactie mogelijk zijn tussen het gedeelte van de PLC dat het automatisch injectiesysteem stuurt en de andere functies die door de PLC worden uitgevoerd.
  Het elektronisch besturingscircuit kan niet worden gemanipuleerd waardoor er geen injectie of een onvoldoende injectie van merkstoffen mogelijk is.
  § 4. De PLC registreert het aantal alarmen, de aard, het tijdstip en de precieze plaats van het alarm en de identiteit van de persoon die het heeft uitgezet of eraan heeft verholpen. Deze gegevens worden onmiddellijk opgeslagen en gedurende ten minste drie jaar bewaard.
  § 5. Het aantal keer dat het automatisch injectiesysteem na het uitvallen of na het verhelpen van een storing terug in werking mag worden gesteld zonder tussenkomst van de controleur, wordt in overeenstemming met deze laatste vastgelegd.
  Indien het systeem binnen een tijdspanne van 24 uur meer dan drie maal een storing ondervindt, wordt het automatisch buiten dienst gesteld en het kan pas terug worden opgestart na goedkeuring van de controleur.
  § 6. De erkend entrepothouder van een opslagplaats bezorgt de controleur een handleiding die duidelijk de precieze werking van het automatisch injectiesysteem beschrijft en die tevens aanduidt welke parameters er mogen worden gewijzigd zonder dat die aanpassing een correcte werking van het systeem verhindert. De handleiding beschrijft hoe die parameters kunnen worden opgevraagd in het besturingssysteem.
  § 7. De tanks voor de opslag van merkstoffen, de opslagtanks van de te merken producten, de pompcircuits en de injectieapparaten die deel uitmaken van het automatisch injectiesysteem voldoen ten minste aan de volgende voorwaarden :
  1° Tanks voor de opslag van merkstoffen
  a) zijn uitgerust met een verzegeling op de aanvulleiding;
  b) zijn zodanig verzegeld dat zonder tussenkomst van de controleur op geen enkele manier in de tanks enig product kan worden toegevoegd;
  c) zijn uitgerust met een alarm voor het detecteren van een minimumniveau in de tank met merkstoffen;
  d) zijn voldoende groot zodat het aantal bevoorradingen per jaar kan worden beperkt.
  2° Tanks voor de opslag van energieproducten zijn verbonden met de boekhouding van de voorraden en de bewegingen.
  3° Pompcircuits
  a) het elektrisch en elektronisch circuit dat de injectiepompen en de pompen van de te merken energieproducten stuurt moet verzegeld zijn;
  b) de pompen voor het verpompen van de te merken energieproducten en de injectiepompen zijn elk aangesloten op een eigen elektrisch circuit, dat moet uitvallen bij een storing van het injectiecircuit. Indien voornoemde pompen niet op een eigen elektrisch circuit zijn aangesloten, moet worden voorzien in een klep die onmiddellijk na het injectiepunt op de leiding van het te merken product is geplaatst en die automatisch sluit bij een storing van het injectiecircuit.
  4° Injectieapparaten
  Het injectieapparaat is :
  a) voorzien van een totaalteller die niet kan worden teruggedraaid;
  b) voorzien van verschillende alarmen die afgaan bij :
  i) de injectie van een te hoge hoeveelheid merkstof;
  ii) de injectie van een te lage hoeveelheid merkstof;
  iii) het falen van het apparaat;
  iv) abnormale veranderingen in het debiet van de stroom van het te merken energieproduct en van de toe te voegen merker of wanneer de druk in de injectieleiding lager is dan die in de leiding van het te merken energieproduct. Vóór de ingebruikname wordt getest of de alarmen afgaan bij het injecteren van helemaal geen, van een te lage of van een te hoge hoeveelheid merkstof.
  § 8. De aanvoerleidingen tussen de tank voor de opslag van merkstoffen en het injectiepunt moeten zichtbaar zijn. De controleur kan uitzonderingsgewijs toestaan dat de leidingen niet zichtbaar zijn wanneer zij onder het wegdek of de spoorbedding lopen naar de laadkade.
  § 9. Tussen de tank voor de opslag van merkstoffen en het injectiepunt mogen geen koppelingsstukken worden gebruikt, tenzij ze verzegeld worden. Alle koppelingstukken na het injectiepunt, de afsluitkraantjes en het ontluchtingssysteem moeten zichtbaar zijn en worden verzegeld tot de plaats waar de teller is geplaatst die de hoeveelheid geleverd eindproduct meet.
  § 10. De controleur verifieert het systeem. Hij stelt de voorwaarden vast waaraan de erkend entrepothouder moet voldoen voor het gebruik ervan.
  § 11. Alle wijzigingen aan het automatisch injectiesysteem en/of aan de wijze van toevoegen van merkers moeten vooraf schriftelijk worden medegedeeld aan de controleur, die de voorwaarden voor het gebruik van het systeem kan wijzigen.
  § 12. De controleur stelt in twee exemplaren een proces-verbaal van de door de ambtenaren aangebrachte verzegeling op. Een exemplaar wordt door de controleur bewaard en het andere wordt afgegeven aan de erkend entrepothouder om te worden bewaard bij de gebruiksvoorwaarden van het systeem.
  § 13. De leidingen tussen de tank voor de opslag van merkstoffen en het injectiepunt en tussen het injectiepunt en de tank voor het te merken product moeten steeds gevuld zijn. De controleur kan uitzonderingsgewijs toestaan dat tijdens onderhoudswerken, het reinigen van de leidingen of bij een productiewijziging de leidingen niet gevuld zijn.
  § 14. De correcte werking van het automatisch injectiesysteem, inclusief de sturing van de alarmen moet bij het in gebruik nemen, en nadien jaarlijks door de installateur of een onafhankelijk expert, in het bijzijn van de controleur, worden geattesteerd. Bij deze controle worden op ieder laadpunt waar merkstoffen worden geïnjecteerd door de erkend entrepothouder, in aanwezigheid van de installateur of een onafhankelijk expert, onder het toezicht van de controleur stalen van de energieproducten genomen. Afhankelijk van de resultaten van de staalneming zal het systeem waar nodig bijgesteld worden. Na iedere aanpassing moeten nieuwe stalen worden genomen. Indien de erkend entrepothouder het automatisch injectiesysteem zelf heeft geïnstalleerd moet de correcte werking van het automatisch injectiesysteem door een onafhankelijk expert worden geattesteerd.
  In het geval van herstelling van het automatisch injectiesysteem of indien er tussentijds aan het systeem wijzigingen werden aangebracht zijn de bepalingen van het eerste en het tweede lid van toepassing.
Art. 29. § 1er. Un système d'injection automatique ne peut être installé que dans un dépôt reconnu en tant qu'entrepôt fiscal de :
  1° produits énergétiques non marqués;
  2° produits énergétiques marqués et non marqués. L'utilisation de ce système n'est autorisée que pour les marquages de produits énergétiques non marqués.
  § 2. Préalablement à l'installation d'un système d'injection automatique dans un dépôt, l'entrepositaire agréé fournit au contrôleur une description détaillée du fonctionnement global du système, accompagnée d'un plan du système et d'une copie du logiciel de gestion.
  L'adjonction, par un autre moyen que le système d'injection automatique, de marqueurs aux produits énergétiques est également reprise dans la description du système.
  § 3. Le système d'injection automatique est commandé par un système de contrôle logique programmable (Programmable Logic Controller PLC) uniquement destiné à cet effet et fonctionnant indépendamment des programmes d'automatisation existants pour le chargement des moyens de transport. Si le système d'injection automatique n'est pas commandé par un PLC uniquement destiné à cet effet, il ne peut en aucun cas y avoir d'interaction entre la partie du PLC qui commande le système d'injection automatique et les autres fonctions effectuées par le PLC.
  Le circuit électronique de commande ne peut être manipulé de sorte qu'aucune injection ou une injection insuffisante de marqueurs ne soit possible.
  § 4. Le PLC enregistre le nombre d'alarmes, la nature, le moment et la localisation exacte de l'alarme ainsi que l'identité de la personne qui y a mis fin ou y a remédié. Ces données sont immédiatement sauvegardées et conservées pendant au moins trois ans.
  § 5. Le nombre de remises en marche du système d'injection automatique après un arrêt ou une réparation suite à un disfonctionnement, sans intervention du contrôleur, est déterminé de commun accord avec ce dernier.
  Si le système est sujet à plus de trois pannes en 24 heures, il se met automatiquement hors service et ne peut être remis en service qu'après approbation du contrôleur.
  § 6. L'entrepositaire agréé d'un dépôt fournit au contrôleur un manuel précisant clairement le fonctionnement du système d'injection automatique; ce manuel mentionne également les paramètres qui peuvent être modifiés sans que la modification n'empêche le fonctionnement correct du système. Ledit manuel décrit la manière dont ces paramètres peuvent être consultés dans le logiciel de gestion.
  § 7. Les tanks d'emmagasinage des marqueurs, les tanks d'emmagasinage des produits devant être marqués, les circuits de pompage et les appareils d'injection qui font partie du système d'injection automatique répondent au minimum aux conditions suivantes :
  1° Les tanks d'emmagasinage des marqueurs
  a) être équipés d'un scellé sur la conduite de remplissage;
  b) être scellés de manière à ce qu'aucun produit ne puisse être introduit dans le tank sans l'intervention du contrôleur;
  c) être équipés d'une alarme pour la détection d'un niveau minimum dans le tank contenant les marqueurs;
  d) être de taille suffisante afin que le nombre d'approvisionnements par an puisse être limité.
  2° Des tanks d'emmagasinage de produits énergétiques sont reliés à la comptabilité des stocks et des mouvements.
  3° Circuits de pompage
  a) les circuits électriques et électroniques qui commandent les pompes d'injection et les pompes de produits énergétiques à marquer doivent être scellés;
  b) les pompes pour le pompage des produits énergétiques à marquer et les pompes d'injection sont chacune reliées à un circuit électrique propre, qui se coupe en cas de disfonctionnement du circuit d'injection. Dans le cas où les pompes précitées ne sont pas reliées à un circuit électrique propre, une vanne placée immédiatement après le point d'injection sur la conduite du produit énergétique à marquer et se refermant automatiquement en cas de disfonctionnement du circuit, doit être prévue.
  4° Appareils d'injection
  L'appareil d'injection est muni :
  a) d'un compteur total qui ne peut être modifié en sens inverse;
  b) de différentes alarmes qui s'enclenchent dans les cas suivants :
  i) l'injection d'une quantité trop importante de marqueur;
  ii) injection d'une quantité trop faible de marqueur;
  iii) arrêt de l'appareil;
  iv) variations anormales du débit du produit énergétique à marquer et du marqueur à ajouter ou lorsque la pression dans la conduite d'injection est plus basse que celle dans la conduite du produit énergétique à marquer. Avant toute mise en service, l'enclenchement des alarmes en cas de non-injection, d'injection trop faible ou trop élevée de marqueur est contrôlé.
  § 8. Les conduites d'alimentation entre le tank d'emmagasinage des marqueurs et le point d'injection doivent être apparentes. A titre exceptionnel, le contrôleur peut autoriser que les conduites ne soient pas apparentes lorsqu'elles se trouvent sous le revêtement routier ou sous les voies ferroviaires menant vers le quai de chargement.
  § 9. Entre le tank d'emmagasinage des marqueurs et le point d'injection, il ne peut y avoir de raccords, à moins que ceux-ci ne soient scellés. Tous les raccords après le point d'injection, les vannes de fermeture et le système de dégazage doivent être visibles et scellés jusqu'à l'endroit où se trouve le compteur qui mesure la quantité de produit fini livrée.
  § 10. Le contrôleur vérifie le système. Il fixe les conditions auxquelles l'entrepositaire agréé doit répondre préalablement à son utilisation.
  § 11. Toutes modifications du système d'injection automatique et/ou de la manière dont les marqueurs sont ajoutés, doivent être préalablement communiquées, par écrit, au contrôleur qui peut modifier les conditions d'utilisation du système.
  § 12. Le contrôleur établit, en deux exemplaires, un procès-verbal des scellés apposés par les agents. Un exemplaire est conservé par le contrôleur et l'autre est remis à l'entrepositaire agréé afin qu'il le conserve avec les conditions d'utilisation du système.
  § 13. Les conduites entre le tank pour l'emmagasinage des marqueurs et le point d'injection ainsi qu'entre le point d'injection et le tank de produit à marquer doivent toujours être remplies. A titre exceptionnel, le contrôleur peut autoriser que les conduites ne soient pas remplies lors des travaux de maintenance, de nettoyage des conduites ou en cas de changement de production.
  § 14. Le fonctionnement correct du système d'injection automatique, y compris la commande des alarmes, doit être attesté lors de la mise en marche du système, et ensuite annuellement par l'installateur ou un expert indépendant; pour chacune de ces situations, l'attestation doit avoir lieu en présence du contrôleur. Lors de ce contrôle, en présence de l'installateur ou d'un expert indépendant et sous la surveillance du contrôleur, des échantillons de produits énergétiques sont prélevés à chaque point de chargement où il y a injection de marqueurs, par l'entrepositaire agréé. En fonction des résultats des prises d'échantillons, des adaptations du système seront effectuées aux endroits où cela s'avèrera nécessaire. Après chaque adaptation, de nouvelles prises d'échantillons doivent avoir lieu. Lorsque l'entrepositaire agréé a procédé lui-même à l'installation du système d'injection automatique, le fonctionnement correct du système d'injection automatique doit être attesté par un expert indépendant.
  En cas de réparation du système d'injection automatique ou si entre-temps des modifications sont apportées au système, les dispositions du premier et du deuxième alinéa sont d'application.
Art. 30. § 1. Elke levering van gemerkt energieproduct moet minstens 1 000 liter omvatten.
  Bij het laden in een raffinaderij of belastingentrepot dat uitgerust is met een automatisch injectiesysteem wordt op de laadbon de hoeveelheid merkstof vermeld. De gegevens van de laadbon worden in het systeem gedurende ten minste drie jaar bewaard.
  § 2. De toestemming tot het gebruik van een automatisch injectiesysteem wordt, onverminderd het opleggen van sancties, door de controleur ingetrokken wanneer de voorwaarden voor het gebruik van het automatisch injectiesysteem niet worden nageleefd of wanneer bij het gebruik ervan onregelmatigheden of overtredingen worden vastgesteld.
Art. 30. § 1er. Toute livraison de produit énergétique marqué doit atteindre au moins 1 000 litres.
  Lors du chargement dans une raffinerie ou un entrepôt fiscal qui est équipé d'un système d'injection automatique, la quantité de marqueur est mentionnée sur le bon de chargement. Les données du bon de chargement sont conservées dans le système pendant au moins trois ans.
  § 2. L'autorisation d'utilisation d'un système d'injection automatique est retirée par le contrôleur, sans préjudice de sanctions éventuelles, lorsque les conditions d'utilisation du système d'injection automatique ne sont pas respectées ou lorsque des irrégularités ou des infractions sont constatées lors de son utilisation.
HOOFDSTUK X. - Vrijstellingen
CHAPITRE X. - Exonérations
Art. 31. [1 Onverminderd de bijzondere bepalingen vermeld in artikelen 32 tot en met 48 moet iedere persoon die een economische activiteit uitoefent en die wenst te genieten van één van de vrijstellingen van de accijnzen vermeld in artikel 429, § 1, a) tot en met e) en § 2, a) en c) en f) en h) tot en met i), en artikel 429, § 5, van de wet, voorafgaandelijk een aanvraag tot het bekomen van een vergunning indienen, met vermelding van het gebruik dat zal worden gemaakt van de energieproducten of van de elektriciteit.]1
  Deze aanvraag moet vergezeld gaan van een dossier dat aantoont dat die persoon zich bevindt in een situatie die toelaat om te genieten van een van deze vrijstellingen.
  [1 Een ingevulde kopie van bijlage VII moet in voorkomend geval toegevoegd worden aan het dossier.]1
  
Art. 31. [1 Sans préjudice des dispositions particulières visées aux articles 32 à 48, toute personne exerçant une activité économique qui souhaite bénéficier de l'une des exonérations d'accise visées à l'article 429, § 1er, a) à e) et § 2, a) et c) et f) et h) à i), et à l'article 429, § 5, de la loi, doit, au préalable, introduire une demande d'obtention d'autorisation mentionnant l'utilisation qui sera faite des produits énergétiques ou de l'électricité.]1
  Cette demande est appuyée d'un dossier démontrant qu'elle se trouve dans une situation lui permettant de bénéficier d'une de ces exonérations.
  [1 Une copie complétée de l'annexe VII doit, le cas échéant, être ajoutée au dossier.]1
  
Art. 32. § 1. De gedenatureerde benzine die, overeenkomstig artikel 429, § 1, a) van de wet, wordt aangewend voor andere doeleinden dan voor motorbrandstof of voor verwarmingsbrandstof, geniet automatisch van de vrijstelling bij de uitslag uit het belastingentrepot.
  § 2. Onverminderd de bepalingen van artikel 3, 2° moet iedere persoon die een economische activiteit uitoefent en die, overeenkomstig artikel 429, § 1, a) van de wet, andere energieproducten dan gedenatureerde benzine wenst te gebruiken voor andere doeleinden dan voor motorbrandstof of voor verwarmingsbrandstof over een vergunning energieproducten en elektriciteit "eindgebruiker" beschikken.
Art. 32. § 1er. L'essence dénaturée fournie à des usages autres que ceux de carburants ou de combustible, conformément à l'article 429, § 1er, a), de la loi, bénéficie automatiquement de l'exonération lors de la sortie de l'entrepôt fiscal.
  § 2. Sans préjudice des dispositions de l'article 3, 2°, toute personne exerçant une activité économique qui souhaite utiliser, conformément à l'article 429, § 1er, a), de la loi, des produits énergétiques autres que de l'essence dénaturée à des usages autres que ceux de carburants ou de combustible doit disposer d'une autorisation produits énergétiques et électricité " utilisateur final ".
Art. 33. Iedere persoon die een economische activiteit uitoefent en die, overeenkomstig artikel 429, § 1, b) van de wet, energieproducten met een duaal gebruik wenst te gebruiken of, overeenkomstig artikel 429, § 1, c) van de wet, elektriciteit wenst te gebruiken die voornamelijk wordt gebruikt voor chemische reductie en elektrolytische en metallurgische procédés, moet beschikken over een vergunning energieproducten en elektriciteit "eindgebruiker".
  In het geval van gebruik van energieproducten of van elektriciteit voor een metallurgisch procédé moet de in artikel 31 bedoelde aanvraag een beschrijving van het procédé bevatten, alsmede de vermelding van de klassering van de verkregen producten met verwijzing naar, hetzij de DI codes van de NACE nomenclatuur, hetzij naar de Prodcom codes.
Art. 33. Toute personne exerçant une activité économique qui souhaite utiliser à double usage des produits énergétiques, conformément à l'article 429, § 1er, b), de la loi, ou de l'électricité principalement pour la réduction chimique et l'électrolyse ainsi que dans les procédés métallurgiques, conformément à l'article 429, § 1er, c), de la loi, doit disposer d'une autorisation produits énergétiques et électricité " utilisateur final ".
  Dans le cas d'une utilisation des produits énergétiques ou de l'électricité dans un procédé métallurgique, la demande visée à l'article 31 comporte une description du procédé ainsi que la classification des produits obtenus par leur référence soit aux codes DI de la nomenclature NACE soit aux codes Prodcom.
Art. 34. Iedere persoon die een economische activiteit uitoefent en die, overeenkomstig artikel 429, § 1, d) van de wet, energieproducten of elektriciteit wenst te gebruiken voor mineralogische procédés, moet beschikken over een vergunning energieproducten en elektriciteit "eindgebruiker".
  De in artikel 31 bedoelde aanvraag moet een beschrijving van het mineralogische procédé bevatten, alsmede de vermelding van de klassering van de verkregen producten met verwijzing naar de DI codes van de NACE nomenclatuur.
Art. 34. Toute personne exerçant une activité économique qui souhaite utiliser des produits énergétiques ou de l'électricité dans les procédés minéralogiques, conformément à l'article 429, § 1er, d), de la loi, doit disposer d'une autorisation produits énergétiques et électricité " utilisateur final ".
  La demande visée à l'article 31 comporte une description du procédé minéralogique ainsi que la classification des produits obtenus par leur référence aux codes DI de la nomenclature NACE.
Art. 35. Iedere persoon die een economische activiteit uitoefent en die, overeenkomstig artikel 429, § 1, e) van de wet, energieproducten [1 , met uitzondering van zware stookolie, kolen, cokes en bruinkool,]1 of elektriciteit wenst te gebruiken voor de productie van elektriciteit of elektriciteit die wordt gebruikt tot instandhouding van het vermogen elektriciteit te produceren, moet beschikken over een vergunning energieproducten en elektriciteit "eindgebruiker".
  
Art. 35. Toute personne exerçant une activité économique qui souhaite utiliser des produits énergétiques [1 , à l'exclusion du fioul lourd, de la houille, du coke et du lignite]1 ou de l'électricité pour produire de l'électricité ou de l'électricité pour maintenir la capacité de produire de l'électricité, conformément à l'article 429, § 1er, e), de la loi, doit disposer d'une autorisation produits énergétiques et électricité " utilisateur final ".
  
Art. 36. De reactiemotorbrandstof die, overeenkomstig artikel 429, § 1, f) van de wet, wordt geleverd voor het gebruik als motorbrandstof of als verwarmingsbrandstof voor de luchtvaart, geniet automatisch van de vrijstelling bij de uitslag uit het belastingentrepot, voorzover de erkend entrepothouder onmiddellijk overgaat tot de bevoorrading van de luchtvaartuigen.
  De erkend entrepothouder houdt een lijst van de hoeveelheid geleverde producten, per duidelijk geïdentificeerd luchtvaartuig. Iedere levering moet worden bevestigd door de luchtvaartmaatschappij, door de boordcommandant of door de eigenaar van het luchtvaartuig.
Art. 36. Le carburéacteur fourni en vue d'une utilisation comme carburant ou combustible pour la navigation aérienne, conformément à l'article 429, § 1er, f), de la loi, bénéficie automatiquement de l'exonération lors de sa sortie de l'entrepôt fiscal pour autant que l'entrepositaire agréé procède directement à l'avitaillement des aéronefs.
  L'entrepositaire agréé tient une liste des quantités de produit livré, par aéronef clairement identifié. Toute livraison doit être attestée par la compagnie aérienne, le commandant de bord ou le propriétaire de l'aéronef.
Art. 37. De energieproducten die, overeenkomstig artikel 429, § 1, g) van de wet, worden geleverd voor gebruik als motorbrandstof of als verwarmingsbrandstof voor de vaart op communautaire wateren, genieten automatisch van de vrijstelling bij de uitslag uit het belastingentrepot, waarbij de bevoorrader derhalve verplichtend de hoedanigheid van erkend entrepothouder moet bezitten.
  De erkend entrepothouder houdt een lijst van de hoeveelheid geleverde producten, per duidelijk geïdentificeerd vaartuig. Iedere levering moet worden bevestigd door de kapitein van het vaartuig.
  De vrijstelling voor de aan boord van de vaartuigen opgewekte elektriciteit is aan geen enkele formaliteit onderworpen.
  In de zin van dit besluit wordt onder "vaart op communautaire wateren" verstaan, iedere verplaatsing van een vaartuig tussen twee punten van het douanegebied van de Gemeenschap, zonder aan te leggen in een derde land.
Art. 37. Les produits énergétiques fournis en vue d'une utilisation comme carburant ou combustible pour la navigation dans des eaux communautaires, conformément à l'article 429, § 1er, g), de la loi, bénéficient automatiquement de l'exonération lors de la sortie de l'entrepôt fiscal, l'avitailleur devant obligatoirement être reconnu en qualité d'entrepositaire agréé.
  L'entrepositaire agréé tient une liste des quantités de produits livrés, par navire clairement identifié. Toute livraison doit être attestée par le capitaine du navire.
  L'exonération de l'électricité produite à bord des bateaux n'est soumise à aucune formalité.
  Au sens du présent arrêté, on entend par " navigation dans des eaux communautaires ", tout déplacement d'un navire, sans escale dans un pays tiers, entre deux points du territoire douanier de la Communauté.
Art. 38. Iedere persoon die een economische activiteit uitoefent en die, overeenkomstig artikel 429, § 2, a) van de wet, belastbare producten wenst te gebruiken bij proefprojecten, moet over een specifieke vergunning beschikken, afgeleverd door de administrateur-generaal, die hem kan opleggen om erkend te worden in de hoedanigheid van erkend entrepothouder.
Art. 38. Toute personne exerçant une activité économique qui souhaite utiliser des produits imposables dans le cadre de projets pilotes, conformément à l'article 429, § 2, a), de la loi, doit disposer d'une autorisation spécifique délivrée par l'administrateur général qui peut lui imposer d'être reconnue en qualité d'entrepositaire agréé.
Art. 40. Iedere persoon die een economische activiteit uitoefent en die, overeenkomstig artikel 429, § 2, c) van de wet, energieproducten of elektriciteit wenst te gebruiken voor warmtekrachtkoppeling, moet over een specifieke vergunning beschikken, afgeleverd door de administrateur-generaal.
  De in artikel 31 bedoelde aanvraag moet een beschrijving van het productieproces bevatten.
Art. 40. Toute personne exerçant une activité économique qui souhaite utiliser des produits énergétiques ou de l'électricité pour la production combinée de chaleur et d'énergie, conformément à l'article 429, § 2, c), de la loi, doit disposer d'une autorisation spécifique délivrée par l'administrateur général.
  La demande visée à l'article 31 comporte une description du processus de production.
Art. 41. Iedere persoon die een economische activiteit uitoefent en die, overeenkomstig artikel 429, § 2, e) van de wet, motorbrandstoffen wenst te gebruiken bij de vervaardiging, de ontwikkeling, het testen en het onderhoud van luchtvaartuigen of van schepen, moet beschikken over een vergunning energieproducten en elektriciteit "eindgebruiker".
Art. 41. Toute personne exerçant une activité économique qui souhaite utiliser des carburants dans le domaine de la fabrication, du développement, des essais et de l'entretien d'aéronefs ou de navires, conformément à l'article 429, § 2, e), de la loi, doit disposer d'une autorisation produits énergétiques et électricité " utilisateur final ".
Art. 42. Iedere persoon die een economische activiteit uitoefent en die, overeenkomstig artikel 429, § 2, f) van de wet, gasolie, kerosine of elektriciteit wenst te gebruiken voor het vervoer van personen en goederen per spoor, moet beschikken over een vergunning energieproducten en elektriciteit "eindgebruiker".
Art. 42. Toute personne exerçant une activité économique qui souhaite utiliser du gasoil, du pétrole lampant ou de l'électricité pour le transport de personnes et de marchandises par train, conformément à l'article 429, § 2, f), de la loi, doit disposer d'une autorisation produits énergétiques et électricité " utilisateur final ".
Art. 43. De [1 energieproducten]1 die, overeenkomstig artikel 429, § 2, g) van de wet, worden geleverd om te worden gebruikt als motorbrandstof of als verwarmingsbrandstof voor de vaart op binnenwateren, genieten automatisch van de vrijstelling bij de uitslag uit het belastingentrepot, waarbij de bevoorrader derhalve verplichtend de hoedanigheid van erkend entrepothouder moet bezitten.
  De erkend entrepothouder houdt een lijst van de hoeveelheid geleverde producten, per duidelijk geïdentificeerd vaartuig. Iedere levering moet worden bevestigd door de kapitein van het vaartuig.
  De vrijstelling voor de aan boord van de vaartuigen opgewekte elektriciteit is aan geen enkele formaliteit onderworpen.
  
Art. 43. [1 Les produits énergétiques]1 fournis en vue d'une utilisation comme carburant ou combustible pour la navigation sur des voies navigables intérieures, conformément à l'article 429, § 2, g), de la loi, bénéficient automatiquement de l'exonération lors de la sortie de l'entrepôt fiscal, l'avitailleur devant obligatoirement être reconnu en qualité d'entrepositaire agréé.
  L'entrepositaire agréé tient une liste des quantités de produits livrés par bateau clairement identifié. Toute livraison doit être attestée par le capitaine du bateau.
  L'exonération de l'électricité produite à bord des bateaux n'est soumise à aucune formalité.
  
Art. 44. Iedere persoon die een economische activiteit uitoefent en die, overeenkomstig artikel 429, § 2, h) van de wet, [1 energieproducten]1 wenst te gebruiken bij baggerwerken in bevaarbare waterlopen en in havens, moet beschikken over een vergunning energieproducten en elektriciteit "eindgebruiker".
  
Art. 44. Toute personne exerçant une activité économique qui souhaite utiliser [1 des produits énergétiques]1 pour les activités de dragage dans les voies navigables et dans les ports, conformément à l'article 429, § 2, h), de la loi, doit disposer d'une autorisation produits énergétiques et électricité " utilisateur final ".
  
Art. 45. Iedere persoon die een economische activiteit uitoefent en die, overeenkomstig artikel 429, § 2, i) van de wet, [1 energieproducten of elektriciteit]1 uitsluitend wenst te gebruiken voor landbouw, tuinbouw, visteelt of bosbouwwerkzaamheden, moet beschikken over een vergunning energieproducten en elektriciteit "eindgebruiker".
  
Art. 45. Toute personne exerçant une activité économique qui souhaite utiliser [1 des produits énergétiques ou de l'électricité]1 exclusivement pour des travaux agricoles ou horticoles, dans la pisciculture ou la sylviculture, conformément à l'article 429, § 2, i), de la loi, doit disposer d'une autorisation produits énergétiques et électricité " utilisateur final ".
  
Art. 46.   
Art. 46.   
Art. 48. In de gevallen van vrijstelling waar een vergunning geëist wordt door dit hoofdstuk, mag de leverancier van energieproducten en elektriciteit slechts leveringen verrichten, met vrijstelling van accijnzen, aan een persoon die de vergunning heeft verkregen. Deze vergunning dient hem te worden overgelegd.
  Indien de energieproducten worden ingevoerd en tot verbruik worden aangegeven met vrijstelling van accijnzen dient de vergunning overgelegd te worden op het kantoor van invoer.
Art. 48. Dans les situations d'exonération où une autorisation est requise par le présent chapitre, le fournisseur de produits énergétiques ou d'électricité ne peut procéder à des livraisons, en exonération de l'accise, qu'à la personne à laquelle ladite autorisation a été accordée. Cette autorisation doit lui être présentée.
  Lorsque les produits énergétiques sont importés et mis à la consommation en exonération de l'accise, l'autorisation est présentée au bureau d'importation.
HOOFDSTUK XI. - Tankstations
CHAPITRE XI. - Stations-service
Art. 49. Onder tankstation wordt verstaan, iedere privé of voor het publiek beschikbare installatie waar motorbrandstof vanuit vaste opslagtanks wordt overgeheveld in brandstofreservoirs van motorvoertuigen.
  Van deze definitie zijn uitgesloten de installaties die dienen voor de exclusieve bevoorrading van de motorvoertuigen die uitsluitend worden gebruikt door de enige exploitant van deze installaties.
Art. 49. Par station-service, on entend toute installation privée ou publique où sont transférés des carburants, de réservoirs de stockage fixes dans les réservoirs à carburant de véhicules à moteur.
  Sont exclues de cette définition, les installations qui servent à l'approvisionnement exclusif des véhicules à moteurs utilisés par le seul exploitant de celles-ci.
Art. 50. § 1. De tankstations mogen gemerkte kerosine die bestemd is om te worden gebruikt als verwarmingsbrandstof en gemerkte gasolie die bestemd is om te worden gebruikt als motorbrandstof voor industriële en commerciële doeleinden verkopen.
  § 2. De tankstations betrekken de gemerkte kerosine die bestemd is om te worden gebruikt als verwarmingsbrandstof en de gemerkte gasolie die bestemd is om te worden gebruikt als motorbrandstof voor industriële en commerciële doeleinden aan het hoogste tarief inzake accijnzen dat betrekking heeft op het respectievelijke gebruik.
  Het betrekken van gemerkte kerosine aan het accijnstarief dat is vastgesteld voor een andere bestemming is hen niet toegestaan; hetzelfde geldt voor gemerkte gasolie.
Art. 50. § 1er. Les stations-service sont autorisées à vendre du pétrole lampant marqué destiné à être utilisé comme combustible et du gasoil marqué destiné à être utilisé comme carburant pour des utilisations industrielles et commerciales.
  § 2. Les stations-service acquièrent le pétrole lampant marqué destiné à être utilisé comme combustible et le gasoil marqué destiné à être utilisé comme carburant pour des utilisations industrielles et commerciales, au taux de l'accise le plus élevé correspondant à ces utilisations respectives.
  L'acquisition de pétrole lampant marqué au taux de l'accise fixé pour une autre destination leur est interdite; il en est de même pour le gasoil marqué.
Art. 51. § 1. De verkoop door tankstations van gemerkte kerosine en gemerkte gasolie is onderworpen aan de volgende voorwaarden :
  1° de pomp die het energieproduct levert, moet duidelijk gescheiden worden opgesteld van de groepen van andere pompen;
  2° in de onmiddellijke omgeving van de pomp moet goed zichtbaar een bord worden opgesteld volgens het model en met vermelding van de tekst opgenomen in bijlage VI. De tekst moet zijn opgesteld in de taal of de talen van het gewest.
  Het bord moet vervaardigd zijn uit metaal of uit een onbuigzame en duurzame kunststof. De achtergrond moet wit zijn. De gebruikte letters moeten volledig zwart en onuitwisbaar zijn, met een hoogte van 20 mm voor de grote letters, 10 mm voor de middelgrote letters en 8 mm voor de kleine letters.
  3° de mogelijkheden tot betaling van de verschuldigde bedragen voor de hoeveelheden energieproduct die door de betrokken pomp werden geleverd, moeten dusdanig worden opgesteld dat het noodzakelijk is dat men zich tot bij de uitbater of tot bij de aangestelde pomphouder van deze pomp moet begeven;
  4° de werking van deze pomp mag in geen geval toelaten dat men zich kan bevoorraden bij afwezigheid van de uitbater of van de aangestelde van het tankstation.
  § 2. Door middel van het respecteren van de controlebepalingen vastgelegd door de administrateur-generaal kan de verkoop van gemerkte gasolie, in tankstations die niet voldoen aan de voorwaarden vastgesteld in § 1, worden toegestaan.
  § 3. De pomp waarvan de opstelling niet beantwoordt aan de voorschriften van § 1 of van § 2 wordt door de houder van het tankstation gesloten en verzegeld door de ambtenaren.
Art. 51. § 1er. La vente par les stations-service de pétrole lampant marqué et de gasoil marqué est soumise aux conditions suivantes :
  1° la pompe qui débite le produit énergétique doit être nettement séparée des îlots réservés aux autres pompes;
  2° un panonceau bien visible doit être placé à proximité immédiate de la pompe, il doit être conforme au modèle et comporter le texte repris à l'annexe VI. Le texte doit être rédigé dans la ou les langue(s) de la région.
  Le panonceau doit être constitué de métal ou de matière plastique rigide et durable. Le fond doit être de couleur blanche. Les caractères utilisés doivent être de couleur noire indélébile, en traits pleins, d'une hauteur de 20 mm pour les grands caractères, de 10 mm pour les caractères moyens et de 8 mm pour les petits caractères.
  3° les moyens de paiement réservés à l'acquittement des montants relatifs aux quantités de produit énergétique débité par cette pompe doivent être installés de manière telle qu'il soit nécessaire de se rendre auprès de l'exploitant ou du pompiste préposé à cette pompe;
  4° le fonctionnement de cette pompe ne peut, en aucun cas, permettre un approvisionnement en cas d'absence de l'exploitant ou du préposé de la station-service.
  § 2. Moyennant le respect des modalités de contrôle fixées par l'administrateur général, la vente de gasoil marqué dans des stations-service ne répondant pas aux conditions visées au § 1er est autorisée.
  § 3. La pompe dont le placement ne répond pas aux prescriptions du § 1er ou du § 2 est fermée par l'exploitant de la station-service et est scellée par les agents.
Art. 52. § 1. Iedere uitbater van een tankstation moet ter plaatse een plan bewaren van zijn reservoirs en opslagtanks, met vermelding van hun opslagcapaciteit en de soort van het energieproduct waarvoor ze zijn bestemd, alsmede van de pompen, de tellers en andere meet- en laadinrichtingen.
  Hij moet eveneens een voorraadregister houden van de aan de pomp verkochte energieproducten. De administrateur-generaal bepaalt de vorm en de gegevens van dit register.
  § 2. In het geval dat tankstations geautomatiseerd en eventueel zonder de aanwezigheid van personeel worden uitgebaat, kan de administrateur-generaal toestaan dat het plan en het voorraadregister op een andere plaats worden bewaard, voor zover dat het niveau van de voorraden energieproducten die aanwezig zijn in de opslagtanks vanop afstand kan gemeten worden door een centraal beheerspunt.
Art. 52. § 1er. Tout exploitant de station-service doit y conserver un plan de ses réservoirs et tanks de stockage mentionnant leur capacité, l'espèce de produit énergétique auxquels ils sont destinés ainsi que les pompes, compteurs et autres appareils de mesure et de chargement.
  Il tient également un registre matières des produits énergétiques vendus à la pompe. L'administrateur général fixe la forme et les données de ce registre.
  § 2. Dans le cas de stations-service automatisées et éventuellement dépourvues de personnel, l'administrateur général peut autoriser que le plan et le registre matières soient conservés en un autre lieu, pour autant que le niveau des stocks de produits énergétiques présents dans les réservoirs de stockage puisse être mesuré à distance par un dispositif central de gestion.
HOOFDSTUK XII. - Diverse controlemaatregelen
CHAPITRE XII. - Mesures diverses de contrôle
Art. 53. § 1. De land-, tuin- en bosbouwtractoren die worden gebruikt in de vrijstellingsgevallen bedoeld in artikel 429, § 2, i) van de wet mogen ook worden gebruikt voor werkzaamheden waarvoor geen recht op vrijstelling bestaat en mogen worden aangedreven met gasolie die is vrijgesteld van accijnzen onder de volgende voorwaarden :
  1° indien het werkzaamheden betreft bedoeld bij artikel 420, § 4, c) van de wet dient de gebruiker de accijnzen verband houdende met het verschil tussen de vrijstellingsgevallen en het gebruik voor industriële en commerciële doeleinden te voldoen op de wijze zoals bepaald in artikel 11 van het ministerieel besluit van 18 maart 2010 betreffende de algemene regeling voor accijnzen.
  De aangifte ten verbruik moet worden opgesteld door de gebruiker van de energieproducten en door hem worden ingediend uiterlijk de 10de van de maand volgend op het kwartaal van hun verbruik;
  2° indien het werkzaamheden betreft waardoor de accijnzen bedoeld in artikel 419 van de wet voor gebruik als motorbrandstof verschuldigd zijn dient de titularis van de nummerplaat van de betrokken land-, tuin- of bosbouwtractor de accijnzen verband houdende met het verschil tussen de vrijstellingsgevallen en het gebruik als motorbrandstof te voldoen op de wijze zoals bepaald in artikel 11 van het ministerieel besluit van 18 maart 2010 betreffende de algemene regeling voor accijnzen.
  De aangifte ten verbruik moet worden opgesteld door de titularis van de nummerplaat van de betrokken land-, tuin- of bosbouwtractor en door hem worden ingediend uiterlijk de 10de van de maand volgend op het kwartaal van hun verbruik;
  3° het gebruik van een land-, tuin- of bosbouwtractor in de situatie bedoeld in 2° is daarenboven onderworpen aan de volgende bijkomende voorwaarden :
  a) de land-, tuin- of bosbouwtractor moet overwegend worden gebruikt voor activiteiten die vallen binnen het toepassingsgebied van artikel 429, § 2, i) van de wet;
  b) de gebruiker van de land-, tuin- of bosbouwtractor moet zich laten registreren overeenkomstig de modaliteiten vastgesteld in artikel 14;
  c) het gebruik van de land-, tuin- of bosbouwtractor voor andere activiteiten dan diegene bedoeld bij artikel 429, § 2, i) van de wet moet voorafgaand geregistreerd worden door middel van een formulier waarvan de vorm en inhoud worden bepaald door de minister bevoegd voor Financiën. Dit formulier dient te allen tijde aanwezig te zijn in de land-, tuin- of bosbouwtractor bij gebruik voor andere activiteiten dan diegene bedoeld bij artikel 429, § 2, i) van de wet. Een kopie van het voornoemd formulier dient op het ogenblik van het indienen van de aangifte ten verbruik worden toegezonden door de aangever aan de controle der douane en/of accijnzen van zijn gebied;
  d) het gebruik van de land-, tuin- of bosbouwtractor door andere personen dan de titularis van de nummerplaat of zijn personeel moet worden geregistreerd door middel van een formulier waarvan de vorm en inhoud worden bepaald door de minister bevoegd voor Financiën;
  e) de land-, tuin- of bosbouwtractor moet voorzien zijn van een urenteller die de werkingsduur van het voertuig registreert.
  § 2. De administrateur-generaal stelt de verklarende nota op met betrekking tot de procedure bedoeld in § 1, 2°, van dit artikel.
Art. 53. § 1er. Les tracteurs agricoles, horticoles et forestiers utilisés dans les situations d'exonération de l'article 429, § 2, i), de la loi, peuvent être utilisés à des usages ne donnant pas droit à l'exonération et peuvent être alimentés avec du gasoil exonéré de l'accise aux conditions suivantes :
  1° dans le cas où les travaux effectués sont visés par l'article 420, § 4, c), de la loi, l'utilisateur doit acquitter l'accise en tenant compte de la différence entre les cas d'exonération et les utilisations industrielles et commerciales, de la manière prescrite à l'article 11 de l'arrêté ministériel du 18 mars 2010 relatif au régime général en matière d'accise.
  La déclaration de mise à la consommation doit être établie et déposée par l'utilisateur des produits énergétiques au plus tard le 10 du mois suivant le trimestre de leur utilisation;
  2° dans le cas où les travaux effectués concernent des situations d'utilisation de carburant pour lesquelles les droits d'accise visés à l'article 419 de la loi sont dus, le titulaire de la plaque d'immatriculation du tracteur agricole, horticole ou forestier doit acquitter l'accise en tenant compte de la différence entre les cas d'exonération et les cas d'utilisation comme carburant de la manière définie à l'article 11 de l'arrêté ministériel du 18 mars 2010 relatif au régime général en matière d'accise.
  La déclaration de mise à la consommation doit être établie et déposée par le titulaire de la plaque d'immatriculation du tracteur agricole, horticole ou forestier au plus tard le 10 du mois suivant le trimestre de son utilisation;
  3° l'utilisation d'un tracteur agricole, horticole ou forestier dans la situation visée au point 2° est également soumise aux conditions suivantes :
  a) le tracteur agricole, horticole ou forestier est principalement utilisé pour des activités qui tombent dans le champ d'application de l'article 429, § 2, i), de la loi;
  b) l'utilisateur du tracteur agricole, horticole ou forestier doit se faire enregistrer conformément aux modalités fixées à l'article 14;
  c) l'utilisation d'un tracteur agricole, horticole ou forestier pour d'autres activités que celles visées à l'article 429, § 2, i), de la loi doit être consignée préalablement au moyen d'un formulaire dont la forme et le contenu sont déterminés par le ministre qui a les Finances dans ses attributions. Ce formulaire doit à tout moment être présent dans le tracteur agricole, horticole ou forestier lors d'une utilisation pour d'autres activités que celles visées à l'article 429, § 2, i), de la loi. Le jour de l'introduction de la déclaration de mise à la consommation, une copie du formulaire précité doit être transmis par le déclarant au contrôle des douanes et/ou des accises de son ressort;
  d) l'utilisation d'un tracteur agricole, horticole ou forestier par d'autres personnes que le titulaire de la plaque d'immatriculation ou son personnel doit être consignée au moyen du formulaire dont la forme et le contenu seront déterminés par le ministre qui a les Finances dans ses attributions;
  e) le tracteur agricole, horticole ou forestier doit être équipé d'un compteur horaire qui enregistre les périodes de travail du véhicule.
  § 2. L'administrateur général rédige la note explicative concernant la procédure visée au § 1er, 2°, du présent article.
Art. 54. De vloeibare motorbrandstoffen die hier te lande voorhanden zijn, verkocht of gebruikt worden :
  1° voor de aandrijving van explosie- of verbrandingsmotoren van voertuigen die op de openbare weg rijden, andere dan deze bedoeld in artikel 420, § 4, van de wet, of dan deze gebruikt voor de doeleinden bedoeld in artikel 429, § 2, i), van dezelfde wet en dan deze bedoeld in artikel 53, § 1, 2° van dit besluit en
  2° voor de aandrijving van explosie- of verbrandingsmotoren van particuliere pleziervaartuigen bedoeld in artikel 429, § 1, g) en in artikel 429, § 2, g), van de wet, voor de vaart op binnenwateren of communautaire wateren,
  mogen geen denaturanten noch merkstoffen bevatten.
Art. 54. Les carburants liquides, présents dans le pays, détenus, vendus ou utilisés :
  1° pour l'alimentation des moteurs à explosion ou des moteurs à combustion interne installés sur des véhicules automobiles circulant sur la voie publique, autres que ceux visés à l'article 420, § 4, de la loi, que ceux utilisés aux fins visées à l'article 429, § 2, i), de la même loi et que ceux visés à l'article 53, § 1er, 2°, de cet arrêté et
  2° pour l'alimentation des moteurs à explosion ou des moteurs à combustion interne installés sur des bateaux de plaisance privés visés à l'article 429, § 2, g), de la loi, pour la navigation sur des voies navigables intérieures ou dans des eaux communautaires,
  ne peuvent contenir ni dénaturant ni marqueur.
Art. 55. De ambtenaren mogen kosteloos monsters nemen van energieproducten, ongeacht de plaats waar deze producten voorhanden worden gehouden, met inbegrip van motorvoertuigen, vaartuigen en luchtvaartuigen.
Art. 55. Les agents peuvent prélever gratuitement des échantillons de produits énergétiques sans distinction de l'endroit où ces produits sont détenus y compris dans les réservoirs des véhicules à moteur, de navires et d'aéronefs.
Art. 56. § 1. De erkend entrepothouder moet alle materiaal en gereedschappen die nodig zijn voor de meetverrichtingen, de monsterneming en andere controlemaatregelen ter beschikking stellen van de ambtenaren.
  Bovendien moet hij de nodige veiligheidskledij, met inbegrip van veiligheidsschoenen, veiligheidsbril en veiligheidshelm ter beschikking stellen van de ambtenaren.
  § 2. De erkend entrepothouder moet een afschrift van de algemene veiligheidsvoorschriften die van toepassing zijn in zijn bedrijf ter kennis brengen van de ambtenaren.
  De ambtenaren zijn verplicht deze veiligheidsvoorschriften na te leven.
Art. 56. § 1er. L'entrepositaire agréé est tenu de mettre à la disposition des agents le matériel et les instruments nécessaires aux opérations de mesures, de prises d'échantillons et autres mesures de contrôle.
  En outre, il doit mettre à la disposition des agents les vêtements de sécurité nécessaires en ce compris les souliers de sécurité, lunettes de sécurité et casque de sécurité.
  § 2. L'entrepositaire agréé doit porter à la connaissance des agents une copie des prescriptions générales de sécurité en vigueur dans ses installations.
  Les agents sont tenus de respecter ces mesures de sécurité.
Art. 57. De netbeheerders delen aan de administrateur-generaal de lijst mee van de distributeurs die hun netten gebruiken [1 , evenals de lijst van de producenten van elektriciteit]1. Iedere wijziging aan deze lijst moet onmiddellijk ter kennis worden gebracht van deze ambtenaar.
  
Art. 57. Les gestionnaires de réseau communiquent à l'administrateur général une liste des distributeurs qui utilisent leur réseau [1 , ainsi qu'une liste des producteurs d'électricité]1. Toute modification de cette liste doit immédiatement être portée à la connaissance de ce fonctionnaire.
  
HOOFDSTUK XIII. - Slotbepalingen
CHAPITRE XIII. - Dispositions finales
Art. 59. Worden opgeheven :
  1° het koninklijk besluit van 3 juli 2005 houdende maatregelen voor de toepassing van bepaalde verlaagde tarieven inzake accijnzen;
  2° het ministerieel besluit van 27 oktober 2005 betreffende de belasting van energieproducten en elektriciteit;
  3° het koninklijk besluit van 19 mei 2014 inzake accijnzen betreffende controlemaatregelen voor brandstoffen.
Art. 59. Sont abrogés :
  1° l'arrêté royal du 3 juillet 2005 fixant les mesures d'application de certains taux réduits d'accise;
  2° l'arrêté ministériel du 27 octobre 2005 concernant la taxation des produits énergétiques et de l'électricité;
  3° l'arrêté royal du 19 mai 2014 en matière d'accises relative à des mesures de contrôle des carburants.
Art. 60. De minister bevoegd voor Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 60. Le ministre qui a les Finances dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1 -6. Bijlage I tot VI
  (Bijlagen niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 23-07-2015, p. 47205-47224)
Art. N1 -6. Annexe I à VI.
  (Annexes non reprises pour des raisons techniques, voir M.B. du 23-07-2015, p. 47185-47204)
Art. N7. [1 BIJLAGE VII - (artikel 18/1, § 4) - ATTEST - VERBRUIKSLOCATIE MET VERSCHILLENDE AFNAMEPUNTEN
   Attest in het kader van artikel 18/1, § 4 van het Koninklijk Besluit van 28 juni 2015 betreffende de belasting van energieproducten en elektriciteit
   De onderneming
   Ondernemingsnummer
   Adres
   Vertegenwoordigd door
   Gegevens betreffende de verbruikslocatie
   Het begrip "verbruikslocatie" met betrekking tot aardgas wordt als volgt gedefinieerd:" verbruiksinstallaties op een topografisch geïdentificeerde plaats, waarvan het aardgas dat dient voor hun bevoorrading wordt afgenomen van een aardgastransmissienet, en/of van een distributienet en/of van een directe leiding door eenzelfde netgebruiker".
   Het begrip "verbruikslocatie" met betrekking tot elektriciteit wordt als volgt gedefinieerd :"verbruiksinstallaties gelegen op een topografisch geïdentificeerde plaats waarvan elektriciteit wordt afgenomen van het net door eenzelfde transmissie- of distributienetgebruiker. Eenzelfde spoorwegnet of stedelijk spoorwegnet, zelfs indien er meerdere voedingspunten zijn, wordt beschouwd als één enkele locatie".
   Benaming
   Adres
   De verbruikslocatie wordt gevoed door de volgende afnamepunten
   1. EAN nr
   2. EAN nr
   3. ...
   Ondergetekende verklaart kennis te hebben genomen van de gevolgen van een onjuiste verklaring.
   Hij verbindt er zich toe elke wijziging te melden.
   Handtekening en datum]1

  
Art. N7. [1 ANNEXE VII - (article 18/1, § 4) - DECLARATION - SITE DE CONSOMMATION AVEC DIFFERENTS POINTS DE PRELEVEMENT
   Déclaration dans le cadre de l'article 18/1, § 4 de l'arrêté royal du 28 juin 2015 concernant la taxation des produits énergétiques et de l'électricité
   L'entreprise
   Numéro d'entreprise
   Adresse
   Représenté par
   Informations concernant le site de consommation
   La notion "site de consommation" en ce qui concerne le gaz naturel est définie comme suit : "installations de consommation situées dans un lieu topographiquement identifié, dont le gaz naturel destiné à leur alimentation est prélevé d'un réseau de transmission de gaz naturel, et/ou d'un réseau de distribution et/ou d'une conduite directe par un même utilisateur de réseau".
   La notion "site de consommation" en ce qui concerne l'électricité est définie comme suit : "installations de consommation situées dans un lieu topographiquement identifié dont l'électricité est prélevée sur le réseau par un même utilisateur de réseau de transmission ou de distribution. Un même réseau de chemins de fer ou de transport ferroviaire urbain, même s'il y a plusieurs points d'alimentation, est considéré comme un seul site de consommation".
   Dénomination
   Adresse
   Le site de consommation est alimenté par les points de prélèvement suivants :
   1. N° EAN
   2. N° EAN
   3. ...
   Le soussigné déclare avoir connaissance des conséquences d'une déclaration erronée.
   Il s'engage à signaler toute modification.
   Signature et date]1