Artikel 1.1.1.1. In dit besluit wordt verstaan onder:
[3 0° Agentschap Landbouw en Zeevisserij: het Agentschap Landbouw en Zeevisserij, opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2023 tot oprichting van een intern verzelfstandigd agentschap "Landbouw en Zeevisserij]3;
1° beveiligde zending: een aangetekende brief, een afgifte tegen ontvangstbewijs of elke andere door de Vlaamse Regering toegelaten betekeningswijze, waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld;
2° bruto saldo: de geldwaarde van de jaarlijkse bruto productie verminderd met de jaarlijkse bijhorende variabele kosten. De bruto productie is gelijk aan de som van de waarde van de geproduceerde hoofd- en bijproducten en andere opbrengsten. De variabele kosten zijn de kosten die toenemen of afnemen naargelang een toename of afname van de productie;
3° decreet van 28 maart 2014: het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting;
4°[3 ]3
5° [2 ...]2
6° gewestelijk vergelijkbaar inkomen: vertegenwoordigt het gemiddeld bruto salaris van alle loontrekkenden in Vlaanderen. Het wordt verkregen door de verhouding te nemen van de totale loonmassa die in Vlaanderen wordt betaald en het globale aantal loontrekkenden, omgerekend naar voltijdse arbeidskrachten;
7° landbouwer in hoofdberoep:
a) een natuurlijk persoon die op zelfstandige basis een landbouwbedrijf exploiteert en die is geïdentificeerd in het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, vermeld in artikel 2, 14°, van het decreet van 22 december 2006 houdende inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid, en die meer dan 50 % van zijn arbeidstijd aan een landbouwactiviteit spendeert en zijn netto belastbaar inkomen, berekend over de laatste drie jaar, voor meer dan 50 % haalt uit landbouw;
b) een rechtspersoon die als hoofdactiviteit en als doel het uitbaten van een landbouwbedrijf heeft en die minstens één zaakvoerder of één gedelegeerd bestuurder heeft die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in punt a);
8° minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor de landinrichting en het natuurbehoud;
[1 9° jonge landbouwer: een jonge landbouwer als vermeld in artikel 2, 34°, van Verordening (EU) nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard;
10° kritische depositiewaarde van een habitat: de grens waarboven de kwaliteit van het habitattype significant wordt aangetast door eutrofiërende invloed van atmosferische stikstofdepositie.]1
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
6 JUNI 2014. - Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de landinrichting(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 22-10-2014 en tekstbijwerking tot 10-09-2024)
Titre
6 JUIN 2014. - Arrêté du Gouvernement flamand relatif à la rénovation rurale(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 22-10-2014 et mise à jour au 10-09-2024)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
DEEL 1. - ALGEMENE BEPALINGEN
TITEL 1. - Definities en instrumentenafweging
TITEL 2. - Financiering
DEEL 2. - BEPALINGEN OVER DE INSTRUMENTEN EN DE...
TITEL 1. - De instrumenten
HOOFDSTUK 1. - Inrichting
Afdeling 1. - Inrichtingswerken
Afdeling 2. - Vestigen van erfdienstbaarheden t...
Afdeling 3. - Vergoeding voor waardeverlies van...
HOOFDSTUK 2. - Beheer
Afdeling 1. - Beheerovereenkomsten
Afdeling 2. - Dienstenvergoedingen
HOOFDSTUK 3. - Verwerving en grondmobiliteit
Afdeling 1. - Recht van voorkoop
Afdeling 1/1. [1 Recht van voorkeur ]1
Afdeling 2. - Herverkaveling uit kracht van wet
HOOFDSTUK 4. - Andere instrumenten
Afdeling 1. - Vergoedingen bij lokale grondenba...
Afdeling 2. - Vrijwillige bedrijfsverplaatsing
Onderafdeling 1. - Algemene voorwaarden
Onderafdeling 2. - Procedure
Onderafdeling 3. - Bepalen van de vergoeding vo...
Afdeling 3. - Vrijwillige bedrijfsstopzetting
Onderafdeling 1. - Algemene voorwaarden
Onderafdeling 2. - Procedure
Onderafdeling 3. - Bepalen van de vergoeding vo...
Afdeling 4. - Vrijwillige bedrijfsreconversie
Onderafdeling 1. - Algemene voorwaarden
Onderafdeling 2. - Procedure
Onderafdeling 3. - Bepalen van de vergoeding vo...
Afdeling 5. - De koopplicht
Onderafdeling 1. - Algemene voorwaarden
Onderafdeling 2.
Onderafdeling 3.
TITEL 2. - De landcommissies
DEEL 3. - DE TOEPASSING VAN DE INSTRUMENTEN VIA...
TITEL 1. - Het onderzoek naar de opportuniteit ...
TITEL 2. - De programmacommissie
TITEL 3. - De landinrichtingsplannen
HOOFDSTUK 1. - De opmaak, vaststelling en uitvo...
HOOFDSTUK 2. - De planbegeleidingsgroepen
TITEL 4. - Subsidies
HOOFDSTUK 1. - Procedure voor de indiening en d...
HOOFDSTUK 2. - Bepalingen over de aanvraag, de ...
Afdeling 1. - Gemeenschappelijke bepalingen inz...
Afdeling 2. - Bepalingen over de toekenning, de...
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen
Onderafdeling 2. - Subsidies voor de voorbereid...
Onderafdeling 3. - Subsidies voor uitvoeringsin...
Onderafdeling 4. - Subsidies voor inrichtingswe...
Onderafdeling 5. - Subsidies voor vergoedingen ...
Onderafdeling 6. - Subsidies voor grondverwerving
Onderafdeling 7. - Subsidies voor de vergoeding...
Onderafdeling 8. - Subsidies voor de opmaak van...
Onderafdeling 9. - Subsidies voor beheerovereen...
Onderafdeling 10. - Subsidies voor dienstenverg...
Onderafdeling 11. - Subsidies voor de vergoedin...
Onderafdeling 12. - Subsidies voor vergoeding v...
Onderafdeling 13. - Subsidies voor de vergoedin...
HOOFDSTUK 3. - Bepalingen over sancties en uitb...
DEEL 4. - DE TOEPASSING VAN DE INSTRUMENTEN VOO...
TITEL 1. - Algemene bepalingen
TITEL 2. - De opmaak, de onderbouwing en uitvoe...
HOOFDSTUK 1. - De opmaak en uitvoering van inri...
Afdeling 1. - Inrichtingsnota's bij projecten, ...
Afdeling 2. - Inrichtingsnota's bij projecten, ...
Afdeling 3. - Inrichtingsnota's bij projecten, ...
HOOFDSTUK 2. - De onderbouwing van inrichtingsn...
DEEL 5. - DE TOEPASSING VAN DE INSTRUMENTEN BEH...
DEEL 6. - EVALUATIE
DEEL 7. - WIJZIGINGS- EN SLOTBEPALINGEN
Table des matières
PARTIE 1re. - DISPOSITIONS GENERALES
TITRE 1er. - Définitions et pondération d'instr...
TITRE 2. - Financement
PARTIE 2. - DISPOSITIONS RELATIVES AUX INSTRUME...
TITRE 1er. - Les instruments
CHAPITRE 1er. - Aménagement
Section 1re. - Travaux d'aménagement
Section 2. - Etablissement de servitudes d'util...
Section 3. - Indemnité pour la perte de valeur ...
CHAPITRE 2. - Gestion
Section 1re. - Contrats de gestion
Section 2. - Indemnités de service
CHAPITRE 3. - Acquisition et mobilité foncière
Section 1re. - Droit de préemption
Section 1/1. [1 Droit de préférence ]1
Section 2. - Relotissement imposé par force de loi
CHAPITRE 4. - Autres instruments
Section 1re. - Indemnités auprès de banques fon...
Section 2. - Délocalisation volontaire de l'exp...
Sous-section 1re. - Conditions générales
Sous-section 2. - Procédure
Sous-section 3. - Fixation de l'indemnité pour ...
Section 3. - Cessation volontaire de l'exploita...
Sous-section 1re. - Conditions générales
Sous-section 2. - Procédure
Sous-section 3. - Fixation de l'indemnité pour ...
Section 4. - Reconversion volontaire de l'explo...
Sous-section 1re. - Conditions générales
Sous-section 2. - Procédure
Sous-section 3. - Fixation de l'indemnité pour ...
Section 5. - L'obligation d'acquisition
Sous-section 1re. - Conditions générales
Sous-section 2.
Sous-section 3.
TITRE 2. - Les commissions foncières
PARTIE 3. - L'APPLICATION DES INSTRUMENTS A TRA...
TITRE 1er. - L'examen de l'opportunité et de la...
TITRE 2. - La commission de programme
TITRE 3. - Les plans de rénovation rurale
CHAPITRE 1er. - La rédaction, l'établissement e...
CHAPITRE 2. - Les groupes d'accompagnement du plan
TITRE 4. - Subventions
CHAPITRE 1er. - Procédure relative à l'introduc...
CHAPITRE 2. - Dispositions relatives à la deman...
Section 1re. - Dispositions communes relatives ...
Section 2. - Dispositions relatives à l'octroi,...
Sous-section 1re. - Dispositions générales
Sous-section 2. - Subventions pour la préparati...
Sous-section 3. - Subventions pour des initiati...
Sous-section 4. - Subvention pour des travaux d...
Sous-section 5. - Subventions pour indemnités a...
Sous-section 6. - Subvention pour l'acquisition...
Sous-section 7. - Subvention pour l'indemnité p...
Sous-section 8. - Subventions pour l'établissem...
Sous-section 9. - Subventions pour contrats de ...
Sous-section 10. - Subventions pour indemnités ...
Sous-section 11. - Subventions pour l'indemnité...
Sous-section 12. - Subventions pour l'indemnité...
Sous-section 13. - Subventions pour l'indemnité...
CHAPITRE 3. - Dispositions relatives aux sancti...
Partie 4. L'application des instruments pour la...
TITRE 1er. - Dispositions générales
TITRE 2. - L'élaboration, le fondement et la mi...
CHAPITRE 1er. - L'élaboration et la mise en oeu...
Section 1re. - Notes d'aménagement accompagnant...
Section 2. - Notes d'aménagement accompagnant d...
Section 3. - Notes d'aménagement accompagnant d...
CHAPITRE 2. - Le fondement de notes d'aménagement
PARTIE 5. - L'APPLICATION DES INSTRUMENTS DES C...
PARTIE 6. - EVALUATION
PARTIE 7. - DISPOSITIONS MODIFICATIVES ET FINALES
Tekst (225)
Texte (225)
DEEL 1. - ALGEMENE BEPALINGEN
PARTIE 1re. - DISPOSITIONS GENERALES
TITEL 1. - Definities en instrumentenafweging
TITRE 1er. - Définitions et pondération d'instruments
Article 1.1.1.1. Dans le présent arrêté, on entend par :
[3 0° Agence de l'Agriculture et de la Pêche : l'Agence de l'Agriculture et de la Pêche, créée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2023 portant création d'une agence autonomisée interne " Landbouw en Zeevisserij " (Agence de l'Agriculture et de la Pêche) ; ]3
1° envoi sécurisé : une lettre recommandée, une remise contre récépissé ou toute autre façon de notification autorisée par le Gouvernement flamand par laquelle la date de notification peut être établie avec certitude.
2° solde brut : la valeur monétaire de la production annuelle brute diminuée des coûts variables annuels y afférents. La production brute est égale à la somme de la valeur des produits principaux et produits dérivés et autres rapports. Les coûts variables sont les coûts progressifs ou dégressifs suite à un accroissement ou diminution de la production respectivement.
3° décret du 28 mars 2014 : le décret du 28 mars 2014 relatif à la rénovation rurale ;
4° [3 ...]3
5° [2 ...]2
6° revenu régional comparable : représente le salaire brut moyen de tous les travailleurs salariés en Flandre. Il est obtenu en divisant la masse salariale totale payée en Flandre par le nombre total de travailleurs salariés et en convertissant le quotient en main-d'oeuvre à temps plein ;
7° agriculteur exerçant à titre principal :
a) une personne physique opérant une exploitation agricole sur une base indépendante et identifiée dans le Système intégré de Gestion et de Contrôle mentionné à l'article 2, 14° du décret du 22 décembre 2006 portant création d'une identification commune d'agriculteurs, d'exploitations et de terres agricoles dans le cadre de la politique relative aux engrais et de la politique de l'agriculture et qui consacre plus de 50 % de son temps de travail à une activité agricole et qui dérive ses revenus imposables nets, calculés sur les trois dernières années, pour plus de 50 % de l'agriculture ;
b) une personne morale dont l'activité principale et l'objectif est d'opérer une exploitation agricole et qui a au moins un gérant ou administrateur délégué, qui répond aux conditions visées au point a) ;
8° ministre : le Ministre flamand chargé de la rénovation rurale et de la conservation de la nature;
[1 9° jeune agriculteur : un jeune agriculteur tel que visé à l'article 2, 34°, du Règlement (UE) n° 702/2014 de la Commission du 25 juin 2014 déclarant certaines catégories d'aides, dans les secteurs agricole et forestier et dans les zones rurales, compatibles avec le marché intérieur, en application des articles 107 et 108 du traité sur le fonctionnement de l'Union européenne ;
10° valeur critique de dépôt d'un habitat : la limite au-dessus de laquelle la qualité du type d'habitat est affectée de façon significative par l'influence eutrophisante de dépôts atmosphériques d'azote.]1
[3 0° Agence de l'Agriculture et de la Pêche : l'Agence de l'Agriculture et de la Pêche, créée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2023 portant création d'une agence autonomisée interne " Landbouw en Zeevisserij " (Agence de l'Agriculture et de la Pêche) ; ]3
1° envoi sécurisé : une lettre recommandée, une remise contre récépissé ou toute autre façon de notification autorisée par le Gouvernement flamand par laquelle la date de notification peut être établie avec certitude.
2° solde brut : la valeur monétaire de la production annuelle brute diminuée des coûts variables annuels y afférents. La production brute est égale à la somme de la valeur des produits principaux et produits dérivés et autres rapports. Les coûts variables sont les coûts progressifs ou dégressifs suite à un accroissement ou diminution de la production respectivement.
3° décret du 28 mars 2014 : le décret du 28 mars 2014 relatif à la rénovation rurale ;
4° [3 ...]3
5° [2 ...]2
6° revenu régional comparable : représente le salaire brut moyen de tous les travailleurs salariés en Flandre. Il est obtenu en divisant la masse salariale totale payée en Flandre par le nombre total de travailleurs salariés et en convertissant le quotient en main-d'oeuvre à temps plein ;
7° agriculteur exerçant à titre principal :
a) une personne physique opérant une exploitation agricole sur une base indépendante et identifiée dans le Système intégré de Gestion et de Contrôle mentionné à l'article 2, 14° du décret du 22 décembre 2006 portant création d'une identification commune d'agriculteurs, d'exploitations et de terres agricoles dans le cadre de la politique relative aux engrais et de la politique de l'agriculture et qui consacre plus de 50 % de son temps de travail à une activité agricole et qui dérive ses revenus imposables nets, calculés sur les trois dernières années, pour plus de 50 % de l'agriculture ;
b) une personne morale dont l'activité principale et l'objectif est d'opérer une exploitation agricole et qui a au moins un gérant ou administrateur délégué, qui répond aux conditions visées au point a) ;
8° ministre : le Ministre flamand chargé de la rénovation rurale et de la conservation de la nature;
[1 9° jeune agriculteur : un jeune agriculteur tel que visé à l'article 2, 34°, du Règlement (UE) n° 702/2014 de la Commission du 25 juin 2014 déclarant certaines catégories d'aides, dans les secteurs agricole et forestier et dans les zones rurales, compatibles avec le marché intérieur, en application des articles 107 et 108 du traité sur le fonctionnement de l'Union européenne ;
10° valeur critique de dépôt d'un habitat : la limite au-dessus de laquelle la qualité du type d'habitat est affectée de façon significative par l'influence eutrophisante de dépôts atmosphériques d'azote.]1
Art. 1.1.1.2. § 1. De volgende opeenvolgende handelingen worden doorlopen in de afweging voor de inzet en de al dan niet gecombineerde toepassing van instrumenten voor inrichting, verwerving of beheer ter realisatie van een landinrichtingsproject of een project, plan of programma, als vermeld in artikel 4.1.1. van het decreet van 28 maart 2014:
1° het resultaat dat wordt beoogd in termen van tijdige, kwaliteitsvolle en duurzame realisatie, eventueel gefaseerd in de tijd of de ruimte, wordt gedefinieerd. Deze handeling laat toe om te bepalen of de inzet van instrumenten voor dwingende verwerving, inrichting of beheer nodig zijn om tot het beoogde resultaat te komen;
2° de mogelijke toepassing van de instrumenten voor verwerving, inrichting of beheer waarmee het beoogde resultaat kan bereikt worden, wordt onderzocht. Ook de toepassing van de andere instrumenten voor inrichting, verwerving en beheer dan de instrumenten, vermeld in deel 2 van het decreet van 28 maart 2014, die mogelijk zijn op grond van andere Vlaamse regelgeving, wordt mee onderzocht. Het resultaat van dit onderzoek is een overzicht van mogelijke instrumenten of combinaties van instrumenten die kunnen ingezet worden;
3° de mogelijke combinaties van in te zetten instrumenten voor inrichting, verwerving of beheer worden verder afgewogen op basis van vier criteria. Deze criteria zijn de tijdige realisatie, de kwaliteitsvolle realisatie, de duurzame realisatie en het draagvlak voor de inzet van die instrumenten. Het resultaat van deze afweging is een overzicht van werkbare instrumenten of combinaties van instrumenten die kunnen ingezet worden;
4° de werkbare combinaties van in te zetten instrumenten voor inrichting, verwerving of beheer, worden financieel afgewogen op basis van de kostprijs voor de overheid van de inzet van instrumenten voor inrichting, verwerving en beheer. Het resultaat van deze afweging is een optimale combinatie van in te zetten instrumenten voor inrichting, verwerving of beheer;
5° de optimale combinatie van in te zetten instrumenten voor inrichting, verwerving of beheer wordt vergeleken met de totale kostprijs voor de overheid bij verwerving. Uit deze afweging kan blijken dat dwingende verwerving door de overheid nodig is, waarna handeling 2° wordt hernomen.
De instrumentenafweging bij de opmaak van het landinrichtingsplan, vermeld in artikel 3.3.1, lid 2, 2° van het decreet van 28 maart 2014, of de inrichtingsnota, vermeld in artikel 4.2.2, 2° van het decreet van 28 maart 2014, gebeurt volgens de opeenvolgende handelingen, vermeld in het eerste lid.
§ 2. Binnen twee jaar na de inwerkingtreding van dit besluit bezorgt het agentschap een rapport aan de minister waarin de afweging volgens de opeenvolgende handelingen en criteria, vermeld in paragraaf 1, wordt geëvalueerd.
1° het resultaat dat wordt beoogd in termen van tijdige, kwaliteitsvolle en duurzame realisatie, eventueel gefaseerd in de tijd of de ruimte, wordt gedefinieerd. Deze handeling laat toe om te bepalen of de inzet van instrumenten voor dwingende verwerving, inrichting of beheer nodig zijn om tot het beoogde resultaat te komen;
2° de mogelijke toepassing van de instrumenten voor verwerving, inrichting of beheer waarmee het beoogde resultaat kan bereikt worden, wordt onderzocht. Ook de toepassing van de andere instrumenten voor inrichting, verwerving en beheer dan de instrumenten, vermeld in deel 2 van het decreet van 28 maart 2014, die mogelijk zijn op grond van andere Vlaamse regelgeving, wordt mee onderzocht. Het resultaat van dit onderzoek is een overzicht van mogelijke instrumenten of combinaties van instrumenten die kunnen ingezet worden;
3° de mogelijke combinaties van in te zetten instrumenten voor inrichting, verwerving of beheer worden verder afgewogen op basis van vier criteria. Deze criteria zijn de tijdige realisatie, de kwaliteitsvolle realisatie, de duurzame realisatie en het draagvlak voor de inzet van die instrumenten. Het resultaat van deze afweging is een overzicht van werkbare instrumenten of combinaties van instrumenten die kunnen ingezet worden;
4° de werkbare combinaties van in te zetten instrumenten voor inrichting, verwerving of beheer, worden financieel afgewogen op basis van de kostprijs voor de overheid van de inzet van instrumenten voor inrichting, verwerving en beheer. Het resultaat van deze afweging is een optimale combinatie van in te zetten instrumenten voor inrichting, verwerving of beheer;
5° de optimale combinatie van in te zetten instrumenten voor inrichting, verwerving of beheer wordt vergeleken met de totale kostprijs voor de overheid bij verwerving. Uit deze afweging kan blijken dat dwingende verwerving door de overheid nodig is, waarna handeling 2° wordt hernomen.
De instrumentenafweging bij de opmaak van het landinrichtingsplan, vermeld in artikel 3.3.1, lid 2, 2° van het decreet van 28 maart 2014, of de inrichtingsnota, vermeld in artikel 4.2.2, 2° van het decreet van 28 maart 2014, gebeurt volgens de opeenvolgende handelingen, vermeld in het eerste lid.
§ 2. Binnen twee jaar na de inwerkingtreding van dit besluit bezorgt het agentschap een rapport aan de minister waarin de afweging volgens de opeenvolgende handelingen en criteria, vermeld in paragraaf 1, wordt geëvalueerd.
Art. 1.1.1.2. § 1er. Dans la pondération des instruments qui seront affectés et éventuellement combinés pour l'aménagement, l'acquisition ou la gestion en vue de la réalisation d'un projet de rénovation rurale ou d'un projet, plan ou programme, tels que visés à l'article 4.1.1 du décret du 28 mars 2014, les opérations suivantes sont successivement parcourues :
1° le résultat envisagé en termes d'une réalisation ponctuelle, de haute qualité et durable, éventuellement échelonnée dans le temps ou dans l'espace, est défini. Cette opération permet d'évaluer si des instruments pour une acquisition contraignante, un aménagement ou une gestion doivent être affectés pour atteindre le résultat escompté ;
2° l'application potentielle des instruments pour l'acquisition, l'aménagement ou la gestion au moyen desquels le résultat escompté peut être atteint, est examinée. L'application d'instruments pour l'aménagement, l'acquisition et la gestion, autres que les instruments visés à la partie 2 du décret du 28 mars 2014, qui entrent en ligne de compte sur la base d'autres réglementations flamandes, est également examinée. Le résultat de cet examen doit aboutir à un aperçu des instruments ou combinaisons d'instruments potentiels qui peuvent être affectés ;
3° les combinaisons potentielles d'instruments qui peuvent être affectées pour l'aménagement, l'acquisition ou la gestion sont ensuite pondérées sur la base de quatre critères. Ces critères sont la réalisation ponctuelle, la réalisation de haute qualité, la réalisation durable et l'assise pour l'affectation de ces instruments. Cette pondération doit aboutir à un aperçu d'instruments ou de combinaisons d'instruments utilisables qui peuvent être affectés ;
4° les combinaisons utilisables d'instruments à affecter pour l'aménagement, l'acquisition ou la gestion, sont soumises à une pondération financière sur la base du coût pour les autorités de l'affectation d'instruments pour l'aménagement, l'acquisition et la gestion. Cette pondération aboutit à une combinaison optimale d'instruments à affecter pour l'aménagement, l'acquisition ou la gestion ;
5° la combinaison optimale d'instruments à affecter pour l'aménagement, l'acquisition ou la gestion est comparée avec le coût total pour les autorités au moment de l'acquisition. Il peut s'avérer de cette pondération qu'une acquisition contraignante par les autorités s'impose, ce qui donne lieu à une reprise de l'opération 2°.
La pondération des instruments au temps de l'établissement du plan de rénovation rurale, telle que visée à l'article 3.3.1, alinéa 2, 2° du décret du 28 mars 2014 ou de la note d'aménagement, telle que visée à l'article 4.2.2, 2° du décret du 28 mars 2014, se déroule selon les opérations successives, visées à l'alinéa premier.
§ 2. Dans les deux ans de l'entrée en vigueur du présent arrêté, l'agence remet un rapport au ministre dans lequel la pondération selon les opérations successives et les critères, visés au paragraphe 1er, est évaluée.
1° le résultat envisagé en termes d'une réalisation ponctuelle, de haute qualité et durable, éventuellement échelonnée dans le temps ou dans l'espace, est défini. Cette opération permet d'évaluer si des instruments pour une acquisition contraignante, un aménagement ou une gestion doivent être affectés pour atteindre le résultat escompté ;
2° l'application potentielle des instruments pour l'acquisition, l'aménagement ou la gestion au moyen desquels le résultat escompté peut être atteint, est examinée. L'application d'instruments pour l'aménagement, l'acquisition et la gestion, autres que les instruments visés à la partie 2 du décret du 28 mars 2014, qui entrent en ligne de compte sur la base d'autres réglementations flamandes, est également examinée. Le résultat de cet examen doit aboutir à un aperçu des instruments ou combinaisons d'instruments potentiels qui peuvent être affectés ;
3° les combinaisons potentielles d'instruments qui peuvent être affectées pour l'aménagement, l'acquisition ou la gestion sont ensuite pondérées sur la base de quatre critères. Ces critères sont la réalisation ponctuelle, la réalisation de haute qualité, la réalisation durable et l'assise pour l'affectation de ces instruments. Cette pondération doit aboutir à un aperçu d'instruments ou de combinaisons d'instruments utilisables qui peuvent être affectés ;
4° les combinaisons utilisables d'instruments à affecter pour l'aménagement, l'acquisition ou la gestion, sont soumises à une pondération financière sur la base du coût pour les autorités de l'affectation d'instruments pour l'aménagement, l'acquisition et la gestion. Cette pondération aboutit à une combinaison optimale d'instruments à affecter pour l'aménagement, l'acquisition ou la gestion ;
5° la combinaison optimale d'instruments à affecter pour l'aménagement, l'acquisition ou la gestion est comparée avec le coût total pour les autorités au moment de l'acquisition. Il peut s'avérer de cette pondération qu'une acquisition contraignante par les autorités s'impose, ce qui donne lieu à une reprise de l'opération 2°.
La pondération des instruments au temps de l'établissement du plan de rénovation rurale, telle que visée à l'article 3.3.1, alinéa 2, 2° du décret du 28 mars 2014 ou de la note d'aménagement, telle que visée à l'article 4.2.2, 2° du décret du 28 mars 2014, se déroule selon les opérations successives, visées à l'alinéa premier.
§ 2. Dans les deux ans de l'entrée en vigueur du présent arrêté, l'agence remet un rapport au ministre dans lequel la pondération selon les opérations successives et les critères, visés au paragraphe 1er, est évaluée.
TITEL 2. - Financiering
TITRE 2. - Financement
Art. 1.2.1.1. Voor de volgende taken die het agentschap uitoefent ter voorbereiding of ter uitvoering van een inrichtingsnota of een beheervisie overeenkomstig de artikelen 2.1.7, eerste lid, 2.1.10, eerste lid, en artikel 4.2.8 van het decreet van 28 maart 2014, worden werkingsmiddelen aangerekend conform artikel 1.2.1.2 en 1.2.1.3:
1° de opmaak van inrichtingsnota's, voorbereidende studies, beheervisies en procesbegeleiding;
2° de uitvoering van inrichtingswerken en het vestigen van erfdienstbaarheden;
3° het sluiten, uitbetalen en opvolgen van beheerovereenkomsten en het uitbetalen en opvolgen van dienstenvergoedingen;
4° de uitvoering van taken bij vrijwillige herverkaveling, als dat instrument deel uitmaakt van een vastgestelde inrichtingsnota;
5° de uitvoering van taken voor de landcommissie ter uitvoering van de volgende instrumenten:
a) de herverkaveling uit kracht van wet;
b) de herverkaveling uit kracht van wet met planologische ruil;
c) de vergoeding voor waardeverlies van gronden;
d) de vrijwillige bedrijfsverplaatsing, bedrijfsstopzetting en bedrijfsreconversie;
6° de uitoefening van een recht van voorkoop, [1 een recht van voorkeur,]1 de koopplicht en het inzetten van een lokale grondenbank.
De Vlaamse Regering kan de hoogte van de werkingsmiddelen, vermeld in het eerste lid, vaststellen.
1° de opmaak van inrichtingsnota's, voorbereidende studies, beheervisies en procesbegeleiding;
2° de uitvoering van inrichtingswerken en het vestigen van erfdienstbaarheden;
3° het sluiten, uitbetalen en opvolgen van beheerovereenkomsten en het uitbetalen en opvolgen van dienstenvergoedingen;
4° de uitvoering van taken bij vrijwillige herverkaveling, als dat instrument deel uitmaakt van een vastgestelde inrichtingsnota;
5° de uitvoering van taken voor de landcommissie ter uitvoering van de volgende instrumenten:
a) de herverkaveling uit kracht van wet;
b) de herverkaveling uit kracht van wet met planologische ruil;
c) de vergoeding voor waardeverlies van gronden;
d) de vrijwillige bedrijfsverplaatsing, bedrijfsstopzetting en bedrijfsreconversie;
6° de uitoefening van een recht van voorkoop, [1 een recht van voorkeur,]1 de koopplicht en het inzetten van een lokale grondenbank.
De Vlaamse Regering kan de hoogte van de werkingsmiddelen, vermeld in het eerste lid, vaststellen.
Modifications
Art. 1.2.1.1. Pour les tâches suivantes que l'agence exerce en préparation ou en exécution d'une note d'aménagement ou d'une vision de gestion, conformément à l'article 2.1.7, alinéa premier, à l'article 2.1.10, alinéa premier et à l'article 4.2.8 du décret du 28 mars 2014, des moyens de fonctionnement sont imputés conformément à l'article 1.2.1.2 et à l'article 1.2.1.3 :
1° l'établissement de notes d'aménagement, d'études préparatoires, de visions de gestion et d'accompagnement de processus ;
2° l'exécution de travaux d'aménagement et l'établissement de servitudes ;
3° la conclusion, le paiement et le suivi de contrats de gestion et le paiement et le suivi d'indemnités de service ;
4° l'exécution de tâches à l'occasion d'un relotissement volontaire, lorsque cet instrument fait partie d'une note d'aménagement dont il a été pris acte ;
5° l'exécution de tâches au service de la commission foncière, en exécution des instruments suivants :
a) le relotissement imposé par force de loi ;
b) le relotissement imposé par force de loi, impliquant un échange planologique ;
c) l'indemnité pour la perte de valeur de terres ;
d) la délocalisation volontaire de l'exploitation, la cessation de l'exploitation et la reconversion de l'exploitation ;
6° l'exercice d'un droit de préemption, [1 un droit de préférence, ]1 l'obligation d'acquisition et l'utilisation d'une banque foncière locale.
Le Gouvernement flamand peut établir la hauteur des moyens de fonctionnement, visés à l'alinéa premier.
1° l'établissement de notes d'aménagement, d'études préparatoires, de visions de gestion et d'accompagnement de processus ;
2° l'exécution de travaux d'aménagement et l'établissement de servitudes ;
3° la conclusion, le paiement et le suivi de contrats de gestion et le paiement et le suivi d'indemnités de service ;
4° l'exécution de tâches à l'occasion d'un relotissement volontaire, lorsque cet instrument fait partie d'une note d'aménagement dont il a été pris acte ;
5° l'exécution de tâches au service de la commission foncière, en exécution des instruments suivants :
a) le relotissement imposé par force de loi ;
b) le relotissement imposé par force de loi, impliquant un échange planologique ;
c) l'indemnité pour la perte de valeur de terres ;
d) la délocalisation volontaire de l'exploitation, la cessation de l'exploitation et la reconversion de l'exploitation ;
6° l'exercice d'un droit de préemption, [1 un droit de préférence, ]1 l'obligation d'acquisition et l'utilisation d'une banque foncière locale.
Le Gouvernement flamand peut établir la hauteur des moyens de fonctionnement, visés à l'alinéa premier.
Modifications
Art. 1.2.1.2. In het financieringsplan bij de inrichtingsnota wordt opgenomen voor welke taken werkingsmiddelen betaald worden aan het agentschap en wie die werkingsmiddelen betaalt. Voor de taken die het agentschap uitvoert voor het financieringsplan bij de inrichtingsnota is opgemaakt, worden de werkingsmiddelen betaald door de instantie of de persoon die de uitvoering van die taak vraagt.
Art. 1.2.1.2. Le plan de financement accompagnant la note d'aménagement reprend les tâches pour lesquelles des moyens de fonctionnement sont payés à l'agence et le payeur de ces moyens de fonctionnement. Pour les tâches que l'agence effectue avant que le plan de financement accompagnant la note d'aménagement n'ait été établi, les moyens de fonctionnement sont payés par l'instance ou la personne demandant l'exécution de cette tâche.
Art. 1.2.1.3. Voor de taken, vermeld in artikel 1.2.1.1, die het agentschap uitoefent ter voorbereiding of ter uitvoering van een beheervisie conform de bepalingen van deel 5 van het decreet van 28 maart 2014, worden werkingsmiddelen betaald aan het agentschap. De werkingsmiddelen, verbonden aan die taken, worden betaald door de instantie of de persoon die de inzet van het instrument beheerovereenkomsten of dienstenvergoeding vraagt.
Art. 1.2.1.3. Pour les tâches, visées à l'article 1.2.1.1, que l'agence effectue en préparation ou en exécution d'une vision de gestion, conformément aux dispositions de la partie 5 du décret du 28 mars 2014, des moyens de fonctionnement sont payés à l'agence. Les moyens de fonctionnement afférents à ces tâches sont payés par l'instance ou par la personne demandant l'affectation de l'instrument des contrats de gestion ou d'indemnités de service.
DEEL 2. - BEPALINGEN OVER DE INSTRUMENTEN EN DE ORGANISATIE
PARTIE 2. - DISPOSITIONS RELATIVES AUX INSTRUMENTS ET A L'ORGANISATION
TITEL 1. - De instrumenten
TITRE 1er. - Les instruments
HOOFDSTUK 1. - Inrichting
CHAPITRE 1er. - Aménagement
Afdeling 1. - Inrichtingswerken
Section 1re. - Travaux d'aménagement
Art. 2.1.1.1. De uitvoering van inrichtingswerken uit kracht van wet, vermeld in artikel 2.1.1, tweede lid van het decreet van 28 maart 2014, wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad conform de bepalingen van artikel 3.3.1.6, 4.2.1.6, § 2, artikel 4.2.2.6, § 2 of artikel 4.2.3.6, § 2 van dit besluit.
Inrichtingswerken uit kracht van wet kunnen alleen uitgevoerd worden door de instanties en de personen, vermeld in artikel 3.3.7 en 3.3.8 van het voormelde decreet.
Inrichtingswerken uit kracht van wet kunnen alleen uitgevoerd worden door de instanties en de personen, vermeld in artikel 3.3.7 en 3.3.8 van het voormelde decreet.
Art. 2.1.1.1. L'exécution de travaux de rénovation imposée par force de loi, visée à l'article 2.1.1, alinéa deux du décret du 28 mars 2014, est publiée au Moniteur belge, conformément aux dispositions des articles 3.3.1.6, 4.2.1.6, § 2, 4.2.2.6, § 2 ou 4.2.3.6, § 2 du présent arrêté.
Les travaux de rénovation imposés par force de loi ne peuvent être exécutés que par les instances et personnes, visées aux articles 3.3.7 et 3.3.8 du décret précité.
Les travaux de rénovation imposés par force de loi ne peuvent être exécutés que par les instances et personnes, visées aux articles 3.3.7 et 3.3.8 du décret précité.
Afdeling 2. - Vestigen van erfdienstbaarheden tot openbaar nut
Section 2. - Etablissement de servitudes d'utilité publique
Art. 2.1.1.2. § 1. De vestiging van de erfdienstbaarheden tot openbaar nut die gericht zijn op de activiteiten, vermeld in artikel 2.1.3, derde lid van het decreet van 28 maart 2014, wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad conform de bepalingen van artikel 3.3.1.6, 4.2.1.6, § 2, artikel 4.2.2.6, § 2 of artikel 4.2.3.6, § 2 van dit besluit.
§ 2. De erfdienstbaarheden tot openbaar nut, die gericht zijn op de instandhouding van inrichtingswerken uit kracht van wet als vermeld in artikel 2.1.1, tweede lid, van het decreet van 28 maart 2014 worden gevestigd bij besluit tot vestiging van de erfdienstbaarheden tot openbaar nut, na uitvoering van de betrokken inrichtingswerken uit kracht van wet.
Het besluit tot vestiging van de erfdienstbaarheden tot openbaar nut wordt door het agentschap bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Het besluit tot vestiging van de erfdienstbaarheden tot openbaar nut bevat overeenkomstig artikel 2.1.3, tweede lid van het decreet van 28 maart 2014 ten minste de volgende gegevens: de kadastrale gegevens van de percelen waarop erfdienstbaarheden tot openbaar nut worden gevestigd, met de beschrijving van de erfdienstbaarheid die wordt gevestigd.
§ 3. De erfdienstbaarheden tot openbaar nut, gevestigd bij het besluit tot vestiging van de erfdienstbaarheden tot openbaar nut, vermeld in paragraaf 2, en de erfdienstbaarheden gevestigd bij het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota, vermeld in paragraaf 1, worden door de instrumenterende ambtenaar opgenomen in een authentieke akte. De authentieke akte wordt, conform [1 artikel 3.30 van het Burgerlijk Wetboek]1, overgeschreven op het [1 bevoegd kantoor van de Algemene Administratie van de patrimoniumdocumentatie]1. Na de hypothecaire overschrijving bezorgt de instrumenterende ambtenaar een eensluidend verklaard uittreksel uit de authentieke akte aan de betrokken eigenaars.
§ 2. De erfdienstbaarheden tot openbaar nut, die gericht zijn op de instandhouding van inrichtingswerken uit kracht van wet als vermeld in artikel 2.1.1, tweede lid, van het decreet van 28 maart 2014 worden gevestigd bij besluit tot vestiging van de erfdienstbaarheden tot openbaar nut, na uitvoering van de betrokken inrichtingswerken uit kracht van wet.
Het besluit tot vestiging van de erfdienstbaarheden tot openbaar nut wordt door het agentschap bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Het besluit tot vestiging van de erfdienstbaarheden tot openbaar nut bevat overeenkomstig artikel 2.1.3, tweede lid van het decreet van 28 maart 2014 ten minste de volgende gegevens: de kadastrale gegevens van de percelen waarop erfdienstbaarheden tot openbaar nut worden gevestigd, met de beschrijving van de erfdienstbaarheid die wordt gevestigd.
§ 3. De erfdienstbaarheden tot openbaar nut, gevestigd bij het besluit tot vestiging van de erfdienstbaarheden tot openbaar nut, vermeld in paragraaf 2, en de erfdienstbaarheden gevestigd bij het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota, vermeld in paragraaf 1, worden door de instrumenterende ambtenaar opgenomen in een authentieke akte. De authentieke akte wordt, conform [1 artikel 3.30 van het Burgerlijk Wetboek]1, overgeschreven op het [1 bevoegd kantoor van de Algemene Administratie van de patrimoniumdocumentatie]1. Na de hypothecaire overschrijving bezorgt de instrumenterende ambtenaar een eensluidend verklaard uittreksel uit de authentieke akte aan de betrokken eigenaars.
Modifications
Art. 2.1.1.2. § 1er. L'établissement de servitudes d'utilité publique axées sur les activités, visées à l'article 2.1.3, alinéa trois du décret du 28 mars 2014, est publié au Moniteur belge, conformément aux dispositions des articles 3.3.1.6, 4.2.1.6, § 2, 4.2.2.6, § 2 ou 4.2.3.6, § 2 du présent arrêté.
§ 2. Les servitudes d'utilité publique, axées sur le maintien de travaux de rénovation imposés par force de loi, tels que visés à l'article 2.1.1, alinéa deux du décret du 28 mars 2014, sont établies par arrêté portant établissement des servitudes d'utilité publique, après exécution des travaux de rénovation concernés, imposés par force de loi.
L'agence publie l'arrêté portant établissement des servitudes d'utilité publique au Moniteur belge. Conformément à l'article 2.1.3, alinéa deux du décret du 28 mars 2014, l'arrêté portant établissement des servitudes d'utilité publique contient au moins les données suivantes : les données cadastrales des parcelles sur lesquelles des servitudes d'utilité publique sont établies, y compris la description de la servitude à établir.
§ 3. Les servitudes d'utilité publique, établies par arrêté portant établissement des servitudes d'utilité publique, visées au paragraphe 2 et les servitudes établies par le plan de rénovation rurale ou la note d'aménagement, visés au paragraphe 1er, sont reprises dans un acte authentique par le fonctionnaire instrumentant. Conformément à [1 l'article 3.30 du Code civil ]1, l'acte authentique est transcrit au [1 bureau compétent de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale]1. Après l'inscription hypothécaire, le fonctionnaire instrumentant délivre aux propriétaires concernés un extrait certifié conforme de l'acte authentique.
§ 2. Les servitudes d'utilité publique, axées sur le maintien de travaux de rénovation imposés par force de loi, tels que visés à l'article 2.1.1, alinéa deux du décret du 28 mars 2014, sont établies par arrêté portant établissement des servitudes d'utilité publique, après exécution des travaux de rénovation concernés, imposés par force de loi.
L'agence publie l'arrêté portant établissement des servitudes d'utilité publique au Moniteur belge. Conformément à l'article 2.1.3, alinéa deux du décret du 28 mars 2014, l'arrêté portant établissement des servitudes d'utilité publique contient au moins les données suivantes : les données cadastrales des parcelles sur lesquelles des servitudes d'utilité publique sont établies, y compris la description de la servitude à établir.
§ 3. Les servitudes d'utilité publique, établies par arrêté portant établissement des servitudes d'utilité publique, visées au paragraphe 2 et les servitudes établies par le plan de rénovation rurale ou la note d'aménagement, visés au paragraphe 1er, sont reprises dans un acte authentique par le fonctionnaire instrumentant. Conformément à [1 l'article 3.30 du Code civil ]1, l'acte authentique est transcrit au [1 bureau compétent de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale]1. Après l'inscription hypothécaire, le fonctionnaire instrumentant délivre aux propriétaires concernés un extrait certifié conforme de l'acte authentique.
Modifications
Afdeling 3. - Vergoeding voor waardeverlies van gronden
Section 3. - Indemnité pour la perte de valeur des terres
Art. 2.1.1.3. Overeenkomstig artikel 2.1.4, § 4, van het decreet van 28 maart 2014 wordt in het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota bepaald welke instantie of persoon de vergoeding voor waardeverlies van gronden verschuldigd is.
[1 De vergoeding, vermeld in het eerste lid, wordt geregeld bij of krachtens titel 1 en titel 2 van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023.]1
[1 De vergoeding, vermeld in het eerste lid, wordt geregeld bij of krachtens titel 1 en titel 2 van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023.]1
Modifications
Art. 2.1.1.3. Conformément à l'article 2.1.4, § 4 du décret du 28 mars 2014, le plan de rénovation rurale ou la note d'aménagement mentionne l'instance ou la personne redevable de l'indemnité pour la perte de valeur des terres.
[1 L'indemnité visée à l'alinéa 1er est régie par les titres 1er et 2 du décret Instruments du 26 mai 2023 ou en vertu de ceux-ci.]1
[1 L'indemnité visée à l'alinéa 1er est régie par les titres 1er et 2 du décret Instruments du 26 mai 2023 ou en vertu de ceux-ci.]1
Modifications
HOOFDSTUK 2. - Beheer
CHAPITRE 2. - Gestion
Afdeling 1. - Beheerovereenkomsten
Section 1re. - Contrats de gestion
Art. 2.1.2.1. § 1. [1 Een administratieve overheid als vermeld in het tweede lid, kan met een gebruiker van een grond een beheerovereenkomst sluiten om beheermaatregelen uit te voeren in een gebied als die beheermaatregelen en het gebied zijn opgenomen in een landinrichtingsplan, in een inrichtingsnota of in een beheervisie als vermeld in respectievelijk artikel 3.3.1, artikel 4.2.1 of artikel 5.1.1 van het decreet van 28 maart 2014. De minister bepaalt nadere regels over de beheermaatregelen zoals de vereiste afmetingen, de mogelijke activiteiten, de wijze van totstandkoming en beheer en het gebruik van het perceel waarop de beheermaatregelen worden uitgevoerd. De minister bepaalt de bijbehorende beheervergoeding conform artikel 2.1.2.2, § 1.
De administratieve overheden die een beheerovereenkomst kunnen sluiten, zijn het agentschap, de provincies en de gemeenten. De administratieve overheid die de beheerovereenkomst sluit, wordt voor de toepassing van deze afdeling de optredende instantie genoemd. De optredende instantie staat in voor de volledige opvolging van de beheerovereenkomsten, met name de behandeling van aanvragen, het sluiten van beheerovereenkomsten, de beëindiging, wijziging, aanpassing of overname van beheerovereenkomsten, de controle op de naleving van de beheerovereenkomsten, het bepalen van de gevolgen als de beheerovereenkomst niet wordt nageleefd, de betaling van de beheervergoedingen en de terugvordering van ten onrechte betaalde beheervergoedingen.
Als de optredende instantie een gemeente of provincie is, kan die optredende instantie het agentschap verzoeken om de taken uit te voeren waarmee de optredende instantie is belast. Het agentschap rekent daarvoor werkingsmiddelen aan. Het agentschap treedt daarbij op in naam en voor rekening van de gemeente of de provincie.
In deze paragraaf wordt verstaan onder optredende instantie:
1° het agentschap in de volgende gevallen:
a) als volgens het landinrichtingsplan het agentschap belast is met de uitvoering van het instrument beheerovereenkomsten;
b) als de inrichtingsnota wordt goedgekeurd door de Vlaamse Regering conform artikel 4.2.1.1;
c) als de minister de beheervisie, vermeld in artikel 5.1.1.1, bepaalt;
2° de provincie in de volgende gevallen:
a) als volgens het landinrichtingsplan de provincie belast is met de uitvoering van het instrument beheerovereenkomsten;
b) als de inrichtingsnota wordt goedgekeurd door het provinciebestuur conform artikel 4.2.2.1;
c) als het provinciebestuur de beheervisie, vermeld in artikel 5.1.1.1, bepaalt;
3° de gemeente in de volgende gevallen:
a) als volgens het landinrichtingsplan de gemeente belast is met de uitvoering van het instrument beheerovereenkomsten;
b) als de inrichtingsnota wordt goedgekeurd door het gemeentebestuur conform artikel 4.2.3.1;
c) als het gemeentebestuur de beheervisie, vermeld in artikel 5.1.1.1, bepaalt.]1
[1 § 1/1. De gebruiker van een grond met wie een beheerovereenkomst gesloten kan worden, behoort niet tot de volgende instanties:
1° de diensten en agentschappen die afhangen van het Vlaamse Gewest;
2° de besturen en de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtspersonen die in het Vlaamse Gewest belast zijn met taken van openbaar nut.]1
[1 § 1/2. Er kunnen geen beheerovereenkomsten gesloten worden voor de volgende percelen:
1° percelen die liggen binnen terreinen die conform het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu zijn erkend of aangewezen als natuurreservaat;
2° percelen die liggen binnen terreinen die conform het Bosdecreet van 13 juni 1990 zijn erkend of aangewezen als bosreservaat;
3° percelen die liggen binnen terreinen waarvoor een goedgekeurd natuurbeheerplan bestaat dat is opgenomen in het register, vermeld in artikel 16octies, § 4, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.
Er kunnen geen beheerovereenkomsten gesloten worden voor percelen die liggen op openbaar domein. Als een perceel belast is met een wettelijke, conventionele of publiekrechtelijke erfdienstbaarheid, kan een beheerovereenkomst gesloten worden als de beheermaatregel verenigbaar is met de erfdienstbaarheid.]1
§ 2. [1 Een beheerovereenkomst kan worden gesloten voor verschillende beheermaatregelen en in combinatie met andere beheerovereenkomsten, milieuacties of maatregelen, op voorwaarde dat ze elkaar aanvullen en onderling verenigbaar zijn. Een beheervergoeding kan niet gecumuleerd worden met andere vormen van vergoeding die toegekend zijn voor dezelfde of soortgelijke prestaties. De aanvraag van een beheerovereenkomst wordt afgewezen als degene die de beheerovereenkomst wil sluiten, een vergoeding ontvangt voor dezelfde of soortgelijke prestaties als de prestaties die hij moet leveren binnen de aangevraagde beheerovereenkomst.]1
§ 3. Een beheerovereenkomst kan worden gesloten als de gebruiker of de groep van gebruikers er zich toe verbindt om vanaf het sluiten van de beheerovereenkomst de beheerovereenkomst na te leven, zich te onderwerpen aan de controle van de naleving ervan en alle gegevens die nodig zijn om de evaluatie van de maatregelen mogelijk te maken, [1 aan de optredende instantie, vermeld in paragraaf 1,]1 ter beschikking te stellen.
§ 4. [1 De aanvraag van een beheerovereenkomst wordt ingediend bij de optredende instantie, vermeld in paragraaf 1. De minister bepaalt de gegevens die de aanvraag van een beheerovereenkomst minstens moet bevatten zoals de contactgegevens van de aanvrager, de ligging van de percelen waarvoor een beheerovereenkomst wordt gevraagd en de gewenste startdatum. De minister kan nadere regels bepalen voor de wijze waarop en de termijn waarin de aanvraag van een beheerovereenkomst wordt ingediend zoals de datum waarop en de instantie waarbij de aanvraag moet ingediend worden. De minister kan nadere regels bepalen voor de aanvangsdatum en de duur van de beheerovereenkomsten.]1
[1 De optredende instantie, vermeld in paragraaf 1,]1 gaat na of de beheerovereenkomst gesloten kan worden en of de gevraagde beheerovereenkomst in overeenstemming is met het landinrichtingsplan, de inrichtingsnota of de beheervisie.
[1 De optredende instantie, vermeld in paragraaf 1,]1 beslist of een beheerovereenkomst al dan niet gesloten kan worden. Als de beheerovereenkomst of een deel van de beheerovereenkomst niet gesloten kan worden, wordt de aanvrager daarvan schriftelijk op de hoogte gebracht.
§ 5. De gebruiker of groep van gebruikers kan een gemotiveerde aanvraag indienen om de beheerovereenkomst vervroegd te beëindigen wegens overmacht of uitzonderlijke omstandigheid. De aanvraag wordt schriftelijk ingediend bij [1 de optredende instantie, vermeld in paragraaf 1]1.
[1 De optredende instantie, vermeld in paragraaf 1,]1 beslist of het meegedeelde geval overmacht of een uitzonderlijke omstandigheid is. In geval van overmacht of uitzonderlijke omstandigheid eindigt de beheerovereenkomst.
§ 6. [1 De minister kan nadere regels bepalen voor de aanpassing of de voortijdige beëindiging van een beheerovereenkomst ten gevolge van de overdracht van een perceel, de wijziging van de basiskwaliteit voor milieu en natuur of een andere wijziging waardoor niet langer voldaan is aan de voorwaarden van de afgesloten beheerovereenkomst.]1
De administratieve overheden die een beheerovereenkomst kunnen sluiten, zijn het agentschap, de provincies en de gemeenten. De administratieve overheid die de beheerovereenkomst sluit, wordt voor de toepassing van deze afdeling de optredende instantie genoemd. De optredende instantie staat in voor de volledige opvolging van de beheerovereenkomsten, met name de behandeling van aanvragen, het sluiten van beheerovereenkomsten, de beëindiging, wijziging, aanpassing of overname van beheerovereenkomsten, de controle op de naleving van de beheerovereenkomsten, het bepalen van de gevolgen als de beheerovereenkomst niet wordt nageleefd, de betaling van de beheervergoedingen en de terugvordering van ten onrechte betaalde beheervergoedingen.
Als de optredende instantie een gemeente of provincie is, kan die optredende instantie het agentschap verzoeken om de taken uit te voeren waarmee de optredende instantie is belast. Het agentschap rekent daarvoor werkingsmiddelen aan. Het agentschap treedt daarbij op in naam en voor rekening van de gemeente of de provincie.
In deze paragraaf wordt verstaan onder optredende instantie:
1° het agentschap in de volgende gevallen:
a) als volgens het landinrichtingsplan het agentschap belast is met de uitvoering van het instrument beheerovereenkomsten;
b) als de inrichtingsnota wordt goedgekeurd door de Vlaamse Regering conform artikel 4.2.1.1;
c) als de minister de beheervisie, vermeld in artikel 5.1.1.1, bepaalt;
2° de provincie in de volgende gevallen:
a) als volgens het landinrichtingsplan de provincie belast is met de uitvoering van het instrument beheerovereenkomsten;
b) als de inrichtingsnota wordt goedgekeurd door het provinciebestuur conform artikel 4.2.2.1;
c) als het provinciebestuur de beheervisie, vermeld in artikel 5.1.1.1, bepaalt;
3° de gemeente in de volgende gevallen:
a) als volgens het landinrichtingsplan de gemeente belast is met de uitvoering van het instrument beheerovereenkomsten;
b) als de inrichtingsnota wordt goedgekeurd door het gemeentebestuur conform artikel 4.2.3.1;
c) als het gemeentebestuur de beheervisie, vermeld in artikel 5.1.1.1, bepaalt.]1
[1 § 1/1. De gebruiker van een grond met wie een beheerovereenkomst gesloten kan worden, behoort niet tot de volgende instanties:
1° de diensten en agentschappen die afhangen van het Vlaamse Gewest;
2° de besturen en de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtspersonen die in het Vlaamse Gewest belast zijn met taken van openbaar nut.]1
[1 § 1/2. Er kunnen geen beheerovereenkomsten gesloten worden voor de volgende percelen:
1° percelen die liggen binnen terreinen die conform het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu zijn erkend of aangewezen als natuurreservaat;
2° percelen die liggen binnen terreinen die conform het Bosdecreet van 13 juni 1990 zijn erkend of aangewezen als bosreservaat;
3° percelen die liggen binnen terreinen waarvoor een goedgekeurd natuurbeheerplan bestaat dat is opgenomen in het register, vermeld in artikel 16octies, § 4, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.
Er kunnen geen beheerovereenkomsten gesloten worden voor percelen die liggen op openbaar domein. Als een perceel belast is met een wettelijke, conventionele of publiekrechtelijke erfdienstbaarheid, kan een beheerovereenkomst gesloten worden als de beheermaatregel verenigbaar is met de erfdienstbaarheid.]1
§ 2. [1 Een beheerovereenkomst kan worden gesloten voor verschillende beheermaatregelen en in combinatie met andere beheerovereenkomsten, milieuacties of maatregelen, op voorwaarde dat ze elkaar aanvullen en onderling verenigbaar zijn. Een beheervergoeding kan niet gecumuleerd worden met andere vormen van vergoeding die toegekend zijn voor dezelfde of soortgelijke prestaties. De aanvraag van een beheerovereenkomst wordt afgewezen als degene die de beheerovereenkomst wil sluiten, een vergoeding ontvangt voor dezelfde of soortgelijke prestaties als de prestaties die hij moet leveren binnen de aangevraagde beheerovereenkomst.]1
§ 3. Een beheerovereenkomst kan worden gesloten als de gebruiker of de groep van gebruikers er zich toe verbindt om vanaf het sluiten van de beheerovereenkomst de beheerovereenkomst na te leven, zich te onderwerpen aan de controle van de naleving ervan en alle gegevens die nodig zijn om de evaluatie van de maatregelen mogelijk te maken, [1 aan de optredende instantie, vermeld in paragraaf 1,]1 ter beschikking te stellen.
§ 4. [1 De aanvraag van een beheerovereenkomst wordt ingediend bij de optredende instantie, vermeld in paragraaf 1. De minister bepaalt de gegevens die de aanvraag van een beheerovereenkomst minstens moet bevatten zoals de contactgegevens van de aanvrager, de ligging van de percelen waarvoor een beheerovereenkomst wordt gevraagd en de gewenste startdatum. De minister kan nadere regels bepalen voor de wijze waarop en de termijn waarin de aanvraag van een beheerovereenkomst wordt ingediend zoals de datum waarop en de instantie waarbij de aanvraag moet ingediend worden. De minister kan nadere regels bepalen voor de aanvangsdatum en de duur van de beheerovereenkomsten.]1
[1 De optredende instantie, vermeld in paragraaf 1,]1 gaat na of de beheerovereenkomst gesloten kan worden en of de gevraagde beheerovereenkomst in overeenstemming is met het landinrichtingsplan, de inrichtingsnota of de beheervisie.
[1 De optredende instantie, vermeld in paragraaf 1,]1 beslist of een beheerovereenkomst al dan niet gesloten kan worden. Als de beheerovereenkomst of een deel van de beheerovereenkomst niet gesloten kan worden, wordt de aanvrager daarvan schriftelijk op de hoogte gebracht.
§ 5. De gebruiker of groep van gebruikers kan een gemotiveerde aanvraag indienen om de beheerovereenkomst vervroegd te beëindigen wegens overmacht of uitzonderlijke omstandigheid. De aanvraag wordt schriftelijk ingediend bij [1 de optredende instantie, vermeld in paragraaf 1]1.
[1 De optredende instantie, vermeld in paragraaf 1,]1 beslist of het meegedeelde geval overmacht of een uitzonderlijke omstandigheid is. In geval van overmacht of uitzonderlijke omstandigheid eindigt de beheerovereenkomst.
§ 6. [1 De minister kan nadere regels bepalen voor de aanpassing of de voortijdige beëindiging van een beheerovereenkomst ten gevolge van de overdracht van een perceel, de wijziging van de basiskwaliteit voor milieu en natuur of een andere wijziging waardoor niet langer voldaan is aan de voorwaarden van de afgesloten beheerovereenkomst.]1
Modifications
Art. 2.1.2.1. § 1er. [1 L'autorité administrative visée à l'alinéa 2 peut conclure un accord de gestion avec l'utilisateur d'un terrain pour mettre en oeuvre des mesures de gestion dans une zone si ces mesures de gestion et la zone sont incluses dans un plan de rénovation rurale, une note d'aménagement ou une vision de gestion, visés respectivement aux articles 3.3.1, 4.2.1 et 5.1.1 du décret du 28 mars 2014. Le ministre fixe les modalités des mesures de gestion telles que les dimensions requises, les activités possibles, le mode de réalisation et de gestion et l'utilisation de la parcelle sur laquelle les mesures de gestion sont mises en oeuvre. Le ministre détermine l'indemnité de gestion correspondante conformément à l'article 2.1.2.2, § 1er.
Les autorités administratives pouvant conclure un accord de gestion sont l'agence, les provinces et les communes. Aux fins de la présente section, l'autorité administrative qui conclut l'accord de gestion est dénommée l'instance intervenante. L'instance intervenante est responsable du suivi intégral des accords de gestion, à savoir du traitement des demandes, de la conclusion des accords de gestion, de la résiliation, de la modification, de l'adaptation ou de la reprise des accords de gestion, de la surveillance du respect des accords de gestion, de la détermination des conséquences du non-respect de l'accord de gestion, du paiement des indemnités de gestion et du recouvrement des indemnités de gestion indûment payées.
Si l'instance intervenante est une commune ou une province, elle peut demander à l'agence d'exécuter les tâches confiées à l'instance intervenante. L'agence facture les frais de fonctionnement correspondants. L'agence agit alors au nom et pour le compte de la commune ou de la province.
Dans le présent paragraphe, on entend par instance intervenante :
1° l'agence dans les cas suivants :
a) si le plan de rénovation rurale prévoit que l'agence est chargée de la mise en oeuvre de l'instrument accords de gestion ;
b) si la note d'aménagement est approuvée par le Gouvernement flamand conformément à l'article 4.2.1.1 ;
c) si le ministre définit la vision de gestion, visée à l'article 5.1.1.1 ;
2° la province dans les cas suivants :
a) si le plan de rénovation rurale prévoit que la province est chargée de la mise en oeuvre de l'instrument accords de gestion ;
b) si la note d'aménagement est approuvée par l'administration provinciale conformément à l'article 4.2.2.1 ;
c) si l'administration provinciale définit la vision de gestion, visée à l'article 5.1.1.1 ;
3° la commune dans les cas suivants :
a) si le plan de rénovation rurale prévoit que la commune est chargée de la mise en oeuvre de l'instrument accords de gestion ;
b) si la note d'aménagement est approuvée par l'administration communale conformément à l'article 4.2.3.1 ;
c) si l'administration communale définit la vision de gestion, visée à l'article 5.1.1.1.]1
[1 § 1/1. Les utilisateurs de terrains avec lesquels un accord de gestion peut être conclu n'appartiennent pas aux instances suivantes :
1° les services et agences relevant de la Région flamande ;
2° les administrations et les personnes morales de droit public ou privé chargés de missions d'utilité publique en Région flamande.]1
[1 § 1/2. Les parcelles suivantes ne peuvent pas faire l'objet d'un accord de gestion :
1° les parcelles situées sur des terrains reconnus ou désignés comme réserves naturelles en vertu du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ;
2° les parcelles situées sur des terrains reconnus ou désignés comme réserves forestières en vertu du Décret forestier du 13 juin 1990 ;
3° les parcelles situées sur des terrains faisant l'objet d'un plan de gestion naturelle approuvé et repris dans le registre visé à l'article 16octies, § 4 du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel.
Les parcelles situées dans le domaine public ne peuvent pas faire l'objet d'un accord de gestion. Dans le cas d'une parcelle grevée d'une servitude légale, conventionnelle ou de droit public, un accord de gestion peut être conclu si la mesure de gestion est compatible avec la servitude.]1
§ 2. [1 Un contrat de gestion peut être conclu pour diverses mesures de gestion et en combinaison avec d'autres contrats de gestion, actions environnementales ou mesures, à condition qu'ils se complètent et soient mutuellement compatibles. L'indemnité de gestion ne peut être cumulée avec d'autres formes d'indemnité, accordées pour les mêmes prestations ou des prestations similaires. La demande d'un contrat de gestion est rejetée lorsque celui qui veut conclure le contrat de gestion reçoit une indemnité pour les mêmes prestations ou des prestations similaires à celles qu'il doit fournir au titre du contrat de gestion demandé.]1
§ 3. Un contrat de gestion peut être conclu si l'usager ou le groupe d'usagers s'engage, dès la conclusion du contrat de gestion, à respecter le contrat de gestion, à se soumettre au contrôle de son respect et à fournir toutes les données nécessaires à permettre l'évaluation des mesures, [1 à l'instance intervenante visée au paragraphe 1er]1.
§ 4. [1 La demande de contrat de gestion est introduite auprès de l'instance intervenante visée au paragraphe 1er. Le ministre fixe les données minimales contenues dans la demande de contrat de gestion, notamment les coordonnées du demandeur, la localisation des parcelles faisant l'objet de la demande de contrat de gestion et la date de début souhaitée. Le ministre peut arrêter les modalités relatives à la manière et au délai de présentation de la demande de contrat de gestion, notamment la date à laquelle et l'instance auprès de laquelle elle doit être présentée. Le ministre peut arrêter les modalités relatives à la date de début et à la durée des contrats de gestion.]1
[1 L'instance intervenante visée au paragraphe 1er]1, examine si le contrat de gestion peut être conclu et si le contrat de gestion demandé est conforme au plan de rénovation rurale, à la note d'aménagement ou à la vision de gestion.
[1 L'instance intervenante visée au paragraphe 1er]1, décide si un contrat de gestion peut être conclu ou non. Si le contrat de gestion ou une partie du contrat de gestion ne peut pas être conclu, le demandeur en est informé par écrit.
§ 5. L'usager ou le groupe d'usagers peut introduire une demande motivée de mettre terme au contrat de gestion prématurément pour cause de force majeure ou circonstances exceptionnelles. La demande est introduite par écrit auprès de [1 l'instance intervenante visée au paragraphe 1er]1.
[1 L'instance intervenante visée au paragraphe 1er,]1 décide si le cas communiqué relève d'une force majeure ou d'une circonstance exceptionnelle. Il est mis terme au contrat de gestion en cas de force majeure ou de circonstance exceptionnelle.
§ 6. [1 Le ministre peut arrêter les modalités relatives à la modification ou à la résiliation anticipée d'un contrat de gestion à la suite d'un transfert de parcelle, d'une modification de la qualité environnementale et naturelle fondamentale ou de toute autre modification entraînant le non-respect des conditions du contrat de gestion conclu.]1
Les autorités administratives pouvant conclure un accord de gestion sont l'agence, les provinces et les communes. Aux fins de la présente section, l'autorité administrative qui conclut l'accord de gestion est dénommée l'instance intervenante. L'instance intervenante est responsable du suivi intégral des accords de gestion, à savoir du traitement des demandes, de la conclusion des accords de gestion, de la résiliation, de la modification, de l'adaptation ou de la reprise des accords de gestion, de la surveillance du respect des accords de gestion, de la détermination des conséquences du non-respect de l'accord de gestion, du paiement des indemnités de gestion et du recouvrement des indemnités de gestion indûment payées.
Si l'instance intervenante est une commune ou une province, elle peut demander à l'agence d'exécuter les tâches confiées à l'instance intervenante. L'agence facture les frais de fonctionnement correspondants. L'agence agit alors au nom et pour le compte de la commune ou de la province.
Dans le présent paragraphe, on entend par instance intervenante :
1° l'agence dans les cas suivants :
a) si le plan de rénovation rurale prévoit que l'agence est chargée de la mise en oeuvre de l'instrument accords de gestion ;
b) si la note d'aménagement est approuvée par le Gouvernement flamand conformément à l'article 4.2.1.1 ;
c) si le ministre définit la vision de gestion, visée à l'article 5.1.1.1 ;
2° la province dans les cas suivants :
a) si le plan de rénovation rurale prévoit que la province est chargée de la mise en oeuvre de l'instrument accords de gestion ;
b) si la note d'aménagement est approuvée par l'administration provinciale conformément à l'article 4.2.2.1 ;
c) si l'administration provinciale définit la vision de gestion, visée à l'article 5.1.1.1 ;
3° la commune dans les cas suivants :
a) si le plan de rénovation rurale prévoit que la commune est chargée de la mise en oeuvre de l'instrument accords de gestion ;
b) si la note d'aménagement est approuvée par l'administration communale conformément à l'article 4.2.3.1 ;
c) si l'administration communale définit la vision de gestion, visée à l'article 5.1.1.1.]1
[1 § 1/1. Les utilisateurs de terrains avec lesquels un accord de gestion peut être conclu n'appartiennent pas aux instances suivantes :
1° les services et agences relevant de la Région flamande ;
2° les administrations et les personnes morales de droit public ou privé chargés de missions d'utilité publique en Région flamande.]1
[1 § 1/2. Les parcelles suivantes ne peuvent pas faire l'objet d'un accord de gestion :
1° les parcelles situées sur des terrains reconnus ou désignés comme réserves naturelles en vertu du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ;
2° les parcelles situées sur des terrains reconnus ou désignés comme réserves forestières en vertu du Décret forestier du 13 juin 1990 ;
3° les parcelles situées sur des terrains faisant l'objet d'un plan de gestion naturelle approuvé et repris dans le registre visé à l'article 16octies, § 4 du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel.
Les parcelles situées dans le domaine public ne peuvent pas faire l'objet d'un accord de gestion. Dans le cas d'une parcelle grevée d'une servitude légale, conventionnelle ou de droit public, un accord de gestion peut être conclu si la mesure de gestion est compatible avec la servitude.]1
§ 2. [1 Un contrat de gestion peut être conclu pour diverses mesures de gestion et en combinaison avec d'autres contrats de gestion, actions environnementales ou mesures, à condition qu'ils se complètent et soient mutuellement compatibles. L'indemnité de gestion ne peut être cumulée avec d'autres formes d'indemnité, accordées pour les mêmes prestations ou des prestations similaires. La demande d'un contrat de gestion est rejetée lorsque celui qui veut conclure le contrat de gestion reçoit une indemnité pour les mêmes prestations ou des prestations similaires à celles qu'il doit fournir au titre du contrat de gestion demandé.]1
§ 3. Un contrat de gestion peut être conclu si l'usager ou le groupe d'usagers s'engage, dès la conclusion du contrat de gestion, à respecter le contrat de gestion, à se soumettre au contrôle de son respect et à fournir toutes les données nécessaires à permettre l'évaluation des mesures, [1 à l'instance intervenante visée au paragraphe 1er]1.
§ 4. [1 La demande de contrat de gestion est introduite auprès de l'instance intervenante visée au paragraphe 1er. Le ministre fixe les données minimales contenues dans la demande de contrat de gestion, notamment les coordonnées du demandeur, la localisation des parcelles faisant l'objet de la demande de contrat de gestion et la date de début souhaitée. Le ministre peut arrêter les modalités relatives à la manière et au délai de présentation de la demande de contrat de gestion, notamment la date à laquelle et l'instance auprès de laquelle elle doit être présentée. Le ministre peut arrêter les modalités relatives à la date de début et à la durée des contrats de gestion.]1
[1 L'instance intervenante visée au paragraphe 1er]1, examine si le contrat de gestion peut être conclu et si le contrat de gestion demandé est conforme au plan de rénovation rurale, à la note d'aménagement ou à la vision de gestion.
[1 L'instance intervenante visée au paragraphe 1er]1, décide si un contrat de gestion peut être conclu ou non. Si le contrat de gestion ou une partie du contrat de gestion ne peut pas être conclu, le demandeur en est informé par écrit.
§ 5. L'usager ou le groupe d'usagers peut introduire une demande motivée de mettre terme au contrat de gestion prématurément pour cause de force majeure ou circonstances exceptionnelles. La demande est introduite par écrit auprès de [1 l'instance intervenante visée au paragraphe 1er]1.
[1 L'instance intervenante visée au paragraphe 1er,]1 décide si le cas communiqué relève d'une force majeure ou d'une circonstance exceptionnelle. Il est mis terme au contrat de gestion en cas de force majeure ou de circonstance exceptionnelle.
§ 6. [1 Le ministre peut arrêter les modalités relatives à la modification ou à la résiliation anticipée d'un contrat de gestion à la suite d'un transfert de parcelle, d'une modification de la qualité environnementale et naturelle fondamentale ou de toute autre modification entraînant le non-respect des conditions du contrat de gestion conclu.]1
Modifications
Art. 2.1.2.2. § 1. De beheervergoeding voor de geleverde prestatie van de gebruiker of groep van gebruikers wordt berekend volgens de volgende formule:
A = B + C - D, waarbij:
1° A: de jaarlijkse vergoeding voor de gebruiker of groep van gebruikers
2° B: de kosten verbonden aan de prestatie, met inbegrip van eventuele transactiekosten
3° C: de eventuele gederfde inkomsten
4° D: de eventuele uitgespaarde kosten en extra gegenereerde inkomsten.
§ 2. [1 De optredende instantie, vermeld in artikel 2.1.2.1, is de beheervergoeding verschuldigd en is belast met het toezicht op de naleving van de beheerovereenkomst. Om na te gaan of de beheerovereenkomst is nageleefd, voert die optredende instantie de vereiste controles ter plaatse uit. Ze kan zich daarvoor laten adviseren door derden die deskundig zijn om te beoordelen of een beheerovereenkomst werd nageleefd.]1
Bij vaststelling van niet naleving van de beheerovereenkomst kan de beheervergoeding geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd.
De minister bepaalt de nadere regels met betrekking tot de organisatie en de procedure voor de controle en kan de nodige modeldocumenten vaststellen.
A = B + C - D, waarbij:
1° A: de jaarlijkse vergoeding voor de gebruiker of groep van gebruikers
2° B: de kosten verbonden aan de prestatie, met inbegrip van eventuele transactiekosten
3° C: de eventuele gederfde inkomsten
4° D: de eventuele uitgespaarde kosten en extra gegenereerde inkomsten.
§ 2. [1 De optredende instantie, vermeld in artikel 2.1.2.1, is de beheervergoeding verschuldigd en is belast met het toezicht op de naleving van de beheerovereenkomst. Om na te gaan of de beheerovereenkomst is nageleefd, voert die optredende instantie de vereiste controles ter plaatse uit. Ze kan zich daarvoor laten adviseren door derden die deskundig zijn om te beoordelen of een beheerovereenkomst werd nageleefd.]1
Bij vaststelling van niet naleving van de beheerovereenkomst kan de beheervergoeding geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd.
De minister bepaalt de nadere regels met betrekking tot de organisatie en de procedure voor de controle en kan de nodige modeldocumenten vaststellen.
Modifications
Art. 2.1.2.2. § 1er. L'indemnité de gestion pour la prestation que l'usager ou le groupe d'usagers a fournie, est calculée selon la formule suivante :
A = B + C - D, dans laquelle :
1° A = l'indemnité annuelle pour l'usager ou le groupe d'usagers
2° B = les coûts liés à la prestation, y compris les coûts de transaction éventuels
3° C = les revenus éventuellement perdus
4° D = les coûts éventuellement économisés et revenus supplémentaires générés
§ 2. [1 L'instance intervenante visée à l'article 2.1.2.1 est redevable de l'indemnité de gestion et est chargée du contrôle du respect du contrat de gestion. Pour vérifier si le contrat de gestion a été respecté, cette instance intervenante effectue les contrôles nécessaires sur les lieux. Elle peut demander l'avis de tiers experts dans l'évaluation du respect d'un contrat de gestion.]1
Si un non-respect du contrat de gestion est constaté, l'indemnité de gestion peut être entièrement ou partiellement recouvrée .
Le Ministre précise les modalités relatives à l'organisation et à la procédure pour le contrôle et peut fixer les documents modèles nécessaires.
A = B + C - D, dans laquelle :
1° A = l'indemnité annuelle pour l'usager ou le groupe d'usagers
2° B = les coûts liés à la prestation, y compris les coûts de transaction éventuels
3° C = les revenus éventuellement perdus
4° D = les coûts éventuellement économisés et revenus supplémentaires générés
§ 2. [1 L'instance intervenante visée à l'article 2.1.2.1 est redevable de l'indemnité de gestion et est chargée du contrôle du respect du contrat de gestion. Pour vérifier si le contrat de gestion a été respecté, cette instance intervenante effectue les contrôles nécessaires sur les lieux. Elle peut demander l'avis de tiers experts dans l'évaluation du respect d'un contrat de gestion.]1
Si un non-respect du contrat de gestion est constaté, l'indemnité de gestion peut être entièrement ou partiellement recouvrée .
Le Ministre précise les modalités relatives à l'organisation et à la procédure pour le contrôle et peut fixer les documents modèles nécessaires.
Modifications
Art. 2.1.2.3. Het agentschap berekent de beheervergoeding volgens de formule vermeld in artikel 2.1.2.2 § 1.
[1 ...]1
[1 ...]1
Modifications
Art. 2.1.2.3. L'agence calcule l'indemnité de gestion selon la formule, visée à l'article 2.1.2.2 § 1er.
[1 ...]1
[1 ...]1
Modifications
Afdeling 2. - Dienstenvergoedingen
Section 2. - Indemnités de service
Art. 2.1.2.4. § 1. [1 Een jaarlijkse dienstenvergoeding kan worden toegekend om een bijkomende dienst te leveren in een gebied als de bijkomende dienst, de toekenningsvoorwaarden waaraan voldaan moet zijn en de verbintenissen die nageleefd moeten worden, het bedrag van de vergoeding voor die bijkomende dienst en het gebied zijn opgenomen in een landinrichtingsplan, in een inrichtingsnota of in een beheervisie als vermeld in respectievelijk artikel 3.3.1, artikel 4.2.1 of artikel 5.1.1 van het decreet van 28 maart 2014.]1
§ 2. Een jaarlijkse dienstenvergoeding kan worden toegekend voor meerdere diensten en in combinatie met andere milieuacties of maatregelen, op voorwaarde dat ze elkaar aanvullen en onderling verenigbaar zijn. Een dienstenvergoeding kan niet gecumuleerd worden met andere vormen van vergoeding, toegekend voor dezelfde of soortgelijke prestaties.
[1 § 2/1.]1 Een dienstenvergoeding wordt uitbetaald als de dienstenvergoeding werd toegekend en als de gebruiker of de groep van gebruikers er zich bij aanvraag van de dienstenvergoeding toe verbindt om de bijkomende dienst te leveren, zich te onderwerpen aan de controle van de naleving ervan en alle gegevens die nodig zijn om de evaluatie van de dienst mogelijk te maken, aan de instanties of de personen die de dienstenvergoeding toekent ter beschikking te stellen.
§ 3. De aanvraag van een dienstenvergoeding wordt ingediend bij het agentschap of bij de administratieve overheid die zelf instaat voor het uitbetalen en opvolgen van de dienstenvergoeding als vermeld in artikel 2.1.10 van het decreet van 28 maart 2014. De minister kan nadere regels bepalen voor de gegevens die de aanvraag van de dienstenvergoeding minstens moet bevatten, voor de wijze waarop de aanvraag van de dienstenvergoeding wordt ingediend en de termijn waarbinnen de aanvraag wordt ingediend. [1 De minister kan nadere regels bepalen voor de aanvangsdatum en de duur van de dienstenvergoeding, waaronder de voorwaarden voor het verlengen van de dienstenvergoeding.]1
Het agentschap of de administratieve overheid die zelf instaat voor het uitbetalen en opvolgen van de dienstenvergoeding als vermeld in artikel 2.1.10 van het decreet van 28 maart 2014 gaat na of de dienstenvergoeding aangegaan kan worden en of de gevraagde dienstenvergoeding in overeenstemming is met het landinrichtingsplan, de inrichtingsnota of de beheervisie.
Het agentschap of de administratieve overheid die zelf instaat voor het uitbetalen en opvolgen van de dienstenvergoeding als vermeld in artikel 2.1.10 van het decreet van 28 maart 2014 beslist of de dienstenvergoeding al dan niet aangegaan kan worden. Als de dienstenvergoeding niet aangegaan kan worden, wordt de aanvrager daarvan schriftelijk op de hoogte gebracht.
§ 4. De minister kan nadere regels bepalen met betrekking tot de voorwaarden van voortijdige beëindiging van de dienstenvergoeding en kan de nodige modeldocumenten vaststellen.
§ 2. Een jaarlijkse dienstenvergoeding kan worden toegekend voor meerdere diensten en in combinatie met andere milieuacties of maatregelen, op voorwaarde dat ze elkaar aanvullen en onderling verenigbaar zijn. Een dienstenvergoeding kan niet gecumuleerd worden met andere vormen van vergoeding, toegekend voor dezelfde of soortgelijke prestaties.
[1 § 2/1.]1 Een dienstenvergoeding wordt uitbetaald als de dienstenvergoeding werd toegekend en als de gebruiker of de groep van gebruikers er zich bij aanvraag van de dienstenvergoeding toe verbindt om de bijkomende dienst te leveren, zich te onderwerpen aan de controle van de naleving ervan en alle gegevens die nodig zijn om de evaluatie van de dienst mogelijk te maken, aan de instanties of de personen die de dienstenvergoeding toekent ter beschikking te stellen.
§ 3. De aanvraag van een dienstenvergoeding wordt ingediend bij het agentschap of bij de administratieve overheid die zelf instaat voor het uitbetalen en opvolgen van de dienstenvergoeding als vermeld in artikel 2.1.10 van het decreet van 28 maart 2014. De minister kan nadere regels bepalen voor de gegevens die de aanvraag van de dienstenvergoeding minstens moet bevatten, voor de wijze waarop de aanvraag van de dienstenvergoeding wordt ingediend en de termijn waarbinnen de aanvraag wordt ingediend. [1 De minister kan nadere regels bepalen voor de aanvangsdatum en de duur van de dienstenvergoeding, waaronder de voorwaarden voor het verlengen van de dienstenvergoeding.]1
Het agentschap of de administratieve overheid die zelf instaat voor het uitbetalen en opvolgen van de dienstenvergoeding als vermeld in artikel 2.1.10 van het decreet van 28 maart 2014 gaat na of de dienstenvergoeding aangegaan kan worden en of de gevraagde dienstenvergoeding in overeenstemming is met het landinrichtingsplan, de inrichtingsnota of de beheervisie.
Het agentschap of de administratieve overheid die zelf instaat voor het uitbetalen en opvolgen van de dienstenvergoeding als vermeld in artikel 2.1.10 van het decreet van 28 maart 2014 beslist of de dienstenvergoeding al dan niet aangegaan kan worden. Als de dienstenvergoeding niet aangegaan kan worden, wordt de aanvrager daarvan schriftelijk op de hoogte gebracht.
§ 4. De minister kan nadere regels bepalen met betrekking tot de voorwaarden van voortijdige beëindiging van de dienstenvergoeding en kan de nodige modeldocumenten vaststellen.
Modifications
Art. 2.1.2.4. § 1er. [1 Une indemnité de service annuelle peut être accordée pour la prestation d'un service supplémentaire dans une zone déterminée, à condition que ce service, les conditions d'octroi à remplir et les engagements à respecter, le montant de l'indemnité pour ce service et la zone sont repris dans un plan de rénovation rurale, une note d'aménagement ou une vision de gestion, visés respectivement aux articles 3.3.1, 4.2.1 et 5.1.1 du décret du 28 mars 2014.]1
§ 2. Une indemnité de service annuelle peut être octroyée pour plusieurs services et en combinaison avec d'autres actions environnementales ou mesures, à condition qu'ils se complètent et soient mutuellement compatibles. Une indemnité de service ne peut être cumulée avec d'autres formes d'indemnité, accordées pour la même prestation ou une prestation similaire.
[1 § 2/1.]1 Une indemnité de service est payée si l'indemnité de service a été octroyée et que l'usager ou le groupe d'usagers s'engage, lors de la demande de l'indemnité de service, à fournir le service supplémentaire, à se soumettre au contrôle de son respect et à fournir toutes les données nécessaires à permettre l'évaluation du service, aux instances ou aux personnes qui octroient l'indemnité de service.
§ 3. La demande d'une indemnité de service est introduite auprès de l'agence ou de l'autorité administrative qui assure elle-même le paiement et le suivi de l'indemnité de service, comme mentionné à l'article 2.1.10 du décret du 28 mars 2014. Le ministre peut préciser des modalités relatives aux données que la demande de l'indemnité de service doit au minimum comprendre et relatives à la façon dont la demande de l'indemnité de service est introduite et au délai endéans lequel la demande est introduite. [1 Le ministre peut arrêter les modalités relatives à la date de début et à la durée de l'indemnité de service, notamment les conditions de prolongation de l'indemnité de service.]1
L'agence ou l'autorité administrative qui assure elle-même le paiement et le suivi de l'indemnité de service, comme mentionné à l'article 2.1.10 du décret du 28 mars 2014, examine si l'indemnité de service peut être engagée et si l'indemnité de service demandée est conforme au plan de rénovation rurale, à la note d'aménagement ou à la vision de gestion.
L'agence ou l'autorité administrative qui assure elle-même le paiement et le suivi de l'indemnité de service, comme mentionné à l'article 2.1.10 du décret du 28 mars 2014, décide si une indemnité de service peut être engagée ou non. Si l'indemnité de service ne peut pas être engagée, le demandeur en est informé par écrit.
§ 4. Le Ministre peut arrêter les modalités relatives aux conditions d'une mise à terme prématurée de l'indemnité de service et peut fixer les documents modèles nécessaires.
§ 2. Une indemnité de service annuelle peut être octroyée pour plusieurs services et en combinaison avec d'autres actions environnementales ou mesures, à condition qu'ils se complètent et soient mutuellement compatibles. Une indemnité de service ne peut être cumulée avec d'autres formes d'indemnité, accordées pour la même prestation ou une prestation similaire.
[1 § 2/1.]1 Une indemnité de service est payée si l'indemnité de service a été octroyée et que l'usager ou le groupe d'usagers s'engage, lors de la demande de l'indemnité de service, à fournir le service supplémentaire, à se soumettre au contrôle de son respect et à fournir toutes les données nécessaires à permettre l'évaluation du service, aux instances ou aux personnes qui octroient l'indemnité de service.
§ 3. La demande d'une indemnité de service est introduite auprès de l'agence ou de l'autorité administrative qui assure elle-même le paiement et le suivi de l'indemnité de service, comme mentionné à l'article 2.1.10 du décret du 28 mars 2014. Le ministre peut préciser des modalités relatives aux données que la demande de l'indemnité de service doit au minimum comprendre et relatives à la façon dont la demande de l'indemnité de service est introduite et au délai endéans lequel la demande est introduite. [1 Le ministre peut arrêter les modalités relatives à la date de début et à la durée de l'indemnité de service, notamment les conditions de prolongation de l'indemnité de service.]1
L'agence ou l'autorité administrative qui assure elle-même le paiement et le suivi de l'indemnité de service, comme mentionné à l'article 2.1.10 du décret du 28 mars 2014, examine si l'indemnité de service peut être engagée et si l'indemnité de service demandée est conforme au plan de rénovation rurale, à la note d'aménagement ou à la vision de gestion.
L'agence ou l'autorité administrative qui assure elle-même le paiement et le suivi de l'indemnité de service, comme mentionné à l'article 2.1.10 du décret du 28 mars 2014, décide si une indemnité de service peut être engagée ou non. Si l'indemnité de service ne peut pas être engagée, le demandeur en est informé par écrit.
§ 4. Le Ministre peut arrêter les modalités relatives aux conditions d'une mise à terme prématurée de l'indemnité de service et peut fixer les documents modèles nécessaires.
Modifications
Art. 2.1.2.5. § 1. De dienstenvergoeding voor de geleverde prestatie door de gebruiker of een groep van gebruikers wordt berekend volgens de volgende formule:
A = B + C - D, waarbij:
1° A: de jaarlijkse vergoeding voor de gebruiker of groep van gebruikers
2° B: de kosten verbonden aan de prestatie, met inbegrip van eventuele transactiekosten
3° C: de eventuele gederfde inkomsten
4° D: de eventuele uitgespaarde kosten en extra gegenereerde inkomsten
§ 2. De instanties of personen die de jaarlijkse dienstenvergoeding toekennen, is de dienstenvergoeding verschuldigd en is belast met het toezicht op de naleving van de dienst. Om na te gaan of de dienst is nageleefd, voert de instanties of personen die de jaarlijkse dienstenvergoeding toekennen, de vereiste controles ter plaatse uit. Ze kunnen zich hiertoe laten bijstaan door derden.
Bij vaststelling van niet naleving van de dienst kan de dienstenvergoeding geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd.
De minister bepaalt de nadere regels met betrekking tot de organisatie en de procedure voor de controle en kan hiervoor de nodige modeldocumenten vaststellen.
A = B + C - D, waarbij:
1° A: de jaarlijkse vergoeding voor de gebruiker of groep van gebruikers
2° B: de kosten verbonden aan de prestatie, met inbegrip van eventuele transactiekosten
3° C: de eventuele gederfde inkomsten
4° D: de eventuele uitgespaarde kosten en extra gegenereerde inkomsten
§ 2. De instanties of personen die de jaarlijkse dienstenvergoeding toekennen, is de dienstenvergoeding verschuldigd en is belast met het toezicht op de naleving van de dienst. Om na te gaan of de dienst is nageleefd, voert de instanties of personen die de jaarlijkse dienstenvergoeding toekennen, de vereiste controles ter plaatse uit. Ze kunnen zich hiertoe laten bijstaan door derden.
Bij vaststelling van niet naleving van de dienst kan de dienstenvergoeding geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd.
De minister bepaalt de nadere regels met betrekking tot de organisatie en de procedure voor de controle en kan hiervoor de nodige modeldocumenten vaststellen.
Art. 2.1.2.5. § 1er. L'indemnité de service pour la prestation que l'usager ou un groupe d'usagers a fournie, est calculée selon la formule suivante :
A = B + C - D, dans laquelle :
1° A = l'indemnité annuelle pour l'usager ou le groupe d'usagers
2° B = les coûts liés à la prestation, y compris les coûts de transaction éventuels
3° C = les revenus éventuellement perdus
4° D = les coûts éventuellement économisés et revenus supplémentaires générés
§ 2. Les instances ou personnes qui octroient l'indemnité de service annuelle, sont redevables de l'indemnité de service et sont chargées du contrôle du respect du service. Pour vérifier si le service a été respecté, les instances ou personnes qui octroient l'indemnité de service annuelle, effectuent les contrôles nécessaires sur les lieux. Pour ce faire, ils peuvent se faire assister par des tiers.
Si un non-respect du service est constaté, l'indemnité de service peut être entièrement ou partiellement recouvrée.
Le Ministre précise les modalités relatives à l'organisation et à la procédure pour le contrôle et peut fixer les documents modèles nécessaires.
A = B + C - D, dans laquelle :
1° A = l'indemnité annuelle pour l'usager ou le groupe d'usagers
2° B = les coûts liés à la prestation, y compris les coûts de transaction éventuels
3° C = les revenus éventuellement perdus
4° D = les coûts éventuellement économisés et revenus supplémentaires générés
§ 2. Les instances ou personnes qui octroient l'indemnité de service annuelle, sont redevables de l'indemnité de service et sont chargées du contrôle du respect du service. Pour vérifier si le service a été respecté, les instances ou personnes qui octroient l'indemnité de service annuelle, effectuent les contrôles nécessaires sur les lieux. Pour ce faire, ils peuvent se faire assister par des tiers.
Si un non-respect du service est constaté, l'indemnité de service peut être entièrement ou partiellement recouvrée.
Le Ministre précise les modalités relatives à l'organisation et à la procédure pour le contrôle et peut fixer les documents modèles nécessaires.
Art. 2.1.2.6. Het agentschap berekent de jaarlijkse dienstenvergoeding volgens de formule vermeld in artikel 2.1.2.5 § 1.
Op vraag van de instanties of personen die de dienstenvergoeding toekennen, kan het agentschap de dienstenvergoeding uitbetalen.
Op vraag van de instanties of personen die de dienstenvergoeding toekennen, kan het agentschap de dienstenvergoeding uitbetalen.
Art. 2.1.2.6. L'agence calcule l'indemnité de service annuelle selon la formule, visée à l'article 2.1.2.5 § 1er.
L'agence peut payer l'indemnité de service sur la demande des instances ou des personnes qui octroient l'indemnité de service.
L'agence peut payer l'indemnité de service sur la demande des instances ou des personnes qui octroient l'indemnité de service.
HOOFDSTUK 3. - Verwerving en grondmobiliteit
CHAPITRE 3. - Acquisition et mobilité foncière
Afdeling 1. - Recht van voorkoop
Section 1re. - Droit de préemption
Art. 2.1.3.1. Het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota bevat de zones met de kadastrale gegevens van de percelen waarop het recht van voorkoop aangeboden moet worden, alsook de termijn waarin het recht van voorkoop geldt.
De inwerkingtreding van het recht van voorkoop wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad conform de bepalingen van artikel 3.3.1.6, 4.2.1.6, § 2, artikel 4.2.2.6, § 2 of artikel 4.2.3.6, § 2 van dit besluit.
De termijn waarin het recht van voorkoop geldt, gaat in bij de inwerkingtreding van het recht van voorkoop. Na het verstrijken van die termijn kan het recht van voorkoop niet meer uitgeoefend worden, en hoeft de instrumenterende ambtenaar het recht van voorkoop niet meer aan te bieden.
De inwerkingtreding van het recht van voorkoop wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad conform de bepalingen van artikel 3.3.1.6, 4.2.1.6, § 2, artikel 4.2.2.6, § 2 of artikel 4.2.3.6, § 2 van dit besluit.
De termijn waarin het recht van voorkoop geldt, gaat in bij de inwerkingtreding van het recht van voorkoop. Na het verstrijken van die termijn kan het recht van voorkoop niet meer uitgeoefend worden, en hoeft de instrumenterende ambtenaar het recht van voorkoop niet meer aan te bieden.
Art. 2.1.3.1. Le plan de rénovation rurale ou la note d'aménagement comprend les zones avec les données cadastrales des parcelles sur lesquelles le droit de préemption doit être offert, de même que le délai pendant lequel le droit de préemption s'applique.
L'entrée en vigueur du droit de préemption est publiée au Moniteur belge, conformément aux dispositions des articles 3.3.1.6, 4.2.1.6, § 2, 4.2.2.6, § 2 ou 4.2.3.6, § 2 du présent arrêté.
Le délai pendant lequel le droit de préemption s'applique, prend cours au moment de l'entrée en vigueur du droit de préemption. Comme le droit de préemption ne peut plus être exercé à l'échéance de ce délai, le fonctionnaire instrumentant ne doit plus offrir le droit de préemption.
L'entrée en vigueur du droit de préemption est publiée au Moniteur belge, conformément aux dispositions des articles 3.3.1.6, 4.2.1.6, § 2, 4.2.2.6, § 2 ou 4.2.3.6, § 2 du présent arrêté.
Le délai pendant lequel le droit de préemption s'applique, prend cours au moment de l'entrée en vigueur du droit de préemption. Comme le droit de préemption ne peut plus être exercé à l'échéance de ce délai, le fonctionnaire instrumentant ne doit plus offrir le droit de préemption.
Afdeling 1/1. [1 Recht van voorkeur ]1
Section 1/1. [1 Droit de préférence ]1
Art. 2.1.3.1 /1. -1 Het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota die de Vlaamse Regering vaststelt conform artikel 4.2.1.6 van dit besluit, bevat de zones met de kadastrale gegevens van de percelen waarop het recht van voorkeur, vermeld in artikel 2.1.66/1 van het decreet van 28 maart 2014, geldt, en ook de termijn waarin het recht van voorkeur geldt.
De kadastrale gegevens van de percelen waarop het recht van voorkeur geldt en de termijn waarin het recht van voorkeur geldt, worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad conform artikel 3.3.1.6 en 4.2.1.6, § 2.
Nadat de termijn waarin het recht van voorkeur geldt, is verstreken, kan het recht van voorkeur niet meer uitgeoefend worden en hoeft het recht van voorkeur niet meer worden aangeboden ]1
De kadastrale gegevens van de percelen waarop het recht van voorkeur geldt en de termijn waarin het recht van voorkeur geldt, worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad conform artikel 3.3.1.6 en 4.2.1.6, § 2.
Nadat de termijn waarin het recht van voorkeur geldt, is verstreken, kan het recht van voorkeur niet meer uitgeoefend worden en hoeft het recht van voorkeur niet meer worden aangeboden ]1
Art. 2.1.3.1 /1. [1 Le plan de rénovation rurale ou le note d'aménagement fixé par le Gouvernement flamand conformément à l'article 4.2.1.6 du présent arrêté comprend les zones avec les données cadastrales des parcelles auxquelles s'applique le droit de préférence visé à l'article 2.1.66/1 du décret du 28 mars 2014, et le délai pendant lequel le droit de préférence s'applique.
Les données cadastrales des parcelles auxquelles s'applique le droit de préférence et le délai pendant lequel le droit de préférence s'applique sont publiés au Moniteur belge conformément aux articles 3.3.1.6 et 4.2.1.6, § 2.
Après l'expiration du délai pendant lequel le droit de préférence s'applique, le droit de préférence ne peut plus être exercé et ne doit être offert. ]1
Les données cadastrales des parcelles auxquelles s'applique le droit de préférence et le délai pendant lequel le droit de préférence s'applique sont publiés au Moniteur belge conformément aux articles 3.3.1.6 et 4.2.1.6, § 2.
Après l'expiration du délai pendant lequel le droit de préférence s'applique, le droit de préférence ne peut plus être exercé et ne doit être offert. ]1
Modifications
Afdeling 2. - Herverkaveling uit kracht van wet
Section 2. - Relotissement imposé par force de loi
Art. 2.1.3.2. Bij een herverkaveling uit kracht van wet wordt de wederbeleggingsvergoeding, vermeld in artikel 2.1.29 van het decreet van 28 maart 2014, toegevoegd aan de financiële compensatie als een onderbedeling plaatsvindt van gronden aan een eigenaar of vruchtgebruiker van meer dan 2 % van de totale ruilwaarde van zijn vroegere percelen.
Art. 2.1.3.2. Lors d'un relotissement imposé par force de loi, l'indemnité de réemploi, visée à l'article 2.1.29 du décret du 28 mars 2014, est ajoutée à la compensation financière en cas d'une sous-assignation de terres à un propriétaire ou à un usufruitier de plus de 2 % de la valeur d'échange totale de ses anciennes parcelles.
HOOFDSTUK 4. - Andere instrumenten
CHAPITRE 4. - Autres instruments
Afdeling 1. - Vergoedingen bij lokale grondenbanken
Section 1re. - Indemnités auprès de banques foncières locales
Art. 2.1.4.1. De vergoedingen bij lokale grondenbanken, vermeld in artikel 2.1.67 van het decreet van 28 maart 2014, kunnen door de Vlaamse Grondenbank worden toegekend op verzoek van een of meer administratieve overheden, als er een dwingende verwerving bestaat van een zone binnen een landinrichtingsproject of een project, plan of programma door die administratieve overheden.
De overeenkomst lokale grondenbank, die na de vaststelling van het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota tussen de Vlaamse Grondenbank en een of meer administratieve overheden wordt gesloten, bevat minstens de voorwaarden en de termijnen waarin de vergoedingen kunnen worden toegekend.
De vergoeding, vermeld in artikel 2.1.67, 3°, van het decreet van 28 maart 2014, wordt alleen toegekend als de verpachter er zich toe verbindt om de pachtovereenkomst te behouden gedurende een termijn overeenkomstig de pachtwet.
De overeenkomst lokale grondenbank, die na de vaststelling van het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota tussen de Vlaamse Grondenbank en een of meer administratieve overheden wordt gesloten, bevat minstens de voorwaarden en de termijnen waarin de vergoedingen kunnen worden toegekend.
De vergoeding, vermeld in artikel 2.1.67, 3°, van het decreet van 28 maart 2014, wordt alleen toegekend als de verpachter er zich toe verbindt om de pachtovereenkomst te behouden gedurende een termijn overeenkomstig de pachtwet.
Art. 2.1.4.1. Les indemnités auprès de banques foncières locales, visées à l'article 2.1.67 du décret du 28 mars 2014, peuvent être octroyées par la " Vlaamse Grondenbank " (Banque foncière flamande) à la demande d'une ou de plusieurs autorités administratives, dans le cas d'une acquisition contraignante par ces autorités administratives d'une zone à l'intérieur d'un projet de rénovation rurale ou à l'intérieur d'un projet, plan ou programme.
La convention avec la banque foncière locale, qui est conclue après l'établissement du plan de rénovation rurale ou de la note d'aménagement entre la " Vlaamse Grondenbank " et une ou plusieurs autorités administratives, comprend au moins les conditions et les délais endéans lesquels les indemnités peuvent être octroyées.
L'indemnité, visée à l'article 2.1.67, 3° du décret du 28 mars 2014, n'est octroyée que si le bailleur s'engage à maintenir le bail à ferme pendant un délai conforme à la loi sur le fermage.
La convention avec la banque foncière locale, qui est conclue après l'établissement du plan de rénovation rurale ou de la note d'aménagement entre la " Vlaamse Grondenbank " et une ou plusieurs autorités administratives, comprend au moins les conditions et les délais endéans lesquels les indemnités peuvent être octroyées.
L'indemnité, visée à l'article 2.1.67, 3° du décret du 28 mars 2014, n'est octroyée que si le bailleur s'engage à maintenir le bail à ferme pendant un délai conforme à la loi sur le fermage.
Art. 2.1.4.2. De vergoeding aan de eigenaar, boven op de verkoopprijs van het onroerend goed bij verkoop aan de Vlaamse Grondenbank, bedraagt maximaal 20 % van de venale waarde.
De vergoeding aan de houder van een zakelijk of persoonlijk gebruiksrecht, bovenop de conventionele of wettelijke vergoeding voor de beëindiging van het gebruik, bedraagt maximaal 2000 euro per ha.
De maximale vergoeding uit het tweede lid wordt geactualiseerd door deze vergoeding te vermenigvuldigen met de gezondheidsindex van de maand januari van het jaar waar de overeenkomst lokale grondenbank wordt gesloten en te delen door de gezondheidsindex van de maand volgend op de maand van de inwerkingtreding van dit besluit.
De vergoeding aan de eigenaar van een onroerend goed voor het sluiten, op verzoek van de Vlaamse Grondenbank, van een pachtovereenkomst op het onroerend goed bedraagt maximaal 20 % van de venale waarde.
De vergoeding aan de houder van een zakelijk of persoonlijk gebruiksrecht, bovenop de conventionele of wettelijke vergoeding voor de beëindiging van het gebruik, bedraagt maximaal 2000 euro per ha.
De maximale vergoeding uit het tweede lid wordt geactualiseerd door deze vergoeding te vermenigvuldigen met de gezondheidsindex van de maand januari van het jaar waar de overeenkomst lokale grondenbank wordt gesloten en te delen door de gezondheidsindex van de maand volgend op de maand van de inwerkingtreding van dit besluit.
De vergoeding aan de eigenaar van een onroerend goed voor het sluiten, op verzoek van de Vlaamse Grondenbank, van een pachtovereenkomst op het onroerend goed bedraagt maximaal 20 % van de venale waarde.
Art. 2.1.4.2. L'indemnité octroyée au propriétaire, en sus du prix de vente du bien immobilier lors de la vente à la " Vlaamse Grondenbank ", s'élève à au maximum 20 % de la valeur vénale.
L'indemnité octroyée au titulaire d'un droit d'usage réel ou personnel, en sus de l'indemnité conventionnelle ou légale pour la cessation de l'utilisation, s'élève à au maximum 2000 euros par hectare.
L'indemnité maximale visée à l'alinéa deux est mise à jour par la multiplication de cette indemnité avec l'indice santé du mois de janvier de l'année pendant laquelle la convention avec la banque foncière locale est conclue et par la division du résultat par l"indice santé du mois qui suit le mois de l'entrée en vigueur du présent arrêté.
L'indemnité payée au propriétaire d'un bien immobilier pour la conclusion d'un bail à ferme pour le bien immobilier, sur la demande de la " Vlaamse Grondenbank " s'élève à au maximum 20 % de la valeur vénale.
L'indemnité octroyée au titulaire d'un droit d'usage réel ou personnel, en sus de l'indemnité conventionnelle ou légale pour la cessation de l'utilisation, s'élève à au maximum 2000 euros par hectare.
L'indemnité maximale visée à l'alinéa deux est mise à jour par la multiplication de cette indemnité avec l'indice santé du mois de janvier de l'année pendant laquelle la convention avec la banque foncière locale est conclue et par la division du résultat par l"indice santé du mois qui suit le mois de l'entrée en vigueur du présent arrêté.
L'indemnité payée au propriétaire d'un bien immobilier pour la conclusion d'un bail à ferme pour le bien immobilier, sur la demande de la " Vlaamse Grondenbank " s'élève à au maximum 20 % de la valeur vénale.
Afdeling 2. - Vrijwillige bedrijfsverplaatsing
Section 2. - Délocalisation volontaire de l'exploitation
Onderafdeling 1. - Algemene voorwaarden
Sous-section 1re. - Conditions générales
Art. 2.1.4.3. § 1. De vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing geldt voor bedrijven binnen de afbakening van het gebied waarvoor het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota wordt opgemaakt. In het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota wordt bepaald welke entiteit de vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsverplaatsing en de eventuele bijbehorende aankoopprijs verschuldigd is.
De maximale bedragen voor de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing voldoen aan de uniale regeling voor de vrijstelling van de aanmeldingsverplichting in het kader van de staatsteunregeling voor de verplaatsing van landbouwbedrijfsgebouwen in het algemeen belang.
§ 2. De aanvraag van een vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing en de eventuele bijbehorende aankoop moet worden ingediend voor het verstrijken van de termijn van vijf jaar die ingaat vanaf de inwerkingtreding van het besluit tot vaststelling van de voltooiing van het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota.
§ 3. De gebruiker kan een vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing aanvragen als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
1° de aanvraag heeft betrekking op een landbouwbedrijf dat wordt uitgebaat door een landbouwer in hoofdberoep;
2° minstens het gebruik stopzetten van de onderdelen van het bedrijf die rechtstreeks de realisatie van het landinrichtingsproject of van het project, plan of programma hinderen. Is de aanvrager ook eigenaar dan worden deze onderdelen ook te koop aangeboden;
3° het bedrijf beschikt over de nodige vergunningen.
§ 4. De gebruiker van een onroerend goed dat geheel of gedeeltelijk ligt binnen het gebied waar een vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing aangevraagd kan worden, kan die vergoeding aanvragen als de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt door de realisatie van het doel van het landinrichtingsproject of het project, plan of programma, in cumulatie met eventueel andere geplande en definitief besliste projecten, plannen of programma's die in uitvoering zijn.
De leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering komt ernstig in het gedrang als het arbeidsinkomen daalt onder twee derde van het gewestelijk vergelijkbaar inkomen.
§ 5. De vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing en de eventuele bijbehorende aankoop is alleen van toepassing als het te verplaatsen bedrijf ligt in het Vlaamse Gewest.
De maximale bedragen voor de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing voldoen aan de uniale regeling voor de vrijstelling van de aanmeldingsverplichting in het kader van de staatsteunregeling voor de verplaatsing van landbouwbedrijfsgebouwen in het algemeen belang.
§ 2. De aanvraag van een vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing en de eventuele bijbehorende aankoop moet worden ingediend voor het verstrijken van de termijn van vijf jaar die ingaat vanaf de inwerkingtreding van het besluit tot vaststelling van de voltooiing van het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota.
§ 3. De gebruiker kan een vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing aanvragen als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
1° de aanvraag heeft betrekking op een landbouwbedrijf dat wordt uitgebaat door een landbouwer in hoofdberoep;
2° minstens het gebruik stopzetten van de onderdelen van het bedrijf die rechtstreeks de realisatie van het landinrichtingsproject of van het project, plan of programma hinderen. Is de aanvrager ook eigenaar dan worden deze onderdelen ook te koop aangeboden;
3° het bedrijf beschikt over de nodige vergunningen.
§ 4. De gebruiker van een onroerend goed dat geheel of gedeeltelijk ligt binnen het gebied waar een vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing aangevraagd kan worden, kan die vergoeding aanvragen als de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt door de realisatie van het doel van het landinrichtingsproject of het project, plan of programma, in cumulatie met eventueel andere geplande en definitief besliste projecten, plannen of programma's die in uitvoering zijn.
De leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering komt ernstig in het gedrang als het arbeidsinkomen daalt onder twee derde van het gewestelijk vergelijkbaar inkomen.
§ 5. De vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing en de eventuele bijbehorende aankoop is alleen van toepassing als het te verplaatsen bedrijf ligt in het Vlaamse Gewest.
Art. 2.1.4.3. § 1er. L'indemnité pour la délocalisation volontaire de l'exploitation s'applique aux exploitations à l'intérieur de la délimitation de la zone pour laquelle le plan de rénovation rurale ou la note d'aménagement sont établis. Le plan de rénovation rurale ou la note d'aménagement définissent l'entité qui est redevable de l'indemnité pour la délocalisation volontaire de l'exploitation et de l'éventuel prix d'achat y afférent.
Les montants maximum de l'indemnité pour la délocalisation volontaire de l'exploitation sont conformes au règlement de l'Union européenne sur l'exemption de notification dans le cadre du règlement des aides d'Etat applicable à la délocalisation d'exploitations agricoles dans l'intérêt public.
§ 2. La demande d'une indemnité pour une délocalisation volontaire de l'exploitation et pour l'éventuel achat y afférent, doit être introduite avant l'échéance du délai de cinq ans, qui prend cours à partir de l'entrée en vigueur de l'arrêté établissant l'achèvement du plan de rénovation rurale ou de la note d'aménagement.
§ 3. L'usager peut demander une indemnité pour la délocalisation volontaire d'une exploitation, s'il a été satisfait à toutes les conditions suivantes :
1° la demande se rapporte à une exploitation agricole exploitée par un agriculteur exerçant à titre principal ;
2° il est pour le moins mis fin à l'utilisation des parties de l'exploitation qui entravent directement la réalisation du projet de rénovation rurale ou du projet, plan ou programme. Au cas où le demandeur serait aussi propriétaire, ces parties sont en plus mises à la vente.
3° l'exploitation dispose des autorisations requises.
§ 4. L'usager d'un bien immobilier situé entièrement ou partiellement dans la zone où une indemnité pour une délocalisation volontaire d'une exploitation peut être demandée, peut demander cette indemnité lorsque la viabilité des activités existantes sont gravement compromises par la réalisation de l'objectif du projet de rénovation rurale ou du projet, plan ou programme, en combinaison avec d'éventuels autres projets, plans ou programmes envisagés et définitifs, qui sont en cours d'exécution.
La viabilité des activités existantes est gravement compromise lorsque le revenu du travail baisse en dessous des deux tiers du revenu régional comparable.
§ 5. L'indemnité pour la délocalisation volontaire d'une exploitation et pour l'éventuel achat y afférent ne s'applique que si l'exploitation à délocaliser se trouve en Région flamande.
Les montants maximum de l'indemnité pour la délocalisation volontaire de l'exploitation sont conformes au règlement de l'Union européenne sur l'exemption de notification dans le cadre du règlement des aides d'Etat applicable à la délocalisation d'exploitations agricoles dans l'intérêt public.
§ 2. La demande d'une indemnité pour une délocalisation volontaire de l'exploitation et pour l'éventuel achat y afférent, doit être introduite avant l'échéance du délai de cinq ans, qui prend cours à partir de l'entrée en vigueur de l'arrêté établissant l'achèvement du plan de rénovation rurale ou de la note d'aménagement.
§ 3. L'usager peut demander une indemnité pour la délocalisation volontaire d'une exploitation, s'il a été satisfait à toutes les conditions suivantes :
1° la demande se rapporte à une exploitation agricole exploitée par un agriculteur exerçant à titre principal ;
2° il est pour le moins mis fin à l'utilisation des parties de l'exploitation qui entravent directement la réalisation du projet de rénovation rurale ou du projet, plan ou programme. Au cas où le demandeur serait aussi propriétaire, ces parties sont en plus mises à la vente.
3° l'exploitation dispose des autorisations requises.
§ 4. L'usager d'un bien immobilier situé entièrement ou partiellement dans la zone où une indemnité pour une délocalisation volontaire d'une exploitation peut être demandée, peut demander cette indemnité lorsque la viabilité des activités existantes sont gravement compromises par la réalisation de l'objectif du projet de rénovation rurale ou du projet, plan ou programme, en combinaison avec d'éventuels autres projets, plans ou programmes envisagés et définitifs, qui sont en cours d'exécution.
La viabilité des activités existantes est gravement compromise lorsque le revenu du travail baisse en dessous des deux tiers du revenu régional comparable.
§ 5. L'indemnité pour la délocalisation volontaire d'une exploitation et pour l'éventuel achat y afférent ne s'applique que si l'exploitation à délocaliser se trouve en Région flamande.
Onderafdeling 2. - Procedure
Sous-section 2. - Procédure
Art. 2.1.4.4. § 1. De aanvrager dient bij de landcommissie de aanvraag voor een vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing in met een beveiligde zending.
§ 2. Bij de aanvraag voor een vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing worden de volgende stukken gevoegd:
1° de stukken waaruit blijkt dat voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2.1.4.3, § 3, 1° en 3° ;
2° de bewijsstukken die aantonen dat de aanwezigheid van het bedrijf rechtstreeks de realisatie van het doel van het landinrichtingsproject of het project, plan of programma belemmert of dat de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt door de realisatie van het doel van het landinrichtingsproject of het project, plan of programma, in cumulatie met eventueel andere geplande en definitief besliste projecten, plannen of programma's die in uitvoering zijn;
3° een plan van aanpak van de bedrijfsverplaatsing en, als dat bekend is, het adres van het nieuw te vestigen of het nieuw over te nemen bedrijf;
4° een opsomming van alle gronden die bij het bedrijf horen met per grond:
a) de vermelding van de oppervlakte, de aard van het gebruik en de locatie;
b) als de aanvrager ook de eigenaar is van de gronden, een plan met de kadastrale gegevens;
5° een opsomming van alle bedrijfsgebouwen die bij het bedrijf horen met per gebouw:
a) de vermelding van de locatie, de oppervlakte, de aard van het gebruik, de voornaamste elementen van uitrusting en, in voorkomend geval, het aantal dierplaatsen per diercategorie;
b) als de aanvrager ook de eigenaar is van de bedrijfsgebouwen, een plan met de kadastrale gegevens;
6° het bewijs dat de aanvrager het landbouwbedrijf in hoofdberoep uitbaat, met vermelding van de eventuele andere beroepsactiviteiten en het inkomen dat daaruit voortvloeit, en, in voorkomend geval, een opsomming van het aantal dieren per diercategorie dat aanwezig is op het bedrijf;
7° een vermelding van de zakelijke en persoonlijke rechten die de aanvrager heeft ten aanzien van de verschillende onderdelen van het bedrijf;
8° een opsomming van alle onderdelen van het bedrijf die de aanvrager als eigenaar te koop aanbiedt, waarbij minimaal de onderdelen van het bedrijf te koop worden aangeboden die rechtstreeks de realisatie van het landinrichtingsproject of het project, plan of programma hinderen;
9° een opsomming van alle onderdelen van het bedrijf waarvan de aanvrager geen eigenaar is en die hij na de bedrijfsverplaatsing niet langer zal gebruiken, waarbij minimaal het gebruik wordt stopgezet van de onderdelen van het bedrijf die rechtstreeks de realisatie van het landinrichtingsproject of het project, plan of programma hinderen;
[1 10° een bewijs van adequate vakbekwaamheid en deskundigheid als de aanvrager in aanmerking wil komen voor de verhoogde vergoeding, vermeld in artikel 2.1.4.5, § 4, vierde lid;
11° een bewijs van vestiging op het landbouwbedrijf in de periode van vijf jaar voorafgaand aan de datum van de aanvraag als de aanvrager in aanmerking wil komen voor de verhoogde vergoeding, vermeld in artikel 2.1.4.5, § 4, vierde lid.]1
§ 3. De landcommissie gaat na of alle stukken, als vermeld in paragraaf 2, zijn bezorgd.
Als niet alle stukken zijn bezorgd en de ingediende aanvraag bijgevolg als onvolledig wordt beschouwd, wordt de aanvrager door de landcommissie op de hoogte gebracht van de onvolledigheid van de aanvraag. De landcommissie brengt de aanvrager op de hoogte met een beveiligde zending binnen drie maanden na de ontvangst door de landcommissie van de aanvraag. De kennisgeving bevat de vermelding van de stukken die ontbreken of die nadere toelichting vereisen.
Als de ingediende aanvraag als volledig wordt beschouwd, wordt de aanvrager door de landcommissie op de hoogte gebracht van de volledigheid van de aanvraag. De landcommissie brengt de aanvrager met een beveiligde zending op de hoogte binnen drie maanden nadat ze de aanvraag van een vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing heeft ontvangen, of, als de aanvraag in eerste instantie onvolledig is bevonden, binnen een maand na de ontvangst van de ontbrekende stukken of de nadere toelichtingen.
§ 4. Binnen zes maanden nadat de landcommissie de aanvrager op de hoogte heeft gebracht van de volledigheid van het dossier, beslist de landcommissie in overleg met de entiteit die de vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsverplaatsing en de eventuele bijhorende aankoopprijs verschuldigd is, voor welke onderdelen van het bedrijf de aanvrager in aanmerking komt voor de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing en welke onderdelen van het bedrijf die door de aanvrager te koop worden aangeboden, zullen worden aangekocht.
De landcommissie kan bij de aanvrager van een vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing aanvullende stukken en inlichtingen opvragen of om een plaatsbezoek verzoeken. Als niet wordt ingegaan op het verzoek om de aanvullende stukken of de inlichtingen te verschaffen of om een plaatsbezoek toe te staan, kan dat aanleiding geven tot de tijdelijke opschorting of definitieve stopzetting van de behandeling van de aanvraag van een vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsverplaatsing.
De landcommissie kan de behandeling van de aanvraag van een vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing tijdelijk opschorten of definitief stopzetten als blijkt dat geen blijvende oplossing wordt verkregen als vermeld in artikel 2.1.73, § 3 van het decreet van 28 maart 2014.
De landcommissie brengt de aanvrager binnen de termijn vermeld in paragraaf 4, eerste lid, verlengd met de termijn waarvoor de aanvraag tijdelijk werd opgeschort, met een beveiligde zending op de hoogte van haar beslissing. Die kennisgeving gebeurt na akkoord van de entiteit die de vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsverplaatsing en de eventuele bijbehorende aankoopprijs verschuldigd is.
§ 5. De vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing en de aankoopprijs worden berekend [2 conform artikel 2.1.4.5, § 1 tot en met § 4]2. Aan de entiteit die de vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsverplaatsing en de eventuele bijbehorende aankoopprijs verschuldigd is, worden de berekende vergoeding en de berekende aankoopprijs meegedeeld. De landcommissie deelt binnen vier maanden na de kennisgeving, vermeld in paragraaf 4, vierde lid, met een beveiligde zending de vergoeding voor bedrijfsverplaatsing en de eventuele bijbehorende aankoopprijs mee aan de aanvrager. Die kennisgeving geldt als aanbod.
§ 6. De aanvrager, deelt binnen zes maanden na de kennisgeving, vermeld in paragraaf 5, aan de landcommissie mee of hij het aanbod al dan niet aanvaardt. Als hij binnen de voormelde termijn niet meedeelt of hij het bod aanvaardt, wordt het aanbod geacht geweigerd te zijn.
[3 De aanvrager kan binnen de termijn van 18 maanden na de eerste kennisgeving, vermeld in § 5, nieuwe bewijsstukken aanleveren inzake uitzonderlijke, niet voorziene kosten die verbonden zijn aan de vrijwillige bedrijfsverplaatsing. De landcommissie beslist binnen de termijn van drie maanden na de ontvangst van de nieuwe stukken of al dan niet wordt overgegaan tot een nieuw aanbod. Dit nieuw aanbod kan alleen betrekking hebben op onvoorziene kosten inzake bodemsanering, bodemstabiliteit of archeologie, en voor zover die kosten niet via andere overheidsinstrumenten subsidieerbaar of betoelaagbaar zijn. De aanvrager deelt binnen drie maanden na de kennisgeving aan de landcommissie mee of het dit tweede aanbod al dan niet aanvaardt. Als hij binnen de voormelde termijn niet meedeelt of hij het bod aanvaardt, wordt het aanbod geacht geweigerd te zijn.]3
Als de aanvrager niet akkoord gaat met het aanbod kan hij binnen de zes maanden nadat hij op de hoogte is gebracht van het aanbod, vermeld in paragraaf 5, eenmalig beroep aantekenen bij het agentschap. Het agentschap beslist binnen de termijn van drie maanden na de ontvangst van het beroep of al dan niet overgegaan wordt tot een nieuw aanbod binnen een termijn van drie maanden na de ontvangst van het beroep.
§ 7. De aanvrager, kan op elk moment de aanvraag intrekken als het aanbod nog niet is aanvaard conform paragraaf 6.
§ 8. De landcommissie brengt de entiteit die de vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsverplaatsing en de eventuele bijbehorende aankoopprijs verschuldigd is, op de hoogte van het akkoord van de aanvrager met het aanbod, vermeld in paragraaf 6.
De entiteit die de eventuele bijbehorende aankoopprijs verschuldigd is, koopt in eigen naam en voor eigen rekening de aangeboden onroerende goederen aan. Als de aangeboden onroerende goederen liggen in de afbakening van het gebied waarvoor het landinrichtingsplan is opgemaakt, koopt de Vlaamse Grondenbank de goederen aan in naam en voor rekening van de entiteit die de vergoeding voor de bijbehorende aankoopprijs verschuldigd is. Als de aangeboden onroerende goederen liggen in de afbakening van het gebied waarvoor de inrichtingsnota is opgemaakt, kan de Vlaamse Regering de opdracht geven aan de Vlaamse Grondenbank om de aangeboden onroerende goederen aan te kopen in naam en voor rekening van de entiteit die de vergoeding voor de bijbehorende aankoopprijs verschuldigd is.
§ 9. De landcommissie staat in voor de betaling van de vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsverplaatsing. De vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsverplaatsing wordt betaald nadat de aanvrager van de vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsverplaatsing de aanvraag tot betaling heeft ingediend bij de landcommissie voor het verstrijken van de termijn van drie jaar na het akkoord van de aanvrager met het aanbod. Deze termijn kan in geval van overmacht verlengd worden.
De aanvrager legt bij de aanvraag tot betaling bewijsstukken voor van de effectief gemaakte kosten of van de betaalde bedragen bij de hervestiging van het landbouwbedrijf.
De landcommissie vordert de betaalde vergoeding terug van de entiteit die de vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsverplaatsing verschuldigd is.
§ 2. Bij de aanvraag voor een vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing worden de volgende stukken gevoegd:
1° de stukken waaruit blijkt dat voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2.1.4.3, § 3, 1° en 3° ;
2° de bewijsstukken die aantonen dat de aanwezigheid van het bedrijf rechtstreeks de realisatie van het doel van het landinrichtingsproject of het project, plan of programma belemmert of dat de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt door de realisatie van het doel van het landinrichtingsproject of het project, plan of programma, in cumulatie met eventueel andere geplande en definitief besliste projecten, plannen of programma's die in uitvoering zijn;
3° een plan van aanpak van de bedrijfsverplaatsing en, als dat bekend is, het adres van het nieuw te vestigen of het nieuw over te nemen bedrijf;
4° een opsomming van alle gronden die bij het bedrijf horen met per grond:
a) de vermelding van de oppervlakte, de aard van het gebruik en de locatie;
b) als de aanvrager ook de eigenaar is van de gronden, een plan met de kadastrale gegevens;
5° een opsomming van alle bedrijfsgebouwen die bij het bedrijf horen met per gebouw:
a) de vermelding van de locatie, de oppervlakte, de aard van het gebruik, de voornaamste elementen van uitrusting en, in voorkomend geval, het aantal dierplaatsen per diercategorie;
b) als de aanvrager ook de eigenaar is van de bedrijfsgebouwen, een plan met de kadastrale gegevens;
6° het bewijs dat de aanvrager het landbouwbedrijf in hoofdberoep uitbaat, met vermelding van de eventuele andere beroepsactiviteiten en het inkomen dat daaruit voortvloeit, en, in voorkomend geval, een opsomming van het aantal dieren per diercategorie dat aanwezig is op het bedrijf;
7° een vermelding van de zakelijke en persoonlijke rechten die de aanvrager heeft ten aanzien van de verschillende onderdelen van het bedrijf;
8° een opsomming van alle onderdelen van het bedrijf die de aanvrager als eigenaar te koop aanbiedt, waarbij minimaal de onderdelen van het bedrijf te koop worden aangeboden die rechtstreeks de realisatie van het landinrichtingsproject of het project, plan of programma hinderen;
9° een opsomming van alle onderdelen van het bedrijf waarvan de aanvrager geen eigenaar is en die hij na de bedrijfsverplaatsing niet langer zal gebruiken, waarbij minimaal het gebruik wordt stopgezet van de onderdelen van het bedrijf die rechtstreeks de realisatie van het landinrichtingsproject of het project, plan of programma hinderen;
[1 10° een bewijs van adequate vakbekwaamheid en deskundigheid als de aanvrager in aanmerking wil komen voor de verhoogde vergoeding, vermeld in artikel 2.1.4.5, § 4, vierde lid;
11° een bewijs van vestiging op het landbouwbedrijf in de periode van vijf jaar voorafgaand aan de datum van de aanvraag als de aanvrager in aanmerking wil komen voor de verhoogde vergoeding, vermeld in artikel 2.1.4.5, § 4, vierde lid.]1
§ 3. De landcommissie gaat na of alle stukken, als vermeld in paragraaf 2, zijn bezorgd.
Als niet alle stukken zijn bezorgd en de ingediende aanvraag bijgevolg als onvolledig wordt beschouwd, wordt de aanvrager door de landcommissie op de hoogte gebracht van de onvolledigheid van de aanvraag. De landcommissie brengt de aanvrager op de hoogte met een beveiligde zending binnen drie maanden na de ontvangst door de landcommissie van de aanvraag. De kennisgeving bevat de vermelding van de stukken die ontbreken of die nadere toelichting vereisen.
Als de ingediende aanvraag als volledig wordt beschouwd, wordt de aanvrager door de landcommissie op de hoogte gebracht van de volledigheid van de aanvraag. De landcommissie brengt de aanvrager met een beveiligde zending op de hoogte binnen drie maanden nadat ze de aanvraag van een vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing heeft ontvangen, of, als de aanvraag in eerste instantie onvolledig is bevonden, binnen een maand na de ontvangst van de ontbrekende stukken of de nadere toelichtingen.
§ 4. Binnen zes maanden nadat de landcommissie de aanvrager op de hoogte heeft gebracht van de volledigheid van het dossier, beslist de landcommissie in overleg met de entiteit die de vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsverplaatsing en de eventuele bijhorende aankoopprijs verschuldigd is, voor welke onderdelen van het bedrijf de aanvrager in aanmerking komt voor de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing en welke onderdelen van het bedrijf die door de aanvrager te koop worden aangeboden, zullen worden aangekocht.
De landcommissie kan bij de aanvrager van een vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing aanvullende stukken en inlichtingen opvragen of om een plaatsbezoek verzoeken. Als niet wordt ingegaan op het verzoek om de aanvullende stukken of de inlichtingen te verschaffen of om een plaatsbezoek toe te staan, kan dat aanleiding geven tot de tijdelijke opschorting of definitieve stopzetting van de behandeling van de aanvraag van een vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsverplaatsing.
De landcommissie kan de behandeling van de aanvraag van een vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing tijdelijk opschorten of definitief stopzetten als blijkt dat geen blijvende oplossing wordt verkregen als vermeld in artikel 2.1.73, § 3 van het decreet van 28 maart 2014.
De landcommissie brengt de aanvrager binnen de termijn vermeld in paragraaf 4, eerste lid, verlengd met de termijn waarvoor de aanvraag tijdelijk werd opgeschort, met een beveiligde zending op de hoogte van haar beslissing. Die kennisgeving gebeurt na akkoord van de entiteit die de vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsverplaatsing en de eventuele bijbehorende aankoopprijs verschuldigd is.
§ 5. De vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing en de aankoopprijs worden berekend [2 conform artikel 2.1.4.5, § 1 tot en met § 4]2. Aan de entiteit die de vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsverplaatsing en de eventuele bijbehorende aankoopprijs verschuldigd is, worden de berekende vergoeding en de berekende aankoopprijs meegedeeld. De landcommissie deelt binnen vier maanden na de kennisgeving, vermeld in paragraaf 4, vierde lid, met een beveiligde zending de vergoeding voor bedrijfsverplaatsing en de eventuele bijbehorende aankoopprijs mee aan de aanvrager. Die kennisgeving geldt als aanbod.
§ 6. De aanvrager, deelt binnen zes maanden na de kennisgeving, vermeld in paragraaf 5, aan de landcommissie mee of hij het aanbod al dan niet aanvaardt. Als hij binnen de voormelde termijn niet meedeelt of hij het bod aanvaardt, wordt het aanbod geacht geweigerd te zijn.
[3 De aanvrager kan binnen de termijn van 18 maanden na de eerste kennisgeving, vermeld in § 5, nieuwe bewijsstukken aanleveren inzake uitzonderlijke, niet voorziene kosten die verbonden zijn aan de vrijwillige bedrijfsverplaatsing. De landcommissie beslist binnen de termijn van drie maanden na de ontvangst van de nieuwe stukken of al dan niet wordt overgegaan tot een nieuw aanbod. Dit nieuw aanbod kan alleen betrekking hebben op onvoorziene kosten inzake bodemsanering, bodemstabiliteit of archeologie, en voor zover die kosten niet via andere overheidsinstrumenten subsidieerbaar of betoelaagbaar zijn. De aanvrager deelt binnen drie maanden na de kennisgeving aan de landcommissie mee of het dit tweede aanbod al dan niet aanvaardt. Als hij binnen de voormelde termijn niet meedeelt of hij het bod aanvaardt, wordt het aanbod geacht geweigerd te zijn.]3
Als de aanvrager niet akkoord gaat met het aanbod kan hij binnen de zes maanden nadat hij op de hoogte is gebracht van het aanbod, vermeld in paragraaf 5, eenmalig beroep aantekenen bij het agentschap. Het agentschap beslist binnen de termijn van drie maanden na de ontvangst van het beroep of al dan niet overgegaan wordt tot een nieuw aanbod binnen een termijn van drie maanden na de ontvangst van het beroep.
§ 7. De aanvrager, kan op elk moment de aanvraag intrekken als het aanbod nog niet is aanvaard conform paragraaf 6.
§ 8. De landcommissie brengt de entiteit die de vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsverplaatsing en de eventuele bijbehorende aankoopprijs verschuldigd is, op de hoogte van het akkoord van de aanvrager met het aanbod, vermeld in paragraaf 6.
De entiteit die de eventuele bijbehorende aankoopprijs verschuldigd is, koopt in eigen naam en voor eigen rekening de aangeboden onroerende goederen aan. Als de aangeboden onroerende goederen liggen in de afbakening van het gebied waarvoor het landinrichtingsplan is opgemaakt, koopt de Vlaamse Grondenbank de goederen aan in naam en voor rekening van de entiteit die de vergoeding voor de bijbehorende aankoopprijs verschuldigd is. Als de aangeboden onroerende goederen liggen in de afbakening van het gebied waarvoor de inrichtingsnota is opgemaakt, kan de Vlaamse Regering de opdracht geven aan de Vlaamse Grondenbank om de aangeboden onroerende goederen aan te kopen in naam en voor rekening van de entiteit die de vergoeding voor de bijbehorende aankoopprijs verschuldigd is.
§ 9. De landcommissie staat in voor de betaling van de vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsverplaatsing. De vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsverplaatsing wordt betaald nadat de aanvrager van de vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsverplaatsing de aanvraag tot betaling heeft ingediend bij de landcommissie voor het verstrijken van de termijn van drie jaar na het akkoord van de aanvrager met het aanbod. Deze termijn kan in geval van overmacht verlengd worden.
De aanvrager legt bij de aanvraag tot betaling bewijsstukken voor van de effectief gemaakte kosten of van de betaalde bedragen bij de hervestiging van het landbouwbedrijf.
De landcommissie vordert de betaalde vergoeding terug van de entiteit die de vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsverplaatsing verschuldigd is.
Art. 2.1.4.4. § 1er. Le demandeur introduit la demande d'une indemnité pour une délocalisation volontaire de l'exploitation auprès de la commission foncière au moyen d'un envoi sécurisé.
§ 2. Les pièces suivantes doivent être jointes à la demande d'une indemnité pour la délocalisation volontaire de l'exploitation :
1° les pièces dont il ressort qu'il a été satisfait aux conditions, visées à l'article 2.1.4.3, § 3, 1° et 3° ;
2° les pièces justificatives démontrant que la présence de l'exploitation compromet directement la réalisation de l'objectif du projet de rénovation rurale ou du projet, plan ou programme, ou que la viabilité des activités existantes est gravement compromise par la réalisation de l'objectif du projet de rénovation rurale ou du projet, plan ou programme, en combinaison avec d'éventuels autres projets, plans ou programmes envisagés et définitifs, qui sont en cours d'exécution.
3° un plan d'approche de la délocalisation de l'exploitation et, si elle est connue, l'adresse de la nouvelle exploitation à établir ou de la nouvelle exploitation à reprendre ;
4° une énumération de toutes les terres appartenant à l'exploitation, avec, par terre :
a) la mention de la superficie, de la nature de l'utilisation et de la situation ;
b) au cas où le demandeur serait aussi le propriétaire des terres, un plan comprenant les données cadastrales ;
5° une énumération de tous les bâtiments appartenant à l'exploitation, avec par bâtiment :
a) la mention de la localisation, la superficie, la nature de l'utilisation, les éléments principaux de l'équipement et, le cas échéant, le nombre de places pour animaux par espèce animale ;
b) au cas où le demandeur serait aussi le propriétaire des bâtiments, un plan comprenant les données cadastrales ;
6° la preuve que le demandeur exploite l'exploitation agricole à titre principal, avec mention des éventuelles autres activités professionnelles et du revenu qui en découle et, le cas échéant, une énumération du nombre d'animaux par espèce animale, présent sur l'exploitation ;
7° une mention des droits réels et personnels dont dispose le demandeur à l'égard des différentes parties de l'exploitation ;
8° une énumération de toutes les parties de l'exploitation que le demandeur met à la vente en tant que propriétaire, parmi lesquelles figurent au minimum les parties de l'exploitation compromettant directement la réalisation du projet de rénovation rurale ou du projet, plan ou programme ;
9° une énumération de toutes les parties de l'exploitation dont le demandeur n'est pas le propriétaire et qu'il n'utilisera plus après la délocalisation de l'exploitation, notamment les parties de l'exploitation qui compromettent la réalisation du projet de rénovation rurale ou du projet, plan ou programme directement;
[1 10° une preuve de capacité professionnelle et d'expertise adéquates, si le demandeur souhaite entrer en ligne de compte pour l'indemnité augmentée, visée à l'article 2.1.4.5, § 4, alinéa 4 ;
11° une preuve d'établissement à l'exploitation agricole dans la période de cinq ans précédant la date de la demande si le demandeur souhaite entrer en ligne de compte pour l'indemnité augmentée, visée à l'article 2.1.4.5, § 4, alinéa 4.]1
§ 3. La commission foncière vérifie si toutes les pièces, telles que visées au paragraphe 2, ont été transmises.
Lorsque les pièces n'ont pas toutes été transmises et que la demande introduite ne peut dès lors pas être considérée complète, le demandeur est informé du caractère incomplet de la demande par la commission foncière. La commission foncière le notifie au demandeur par envoi sécurisé dans les trois mois après qu'elle a reçu la demande. La notification indique les pièces manquantes ou nécessitant davantage d'explications.
Lorsque la demande introduite est considérée complète, le demandeur est informé du caractère complet de la demande par la commission foncière. La commission foncière le notifie au demandeur par envoi sécurisé dans les trois mois après qu'elle a reçu la demande d'une indemnité d'une délocalisation volontaire d'une exploitation, ou, si la demande a dans un premier temps été évaluée incomplète, dans un mois après la réception des pièces manquantes ou des explications plus détaillées.
§ 4. Dans les six mois après que la commission foncière a informé le demandeur du caractère complet du dossier, elle décide des parties de l'exploitation pour lesquelles le demandeur entre en ligne de compte pour l'indemnité pour une délocalisation volontaire de l'exploitation et de celles parmi les parties que le demandeur offre à la vente, qui seront achetées, en concertation avec l'entité qui est redevable de l'indemnité pour la délocalisation volontaire de l'exploitation et de l'éventuel prix d'achat y afférent.
La commission foncière peut demander des pièces et renseignements complémentaires ou une visite sur les lieux auprès du demandeur d'une indemnité pour délocalisation volontaire de l'exploitation. S'il n'est pas donné suite à la demande de fournir les pièces ou renseignements supplémentaires ou d'accorder une visite sur les lieux, une suspension temporaire ou un arrêt définitif du traitement de la demande d'une indemnité pour la délocalisation volontaire d'une exploitation peut s'ensuivre.
La commission foncière peut temporairement suspendre ou définitivement arrêter le traitement de la demande d'une indemnité pour la délocalisation volontaire d'une exploitation s'il s'avère qu'une solution durable, telle que visée à l'article 2.1.73, § 3 du décret du 28 mars 2014 ne peut pas être atteinte.
La commission foncière notifie sa décision au demandeur par envoi sécurisé endéans le délai, visé au paragraphe 4, alinéa premier, prolongé du délai pendant lequel la demande a été temporairement suspendue. Cette notification a lieu après l'accord de l'entité qui est redevable de l'indemnité pour la délocalisation volontaire de l'exploitation et de l'éventuel prix d'achat y afférent.
§ 5. L'indemnité pour la délocalisation volontaire de l'exploitation et le prix d'achat sont calculés [2 conformément à l'article 2.1.4.5, § 1er à 4 inclus]2. L'indemnité et le prix d'achat ainsi calculés sont communiqués à l'entité qui est redevable de l'indemnité pour la délocalisation volontaire de l'exploitation et de l'éventuel prix d'achat y afférent. La commission foncière informe le demandeur de l'indemnité pour la délocalisation de l'exploitation et de l'éventuel prix d'achat y afférent par envoi sécurisé, dans les quatre mois après la notification, visée au paragraphe 4, alinéa quatre. Cette notification tient lieu d'offre.
§ 6. Le demandeur informe la commission foncière s'il accepte l'offre ou non, dans les six mois après la notification, visée au paragraphe 5. Lorsqu'il ne lui informe pas dans le délai précité s'il accepte l'offre, l'offre est réputée être refusée.
[3 Dans le délai de 18 mois suivant la première notification visée au § 5, le demandeur peut fournir de nouvelles pièces justificatives en matière de frais exceptionnels et imprévus liés à la délocalisation de l'exploitation. La commission foncière décide dans le délai de trois mois suivant la réception des nouvelles pièces s'il est procédé à une nouvelle offre. Cette nouvelle offre ne peut porter que sur des frais imprévus en matière d'assainissement du sol, de stabilité du sol ou d'archéologie et dans la mesure où ces frais ne sont pas subventionnables ou éligibles par d'autres instruments publics. Le demandeur informe la commission foncière s'il accepte cette deuxième offre ou non dans les trois mois suivant la notification. Lorsqu'il n'informe pas la commission dans le délai précité s'il accepte l'offre, l'offre est réputée être refusée.]3
Si le demandeur n'est pas d'accord avec l'offre, il peut former un recours unique devant l'agence dans les six mois après qu'il a été informé de l'offre, visée au paragraphe 5. L'agence décide dans un délai de trois mois après la réception du recours s'il est procédé à la proposition d'une nouvelle offre dans un délai de trois mois après la réception du recours.
§ 7. Le demandeur peut retirer la demande à tout moment, si l'offre n'a pas encore été acceptée conformément au paragraphe 6.
§ 8. La commission foncière informe l'entité qui est redevable de l'indemnité pour la délocalisation volontaire de l'exploitation et de l'éventuel prix d'achat y afférent, de l'accord que le demandeur a donné à l'offre, visée au paragraphe 6.
L'entité qui est redevable de l'éventuel prix d'achat y afférent, achète les biens immobiliers offerts en son propre nom et pour son propre compte. Lorsque les biens immobiliers offerts sont situés dans la délimitation de la zone pour laquelle le plan de rénovation rurale a été établi, la " Vlaamse Grondenbank " achète les biens au nom de et pour le compte de l'entité qui est redevable de l'indemnité pour le prix d'achat y afférent. Lorsque les biens immobiliers offerts sont situés dans la délimitation de la zone pour laquelle la note d'aménagement a été établie, le Gouvernement flamand peut charger la " Vlaamse Grondenbank " d'acheter les biens immobiliers offerts au nom de et pour le compte de l'entité qui est redevable de l'indemnité pour le prix d'achat y afférent.
§ 9. La commission foncière assure le paiement de l'indemnité pour la délocalisation volontaire de l'exploitation. L'indemnité pour la délocalisation volontaire de l'exploitation est payée après que le demandeur de l'indemnité pour la délocalisation volontaire de l'exploitation a introduit la demande de paiement auprès de la commission foncière avant l'échéance du délai de trois ans après que le demandeur a donné son accord à l'offre. En cas de force majeure, ce délai peut être prolongé.
A l'occasion de la demande de paiement, le demandeur remet des pièces justificatives des coûts effectivement faits ou des montants payés au temps du rétablissement de l'exploitation agricole.
La commission foncière recouvre l'indemnité payée auprès de l'entité qui est redevable de l'indemnité pour la délocalisation volontaire de l'exploitation.
§ 2. Les pièces suivantes doivent être jointes à la demande d'une indemnité pour la délocalisation volontaire de l'exploitation :
1° les pièces dont il ressort qu'il a été satisfait aux conditions, visées à l'article 2.1.4.3, § 3, 1° et 3° ;
2° les pièces justificatives démontrant que la présence de l'exploitation compromet directement la réalisation de l'objectif du projet de rénovation rurale ou du projet, plan ou programme, ou que la viabilité des activités existantes est gravement compromise par la réalisation de l'objectif du projet de rénovation rurale ou du projet, plan ou programme, en combinaison avec d'éventuels autres projets, plans ou programmes envisagés et définitifs, qui sont en cours d'exécution.
3° un plan d'approche de la délocalisation de l'exploitation et, si elle est connue, l'adresse de la nouvelle exploitation à établir ou de la nouvelle exploitation à reprendre ;
4° une énumération de toutes les terres appartenant à l'exploitation, avec, par terre :
a) la mention de la superficie, de la nature de l'utilisation et de la situation ;
b) au cas où le demandeur serait aussi le propriétaire des terres, un plan comprenant les données cadastrales ;
5° une énumération de tous les bâtiments appartenant à l'exploitation, avec par bâtiment :
a) la mention de la localisation, la superficie, la nature de l'utilisation, les éléments principaux de l'équipement et, le cas échéant, le nombre de places pour animaux par espèce animale ;
b) au cas où le demandeur serait aussi le propriétaire des bâtiments, un plan comprenant les données cadastrales ;
6° la preuve que le demandeur exploite l'exploitation agricole à titre principal, avec mention des éventuelles autres activités professionnelles et du revenu qui en découle et, le cas échéant, une énumération du nombre d'animaux par espèce animale, présent sur l'exploitation ;
7° une mention des droits réels et personnels dont dispose le demandeur à l'égard des différentes parties de l'exploitation ;
8° une énumération de toutes les parties de l'exploitation que le demandeur met à la vente en tant que propriétaire, parmi lesquelles figurent au minimum les parties de l'exploitation compromettant directement la réalisation du projet de rénovation rurale ou du projet, plan ou programme ;
9° une énumération de toutes les parties de l'exploitation dont le demandeur n'est pas le propriétaire et qu'il n'utilisera plus après la délocalisation de l'exploitation, notamment les parties de l'exploitation qui compromettent la réalisation du projet de rénovation rurale ou du projet, plan ou programme directement;
[1 10° une preuve de capacité professionnelle et d'expertise adéquates, si le demandeur souhaite entrer en ligne de compte pour l'indemnité augmentée, visée à l'article 2.1.4.5, § 4, alinéa 4 ;
11° une preuve d'établissement à l'exploitation agricole dans la période de cinq ans précédant la date de la demande si le demandeur souhaite entrer en ligne de compte pour l'indemnité augmentée, visée à l'article 2.1.4.5, § 4, alinéa 4.]1
§ 3. La commission foncière vérifie si toutes les pièces, telles que visées au paragraphe 2, ont été transmises.
Lorsque les pièces n'ont pas toutes été transmises et que la demande introduite ne peut dès lors pas être considérée complète, le demandeur est informé du caractère incomplet de la demande par la commission foncière. La commission foncière le notifie au demandeur par envoi sécurisé dans les trois mois après qu'elle a reçu la demande. La notification indique les pièces manquantes ou nécessitant davantage d'explications.
Lorsque la demande introduite est considérée complète, le demandeur est informé du caractère complet de la demande par la commission foncière. La commission foncière le notifie au demandeur par envoi sécurisé dans les trois mois après qu'elle a reçu la demande d'une indemnité d'une délocalisation volontaire d'une exploitation, ou, si la demande a dans un premier temps été évaluée incomplète, dans un mois après la réception des pièces manquantes ou des explications plus détaillées.
§ 4. Dans les six mois après que la commission foncière a informé le demandeur du caractère complet du dossier, elle décide des parties de l'exploitation pour lesquelles le demandeur entre en ligne de compte pour l'indemnité pour une délocalisation volontaire de l'exploitation et de celles parmi les parties que le demandeur offre à la vente, qui seront achetées, en concertation avec l'entité qui est redevable de l'indemnité pour la délocalisation volontaire de l'exploitation et de l'éventuel prix d'achat y afférent.
La commission foncière peut demander des pièces et renseignements complémentaires ou une visite sur les lieux auprès du demandeur d'une indemnité pour délocalisation volontaire de l'exploitation. S'il n'est pas donné suite à la demande de fournir les pièces ou renseignements supplémentaires ou d'accorder une visite sur les lieux, une suspension temporaire ou un arrêt définitif du traitement de la demande d'une indemnité pour la délocalisation volontaire d'une exploitation peut s'ensuivre.
La commission foncière peut temporairement suspendre ou définitivement arrêter le traitement de la demande d'une indemnité pour la délocalisation volontaire d'une exploitation s'il s'avère qu'une solution durable, telle que visée à l'article 2.1.73, § 3 du décret du 28 mars 2014 ne peut pas être atteinte.
La commission foncière notifie sa décision au demandeur par envoi sécurisé endéans le délai, visé au paragraphe 4, alinéa premier, prolongé du délai pendant lequel la demande a été temporairement suspendue. Cette notification a lieu après l'accord de l'entité qui est redevable de l'indemnité pour la délocalisation volontaire de l'exploitation et de l'éventuel prix d'achat y afférent.
§ 5. L'indemnité pour la délocalisation volontaire de l'exploitation et le prix d'achat sont calculés [2 conformément à l'article 2.1.4.5, § 1er à 4 inclus]2. L'indemnité et le prix d'achat ainsi calculés sont communiqués à l'entité qui est redevable de l'indemnité pour la délocalisation volontaire de l'exploitation et de l'éventuel prix d'achat y afférent. La commission foncière informe le demandeur de l'indemnité pour la délocalisation de l'exploitation et de l'éventuel prix d'achat y afférent par envoi sécurisé, dans les quatre mois après la notification, visée au paragraphe 4, alinéa quatre. Cette notification tient lieu d'offre.
§ 6. Le demandeur informe la commission foncière s'il accepte l'offre ou non, dans les six mois après la notification, visée au paragraphe 5. Lorsqu'il ne lui informe pas dans le délai précité s'il accepte l'offre, l'offre est réputée être refusée.
[3 Dans le délai de 18 mois suivant la première notification visée au § 5, le demandeur peut fournir de nouvelles pièces justificatives en matière de frais exceptionnels et imprévus liés à la délocalisation de l'exploitation. La commission foncière décide dans le délai de trois mois suivant la réception des nouvelles pièces s'il est procédé à une nouvelle offre. Cette nouvelle offre ne peut porter que sur des frais imprévus en matière d'assainissement du sol, de stabilité du sol ou d'archéologie et dans la mesure où ces frais ne sont pas subventionnables ou éligibles par d'autres instruments publics. Le demandeur informe la commission foncière s'il accepte cette deuxième offre ou non dans les trois mois suivant la notification. Lorsqu'il n'informe pas la commission dans le délai précité s'il accepte l'offre, l'offre est réputée être refusée.]3
Si le demandeur n'est pas d'accord avec l'offre, il peut former un recours unique devant l'agence dans les six mois après qu'il a été informé de l'offre, visée au paragraphe 5. L'agence décide dans un délai de trois mois après la réception du recours s'il est procédé à la proposition d'une nouvelle offre dans un délai de trois mois après la réception du recours.
§ 7. Le demandeur peut retirer la demande à tout moment, si l'offre n'a pas encore été acceptée conformément au paragraphe 6.
§ 8. La commission foncière informe l'entité qui est redevable de l'indemnité pour la délocalisation volontaire de l'exploitation et de l'éventuel prix d'achat y afférent, de l'accord que le demandeur a donné à l'offre, visée au paragraphe 6.
L'entité qui est redevable de l'éventuel prix d'achat y afférent, achète les biens immobiliers offerts en son propre nom et pour son propre compte. Lorsque les biens immobiliers offerts sont situés dans la délimitation de la zone pour laquelle le plan de rénovation rurale a été établi, la " Vlaamse Grondenbank " achète les biens au nom de et pour le compte de l'entité qui est redevable de l'indemnité pour le prix d'achat y afférent. Lorsque les biens immobiliers offerts sont situés dans la délimitation de la zone pour laquelle la note d'aménagement a été établie, le Gouvernement flamand peut charger la " Vlaamse Grondenbank " d'acheter les biens immobiliers offerts au nom de et pour le compte de l'entité qui est redevable de l'indemnité pour le prix d'achat y afférent.
§ 9. La commission foncière assure le paiement de l'indemnité pour la délocalisation volontaire de l'exploitation. L'indemnité pour la délocalisation volontaire de l'exploitation est payée après que le demandeur de l'indemnité pour la délocalisation volontaire de l'exploitation a introduit la demande de paiement auprès de la commission foncière avant l'échéance du délai de trois ans après que le demandeur a donné son accord à l'offre. En cas de force majeure, ce délai peut être prolongé.
A l'occasion de la demande de paiement, le demandeur remet des pièces justificatives des coûts effectivement faits ou des montants payés au temps du rétablissement de l'exploitation agricole.
La commission foncière recouvre l'indemnité payée auprès de l'entité qui est redevable de l'indemnité pour la délocalisation volontaire de l'exploitation.
Onderafdeling 3. - Bepalen van de vergoeding voor de bedrijfsverplaatsing en de eventuele aankoopprijs
Sous-section 3. - Fixation de l'indemnité pour la délocalisation de l'exploitation et de l'éventuel prix d'achat
Art. 2.1.4.5. § 1. De landcommissie berekent de eventuele aankoopprijs van de onroerende goederen die naar aanleiding van de vrijwillige bedrijfsverplaatsing aangekocht zullen worden. De aankoopprijs wordt berekend op basis van de vergoedingsregels die gelden voor onteigening ten algemenen nutte, ende bepalingen van artikel 2.1.75, derde en vierde lid van het decreet van 28 maart 2014.
§ 2. De landcommissie berekent de vergoeding voor het verlies van het gebruik van de onroerende goederen die al dan niet in eigendom zijn van de aanvrager, waarvan het gebruik naar aanleiding van de vrijwillige bedrijfsverplaatsing stopgezet zal worden. De vergoeding voor het verlies van het gebruik wordt berekend op basis van de vergoedingsregels die gelden voor onteigening ten algemenen nutte.
§ 3. De landcommissie berekent de vergoeding voor de directe en indirecte kosten en voor de investeringen die verbonden zijn aan de vrijwillige bedrijfsverplaatsing, als som van de forfaitaire en de niet- forfaitaire vergoeding, vermeld in het tweede tot en met het vierde lid.
De forfaitaire vergoeding voor het effectief verplaatsen van dieren, materieel en andere roerende goederen die bij de uitrusting van het bedrijf horen, en voor de private transactiekosten, zoals de gespecialiseerde begeleiding van de bedrijfsverplaatsing, bedraagt 1,75 % van de totale kostprijs voor de heroprichting van soortgelijke bedrijfsgebouwen met dezelfde productiecapaciteit en actuele technieken, materialen, uitrusting en installaties.
Als de aanvrager eigenaar is van de bedrijfsgebouwen en onroerende constructies die in het kader van de bedrijfsverplaatsing aangekocht worden door de overheid, bedraagt de niet- forfaitaire vergoeding voor hervestiging van de bedrijfsgebouwen en onroerende constructies die bij de uitrusting van het bedrijf horen, maximaal 40 % van het verschil tussen de aankoopprijs van de bedrijfsgebouwen en de onroerende constructies die bij de uitrusting van het bedrijf horen, en de totale kostprijs voor de heroprichting van bedrijfsgebouwen en onroerende constructies die bij de uitrusting van het bedrijf horen, met dezelfde productiecapaciteit en actuele technieken, materialen, uitrusting en installaties.
Als de aanvrager geen eigenaar is van de bedrijfsgebouwen en onroerende constructies die betrokken zijn bij de bedrijfsverplaatsing, bedraagt de niet-forfaitaire vergoeding voor hervestiging van de bedrijfsgebouwen en onroerende constructies die bij de uitrusting van het bedrijf horen maximaal 40 % van de totale kostprijs voor de heroprichting van bedrijfsgebouwen en onroerende constructies die bij de uitrusting van het bedrijf horen met dezelfde productiecapaciteit en actuele technieken, materialen, uitrusting en installaties.
De landcommissie wint het advies in bij [3 het Agentschap Landbouw en Zeevisserij]3 over de totale kostprijs voor de heroprichting van bedrijfsgebouwen en onroerende constructies die bij de uitrusting van het bedrijf horen, met dezelfde productiecapaciteit en de actuele technieken, materialen, uitrusting en installaties.
[1 § 4. In afwijking van paragraaf 3 berekent de landcommissie de vergoeding voor de directe en de indirecte kosten en voor de investeringen die verbonden zijn aan de vrijwillige bedrijfsverplaatsing voor landbouwbedrijven die [2 meer dan of gelijk aan 5%]2 bijdragen aan de kritische depositiewaarde van een habitat dat zich binnen een Habitatrichtlijngebied bevindt op de volgende wijze:
Als de aanvrager eigenaar is van de bedrijfsgebouwen en de onroerende constructies die betrokken zijn bij de bedrijfsverplaatsing, bedraagt de vergoeding maximaal het verschil tussen de venale waarde van de bedrijfsgebouwen en de onroerende constructies die bij de uitrusting van het bedrijf horen, en de totale kostprijs voor de heroprichting van de bedrijfsgebouwen en de onroerende constructies die bij de uitrusting van het bedrijf horen, met dezelfde productiecapaciteit en de actuele technieken, materialen, uitrusting en installaties.
Als de aanvrager geen eigenaar is van de bedrijfsgebouwen en de onroerende constructies die betrokken zijn bij de bedrijfsverplaatsing, bedraagt de vergoeding maximaal 40% van de totale kostprijs voor de heroprichting van de bedrijfsgebouwen en de onroerende constructies die bij de uitrusting van het bedrijf horen, met dezelfde productiecapaciteit en de actuele technieken, materialen, uitrusting en installaties.
Het percentage, vermeld in het derde lid, kan met 20% worden verhoogd voor jonge landbouwers of voor landbouwers die zich hebben gevestigd in de periode van vijf jaar voorafgaand aan de datum van de aanvraag.]1
§ 2. De landcommissie berekent de vergoeding voor het verlies van het gebruik van de onroerende goederen die al dan niet in eigendom zijn van de aanvrager, waarvan het gebruik naar aanleiding van de vrijwillige bedrijfsverplaatsing stopgezet zal worden. De vergoeding voor het verlies van het gebruik wordt berekend op basis van de vergoedingsregels die gelden voor onteigening ten algemenen nutte.
§ 3. De landcommissie berekent de vergoeding voor de directe en indirecte kosten en voor de investeringen die verbonden zijn aan de vrijwillige bedrijfsverplaatsing, als som van de forfaitaire en de niet- forfaitaire vergoeding, vermeld in het tweede tot en met het vierde lid.
De forfaitaire vergoeding voor het effectief verplaatsen van dieren, materieel en andere roerende goederen die bij de uitrusting van het bedrijf horen, en voor de private transactiekosten, zoals de gespecialiseerde begeleiding van de bedrijfsverplaatsing, bedraagt 1,75 % van de totale kostprijs voor de heroprichting van soortgelijke bedrijfsgebouwen met dezelfde productiecapaciteit en actuele technieken, materialen, uitrusting en installaties.
Als de aanvrager eigenaar is van de bedrijfsgebouwen en onroerende constructies die in het kader van de bedrijfsverplaatsing aangekocht worden door de overheid, bedraagt de niet- forfaitaire vergoeding voor hervestiging van de bedrijfsgebouwen en onroerende constructies die bij de uitrusting van het bedrijf horen, maximaal 40 % van het verschil tussen de aankoopprijs van de bedrijfsgebouwen en de onroerende constructies die bij de uitrusting van het bedrijf horen, en de totale kostprijs voor de heroprichting van bedrijfsgebouwen en onroerende constructies die bij de uitrusting van het bedrijf horen, met dezelfde productiecapaciteit en actuele technieken, materialen, uitrusting en installaties.
Als de aanvrager geen eigenaar is van de bedrijfsgebouwen en onroerende constructies die betrokken zijn bij de bedrijfsverplaatsing, bedraagt de niet-forfaitaire vergoeding voor hervestiging van de bedrijfsgebouwen en onroerende constructies die bij de uitrusting van het bedrijf horen maximaal 40 % van de totale kostprijs voor de heroprichting van bedrijfsgebouwen en onroerende constructies die bij de uitrusting van het bedrijf horen met dezelfde productiecapaciteit en actuele technieken, materialen, uitrusting en installaties.
De landcommissie wint het advies in bij [3 het Agentschap Landbouw en Zeevisserij]3 over de totale kostprijs voor de heroprichting van bedrijfsgebouwen en onroerende constructies die bij de uitrusting van het bedrijf horen, met dezelfde productiecapaciteit en de actuele technieken, materialen, uitrusting en installaties.
[1 § 4. In afwijking van paragraaf 3 berekent de landcommissie de vergoeding voor de directe en de indirecte kosten en voor de investeringen die verbonden zijn aan de vrijwillige bedrijfsverplaatsing voor landbouwbedrijven die [2 meer dan of gelijk aan 5%]2 bijdragen aan de kritische depositiewaarde van een habitat dat zich binnen een Habitatrichtlijngebied bevindt op de volgende wijze:
Als de aanvrager eigenaar is van de bedrijfsgebouwen en de onroerende constructies die betrokken zijn bij de bedrijfsverplaatsing, bedraagt de vergoeding maximaal het verschil tussen de venale waarde van de bedrijfsgebouwen en de onroerende constructies die bij de uitrusting van het bedrijf horen, en de totale kostprijs voor de heroprichting van de bedrijfsgebouwen en de onroerende constructies die bij de uitrusting van het bedrijf horen, met dezelfde productiecapaciteit en de actuele technieken, materialen, uitrusting en installaties.
Als de aanvrager geen eigenaar is van de bedrijfsgebouwen en de onroerende constructies die betrokken zijn bij de bedrijfsverplaatsing, bedraagt de vergoeding maximaal 40% van de totale kostprijs voor de heroprichting van de bedrijfsgebouwen en de onroerende constructies die bij de uitrusting van het bedrijf horen, met dezelfde productiecapaciteit en de actuele technieken, materialen, uitrusting en installaties.
Het percentage, vermeld in het derde lid, kan met 20% worden verhoogd voor jonge landbouwers of voor landbouwers die zich hebben gevestigd in de periode van vijf jaar voorafgaand aan de datum van de aanvraag.]1
Art. 2.1.4.5. § 1er. La commission foncière calcule l'éventuel prix d'achat des biens immobiliers qui seront achetés à l'occasion de la délocalisation volontaire de l'exploitation. Le prix d'achat est calculé sur la base des règles d'indemnité applicables à l'expropriation d'utilité publique et des dispositions de l'article 2.1.75, alinéas trois et quatre du décret du 28 mars 2014.
§ 2. La commission foncière calcule l'indemnité pour la perte de l'utilisation des biens immobiliers dont le demandeur est le propriétaire ou non et dont l'utilisation sera arrêtée à l'occasion de la délocalisation volontaire de l'exploitation. L'indemnité pour la perte de l'utilisation est calculée sur la base des règles d'indemnité applicables aux expropriations d'utilité publique.
§ 3. La commission foncière calcule l'indemnité pour les coûts directs et indirects et pour les investissements liés à la délocalisation volontaire de l'exploitation, en additionnant l'indemnité forfaitaire et l'indemnité non-forfaitaire, visées aux alinéas deux à quatre compris.
L'indemnité forfaitaire pour le déplacement effectif d'animaux, de matériel et d'autres biens mobiliers qui font partie de l'équipement de l'exploitation et pour les frais de transaction privés, tels que l'accompagnement spécialisé de la délocalisation de l'exploitation, s'élève à 1,75 % du coût total pour la reconstruction de bâtiments similaires pourvus de la même capacité de production et de techniques, matériels, équipement et installations actuels.
Si le demandeur est propriétaire des bâtiments et constructions immobilières que les autorités achètent dans le cadre de la délocalisation de l'exploitation, l'indemnité non-forfaitaire pour le rétablissement des bâtiments et constructions immobilières faisant partie de l'équipement de l'exploitation, s'élève à au maximum 40 % de la différence entre le prix d'achat des bâtiments et des constructions immobilières faisant partie de l'équipement de l'exploitation et le coût total du rétablissement de bâtiments et de constructions immobilières faisant partie de l'équipement de l'exploitation et ayant la même capacité de production et des techniques, matériels, équipements et installations actuelles.
Si le demandeur n'est pas propriétaire des bâtiments et constructions immobilières concernés par la délocalisation de l'exploitation, l'indemnité non-forfaitaire pour le rétablissement des bâtiments et constructions immobilières faisant partie de l'équipement de l'exploitation, s'élève à au maximum 40 % du coût total du rétablissement de bâtiments et de constructions immobilières faisant partie de l'équipement de l'exploitation et ayant la même capacité de production et des techniques, matériels, équipements et installations actuelles.
La commission foncière sollicite l'avis [3 de l'Agence de l'Agriculture et de la Pêche ]3 sur le coût total pour la reconstruction de bâtiments et de constructions immobilières faisant partie de l'équipement de l'exploitation, ayant la même capacité de production et les mêmes techniques, matériels, équipement et installations actuelles.
[1 § 4. Par dérogation au paragraphe 3, la commission foncière calcule l'indemnité pour les frais directs et indirects et pour les investissements liés à la délocalisation volontaire de l'exploitation pour des exploitations agricoles contribuant pour [2 5% ou plus]2 à la valeur critique de dépôt d'un habitat qui se situe au sein d'une zone régie par la directive " Habitats ", de la manière suivante :
Si le demandeur est propriétaire des bâtiments et constructions immobilières concernés par la délocalisation de l'exploitation, l'indemnité s'élève au maximum à la différence entre la valeur vénale des bâtiments et des constructions immobilières faisant partie de l'équipement de l'exploitation, et le coût total de la reconstruction des bâtiments et constructions immobilières faisant partie de l'équipement de l'exploitation, ayant la même capacité de production et des techniques, matériels, équipements et installations actuelles.
Si le demandeur n'est pas propriétaire des bâtiments et constructions immobilières concernés par la délocalisation de l'exploitation, l'indemnité s'élève à au maximum 40% du coût total de la reconstruction des bâtiments et constructions immobilières faisant partie de l'équipement de l'exploitation, ayant la même capacité de production et des techniques, matériels, équipements et installations actuelles.
Le pourcentage, visé à l'alinéa 3, peut être majoré de 20% pour des jeunes agriculteurs ou des agriculteurs qui se sont installés pendant la période de cinq ans précédant la date de la demande.]1
§ 2. La commission foncière calcule l'indemnité pour la perte de l'utilisation des biens immobiliers dont le demandeur est le propriétaire ou non et dont l'utilisation sera arrêtée à l'occasion de la délocalisation volontaire de l'exploitation. L'indemnité pour la perte de l'utilisation est calculée sur la base des règles d'indemnité applicables aux expropriations d'utilité publique.
§ 3. La commission foncière calcule l'indemnité pour les coûts directs et indirects et pour les investissements liés à la délocalisation volontaire de l'exploitation, en additionnant l'indemnité forfaitaire et l'indemnité non-forfaitaire, visées aux alinéas deux à quatre compris.
L'indemnité forfaitaire pour le déplacement effectif d'animaux, de matériel et d'autres biens mobiliers qui font partie de l'équipement de l'exploitation et pour les frais de transaction privés, tels que l'accompagnement spécialisé de la délocalisation de l'exploitation, s'élève à 1,75 % du coût total pour la reconstruction de bâtiments similaires pourvus de la même capacité de production et de techniques, matériels, équipement et installations actuels.
Si le demandeur est propriétaire des bâtiments et constructions immobilières que les autorités achètent dans le cadre de la délocalisation de l'exploitation, l'indemnité non-forfaitaire pour le rétablissement des bâtiments et constructions immobilières faisant partie de l'équipement de l'exploitation, s'élève à au maximum 40 % de la différence entre le prix d'achat des bâtiments et des constructions immobilières faisant partie de l'équipement de l'exploitation et le coût total du rétablissement de bâtiments et de constructions immobilières faisant partie de l'équipement de l'exploitation et ayant la même capacité de production et des techniques, matériels, équipements et installations actuelles.
Si le demandeur n'est pas propriétaire des bâtiments et constructions immobilières concernés par la délocalisation de l'exploitation, l'indemnité non-forfaitaire pour le rétablissement des bâtiments et constructions immobilières faisant partie de l'équipement de l'exploitation, s'élève à au maximum 40 % du coût total du rétablissement de bâtiments et de constructions immobilières faisant partie de l'équipement de l'exploitation et ayant la même capacité de production et des techniques, matériels, équipements et installations actuelles.
La commission foncière sollicite l'avis [3 de l'Agence de l'Agriculture et de la Pêche ]3 sur le coût total pour la reconstruction de bâtiments et de constructions immobilières faisant partie de l'équipement de l'exploitation, ayant la même capacité de production et les mêmes techniques, matériels, équipement et installations actuelles.
[1 § 4. Par dérogation au paragraphe 3, la commission foncière calcule l'indemnité pour les frais directs et indirects et pour les investissements liés à la délocalisation volontaire de l'exploitation pour des exploitations agricoles contribuant pour [2 5% ou plus]2 à la valeur critique de dépôt d'un habitat qui se situe au sein d'une zone régie par la directive " Habitats ", de la manière suivante :
Si le demandeur est propriétaire des bâtiments et constructions immobilières concernés par la délocalisation de l'exploitation, l'indemnité s'élève au maximum à la différence entre la valeur vénale des bâtiments et des constructions immobilières faisant partie de l'équipement de l'exploitation, et le coût total de la reconstruction des bâtiments et constructions immobilières faisant partie de l'équipement de l'exploitation, ayant la même capacité de production et des techniques, matériels, équipements et installations actuelles.
Si le demandeur n'est pas propriétaire des bâtiments et constructions immobilières concernés par la délocalisation de l'exploitation, l'indemnité s'élève à au maximum 40% du coût total de la reconstruction des bâtiments et constructions immobilières faisant partie de l'équipement de l'exploitation, ayant la même capacité de production et des techniques, matériels, équipements et installations actuelles.
Le pourcentage, visé à l'alinéa 3, peut être majoré de 20% pour des jeunes agriculteurs ou des agriculteurs qui se sont installés pendant la période de cinq ans précédant la date de la demande.]1
Afdeling 3. - Vrijwillige bedrijfsstopzetting
Section 3. - Cessation volontaire de l'exploitation
Onderafdeling 1. - Algemene voorwaarden
Sous-section 1re. - Conditions générales
Art. 2.1.4.6. § 1. De vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting geldt voor landbouwbedrijven binnen de afbakening van het gebied waarvoor het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota wordt opgemaakt. In het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota wordt bepaald welke entiteit de vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsstopzetting en de eventuele bijbehorende aankoopprijs verschuldigd is.
De maximale bedragen voor de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting voldoen aan de communautaire regelgeving voor de vrijwillige bedrijfsstopzetting.
§ 2. De aanvraag van een vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting en de eventuele bijbehorende aankoop moet worden ingediend voor het verstrijken van de termijn van vijf jaar die ingaat vanaf de inwerkingtreding van het besluit tot vaststelling van de voltooiing van het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota.
§ 3. De gebruiker kan een vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting aanvragen als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
1° het landbouwbedrijf wordt uitgebaat door een landbouwer in hoofdberoep;
2° de aanvrager is op het moment van de aanvraag ten minste 55 jaar en niet ouder dan 65 jaar;
3° minstens het gebruik stopzetten van de onderdelen van het bedrijf die rechtstreeks de realisatie van het landinrichtingsproject of van het project, plan of programma hinderen. Is de aanvrager ook eigenaar dan worden deze onderdelen ook te koop aangeboden;
4° de aanvrager beëindigt overeenkomstig artikel 2.1.71 van het decreet van 28 maart 2014 definitief alle commerciële landbouwactiviteiten na de vrijwillige bedrijfsstopzetting.
5° het bedrijf beschikt over de nodige vergunningen.
§ 4. De gebruiker van een onroerend goed dat geheel of gedeeltelijk ligt binnen het gebied waar een vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting aangevraagd kan worden, kan die vergoeding aanvragen als de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt door de realisatie van het doel van het landinrichtingsproject of het project, plan of programma, in cumulatie met eventueel andere geplande en definitief besliste projecten, plannen of programma's die in uitvoering zijn.
De leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering komt ernstig in het gedrang als het arbeidsinkomen daalt onder twee derde van het gewestelijk vergelijkbaar inkomen..
§ 5. De vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting en de eventuele bijbehorende aankoop is alleen van toepassing als het stop te zetten bedrijf ligt in het Vlaamse Gewest.
De maximale bedragen voor de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting voldoen aan de communautaire regelgeving voor de vrijwillige bedrijfsstopzetting.
§ 2. De aanvraag van een vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting en de eventuele bijbehorende aankoop moet worden ingediend voor het verstrijken van de termijn van vijf jaar die ingaat vanaf de inwerkingtreding van het besluit tot vaststelling van de voltooiing van het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota.
§ 3. De gebruiker kan een vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting aanvragen als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
1° het landbouwbedrijf wordt uitgebaat door een landbouwer in hoofdberoep;
2° de aanvrager is op het moment van de aanvraag ten minste 55 jaar en niet ouder dan 65 jaar;
3° minstens het gebruik stopzetten van de onderdelen van het bedrijf die rechtstreeks de realisatie van het landinrichtingsproject of van het project, plan of programma hinderen. Is de aanvrager ook eigenaar dan worden deze onderdelen ook te koop aangeboden;
4° de aanvrager beëindigt overeenkomstig artikel 2.1.71 van het decreet van 28 maart 2014 definitief alle commerciële landbouwactiviteiten na de vrijwillige bedrijfsstopzetting.
5° het bedrijf beschikt over de nodige vergunningen.
§ 4. De gebruiker van een onroerend goed dat geheel of gedeeltelijk ligt binnen het gebied waar een vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting aangevraagd kan worden, kan die vergoeding aanvragen als de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt door de realisatie van het doel van het landinrichtingsproject of het project, plan of programma, in cumulatie met eventueel andere geplande en definitief besliste projecten, plannen of programma's die in uitvoering zijn.
De leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering komt ernstig in het gedrang als het arbeidsinkomen daalt onder twee derde van het gewestelijk vergelijkbaar inkomen..
§ 5. De vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting en de eventuele bijbehorende aankoop is alleen van toepassing als het stop te zetten bedrijf ligt in het Vlaamse Gewest.
Art. 2.1.4.6. § 1er. L'indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation s'applique aux exploitations agricoles à l'intérieur de la délimitation de la zone pour laquelle le plan de rénovation rurale ou la note d'aménagement sont établis. Le plan de rénovation rurale ou la note d'aménagement définissent l'entité qui est redevable de l'indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation et de l'éventuel prix d'achat y afférent.
Les montants maximum de l'indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation sont conformes à la réglementation communautaire applicable à la cessation volontaire de l'exploitation.
§ 2. La demande d'une indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation et pour l'éventuel achat y afférent, doit être introduite avant l'échéance du délai de cinq ans, qui prend cours à partir de l'entrée en vigueur de l'arrêté établissant l'achèvement du plan de rénovation sociale ou de la note d'aménagement.
§ 3. L'usager peut demander une indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation, s'il a été satisfait à toutes les conditions suivantes :
1° l'exploitation agricole est exploitée par un agriculteur exerçant à titre principal ;
2° au moment de la demande, le demandeur a au moins 55 ans et n'a pas plus de 65 ans ;
3° il est pour le moins mis fin à l'utilisation des parties de l'exploitation qui entravent directement la réalisation du projet de rénovation rurale ou du projet, plan ou programme. Au cas où le demandeur serait aussi propriétaire, ces parties sont en plus mises à la vente ;
4° conformément à l'article 2.1.71 du décret du 28 mars 2014, le demandeur met définitivement fin à toutes les activités agricoles commerciales après la cessation volontaire de l'exploitation.
5° l'exploitation dispose des autorisations requises.
§ 4. L'usager d'un bien immobilier situé entièrement ou partiellement dans la zone où une indemnité pour une cessation volontaire d'une exploitation peut être demandée, peut demander cette indemnité lorsque la viabilité des activités existantes sont gravement compromises par la réalisation de l'objectif du projet de rénovation rurale ou du projet, plan ou programme, en combinaison avec d'éventuels autres projets, plans ou programmes envisagés et définitifs, qui sont en cours d'exécution.
La viabilité des activités existantes est gravement compromise lorsque le revenu du travail baisse en dessous des deux tiers du revenu régional comparable.
§ 5. L'indemnité pour la cessation volontaire d'une exploitation et pour l'éventuel achat y afférent ne s'applique que si l'exploitation à cesser se trouve en Région flamande.
Les montants maximum de l'indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation sont conformes à la réglementation communautaire applicable à la cessation volontaire de l'exploitation.
§ 2. La demande d'une indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation et pour l'éventuel achat y afférent, doit être introduite avant l'échéance du délai de cinq ans, qui prend cours à partir de l'entrée en vigueur de l'arrêté établissant l'achèvement du plan de rénovation sociale ou de la note d'aménagement.
§ 3. L'usager peut demander une indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation, s'il a été satisfait à toutes les conditions suivantes :
1° l'exploitation agricole est exploitée par un agriculteur exerçant à titre principal ;
2° au moment de la demande, le demandeur a au moins 55 ans et n'a pas plus de 65 ans ;
3° il est pour le moins mis fin à l'utilisation des parties de l'exploitation qui entravent directement la réalisation du projet de rénovation rurale ou du projet, plan ou programme. Au cas où le demandeur serait aussi propriétaire, ces parties sont en plus mises à la vente ;
4° conformément à l'article 2.1.71 du décret du 28 mars 2014, le demandeur met définitivement fin à toutes les activités agricoles commerciales après la cessation volontaire de l'exploitation.
5° l'exploitation dispose des autorisations requises.
§ 4. L'usager d'un bien immobilier situé entièrement ou partiellement dans la zone où une indemnité pour une cessation volontaire d'une exploitation peut être demandée, peut demander cette indemnité lorsque la viabilité des activités existantes sont gravement compromises par la réalisation de l'objectif du projet de rénovation rurale ou du projet, plan ou programme, en combinaison avec d'éventuels autres projets, plans ou programmes envisagés et définitifs, qui sont en cours d'exécution.
La viabilité des activités existantes est gravement compromise lorsque le revenu du travail baisse en dessous des deux tiers du revenu régional comparable.
§ 5. L'indemnité pour la cessation volontaire d'une exploitation et pour l'éventuel achat y afférent ne s'applique que si l'exploitation à cesser se trouve en Région flamande.
Onderafdeling 2. - Procedure
Sous-section 2. - Procédure
Art. 2.1.4.7. § 1. De gebruiker dient bij de landcommissie de aanvraag van een vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting in met een beveiligde zending.
§ 2. Bij de aanvraag van een vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting worden de volgende stukken gevoegd:
1° de stukken waaruit blijkt dat voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2.1.4.6, § 3, 1°, 2° en 5° ;
2° de bewijsstukken die aantonen dat de aanwezigheid van het bedrijf rechtstreeks de realisatie van het doel van het landinrichtingsproject of het project, plan of programma belemmert of dat de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt door de realisatie van het doel van het landinrichtingsproject of het project, plan of programma, in cumulatie met eventueel andere geplande en definitief besliste projecten, plannen of programma's die in uitvoering zijn;
3° een plan van aanpak van de vrijwillige bedrijfsstopzetting;
4° een opsomming van alle gronden die bij het bedrijf horen, met per grond:
a) de vermelding van de oppervlakte, de aard van het gebruik en de locatie;
b) als de aanvrager ook de eigenaar is van de gronden, een plan met de kadastrale gegevens;
5° een opsomming van het aantal dieren per diercategorie dat aanwezig is op het bedrijf;
6° een opsomming van alle bedrijfsgebouwen die bij het bedrijf horen, met per gebouw:
a) de vermelding van de locatie, de oppervlakte, de aard van het gebruik, de voornaamste elementen van uitrusting en, in voorkomend geval, het aantal dierplaatsen per diercategorie;
b) als de aanvrager ook de eigenaar is van de bedrijfsgebouwen, een plan met de kadastrale gegevens;
7° stukken waaruit blijkt welke zakelijke en persoonlijke rechten de aanvrager heeft ten aanzien van de verschillende onderdelen van het bedrijf;
8° een opsomming van alle onderdelen van het bedrijf die de aanvrager, als eigenaar, te koop aanbiedt, waarbij minimaal de onderdelen van het bedrijf te koop worden aangeboden die rechtstreeks de realisatie van het landinrichtingsproject of het project, plan of programma hinderen;
9° een opsomming van alle onderdelen van het bedrijf waarvan de aanvrager niet de eigenaar is en die hij na de bedrijfsstopzetting niet langer zal gebruiken, waarbij minimaal het gebruik wordt stopgezet van de onderdelen van het bedrijf die rechtstreeks de realisatie van het van het landinrichtingsproject of het project, plan of programma hinderen;
10° een verklaring op erewoord dat alle commerciële landbouwactiviteiten definitief zullen worden stopgezet als een vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting wordt toegekend.
§ 3. De landcommissie gaat na of alle stukken als vermeld in paragraaf 2 bezorgd zijn.
Als niet alle stukken zijn bezorgd en de ingediende aanvraag bijgevolg als onvolledig wordt beschouwd, wordt de aanvrager door de landcommissie op de hoogte gebracht van de onvolledigheid van de aanvraag. De landcommissie brengt de aanvrager op de hoogte met een beveiligde zending binnen drie maanden nadat ze de aanvraag heeft ontvangen. De kennisgeving bevat de vermelding van de stukken die ontbreken of die nadere toelichting vereisen.
Als de ingediende aanvraag als volledig wordt beschouwd, dan wordt de aanvrager door de landcommissie op de hoogte gebracht van de volledigheid van de aanvraag. De landcommissie brengt de aanvrager met een beveiligde zending op de hoogte binnen drie maanden nadat de landcommissie de aanvraag van de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting heeft ontvangen, of, als de aanvraag in eerste instantie onvolledig is bevonden, binnen een maand nadat ze de ontbrekende stukken of de nadere toelichtingen heeft ontvangen.
§ 4. Binnen zes maanden nadat de landcommissie de aanvrager op de hoogte heeft gebracht van de volledigheid van het dossier, beslist de landcommissie in overleg met de entiteit die de vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsstopzetting en de eventuele bijhorende aankoopprijs verschuldigd is, of de aanvrager in aanmerking komt voor de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting en welke onderdelen van het bedrijf die door de aanvrager te koop worden aangeboden, zullen worden aangekocht.
De landcommissie kan bij de aanvrager van een vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting aanvullende stukken en inlichtingen opvragen of om een plaatsbezoek verzoeken. Als niet wordt ingegaan op het verzoek om de aanvullende stukken of de inlichtingen te verschaffen of om een plaatsbezoek toe te staan, kan dat aanleiding geven tot de tijdelijke opschorting of definitieve stopzetting van de behandeling van de aanvraag van een vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting.
De landcommissie kan de behandeling van de aanvraag van een vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting tijdelijk opschorten of definitief stopzetten als blijkt dat geen blijvende oplossing wordt verkregen, als vermeld in artikel 2.1.73, § 3, van het decreet van 28 maart 2014.
De landcommissie brengt de aanvrager binnen de termijn, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, verlengd met de termijn waarvoor de aanvraag tijdelijk is opgeschort, met een beveiligde zending op de hoogte van haar beslissing. Die kennisgeving gebeurt na het akkoord van de entiteit die de vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsstopzetting en de eventuele bijbehorende aankoopprijs verschuldigd is.
§ 5. De vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting en de eventuele aankoopprijs worden berekend conform artikel 2.1.4.8, § 1 tot en met 3. Aan de entiteit die de vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsstopzetting en de eventuele bijbehorende aankoopprijs verschuldigd is, worden de berekende vergoeding en de berekende aankoopprijs meegedeeld. De landcommissie deelt binnen vier maanden na de kennisgeving, vermeld in paragraaf 4, met een beveiligde zending de vergoeding voor bedrijfsstopzetting en de eventuele bijbehorende aankoopprijs mee aan de aanvrager. Die kennisgeving geldt als aanbod.
§ 6. De aanvrager, deelt binnen zes maanden na de kennisgeving, vermeld in paragraaf 5, aan de landcommissie mee of hij het aanbod al dan niet aanvaardt. Als hij binnen de voormelde termijn niet meedeelt of hij het bod aanvaardt, wordt het aanbod geacht geweigerd te zijn.
Als de aanvrager niet akkoord gaat met het aanbod kan hij binnen de zes maanden nadat hij op de hoogte is gebracht van het aanbod, vermeld in paragraaf 5, eenmalig beroep aantekenen bij het agentschap. Het agentschap beslist binnen de termijn van drie maanden na de ontvangst van het beroep of al dan niet overgegaan moet worden tot een nieuw aanbod binnen een termijn van drie maanden na de ontvangst van het beroep.
§ 7. De aanvrager, kan op elk moment de aanvraag van een vergoeding intrekken als het aanbod nog niet is aanvaard conform paragraaf 6.
§ 8. De landcommissie brengt de entiteit die de vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsstopzetting en de eventuele bijbehorende aankoopprijs verschuldigd is op de hoogte van het akkoord van de aanvrager met het aanbod, vermeld in paragraaf 6.
De entiteit die de bijbehorende aankoopprijs verschuldigd is, koopt in eigen naam en voor eigen rekening de aangeboden onroerende goederen aan. Als de aangeboden onroerende goederen liggen in de afbakening van het gebied waarvoor het landinrichtingsplan is opgemaakt, koopt de Vlaamse Grondenbank de goederen aan in naam en voor rekening van de entiteit die de vergoeding voor de bijbehorende aankoopprijs verschuldigd is. Als de aangeboden onroerende goederen liggen in de afbakening van het gebied waarvoor de inrichtingsnota is opgemaakt, kan de Vlaamse Regering de opdracht geven aan de Vlaamse Grondenbank om de aangeboden onroerende goederen aan te kopen in naam en voor rekening van de entiteit die de vergoeding voor de bijbehorende aankoopprijs verschuldigd is.
§ 9. De landcommissie staat in voor de betaling van de vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsstopzetting. De vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsstopzetting wordt betaald na de aanvraag tot betaling bij de landcommissie door de aanvrager van de vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsstopzetting binnen een jaar na de aanvaarding van het aanbod door de aanvrager.
De aanvrager legt bij de aanvraag tot betaling bewijsstukken voor van de effectieve stopzetting van alle commerciële activiteiten.
De landcommissie vordert de betaalde vergoeding terug van de entiteit die de vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsstopzetting verschuldigd is.
§ 2. Bij de aanvraag van een vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting worden de volgende stukken gevoegd:
1° de stukken waaruit blijkt dat voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2.1.4.6, § 3, 1°, 2° en 5° ;
2° de bewijsstukken die aantonen dat de aanwezigheid van het bedrijf rechtstreeks de realisatie van het doel van het landinrichtingsproject of het project, plan of programma belemmert of dat de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt door de realisatie van het doel van het landinrichtingsproject of het project, plan of programma, in cumulatie met eventueel andere geplande en definitief besliste projecten, plannen of programma's die in uitvoering zijn;
3° een plan van aanpak van de vrijwillige bedrijfsstopzetting;
4° een opsomming van alle gronden die bij het bedrijf horen, met per grond:
a) de vermelding van de oppervlakte, de aard van het gebruik en de locatie;
b) als de aanvrager ook de eigenaar is van de gronden, een plan met de kadastrale gegevens;
5° een opsomming van het aantal dieren per diercategorie dat aanwezig is op het bedrijf;
6° een opsomming van alle bedrijfsgebouwen die bij het bedrijf horen, met per gebouw:
a) de vermelding van de locatie, de oppervlakte, de aard van het gebruik, de voornaamste elementen van uitrusting en, in voorkomend geval, het aantal dierplaatsen per diercategorie;
b) als de aanvrager ook de eigenaar is van de bedrijfsgebouwen, een plan met de kadastrale gegevens;
7° stukken waaruit blijkt welke zakelijke en persoonlijke rechten de aanvrager heeft ten aanzien van de verschillende onderdelen van het bedrijf;
8° een opsomming van alle onderdelen van het bedrijf die de aanvrager, als eigenaar, te koop aanbiedt, waarbij minimaal de onderdelen van het bedrijf te koop worden aangeboden die rechtstreeks de realisatie van het landinrichtingsproject of het project, plan of programma hinderen;
9° een opsomming van alle onderdelen van het bedrijf waarvan de aanvrager niet de eigenaar is en die hij na de bedrijfsstopzetting niet langer zal gebruiken, waarbij minimaal het gebruik wordt stopgezet van de onderdelen van het bedrijf die rechtstreeks de realisatie van het van het landinrichtingsproject of het project, plan of programma hinderen;
10° een verklaring op erewoord dat alle commerciële landbouwactiviteiten definitief zullen worden stopgezet als een vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting wordt toegekend.
§ 3. De landcommissie gaat na of alle stukken als vermeld in paragraaf 2 bezorgd zijn.
Als niet alle stukken zijn bezorgd en de ingediende aanvraag bijgevolg als onvolledig wordt beschouwd, wordt de aanvrager door de landcommissie op de hoogte gebracht van de onvolledigheid van de aanvraag. De landcommissie brengt de aanvrager op de hoogte met een beveiligde zending binnen drie maanden nadat ze de aanvraag heeft ontvangen. De kennisgeving bevat de vermelding van de stukken die ontbreken of die nadere toelichting vereisen.
Als de ingediende aanvraag als volledig wordt beschouwd, dan wordt de aanvrager door de landcommissie op de hoogte gebracht van de volledigheid van de aanvraag. De landcommissie brengt de aanvrager met een beveiligde zending op de hoogte binnen drie maanden nadat de landcommissie de aanvraag van de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting heeft ontvangen, of, als de aanvraag in eerste instantie onvolledig is bevonden, binnen een maand nadat ze de ontbrekende stukken of de nadere toelichtingen heeft ontvangen.
§ 4. Binnen zes maanden nadat de landcommissie de aanvrager op de hoogte heeft gebracht van de volledigheid van het dossier, beslist de landcommissie in overleg met de entiteit die de vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsstopzetting en de eventuele bijhorende aankoopprijs verschuldigd is, of de aanvrager in aanmerking komt voor de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting en welke onderdelen van het bedrijf die door de aanvrager te koop worden aangeboden, zullen worden aangekocht.
De landcommissie kan bij de aanvrager van een vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting aanvullende stukken en inlichtingen opvragen of om een plaatsbezoek verzoeken. Als niet wordt ingegaan op het verzoek om de aanvullende stukken of de inlichtingen te verschaffen of om een plaatsbezoek toe te staan, kan dat aanleiding geven tot de tijdelijke opschorting of definitieve stopzetting van de behandeling van de aanvraag van een vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting.
De landcommissie kan de behandeling van de aanvraag van een vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting tijdelijk opschorten of definitief stopzetten als blijkt dat geen blijvende oplossing wordt verkregen, als vermeld in artikel 2.1.73, § 3, van het decreet van 28 maart 2014.
De landcommissie brengt de aanvrager binnen de termijn, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, verlengd met de termijn waarvoor de aanvraag tijdelijk is opgeschort, met een beveiligde zending op de hoogte van haar beslissing. Die kennisgeving gebeurt na het akkoord van de entiteit die de vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsstopzetting en de eventuele bijbehorende aankoopprijs verschuldigd is.
§ 5. De vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting en de eventuele aankoopprijs worden berekend conform artikel 2.1.4.8, § 1 tot en met 3. Aan de entiteit die de vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsstopzetting en de eventuele bijbehorende aankoopprijs verschuldigd is, worden de berekende vergoeding en de berekende aankoopprijs meegedeeld. De landcommissie deelt binnen vier maanden na de kennisgeving, vermeld in paragraaf 4, met een beveiligde zending de vergoeding voor bedrijfsstopzetting en de eventuele bijbehorende aankoopprijs mee aan de aanvrager. Die kennisgeving geldt als aanbod.
§ 6. De aanvrager, deelt binnen zes maanden na de kennisgeving, vermeld in paragraaf 5, aan de landcommissie mee of hij het aanbod al dan niet aanvaardt. Als hij binnen de voormelde termijn niet meedeelt of hij het bod aanvaardt, wordt het aanbod geacht geweigerd te zijn.
Als de aanvrager niet akkoord gaat met het aanbod kan hij binnen de zes maanden nadat hij op de hoogte is gebracht van het aanbod, vermeld in paragraaf 5, eenmalig beroep aantekenen bij het agentschap. Het agentschap beslist binnen de termijn van drie maanden na de ontvangst van het beroep of al dan niet overgegaan moet worden tot een nieuw aanbod binnen een termijn van drie maanden na de ontvangst van het beroep.
§ 7. De aanvrager, kan op elk moment de aanvraag van een vergoeding intrekken als het aanbod nog niet is aanvaard conform paragraaf 6.
§ 8. De landcommissie brengt de entiteit die de vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsstopzetting en de eventuele bijbehorende aankoopprijs verschuldigd is op de hoogte van het akkoord van de aanvrager met het aanbod, vermeld in paragraaf 6.
De entiteit die de bijbehorende aankoopprijs verschuldigd is, koopt in eigen naam en voor eigen rekening de aangeboden onroerende goederen aan. Als de aangeboden onroerende goederen liggen in de afbakening van het gebied waarvoor het landinrichtingsplan is opgemaakt, koopt de Vlaamse Grondenbank de goederen aan in naam en voor rekening van de entiteit die de vergoeding voor de bijbehorende aankoopprijs verschuldigd is. Als de aangeboden onroerende goederen liggen in de afbakening van het gebied waarvoor de inrichtingsnota is opgemaakt, kan de Vlaamse Regering de opdracht geven aan de Vlaamse Grondenbank om de aangeboden onroerende goederen aan te kopen in naam en voor rekening van de entiteit die de vergoeding voor de bijbehorende aankoopprijs verschuldigd is.
§ 9. De landcommissie staat in voor de betaling van de vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsstopzetting. De vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsstopzetting wordt betaald na de aanvraag tot betaling bij de landcommissie door de aanvrager van de vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsstopzetting binnen een jaar na de aanvaarding van het aanbod door de aanvrager.
De aanvrager legt bij de aanvraag tot betaling bewijsstukken voor van de effectieve stopzetting van alle commerciële activiteiten.
De landcommissie vordert de betaalde vergoeding terug van de entiteit die de vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsstopzetting verschuldigd is.
Art. 2.1.4.7. § 1er. L'usager introduit la demande d'une indemnité pour une cessation volontaire de l'exploitation auprès de la commission foncière au moyen d'un envoi sécurisé.
§ 2. Les pièces suivantes doivent être jointes à la demande d'une indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation :
1° les pièces dont il ressort qu'il a été satisfait aux conditions, visées à l'article 2.1.4.6, § 3, 1°, 2° et 5° ;
2° les pièces justificatives démontrant que la présence de l'exploitation compromet directement la réalisation de l'objectif du projet de rénovation rurale ou du projet, plan ou programme, ou que la viabilité des activités existantes est gravement compromise par la réalisation de l'objectif du projet de rénovation rurale ou du projet, plan ou programme, en combinaison avec d'éventuels autres projets, plans ou programmes envisagés et définitifs, qui sont en cours d'exécution ;
3° un plan d'approche de la cessation volontaire de l'exploitation ;
4° une énumération de toutes les terres appartenant à l'exploitation, avec, par terre :
a) la mention de la superficie, de la nature de l'utilisation et de la localisation ;
b) au cas où le demandeur serait aussi le propriétaire des terres, un plan comprenant les données cadastrales ;
5° une énumération du nombre d'animaux par espèce animale, présent sur l'exploitation ;
6° une énumération de tous les bâtiments faisant partie de l'exploitation, avec, par bâtiment :
a) la mention de la localisation, de la superficie, de la nature de l'utilisation, des éléments principaux de l'équipement et, le cas échéant, du nombre d'animaux par espèce animale ;
b) au cas où le demandeur serait aussi le propriétaire des bâtiments, un plan comprenant les données cadastrales ;
7° les pièces attestant les droits réels et personnels dont dispose le demandeur à l'égard des différentes parties de l'exploitation ;
8° une énumération de toutes les parties de l'exploitation que le demandeur met à la vente en tant que propriétaire, parmi lesquelles figurent au minimum les parties de l'exploitation compromettant directement la réalisation du projet de rénovation rurale ou du projet, plan ou programme ;
9° une énumération de toutes les parties de l'exploitation dont le demandeur n'est pas le propriétaire et qu'il n'utilisera plus après la cessation de l'exploitation, notamment les parties de l'exploitation qui compromettent la réalisation du projet de rénovation rurale ou du projet, plan ou programme directement;
10° une déclaration sur l'honneur que toutes les activités agricoles commerciales seront définitivement cessées si une indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation est octroyée.
§ 3. La commission foncière vérifie si toutes les pièces, telles que visées au paragraphe 2, ont été transmises.
Lorsque les pièces n'ont pas toutes été transmises et que la demande introduite ne peut dès lors pas être considérée complète, le demandeur est informé du caractère incomplet de la demande par la commission foncière. La commission foncière le notifie au demandeur par envoi sécurisé dans les trois mois après qu'elle a reçu la demande. La notification indique les pièces manquantes ou nécessitant davantage d'explications.
Lorsque la demande introduite est considérée complète, le demandeur est informé du caractère complet de la demande par la commission foncière. La commission foncière le notifie au demandeur par envoi sécurisé dans les trois mois après qu'elle a reçu la demande d'une indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation, ou, si la demande a dans un premier temps été évaluée incomplète, dans un mois après la réception des pièces manquantes ou des explications plus détaillées.
§ 4. Dans les six mois après que la commission foncière a informé le demandeur du caractère complet du dossier, elle décide en concertation avec l'entité qui est redevable de l'indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation et de l'éventuel prix d'achat y afférent, si le demandeur entre en ligne de compte pour l'indemnité pour une cessation volontaire de l'exploitation et quelles parties de l'exploitation que le demandeur offre à la vente, seront achetées.
La commission foncière peut demander des pièces et renseignements complémentaires ou une visite sur les lieux auprès du demandeur d'une indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation. S'il n'est pas donné suite à la demande de fournir les pièces ou renseignements supplémentaires ou d'accorder une visite sur les lieux, une suspension temporaire ou un arrêt définitif du traitement de la demande d'une indemnité pour la cessation volontaire d'une exploitation peut s'ensuivre.
La commission foncière peut temporairement suspendre ou définitivement arrêter le traitement de la demande d'une indemnité pour la cessation volontaire d'une exploitation s'il s'avère qu'une solution durable, telle que visée à l'article 2.1.73, § 3 du décret du 28 mars 2014 ne peut pas être atteinte.
La commission foncière notifie sa décision au demandeur par envoi sécurisé endéans le délai, visé au paragraphe 4, alinéa premier, prolongé du délai pendant lequel la demande a été temporairement suspendue. Cette notification a lieu après l'accord de l'entité qui est redevable de l'indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation et de l'éventuel prix d'achat y afférent.
§ 5. L'indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation et du prix d'achat éventuel sont calculés conformément à l'article 2.1.4.8, § 1er à 3 inclus. L'indemnité et le prix d'achat ainsi calculés sont communiqués à l'entité qui est redevable de l'indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation et de l'éventuel prix d'achat y afférent. La commission foncière informe le demandeur de l'indemnité pour la cessation de l'exploitation et de l'éventuel prix d'achat y afférent par envoi sécurisé, dans les quatre mois après la notification, visée au paragraphe 4. Cette notification tient lieu d'offre.
§ 6. Le demandeur informe la commission foncière s'il accepte l'offre ou non, dans les six mois après la notification, visée au paragraphe 5. Lorsqu'il ne lui informe pas dans le délai précité s'il accepte l'offre, l'offre est réputée être refusée.
Si le demandeur n'est pas d'accord avec l'offre, il peut former un recours unique devant l'agence dans les six mois après qu'il a été informé de l'offre, visée au paragraphe 5. L'agence décide dans un délai de trois mois après la réception du recours s'il est procédé à la proposition d'une nouvelle offre dans un délai de trois mois après la réception du recours.
§ 7. Le demandeur peut retirer la demande d'une indemnité à tout moment, si l'offre n'a pas encore été acceptée conformément au paragraphe 6.
§ 8. La commission foncière informe l'entité qui est redevable de l'indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation et de l'éventuel prix d'achat y afférent, de l'accord que le demandeur a donné à l'offre, visée au paragraphe 6.
L'entité qui est redevable du prix d'achat y afférent, achète les biens immobiliers offerts en son propre nom et pour son propre compte. Lorsque les biens immobiliers offerts sont situés dans la délimitation de la zone pour laquelle le plan de rénovation rurale a été établi, la " Vlaamse Grondenbank " achète les biens au nom de et pour le compte de l'entité qui est redevable de l'indemnité pour le prix d'achat y afférent. Lorsque les biens immobiliers offerts sont situés dans la délimitation de la zone pour laquelle la note d'aménagement a été établi, le Gouvernement flamand peut charger la " Vlaamse Grondenbank " d'acheter les biens immobiliers offerts au nom de et pour le compte de l'entité qui est redevable de l'indemnité pour le prix d'achat y afférent.
§ 9. La commission foncière assure le paiement de l'indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation. L'indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation est payée après la demande de paiement auprès de la commission foncière par le demandeur de l'indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation endéans l'année suivant l'acceptation de l'offre par le demandeur.
Le demandeur fait accompagner la demande de paiement de pièces justificatives démontrant la cessation effective de toutes les activités commerciales.
La commission foncière recouvre l'indemnité payée auprès de l'entité qui est redevable de l'indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation.
§ 2. Les pièces suivantes doivent être jointes à la demande d'une indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation :
1° les pièces dont il ressort qu'il a été satisfait aux conditions, visées à l'article 2.1.4.6, § 3, 1°, 2° et 5° ;
2° les pièces justificatives démontrant que la présence de l'exploitation compromet directement la réalisation de l'objectif du projet de rénovation rurale ou du projet, plan ou programme, ou que la viabilité des activités existantes est gravement compromise par la réalisation de l'objectif du projet de rénovation rurale ou du projet, plan ou programme, en combinaison avec d'éventuels autres projets, plans ou programmes envisagés et définitifs, qui sont en cours d'exécution ;
3° un plan d'approche de la cessation volontaire de l'exploitation ;
4° une énumération de toutes les terres appartenant à l'exploitation, avec, par terre :
a) la mention de la superficie, de la nature de l'utilisation et de la localisation ;
b) au cas où le demandeur serait aussi le propriétaire des terres, un plan comprenant les données cadastrales ;
5° une énumération du nombre d'animaux par espèce animale, présent sur l'exploitation ;
6° une énumération de tous les bâtiments faisant partie de l'exploitation, avec, par bâtiment :
a) la mention de la localisation, de la superficie, de la nature de l'utilisation, des éléments principaux de l'équipement et, le cas échéant, du nombre d'animaux par espèce animale ;
b) au cas où le demandeur serait aussi le propriétaire des bâtiments, un plan comprenant les données cadastrales ;
7° les pièces attestant les droits réels et personnels dont dispose le demandeur à l'égard des différentes parties de l'exploitation ;
8° une énumération de toutes les parties de l'exploitation que le demandeur met à la vente en tant que propriétaire, parmi lesquelles figurent au minimum les parties de l'exploitation compromettant directement la réalisation du projet de rénovation rurale ou du projet, plan ou programme ;
9° une énumération de toutes les parties de l'exploitation dont le demandeur n'est pas le propriétaire et qu'il n'utilisera plus après la cessation de l'exploitation, notamment les parties de l'exploitation qui compromettent la réalisation du projet de rénovation rurale ou du projet, plan ou programme directement;
10° une déclaration sur l'honneur que toutes les activités agricoles commerciales seront définitivement cessées si une indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation est octroyée.
§ 3. La commission foncière vérifie si toutes les pièces, telles que visées au paragraphe 2, ont été transmises.
Lorsque les pièces n'ont pas toutes été transmises et que la demande introduite ne peut dès lors pas être considérée complète, le demandeur est informé du caractère incomplet de la demande par la commission foncière. La commission foncière le notifie au demandeur par envoi sécurisé dans les trois mois après qu'elle a reçu la demande. La notification indique les pièces manquantes ou nécessitant davantage d'explications.
Lorsque la demande introduite est considérée complète, le demandeur est informé du caractère complet de la demande par la commission foncière. La commission foncière le notifie au demandeur par envoi sécurisé dans les trois mois après qu'elle a reçu la demande d'une indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation, ou, si la demande a dans un premier temps été évaluée incomplète, dans un mois après la réception des pièces manquantes ou des explications plus détaillées.
§ 4. Dans les six mois après que la commission foncière a informé le demandeur du caractère complet du dossier, elle décide en concertation avec l'entité qui est redevable de l'indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation et de l'éventuel prix d'achat y afférent, si le demandeur entre en ligne de compte pour l'indemnité pour une cessation volontaire de l'exploitation et quelles parties de l'exploitation que le demandeur offre à la vente, seront achetées.
La commission foncière peut demander des pièces et renseignements complémentaires ou une visite sur les lieux auprès du demandeur d'une indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation. S'il n'est pas donné suite à la demande de fournir les pièces ou renseignements supplémentaires ou d'accorder une visite sur les lieux, une suspension temporaire ou un arrêt définitif du traitement de la demande d'une indemnité pour la cessation volontaire d'une exploitation peut s'ensuivre.
La commission foncière peut temporairement suspendre ou définitivement arrêter le traitement de la demande d'une indemnité pour la cessation volontaire d'une exploitation s'il s'avère qu'une solution durable, telle que visée à l'article 2.1.73, § 3 du décret du 28 mars 2014 ne peut pas être atteinte.
La commission foncière notifie sa décision au demandeur par envoi sécurisé endéans le délai, visé au paragraphe 4, alinéa premier, prolongé du délai pendant lequel la demande a été temporairement suspendue. Cette notification a lieu après l'accord de l'entité qui est redevable de l'indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation et de l'éventuel prix d'achat y afférent.
§ 5. L'indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation et du prix d'achat éventuel sont calculés conformément à l'article 2.1.4.8, § 1er à 3 inclus. L'indemnité et le prix d'achat ainsi calculés sont communiqués à l'entité qui est redevable de l'indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation et de l'éventuel prix d'achat y afférent. La commission foncière informe le demandeur de l'indemnité pour la cessation de l'exploitation et de l'éventuel prix d'achat y afférent par envoi sécurisé, dans les quatre mois après la notification, visée au paragraphe 4. Cette notification tient lieu d'offre.
§ 6. Le demandeur informe la commission foncière s'il accepte l'offre ou non, dans les six mois après la notification, visée au paragraphe 5. Lorsqu'il ne lui informe pas dans le délai précité s'il accepte l'offre, l'offre est réputée être refusée.
Si le demandeur n'est pas d'accord avec l'offre, il peut former un recours unique devant l'agence dans les six mois après qu'il a été informé de l'offre, visée au paragraphe 5. L'agence décide dans un délai de trois mois après la réception du recours s'il est procédé à la proposition d'une nouvelle offre dans un délai de trois mois après la réception du recours.
§ 7. Le demandeur peut retirer la demande d'une indemnité à tout moment, si l'offre n'a pas encore été acceptée conformément au paragraphe 6.
§ 8. La commission foncière informe l'entité qui est redevable de l'indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation et de l'éventuel prix d'achat y afférent, de l'accord que le demandeur a donné à l'offre, visée au paragraphe 6.
L'entité qui est redevable du prix d'achat y afférent, achète les biens immobiliers offerts en son propre nom et pour son propre compte. Lorsque les biens immobiliers offerts sont situés dans la délimitation de la zone pour laquelle le plan de rénovation rurale a été établi, la " Vlaamse Grondenbank " achète les biens au nom de et pour le compte de l'entité qui est redevable de l'indemnité pour le prix d'achat y afférent. Lorsque les biens immobiliers offerts sont situés dans la délimitation de la zone pour laquelle la note d'aménagement a été établi, le Gouvernement flamand peut charger la " Vlaamse Grondenbank " d'acheter les biens immobiliers offerts au nom de et pour le compte de l'entité qui est redevable de l'indemnité pour le prix d'achat y afférent.
§ 9. La commission foncière assure le paiement de l'indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation. L'indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation est payée après la demande de paiement auprès de la commission foncière par le demandeur de l'indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation endéans l'année suivant l'acceptation de l'offre par le demandeur.
Le demandeur fait accompagner la demande de paiement de pièces justificatives démontrant la cessation effective de toutes les activités commerciales.
La commission foncière recouvre l'indemnité payée auprès de l'entité qui est redevable de l'indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation.
Onderafdeling 3. - Bepalen van de vergoeding voor bedrijfsstopzetting en de eventuele aankoopprijs
Sous-section 3. - Fixation de l'indemnité pour la cessation de l'exploitation et de l'éventuel prix d'achat
Art. 2.1.4.8. § 1. De landcommissie berekent de eventuele aankoopprijs van de onroerende goederen die naar aanleiding van de vrijwillige bedrijfsstopzetting aangekocht zullen worden. De aankoopprijs wordt berekend op basis van de vergoedingsregels die gelden voor onteigening ten algemenen nutte, en de bepalingen van artikel 2.1.75, derde en vierde lid, van het decreet van 28 maart 2014.
§ 2. De landcommissie berekent de vergoeding voor het verlies van het gebruik van de onroerende goederen die al dan niet in eigendom zijn van de aanvrager, waarvan het gebruik naar aanleiding van de vrijwillige bedrijfsstopzetting stopgezet zal worden. De vergoeding voor het verlies van het gebruik wordt berekend op basis van de vergoedingsregels die gelden voor onteigening ten algemenen nutte.
§ 3. De landcommissie berekent de vergoeding voor de directe en indirecte kosten en voor het inkomensverlies die gepaard gaan met de vrijwillige bedrijfsstopzetting.
De vergoeding is gelijk aan het jaarlijkse bruto saldo van de teelten en dieren die aanwezig zijn op het bedrijf, vermenigvuldigd met het verschil tussen 65 en de leeftijd van de aanvrager op het moment van de aanvraag.
De landcommissie kan de vergoeding berekenen op basis van bedrijfseconomische boekhoudgegevens voor zover de aanvrager een bedrijfseconomische of een bewijskrachtige fiscale boekhouding kan voorleggen, vermeld in artikel 4 van het besluit van de Vlaamse regering van 24 november 2000 betreffende steun aan de investeringen en aan de installatie in de landbouw, en met een termijn van vier jaar voorafgaandelijk aan de aanvraag.
De landcommissie wint het advies in bij [1 het Agentschap Landbouw en Zeevisserij]1 over het jaarlijkse bruto saldo, als gemiddeld bruto saldo van de laatste vier bekende jaarlijkse bruto saldi van de teelten en dieren die aanwezig zijn op het bedrijf en over de berekening van de vergoeding op basis van bedrijfseconomische boekhoudgegevens.
§ 2. De landcommissie berekent de vergoeding voor het verlies van het gebruik van de onroerende goederen die al dan niet in eigendom zijn van de aanvrager, waarvan het gebruik naar aanleiding van de vrijwillige bedrijfsstopzetting stopgezet zal worden. De vergoeding voor het verlies van het gebruik wordt berekend op basis van de vergoedingsregels die gelden voor onteigening ten algemenen nutte.
§ 3. De landcommissie berekent de vergoeding voor de directe en indirecte kosten en voor het inkomensverlies die gepaard gaan met de vrijwillige bedrijfsstopzetting.
De vergoeding is gelijk aan het jaarlijkse bruto saldo van de teelten en dieren die aanwezig zijn op het bedrijf, vermenigvuldigd met het verschil tussen 65 en de leeftijd van de aanvrager op het moment van de aanvraag.
De landcommissie kan de vergoeding berekenen op basis van bedrijfseconomische boekhoudgegevens voor zover de aanvrager een bedrijfseconomische of een bewijskrachtige fiscale boekhouding kan voorleggen, vermeld in artikel 4 van het besluit van de Vlaamse regering van 24 november 2000 betreffende steun aan de investeringen en aan de installatie in de landbouw, en met een termijn van vier jaar voorafgaandelijk aan de aanvraag.
De landcommissie wint het advies in bij [1 het Agentschap Landbouw en Zeevisserij]1 over het jaarlijkse bruto saldo, als gemiddeld bruto saldo van de laatste vier bekende jaarlijkse bruto saldi van de teelten en dieren die aanwezig zijn op het bedrijf en over de berekening van de vergoeding op basis van bedrijfseconomische boekhoudgegevens.
Modifications
Art. 2.1.4.8. § 1er. La commission foncière calcule l'éventuel prix d'achat des biens immobiliers qui seront achetés à l'occasion de la cessation volontaire de l'exploitation. Le prix d'achat est calculé sur la base des règles d'indemnité applicables à l'expropriation d'utilité publique et des dispositions de l'article 2.1.75, alinéas trois et quatre du décret du 28 mars 2014.
§ 2. La commission foncière calcule l'indemnité pour la perte de l'utilisation des biens immobiliers dont le demandeur est le propriétaire ou non et dont l'utilisation sera arrêtée à l'occasion de la cessation volontaire de l'exploitation. L'indemnité pour la perte de l'utilisation est calculée sur la base des règles d'indemnité applicables aux expropriations d'utilité publique.
§ 3. La commission foncière calcule l'indemnité pour les coûts directs et indirects et pour la perte de revenus découlant de la cessation volontaire de l'exploitation.
L'indemnité est égale au solde annuel brut des cultures et animaux présents sur l'exploitation, multiplié avec la différence entre 65 et l'âge du demandeur au moment de la demande.
La commission foncière peut calculer l'indemnité sur la base de données comptables de l'exploitation pour autant que le demandeur peut présenter une comptabilité fiscale économique ou probante, telle que visée à l'article 4 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 novembre 2000 concernant les aides aux investissements et à l'installation dans l'agriculture, et avec un délai de quatre ans préalablement à la demande.
La commission foncière sollicite l'avis [1 de l'Agence de l'Agriculture et de la Pêche ]1 sur le solde annuel brut, pris comme le solde moyen brut des quatre derniers soldes bruts connus des cultures et animaux présents sur l'exploitation et sur le calcul de l'indemnité sur la base des données comptables de l'exploitation.
§ 2. La commission foncière calcule l'indemnité pour la perte de l'utilisation des biens immobiliers dont le demandeur est le propriétaire ou non et dont l'utilisation sera arrêtée à l'occasion de la cessation volontaire de l'exploitation. L'indemnité pour la perte de l'utilisation est calculée sur la base des règles d'indemnité applicables aux expropriations d'utilité publique.
§ 3. La commission foncière calcule l'indemnité pour les coûts directs et indirects et pour la perte de revenus découlant de la cessation volontaire de l'exploitation.
L'indemnité est égale au solde annuel brut des cultures et animaux présents sur l'exploitation, multiplié avec la différence entre 65 et l'âge du demandeur au moment de la demande.
La commission foncière peut calculer l'indemnité sur la base de données comptables de l'exploitation pour autant que le demandeur peut présenter une comptabilité fiscale économique ou probante, telle que visée à l'article 4 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 novembre 2000 concernant les aides aux investissements et à l'installation dans l'agriculture, et avec un délai de quatre ans préalablement à la demande.
La commission foncière sollicite l'avis [1 de l'Agence de l'Agriculture et de la Pêche ]1 sur le solde annuel brut, pris comme le solde moyen brut des quatre derniers soldes bruts connus des cultures et animaux présents sur l'exploitation et sur le calcul de l'indemnité sur la base des données comptables de l'exploitation.
Modifications
Afdeling 4. - Vrijwillige bedrijfsreconversie
Section 4. - Reconversion volontaire de l'exploitation
Onderafdeling 1. - Algemene voorwaarden
Sous-section 1re. - Conditions générales
Art. 2.1.4.9. § 1. De vergoeding voor vrijwillige bedrijfsreconversie geldt voor landbouwbedrijven binnen de afbakening van het gebied waarvoor het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota wordt opgemaakt. In het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota wordt bepaald welke entiteit de vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsreconversie en de eventuele bijbehorende aankoopprijs verschuldigd is.
De maximale bedragen voor de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsreconversie en voldoen aan de communautaire regelgeving voor de vrijwillige bedrijfsreconversie.
§ 2. De aanvraag van een vergoeding voor vrijwillige bedrijfsreconversie en de eventuele bijbehorende aankoop moet worden ingediend voor het verstrijken van de termijn van vijf jaar die ingaat vanaf de inwerkingtreding van het besluit tot vaststelling van de voltooiing van het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota.
§ 3. De gebruiker kan een vergoeding voor vrijwillige bedrijfsreconversie aanvragen als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
1° het landbouwbedrijf wordt uitgebaat door een landbouwer in hoofdberoep;
2° het bedrijf beschikt over de nodige vergunningen;
3° de aanvrager gaat één van de volgende drie mogelijkheden tot bedrijfsreconversie aan:
a) hij doet afstand van het gebruik van minimaal 25 % van de totale bedrijfsoppervlakte gelegen op een welbepaalde locatie, waarbij hij maximaal een vijfde van de afgestane gebruiksoppervlakte terugvraagt op een andere locatie;
b) hij doet afstand van het gebruik van minimaal 25 % van de totale bedrijfsoppervlakte gelegen op een welbepaalde locatie, waarbij hij maximaal een tiende van de afgestane gebruiksoppervlakte terugvraagt op een andere locatie;
c) hij past zijn bedrijfsvoering aan zodat de doelstellingen van het landinrichtingsproject, of het project, plan of programma worden gerealiseerd.
In het geval, vermeld in het eerste lid, 3°, a) of b), zal de aanvrager het bedrijf bij goedkeuring van de aanvraag van de vergoeding voor bedrijfsreconversie gedurende tien jaar na de aanvraag de bedrijfsoppervlakte niet meer dan 10 % uitbreiden, berekend op de oppervlakte van het bedrijf na de overdracht van de grond die gepaard gaat met de bedrijfsreconversie.
§ 4. De gebruiker van een onroerend goed dat geheel of gedeeltelijk ligt binnen het gebied waar een vergoeding voor vrijwillige bedrijfsreconversie aangevraagd kan worden, kan die vergoeding aanvragen als de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt door de realisatie van het doel van het landinrichtingsproject of het project, plan of programma, in cumulatie met eventueel andere geplande of definitief besliste projecten, plannen of programma's die in uitvoering zijn.
De leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering komt ernstig in het gedrang als het arbeidsinkomen daalt onder twee derde van het gewestelijk vergelijkbaar inkomen.
§ 5. De vergoeding voor bedrijfsreconversie en de eventuele bijbehorende aankoop is alleen van toepassing als het te reconverteren bedrijf ligt in het Vlaamse Gewest.
De maximale bedragen voor de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsreconversie en voldoen aan de communautaire regelgeving voor de vrijwillige bedrijfsreconversie.
§ 2. De aanvraag van een vergoeding voor vrijwillige bedrijfsreconversie en de eventuele bijbehorende aankoop moet worden ingediend voor het verstrijken van de termijn van vijf jaar die ingaat vanaf de inwerkingtreding van het besluit tot vaststelling van de voltooiing van het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota.
§ 3. De gebruiker kan een vergoeding voor vrijwillige bedrijfsreconversie aanvragen als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
1° het landbouwbedrijf wordt uitgebaat door een landbouwer in hoofdberoep;
2° het bedrijf beschikt over de nodige vergunningen;
3° de aanvrager gaat één van de volgende drie mogelijkheden tot bedrijfsreconversie aan:
a) hij doet afstand van het gebruik van minimaal 25 % van de totale bedrijfsoppervlakte gelegen op een welbepaalde locatie, waarbij hij maximaal een vijfde van de afgestane gebruiksoppervlakte terugvraagt op een andere locatie;
b) hij doet afstand van het gebruik van minimaal 25 % van de totale bedrijfsoppervlakte gelegen op een welbepaalde locatie, waarbij hij maximaal een tiende van de afgestane gebruiksoppervlakte terugvraagt op een andere locatie;
c) hij past zijn bedrijfsvoering aan zodat de doelstellingen van het landinrichtingsproject, of het project, plan of programma worden gerealiseerd.
In het geval, vermeld in het eerste lid, 3°, a) of b), zal de aanvrager het bedrijf bij goedkeuring van de aanvraag van de vergoeding voor bedrijfsreconversie gedurende tien jaar na de aanvraag de bedrijfsoppervlakte niet meer dan 10 % uitbreiden, berekend op de oppervlakte van het bedrijf na de overdracht van de grond die gepaard gaat met de bedrijfsreconversie.
§ 4. De gebruiker van een onroerend goed dat geheel of gedeeltelijk ligt binnen het gebied waar een vergoeding voor vrijwillige bedrijfsreconversie aangevraagd kan worden, kan die vergoeding aanvragen als de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt door de realisatie van het doel van het landinrichtingsproject of het project, plan of programma, in cumulatie met eventueel andere geplande of definitief besliste projecten, plannen of programma's die in uitvoering zijn.
De leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering komt ernstig in het gedrang als het arbeidsinkomen daalt onder twee derde van het gewestelijk vergelijkbaar inkomen.
§ 5. De vergoeding voor bedrijfsreconversie en de eventuele bijbehorende aankoop is alleen van toepassing als het te reconverteren bedrijf ligt in het Vlaamse Gewest.
Art. 2.1.4.9. § 1er. L'indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation s'applique aux exploitations agricoles à l'intérieur de la délimitation de la zone pour laquelle le plan de rénovation rurale ou la note d'aménagement sont établis. Le plan de rénovation rurale ou la note d'aménagement définissent l'entité qui est redevable de l'indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation et de l'éventuel prix d'achat y afférent.
Les montants maximum de l'indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation sont conformes à la réglementation communautaire applicable à la reconversion volontaire de l'exploitation.
§ 2. La demande d'une indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation et pour l'éventuel achat y afférent, doit être introduite avant l'échéance du délai de cinq ans, qui prend cours à partir de l'entrée en vigueur de l'arrêté établissant l'achèvement du plan de rénovation rurale ou de la note d'aménagement.
§ 3. L'usager peut demander une indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation, s'il a été satisfait à toutes les conditions suivantes :
1° l'exploitation agricole est exploitée par un agriculteur exerçant à titre principal ;
2° l'exploitation dispose des autorisations requises ;
3° le demandeur opte pour une des trois possibilités de reconversion de l'exploitation suivantes :
a) il renonce à l'utilisation d'au minimum 25 % de la superficie totale de l'exploitation, située dans une localisation bien définie, dont il réclame au maximum un cinquième dans une autre localisation ;
b) il renonce à l'utilisation d'au minimum 25 % de la superficie totale de l'exploitation, située dans une localisation bien définie, dont il réclame au maximum un dixième dans une autre localisation ;
c) il ajuste ses activités de sorte que les objectifs du projet de rénovation rurale ou du projet, plan ou programme sont réalisés.
Dans le cas, visé à l'alinéa premier, 3°, a) ou b), et en cas d'approbation de la demande de l'indemnité pour la reconversion de l'exploitation, le demandeur n'étendra pas la superficie de l'exploitation, calculée sur la base de la superficie de l'exploitation après le transfert des terres, découlant de la reconversion de l'exploitation, de plus de 10 % dans les dix années après la demande.
§ 4. L'usager d'un bien immobilier situé entièrement ou partiellement dans la zone où une indemnité pour une reconversion volontaire d'une exploitation peut être demandée, peut demander cette indemnité lorsque la viabilité des activités existantes sont gravement compromises par la réalisation de l'objectif du projet de rénovation rurale ou du projet, plan ou programme, en combinaison avec d'éventuels autres projets, plans ou programmes envisagés et définitifs, qui sont en cours d'exécution.
La viabilité des activités existantes est gravement compromise lorsque le revenu du travail baisse en dessous des deux tiers du revenu régional comparable.
§ 5. L'indemnité pour la reconversion de l'exploitation et pour l'éventuel achat y afférent ne s'applique que si l'exploitation à reconvertir se trouve en Région flamande.
Les montants maximum de l'indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation sont conformes à la réglementation communautaire applicable à la reconversion volontaire de l'exploitation.
§ 2. La demande d'une indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation et pour l'éventuel achat y afférent, doit être introduite avant l'échéance du délai de cinq ans, qui prend cours à partir de l'entrée en vigueur de l'arrêté établissant l'achèvement du plan de rénovation rurale ou de la note d'aménagement.
§ 3. L'usager peut demander une indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation, s'il a été satisfait à toutes les conditions suivantes :
1° l'exploitation agricole est exploitée par un agriculteur exerçant à titre principal ;
2° l'exploitation dispose des autorisations requises ;
3° le demandeur opte pour une des trois possibilités de reconversion de l'exploitation suivantes :
a) il renonce à l'utilisation d'au minimum 25 % de la superficie totale de l'exploitation, située dans une localisation bien définie, dont il réclame au maximum un cinquième dans une autre localisation ;
b) il renonce à l'utilisation d'au minimum 25 % de la superficie totale de l'exploitation, située dans une localisation bien définie, dont il réclame au maximum un dixième dans une autre localisation ;
c) il ajuste ses activités de sorte que les objectifs du projet de rénovation rurale ou du projet, plan ou programme sont réalisés.
Dans le cas, visé à l'alinéa premier, 3°, a) ou b), et en cas d'approbation de la demande de l'indemnité pour la reconversion de l'exploitation, le demandeur n'étendra pas la superficie de l'exploitation, calculée sur la base de la superficie de l'exploitation après le transfert des terres, découlant de la reconversion de l'exploitation, de plus de 10 % dans les dix années après la demande.
§ 4. L'usager d'un bien immobilier situé entièrement ou partiellement dans la zone où une indemnité pour une reconversion volontaire d'une exploitation peut être demandée, peut demander cette indemnité lorsque la viabilité des activités existantes sont gravement compromises par la réalisation de l'objectif du projet de rénovation rurale ou du projet, plan ou programme, en combinaison avec d'éventuels autres projets, plans ou programmes envisagés et définitifs, qui sont en cours d'exécution.
La viabilité des activités existantes est gravement compromise lorsque le revenu du travail baisse en dessous des deux tiers du revenu régional comparable.
§ 5. L'indemnité pour la reconversion de l'exploitation et pour l'éventuel achat y afférent ne s'applique que si l'exploitation à reconvertir se trouve en Région flamande.
Onderafdeling 2. - Procedure
Sous-section 2. - Procédure
Art. 2.1.4.10. § 1. De gebruiker dient bij de landcommissie de aanvraag van een vergoeding voor vrijwillige bedrijfsreconversie in met een beveiligde zending.
§ 2. Bij de aanvraag van een vergoeding voor vrijwillige bedrijfsreconversie worden de volgende stukken gevoegd:
1° de stukken waaruit blijkt dat voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2.1.4.9, § 3, 1° en 2° ;
2° de bewijsstukken die aantonen dat de aanwezigheid van het bedrijf rechtstreeks de realisatie van het doel van het landinrichtingsproject of het project, plan of programma belemmert, of dat de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt door de realisatie van het doel van het landinrichtingsproject of het project, plan of programma, in cumulatie met eventueel andere geplande en definitief besliste projecten, plannen of programma's die in uitvoering zijn;
3° een plan van aanpak van de vrijwillige bedrijfsreconversie;
4° een document waarin de aanvrager uitdrukkelijk aangeeft tot welke mogelijke vorm van bedrijfsreconversie als vermeld in artikel 2.1.4.9, § 3, eerste lid, 3° hij wil over gaan;
5° een opsomming van alle gronden die bij het bedrijf horen, met per grond:
a) de vermelding van de oppervlakte, de aard van het gebruik en de locatie;
b) als de aanvrager ook de eigenaar is van de gronden, een plan met de kadastrale gegevens;
6° stukken waaruit blijkt welke zakelijke en persoonlijke rechten de aanvrager heeft ten aanzien van de verschillende onderdelen van het bedrijf;
7° een opsomming van de over te dragen gronden van het bedrijf die de aanvrager als eigenaar te koop aanbiedt, waarbij minimaal de onderdelen van het bedrijf te koop worden aangeboden die rechtstreeks de realisatie van het landinrichtingsproject of het project, plan of programma hinderen;
8° een opsomming van alle over te dragen gronden van het bedrijf waarvan de aanvrager niet de eigenaar is en die hij na de bedrijfsreconversie niet langer zal gebruiken, waarbij minimaal het gebruik wordt stopgezet van de onderdelen van het bedrijf die rechtstreeks de realisatie van het landinrichtingsproject of het project, plan of programma hinderen;
9° als in het geval, vermeld in artikel 2.1.4.9, § 3, eerste lid, 3° gekozen wordt voor a) of b), een verklaring op erewoord dat de aanvrager het bedrijf gedurende tien jaar na de aanvraag de bedrijfsoppervlakte niet meer dan 10 % zal uitbreiden, berekend op de oppervlakte van het bedrijf na de overdracht van de grond die gepaard gaat met de bedrijfsreconversie;
[1 10° een bewijs van adequate vakbekwaamheid en deskundigheid als de aanvrager in aanmerking wil komen voor de verhoogde vergoeding, vermeld in artikel 2.1.4.11, § 3, zevende lid;
11° een bewijs van vestiging op het landbouwbedrijf in de periode van vijf jaar voorafgaand aan de datum van de aanvraag als de aanvrager in aanmerking wil komen voor een verhoogde vergoeding als vermeld in artikel 2.1.4.11, § 3, zevende lid.]1
§ 3. De landcommissie gaat na of alle stukken, als vermeld in paragraaf 2, zijn bezorgd.
Als niet alle stukken zijn bezorgd en de ingediende aanvraag bijgevolg als onvolledig wordt beschouwd, wordt de aanvrager door de landcommissie op de hoogte gebracht van de onvolledigheid van de aanvraag. De landcommissie brengt de aanvrager op de hoogte met een beveiligde zending binnen drie maanden nadat ze de aanvraag heeft ontvangen. De kennisgeving bevat de vermelding van de stukken die ontbreken of die nadere toelichting vereisen.
Als de ingediende aanvraag als volledig wordt beschouwd, wordt de aanvrager door de landcommissie op de hoogte gebracht van de volledigheid van de aanvraag. De landcommissie brengt de aanvrager met een beveiligde zending op de hoogte binnen drie maanden nadat ze de aanvraag van de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsreconversie heeft ontvangen, of, als de aanvraag in eerste instantie onvolledig is bevonden, binnen een maand nadat ze de ontbrekende stukken of de nadere toelichtingen heeft ontvangen.
§ 4. Binnen zes maanden nadat de landcommissie de aanvrager op de hoogte heeft gebracht van de volledigheid van het dossier, beslist de landcommissie in overleg met de entiteit die de vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsreconversie en de eventuele bijhorende aankoopprijs verschuldigd is, of de aanvrager in aanmerking komt voor de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsreconversie en welke onderdelen van het bedrijf die door de aanvrager te koop worden aangeboden, zullen worden aangekocht.
De landcommissie kan bij de aanvrager van een vergoeding voor vrijwillige bedrijfsreconversie aanvullende stukken en inlichtingen opvragen of om een plaatsbezoek verzoeken. Als niet wordt ingegaan op het verzoek om de aanvullende stukken of de inlichtingen te verschaffen of om een plaatsbezoek toe te staan, kan dat aanleiding geven tot de tijdelijke opschorting of de definitieve stopzetting van de behandeling van de aanvraag van een vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsreconversie.
De landcommissie kan de behandeling van de aanvraag van een vergoeding voor vrijwillige bedrijfsreconversie tijdelijk opschorten of definitief stopzetten als blijkt dat geen blijvende oplossing wordt verkregen als vermeld in artikel 2.1.73, § 3 van het decreet van 28 maart 2014.
De landcommissie brengt de aanvrager binnen de voornoemde termijn, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, verlengd met de termijn waarvoor de aanvraag tijdelijk werd opgeschort, met een beveiligde zending op de hoogte van haar beslissing. Die kennisgeving gebeurt na akkoord van de entiteit die de vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsreconversie en de eventuele bijbehorende aankoopprijs verschuldigd is.
§ 5. De vergoeding voor vrijwillige bedrijfsreconversie en de aankoopprijs worden berekend conform artikel 2.1.4.11, paragraaf 1 tot en met 3. Aan de entiteit die de vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsreconversie en de eventuele bijbehorende aankoopprijs verschuldigd is, worden de berekende vergoeding en de berekende aankoopprijs meegedeeld. De landcommissie deelt binnen vier maanden na de kennisgeving, vermeld in paragraaf 4, vierde lid, met een beveiligde zending de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsreconversie en de eventuele bijbehorende aankoopprijs mee aan de aanvrager. Die kennisgeving geldt als aanbod.
§ 6. De aanvrager, deelt binnen zes maanden na de kennisgeving, vermeld in paragraaf 5, aan de landcommissie mee of hij het aanbod al dan niet aanvaardt. Als hij binnen de voormelde termijn niet meedeelt of hij het bod aanvaardt, wordt het aanbod geacht geweigerd te zijn.
[2 De aanvrager kan binnen de termijn van 18 maanden na de eerste kennisgeving, vermeld in § 5, nieuwe bewijsstukken aanleveren inzake uitzonderlijke, niet voorziene kosten die verbonden zijn aan de vrijwillige bedrijfsreconversie. De landcommissie beslist binnen de termijn van drie maanden na de ontvangst van de nieuwe stukken of al dan niet wordt overgegaan tot een nieuw aanbod. Dit nieuw aanbod kan alleen betrekking hebben op onvoorziene kosten inzake bodemsanering, bodemstabiliteit of archeologie, en voor zover die kosten niet via andere overheidsinstrumenten subsidieerbaar of betoelaagbaar zijn. De aanvrager deelt binnen drie maanden na de kennisgeving aan de landcommissie mee of het dit tweede aanbod al dan niet aanvaardt. Als hij binnen de voormelde termijn niet meedeelt of hij het bod aanvaardt, wordt het aanbod geacht geweigerd te zijn.]2
Als de aanvrager niet akkoord gaat met het aanbod kan hij binnen de zes maanden nadat hij op de hoogte gebracht is van het aanbod, vermeld in paragraaf 5, eenmalig beroep aantekenen bij het agentschap. Het agentschap beslist binnen een termijn van drie maanden na de ontvangst van het beroep, of al dan niet overgegaan moet worden tot een nieuw aanbod binnen een termijn van drie maanden na de ontvangst van het beroep.
§ 7. De aanvrager kan op elk moment de aanvraag van de vergoeding intrekken als het aanbod nog niet is aanvaard conform paragraaf 6.
§ 8. De landcommissie brengt de entiteit die de vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsreconversie en de eventuele bijbehorende aankoopprijs verschuldigd is, op de hoogte van het akkoord van de aanvrager met het aanbod, vermeld in paragraaf 6.
De entiteit die de bijbehorende aankoopprijs verschuldigd is, koopt in eigen naam en voor eigen rekening de aangeboden onroerende goederen aan. Als de aangeboden onroerende goederen liggen in de afbakening van het gebied waarvoor het landinrichtingsplan is opgemaakt, dan koopt de Vlaamse Grondenbank de goederen aan in naam en voor rekening van de entiteit die de vergoeding voor de bijbehorende aankoopprijs verschuldigd is. Als de aangeboden onroerende goederen liggen in de afbakening van het gebied waarvoor de inrichtingsnota is opgemaakt, kan de Vlaamse Regering de opdracht geven aan de Vlaamse Grondenbank om de aangeboden onroerende goederen aan te kopen in naam en voor rekening van de entiteit die de vergoeding voor de bijbehorende aankoopprijs verschuldigd is.
§ 9. De landcommissie staat in voor de betaling van de vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsreconversie. De vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsreconversie wordt betaald nadat de aanvrager de aanvraag tot betaling heeft ingediend bij de landcommissie van de vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsreconversie binnen een termijn van drie jaar na het akkoord van de aanvrager met het aanbod. Die termijn kan in geval van overmacht verlengd worden.
De landcommissie vordert de betaalde vergoeding terug van de entiteit die de vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsreconversie verschuldigd is.
§ 2. Bij de aanvraag van een vergoeding voor vrijwillige bedrijfsreconversie worden de volgende stukken gevoegd:
1° de stukken waaruit blijkt dat voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2.1.4.9, § 3, 1° en 2° ;
2° de bewijsstukken die aantonen dat de aanwezigheid van het bedrijf rechtstreeks de realisatie van het doel van het landinrichtingsproject of het project, plan of programma belemmert, of dat de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt door de realisatie van het doel van het landinrichtingsproject of het project, plan of programma, in cumulatie met eventueel andere geplande en definitief besliste projecten, plannen of programma's die in uitvoering zijn;
3° een plan van aanpak van de vrijwillige bedrijfsreconversie;
4° een document waarin de aanvrager uitdrukkelijk aangeeft tot welke mogelijke vorm van bedrijfsreconversie als vermeld in artikel 2.1.4.9, § 3, eerste lid, 3° hij wil over gaan;
5° een opsomming van alle gronden die bij het bedrijf horen, met per grond:
a) de vermelding van de oppervlakte, de aard van het gebruik en de locatie;
b) als de aanvrager ook de eigenaar is van de gronden, een plan met de kadastrale gegevens;
6° stukken waaruit blijkt welke zakelijke en persoonlijke rechten de aanvrager heeft ten aanzien van de verschillende onderdelen van het bedrijf;
7° een opsomming van de over te dragen gronden van het bedrijf die de aanvrager als eigenaar te koop aanbiedt, waarbij minimaal de onderdelen van het bedrijf te koop worden aangeboden die rechtstreeks de realisatie van het landinrichtingsproject of het project, plan of programma hinderen;
8° een opsomming van alle over te dragen gronden van het bedrijf waarvan de aanvrager niet de eigenaar is en die hij na de bedrijfsreconversie niet langer zal gebruiken, waarbij minimaal het gebruik wordt stopgezet van de onderdelen van het bedrijf die rechtstreeks de realisatie van het landinrichtingsproject of het project, plan of programma hinderen;
9° als in het geval, vermeld in artikel 2.1.4.9, § 3, eerste lid, 3° gekozen wordt voor a) of b), een verklaring op erewoord dat de aanvrager het bedrijf gedurende tien jaar na de aanvraag de bedrijfsoppervlakte niet meer dan 10 % zal uitbreiden, berekend op de oppervlakte van het bedrijf na de overdracht van de grond die gepaard gaat met de bedrijfsreconversie;
[1 10° een bewijs van adequate vakbekwaamheid en deskundigheid als de aanvrager in aanmerking wil komen voor de verhoogde vergoeding, vermeld in artikel 2.1.4.11, § 3, zevende lid;
11° een bewijs van vestiging op het landbouwbedrijf in de periode van vijf jaar voorafgaand aan de datum van de aanvraag als de aanvrager in aanmerking wil komen voor een verhoogde vergoeding als vermeld in artikel 2.1.4.11, § 3, zevende lid.]1
§ 3. De landcommissie gaat na of alle stukken, als vermeld in paragraaf 2, zijn bezorgd.
Als niet alle stukken zijn bezorgd en de ingediende aanvraag bijgevolg als onvolledig wordt beschouwd, wordt de aanvrager door de landcommissie op de hoogte gebracht van de onvolledigheid van de aanvraag. De landcommissie brengt de aanvrager op de hoogte met een beveiligde zending binnen drie maanden nadat ze de aanvraag heeft ontvangen. De kennisgeving bevat de vermelding van de stukken die ontbreken of die nadere toelichting vereisen.
Als de ingediende aanvraag als volledig wordt beschouwd, wordt de aanvrager door de landcommissie op de hoogte gebracht van de volledigheid van de aanvraag. De landcommissie brengt de aanvrager met een beveiligde zending op de hoogte binnen drie maanden nadat ze de aanvraag van de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsreconversie heeft ontvangen, of, als de aanvraag in eerste instantie onvolledig is bevonden, binnen een maand nadat ze de ontbrekende stukken of de nadere toelichtingen heeft ontvangen.
§ 4. Binnen zes maanden nadat de landcommissie de aanvrager op de hoogte heeft gebracht van de volledigheid van het dossier, beslist de landcommissie in overleg met de entiteit die de vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsreconversie en de eventuele bijhorende aankoopprijs verschuldigd is, of de aanvrager in aanmerking komt voor de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsreconversie en welke onderdelen van het bedrijf die door de aanvrager te koop worden aangeboden, zullen worden aangekocht.
De landcommissie kan bij de aanvrager van een vergoeding voor vrijwillige bedrijfsreconversie aanvullende stukken en inlichtingen opvragen of om een plaatsbezoek verzoeken. Als niet wordt ingegaan op het verzoek om de aanvullende stukken of de inlichtingen te verschaffen of om een plaatsbezoek toe te staan, kan dat aanleiding geven tot de tijdelijke opschorting of de definitieve stopzetting van de behandeling van de aanvraag van een vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsreconversie.
De landcommissie kan de behandeling van de aanvraag van een vergoeding voor vrijwillige bedrijfsreconversie tijdelijk opschorten of definitief stopzetten als blijkt dat geen blijvende oplossing wordt verkregen als vermeld in artikel 2.1.73, § 3 van het decreet van 28 maart 2014.
De landcommissie brengt de aanvrager binnen de voornoemde termijn, vermeld in paragraaf 4, eerste lid, verlengd met de termijn waarvoor de aanvraag tijdelijk werd opgeschort, met een beveiligde zending op de hoogte van haar beslissing. Die kennisgeving gebeurt na akkoord van de entiteit die de vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsreconversie en de eventuele bijbehorende aankoopprijs verschuldigd is.
§ 5. De vergoeding voor vrijwillige bedrijfsreconversie en de aankoopprijs worden berekend conform artikel 2.1.4.11, paragraaf 1 tot en met 3. Aan de entiteit die de vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsreconversie en de eventuele bijbehorende aankoopprijs verschuldigd is, worden de berekende vergoeding en de berekende aankoopprijs meegedeeld. De landcommissie deelt binnen vier maanden na de kennisgeving, vermeld in paragraaf 4, vierde lid, met een beveiligde zending de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsreconversie en de eventuele bijbehorende aankoopprijs mee aan de aanvrager. Die kennisgeving geldt als aanbod.
§ 6. De aanvrager, deelt binnen zes maanden na de kennisgeving, vermeld in paragraaf 5, aan de landcommissie mee of hij het aanbod al dan niet aanvaardt. Als hij binnen de voormelde termijn niet meedeelt of hij het bod aanvaardt, wordt het aanbod geacht geweigerd te zijn.
[2 De aanvrager kan binnen de termijn van 18 maanden na de eerste kennisgeving, vermeld in § 5, nieuwe bewijsstukken aanleveren inzake uitzonderlijke, niet voorziene kosten die verbonden zijn aan de vrijwillige bedrijfsreconversie. De landcommissie beslist binnen de termijn van drie maanden na de ontvangst van de nieuwe stukken of al dan niet wordt overgegaan tot een nieuw aanbod. Dit nieuw aanbod kan alleen betrekking hebben op onvoorziene kosten inzake bodemsanering, bodemstabiliteit of archeologie, en voor zover die kosten niet via andere overheidsinstrumenten subsidieerbaar of betoelaagbaar zijn. De aanvrager deelt binnen drie maanden na de kennisgeving aan de landcommissie mee of het dit tweede aanbod al dan niet aanvaardt. Als hij binnen de voormelde termijn niet meedeelt of hij het bod aanvaardt, wordt het aanbod geacht geweigerd te zijn.]2
Als de aanvrager niet akkoord gaat met het aanbod kan hij binnen de zes maanden nadat hij op de hoogte gebracht is van het aanbod, vermeld in paragraaf 5, eenmalig beroep aantekenen bij het agentschap. Het agentschap beslist binnen een termijn van drie maanden na de ontvangst van het beroep, of al dan niet overgegaan moet worden tot een nieuw aanbod binnen een termijn van drie maanden na de ontvangst van het beroep.
§ 7. De aanvrager kan op elk moment de aanvraag van de vergoeding intrekken als het aanbod nog niet is aanvaard conform paragraaf 6.
§ 8. De landcommissie brengt de entiteit die de vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsreconversie en de eventuele bijbehorende aankoopprijs verschuldigd is, op de hoogte van het akkoord van de aanvrager met het aanbod, vermeld in paragraaf 6.
De entiteit die de bijbehorende aankoopprijs verschuldigd is, koopt in eigen naam en voor eigen rekening de aangeboden onroerende goederen aan. Als de aangeboden onroerende goederen liggen in de afbakening van het gebied waarvoor het landinrichtingsplan is opgemaakt, dan koopt de Vlaamse Grondenbank de goederen aan in naam en voor rekening van de entiteit die de vergoeding voor de bijbehorende aankoopprijs verschuldigd is. Als de aangeboden onroerende goederen liggen in de afbakening van het gebied waarvoor de inrichtingsnota is opgemaakt, kan de Vlaamse Regering de opdracht geven aan de Vlaamse Grondenbank om de aangeboden onroerende goederen aan te kopen in naam en voor rekening van de entiteit die de vergoeding voor de bijbehorende aankoopprijs verschuldigd is.
§ 9. De landcommissie staat in voor de betaling van de vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsreconversie. De vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsreconversie wordt betaald nadat de aanvrager de aanvraag tot betaling heeft ingediend bij de landcommissie van de vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsreconversie binnen een termijn van drie jaar na het akkoord van de aanvrager met het aanbod. Die termijn kan in geval van overmacht verlengd worden.
De landcommissie vordert de betaalde vergoeding terug van de entiteit die de vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsreconversie verschuldigd is.
Art. 2.1.4.10. § 1er. L'usager introduit la demande d'une indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation auprès de la commission foncière au moyen d'un envoi sécurisé.
§ 2. Les pièces suivantes doivent être jointes à la demande d'une indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation :
1° les pièces dont il ressort qu'il a été satisfait aux conditions, visées à l'article 2.1.4.9, § 3, 1° et 2° ;
2° les pièces justificatives démontrant que la présence de l'exploitation compromet directement la réalisation de l'objectif du projet de rénovation rurale ou du projet, plan ou programme, ou que la viabilité des activités existantes est gravement compromise par la réalisation de l'objectif du projet de rénovation rurale ou du projet, plan ou programme, en combinaison avec d'éventuels autres projets, plans ou programmes envisagés et définitifs, qui sont en cours d'exécution ;
3° un plan d'approche de la reconversion volontaire de l'exploitation ;
4° un document dans lequel le demandeur indique expressément la forme de reconversion de l'exploitation, telle que visée à l'article 2.1.49, § 3, alinéa premier, 3°, il envisage de choisir ;
5° une énumération de toutes les terres appartenant à l'exploitation, avec, par terre :
a) la mention de la superficie, de la nature de l'utilisation et de la localisation ;
b) au cas où le demandeur serait aussi le propriétaire des terres, un plan comprenant les données cadastrales ;
6° les pièces attestant les droits réels et personnels dont dispose le demandeur à l'égard des différentes parties de l'exploitation ;
7° une énumération de toutes les terres de l'exploitation à transférer que le demandeur met à la vente en tant que propriétaire, parmi lesquelles figurent au minimum les parties de l'exploitation compromettant directement la réalisation du projet de rénovation rurale ou du projet, plan ou programme ;
8° une énumération de toutes les terres de l'exploitation à transférer dont le demandeur n'est pas le propriétaire et qu'il n'utilisera plus après la reconversion de l'exploitation, notamment les parties de l'exploitation qui compromettent la réalisation du projet de rénovation rurale ou du projet, plan ou programme directement.
9° si, dans le cas, visé à l'article 2.1.4.9, § 3, alinéa premier, 3°, a) ou b) est choisi, une déclaration sur l'honneur que le demandeur n'étendra pas la superficie de l'exploitation, calculée sur la base de la superficie de l'exploitation après le transfert des terres, découlant de la reconversion de l'exploitation, de plus de 10 % pendant les dix années après la demande;
[1 10° une preuve de capacité professionnelle et d'expertise adéquates, si le demandeur souhaite entrer en ligne de compte pour l'indemnité augmentée, visée à l'article 2.1.4.11, § 3, alinéa 7 ;
11° une preuve d'établissement à l'exploitation agricole dans la période de cinq ans précédant la date de la demande si le demandeur souhaite entrer en ligne de compte pour l'indemnité augmentée, visée à l'article 2.1.4.11, § 3, alinéa 7.]1
§ 3. La commission foncière vérifie si toutes les pièces, telles que visées au paragraphe 2, ont été transmises.
Lorsque les pièces n'ont pas toutes été transmises et que la demande introduite ne peut dès lors pas être considérée complète, le demandeur est informé du caractère incomplet de la demande par la commission foncière. La commission foncière le notifie au demandeur par envoi sécurisé dans les trois mois après qu'elle a reçu la demande. La notification indique les pièces manquantes ou nécessitant davantage d'explications.
Lorsque la demande introduite est considérée complète, le demandeur est informé du caractère complet de la demande par la commission foncière. La commission foncière le notifie au demandeur par envoi sécurisé dans les trois mois après qu'elle a reçu la demande d'une indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation, ou, si la demande a dans un premier temps été évaluée incomplète, dans un mois après la réception des pièces manquantes ou des explications plus détaillées.
§ 4. Dans les six mois après que la commission foncière a informé le demandeur du caractère complet du dossier, elle décide en concertation avec l'entité qui est redevable de l'indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation et de l'éventuel prix d'achat y afférent, si le demandeur entre en ligne de compte pour l'indemnité pour une reconversion volontaire de l'exploitation et quelles parties de l'exploitation que le demandeur offre à la vente, seront achetées.
La commission foncière peut demander des pièces et renseignements complémentaires ou une visite sur les lieux auprès du demandeur d'une indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation. S'il n'est pas donné suite à la demande de fournir les pièces ou renseignements supplémentaires ou d'accorder une visite sur les lieux, une suspension temporaire ou un arrêt définitif du traitement de la demande d'une indemnité pour la reconversion volontaire d'une exploitation peut s'ensuivre.
La commission foncière peut temporairement suspendre ou définitivement arrêter le traitement de la demande d'une indemnité pour la reconversion volontaire d'une exploitation s'il s'avère qu'une solution durable, telle que visée à l'article 2.1.73, § 3 du décret du 28 mars 2014 ne peut pas être atteinte.
La commission foncière notifie sa décision au demandeur par envoi sécurisé endéans le délai, visé au paragraphe 4, alinéa premier, prolongé du délai pendant lequel la demande a été temporairement suspendue. Cette notification a lieu après l'accord de l'entité qui est redevable de l'indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation et de l'éventuel prix d'achat y afférent.
§ 5. L'indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation et le prix d'achat sont calculés conformément à l'article 2.1.4.11, paragraphes 1er à 3 inclus. L'indemnité et le prix d'achat ainsi calculés sont communiqués à l'entité qui est redevable de l'indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation et de l'éventuel prix d'achat y afférent. La commission foncière informe le demandeur de l'indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation et de l'éventuel prix d'achat y afférent par envoi sécurisé, dans les quatre mois après la notification, visée au paragraphe 4, alinéa quatre. Cette notification tient lieu d'offre.
§ 6. Le demandeur informe la commission foncière s'il accepte l'offre ou non, dans les six mois après la notification, visée au paragraphe 5. Lorsqu'il ne lui informe pas dans le délai précité s'il accepte l'offre, l'offre est réputée être refusée.
[2 Dans le délai de 18 mois suivant la première notification visée au § 5, le demandeur peut fournir de nouvelles pièces justificatives en matière de frais exceptionnels et imprévus liés à la reconversion de l'exploitation. La commission foncière décide dans le délai de trois mois suivant la réception des nouvelles pièces s'il est procédé à une nouvelle offre. Cette nouvelle offre ne peut porter que sur des frais imprévus en matière d'assainissement du sol, de stabilité du sol ou d'archéologie et dans la mesure où ces frais ne sont pas subventionnables ou éligibles par d'autres instruments publics. Le demandeur informe la commission foncière s'il accepte cette deuxième offre ou non dans les trois mois suivant la notification. Lorsqu'il n'informe pas la commission dans le délai précité s'il accepte l'offre, l'offre est réputée être refusée.]2
Si le demandeur n'est pas d'accord avec l'offre, il peut former un recours unique devant l'agence dans les six mois après qu'il a été informé de l'offre, visée au paragraphe 5. L'agence décide dans un délai de trois mois après la réception du recours s'il est procédé à la proposition d'une nouvelle offre dans un délai de trois mois après la réception du recours.
§ 7. Le demandeur peut retirer la demande d'une indemnité à tout moment, si l'offre n'a pas encore été acceptée conformément au paragraphe 6.
§ 8. La commission foncière informe l'entité qui est redevable de l'indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation et de l'éventuel prix d'achat y afférent, de l'accord que le demandeur a donné à l'offre, visée au paragraphe 6.
L'entité qui est redevable du prix d'achat y afférent, achète les biens immobiliers offerts en son propre nom et pour son propre compte. Lorsque les biens immobiliers offerts sont situés dans la délimitation de la zone pour laquelle le plan de rénovation rurale a été établi, la " Vlaamse Grondenbank " achète les biens au nom de et pour le compte de l'entité qui est redevable de l'indemnité pour le prix d'achat y afférent. Lorsque les biens immobiliers offerts sont situés dans la délimitation de la zone pour laquelle la note d'aménagement a été établie, le Gouvernement flamand peut charger la " Vlaamse Grondenbank " d'acheter les biens immobiliers offerts au nom de et pour le compte de l'entité qui est redevable de l'indemnité pour le prix d'achat y afférent.
§ 9. La commission foncière assure le paiement de l'indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation. L'indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation est payée après que le demandeur a introduit la demande de paiement auprès de la commission foncière responsable de l'indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation dans un délai de trois ans après que le demandeur a donné son accord à l'offre. En cas de force majeure, ce délai peut être prolongé.
La commission foncière recouvre l'indemnité payée auprès de l'entité qui est redevable de l'indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation.
§ 2. Les pièces suivantes doivent être jointes à la demande d'une indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation :
1° les pièces dont il ressort qu'il a été satisfait aux conditions, visées à l'article 2.1.4.9, § 3, 1° et 2° ;
2° les pièces justificatives démontrant que la présence de l'exploitation compromet directement la réalisation de l'objectif du projet de rénovation rurale ou du projet, plan ou programme, ou que la viabilité des activités existantes est gravement compromise par la réalisation de l'objectif du projet de rénovation rurale ou du projet, plan ou programme, en combinaison avec d'éventuels autres projets, plans ou programmes envisagés et définitifs, qui sont en cours d'exécution ;
3° un plan d'approche de la reconversion volontaire de l'exploitation ;
4° un document dans lequel le demandeur indique expressément la forme de reconversion de l'exploitation, telle que visée à l'article 2.1.49, § 3, alinéa premier, 3°, il envisage de choisir ;
5° une énumération de toutes les terres appartenant à l'exploitation, avec, par terre :
a) la mention de la superficie, de la nature de l'utilisation et de la localisation ;
b) au cas où le demandeur serait aussi le propriétaire des terres, un plan comprenant les données cadastrales ;
6° les pièces attestant les droits réels et personnels dont dispose le demandeur à l'égard des différentes parties de l'exploitation ;
7° une énumération de toutes les terres de l'exploitation à transférer que le demandeur met à la vente en tant que propriétaire, parmi lesquelles figurent au minimum les parties de l'exploitation compromettant directement la réalisation du projet de rénovation rurale ou du projet, plan ou programme ;
8° une énumération de toutes les terres de l'exploitation à transférer dont le demandeur n'est pas le propriétaire et qu'il n'utilisera plus après la reconversion de l'exploitation, notamment les parties de l'exploitation qui compromettent la réalisation du projet de rénovation rurale ou du projet, plan ou programme directement.
9° si, dans le cas, visé à l'article 2.1.4.9, § 3, alinéa premier, 3°, a) ou b) est choisi, une déclaration sur l'honneur que le demandeur n'étendra pas la superficie de l'exploitation, calculée sur la base de la superficie de l'exploitation après le transfert des terres, découlant de la reconversion de l'exploitation, de plus de 10 % pendant les dix années après la demande;
[1 10° une preuve de capacité professionnelle et d'expertise adéquates, si le demandeur souhaite entrer en ligne de compte pour l'indemnité augmentée, visée à l'article 2.1.4.11, § 3, alinéa 7 ;
11° une preuve d'établissement à l'exploitation agricole dans la période de cinq ans précédant la date de la demande si le demandeur souhaite entrer en ligne de compte pour l'indemnité augmentée, visée à l'article 2.1.4.11, § 3, alinéa 7.]1
§ 3. La commission foncière vérifie si toutes les pièces, telles que visées au paragraphe 2, ont été transmises.
Lorsque les pièces n'ont pas toutes été transmises et que la demande introduite ne peut dès lors pas être considérée complète, le demandeur est informé du caractère incomplet de la demande par la commission foncière. La commission foncière le notifie au demandeur par envoi sécurisé dans les trois mois après qu'elle a reçu la demande. La notification indique les pièces manquantes ou nécessitant davantage d'explications.
Lorsque la demande introduite est considérée complète, le demandeur est informé du caractère complet de la demande par la commission foncière. La commission foncière le notifie au demandeur par envoi sécurisé dans les trois mois après qu'elle a reçu la demande d'une indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation, ou, si la demande a dans un premier temps été évaluée incomplète, dans un mois après la réception des pièces manquantes ou des explications plus détaillées.
§ 4. Dans les six mois après que la commission foncière a informé le demandeur du caractère complet du dossier, elle décide en concertation avec l'entité qui est redevable de l'indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation et de l'éventuel prix d'achat y afférent, si le demandeur entre en ligne de compte pour l'indemnité pour une reconversion volontaire de l'exploitation et quelles parties de l'exploitation que le demandeur offre à la vente, seront achetées.
La commission foncière peut demander des pièces et renseignements complémentaires ou une visite sur les lieux auprès du demandeur d'une indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation. S'il n'est pas donné suite à la demande de fournir les pièces ou renseignements supplémentaires ou d'accorder une visite sur les lieux, une suspension temporaire ou un arrêt définitif du traitement de la demande d'une indemnité pour la reconversion volontaire d'une exploitation peut s'ensuivre.
La commission foncière peut temporairement suspendre ou définitivement arrêter le traitement de la demande d'une indemnité pour la reconversion volontaire d'une exploitation s'il s'avère qu'une solution durable, telle que visée à l'article 2.1.73, § 3 du décret du 28 mars 2014 ne peut pas être atteinte.
La commission foncière notifie sa décision au demandeur par envoi sécurisé endéans le délai, visé au paragraphe 4, alinéa premier, prolongé du délai pendant lequel la demande a été temporairement suspendue. Cette notification a lieu après l'accord de l'entité qui est redevable de l'indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation et de l'éventuel prix d'achat y afférent.
§ 5. L'indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation et le prix d'achat sont calculés conformément à l'article 2.1.4.11, paragraphes 1er à 3 inclus. L'indemnité et le prix d'achat ainsi calculés sont communiqués à l'entité qui est redevable de l'indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation et de l'éventuel prix d'achat y afférent. La commission foncière informe le demandeur de l'indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation et de l'éventuel prix d'achat y afférent par envoi sécurisé, dans les quatre mois après la notification, visée au paragraphe 4, alinéa quatre. Cette notification tient lieu d'offre.
§ 6. Le demandeur informe la commission foncière s'il accepte l'offre ou non, dans les six mois après la notification, visée au paragraphe 5. Lorsqu'il ne lui informe pas dans le délai précité s'il accepte l'offre, l'offre est réputée être refusée.
[2 Dans le délai de 18 mois suivant la première notification visée au § 5, le demandeur peut fournir de nouvelles pièces justificatives en matière de frais exceptionnels et imprévus liés à la reconversion de l'exploitation. La commission foncière décide dans le délai de trois mois suivant la réception des nouvelles pièces s'il est procédé à une nouvelle offre. Cette nouvelle offre ne peut porter que sur des frais imprévus en matière d'assainissement du sol, de stabilité du sol ou d'archéologie et dans la mesure où ces frais ne sont pas subventionnables ou éligibles par d'autres instruments publics. Le demandeur informe la commission foncière s'il accepte cette deuxième offre ou non dans les trois mois suivant la notification. Lorsqu'il n'informe pas la commission dans le délai précité s'il accepte l'offre, l'offre est réputée être refusée.]2
Si le demandeur n'est pas d'accord avec l'offre, il peut former un recours unique devant l'agence dans les six mois après qu'il a été informé de l'offre, visée au paragraphe 5. L'agence décide dans un délai de trois mois après la réception du recours s'il est procédé à la proposition d'une nouvelle offre dans un délai de trois mois après la réception du recours.
§ 7. Le demandeur peut retirer la demande d'une indemnité à tout moment, si l'offre n'a pas encore été acceptée conformément au paragraphe 6.
§ 8. La commission foncière informe l'entité qui est redevable de l'indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation et de l'éventuel prix d'achat y afférent, de l'accord que le demandeur a donné à l'offre, visée au paragraphe 6.
L'entité qui est redevable du prix d'achat y afférent, achète les biens immobiliers offerts en son propre nom et pour son propre compte. Lorsque les biens immobiliers offerts sont situés dans la délimitation de la zone pour laquelle le plan de rénovation rurale a été établi, la " Vlaamse Grondenbank " achète les biens au nom de et pour le compte de l'entité qui est redevable de l'indemnité pour le prix d'achat y afférent. Lorsque les biens immobiliers offerts sont situés dans la délimitation de la zone pour laquelle la note d'aménagement a été établie, le Gouvernement flamand peut charger la " Vlaamse Grondenbank " d'acheter les biens immobiliers offerts au nom de et pour le compte de l'entité qui est redevable de l'indemnité pour le prix d'achat y afférent.
§ 9. La commission foncière assure le paiement de l'indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation. L'indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation est payée après que le demandeur a introduit la demande de paiement auprès de la commission foncière responsable de l'indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation dans un délai de trois ans après que le demandeur a donné son accord à l'offre. En cas de force majeure, ce délai peut être prolongé.
La commission foncière recouvre l'indemnité payée auprès de l'entité qui est redevable de l'indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation.
Onderafdeling 3. - Bepalen van de vergoeding voor bedrijfsreconversie en de eventuele aankoopprijs
Sous-section 3. - Fixation de l'indemnité pour la reconversion de l'exploitation et l'éventuel prix d'achat
Art. 2.1.4.11. § 1. De landcommissie berekent de eventuele aankoopprijs van de onroerende goederen die naar aanleiding van de vrijwillige bedrijfsreconversie aangekocht zullen worden. De aankoopprijs wordt berekend op basis van de vergoedingsregels die gelden voor onteigening ten algemenen nutte, ende bepalingen van artikel 2.1.75, derde en vierde lid, van het decreet van 28 maart 2014.
§ 2. De landcommissie berekent de vergoeding voor het verlies van het gebruik van de onroerende goederen die al dan niet in eigendom zijn van de aanvrager, waarvan het gebruik naar aanleiding van de bedrijfsreconversie eventueel stopgezet zal worden. De vergoeding voor het verlies van het gebruik wordt berekend op basis van de vergoedingsregels die gelden voor onteigening ten algemenen nutte.
§ 3. De landcommissie berekent de reconversievergoeding voor de directe en indirecte kosten en de investeringen die gepaard gaan met de vrijwillige bedrijfsreconversie.
Als gekozen wordt voor een bedrijfsreconversie als vermeld in artikel 2.1.4.9, § 3, eerste lid, 3°, a), bedraagt de reconversievergoeding maximaal 1750 euro per hectare afgestane gebruiksoppervlakte als de aanvrager in de aanvraag maximaal een vijfde van de afgestane gebruiksoppervlakte terugkrijgt en als tegelijkertijd investeringssteun is aangevraagd en ontvangen.
De maximale reconversie vergoeding uit het tweede lid wordt geactualiseerd door die vergoeding te vermenigvuldigen met de gezondheidsindex van de maand januari van het jaar waar vergoeding wordt aangevraagd en te delen door de gezondheidsindex van de maand volgend op de maand van de inwerkingtreding van dit besluit.
Als gekozen wordt voor een bedrijfsreconversie als vermeld in artikel 2.1.4.9, § 3, eerste lid,3°, b), dan bedraagt de reconversievergoeding maximaal 2000 euro per hectare afgestane gebruiksoppervlakte als de aanvrager in de aanvraag maximaal een tiende van de afgestane gebruiksoppervlakte terugkrijgt en als tegelijkertijd investeringssteun is aangevraagd en ontvangen.
De maximale reconversie vergoeding uit het vierde lid wordt geactualiseerd door die vergoeding te vermenigvuldigen met de gezondheidsindex van de maand januari van het jaar waar vergoeding wordt aangevraagd en te delen door de gezondheidsindex van de maand volgend op de maand van de inwerkingtreding van dit besluit.
Als gekozen wordt voor een bedrijfsreconversie als vermeld in artikel 2.1.4.9, § 3, eerste lid, 3°, c), dan bedraagt de reconversievergoeding maximaal 40 % van de gedane investeringen.
[1 In afwijking van het zesde lid kan het percentage, vermeld in het zesde lid, met 20% worden verhoogd voor de groep van landbouwbedrijven die [2 meer dan of gelijk aan 5%]2 bijdragen aan de kritische depositiewaarde van een habitat dat zich binnen een Habitatrichtlijngebied bevindt, voor zover het jonge landbouwers of voor landbouwers die zich hebben gevestigd in de periode van vijf jaar voorafgaand aan de datum van de aanvraag.]1
De som van de reconversievergoeding en de overige verkregen investeringssteun mag de totale kostprijs van de investering niet overschrijden.
§ 2. De landcommissie berekent de vergoeding voor het verlies van het gebruik van de onroerende goederen die al dan niet in eigendom zijn van de aanvrager, waarvan het gebruik naar aanleiding van de bedrijfsreconversie eventueel stopgezet zal worden. De vergoeding voor het verlies van het gebruik wordt berekend op basis van de vergoedingsregels die gelden voor onteigening ten algemenen nutte.
§ 3. De landcommissie berekent de reconversievergoeding voor de directe en indirecte kosten en de investeringen die gepaard gaan met de vrijwillige bedrijfsreconversie.
Als gekozen wordt voor een bedrijfsreconversie als vermeld in artikel 2.1.4.9, § 3, eerste lid, 3°, a), bedraagt de reconversievergoeding maximaal 1750 euro per hectare afgestane gebruiksoppervlakte als de aanvrager in de aanvraag maximaal een vijfde van de afgestane gebruiksoppervlakte terugkrijgt en als tegelijkertijd investeringssteun is aangevraagd en ontvangen.
De maximale reconversie vergoeding uit het tweede lid wordt geactualiseerd door die vergoeding te vermenigvuldigen met de gezondheidsindex van de maand januari van het jaar waar vergoeding wordt aangevraagd en te delen door de gezondheidsindex van de maand volgend op de maand van de inwerkingtreding van dit besluit.
Als gekozen wordt voor een bedrijfsreconversie als vermeld in artikel 2.1.4.9, § 3, eerste lid,3°, b), dan bedraagt de reconversievergoeding maximaal 2000 euro per hectare afgestane gebruiksoppervlakte als de aanvrager in de aanvraag maximaal een tiende van de afgestane gebruiksoppervlakte terugkrijgt en als tegelijkertijd investeringssteun is aangevraagd en ontvangen.
De maximale reconversie vergoeding uit het vierde lid wordt geactualiseerd door die vergoeding te vermenigvuldigen met de gezondheidsindex van de maand januari van het jaar waar vergoeding wordt aangevraagd en te delen door de gezondheidsindex van de maand volgend op de maand van de inwerkingtreding van dit besluit.
Als gekozen wordt voor een bedrijfsreconversie als vermeld in artikel 2.1.4.9, § 3, eerste lid, 3°, c), dan bedraagt de reconversievergoeding maximaal 40 % van de gedane investeringen.
[1 In afwijking van het zesde lid kan het percentage, vermeld in het zesde lid, met 20% worden verhoogd voor de groep van landbouwbedrijven die [2 meer dan of gelijk aan 5%]2 bijdragen aan de kritische depositiewaarde van een habitat dat zich binnen een Habitatrichtlijngebied bevindt, voor zover het jonge landbouwers of voor landbouwers die zich hebben gevestigd in de periode van vijf jaar voorafgaand aan de datum van de aanvraag.]1
De som van de reconversievergoeding en de overige verkregen investeringssteun mag de totale kostprijs van de investering niet overschrijden.
Art. 2.1.4.11. § 1er. La commission foncière calcule l'éventuel prix d'achat des biens immobiliers qui seront achetés à l'occasion de la reconversion volontaire de l'exploitation. Le prix d'achat est calculé sur la base des règles d'indemnité applicables à l'expropriation d'utilité publique et des dispositions de l'article 2.1.75, alinéas trois et quatre du décret du 28 mars 2014.
§ 2. La commission foncière calcule l'indemnité pour la perte de l'utilisation des biens immobiliers dont le demandeur est le propriétaire ou non et dont l'utilisation sera éventuellement arrêtée à l'occasion de la reconversion de l'exploitation. L'indemnité pour la perte de l'utilisation est calculée sur la base des règles d'indemnité applicables aux expropriations d'utilité publique.
§ 3. La commission foncière calcule l'indemnité de reconversion pour les coûts directs et indirects et les investissements découlant de la reconversion volontaire de l'exploitation.
S'il est opté pour une reconversion de l'exploitation, telle que visée à l'article 2.1.4.9, § 3, alinéa premier, 3°, a), l'indemnité de reconversion s'élève à au maximum 1750 euros par hectare de superficie cédée de l'exploitation lorsque le demandeur recouvre au maximum un cinquième de la superficie cédée de l'exploitation dans la demande et que le soutien à l'investissement a en même temps été demandé et reçu.
L'indemnité de reconversion maximale visée à l'alinéa deux est mise à jour par la multiplication de cette indemnité avec l'indice santé du mois de janvier de l'année pendant laquelle l'indemnité est demandée et par la division du résultat par l"indice santé du mois qui suit le mois de l'entrée en vigueur du présent arrêté.
S'il est opté pour une reconversion de l'exploitation, telle que visée à l'article 2.1.4.9, § 3, alinéa premier, 3°, b), l'indemnité de reconversion s'élève à au maximum 2000 euros par hectare de superficie cédée de l'exploitation lorsque le demandeur recouvre au maximum un dixième de la superficie cédée de l'exploitation dans la demande et que le soutien à l'investissement a en même temps été demandé et reçu.
L'indemnité de reconversion maximale visée à l'alinéa quatre est mise à jour par la multiplication de cette indemnité avec l'indice santé du mois de janvier de l'année pendant laquelle l'indemnité est demandée et par la division du résultat par l"indice santé du mois qui suit le mois de l'entrée en vigueur du présent arrêté.
S'il est opté pour une reconversion de l'exploitation, telle que visée à l'article 2.1.4.9, § 3, alinéa premier, 3°, c), l'indemnité de reconversion s'élève à au maximum 40 % des investissements réalisés.
[1 Par dérogation à l'alinéa 6, le pourcentage, visé à l'alinéa 6, peut être majoré de 20% pour le groupe d'exploitations agricoles contribuant pour [2 5% ou plus]2 à la valeur critique de dépôt d'un habitat qui se situe au sein d'une zone régie par la directive " Habitats ", dans la mesure où il s'agit de jeunes agriculteurs ou d'agriculteurs qui se sont installés pendant la période de cinq ans précédant la date de la demande.]1
L'addition de l'indemnité de reconversion et des autres sources de soutien à l'investissement ne peut pas dépasser le coût total de l'investissement.
§ 2. La commission foncière calcule l'indemnité pour la perte de l'utilisation des biens immobiliers dont le demandeur est le propriétaire ou non et dont l'utilisation sera éventuellement arrêtée à l'occasion de la reconversion de l'exploitation. L'indemnité pour la perte de l'utilisation est calculée sur la base des règles d'indemnité applicables aux expropriations d'utilité publique.
§ 3. La commission foncière calcule l'indemnité de reconversion pour les coûts directs et indirects et les investissements découlant de la reconversion volontaire de l'exploitation.
S'il est opté pour une reconversion de l'exploitation, telle que visée à l'article 2.1.4.9, § 3, alinéa premier, 3°, a), l'indemnité de reconversion s'élève à au maximum 1750 euros par hectare de superficie cédée de l'exploitation lorsque le demandeur recouvre au maximum un cinquième de la superficie cédée de l'exploitation dans la demande et que le soutien à l'investissement a en même temps été demandé et reçu.
L'indemnité de reconversion maximale visée à l'alinéa deux est mise à jour par la multiplication de cette indemnité avec l'indice santé du mois de janvier de l'année pendant laquelle l'indemnité est demandée et par la division du résultat par l"indice santé du mois qui suit le mois de l'entrée en vigueur du présent arrêté.
S'il est opté pour une reconversion de l'exploitation, telle que visée à l'article 2.1.4.9, § 3, alinéa premier, 3°, b), l'indemnité de reconversion s'élève à au maximum 2000 euros par hectare de superficie cédée de l'exploitation lorsque le demandeur recouvre au maximum un dixième de la superficie cédée de l'exploitation dans la demande et que le soutien à l'investissement a en même temps été demandé et reçu.
L'indemnité de reconversion maximale visée à l'alinéa quatre est mise à jour par la multiplication de cette indemnité avec l'indice santé du mois de janvier de l'année pendant laquelle l'indemnité est demandée et par la division du résultat par l"indice santé du mois qui suit le mois de l'entrée en vigueur du présent arrêté.
S'il est opté pour une reconversion de l'exploitation, telle que visée à l'article 2.1.4.9, § 3, alinéa premier, 3°, c), l'indemnité de reconversion s'élève à au maximum 40 % des investissements réalisés.
[1 Par dérogation à l'alinéa 6, le pourcentage, visé à l'alinéa 6, peut être majoré de 20% pour le groupe d'exploitations agricoles contribuant pour [2 5% ou plus]2 à la valeur critique de dépôt d'un habitat qui se situe au sein d'une zone régie par la directive " Habitats ", dans la mesure où il s'agit de jeunes agriculteurs ou d'agriculteurs qui se sont installés pendant la période de cinq ans précédant la date de la demande.]1
L'addition de l'indemnité de reconversion et des autres sources de soutien à l'investissement ne peut pas dépasser le coût total de l'investissement.
Afdeling 5. - De koopplicht
Section 5. - L'obligation d'acquisition
Onderafdeling 1. - Algemene voorwaarden
Sous-section 1re. - Conditions générales
Art. 2.1.4.12. § 1. De koopplicht geldt binnen de afbakening van het gebied waarvoor het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota wordt opgemaakt. In het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota wordt bepaald welke entiteit tot aankoop verplicht is.
[1 De koopplicht, vermeld in het eerste lid, wordt geregeld bij of krachtens titel 1 en titel 3 van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023.]1
§ 2. De aanvraag van koopplicht moet ingediend worden voor het verstrijken van [1 de termijn, vermeld in artikel 24, eerste lid, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023,]1 die ingaat vanaf de inwerkingtreding van het besluit tot vaststelling van de voltooiing van het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota.
§ 3. De eigenaar van een onroerend goed dat geheel of gedeeltelijk ligt binnen het gebied waar de koopplicht geldt, kan de koopplicht inroepen als ten gevolge van de uitvoering van het landinrichtingsproject of het project, plan of programma de waardevermindering van zijn onroerend goed ernstig is of de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt door de realisatie van het doel van het landinrichtingsproject of het project, plan of programma, in cumulatie met eventueel andere geplande of definitief besliste projecten, plannen of programma's in uitvoering.
[1 ...]1
[1 ...]1.
§ 4.[1 ...]1.
§ 5.[1 ...]1
[1 De koopplicht, vermeld in het eerste lid, wordt geregeld bij of krachtens titel 1 en titel 3 van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023.]1
§ 2. De aanvraag van koopplicht moet ingediend worden voor het verstrijken van [1 de termijn, vermeld in artikel 24, eerste lid, van het Instrumentendecreet van 26 mei 2023,]1 die ingaat vanaf de inwerkingtreding van het besluit tot vaststelling van de voltooiing van het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota.
§ 3. De eigenaar van een onroerend goed dat geheel of gedeeltelijk ligt binnen het gebied waar de koopplicht geldt, kan de koopplicht inroepen als ten gevolge van de uitvoering van het landinrichtingsproject of het project, plan of programma de waardevermindering van zijn onroerend goed ernstig is of de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt door de realisatie van het doel van het landinrichtingsproject of het project, plan of programma, in cumulatie met eventueel andere geplande of definitief besliste projecten, plannen of programma's in uitvoering.
[1 ...]1
[1 ...]1.
§ 4.[1 ...]1.
§ 5.[1 ...]1
Modifications
Art. 2.1.4.12. § 1er. L'obligation d'acquisition s'applique à l'intérieur de la délimitation de la zone pour laquelle le plan de rénovation rurale ou la note d'aménagement sont établis. Le plan de rénovation rurale ou la note d'aménagement définissent l'entité qui est tenue à l'acquisition.
[1 " L'obligation d'achat visée à l'alinéa 1er est régie par les titres 1er et 3 du décret Instruments du 26 mai 2023 ou en vertu de ceux-ci.]1.
§ 2. La demande de l'obligation d'acquisition doit être introduite avant l'échéance [1 du délai visé à l'article 24, alinéa 1er, du décret Instruments du 26 mai 2023]1, qui prend cours à partir de l'entrée en vigueur de l'arrêté établissant l'achèvement du plan de rénovation rurale ou de la note d'aménagement.
§ 3. Le propriétaire d'un bien immobilier situé entièrement ou partiellement dans la zone où l'obligation d'acquisition s'applique, peut invoquer l'obligation d'acquisition lorsque, suite à la réalisation du projet de rénovation rurale ou du projet, plan ou programme, le bien immobilier souffre d'une grave dépréciation ou que la viabilité des activités existantes sont gravement compromises par la réalisation de l'objectif du projet de rénovation rurale ou du projet, plan ou programme, en combinaison avec d'éventuels autres projets, plans ou programmes envisagés ou définitifs, qui sont en cours d'exécution.
[1 ...]1.
[1 ...]1
§ 4.[1 ...]1.
§ 5.[1 ...]1.
[1 " L'obligation d'achat visée à l'alinéa 1er est régie par les titres 1er et 3 du décret Instruments du 26 mai 2023 ou en vertu de ceux-ci.]1.
§ 2. La demande de l'obligation d'acquisition doit être introduite avant l'échéance [1 du délai visé à l'article 24, alinéa 1er, du décret Instruments du 26 mai 2023]1, qui prend cours à partir de l'entrée en vigueur de l'arrêté établissant l'achèvement du plan de rénovation rurale ou de la note d'aménagement.
§ 3. Le propriétaire d'un bien immobilier situé entièrement ou partiellement dans la zone où l'obligation d'acquisition s'applique, peut invoquer l'obligation d'acquisition lorsque, suite à la réalisation du projet de rénovation rurale ou du projet, plan ou programme, le bien immobilier souffre d'une grave dépréciation ou que la viabilité des activités existantes sont gravement compromises par la réalisation de l'objectif du projet de rénovation rurale ou du projet, plan ou programme, en combinaison avec d'éventuels autres projets, plans ou programmes envisagés ou définitifs, qui sont en cours d'exécution.
[1 ...]1.
[1 ...]1
§ 4.[1 ...]1.
§ 5.[1 ...]1.
Modifications
Onderafdeling 2.
Sous-section 2.
Onderafdeling 3.
Sous-section 3.
TITEL 2. - De landcommissies
TITRE 2. - Les commissions foncières
Art. 2.2.1.1. Binnen de grenzen van de provincie in kwestie voert de landcommissie de door haar te vervullen opdrachten uit. Elke landcommissie wordt genoemd naar de provincie in kwestie.
Als het project, plan of programma of het landinrichtingsproject betrekking heeft op verschillende provincies, voert de landcommissie van de provincie waarin het grootste deel van het project, plan of programma of het landinrichtingsproject ligt, de door haar te vervullen opdrachten uit.
De landcommissie kan voor het vervullen van haar opdrachten het advies van deskundigen vragen.
De minister richt de landcommissies op en benoemt de leden en plaatsvervangende leden van de landcommissies.
[1 De landcommissies worden, conform artikel 2.2.2, § 1, tweede lid van het decreet van 28 maart 2014, uitgebreid met de volgende leden:
1° een lid dat deskundig is op het vlak van de waardebepaling van onroerende goederen, voorgedragen door het Departement Financiën en Begroting, vermeld in artikel 19, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie;
2° een lid dat deskundig is op het vlak van de waardebepaling van onroerende goederen, voorgedragen door het Agentschap Innoveren en Ondernemen, opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 oktober 2005 aangaande het Agentschap Innoveren en Ondernemen;
3° een lid dat deskundig is op het vlak van de waardebepaling van onroerende goederen, voorgedragen door Wonen-Vlaanderen, opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 december 2005 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Wonen in Vlaanderen.]1
Als het project, plan of programma of het landinrichtingsproject betrekking heeft op verschillende provincies, voert de landcommissie van de provincie waarin het grootste deel van het project, plan of programma of het landinrichtingsproject ligt, de door haar te vervullen opdrachten uit.
De landcommissie kan voor het vervullen van haar opdrachten het advies van deskundigen vragen.
De minister richt de landcommissies op en benoemt de leden en plaatsvervangende leden van de landcommissies.
[1 De landcommissies worden, conform artikel 2.2.2, § 1, tweede lid van het decreet van 28 maart 2014, uitgebreid met de volgende leden:
1° een lid dat deskundig is op het vlak van de waardebepaling van onroerende goederen, voorgedragen door het Departement Financiën en Begroting, vermeld in artikel 19, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie;
2° een lid dat deskundig is op het vlak van de waardebepaling van onroerende goederen, voorgedragen door het Agentschap Innoveren en Ondernemen, opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 oktober 2005 aangaande het Agentschap Innoveren en Ondernemen;
3° een lid dat deskundig is op het vlak van de waardebepaling van onroerende goederen, voorgedragen door Wonen-Vlaanderen, opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 december 2005 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Wonen in Vlaanderen.]1
Modifications
Art. 2.2.1.1. La commission foncière accomplit ses missions à l'intérieur de la province en question. Chaque commission foncière prend son nom de la province en question.
Si le projet, plan ou programme ou le projet de rénovation rurale concerne plusieurs provinces, la commission foncière de la province où se situe la plus grande partie du projet, plan ou programme ou du projet de rénovation rurale accomplit les missions désignées.
La commission foncière peut solliciter l'avis d'experts dans le cadre de l'accomplissement de ses missions.
Le ministre établit les commission foncières et nomme les membres et les membres suppléants des commissions foncières.
[1 Conformément à l'article 2.2.2, § 1er, alinéa 2, du décret du 28 mars 2014, les commissions foncières sont étendues par les membres suivants :
1° un membre, expert en matière de détermination de la valeur de biens immobiliers, proposé par le Département des Finances et du Budget, visé à l'article 19, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif à l'organisation de l'Administration flamande ;
2° un membre, expert en matière de détermination de la valeur de biens immobiliers, proposé par l'Agence de l'Innovation et de l'Entrepreneuriat, créée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 octobre 2005 relatif à l' " Agentschap Innoveren en Ondernemen " ;
3° un membre, expert en matière de détermination de la valeur de biens immobiliers, proposé par désigné par l'Agence Habiter en Flandre, créée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 décembre 2005 portant création de l'agence autonomisée interne sans personnalité juridique " Wonen in Vlaanderen " (Habitat Flandre).]1
Si le projet, plan ou programme ou le projet de rénovation rurale concerne plusieurs provinces, la commission foncière de la province où se situe la plus grande partie du projet, plan ou programme ou du projet de rénovation rurale accomplit les missions désignées.
La commission foncière peut solliciter l'avis d'experts dans le cadre de l'accomplissement de ses missions.
Le ministre établit les commission foncières et nomme les membres et les membres suppléants des commissions foncières.
[1 Conformément à l'article 2.2.2, § 1er, alinéa 2, du décret du 28 mars 2014, les commissions foncières sont étendues par les membres suivants :
1° un membre, expert en matière de détermination de la valeur de biens immobiliers, proposé par le Département des Finances et du Budget, visé à l'article 19, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif à l'organisation de l'Administration flamande ;
2° un membre, expert en matière de détermination de la valeur de biens immobiliers, proposé par l'Agence de l'Innovation et de l'Entrepreneuriat, créée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 octobre 2005 relatif à l' " Agentschap Innoveren en Ondernemen " ;
3° un membre, expert en matière de détermination de la valeur de biens immobiliers, proposé par désigné par l'Agence Habiter en Flandre, créée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 décembre 2005 portant création de l'agence autonomisée interne sans personnalité juridique " Wonen in Vlaanderen " (Habitat Flandre).]1
Modifications
Art. 2.2.1.2. Het secretariaat van de landcommissies heeft tot taak:
1° de landcommissies bijstaan bij het vervullen van hun opdrachten;
2° de vergaderingen van de landcommissies voorbereiden;
3° de taken uitvoeren die de landcommissies het secretariaat opdragen.
1° de landcommissies bijstaan bij het vervullen van hun opdrachten;
2° de vergaderingen van de landcommissies voorbereiden;
3° de taken uitvoeren die de landcommissies het secretariaat opdragen.
Art. 2.2.1.2. Le secrétariat des commissions foncières a pour mission :
1° d'assister les commissions foncières dans l'accomplissement de leurs missions ;
2° de préparer les réunions des commissions foncières ;
3° d'exécuter les tâches dont les commissions foncières chargent le secrétariat.
1° d'assister les commissions foncières dans l'accomplissement de leurs missions ;
2° de préparer les réunions des commissions foncières ;
3° d'exécuter les tâches dont les commissions foncières chargent le secrétariat.
DEEL 3. - DE TOEPASSING VAN DE INSTRUMENTEN VIA LANDINRICHTINGSPROJECTEN
PARTIE 3. - L'APPLICATION DES INSTRUMENTS A TRAVERS LES PROJETS DE RENOVATION RURALE
TITEL 1. - Het onderzoek naar de opportuniteit en de haalbaarheid van landinrichtingsprojecten en de instelling van landinrichtingsprojecten
TITRE 1er. - L'examen de l'opportunité et de la faisabilité de projets de rénovation rurale et l'instauration de projets de rénovation rurale
Art. 3.1.1.1. Een landinrichtingsproject kan ingesteld worden om een antwoord te bieden op een vraag naar inrichting of beheer van de open ruimte.
Art. 3.1.1.1. Un projet de rénovation rurale peut être instauré pour offrir une réponse à une demande d'aménagement ou de gestion de l'espace ouvert.
Art. 3.1.1.2. De minister geeft het agentschap de opdracht om een onderzoek naar de opportuniteit en de haalbaarheid van een landinrichtingsproject uit te voeren.
Een onderzoek naar de opportuniteit en de haalbaarheid van een landinrichtingsproject omvat ten minste:
1° een motivatie van de meerwaarde van de instelling van een landinrichtingsproject in een welbepaald gebied;
2° een motivatie waaruit blijkt dat het landinrichtingsproject voldoet aan het doel van landinrichting, vermeld in artikel 1.1.3 van het decreet van 28 maart 2014, en dat het voldoet aan het beleid, vermeld in artikel 3.1.1, eerste lid, van het voormelde decreet;
3° een voorstel van landinrichtingsproject waarin het volgende is opgenomen:
a) de doelstellingen van het landinrichtingsproject;
b) de gebiedsafbakening van het landinrichtingsproject;
c) een niet-limitatief overzicht van de partners die betrokken zijn bij de uitvoering van het landinrichtingsproject;
d) een raming van de kosten van het landinrichtingsproject en een indicatie van de wijze van financiering van het landinrichtingsproject, alsook een raming van de subsidies voor landinrichting vermoedelijk uitgekeerd zullen worden voor het landinrichtingsproject en voor uitvoeringsinitiatieven als vermeld in artikel 3.4.2 van het voormelde decreet.
Een onderzoek naar de opportuniteit en de haalbaarheid van een landinrichtingsproject omvat ten minste:
1° een motivatie van de meerwaarde van de instelling van een landinrichtingsproject in een welbepaald gebied;
2° een motivatie waaruit blijkt dat het landinrichtingsproject voldoet aan het doel van landinrichting, vermeld in artikel 1.1.3 van het decreet van 28 maart 2014, en dat het voldoet aan het beleid, vermeld in artikel 3.1.1, eerste lid, van het voormelde decreet;
3° een voorstel van landinrichtingsproject waarin het volgende is opgenomen:
a) de doelstellingen van het landinrichtingsproject;
b) de gebiedsafbakening van het landinrichtingsproject;
c) een niet-limitatief overzicht van de partners die betrokken zijn bij de uitvoering van het landinrichtingsproject;
d) een raming van de kosten van het landinrichtingsproject en een indicatie van de wijze van financiering van het landinrichtingsproject, alsook een raming van de subsidies voor landinrichting vermoedelijk uitgekeerd zullen worden voor het landinrichtingsproject en voor uitvoeringsinitiatieven als vermeld in artikel 3.4.2 van het voormelde decreet.
Art. 3.1.1.2. Le ministre charge l'agence de mener un examen sur l'opportunité et la faisabilité d'un projet de rénovation rurale.
Un examen sur l'opportunité et la faisabilité d'un projet de rénovation rurale comprend au moins :
1° une motivation de la valeur ajoutée de l'instauration d'un projet de rénovation rurale dans une zone spécifique ;
2° une motivation dont il ressort que le projet de rénovation rurale répond à l'objectif de la rénovation rurale, visé à l'article 1.1.3 du décret du 28 mars 2014 et qu'il répond à la politique, visée à l'article 3.1.1, alinéa premier du décret précité ;
3° une proposition de projet de rénovation rurale reprenant ce qui suit :
a) les objectifs du projet de rénovation rurale ;
b) la délimitation de la zone du projet de rénovation rurale ;
c) un aperçu non limitatif des partenaires associés à l'exécution du projet de rénovation rurale ;
d) une estimation des coûts du projet de rénovation rurale et une indication du mode de financement du projet de rénovation rurale, de même qu'une estimation des subventions pour la rénovation rurale qui seront probablement versées pour le projet de rénovation rurale et pour les initiatives de mise en oeuvre, telles que visées à l'article 3.4.2 du décret précité.
Un examen sur l'opportunité et la faisabilité d'un projet de rénovation rurale comprend au moins :
1° une motivation de la valeur ajoutée de l'instauration d'un projet de rénovation rurale dans une zone spécifique ;
2° une motivation dont il ressort que le projet de rénovation rurale répond à l'objectif de la rénovation rurale, visé à l'article 1.1.3 du décret du 28 mars 2014 et qu'il répond à la politique, visée à l'article 3.1.1, alinéa premier du décret précité ;
3° une proposition de projet de rénovation rurale reprenant ce qui suit :
a) les objectifs du projet de rénovation rurale ;
b) la délimitation de la zone du projet de rénovation rurale ;
c) un aperçu non limitatif des partenaires associés à l'exécution du projet de rénovation rurale ;
d) une estimation des coûts du projet de rénovation rurale et une indication du mode de financement du projet de rénovation rurale, de même qu'une estimation des subventions pour la rénovation rurale qui seront probablement versées pour le projet de rénovation rurale et pour les initiatives de mise en oeuvre, telles que visées à l'article 3.4.2 du décret précité.
Art. 3.1.1.3. Het onderzoek naar de opportuniteit en de haalbaarheid van het landinrichtingsproject wordt door het agentschap bezorgd aan de programmacommissie.
De programmacommissie verleent advies aan het agentschap over het voorstel van landinrichtingsproject. Het agentschap kan op basis van dat advies het voorstel van landinrichtingsproject aanpassen.
De programmacommissie verleent advies aan het agentschap over het voorstel van landinrichtingsproject. Het agentschap kan op basis van dat advies het voorstel van landinrichtingsproject aanpassen.
Art. 3.1.1.3. L'agence transmet l'examen de l'opportunité et de la faisabilité du projet de rénovation rurale à la commission de programme.
La commission de programme émet son avis sur la proposition du projet de rénovation rurale à l'agence. L'agence peut ajuster la proposition du projet de rénovation rurale sur la base de cet avis.
La commission de programme émet son avis sur la proposition du projet de rénovation rurale à l'agence. L'agence peut ajuster la proposition du projet de rénovation rurale sur la base de cet avis.
Art. 3.1.1.4. [1 Het Departement Omgeving]1 bezorgt de volgende stukken aan de minister, aan het college van burgemeester en schepenen van elke gemeente waarop het voorstel van landinrichtingsproject betrekking heeft, en aan de deputatie van elke provincie waarop het voorstel van landinrichtingsproject betrekking heeft:
1° het onderzoek naar de opportuniteit en de haalbaarheid van een landinrichtingsproject, waarbij in voorkomend geval het voorstel van landinrichtingsproject is aangepast aan het advies van de programmacommissie;
2° het advies van de programmacommissie;
3° in voorkomend geval, de wijze waarop het agentschap rekening heeft gehouden met het advies van de programmacommissie.
1° het onderzoek naar de opportuniteit en de haalbaarheid van een landinrichtingsproject, waarbij in voorkomend geval het voorstel van landinrichtingsproject is aangepast aan het advies van de programmacommissie;
2° het advies van de programmacommissie;
3° in voorkomend geval, de wijze waarop het agentschap rekening heeft gehouden met het advies van de programmacommissie.
Modifications
Art. 3.1.1.4. [1 Le Département de l'Environnement]1 transmet les pièces suivantes au ministre, au collège des bourgmestre et échevins de chaque commune concernée par la proposition de projet de rénovation rurale et à la députation de chaque province concernée par la proposition de projet de rénovation rurale :
1° l'examen de l'opportunité et de la faisabilité d'un projet de rénovation rurale, suite auquel la proposition de rénovation rurale est éventuellement ajusté à l'avis de la commission de programme ;
2° l'avis de la commission de programme ;
3° le cas échéant, la façon dont l'agence a tenu compte de l'avis de la commission de programme.
1° l'examen de l'opportunité et de la faisabilité d'un projet de rénovation rurale, suite auquel la proposition de rénovation rurale est éventuellement ajusté à l'avis de la commission de programme ;
2° l'avis de la commission de programme ;
3° le cas échéant, la façon dont l'agence a tenu compte de l'avis de la commission de programme.
Modifications
Art. 3.1.1.5. De Vlaamse Regering keurt het voorstel van landinrichtingsproject goed en stelt het landinrichtingsproject in.
Art. 3.1.1.5. Le Gouvernement flamand approuve la proposition de projet de rénovation rurale et instaure le projet de rénovation rurale.
Art. 3.1.1.6. De beslissing van de Vlaamse Regering, vermeld in artikel 3.1.1.5, wordt door het agentschap bezorgd aan de volgende instanties:
1° het college van burgemeester en schepenen van elke gemeente waarop het ingestelde landinrichtingsproject betrekking heeft;
2° de deputatie van elke provincie waarop het ingestelde landinrichtingsproject betrekking heeft;
3° de programmacommissie.
1° het college van burgemeester en schepenen van elke gemeente waarop het ingestelde landinrichtingsproject betrekking heeft;
2° de deputatie van elke provincie waarop het ingestelde landinrichtingsproject betrekking heeft;
3° de programmacommissie.
Art. 3.1.1.6. L'agence transmet la décision du Gouvernement flamand, visée à l'article 3.1.1.5 aux instances suivantes :
1° au collège des bourgmestre et échevins de chaque commune concernée par le projet de rénovation rurale instauré ;
2° à la députation de chaque province concernée par le projet de rénovation rurale instauré ;
3° à la commission de programme.
1° au collège des bourgmestre et échevins de chaque commune concernée par le projet de rénovation rurale instauré ;
2° à la députation de chaque province concernée par le projet de rénovation rurale instauré ;
3° à la commission de programme.
TITEL 2. - De programmacommissie
TITRE 2. - La commission de programme
Art. 3.2.1.1. De programmacommissie is samengesteld uit de volgende leden:
1° de voorzitter, voorgedragen door de minister;
2° een vertegenwoordiger van het agentschap die het secretariaat verzekert, voorgedragen door de leidend ambtenaar;
3° [1 drie vertegenwoordigers van het Departement Omgeving, voorgedragen door de leidend ambtenaar, waarvan:
a) één deskundig is op het gebied van leefmilieu;
b) één deskundig is op het gebied van ruimtelijke ordening;
c) één deskundig is op het gebied van natuurlijke rijkdommen;]1
4° een vertegenwoordiger van het Agentschap Onroerend Erfgoed, voorgedragen door de leidend ambtenaar;
5° [1 ...]1
6° [1 ...]1
7° een vertegenwoordiger van het Agentschap voor Natuur en Bos, voorgedragen door de leidend ambtenaar;
8° [2 twee vertegenwoordigers van het Agentschap Landbouw en Zeevisserij, die de leidend ambtenaar voordraagt]2;
9° [2 ...]2
10° een vertegenwoordiger van de Vlaamse Milieumaatschappij, voorgedragen door de leidend ambtenaar;
11° een vertegenwoordiger van het departement, bevoegd voor mobiliteit en openbare werken, voorgedragen door de leidend ambtenaar;
12° een vertegenwoordiger van het agentschap Toerisme Vlaanderen, voorgedragen door de leidend ambtenaar;
13° een vertegenwoordiger van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij, voorgedragen door de leidend ambtenaar;
14° een vertegenwoordiger van de Vlaamse provincies, voorgedragen door de Vereniging van de Vlaamse Provincies;
15° een vertegenwoordiger van de gemeenten, voorgedragen door de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten.
Voor elk lid, vermeld in het eerste lid, wordt een plaatsvervangend lid voorgedragen op dezelfde wijze als vermeld in het eerste lid.
1° de voorzitter, voorgedragen door de minister;
2° een vertegenwoordiger van het agentschap die het secretariaat verzekert, voorgedragen door de leidend ambtenaar;
3° [1 drie vertegenwoordigers van het Departement Omgeving, voorgedragen door de leidend ambtenaar, waarvan:
a) één deskundig is op het gebied van leefmilieu;
b) één deskundig is op het gebied van ruimtelijke ordening;
c) één deskundig is op het gebied van natuurlijke rijkdommen;]1
4° een vertegenwoordiger van het Agentschap Onroerend Erfgoed, voorgedragen door de leidend ambtenaar;
5° [1 ...]1
6° [1 ...]1
7° een vertegenwoordiger van het Agentschap voor Natuur en Bos, voorgedragen door de leidend ambtenaar;
8° [2 twee vertegenwoordigers van het Agentschap Landbouw en Zeevisserij, die de leidend ambtenaar voordraagt]2;
9° [2 ...]2
10° een vertegenwoordiger van de Vlaamse Milieumaatschappij, voorgedragen door de leidend ambtenaar;
11° een vertegenwoordiger van het departement, bevoegd voor mobiliteit en openbare werken, voorgedragen door de leidend ambtenaar;
12° een vertegenwoordiger van het agentschap Toerisme Vlaanderen, voorgedragen door de leidend ambtenaar;
13° een vertegenwoordiger van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij, voorgedragen door de leidend ambtenaar;
14° een vertegenwoordiger van de Vlaamse provincies, voorgedragen door de Vereniging van de Vlaamse Provincies;
15° een vertegenwoordiger van de gemeenten, voorgedragen door de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten.
Voor elk lid, vermeld in het eerste lid, wordt een plaatsvervangend lid voorgedragen op dezelfde wijze als vermeld in het eerste lid.
Art. 3.2.1.1. La commission de programme est composée des membres suivants :
1° du président, proposé par le ministre ;
2° d'un représentant de l'agence en charge du secrétariat, proposé par le fonctionnaire dirigeant ;
3° [1 trois représentants du Département de l'Environnement, proposés par le fonctionnaire dirigeant, dont :
a) un expert en matière d'environnement ;
b) un expert en matière d'aménagement du territoire ;
c) un expert en matière de richesses naturelles ;]1
4° d'un représentant de l'" Agentschap Onroerend Erfgoed ", proposé par le fonctionnaire dirigeant ;
5° [1 ...]1
6° [1 ...]1
7° d'un représentant de l' " Agentschap voor Natuur en Bos " (Agence de la Nature et des Forêts), proposé par le fonctionnaire dirigeant ;
8° [2 de deux représentants de l'Agence de l'Agriculture et de la Pêche, proposés par le fonctionnaire dirigeant]2;
9° [2 ...]2
10° d'un représentant de la " Vlaamse Milieumaatschappij " (Société flamande de l'Environnement), proposé par le fonctionnaire dirigeant ;
11° d'un représentant du département, compétent pour la mobilité et les travaux publics, proposé par le fonctionnaire dirigeant ;
12° d'un représentant de l'agence " Toerisme Vlaanderen ", proposé par le fonctionnaire dirigeant ;
13° d'un représentant de la " Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij " (Société publique des Déchets pour la Région flamande), proposé par le fonctionnaire dirigeant ;
14° d'un représentant des provinces flamandes, proposé par la " Vereniging van de Vlaamse Provincies " (Association des Provinces flamandes) ;
15° d'un représentant de la " Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten' " (Association des Villes et Communes flamandes).
Un membre suppléant est proposé pour chaque membre, visé à l'alinéa premier, selon les mêmes modalités que celles visées à l'alinéa premier.
1° du président, proposé par le ministre ;
2° d'un représentant de l'agence en charge du secrétariat, proposé par le fonctionnaire dirigeant ;
3° [1 trois représentants du Département de l'Environnement, proposés par le fonctionnaire dirigeant, dont :
a) un expert en matière d'environnement ;
b) un expert en matière d'aménagement du territoire ;
c) un expert en matière de richesses naturelles ;]1
4° d'un représentant de l'" Agentschap Onroerend Erfgoed ", proposé par le fonctionnaire dirigeant ;
5° [1 ...]1
6° [1 ...]1
7° d'un représentant de l' " Agentschap voor Natuur en Bos " (Agence de la Nature et des Forêts), proposé par le fonctionnaire dirigeant ;
8° [2 de deux représentants de l'Agence de l'Agriculture et de la Pêche, proposés par le fonctionnaire dirigeant]2;
9° [2 ...]2
10° d'un représentant de la " Vlaamse Milieumaatschappij " (Société flamande de l'Environnement), proposé par le fonctionnaire dirigeant ;
11° d'un représentant du département, compétent pour la mobilité et les travaux publics, proposé par le fonctionnaire dirigeant ;
12° d'un représentant de l'agence " Toerisme Vlaanderen ", proposé par le fonctionnaire dirigeant ;
13° d'un représentant de la " Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij " (Société publique des Déchets pour la Région flamande), proposé par le fonctionnaire dirigeant ;
14° d'un représentant des provinces flamandes, proposé par la " Vereniging van de Vlaamse Provincies " (Association des Provinces flamandes) ;
15° d'un représentant de la " Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten' " (Association des Villes et Communes flamandes).
Un membre suppléant est proposé pour chaque membre, visé à l'alinéa premier, selon les mêmes modalités que celles visées à l'alinéa premier.
Art. 3.2.1.2. De programmacommissie komt geldig samen ongeacht het aantal aanwezige leden. De voorzitter van de programmacommissie roept de programmacommissie samen als hij dat nodig acht.
De programmacommissie brengt advies uit bij consensus. Als er geen consensus wordt bereikt, worden de verschillende standpunten van de leden in kwestie in het advies uiteengezet.
De programmacommissie maakt haar huishoudelijk reglement op.
De programmacommissie kan op elk moment derden raadplegen.
De programmacommissie brengt advies uit bij consensus. Als er geen consensus wordt bereikt, worden de verschillende standpunten van de leden in kwestie in het advies uiteengezet.
De programmacommissie maakt haar huishoudelijk reglement op.
De programmacommissie kan op elk moment derden raadplegen.
Art. 3.2.1.2. La commission de programme se réunit valablement, quel que soit le nombre de membres présents. Le président de la commission de programme convoque la commission de programme lorsqu'il le juge nécessaire.
Les avis de la commission de programme sont pris par consensus. Faute de consensus, les divers points de vue des membres concernés sont exposés dans l'avis.
La commission de programme établit son règlement d'ordre intérieur.
La commission de programme peut à tout moment solliciter l'avis de tiers.
Les avis de la commission de programme sont pris par consensus. Faute de consensus, les divers points de vue des membres concernés sont exposés dans l'avis.
La commission de programme établit son règlement d'ordre intérieur.
La commission de programme peut à tout moment solliciter l'avis de tiers.
Art. 3.2.1.3. De programmacommissie wordt voor het vervullen van haar taken bijgestaan door het agentschap.
Art. 3.2.1.3. La commission de programme est assistée par l'agence pour l'accomplissement de ses tâches.
TITEL 3. - De landinrichtingsplannen
TITRE 3. - Les plans de rénovation rurale
HOOFDSTUK 1. - De opmaak, vaststelling en uitvoering van landinrichtingsplannen
CHAPITRE 1er. - La rédaction, l'établissement et la mise en oeuvre de plans de rénovation rurale
Art. 3.3.1.1. Voor de realisatie van het landinrichtingsproject worden een of meer landinrichtingsplannen opgemaakt door het agentschap.
Art. 3.3.1.1. L'agence établit un ou plusieurs plans de rénovation rurale pour la réalisation du projet de rénovation rurale.
Art. 3.3.1.2. Het ontwerp landinrichtingsplan wordt door het agentschap bezorgd aan het college van burgemeester en schepenen van elke gemeente waarop het landinrichtingsplan betrekking heeft, en aan de deputatie van elke provincie waarop het landinrichtingsplan betrekking heeft.
Het college van burgemeester en schepenen organiseert het openbaar onderzoek over het ontwerp landinrichtingsplan.
Het ontwerp landinrichtingsplan wordt gedurende dertig dagen ter inzage gelegd in het gemeentehuis. Gedurende die termijn kan eenieder zijn opmerkingen en bezwaren over het ontwerp landinrichtingsplan indienen bij het college van burgemeester en schepenen of bij het personeelslid dat door het college van burgemeester en schepenen is aangewezen.
Binnen een termijn van drie maanden nadat het college van burgemeester en schepenen het ontwerp landinrichtingsplan heeft ontvangen, bezorgt het college de opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek, aan het agentschap.
Het agentschap kan het ontwerp landinrichtingsplan aanpassen op basis van de opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek.
Het college van burgemeester en schepenen organiseert het openbaar onderzoek over het ontwerp landinrichtingsplan.
Het ontwerp landinrichtingsplan wordt gedurende dertig dagen ter inzage gelegd in het gemeentehuis. Gedurende die termijn kan eenieder zijn opmerkingen en bezwaren over het ontwerp landinrichtingsplan indienen bij het college van burgemeester en schepenen of bij het personeelslid dat door het college van burgemeester en schepenen is aangewezen.
Binnen een termijn van drie maanden nadat het college van burgemeester en schepenen het ontwerp landinrichtingsplan heeft ontvangen, bezorgt het college de opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek, aan het agentschap.
Het agentschap kan het ontwerp landinrichtingsplan aanpassen op basis van de opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek.
Art. 3.3.1.2. L'agence remet le projet de plan de rénovation rurale au collège des bourgmestre et échevins de chaque commune faisant l'objet du plan de rénovation ruale et à la députation de chaque province faisant l'objet du plan de rénovation rurale.
Le collège des bourgmestre et échevins organise l'enquête publique relative au projet de plan de rénovation rurale.
Le projet de plan de rénovation rurale peut être consulté dans la maison communale pendant trente jours. Pendant cette période tout un chacun peut soumettre ses remarques et réclamations relatives au projet de plan de rénovation rurale auprès du collège des bourgmestre et échevins ou auprès du membre du personnel désigné par le collège des bourgmestre et échevins.
Le collège des bourgmestre et échevins remet les remarques et réclamations qui ont été introduites pendant l'enquête publique, à l'agence, dans un délai de trois mois après qu'il a reçu le projet de plan de rénovation rurale.
L'agence peut ajuster le projet de plan de rénovation rurale sur la base des remarques et réclamations qui ont été introduites au cours de l'enquête publique.
Le collège des bourgmestre et échevins organise l'enquête publique relative au projet de plan de rénovation rurale.
Le projet de plan de rénovation rurale peut être consulté dans la maison communale pendant trente jours. Pendant cette période tout un chacun peut soumettre ses remarques et réclamations relatives au projet de plan de rénovation rurale auprès du collège des bourgmestre et échevins ou auprès du membre du personnel désigné par le collège des bourgmestre et échevins.
Le collège des bourgmestre et échevins remet les remarques et réclamations qui ont été introduites pendant l'enquête publique, à l'agence, dans un délai de trois mois après qu'il a reçu le projet de plan de rénovation rurale.
L'agence peut ajuster le projet de plan de rénovation rurale sur la base des remarques et réclamations qui ont été introduites au cours de l'enquête publique.
Art. 3.3.1.3. § 1. Het college van burgemeester en schepenen van elke gemeente waarop het ontwerp landinrichtingsplan betrekking heeft, en de deputatie van elke provincie waarop het ontwerp landinrichtingsplan betrekking heeft, kunnen advies verlenen aan het agentschap over het ontwerp landinrichtingsplan.
Het advies wordt gegeven binnen een termijn van drie maanden na de ontvangst van het ontwerp landinrichtingsplan door het college van burgemeester en schepenen of door de deputatie. Als binnen die termijn geen advies is verleend, kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
§ 2. Het agentschap kan op basis van de adviezen, vermeld in paragraaf 1, het ontwerp landinrichtingsplan aanpassen. Het agentschap kan het ontwerp landinrichtingsplan alleen aanpassen nadat het voorstel tot aanpassing is voorgelegd aan de planbegeleidingsgroep.
Het advies wordt gegeven binnen een termijn van drie maanden na de ontvangst van het ontwerp landinrichtingsplan door het college van burgemeester en schepenen of door de deputatie. Als binnen die termijn geen advies is verleend, kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
§ 2. Het agentschap kan op basis van de adviezen, vermeld in paragraaf 1, het ontwerp landinrichtingsplan aanpassen. Het agentschap kan het ontwerp landinrichtingsplan alleen aanpassen nadat het voorstel tot aanpassing is voorgelegd aan de planbegeleidingsgroep.
Art. 3.3.1.3. § 1er. Le collège des bourgmestre et échevins de chaque commune faisant l'objet du projet de plan de rénovation et la députation de chaque province faisant l'objet du projet de plan de rénovation, peuvent conseiller l'agence sur le projet de plan de rénovation.
L'avis est donné dans un délai de trois mois après la réception du projet de plan de rénovation rurale par le collège des bourgmestre et échevins ou par la députation. Faute d'avis dans ce délai, il peut être passé outre à la formalité d'avis.
§ 2. L'agence peut ajuster le projet de plan de rénovation rurale sur la base des avis, visés au paragraphe 1er. L'agence ne peut ajuster le projet de plan de rénovation rurale qu'après que la proposition d'ajustement a été soumise au groupe d'accompagnement du plan.
L'avis est donné dans un délai de trois mois après la réception du projet de plan de rénovation rurale par le collège des bourgmestre et échevins ou par la députation. Faute d'avis dans ce délai, il peut être passé outre à la formalité d'avis.
§ 2. L'agence peut ajuster le projet de plan de rénovation rurale sur la base des avis, visés au paragraphe 1er. L'agence ne peut ajuster le projet de plan de rénovation rurale qu'après que la proposition d'ajustement a été soumise au groupe d'accompagnement du plan.
Art. 3.3.1.4. [1 Het Departement Omgeving]1 bezorgt de volgende stukken aan de minister:
1° het ontwerp landinrichtingsplan dat is aangepast op basis van de opmerkingen en bezwaren die ingediend zijn tijdens het openbaar onderzoek, vermeld in artikel 3.3.1.2, van dit besluit, of op basis van de adviezen, vermeld in artikel 3.3.1.3, § 1, van dit besluit;
2° het verslag van de planbegeleidingsgroep over het voorstel tot aanpassing van het ontwerp landinrichtingsplan, vermeld in artikel 3.3.1.3, § 2, van dit besluit;
3° de opmerkingen en bezwaren die ingediend zijn tijdens het openbaar onderzoek, vermeld in artikel 3.3.1.2, van dit besluit, en de mate waarin het agentschap rekening heeft gehouden met die opmerkingen en bezwaren;
4° in voorkomend geval de adviezen, vermeld in artikel 3.3.1.3, § 1, van dit besluit en de mate waarin het agentschap rekening heeft gehouden met die adviezen;
5° in voorkomend geval de instemming van de instanties en de personen, vermeld in artikel 3.3.8 en 3.3.9 van het decreet van 28 maart 2014, die belast worden met de uitvoering van het landinrichtingsplan of gedeelten ervan.
1° het ontwerp landinrichtingsplan dat is aangepast op basis van de opmerkingen en bezwaren die ingediend zijn tijdens het openbaar onderzoek, vermeld in artikel 3.3.1.2, van dit besluit, of op basis van de adviezen, vermeld in artikel 3.3.1.3, § 1, van dit besluit;
2° het verslag van de planbegeleidingsgroep over het voorstel tot aanpassing van het ontwerp landinrichtingsplan, vermeld in artikel 3.3.1.3, § 2, van dit besluit;
3° de opmerkingen en bezwaren die ingediend zijn tijdens het openbaar onderzoek, vermeld in artikel 3.3.1.2, van dit besluit, en de mate waarin het agentschap rekening heeft gehouden met die opmerkingen en bezwaren;
4° in voorkomend geval de adviezen, vermeld in artikel 3.3.1.3, § 1, van dit besluit en de mate waarin het agentschap rekening heeft gehouden met die adviezen;
5° in voorkomend geval de instemming van de instanties en de personen, vermeld in artikel 3.3.8 en 3.3.9 van het decreet van 28 maart 2014, die belast worden met de uitvoering van het landinrichtingsplan of gedeelten ervan.
Modifications
Art. 3.3.1.4. [1 Le Département de l'Environnement]1 remet les pièces suivantes au ministre :
1° le projet de plan de rénovation rurale ajusté sur la base des remarques et réclamations qui ont été introduites au cours de l'enquête publique, visée à l'article 3.3.1.2 du présent arrêté ou sur la base des avis, visés à l'article 3.3.1.3, § 1er du présent arrêté ;
2° le rapport du groupe d'accompagnement du plan sur la proposition d'ajustement du projet de plan de rénovation rurale, visé à l'article 3.3.1.3, § 2 du présent arrêté ;
3° les remarques et réclamations qui ont été introduites au cours de l'enquête publique, visée à l'article 3.3.1.2 du présent arrêté et la mesure dans laquelle l'agence a tenu compte de ces remarques et réclamations ;
4° le cas échéant, les avis, visés à l'article 3.3.1.3, § 1er du présent arrêté et la mesure dans laquelle l'agence a tenu compte de ces avis ;
5° le cas échéant, l'assentiment des instances et personnes, visées aux articles 3.3.8 et 3.3.9 du décret du 28 mars 2014, chargées de la mise en oeuvre du plan de rénovation rurale ou parties de celui-ci.
1° le projet de plan de rénovation rurale ajusté sur la base des remarques et réclamations qui ont été introduites au cours de l'enquête publique, visée à l'article 3.3.1.2 du présent arrêté ou sur la base des avis, visés à l'article 3.3.1.3, § 1er du présent arrêté ;
2° le rapport du groupe d'accompagnement du plan sur la proposition d'ajustement du projet de plan de rénovation rurale, visé à l'article 3.3.1.3, § 2 du présent arrêté ;
3° les remarques et réclamations qui ont été introduites au cours de l'enquête publique, visée à l'article 3.3.1.2 du présent arrêté et la mesure dans laquelle l'agence a tenu compte de ces remarques et réclamations ;
4° le cas échéant, les avis, visés à l'article 3.3.1.3, § 1er du présent arrêté et la mesure dans laquelle l'agence a tenu compte de ces avis ;
5° le cas échéant, l'assentiment des instances et personnes, visées aux articles 3.3.8 et 3.3.9 du décret du 28 mars 2014, chargées de la mise en oeuvre du plan de rénovation rurale ou parties de celui-ci.
Modifications
Art. 3.3.1.5. Als het landinrichtingsplan uitsluitend betrekking heeft op bevoegdheden die zijn toegewezen aan de minister, stelt de minister het landinrichtingsplan vast en belast de minister de instanties en de personen, vermeld in het landinrichtingsplan, met de uitvoering van het landinrichtingsplan of gedeelten ervan.
Als het landinrichtingsplan ook betrekking heeft op bevoegdheden die niet zijn toegewezen aan de minister, wordt het landinrichtingsplan vastgesteld door de Vlaamse Regering en belast de Vlaamse Regering de instanties en de personen, vermeld in het landinrichtingsplan, met de uitvoering van het landinrichtingsplan of gedeelten ervan.
Als het landinrichtingsplan ook betrekking heeft op bevoegdheden die niet zijn toegewezen aan de minister, wordt het landinrichtingsplan vastgesteld door de Vlaamse Regering en belast de Vlaamse Regering de instanties en de personen, vermeld in het landinrichtingsplan, met de uitvoering van het landinrichtingsplan of gedeelten ervan.
Art. 3.3.1.5. Lorsque le plan de rénovation rurale se rapporte exclusivement aux compétences assignées au ministre, le ministre établit le plan de rénovation rurale et charge les instances et personnes, visées dans le plan de rénovation rurale de la mise en oeuvre du plan de rénovation rurale ou de parties de celui-ci.
Lorsque le plan de rénovation rurale se rapporte également aux compétences qui n'ont pas été assignées au ministre, le plan de rénovation rurale est établi par le Gouvernement flamand, qui charge les instances et personnes, visées dans le plan de rénovation rurale de la mise en oeuvre du plan de rénovation rurale ou de parties de celui-ci.
Lorsque le plan de rénovation rurale se rapporte également aux compétences qui n'ont pas été assignées au ministre, le plan de rénovation rurale est établi par le Gouvernement flamand, qui charge les instances et personnes, visées dans le plan de rénovation rurale de la mise en oeuvre du plan de rénovation rurale ou de parties de celui-ci.
Art. 3.3.1.6. Het besluit tot vaststelling van het landinrichtingsplan wordt door het agentschap bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad binnen zestig dagen na de vaststelling als de inzet van een of meer van de volgende instrumenten mogelijk wordt gemaakt:
1° de herverkaveling uit kracht van wet;
2° het recht van voorkoop;
3° de inrichtingswerken uit kracht van wet;
4° de erfdienstbaarheden tot openbaar nut;
[1 5° het recht van voorkeur.]1
Het besluit tot vaststelling van het landinrichtingsplan bevat ten minste de volgende gegevens:
1° als herverkaveling uit kracht van wet als instrument is opgenomen in het landinrichtingsplan: de bepaling over de duur van jachtovereenkomsten, vermeld in artikel 2.1.36 van het decreet van 28 maart 2014, met aanduiding van de kadastrale gegevens van de percelen waar die bepaling geldt;
2° als recht van voorkoop als instrument is opgenomen in het landinrichtingsplan: de kadastrale gegevens van de percelen waarop het recht van voorkoop van toepassing is, de termijn waarin het recht van voorkoop geldt en de vermelding dat het recht van voorkoop aangeboden moet worden aan de Vlaamse Grondenbank;
3° als inrichtingswerken uit kracht van wet als instrument zijn opgenomen in het landinrichtingsplan: de kadastrale gegevens van de percelen waarop inrichtingswerken uit kracht van wet worden uitgevoerd, met de beschrijving van de uit te voeren werken;
4° als de vestiging van erfdienstbaarheden van openbaar nut als instrument is opgenomen in het landinrichtingsplan en die erfdienstbaarheid niet gericht is op de instandhouding van inrichtingswerken uit kracht van wet: de kadastrale gegevens van de percelen waarop erfdienstbaarheden tot openbaar nut worden gevestigd, met de beschrijving van de erfdienstbaarheid die wordt gevestigd.
[1 5° het recht van voorkeur als instrument is opgenomen in het landinrichtingsplan:
a) de kadastrale gegevens van de percelen waarop het recht van voorkeur van toepassing is;
b) de termijn waarin het recht van voorkeur geldt;
c) de vermelding dat het recht van voorkeur aangeboden moet worden aan de Vlaamse Grondenbank.]1
Het landinrichtingsplan treedt in werking veertien dagen na de bekendmaking van het besluit tot vaststelling van het landinrichtingsplan.
In afwijking van het derde lid heeft het recht van voorkoop, vermeld in het tweede lid, 2°, uitwerking vanaf het moment, vermeld in artikel 10 van het decreet van 25 mei 2007 houdende de harmonisering van de procedures van voorkooprechten.
1° de herverkaveling uit kracht van wet;
2° het recht van voorkoop;
3° de inrichtingswerken uit kracht van wet;
4° de erfdienstbaarheden tot openbaar nut;
[1 5° het recht van voorkeur.]1
Het besluit tot vaststelling van het landinrichtingsplan bevat ten minste de volgende gegevens:
1° als herverkaveling uit kracht van wet als instrument is opgenomen in het landinrichtingsplan: de bepaling over de duur van jachtovereenkomsten, vermeld in artikel 2.1.36 van het decreet van 28 maart 2014, met aanduiding van de kadastrale gegevens van de percelen waar die bepaling geldt;
2° als recht van voorkoop als instrument is opgenomen in het landinrichtingsplan: de kadastrale gegevens van de percelen waarop het recht van voorkoop van toepassing is, de termijn waarin het recht van voorkoop geldt en de vermelding dat het recht van voorkoop aangeboden moet worden aan de Vlaamse Grondenbank;
3° als inrichtingswerken uit kracht van wet als instrument zijn opgenomen in het landinrichtingsplan: de kadastrale gegevens van de percelen waarop inrichtingswerken uit kracht van wet worden uitgevoerd, met de beschrijving van de uit te voeren werken;
4° als de vestiging van erfdienstbaarheden van openbaar nut als instrument is opgenomen in het landinrichtingsplan en die erfdienstbaarheid niet gericht is op de instandhouding van inrichtingswerken uit kracht van wet: de kadastrale gegevens van de percelen waarop erfdienstbaarheden tot openbaar nut worden gevestigd, met de beschrijving van de erfdienstbaarheid die wordt gevestigd.
[1 5° het recht van voorkeur als instrument is opgenomen in het landinrichtingsplan:
a) de kadastrale gegevens van de percelen waarop het recht van voorkeur van toepassing is;
b) de termijn waarin het recht van voorkeur geldt;
c) de vermelding dat het recht van voorkeur aangeboden moet worden aan de Vlaamse Grondenbank.]1
Het landinrichtingsplan treedt in werking veertien dagen na de bekendmaking van het besluit tot vaststelling van het landinrichtingsplan.
In afwijking van het derde lid heeft het recht van voorkoop, vermeld in het tweede lid, 2°, uitwerking vanaf het moment, vermeld in artikel 10 van het decreet van 25 mei 2007 houdende de harmonisering van de procedures van voorkooprechten.
Modifications
Art. 3.3.1.6. L'agence publie l'arrêté relatif à l'établissement du plan de rénovation rurale au Moniteur belge dans les soixante jours après l'établissement si l'utilisation d'un ou plusieurs des instruments suivants est rendu possible :
1° le relotissement imposé par force de loi ;
2° le droit de préemption ;
3° les travaux d'aménagement imposés par force de loi ;
4° les servitudes d'utilité publique ;
[1 5° le droit de préférence]1
L'arrêté établissant le plan de rénovation rurale comprend au moins les données suivantes :
1° lorsque le relotissement par force de loi a été repris comme instrument dans le plan de rénovation rurale : la disposition relative à la durée des conventions de chasse, visées à l'article 2.1.36 du décret du 28 mars 2014, avec mention des données cadastrales des parcelles auxquelles cette disposition s'applique ;
2° lorsque le droit de préemption en tant qu'instrument a été repris dans le plan de rénovation rurale : les données cadastrales des parcelles auxquelles le droit de préemption s'applique, la période pendant laquelle le droit de préemption s'applique et la mention que le droit de préemption doit être offert à la " Vlaamse Grondenbank " ;
3° lorsque des travaux d'aménagement imposés par force de loi ont été repris comme instrument dans le plan de rénovation rurale : les données cadastrales des parcelles sur lesquelles les travaux d'aménagement par force de loi sont mis en oeuvre, avec la description des travaux à mettre en oeuvre ;
4° lorsque l'établissement de servitudes d'utilité publique a été repris comme instrument dans le plan de rénovation rurale et que cette servitude ne vise pas le maintien de travaux d'aménagement par force de loi : les données cadastrales des parcelles sur lesquelles les servitudes d'utilité publique sont établies, avec la description de la servitude qui est établie.
[1 5° lorsque le droit de préférence est repris en tant qu'instrument dans le plan de rénovation rurale :
a) les données cadastrales des parcelles auxquelles s'applique le droit de préférence ;
b) le délai pendant lequel le droit de préférence s'applique ;
c) la mention que le droit de préférence doit être offert à la Banque foncière flamande]1
Le plan de rénovation rurale entre en vigueur quatorze jours après la publication de l'arrêté portant établissement du plan de rénovation rurale.
Par dérogation à l'alinéa trois, le droit de préemption, visé à l'alinéa deux, 2° produit ses effets à partir du moment, visé à l'article 10 du décret du 25 mai 2007 portant harmonisation des procédures relatives aux droits de préemption.
1° le relotissement imposé par force de loi ;
2° le droit de préemption ;
3° les travaux d'aménagement imposés par force de loi ;
4° les servitudes d'utilité publique ;
[1 5° le droit de préférence]1
L'arrêté établissant le plan de rénovation rurale comprend au moins les données suivantes :
1° lorsque le relotissement par force de loi a été repris comme instrument dans le plan de rénovation rurale : la disposition relative à la durée des conventions de chasse, visées à l'article 2.1.36 du décret du 28 mars 2014, avec mention des données cadastrales des parcelles auxquelles cette disposition s'applique ;
2° lorsque le droit de préemption en tant qu'instrument a été repris dans le plan de rénovation rurale : les données cadastrales des parcelles auxquelles le droit de préemption s'applique, la période pendant laquelle le droit de préemption s'applique et la mention que le droit de préemption doit être offert à la " Vlaamse Grondenbank " ;
3° lorsque des travaux d'aménagement imposés par force de loi ont été repris comme instrument dans le plan de rénovation rurale : les données cadastrales des parcelles sur lesquelles les travaux d'aménagement par force de loi sont mis en oeuvre, avec la description des travaux à mettre en oeuvre ;
4° lorsque l'établissement de servitudes d'utilité publique a été repris comme instrument dans le plan de rénovation rurale et que cette servitude ne vise pas le maintien de travaux d'aménagement par force de loi : les données cadastrales des parcelles sur lesquelles les servitudes d'utilité publique sont établies, avec la description de la servitude qui est établie.
[1 5° lorsque le droit de préférence est repris en tant qu'instrument dans le plan de rénovation rurale :
a) les données cadastrales des parcelles auxquelles s'applique le droit de préférence ;
b) le délai pendant lequel le droit de préférence s'applique ;
c) la mention que le droit de préférence doit être offert à la Banque foncière flamande]1
Le plan de rénovation rurale entre en vigueur quatorze jours après la publication de l'arrêté portant établissement du plan de rénovation rurale.
Par dérogation à l'alinéa trois, le droit de préemption, visé à l'alinéa deux, 2° produit ses effets à partir du moment, visé à l'article 10 du décret du 25 mai 2007 portant harmonisation des procédures relatives aux droits de préemption.
Modifications
Art. 3.3.1.7. Het agentschap bezorgt het landinrichtingsplan en het besluit tot vaststelling van het landinrichtingsplan, voorafgaandelijk aan de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, aan:
1° de instanties en personen die belast zijn met de uitvoering van het landinrichtingsplan;
2° de gemeente en de provincie waarop het landinrichtingsplan betrekking heeft;
3° de planbegeleidingsgroep.
Het landinrichtingsplan en het besluit tot vaststelling van het landinrichtingsplan kunnen worden ingezien bij elke gemeente waarop het landinrichtingsplan betrekking heeft.
1° de instanties en personen die belast zijn met de uitvoering van het landinrichtingsplan;
2° de gemeente en de provincie waarop het landinrichtingsplan betrekking heeft;
3° de planbegeleidingsgroep.
Het landinrichtingsplan en het besluit tot vaststelling van het landinrichtingsplan kunnen worden ingezien bij elke gemeente waarop het landinrichtingsplan betrekking heeft.
Art. 3.3.1.7. Préalablement à sa publication au Moniteur belge, l'agence remet le plan de rénovation rurale et l'arrêté établissant le plan de rénovation rurale :
1° aux instances et aux personnes chargées de la mise en oeuvre du plan de rénovation rurale ;
2° à la commune et à la province faisant l'objet du plan de rénovation rurale ;
3° au groupe d'accompagnement du plan.
Le plan de rénovation rurale et l'arrêté établissant le plan de rénovation rurale peuvent être consultés dans chaque commune faisant l'objet du plan de rénovation rurale.
1° aux instances et aux personnes chargées de la mise en oeuvre du plan de rénovation rurale ;
2° à la commune et à la province faisant l'objet du plan de rénovation rurale ;
3° au groupe d'accompagnement du plan.
Le plan de rénovation rurale et l'arrêté établissant le plan de rénovation rurale peuvent être consultés dans chaque commune faisant l'objet du plan de rénovation rurale.
Art. 3.3.1.8. Degene die het landinrichtingsplan heeft vastgesteld, stelt de voltooiing van het landinrichtingsplan vast als de inzet van de volgende instrumenten werd mogelijk gemaakt:
1° de vrijwillige bedrijfsverplaatsing;
2° de vrijwillige bedrijfsstopzetting;
3° de vrijwillige bedrijfsreconversie;
4° de koopplicht.
Het besluit tot vaststelling van de voltooiing van het landinrichtingsplan wordt door het agentschap bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
1° de vrijwillige bedrijfsverplaatsing;
2° de vrijwillige bedrijfsstopzetting;
3° de vrijwillige bedrijfsreconversie;
4° de koopplicht.
Het besluit tot vaststelling van de voltooiing van het landinrichtingsplan wordt door het agentschap bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Art. 3.3.1.8. La personne ayant établi le plan de rénovation rurale, établit l'achèvement du plan de rénovation rurale lorsque l'utilisation des instruments suivants a été rendue possible :
1° la délocalisation volontaire de l'exploitation ;
2° la cessation volontaire de l'exploitation ;
3° la reconversion volontaire de l'exploitation ;
4° l'obligation d'acquisition.
L'agence publie l'arrêté établissant l'achèvement du plan de rénovation rurale au Moniteur belge.
1° la délocalisation volontaire de l'exploitation ;
2° la cessation volontaire de l'exploitation ;
3° la reconversion volontaire de l'exploitation ;
4° l'obligation d'acquisition.
L'agence publie l'arrêté établissant l'achèvement du plan de rénovation rurale au Moniteur belge.
HOOFDSTUK 2. - De planbegeleidingsgroepen
CHAPITRE 2. - Les groupes d'accompagnement du plan
Art. 3.3.2.1. § 1. De planbegeleidingsgroep is samengesteld uit de volgende leden:
1° de voorzitter, aangewezen door de minister;
2° een vertegenwoordiger van het agentschap die het secretariaat verzekert, aangewezen door de leidend ambtenaar van het agentschap;
3° een vertegenwoordiger van elk departement van de Vlaamse administratie waarvan de bevoegdheid bij het landinrichtingsproject is betrokken, aangewezen door de leidend ambtenaar van het departement in kwestie;
4° een vertegenwoordiger van elk agentschap van de Vlaamse administratie waarvan de bevoegdheid bij het landinrichtingsproject is betrokken, aangewezen door de leidend ambtenaar van het agentschap in kwestie;
5° een vertegenwoordiger van elke provincie waarvan de bevoegdheid bij het landinrichtingsproject is betrokken, aangewezen door de deputatie in kwestie;
6° een vertegenwoordiger van elke gemeente waarvan de bevoegdheid bij het landinrichtingsproject is betrokken, aangewezen door het college van burgemeester en schepenen in kwestie;
7° een vertegenwoordiger van de doelgroep natuur, aangewezen door de Mina-raad;
8° een vertegenwoordiger van de doelgroep bos, aangewezen door de Mina-raad, als die doelgroep betrokken is bij het landinrichtingsproject;
9° een vertegenwoordiger van de doelgroep landbouw, aangewezen door de Strategische Adviesraad voor Landbouw en Visserij, als die doelgroep betrokken is bij het landinrichtingsproject;
10° een vertegenwoordiger van de doelgroep recreatie, aangewezen door de minister, als die doelgroep betrokken is bij het landinrichtingsproject;
11° vertegenwoordigers van andere doelgroepen die betrokken zijn bij het landinrichtingsproject, aangewezen door de minister;
Voor elk lid, vermeld in het eerste lid, wordt een plaatsvervangend lid aangewezen op de wijze, vermeld in het eerste lid.
De minister bepaalt welke departementen, agentschappen, provincies, gemeenten en doelgroepen bij het landinrichtingsproject betrokken zijn.
Het agentschap vraagt aan de instanties, vermeld in het eerste lid, om een lid en een plaatsvervangend lid aan te wijzen. Twee maanden nadat het agentschap die vraag heeft gesteld, kan de planbegeleidingsgroep geldig samenkomen.
De planbegeleidingsgroep kan op elk moment derden raadplegen.
§ 2. De planbegeleidingsgroep komt geldig samen ongeacht het aantal aanwezige leden. De voorzitter van de planbegeleidingsgroep roept de planbegeleidingsgroep samen als hij dat nodig acht.
De planbegeleidingsgroep streeft naar consensus. Als er geen consensus wordt bereikt, beslist de voorzitter van de planbegeleidingsgroep en worden de verschillende standpunten van de leden uiteengezet in het verslag van de planbegeleidingsgroep.
Elke planbegeleidingsgroep maakt zijn huishoudelijk reglement op.
1° de voorzitter, aangewezen door de minister;
2° een vertegenwoordiger van het agentschap die het secretariaat verzekert, aangewezen door de leidend ambtenaar van het agentschap;
3° een vertegenwoordiger van elk departement van de Vlaamse administratie waarvan de bevoegdheid bij het landinrichtingsproject is betrokken, aangewezen door de leidend ambtenaar van het departement in kwestie;
4° een vertegenwoordiger van elk agentschap van de Vlaamse administratie waarvan de bevoegdheid bij het landinrichtingsproject is betrokken, aangewezen door de leidend ambtenaar van het agentschap in kwestie;
5° een vertegenwoordiger van elke provincie waarvan de bevoegdheid bij het landinrichtingsproject is betrokken, aangewezen door de deputatie in kwestie;
6° een vertegenwoordiger van elke gemeente waarvan de bevoegdheid bij het landinrichtingsproject is betrokken, aangewezen door het college van burgemeester en schepenen in kwestie;
7° een vertegenwoordiger van de doelgroep natuur, aangewezen door de Mina-raad;
8° een vertegenwoordiger van de doelgroep bos, aangewezen door de Mina-raad, als die doelgroep betrokken is bij het landinrichtingsproject;
9° een vertegenwoordiger van de doelgroep landbouw, aangewezen door de Strategische Adviesraad voor Landbouw en Visserij, als die doelgroep betrokken is bij het landinrichtingsproject;
10° een vertegenwoordiger van de doelgroep recreatie, aangewezen door de minister, als die doelgroep betrokken is bij het landinrichtingsproject;
11° vertegenwoordigers van andere doelgroepen die betrokken zijn bij het landinrichtingsproject, aangewezen door de minister;
Voor elk lid, vermeld in het eerste lid, wordt een plaatsvervangend lid aangewezen op de wijze, vermeld in het eerste lid.
De minister bepaalt welke departementen, agentschappen, provincies, gemeenten en doelgroepen bij het landinrichtingsproject betrokken zijn.
Het agentschap vraagt aan de instanties, vermeld in het eerste lid, om een lid en een plaatsvervangend lid aan te wijzen. Twee maanden nadat het agentschap die vraag heeft gesteld, kan de planbegeleidingsgroep geldig samenkomen.
De planbegeleidingsgroep kan op elk moment derden raadplegen.
§ 2. De planbegeleidingsgroep komt geldig samen ongeacht het aantal aanwezige leden. De voorzitter van de planbegeleidingsgroep roept de planbegeleidingsgroep samen als hij dat nodig acht.
De planbegeleidingsgroep streeft naar consensus. Als er geen consensus wordt bereikt, beslist de voorzitter van de planbegeleidingsgroep en worden de verschillende standpunten van de leden uiteengezet in het verslag van de planbegeleidingsgroep.
Elke planbegeleidingsgroep maakt zijn huishoudelijk reglement op.
Art. 3.3.2.1. § 1er. Le groupe d'accompagnement du plan est composé des membres suivants :
1° le président, désigné par le Ministre ;
2° un représentant de l'agence en charge du secrétariat, proposé par le fonctionnaire dirigeant de l'agence ;
3° un représentant de chaque département de l'administration flamande dont la compétence est concernée par le projet de rénovation rurale, proposé par le fonctionnaire dirigeant du département intéressé ;
4° un représentant de chaque agence de l'administration flamande dont la compétence est concernée par le projet de rénovation rurale, proposé par le fonctionnaire dirigeant de l'agence intéressée ;
5° un représentant de chaque province dont la compétence est concernée par le projet de rénovation rurale, proposé par la députation intéressée ;
6° un représentant de chaque commune dont la compétence est concernée par le projet de rénovation rurale, proposé par le collège des bourgmestre et échevins intéressé ;
7° un représentant du groupe cible " nature ", désigné par le " Mina-raad " (Conseil flamand de l'Environnement et de la Nature) ;
8° un représentant du groupe cible " forêt ", désigné par le " Mina-raad ", si ce groupe-cible est associé au projet de rénovation rurale ;
9° un représentant du groupe cible " agriculture ", désigné par le " Strategische Adviesraad voor Landbouw en Visserij " (Conseil consultatif stratégique de l'Agriculture et de la Pêche), si ce groupe-cible est associé au projet de rénovation rurale ;
10° un représentant du groupe cible " récréation ", désigné par le ministre, si ce groupe-cible est associé au projet de rénovation rurale ;
11° des représentants d'autres groupes cibles concernés par le projet de rénovation rurale, désignés par le Ministre ;
Un membre suppléant est proposé pour chaque membre, visé à l'alinéa premier, selon les modalités visées à l'alinéa premier.
Le ministre définit les départements, agences, provinces, communes et groupes- cibles qui sont associés au projet de rénovation rurale.
L'agence demande aux instances, visées à l'alinéa premier, de désigner un membre et un membre suppléant. Le groupe d'accompagnement du plan peut se réunir valablement deux mois après que l'agence a introduit cette demande.
Le groupe d'accompagnement du plan peut à tout moment solliciter l'avis de tiers.
§ 2. Le groupe d'accompagnement du plan se réunit valablement, quel que soit le nombre de membres présents. Le président du groupe d'accompagnement du plan convoque ce dernier lorsqu'il le juge nécessaire.
Le groupe d'accompagnement du plan recherche le consensus. A défaut de consensus, le président du groupe d'accompagnement du plan décide et les différents points de vue des membres sont explicités dans le rapport du groupe d'accompagnement du plan.
Chaque groupe d'accompagnement du plan établit son règlement d'ordre intérieur.
1° le président, désigné par le Ministre ;
2° un représentant de l'agence en charge du secrétariat, proposé par le fonctionnaire dirigeant de l'agence ;
3° un représentant de chaque département de l'administration flamande dont la compétence est concernée par le projet de rénovation rurale, proposé par le fonctionnaire dirigeant du département intéressé ;
4° un représentant de chaque agence de l'administration flamande dont la compétence est concernée par le projet de rénovation rurale, proposé par le fonctionnaire dirigeant de l'agence intéressée ;
5° un représentant de chaque province dont la compétence est concernée par le projet de rénovation rurale, proposé par la députation intéressée ;
6° un représentant de chaque commune dont la compétence est concernée par le projet de rénovation rurale, proposé par le collège des bourgmestre et échevins intéressé ;
7° un représentant du groupe cible " nature ", désigné par le " Mina-raad " (Conseil flamand de l'Environnement et de la Nature) ;
8° un représentant du groupe cible " forêt ", désigné par le " Mina-raad ", si ce groupe-cible est associé au projet de rénovation rurale ;
9° un représentant du groupe cible " agriculture ", désigné par le " Strategische Adviesraad voor Landbouw en Visserij " (Conseil consultatif stratégique de l'Agriculture et de la Pêche), si ce groupe-cible est associé au projet de rénovation rurale ;
10° un représentant du groupe cible " récréation ", désigné par le ministre, si ce groupe-cible est associé au projet de rénovation rurale ;
11° des représentants d'autres groupes cibles concernés par le projet de rénovation rurale, désignés par le Ministre ;
Un membre suppléant est proposé pour chaque membre, visé à l'alinéa premier, selon les modalités visées à l'alinéa premier.
Le ministre définit les départements, agences, provinces, communes et groupes- cibles qui sont associés au projet de rénovation rurale.
L'agence demande aux instances, visées à l'alinéa premier, de désigner un membre et un membre suppléant. Le groupe d'accompagnement du plan peut se réunir valablement deux mois après que l'agence a introduit cette demande.
Le groupe d'accompagnement du plan peut à tout moment solliciter l'avis de tiers.
§ 2. Le groupe d'accompagnement du plan se réunit valablement, quel que soit le nombre de membres présents. Le président du groupe d'accompagnement du plan convoque ce dernier lorsqu'il le juge nécessaire.
Le groupe d'accompagnement du plan recherche le consensus. A défaut de consensus, le président du groupe d'accompagnement du plan décide et les différents points de vue des membres sont explicités dans le rapport du groupe d'accompagnement du plan.
Chaque groupe d'accompagnement du plan établit son règlement d'ordre intérieur.
TITEL 4. - Subsidies
TITRE 4. - Subventions
HOOFDSTUK 1. - Procedure voor de indiening en de vaststelling van uitvoeringsinitiatieven
CHAPITRE 1er. - Procédure relative à l'introduction et à l'établissement d'initiatives de mise en oeuvre
Art. 3.4.1.1. Op voorstel van de planbegeleidingsgroep doet het agentschap een oproep voor de indiening van projectvoorstellen voor uitvoeringsinitiatieven. De minister bepaalt de voorwaarden waaraan de uitvoeringsinitiatieven moeten voldoen. De planbegeleidingsgroep bepaalt de termijn waarin de projectvoorstellen ingediend moeten zijn.
Het projectvoorstel voor een uitvoeringsinitiatief bevat ten minste de volgende gegevens:
1° de gegevens van degene die het projectvoorstel indient en die de verantwoordelijke is voor het uitvoeringsinitiatief;
2° de motivering waarom het projectvoorstel voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 3.4.2 van het decreet van 28 maart 2014;
3° een raming van de kostprijs van het projectvoorstel.
Het agentschap, bijgestaan door de planbegeleidingsgroep, gaat na of de ingediende projectvoorstellen voor uitvoeringsinitiatieven voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 3.4.2 van het decreet van 28 maart 2014.
Het projectvoorstel voor een uitvoeringsinitiatief bevat ten minste de volgende gegevens:
1° de gegevens van degene die het projectvoorstel indient en die de verantwoordelijke is voor het uitvoeringsinitiatief;
2° de motivering waarom het projectvoorstel voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 3.4.2 van het decreet van 28 maart 2014;
3° een raming van de kostprijs van het projectvoorstel.
Het agentschap, bijgestaan door de planbegeleidingsgroep, gaat na of de ingediende projectvoorstellen voor uitvoeringsinitiatieven voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 3.4.2 van het decreet van 28 maart 2014.
Art. 3.4.1.1. L'agence lance un appel à l'introduction de propositions de projet pour des initiatives de mise en oeuvre, sur la proposition du groupe d'accompagnement du plan. Le Ministre arrête les conditions auxquelles doivent répondre les initiatives de mise en oeuvre. Le groupe d'accompagnement du plan définit le délai endéans lequel les propositions de projet doivent être introduites.
La proposition de projet pour une initiative de mise en oeuvre contient au moins les données suivantes :
1° les données de l'introducteur de la proposition de projet, qui est le responsable de l'initiative de mise en oeuvre ;
2° la justification pourquoi la proposition de projet répond aux conditions, visées à l'article 3.4.2 du décret du 28 mars 2014 ;
3° une estimation du coût de la proposition de projet.
L'agence, assistée par le groupe d'accompagnement du plan, vérifie si les propositions de projet qui ont été introduites pour les initiatives de mise en oeuvre répondent aux conditions, visées à l'article 3.4.2 du décret du 28 mars 2014.
La proposition de projet pour une initiative de mise en oeuvre contient au moins les données suivantes :
1° les données de l'introducteur de la proposition de projet, qui est le responsable de l'initiative de mise en oeuvre ;
2° la justification pourquoi la proposition de projet répond aux conditions, visées à l'article 3.4.2 du décret du 28 mars 2014 ;
3° une estimation du coût de la proposition de projet.
L'agence, assistée par le groupe d'accompagnement du plan, vérifie si les propositions de projet qui ont été introduites pour les initiatives de mise en oeuvre répondent aux conditions, visées à l'article 3.4.2 du décret du 28 mars 2014.
Art. 3.4.1.2. Op voorstel van de planbegeleidingsgroep beslist de minister welke projectvoorstellen voor uitvoeringsinitiatieven aanvaard worden.
Art. 3.4.1.2. Le ministre arrête les propositions de projet pour des initiatives de mise en oeuvre qui sont acceptées, sur la proposition du groupe d'accompagnement du plan.
Art. 3.4.1.3. Als in het kader van uitvoeringsinitiatieven werken uitgevoerd worden door de instanties en de personen, vermeld in artikel 3.3.9 van het decreet van 28 maart 2014, die geen eigenaar zijn van de gronden waarop de werken uitgevoerd worden, moeten de betrokken eigenaars en de andere houders van zakelijke rechten op die gronden instemmen met de uitvoering van de werken.
Art. 3.4.1.3. Si, dans le cadre d'initiatives de mise en oeuvre, des travaux sont réalisés par les instances et personnes, visées à l'article 3.3.9 du décret du 28 mars 2014, qui ne sont pas propriétaires des terres sur lesquelles les travaux sont réalisés, les propriétaires et autres titulaires de droits réels sur ces terres concernés doivent approuver l'exécution des travaux.
HOOFDSTUK 2. - Bepalingen over de aanvraag, de toekenning, de aanwending en de verantwoording van subsidies
CHAPITRE 2. - Dispositions relatives à la demande, à l'octroi, à l'affectation et à la justification de subventions
Afdeling 1. - Gemeenschappelijke bepalingen inzake de aanvraag van subsidies
Section 1re. - Dispositions communes relatives à la demande de subventions
Art. 3.4.2.1. De aanvraag van een subsidie wordt ingediend bij [1 het Departement Omgeving]1. Het agentschap kan degene die een subsidie aanvraagt, bijstaan bij de aanvraag van de subsidie.
Modifications
Art. 3.4.2.1. La demande d'une subvention est introduite auprès du [1 Département de l'Environnement]1. L'agence peut assister le demandeur d'une subvention lors de la demande de la subvention.
Modifications
Art. 3.4.2.2. De aanvraag van de subsidie bevat ten minste de volgende gegevens:
1° een beschrijving van de activiteit waarvoor de subsidie wordt aangevraagd;
2° een verantwoording van de activiteit waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, waarin de volgende elementen worden omschreven:
a) het doel waarvoor de aanvrager de subsidie wil aanwenden;
b) de periode van de realisatie van de activiteit;
3° alle geraamde kosten;
4° de vereiste instemmingen, vermeld in artikel 3.3.9 van het decreet van 28 maart 2014, als privaatrechtelijke rechtspersonen of natuurlijke personen belast zijn met de uitvoering van het landinrichtingsplan of gedeelten ervan;
5° de stukken waaruit blijkt dat de aanvrager van de subsidie zich ertoe verbonden heeft om de voorwaarden voor de toekenning van de subsidie na te leven.
1° een beschrijving van de activiteit waarvoor de subsidie wordt aangevraagd;
2° een verantwoording van de activiteit waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, waarin de volgende elementen worden omschreven:
a) het doel waarvoor de aanvrager de subsidie wil aanwenden;
b) de periode van de realisatie van de activiteit;
3° alle geraamde kosten;
4° de vereiste instemmingen, vermeld in artikel 3.3.9 van het decreet van 28 maart 2014, als privaatrechtelijke rechtspersonen of natuurlijke personen belast zijn met de uitvoering van het landinrichtingsplan of gedeelten ervan;
5° de stukken waaruit blijkt dat de aanvrager van de subsidie zich ertoe verbonden heeft om de voorwaarden voor de toekenning van de subsidie na te leven.
Art. 3.4.2.2. La demande de la subvention comprend au moins les données suivantes :
1° une description de l'activité faisant l'objet de la demande de la subvention ;
2° une justification de l'activité faisant l'objet de la demande de la subvention, dans laquelle les éléments suivants sont décrits :
a) l'objectif auquel le demandeur veut affecter la subvention ;
b) la période au cours de laquelle l'activité sera réalisée ;
3° tous les coûts estimés ;
4° les assentiments requis, visés à l'article 3.3.9 du décret du 28 mars 2014, lorsque des personnes morales de droit privé ou des personnes physiques sont chargées de la mise en oeuvre du plan de rénovation rurale ou de parties de celui-ci ;
5° les pièces dont il ressort que le demandeur de la subvention s'est engagé à respecter les conditions de l'octroi de la subvention.
1° une description de l'activité faisant l'objet de la demande de la subvention ;
2° une justification de l'activité faisant l'objet de la demande de la subvention, dans laquelle les éléments suivants sont décrits :
a) l'objectif auquel le demandeur veut affecter la subvention ;
b) la période au cours de laquelle l'activité sera réalisée ;
3° tous les coûts estimés ;
4° les assentiments requis, visés à l'article 3.3.9 du décret du 28 mars 2014, lorsque des personnes morales de droit privé ou des personnes physiques sont chargées de la mise en oeuvre du plan de rénovation rurale ou de parties de celui-ci ;
5° les pièces dont il ressort que le demandeur de la subvention s'est engagé à respecter les conditions de l'octroi de la subvention.
Afdeling 2. - Bepalingen over de toekenning, de aanwending en de verantwoording van de subsidie
Section 2. - Dispositions relatives à l'octroi, à l'affectation et à la justification de subventions
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen
Sous-section 1re. - Dispositions générales
Art. 3.4.2.3. De minister beslist over de toekenning van de subsidie. De toegekende subsidie moet aangewend worden voor de doeleinden waarvoor ze is verleend.
Art. 3.4.2.3. Le Ministre décide de l'octroi de la subvention. La subvention octroyée doit être affectée aux fins prévues pour son octroi.
Art. 3.4.2.4. De toegekende subsidies voldoen aan de communautaire regelgeving.
Art. 3.4.2.4. Les subventions octroyées répondent à la réglementation communautaire.
Art. 3.4.2.5. Als voor de activiteit waarvoor de subsidie wordt aangevraagd een vergunning vereist is, kan de subsidie worden toegekend voor de vergunning is verkregen en kan de subsidie worden aangerekend ten laste van de begroting.
Als de activiteit inhoudelijk wordt aangepast met het oog op het verkrijgen van de vergunning, kan de beslissing over de toekenning van de subsidie daaraan worden aangepast.
Als de activiteit inhoudelijk wordt aangepast met het oog op het verkrijgen van de vergunning, kan de beslissing over de toekenning van de subsidie daaraan worden aangepast.
Art. 3.4.2.5. Lorsque l'activité pour laquelle la subvention est demandée nécessite une autorisation, la subvention peut être octroyée avant que l'autorisation ait été obtenue et la subvention peut être imputée à charge du budget.
Lorsque le fond de l'activité est ajusté en vue de l'obtention de l'autorisation, la décision relative à l'octroi de la subvention, peut y être ajustée.
Lorsque le fond de l'activité est ajusté en vue de l'obtention de l'autorisation, la décision relative à l'octroi de la subvention, peut y être ajustée.
Art. 3.4.2.6. De stukken die de aanwending van de subsidie verantwoorden, worden ingediend bij [1 het Departement Omgeving]1. [1 Het Departement Omgeving]1 kan zich alle aanvullende gegevens laten verschaffen die nodig zijn voor de definitieve vaststelling van de verantwoorde subsidie.
Modifications
Art. 3.4.2.6. Les pièces justifiant l'affectation de la subvention, sont introduites auprès du [1 Département de l'Environnement]1. Le [1 Département de l'Environnement]1 peut se faire fournir toutes les données complémentaires nécessaires à l'établissement définitif de la subvention justifiée.
Modifications
Art. 3.4.2.7. Als de begunstigde van de subsidie een btw-plichtige is die de betaalde btw in rekening kan brengen in zijn btw-boekhouding, wordt de btw in mindering gebracht van de kostprijs die de basis vormt voor de bepaling van de subsidie.
Art. 3.4.2.7. Si le bénéficiaire de la subvention est assujetti à la TVA et peut imputer la TVA payée sur sa comptabilité TVA, la TVA est déduite du coût servant de base à la définition de la subvention.
Onderafdeling 2. - Subsidies voor de voorbereiding van landinrichtingsplannen
Sous-section 2. - Subventions pour la préparation de plans de rénovation rurale
Art. 3.4.2.8. De subsidie van het Vlaamse Gewest voor de voorbereiding van een landinrichtingsplan, zoals studieopdrachten of procesbegeleiding, bedraagt maximaal 70 % van de kosten als die voorbereidende activiteiten op verzoek van [1 het Departement Omgeving]1 worden uitgevoerd door provincies of gemeenten of door privaatrechtelijke rechtspersonen die het beheer of de bescherming van landschap, natuur of milieu beogen. De minister bepaalt het bedrag of het subsidiepercentage.
De subsidie van het Vlaamse Gewest voor de voorbereiding van een landinrichtingsplan, zoals studieopdrachten of procesbegeleiding, bedraagt 100 % van de kosten die niet ten laste worden genomen door derden als die voorbereidende activiteiten worden uitgevoerd door het agentschap. De minister bepaalt het bedrag of het percentage van de kosten dat ten laste wordt genomen door derden.
De subsidie van het Vlaamse Gewest voor de voorbereiding van een landinrichtingsplan, zoals studieopdrachten of procesbegeleiding, bedraagt 100 % van de kosten die niet ten laste worden genomen door derden als die voorbereidende activiteiten worden uitgevoerd door het agentschap. De minister bepaalt het bedrag of het percentage van de kosten dat ten laste wordt genomen door derden.
Modifications
Art. 3.4.2.8. La subvention de la Région flamande pour la préparation d'un plan de rénovation rurale, comme des missions d'étude ou de l'accompagnement de processus par exemple, s'élève à au maximum 70 % des coûts lorsque ces activités préparatoires sont mises en oeuvre par des provinces ou communes ou par des personnes morales de droit privé dans un souci de la gestion ou de la protection du paysage, de la nature ou de l'environnement à la demande du [1 Département de l'Environnement ]1. Le ministre définit le montant ou le pourcentage de la subvention.
La subvention de la Région flamande pour la préparation d'un plan de rénovation rurale, comme des missions d'étude ou de l'accompagnement de processus par exemple, s'élève à 100 % des coûts qui ne sont pas pris en charge par des tiers si ces activités préparatoires sont mises en oeuvre par l'agence. Le ministre définit le montant ou le pourcentage des coûts qui est pris en charge par des tiers.
La subvention de la Région flamande pour la préparation d'un plan de rénovation rurale, comme des missions d'étude ou de l'accompagnement de processus par exemple, s'élève à 100 % des coûts qui ne sont pas pris en charge par des tiers si ces activités préparatoires sont mises en oeuvre par l'agence. Le ministre définit le montant ou le pourcentage des coûts qui est pris en charge par des tiers.
Modifications
Art. 3.4.2.9. De volgende kosten vormen de basis voor de bepaling van de subsidie:
1° de kostprijs van de leveringen en diensten, vastgesteld door de eindafrekening. Voor de berekening van de subsidie mag de kostprijs evenwel niet hoger zijn dan het bedrag van de goedgekeurde inschrijving of aanbieding;
2° de algemene kosten die verbonden zijn aan de uitvoering van de voorbereidende activiteiten met onder meer de kosten voor publicatie en aanbesteding.
Het bedrag van de algemene kosten mag niet meer dan 10 % bedragen van de kostprijs, vermeld in het eerste lid, 1°.
1° de kostprijs van de leveringen en diensten, vastgesteld door de eindafrekening. Voor de berekening van de subsidie mag de kostprijs evenwel niet hoger zijn dan het bedrag van de goedgekeurde inschrijving of aanbieding;
2° de algemene kosten die verbonden zijn aan de uitvoering van de voorbereidende activiteiten met onder meer de kosten voor publicatie en aanbesteding.
Het bedrag van de algemene kosten mag niet meer dan 10 % bedragen van de kostprijs, vermeld in het eerste lid, 1°.
Art. 3.4.2.9. Les frais suivants constituent la base au calcul de la subvention :
1° le coût des fournitures et services, établis par le décompte final. Pour le calcul de la subvention, le coût ne peut toutefois pas être plus élevé que le montant de la soumission ou offre approuvée ;
2° les frais généraux liés à la mise en oeuvre des activités préparatoires, comprenant les coûts de la publication et de l'adjudication entre autres.
Le montant des frais généraux ne peut pas s'élever à plus de 10 % du coût, visé à l'alinéa premier, 1°.
1° le coût des fournitures et services, établis par le décompte final. Pour le calcul de la subvention, le coût ne peut toutefois pas être plus élevé que le montant de la soumission ou offre approuvée ;
2° les frais généraux liés à la mise en oeuvre des activités préparatoires, comprenant les coûts de la publication et de l'adjudication entre autres.
Le montant des frais généraux ne peut pas s'élever à plus de 10 % du coût, visé à l'alinéa premier, 1°.
Art. 3.4.2.10. De verantwoording van de aanwending van de subsidie voor de voorbereiding van landinrichtingsplannen omvat:
1° de stukken waarmee wordt aangetoond dat de voorbereidende activiteit waarvoor de subsidie is toegekend, gerealiseerd is;
2° de volgende stukken waarmee wordt aangetoond welke kosten zijn gemaakt voor de uitvoering van de voorbereidende activiteit:
a) de goedgekeurde schuldvordering;
b) de factuur die opgemaakt is naar aanleiding van de schuldvordering;
c) in voorkomend geval het proces-verbaal van de oplevering;
d) in voorkomend geval de bewijsstukken van de algemene kosten, vermeld in artikel 3.4.2.9, eerste lid, 2°.
1° de stukken waarmee wordt aangetoond dat de voorbereidende activiteit waarvoor de subsidie is toegekend, gerealiseerd is;
2° de volgende stukken waarmee wordt aangetoond welke kosten zijn gemaakt voor de uitvoering van de voorbereidende activiteit:
a) de goedgekeurde schuldvordering;
b) de factuur die opgemaakt is naar aanleiding van de schuldvordering;
c) in voorkomend geval het proces-verbaal van de oplevering;
d) in voorkomend geval de bewijsstukken van de algemene kosten, vermeld in artikel 3.4.2.9, eerste lid, 2°.
Art. 3.4.2.10. La justification de l'affectation de la subvention à la préparation de plans de rénovation rurale comprend :
1° les pièces démontrant que l'activité préparatoire pour laquelle la subvention a été octroyée, a été réalisée ;
2° les pièces suivantes démontrant les coûts qui ont été faits pour la mise en oeuvre de l'activité préparatoire :
a) la créance approuvée ;
b) la facture qui a été établie à l'occasion de la créance ;
c) le cas échéant, le procès-verbal de la réception ;
d) le cas échéant, les pièces justificatives des frais généraux, visés à l'article 3.4.2.9, alinéa premier, 2°.
1° les pièces démontrant que l'activité préparatoire pour laquelle la subvention a été octroyée, a été réalisée ;
2° les pièces suivantes démontrant les coûts qui ont été faits pour la mise en oeuvre de l'activité préparatoire :
a) la créance approuvée ;
b) la facture qui a été établie à l'occasion de la créance ;
c) le cas échéant, le procès-verbal de la réception ;
d) le cas échéant, les pièces justificatives des frais généraux, visés à l'article 3.4.2.9, alinéa premier, 2°.
Onderafdeling 3. - Subsidies voor uitvoeringsinitiatieven
Sous-section 3. - Subventions pour des initiatives de mise en oeuvre
Art. 3.4.2.11. De subsidie van het Vlaamse Gewest voor uitvoeringsinitiatieven, vermeld in artikel 3.4.2 van het decreet van 28 maart 2014, bedraagt maximaal 50 % van de kosten, voor zover het uitvoeringsinitiatief wordt uitgevoerd door een instantie of door de persoon, vermeld in artikel 3.3.8 en 3.3.9 van het voormelde decreet.
Als er nog geen landinrichtingsplan is vastgesteld, bepaalt de minister het subsidiepercentage. Als er een landinrichtingsplan is vastgesteld, wordt het subsidiepercentage bepaald in het landinrichtingsplan.
Als er nog geen landinrichtingsplan is vastgesteld, bepaalt de minister het subsidiepercentage. Als er een landinrichtingsplan is vastgesteld, wordt het subsidiepercentage bepaald in het landinrichtingsplan.
Art. 3.4.2.11. La subvention de la Région flamande pour les initiatives de mise en oeuvre, visées à l'article 3.4.2 du décret du 28 mars 2014, s'élève à au maximum 50 % des coûts, pour autant que l'initiative de mise en oeuvre est réalisée par une instance ou par la personne, visées aux articles 3.3.8 et 3.3.9 du décret précité.
A défaut de l'établissement d'un plan de rénovation rurale, le pourcentage de la subvention est défini par le ministre. Lorsqu'un plan de rénovation rurale a été établi, le pourcentage de la subvention est défini dans le plan de rénovation rurale.
A défaut de l'établissement d'un plan de rénovation rurale, le pourcentage de la subvention est défini par le ministre. Lorsqu'un plan de rénovation rurale a été établi, le pourcentage de la subvention est défini dans le plan de rénovation rurale.
Art. 3.4.2.12. Het totale bedrag van de uitgaven voor het uitvoeringsinitiatief omvat:
1° de kostprijs van het uitvoeringsinitiatief vastgesteld door de eindafrekening. Voor de berekening van de subsidie mag de kostprijs evenwel niet hoger zijn dan het bedrag van de goedgekeurde inschrijving of aanbieding die in het geval van werken wordt vermeerderd met:
a) de kostprijs van de vooraf door de minister goedgekeurde meerwerken;
b) 5 % van het bedrag van de goedgekeurde inschrijving of aanbieding om de kosten te dekken voor onvoorziene en noodzakelijke meerwerken;
c) de prijsherzieningen.
2° de algemene kosten die verbonden zijn aan de uitvoering van het uitvoeringsinitiatief.
Het bedrag van de algemene kosten, met uitzondering van de kosten voor het verplaatsen van leidingen, mag niet meer bedragen dan 15 % van de kostprijs van het uitvoeringsinitiatief, vermeld in het eerste lid, 1°.
1° de kostprijs van het uitvoeringsinitiatief vastgesteld door de eindafrekening. Voor de berekening van de subsidie mag de kostprijs evenwel niet hoger zijn dan het bedrag van de goedgekeurde inschrijving of aanbieding die in het geval van werken wordt vermeerderd met:
a) de kostprijs van de vooraf door de minister goedgekeurde meerwerken;
b) 5 % van het bedrag van de goedgekeurde inschrijving of aanbieding om de kosten te dekken voor onvoorziene en noodzakelijke meerwerken;
c) de prijsherzieningen.
2° de algemene kosten die verbonden zijn aan de uitvoering van het uitvoeringsinitiatief.
Het bedrag van de algemene kosten, met uitzondering van de kosten voor het verplaatsen van leidingen, mag niet meer bedragen dan 15 % van de kostprijs van het uitvoeringsinitiatief, vermeld in het eerste lid, 1°.
Art. 3.4.2.12. Le montant total des dépenses pour l'initiative de mise en oeuvre comprend :
1° le coût de l'initiative de mise en oeuvre, établi par le décompte final. Pour le calcul de la subvention, le coût ne peut toutefois pas être plus élevé que le montant de la soumission ou offre approuvée, qui est majoré, en cas de travaux :
a) du coût des travaux supplémentaires, qui ont au préalable été approuvés par le ministre ;
b) de 5 % du montant de la soumission ou de l'offre approuvée pour couvrir les frais occasionnés par des travaux supplémentaires imprévus et nécessaires ;
c) des révisions de prix ;
2° les frais généraux liés à l'exécution de l'initiative de mise en oeuvre.
Le montant des frais généraux, à l'exception des frais pour le déplacement de canalisations, ne peut pas s'élever à plus de 15 % du coût de l'initiative de mise en oeuvre, visée à l'alinéa premier, 1°.
1° le coût de l'initiative de mise en oeuvre, établi par le décompte final. Pour le calcul de la subvention, le coût ne peut toutefois pas être plus élevé que le montant de la soumission ou offre approuvée, qui est majoré, en cas de travaux :
a) du coût des travaux supplémentaires, qui ont au préalable été approuvés par le ministre ;
b) de 5 % du montant de la soumission ou de l'offre approuvée pour couvrir les frais occasionnés par des travaux supplémentaires imprévus et nécessaires ;
c) des révisions de prix ;
2° les frais généraux liés à l'exécution de l'initiative de mise en oeuvre.
Le montant des frais généraux, à l'exception des frais pour le déplacement de canalisations, ne peut pas s'élever à plus de 15 % du coût de l'initiative de mise en oeuvre, visée à l'alinéa premier, 1°.
Art. 3.4.2.13. De verantwoording van de aanwending van de subsidie voor uitvoeringsinitiatieven omvat:
1° de stukken waarmee wordt aangetoond dat het uitvoeringsinitiatief waarvoor de subsidie is toegekend, gerealiseerd is;
2° de volgende stukken waarmee wordt aangetoond welke kosten zijn gemaakt voor de uitvoering van het uitvoeringsinitiatief:
a) de goedgekeurde vorderingsstaat en schuldvordering;
b) de factuur die opgemaakt is naar aanleiding van de schuldvordering;
c) in voorkomend geval het proces-verbaal van de oplevering;
d) in voorkomend geval de bewijsstukken van de algemene kosten, vermeld in artikel 3.4.2.12, eerste lid, 2°.
1° de stukken waarmee wordt aangetoond dat het uitvoeringsinitiatief waarvoor de subsidie is toegekend, gerealiseerd is;
2° de volgende stukken waarmee wordt aangetoond welke kosten zijn gemaakt voor de uitvoering van het uitvoeringsinitiatief:
a) de goedgekeurde vorderingsstaat en schuldvordering;
b) de factuur die opgemaakt is naar aanleiding van de schuldvordering;
c) in voorkomend geval het proces-verbaal van de oplevering;
d) in voorkomend geval de bewijsstukken van de algemene kosten, vermeld in artikel 3.4.2.12, eerste lid, 2°.
Art. 3.4.2.13. La justification de l'affectation de la subvention aux initiatives de mise en oeuvre comprend :
1° les pièces démontrant que l'initiative de mise en oeuvre pour laquelle la subvention a été octroyée, a été réalisée ;
2° les pièces suivantes démontrant les coûts qui ont été faits pour l'exécution de l'initiative de mise en oeuvre :
a) l'état d'avancement et la créance approuvés ;
b) la facture qui a été établie à l'occasion de la créance ;
c) le cas échéant, le procès-verbal de la réception ;
d) le cas échéant, les pièces justificatives des frais généraux, visés à l'article 3.4.2.12, alinéa premier, 2°.
1° les pièces démontrant que l'initiative de mise en oeuvre pour laquelle la subvention a été octroyée, a été réalisée ;
2° les pièces suivantes démontrant les coûts qui ont été faits pour l'exécution de l'initiative de mise en oeuvre :
a) l'état d'avancement et la créance approuvés ;
b) la facture qui a été établie à l'occasion de la créance ;
c) le cas échéant, le procès-verbal de la réception ;
d) le cas échéant, les pièces justificatives des frais généraux, visés à l'article 3.4.2.12, alinéa premier, 2°.
Art. 3.4.2.14. Werken in het kader van uitvoeringsinitiatieven die uitgevoerd zijn door de instanties en de personen, vermeld in artikel 3.3.9 van het decreet van 28 maart 2014, moeten uitgevoerd worden volgens de regels van de kunst en onder toezicht van het agentschap door aannemers en onderaannemers die voldoen aan de vereisten van de wetgeving inzake de erkenning van aannemers.
Art. 3.4.2.14. Les travaux dans le cadre d'initiatives de mise en oeuvre qui ont été réalisés par les instances et personnes, visées à l'article 3.3.9 du décret du 28 mars 2014, doivent être réalisés dans les règles et sous le contrôle de l'agence par des entrepreneurs et sous-traitants répondant aux exigences de la législation en matière d'agréation d'entrepreneurs.
Art. 3.4.2.15. Als de instanties en de personen, vermeld in artikel 3.3.9 van het decreet van 28 maart 2014, uitvoeringsinitiatieven uitvoeren, wordt de subsidie alleen toegekend als de aanvrager zich ertoe verbindt om het werk dat wordt uitgevoerd via uitvoeringsinitiatieven, gedurende een periode van twintig jaar in stand te houden en te beheren volgens de bepalingen in de subsidiebeslissing. Die termijn gaat in vanaf de toekenning van de subsidie door de minister aan de aanvrager.
Art. 3.4.2.15. Lorsque les instances et personnes, visées à l'article 3.3.9 du décret du 28 mars 2014 réalisent des initiatives de mise en oeuvre, la subvention n'est accordée que si le demandeur s'engage à maintenir le travail qui est réalisé par des initiatives de mise en oeuvre et à le gérer conformément aux dispositions dans la décision de subvention, pendant une période de vingt ans. Ce délai prend cours à partir du moment où le ministre a octroyé la subvention au demandeur.
Art. 3.4.2.16. De subsidie voor uitvoeringsinitiatieven waarmee de instanties en de personen, vermeld in artikel 3.3.9 van het decreet van 28 maart 2014, belast zijn, kan niet gecumuleerd worden met andere subsidies of met vergoedingen die toegekend of uitgekeerd worden door entiteiten van de Vlaamse overheid voor dezelfde of soortgelijke activiteiten.
Art. 3.4.2.16. La subvention pour des initiatives de mise en oeuvre dont les instances et personnes, visées à l'article 3.3.9 du décret du 28 mars 2014 sont chargées, ne peut être cumulée avec d'autres subventions ou avec des indemnités accordées ou octroyées par des entités de l'autorité flamande pour les mêmes travaux ou des travaux similaires.
Onderafdeling 4. - Subsidies voor inrichtingswerken
Sous-section 4. - Subvention pour des travaux d'aménagement
Art. 3.4.2.17. De subsidie van het Vlaamse Gewest voor inrichtingswerken waarmee de instanties en de personen, vermeld in artikel 3.3.8 en 3.3.9 van het decreet van 28 maart 2014, belast zijn, bedraagt maximaal 70 % van het totale bedrag van de uitgaven van de inrichtingswerken. Het subsidiepercentage wordt bepaald in het landinrichtingsplan.
De subsidie van het Vlaamse Gewest voor inrichtingswerken waarmee het agentschap belast is, bedraagt 100 % van het totale bedrag van de uitgaven voor inrichtingswerken dat niet ten laste wordt genomen door derden, als de inrichtingswerken plaatsvinden op gronden die beheerd worden of beheerd zullen worden door de Vlaamse overheid of die in eigendom zijn of zullen zijn van de Vlaamse overheid. Het bedrag of het percentage van de uitgaven voor inrichtingswerken dat ten laste wordt genomen door derden wordt bepaald in het landinrichtingsplan.
De subsidie van het Vlaamse Gewest voor inrichtingswerken waarmee het agentschap belast is, bedraagt 100 % van het totale bedrag van de uitgaven voor inrichtingswerken dat niet ten laste wordt genomen door derden, als de inrichtingswerken plaatsvinden op gronden die beheerd worden of beheerd zullen worden door een provincie of gemeente, of die in eigendom zijn of zullen zijn van een provincie of gemeente, of als de inrichtingswerken plaatsvinden op gronden die in eigendom zijn van de personen, vermeld in artikel 3.3.9 van het voormelde decreet. Het percentage van de uitgaven voor inrichtingswerken dat ten laste wordt genomen door derden, bedraagt minstens 30 % van het totale bedrag van de uitgaven voor inrichtingswerken en wordt bepaald in het landinrichtingsplan.
De subsidie van het Vlaamse Gewest voor inrichtingswerken waarmee het agentschap belast is, bedraagt 100 % van het totale bedrag van de uitgaven voor inrichtingswerken dat niet ten laste wordt genomen door derden, als de inrichtingswerken plaatsvinden op gronden die beheerd worden of beheerd zullen worden door de Vlaamse overheid of die in eigendom zijn of zullen zijn van de Vlaamse overheid. Het bedrag of het percentage van de uitgaven voor inrichtingswerken dat ten laste wordt genomen door derden wordt bepaald in het landinrichtingsplan.
De subsidie van het Vlaamse Gewest voor inrichtingswerken waarmee het agentschap belast is, bedraagt 100 % van het totale bedrag van de uitgaven voor inrichtingswerken dat niet ten laste wordt genomen door derden, als de inrichtingswerken plaatsvinden op gronden die beheerd worden of beheerd zullen worden door een provincie of gemeente, of die in eigendom zijn of zullen zijn van een provincie of gemeente, of als de inrichtingswerken plaatsvinden op gronden die in eigendom zijn van de personen, vermeld in artikel 3.3.9 van het voormelde decreet. Het percentage van de uitgaven voor inrichtingswerken dat ten laste wordt genomen door derden, bedraagt minstens 30 % van het totale bedrag van de uitgaven voor inrichtingswerken en wordt bepaald in het landinrichtingsplan.
Art. 3.4.2.17. La subvention de la Région flamande pour des travaux d'aménagement dont les instances et les personnes, visées aux articles 3.3.8 et 3.3.9 du décret du 28 mars 2014 sont chargées, s'élève à au maximum 70 % du montant total des dépenses des travaux d'aménagement. Le pourcentage de la subvention est défini dans le plan de rénovation rurale.
La subvention de la Région flamande pour des travaux d'aménagement dont l'agence est chargée, s'élève à 100 % du montant total des dépenses pour des travaux d'aménagement, qui n'est pas pris en charge par des tiers, lorsque les travaux d'aménagement sont réalisés sur des terres qui sont ou seront gérées par l'autorité flamande ou qui sont ou seront la propriété de l'autorité flamande. Le montant ou le pourcentage des dépenses pour les travaux d'aménagement qui est pris en charge par des tiers, est défini dans le plan de rénovation rurale.
La subvention de la Région flamande pour des travaux d'aménagement dont l'agence est chargée, s'élève à 100 % du montant total des dépenses pour des travaux d'aménagement, qui n'est pas pris en charge par des tiers, lorsque les travaux d'aménagement sont réalisés sur des terres qui sont ou seront gérées par une province ou commune, ou qui sont ou seront la propriété d'une province ou d'une commune ou lorsque les travaux d'aménagement s'effectuent sur des terres qui sont la propriété des personnes, visées à l'article 3.3.9 du décret précité. Le pourcentage des dépenses pour des travaux d'aménagement pris en charge par des tiers, s'élève à au moins 30 % du montant total des dépenses pour des travaux d'aménagement et est défini dans le plan de rénovation rurale.
La subvention de la Région flamande pour des travaux d'aménagement dont l'agence est chargée, s'élève à 100 % du montant total des dépenses pour des travaux d'aménagement, qui n'est pas pris en charge par des tiers, lorsque les travaux d'aménagement sont réalisés sur des terres qui sont ou seront gérées par l'autorité flamande ou qui sont ou seront la propriété de l'autorité flamande. Le montant ou le pourcentage des dépenses pour les travaux d'aménagement qui est pris en charge par des tiers, est défini dans le plan de rénovation rurale.
La subvention de la Région flamande pour des travaux d'aménagement dont l'agence est chargée, s'élève à 100 % du montant total des dépenses pour des travaux d'aménagement, qui n'est pas pris en charge par des tiers, lorsque les travaux d'aménagement sont réalisés sur des terres qui sont ou seront gérées par une province ou commune, ou qui sont ou seront la propriété d'une province ou d'une commune ou lorsque les travaux d'aménagement s'effectuent sur des terres qui sont la propriété des personnes, visées à l'article 3.3.9 du décret précité. Le pourcentage des dépenses pour des travaux d'aménagement pris en charge par des tiers, s'élève à au moins 30 % du montant total des dépenses pour des travaux d'aménagement et est défini dans le plan de rénovation rurale.
Art. 3.4.2.18. Het totale bedrag van de uitgaven voor inrichtingswerken omvat:
1° de werkelijke kostprijs van de inrichtingswerken vastgesteld door de eindafrekening. Voor de berekening van de subsidie mag de kostprijs evenwel niet hoger zijn dan het bedrag van de goedgekeurde inschrijving of aanbieding, vermeerderd met:
a) de kostprijs van de vooraf door de minister goedgekeurde meerwerken;
b) 5 % van het bedrag van de goedgekeurde inschrijving of aanbieding om de kosten te dekken voor onvoorziene en noodzakelijke meerwerken;
c) de prijsherzieningen;
2° de algemene kosten die verbonden zijn aan de uitvoering van inrichtingswerken.
Voor de inrichtingswerken waarmee de instanties en de personen, vermeld in artikel 3.3.8 en 3.3.9 van het decreet van 28 maart 2014, belast zijn, mag het bedrag van de algemene kosten, met uitzondering van de kosten voor het verplaatsen van leidingen, niet meer bedragen dan 15 % van de werkelijke kostprijs van de inrichtingswerken, vermeld in het eerste lid, 1°.
1° de werkelijke kostprijs van de inrichtingswerken vastgesteld door de eindafrekening. Voor de berekening van de subsidie mag de kostprijs evenwel niet hoger zijn dan het bedrag van de goedgekeurde inschrijving of aanbieding, vermeerderd met:
a) de kostprijs van de vooraf door de minister goedgekeurde meerwerken;
b) 5 % van het bedrag van de goedgekeurde inschrijving of aanbieding om de kosten te dekken voor onvoorziene en noodzakelijke meerwerken;
c) de prijsherzieningen;
2° de algemene kosten die verbonden zijn aan de uitvoering van inrichtingswerken.
Voor de inrichtingswerken waarmee de instanties en de personen, vermeld in artikel 3.3.8 en 3.3.9 van het decreet van 28 maart 2014, belast zijn, mag het bedrag van de algemene kosten, met uitzondering van de kosten voor het verplaatsen van leidingen, niet meer bedragen dan 15 % van de werkelijke kostprijs van de inrichtingswerken, vermeld in het eerste lid, 1°.
Art. 3.4.2.18. Le montant total des dépenses pour les travaux d'aménagement comprend :
1° le coût effectif des travaux d'aménagement, établi par le décompte final. Pour le calcul de la subvention, le coût ne peut toutefois pas être plus élevé que le montant de la soumission ou l'offre approuvée, majoré ;
a) du coût des travaux supplémentaires, qui ont au préalable été approuvés par le ministre ;
b) de 5 % du montant de la soumission ou de l'offre approuvée pour couvrir les frais occasionnés par des travaux supplémentaires imprévus et nécessaires ;
c) des révisions de prix ;
2° les frais généraux liés à l'exécution de travaux d'aménagement.
Pour les travaux d'aménagement dont les instances et les personnes, visées aux articles 3.3.8 et 3.3.9 du décret du 28 mars 2014 sont chargées, le montant des frais généraux, à l'exception des frais pour le déplacement des canalisations, ne peut pas s'élever à plus de 15 % du coût réel des travaux d'aménagement, visés à l'alinéa premier, 1°.
1° le coût effectif des travaux d'aménagement, établi par le décompte final. Pour le calcul de la subvention, le coût ne peut toutefois pas être plus élevé que le montant de la soumission ou l'offre approuvée, majoré ;
a) du coût des travaux supplémentaires, qui ont au préalable été approuvés par le ministre ;
b) de 5 % du montant de la soumission ou de l'offre approuvée pour couvrir les frais occasionnés par des travaux supplémentaires imprévus et nécessaires ;
c) des révisions de prix ;
2° les frais généraux liés à l'exécution de travaux d'aménagement.
Pour les travaux d'aménagement dont les instances et les personnes, visées aux articles 3.3.8 et 3.3.9 du décret du 28 mars 2014 sont chargées, le montant des frais généraux, à l'exception des frais pour le déplacement des canalisations, ne peut pas s'élever à plus de 15 % du coût réel des travaux d'aménagement, visés à l'alinéa premier, 1°.
Art. 3.4.2.19. De verantwoording van de aanwending van de subsidie voor inrichtingswerken omvat:
1° de stukken waarmee wordt aangetoond dat de inrichtingswerken waarvoor de subsidie is toegekend, gerealiseerd is, en die ten minste het plan van de uitgevoerde werken bevatten;
2° de volgende stukken waarmee wordt aangetoond welke kosten zijn gemaakt voor de realisatie van de inrichtingswerken:
a) de goedgekeurde vorderingsstaat en schuldvordering;
b) de factuur van de aannemer, opgemaakt naar aanleiding van de schuldvordering;
c) in voorkomend geval het proces-verbaal van de voorlopige oplevering;
d) in voorkomend geval de bewijsstukken van de algemene kosten, vermeld in artikel 3.4.2.18, eerste lid, 2°.
1° de stukken waarmee wordt aangetoond dat de inrichtingswerken waarvoor de subsidie is toegekend, gerealiseerd is, en die ten minste het plan van de uitgevoerde werken bevatten;
2° de volgende stukken waarmee wordt aangetoond welke kosten zijn gemaakt voor de realisatie van de inrichtingswerken:
a) de goedgekeurde vorderingsstaat en schuldvordering;
b) de factuur van de aannemer, opgemaakt naar aanleiding van de schuldvordering;
c) in voorkomend geval het proces-verbaal van de voorlopige oplevering;
d) in voorkomend geval de bewijsstukken van de algemene kosten, vermeld in artikel 3.4.2.18, eerste lid, 2°.
Art. 3.4.2.19. La justification de l'affectation de la subvention aux travaux d'aménagement comprend :
1° les pièces démontrant que les travaux d'aménagement pour lesquels la subvention a été octroyée, ont été réalisés, et comprenant au moins le plan des travaux exécutés ;
2° les pièces suivantes démontrant les coûts qui ont été faits pour la réalisation des travaux d'aménagement :
a) l'état d'avancement et la créance approuvés ;
b) la facture de l'entrepreneur, établie à l'occasion de la créance ;
c) le cas échéant, le procès-verbal de la réception provisoire ;
d) le cas échéant, les pièces justificatives des frais généraux, visés à l'article 3.4.2.18, alinéa premier, 2°.
1° les pièces démontrant que les travaux d'aménagement pour lesquels la subvention a été octroyée, ont été réalisés, et comprenant au moins le plan des travaux exécutés ;
2° les pièces suivantes démontrant les coûts qui ont été faits pour la réalisation des travaux d'aménagement :
a) l'état d'avancement et la créance approuvés ;
b) la facture de l'entrepreneur, établie à l'occasion de la créance ;
c) le cas échéant, le procès-verbal de la réception provisoire ;
d) le cas échéant, les pièces justificatives des frais généraux, visés à l'article 3.4.2.18, alinéa premier, 2°.
Art. 3.4.2.20. De inrichtingswerken, uitgevoerd door de instanties en de personen, vermeld in artikel 3.3.9 van het decreet van 28 maart 2014, moeten uitgevoerd worden volgens de regels van de kunst en onder toezicht van het agentschap door aannemers en onderaannemers die voldoen aan de vereisten van de wetgeving inzake de erkenning van aannemers.
Art. 3.4.2.20. Les travaux d'aménagement, réalisés par les instances et personnes, visées à l'article 3.3.9 du décret du 28 mars 2014, doivent être réalisés dans les règles et sous le contrôle de l'agence par des entrepreneurs et sous-traitants répondant aux exigences de la législation relative à l'agréation d'entrepreneurs de travaux.
Art. 3.4.2.21. Als de instanties en de personen, vermeld in artikel 3.3.9 van het decreet van 28 maart 2014, de inrichtingswerken uitvoeren, wordt de subsidie alleen toegekend als de aanvrager zich ertoe verbindt om de inrichtingswerken gedurende een periode van twintig jaar in stand te houden en te beheren volgens de bepalingen in de subsidiebeslissing. Die termijn gaat in vanaf de toekenning van de subsidie door de minister aan de begunstigde.
Art. 3.4.2.21. Lorsque les instances et personnes, visées à l'article 3.3.9 du décret du 28 mars 2014 réalisent les travaux d'aménagement, la subvention n'est accordée que si le demandeur s'engage à maintenir les travaux d'aménagement et à les gérer conformément aux dispositions dans la décision de subvention, pendant une période de vingt ans. Ce délai prend cours à partir du moment où le ministre a octroyé la subvention au bénéficiaire.
Art. 3.4.2.22. De subsidie voor de inrichtingswerken waarmee de instanties en de personen, vermeld in artikel 3.3.9 van het decreet van 28 maart 2014, belast zijn, kan niet gecumuleerd worden met andere subsidies of met vergoedingen die toegekend of uitgekeerd worden door entiteiten van de Vlaamse overheid voor dezelfde of soortgelijke werkzaamheden.
Art. 3.4.2.22. La subvention pour les travaux d'aménagement dont les instances et personnes, visées à l'article 3.3.9 du décret du 28 mars 2014 sont chargées, ne peut être cumulée avec d'autres subventions ou avec des indemnités accordées ou octroyées par des entités de l'autorité flamande pour les mêmes travaux ou des travaux similaires.
Onderafdeling 5. - Subsidies voor vergoedingen bij lokale grondenbanken
Sous-section 5. - Subventions pour indemnités auprès de banques foncières locales
Art. 3.4.2.23. De subsidie van het Vlaamse Gewest voor de vergoedingen bij lokale grondenbanken, vermeld in artikel 2.1.67 van het decreet van 28 maart 2014, bedraagt maximaal 50 % van het totale bedrag van die vergoedingen als de activiteit die aanleiding geeft tot de vergoedingen voor lokale grondenbanken, wordt uitgevoerd door de instanties en de personen, vermeld in artikel 3.3.8 van het decreet van 28 maart 2014. Het subsidiepercentage wordt bepaald in het landinrichtingsplan.
Art. 3.4.2.23. La subvention de la Région flamande pour les indemnités auprès de banques foncières locales, visées à l'article 2.1.67 du décret du 28 mars 2014, s'élève à au maximum 50 % du montant total de ces indemnités lorsque l'activité, qui donne lieu aux indemnités auprès de banques foncières locales, est réalisée par les instances et les personnes, visées à l'article 3.3.8 du décret du 28 mars 2014. Le pourcentage de la subvention est défini dans le plan de rénovation rurale.
Art. 3.4.2.24. Het totale bedrag van die vergoedingen omvat de vergoedingen vermeld in artikel 2.1.4.2.
Art. 3.4.2.24. Le montant total de ces indemnités comprend les indemnités visées à l'article 2.1.4.2.
Art. 3.4.2.25. De verantwoording van de aanwending van de subsidie voor vergoedingen bij lokale grondenbank omvat:
1° de stukken waarmee wordt aangetoond dat de wijziging van de eigendoms- en gebruikstoestand waarvoor de vergoedingen bij lokale grondenbanken worden toegekend, gerealiseerd is;
2° de stukken waarmee wordt aangetoond dat de vergoedingen bij lokale grondenbanken zijn uitgekeerd.
1° de stukken waarmee wordt aangetoond dat de wijziging van de eigendoms- en gebruikstoestand waarvoor de vergoedingen bij lokale grondenbanken worden toegekend, gerealiseerd is;
2° de stukken waarmee wordt aangetoond dat de vergoedingen bij lokale grondenbanken zijn uitgekeerd.
Art. 3.4.2.25. La justification de l'affectation de la subvention pour des indemnités auprès de banques foncières locales comprend :
1° les pièces démontrant que le changement de l'état de propriété et de l'état d'utilisation pour lesquels les indemnités auprès de banques foncières locales sont octroyées, a été réalisé ;
2° les pièces démontrant que les indemnités auprès de banques foncières locales ont été payées.
1° les pièces démontrant que le changement de l'état de propriété et de l'état d'utilisation pour lesquels les indemnités auprès de banques foncières locales sont octroyées, a été réalisé ;
2° les pièces démontrant que les indemnités auprès de banques foncières locales ont été payées.
Art. 3.4.2.26. De subsidie voor de vergoeding, vermeld in artikel 2.1.67, 3°, van het decreet van 28 maart 2014, wordt alleen toegekend als de verpachter er zich toe verbindt om de pachtovereenkomst te behouden gedurende een termijn overeenkomstig de pachtwet.
Art. 3.4.2.26. La subvention pour l'indemnité, visée à l'article 2.1.67, 3° du décret du 28 mars 2014, n'est octroyée que si le bailleur s'engage à maintenir le bail à ferme pendant un délai conforme à la loi sur le fermage.
Onderafdeling 6. - Subsidies voor grondverwerving
Sous-section 6. - Subvention pour l'acquisition de terres
Art. 3.4.2.27. De subsidie van het Vlaamse Gewest voor de verwerving van onroerende goederen, vermeld in artikel 2.1.12, 2.1.13 en 2.1.75 van het decreet van 28 maart 2014, bedraagt maximaal 50 % van het totale bedrag van de uitgaven voor de grondverwerving als gemeenten of provincies die onroerende goederen verwerven. Het bedrag of het subsidiepercentage wordt bepaald in het landinrichtingsplan.
De subsidie van het Vlaamse Gewest voor de verwerving van onroerende goederen, vermeld in artikel 2.1.12, 2.1.13 en 2.1.75 van het decreet van 28 maart 2014, bedraagt 100 % van het totale bedrag van de uitgaven voor de grondverwerving dat niet ten laste wordt genomen door een derde als het agentschap die onroerende goederen verwerft en het agentschap die onroerende goederen vervolgens overdraagt aan een entiteit van de Vlaamse overheid. Het bedrag of het percentage van de uitgaven voor grondverwerving dat ten laste wordt genomen door derden, wordt bepaald in het landinrichtingsplan.
De subsidie van het Vlaamse Gewest voor de verwerving van onroerende goederen, vermeld in artikel 2.1.12, 2.1.13 en 2.1.75 van het decreet van 28 maart 2014, bedraagt 100 % van het totale bedrag van de uitgaven voor de grondverwerving dat niet ten laste wordt genomen door een derde, als het agentschap die onroerende goederen verwerft en het agentschap die onroerende goederen vervolgens overdraagt aan een provincie of een gemeente. Het bedrag of het percentage van de uitgaven voor de grondverwerving dat ten laste wordt genomen door derden, bedraagt minstens 50 % van het totale bedrag van de uitgaven voor grondverwerving en wordt bepaald in het landinrichtingsplan.
De subsidie van het Vlaamse Gewest voor de verwerving van onroerende goederen, vermeld in artikel 2.1.12, 2.1.13 en 2.1.75 van het decreet van 28 maart 2014, bedraagt 100 % van het totale bedrag van de uitgaven voor de grondverwerving dat niet ten laste wordt genomen door een derde, als het agentschap die onroerende goederen verwerft en als die onroerende goederen vervolgens in erfpacht worden gegeven aan een provincie of een gemeente. De onroerende goederen kunnen alleen in erfpacht worden gegeven als de totale vergoeding voor erfpacht die de erfpachter moet betalen, minstens 50 % van het totale bedrag van de uitgaven voor de grondverwerving bedraagt. De vergoeding voor erfpacht die het agentschap ontvangt, wordt toegewezen aan het Fonds voor Landinrichting en Natuurlijke Rijkdommen.
De subsidie van het Vlaamse Gewest voor de verwerving van onroerende goederen, vermeld in artikel 2.1.12, 2.1.13 en 2.1.75 van het decreet van 28 maart 2014, bedraagt 100 % van het totale bedrag van de uitgaven voor de grondverwerving dat niet ten laste wordt genomen door een derde als het agentschap die onroerende goederen verwerft en het agentschap die onroerende goederen vervolgens overdraagt aan een entiteit van de Vlaamse overheid. Het bedrag of het percentage van de uitgaven voor grondverwerving dat ten laste wordt genomen door derden, wordt bepaald in het landinrichtingsplan.
De subsidie van het Vlaamse Gewest voor de verwerving van onroerende goederen, vermeld in artikel 2.1.12, 2.1.13 en 2.1.75 van het decreet van 28 maart 2014, bedraagt 100 % van het totale bedrag van de uitgaven voor de grondverwerving dat niet ten laste wordt genomen door een derde, als het agentschap die onroerende goederen verwerft en het agentschap die onroerende goederen vervolgens overdraagt aan een provincie of een gemeente. Het bedrag of het percentage van de uitgaven voor de grondverwerving dat ten laste wordt genomen door derden, bedraagt minstens 50 % van het totale bedrag van de uitgaven voor grondverwerving en wordt bepaald in het landinrichtingsplan.
De subsidie van het Vlaamse Gewest voor de verwerving van onroerende goederen, vermeld in artikel 2.1.12, 2.1.13 en 2.1.75 van het decreet van 28 maart 2014, bedraagt 100 % van het totale bedrag van de uitgaven voor de grondverwerving dat niet ten laste wordt genomen door een derde, als het agentschap die onroerende goederen verwerft en als die onroerende goederen vervolgens in erfpacht worden gegeven aan een provincie of een gemeente. De onroerende goederen kunnen alleen in erfpacht worden gegeven als de totale vergoeding voor erfpacht die de erfpachter moet betalen, minstens 50 % van het totale bedrag van de uitgaven voor de grondverwerving bedraagt. De vergoeding voor erfpacht die het agentschap ontvangt, wordt toegewezen aan het Fonds voor Landinrichting en Natuurlijke Rijkdommen.
Art. 3.4.2.27. La subvention de la Région flamande pour l'acquisition de biens immobiliers, visés aux articles 2.1.12, 2.1.13 et 2.1.75 du décret du 28 mars 2014, s'élève à au maximum 50 % du montant total des dépenses pour l'acquisition de terres lorsque des communes ou provinces acquièrent ces biens immobiliers. Le montant ou le pourcentage de la subvention est défini dans le plan de rénovation rurale.
La subvention de la Région flamande pour l'acquisition de biens immobiliers, visés aux articles 2.1.12, 2.1.13 et 2.1.75 du décret du 28 mars 2014, s'élève à 100 % du montant total des dépenses pour l'acquisition de terres, qui n'est pas pris en charge par un tiers lorsque l'agence acquiert ces biens immobiliers et que l'agence les transfère ensuite à une entité de l'autorité flamande. Le montant ou le pourcentage des dépenses pour l'acquisition de terres prise en charge par des tiers, est défini dans le plan de rénovation rurale.
La subvention de la Région flamande pour l'acquisition de biens immobiliers, visés aux articles 2.1.12, 2.1.13 et 2.1.75 du décret du 28 mars 2014, s'élève à 100 % du montant total des dépenses pour l'acquisition de terres, qui n'est pas pris en charge par un tiers lorsque l'agence acquiert ces biens immobiliers et que l'agence les transfère ensuite à une province ou à une commune. Le montant ou le pourcentage des dépenses pour l'acquisition de terres pris en charge par des tiers, s'élève à au moins 50 % du montant total des dépenses pour l'acquisition de terres et est défini dans le plan de rénovation rurale.
La subvention de la Région flamande pour l'acquisition de biens immobiliers, visés aux articles 2.1.12, 2.1.13 et 2.1.75 du décret du 28 mars 2014, s'élève à 100 % du montant total des dépenses pour l'acquisition de terres, qui n'est pas pris en charge par un tiers lorsque l'agence acquiert ces biens immobiliers et que l'agence les donne ensuite en emphytéose à une province ou à une commune. Les biens immobiliers ne peuvent être donnés en emphytéose que si l'indemnité totale pour l'emphytéose que le fermier est tenu de payer, s'élève à au moins 50 % du montant total des dépenses pour l'acquisition des terres. L'indemnité pour l'emphytéose que l'agence reçoit, est assignée au " Fonds voor Landinrichting en Natuurlijke Rijkdommen " (Fonds de la Rénovation rurale et des Ressources naturelles).
La subvention de la Région flamande pour l'acquisition de biens immobiliers, visés aux articles 2.1.12, 2.1.13 et 2.1.75 du décret du 28 mars 2014, s'élève à 100 % du montant total des dépenses pour l'acquisition de terres, qui n'est pas pris en charge par un tiers lorsque l'agence acquiert ces biens immobiliers et que l'agence les transfère ensuite à une entité de l'autorité flamande. Le montant ou le pourcentage des dépenses pour l'acquisition de terres prise en charge par des tiers, est défini dans le plan de rénovation rurale.
La subvention de la Région flamande pour l'acquisition de biens immobiliers, visés aux articles 2.1.12, 2.1.13 et 2.1.75 du décret du 28 mars 2014, s'élève à 100 % du montant total des dépenses pour l'acquisition de terres, qui n'est pas pris en charge par un tiers lorsque l'agence acquiert ces biens immobiliers et que l'agence les transfère ensuite à une province ou à une commune. Le montant ou le pourcentage des dépenses pour l'acquisition de terres pris en charge par des tiers, s'élève à au moins 50 % du montant total des dépenses pour l'acquisition de terres et est défini dans le plan de rénovation rurale.
La subvention de la Région flamande pour l'acquisition de biens immobiliers, visés aux articles 2.1.12, 2.1.13 et 2.1.75 du décret du 28 mars 2014, s'élève à 100 % du montant total des dépenses pour l'acquisition de terres, qui n'est pas pris en charge par un tiers lorsque l'agence acquiert ces biens immobiliers et que l'agence les donne ensuite en emphytéose à une province ou à une commune. Les biens immobiliers ne peuvent être donnés en emphytéose que si l'indemnité totale pour l'emphytéose que le fermier est tenu de payer, s'élève à au moins 50 % du montant total des dépenses pour l'acquisition des terres. L'indemnité pour l'emphytéose que l'agence reçoit, est assignée au " Fonds voor Landinrichting en Natuurlijke Rijkdommen " (Fonds de la Rénovation rurale et des Ressources naturelles).
Art. 3.4.2.28. Het totale bedrag van de uitgaven voor grondverwerving omvat:
1° de aankoopprijs van de grond;
2° alle kosten die verbonden zijn aan de grondverwerving;
3° de vergoedingen waarop de pachter volgens de pachtwet recht heeft ten gevolge van de beëindiging van de pacht, als de grond vrij van pacht moet zijn om het doel van het landinrichtingsplan te kunnen realiseren.
1° de aankoopprijs van de grond;
2° alle kosten die verbonden zijn aan de grondverwerving;
3° de vergoedingen waarop de pachter volgens de pachtwet recht heeft ten gevolge van de beëindiging van de pacht, als de grond vrij van pacht moet zijn om het doel van het landinrichtingsplan te kunnen realiseren.
Art. 3.4.2.28. Le montant total des dépenses pour l'acquisition des terres comprend :
1° le prix d'achat des terres ;
2° tous les coûts liés à l'acquisition des terres ;
3° les indemnités auxquelles le fermier a droit en vertu de la loi sur le fermage suite à la cessation du bail, lorsque les terres doivent être exemptes de bail en vue de la réalisation de l'objectif du plan de rénovation rurale.
1° le prix d'achat des terres ;
2° tous les coûts liés à l'acquisition des terres ;
3° les indemnités auxquelles le fermier a droit en vertu de la loi sur le fermage suite à la cessation du bail, lorsque les terres doivent être exemptes de bail en vue de la réalisation de l'objectif du plan de rénovation rurale.
Art. 3.4.2.29. De verantwoording van de aanwending van de subsidie voor grondverwerving omvat:
1° de stukken waarmee wordt aangetoond dat de gronden zijn verworven;
2° de bewijsstukken van de uitgaven voor grondverwerving, vermeld in artikel 3.4.2.28.
1° de stukken waarmee wordt aangetoond dat de gronden zijn verworven;
2° de bewijsstukken van de uitgaven voor grondverwerving, vermeld in artikel 3.4.2.28.
Art. 3.4.2.29. La justification de l'affectation de la subvention à l'acquisition des terres comprend :
1° les pièces démontrant que les terres ont été acquises ;
2° les pièces justificatives des dépenses pour l'acquisition des terres, visée à l'article 3.4.2.28.
1° les pièces démontrant que les terres ont été acquises ;
2° les pièces justificatives des dépenses pour l'acquisition des terres, visée à l'article 3.4.2.28.
Art. 3.4.2.30. De gemeente of provincie mag het onroerend goed waarvoor een subsidie voor grondverwerving is toegekend, niet vervreemden binnen een periode van twintig jaar na de toekenning van de subsidie. Als het goed toch vervreemd wordt, dan moet de begunstigde de subsidie voor grondverwerving onmiddellijk terugbetalen.
Art. 3.4.2.30. La commune ou la province ne peut pas aliéner le bien immobilier pour lequel une subvention pour l'acquisition des terres a été octroyée, dans une période de vingt ans après l'octroi de la subvention. Si le bien est malgré tout aliéné, le bénéficiaire doit restituer la subvention pour l'acquisition des terres sans délai.
Onderafdeling 7. - Subsidies voor de vergoeding voor waardeverlies van gronden
Sous-section 7. - Subvention pour l'indemnité pour la perte de valeur des terres
Art. 3.4.2.31. De subsidie van het Vlaamse Gewest voor de vergoeding voor waardeverlies van gronden bedraagt maximaal 50 % van het bedrag van die vergoeding als de activiteit die aanleiding geeft tot de vergoeding voor waardeverlies van gronden, wordt uitgevoerd door de instanties en de personen, vermeld in artikel 3.3.8 van het decreet van 28 maart 2014. Het subsidiepercentage wordt bepaald in het landinrichtingsplan.
De subsidie van het Vlaamse Gewest voor de vergoeding voor waardeverlies van gronden bedraagt 100 % van het bedrag van die vergoeding dat niet ten laste wordt genomen door derden, als de activiteit die aanleiding geeft tot de vergoeding voor waardeverlies van gronden wordt uitgevoerd door het agentschap. Het bedrag of het percentage van de vergoeding voor waardeverlies van gronden dat ten laste wordt genomen door derden, wordt bepaald in het landinrichtingsplan.
De subsidie van het Vlaamse Gewest voor de vergoeding voor waardeverlies van gronden bedraagt 100 % van het bedrag van die vergoeding dat niet laste wordt genomen door derden, als de activiteit die aanleiding geeft tot de vergoeding voor waardeverlies van gronden wordt uitgevoerd door het agentschap op verzoek van de instanties en de personen, vermeld in artikel 3.3.8 van het decreet van 28 maart 2014. Het percentage van de vergoeding voor waardeverlies van gronden dat ten laste wordt genomen door derden, bedraagt minstens 50 % van het totale bedrag van de vergoeding voor waardeverlies van gronden en wordt bepaald in het landinrichtingsplan.
De subsidie van het Vlaamse Gewest voor de vergoeding voor waardeverlies van gronden bedraagt 100 % van het bedrag van die vergoeding dat niet ten laste wordt genomen door derden, als de activiteit die aanleiding geeft tot de vergoeding voor waardeverlies van gronden wordt uitgevoerd door het agentschap. Het bedrag of het percentage van de vergoeding voor waardeverlies van gronden dat ten laste wordt genomen door derden, wordt bepaald in het landinrichtingsplan.
De subsidie van het Vlaamse Gewest voor de vergoeding voor waardeverlies van gronden bedraagt 100 % van het bedrag van die vergoeding dat niet laste wordt genomen door derden, als de activiteit die aanleiding geeft tot de vergoeding voor waardeverlies van gronden wordt uitgevoerd door het agentschap op verzoek van de instanties en de personen, vermeld in artikel 3.3.8 van het decreet van 28 maart 2014. Het percentage van de vergoeding voor waardeverlies van gronden dat ten laste wordt genomen door derden, bedraagt minstens 50 % van het totale bedrag van de vergoeding voor waardeverlies van gronden en wordt bepaald in het landinrichtingsplan.
Art. 3.4.2.31. La subvention de la Région flamande pour l'indemnité pour la perte de valeur des terres, s'élève à au maximum 50 % du montant de cette indemnité lorsque l'activité, qui donne lieu à l'indemnité pour la perte de valeur des terres, est réalisée par les instances et les personnes, visées à l'article 3.3.8 du décret du 28 mars 2014. Le pourcentage de la subvention est défini dans le plan de rénovation rurale.
La subvention de la Région flamande pour l'indemnité pour la perte de valeur de terres s'élève à 100 % du montant de cette indemnité qui n'est pas pris en charge par des tiers, si l'activité donnant lieu à l'indemnité pour la perte de valeur de terres est réalisée par l'agence. Le montant ou le pourcentage de l'indemnité pour la perte de valeur de terres, pris en charge par des tiers, est défini dans le plan de rénovation rurale.
La subvention de la Région flamande pour l'indemnité pour la perte de valeur de terres, s'élève à 100 % du montant de cette indemnité qui n'est pas pris en charge par des tiers, lorsque l'activité, qui donne lieu à l'indemnité pour la perte de valeur de terres, est réalisée par l'agence à la demande des instances et des personnes, visées à l'article 3.3.8 du décret du 28 mars 2014. Le pourcentage de l'indemnité pour la perte de valeur de terres pris en charge par des tiers, s'élève à au moins 50 % du montant total de l'indemnité pour la perte de valeur de terres et est défini dans le plan de rénovation rurale.
La subvention de la Région flamande pour l'indemnité pour la perte de valeur de terres s'élève à 100 % du montant de cette indemnité qui n'est pas pris en charge par des tiers, si l'activité donnant lieu à l'indemnité pour la perte de valeur de terres est réalisée par l'agence. Le montant ou le pourcentage de l'indemnité pour la perte de valeur de terres, pris en charge par des tiers, est défini dans le plan de rénovation rurale.
La subvention de la Région flamande pour l'indemnité pour la perte de valeur de terres, s'élève à 100 % du montant de cette indemnité qui n'est pas pris en charge par des tiers, lorsque l'activité, qui donne lieu à l'indemnité pour la perte de valeur de terres, est réalisée par l'agence à la demande des instances et des personnes, visées à l'article 3.3.8 du décret du 28 mars 2014. Le pourcentage de l'indemnité pour la perte de valeur de terres pris en charge par des tiers, s'élève à au moins 50 % du montant total de l'indemnité pour la perte de valeur de terres et est défini dans le plan de rénovation rurale.
Art. 3.4.2.32. Het totale bedrag van die vergoedingen omvat de vergoedingen, vermeld in artikel 2.1.1.4, § 3 en 4.
Art. 3.4.2.32. Le montant total de ces indemnités comprend les indemnités visées à l'article 2.1.1.4, § 3 et 4.
Art. 3.4.2.33. De verantwoording van de aanwending van de subsidie voor waardeverlies van gronden omvat:
1° de stukken waarmee wordt aangetoond dat de inrichtingswerken of de erfdienstbaarheden tot openbaar nut waarvoor een vergoeding voor waardeverlies van gronden wordt toegekend, gerealiseerd zijn;
2° de stukken waarmee wordt aangetoond dat de vergoeding voor waardeverlies van gronden is uitgekeerd.
1° de stukken waarmee wordt aangetoond dat de inrichtingswerken of de erfdienstbaarheden tot openbaar nut waarvoor een vergoeding voor waardeverlies van gronden wordt toegekend, gerealiseerd zijn;
2° de stukken waarmee wordt aangetoond dat de vergoeding voor waardeverlies van gronden is uitgekeerd.
Art. 3.4.2.33. La justification de l'affectation de la subvention à la perte de valeur des terres comprend :
1° les pièces démontrant que les travaux d'aménagement ou les servitudes d'utilité publique pour lesquels une indemnité pour la perte de valeur de terres est octroyée, ont été réalisés ;
2° les pièces démontrant que l'indemnité pour la perte de valeur de terres a été payée.
1° les pièces démontrant que les travaux d'aménagement ou les servitudes d'utilité publique pour lesquels une indemnité pour la perte de valeur de terres est octroyée, ont été réalisés ;
2° les pièces démontrant que l'indemnité pour la perte de valeur de terres a été payée.
Onderafdeling 8. - Subsidies voor de opmaak van een onderhoudsplan
Sous-section 8. - Subventions pour l'établissement d'un plan d"entretien
Art. 3.4.2.34. De subsidie van het Vlaamse Gewest voor de opmaak van een onderhoudsplan, vermeld in artikel 3.5.1 van het decreet van 28 maart 2014, bedraagt maximaal 70 % van de kosten, als het onderhoudsplan wordt opgemaakt door de instanties en de personen, vermeld in artikel 3.3.8 en 3.3.9 van het decreet van 28 maart 2014. Het subsidiepercentage wordt bepaald in het landinrichtingsplan.
De subsidie van het Vlaamse Gewest voor de opmaak van een onderhoudsplan, vermeld in artikel 3.5.1 van het decreet van 28 maart 2014, bedraagt 100 % van de kosten die niet ten laste worden genomen door derden, als het onderhoudsplan wordt opgemaakt door het agentschap. Het bedrag of het percentage van de kosten voor de opmaak van een onderhoudsplan dat ten laste wordt genomen door derden, wordt bepaald in het landinrichtingsplan.
De subsidie van het Vlaamse Gewest voor de opmaak van een onderhoudsplan, vermeld in artikel 3.5.1 van het decreet van 28 maart 2014, bedraagt 100 % van de kosten die niet ten laste worden genomen door derden, als het onderhoudsplan wordt opgemaakt door het agentschap op verzoek van de instanties en de personen, vermeld in artikel 3.3.8 en 3.3.9 van het decreet van 28 maart 2014. Het percentage van de kosten voor de opmaak van een onderhoudsplan dat ten laste wordt genomen door derden bedraagt minstens 30 % van het totale bedrag van de kosten voor de opmaak van een onderhoudsplan en wordt bepaald in het landinrichtingsplan.
De subsidie van het Vlaamse Gewest voor de opmaak van een onderhoudsplan, vermeld in artikel 3.5.1 van het decreet van 28 maart 2014, bedraagt 100 % van de kosten die niet ten laste worden genomen door derden, als het onderhoudsplan wordt opgemaakt door het agentschap. Het bedrag of het percentage van de kosten voor de opmaak van een onderhoudsplan dat ten laste wordt genomen door derden, wordt bepaald in het landinrichtingsplan.
De subsidie van het Vlaamse Gewest voor de opmaak van een onderhoudsplan, vermeld in artikel 3.5.1 van het decreet van 28 maart 2014, bedraagt 100 % van de kosten die niet ten laste worden genomen door derden, als het onderhoudsplan wordt opgemaakt door het agentschap op verzoek van de instanties en de personen, vermeld in artikel 3.3.8 en 3.3.9 van het decreet van 28 maart 2014. Het percentage van de kosten voor de opmaak van een onderhoudsplan dat ten laste wordt genomen door derden bedraagt minstens 30 % van het totale bedrag van de kosten voor de opmaak van een onderhoudsplan en wordt bepaald in het landinrichtingsplan.
Art. 3.4.2.34. La subvention de la Région flamande pour l'établissement d'un plan d'entretien, visé à l'article 3.5.1 du décret du 28 mars 2014, s'élève à au maximum 70 % des coûts, si le plan d'entretien est établi par les instances et les personnes, visées aux articles 3.3.8 et 3.3.9 du décret du 28 mars 2014. Le pourcentage de la subvention est défini dans le plan de rénovation rurale.
La subvention de la Région flamande pour l'établissement d'un plan d'entretien, visé à l'article 3.5.1 du décret du 28 mars 2014, s'élève à 100 % des coûts qui ne sont pas pris en charge par des tiers lorsque le plan d'entretien est établi par l'agence. Le montant ou le pourcentage des coûts pour l'établissement d'un plan d'entretien, pris en charge par des tiers, est défini dans le plan de rénovation rurale.
La subvention de la Région flamande pour l'établissement d'un plan d'entretien, visé à l'article 3.5.1 du décret du 28 mars 2014, s'élève à au maximum 100 % des coûts qui ne sont pas pris en charge par des tiers, si le plan d'entretien est établi par l'agence, à la demande des instances et personnes, visées aux articles 3.3.8 et 3.3.9 du décret du 28 mars 2014. Le pourcentage des coûts pour l'établissement d'un plan d'entretien pris en charge par des tiers, s'élève à au moins 30 % du montant total des coûts pour l'établissement d'un plan d'entretien et est défini dans le plan de rénovation rurale.
La subvention de la Région flamande pour l'établissement d'un plan d'entretien, visé à l'article 3.5.1 du décret du 28 mars 2014, s'élève à 100 % des coûts qui ne sont pas pris en charge par des tiers lorsque le plan d'entretien est établi par l'agence. Le montant ou le pourcentage des coûts pour l'établissement d'un plan d'entretien, pris en charge par des tiers, est défini dans le plan de rénovation rurale.
La subvention de la Région flamande pour l'établissement d'un plan d'entretien, visé à l'article 3.5.1 du décret du 28 mars 2014, s'élève à au maximum 100 % des coûts qui ne sont pas pris en charge par des tiers, si le plan d'entretien est établi par l'agence, à la demande des instances et personnes, visées aux articles 3.3.8 et 3.3.9 du décret du 28 mars 2014. Le pourcentage des coûts pour l'établissement d'un plan d'entretien pris en charge par des tiers, s'élève à au moins 30 % du montant total des coûts pour l'établissement d'un plan d'entretien et est défini dans le plan de rénovation rurale.
Art. 3.4.2.35. De volgende kosten vormen de basis voor de bepaling van de subsidie:
1° de kostprijs van de leveringen en diensten, vastgesteld door de eindafrekening. Voor de berekening van de subsidie mag de kostprijs evenwel niet hoger zijn dan het bedrag van de goedgekeurde inschrijving of aanbieding;
2° de algemene kosten die verbonden zijn aan de uitvoering van de voorbereidende activiteiten, met onder meer de kosten voor publicatie en aanbesteding.
Het bedrag van de algemene kosten mag niet meer dan 10 % bedragen van de kostprijs, vermeld in het eerste lid, 1°.
1° de kostprijs van de leveringen en diensten, vastgesteld door de eindafrekening. Voor de berekening van de subsidie mag de kostprijs evenwel niet hoger zijn dan het bedrag van de goedgekeurde inschrijving of aanbieding;
2° de algemene kosten die verbonden zijn aan de uitvoering van de voorbereidende activiteiten, met onder meer de kosten voor publicatie en aanbesteding.
Het bedrag van de algemene kosten mag niet meer dan 10 % bedragen van de kostprijs, vermeld in het eerste lid, 1°.
Art. 3.4.2.35. Les frais suivants forment la base pour le calcul de la subvention :
1° le coût des fournitures et services, établis par le décompte final. Pour le calcul de la subvention, le coût ne peut toutefois pas être plus élevé que le montant de la soumission ou de l'offre approuvées ;
2° les frais généraux liés à la mise en oeuvre des activités préparatoires, comprenant les coûts de la publication et de l'adjudication entre autres.
Le montant des frais généraux ne peut pas s'élever à plus de 10 % du coût, visé à l'alinéa premier, 1°.
1° le coût des fournitures et services, établis par le décompte final. Pour le calcul de la subvention, le coût ne peut toutefois pas être plus élevé que le montant de la soumission ou de l'offre approuvées ;
2° les frais généraux liés à la mise en oeuvre des activités préparatoires, comprenant les coûts de la publication et de l'adjudication entre autres.
Le montant des frais généraux ne peut pas s'élever à plus de 10 % du coût, visé à l'alinéa premier, 1°.
Art. 3.4.2.36. De verantwoording van de aanwending van de subsidie voor de opmaak van een onderhoudsplan omvat:
1° de stukken waarmee wordt aangetoond dat het onderhoudsplan is opgemaakt;
2° de volgende stukken waarmee wordt aangetoond welke kosten zijn gemaakt voor de opmaak van het onderhoudsplan:
a) de goedgekeurde schuldvordering;
b) de factuur, opgemaakt naar aanleiding van de schuldvordering;
c) in voorkomend geval het proces-verbaal van de oplevering;
d) in voorkomend geval de bewijsstukken van de algemene kosten, vermeld in artikel 3.4.2.35, eerste lid, 2°.
1° de stukken waarmee wordt aangetoond dat het onderhoudsplan is opgemaakt;
2° de volgende stukken waarmee wordt aangetoond welke kosten zijn gemaakt voor de opmaak van het onderhoudsplan:
a) de goedgekeurde schuldvordering;
b) de factuur, opgemaakt naar aanleiding van de schuldvordering;
c) in voorkomend geval het proces-verbaal van de oplevering;
d) in voorkomend geval de bewijsstukken van de algemene kosten, vermeld in artikel 3.4.2.35, eerste lid, 2°.
Art. 3.4.2.36. La justification de l'affectation de la subvention à l'établissement d'un plan d'entretien comprend :
1° les pièces démontrant que le plan d'entretien a été établi ;
2° les pièces suivantes démontrant les coûts qui ont été faits pour l'établissement du plan d'entretien :
a) la créance approuvée ;
b) la facture qui a été établie à l'occasion de la créance ;
c) le cas échéant, le procès-verbal de la réception ;
d) le cas échéant, les pièces justificatives des frais généraux, visés à l'article 3.4.2.35, alinéa premier, 2°.
1° les pièces démontrant que le plan d'entretien a été établi ;
2° les pièces suivantes démontrant les coûts qui ont été faits pour l'établissement du plan d'entretien :
a) la créance approuvée ;
b) la facture qui a été établie à l'occasion de la créance ;
c) le cas échéant, le procès-verbal de la réception ;
d) le cas échéant, les pièces justificatives des frais généraux, visés à l'article 3.4.2.35, alinéa premier, 2°.
Onderafdeling 9. - Subsidies voor beheerovereenkomsten
Sous-section 9. - Subventions pour contrats de gestion
Art. 3.4.2.37. De subsidie van het Vlaamse Gewest voor beheerovereenkomsten bedraagt maximaal 50 % van de beheersvergoeding, als de beheerovereenkomst wordt gesloten met een provincie of gemeente. Het subsidiepercentage wordt bepaald in het landinrichtingsplan.
De subsidie van het Vlaamse Gewest voor beheerovereenkomsten bedraagt 100 % van de beheersvergoeding die niet ten laste wordt genomen door derden, als de beheerovereenkomst wordt gesloten met het agentschap. Het bedrag of het percentage van de beheervergoeding dat ten laste wordt genomen door derden, wordt bepaald in het landinrichtingsplan.
De subsidie van het Vlaamse Gewest voor beheerovereenkomsten bedraagt 100 % van de beheervergoeding die niet ten laste wordt genomen door derden, als de beheerovereenkomst wordt gesloten met het agentschap op verzoek van een provincie of gemeente. Het percentage van de beheervergoeding dat ten laste wordt genomen door derden, bedraagt minstens 50 % van het totale bedrag van de beheervergoeding en wordt bepaald in het landinrichtingsplan.
De subsidie van het Vlaamse Gewest voor beheerovereenkomsten bedraagt 100 % van de beheersvergoeding die niet ten laste wordt genomen door derden, als de beheerovereenkomst wordt gesloten met het agentschap. Het bedrag of het percentage van de beheervergoeding dat ten laste wordt genomen door derden, wordt bepaald in het landinrichtingsplan.
De subsidie van het Vlaamse Gewest voor beheerovereenkomsten bedraagt 100 % van de beheervergoeding die niet ten laste wordt genomen door derden, als de beheerovereenkomst wordt gesloten met het agentschap op verzoek van een provincie of gemeente. Het percentage van de beheervergoeding dat ten laste wordt genomen door derden, bedraagt minstens 50 % van het totale bedrag van de beheervergoeding en wordt bepaald in het landinrichtingsplan.
Art. 3.4.2.37. La subvention de la Région flamande pour des contrats de gestion s'élève à au maximum 50 % de l'indemnité de gestion, si le contrat de gestion est conclu avec une province ou commune. Le pourcentage de la subvention est défini dans le plan de rénovation rurale.
La subvention de la Région flamande pour des contrats de gestion s'élève à 100 % de l'indemnité de gestion, qui n'est pas prise en charge par des tiers, lorsque le contrat de gestion est conclu avec l'agence. Le montant ou le pourcentage de l'indemnité de gestion pris en charge par des tiers, est défini dans le plan de rénovation rurale.
La subvention de la Région flamande pour des contrats de gestion s'élève à 100 % de l'indemnité de gestion, qui n'est pas prise en charge par des tiers, lorsque le contrat de gestion est conclu avec l'agence à la demande d'une province ou d'une commune. Le pourcentage de l'indemnité de gestion pris en charge par des tiers, s'élève à au moins 50 % du montant total de l'indemnité de gestion et est défini dans le plan de rénovation rurale.
La subvention de la Région flamande pour des contrats de gestion s'élève à 100 % de l'indemnité de gestion, qui n'est pas prise en charge par des tiers, lorsque le contrat de gestion est conclu avec l'agence. Le montant ou le pourcentage de l'indemnité de gestion pris en charge par des tiers, est défini dans le plan de rénovation rurale.
La subvention de la Région flamande pour des contrats de gestion s'élève à 100 % de l'indemnité de gestion, qui n'est pas prise en charge par des tiers, lorsque le contrat de gestion est conclu avec l'agence à la demande d'une province ou d'une commune. Le pourcentage de l'indemnité de gestion pris en charge par des tiers, s'élève à au moins 50 % du montant total de l'indemnité de gestion et est défini dans le plan de rénovation rurale.
Art. 3.4.2.38. Het bedrag van de beheervergoeding omvat de vergoeding, vermeld in artikel 2.1.2.2, § 1.
Art. 3.4.2.38. Le montant `de l'indemnité de gestion comprend l'indemnité visée à l'article 2.1.2.2, § 1er.
Art. 3.4.2.39. De verantwoording van de aanwending van de subsidie voor beheerovereenkomsten omvat:
1° de stukken waarmee wordt aangetoond dat de beheerovereenkomst is gesloten;
2° de stukken waarmee wordt aangetoond dat de beheersvergoeding is uitgekeerd;
3° de stukken waaruit blijkt dat de begunstigde van de subsidie bij een controle ter plaatse heeft vastgesteld dat de voorwaarden van de beheerovereenkomst zijn nageleefd.
1° de stukken waarmee wordt aangetoond dat de beheerovereenkomst is gesloten;
2° de stukken waarmee wordt aangetoond dat de beheersvergoeding is uitgekeerd;
3° de stukken waaruit blijkt dat de begunstigde van de subsidie bij een controle ter plaatse heeft vastgesteld dat de voorwaarden van de beheerovereenkomst zijn nageleefd.
Art. 3.4.2.39. La justification de l'affectation de la subvention aux contrats de gestion comprend :
1° les pièces démontrant que le contrat de gestion a été conclu ;
2° les pièces démontrant que l'indemnité de gestion a été payée ;
3° les pièces démontrant que le bénéficiaire de la subvention a constaté lors d'un contrôle sur les lieux que les conditions du contrat de gestion ont été respectées.
1° les pièces démontrant que le contrat de gestion a été conclu ;
2° les pièces démontrant que l'indemnité de gestion a été payée ;
3° les pièces démontrant que le bénéficiaire de la subvention a constaté lors d'un contrôle sur les lieux que les conditions du contrat de gestion ont été respectées.
Onderafdeling 10. - Subsidies voor dienstenvergoedingen
Sous-section 10. - Subventions pour indemnités de service
Art. 3.4.2.40. De subsidie van het Vlaamse Gewest voor dienstenvergoedingen bedraagt maximaal 50 % van het bedrag van de uitgekeerde dienstenvergoeding, als de dienstenvergoeding wordt aangegaan met een provincie of gemeente. Het subsidiepercentage wordt bepaald in het landinrichtingsplan.
De subsidie van het Vlaamse Gewest voor dienstenvergoedingen bedraagt 100 % van het bedrag van de uitgekeerde dienstenvergoeding dat niet ten laste wordt genomen door derden, als de dienstenvergoeding wordt aangegaan met het agentschap. Het bedrag of het percentage van de dienstenvergoeding dat ten laste wordt genomen door derden, wordt bepaald in het landinrichtingsplan.
De subsidie van het Vlaamse Gewest voor de dienstenvergoeding bedraagt 100 % van het bedrag van de vergoeding dat niet ten laste wordt genomen door derden, als de dienstenvergoeding wordt aangegaan met het agentschap op verzoek van een provincie of gemeente. Het percentage van de dienstenvergoeding dat ten laste wordt genomen door derden, bedraagt minstens 50 % van het totale bedrag van de dienstenvergoeding en wordt bepaald in het landinrichtingsplan.
De subsidie van het Vlaamse Gewest voor dienstenvergoedingen bedraagt 100 % van het bedrag van de uitgekeerde dienstenvergoeding dat niet ten laste wordt genomen door derden, als de dienstenvergoeding wordt aangegaan met het agentschap. Het bedrag of het percentage van de dienstenvergoeding dat ten laste wordt genomen door derden, wordt bepaald in het landinrichtingsplan.
De subsidie van het Vlaamse Gewest voor de dienstenvergoeding bedraagt 100 % van het bedrag van de vergoeding dat niet ten laste wordt genomen door derden, als de dienstenvergoeding wordt aangegaan met het agentschap op verzoek van een provincie of gemeente. Het percentage van de dienstenvergoeding dat ten laste wordt genomen door derden, bedraagt minstens 50 % van het totale bedrag van de dienstenvergoeding en wordt bepaald in het landinrichtingsplan.
Art. 3.4.2.40. La subvention de la Région flamande pour des indemnités de service s'élève à au maximum 50 % du montant de l'indemnité de service payée, lorsque l'indemnité de service est conclue avec une province ou une commune. Le pourcentage de la subvention est défini dans le plan de rénovation rurale.
La subvention de la Région flamande pour des indemnités de service s'élève à 100 % du montant de l'indemnité de service payée, qui n'est pas pris en charge par des tiers, lorsque l'indemnité de service est conclue avec l'agence. Le montant ou le pourcentage de l'indemnité de service pris en charge par des tiers, est défini dans le plan de rénovation rurale.
La subvention de la Région flamande pour l'indemnité de service s'élève à 100 % du montant de l'indemnité qui n'est pas pris en charge par des tiers, lorsque l'indemnité de service est conclue avec l'agence à la demande d'une province ou d'une commune. Le pourcentage de l'indemnité de gestion pris en charge par des tiers, s'élève à au moins 50 % du montant total de l'indemnité de service et est défini dans le plan de rénovation rurale.
La subvention de la Région flamande pour des indemnités de service s'élève à 100 % du montant de l'indemnité de service payée, qui n'est pas pris en charge par des tiers, lorsque l'indemnité de service est conclue avec l'agence. Le montant ou le pourcentage de l'indemnité de service pris en charge par des tiers, est défini dans le plan de rénovation rurale.
La subvention de la Région flamande pour l'indemnité de service s'élève à 100 % du montant de l'indemnité qui n'est pas pris en charge par des tiers, lorsque l'indemnité de service est conclue avec l'agence à la demande d'une province ou d'une commune. Le pourcentage de l'indemnité de gestion pris en charge par des tiers, s'élève à au moins 50 % du montant total de l'indemnité de service et est défini dans le plan de rénovation rurale.
Art. 3.4.2.41. Het bedrag van de dienstenvergoeding omvat de vergoeding, vermeld in artikel 2.1.2.5, § 1.
Art. 3.4.2.41. Le montant de l'indemnité de service comprend l'indemnité visée à l'article 2.1.2.5, § 1er.
Art. 3.4.2.42. De verantwoording van de aanwending van de subsidie voor dienstenvergoedingen omvat:
1° de stukken waarmee wordt aangetoond dat de dienstenvergoeding is aangegaan;
2° de stukken waarmee wordt aangetoond dat de dienstenvergoeding is uitgekeerd;
3° de stukken waaruit blijkt dat de begunstigde van de subsidie bij een controle ter plaatse heeft vastgesteld dat de voorwaarden die verbonden zijn aan de dienstenvergoeding, zijn nageleefd.
1° de stukken waarmee wordt aangetoond dat de dienstenvergoeding is aangegaan;
2° de stukken waarmee wordt aangetoond dat de dienstenvergoeding is uitgekeerd;
3° de stukken waaruit blijkt dat de begunstigde van de subsidie bij een controle ter plaatse heeft vastgesteld dat de voorwaarden die verbonden zijn aan de dienstenvergoeding, zijn nageleefd.
Art. 3.4.2.42. La justification de l'affectation de la subvention aux indemnités de service comprend :
1° les pièces démontrant que l'indemnité de service a été conclue ;
2° les pièces démontrant que l'indemnité de service a été payée ;
3° les pièces démontrant que le bénéficiaire de la subvention a constaté lors d'un contrôle sur les lieux que les conditions liées à l'indemnité de service ont été respectées.
1° les pièces démontrant que l'indemnité de service a été conclue ;
2° les pièces démontrant que l'indemnité de service a été payée ;
3° les pièces démontrant que le bénéficiaire de la subvention a constaté lors d'un contrôle sur les lieux que les conditions liées à l'indemnité de service ont été respectées.
Onderafdeling 11. - Subsidies voor de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing
Sous-section 11. - Subventions pour l'indemnité pour la délocalisation volontaire de l'exploitation
Art. 3.4.2.43. De subsidie van het Vlaamse Gewest voor de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing bedraagt maximaal 50 % van het bedrag van die vergoeding, als de activiteit die aanleiding geeft tot de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing wordt uitgevoerd door de instanties en de personen, vermeld in artikel 3.3.8 van het decreet van 28 maart 2014. Het subsidiepercentage wordt bepaald in het landinrichtingsplan.
De subsidie van het Vlaamse Gewest voor de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing bedraagt 100 % van het bedrag van die vergoeding dat niet ten laste wordt genomen door derden, als de activiteit die aanleiding geeft tot de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing wordt uitgevoerd door het agentschap. Het bedrag of het percentage van de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing dat ten laste wordt genomen door derden, wordt bepaald in het landinrichtingsplan.
De subsidie van het Vlaamse Gewest voor de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing bedraagt 100 % van het bedrag van die vergoeding dat niet laste wordt genomen door derden, als de activiteit die aanleiding geeft tot de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing, wordt uitgevoerd door het agentschap op verzoek van de instanties en de personen, vermeld in artikel 3.3.8 van het decreet van 28 maart 2014. Het percentage van de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing dat ten laste wordt genomen door derden, bedraagt minstens 50 % van het totale bedrag van de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing en wordt bepaald in het landinrichtingsplan.
De subsidie van het Vlaamse Gewest voor de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing bedraagt 100 % van het bedrag van die vergoeding dat niet ten laste wordt genomen door derden, als de activiteit die aanleiding geeft tot de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing wordt uitgevoerd door het agentschap. Het bedrag of het percentage van de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing dat ten laste wordt genomen door derden, wordt bepaald in het landinrichtingsplan.
De subsidie van het Vlaamse Gewest voor de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing bedraagt 100 % van het bedrag van die vergoeding dat niet laste wordt genomen door derden, als de activiteit die aanleiding geeft tot de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing, wordt uitgevoerd door het agentschap op verzoek van de instanties en de personen, vermeld in artikel 3.3.8 van het decreet van 28 maart 2014. Het percentage van de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing dat ten laste wordt genomen door derden, bedraagt minstens 50 % van het totale bedrag van de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing en wordt bepaald in het landinrichtingsplan.
Art. 3.4.2.43. La subvention de la Région flamande pour l'indemnité pour la délocalisation volontaire de l'exploitation, s'élève à au maximum 50 % du montant de cette indemnité lorsque l'activité, qui donne lieu à l'indemnité pour la délocalisation volontaire de l'exploitation est réalisée par les instances et les personnes, visées à l'article 3.3.8 du décret du 28 mars 2014. Le pourcentage de la subvention est défini dans le plan de rénovation rurale.
La subvention de la Région flamande pour l'indemnité pour la délocalisation volontaire de l'exploitation s'élève à 100 % du montant de cette indemnité qui n'est pas pris en charge par des tiers, si l'activité donnant lieu à l'indemnité pour la délocalisation volontaire de l'exploitation est réalisée par l'agence. Le montant ou le pourcentage de l'indemnité pour la délocalisation volontaire de l'exploitation, pris en charge par des tiers, est défini dans le plan de rénovation rurale.
La subvention de la Région flamande pour l'indemnité pour la délocalisation volontaire de l'exploitation s'élève à 100 % du montant de cette indemnité, qui n'est pas pris en charge par des tiers, lorsque l'activité, qui donne lieu à l'indemnité pour la délocalisation volontaire de l'exploitation, est réalisée par l'agence à la demande des instances et des personnes, visées à l'article 3.3.8 du décret du 28 mars 2014. Le pourcentage de l'indemnité pour la délocalisation volontaire de l'exploitation, pris en charge par des tiers, s'élève à au moins 50 % du montant total de l'indemnité pour la délocalisation volontaire de l'exploitation et est défini dans le plan de rénovation rurale.
La subvention de la Région flamande pour l'indemnité pour la délocalisation volontaire de l'exploitation s'élève à 100 % du montant de cette indemnité qui n'est pas pris en charge par des tiers, si l'activité donnant lieu à l'indemnité pour la délocalisation volontaire de l'exploitation est réalisée par l'agence. Le montant ou le pourcentage de l'indemnité pour la délocalisation volontaire de l'exploitation, pris en charge par des tiers, est défini dans le plan de rénovation rurale.
La subvention de la Région flamande pour l'indemnité pour la délocalisation volontaire de l'exploitation s'élève à 100 % du montant de cette indemnité, qui n'est pas pris en charge par des tiers, lorsque l'activité, qui donne lieu à l'indemnité pour la délocalisation volontaire de l'exploitation, est réalisée par l'agence à la demande des instances et des personnes, visées à l'article 3.3.8 du décret du 28 mars 2014. Le pourcentage de l'indemnité pour la délocalisation volontaire de l'exploitation, pris en charge par des tiers, s'élève à au moins 50 % du montant total de l'indemnité pour la délocalisation volontaire de l'exploitation et est défini dans le plan de rénovation rurale.
Art. 3.4.2.44. Het totale bedrag van die vergoedingen omvat de vergoedingen, vermeld in artikel 2.1.4.5, § 2 en 3.
Art. 3.4.2.44. Le montant total de ces indemnités comprend les indemnités visées à l'article 2.1.4.5, § 2 et 3.
Art. 3.4.2.45. De verantwoording van de aanwending van de subsidie voor vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing omvat:
1° de stukken waarmee wordt aangetoond dat de vrijwillige bedrijfsverplaatsing gerealiseerd is;
2° de stukken waarmee wordt aangetoond dat de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing is uitgekeerd.
1° de stukken waarmee wordt aangetoond dat de vrijwillige bedrijfsverplaatsing gerealiseerd is;
2° de stukken waarmee wordt aangetoond dat de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing is uitgekeerd.
Art. 3.4.2.45. La justification de l'affectation de la subvention pour l'indemnité pour la délocalisation volontaire de l'exploitation comprend :
1° les pièces démontrant que la délocalisation volontaire de l'exploitation a été réalisée ;
2° les pièces démontrant que l'indemnité pour la délocalisation volontaire de l'exploitation a été payée.
1° les pièces démontrant que la délocalisation volontaire de l'exploitation a été réalisée ;
2° les pièces démontrant que l'indemnité pour la délocalisation volontaire de l'exploitation a été payée.
Onderafdeling 12. - Subsidies voor vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsstopzetting
Sous-section 12. - Subventions pour l'indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation
Art. 3.4.2.46. De subsidie van het Vlaamse Gewest voor de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting bedraagt maximaal 50 % van het bedrag van die vergoeding als de activiteit die aanleiding geeft tot de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting, wordt uitgevoerd door de instanties en de personen, vermeld in artikel 3.3.8 van het decreet van 28 maart 2014. Het subsidiepercentage wordt bepaald in het landinrichtingsplan.
De subsidie van het Vlaamse Gewest voor de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting bedraagt 100 % van het bedrag van die vergoeding dat niet ten laste wordt genomen door derden, als de activiteit die aanleiding geeft tot de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting, wordt uitgevoerd door het agentschap. Het bedrag of het percentage van de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting dat ten laste wordt genomen door derden, wordt bepaald in het landinrichtingsplan.
De subsidie van het Vlaamse Gewest voor de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting bedraagt 100 % van het bedrag van die vergoeding dat niet laste wordt genomen door derden, als de activiteit die aanleiding geeft tot de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting wordt uitgevoerd door het agentschap op verzoek van de instanties en de personen, vermeld in artikel 3.3.8 van het decreet van 28 maart 2014. Het percentage van de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting dat ten laste wordt genomen door derden, bedraagt minstens 50 % van het totale bedrag van de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting en wordt bepaald in het landinrichtingsplan.
De subsidie van het Vlaamse Gewest voor de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting bedraagt 100 % van het bedrag van die vergoeding dat niet ten laste wordt genomen door derden, als de activiteit die aanleiding geeft tot de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting, wordt uitgevoerd door het agentschap. Het bedrag of het percentage van de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting dat ten laste wordt genomen door derden, wordt bepaald in het landinrichtingsplan.
De subsidie van het Vlaamse Gewest voor de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting bedraagt 100 % van het bedrag van die vergoeding dat niet laste wordt genomen door derden, als de activiteit die aanleiding geeft tot de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting wordt uitgevoerd door het agentschap op verzoek van de instanties en de personen, vermeld in artikel 3.3.8 van het decreet van 28 maart 2014. Het percentage van de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting dat ten laste wordt genomen door derden, bedraagt minstens 50 % van het totale bedrag van de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting en wordt bepaald in het landinrichtingsplan.
Art. 3.4.2.46. La subvention de la Région flamande pour l'indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation, s'élève à au maximum 50 % du montant de cette indemnité lorsque l'activité, qui donne lieu à l'indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation est réalisée par les instances et les personnes, visées à l'article 3.3.8 du décret du 28 mars 2014. Le pourcentage de la subvention est défini dans le plan de rénovation rurale.
La subvention de la Région flamande pour l'indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation s'élève à 100 % du montant de cette indemnité qui n'est pas pris en charge par des tiers, si l'activité donnant lieu à l'indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation est réalisée par l'agence. Le montant ou le pourcentage de l'indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation, pris en charge par des tiers, est défini dans le plan de rénovation rurale.
La subvention de la Région flamande pour l'indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation s'élève à 100 % du montant de cette indemnité, qui n'est pas pris en charge par des tiers, lorsque l'activité, qui donne lieu à l'indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation, est réalisée par l'agence à la demande des instances et des personnes, visées à l'article 3.3.8 du décret du 28 mars 2014. Le pourcentage de l'indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation, pris en charge par des tiers, s'élève à au moins 50 % du montant total de l'indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation et est défini dans le plan de rénovation rurale.
La subvention de la Région flamande pour l'indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation s'élève à 100 % du montant de cette indemnité qui n'est pas pris en charge par des tiers, si l'activité donnant lieu à l'indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation est réalisée par l'agence. Le montant ou le pourcentage de l'indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation, pris en charge par des tiers, est défini dans le plan de rénovation rurale.
La subvention de la Région flamande pour l'indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation s'élève à 100 % du montant de cette indemnité, qui n'est pas pris en charge par des tiers, lorsque l'activité, qui donne lieu à l'indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation, est réalisée par l'agence à la demande des instances et des personnes, visées à l'article 3.3.8 du décret du 28 mars 2014. Le pourcentage de l'indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation, pris en charge par des tiers, s'élève à au moins 50 % du montant total de l'indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation et est défini dans le plan de rénovation rurale.
Art. 3.4.2.47. Het totale bedrag van die vergoedingen omvat de vergoedingen, vermeld in artikel 2.1.4.8, § 2 en 3.
Art. 3.4.2.47. Le montant total de ces indemnités comprend les indemnités visées à l'article 2.1.4.8, § 2 et 3.
Art. 3.4.2.48. De verantwoording van de aanwending van de subsidie voor vrijwillige bedrijfsstopzetting omvat:
1° de stukken waarmee wordt aangetoond dat de vrijwillige bedrijfsstopzetting gerealiseerd is;
2° de stukken waarmee wordt aangetoond dat de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting is uitgekeerd.
1° de stukken waarmee wordt aangetoond dat de vrijwillige bedrijfsstopzetting gerealiseerd is;
2° de stukken waarmee wordt aangetoond dat de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting is uitgekeerd.
Art. 3.4.2.48. La justification de l'affectation de la subvention pour la cessation volontaire de l'exploitation comprend :
1° les pièces démontrant que la cessation volontaire de l'exploitation a été réalisée ;
2° les pièces démontrant que l'indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation a été payée.
1° les pièces démontrant que la cessation volontaire de l'exploitation a été réalisée ;
2° les pièces démontrant que l'indemnité pour la cessation volontaire de l'exploitation a été payée.
Onderafdeling 13. - Subsidies voor de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsreconversie
Sous-section 13. - Subventions pour l'indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation
Art. 3.4.2.49. De subsidie van het Vlaamse Gewest voor de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsreconversie bedraagt maximaal 50 % van het bedrag van die vergoeding als de activiteit die aanleiding geeft tot de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsreconversie, wordt uitgevoerd door de instanties en de personen, vermeld in artikel 3.3.8 van het decreet van 28 maart 2014. Het subsidiepercentage wordt bepaald in het landinrichtingsplan.
De subsidie van het Vlaamse Gewest voor de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsreconversie bedraagt 100 % van het bedrag van die vergoeding dat niet ten laste wordt genomen door derden als de activiteit die aanleiding geeft tot de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsreconversie, wordt uitgevoerd door het agentschap. Het bedrag of het percentage van de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsreconversie dat ten laste wordt genomen door derden, wordt bepaald in het landinrichtingsplan.
De subsidie van het Vlaamse Gewest voor de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsreconversie bedraagt 100 % van het bedrag van die vergoeding dat niet laste wordt genomen door derden, als de activiteit die aanleiding geeft tot de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsreconversie, wordt uitgevoerd door het agentschap op verzoek van de instanties en de personen, vermeld in artikel 3.3.8 van het decreet van 28 maart 2014. Het percentage van de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsreconversie dat ten laste wordt genomen door derden, bedraagt minstens 50 % van het totale bedrag van de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsreconversie en wordt bepaald in het landinrichtingsplan.
De subsidie van het Vlaamse Gewest voor de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsreconversie bedraagt 100 % van het bedrag van die vergoeding dat niet ten laste wordt genomen door derden als de activiteit die aanleiding geeft tot de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsreconversie, wordt uitgevoerd door het agentschap. Het bedrag of het percentage van de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsreconversie dat ten laste wordt genomen door derden, wordt bepaald in het landinrichtingsplan.
De subsidie van het Vlaamse Gewest voor de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsreconversie bedraagt 100 % van het bedrag van die vergoeding dat niet laste wordt genomen door derden, als de activiteit die aanleiding geeft tot de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsreconversie, wordt uitgevoerd door het agentschap op verzoek van de instanties en de personen, vermeld in artikel 3.3.8 van het decreet van 28 maart 2014. Het percentage van de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsreconversie dat ten laste wordt genomen door derden, bedraagt minstens 50 % van het totale bedrag van de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsreconversie en wordt bepaald in het landinrichtingsplan.
Art. 3.4.2.49. La subvention de la Région flamande pour l'indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation, s'élève à au maximum 50 % du montant de cette indemnité lorsque l'activité, qui donne lieu à l'indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation est réalisée par les instances et les personnes, visées à l'article 3.3.8 du décret du 28 mars 2014. Le pourcentage de la subvention est défini dans le plan de rénovation rurale.
La subvention de la Région flamande pour l'indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation s'élève à 100 % du montant de cette indemnité qui n'est pas pris en charge par des tiers, si l'activité donnant lieu à l'indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation est réalisée par l'agence. Le montant ou le pourcentage de l'indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation, pris en charge par des tiers, est défini dans le plan de rénovation rurale.
La subvention de la Région flamande pour l'indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation s'élève à 100 % du montant de cette indemnité qui n'est pas pris en charge par des tiers, lorsque l'activité donnant lieu à l'indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation est mise en oeuvre par l'agence à la demande des instances et des personnes, visées à l'article 3.3.8 du décret du 28 mars 2014. Le pourcentage de l'indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation, pris en charge par des tiers, s'élève à au moins 50 % du montant total de l'indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation et est défini dans le plan de rénovation rurale.
La subvention de la Région flamande pour l'indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation s'élève à 100 % du montant de cette indemnité qui n'est pas pris en charge par des tiers, si l'activité donnant lieu à l'indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation est réalisée par l'agence. Le montant ou le pourcentage de l'indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation, pris en charge par des tiers, est défini dans le plan de rénovation rurale.
La subvention de la Région flamande pour l'indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation s'élève à 100 % du montant de cette indemnité qui n'est pas pris en charge par des tiers, lorsque l'activité donnant lieu à l'indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation est mise en oeuvre par l'agence à la demande des instances et des personnes, visées à l'article 3.3.8 du décret du 28 mars 2014. Le pourcentage de l'indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation, pris en charge par des tiers, s'élève à au moins 50 % du montant total de l'indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation et est défini dans le plan de rénovation rurale.
Art. 3.4.2.50. Het totale bedrag van die vergoedingen omvat de vergoedingen, vermeld in artikel 2.1.4.11, § 2 en 3.
Art. 3.4.2.50. Le montant total de ces indemnités comprend les indemnités visées à l'article 2.1.4.11, § 2 et 3.
Art. 3.4.2.51. De verantwoording van de aanwending van de subsidie omvat:
1° de stukken waarmee wordt aangetoond dat de vrijwillige bedrijfsreconversie gerealiseerd is;
2° de stukken waarmee wordt aangetoond dat de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsreconversie is uitgekeerd.
1° de stukken waarmee wordt aangetoond dat de vrijwillige bedrijfsreconversie gerealiseerd is;
2° de stukken waarmee wordt aangetoond dat de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsreconversie is uitgekeerd.
Art. 3.4.2.51. La justification de l'affectation de la subvention comprend :
1° les pièces démontrant que la reconversion volontaire de l'exploitation a été réalisée ;
2° les pièces démontrant que l'indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation a été payée.
1° les pièces démontrant que la reconversion volontaire de l'exploitation a été réalisée ;
2° les pièces démontrant que l'indemnité pour la reconversion volontaire de l'exploitation a été payée.
HOOFDSTUK 3. - Bepalingen over sancties en uitbetaling van subsidies
CHAPITRE 3. - Dispositions relatives aux sanctions et au paiement des subventions
Art. 3.4.3.1. Als [1 het Departement Omgeving]1 oordeelt dat de aanwending van de subsidie verantwoord is, gaat [1 het Departement Omgeving]1 over tot uitbetaling van de subsidie. Als voor de activiteit waarvoor de subsidie is toegekend een vergunning of machtiging vereist is, kan de subsidie alleen uitbetaald worden nadat [1 het Departement Omgeving]1 een afschrift van de vereiste vergunningen of machtiging heeft ontvangen.
Modifications
Art. 3.4.3.1. Lorsque le [1 Département de l'Environnement ]1 estime que l'affectation de la subvention est justifiée, le [1 Département de l'Environnement ]1 procède au paiement de la subvention. Lorsque l'activité pour laquelle la subvention a été octroyée requiert un permis ou une autorisation, la subvention ne peut être payée qu'après que le [1 Département de l'Environnement]1 a reçu une copie des permis ou autorisations requis.
Modifications
Art. 3.4.3.2. Als de begunstigde van de subsidie nalaat de subsidie volledig te verantwoorden, vervalt de beslissing tot toekenning van de subsidie voor het niet-verantwoorde gedeelte.
In het geval, vermeld in het eerste lid, moet van eventueel al uitbetaalde voorschotten het niet-verantwoorde gedeelte teruggevorderd worden. [1 Het Departement Omgeving]1 staat in voor de terugvorderingen van de voorschotten.
In het geval, vermeld in het eerste lid, moet van eventueel al uitbetaalde voorschotten het niet-verantwoorde gedeelte teruggevorderd worden. [1 Het Departement Omgeving]1 staat in voor de terugvorderingen van de voorschotten.
Modifications
Art. 3.4.3.2. Si le bénéficiaire de la subvention omet de justifier l'entièreté de la subvention, la décision d'octroi de la subvention échoit pour la partie non justifiée.
Dans le cas, visé à l'alinéa premier, la partie non-justifiée des avances éventuellement payées doit être recouvrée. Le [1 Département de l'Environnement]1 assure les recouvrements des avances.
Dans le cas, visé à l'alinéa premier, la partie non-justifiée des avances éventuellement payées doit être recouvrée. Le [1 Département de l'Environnement]1 assure les recouvrements des avances.
Modifications
Art. 3.4.3.3. Als wordt vastgesteld dat de voorwaarden voor de toekenning van de subsidie niet worden nageleefd, moet de begunstigde de subsidie onmiddellijk terugbetalen. [1 Het Departement Omgeving]1 staat in voor de terugvordering van de subsidies.
Personen die zijn aangesteld door [1 het Departement Omgeving]1, het agentschap of het Vlaamse Gewest zijn bevoegd om na te gaan of de voorwaarden voor de toekenning van de subsidie worden nageleefd. Ze kunnen alle stukken die ze nodig hebben om de controleopdracht uit te voeren, opvragen bij de begunstigden en mogen bij de uitoefening van hun controleopdracht onroerende goederen betreden, met uitzondering van woningen en gebouwen die bestemd zijn voor privé-activiteiten.
Personen die zijn aangesteld door [1 het Departement Omgeving]1, het agentschap of het Vlaamse Gewest zijn bevoegd om na te gaan of de voorwaarden voor de toekenning van de subsidie worden nageleefd. Ze kunnen alle stukken die ze nodig hebben om de controleopdracht uit te voeren, opvragen bij de begunstigden en mogen bij de uitoefening van hun controleopdracht onroerende goederen betreden, met uitzondering van woningen en gebouwen die bestemd zijn voor privé-activiteiten.
Modifications
Art. 3.4.3.3. Lorsqu'il est constaté que les conditions pour l'octroi de la subvention ne sont pas respectées, le bénéficiaire est tenu de restituer la subvention sans délai. Le [1 Département de l'Environnement]1 assure le recouvrement des subventions.
Les personnes désignées par le [1 Département de l'Environnement]1, l'agence ou la Région flamande sont autorisées à vérifier si les conditions de l'octroi de la subvention sont respectées. Elles peuvent demander toutes les pièces dont ils ont besoin pour mettre en oeuvre la mission de contrôle, auprès des bénéficiaires et sont autorisées à entrer des biens immobiliers lors de l'exercice de leur mission de contrôle, à l'exception de logements et de bâtiments destinés à des activités privées.
Les personnes désignées par le [1 Département de l'Environnement]1, l'agence ou la Région flamande sont autorisées à vérifier si les conditions de l'octroi de la subvention sont respectées. Elles peuvent demander toutes les pièces dont ils ont besoin pour mettre en oeuvre la mission de contrôle, auprès des bénéficiaires et sont autorisées à entrer des biens immobiliers lors de l'exercice de leur mission de contrôle, à l'exception de logements et de bâtiments destinés à des activités privées.
Modifications
DEEL 4. - DE TOEPASSING VAN DE INSTRUMENTEN VOOR DE REALISATIE VAN PROJECTEN, PLANNEN OF PROGRAMMA'S
Partie 4. L'application des instruments pour la réalisation de projets, de plans ou de programmes
TITEL 1. - Algemene bepalingen
TITRE 1er. - Dispositions générales
Art. 4.1.1.1. In dit deel wordt verstaan onder de Vlaamse initiatiefnemer: het departement of agentschap van de Vlaamse administratie dat verantwoordelijk is voor de realisatie van het project, plan of programma of voor de realisatie van onderdelen van het project, plan of programma waarop de inrichtingsnota betrekking heeft.
Art. 4.1.1.1. Dans cette partie on entend par initiateur flamand : le département ou l'agence de l'administration flamande responsable de la réalisation du projet, plan ou programme ou de la réalisation de parties du projet, plan ou programme auxquelles la note d'aménagement se rapporte.
TITEL 2. - De opmaak, de onderbouwing en uitvoering van inrichtingsnota's
TITRE 2. - L'élaboration, le fondement et la mise en oeuvre de notes d'aménagement
HOOFDSTUK 1. - De opmaak en uitvoering van inrichtingsnota's
CHAPITRE 1er. - L'élaboration et la mise en oeuvre de notes d'aménagement
Afdeling 1. - Inrichtingsnota's bij projecten, plannen en programma's goedgekeurd door de Vlaamse Regering
Section 1re. - Notes d'aménagement accompagnant des projets, plans et programmes approuvés par le Gouvernement flamand
Art. 4.2.1.1. Als het een project, plan of programma betreft dat wordt goedgekeurd door de Vlaamse Regering, wordt de inrichtingsnota opgemaakt door de Vlaamse initiatiefnemer in overleg met het agentschap. Het agentschap ondersteunt de Vlaamse initiatiefnemer bij de instrumentenafweging, zoals bedoeld in artikel 1.1.1.2. § 1 van dit besluit.
Op verzoek van de Vlaamse initiatiefnemer kan het agentschap de inrichtingsnota opmaken.
Op verzoek van de Vlaamse initiatiefnemer kan het agentschap de inrichtingsnota opmaken.
Art. 4.2.1.1. Lorsqu'il s'agit d'un projet, plan ou programme approuvés par le Gouvernement flamand, la note d'aménagement est élaborée par l'initiateur flamand en concertation avec l'agence. L'agence soutient l'initiateur flamand lors de la pondération d'instruments, visée à l'article 1.1.1.2 § 1er du présent arrêté.
L'agence peut élaborer la note d'aménagement à la demande de l'initiateur flamand.
L'agence peut élaborer la note d'aménagement à la demande de l'initiateur flamand.
Art. 4.2.1.2. De ontwerp inrichtingsnota wordt door de Vlaamse initiatiefnemer bezorgd aan het college van burgemeester en schepenen van elke gemeente waarop de ontwerp inrichtingsnota betrekking heeft en aan de deputatie van elke provincie waarop de ontwerp inrichtingsnota betrekking heeft.
Het college van burgemeester en schepenen organiseert het openbaar onderzoek over de ontwerp inrichtingsnota.
De ontwerp inrichtingsnota wordt gedurende dertig dagen ter inzage gelegd in het gemeentehuis. Gedurende die termijn kan eenieder zijn opmerkingen en bezwaren over de ontwerp inrichtingsnota indienen bij het college van burgemeester en schepenen of bij een door hem aangewezen personeelslid.
Binnen een termijn van drie maanden nadat het college van burgemeester en schepenen de ontwerp inrichtingsnota heeft ontvangen, bezorgt het college de opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek, aan de Vlaamse initiatiefnemer.
De Vlaamse initiatiefnemer kan op basis van de opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek, de ontwerp inrichtingsnota aanpassen.
Het college van burgemeester en schepenen organiseert het openbaar onderzoek over de ontwerp inrichtingsnota.
De ontwerp inrichtingsnota wordt gedurende dertig dagen ter inzage gelegd in het gemeentehuis. Gedurende die termijn kan eenieder zijn opmerkingen en bezwaren over de ontwerp inrichtingsnota indienen bij het college van burgemeester en schepenen of bij een door hem aangewezen personeelslid.
Binnen een termijn van drie maanden nadat het college van burgemeester en schepenen de ontwerp inrichtingsnota heeft ontvangen, bezorgt het college de opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek, aan de Vlaamse initiatiefnemer.
De Vlaamse initiatiefnemer kan op basis van de opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek, de ontwerp inrichtingsnota aanpassen.
Art. 4.2.1.2. L'initiateur flamand remet le projet de note d'aménagement au collège des bourgmestre et échevins de chaque commune faisant l'objet du projet de note d'aménagement et à la députation de chaque province faisant l'objet du projet de note d'aménagement.
Le collège des bourgmestre et échevins organise l'enquête publique relative au projet de note d'aménagement.
Le projet de note d'aménagement peut être consulté dans la maison communale pendant trente jours. Pendant cette période, tout un chacun peut soumettre ses remarques et réclamations relatives au projet de note d'aménagement auprès du collège des bourgmestre et échevins ou auprès d'un membre du personnel désigné par lui.
Le collège des bourgmestre et échevins remet les remarques et réclamations qui ont été introduites pendant l'enquête publique, à l'initiateur flamand, dans un délai de trois mois après qu'il a reçu le projet de note d'aménagement.
L'initiateur flamand peut ajuster le projet de note d'aménagement sur la base des remarques et réclamations qui ont été introduites pendant l'enquête publique.
Le collège des bourgmestre et échevins organise l'enquête publique relative au projet de note d'aménagement.
Le projet de note d'aménagement peut être consulté dans la maison communale pendant trente jours. Pendant cette période, tout un chacun peut soumettre ses remarques et réclamations relatives au projet de note d'aménagement auprès du collège des bourgmestre et échevins ou auprès d'un membre du personnel désigné par lui.
Le collège des bourgmestre et échevins remet les remarques et réclamations qui ont été introduites pendant l'enquête publique, à l'initiateur flamand, dans un délai de trois mois après qu'il a reçu le projet de note d'aménagement.
L'initiateur flamand peut ajuster le projet de note d'aménagement sur la base des remarques et réclamations qui ont été introduites pendant l'enquête publique.
Art. 4.2.1.3. § 1. Het college van burgemeester en schepenen van elke gemeente waarop de ontwerp inrichtingsnota betrekking heeft en de deputatie van elke provincie waarop de ontwerp inrichtingsnota betrekking heeft, kunnen advies verlenen aan de Vlaamse initiatiefnemer over de ontwerp inrichtingsnota.
Het advies wordt gegeven binnen een termijn van drie maanden nadat het college van burgemeester en schepenen of de deputatie de ontwerp inrichtingsnota heeft ontvangen. Als binnen die termijn geen advies is verleend, kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
§ 2. De Vlaamse initiatiefnemer kan op basis van de adviezen, vermeld in paragraaf 1, de ontwerp inrichtingsnota aanpassen.
Het advies wordt gegeven binnen een termijn van drie maanden nadat het college van burgemeester en schepenen of de deputatie de ontwerp inrichtingsnota heeft ontvangen. Als binnen die termijn geen advies is verleend, kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
§ 2. De Vlaamse initiatiefnemer kan op basis van de adviezen, vermeld in paragraaf 1, de ontwerp inrichtingsnota aanpassen.
Art. 4.2.1.3. § 1er. Le collège des bourgmestre et échevins de chaque commune faisant l'objet du projet de note d'aménagement et la députation de chaque province faisant l'objet du projet de note d'aménagement, peuvent conseiller l'initiateur flamand sur le projet de note d'aménagement.
L'avis est donné dans un délai de trois mois après que le collège des bourgmestre et échevins ou la députation a reçu le projet de note d'aménagement. Faute d'avis dans ce délai, il peut être passé outre à la formalité d'avis.
§ 2. L'initiateur flamand peut ajuster le projet de note d'aménagement sur la base des avis, visés au paragraphe 1er.
L'avis est donné dans un délai de trois mois après que le collège des bourgmestre et échevins ou la députation a reçu le projet de note d'aménagement. Faute d'avis dans ce délai, il peut être passé outre à la formalité d'avis.
§ 2. L'initiateur flamand peut ajuster le projet de note d'aménagement sur la base des avis, visés au paragraphe 1er.
Art. 4.2.1.4. De Vlaamse initiatiefnemer vraagt advies aan het agentschap over de ontwerp inrichtingsnota die is aangepast op basis van de opmerkingen en bezwaren die ingediend zijn tijdens het openbaar onderzoek, vermeld in artikel 4.2.1.2, of op basis van het advies, vermeld in artikel 4.2.1.3. Het agentschap verleent het advies binnen een termijn van een maand nadat het agentschap de ontwerp inrichtingsnota heeft ontvangen. Als binnen die termijn geen advies is verleend, kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
Art. 4.2.1.4. L'initiateur flamand sollicite l'avis de l'agence sur le projet de note d'aménagement qui a été ajusté sur la base des remarques et réclamations introduites pendant l'enquête publique, visée à l'article 4.2.1.2, ou sur la base de l'avis, visé à l'article 4.2.1.3. L'agence délivre l'avis dans un délai d'un mois après que l'agence a reçu le projet de note d'aménagement. Faute d'avis dans ce délai, il peut être passé outre à la formalité d'avis.
Art. 4.2.1.5. De Vlaamse initiatiefnemer bezorgt de volgende stukken aan de minister:
1° de ontwerp inrichtingsnota die is aangepast op basis van de opmerkingen en bezwaren die ingediend zijn tijdens het openbaar onderzoek, vermeld in artikel 4.2.1.2, of op basis van het advies, vermeld in artikel 4.2.1.3;
2° de opmerkingen en bezwaren die ingediend zijn tijdens het openbaar onderzoek, vermeld in artikel 4.2.1.2, en de mate waarin de Vlaamse initiatiefnemer rekening heeft gehouden met die opmerkingen en bezwaren;
3° in voorkomend geval de adviezen, vermeld in artikel 4.2.1.3, en de mate waarin de Vlaamse initiatiefnemer rekening heeft gehouden met die adviezen;
4° het advies van het agentschap, vermeld in artikel 4.2.1.4;
5° in voorkomend geval de instemming van de instanties en de personen, vermeld in artikel 3.3.8 en 3.3.9 van het decreet van 28 maart 2014, die belast zijn met de uitvoering van de inrichtingsnota of gedeelten ervan.
1° de ontwerp inrichtingsnota die is aangepast op basis van de opmerkingen en bezwaren die ingediend zijn tijdens het openbaar onderzoek, vermeld in artikel 4.2.1.2, of op basis van het advies, vermeld in artikel 4.2.1.3;
2° de opmerkingen en bezwaren die ingediend zijn tijdens het openbaar onderzoek, vermeld in artikel 4.2.1.2, en de mate waarin de Vlaamse initiatiefnemer rekening heeft gehouden met die opmerkingen en bezwaren;
3° in voorkomend geval de adviezen, vermeld in artikel 4.2.1.3, en de mate waarin de Vlaamse initiatiefnemer rekening heeft gehouden met die adviezen;
4° het advies van het agentschap, vermeld in artikel 4.2.1.4;
5° in voorkomend geval de instemming van de instanties en de personen, vermeld in artikel 3.3.8 en 3.3.9 van het decreet van 28 maart 2014, die belast zijn met de uitvoering van de inrichtingsnota of gedeelten ervan.
Art. 4.2.1.5. L'initiateur flamand remet les pièces suivantes au ministre :
1° le projet de note d'aménagement qui a été ajusté sur la base des remarques et réclamations introduites pendant l'enquête publique, visée à l'article 4.2.1.2, ou sur la base de l'avis, visé à l'article 4.2.1.3 ;
2° les remarques et réclamations qui ont été introduites au cours de l'enquête publique, visée à l'article 4.2.1.2 et la mesure dans laquelle l'initiateur flamand a tenu compte de ces remarques et réclamations ;
3° le cas échéant, les avis, visés à l'article 4.2.1.3 et la mesure dans laquelle l'initiateur flamand a tenu compte de ces avis ;
4° l'avis de l'agence, visé à l'article 4.2.1.4 ;
5° le cas échéant, l'assentiment des instances et personnes, visées aux articles 3.3.8 et 3.3.9 du décret du 28 mars 2014, chargées de la mise en oeuvre de la note d'aménagement ou de parties de celle-ci.
1° le projet de note d'aménagement qui a été ajusté sur la base des remarques et réclamations introduites pendant l'enquête publique, visée à l'article 4.2.1.2, ou sur la base de l'avis, visé à l'article 4.2.1.3 ;
2° les remarques et réclamations qui ont été introduites au cours de l'enquête publique, visée à l'article 4.2.1.2 et la mesure dans laquelle l'initiateur flamand a tenu compte de ces remarques et réclamations ;
3° le cas échéant, les avis, visés à l'article 4.2.1.3 et la mesure dans laquelle l'initiateur flamand a tenu compte de ces avis ;
4° l'avis de l'agence, visé à l'article 4.2.1.4 ;
5° le cas échéant, l'assentiment des instances et personnes, visées aux articles 3.3.8 et 3.3.9 du décret du 28 mars 2014, chargées de la mise en oeuvre de la note d'aménagement ou de parties de celle-ci.
Art. 4.2.1.6. § 1. De Vlaamse Regering stelt de inrichtingsnota vast en belast de instanties en de personen, vermeld in de inrichtingsnota, met de uitvoering van de inrichtingsnota of gedeelten ervan.
§ 2. Het besluit tot vaststelling van de inrichtingsnota wordt door de Vlaamse initiatiefnemer bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad binnen zestig dagen na de vaststelling als een of meerdere van de volgende instrumenten mogelijk worden gemaakt:
1° de herverkaveling uit kracht van wet;
2° het recht van voorkoop;
3° de inrichtingswerken uit kracht van wet;
4° de erfdienstbaarheden tot openbaar nut.
[1 5° het recht van voorkeur.]1
Het besluit tot vaststelling van de inrichtingsnota bevat ten minste de volgende gegevens:
1° als herverkaveling uit kracht van wet als instrument is opgenomen in de inrichtingsnota: de bepaling over de duur van jachtovereenkomsten, vermeld in artikel 2.1.36 van het decreet van 28 maart 2014, met aanduiding van de kadastrale gegevens van de percelen waar die bepaling geldt;
2° als recht van voorkoop als instrument is opgenomen in de inrichtingsnota: de kadastrale gegevens van de percelen waarop het recht van voorkoop van toepassing is, de termijn waarin het recht van voorkoop geldt en de vermelding dat het recht van voorkoop aangeboden moet worden aan de Vlaamse Grondenbank;
3° als inrichtingswerken uit kracht van wet als instrument zijn opgenomen in de inrichtingsnota: de kadastrale gegevens van de percelen waarop inrichtingswerken uit kracht van wet worden uitgevoerd met de beschrijving van de uit te voeren werken;
4° als de vestiging van erfdienstbaarheden van openbaar nut als instrument is opgenomen in de inrichtingsnota en die erfdienstbaarheid niet gericht is op de instandhouding van inrichtingswerken uit kracht van wet: de kadastrale gegevens van de percelen waarop erfdienstbaarheden tot openbaar nut worden gevestigd met de beschrijving van de erfdienstbaarheid die wordt gevestigd.
[1 5° als recht van voorkeur als instrument is opgenomen in de inrichtingsnota:
a) de kadastrale gegevens van de percelen waarop het recht van voorkeur van toepassing is;
b) de termijn waarin het recht van voorkeur geldt;
c) de vermelding dat het recht van voorkeur aangeboden moet worden aan de Vlaamse Grondenbank. ]1
De inrichtingsnota treedt in werking veertien dagen na de bekendmaking van het besluit tot vaststelling van de inrichtingsnota.
In afwijking van het derde lid, heeft het recht van voorkoop, vermeld in het tweede lid, 2°, echter uitwerking vanaf het moment, vermeld in artikel 10 van het decreet van 25 mei 2007 houdende de harmonisering van de procedures van voorkooprechten.
§ 3. De Vlaamse initiatiefnemer bezorgt de inrichtingsnota en het besluit tot vaststelling van de inrichtingsnota, voorafgaandelijk aan de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, aan:
1° de instanties en personen die belast zijn met de uitvoering van de inrichtingsnota;
2° de gemeenten en de provincies waarop de inrichtingsnota betrekking heeft;
3° het agentschap.
De inrichtingsnota en het besluit tot vaststelling van de inrichtingsnota kunnen worden ingezien bij elke gemeente waarop de inrichtingsnota betrekking heeft.
§ 2. Het besluit tot vaststelling van de inrichtingsnota wordt door de Vlaamse initiatiefnemer bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad binnen zestig dagen na de vaststelling als een of meerdere van de volgende instrumenten mogelijk worden gemaakt:
1° de herverkaveling uit kracht van wet;
2° het recht van voorkoop;
3° de inrichtingswerken uit kracht van wet;
4° de erfdienstbaarheden tot openbaar nut.
[1 5° het recht van voorkeur.]1
Het besluit tot vaststelling van de inrichtingsnota bevat ten minste de volgende gegevens:
1° als herverkaveling uit kracht van wet als instrument is opgenomen in de inrichtingsnota: de bepaling over de duur van jachtovereenkomsten, vermeld in artikel 2.1.36 van het decreet van 28 maart 2014, met aanduiding van de kadastrale gegevens van de percelen waar die bepaling geldt;
2° als recht van voorkoop als instrument is opgenomen in de inrichtingsnota: de kadastrale gegevens van de percelen waarop het recht van voorkoop van toepassing is, de termijn waarin het recht van voorkoop geldt en de vermelding dat het recht van voorkoop aangeboden moet worden aan de Vlaamse Grondenbank;
3° als inrichtingswerken uit kracht van wet als instrument zijn opgenomen in de inrichtingsnota: de kadastrale gegevens van de percelen waarop inrichtingswerken uit kracht van wet worden uitgevoerd met de beschrijving van de uit te voeren werken;
4° als de vestiging van erfdienstbaarheden van openbaar nut als instrument is opgenomen in de inrichtingsnota en die erfdienstbaarheid niet gericht is op de instandhouding van inrichtingswerken uit kracht van wet: de kadastrale gegevens van de percelen waarop erfdienstbaarheden tot openbaar nut worden gevestigd met de beschrijving van de erfdienstbaarheid die wordt gevestigd.
[1 5° als recht van voorkeur als instrument is opgenomen in de inrichtingsnota:
a) de kadastrale gegevens van de percelen waarop het recht van voorkeur van toepassing is;
b) de termijn waarin het recht van voorkeur geldt;
c) de vermelding dat het recht van voorkeur aangeboden moet worden aan de Vlaamse Grondenbank. ]1
De inrichtingsnota treedt in werking veertien dagen na de bekendmaking van het besluit tot vaststelling van de inrichtingsnota.
In afwijking van het derde lid, heeft het recht van voorkoop, vermeld in het tweede lid, 2°, echter uitwerking vanaf het moment, vermeld in artikel 10 van het decreet van 25 mei 2007 houdende de harmonisering van de procedures van voorkooprechten.
§ 3. De Vlaamse initiatiefnemer bezorgt de inrichtingsnota en het besluit tot vaststelling van de inrichtingsnota, voorafgaandelijk aan de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, aan:
1° de instanties en personen die belast zijn met de uitvoering van de inrichtingsnota;
2° de gemeenten en de provincies waarop de inrichtingsnota betrekking heeft;
3° het agentschap.
De inrichtingsnota en het besluit tot vaststelling van de inrichtingsnota kunnen worden ingezien bij elke gemeente waarop de inrichtingsnota betrekking heeft.
Modifications
Art. 4.2.1.6. § 1er. Le Gouvernement flamand établit la note d'aménagement et charge les instances et personnes, visées dans la note d'aménagement, de la mise en oeuvre de la note d'aménagement ou de parties de celle-ci.
§ 2. L'initiateur flamand publie l'arrêté relatif à l'établissement de la note d'aménagement au Moniteur belge dans les soixante jours après l'établissement si l'utilisation d'un ou plusieurs des instruments suivants est rendue possible :
1° le relotissement imposé par force de loi ;
2° le droit de préemption ;
3° les travaux d'aménagement imposés par force de loi ;
4° les servitudes d'utilité publique.
[1 5° le droit de préférence. ]1
L'arrêté établissant la note d'aménagement comprend au moins les données suivantes :
1° lorsque le relotissement par force de loi a été repris comme instrument dans la note d'aménagement : la disposition relative à la durée des conventions de chasse, visées à l'article 2.1.36 du décret du 28 mars 2014, avec mention des données cadastrales des parcelles auxquelles cette disposition s'applique ;
2° lorsque le droit de préemption en tant qu'instrument a été repris dans la note d'aménagement : les données cadastrales des parcelles auxquelles le droit de préemption s'applique, la période pendant laquelle le droit de préemption s'applique et la mention que le droit de préemption doit être offert à la " Vlaamse Grondenbank " ;
3° lorsque des travaux d'aménagement imposés par force de loi ont été repris comme instrument dans la note d'aménagement : les données cadastrales des parcelles sur lesquelles les travaux d'aménagement par force de loi sont mis en oeuvre, avec la description des travaux à mettre en oeuvre ;
4° lorsque l'établissement de servitudes d'utilité publique a été repris comme instrument dans la note d'aménagement et que cette servitude ne vise pas le maintien de travaux d'aménagement par force de loi : les données cadastrales des parcelles sur lesquelles les servitudes d'utilité publique sont établies, avec la description de la servitude qui est établie.
[1 5° lorsque le droit de préférence est repris en tant qu'instrument dans la note d'aménagement :
a) les données cadastrales des parcelles auxquelles s'applique le droit de préférence ;
b) le délai pendant lequel le droit de préférence s'applique ;
c) la mention que le droit de préférence doit être offert à la Banque foncière flamande.]1
La note d'aménagement entre en vigueur quatorze jours après la publication de l'arrêté portant établissement de la note d'aménagement.
Par dérogation à l'alinéa trois, le droit de préemption, visé à l'alinéa deux, 2° produit ses effets à partir du moment, visé à l'article 10 du décret du 25 mai 2007 portant harmonisation des procédures relatives aux droits de préemption.
§ 3. Préalablement à sa publication au Moniteur belge, l'initiateur flamand remet la note d'aménagement et l'arrêté établissant la note d'aménagement :
1° aux instances et aux personnes chargées de la mise en oeuvre de la note d'aménagement ;
2° aux communes et aux provinces faisant l'objet de la note d'aménagement ;
3° à l'agence.
La note d'aménagement et l'arrêté établissant la note d'aménagement peuvent être consultés dans chaque commune faisant l'objet de la note d'aménagement.
§ 2. L'initiateur flamand publie l'arrêté relatif à l'établissement de la note d'aménagement au Moniteur belge dans les soixante jours après l'établissement si l'utilisation d'un ou plusieurs des instruments suivants est rendue possible :
1° le relotissement imposé par force de loi ;
2° le droit de préemption ;
3° les travaux d'aménagement imposés par force de loi ;
4° les servitudes d'utilité publique.
[1 5° le droit de préférence. ]1
L'arrêté établissant la note d'aménagement comprend au moins les données suivantes :
1° lorsque le relotissement par force de loi a été repris comme instrument dans la note d'aménagement : la disposition relative à la durée des conventions de chasse, visées à l'article 2.1.36 du décret du 28 mars 2014, avec mention des données cadastrales des parcelles auxquelles cette disposition s'applique ;
2° lorsque le droit de préemption en tant qu'instrument a été repris dans la note d'aménagement : les données cadastrales des parcelles auxquelles le droit de préemption s'applique, la période pendant laquelle le droit de préemption s'applique et la mention que le droit de préemption doit être offert à la " Vlaamse Grondenbank " ;
3° lorsque des travaux d'aménagement imposés par force de loi ont été repris comme instrument dans la note d'aménagement : les données cadastrales des parcelles sur lesquelles les travaux d'aménagement par force de loi sont mis en oeuvre, avec la description des travaux à mettre en oeuvre ;
4° lorsque l'établissement de servitudes d'utilité publique a été repris comme instrument dans la note d'aménagement et que cette servitude ne vise pas le maintien de travaux d'aménagement par force de loi : les données cadastrales des parcelles sur lesquelles les servitudes d'utilité publique sont établies, avec la description de la servitude qui est établie.
[1 5° lorsque le droit de préférence est repris en tant qu'instrument dans la note d'aménagement :
a) les données cadastrales des parcelles auxquelles s'applique le droit de préférence ;
b) le délai pendant lequel le droit de préférence s'applique ;
c) la mention que le droit de préférence doit être offert à la Banque foncière flamande.]1
La note d'aménagement entre en vigueur quatorze jours après la publication de l'arrêté portant établissement de la note d'aménagement.
Par dérogation à l'alinéa trois, le droit de préemption, visé à l'alinéa deux, 2° produit ses effets à partir du moment, visé à l'article 10 du décret du 25 mai 2007 portant harmonisation des procédures relatives aux droits de préemption.
§ 3. Préalablement à sa publication au Moniteur belge, l'initiateur flamand remet la note d'aménagement et l'arrêté établissant la note d'aménagement :
1° aux instances et aux personnes chargées de la mise en oeuvre de la note d'aménagement ;
2° aux communes et aux provinces faisant l'objet de la note d'aménagement ;
3° à l'agence.
La note d'aménagement et l'arrêté établissant la note d'aménagement peuvent être consultés dans chaque commune faisant l'objet de la note d'aménagement.
Modifications
[1]BVR <2023-07-07/19X-XX-XX/XX, art. 2, 006; En vigueur : 22-09-2023>
Art. 4.2.1.7. In afwijking van artikel 4.2.1.1 tot en met 4.2.1.6 van dit besluit, kan de inrichtingsnota geïntegreerd worden in de besluitvorming van het project, plan of programma als voldaan is aan al de volgende voorwaarden:
1° de inrichtingsnota, vermeld in artikel 4.2.2 van het decreet van 28 maart 2014, vormt een herkenbaar onderdeel in het project, plan of programma;
2° in het kader van de besluitvorming van het project, plan of programma, wordt de inrichtingsnota onderworpen aan een openbaar onderzoek;
3° in het kader van de besluitvorming van het project, plan of programma wordt de inrichtingsnota vastgesteld door de Vlaamse Regering.
Als geen openbaar onderzoek voorzien is in de besluitvorming van het project, plan of programma, kan de Vlaamse Regering de inrichtingsnota, zonder openbaar onderzoek vaststellen als enkel de inzet van de instrumenten uit deel 2, hoofdstuk 4 uit het decreet van 28 maart 2014 wordt mogelijk gemaakt.
1° de inrichtingsnota, vermeld in artikel 4.2.2 van het decreet van 28 maart 2014, vormt een herkenbaar onderdeel in het project, plan of programma;
2° in het kader van de besluitvorming van het project, plan of programma, wordt de inrichtingsnota onderworpen aan een openbaar onderzoek;
3° in het kader van de besluitvorming van het project, plan of programma wordt de inrichtingsnota vastgesteld door de Vlaamse Regering.
Als geen openbaar onderzoek voorzien is in de besluitvorming van het project, plan of programma, kan de Vlaamse Regering de inrichtingsnota, zonder openbaar onderzoek vaststellen als enkel de inzet van de instrumenten uit deel 2, hoofdstuk 4 uit het decreet van 28 maart 2014 wordt mogelijk gemaakt.
Art. 4.2.1.7. Par dérogation aux articles 4.2.1.1 à 4.2.1.6 inclus du présent arrêté, la note d'aménagement peut être intégrée dans la prise de décision relative au projet, plan ou programme, lorsqu'il a été satisfait à toutes les conditions suivantes :
1° la note d'aménagement, visée à l'article 4.2.2 du décret du 28 mars 2014, constitue une partie identifiable dans le projet, plan ou programme ;
2° la note d'aménagement est soumise à une enquête publique dans le cadre de la prise de décision relative au projet, plan ou programme ;
3° la note d'aménagement est établie par le Gouvernement flamand dans le cadre de la prise de décision relative au projet, plan ou programme.
Si une enquête publique n'est pas prévue dans la prise de décision relative au projet, plan ou programme, le Gouvernement flamand peut établir la note d'aménagement sans enquête publique lorsque uniquement l'utilisation des instruments de la partie 2, chapitre 4 du décret du 28 mars 2014 est rendue possible.
1° la note d'aménagement, visée à l'article 4.2.2 du décret du 28 mars 2014, constitue une partie identifiable dans le projet, plan ou programme ;
2° la note d'aménagement est soumise à une enquête publique dans le cadre de la prise de décision relative au projet, plan ou programme ;
3° la note d'aménagement est établie par le Gouvernement flamand dans le cadre de la prise de décision relative au projet, plan ou programme.
Si une enquête publique n'est pas prévue dans la prise de décision relative au projet, plan ou programme, le Gouvernement flamand peut établir la note d'aménagement sans enquête publique lorsque uniquement l'utilisation des instruments de la partie 2, chapitre 4 du décret du 28 mars 2014 est rendue possible.
Art. 4.2.1.8. De Vlaamse Regering stelt de voltooiing van de inrichtingsnota vast als de inzet van de volgende instrumenten werd mogelijk gemaakt:
1° de vrijwillige bedrijfsverplaatsing;
2° de vrijwillige bedrijfsstopzetting;
3° de vrijwillige bedrijfsreconversie;
4° de koopplicht.
Het besluit tot vaststelling van de voltooiing van de inrichtingsnota wordt door de initiatiefnemer bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
1° de vrijwillige bedrijfsverplaatsing;
2° de vrijwillige bedrijfsstopzetting;
3° de vrijwillige bedrijfsreconversie;
4° de koopplicht.
Het besluit tot vaststelling van de voltooiing van de inrichtingsnota wordt door de initiatiefnemer bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Art. 4.2.1.8. Le Gouvernement flamand établit l'achèvement de la note d'aménagement lorsque l'utilisation des instruments suivants a été rendue possible :
1° la délocalisation volontaire de l'exploitation ;
2° la cessation volontaire de l'exploitation ;
3° la reconversion volontaire de l'exploitation ;
4° l'obligation d'acquisition.
L'initiateur publie l'arrêté établissant l'achèvement de la note d'aménagement au Moniteur belge.
1° la délocalisation volontaire de l'exploitation ;
2° la cessation volontaire de l'exploitation ;
3° la reconversion volontaire de l'exploitation ;
4° l'obligation d'acquisition.
L'initiateur publie l'arrêté établissant l'achèvement de la note d'aménagement au Moniteur belge.
Afdeling 2. - Inrichtingsnota's bij projecten, plannen en programma's goedgekeurd door het provinciebestuur
Section 2. - Notes d'aménagement accompagnant des projets, plans et programmes approuvés par l'administration provinciale
Art. 4.2.2.1. Als het een project, plan of programma betreft dat wordt goedgekeurd door het provinciebestuur dan wordt de inrichtingsnota opgemaakt door de deputatie in overleg met het agentschap. Het agentschap ondersteunt de deputatie bij de instrumentenafweging, zoals bedoeld in artikel 1.1.1.2. § 1 van dit besluit.
Op verzoek van de deputatie kan het agentschap de inrichtingsnota opmaken.
Op verzoek van de deputatie kan het agentschap de inrichtingsnota opmaken.
Art. 4.2.2.1. Lorsqu'il s'agit d'un projet, plan ou programme approuvés par l'administration provinciale, la note d'aménagement est élaborée par la députation en concertation avec l'agence. L'agence soutient la députation lors de la pondération d'instruments, visée à l'article 1.1.1.2. § 1er du présent arrêté.
L'agence peut élaborer la note d'aménagement à la demande de la députation.
L'agence peut élaborer la note d'aménagement à la demande de la députation.
Art. 4.2.2.2. De ontwerp inrichtingsnota wordt door de deputatie bezorgd aan het college van burgemeester en schepenen van elke gemeente waarop de ontwerp inrichtingsnota betrekking heeft.
Het college van burgemeester en schepenen organiseert het openbaar onderzoek over de ontwerp inrichtingsnota.
De ontwerp inrichtingsnota wordt gedurende dertig dagen ter inzage gelegd in het gemeentehuis. Gedurende die termijn kan eenieder zijn opmerkingen en bezwaren over de ontwerp inrichtingsnota indienen bij het college van burgemeester en schepenen of bij een door hem aangewezen personeelslid.
Binnen een termijn van drie maanden nadat het college van burgemeester en schepenen de ontwerp inrichtingsnota heeft ontvangen, bezorgt het college de opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek, aan de deputatie.
De deputatie kan op basis van de opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek, de ontwerp inrichtingsnota aanpassen.
Het college van burgemeester en schepenen organiseert het openbaar onderzoek over de ontwerp inrichtingsnota.
De ontwerp inrichtingsnota wordt gedurende dertig dagen ter inzage gelegd in het gemeentehuis. Gedurende die termijn kan eenieder zijn opmerkingen en bezwaren over de ontwerp inrichtingsnota indienen bij het college van burgemeester en schepenen of bij een door hem aangewezen personeelslid.
Binnen een termijn van drie maanden nadat het college van burgemeester en schepenen de ontwerp inrichtingsnota heeft ontvangen, bezorgt het college de opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek, aan de deputatie.
De deputatie kan op basis van de opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek, de ontwerp inrichtingsnota aanpassen.
Art. 4.2.2.2. La députation remet le projet de note d'aménagement au collège des bourgmestre et échevins de chaque commune faisant l'objet du projet de note d'aménagement.
Le collège des bourgmestre et échevins organise l'enquête publique relative au projet de note d'aménagement.
Le projet de note d'aménagement peut être consulté dans la maison communale pendant trente jours. Au cours de cette période, tout un chacun peut soumettre ses remarques et réclamations relatives au projet de note d'aménagement auprès du collège des bourgmestre et échevins ou auprès d'un membre du personnel désigné par lui.
Le collège des bourgmestre et échevins remet les remarques et réclamations qui ont été introduites pendant l'enquête publique, à la députation, dans un délai de trois mois après qu'il a reçu le projet de note d'aménagement.
La députation peut ajuster le projet de note d'aménagement sur la base des remarques et réclamations qui ont été introduites pendant l'enquête publique.
Le collège des bourgmestre et échevins organise l'enquête publique relative au projet de note d'aménagement.
Le projet de note d'aménagement peut être consulté dans la maison communale pendant trente jours. Au cours de cette période, tout un chacun peut soumettre ses remarques et réclamations relatives au projet de note d'aménagement auprès du collège des bourgmestre et échevins ou auprès d'un membre du personnel désigné par lui.
Le collège des bourgmestre et échevins remet les remarques et réclamations qui ont été introduites pendant l'enquête publique, à la députation, dans un délai de trois mois après qu'il a reçu le projet de note d'aménagement.
La députation peut ajuster le projet de note d'aménagement sur la base des remarques et réclamations qui ont été introduites pendant l'enquête publique.
Art. 4.2.2.3. § 1. Het college van burgemeester en schepenen van elke gemeente waarop de ontwerp inrichtingsnota betrekking heeft, kan advies verlenen aan de deputatie over de ontwerp inrichtingsnota.
Het advies wordt gegeven binnen een termijn van drie maanden nadat het college van burgemeester en schepenen de ontwerp inrichtingsnota heeft ontvangen. Als binnen die termijn geen advies is verleend, dan kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
§ 2. De deputatie kan op basis van de adviezen, vermeld in paragraaf 1, de ontwerp inrichtingsnota aanpassen.
Het advies wordt gegeven binnen een termijn van drie maanden nadat het college van burgemeester en schepenen de ontwerp inrichtingsnota heeft ontvangen. Als binnen die termijn geen advies is verleend, dan kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
§ 2. De deputatie kan op basis van de adviezen, vermeld in paragraaf 1, de ontwerp inrichtingsnota aanpassen.
Art. 4.2.2.3. § 1er. Le collège des bourgmestre et échevins de chaque commune faisant l'objet du projet de note d'aménagement, peut conseiller la députation sur le projet de note d'aménagement.
L'avis est donné dans un délai de trois mois après que le collège des bourgmestre et échevins a reçu le projet de note d'aménagement. Faute d'avis dans ce délai, il peut être passé outre à la formalité d'avis.
§ 2. La députation peut ajuster le projet de note d'aménagement sur la base des avis, visés au paragraphe 1er.
L'avis est donné dans un délai de trois mois après que le collège des bourgmestre et échevins a reçu le projet de note d'aménagement. Faute d'avis dans ce délai, il peut être passé outre à la formalité d'avis.
§ 2. La députation peut ajuster le projet de note d'aménagement sur la base des avis, visés au paragraphe 1er.
Art. 4.2.2.4. De deputatie bezorgt de volgende stukken aan het agentschap:
1° de ontwerp inrichtingsnota die is aangepast op basis van de opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek, vermeld in artikel 4.2.2.2, of op basis van het advies, vermeld in artikel 4.2.2.3;
2° de opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek, vermeld in artikel 4.2.2.2, en de mate waarin de deputatie rekening heeft gehouden met die opmerkingen en bezwaren;
3° in voorkomend geval de adviezen, vermeld in artikel 4.2.2.3, en de mate waarin de deputatie rekening heeft gehouden met die adviezen;
4° in voorkomend geval de instemming van de instanties en de personen, vermeld in artikel 3.3.8 en 3.3.9 van het decreet van 28 maart 2014, die belast zijn met de uitvoering van de inrichtingsnota of gedeelten ervan.
Het agentschap keurt, binnen een maand na ontvangst van de ontwerp inrichtingsnota, de ontwerp inrichtingsnota al dan niet goed op basis van een beoordeling van de inrichtingsnota op volledigheid, correctheid en financieel sluitendheid. De termijn van een maand kan met een maand verlengd worden als blijkt dat de stukken, vermeld in het eerste lid, niet volledig zijn. Het agentschap brengt de deputatie op de hoogte van zijn beslissing. Als binnen de termijn geen goedkeuring werd verleend, wordt de inrichtingsnota geacht goedgekeurd te zijn.
1° de ontwerp inrichtingsnota die is aangepast op basis van de opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek, vermeld in artikel 4.2.2.2, of op basis van het advies, vermeld in artikel 4.2.2.3;
2° de opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek, vermeld in artikel 4.2.2.2, en de mate waarin de deputatie rekening heeft gehouden met die opmerkingen en bezwaren;
3° in voorkomend geval de adviezen, vermeld in artikel 4.2.2.3, en de mate waarin de deputatie rekening heeft gehouden met die adviezen;
4° in voorkomend geval de instemming van de instanties en de personen, vermeld in artikel 3.3.8 en 3.3.9 van het decreet van 28 maart 2014, die belast zijn met de uitvoering van de inrichtingsnota of gedeelten ervan.
Het agentschap keurt, binnen een maand na ontvangst van de ontwerp inrichtingsnota, de ontwerp inrichtingsnota al dan niet goed op basis van een beoordeling van de inrichtingsnota op volledigheid, correctheid en financieel sluitendheid. De termijn van een maand kan met een maand verlengd worden als blijkt dat de stukken, vermeld in het eerste lid, niet volledig zijn. Het agentschap brengt de deputatie op de hoogte van zijn beslissing. Als binnen de termijn geen goedkeuring werd verleend, wordt de inrichtingsnota geacht goedgekeurd te zijn.
Art. 4.2.2.4. La députation remet les pièces suivantes à l'agence :
1° le projet de note d'aménagement qui a été ajusté sur la base des remarques et réclamations introduites pendant l'enquête publique, visée à l'article 4.2.2.2, ou sur la base de l'avis, visé à l'article 4.2.2.3 ;
2° les remarques et réclamations qui ont été introduites au cours de l'enquête publique, visée à l'article 4.2.2.2 et la mesure dans laquelle la députation a tenu compte de ces remarques et réclamations ;
3° le cas échéant, les avis, visés à l'article 4.2.2.3 et la mesure dans laquelle la députation a tenu compte de ces avis ;
4° le cas échéant, l'assentiment des instances et personnes, visées aux articles 3.3.8 et 3.3.9 du décret du 28 mars 2014, chargées de la mise en oeuvre de la note d'aménagement ou de parties de celle-ci.
Dans un mois de la réception du projet de note d'aménagement, l'agence l'approuve ou la désapprouve sur la base d'une évaluation de la note d'aménagement pour ce qui est de l'exhaustivité, de la correction et de l'équilibre financier. Le délai d'un mois peut être prolongé d'un mois s'il s'avère que les pièces, visées dans l'alinéa premier, ne sont pas complètes. L'agence informe la députation de sa décision. A défaut d'une approbation dans ce délai, la note d'aménagement est censée être approuvée.
1° le projet de note d'aménagement qui a été ajusté sur la base des remarques et réclamations introduites pendant l'enquête publique, visée à l'article 4.2.2.2, ou sur la base de l'avis, visé à l'article 4.2.2.3 ;
2° les remarques et réclamations qui ont été introduites au cours de l'enquête publique, visée à l'article 4.2.2.2 et la mesure dans laquelle la députation a tenu compte de ces remarques et réclamations ;
3° le cas échéant, les avis, visés à l'article 4.2.2.3 et la mesure dans laquelle la députation a tenu compte de ces avis ;
4° le cas échéant, l'assentiment des instances et personnes, visées aux articles 3.3.8 et 3.3.9 du décret du 28 mars 2014, chargées de la mise en oeuvre de la note d'aménagement ou de parties de celle-ci.
Dans un mois de la réception du projet de note d'aménagement, l'agence l'approuve ou la désapprouve sur la base d'une évaluation de la note d'aménagement pour ce qui est de l'exhaustivité, de la correction et de l'équilibre financier. Le délai d'un mois peut être prolongé d'un mois s'il s'avère que les pièces, visées dans l'alinéa premier, ne sont pas complètes. L'agence informe la députation de sa décision. A défaut d'une approbation dans ce délai, la note d'aménagement est censée être approuvée.
Art. 4.2.2.5. Als de door het agentschap goedgekeurde ontwerp inrichtingsnota in de toepassing voorziet van de instrumenten, vermeld in artikel 4.1.1, tweede lid, van het decreet van 28 maart 2014, bezorgt het agentschap de ontwerp inrichtingsnota aan de Vlaamse Regering. [1 ...]1
Het agentschap brengt de deputatie op de hoogte van de beslissing van de Vlaamse Regering.
Het agentschap brengt de deputatie op de hoogte van de beslissing van de Vlaamse Regering.
Modifications
Art. 4.2.2.5. Lorsque le projet de note d'aménagement qui a été approuvé par l'agence, prévoit l'application des instruments, visés à l'article 4.1.1, alinéa deux du décret du 28 mars 2014, l'agence remet le projet de note d'aménagement au Gouvernement flamand. [1 ...]1.
L'agence informe la députation de la décision du Gouvernement flamand.
L'agence informe la députation de la décision du Gouvernement flamand.
Modifications
Art. 4.2.2.6. § 1. Na de goedkeuring van de ontwerp inrichtingsnota door het agentschap [1 ...]1 Het besluit tot vaststelling van de inrichtingsnota wordt door de provincieraad bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad binnen zestig dagen na de vaststelling als een of meer van de volgende instrumenten mogelijk worden gemaakt:
1° de herverkaveling uit kracht van wet;
2° het recht van voorkoop;
3° de inrichtingswerken uit kracht van wet;
4° de erfdienstbaarheden tot openbaar nut.
Het besluit tot vaststelling van de inrichtingsnota bevat ten minste de volgende gegevens:
1° als herverkaveling uit kracht van wet als instrument is opgenomen in de inrichtingsnota: de bepaling over de duur van jachtovereenkomsten, vermeld in artikel 2.1.36 van het decreet van 28 maart 2014, met aanduiding van de kadastrale gegevens van de percelen waar die bepaling geldt;
2° als recht van voorkoop als instrument is opgenomen in de inrichtingsnota: de kadastrale gegevens van de percelen waarop het recht van voorkoop van toepassing is, de termijn waarin het recht van voorkoop geldt en de vermelding dat het recht van voorkoop aangeboden moet worden aan de Vlaamse Grondenbank;
3° als inrichtingswerken uit kracht van wet als instrument zijn opgenomen in de inrichtingsnota: de kadastrale gegevens van de percelen waarop inrichtingswerken uit kracht van wet worden uitgevoerd, met de beschrijving van de uit te voeren werken;
4° als de vestiging van erfdienstbaarheden van openbaar nut als instrument is opgenomen in de inrichtingsnota en die erfdienstbaarheid niet gericht is op de instandhouding van inrichtingswerken uit kracht van wet: de kadastrale gegevens van de percelen waarop erfdienstbaarheden tot openbaar nut worden gevestigd met de beschrijving van de erfdienstbaarheid die wordt gevestigd.
De inrichtingsnota treedt in werking veertien dagen na de bekendmaking van het besluit tot vaststelling van de inrichtingsnota.
In afwijking van het derde lid heeft het recht van voorkoop, vermeld in het tweede lid, 2°, echter uitwerking vanaf het moment, vermeld in artikel 10 van het decreet van 25 mei 2007 houdende de harmonisering van de procedures van voorkooprechten.
§ 3. De provincieraad bezorgt de inrichtingsnota en het besluit tot vaststelling van de inrichtingsnota, voorafgaandelijk aan de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, aan:
1° de instanties en de personen die belast zijn met de uitvoering van de inrichtingsnota;
2° de gemeenten waarop de inrichtingsnota betrekking heeft;
3° het agentschap.
De inrichtingsnota en het besluit tot vaststelling van de inrichtingsnota kunnen worden ingezien bij elke gemeente waarop de inrichtingsnota betrekking heeft.
1° de herverkaveling uit kracht van wet;
2° het recht van voorkoop;
3° de inrichtingswerken uit kracht van wet;
4° de erfdienstbaarheden tot openbaar nut.
Het besluit tot vaststelling van de inrichtingsnota bevat ten minste de volgende gegevens:
1° als herverkaveling uit kracht van wet als instrument is opgenomen in de inrichtingsnota: de bepaling over de duur van jachtovereenkomsten, vermeld in artikel 2.1.36 van het decreet van 28 maart 2014, met aanduiding van de kadastrale gegevens van de percelen waar die bepaling geldt;
2° als recht van voorkoop als instrument is opgenomen in de inrichtingsnota: de kadastrale gegevens van de percelen waarop het recht van voorkoop van toepassing is, de termijn waarin het recht van voorkoop geldt en de vermelding dat het recht van voorkoop aangeboden moet worden aan de Vlaamse Grondenbank;
3° als inrichtingswerken uit kracht van wet als instrument zijn opgenomen in de inrichtingsnota: de kadastrale gegevens van de percelen waarop inrichtingswerken uit kracht van wet worden uitgevoerd, met de beschrijving van de uit te voeren werken;
4° als de vestiging van erfdienstbaarheden van openbaar nut als instrument is opgenomen in de inrichtingsnota en die erfdienstbaarheid niet gericht is op de instandhouding van inrichtingswerken uit kracht van wet: de kadastrale gegevens van de percelen waarop erfdienstbaarheden tot openbaar nut worden gevestigd met de beschrijving van de erfdienstbaarheid die wordt gevestigd.
De inrichtingsnota treedt in werking veertien dagen na de bekendmaking van het besluit tot vaststelling van de inrichtingsnota.
In afwijking van het derde lid heeft het recht van voorkoop, vermeld in het tweede lid, 2°, echter uitwerking vanaf het moment, vermeld in artikel 10 van het decreet van 25 mei 2007 houdende de harmonisering van de procedures van voorkooprechten.
§ 3. De provincieraad bezorgt de inrichtingsnota en het besluit tot vaststelling van de inrichtingsnota, voorafgaandelijk aan de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, aan:
1° de instanties en de personen die belast zijn met de uitvoering van de inrichtingsnota;
2° de gemeenten waarop de inrichtingsnota betrekking heeft;
3° het agentschap.
De inrichtingsnota en het besluit tot vaststelling van de inrichtingsnota kunnen worden ingezien bij elke gemeente waarop de inrichtingsnota betrekking heeft.
Modifications
Art. 4.2.2.6. § 1er. Après l'approbation du projet de note d'aménagement par l'agence [1 ...]1, le conseil provincial établit la note d'aménagement.
§ 2. Le conseil provincial publie l'arrêté relatif à l'établissement de la note d'aménagement au Moniteur belge dans les soixante jours après l'établissement si l'utilisation d'un ou plusieurs des instruments suivants est rendue possible :
1° le relotissement imposé par force de loi ;
2° le droit de préemption ;
3° les travaux d'aménagement imposés par force de loi ;
4° les servitudes d'utilité publique.
L'arrêté établissant la note d'aménagement comprend au moins les données suivantes :
1° lorsque le relotissement par force de loi a été repris comme instrument dans la note d'aménagement : la disposition relative à la durée des conventions de chasse, visées à l'article 2.1.36 du décret du 28 mars 2014, avec mention des données cadastrales des parcelles auxquelles cette disposition s'applique ;
2° lorsque le droit de préemption en tant qu'instrument a été repris dans la note d'aménagement : les données cadastrales des parcelles auxquelles le droit de préemption s'applique, la période pendant laquelle le droit de préemption s'applique et la mention que le droit de préemption doit être offert à la " Vlaamse Grondenbank " ;
3° lorsque des travaux d'aménagement imposés par force de loi ont été repris comme instrument dans la note d'aménagement : les données cadastrales des parcelles sur lesquelles les travaux d'aménagement imposés par force de loi sont mis en oeuvre, avec la description des travaux à mettre en oeuvre ;
4° lorsque l'établissement de servitudes d'utilité publique a été repris comme instrument dans la note d'aménagement et que cette servitude ne vise pas le maintien de travaux d'aménagement imposés par force de loi : les données cadastrales des parcelles sur lesquelles les servitudes d'utilité publique sont établies, avec la description de la servitude qui est établie.La note d'aménagement entre en vigueur quatorze jours après la publication de l'arrêté portant établissement de la note d'aménagement.
Par dérogation à l'alinéa trois, le droit de préemption, visé à l'alinéa deux, 2° produit ses effets à partir du moment, visé à l'article 10 du décret du 25 mai 2007 portant harmonisation des procédures relatives aux droits de préemption.
§ 3. Préalablement à sa publication au Moniteur belge, le conseil provincial remet la note d'aménagement et l'arrêté établissant la note d'aménagement :
1° aux instances et aux personnes chargées de la mise en oeuvre de la note d'aménagement ;
2° aux communes faisant l'objet de la note d'aménagement ;
3° à l'agence.
La note d'aménagement et l'arrêté établissant la note d'aménagement peuvent être consultés dans chaque commune faisant l'objet de la note d'aménagement.
§ 2. Le conseil provincial publie l'arrêté relatif à l'établissement de la note d'aménagement au Moniteur belge dans les soixante jours après l'établissement si l'utilisation d'un ou plusieurs des instruments suivants est rendue possible :
1° le relotissement imposé par force de loi ;
2° le droit de préemption ;
3° les travaux d'aménagement imposés par force de loi ;
4° les servitudes d'utilité publique.
L'arrêté établissant la note d'aménagement comprend au moins les données suivantes :
1° lorsque le relotissement par force de loi a été repris comme instrument dans la note d'aménagement : la disposition relative à la durée des conventions de chasse, visées à l'article 2.1.36 du décret du 28 mars 2014, avec mention des données cadastrales des parcelles auxquelles cette disposition s'applique ;
2° lorsque le droit de préemption en tant qu'instrument a été repris dans la note d'aménagement : les données cadastrales des parcelles auxquelles le droit de préemption s'applique, la période pendant laquelle le droit de préemption s'applique et la mention que le droit de préemption doit être offert à la " Vlaamse Grondenbank " ;
3° lorsque des travaux d'aménagement imposés par force de loi ont été repris comme instrument dans la note d'aménagement : les données cadastrales des parcelles sur lesquelles les travaux d'aménagement imposés par force de loi sont mis en oeuvre, avec la description des travaux à mettre en oeuvre ;
4° lorsque l'établissement de servitudes d'utilité publique a été repris comme instrument dans la note d'aménagement et que cette servitude ne vise pas le maintien de travaux d'aménagement imposés par force de loi : les données cadastrales des parcelles sur lesquelles les servitudes d'utilité publique sont établies, avec la description de la servitude qui est établie.La note d'aménagement entre en vigueur quatorze jours après la publication de l'arrêté portant établissement de la note d'aménagement.
Par dérogation à l'alinéa trois, le droit de préemption, visé à l'alinéa deux, 2° produit ses effets à partir du moment, visé à l'article 10 du décret du 25 mai 2007 portant harmonisation des procédures relatives aux droits de préemption.
§ 3. Préalablement à sa publication au Moniteur belge, le conseil provincial remet la note d'aménagement et l'arrêté établissant la note d'aménagement :
1° aux instances et aux personnes chargées de la mise en oeuvre de la note d'aménagement ;
2° aux communes faisant l'objet de la note d'aménagement ;
3° à l'agence.
La note d'aménagement et l'arrêté établissant la note d'aménagement peuvent être consultés dans chaque commune faisant l'objet de la note d'aménagement.
Modifications
Art. 4.2.2.7. In afwijking van artikel 4.2.2.1 tot en met 4.2.2.6 kan de inrichtingsnota geïntegreerd worden in de besluitvorming van het project, plan of programma als voldaan is aan al de volgende voorwaarden:
1° de inrichtingsnota, vermeld in artikel 4.2.2 van het decreet van 28 maart 2014, vormt een herkenbaar onderdeel in het project, plan of programma;
2° in het kader van de besluitvorming van het project, plan of programma, wordt de inrichtingsnota onderworpen aan een openbaar onderzoek;
3° in het kader van de besluitvorming van het project, plan of programma wordt de inrichtingsnota vastgesteld door de provincieraad nadat het agentschap de inrichtingsnota heeft goedgekeurd [1 ...]1
1° de inrichtingsnota, vermeld in artikel 4.2.2 van het decreet van 28 maart 2014, vormt een herkenbaar onderdeel in het project, plan of programma;
2° in het kader van de besluitvorming van het project, plan of programma, wordt de inrichtingsnota onderworpen aan een openbaar onderzoek;
3° in het kader van de besluitvorming van het project, plan of programma wordt de inrichtingsnota vastgesteld door de provincieraad nadat het agentschap de inrichtingsnota heeft goedgekeurd [1 ...]1
Modifications
Art. 4.2.2.7. Par dérogation aux articles 4.2.2.1 à 4.2.2.6 inclus, la note d'aménagement peut être intégrée dans la prise de décision relative au projet, plan ou programme, lorsqu'il a été satisfait à toutes les conditions suivantes :
1° la note d'aménagement, visée à l'article 4.2.2 du décret du 28 mars 2014, constitue une partie identifiable dans le projet, plan ou programme ;
2° la note d'aménagement est soumise à une enquête publique dans le cadre de la prise de décision relative au projet, plan ou programme ;
3° le conseil provincial établit la note d'aménagement dans le cadre de la prise de décision autour du projet, plan ou programme après que l'agence a approuvé la note d'aménagement [1 ...]1.
1° la note d'aménagement, visée à l'article 4.2.2 du décret du 28 mars 2014, constitue une partie identifiable dans le projet, plan ou programme ;
2° la note d'aménagement est soumise à une enquête publique dans le cadre de la prise de décision relative au projet, plan ou programme ;
3° le conseil provincial établit la note d'aménagement dans le cadre de la prise de décision autour du projet, plan ou programme après que l'agence a approuvé la note d'aménagement [1 ...]1.
Modifications
Art. 4.2.2.8. De provincieraad stelt de voltooiing van de inrichtingsnota vast als de inzet van de volgende instrumenten werd mogelijk gemaakt:
1° de vrijwillige bedrijfsverplaatsing;
2° de vrijwillige bedrijfsstopzetting;
3° de vrijwillige bedrijfsreconversie;
4° de koopplicht.
Het besluit tot vaststelling van de voltooiing van de inrichtingsnota wordt door de provincieraad bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
1° de vrijwillige bedrijfsverplaatsing;
2° de vrijwillige bedrijfsstopzetting;
3° de vrijwillige bedrijfsreconversie;
4° de koopplicht.
Het besluit tot vaststelling van de voltooiing van de inrichtingsnota wordt door de provincieraad bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Art. 4.2.2.8. Le conseil provincial établit l'achèvement de la note d'aménagement lorsque l'utilisation des instruments suivants a été rendue possible :
1° la délocalisation volontaire de l'exploitation ;
2° la cessation volontaire de l'exploitation ;
3° la reconversion volontaire de l'exploitation ;
4° l'obligation d'acquisition.
Le conseil provincial publie l'arrêté établissant l'achèvement de la note d'aménagement au Moniteur belge.
1° la délocalisation volontaire de l'exploitation ;
2° la cessation volontaire de l'exploitation ;
3° la reconversion volontaire de l'exploitation ;
4° l'obligation d'acquisition.
Le conseil provincial publie l'arrêté établissant l'achèvement de la note d'aménagement au Moniteur belge.
Afdeling 3. - Inrichtingsnota's bij projecten, plannen en programma's goedgekeurd door het gemeentebestuur
Section 3. - Notes d'aménagement accompagnant des projets, plans et programmes approuvés par l'administration communale
Art. 4.2.3.1. Als het een project, plan of programma betreft dat wordt goedgekeurd door het gemeentebestuur dan wordt de inrichtingsnota opgemaakt door het college van burgemeester en schepenen in overleg met het agentschap. Het agentschap ondersteunt het college van burgemeester en schepenen bij de instrumentenafweging, zoals bedoeld in artikel 1.1.1.2. § 1 van dit besluit.
Op verzoek van het college van burgemeester en schepenen kan het agentschap de inrichtingsnota opmaken.
Op verzoek van het college van burgemeester en schepenen kan het agentschap de inrichtingsnota opmaken.
Art. 4.2.3.1. Lorsqu'il s'agit d'un projet, plan ou programme approuvés par l'administration communale, la note d'aménagement est élaborée par le collège des bourgmestre et échevins en concertation avec l'agence. L'agence soutient le collège des bourgmestre et échevins lors de la pondération d'instruments, visée à l'article 1.1.1.2., § 1er du présent arrêté.
L'agence peut rédiger la note d'aménagement à la demande du collège des bourgmestre et échevins.
L'agence peut rédiger la note d'aménagement à la demande du collège des bourgmestre et échevins.
Art. 4.2.3.2. De ontwerp inrichtingsnota wordt door het college van burgemeester en schepenen bezorgd aan de deputatie van de provincie waarop de ontwerp inrichtingsnota betrekking heeft.
Het college van burgemeester en schepenen organiseert het openbaar onderzoek over de ontwerp inrichtingsnota.
De ontwerp inrichtingsnota wordt gedurende dertig dagen ter inzage gelegd in het gemeentehuis. Gedurende die termijn kan eenieder zijn opmerkingen en bezwaren over de ontwerp inrichtingsnota indienen bij het college van burgemeester en schepenen of bij een door hem aangewezen gemeentelijke personeelslid.
Het college van burgemeester en schepenen kan op basis van de opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek de ontwerp inrichtingsnota aanpassen.
Het college van burgemeester en schepenen organiseert het openbaar onderzoek over de ontwerp inrichtingsnota.
De ontwerp inrichtingsnota wordt gedurende dertig dagen ter inzage gelegd in het gemeentehuis. Gedurende die termijn kan eenieder zijn opmerkingen en bezwaren over de ontwerp inrichtingsnota indienen bij het college van burgemeester en schepenen of bij een door hem aangewezen gemeentelijke personeelslid.
Het college van burgemeester en schepenen kan op basis van de opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek de ontwerp inrichtingsnota aanpassen.
Art. 4.2.3.2. Le collège des bourgmestre et échevins remet le projet de note d'aménagement à la députation de la province faisant l'objet du projet de note d'aménagement.
Le collège des bourgmestre et échevins organise l'enquête publique relative au projet de note d'aménagement.
Le projet de note d'aménagement peut être consulté dans la maison communale pendant trente jours. Au cours de cette période, tout un chacun peut soumettre ses remarques et réclamations relatives au projet de note d'aménagement auprès du collège des bourgmestre et échevins ou auprès d'un membre du personnel communal désigné par lui.
Le collège des bourgmestre et échevins peut ajuster le projet de note d'aménagement sur la base des remarques et réclamations qui ont été introduites pendant l'enquête publique.
Le collège des bourgmestre et échevins organise l'enquête publique relative au projet de note d'aménagement.
Le projet de note d'aménagement peut être consulté dans la maison communale pendant trente jours. Au cours de cette période, tout un chacun peut soumettre ses remarques et réclamations relatives au projet de note d'aménagement auprès du collège des bourgmestre et échevins ou auprès d'un membre du personnel communal désigné par lui.
Le collège des bourgmestre et échevins peut ajuster le projet de note d'aménagement sur la base des remarques et réclamations qui ont été introduites pendant l'enquête publique.
Art. 4.2.3.3. De deputatie van de provincie waarop de ontwerp inrichtingsnota betrekking heeft, kan advies verlenen aan het college van burgemeester en schepenen over de ontwerp inrichtingsnota.
Het advies wordt gegeven binnen een termijn van drie maanden nadat de deputatie de ontwerp inrichtingsnota heeft ontvangen. Als binnen die termijn geen advies is verleend, dan kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
Het college van burgemeester en schepenen kan op basis van het advies van de deputatie de ontwerp inrichtingsnota aanpassen.
Het advies wordt gegeven binnen een termijn van drie maanden nadat de deputatie de ontwerp inrichtingsnota heeft ontvangen. Als binnen die termijn geen advies is verleend, dan kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
Het college van burgemeester en schepenen kan op basis van het advies van de deputatie de ontwerp inrichtingsnota aanpassen.
Art. 4.2.3.3. La députation de la province faisant l'objet du projet de note d'aménagement peut conseiller le collège des bourgmestre et échevins sur le projet de note d'aménagement.
L'avis est donné dans un délai de trois mois après que la députation a reçu le projet de note d'aménagement. Faute d'avis dans ce délai, il peut être passé outre à la formalité d'avis.
Le collège des bourgmestre et échevins peut ajuster le projet de note d'aménagement sur la base de l'avis de la députation.
L'avis est donné dans un délai de trois mois après que la députation a reçu le projet de note d'aménagement. Faute d'avis dans ce délai, il peut être passé outre à la formalité d'avis.
Le collège des bourgmestre et échevins peut ajuster le projet de note d'aménagement sur la base de l'avis de la députation.
Art. 4.2.3.4. Het college van burgemeester en schepenen bezorgt de volgende stukken aan het agentschap:
1° de ontwerp inrichtingsnota die is aangepast op basis van de opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek, vermeld in artikel 4.2.3.2, of op basis van het advies, vermeld in artikel 4.2.3.3;
2° de opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek, vermeld in artikel 4.2.3.2, en de mate waarin het college van burgemeester en schepenen rekening heeft gehouden met die opmerkingen en bezwaren;
3° in voorkomend geval de adviezen, vermeld in artikel 4.2.3.3, en de mate waarin het college van burgemeester en schepenen rekening heeft gehouden met die adviezen;
4° in voorkomend geval de instemming van de instanties en de personen, vermeld in artikel 3.3.8 en 3.3.9 van het decreet van 28 maart 2014, die belast worden met de uitvoering van de inrichtingsnota of gedeelten ervan.
Het agentschap keurt, binnen een maand na ontvangst van de ontwerp inrichtingsnota, de ontwerp inrichtingsnota al dan niet goed op basis van een beoordeling van de inrichtingsnota op volledigheid, correctheid en financieel sluitendheid. De termijn van een maand kan met een maand verlengd worden als blijkt dat de stukken, vermeld in het eerste lid, niet volledig zijn. Het agentschap brengt het college van burgemeester en schepenen op de hoogte van zijn beslissing. Als binnen de termijn geen goedkeuring werd verleend, wordt de inrichtingsnota geacht goedgekeurd te zijn.
1° de ontwerp inrichtingsnota die is aangepast op basis van de opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek, vermeld in artikel 4.2.3.2, of op basis van het advies, vermeld in artikel 4.2.3.3;
2° de opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek, vermeld in artikel 4.2.3.2, en de mate waarin het college van burgemeester en schepenen rekening heeft gehouden met die opmerkingen en bezwaren;
3° in voorkomend geval de adviezen, vermeld in artikel 4.2.3.3, en de mate waarin het college van burgemeester en schepenen rekening heeft gehouden met die adviezen;
4° in voorkomend geval de instemming van de instanties en de personen, vermeld in artikel 3.3.8 en 3.3.9 van het decreet van 28 maart 2014, die belast worden met de uitvoering van de inrichtingsnota of gedeelten ervan.
Het agentschap keurt, binnen een maand na ontvangst van de ontwerp inrichtingsnota, de ontwerp inrichtingsnota al dan niet goed op basis van een beoordeling van de inrichtingsnota op volledigheid, correctheid en financieel sluitendheid. De termijn van een maand kan met een maand verlengd worden als blijkt dat de stukken, vermeld in het eerste lid, niet volledig zijn. Het agentschap brengt het college van burgemeester en schepenen op de hoogte van zijn beslissing. Als binnen de termijn geen goedkeuring werd verleend, wordt de inrichtingsnota geacht goedgekeurd te zijn.
Art. 4.2.3.4. Le collège des bourgmestre et échevins remet les pièces suivantes à l'agence :
1° le projet de note d'aménagement qui a été ajusté sur la base des remarques et réclamations introduites pendant l'enquête publique, visée à l'article 4.2.3.2, ou sur la base de l'avis, visé à l'article 4.2.3.3 ;
2° les remarques et réclamations qui ont été introduites au cours de l'enquête publique, visée à l'article 4.2.3.2 et la mesure dans laquelle le collège des bourgmestre et échevins a tenu compte de ces remarques et réclamations ;
3° le cas échéant, les avis, visés à l'article 4.2.3.3 et la mesure dans laquelle le collège des bourgmestre et échevins a tenu compte de ces avis ;
4° le cas échéant, l'assentiment des instances et personnes, visées aux articles 3.3.8 et 3.3.9 du décret du 28 mars 2014, chargées de la mise en oeuvre de la note d'aménagement ou de parties de celle-ci.
Dans un mois de la réception du projet de note d'aménagement, l'agence l'approuve ou le désapprouve sur la base d'une évaluation de la note d'aménagement pour ce qui est de l'exhaustivité, de la correction et de l'équilibre financier. Le délai d'un mois peut être prolongé d'un mois s'il s'avère que les pièces, visées dans l'alinéa premier, ne sont pas complètes. L'agence informe le collège des bourgmestre et échevins de sa décision. A défaut d'une approbation dans ce délai, la note d'aménagement est censée être approuvée.
1° le projet de note d'aménagement qui a été ajusté sur la base des remarques et réclamations introduites pendant l'enquête publique, visée à l'article 4.2.3.2, ou sur la base de l'avis, visé à l'article 4.2.3.3 ;
2° les remarques et réclamations qui ont été introduites au cours de l'enquête publique, visée à l'article 4.2.3.2 et la mesure dans laquelle le collège des bourgmestre et échevins a tenu compte de ces remarques et réclamations ;
3° le cas échéant, les avis, visés à l'article 4.2.3.3 et la mesure dans laquelle le collège des bourgmestre et échevins a tenu compte de ces avis ;
4° le cas échéant, l'assentiment des instances et personnes, visées aux articles 3.3.8 et 3.3.9 du décret du 28 mars 2014, chargées de la mise en oeuvre de la note d'aménagement ou de parties de celle-ci.
Dans un mois de la réception du projet de note d'aménagement, l'agence l'approuve ou le désapprouve sur la base d'une évaluation de la note d'aménagement pour ce qui est de l'exhaustivité, de la correction et de l'équilibre financier. Le délai d'un mois peut être prolongé d'un mois s'il s'avère que les pièces, visées dans l'alinéa premier, ne sont pas complètes. L'agence informe le collège des bourgmestre et échevins de sa décision. A défaut d'une approbation dans ce délai, la note d'aménagement est censée être approuvée.
Art. 4.2.3.5. Als de door het agentschap goedgekeurde ontwerp inrichtingsnota in de toepassing voorziet van de instrumenten, vermeld in artikel 4.1.1, derde lid, van het decreet van 28 maart 2014, bezorgt het agentschap de ontwerp inrichtingsnota aan de Vlaamse Regering. [1 ...]1
Het agentschap brengt het college van burgemeester en schepenen op de hoogte van de beslissing van de Vlaamse Regering
Het agentschap brengt het college van burgemeester en schepenen op de hoogte van de beslissing van de Vlaamse Regering
Modifications
Art. 4.2.3.5. Lorsque le projet de note d'aménagement qui a été approuvé par l'agence, prévoit l'application des instruments, visés à l'article 4.1.1, alinéa trois du décret du 28 mars 2014, l'agence remet le projet de note d'aménagement au Gouvernement flamand. [1 ...]1.
L'agence informe le collège des bourgmestre et échevins de la décision du Gouvernement flamand.
L'agence informe le collège des bourgmestre et échevins de la décision du Gouvernement flamand.
Modifications
Art. 4.2.3.6. § 1. Na de goedkeuring van de ontwerp inrichtingsnota door het agentschap [1 ...]1stelt de gemeenteraad de inrichtingsnota vast.
§ 2. Het besluit tot vaststelling van de inrichtingsnota wordt door de gemeenteraad bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad binnen zestig dagen na de vaststelling als een of meer van volgende instrumenten mogelijk worden gemaakt:
1° de herverkaveling uit kracht van wet;
2° het recht van voorkoop;
3° de inrichtingswerken uit kracht van wet;
4° de erfdienstbaarheden tot openbaar nut.
Het besluit tot vaststelling van de inrichtingsnota bevat ten minste de volgende gegevens:
1° als herverkaveling uit kracht van wet als instrument is opgenomen in de inrichtingsnota: de bepaling over de duur van jachtovereenkomsten, vermeld in artikel 2.1.36 van het decreet van 28 maart 2014, met aanduiding van de kadastrale gegevens van de percelen waar die bepaling geldt;
2° als recht van voorkoop als instrument is opgenomen in de inrichtingsnota: de kadastrale gegevens van de percelen waarop het recht van voorkoop van toepassing is, de termijn waarin het recht van voorkoop geldt en de vermelding dat het recht van voorkoop aangeboden moet worden aan de Vlaamse Grondenbank;
3° als inrichtingswerken uit kracht van wet als instrument zijn opgenomen in de inrichtingsnota: de kadastrale gegevens van de percelen waarop inrichtingswerken uit kracht van wet worden uitgevoerd, met de beschrijving van de uit te voeren werken;
4° als de vestiging van erfdienstbaarheden van openbaar nut als instrument is opgenomen in de inrichtingsnota en die erfdienstbaarheid niet gericht is op de instandhouding van inrichtingswerken uit kracht van wet: de kadastrale gegevens van de percelen waarop erfdienstbaarheden tot openbaar nut worden gevestigd, met de beschrijving van de erfdienstbaarheid die wordt gevestigd.
De inrichtingsnota treedt in werking veertien dagen na de bekendmaking van het besluit tot vaststelling van de inrichtingsnota.
In afwijking van het derde lid heeft het recht van voorkoop, vermeld in het tweede lid, 2°, echter uitwerking vanaf het moment, vermeld in artikel 10 van het decreet van 25 mei 2007 houdende de harmonisering van de procedures van voorkooprechten.
§ 3. De gemeenteraad bezorgt de inrichtingsnota en het besluit tot vaststelling van de inrichtingsnota, voorafgaandelijk aan de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, aan:
1° de instanties en de personen die belast zijn met de uitvoering van de inrichtingsnota;
2° de provincie waarop de inrichtingsnota betrekking heeft;
3° het agentschap.
De inrichtingsnota en het besluit tot vaststelling van de inrichtingsnota kunnen worden ingezien bij de gemeente waarop de inrichtingsnota betrekking heeft.
§ 2. Het besluit tot vaststelling van de inrichtingsnota wordt door de gemeenteraad bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad binnen zestig dagen na de vaststelling als een of meer van volgende instrumenten mogelijk worden gemaakt:
1° de herverkaveling uit kracht van wet;
2° het recht van voorkoop;
3° de inrichtingswerken uit kracht van wet;
4° de erfdienstbaarheden tot openbaar nut.
Het besluit tot vaststelling van de inrichtingsnota bevat ten minste de volgende gegevens:
1° als herverkaveling uit kracht van wet als instrument is opgenomen in de inrichtingsnota: de bepaling over de duur van jachtovereenkomsten, vermeld in artikel 2.1.36 van het decreet van 28 maart 2014, met aanduiding van de kadastrale gegevens van de percelen waar die bepaling geldt;
2° als recht van voorkoop als instrument is opgenomen in de inrichtingsnota: de kadastrale gegevens van de percelen waarop het recht van voorkoop van toepassing is, de termijn waarin het recht van voorkoop geldt en de vermelding dat het recht van voorkoop aangeboden moet worden aan de Vlaamse Grondenbank;
3° als inrichtingswerken uit kracht van wet als instrument zijn opgenomen in de inrichtingsnota: de kadastrale gegevens van de percelen waarop inrichtingswerken uit kracht van wet worden uitgevoerd, met de beschrijving van de uit te voeren werken;
4° als de vestiging van erfdienstbaarheden van openbaar nut als instrument is opgenomen in de inrichtingsnota en die erfdienstbaarheid niet gericht is op de instandhouding van inrichtingswerken uit kracht van wet: de kadastrale gegevens van de percelen waarop erfdienstbaarheden tot openbaar nut worden gevestigd, met de beschrijving van de erfdienstbaarheid die wordt gevestigd.
De inrichtingsnota treedt in werking veertien dagen na de bekendmaking van het besluit tot vaststelling van de inrichtingsnota.
In afwijking van het derde lid heeft het recht van voorkoop, vermeld in het tweede lid, 2°, echter uitwerking vanaf het moment, vermeld in artikel 10 van het decreet van 25 mei 2007 houdende de harmonisering van de procedures van voorkooprechten.
§ 3. De gemeenteraad bezorgt de inrichtingsnota en het besluit tot vaststelling van de inrichtingsnota, voorafgaandelijk aan de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, aan:
1° de instanties en de personen die belast zijn met de uitvoering van de inrichtingsnota;
2° de provincie waarop de inrichtingsnota betrekking heeft;
3° het agentschap.
De inrichtingsnota en het besluit tot vaststelling van de inrichtingsnota kunnen worden ingezien bij de gemeente waarop de inrichtingsnota betrekking heeft.
Modifications
Art. 4.2.3.6. § 1er. Après l'approbation du projet de note d'aménagement par l'agence [1 ...]1, le conseil communal établit la note d'aménagement.
§ 2. Le conseil communal publie l'arrêté établissant la note d'aménagement au Moniteur belge dans les soixante jours après l'établissement si l'utilisation d'un ou plusieurs des instruments suivants est rendue possible :
1° le relotissement imposé par force de loi ;
2° le droit de préemption ;
3° les travaux d'aménagement imposés par force de loi ;
4° les servitudes d'utilité publique.
L'arrêté établissant la note d'aménagement comprend au moins les données suivantes :
1° lorsque le relotissement par force de loi a été repris comme instrument dans la note d'aménagement : la disposition relative à la durée des conventions de chasse, visées à l'article 2.1.36 du décret du 28 mars 2014, avec mention des données cadastrales des parcelles auxquelles cette disposition s'applique ;
2° lorsque le droit de préemption en tant qu'instrument a été repris dans la note d'aménagement : les données cadastrales des parcelles auxquelles le droit de préemption s'applique, la période pendant laquelle le droit de préemption s'applique et la mention que le droit de préemption doit être offert à la " Vlaamse Grondenbank " ;
3° lorsque des travaux d'aménagement imposés par force de loi ont été repris comme instrument dans la note d'aménagement : les données cadastrales des parcelles sur lesquelles les travaux d'aménagement imposés par force de loi sont mis en oeuvre, avec la description des travaux à mettre en oeuvre ;
4° lorsque l'établissement de servitudes d'utilité publique a été repris comme instrument dans la note d'aménagement et que cette servitude ne vise pas le maintien de travaux d'aménagement imposés par force de loi : les données cadastrales des parcelles sur lesquelles les servitudes d'utilité publique sont établies, avec la description de la servitude qui est établie.
La note d'aménagement entre en vigueur quatorze jours après la publication de l'arrêté portant établissement de la note d'aménagement.
Par dérogation à l'alinéa trois, le droit de préemption, visé à l'alinéa deux, 2° produit ses effets à partir du moment, visé à l'article 10 du décret du 25 mai 2007 portant harmonisation des procédures relatives aux droits de préemption.
§ 3. Préalablement à sa publication au Moniteur belge, le conseil municipal remet la note d'aménagement et l'arrêté établissant la note d'aménagement :
1° aux instances et aux personnes chargées de la mise en oeuvre de la note d'aménagement ;
2° à la province faisant l'objet de la note d'aménagement ;
3° à l'agence.
La note d'aménagement et l'arrêté établissant la note d'aménagement peuvent être consultés dans la commune faisant l'objet de la note d'aménagement.
§ 2. Le conseil communal publie l'arrêté établissant la note d'aménagement au Moniteur belge dans les soixante jours après l'établissement si l'utilisation d'un ou plusieurs des instruments suivants est rendue possible :
1° le relotissement imposé par force de loi ;
2° le droit de préemption ;
3° les travaux d'aménagement imposés par force de loi ;
4° les servitudes d'utilité publique.
L'arrêté établissant la note d'aménagement comprend au moins les données suivantes :
1° lorsque le relotissement par force de loi a été repris comme instrument dans la note d'aménagement : la disposition relative à la durée des conventions de chasse, visées à l'article 2.1.36 du décret du 28 mars 2014, avec mention des données cadastrales des parcelles auxquelles cette disposition s'applique ;
2° lorsque le droit de préemption en tant qu'instrument a été repris dans la note d'aménagement : les données cadastrales des parcelles auxquelles le droit de préemption s'applique, la période pendant laquelle le droit de préemption s'applique et la mention que le droit de préemption doit être offert à la " Vlaamse Grondenbank " ;
3° lorsque des travaux d'aménagement imposés par force de loi ont été repris comme instrument dans la note d'aménagement : les données cadastrales des parcelles sur lesquelles les travaux d'aménagement imposés par force de loi sont mis en oeuvre, avec la description des travaux à mettre en oeuvre ;
4° lorsque l'établissement de servitudes d'utilité publique a été repris comme instrument dans la note d'aménagement et que cette servitude ne vise pas le maintien de travaux d'aménagement imposés par force de loi : les données cadastrales des parcelles sur lesquelles les servitudes d'utilité publique sont établies, avec la description de la servitude qui est établie.
La note d'aménagement entre en vigueur quatorze jours après la publication de l'arrêté portant établissement de la note d'aménagement.
Par dérogation à l'alinéa trois, le droit de préemption, visé à l'alinéa deux, 2° produit ses effets à partir du moment, visé à l'article 10 du décret du 25 mai 2007 portant harmonisation des procédures relatives aux droits de préemption.
§ 3. Préalablement à sa publication au Moniteur belge, le conseil municipal remet la note d'aménagement et l'arrêté établissant la note d'aménagement :
1° aux instances et aux personnes chargées de la mise en oeuvre de la note d'aménagement ;
2° à la province faisant l'objet de la note d'aménagement ;
3° à l'agence.
La note d'aménagement et l'arrêté établissant la note d'aménagement peuvent être consultés dans la commune faisant l'objet de la note d'aménagement.
Modifications
Art. 4.2.3.7. In afwijking van artikel 4.2.3.1 tot en met 4.2.3.6 van dit besluit kan de inrichtingsnota geïntegreerd worden in de besluitvorming van het project, plan of programma als voldaan is aan al de volgende voorwaarden:
1° de inrichtingsnota, vermeld in artikel 4.2.2 van het decreet van 28 maart 2014, vormt een herkenbaar onderdeel in het project, plan of programma;
2° in het kader van de besluitvorming van het project, plan of programma, wordt de inrichtingsnota onderworpen aan een openbaar onderzoek;
3° in het kader van de besluitvorming van het project, plan of programma wordt de inrichtingsnota vastgesteld door de gemeenteraad nadat het agentschap de inrichtingsnota heeft goedgekeurd, [1 ...]1
1° de inrichtingsnota, vermeld in artikel 4.2.2 van het decreet van 28 maart 2014, vormt een herkenbaar onderdeel in het project, plan of programma;
2° in het kader van de besluitvorming van het project, plan of programma, wordt de inrichtingsnota onderworpen aan een openbaar onderzoek;
3° in het kader van de besluitvorming van het project, plan of programma wordt de inrichtingsnota vastgesteld door de gemeenteraad nadat het agentschap de inrichtingsnota heeft goedgekeurd, [1 ...]1
Modifications
Art. 4.2.3.7. Par dérogation aux articles 4.2.3.1 à 4.2.3.6 inclus du présent arrêté, la note d'aménagement peut être intégrée dans la prise de décision relative au projet, plan ou programme, lorsqu'il a été satisfait à toutes les conditions suivantes :
1° la note d'aménagement, visée à l'article 4.2.2 du décret du 28 mars 2014, constitue une partie identifiable dans le projet, plan ou programme ;
2° la note d'aménagement est soumise à une enquête publique dans le cadre de la prise de décision relative au projet, plan ou programme ;
3° le conseil communal établit la note d'aménagement dans le cadre de la prise de décision autour du projet, plan ou programme après que l'agence a approuvé la note d'aménagement [1 ...]1.
1° la note d'aménagement, visée à l'article 4.2.2 du décret du 28 mars 2014, constitue une partie identifiable dans le projet, plan ou programme ;
2° la note d'aménagement est soumise à une enquête publique dans le cadre de la prise de décision relative au projet, plan ou programme ;
3° le conseil communal établit la note d'aménagement dans le cadre de la prise de décision autour du projet, plan ou programme après que l'agence a approuvé la note d'aménagement [1 ...]1.
Modifications
Art. 4.2.3.8. De gemeenteraad stelt de voltooiing van de inrichtingsnota vast als de inzet van de volgende instrumenten werd mogelijk gemaakt:
1° de vrijwillige bedrijfsverplaatsing;
2° de vrijwillige bedrijfsstopzetting;
3° de vrijwillige bedrijfsreconversie;
4° de koopplicht.
Het besluit tot vaststelling van de voltooiing van de inrichtingsnota wordt door de gemeenteraad bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
1° de vrijwillige bedrijfsverplaatsing;
2° de vrijwillige bedrijfsstopzetting;
3° de vrijwillige bedrijfsreconversie;
4° de koopplicht.
Het besluit tot vaststelling van de voltooiing van de inrichtingsnota wordt door de gemeenteraad bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Art. 4.2.3.8. Le conseil communal établit l'achèvement de la note d'aménagement lorsque l'utilisation des instruments suivants a été rendue possible :
1° la délocalisation volontaire de l'exploitation ;
2° la cessation volontaire de l'exploitation ;
3° la reconversion volontaire de l'exploitation ;
4° l'obligation d'acquisition.
Le conseil communal publie l'arrêté établissant l'achèvement de la note d'aménagement au Moniteur belge.
1° la délocalisation volontaire de l'exploitation ;
2° la cessation volontaire de l'exploitation ;
3° la reconversion volontaire de l'exploitation ;
4° l'obligation d'acquisition.
Le conseil communal publie l'arrêté établissant l'achèvement de la note d'aménagement au Moniteur belge.
HOOFDSTUK 2. - De onderbouwing van inrichtingsnota's
CHAPITRE 2. - Le fondement de notes d'aménagement
Art. 4.2.4.1. Naast de effectenstudies die volgens de regelgeving voor goedkeuring van een project, plan of programma of desgevallend voor inzet van één of meerdere instrumenten vereist zijn, verricht de initiatiefnemer de bijkomende studies die hij nodig acht ter onderbouwing van inrichtingsnota's.
De opmaak van de bijkomende studies en de instrumentenafweging ter onderbouwing van inrichtingsnota's maakt deel uit van een breder overleg- en communicatieproces met vertegenwoordigers van de actoren en de verschillende belangengroepen in het gebied waarop het project, plan of programma betrekking heeft.
De bijkomende studies maken deel uit van de inrichtingsnota en gaan mee in openbaar onderzoek.
De opmaak van de bijkomende studies en de instrumentenafweging ter onderbouwing van inrichtingsnota's maakt deel uit van een breder overleg- en communicatieproces met vertegenwoordigers van de actoren en de verschillende belangengroepen in het gebied waarop het project, plan of programma betrekking heeft.
De bijkomende studies maken deel uit van de inrichtingsnota en gaan mee in openbaar onderzoek.
Art. 4.2.4.1. Outre les études d'incidences requises sur la base de la réglementation pour l'approbation d'un projet, plan ou programme ou le cas échéant, pour l'utilisation d'un ou de plusieurs instruments, l'initiateur effectue les études supplémentaires qu'il juge nécessaires pour le fondement de notes d'aménagement.
La rédaction des études supplémentaires et la pondération d'instruments servant de fondement aux notes d'aménagement, fait partie d'un processus plus large de concertation et de communication avec des représentants des acteurs et des différents groupes d'intérêt dans le domaine auquel le projet, plan ou programme se rapporte.
Les études supplémentaires font partie de la note d'aménagement et font aussi l'objet de l'enquête publique.
La rédaction des études supplémentaires et la pondération d'instruments servant de fondement aux notes d'aménagement, fait partie d'un processus plus large de concertation et de communication avec des représentants des acteurs et des différents groupes d'intérêt dans le domaine auquel le projet, plan ou programme se rapporte.
Les études supplémentaires font partie de la note d'aménagement et font aussi l'objet de l'enquête publique.
Art. 4.2.4.2. § 1. Als het agentschap op basis van een screeningsanalyse van oordeel is dat de effecten van het project, plan of programma op de landbouw significant kunnen zijn en dat de opmaak van een landbouweffectenrapport relevante bijkomende informatie kan opleveren voor de haalbaarheid van het project, plan of programma of de in te zetten instrumenten, maakt de initiatiefnemer een landbouweffectenrapport op.
De effecten van landbouw worden daarbij significant geacht als uit een screeninganalyse blijkt dat door de realisatie van het project, plan of programma, in cumulatie met eventueel andere geplande en definitief besliste projecten, de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering van een of meerdere bedrijven ernstig in het gedrang kan komen, zoals bepaald in artikel 2.1.4.3., § 4, tweede lid.
Het landbouweffectenrapport kan geïntegreerd worden in het milieueffectrapport of de milieueffectbeoordeling die in het kader van het project, plan of programma wordt opgemaakt en waarbij de impact op de landbouw werd onderzocht.
§ 2. Een landbouweffectenrapport bestaat minstens uit de volgende elementen:
1° een beschrijving van de juridisch-planologische context voor landbouw;
2° een beschrijving van fysisch-morfologische kenmerken voor landbouw;
3° een typologische beschrijving van de betrokken landbouwbedrijven;
4° een beschrijving van de te verwachten effecten op de betrokken landbouwbedrijven;
5° een onderzoek naar de noodzaak en mogelijkheden voor het inzetten van flankerende maatregelen.
Op verzoek van de initiatiefnemer kunnen het agentschap of derden het landbouweffectenrapport opmaken.
Het rapport wordt zo opgesteld zodat er geen vertrouwelijke informatie van de betrokken landbouwbedrijven uit kan worden afgeleid.
§ 3. Met het oog op de opmaak van een landbouweffectenrapport stelt de initiatiefnemer een begeleidingsgroep samen met vertegenwoordigers van de actoren en de verschillende belangengroepen in het gebied waarop het project, plan of programma betrekking heeft. De begeleidingsgroep heeft als taak de initiatiefnemer bij te staan bij de opmaak van het landbouweffectenrapport, de kwaliteit ervan te bevorderen en de relatie met het project, plan of programma te verzekeren.
De initiatiefnemer organiseert het overleg met de begeleidingsgroep. Op een startmoment met de begeleidingsgroep worden minimaal de resultaten van de screeninganalyse en het plan van aanpak voor de opmaak van het landbouweffectenrapport besproken.
§ 4. De initiatiefnemer informeert het agentschap en de begeleidingsgroep op geregelede tijdstippen over de voortgang van het landbouweffectenrapport.
Het definitieve landbouweffectenrapport wordt opgestuurd aan het agentschap dat, na advies van [1 het Agentschap Landbouw en Zeevisserij]1, binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van het landbouweffectenrapport beslist over de goedkeuring ervan. Als binnen de termijn geen goedkeuring is verleend, kan aan de goedkeuringsvereiste worden voorbijgegaan.
De effecten van landbouw worden daarbij significant geacht als uit een screeninganalyse blijkt dat door de realisatie van het project, plan of programma, in cumulatie met eventueel andere geplande en definitief besliste projecten, de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering van een of meerdere bedrijven ernstig in het gedrang kan komen, zoals bepaald in artikel 2.1.4.3., § 4, tweede lid.
Het landbouweffectenrapport kan geïntegreerd worden in het milieueffectrapport of de milieueffectbeoordeling die in het kader van het project, plan of programma wordt opgemaakt en waarbij de impact op de landbouw werd onderzocht.
§ 2. Een landbouweffectenrapport bestaat minstens uit de volgende elementen:
1° een beschrijving van de juridisch-planologische context voor landbouw;
2° een beschrijving van fysisch-morfologische kenmerken voor landbouw;
3° een typologische beschrijving van de betrokken landbouwbedrijven;
4° een beschrijving van de te verwachten effecten op de betrokken landbouwbedrijven;
5° een onderzoek naar de noodzaak en mogelijkheden voor het inzetten van flankerende maatregelen.
Op verzoek van de initiatiefnemer kunnen het agentschap of derden het landbouweffectenrapport opmaken.
Het rapport wordt zo opgesteld zodat er geen vertrouwelijke informatie van de betrokken landbouwbedrijven uit kan worden afgeleid.
§ 3. Met het oog op de opmaak van een landbouweffectenrapport stelt de initiatiefnemer een begeleidingsgroep samen met vertegenwoordigers van de actoren en de verschillende belangengroepen in het gebied waarop het project, plan of programma betrekking heeft. De begeleidingsgroep heeft als taak de initiatiefnemer bij te staan bij de opmaak van het landbouweffectenrapport, de kwaliteit ervan te bevorderen en de relatie met het project, plan of programma te verzekeren.
De initiatiefnemer organiseert het overleg met de begeleidingsgroep. Op een startmoment met de begeleidingsgroep worden minimaal de resultaten van de screeninganalyse en het plan van aanpak voor de opmaak van het landbouweffectenrapport besproken.
§ 4. De initiatiefnemer informeert het agentschap en de begeleidingsgroep op geregelede tijdstippen over de voortgang van het landbouweffectenrapport.
Het definitieve landbouweffectenrapport wordt opgestuurd aan het agentschap dat, na advies van [1 het Agentschap Landbouw en Zeevisserij]1, binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van het landbouweffectenrapport beslist over de goedkeuring ervan. Als binnen de termijn geen goedkeuring is verleend, kan aan de goedkeuringsvereiste worden voorbijgegaan.
Modifications
Art. 4.2.4.2. § 1er. Lorsque, se basant sur un screening, l'agence juge que les effets du projet, plan ou programme sur l'agriculture peuvent être considérables et que la rédaction d'un rapport des incidences sur l'agriculture peut fournir de l'information supplémentaire pertinente pour la faisabilité du projet, plan ou programme ou les instruments à utiliser, l'initiateur rédige un rapport des incidences sur l'agriculture.
Les incidences sur l'agriculture sont jugées pertinentes lorsque le screening démontre que la réalisation du projet, plan ou programme, en combinaison avec d'éventuels autres projets envisagés et définitifs, porte gravement atteinte à la viabilité des activités existantes d'une ou de plusieurs exploitations, telle que visée à l'article 2.1.4.3, § 4, alinéa deux.
Le rapport d'incidence sur l'agriculture peut être intégré dans le rapport d'incidence sur l'environnement ou dans l'évaluation des incidences sur l'environnement rédigés dans le cadre du projet, plan ou programme, qui a également évalué les incidences sur l'agriculture.
§ 2. Un rapport des incidences sur l'agriculture comprend au moins les éléments suivants :
1° une description du contexte juridico-planologique pour l'agriculture ;
2° une description des caractéristiques physiques et morphologiques pour l'agriculture ;
3° une description typologique des exploitations agricoles concernées ;
4° une description des incidences prévues sur les exploitations agricoles concernées ;
5° un examen au niveau de la nécessité et des possibilités d'utilisation de mesures secondaires.
L'agence ou des tiers peuvent rédiger le rapport d'incidences sur l'agriculture à la demande de l'initiateur.
Le rapport est rédigé de façon à ce qu'il ne soit pas possible d'en dériver de l'information confidentielle se rapportant aux exploitations agricoles concernées.
§ 3. En vue de la rédaction d'un rapport des incidences sur l'agriculture, l'initiateur forme un groupe d'accompagnement avec des représentants des acteurs et des différents groupes d'intérêt dans le domaine auquel le projet, plan ou programme se rapporte. La tâche du groupe d'accompagnement consiste à assister l'initiateur dans la rédaction du rapport d'incidence sur l'agriculture, à en augmenter la qualité et à assurer la relation avec le projet, plan ou programme.
L'initiateur organise la concertation avec le groupe d'accompagnement. La discussion des résultats du screening et du plan d'approche pour la rédaction du rapport des incidences sur l'agriculture figurent au minimum à l'ordre du jour d'un moment de démarrage avec le groupe d'accompagnement.
§ 4. L'initiateur informe l'agence et le groupe d'accompagnement régulièrement de l'avancement du rapport d'incidences sur l'agriculture.
Le rapport d'incidences sur l'agriculture définitif est envoyé à l'agence, qui décide de son approbation, après l'avis [1 de l'Agence de l'Agriculture et de la Pêche " ]1, dans un délai de trente jours après la réception de ce rapport. Faute d'avis dans ce délai, il peut être passé outre à la formalité d'avis.
Les incidences sur l'agriculture sont jugées pertinentes lorsque le screening démontre que la réalisation du projet, plan ou programme, en combinaison avec d'éventuels autres projets envisagés et définitifs, porte gravement atteinte à la viabilité des activités existantes d'une ou de plusieurs exploitations, telle que visée à l'article 2.1.4.3, § 4, alinéa deux.
Le rapport d'incidence sur l'agriculture peut être intégré dans le rapport d'incidence sur l'environnement ou dans l'évaluation des incidences sur l'environnement rédigés dans le cadre du projet, plan ou programme, qui a également évalué les incidences sur l'agriculture.
§ 2. Un rapport des incidences sur l'agriculture comprend au moins les éléments suivants :
1° une description du contexte juridico-planologique pour l'agriculture ;
2° une description des caractéristiques physiques et morphologiques pour l'agriculture ;
3° une description typologique des exploitations agricoles concernées ;
4° une description des incidences prévues sur les exploitations agricoles concernées ;
5° un examen au niveau de la nécessité et des possibilités d'utilisation de mesures secondaires.
L'agence ou des tiers peuvent rédiger le rapport d'incidences sur l'agriculture à la demande de l'initiateur.
Le rapport est rédigé de façon à ce qu'il ne soit pas possible d'en dériver de l'information confidentielle se rapportant aux exploitations agricoles concernées.
§ 3. En vue de la rédaction d'un rapport des incidences sur l'agriculture, l'initiateur forme un groupe d'accompagnement avec des représentants des acteurs et des différents groupes d'intérêt dans le domaine auquel le projet, plan ou programme se rapporte. La tâche du groupe d'accompagnement consiste à assister l'initiateur dans la rédaction du rapport d'incidence sur l'agriculture, à en augmenter la qualité et à assurer la relation avec le projet, plan ou programme.
L'initiateur organise la concertation avec le groupe d'accompagnement. La discussion des résultats du screening et du plan d'approche pour la rédaction du rapport des incidences sur l'agriculture figurent au minimum à l'ordre du jour d'un moment de démarrage avec le groupe d'accompagnement.
§ 4. L'initiateur informe l'agence et le groupe d'accompagnement régulièrement de l'avancement du rapport d'incidences sur l'agriculture.
Le rapport d'incidences sur l'agriculture définitif est envoyé à l'agence, qui décide de son approbation, après l'avis [1 de l'Agence de l'Agriculture et de la Pêche " ]1, dans un délai de trente jours après la réception de ce rapport. Faute d'avis dans ce délai, il peut être passé outre à la formalité d'avis.
Modifications
DEEL 5. - DE TOEPASSING VAN DE INSTRUMENTEN BEHEEROVEREENKOMSTEN EN DIENSTENVERGOEDINGEN VIA EEN BEHEERVISIE
PARTIE 5. - L'APPLICATION DES INSTRUMENTS DES CONTRATS DE GESTION ET DES INDEMNITES DE SERVICE AU MOYEN D'UNE VISION DE GESTION
Art. 5.1.1.1. De minister [1 , het provinciebestuur of het gemeentebestuur]1 bepaalt de beheervisie conform artikel 5.1.1, § 2, eerste lid van het decreet van 28 maart 2014. Een voorstel van beheervisie kan aangeleverd worden door het agentschap, een administratieve overheid of door een privaatrechtelijke rechtspersoon die het beheer of de bescherming van landschap, natuur of milieu beoogt in samenspraak met het agentschap.
Modifications
Art. 5.1.1.1. Le ministre [1 , l'administration provinciale ou l'administration communale]1 définit la vision de gestion, conformément à l'article 5.1.1, § 2, alinéa premier du décret du 28 mars 2014. Une proposition de vision de gestion peut être soumise par l'agence, une autorité administrative ou par une personne morale de droit privé, ayant comme but la gestion ou la protection du paysage, de la nature ou de l'environnement, en concertation avec l'agence.
Modifications
Art. 5.1.1.2. § 1. [1 Elke beheervisie omvat naast de elementen, vermeld in artikel 5.1.1, § 2, eerste lid, van het decreet van 28 maart 2014, de volgende elementen:
1° als dienstenvergoedingen als instrument zijn opgenomen in de beheervisie:
a) de bijkomende dienst die gewenst is en per bijkomende dienst de toekenningsvoorwaarden waaraan voldaan moet zijn en de verbintenissen die nageleefd moeten worden;
b) het bedrag van de vergoeding voor de bijkomende dienst, vermeld in punt a);
c) het gebied waarin de bijkomende dienst, vermeld in punt a), gewenst is;
2° als beheerovereenkomsten als instrument zijn opgenomen in de beheervisie:
a) de beheermaatregelen die gewenst zijn;
b) de bijbehorende beheervergoeding en het gebied waarin de beheermaatregelen, vermeld in punt a), gewenst zijn;
3° een financieringsplan.
Het besluit tot bepaling van de beheervisie wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad door het agentschap als de minister de beheervisie heeft bepaald, en door het provincie- of het gemeentebestuur als het provincie- of gemeentebestuur de beheervisie heeft bepaald.]1
§ 2. [1 Degene die instaat voor de bekendmaking van het besluit tot bepaling van de beheervisie in het Belgisch Staatsblad als vermeld in paragraaf 1, tweede lid,]1 bezorgt de beheervisie en het besluit tot bepaling van de beheervisie, voorafgaandelijk aan de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, aan:
1° de instantie die conform artikel 5.1.1.1 het voorstel van beheervisie heeft aangeleverd;
2° de gemeenten en provincies waarop de beheervisie betrekking heeft.
De beheervisie en het besluit tot bepaling van de beheervisie kunnen worden ingezien bij elke gemeente waarop de beheervisie betrekking heeft.
1° als dienstenvergoedingen als instrument zijn opgenomen in de beheervisie:
a) de bijkomende dienst die gewenst is en per bijkomende dienst de toekenningsvoorwaarden waaraan voldaan moet zijn en de verbintenissen die nageleefd moeten worden;
b) het bedrag van de vergoeding voor de bijkomende dienst, vermeld in punt a);
c) het gebied waarin de bijkomende dienst, vermeld in punt a), gewenst is;
2° als beheerovereenkomsten als instrument zijn opgenomen in de beheervisie:
a) de beheermaatregelen die gewenst zijn;
b) de bijbehorende beheervergoeding en het gebied waarin de beheermaatregelen, vermeld in punt a), gewenst zijn;
3° een financieringsplan.
Het besluit tot bepaling van de beheervisie wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad door het agentschap als de minister de beheervisie heeft bepaald, en door het provincie- of het gemeentebestuur als het provincie- of gemeentebestuur de beheervisie heeft bepaald.]1
§ 2. [1 Degene die instaat voor de bekendmaking van het besluit tot bepaling van de beheervisie in het Belgisch Staatsblad als vermeld in paragraaf 1, tweede lid,]1 bezorgt de beheervisie en het besluit tot bepaling van de beheervisie, voorafgaandelijk aan de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, aan:
1° de instantie die conform artikel 5.1.1.1 het voorstel van beheervisie heeft aangeleverd;
2° de gemeenten en provincies waarop de beheervisie betrekking heeft.
De beheervisie en het besluit tot bepaling van de beheervisie kunnen worden ingezien bij elke gemeente waarop de beheervisie betrekking heeft.
Modifications
Art. 5.1.1.2. § 1er. [1 Toute vision de gestion comprend, outre les éléments visés à l'article 5.1.1, § 2, alinéa 1er du décret du 28 mars 2014, les éléments suivants :
1° si les indemnités de service sont repris en tant qu'instrument dans la vision de gestion :
a) le service supplémentaire souhaité ainsi que, pour chaque service supplémentaire, les conditions d'octroi à remplir et les engagements à respecter ;
b) le montant de l'indemnité pour le service supplémentaire, visé au point a) ;
c) la zone dans laquelle le service supplémentaire, visé au point a), est souhaité ;
2° si les accords de gestion sont repris en tant qu'instrument dans la vision de gestion :
a) les mesures de gestion souhaitées ;
b) l'indemnité de gestion correspondante et la zone dans laquelle les mesures de gestion, visées au point a), sont souhaitées ;
3° un plan de financement.
L'arrêté définissant la vision de gestion est publié au Moniteur belge par l'agence, si le ministre a défini la vision de gestion, et par l'administration provinciale ou communale, si cette dernière l'a définie.]1
§ 2. Préalablement à sa publication au Moniteur belge, [1 celui qui est chargé de la publication de l'arrêté définissant la vision de gestion au Moniteur belge, au sens du paragraphe 1er, alinéa 2,]1 remet la vision de gestion et l'arrêté définissant la vision de gestion :
1° à l'instance qui a fourni la proposition de vision de gestion, conformément à l'article 5.1.1.1 ;
2° aux communes et provinces auxquelles la vision de gestion s'applique.
La vision de gestion et l'arrêté définissant la vision de gestion peuvent être consultés dans chaque commune faisant l'objet de la vision de gestion.
1° si les indemnités de service sont repris en tant qu'instrument dans la vision de gestion :
a) le service supplémentaire souhaité ainsi que, pour chaque service supplémentaire, les conditions d'octroi à remplir et les engagements à respecter ;
b) le montant de l'indemnité pour le service supplémentaire, visé au point a) ;
c) la zone dans laquelle le service supplémentaire, visé au point a), est souhaité ;
2° si les accords de gestion sont repris en tant qu'instrument dans la vision de gestion :
a) les mesures de gestion souhaitées ;
b) l'indemnité de gestion correspondante et la zone dans laquelle les mesures de gestion, visées au point a), sont souhaitées ;
3° un plan de financement.
L'arrêté définissant la vision de gestion est publié au Moniteur belge par l'agence, si le ministre a défini la vision de gestion, et par l'administration provinciale ou communale, si cette dernière l'a définie.]1
§ 2. Préalablement à sa publication au Moniteur belge, [1 celui qui est chargé de la publication de l'arrêté définissant la vision de gestion au Moniteur belge, au sens du paragraphe 1er, alinéa 2,]1 remet la vision de gestion et l'arrêté définissant la vision de gestion :
1° à l'instance qui a fourni la proposition de vision de gestion, conformément à l'article 5.1.1.1 ;
2° aux communes et provinces auxquelles la vision de gestion s'applique.
La vision de gestion et l'arrêté définissant la vision de gestion peuvent être consultés dans chaque commune faisant l'objet de la vision de gestion.
Modifications
DEEL 6. - EVALUATIE
PARTIE 6. - EVALUATION
Art. 6.1.1.1. Het evaluatierapport bestaat ten minste uit de volgende elementen:
1° een evaluatie van alle instrumenten, vermeld in deel 2 van het decreet van 28 maart 2014;
2° een evaluatie van de toepassing van de instrumenten ter uitvoering van een landinrichtingsplan, een inrichtingsnota of een beheervisie;
3° aanbevelingen voor het instrumentarium en de afgewogen inzet van het instrumentarium;
4° de budgettaire impact.
1° een evaluatie van alle instrumenten, vermeld in deel 2 van het decreet van 28 maart 2014;
2° een evaluatie van de toepassing van de instrumenten ter uitvoering van een landinrichtingsplan, een inrichtingsnota of een beheervisie;
3° aanbevelingen voor het instrumentarium en de afgewogen inzet van het instrumentarium;
4° de budgettaire impact.
Art. 6.1.1.1. Le rapport d'évaluation comprend au moins les éléments suivants :
1° une évaluation de tous les instruments, visés à la partie 2 du décret du 28 mars 2014 ;
2° une évaluation de l'application des instruments pour la mise en oeuvre d'un plan de rénovation rurale, d'une note d'aménagement ou d'une vision de gestion ;
3° des recommandations pour les instruments et l'utilisation pondérée des instruments ;
4° l'impact budgétaire.
1° une évaluation de tous les instruments, visés à la partie 2 du décret du 28 mars 2014 ;
2° une évaluation de l'application des instruments pour la mise en oeuvre d'un plan de rénovation rurale, d'une note d'aménagement ou d'une vision de gestion ;
3° des recommandations pour les instruments et l'utilisation pondérée des instruments ;
4° l'impact budgétaire.
DEEL 7. - WIJZIGINGS- EN SLOTBEPALINGEN
PARTIE 7. - DISPOSITIONS MODIFICATIVES ET FINALES
Art. 7.1.1.1. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 september 2011, wordt punt 9° opgeheven.
Art. 7.1.1.1. A l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 juillet 1998 fixant les modalités d'exécution du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 septembre 2011, le point 9° est abrogé.
Art. 7.1.1.2. In artikel 9, 4°, van hetzelfde besluit, vervangen bij besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2009, wordt punt c) vervangen door wat volgt:
"c) in een landinrichtingsplan goedgekeurd met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting;".
"c) in een landinrichtingsplan goedgekeurd met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting;".
Art. 7.1.1.2. A l'article 9, 4°, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juillet 2009, le point c) est remplacé par ce qui suit :
"c) un plan de rénovation rurale approuvé en application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 mars 2014 relatif à la rénovation rurale ; ".
"c) un plan de rénovation rurale approuvé en application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 mars 2014 relatif à la rénovation rurale ; ".
Art. 7.1.1.3. In artikel 3, § 1, 10° van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 mei 2000 tot aanwijzing van de handelingen in de zin van artikel 4.1.1, 5°, artikel 4.4.7, § 2, en artikel 4.7.1, § 2, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en tot regeling van het vooroverleg met de Vlaamse Bouwmeester, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2012, worden de woorden "goedgekeurde inrichtingsplannen in het kader van een landinrichtingsproject" vervangen door de woorden "goedgekeurde landinrichtingsprojecten".
Art. 7.1.1.3. Dans l'article 3, § 1er, 10° de l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 mai 2000 portant désignation des opérations dans les sens des articles 4.1.1, 5°, 4.4.7, § 2 et 4.7.1, § 2, alinéa deux, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire et réglant la concertation préalable avec l'Architecte du Gouvernement flamand, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 juillet 2012, les mots " plans d'aménagement approuvés dans le cadre d'un projet d'aménagement rural " sont remplacés par les mots " projets d'aménagement approuvés ".
Art. 7.1.1.4. In artikel 6, § 1, 5°, e), artikel 8, § 2, 1°, e), en § 3, 1°, d), van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juni 2003 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van natuurreservaten en van terreinbeherende natuurverenigingen en houdende toekenning van subsidiesworden de woorden "of een goedgekeurd richtplan van een landinrichtingsproject" vervangen door de woorden "of een goedgekeurd landinrichtingsproject".
Art. 7.1.1.4. Dans l'article 6, § 1er, 5°, e), l'article 8, § 2, 1°, e) et § 3, 1°, d) de l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 juin 2003 fixant les conditions d'agrément de réserves naturelles et d'associations de défense de la nature agréées pour la gestion de terrains et portant l'octroi de subventions, les mots " ou un plan directeur approuvé d'un projet d'aménagement rural " sont remplacés par les mots " ou un projet de rénovation rurale approuvé ".
Art. 7.1.1.5. In artikel 45, § 3, tweede lid, 3°, en artikel 60, § 1, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 november 2003 houdende maatregelen ter uitvoering van het gebiedsgericht natuurbeleid wordt de zinsnede "het decreet van 21 december 1988 houdende oprichting van de Vlaamse Landmaatschappij" vervangen door de zinsnede "het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting".
Art. 7.1.1.5. Dans l'article 45, § 3, alinéa deux, 3° et l'article 60, § 1er, 3° de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 novembre 2003 contenant des mesures d'exécution de la politique naturelle zonale, la partie de phrase " au décret du 21 décembre 1988 portant création de la " Vlaamse Landmaatschappij " est remplacée par la partie de phrase " au décret du 28 mars 2014 relatif à la rénovation rurale ".
Art. 7.1.1.6. In artikel 6.2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 tot bepaling van handelingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is worden de woorden "of in een goedgekeurd inrichtingsplan in het kader van een landinrichtingsproject" vervangen door de woorden "of in een goedgekeurd landinrichtingsproject".
Art. 7.1.1.6. Dans l'article 6.2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 juillet 2010 portant détermination des actes qui ne requièrent pas d'autorisation urbanistique, les mots " ou dans un plan d'aménagement approuvé dans le cadre d'un projet d'aménagement rural " sont remplacés par les mots " ou dans un projet de rénovation rurale approuvé ".
Art. 7.1.1.7. De volgende regelingen worden opgeheven:
1° het besluit van de Vlaamse Regering van 17 maart 1998 houdende subsidiëring van de landinrichtingswerken, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 28 mei 2004, 7 maart 2008, 10 oktober 2008 en 16 november 2012;
2° het besluit van de Vlaamse Regering van 28 mei 2004 betreffende de procedure tot opmaak van landinrichtingsplannen en houdende opheffing van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 1996 houdende nadere regelen betreffende de landinrichting en houdende wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 maart 1998 houdende subsidiëring van de landinrichtingswerken, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008, 10 oktober 2008, 29 mei 2009, 4 december 2009, 10 juni 2011 en 11 januari 2013.
1° het besluit van de Vlaamse Regering van 17 maart 1998 houdende subsidiëring van de landinrichtingswerken, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 28 mei 2004, 7 maart 2008, 10 oktober 2008 en 16 november 2012;
2° het besluit van de Vlaamse Regering van 28 mei 2004 betreffende de procedure tot opmaak van landinrichtingsplannen en houdende opheffing van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 1996 houdende nadere regelen betreffende de landinrichting en houdende wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 maart 1998 houdende subsidiëring van de landinrichtingswerken, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008, 10 oktober 2008, 29 mei 2009, 4 december 2009, 10 juni 2011 en 11 januari 2013.
Art. 7.1.1.7. Les règlements suivants sont abrogés :
1° l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 mars 1998 portant la subvention des travaux de rénovation rurale, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 28 mai 2004, 7 mars 2008, 10 octobre 2008 et 16 novembre 2012 ;
2° l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 mai 2004 relatif à la procédure d'établissement des plans de rénovation rurale et abrogeant l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 juin 1996 établissant des règles particulières en matière de rénovation rurale et modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 mars 1998 portant la subvention des travaux de rénovation rurale, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand du 7 mars 2008, 10 octobre 2008, 29 mai 2009, 4 décembre 2009, 10 juin 2011 et 11 janvier 2013.
1° l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 mars 1998 portant la subvention des travaux de rénovation rurale, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 28 mai 2004, 7 mars 2008, 10 octobre 2008 et 16 novembre 2012 ;
2° l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 mai 2004 relatif à la procédure d'établissement des plans de rénovation rurale et abrogeant l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 juin 1996 établissant des règles particulières en matière de rénovation rurale et modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 mars 1998 portant la subvention des travaux de rénovation rurale, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand du 7 mars 2008, 10 octobre 2008, 29 mai 2009, 4 décembre 2009, 10 juin 2011 et 11 janvier 2013.
Art. 7.1.1.8. Op de projecten die op grond van hoofdstuk VII van het decreet van 21 december 1988 houdende oprichting van de Vlaamse Landmaatschappij zijn aangevat voor de inwerkingtreding van dit artikel, blijven de bepalingen van de besluiten van de Vlaamse Regering, vermeld in artikel 7.1.1.7, van toepassing zoals die geldig waren voor de inwerkingtreding van dit artikel.
In afwijking van het eerste lid worden na de inwerkingtreding van dit artikel de inrichtingsplannen die nog niet zijn bezorgd aan het college van burgemeester en schepenen conform artikel 10, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 mei 2004 betreffende de procedure tot opmaak van landinrichtingsplannen en houdende opheffing van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 1996 houdende nadere regelen betreffende de landinrichting en houdende wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 maart 1998 houdende subsidiëring van de landinrichtingswerken, opgemaakt als landinrichtingsplannen conform de bepalingen van deel 3, titel 3, hoofdstuk 1 van dit besluit. De bepalingen van deel 1, deel 2 en deel 3, titel 4 van dit besluit zijn ook van toepassing op die landinrichtingsplannen.
In afwijking van het eerste lid worden na de inwerkingtreding van dit artikel de inrichtingsplannen die nog niet zijn bezorgd aan het college van burgemeester en schepenen conform artikel 10, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 mei 2004 betreffende de procedure tot opmaak van landinrichtingsplannen en houdende opheffing van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 1996 houdende nadere regelen betreffende de landinrichting en houdende wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 maart 1998 houdende subsidiëring van de landinrichtingswerken, opgemaakt als landinrichtingsplannen conform de bepalingen van deel 3, titel 3, hoofdstuk 1 van dit besluit. De bepalingen van deel 1, deel 2 en deel 3, titel 4 van dit besluit zijn ook van toepassing op die landinrichtingsplannen.
Art. 7.1.1.8. Les projets qui ont été initiés sur la base du chapitre VII du décret du 21 décembre 1988 portant création d'une Société flamande terrienne avant l'entrée en vigueur du présent article, restent soumis aux dispositions des arrêtés du Gouvernement flamand, visés à l'article 7.1.1.7, tels qu'ils s'appliquaient avant l'entrée en vigueur du présent article.
Par dérogation à l'alinéa premier, les plans d'aménagement qui, après l'entrée en vigueur du présent article, n'ont pas encore été remis au collège des bourgmestre et échevins, conformément à l'article 10, alinéa deux de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 mai 2004 relatif à la procédure d'établissement des plans de rénovation rurale et abrogeant l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 juin 1996 établissant des règles particulières en matière de rénovation rurale et modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 mars 1998 portant la subvention des travaux de rénovation rurale, sont établis comme des plans de rénovation rurale, conformément aux dispositions de la partie 3, titre 3, chapitre 1er du présent arrêté. Les dispositions de la partie 1ère, partie 2 et partie 3, titre 4 du présent arrêté s'appliquent aussi à ces plans de rénovation rurale.
Par dérogation à l'alinéa premier, les plans d'aménagement qui, après l'entrée en vigueur du présent article, n'ont pas encore été remis au collège des bourgmestre et échevins, conformément à l'article 10, alinéa deux de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 mai 2004 relatif à la procédure d'établissement des plans de rénovation rurale et abrogeant l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 juin 1996 établissant des règles particulières en matière de rénovation rurale et modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 mars 1998 portant la subvention des travaux de rénovation rurale, sont établis comme des plans de rénovation rurale, conformément aux dispositions de la partie 3, titre 3, chapitre 1er du présent arrêté. Les dispositions de la partie 1ère, partie 2 et partie 3, titre 4 du présent arrêté s'appliquent aussi à ces plans de rénovation rurale.
Art. 7.1.1.9. Deel 3 van het decreet van 28 maart 2014 en artikelen 7.2.2, 7.2.4, 7.2.5, 7.4.1 en 7.5.3 van het decreet van 28 maart 2014 treden in werking op de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
Art. 7.1.1.9. La partie 3 du décret du 28 mars 2014 et les articles 7.2.2, 7.2.4, 7.2.5, 7.4.1 et 7.5.3 du décret du 28 mars 2014 entrent en vigueur à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté.
Art. 7.1.1.10. De Vlaamse minister, bevoegd voor de landinrichting en het natuurbehoud, en de Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, zijn, ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 7.1.1.10. Le Ministre flamand ayant la rénovation rurale et la conservation de la nature dans ses attributions et le Ministre flamand ayant l'aménagement du territoire dans ses attributions, sont chargés, chacun en ce qui le ou la concerne, de l'exécution du présent arrêté.