Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
22 MEI 2014. - Besluit van de Regering tot uitvoering van het decreet van 18 november 2013 betreffende de ondersteuning van cultuur in de Duitstalige Gemeenschap(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 12-09-2014 en tekstbijwerking tot 14-05-2025)
Titre
22 MAI 2014. - Arrêté du Gouvernement portant exécution du décret du 18 novembre 2013 visant à soutenir la culture en Communauté germanophone(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 12-09-2014 et mise à jour au 14-05-2025)
Informations sur le document
Numac: 2014203914
Datum: 2014-05-22
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2014203914
Date: 2014-05-22
Moniteur: Voir
Tekst (53)
Texte (53)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Artikel 1 - Definities
  Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1° decreet : het decreet van 18 november 2013 betreffende de ondersteuning van cultuur in de Duitstalige Gemeenschap;
  2° Minister : de minister van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap bevoegd voor cultuur;
  3° departement : het departement van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap dat bevoegd is voor cultuur.
Article 1er - Définitions
  Pour l'application du présent arrêté, l'on entend par :
  1° "décret" : le décret du 18 novembre 2013 visant à soutenir la culture en Communauté germanophone;
  2° "ministre" : le ministre du Gouvernement de la Communauté germanophone compétent pour la Culture;
  3° "département" : le département du Ministère de la Communauté germanophone compétent en matière de culture.
HOOFDSTUK 2. - Ondersteuning van de professionele cultuuraanbieders
CHAPITRE 2. - Soutien accordé aux opérateurs culturels professionnels
Art. 2. - Ondersteuningsaanvraag voor professionele cultuuraanbieders
  § 1 - De in artikel 8, § 2, van het decreet vermelde ondersteuningsaanvraag wordt bij het departement ingediend aan de hand van het door de Minister vastgelegde formulier en dit zowel schriftelijk - per aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs - als elektronisch.
  § 2 - De aanvraag om ondersteuning als professionele cultuuraanbieder bevat :
  1° het cultuurconcept overeenkomstig artikel 9 van het decreet;
  2° een overzicht van de culturele activiteiten die hebben plaatsgevonden in de drie jaar die aan het jaar van de aanvraag voorafgaan, aan de hand van een door de Minister vastgelegd formulier;
  3° een personeelsplan met taakomschrijving, kwalificatie en vermelding van het VTE van alle personeelsleden afzonderlijk, alsook de voortgezette opleidingen die ze hebben gevolgd in de drie jaar die aan het jaar van de aanvraag voorafgaan;
  4° de individuele loonrekeningen van alle aangestelde personeelsleden;
  5° een organigram en een organisatiebeschrijving, met de rol van vrijwillige medewerkers en van personen die op honorariumbasis werken;
  6° een gedetailleerde begroting voor het jaar van de aanvraag en het eerste kalenderjaar van de ondersteuningsperiode;
  7° een financiële simulatie voor de duur van de ondersteuningsperiode;
  8° een persmap met programmaboekjes, brochures, krantenartikelen, mediaberichten, flyer en posters over de culturele activiteiten die hebben plaatsgevonden tijdens de drie kalenderjaren die aan de aanvraag voorafgaan.
  Voor cultuurcentra van de Duitstalige Gemeenschap bevat de aanvraag vermeld in het eerste lid bovendien :
  1° het algemene verslag over de jaarrekening van het kalenderjaar dat twee jaar aan het jaar van de aanvraag voorafgaat, met inbegrip van de eindrekening, de balans en de eventuele verslagen van het college van commissarissen die een autonoom gemeentebedrijf ter uitvoering van artikel 1231-6 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en decentralisatie moet opstellen;
  2° de geldende statuten van de rechtspersoon;
  3° de plannen van de cultuurinfrastructuur, met inbegrip van de beschrijving van het aantal plaatsen, de technische mogelijkheden en de aard van de cultuurevenementen die daar kunnen plaatsvinden;
  4° het eigendomsbewijs of het bewijs van het recht om gebruik te maken van de infrastructuur voor de duur van de ondersteuningsperiode.
  Voor cultuurorganisatoren en cultuurproducenten bevat de aanvraag vermeld in het eerste lid bovendien :
  1° de geldende statuten van de vereniging zonder winstoogmerk;
  2° een balans en een resultatenrekening van het kalenderjaar dat aan het jaar van de aanvraag voorafgaat.
  [1 3° de aanvraag van de jaarlijkse modulaire personeelsforfaits, overeenkomstig artikel 17, § 2, tweede lid, en artikel 19, § 6, van het decreet. ]1
  
Art. 2. - Demande de soutien pour les opérateurs culturels professionnels
  § 1er - La demande de soutien mentionnée à l'article 8, § 2, du décret est introduite auprès du département par écrit, par recommandé ou contre accusé de réception, ainsi que par voie électronique au moyen du formulaire fixé par le ministre.
  § 2 - La demande de soutien introduite en tant qu'opérateur culturel professionnel contient :
  1° le concept culturel conformément à l'article 9 du décret;
  2° un relevé des activités culturelles menées les trois années précédant celle de la demande, établi au moyen d'un formulaire fixé par le ministre;
  3° un cadre du personnel, avec description des missions, qualification et mention de l'équivalent temps plein pour les différents membres du personnel, ainsi que les formations continues suivies les trois années précédant celle de la demande;
  4° les comptes salariaux individuels de tous les membres du personnel occupés;
  5° un organigramme et une description organisationnelle incluant le rôle des bénévoles et des personnes percevant des honoraires;
  6° un budget détaillé pour l'année de la demande et la première année calendrier de la période de soutien;
  7° une simulation financière pour la durée de la période de soutien;
  8° un dossier de presse reprenant des programmes, brochures, articles de presse, rapports médiatiques, flyers, ainsi que des posters relatifs aux activités culturelles des trois années calendrier précédant celle de la demande.
  Pour les centres culturels de la Communauté germanophone, la demande mentionnée au premier alinéa contient en outre :
  1° le rapport annuel final général de la pénultième année calendrier précédant celle de la demande, y compris le compte annuel, le bilan et les éventuels rapports établis par le collège des commissaires, rapport annuel que doit établir une régie communale autonome en exécution de l'article 1231-6 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation;
  2° les statuts actuels de la personne morale;
  3° les plans de l'infrastructure culturelle, y compris la description des capacités en places, les possibilités techniques ainsi que la nature des manifestations culturelles qui peuvent avoir lieu dans cette infrastructure;
  4° le titre de propriété ou de jouissance de l'infrastructure pour la durée de la période de soutien.
  Pour les organisateurs d'événements culturels et les producteurs culturels, la demande mentionnée au premier alinéa contient en outre :
  1° les statuts actuels de l'association sans but lucratif;
  2° un bilan et le compte de résultats de l'année calendrier précédant celle de la demande.
  [1 3° la demande de forfaits annuels en personnel modulables conformément à l'article 17, § 2, alinéa 2, et à l'article 19, § 6, du décret. ]1
  
Art. 3. - Behandelingsprocedure
  § 1 - Het departement gaat na of aan de voorwaarden wordt voldaan, alsook of de ingediende aanvraag volledig is en stelt vóór 31 mei van het jaar dat aan de ondersteuningsperiode voorafgaat, een verslag op. Ontbrekende stukken worden opgevraagd. Alleen aanvragers die alle vereiste documenten indienen, worden tot de verdere behandelingsprocedure toegelaten.
  Daarna zendt het departement overeenkomstig artikel 10, § 1, van het decreet ten laatste op 30 juni van hetzelfde jaar de volledige aanvragen om erkenning toe aan de beoordelingscommissie zodat deze commissie advies kan geven en aan het gemeentecollege van de gemeente waar de voornaamste culturele activiteiten van de aanvrager plaatsvinden, zodat dit college een standpunt daaromtrent kan innemen.
  § 2 - De beoordelingscommissie geeft het advies vermeld in § 1 uiterlijk op 31 juli van hetzelfde jaar. Indien na het verstrijken van die termijn geen advies ter kennis is gebracht, wordt de procedure voortgezet.
  Het advies van de beoordelingscommissie is met redenen omkleed.
  § 3 - In het standpunt vermeld in § 1 onderzoekt het gemeentecollege in het bijzonder :
  1° of het gemeentecollege het principieel eens is met de aanvraag;
  2° in welke mate een ondersteuning van de gemeente kan worden verwacht voor de betrokken ondersteuningsperiode.
  § 4 - Het advies van de beoordelingscommissie en het standpunt van het gemeentecollege worden zo snel mogelijk aan het departement bezorgd.
  Het departement bezorgt de aanvragers uiterlijk op 15 augustus van hetzelfde jaar het verslag vermeld in § 1, eerste lid, alsook het eventuele advies van de beoordelingscommissie en het eventuele standpunt van het gemeentecollege.
  De aanvragers kunnen tot uiterlijk 15 september van hetzelfde jaar een schriftelijk standpunt daaromtrent bij het departement afgeven.
  § 5 - Na positieve beslissing van de Regering overeenkomstig artikel 11 van het decreet begint de ondersteuningsperiode op 1 januari van het kalenderjaar dat volgt op het jaar van de aanvraag.
  Aan de beslissing van de Regering kunnen voorwaarden verbonden zijn.
Art. 3. - Procédure de vérification
  § 1er - Le département vérifie si les conditions sont remplies et si la demande introduite est complète et rédige un rapport pour le 31 mai de l'année précédant la période de soutien. Les documents manquants sont demandés. Seuls les demandeurs qui introduisent tous les documents exigés sont admis à l'étape suivante de la procédure de vérification.
  Ensuite, pour le 30 juin de la même année, le département transmet - conformément à l'article 10, § 1er, du décret - les demandes d'agrément complètes au jury pour avis et au collège communal de la commune où le demandeur mène ses principales activités culturelles, pour qu'il prenne position.
  § 2 - Le jury rend l'avis mentionné au § 1er pour le 31 juillet de la même année. A défaut d'avis dans le délai imparti, la procédure est poursuivie.
  Le jury motive son avis.
  § 3 - Dans sa prise de position mentionnée au § 1er, le collège communal examine notamment :
  1° si la demande a reçu l'approbation de principe du collège communal;
  2° la mesure dans laquelle un appui de la commune est escompté pour la période de soutien concernée.
  § 4 - L'avis du jury et la prise de position du collège communal sont immédiatement transmis au département.
  Pour le 15 août de la même année, le département transmet aux demandeurs le rapport mentionné au § 1er, alinéa 1er, ainsi que l'avis du jury et la prise de position du collège communal, le cas échéant.
  Les demandeurs peuvent faire parvenir leur prise de position par écrit au département jusqu'au 15 septembre de la même année.
  § 5 - Sur décision positive du Gouvernement conformément à l'article 11 du décret, la période de soutien débute le 1er janvier de l'année calendrier suivant celle de la demande.
  La décision du Gouvernement peut être conditionnelle.
Art. 4. - Beoordelingscommissie
  § 1 - De beoordelingscommissie vermeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 1°, van het decreet is samengesteld uit drie onafhankelijke leden. Bij de samenstelling wordt rekening gehouden met ervaring op het gebied van de kunstdisciplines die in het decreet worden vermeld, ervaring in de domeinen van de professionele cultuuraanbieders en ervaring in algemeen cultuurmanagement.
  § 2 - De beoordelingscommissie kan beraadslagen en besluiten in niet-openbare vergaderingen of via een schriftelijke procedure.
  De beslissingen worden bij meerderheid van de uitgebrachte stemmen genomen. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter beslissend.
  § 3 - De volgende personen mogen geen lid van de beoordelingscommissie worden :
  1° wie zelf of in voorkomend geval via zijn werkgever aan de te beoordelen aanvragers gebonden is;
  2° wie gehuwd, wettelijk samenwonende, feitelijk samenwonende, in rechte lijn verwant of aanverwant is of was met een andere persoon die iets te maken heeft met de aanvragers op wie het advies betrekking heeft.
  Een lid van de beoordelingscommissie dat beroepsmatig of als particulier rechtstreeks voor- of nadeel kan hebben bij de ondersteuningsaanvraag waarover advies wordt uitgebracht, mag in die aangelegenheid geen raadgevende of meebeslissende rol vervullen. Tijdens de behandeling van die zaak verlaat het lid de vergadering of neemt het niet deel aan de schriftelijke procedure. Uiterlijk bij het begin van de vergadering of de schriftelijke procedure moet het lid eventuele belangenconflicten aan het departement meedelen.
  § 4 - De leden ontvangen een honorarium en bij vergaderingen ook een reisvergoeding en een verblijfsvergoeding. De verblijfsvergoeding stemt overeen met de werkelijke kosten die in verband met de vergadering zijn ontstaan. De reisvergoeding voor de verplaatsing met de eigen personenauto wordt berekend overeenkomstig de bepalingen inzake reisvergoedingen die voor het personeel van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap gelden.
Art. 4.   § 1er - Le jury mentionné à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 1°, du décret se compose de trois membres indépendants. Lors de la composition, il est tenu compte de l'expérience tant au niveau des disciplines artistiques et domaines d'activité mentionnés dans le décret pour les opérateurs culturels professionnels, qu'au niveau de la gestion culturelle en général.
  § 2 - Le jury peut délibérer et statuer soit en séance à huis clos, soit en procédure écrite.
  Les décisions sont prises à la majorité des suffrages exprimés. En cas de parité des voix, la voix du président est prépondérante.
  § 3 - Ne peut être membre du jury :
  1° celui qui est personnellement ou dont l'employeur est lié aux demandeurs concernés par l'avis;
  2° celui qui est ou a été conjoint, cohabitant légal ou de fait, parent ou allié en ligne directe d'une autre personne impliquée dans les demandeurs concernés par l'avis.
  Un membre du jury qui, dans le contexte d'une demande de subside à examiner, peut être directement avantagé ou désavantagé au niveau professionnel ou privé ne peut prendre part ni aux délibérations ni aux décisions y relatives. Le membre quittera la réunion durant ce temps ou ne s'exprimera pas lors de la procédure écrite. Le membre communique d'éventuels conflits d'intérêt au département, et ce, au plus tard en début de réunion ou de procédure écrite.
  § 4 - Les membres perçoivent des honoraires ainsi qu'une indemnité de déplacement et de séjour pour les réunions. L'indemnité de séjour correspond aux coûts réels engendrés par la réunion. L'indemnité de déplacement accordée pour les trajets en voiture personnelle est calculée conformément aux dispositions applicables au personnel du Ministère de la Communauté germanophone en matière d'indemnités de déplacement.
Art. 5. [1 - Beheerscontract en cultuurconvenant
   Het cultuurconvenant vermeld in artikel 12, § 2, van het decreet bevat het volgende :
   1° het bedrag van de jaarlijkse forfaitaire basissubsidie;
   2° het bedrag van het jaarlijkse modulaire personeelsforfait;
   3° de voor de ondersteuningsperiode overeengekomen doeleinden ]1
.
  
Art. 5. [1 - Contrat de gestion et convention culturelle
   La convention culturelle mentionnée à l'article 12, § 2, du décret reprend :
   1° le montant du subside forfaitaire de base annuel;
   2° le montant du forfait annuel en personnel modulable;
   3° les objectifs convenus pour la période de soutien ]1
.
  
Art. 6. - Verrekeningsclausule
  § 1 - De subsidies voor gesubsidieerde contractuelen die worden toegekend met toepassing van artikel 5, § 3, van het besluit van de Waalse Regering van 11 mei 1995 betreffende de indienstneming van gesubsidieerde contractuelen door sommige openbare besturen en ermee gelijkgestelde werkgevers worden overeenkomstig artikel 17, § 3, en artikel 19, § 6, afgetrokken van de jaarlijkse forfaitaire ondersteuning; die aftrek wordt berekend in het cultuurconvenant op basis van de subsidies voor gesubsidieerde contractuelen die in het jaar vóór de aanvraag werden betaald.
  Tijdens de ondersteuningsperiode vergelijkt het departement de subsidies die werkelijk werden gebruikt op het ogenblik dat het cultuurconvenant werd opgesteld jaarlijks met de subsidies die het vorige jaar zijn uitbetaald. Indien de subsidies die tijdens de ondersteuningsperiode werkelijk werden uitbetaald hoger zijn dan op het ogenblik dat het cultuurconvenant werd opgesteld, wordt het verschil in het lopende kalenderjaar verrekend via de jaarlijkse forfaitaire ondersteuning. Indien die subsidies lager zijn dan op het ogenblik dat het cultuurconvenant werd opgesteld, wordt het verschil in het lopende kalenderjaar als een eenmalig bedrag uitbetaald.
  Indien die subsidies aanzienlijk en duurzaam worden gewijzigd, kunnen de bedragen tijdens de ondersteuningsperiode in het cultuurconvenant worden aangepast.
  § 2 - De bepalingen van § 1 gelden mutatis mutandis ook voor de overeenkomstig de artikelen 17, § 4, en 19, § 7, van het decreet bepaalde aftrek van de werkgeversbijdragen voor een personeelslid dat in het kader van een verlof wegens opdracht in het belang van het onderwijs of in het kader van een terbeschikkingstelling wegens bijzondere opdracht ter beschikking wordt gesteld van een cultuurproducent.
Art. 6. - Clause de décompte
   § 1er - La déduction des subsides accordés pour des travailleurs contractuels subventionnés en application de l'article 5, § 3, de l'arrêté du Gouvernement wallon du 11 mai 1995 relatif à l'engagement de travailleurs contractuels subventionnés auprès de certains pouvoirs publics et employeurs y assimilés, opérée sur le soutien forfaitaire annuel conformément aux articles 17, § 3, resp. 19, § 6, du décret est calculée dans la convention culturelle sur la base des subsides payés l'année précédant la demande.
   Pendant la période de soutien, le département compare chaque année les subsides utilisés au moment de l'établissement de la convention culturelle et ceux effectivement liquidés l'année précédente. Si les subsides effectivement liquidés pendant la période de soutien sont plus élevés qu'au moment de l'établissement de la convention culturelle, la différence est décomptée du soutien annuel forfaitaire en cours d'année calendrier. Si ces subsides sont moindres qu'au moment de l'établissement de la convention culturelle, la différence est liquidée en cours d'année calendrier en tant que tranche unique.
   Si des modifications durables plus importantes de ces subsides devaient intervenir, les montants fixés dans la convention culturelle pourraient être adaptés dans le courant de la période de soutien.
   § 2 - Le § 1er s'applique mutatis mutandis à la déduction des charges patronales opérée conformément aux articles 17, § 4 et 19, § 7, du décret lorsqu'un membre du personnel est mis à disposition d'un producteur culturel dans le cadre d'un congé pour mission dans l'intérêt de l'enseignement ou d'une mise en disponibilité pour mission spéciale.
Art. 6 TOEKOMSTIG RECHT.   [1 In aanmerking komende functies inzake cultureel werk
   Voor de toepassing van de artikelen 17, § 2, tweede lid, en 19, § 6, van het decreet kan een jaarlijks modulair personeelsforfait toegekend worden voor personeel dat in dienst is genomen om de volgende in aanmerking komende functies inzake cultureel werk uit te oefenen :
   1° beheer;
   2° algemeen cultuurmanagement en projectleiding;
   3° administratieve activiteiten;
   4° uitoefening van culturele activiteiten in de zin van artikel 1, 2°, van het decreet;
   5° public-relationswerk;
   6° marketing en distributie.
   Het in aanmerking komende personeelscontingent wordt vastgelegd in het cultuurconvenant.]1
Art. 6 DROIT FUTUR.   [1 - Fonctions admissibles dans le travail culturel
   Aux fins d'application des articles 17, § 2, alinéa 2, et 19, § 6, du décret, un forfait annuel en personnel modulable est octroyé pour le personnel qui a été engagé afin de remplir les fonctions admissibles suivantes dans le travail culturel :
   1° gestion;
   2° gestion culturelle en général et gestion de projets;
   3° tâches administratives;
   4° exercices d'activités culturelles conformément à l'article 1er, 2°, du décret;
   5° relations publiques;
   6° marketing et vente.
   Le contingent en personnel admissible est fixé dans la convention culturelle.]1
Art. 6.1. [1 Verrekening van personeelsforfaits
   Wanneer de betrokken aanvragers via een ander bevoegdheidsterrein van de Duitstalige Gemeenschap andere overheidstegemoetkomingen in de loonkosten van hun personeelsleden ontvangen, worden de modulaire personeelsforfaits die overeenkomstig de artikelen 17, § 2, tweede lid, en 19, § 6, van het decreet zijn vastgelegd, niet betaald voor de voltijdse equivalenten van het in aanmerking komende personeelscontingent.
   Het personeelscontingent dat in aanmerking komt voor de modulaire personeelsforfaits wordt vastgelegd in het cultuurconvenant.
   Met het oog op de toepassing van het eerste lid is de aanvrager ertoe verplicht het departement in te lichten over elke aanpassing van overheidstegemoetkomingen in de loonkosten voor het in aanmerking komende personeelscontingent dat overeenkomstig artikel 6 werd vastgelegd.
   Als de tegemoetkoming in de loonkosten via een ander bevoegdheidsterrein van de Duitstalige Gemeenschap tijdens de lopende ondersteuningsperiode wegvalt of verminderd wordt, kan de aanvrager een aanpassing van het voor de modulaire personeelsforfaits in aanmerking komende personeelscontingent aanvragen bij het departement. ]1

  
Art. 6.1. [1 - Calcul des forfaits en personnel
   Les forfaits en personnel annuels modulables fixés conformément aux articles 17, § 2, alinéa 2, et 19, § 6, du décret ne sont pas pris en compte pour les équivalents temps plein du contingent en personnel admissible si les demandeurs concernés perçoivent d'autres contributions publiques aux coûts salariaux de leurs membres du personnel par le biais d'un autre ressort de la Communauté germanophone.
   Le contingent en personnel admissible pour les forfaits en personnel modulables sont fixés dans la convention culturelle.
   Pour l'application de l'alinéa 1er, le demandeur est tenu d'informer le département de toute adaptation des interventions publiques dans les coûts salariaux du contingent en personnel admissible fixé conformément à l'article 6.
   Si l'intervention dans les coûts salariaux provenant d'un autre ressort de la Communauté germanophone est supprimé ou, selon le cas, diminué pendant la période de soutien en cours, le demandeur peut introduire auprès du département une demande d'adaptation du contingent en personnel admissible pour les forfaits en personnel modulables. ]1

  
Art. 7. - Aanrekening van de culturele activiteiten
  § 1 - In aanmerking komende culturele activiteiten voor professionele cultuuraanbieders in de zin van artikel 14, 5°, artikel 16, § 2, en artikel 18, §§ 2 tot 5, van het decreet zijn :
  1° openbaar, met uitzondering van schoolvoorstellingen;
  2° voor de cultuurcentra van de Duitstalige Gemeenschap : de opvoeringen, optredens met eigen producties of adaptaties, concerten, evenementen, tentoonstellingen, open dagen, lezingen, workshops en colloquia die in de gebouwen van het cultuurcentrum plaatsvinden omdat de kadervoorwaarden op het gebied van infrastructuur en techniek zijn geschapen;
  3° voor cultuurorganisatoren : de opvoeringen, optredens met eigen producties of adaptaties, concerten, evenementen, tentoonstellingen, open dagen, lezingen, workshops en colloquia die plaatsvinden omdat ze voldoen aan de ondersteuningsvoorwaarden vermeld in artikel 16, § 1, 5° tot 8°;
  4° voor cultuurproducenten in de kunstdiscipline theater : theateropvoeringen met eigen producties of adaptaties, alsook aanvullende activiteiten om aan cultuuroverdracht te doen;
  5° voor cultuurproducenten in de kunstdiscipline dans : dansopvoeringen met eigen producties of adaptaties, alsook aanvullende activiteiten om aan cultuuroverdracht te doen;
  6° voor cultuurproducenten in de kunstdiscipline literatuur : publicaties, lezingen, workshops, voordrachten, wetenschappelijk onderzoek en colloquia, alsook aanvullende activiteiten om aan cultuuroverdracht te doen;
  7° voor cultuurproducenten in de kunstdiscipline muziek : concerten met eigen producties of adaptaties, alsook aanvullende activiteiten om aan cultuuroverdracht te doen.
  Niet in aanmerking komende culturele activiteiten voor professionele cultuuraanbieders zijn :
  1° activiteiten zoals repetities, geluidsopnames en vergaderingen die dienen om de in aanmerking komende culturele activiteiten vermeld in het eerste lid voor te bereiden;
  2° activiteiten met een pedagogische inhoud of voortgezette opleidingen die niet in de zin van de cultuuroverdracht bedoeld in artikel 8, 5°, van het decreet als aanvulling op een culturele activiteit tot doel hebben cultuur toegankelijk te maken, maar als voortgezette opleiding met een culturele inhoud hoofdzakelijk op zichzelf staan;
  3° activiteiten die buiten het Duitse taalgebied plaatsvinden, met uitzondering van optredens, lezingen en concerten van cultuurproducenten;
  4° activiteiten zonder toereikende culturele inhoud zoals filmvoorstellingen, party's, bals, beurzen, slotevents van workshops en verkooptentoonstellingen;
  5° - voor cultuurproducenten - tentoonstellingen;
  [1 6° voor cultuurorganisatoren en cultuurproducenten: activiteiten die door of in opdracht van de Regering worden georganiseerd en waarvan de kosten door de Regering worden gedragen.]1
  § 2 - Het aantal culturele activiteiten dat overeenkomstig artikel 14, 5°, van het decreet aan de kwantitatieve minimumcriteria voor cultuurcentra van de Duitstalige Gemeenschap voldoet, wordt als volgt berekend :
  1° elke culturele activiteit in de zin van § 1 met uiteenlopende culturele inhoud die in het cultuurcentrum plaatsvindt en voor toeschouwers toegankelijk is, wordt als een culturele activiteit beschouwd, ongeacht de duur ervan;
  2° indien in het cultuurcentrum twee of meer culturele activiteiten met verschillende culturele inhoud op dezelfde dag plaatsvinden, stemt dit overeen met hoogstens twee speeldagen;
  3° alle toeschouwers die de in 1° vermelde culturele activiteiten bezoeken, worden beschouwd als bezoekers.
  § 3 - Het aantal culturele activiteiten dat overeenkomstig artikel 16, § 2, van het decreet aan de kwantitatieve criteria voor cultuurorganisatoren voldoet, wordt als volgt berekend :
  1° elke dag waarop de cultuurorganisator een culturele activiteit in de zin van § 1 organiseert, stemt overeen met een culturele activiteit;
  2° organiseert de cultuurorganisator op één dag twee of meer culturele activiteiten met een verschillende culturele inhoud op verschillende plaatsen, tellen deze als twee culturele activiteiten;
  3° alle toeschouwers die de in 1° tot 2° vermelde culturele activiteiten bezoeken, worden beschouwd als bezoekers.
  [1 In afwijking van het eerste lid, 2° en 3°, worden tentoonstellingen hoogstens als één culturele activiteit beschouwd.]1
  § 4 - Het aantal culturele activiteiten dat overeenkomstig artikel 18, § 2, van het decreet aan de kwantitatieve criteria voor cultuurproducenten in de kunstdiscipline theater voldoet, wordt als volgt berekend :
  1° elke dag waarop de cultuurproducent een culturele activiteit in de zin van § 1 organiseert, stemt overeen met een culturele activiteit;
  2° [1 indien de cultuurproducent op één dag twee of meer culturele activiteiten met een verschillende culturele inhoud organiseert op verschillende plaatsen, tellen deze per plaats hoogstens als twee culturele activiteiten en per dag hoogstens als zes culturele activiteiten]1.
  Het aantal culturele activiteiten dat overeenkomstig artikel 18, § 3, van het decreet aan de kwantitatieve criteria voor cultuurproducenten in de kunstdiscipline dans voldoet, wordt als volgt berekend :
  1° elke dag waarop de cultuurproducent een culturele activiteit in de zin van § 1 organiseert, stemt overeen met een culturele activiteit;
  2° [1 indien de cultuurproducent op één dag twee of meer culturele activiteiten met een verschillende culturele inhoud organiseert op verschillende plaatsen, tellen deze per plaats hoogstens als twee culturele activiteiten en per dag hoogstens als zes culturele activiteiten]1.
  Het aantal culturele activiteiten dat overeenkomstig artikel 18, § 4, van het decreet aan de kwantitatieve criteria voor cultuurproducenten in de kunstdiscipline literatuur voldoet, wordt als volgt berekend :
  1° elke dag waarop de cultuurproducent een culturele activiteit in de zin van § 1 organiseert, stemt overeen met een culturele activiteit;
  2° [1 indien de cultuurproducent op één dag twee of meer culturele activiteiten met een verschillende culturele inhoud organiseert op verschillende plaatsen, tellen deze per plaats hoogstens als twee culturele activiteiten en per dag hoogstens als zes culturele activiteiten]1;
  3° het uitbrengen van een literair tijdschrift waaraan minstens vijf verschillende auteurs meewerken, stemt overeen met vijf culturele activiteiten.
  Het aantal culturele activiteiten dat overeenkomstig artikel 18, § 5, van het decreet aan de kwantitatieve criteria voor cultuurproducenten in de kunstdiscipline muziek voldoet, wordt als volgt berekend :
  1° elke dag waarop de cultuurproducent een culturele activiteit in de zin van § 1 organiseert, stemt overeen met een culturele activiteit;
  2° indien de cultuurproducent op één dag twee culturele activiteiten op twee verschillende plaatsen organiseert, telt deze dag dubbel.
  § 5 [2 ...]2
  § 6 - [2 ...]2
  
Art. 7. - Prise en compte des activités culturelles
  § 1er - En ce qui concerne les opérateurs culturels professionnels au sens des articles 14, 5°, 16, § 2 et 18, §§ 2 à 5, du décret, les activités culturelles admissibles sont :
  1° accessibles au public, à l'exclusion des représentations en milieu scolaire;
  2° en ce qui concerne les centres culturels de la Communauté germanophone les représentations, les prestations avec des autoproductions ou des adaptations, les concerts, manifestations, expositions, journées portes ouvertes, lectures, ateliers ou colloques qui ont lieu dans les bâtiments du centre culturel grâce à la création des conditions-cadres tant au niveau de l'infrastructure que de la technique;
  3° en ce qui concerne les organisateurs d'événements culturels, les représentations, les prestations avec des autoproductions ou des adaptations, les concerts, manifestations, expositions, journées portes ouvertes, lectures, ateliers ou colloques qui ont lieu parce que les conditions de soutien mentionnées à l'article 16, § 1er, 5° à 8°, sont remplies;
  4° en ce qui concerne les producteurs culturels de la discipline "théâtre", les spectacles de théâtre avec des autoproductions ou adaptations, ainsi que des activités complémentaires de médiation culturelle;
  5° en ce qui concerne les producteurs culturels de la discipline "danse", les spectacles de danse avec des autoproductions ou adaptations, ainsi que des activités complémentaires de médiation culturelle;
  6° en ce qui concerne les producteurs culturels de la discipline "littérature", les publications, lectures, ateliers, conférences, études ou colloques, ainsi que des activités complémentaires de médiation culturelle;
  7° en ce qui concerne les producteurs culturels de la discipline "musique", les concerts effectivement prestés avec des autoproductions ou adaptations, ainsi que des activités complémentaires de médiation culturelle.
  Ne sont pas des activités culturelles admissibles en ce qui concerne les opérateurs culturels professionnels :
  1° les activités telles que les répétitions, les enregistrements sonores et les assemblées servant à préparer des activités culturelles admissibles mentionnées au premier alinéa;
  2° les activités ayant un contenu pédagogique ou les formations continues qui ne servent pas, en tant que complément d'une activité culturelle, à rendre la culture accessible au sens de la médiation culturelle conformément à l'article 8, 5°, du décret, mais sont des formations continues essentiellement autonomes ayant un contenu culturel;
  3° les activités se déroulant en dehors de la région de langue allemande, à l'exception des prestations, lectures et concerts de producteurs culturels;
  4° les activités dont le contenu culturel n'est pas suffisant, comme les représentations cinématographiques, les parties dansantes, les bals, les foires, les manifestations clôturant des ateliers et les expositions-ventes;
  5° les expositions pour producteurs culturels.
  [1 6° en ce qui concerne les organisateurs d'événements culturels et les producteurs culturels, les activités organisées par ou pour le compte du Gouvernement et dont ce dernier supporte le coût.]1
  § 2 - Le nombre d'activités culturelles qui remplissent les critères quantitatifs minimaux pour les centres culturels de la Communauté germanophone conformément à l'article 14, 5°, du décret est calculé comme suit :
  1° toute activité culturelle au sens du § 1er qui a un contenu culturel diversifié, se déroule dans les locaux du centre culturel et est accessible aux spectateurs représente une activité culturelle, et ce, quelle que soit sa durée;
  2° si deux ou plusieurs activités culturelles au contenu culturel différent ont lieu un même jour calendrier dans les locaux du centre culturel, deux journées de programmation au plus sont prises en considération;
  3° tous les spectateurs assistant aux activités culturelles visées au 1° constituent les visiteurs.
  § 3 - Le nombre d'activités culturelles qui remplissent les critères quantitatifs minimaux pour les organisateurs d'événements culturels conformément à l'article 16, § 2, du décret est calculé comme suit :
  1° tout jour calendrier où un organisateur d'événements culturels organise une activité culturelle au sens du § 1er, représente une activité culturelle;
  2° si l'organisateur d'événements culturels organise le même jour calendrier deux ou plusieurs activités culturelles ayant des contenus culturels différents et se déroulant dans des lieux différents, deux activités culturelles sont prises en considérations;
  3° tous les spectateurs assistant aux activités culturelles visées aux 1° et 2° constituent les visiteurs.
  [1 Par dérogation à l'alinéa 1er, 2° et 3°, les expositions correspondent au plus à une activité culturelle.]1
  § 4 - Le nombre d'activités culturelles qui remplissent les critères quantitatifs minimaux pour les producteurs culturels de la discipline "théâtre" conformément à l'article 18, § 2, du décret est calculé comme suit :
  1° tout jour calendrier où un producteur culturel mène une activité culturelle au sens du § 1er, représente une activité culturelle;
  2° [1 si le producteur culturel mène le même jour calendrier deux ou plusieurs activités culturelles ayant des contenus culturels différents et se déroulant dans des lieux différents, sont prises en considération au plus deux activités culturelles par lieu et au plus six activités culturelles par jour calendrier]1.
  Le nombre d'activités culturelles qui remplissent les critères quantitatifs minimaux pour les producteurs culturels de la discipline "danse" conformément à l'article 18, § 3, du décret est calculé comme suit :
  1° tout jour calendrier où un producteur culturel mène une activité culturelle au sens du § 1er, représente une activité culturelle;
  2° [1 si le producteur culturel mène le même jour calendrier deux ou plusieurs activités culturelles ayant des contenus culturels différents et se déroulant dans des lieux différents, sont prises en considération au plus deux activités culturelles par lieu et au plus six activités culturelles par jour calendrier]1.
  Le nombre d'activités culturelles qui remplissent les critères quantitatifs minimaux pour les producteurs culturels de la discipline "littérature" conformément à l'article 18, § 4, du décret est calculé comme suit :
  1° tout jour calendrier où un producteur culturel mène une activité culturelle au sens du § 1er, représente une activité culturelle;
  2° [1 si le producteur culturel mène le même jour calendrier deux ou plusieurs activités culturelles ayant des contenus culturels différents et se déroulant dans des lieux différents, sont prises en considération au plus deux activités culturelles par lieu et au plus six activités culturelles par jour calendrier]1;
  3° l'édition d'un magazine littéraire présentant au moins cinq auteurs différents correspond à cinq activités culturelles.
  Le nombre d'activités culturelles qui remplissent les critères quantitatifs minimaux pour les producteurs culturels de la discipline "musique" conformément à l'article 18, § 5, du décret est calculé comme suit :
  1° tout jour calendrier où un producteur culturel mène une activité culturelle au sens du § 1er, représente une activité culturelle;
  2° si le producteur culturel mène le même jour calendrier deux activités culturelles en deux lieux différents, le jour calendrier compte double.
  § 5 [2 ...]2.
  § 6. [2 ...]2
  
Art. 8. - Systeem om de culturele activiteiten te bewijzen
  § 1 - De professionele cultuuraanbieders hanteren een overzichtelijk systeem om te bewijzen dat ze aan de kwantitatieve criteria vermeld in artikel 14, 5°, artikel 16, § 2, en artikel 18, §§ 2 tot 5, van het decreet voldoen.
  Het bewijssysteem bevat op zijn minst de volgende gegevens over de georganiseerde culturele activiteiten :
  1° begin- en einddatum van de culturele activiteit;
  2° adres van de plaats waar de culturele activiteit plaatsvindt;
  3° benaming van de culturele activiteit;
  4° aard van de culturele activiteit;
  5° het publiek waarvoor de culturele activiteit toegankelijk was;
  6° de producent van de culturele activiteit en de eventuele co-producent(en);
  7° in voorkomend geval, welke partners aan het ontstaan en de realisatie van de activiteit hebben meegewerkt;
  8° voor de cultuurcentra van de Duitstalige Gemeenschap en de cultuurorganisatoren : het aantal toeschouwers, met vermelding of het om betalende of niet-betalende toeschouwers gaat.
  Dit activiteitenoverzicht wordt aan het departement overgezonden aan de hand van het door de Minister vastgelegde formulier.
  § 2 - De organisatie van de culturele activiteiten van de cultuurcentra van de Duitstalige Gemeenschap en van de cultuurorganisatoren wordt als volgt bewezen :
  1° per culturele activiteit een schriftelijke overeenkomst of een boekhoudkundig document dat de organisatie van een evenement bewijst;
  2° per culturele activiteit artikelen uit de pers of marketingdocumenten over de organisatie van die activiteit;
  3° het aantal toeschouwers wordt onderzocht op basis van een gecentraliseerde lijst waarop de betalende en de niet-betalende toeschouwers vermeld staan en waaraan de dienovereenkomstige bewijzen zijn gekoppeld;
  4° het aantal betalende toeschouwers wordt bewezen aan de hand van de kaartverkoop en de daarvoor betaalde bedragen;
  5° het aantal niet-betalende toeschouwers wordt bewezen aan de hand van het aantal gratis tickets of aan de hand van gemotiveerde, te goeder trouw opgemaakte ramingen.
  Om te voldoen aan de kwantitatieve criteria vervat in artikel 16, § 2, van het decreet kan hoogstens één derde niet-betalende toeschouwers in verhouding tot het totale aantal toeschouwers per kalenderjaar in aanmerking worden genomen.
  § 3 - De organisatie van de culturele activiteiten van de cultuurproducenten wordt als volgt bewezen :
  1° per culturele activiteit een schriftelijke overeenkomst of een boekhoudkundig document dat de organisatie van het evenement bewijst;
  2° per culturele activiteit artikelen uit de pers of reclamemiddelen over de organisatie van die activiteit.
  [1 § 4 - Van de bewijsstukken vermeld in de § § 2 en 3 bewaren de professionele cultuuraanbieders het origineel exemplaar en een exemplaar in elektronische vorm. De elektronische beveiliging geschiedt via twee verschillende informatiedragers die op twee verschillende plaatsen worden bewaard.]1
  
Art. 8. - Système de preuve pour les activités culturelles
  § 1er - Les opérateurs culturels professionnels appliquent un système transparent pour prouver qu'ils satisfont aux critères quantitatifs fixés aux articles 14, 5°, 16, § 2, et 18, §§ 2 à 5 du décret.
  Le système reprend au moins les renseignements suivants quant aux activités culturelles menées :
  1° dates de début et de fin de l'activité culturelle;
  2° adresse du lieu où se déroule la manifestation;
  3° l'intitulé de l'activité culturelle;
  4° la nature de l'activité culturelle;
  5° la mention du public auquel l'activité culturelle était accessible;
  6° le producteur de l'activité culturelle et les coproducteurs éventuels;
  7° le cas échéant, les partenaires ayant participé à la genèse et à la concrétisation de l'activité;
  8° uniquement pour les centres culturels de la Communauté germanophone et les organisateurs d'événements culturels : le nombre de spectateurs avec l'indication s'il s'agissait ou non de spectateurs payants.
  Pour communiquer ce relevé d'activités au département, il est fait usage du formulaire fixé par le ministre.
  § 2 - Les centres culturels de la Communauté germanophone et les organisateurs d'événements culturels prouvent comme suit qu'ils ont mené des activités culturelles :
  1° par activité culturelle une convention écrite ou un justificatif comptable que la manifestation a eu lieu;
  2° par activité culturelle des articles de presse ou des documents publicitaires relatifs à l'organisation de cette activité;
  3° le comptage des spectateurs s'opère via une liste centralisée reprenant les spectateurs payants et non payants et mettant en relation les nombres de spectateurs avec les justificatifs correspondants;
  4° la preuve du nombre de spectateurs payants est apportée par le nombre de tickets vendus et les redevances payées à ce propos;
  5° la preuve du nombre de spectateurs non payants est apportée soit par le nombre de tickets d'entrée gratuits ou des estimations motivées données de bonne foi.
  Pour les critères quantitatifs conformément à l'article 16, § 2, du décret, un tiers au plus des spectateurs non payants par rapport aux nombre total de spectateurs peut être pris en considération par année calendrier.
  § 3 - Les activités culturelles menées par les producteurs culturels sont prouvées comme suit :
  1° par activité culturelle une convention écrite ou un justificatif comptable que la manifestation a eu lieu;
  2° par activité culturelle des articles de presse ou des documents publicitaires relatifs à l'organisation de cette activité.
  [1 § 4. Les opérateurs culturels professionnels conservent les justificatifs mentionnés aux § § 2 et 3 tant sous forme originale que sous forme électronique. La sécurisation électronique s'opère sur deux supports différents conservés en deux lieux différents.]1
  
Art. 9. - Administratieve procedure voor professionele cultuuraanbieders
  § 1 - Dit zijn de stukken die de cultuurcentra van de Duitstalige Gemeenschap overeenkomstig artikel 14 van het decreet jaarlijks moeten overleggen :
  1° een activiteitenverslag waaruit blijkt hoe het in artikel 12 van het decreet geregelde beheerscontract wordt uitgevoerd;
  2° een overzicht van de culturele activiteiten van het vorige jaar, aan de hand van een door de Minister vastgelegd formulier;
  3° [1 ...]1;
  4° eventuele wijzigingen van de statuten;
  5° de lijst van het personeel dat in het voorgaande jaar bij de vereniging was aangesteld waaruit de volgende gegevens kunnen worden afgeleid : de taken van de personeelsleden, de arbeidsregeling van de personeelsleden uitgedrukt in voltijdse equivalenten en het hoogste diploma van elk personeelslid;
  6° de individuele loonrekeningen van alle aangestelde personeelsleden;
  7° een lijst van de subsidies die de Duitstalige Gemeenschap in het vorige jaar heeft uitbetaald en die ondertekend is door de persoon die volgens de statuten daartoe bevoegd is; het departement zendt die lijst voor 1 maart van het lopende kalenderjaar toe;
  8° de financiële planning en de activiteitenplanning voor het lopende en het volgende kalenderjaar;
  9° het algemene verslag over de jaarrekening, met inbegrip van de eindrekening, de balans en de eventuele verslagen van het college van commissarissen, dat een autonoom gemeentebedrijf ter uitvoering van artikel 1231-6 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en decentralisatie moet opstellen.
  [2 10° een door een bedrijfsrevisor bevestigde lijst van de aanneembare uitgaven in het vorige boekjaar voor de organisatie van de activiteiten.]2
  In het beheerscontract kan worden vastgelegd dat nog andere stukken moeten worden overgezonden.
  [1 ...]1.
  § 2 - Dit zijn de stukken die cultuurorganisatoren overeenkomstig artikel 16 van het decreet en cultuurproducenten overeenkomstig artikel 18 van het decreet jaarlijks moeten overleggen :
  1° een activiteitenverslag waaruit de uitvoering van het in artikel 12 van het decreet geregelde cultuurconvenant blijkt;
  2° een overzicht van de culturele activiteiten van het vorige jaar, aan de hand van een door de Minister vastgelegd formulier;
  3° de notulen van de algemene vergaderingen;
  4° eventuele wijzigingen van de statuten;
  5° [2 5° gegevens over het personeelscontingent: de lijst van het personeel dat in het voorgaande jaar bij de vereniging was aangesteld, opgesteld op basis van een door de Minister vastgelegd formulier, met vermelding van de taken van de personeelsleden, de voltijdse equivalenten, de overheidstegemoetkomingen in de loonkosten via een ander bevoegdheidsterrein van de Duitstalige Gemeenschap en een dienovereenkomstige vergelijking met de gegevens van het vorige jaar, met vermelding van de personeelswijzigingen en aanvragen om het goedgekeurde personeelscontingent aan te passen voor de berekening van de modulaire personeelsforfaits;]2;
  6° de individuele loonrekeningen van alle aangestelde personeelsleden;
  7° een lijst van de subsidies die de Duitstalige Gemeenschap in het vorige jaar heeft uitbetaald en die ondertekend is door de persoon die volgens de statuten daartoe bevoegd is; het departement zendt die lijst voor [2 1 juni]2 van het lopende kalenderjaar toe;
  8° een resultatenrekening en balans van het vorige boekjaar;
  9° [2 de financiële planning en de activiteitenplanning voor het lopende en voor het volgende kalenderjaar, met een opsplitsing van de uitgaven en ontvangsten per werkterrein van de cultuurorganisator of cultuurproducent.]2.
  In het cultuurconvenant kan worden vastgelegd dat nog andere stukken moeten worden overgezonden.
  [1 ...]1.
  § 3 - Het departement heeft gedurende een periode van vijf jaar het recht om - per activiteitenjaar waarvoor ondersteuning voor de organisatie als professionele cultuuraanbieder is gegeven - te vragen om de boekhoudkundige documenten van de cultuuraanbieder en alle bewijzen van de uitgaven te kunnen inzien. Binnen die periode kan het departement, ten laste van de Duitstalige Gemeenschap, een derde opdracht geven om de boekhouding te controleren en te controleren of de jaarlijkse subsidie gebruikt is waarvoor ze bestemd was. De organisatie bewaart alle bewijzen minstens gedurende die periode.
  Het departement heeft gedurende een periode van vijf jaar het recht om - per activiteitenjaar waarvoor ondersteuning voor de organisatie als professionele cultuuraanbieder is gegeven - te vragen om volgende bewijzen te kunnen inzien : de bewijzen voor de naleving van de algemene ondersteuningsvoorwaarden overeenkomstig artikel 8 van het decreet, de bewijzen voor de naleving van de specifieke ondersteuningsvoorwaarden overeenkomstig de artikelen 14, 16 en 18 van het decreet en de bewijzen voor de uitvoering van het cultuurconcept overeenkomstig artikel 9 van het decreet. De organisatie bewaart alle bewijzen minstens gedurende die periode.
  
Art. 9. - Procédure administrative pour les opérateurs culturels professionnels
  § 1er - Les documents que les centres culturels de la Communauté germanophone doivent présenter chaque année conformément à l'article 14 du décret sont :
  1° un rapport d'activités attestant la mise en oeuvre du contrat de gestion régi par l'article 12 du décret;
  2° un relevé des activités culturelles menées l'année précédente, établi au moyen d'un formulaire fixé par le ministre;
  3° [1 ...]1;
  4° d'éventuelles modifications de statut;
  5° la liste du personnel occupé l'année précédente par l'association et mentionnant les missions confiées aux différents membres du personnel, leur régime de travail exprimé en équivalents temps plein et leur diplôme le plus élevé;
  6° les comptes salariaux individuels de tous les membres du personnel occupés;
  7° une liste signée par les personnes y habilitées par les statuts, reprenant les subsides de la Communauté germanophone pour l'année précédente et que le département transmet avant le [2 1er juin]2 de l'année calendrier en cours;
  8° le plan de financement et le programme d'activités pour l'année calendrier en cours et la suivante.
  9° le rapport annuel final général, y compris le compte annuel, le bilan et les éventuels rapports établis par le collège des commissaires, rapport annuel que doit établir une régie communale autonome en exécution de l'article 1231-6 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation.
  [2 10° une liste des dépenses admissibles pour l'exécution d'activités lors de l'exercice comptable précédent, confirmée par un réviseur d'entreprise.]2
  Le contrat de gestion peut établir la transmission de documents supplémentaires.
  [1 ...]1.
  § 2 - Les documents que doivent présenter chaque année les organisateurs d'événements culturels, conformément à l'article 16 du décret, et les producteurs culturels, conformément à l'article 18 du décret, sont :
  1° un rapport d'activités attestant la mise en oeuvre de la convention culturelle régie par l'article 12 du décret;
  2° un relevé des activités culturelles menées l'année précédente, établi au moyen d'un formulaire fixé par le ministre;
  3° les procès-verbaux des assemblées générales;
  4° d'éventuelles modifications de statut;
  5° [2 des informations concernant le contingent en personnel : la liste du personnel occupé l'année précédente par l'association, dressée au moyen d'un formulaire fixé par le ministre, mentionnant les missions des membres du personnel, les équivalents temps plein, les interventions publiques dans les coûts salariaux provenant d'un autre ressort de la Communauté germanophone et une comparaison ad hoc concernant les données de l'année précédente, les changements de personnel intervenus et les demandes d'ajustement des contingents en personnel autorisés afin de calculer les forfaits en personnel modulables]2;
  6° les comptes salariaux individuels de tous les membres du personnel occupés;
  7° une liste signée par les personnes y habilitées par les statuts, reprenant les subsides de la Communauté germanophone pour l'année précédente et que le département transmet avant le [2 1er juin]2 de l'année calendrier en cours;
  8° un compte de résultats et le bilan de l'exercice précédent;
  9° [2 le plan de financement et le programme d'activités pour l'année calendrier en cours et la suivante qui montre la répartition des coûts et des recettes selon les différents secteurs d'activité de l'organisateur d'événements culturels ou du producteur culturel]2.
  La convention culturelle peut établir la transmission de documents supplémentaires.
  [1 ...]1.
  § 3 - Pendant une période de 5 ans par année d'activités pour laquelle l'organisation a été soutenue en tant qu'opérateur culturel professionnel, le département a le droit, sur demande, de consulter les documents comptables de l'opérateur culturel, avec tous les justificatifs de dépenses. Pendant cette période, le département peut, aux frais de la Communauté germanophone, charger un tiers de vérifier la comptabilité et l'affectation correcte du subside annuel. L'organisation doit conserver l'ensemble des justificatifs au moins pendant ladite période.
  Pendant une période de 5 ans par année d'activités pour laquelle l'organisation a été soutenue en tant qu'opérateur culturel professionnel, le département a le droit, sur demande, de consulter les documents prouvant le respect des conditions générales de soutien conformément à l'article 8 du décret, des conditions spécifiques de soutien conformément aux articles 14, 16 et 18 du décret, ainsi que la mise en oeuvre du concept culturel conformément à l'article 9 du décret. L'organisation doit conserver l'ensemble des justificatifs au moins pendant ladite période.
  
HOOFDSTUK 3. - Ondersteuning van [1 cultuurprojecten, kunstenaars en literatuurpublicaties]1
CHAPITRE 3. - Soutien accordé [1 aux projets culturels, aux artistes et aux publications littéraires]1
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1re. - Dispositions générales
Art. 10. - Bewijsstukken
  Voor de ondersteuning van [1 cultuurprojecten, beurzen voor kunstenaars en literatuurpublicaties]1 komen de volgende bewijzen in aanmerking :
  1° gekwiteerde facturen;
  2° facturen met een rekeninguittreksel waaruit de betaling blijkt;
  3° financiële bescheiden die gecertificeerd zijn door erkende accountantskantoren of erkende financiële controleurs.
  Voor beurzen waarvoor geen of slechts geringe materiaal- of reiskosten ontstaan, kunnen ook uurroosters als bewijs worden ingediend. Als bewijs moeten worden ingediend :
  1° een bindende schriftelijke verklaring waaruit het aantal gewerkte uren blijkt, met datum, uur en uurtarief;
  2° [2 ...]2.
  
Art. 10. - Justificatifs
  Sont admissibles comme justificatifs pour le soutien [1 de projets culturels et de publications littéraires ainsi que l'octroi de bourse]1 à des artistes :
  1° les factures acquittées;
  2° les factures accompagnées d'un extrait de compte où apparaît le paiement;
  3° les documents financiers certifiés par des cabinets d'expertise comptable ou contrôleurs financiers enregistrés.
  En ce qui concerne les bourses pour lesquelles les frais en matériel et déplacement sont minimes, voire nuls, des décomptes d'heures peuvent aussi être introduits comme justificatifs. Doivent être introduits comme justificatifs :
  1° une déclaration écrite contraignante mentionnant les différentes heures prestées, avec la date, l'heure et le taux horaire;
  2° [2 ...]2.
  
Afdeling 2. - Cultuurprojecten van jongeren
Section 2. - Projets culturels menés par des jeunes
Art. 11. - Wraking van leden van de beoordelingscommissie
  De volgende personen mogen geen lid worden van de beoordelingscommissie vermeld in artikel 34 van het decreet :
  1° wie zelf of in voorkomend geval via zijn werkgever aan de te beoordelen aanvragers gebonden is;
  2° wie gehuwd, wettelijk samenwonende, feitelijk samenwonende, in rechte lijn verwant of aanverwant is of was met een andere persoon die iets te maken heeft met de aanvragers op wie het advies betrekking heeft.
  Een lid van de beoordelingscommissie dat beroepsmatig of als particulier rechtstreeks voor- of nadeel kan hebben bij de ondersteuningsaanvraag waarover advies wordt uitgebracht, mag in die aangelegenheid geen raadgevende of meebeslissende rol vervullen. Tijdens de behandeling van die zaak verlaat het lid de vergadering of neemt het niet deel aan de schriftelijke procedure. Uiterlijk bij het begin van de vergadering of de schriftelijke procedure moet het lid eventuele belangenconflicten aan het departement meedelen.
Art. 11. - Suspicion légitime de membres du jury
  Ne peut être membre du jury mentionné à l'article 34 du décret :
  1° celui qui est personnellement ou dont l'employeur est lié aux demandeurs concernés par l'avis;
  2° celui qui est ou a été conjoint, cohabitant légal ou de fait, parent ou allié en ligne directe d'une autre personne impliquée dans les demandeurs concernés par l'avis.
  Un membre du jury qui, dans le contexte d'une demande de subside à examiner, peut être directement avantagé ou désavantagé au niveau professionnel ou privé ne peut prendre part ni aux délibérations ni aux décisions y relatives. Le membre quittera la réunion durant ce temps ou ne s'exprimera pas lors de la procédure écrite. Le membre communique d'éventuels conflits d'intérêt au département, et ce, au plus tard en début de réunion ou de procédure écrite.
Afdeling 3. - Beurzen voor kunstenaars
Section 3. - Bourses octroyées à des artistes
Art. 12. - Aanvraagprocedure
  § 1 - De in artikel 38 van het decreet vermelde vakjury bestaat uit drie onafhankelijke leden. Bij de samenstelling wordt rekening gehouden met ervaring op het gebied van de kunstdisciplines die in het decreet worden vermeld, ervaring in de domeinen van de kunstenaars en ervaring in algemeen cultuurmanagement.
  § 2 - De vakjury kan beraadslagen en besluiten in niet-openbare vergaderingen of via een schriftelijke procedure.
  De beslissingen worden bij meerderheid van de uitgebrachte stemmen genomen. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter beslissend.
  § 3 - De volgende personen mogen geen lid van de vakjury worden :
  1° wie zelf of in voorkomend geval via zijn werkgever aan de te beoordelen aanvragers gebonden is;
  2° wie gehuwd, wettelijk samenwonende, feitelijk samenwonende, in rechte lijn verwant of aanverwant is of was met een andere persoon die iets te maken heeft met de aanvragers op wie het advies betrekking heeft.
  Een lid van de vakjury dat beroepsmatig of als particulier rechtstreeks voor- of nadeel kan hebben bij de ondersteuningsaanvraag waarover advies wordt uitgebracht, mag in die aangelegenheid geen raadgevende of meebeslissende rol vervullen. Tijdens de behandeling van die zaak verlaat het lid de vergadering of neemt het niet deel aan de schriftelijke procedure. Uiterlijk bij het begin van de vergadering of de schriftelijke procedure moet het lid eventuele belangenconflicten aan het departement meedelen.
  § 4 - De leden ontvangen een honorarium en bij vergaderingen ook een reisvergoeding en een verblijfsvergoeding. De verblijfsvergoeding stemt overeen met de werkelijke kosten die in verband met de vergadering zijn ontstaan. De reisvergoeding voor de verplaatsing met de eigen personenauto wordt berekend overeenkomstig de bepalingen inzake reisvergoedingen die voor het personeel van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap gelden.
  § 5 - De beoordelingscriteria bedoeld in artikel 38, derde lid, van het decreet zijn :
  1° het professionele karakter van het artistieke handwerk;
  2° de financiële haalbaarheid;
  3° het doelpubliek;
  4° de innovatieve kracht en het actuele karakter;
  5° de betekenis voor de cultuur in het Duitse taalgebied;
  6° de kwalitatieve uitwerking, qua inhoud en qua vakkundigheid.
  § 6 - Een kunstenaar mag per kalenderjaar hoogstens één aanvraag overeenkomstig artikel 37 van het decreet indienen.
Art. 12. - Demande
  § 1er - Le jury mentionné à l'article 38 du décret se compose de trois membres indépendants. Lors de la composition, il est tenu compte de l'expérience tant au niveau des disciplines artistiques et domaines d'activité mentionnés dans le décret pour les artistes, qu'au niveau de la gestion culturelle en général.
  § 2 - Le jury peut délibérer et statuer soit en séance à huis clos, soit en procédure écrite.
  Les décisions sont prises à la majorité des suffrages exprimés. En cas de parité des voix, la voix du président est prépondérante.
  § 3 - Ne peut être membre du jury :
  1° celui qui est personnellement ou dont l'employeur est lié aux demandeurs concernés par l'avis;
  2° celui qui est ou a été conjoint, cohabitant légal ou de fait, parent ou allié en ligne directe d'une autre personne impliquée dans les demandeurs concernés par l'avis.
  Un membre du jury qui, dans le contexte d'une demande de subside à examiner, peut être directement avantagé ou désavantagé au niveau professionnel ou privé ne peut prendre part ni aux délibérations ni aux décisions y relatives. Le membre quittera la réunion durant ce temps ou ne s'exprimera pas lors de la procédure écrite. Le membre communique d'éventuels conflits d'intérêt au département, et ce, au plus tard en début de réunion ou de procédure écrite.
  § 4 - Les membres perçoivent des honoraires ainsi qu'une indemnité de déplacement et de séjour pour les réunions. L'indemnité de séjour correspond aux coûts réels engendrés par la réunion. L'indemnité de déplacement accordée pour les trajets en voiture personnelle est calculée conformément aux dispositions applicables au personnel du Ministère de la Communauté germanophone en matière d'indemnités de déplacement.
  § 5 - Les critères d'appréciation mentionnés à l'article 38, alinéa 3, du décret sont :
  1° le professionnalisme de l'oeuvre artistique;
  2° la faisabilité financière;
  3° le public visé;
  4° la force novatrice et l'actualité;
  5° la signification pour la culture en région de langue allemande;
  6° la qualité de la conception, tant au niveau du contenu que de la technicité.
  § 6 - Par année calendrier, un artiste peut introduire au plus une demande conformément à l'article 37 du décret.
Afdeling 4. - Onderscheiding 'kunstenaar [1van Oost-België ]1
Section 4. [1 Distinction "artiste de la Belgique de l'Est ]1
Art. 13. - Vakjury
  § 1 - De in artikel 42 van het decreet vermelde vakjury bestaat uit drie onafhankelijke leden. Bij de samenstelling wordt rekening gehouden met ervaring op het gebied van de kunstdisciplines die in het decreet worden vermeld, ervaring in de domeinen van de kunstenaars en ervaring in algemeen cultuurmanagement.
  § 2 - De vakjury kan beraadslagen en besluiten in niet-openbare vergaderingen of via een schriftelijke procedure.
  De beslissingen worden bij meerderheid van de uitgebrachte stemmen genomen. Bij staking van stemmen telt de stem van de voorzitter dubbel.
  § 3 - De volgende personen mogen geen lid van de vakjury worden :
  1° wie zelf of in voorkomend geval via zijn werkgever aan de te beoordelen aanvragers gebonden is;
  2° wie gehuwd, wettelijk samenwonende, feitelijk samenwonende, in rechte lijn verwant of aanverwant is of was met een andere persoon die iets te maken heeft met de aanvragers op wie het advies betrekking heeft.
  Een lid van de vakjury dat beroepsmatig of als particulier rechtstreeks voor- of nadeel kan hebben bij de ondersteuningsaanvraag waarover advies wordt uitgebracht, mag in die aangelegenheid geen raadgevende of meebeslissende rol vervullen. Tijdens de behandeling van die zaak verlaat het lid de vergadering of neemt het niet deel aan de schriftelijke procedure. Uiterlijk bij het begin van de vergadering of de schriftelijke procedure moet het lid eventuele belangenconflicten aan het departement meedelen.
  § 4 - De leden ontvangen een honorarium en bij vergaderingen ook een reisvergoeding en een verblijfsvergoeding. De verblijfsvergoeding stemt overeen met de werkelijke kosten die in verband met de vergadering zijn ontstaan. De reisvergoeding voor de verplaatsing met de eigen personenauto wordt berekend overeenkomstig de bepalingen inzake reisvergoedingen die voor het personeel van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap gelden.
  § 5 - De beoordelingscriteria bedoeld in artikel 42, derde lid, van het decreet zijn :
  1° het professionele karakter van het artistieke handwerk;
  2° de innovatieve kracht en het actuele karakter;
  3° de betekenis voor de cultuur in het Duitse taalgebied.
Art. 13. - Jury de spécialistes
  § 1er - Le jury mentionné à l'article 42 du décret se compose de trois membres indépendants. Lors de la composition, il est tenu compte de l'expérience tant au niveau des disciplines artistiques et domaines d'activité mentionnés dans le décret pour les artistes, qu'au niveau de la gestion culturelle en général.
  § 2 - Le jury peut délibérer et statuer soit en séance à huis clos, soit en procédure écrite.
  Les décisions sont prises à la majorité des suffrages exprimés. En cas de parité des voix, la voix du président compte double.
  § 3 - Ne peut être membre du jury :
  1° celui qui est personnellement ou dont l'employeur est lié aux demandeurs concernés par l'avis;
  2° celui qui est ou a été conjoint, cohabitant légal ou de fait, parent ou allié en ligne directe d'une autre personne impliquée dans les demandeurs concernés par l'avis.
  Un membre du jury qui, dans le contexte d'une demande de subside à examiner, peut être directement avantagé ou désavantagé au niveau professionnel ou privé ne peut prendre part ni aux délibérations ni aux décisions y relatives. Le membre quittera la réunion durant ce temps ou ne s'exprimera pas lors de la procédure écrite. Le membre communique d'éventuels conflits d'intérêt au département, et ce, au plus tard en début de réunion ou de procédure écrite.
  § 4 - Les membres perçoivent des honoraires ainsi qu'une indemnité de déplacement et de séjour pour les réunions. L'indemnité de séjour correspond aux coûts réels engendrés par la réunion. L'indemnité de déplacement accordée pour les trajets en voiture personnelle est calculée conformément aux dispositions applicables au personnel du Ministère de la Communauté germanophone en matière d'indemnités de déplacement.
  § 5 - Les critères d'appréciation mentionnés à l'article 42, alinéa 3, du décret sont :
  1° le professionnalisme de l'oeuvre artistique;
  2° la force novatrice et l'actualité;
  3° la signification pour la culture en région de langue allemande.
HOOFDSTUK 4. - Ondersteuning van amateurkunst en folklore
CHAPITRE 4. - Soutien accordé à l'art amateur et au folklore
Afdeling 1. - Ondersteuning van amateurkunstverenigingen
Section 1re. - Soutien accordé aux sociétés d'art amateur
Onderafdeling 1. - Ondersteuning van amateurkunstverenigingen voor muziek
Sous-section 1re. - Soutien de sociétés d'art amateur actives dans la discipline artistique "musique"
Art. 14. - Aanvraagformulier
  De aanvraag vermeld in artikel 48 van het decreet wordt bij het departement ingediend aan de hand van het door de Minister vastgelegde formulier.
Art. 14. - Formulaire de demande
  La demande visée à l'article 48 du décret est introduite auprès du département au moyen du formulaire fixé par le ministre.
Art. 15. - Vakjury
  § 1 - De in artikel 50 van het decreet vermelde vakjury bestaat uit drie onafhankelijke leden. Bij de samenstelling wordt rekening gehouden met de ervaring op het gebied van muziek.
  § 2 - De vakjury kan beraadslagen en besluiten in niet-openbare vergaderingen of via een schriftelijke procedure.
  De beslissingen worden bij meerderheid van de uitgebrachte stemmen genomen. Bij staking van stemmen telt de stem van de voorzitter dubbel.
  § 3 - De volgende personen mogen geen lid van de vakjury worden :
  1° wie zelf of in voorkomend geval via zijn werkgever aan de te beoordelen aanvragers gebonden is;
  2° wie gehuwd, wettelijk samenwonende, feitelijk samenwonende, in rechte lijn verwant of aanverwant is of was met een andere persoon die iets te maken heeft met de amateurkunstvereniging op wie het advies betrekking heeft.
  Een lid van de vakjury dat beroepsmatig of als particulier rechtstreeks voor- of nadeel kan hebben bij een amateurkunstvereniging waarover advies wordt uitgebracht, mag in die aangelegenheid geen raadgevende of meebeslissende rol vervullen. Tijdens de behandeling van die zaak verlaat het lid de vergadering of neemt het niet deel aan de schriftelijke procedure. Uiterlijk bij het begin van de vergadering of de schriftelijke procedure moet het lid eventuele belangenconflicten aan het departement meedelen.
  § 4 - De leden ontvangen een honorarium en bij vergaderingen ook een reisvergoeding en een verblijfsvergoeding. De verblijfsvergoeding stemt overeen met de werkelijke kosten die in verband met de vergadering zijn ontstaan. De reisvergoeding voor de verplaatsing met de eigen personenauto wordt berekend overeenkomstig de bepalingen inzake reisvergoedingen die voor het personeel van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap gelden.
  § 5 - De beoordelingscriteria bedoeld in artikel 50, § 1, tweede lid, van het decreet zijn :
  1° stemming en intonatie;
  2° toon en klankkwaliteit;
  3° klankbalans en registerbalans;
  4° schikking;
  5° respect voor tempo en agogiek;
  6° frasering en articulatie;
  7° technische uitvoering en samenspel;
  8° ritme en metriek;
  9° dynamische differentiaties;
  10° interpretatie, muzikaliteit en stijlgevoel;
  11° evenwichtige keuze van de muziekstukken;
  12° artistieke algemene indruk;
  13° visueel effect (houding en discipline).
Art. 15. - Jury de spécialistes
  § 1er - Le jury mentionné à l'article 50 du décret se compose de trois membres indépendants. Lors de la composition, il est tenu compte de l'expérience dans le domaine musical.
  § 2 - Le jury peut délibérer et statuer soit en séance à huis clos, soit en procédure écrite.
  Les décisions sont prises à la majorité des suffrages exprimés. En cas de parité des voix, la voix du président compte double.
  § 3 - Ne peut être membre du jury :
  1° celui qui est personnellement ou dont l'employeur est lié aux demandeurs concernés par l'avis;
  2° celui qui est ou a été conjoint, cohabitant légal ou de fait, parent ou allié en ligne directe d'une autre personne impliquée dans la société d'art amateur concernée par l'avis.
  Un membre du jury qui, dans le contexte de l'examen d'une société d'art amateur, peut être directement avantagé ou désavantagé au niveau professionnel ou privé ne peut prendre part ni aux délibérations ni aux décisions y relatives. Le membre quittera la réunion durant ce temps ou ne s'exprimera pas lors de la procédure écrite. Le membre communique d'éventuels conflits d'intérêt au département, et ce, au plus tard en début de réunion ou de procédure écrite.
  § 4 - Les membres perçoivent des honoraires ainsi qu'une indemnité de déplacement et de séjour pour les réunions. L'indemnité de séjour correspond aux coûts réels engendrés par la réunion. L'indemnité de déplacement accordée pour les trajets en voiture personnelle est calculée conformément aux dispositions applicables au personnel du Ministère de la Communauté germanophone en matière d'indemnités de déplacement.
  § 5 - Les critères d'appréciation mentionnés à l'article 50, § 1er, alinéa 2, du décret sont :
  1° la justesse et l'intonation;
  2° le ton et la qualité du son;
  3° l'équilibre sonore et la balance des registres;
  4° la disposition;
  5° le respect du tempo et l'agogique;
  6° le phrasé et l'articulation;
  7° l'exécution technique et le jeu d'ensemble;
  8° la rythmique et la métrique;
  9° les différenciations dynamiques;
  10° l'interprétation, la musicalité et le sens du style;
  11° le choix pertinent des oeuvres;
  12° l'impression artistique générale;
  13° l'effet visuel (discipline, maintien)
Art. 16. - Voorstel van de vakjury
  Het voorstel vermeld in artikel 50, § 1, van het decreet wordt bij het departement ingediend aan de hand van het door de Minister vastgelegde formulier.
Art. 16. - Proposition d'un jury
  La proposition visée à l'article 50, § 1er, du décret est introduite auprès du département au moyen du formulaire fixé par le ministre.
Art. 17. - Subsidies voor optredens van geclassificeerde amateurkunstverenigingen die actief zijn in de kunstdiscipline muziek
  § 1 - Uiterlijk op [2 31 maart]2 van elk jaar wordt per geclassificeerde amateurkunstvereniging een forfaitair bedrag uitbetaald dat overeenstemt met de som van het jaarlijks aantal subsidies per optreden naargelang van de classificatiecategorie. De eerste uitbetaling geschiedt in het kalenderjaar na de classificatie.
  Voor het bewijs van de georganiseerde culturele activiteiten dat overeenkomstig artikel 52, § 2, van het decreet uiterlijk op 31 januari van het volgende kalenderjaar moet worden ingediend, wordt het door de Minister vastgelegde formulier gebruikt.
  Indien een geclassificeerde amateurkunstvereniging in een kalenderjaar, naargelang van de classificatiecategorie, niet genoeg culturele activiteiten organiseert, wordt dit verrekend via de daaropvolgende betaling van een voorschot voor het volgende kalenderjaar.
  § 2 - Uiterlijk op 31 januari van het volgende kalenderjaar wordt ook het bewijs ingediend voor de terugbetaling van eventuele reiskosten die verband houden met concerten. De reisvergoedingen vermeld in bijlage 1 van het decreet worden, nadat de desbetreffende bewijzen gecontroleerd zijn, in het volgende kalenderjaar uitbetaald.
  § 3 - Als in aanmerking komende culturele activiteiten in de zin van artikel 52 van het decreet gelden optredens bij evenementen die openbaar toegankelijk zijn [1 , waarbij de amateurkunstvereniging voor de uitbetaling van de forfaitaire bedragen vermeld in paragraaf 1, eerste lid, [3 hoogstens twee keer per jaar en hoogstens voor de helft van de optredens щщn keer per jaar]3 zelf als organisator kan fungeren.]1
  [3 Als een vereniging subsidie kan krijgen voor drie optredens, dan mag ze twee keer zelf als organisator fungeren. Als een vereniging subsidie kan krijgen voor één optreden, dan mag ze één keer zelf als organisator fungeren.]3
  Alleen voor koren, vocale ensembles en kinder- en jeugdkoren wordt het opluisteren van misvieringen als een in aanmerking komende culturele activiteit beschouwd. [3 ...]3.
  Indien verscheidene amateurkunstverenigingen samen of na elkaar op eenzelfde evenement optreden, kunnen alle optredende verenigingen dat evenement als bewijs voor de georganiseerde culturele activiteiten indienen.
  
Art. 17. - Subsides pour prestations accordés à des sociétés d'art amateur classées dans le domaine musical
  § 1er - Au plus tard pour le [2 31 mars]2 de chaque année, la liquidation d'un forfait par société d'art amateur classée est ordonnée; elle correspond à la somme du nombre annuel de subsides par prestation, selon la catégorie de classement. La première liquidation s'opère l'année calendrier suivant le classement.
  En ce qui concerne la preuve relative aux activités culturelles effectivement menées, laquelle doit - conformément à l'article 52, § 2, du décret - être apportée pour le 31 janvier de l'année calendrier suivante, il est fait usage du formulaire fixé par le ministre.
  Si, au cours d'une année calendrier, une société d'art amateur classée n'a pas mené assez d'activités culturelles pour sa catégorie de classement, un décompte est opéré sur la prochaine avance portant sur l'année calendrier suivante.
  § 2 - La preuve à apporter pour le remboursement d'éventuels frais de déplacement liés à des concerts l'est pour le 31 janvier de l'année calendrier suivante. Les indemnités de déplacement prévues à l'annexe 1re du décret sont liquidées au cours de l'année calendrier suivante, après vérification des justificatifs correspondants.
  § 3 - Sont considérées comme activités culturelles admissibles conformément à l'article 52 les prestations effectuées lors de manifestations accessibles au public [1 , l'association d'art amateur pouvant être active [3 au plus deux fois par an et au plus pour la moitié des prestations]3 au titre d'organisateur pour calculer les forfaits mentionnés au § 1er, alinéa 1er.]1 [3
  Si une association reçoit un subside pour trois prestations, elle peut elle-même être active à titre d'organisatrice à deux reprises. Si une association reçoit un subside pour une prestation, elle peut elle-même être active à titre d'organisatrice une seule fois.]3

  L'animation de messes n'est une activité culturelle admissible que pour les choeurs, les ensembles vocaux et les choeurs d'enfants ou de jeunes. [3 ...]3.
  Si plusieurs sociétés d'art amateur prestent ensemble ou l'une après l'autre lors d'une même manifestation, celle-ci peut être prise en considération, par toutes les sociétés y ayant participé, comme preuve d'activités culturelles effectivement prestées.
  
Art. 18. - Jaarlijkse subsidies voor geclassificeerde amateurkunstverenigingen met bijzonder artistiek niveau
  § 1 - Overeenkomstig artikel 52, § 5, derde lid, van het decreet wordt de eerste subsidie uitbetaald op basis van de activiteiten in het kalenderjaar na de classificatie. De jaarlijkse subsidie heeft betrekking op de activiteit van het vorige jaar.
  De ondersteuningsaanvraag voor de activiteiten van een kalenderjaar wordt uiterlijk op 30 juni van het daaropvolgende kalenderjaar bij het departement ingediend aan de hand van het door de Minister vastgelegde formulier.
  § 2 - Alle bewijzen voor de uitgaven vermeld in artikel 52, § 4, worden bij de aanvraag gevoegd.
  De facturen zijn voor kwijting getekend of bij de facturen is een rekeninguittreksel gevoegd. De bewijzen worden gesorteerd naar uitgavenposten en op de bewijzen wordt de referentie per uitgavenpost vermeld. Alle uitgaven kunnen bewezen worden door originele stukken of kopieën. De originele bewijzen worden na verificatie teruggegeven. Indien kopieën worden ingediend, behoudt het departement zich het recht voor om de originele stukken in te zien.
  Indien er geen officiële factuur bestaat, kunnen kleine uitgaven bewezen worden aan de hand van een bindende schriftelijke verklaring.
  § 3 - Voor de bezoldiging van de artistieke leider moeten de volgende stukken als bewijs worden ingediend :
  1° een bindende schriftelijke verklaring waaruit de afzonderlijk betaalde forfaits blijken, met vermelding van de datum en het aantal gewerkte uren;
  2° een afschrift van de mededeling, aan de Federale Overheidsdienst Financiën, van de betaalde honoraria.
Art. 18. - Subsides annuels accordés aux sociétés d'art amateur classées, à haute valeur artistique
  § 1er - Le premier subventionnement s'opère conformément à l'article 52, § 5, alinéa 3, du décret sur la base des activités menées au cours de l'année calendrier suivant le classement. Le subventionnement annuel s'opère en lien avec l'activité de l'année précédente.
  La demande de soutien pour les activités d'une année calendrier est introduite auprès du département, pour le 30 juin de l'année calendrier suivante, au moyen du formulaire fixé par le ministre.
  § 2 - Tous les justificatifs relatifs aux dépenses visées à l'article 52, § 4, seront joints à la demande.
  Les factures doivent être acquittées ou accompagnées de l'extrait de compte y afférent. Les justificatifs sont classés par poste de dépenses et portent les références correspondantes. Toutes les dépenses peuvent être prouvées par les documents originaux ou des copies. Les documents originaux sont restitués après vérification. Dans le cas où des copies sont introduites, le département se réserve le droit de consulter les originaux.
  Les menues dépenses peuvent être justifiées par une déclaration écrite contraignante s'il n'existe pas de facture officielle.
  § 3 - Pour justifier la rétribution du directeur artistique, il faut introduire :
  1° une déclaration écrite contraignante mentionnant les différents forfaits liquidés, avec la date et les heures prestées ou
  2° une copie de la communication, au Service Public Fédéral Finances, des honoraires payés.
Onderafdeling 2. - Ondersteuning van amateurkunstverenigingen voor dans
Sous-section 2. - Soutien de sociétés d'art amateur actives dans la discipline artistique "danse"
Art. 19. - Aanvraagformulier
  De aanvraag vermeld in artikel 55 van het decreet wordt bij het departement ingediend aan de hand van het door de Minister vastgelegde formulier.
Art. 19. - Formulaire de demande
  La demande visée à l'article 55 du décret est introduite auprès du département au moyen du formulaire fixé par le ministre.
Art. 20. - Vakjury
  § 1 - De in artikel 56 van het decreet vermelde vakjury bestaat uit drie onafhankelijke leden. Bij de samenstelling wordt rekening gehouden met de ervaring op het gebied van dans.
  § 2 - De vakjury kan beraadslagen en besluiten in niet-openbare vergaderingen of via een schriftelijke procedure.
  De beslissingen worden bij meerderheid van de uitgebrachte stemmen genomen. Bij staking van stemmen telt de stem van de voorzitter dubbel.
  § 3 - De volgende personen mogen geen lid van de vakjury worden :
  1° wie zelf of in voorkomend geval via zijn werkgever aan de te beoordelen aanvragers gebonden is;
  2° wie gehuwd, wettelijk samenwonende, feitelijk samenwonende, in rechte lijn verwant of aanverwant is of was met een andere persoon die iets te maken heeft met de amateurkunstvereniging op wie het advies betrekking heeft.
  Een lid van de vakjury dat beroepsmatig of als particulier rechtstreeks voor- of nadeel kan hebben bij een amateurkunstvereniging waarover advies wordt uitgebracht, mag in die aangelegenheid geen raadgevende of meebeslissende rol vervullen. Tijdens de behandeling van die zaak verlaat het lid de vergadering of neemt het niet deel aan de schriftelijke procedure. Uiterlijk bij het begin van de vergadering of de schriftelijke procedure moet het lid eventuele belangenconflicten aan het departement meedelen.
  § 4 - De leden ontvangen een honorarium en bij vergaderingen ook een reisvergoeding en een verblijfsvergoeding. De verblijfsvergoeding stemt overeen met de werkelijke kosten die in verband met de vergadering zijn ontstaan. De reisvergoeding voor de verplaatsing met de eigen personenauto wordt berekend overeenkomstig de bepalingen inzake reisvergoedingen die voor het personeel van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap gelden.
  § 5 - De beoordelingscriteria bedoeld in artikel 56, § 1, tweede lid, van het decreet zijn :
  1° uitvoering (bewegingstechniek, precisie, presentie, uitdrukkingskracht);
  2° originaliteit;
  3° muzikaliteit;
  4° stilistische precisie;
  5° technische kwaliteit.
Art. 20. - Jury de spécialistes
  § 1er - Le jury mentionné à l'article 56 du décret se compose de trois membres indépendants. Lors de la composition, il est tenu compte de l'expérience dans le domaine de la danse.
  § 2 - Le jury peut délibérer et statuer soit en séance à huis clos, soit en procédure écrite.
  Les décisions sont prises à la majorité des suffrages exprimés. En cas de parité des voix, la voix du président compte double.
  § 3 - Ne peut être membre du jury :
  1° celui qui est personnellement ou dont l'employeur est lié aux demandeurs concernés par l'avis;
  2° celui qui est ou a été conjoint, cohabitant légal ou de fait, parent ou allié en ligne directe d'une autre personne impliquée dans la société d'art amateur concernée par l'avis.
  Un membre du jury qui, dans le contexte de l'examen d'une société d'art amateur, peut être directement avantagé ou désavantagé au niveau professionnel ou privé ne peut prendre part ni aux délibérations ni aux décisions y relatives. Le membre quittera la réunion durant ce temps ou ne s'exprimera pas lors de la procédure écrite. Le membre communique d'éventuels conflits d'intérêt au département, et ce, au plus tard en début de réunion ou de procédure écrite.
  § 4 - Les membres perçoivent des honoraires ainsi qu'une indemnité de déplacement et de séjour pour les réunions. L'indemnité de séjour correspond aux coûts réels engendrés par la réunion. L'indemnité de déplacement accordée pour les trajets en voiture personnelle est calculée conformément aux dispositions applicables au personnel du Ministère de la Communauté germanophone en matière d'indemnités de déplacement.
  § 5 - Les critères d'appréciation mentionnés à l'article 56, § 1er, alinéa 2, du décret sont :
  1° l'exécution (technique du mouvement, précision, présence, force expressive);
  2° l'originalité;
  3° la musicalité;
  4° la précision stylistique;
  5° la qualité technique.
Art. 21. - Subsidies voor optredens van geclassificeerde amateurkunstverenigingen die actief zijn in de kunstdiscipline dans
  § 1 - Uiterlijk op [2 31 maart]2 van elk jaar wordt per geclassificeerde amateurkunstvereniging een forfaitair bedrag uitbetaald dat overeenstemt met de som van het jaarlijks aantal subsidies per optreden naargelang van de classificatiecategorie. De eerste uitbetaling geschiedt in het kalenderjaar na de classificatie.
  Voor het bewijs van de georganiseerde culturele activiteiten dat overeenkomstig artikel 58, § 2, van het decreet uiterlijk op 31 januari van het volgende kalenderjaar moet worden ingediend, wordt het door de Minister vastgelegde formulier gebruikt.
  Indien een geclassificeerde amateurkunstvereniging in een kalenderjaar, naargelang van de classificatiecategorie, niet genoeg culturele activiteiten organiseert, wordt dit verrekend via de daaropvolgende betaling van een voorschot voor het volgende kalenderjaar.
  § 2 - Uiterlijk op 31 januari van het volgende kalenderjaar wordt ook het bewijs ingediend voor de terugbetaling van eventuele reiskosten die verband houden met optredens. De reisvergoedingen vermeld in bijlage 1 van het decreet worden, nadat de desbetreffende bewijzen gecontroleerd zijn, in het volgende kalenderjaar uitbetaald.
  § 3 - Als in aanmerking komende culturele activiteiten in de zin van artikel 58 van het decreet gelden optredens bij evenementen die openbaar toegankelijk zijn [1 , waarbij de amateurkunstvereniging voor de uitbetaling van de forfaitaire bedragen vermeld in paragraaf 1, eerste lid, hoogstens éénmaal per jaar zelf als organisator kan fungeren.]1
  Indien verscheidene amateurkunstverenigingen samen of na elkaar op eenzelfde evenement optreden, kunnen alle optredende verenigingen dat evenement als bewijs voor de georganiseerde culturele activiteiten indienen.
  
Art. 21. - Subsides pour prestations accordés à des sociétés d'art amateur classées dans le domaine de la danse
  § 1er - Au plus tard pour le [2 31 mars]2 de chaque année, la liquidation d'un forfait par société d'art amateur classée est ordonnée; elle correspond à la somme du nombre annuel de subsides par prestation, selon la catégorie de classement. La première liquidation s'opère l'année calendrier suivant le classement.
  En ce qui concerne la preuve relative aux activités culturelles effectivement menées, laquelle doit - conformément à l'article 58, § 2, du décret - être apportée pour le 31 janvier de l'année calendrier suivante, il est fait usage du formulaire fixé par le ministre.
  Si, au cours d'une année calendrier, une société d'art amateur classée n'a pas mené assez d'activités culturelles pour sa catégorie de classement, un décompte est opéré sur la prochaine avance portant sur l'année calendrier suivante.
  § 2 - La preuve à apporter pour le remboursement d'éventuels frais de déplacement liés à des prestations l'est pour le 31 janvier de l'année calendrier suivante. Les indemnités de déplacement prévues à l'annexe 1re du décret sont liquidées au cours de l'année calendrier suivante, après vérification des justificatifs correspondants.
  § 3 - Sont considérées comme activités culturelles admissibles conformément à l'article 58 les prestations effectuées lors de manifestations accessibles au public [1 , l'association d'art amateur pouvant être active au plus une fois l'an au titre d'organisateur pour calculer les forfaits mentionnés au § 1er, alinéa 1er.]1
  Si plusieurs sociétés d'art amateur prestent ensemble ou l'une après l'autre lors d'une même manifestation, celle-ci peut être prise en considération, par toutes les sociétés y ayant participé, comme preuve d'activités culturelles effectivement prestées.
  
Onderafdeling 3. - Ondersteuning van amateurkunstverenigingen voor theater
Sous-section 3. - Soutien de sociétés d'art amateur actives dans la discipline artistique "théâtre"
Art. 22. - Aanvraagformulier
  De aanvraag vermeld in artikel 61 van het decreet wordt bij het departement ingediend aan de hand van het door de Minister vastgelegde formulier.
Art. 22. - Formulaire de demande
  La demande visée à l'article 61, § 2, du décret est introduite auprès du département au moyen du formulaire fixé par le ministre.
Art. 23. - Vakjury
  § 1 - De in artikel 62 van het decreet vermelde vakjury bestaat uit drie onafhankelijke leden. Bij de samenstelling wordt rekening gehouden met de ervaring op het gebied van theater.
  § 2 - De vakjury kan beraadslagen en besluiten in niet-openbare vergaderingen of via een schriftelijke procedure.
  De beslissingen worden bij meerderheid van de uitgebrachte stemmen genomen. Bij staking van stemmen telt de stem van de voorzitter dubbel.
  § 3 - De volgende personen mogen geen lid van de vakjury worden :
  1° wie zelf of in voorkomend geval via zijn werkgever aan de te beoordelen aanvragers gebonden is;
  2° wie gehuwd, wettelijk samenwonende, feitelijk samenwonende, in rechte lijn verwant of aanverwant is of was met een andere persoon die iets te maken heeft met de amateurkunstvereniging op wie het advies betrekking heeft.
  Een lid van de vakjury dat beroepsmatig of als particulier rechtstreeks voor- of nadeel kan hebben bij een amateurkunstvereniging waarover advies wordt uitgebracht, mag in die aangelegenheid geen raadgevende of meebeslissende rol vervullen. Tijdens de behandeling van die zaak verlaat het lid de vergadering of neemt het niet deel aan de schriftelijke procedure. Uiterlijk bij het begin van de vergadering of de schriftelijke procedure moet het lid eventuele belangenconflicten aan het departement meedelen.
  § 4 - De leden ontvangen een honorarium en bij vergaderingen ook een reisvergoeding en een verblijfsvergoeding. De verblijfsvergoeding stemt overeen met de werkelijke kosten die in verband met de vergadering zijn ontstaan. De reisvergoeding voor de verplaatsing met de eigen personenauto wordt berekend overeenkomstig de bepalingen inzake reisvergoedingen die voor het personeel van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap gelden.
  § 5 - De beoordelingscriteria bedoeld in artikel 62, § 1, tweede lid, van het decreet zijn :
  1° optreden van de acteurs (eenheid in opvoering en expressie, acteertalent, zuivere uitspraak, mimiek en houding, tekstvastheid);
  2° enscenering (algemene indruk van onder meer kostumering, decor, geluidseffecten, toneelbelichting en muzikale begeleiding).
Art. 23. - Jury de spécialistes
  § 1er - Le jury mentionné à l'article 62 du décret se compose de trois membres indépendants. Lors de la composition, il est tenu compte de l'expérience dans le domaine du théâtre.
  § 2 - Le jury peut délibérer et statuer soit en séance à huis clos, soit en procédure écrite.
  Les décisions sont prises à la majorité des suffrages exprimés. En cas de parité des voix, la voix du président compte double.
  § 3 - Ne peut être membre du jury :
  1° celui qui est personnellement ou dont l'employeur est lié aux demandeurs concernés par l'avis;
  2° celui qui est ou a été conjoint, cohabitant légal ou de fait, parent ou allié en ligne directe d'une autre personne impliquée dans la société d'art amateur concernée par l'avis.
  Un membre du jury qui, dans le contexte de l'examen d'une société d'art amateur, peut être directement avantagé ou désavantagé au niveau professionnel ou privé ne peut prendre part ni aux délibérations ni aux décisions y relatives. Le membre quittera la réunion durant ce temps ou ne s'exprimera pas lors de la procédure écrite. Le membre communique d'éventuels conflits d'intérêt au département, et ce, au plus tard en début de réunion ou de procédure écrite.
  § 4 - Les membres perçoivent des honoraires ainsi qu'une indemnité de déplacement et de séjour pour les réunions. L'indemnité de séjour correspond aux coûts réels engendrés par la réunion. L'indemnité de déplacement accordée pour les trajets en voiture personnelle est calculée conformément aux dispositions applicables au personnel du Ministère de la Communauté germanophone en matière d'indemnités de déplacement.
  § 5 - Les critères d'appréciation mentionnés à l'article 62, § 1er, alinéa 2, du décret sont :
  1° prestation des acteurs (unité dans le mode d'exécution et d'expression, jeu de scène, langage scénique, mimique et maintien, mémoire);
  2° mise en scène (ambiance générale, comme les costumes, les décors, les effets sonores en coulisse, l'éclairage de la scène et le fond musical).
Art. 24. - Subsidies voor optredens van geclassificeerde amateurkunstverenigingen die actief zijn in de kunstdiscipline theater
  § 1 - Uiterlijk op [2 31 augustus]2 van elk jaar wordt per geclassificeerde amateurkunstvereniging een forfaitair bedrag uitbetaald dat overeenstemt met de som van het jaarlijks aantal subsidies per optreden naargelang van de classificatiecategorie. De eerste uitbetaling geschiedt in het kalenderjaar na de classificatie.
  Voor het bewijs van de georganiseerde culturele activiteiten dat overeenkomstig artikel 64, § 2, van het decreet uiterlijk op 31 mei van het volgende kalenderjaar moet worden ingediend, wordt het door de Minister vastgelegde formulier gebruikt.
  Indien een geclassificeerde amateurkunstvereniging in een kalenderjaar, naargelang van de classificatiecategorie, niet genoeg culturele activiteiten organiseert, wordt dit verrekend via de daaropvolgende betaling van een voorschot voor het volgende kalenderjaar.
  § 2 - Uiterlijk op 31 mei van het volgende kalenderjaar wordt ook het bewijs ingediend voor de terugbetaling van eventuele reiskosten die verband houden met optredens. De reisvergoedingen vermeld in bijlage 1 van het decreet worden, nadat de desbetreffende bewijzen gecontroleerd zijn, in het volgende kalenderjaar uitbetaald.
  § 3 - Als in aanmerking komende culturele activiteiten in de zin van artikel 64 van het decreet gelden optredens bij evenementen die openbaar toegankelijk zijn [1 [3 ...]3]1.
  
Art. 24. - Subsides pour prestations accordés à des sociétés d'art amateur classées dans le domaine du théâtre
  § 1er - Au plus tard pour le [2 31 août]2 de chaque année, la liquidation d'un forfait par société d'art amateur classée est ordonnée; elle correspond à la somme du nombre de subsides par prestation, selon la catégorie de classement. La première liquidation s'opère l'année calendrier suivant le classement.
  En ce qui concerne la preuve relative aux activités culturelles effectivement menées, laquelle doit - conformément à l'article 64, § 2, du décret - être apportée pour le 31 mai de l'année calendrier suivante, il est fait usage du formulaire fixé par le ministre.
  Si, au cours d'une année calendrier, une société d'art amateur classée n'a pas mené assez d'activités culturelles pour sa catégorie de classement, un décompte est opéré sur la prochaine avance portant sur l'année calendrier suivante.
  § 2 - La preuve à apporter pour le remboursement d'éventuels frais de déplacement liés à des prestations l'est pour le 31 mai de l'année calendrier suivante. Les indemnités de déplacement prévues à l'annexe 1re du décret sont liquidées au cours de l'année calendrier suivante, après vérification des justificatifs correspondants.
  § 3 - Sont considérées comme activités culturelles admissibles conformément à l'article 64 les prestations effectuées lors de manifestations accessibles au public [1 [3 ...]3]1.
  
Afdeling 2. - Ondersteuning voor reiskosten naar optredens
Section 2. - Soutien accordé pour les déplacements relatifs à des prestations
Art. 25. - Subsidie
  Indien de reis naar het optreden in de zin van artikel 69 van het decreet met eigen personenauto's wordt gemaakt, wordt het forfaitair bedrag berekend overeenkomstig de bepalingen inzake reisvergoedingen die voor het personeel van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap gelden.
  Indien het aantal beschikbare zitplaatsen meer dan dubbel zo hoog is als het aantal opgegeven leden, wordt het forfaitair bedrag evenredig berekend.
Art. 25. - Subside
  Si le déplacement relatif à une prestation, tel que visé à l'article 69 du décret, est effectué en voiture personnelle, le forfait est calculé conformément aux dispositions applicables au personnel du Ministère de la Communauté germanophone en matière d'indemnités de déplacement.
  S'il y a plus du double de sièges disponibles que de membres indiqués, il est procédé à un calcul proportionnel du forfait.
Afdeling 3. [1 - Ondersteuning van de koepelorganisatie voor muziek in de Duitstalige Gemeenschap]1
Section 3. [1 - Soutien accordé à l'organisation faitière pour la musique en Communauté germanophone]1
Art. 26. - Ondersteuningsaanvraag ingediend door de [1 koepelorganisatie voor muziek]1
  De in artikel 76 van het decreet vermelde ondersteuningsaanvraag wordt bij het departement ingediend aan de hand van het door de Minister vastgelegde formulier en dit zowel schriftelijk - per aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs - als elektronisch.
  De aanvraag om ondersteuning als [1 koepelorganisatie voor muziek]1 bevat :
  1° het uitvoeringsconcept overeenkomstig artikel 75 van het decreet;
  2° een overzicht van de culturele activiteiten die hebben plaatsgevonden in de drie jaar die aan het jaar van de aanvraag voorafgaan, aan de hand van een door de Minister vastgelegd formulier;
  3° een personeelsplan met taakomschrijving, kwalificatie en vermelding van het VTE van alle personeelsleden afzonderlijk, alsook de voortgezette opleidingen die ze hebben gevolgd in de drie jaar die aan het jaar van de aanvraag voorafgaan;
  4° [1 ...]1;
  5° een organigram en een organisatiebeschrijving, met de rol van vrijwillige medewerkers en van personen die op honorariumbasis werken;
  6° een gedetailleerde begroting voor het jaar van de aanvraag en het eerste kalenderjaar van de ondersteuningsperiode;
  7° een financiële simulatie voor de duur van de ondersteuningsperiode;
  8° [1 ...]1;
  9° de geldende statuten van de vereniging zonder winstoogmerk;
  10° een balans en een resultatenrekening van het kalenderjaar dat aan de aanvraag voorafgaat.
  
Art. 26. - Demande de soutien introduite par [1 l'organisation faitière pour la musique en Communauté germanophone]1
  La demande de soutien mentionnée à l'article 76 du décret est introduite auprès du département par écrit, par recommandé ou contre accusé de réception, ainsi que par voie électronique au moyen du formulaire fixé par le ministre.
  La demande de soutien introduite [1 en tant qu'association faitière pour la musique]1 contient :
  1° le concept de mise en oeuvre conformément à l'article 75 du décret;
  2° un relevé des activités culturelles menées les trois années précédant celle de la demande, établi au moyen d'un formulaire fixé par le ministre;
  3° un cadre du personnel, avec description des missions, qualification et mention de l'équivalent temps plein pour les différents membres du personnel, ainsi que les formations continues suivies les trois années précédant celle de la demande;
  4° [1 ...]1;
  5° un organigramme et une description organisationnelle incluant le rôle des bénévoles et des personnes percevant des honoraires;
  6° un budget détaillé pour l'année de la demande et la première année calendrier de la période de soutien;
  7° une simulation financière pour la durée de la période de soutien;
  8° [1 ...]1;
  9° les statuts actuels de l'association sans but lucratif;
  10° un bilan et le compte de résultats de l'année calendrier précédant celle de la demande.
  
Art. 26.1. [1 - Behandelingsprocedure
   § 1 - Het departement gaat na of aan de voorwaarden wordt voldaan, alsook of de ingediende aanvraag volledig is en stelt vѓѓr 31 augustus van het jaar dat aan de ondersteuningsperiode voorafgaat, een verslag op dat wordt overgezonden aan de Minister. Ontbrekende stukken worden opgevraagd.
   § 2 - Na positieve beslissing van de Regering begint de ondersteuningsperiode op 1 januari van het kalenderjaar dat volgt op het jaar van de aanvraag.
   Aan de beslissing van de Regering kunnen voorwaarden verbonden zijn.]1

  
Art. 26.1. [1 - Procédure de vérification
   § 1er - Le département vérifie si les conditions sont remplies et si la demande introduite est complète et, pour le 31 août de l'année précédant la période de soutien, rédige un rapport qui est transmis au ministre. Le cas échéant, les documents manquants sont réclamés.
   § 2 - Sur décision positive du Gouvernement, la période de soutien débute le 1er janvier de l'année calendrier suivant celle de la demande.
   La décision du Gouvernement peut être conditionnelle.]1

  
Art. 26.2. [1 - Beheerscontract
   Het beheerscontract genoemd in artikel 78 van het decreet bevat:
   1° het bedrag van de jaarlijkse forfaitaire subsidie;
   2° de voor de ondersteuningsperiode overeengekomen doeleinden.]1

  
Art. 26.2. [1 - Contrat de gestion
   Le contrat de gestion mentionné à l'article 78 reprend :
   1° le montant du subside forfaitaire annuel;
   2° les objectifs convenus pour la période de soutien.]1

  
Art. 26.3. [1 - Administratieve procedure voor de koepelorganisatie voor muziek
   Ї 1 - Overeenkomstig artikel 76 van het decreet dient de koepelorganisatie voor muziek elk jaar de volgende stukken in:
   1А een activiteitenverslag van het vorige jaar waaruit blijkt hoe het in artikel 78 van het decreet geregelde beheerscontract wordt uitgevoerd;
   2А een overzicht van de culturele activiteiten van het vorige jaar, aan de hand van een door de Minister vastgelegd formulier;
   3А de geanonimiseerde lijst van het personeel dat in het voorgaande jaar bij de organisatie was aangesteld, waaruit de volgende gegevens kunnen worden afgeleid: de taken van de personeelsleden en de arbeidsregeling van de personeelsleden, uitgedrukt in voltijdse equivalenten;
   4А de geanonimiseerde individuele loonrekeningen van alle aangestelde personeelsleden;
   5А de financiыle planning voor het lopende en het volgende kalenderjaar;
   6А de resultatenrekening en de balans van het vorige boekjaar.
   In het beheerscontract kan worden vastgelegd dat nog andere stukken moeten worden overgezonden.
   De koepelorganisatie voor muziek dient de in het eerste lid genoemde stukken in bij het departement tegen uiterlijk 30 juni van het daaropvolgende kalenderjaar.
   Ї 2 - Het departement heeft gedurende een periode van vijf jaar het recht om - per activiteitenjaar waarvoor ondersteuning voor de organisatie als koepelorganisatie voor muziek is gegeven - te vragen om de boekhoudkundige documenten van de koepelorganisatie en alle bewijzen van de uitgaven te kunnen inzien. Binnen die periode kan het departement, ten laste van de Duitstalige Gemeenschap, een derde opdracht geven om de boekhouding te controleren en te controleren of de jaarlijkse subsidie gebruikt is waarvoor ze bestemd was. De organisatie bewaart alle bewijzen minstens gedurende die periode.
   Het departement heeft gedurende een periode van vijf jaar het recht om - per activiteitenjaar waarvoor ondersteuning voor de organisatie als koepelorganisatie voor muziek is gegeven - te vragen om volgende bewijzen te kunnen inzien: de bewijzen voor de naleving van de taken overeenkomstig artikel 73 van het decreet en de bewijzen voor de uitvoering van het beheerscontract overeenkomstig artikel 78 van het decreet. De organisatie bewaart alle bewijzen minstens gedurende die periode.]1

  
Art. 26.3. [1 - Procédure administrative pour l'organisation faitière pour la musique
   § 1er - Les documents que l'organisation faitière pour la musique doit présenter chaque année conformément à l'article 76 sont les suivants :
   1° un rapport d'activités de l'année précédente attestant la mise en oeuvre du contrat de gestion régi par l'article 78 du décret;
   2° un relevé des activités culturelles de l'année précédente, établi au moyen d'un formulaire fixé par le ministre;
   3° la liste anonymisée du personnel occupé l'année précédente par l'association et mentionnant les missions confiées aux différents membres du personnel et leur régime de travail exprimé en équivalents temps plein;
   4° les comptes salariaux individuels anonymisés de tous les membres du personnel occupés;
   5° le plan de financement pour l'année calendrier en cours et la suivante;
   6° un compte de résultats et le bilan de l'exercice précédent.
   Le contrat de gestion peut prévoir la transmission de documents supplémentaires.
   L'organisation faitière pour la musique présente au département les documents mentionnés à l'alinéa 1er pour le 30 juin de l'année calendrier suivante.
   § 2 - Pendant une période de cinq ans par année d'activités pour laquelle l'organisation a été soutenue en tant qu'organisation faitière pour la musique, le département a le droit, sur demande, de consulter les documents comptables de l'organisation faitière, avec tous les justificatifs de dépenses. Pendant cette période, le département peut, aux frais de la Communauté germanophone, charger un tiers de vérifier la comptabilité et l'affectation correcte du subside annuel. L'organisation doit conserver l'ensemble des justificatifs au moins pendant ladite période.
   Pendant une période de cinq ans par année d'activités pour laquelle l'organisation a été soutenue en tant qu'organisation faitière pour la musique, le département a le droit, sur demande, de consulter les documents prouvant le respect des missions conformément à l'article 73 du décret ainsi que la mise en oeuvre du contrat de gestion conformément à l'article 78 du décret. L'organisation doit conserver l'ensemble des justificatifs au moins pendant ladite période. ]1

  
HOOFDSTUK 5. - Bescherming en ondersteuning van het immaterieel cultureel erfgoed van de Duitstalige Gemeenschap
CHAPITRE 5. - Protection du et soutien accordé au patrimoine culturel immatériel de la communauté germanophone
Art. 27. - Opmaak van en opname in de inventaris
  Het voorstel vermeld in artikel 84, tweede lid, van het decreet wordt bij het departement ingediend aan de hand van het door de Minister vastgelegde formulier.
Art. 27. - Recensement et inscription dans l'inventaire
  La proposition visée à l'article 84, alinéa 2, du décret est introduite auprès du département au moyen du formulaire fixé par le ministre.
HOOFDSTUK 5. 1. [1 - Kunstcommissie ]1
CHAPITRE 5.1. [1 - Commission "Art" ]1
Art. 27.1. [1 § 1. De kunstcommissie vermeld in artikel 89.1 van het decreet kan beraadslagen en besluiten in niet-openbare vergaderingen of via een schriftelijke procedure. De commissie vergadert [2 drie]2 keer per jaar en zo nodig op verzoek van de Minister die bevoegd is voor Cultuur.
   § 2. De volgende personen kunnen geen lid van de kunstcommissie worden :
   1° de personeelsleden van de diensten van de Regering en van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap;
   2° de leden van het Europees Parlement, van het federale parlement, van een gemeenschaps- of gewestparlement, van een regering, van een provincie- of gemeenteraad, of van het provinciecollege;
   3° een provinciegouverneur;
   4° personeelsleden of leden van de raad van bestuur van een museum van de Duitstalige Gemeenschap dat erkend is overeenkomstig hoofdstuk 2 van het decreet van 7 mei 2007 over de bevordering van de musea en van de cultureel-erfgoedpublicaties of personeelsleden of leden van de raad van bestuur van een professionele cultuuraanbieder die ondersteund wordt overeenkomstig hoofdstuk 2 van het cultuurondersteuningsdecreet van 18 november 2013.
   Een lid van de kunstcommissie dat beroepsmatig of als particulier rechtstreeks voor- of nadeel kan hebben bij het te beoordelen kunstwerk, mag in die aangelegenheid geen raadgevende of meebeslissende rol vervullen. Tijdens de behandeling van die zaak verlaat het lid de vergadering of neemt het niet deel aan de schriftelijke procedure. Uiterlijk bij het begin van de vergadering of de schriftelijke procedure moet het lid eventuele belangenconflicten aan het departement meedelen.
   § 3. De leden ontvangen per commissievergadering een honorarium van 175 euro, alsook een reisvergoeding en een verblijfsvergoeding. De verblijfsvergoeding stemt overeen met de werkelijke kosten die in verband met de vergadering zijn ontstaan. De reisvergoeding voor de verplaatsing met de eigen personenauto wordt berekend overeenkomstig de bepalingen inzake reisvergoedingen die voor het personeel van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap gelden.]1

  
Art. 27.1. [1 § 1er. La Commission culturelle mentionnée à l'article 89.1 du décret peut délibérer et statuer soit en séance à huis clos, soit en procédure écrite. La commission se réunit [2 trois fois]2 par an ainsi que, si nécessaire, à la demande du Ministre compétent en matière de Culture.
   § 2. Ne peuvent pas être désignés membres de la commission :
   1° les membres du personnel des services du Gouvernement et du Ministère de la Communauté germanophone;
   2° les membres du Parlement européen, du parlement fédéral, d'un parlement communautaire ou régional, d'un gouvernement, d'un conseil provincial ou communal ou du collège provincial;
   3° un gouverneur de province;
   4° les membres du personnel ou du conseil d'administration d'un musée de la Communauté germanophone reconnu conformément au chapitre 2 du décret du 7 mai 2007 relatif à la promotion des musées et des publications dans le domaine du patrimoine culturel ou d'un opérateur culturel professionnel soutenu conformément au chapitre 2 du décret de soutien culturel du 18 novembre 2013.
   Un membre de la Commission " Art. " qui, dans le contexte d'une oeuvre à examiner, peut être directement avantagé ou désavantagé au niveau professionnel ou privé ne peut prendre part ni aux délibérations ni aux décisions y relatives. Le membre quittera la réunion durant ce temps ou ne s'exprimera pas lors de la procédure écrite. Le membre communique d'éventuels conflits d'intérêt au département, et ce, au plus tard en début de réunion ou de procédure écrite.
   § 3. Les membres reçoivent, par séance de la commission, des honoraires s'élevant à 175 euros ainsi que des indemnités de déplacement et de séjour. L'indemnité de séjour correspond aux coûts réels engendrés par la réunion. L'indemnité de déplacement accordée pour les trajets en voiture personnelle est calculée conformément aux dispositions applicables au personnel du Ministère de la Communauté germanophone en matière d'indemnités de déplacement.]1

  
Art. 27.2. [1 - Beoordelingscriteria
   Voor het vervullen van de taken vermeld in artikel 89.2 van het decreet baseert de Kunstcommissie haar advies op de volgende beoordelingscriteria :
   1° professionaliteit en artistiek vakmanschap;
   2° innovatie en actualiteit;
   3° bijdrage tot de verscheidenheid van de bestaande collectie;
   4° regionaliteit en verband met de Duitstalige Gemeenschap. ]1

  
Art. 27.2. [1 Critères d'appréciation
   Aux fins d'exécution des missions mentionnées à l'article 89.2 du décret, la commission "Art" établit un avis sur la base des critères d'appréciation suivants :
   1° professionnalisme et oeuvre artistique;
   2° innovation et actualité;
   3° contribution à la diversité de la collection existante;
   4° caractère régional et lien avec la Communauté germanophone. ]1

  
HOOFDSTUK 6. - Slotbepalingen
CHAPITRE 6. - Dispositions finales
Art. 28. - Inwerkingtreding
  Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
  In afwijking van het eerste lid treedt artikel 24 in werking op 1 januari 2015.
Art. 28. - Entrée en vigueur
  Le présent arrêté entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge.
  Par dérogation au premier alinéa, l'article 24 entre en vigueur le 1er janvier 2015.
Art. 29. - Uitvoeringsbepaling
  De minister bevoegd voor cultuur is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 29. - Exécution
  Le Ministre compétent en matière de Culture est chargé de l'exécution du présent arrêté.