Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 27-08-2014 en tekstbijwerking tot 20-12-2017)
Titre
25 AVRIL 2014. - Décret concernant le maintien du permis d'environnement (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 27-08-2014 et mise à jour au 20-12-2017)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
Tekst (157)
Texte (157)
Hoofdstuk 1. - Algemene bepaling
Chapitre 1er. - Disposition générale
Artikel 1. Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid.
Article 1er. Le présent décret règle une matière régionale.
Hoofdstuk 2. - Wijzigingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009
Chapitre 2. - Modifications au Code flamand de l'Aménagement du territoire du 15 mai 2009
Art. 2. In artikel 1.1.2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, gewijzigd bij het decreet van 11 mei 2012, wordt punt 12° opgeheven.
Art. 2. A l'article 1.1.2 du Code flamand de l'Aménagement du territoire du 15 mai 2009, modifié par le décret du 11 mai 2012, le point 12° est abrogé.
Art. 3. In titel I, hoofdstuk IV, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010, worden in het opschrift van afdeling 1 de woorden "stedenbouwkundige inspecteurs en" opgeheven.
Art. 3. Au titre Ier, chapitre IV, du même code, modifié par le décret du 16 juillet 2010, dans l'intitulé de la section 1, les mots " les inspecteurs urbanistes et " sont abrogés.
Art. 4. Artikel 1.4.3 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 1.4.3. De Vlaamse Regering bepaalt de aanstellingsprocedure van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaren, belast met taken inzake lokale ruimtelijke planning en vergunningverlening.
De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaraan personen moeten voldoen om als gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar te kunnen worden aangesteld.".
"Art. 1.4.3. De Vlaamse Regering bepaalt de aanstellingsprocedure van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaren, belast met taken inzake lokale ruimtelijke planning en vergunningverlening.
De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaraan personen moeten voldoen om als gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar te kunnen worden aangesteld.".
Art. 4. L'article 1.4.3 du même code est remplacé par ce qui suit :
" Art. 1.4.3. Le Gouvernement flamand fixe la procédure de désignation des fonctionnaires urbanistes régionaux chargés des tâches relatives à la planification spatiale locale et à l'octroi d'autorisations.
Le Gouvernement flamand fixe les conditions auxquelles doivent satisfaire les candidats pour pouvoir être désignés comme inspecteurs urbanistes ou fonctionnaires urbanistes régionaux. ".
" Art. 1.4.3. Le Gouvernement flamand fixe la procédure de désignation des fonctionnaires urbanistes régionaux chargés des tâches relatives à la planification spatiale locale et à l'octroi d'autorisations.
Le Gouvernement flamand fixe les conditions auxquelles doivent satisfaire les candidats pour pouvoir être désignés comme inspecteurs urbanistes ou fonctionnaires urbanistes régionaux. ".
Art. 5. Aan titel I, hoofdstuk IV, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010, wordt een afdeling 4 toegevoegd, die luidt als volgt :
"Afdeling 4. - De [1 ...]1 gewestelijke en gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteurs"
"Afdeling 4. - De [1 ...]1 gewestelijke en gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteurs"
Modifications
Art. 5. Au titre Ier, chapitre IV, du même code, modifié par le décret du 16 juillet 2010, une division 4 est ajoutée, laquelle s'énonce comme suit :
" Section 4. - Les [1 ...]1 inspecteurs urbanistes régionaux et communaux "
" Section 4. - Les [1 ...]1 inspecteurs urbanistes régionaux et communaux "
Modifications
Art. 6. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan afdeling 4, toegevoegd bij artikel 5, een artikel 1.4.9 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 1.4.9. De Vlaamse Regering kan voorwaarden bepalen waaraan personen moeten voldoen om als [1 ...]1 gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur of gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur als vermeld in artikel 6.1.1, 1° [1 ...]1 en 3°, te kunnen worden aangesteld.
Alleen gewestelijke [1 personeelsleden]1 kunnen worden aangesteld als [1 ...]1 gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur. Voor de aanstelling van de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur, kan het college van burgemeester en schepenen een beroep doen op eigen personeel of op personeel van een intergemeentelijk samenwerkingsverband.".
"Art. 1.4.9. De Vlaamse Regering kan voorwaarden bepalen waaraan personen moeten voldoen om als [1 ...]1 gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur of gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur als vermeld in artikel 6.1.1, 1° [1 ...]1 en 3°, te kunnen worden aangesteld.
Alleen gewestelijke [1 personeelsleden]1 kunnen worden aangesteld als [1 ...]1 gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur. Voor de aanstelling van de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur, kan het college van burgemeester en schepenen een beroep doen op eigen personeel of op personeel van een intergemeentelijk samenwerkingsverband.".
Modifications
Art. 6. Dans le même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, au chapitre VI, il est inséré un article 1.4.9, qui s'énonce comme suit :
" Art. 1.4.9. Le Gouvernement flamand peut fixer les conditions auxquelles doivent satisfaire les candidats pour pouvoir être désignés, respectivement, comme [1 ...]1 inspecteurs urbanistes régionaux ou inspecteurs urbanistes communaux, conformément à l'article 6.1.1, 1°[1 ...]1 et 3°.
Seuls les [1 membres du personnel]1 régionaux peuvent être désignés en tant que [1 ...]1 inspecteurs urbanistes régionaux. Pour la désignation de l'inspecteur urbaniste communal, le collège des bourgmestre et échevins peut faire appel à son propre personnel ou au personnel d'un partenariat intercommunal. ".
" Art. 1.4.9. Le Gouvernement flamand peut fixer les conditions auxquelles doivent satisfaire les candidats pour pouvoir être désignés, respectivement, comme [1 ...]1 inspecteurs urbanistes régionaux ou inspecteurs urbanistes communaux, conformément à l'article 6.1.1, 1°[1 ...]1 et 3°.
Seuls les [1 membres du personnel]1 régionaux peuvent être désignés en tant que [1 ...]1 inspecteurs urbanistes régionaux. Pour la désignation de l'inspecteur urbaniste communal, le collège des bourgmestre et échevins peut faire appel à son propre personnel ou au personnel d'un partenariat intercommunal. ".
Modifications
Art. 7. In artikel 5.2.1, § 1, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid wordt punt 3° vervangen door wat volgt :
"3° of het onroerend goed het voorwerp uitmaakt van een maatregel als vermeld in titel VI, hoofdstuk III en IV, dan wel of een procedure voor het opleggen van een dergelijke maatregel hangende is;";
2° het vierde lid wordt opgeheven;
3° in het vijfde lid wordt de zinsnede "6.1.1, eerste lid, 4° " vervangen door de zinsnede "6.2.2, eerste lid, 4° " en wordt de zinsnede "6.3.1" vervangen door de zinsnede "6.6.2".
1° in het eerste lid wordt punt 3° vervangen door wat volgt :
"3° of het onroerend goed het voorwerp uitmaakt van een maatregel als vermeld in titel VI, hoofdstuk III en IV, dan wel of een procedure voor het opleggen van een dergelijke maatregel hangende is;";
2° het vierde lid wordt opgeheven;
3° in het vijfde lid wordt de zinsnede "6.1.1, eerste lid, 4° " vervangen door de zinsnede "6.2.2, eerste lid, 4° " en wordt de zinsnede "6.3.1" vervangen door de zinsnede "6.6.2".
Art. 7. A l'article 5.2.1, § 1er, du même code, modifié par le décret du vendredi 16 juillet 2010, les modifications suivantes sont apportées :
1° au premier alinéa, le point 3° est remplacé par ce qui suit :
" 3° si le bien immeuble fait l'objet d'une mesure telle que visée au titre IV, chapitre III et IV, ou si une procédure est en cours pour l'imposition de cette mesure ; " ;
2° le quatrième alinéa est abrogé ;
3° au cinquième alinéa, le passage " 6.1.1, premier alinéa, 4° " est remplacé par le passage " 6.2.2, premier alinéa, 4° " et le passage " 6.3.1 " est remplacé par le passage " 6.6.2 ".
1° au premier alinéa, le point 3° est remplacé par ce qui suit :
" 3° si le bien immeuble fait l'objet d'une mesure telle que visée au titre IV, chapitre III et IV, ou si une procédure est en cours pour l'imposition de cette mesure ; " ;
2° le quatrième alinéa est abrogé ;
3° au cinquième alinéa, le passage " 6.1.1, premier alinéa, 4° " est remplacé par le passage " 6.2.2, premier alinéa, 4° " et le passage " 6.3.1 " est remplacé par le passage " 6.6.2 ".
Art. 8. In artikel 5.2.5, eerste lid, van dezelfde codex wordt de zinsnede "de dagvaardingen die met betrekking tot het goed werden uitgebracht overeenkomstig artikel 6.1.1 of artikel 6.1.41 tot en met 6.1.43 alsook iedere in de zaak gewezen beslissing" vervangen door de zinsnede "de maatregelen, vermeld in titel VI, hoofdstuk III en IV, die werden opgelegd met betrekking tot het goed of de hangende procedures die strekken tot het opleggen van dergelijke maatregelen".
Art. 8. A l'article 5.2.5, premier alinéa, du même code, le passage " les convocations qui ont été émises par rapport au bien, conformément à l'article 6.1.1 ou aux articles 6.1.41 à 6.1.43 inclus, ainsi que chacune des décisions prises dans le cadre de l'affaire " est remplacé par le passage " les mesures visées au titre IV, chapitre III et IV, qui ont été imposées par rapport au bien ou les procédures en cours qui s'étendent à l'imposition de telles mesures ".
Art. 9. In artikel 5.2.6, eerste lid, van dezelfde codex wordt punt 3° vervangen door wat volgt :
"3° of het onroerend goed het voorwerp uitmaakt van een maatregel als vermeld in titel VI, hoofdstuk III en IV, dan wel of een procedure voor het opleggen van een dergelijke maatregel hangende is;".
"3° of het onroerend goed het voorwerp uitmaakt van een maatregel als vermeld in titel VI, hoofdstuk III en IV, dan wel of een procedure voor het opleggen van een dergelijke maatregel hangende is;".
Art. 9. A l'article 5.2.6, premier alinéa, du même code, le point 3° est remplacé par ce qui suit :
" 3° si le bien immeuble fait l'objet d'une mesure telle que visée au titre IV, chapitre III et IV, ou si une procédure est en cours pour l'imposition de cette mesure ; ".
" 3° si le bien immeuble fait l'objet d'une mesure telle que visée au titre IV, chapitre III et IV, ou si une procédure est en cours pour l'imposition de cette mesure ; ".
Art. 10. In artikel 5.4.3 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 2, tweede lid, 3°, wordt de zinsnede ", vermeld in artikel 6.1.1" vervangen door de zinsnede "of een inbreuk als vermeld in artikel 6.2.1 en 6.2.2.";
2° in paragraaf 3, tweede lid, wordt punt 1° vervangen door wat volgt :
"1° wordt het strijdige gebruik van het weekendverblijf niet beschouwd als een schending van deze codex;";
3° in paragraaf 3, tweede lid, 2°, wordt de zinsnede "op grond van de artikelen 6.1.1 en 6.1.41 tot en met 6.1.43" opgeheven.
1° in paragraaf 2, tweede lid, 3°, wordt de zinsnede ", vermeld in artikel 6.1.1" vervangen door de zinsnede "of een inbreuk als vermeld in artikel 6.2.1 en 6.2.2.";
2° in paragraaf 3, tweede lid, wordt punt 1° vervangen door wat volgt :
"1° wordt het strijdige gebruik van het weekendverblijf niet beschouwd als een schending van deze codex;";
3° in paragraaf 3, tweede lid, 2°, wordt de zinsnede "op grond van de artikelen 6.1.1 en 6.1.41 tot en met 6.1.43" opgeheven.
Art. 10. A l'article 5.4.3 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 2, deuxième alinéa, 3°, le passage " , ainsi que mentionné dans l'article 6.1.1 " est remplacé par le passage " ou une infraction telle que visée aux articles 6.2.1 et 6.2.2. " ;
2° au paragraphe 3, deuxième alinéa, le point 1° est remplacé par ce qui suit :
" 1° l'utilisation contradictoire de la résidence de week-end n'est pas considérée comme une violation du présent code ; " ;
3° au paragraphe 3, deuxième alinéa, 2°, le passage " en vertu de l'article 6.1.1 et des articles 6.1.41 à 6.1.43 inclus " est abrogé.
1° au paragraphe 2, deuxième alinéa, 3°, le passage " , ainsi que mentionné dans l'article 6.1.1 " est remplacé par le passage " ou une infraction telle que visée aux articles 6.2.1 et 6.2.2. " ;
2° au paragraphe 3, deuxième alinéa, le point 1° est remplacé par ce qui suit :
" 1° l'utilisation contradictoire de la résidence de week-end n'est pas considérée comme une violation du présent code ; " ;
3° au paragraphe 3, deuxième alinéa, 2°, le passage " en vertu de l'article 6.1.1 et des articles 6.1.41 à 6.1.43 inclus " est abrogé.
Art. 12. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt het opschrift van titel VI vervangen door wat volgt :
"TITEL VI. - Handhaving"
"TITEL VI. - Handhaving"
Art. 12. Dans le même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, l'intitulé du titre VI est remplacé par ce qui suit :
" TITRE VI. - Maintien "
" TITRE VI. - Maintien "
Art. 13. In titel VI van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010 en 11 mei 2012, wordt het opschrift van hoofdstuk I vervangen door wat volgt :
"Hoofdstuk I. - Inleidende bepalingen"
"Hoofdstuk I. - Inleidende bepalingen"
Art. 13. Au titre VI du même code, modifié par les décrets des 16 juillet 2010 et 11 mai 2012, l'intitulé du chapitre Ier est remplacé par ce qui suit :
" Chapitre Ier. - Dispositions introductives "
" Chapitre Ier. - Dispositions introductives "
Art. 14. In titel VI, hoofdstuk I, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010 en 11 mei 2012, wordt het opschrift van afdeling 1 vervangen door wat volgt :
"Afdeling 1. - Definities"
"Afdeling 1. - Definities"
Art. 14. Au titre VI, chapitre Ier, du même code, modifié par les décrets des 16 juillet 2010 et 11 mai 2012, l'intitulé de la section 1 est remplacé par ce qui suit :
" Section 1re. - Définitions "
" Section 1re. - Définitions "
Art. 15. Artikel 6.1.1 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010, wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 6.1.1. In deze titel wordt verstaan onder :
1° [1 gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur: het personeelslid dat belast is met de uitvoering van de handhaving van de ruimtelijke ordening, vermeld in deze titel, bevoegd voor het grondgebied van een of meer gemeenten die het college of de colleges van burgemeester en schepenen van de gemeente of de gemeenten in kwestie daarvoor als zodanig hebben aangesteld zoals vermeld in artikel 1.4.9, tweede lid;]1
2° [1 gewestelijke entiteit: de subentiteit, die de Vlaamse Regering aanwijst om de alternatieve en bestuurlijke geldboete of de exclusieve geldboete op te leggen zoals bedoeld in artikel 16.1.2, 4°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;]1
3° [1 gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur: het gewestelijke personeelslid dat belast is met de uitvoering van de handhaving van de ruimtelijke ordening, vermeld in deze titel, bevoegd voor het geheel of voor onderdelen van het grondgebied van het Vlaamse Gewest, die de Vlaamse Regering als zodanig heeft aangesteld als gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur zoals vermeld in artikel 1.4.9, tweede lid;]1
4° Handhavingscollege : het administratief rechtscollege, vermeld in artikel 16.4.19 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
5° openruimtegebied : hetzij de landelijke en recreatiegebieden, aangewezen op plannen van aanleg, voor zover ze geen ruimtelijk kwetsbaar gebied uitmaken, hetzij de gebieden, aangewezen op ruimtelijke uitvoeringsplannen, die vallen onder een van de volgende categorieën :
a) de categorie van gebiedsaanduiding `landbouw' of `recreatie';
b) de subcategorie `gemengd openruimtegebied', voor zover het gebied geen onderdeel is van het Vlaams Ecologisch Netwerk;
6° overtreder : de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die het stedenbouwkundige misdrijf of de stedenbouwkundige inbreuk heeft uitgevoerd, er opdracht toe heeft gegeven of er zijn medewerking aan heeft verleend;
7° Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu : de gewestelijke raad bedoeld in artikel 16.2.2 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.
[1 8° verbalisant ruimtelijke ordening: het personeelslid, bedoeld in artikel 6.2.5/1, dat belast is met de uitvoering van de handhaving van de ruimtelijke ordening vermeld in deze titel.]1 ".
"Art. 6.1.1. In deze titel wordt verstaan onder :
1° [1 gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur: het personeelslid dat belast is met de uitvoering van de handhaving van de ruimtelijke ordening, vermeld in deze titel, bevoegd voor het grondgebied van een of meer gemeenten die het college of de colleges van burgemeester en schepenen van de gemeente of de gemeenten in kwestie daarvoor als zodanig hebben aangesteld zoals vermeld in artikel 1.4.9, tweede lid;]1
2° [1 gewestelijke entiteit: de subentiteit, die de Vlaamse Regering aanwijst om de alternatieve en bestuurlijke geldboete of de exclusieve geldboete op te leggen zoals bedoeld in artikel 16.1.2, 4°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;]1
3° [1 gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur: het gewestelijke personeelslid dat belast is met de uitvoering van de handhaving van de ruimtelijke ordening, vermeld in deze titel, bevoegd voor het geheel of voor onderdelen van het grondgebied van het Vlaamse Gewest, die de Vlaamse Regering als zodanig heeft aangesteld als gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur zoals vermeld in artikel 1.4.9, tweede lid;]1
4° Handhavingscollege : het administratief rechtscollege, vermeld in artikel 16.4.19 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
5° openruimtegebied : hetzij de landelijke en recreatiegebieden, aangewezen op plannen van aanleg, voor zover ze geen ruimtelijk kwetsbaar gebied uitmaken, hetzij de gebieden, aangewezen op ruimtelijke uitvoeringsplannen, die vallen onder een van de volgende categorieën :
a) de categorie van gebiedsaanduiding `landbouw' of `recreatie';
b) de subcategorie `gemengd openruimtegebied', voor zover het gebied geen onderdeel is van het Vlaams Ecologisch Netwerk;
6° overtreder : de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die het stedenbouwkundige misdrijf of de stedenbouwkundige inbreuk heeft uitgevoerd, er opdracht toe heeft gegeven of er zijn medewerking aan heeft verleend;
7° Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu : de gewestelijke raad bedoeld in artikel 16.2.2 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.
[1 8° verbalisant ruimtelijke ordening: het personeelslid, bedoeld in artikel 6.2.5/1, dat belast is met de uitvoering van de handhaving van de ruimtelijke ordening vermeld in deze titel.]1 ".
Modifications
Art. 15. L'article 6.1.1 du même code, modifié par le décret du 16 juillet 2010, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 6.1.1. Dans ce titre, il y a lieu d'entendre par :
1° [1 inspecteur urbaniste communal : le membre du personnel chargé de l'exécution du maintien de l'aménagement du territoire, visé dans ce titre, compétent pour le territoire d'une ou de plusieurs communes ayant désigné à cet effet le ou les collèges des bourgmestre et échevins de la ou des communes concernées, comme visé à l'article 1.4.9, deuxième alinéa ;]1
2° [1 entité régionale : la sous-entité désignée par le Gouvernement flamand pour imposer l'amende administrative alternative ou l'amende administrative exclusive visées à l'article 16.1.2, 4° du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement;]1
3° [1 inspecteur urbaniste régional : le membre du personnel régional chargé de l'exécution du maintien de l'aménagement du territoire, visé dans ce titre, compétent pour tout ou partie du territoire de la Région flamande, qui a été désigné comme tel par le Gouvernement flamand en tant qu'inspecteur urbaniste régional tel que visé à l'article 1.4.9, deuxième alinéa;]1
4° Collège de maintien : la juridiction administrative visée à l'article 16.4.19 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ;
5° zone d'espace ouvert : soit les zones rurales et les zones de récréation, indiquées sur les plans d'aménagement, pour autant qu'elles ne fassent pas partie d'une zone vulnérable du point de vue spatial, soit des zones, indiquées sur les plans d'exécution spatiaux, qui relèvent d'une des catégories suivantes :
a) la catégorie d'affectation de zone " agriculture " ou " récréation " ;
b) la sous-catégorie " zone d'espace ouvert mixte ", pour autant que la zone ne fasse pas partie du Réseau écologique flamand ;
6° contrevenant : la personne physique ou la personne morale qui a commis le délit urbanistique ou l'infraction urbanistique, a ordonné de la commettre ou y a apporté son concours ;
7° Le " Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu " (Conseil supérieur flamand pour l'Aménagement du territoire et l'Environnement) : le conseil régional visé à l'article 16.2.2 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
[1 8° agent verbalisateur de l'aménagement du territoire : le membre du personnel, visé à l'article 6.2.5/1, qui est chargé de l'exécution du maintien de l'aménagement du territoire visé dans ce titre.]1".
" Art. 6.1.1. Dans ce titre, il y a lieu d'entendre par :
1° [1 inspecteur urbaniste communal : le membre du personnel chargé de l'exécution du maintien de l'aménagement du territoire, visé dans ce titre, compétent pour le territoire d'une ou de plusieurs communes ayant désigné à cet effet le ou les collèges des bourgmestre et échevins de la ou des communes concernées, comme visé à l'article 1.4.9, deuxième alinéa ;]1
2° [1 entité régionale : la sous-entité désignée par le Gouvernement flamand pour imposer l'amende administrative alternative ou l'amende administrative exclusive visées à l'article 16.1.2, 4° du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement;]1
3° [1 inspecteur urbaniste régional : le membre du personnel régional chargé de l'exécution du maintien de l'aménagement du territoire, visé dans ce titre, compétent pour tout ou partie du territoire de la Région flamande, qui a été désigné comme tel par le Gouvernement flamand en tant qu'inspecteur urbaniste régional tel que visé à l'article 1.4.9, deuxième alinéa;]1
4° Collège de maintien : la juridiction administrative visée à l'article 16.4.19 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ;
5° zone d'espace ouvert : soit les zones rurales et les zones de récréation, indiquées sur les plans d'aménagement, pour autant qu'elles ne fassent pas partie d'une zone vulnérable du point de vue spatial, soit des zones, indiquées sur les plans d'exécution spatiaux, qui relèvent d'une des catégories suivantes :
a) la catégorie d'affectation de zone " agriculture " ou " récréation " ;
b) la sous-catégorie " zone d'espace ouvert mixte ", pour autant que la zone ne fasse pas partie du Réseau écologique flamand ;
6° contrevenant : la personne physique ou la personne morale qui a commis le délit urbanistique ou l'infraction urbanistique, a ordonné de la commettre ou y a apporté son concours ;
7° Le " Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu " (Conseil supérieur flamand pour l'Aménagement du territoire et l'Environnement) : le conseil régional visé à l'article 16.2.2 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
[1 8° agent verbalisateur de l'aménagement du territoire : le membre du personnel, visé à l'article 6.2.5/1, qui est chargé de l'exécution du maintien de l'aménagement du territoire visé dans ce titre.]1".
Modifications
Art. 16. Artikel 6.1.2 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 6.1.2. De toepassing van deze titel strekt tot vrijwaring van de goede ruimtelijke ordening, bedoeld in artikel 4.3.1, § 2, van deze codex.".
"Art. 6.1.2. De toepassing van deze titel strekt tot vrijwaring van de goede ruimtelijke ordening, bedoeld in artikel 4.3.1, § 2, van deze codex.".
Art. 16. L'article 6.1.2 du même code est remplacé par ce qui suit :
" Art. 6.1.2. L'application du présent titre s'étend à la sauvegarde d'un bon aménagement du territoire, telle que visée à l'article 4.3.1, § 2, de ce code. ".
" Art. 6.1.2. L'application du présent titre s'étend à la sauvegarde d'un bon aménagement du territoire, telle que visée à l'article 4.3.1, § 2, de ce code. ".
Art. 17. In titel VI, hoofdstuk I, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010 en 11 mei 2012, wordt onder artikel 6.1.2 een nieuwe afdeling 2 ingevoegd, die luidt als volgt :
"Afdeling 2. - Handhavingsbeleid Ruimtelijke Ordening"
"Afdeling 2. - Handhavingsbeleid Ruimtelijke Ordening"
Art. 17. Au titre VI, chapitre Ier, du même code, modifié par les décrets des 16 juillet 2010 et 11 mai 2012, une nouvelle division 2 est ajoutée sous l'article 6.1.2 et s'énonce comme suit :
" DIVISION 2. - Politique de maintien en matière d'Aménagement du territoire "
" DIVISION 2. - Politique de maintien en matière d'Aménagement du territoire "
Art. 18. Artikel 6.1.3 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 6.1.3. § 1. Met inachtneming van de prerogatieven van de bevoegde overheden is de Vlaamse Regering belast met de coördinatie en de inhoudelijke invulling van het handhavingsbeleid inzake de ruimtelijke ordening.
De Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu coördineert de opmaak van een handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening. De raad verzoekt het departement om een ontwerp en wint vervolgens adviezen in bij de handhavingsinstanties die belast zijn met de handhaving van deze codex en van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en van titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.
De Vlaamse Regering stelt het handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening vast op voorstel van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu. Het vastgestelde handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening treedt pas in werking na de goedkeuring door het Vlaams Parlement en blijft gelden zolang het niet geheel of gedeeltelijk wordt herzien.
Het handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening omvat minstens de gewestelijke handhavingsprioriteiten en de gewestelijke beleidslijnen voor :
1° de vaststelling, aanmaning en vervolging van stedenbouwkundige misdrijven en inbreuken;
2° het bestuurlijk sepot bij de beboeting van misdrijven en inbreuken;
3° de keuze tussen het vorderen van gerechtelijk herstel en het opleggen van bestuurlijke maatregelen;
4° de keuze tussen bestuursdwang en last onder dwangsom;
5° de ambtshalve uitvoering van gerechtelijke uitspraken en bestuurlijke besluiten;
6° de invordering van verbeurde dwangsommen;
7° transparantie en communicatie;
8° de inschrijving van wettelijke hypotheken;
9° de prioriteiten in de ambtshalve uitvoering van gerechtelijke uitspraken waarvan de uitvoeringstermijn meer dan tien jaar is verstreken.
Het kan ook aanbevelingen bevatten inzake de handhaving van de ruimtelijke ordening op gemeentelijk niveau en de samenwerking met en tussen de betrokken beleidsniveaus.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de inhoud, de opstelling en verspreiding van het handhavingsprogramma.
§ 2. Jaarlijks stelt de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu een handhavingsrapport Ruimtelijke Ordening op. Alle instanties die belast zijn met de handhaving van de ruimtelijke ordening, stellen, hetzij op eenvoudige vraag van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu, hetzij uit eigen beweging, alle informatie waarover ze beschikken en die van nut kan zijn voor de opstelling van het handhavingsrapport, vrijwillig ter beschikking van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu.
Het handhavingsrapport Ruimtelijke Ordening omvat minstens de volgende onderdelen :
1° een algemene evaluatie van het gewestelijke handhavingsbeleid dat in het afgelopen kalenderjaar is gevoerd;
2° een specifieke evaluatie van de inzet van de afzonderlijke handhavingsinstrumenten;
3° een overzicht van de gevallen waarin, binnen de gestelde termijn, geen uitspraak werd gedaan over de beroepen tegen besluiten houdende bestuurlijke maatregelen;
4° een evaluatie van de beslissingspraktijk van de parketten inzake het al dan niet strafrechtelijk behandelen van een vastgesteld stedenbouwkundig misdrijf;
5° een overzicht en vergelijking van het door de gemeenten gevoerde handhavingsbeleid;
6° een inventaris van de inzichten die tijdens de handhaving werden opgedaan en die kunnen worden aangewend voor de verbetering van de regelgeving, beleidsvisies en beleidsuitvoering;
7° aanbevelingen voor de verdere ontwikkeling van het handhavingsbeleid.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de inhoud, de opstelling en verspreiding van het handhavingsrapport.".
"Art. 6.1.3. § 1. Met inachtneming van de prerogatieven van de bevoegde overheden is de Vlaamse Regering belast met de coördinatie en de inhoudelijke invulling van het handhavingsbeleid inzake de ruimtelijke ordening.
De Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu coördineert de opmaak van een handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening. De raad verzoekt het departement om een ontwerp en wint vervolgens adviezen in bij de handhavingsinstanties die belast zijn met de handhaving van deze codex en van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en van titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.
De Vlaamse Regering stelt het handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening vast op voorstel van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu. Het vastgestelde handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening treedt pas in werking na de goedkeuring door het Vlaams Parlement en blijft gelden zolang het niet geheel of gedeeltelijk wordt herzien.
Het handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening omvat minstens de gewestelijke handhavingsprioriteiten en de gewestelijke beleidslijnen voor :
1° de vaststelling, aanmaning en vervolging van stedenbouwkundige misdrijven en inbreuken;
2° het bestuurlijk sepot bij de beboeting van misdrijven en inbreuken;
3° de keuze tussen het vorderen van gerechtelijk herstel en het opleggen van bestuurlijke maatregelen;
4° de keuze tussen bestuursdwang en last onder dwangsom;
5° de ambtshalve uitvoering van gerechtelijke uitspraken en bestuurlijke besluiten;
6° de invordering van verbeurde dwangsommen;
7° transparantie en communicatie;
8° de inschrijving van wettelijke hypotheken;
9° de prioriteiten in de ambtshalve uitvoering van gerechtelijke uitspraken waarvan de uitvoeringstermijn meer dan tien jaar is verstreken.
Het kan ook aanbevelingen bevatten inzake de handhaving van de ruimtelijke ordening op gemeentelijk niveau en de samenwerking met en tussen de betrokken beleidsniveaus.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de inhoud, de opstelling en verspreiding van het handhavingsprogramma.
§ 2. Jaarlijks stelt de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu een handhavingsrapport Ruimtelijke Ordening op. Alle instanties die belast zijn met de handhaving van de ruimtelijke ordening, stellen, hetzij op eenvoudige vraag van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu, hetzij uit eigen beweging, alle informatie waarover ze beschikken en die van nut kan zijn voor de opstelling van het handhavingsrapport, vrijwillig ter beschikking van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu.
Het handhavingsrapport Ruimtelijke Ordening omvat minstens de volgende onderdelen :
1° een algemene evaluatie van het gewestelijke handhavingsbeleid dat in het afgelopen kalenderjaar is gevoerd;
2° een specifieke evaluatie van de inzet van de afzonderlijke handhavingsinstrumenten;
3° een overzicht van de gevallen waarin, binnen de gestelde termijn, geen uitspraak werd gedaan over de beroepen tegen besluiten houdende bestuurlijke maatregelen;
4° een evaluatie van de beslissingspraktijk van de parketten inzake het al dan niet strafrechtelijk behandelen van een vastgesteld stedenbouwkundig misdrijf;
5° een overzicht en vergelijking van het door de gemeenten gevoerde handhavingsbeleid;
6° een inventaris van de inzichten die tijdens de handhaving werden opgedaan en die kunnen worden aangewend voor de verbetering van de regelgeving, beleidsvisies en beleidsuitvoering;
7° aanbevelingen voor de verdere ontwikkeling van het handhavingsbeleid.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de inhoud, de opstelling en verspreiding van het handhavingsrapport.".
Art. 18. L'article 6.1.3 du même code est remplacé par ce qui suit :
" Art. 6.1.3. § 1er. Compte tenu des prérogatives des autorités compétentes, le Gouvernement flamand est chargé de la coordination et de la concrétisation de la politique de maintien en matière d'aménagement du territoire.
Le " Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu " coordonne l'établissement d'un programme de maintien en matière d'aménagement du territoire. Le conseil demande au département d'établir un projet et recueille ensuite des avis auprès des organes de maintien qui sont chargés du maintien du présent code et du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement et du titre V du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
Le Gouvernement flamand établit le programme de maintien en matière d'aménagement du territoire sur la proposition du " Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu ". Le programme de maintien en matière d'aménagement du territoire établi n'entre en vigueur qu'après approbation par le Parlement flamand et reste valable tant qu'il n'est pas totalement ou partiellement revu.
Le programme de maintien en matière d'aménagement du territoire contient au moins les priorités régionales en matière de maintien et les directives régionales en ce qui concerne :
1° la constatation, la mise en demeure et la poursuite relatives aux délits et infractions urbanistiques ;
2° le classement administratif lors de l'imposition d'une amende dans le cadre des délits et infractions ;
3° le choix entre la réclamation d'une réparation judiciaire et l'imposition de mesures administratives ;
4° le choix entre la contrainte administrative et l'obligation sous astreinte ;
5° l'exécution d'office des prononcés judiciaires et des arrêtés administratifs ;
6° le recouvrement des astreintes encourues ;
7° la transparence et la communication ;
8° l'inscription des hypothèques légales ;
9° les priorités en matière d'exécution d'office des prononcés judiciaires dont le délai d'exécution a expiré depuis plus de dix ans.
Il peut également contenir des recommandations concernant le maintien de l'aménagement du territoire au niveau communal et la collaboration avec et entre les niveaux de politique concernés.
Le Gouvernement flamand peut arrêter d'autres modalités concernant le contenu, l'établissement et la diffusion du programme de maintien.
§ 2. Chaque année, le " Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu " dresse un rapport sur le maintien de l'aménagement du territoire. Toutes les instances chargées du maintien de l'aménagement du territoire mettent volontairement, soit sur simple demande du " Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu ", soit de leur propre initiative, toutes les informations dont elles disposent et qui peuvent être utiles à l'établissement du rapport de maintien à la disposition du " Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu ".
Le rapport de maintien de l'Aménagement du territoire contient au moins les éléments ci-dessous :
1° une évaluation générale de la politique de maintien régionale qui a été menée au cours de l'année civile écoulée ;
2° une évaluation spécifique de l'apport des différents instruments de maintien ;
3° un relevé des cas où, dans les délais fixés, aucun jugement n'a été rendu concernant les recours à l'encontre de décisions portant des mesures administratives ;
4° une évaluation de la pratique de décision des parquets concernant le traitement pénal ou non d'un délit urbanistique constaté ;
5° un relevé et une comparaison de la politique de maintien menée par les communes ;
6° un inventaire des connaissances acquises durant le maintien et qui pourront être utilisées en vue de l'amélioration de la réglementation, des visions politiques et de l'exécution de la politique ;
7° des recommandations en vue du développement détaillé de la politique de maintien.
Le Gouvernement flamand peut arrêter d'autres modalités concernant le contenu, l'établissement et la diffusion du rapport de maintien. ".
" Art. 6.1.3. § 1er. Compte tenu des prérogatives des autorités compétentes, le Gouvernement flamand est chargé de la coordination et de la concrétisation de la politique de maintien en matière d'aménagement du territoire.
Le " Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu " coordonne l'établissement d'un programme de maintien en matière d'aménagement du territoire. Le conseil demande au département d'établir un projet et recueille ensuite des avis auprès des organes de maintien qui sont chargés du maintien du présent code et du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement et du titre V du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
Le Gouvernement flamand établit le programme de maintien en matière d'aménagement du territoire sur la proposition du " Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu ". Le programme de maintien en matière d'aménagement du territoire établi n'entre en vigueur qu'après approbation par le Parlement flamand et reste valable tant qu'il n'est pas totalement ou partiellement revu.
Le programme de maintien en matière d'aménagement du territoire contient au moins les priorités régionales en matière de maintien et les directives régionales en ce qui concerne :
1° la constatation, la mise en demeure et la poursuite relatives aux délits et infractions urbanistiques ;
2° le classement administratif lors de l'imposition d'une amende dans le cadre des délits et infractions ;
3° le choix entre la réclamation d'une réparation judiciaire et l'imposition de mesures administratives ;
4° le choix entre la contrainte administrative et l'obligation sous astreinte ;
5° l'exécution d'office des prononcés judiciaires et des arrêtés administratifs ;
6° le recouvrement des astreintes encourues ;
7° la transparence et la communication ;
8° l'inscription des hypothèques légales ;
9° les priorités en matière d'exécution d'office des prononcés judiciaires dont le délai d'exécution a expiré depuis plus de dix ans.
Il peut également contenir des recommandations concernant le maintien de l'aménagement du territoire au niveau communal et la collaboration avec et entre les niveaux de politique concernés.
Le Gouvernement flamand peut arrêter d'autres modalités concernant le contenu, l'établissement et la diffusion du programme de maintien.
§ 2. Chaque année, le " Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu " dresse un rapport sur le maintien de l'aménagement du territoire. Toutes les instances chargées du maintien de l'aménagement du territoire mettent volontairement, soit sur simple demande du " Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu ", soit de leur propre initiative, toutes les informations dont elles disposent et qui peuvent être utiles à l'établissement du rapport de maintien à la disposition du " Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu ".
Le rapport de maintien de l'Aménagement du territoire contient au moins les éléments ci-dessous :
1° une évaluation générale de la politique de maintien régionale qui a été menée au cours de l'année civile écoulée ;
2° une évaluation spécifique de l'apport des différents instruments de maintien ;
3° un relevé des cas où, dans les délais fixés, aucun jugement n'a été rendu concernant les recours à l'encontre de décisions portant des mesures administratives ;
4° une évaluation de la pratique de décision des parquets concernant le traitement pénal ou non d'un délit urbanistique constaté ;
5° un relevé et une comparaison de la politique de maintien menée par les communes ;
6° un inventaire des connaissances acquises durant le maintien et qui pourront être utilisées en vue de l'amélioration de la réglementation, des visions politiques et de l'exécution de la politique ;
7° des recommandations en vue du développement détaillé de la politique de maintien.
Le Gouvernement flamand peut arrêter d'autres modalités concernant le contenu, l'établissement et la diffusion du rapport de maintien. ".
Art. 19. In titel VI, hoofdstuk I, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010 en 11 mei 2012, wordt afdeling 2, die bestaat uit artikel 6.1.4, opgeheven.
Art. 19. Au titre VI, chapitre Ier, du même code, modifié par les décrets des 16 juillet 2010 et 11 mai 2012, la division 2, qui se compose de l'article 6.1.4, est abrogée.
Art. 20. In titel VI, hoofdstuk I, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010 en 11 mei 2012, wordt afdeling 3, die bestaat uit artikel 6.1.5, opgeheven.
Art. 20. Au titre VI, chapitre Ier, du même code, modifié par les décrets des 16 juillet 2010 et 11 mai 2012, la division 3, qui se compose de l'article 6.1.5, est abrogée.
Art. 21. In titel VI, hoofdstuk I, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010 en 11 mei 2012, wordt afdeling 4, die bestaat uit artikel 6.1.6 tot en met 6.1.40, opgeheven.
Art. 21. Au titre VI, chapitre Ier, du même code, modifié par les décrets des 16 juillet 2010 et 11 mai 2012, la division 4, qui se compose des articles 6.1.6 à 6.1.40 inclus, est abrogée.
Art. 22. In titel VI, hoofdstuk I, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010 en 11 mei 2012, wordt afdeling 5, die bestaat uit artikel 6.1.41 tot en met 6.1.44, opgeheven.
Art. 22. Au titre VI, chapitre Ier, du même code, modifié par les décrets des 16 juillet 2010 et 11 mai 2012, la division 5, qui se compose des articles 6.1.41 à 6.1.44 inclus, est abrogée.
Art. 23. In titel VI, hoofdstuk I, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010 en 11 mei 2012, wordt afdeling 6, die bestaat uit artikel 6.1.45 en 6.1.46, opgeheven.
Art. 23. Au titre VI, chapitre Ier, du même code, modifié par les décrets des 16 juillet 2010 et 11 mai 2012, la division 6, qui se compose des articles 6.1.45 à 6.1.46 inclus, est abrogée.
Art. 24. In titel VI, hoofdstuk I, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010 en 11 mei 2012, wordt afdeling 7, die bestaat uit artikel 6.1.47 tot en met 6.1.50, opgeheven.
Art. 24. Au titre VI, chapitre Ier, du même code, modifié par les décrets des 16 juillet 2010 et 11 mai 2012, la division 7, qui se compose des articles 6.1.47 à 6.1.50 inclus, est abrogée.
Art. 25. In titel VI, hoofdstuk I, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010 en 11 mei 2012, wordt afdeling 8, die bestaat uit artikel 6.1.51 tot en met 6.1.54, opgeheven.
Art. 25. Au titre VI, chapitre Ier, du même code, modifié par les décrets des 16 juillet 2010 et 11 mai 2012, la division 8, qui se compose des articles 6.1.51 à 6.1.54 inclus, est abrogée.
Art. 26. In titel VI, hoofdstuk I, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010 en 11 mei 2012, wordt afdeling 10, die bestaat uit artikel 6.1.56, opgeheven.
Art. 26. Au titre VI, chapitre Ier, du même code, modifié par les décrets des 16 juillet 2010 et 11 mai 2012, la division 10, qui se compose de l'article 6.1.56, est abrogée.
Art. 27. In titel VI, hoofdstuk I, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010 en 11 mei 2012, wordt afdeling 11, die bestaat uit artikel 6.1.57 tot en met artikel 6.1.58, opgeheven.
Art. 27. Au titre VI, chapitre Ier, du même code, modifié par les décrets des 16 juillet 2010 et 11 mai 2012, la division 11, qui se compose des articles 6.1.57 à 6.1.58 inclus, est abrogée.
Art. 28. In titel VI van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010 en 11 mei 2012, wordt het opschrift van hoofdstuk II vervangen door wat volgt :
"Hoofdstuk II. - Sancties"
"Hoofdstuk II. - Sancties"
Art. 28. Au titre VI du même code, modifié par les décrets des 16 juillet 2010 et 11 mai 2012, l'intitulé du chapitre II est remplacé par ce qui suit :
" CHAPITRE II. - Sanctions "
" CHAPITRE II. - Sanctions "
Art. 29. In titel VI, hoofdstuk II, van dezelfde codex wordt een afdeling 1 ingevoegd, die luidt als volgt :
"Afdeling 1. - Stedenbouwkundige misdrijven en stedenbouwkundige inbreuken"
"Afdeling 1. - Stedenbouwkundige misdrijven en stedenbouwkundige inbreuken"
Art. 29. Au titre VI, chapitre II du même code, il est inséré une section 1 qui s'énonce comme suit :
" Section 1re. - Délits urbanistiques et infractions urbanistiques "
" Section 1re. - Délits urbanistiques et infractions urbanistiques "
Art. 30. Artikel 6.2.1 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 6.2.1. De hierna volgende handelingen en omissies worden stedenbouwkundige misdrijven genoemd, en worden bestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot vijf jaar en met een geldboete van 26 euro tot 400.000 euro of met een van deze straffen alleen :
1° [2 het uitvoeren van de handelingen, vermeld in artikel 4.2.1 en artikel 4.2.15, hetzij zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsvergunning, omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, hetzij in strijd met de betreffende vergunning, of het verder uitvoeren van de handelingen, vermeld in artikel 4.2.1 en artikel 4.2.15, hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de termijn van de betreffende vergunning, hetzij in geval van schorsing van de betreffende vergunning;]2
2° [1 het uitvoeren [2 ...]2 van de handelingen in strijd met een ruimtelijk uitvoeringsplan als vermeld in titel II, hoofdstuk II, of met de stedenbouwkundige en verkavelingsverordeningen, vermeld in artikel 2.3.1 tot en met 2.3.3, tenzij de uitgevoerde handelingen vergund zijn of tenzij het gaat om de handelingen, vermeld in artikel 6.2.2, 6° ;]1
3° het [2 verder uitvoeren]2 van de handelingen in strijd met het bevel tot staking, de bekrachtigingsbeslissing of, in voorkomend geval, de beschikking in kort geding;
4° het na 1 mei 2000 plegen [2 ...]2 van een schending, op welke wijze ook, van de plannen van aanleg en verordeningen die tot stand zijn gekomen volgens de bepalingen van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, en die van kracht blijven zolang en in de mate dat ze niet vervangen worden door nieuwe voorschriften, uitgevaardigd krachtens deze codex, tenzij de uitgevoerde werken, handelingen of wijzigingen vergund zijn of tenzij het gaat om de handelingen, vermeld in artikel 6.2.2, 6° ;
5° het uitvoeren [2 ...]2 van handelingen die een schending zijn op de bouw- en verkavelingsvergunningen die zijn verleend krachtens het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996;
6° [2 het uitvoeren van handelingen in een conform artikel 5.6.8 aangeduid watergevoelig openruimtegebied die:
a) of niet zijn toegelaten in artikel 5.6.8, § 3, tenzij deze handelingen vergund of vergund geacht zijn en, voor zover het gebied niet opgeheven wordt met toepassing van artikel 5.6.8, § 7;
b) of die de voorwaarden die door de Vlaamse Regering worden verbonden aan de schrapping vermeld in artikel 5.6.8, § 7, derde lid schenden, tenzij deze handelingen vergund of vergund geacht zijn;]2
7° het als eigenaar toestaan of aanvaarden dat een van de misdrijven, vermeld in punt 1° tot en met 6°, worden gepleegd [2 ...]2.
De minimumstraffen zijn echter een gevangenisstraf van vijftien dagen en een geldboete van 2000 euro, of een van die straffen alleen, als de misdrijven, vermeld in het eerste lid, gepleegd worden door instrumenterende ambtenaren, vastgoedmakelaars en andere personen die in de uitoefening van hun beroep of activiteit onroerende goederen kopen, verkavelen, te koop of te huur zetten, verkopen of verhuren, bouwen of vaste of verplaatsbare inrichtingen ontwerpen en/of opstellen of personen die bij die verrichtingen als tussenpersonen optreden, bij de uitoefening van hun beroep.".
"Art. 6.2.1. De hierna volgende handelingen en omissies worden stedenbouwkundige misdrijven genoemd, en worden bestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot vijf jaar en met een geldboete van 26 euro tot 400.000 euro of met een van deze straffen alleen :
1° [2 het uitvoeren van de handelingen, vermeld in artikel 4.2.1 en artikel 4.2.15, hetzij zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsvergunning, omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, hetzij in strijd met de betreffende vergunning, of het verder uitvoeren van de handelingen, vermeld in artikel 4.2.1 en artikel 4.2.15, hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de termijn van de betreffende vergunning, hetzij in geval van schorsing van de betreffende vergunning;]2
2° [1 het uitvoeren [2 ...]2 van de handelingen in strijd met een ruimtelijk uitvoeringsplan als vermeld in titel II, hoofdstuk II, of met de stedenbouwkundige en verkavelingsverordeningen, vermeld in artikel 2.3.1 tot en met 2.3.3, tenzij de uitgevoerde handelingen vergund zijn of tenzij het gaat om de handelingen, vermeld in artikel 6.2.2, 6° ;]1
3° het [2 verder uitvoeren]2 van de handelingen in strijd met het bevel tot staking, de bekrachtigingsbeslissing of, in voorkomend geval, de beschikking in kort geding;
4° het na 1 mei 2000 plegen [2 ...]2 van een schending, op welke wijze ook, van de plannen van aanleg en verordeningen die tot stand zijn gekomen volgens de bepalingen van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, en die van kracht blijven zolang en in de mate dat ze niet vervangen worden door nieuwe voorschriften, uitgevaardigd krachtens deze codex, tenzij de uitgevoerde werken, handelingen of wijzigingen vergund zijn of tenzij het gaat om de handelingen, vermeld in artikel 6.2.2, 6° ;
5° het uitvoeren [2 ...]2 van handelingen die een schending zijn op de bouw- en verkavelingsvergunningen die zijn verleend krachtens het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996;
6° [2 het uitvoeren van handelingen in een conform artikel 5.6.8 aangeduid watergevoelig openruimtegebied die:
a) of niet zijn toegelaten in artikel 5.6.8, § 3, tenzij deze handelingen vergund of vergund geacht zijn en, voor zover het gebied niet opgeheven wordt met toepassing van artikel 5.6.8, § 7;
b) of die de voorwaarden die door de Vlaamse Regering worden verbonden aan de schrapping vermeld in artikel 5.6.8, § 7, derde lid schenden, tenzij deze handelingen vergund of vergund geacht zijn;]2
7° het als eigenaar toestaan of aanvaarden dat een van de misdrijven, vermeld in punt 1° tot en met 6°, worden gepleegd [2 ...]2.
De minimumstraffen zijn echter een gevangenisstraf van vijftien dagen en een geldboete van 2000 euro, of een van die straffen alleen, als de misdrijven, vermeld in het eerste lid, gepleegd worden door instrumenterende ambtenaren, vastgoedmakelaars en andere personen die in de uitoefening van hun beroep of activiteit onroerende goederen kopen, verkavelen, te koop of te huur zetten, verkopen of verhuren, bouwen of vaste of verplaatsbare inrichtingen ontwerpen en/of opstellen of personen die bij die verrichtingen als tussenpersonen optreden, bij de uitoefening van hun beroep.".
Art. 30. L'article 6.2.1 du même code est remplacé par ce qui suit :
" Art. 6.2.1. Les actes et omissions suivants sont appelés délits urbanistiques et sont punis d'une peine d'emprisonnement de huit jours à cinq ans et d'une amende de 26 euros à 400.000 euros ou d'une de ces peines seulement :
1° [2 l'exécution des actes visés aux articles 4.2.1 et 4.2.15, soit sans qu'il ait été obtenu au préalable un permis d'urbanisme, de lotissement, d'environnement pour des actes urbanistiques, ou un permis d'environnement pour le lotissement de terrains, soit en violation du permis correspondant, ou la poursuite de l'exécution des actes visés à l'article 4.2.1 et à l'article 4.2.15, soit après déchéance, abrogation ou expiration de la durée de validité du permis concerné, soit en cas de suspension du permis concerné ;]2
2° [1 exécuter [2 ...]2 des actes contraires à un plan d'exécution spatial, tel que visé au titre II, chapitre II, ou aux règlements urbanistiques et aux règlements de lotissement, mentionnés aux articles 2.3.1 à 2.2.3 inclus, sauf si les actes exécutés ont été autorisés ou s'il s'agit des actes visés à l'article 6.2.2, 6° ;]1
3° [2 continuer à exécuter]2 des actes contraires à l'ordre de cessation, à la décision de confirmation ou, le cas échéant, à la décision en référé ;
4° commettre [2 ...]2, après le 1er mai 2000, de quelque manière que ce soit, une infraction aux plans d'aménagement et aux règlements qui ont été établis conformément aux dispositions du décret relatif à l'aménagement du territoire, coordonné le 22 octobre 1996, et qui demeurent en vigueur aussi longtemps et dans la mesure où ils ne sont pas remplacés par de nouvelles ordonnances émises en vertu du présent code, sauf si les travaux, actes ou modifications exécutés sont autorisés ou s'il s'agit d'actes mentionnés à l'article 6.2.2, 6° ;
5° exécuter [2 ...]2 des actes qui constituent une infraction au permis de bâtir et au permis de lotir qui ont été octroyés en vertu du décret relatif à l'aménagement du territoire, coordonné le 22 octobre 1996 ;
6° [2 exécuter, dans une zone d'espace ouvert vulnérable du point de vue de l'eau désignée conformément à l'article 5.6.8, des actes qui :
soit ne sont pas admis dans l'article 5.6.8, § 3, à moins que ces actes aient été autorisés ou présumés autorisés et pour autant que la zone ne soit pas abrogée en application de l'article 5.6.8, § 7 ;
ou qui enfreignent les conditions auxquelles le Gouvernement flamand soumet l'abrogation, comme visé à l'article 5.6.8, § 7, troisième alinéa, à moins que ces actes aient été autorisés ou présumés autorisés.]2
7° admettre ou tolérer, en tant que propriétaire, que l'un des faits punissables visés aux points 1° à 6° soit commis [2 ...]2.
Les peines minimales sont toutefois un emprisonnement de quinze jours et une amende de 2 000 euros, ou l'une de ces peines, lorsque les infractions visées au premier l'alinéa sont commises par des fonctionnaires instrumentants, des agents immobiliers et d'autres personnes qui achètent, lotissent, mettent en vente ou en location, vendent ou louent, construisent ou conçoivent et/ou érigent des installations fixes ou amovibles dans l'exercice de leur profession ou activité ou les personnes qui agissent comme intermédiaires dans le cadre de telles opérations, durant l'exercice de leur profession. ".
" Art. 6.2.1. Les actes et omissions suivants sont appelés délits urbanistiques et sont punis d'une peine d'emprisonnement de huit jours à cinq ans et d'une amende de 26 euros à 400.000 euros ou d'une de ces peines seulement :
1° [2 l'exécution des actes visés aux articles 4.2.1 et 4.2.15, soit sans qu'il ait été obtenu au préalable un permis d'urbanisme, de lotissement, d'environnement pour des actes urbanistiques, ou un permis d'environnement pour le lotissement de terrains, soit en violation du permis correspondant, ou la poursuite de l'exécution des actes visés à l'article 4.2.1 et à l'article 4.2.15, soit après déchéance, abrogation ou expiration de la durée de validité du permis concerné, soit en cas de suspension du permis concerné ;]2
2° [1 exécuter [2 ...]2 des actes contraires à un plan d'exécution spatial, tel que visé au titre II, chapitre II, ou aux règlements urbanistiques et aux règlements de lotissement, mentionnés aux articles 2.3.1 à 2.2.3 inclus, sauf si les actes exécutés ont été autorisés ou s'il s'agit des actes visés à l'article 6.2.2, 6° ;]1
3° [2 continuer à exécuter]2 des actes contraires à l'ordre de cessation, à la décision de confirmation ou, le cas échéant, à la décision en référé ;
4° commettre [2 ...]2, après le 1er mai 2000, de quelque manière que ce soit, une infraction aux plans d'aménagement et aux règlements qui ont été établis conformément aux dispositions du décret relatif à l'aménagement du territoire, coordonné le 22 octobre 1996, et qui demeurent en vigueur aussi longtemps et dans la mesure où ils ne sont pas remplacés par de nouvelles ordonnances émises en vertu du présent code, sauf si les travaux, actes ou modifications exécutés sont autorisés ou s'il s'agit d'actes mentionnés à l'article 6.2.2, 6° ;
5° exécuter [2 ...]2 des actes qui constituent une infraction au permis de bâtir et au permis de lotir qui ont été octroyés en vertu du décret relatif à l'aménagement du territoire, coordonné le 22 octobre 1996 ;
6° [2 exécuter, dans une zone d'espace ouvert vulnérable du point de vue de l'eau désignée conformément à l'article 5.6.8, des actes qui :
soit ne sont pas admis dans l'article 5.6.8, § 3, à moins que ces actes aient été autorisés ou présumés autorisés et pour autant que la zone ne soit pas abrogée en application de l'article 5.6.8, § 7 ;
ou qui enfreignent les conditions auxquelles le Gouvernement flamand soumet l'abrogation, comme visé à l'article 5.6.8, § 7, troisième alinéa, à moins que ces actes aient été autorisés ou présumés autorisés.]2
7° admettre ou tolérer, en tant que propriétaire, que l'un des faits punissables visés aux points 1° à 6° soit commis [2 ...]2.
Les peines minimales sont toutefois un emprisonnement de quinze jours et une amende de 2 000 euros, ou l'une de ces peines, lorsque les infractions visées au premier l'alinéa sont commises par des fonctionnaires instrumentants, des agents immobiliers et d'autres personnes qui achètent, lotissent, mettent en vente ou en location, vendent ou louent, construisent ou conçoivent et/ou érigent des installations fixes ou amovibles dans l'exercice de leur profession ou activité ou les personnes qui agissent comme intermédiaires dans le cadre de telles opérations, durant l'exercice de leur profession. ".
Art. 31. Artikel 6.2.2 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 6.2.2. De hierna volgende handelingen en omissies worden stedenbouwkundige inbreuken genoemd, en worden bestraft met een exclusieve bestuurlijke geldboete van maximaal 50.000 euro :
1° de instandhouding van de illegale gevolgen van de misdrijven, vermeld in artikel 6.2.1, eerste lid, voor zover die gevolgen zich situeren in kwetsbaar gebied;
2° het schenden van de verplichtingen, vermeld in artikel 6.3.6, § 2, tweede en vierde lid, en artikel 6.4.9, § 2, tweede en vierde lid;
3° het uitvoeren [1 ...]1 van de handelingen, vermeld in artikel 4.2.2 en 4.2.5, eerste lid, 3°, die voorafgaan aan de betekening van de meldingsakte, vermeld in artikel [1 6, tweede lid]1 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;
4° het schenden van de informatieplicht, vermeld in artikel 5.2.1 tot en met 5.2.6;
5° het uitvoeren [1 ...]1 van handelingen zonder de controle van een architect als die controle verplicht is met toepassing van artikel 4 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van den titel en van het beroep van architect en de uitvoeringsbesluiten ervan;
6° het uitvoeren [1 ...]1 van de handelingen, vermeld in artikel 4.4.1, § 3, tweede lid, in strijd met bijzondere plannen van aanleg, gemeentelijke uitvoeringsplannen en [1 verkavelingsvergunningen of omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden]1, voor zover die plannen of vergunningen, of de relevante delen ervan niet zijn opgenomen in een door de gemeenteraad vastgestelde lijst als vermeld in het voormelde artikel;
7° het als eigenaar toestaan of aanvaarden dat de inbreuken, vermeld in punt 1°, 3°, 5° en 6°, worden gepleegd [1 ...]1.".
"Art. 6.2.2. De hierna volgende handelingen en omissies worden stedenbouwkundige inbreuken genoemd, en worden bestraft met een exclusieve bestuurlijke geldboete van maximaal 50.000 euro :
1° de instandhouding van de illegale gevolgen van de misdrijven, vermeld in artikel 6.2.1, eerste lid, voor zover die gevolgen zich situeren in kwetsbaar gebied;
2° het schenden van de verplichtingen, vermeld in artikel 6.3.6, § 2, tweede en vierde lid, en artikel 6.4.9, § 2, tweede en vierde lid;
3° het uitvoeren [1 ...]1 van de handelingen, vermeld in artikel 4.2.2 en 4.2.5, eerste lid, 3°, die voorafgaan aan de betekening van de meldingsakte, vermeld in artikel [1 6, tweede lid]1 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;
4° het schenden van de informatieplicht, vermeld in artikel 5.2.1 tot en met 5.2.6;
5° het uitvoeren [1 ...]1 van handelingen zonder de controle van een architect als die controle verplicht is met toepassing van artikel 4 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van den titel en van het beroep van architect en de uitvoeringsbesluiten ervan;
6° het uitvoeren [1 ...]1 van de handelingen, vermeld in artikel 4.4.1, § 3, tweede lid, in strijd met bijzondere plannen van aanleg, gemeentelijke uitvoeringsplannen en [1 verkavelingsvergunningen of omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden]1, voor zover die plannen of vergunningen, of de relevante delen ervan niet zijn opgenomen in een door de gemeenteraad vastgestelde lijst als vermeld in het voormelde artikel;
7° het als eigenaar toestaan of aanvaarden dat de inbreuken, vermeld in punt 1°, 3°, 5° en 6°, worden gepleegd [1 ...]1.".
Modifications
Art. 31. L'article 6.2.2 du même code est remplacé par ce qui suit :
" Art. 6.2.2. Les actes ou omissions suivants sont appelés infractions urbanistiques et sont punis d'une amende administrative exclusive de maximum 50.000 euros :
1° maintenir les conséquences illégales des délits visés à l'article 6.2.1, premier alinéa, pour autant que ces conséquences se situent en zone vulnérable ;
2° violer les obligations visées aux articles 6.3.6, § 2, deuxième et quatrième alinéas, et 6.4.9, § 2, deuxième et quatrième alinéas ;
3° exécuter [1 ...]1 les actes visés aux articles 4.2.2 et 4.2.5, premier alinéa, 3°, qui précèdent la signature de l'acte de notification, visé à l'article [1 6, deuxième alinéa]1 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ;
4° violer l'obligation d'information visée aux articles 5.2.1 à 5.2.6 inclus ;
5° exécuter [1 ...]1 des actes sans le contrôle d'un architecte, si ce contrôle est obligatoire en vertu de l'article 4 de la loi du 20 février 1939 sur la protection du titre et de la fonction d'architecte et de ses arrêtés d'exécution ;
6° exécuter [1 ...]1 les actes visés à l'article 4.4.1, § 3, deuxième alinéa, contraires à des plans d'aménagement particuliers, des plans d'exécution communaux et des [1 permis de lotissement ou permis d'environnement pour le lotissement de terrains]1, pour autant que ces plans ou permis, ou leurs parties utiles, ne soient pas repris dans une liste établie par le conseil communal, telle que mentionnée dans l'article précité ;
7° admettre ou tolérer, en tant que propriétaire, que les infractions visées aux points 1°, 3°, 5° et 6°, soient commises [1 ...]1.
" Art. 6.2.2. Les actes ou omissions suivants sont appelés infractions urbanistiques et sont punis d'une amende administrative exclusive de maximum 50.000 euros :
1° maintenir les conséquences illégales des délits visés à l'article 6.2.1, premier alinéa, pour autant que ces conséquences se situent en zone vulnérable ;
2° violer les obligations visées aux articles 6.3.6, § 2, deuxième et quatrième alinéas, et 6.4.9, § 2, deuxième et quatrième alinéas ;
3° exécuter [1 ...]1 les actes visés aux articles 4.2.2 et 4.2.5, premier alinéa, 3°, qui précèdent la signature de l'acte de notification, visé à l'article [1 6, deuxième alinéa]1 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ;
4° violer l'obligation d'information visée aux articles 5.2.1 à 5.2.6 inclus ;
5° exécuter [1 ...]1 des actes sans le contrôle d'un architecte, si ce contrôle est obligatoire en vertu de l'article 4 de la loi du 20 février 1939 sur la protection du titre et de la fonction d'architecte et de ses arrêtés d'exécution ;
6° exécuter [1 ...]1 les actes visés à l'article 4.4.1, § 3, deuxième alinéa, contraires à des plans d'aménagement particuliers, des plans d'exécution communaux et des [1 permis de lotissement ou permis d'environnement pour le lotissement de terrains]1, pour autant que ces plans ou permis, ou leurs parties utiles, ne soient pas repris dans une liste établie par le conseil communal, telle que mentionnée dans l'article précité ;
7° admettre ou tolérer, en tant que propriétaire, que les infractions visées aux points 1°, 3°, 5° et 6°, soient commises [1 ...]1.
Modifications
Art. 32. Aan titel VI, hoofdstuk II, van dezelfde codex wordt een afdeling 2 toegevoegd, die luidt als volgt :
"Afdeling 2. - Voorkomen en vaststellen van stedenbouwkundige misdrijven en inbreuken"
"Afdeling 2. - Voorkomen en vaststellen van stedenbouwkundige misdrijven en inbreuken"
Art. 32. Au titre VI, chapitre II du même code, il est ajouté une section 2 qui s'énonce comme suit :
" DIVISION 2. - Prévention et constatation des délits et infractions urbanistiques "
" DIVISION 2. - Prévention et constatation des délits et infractions urbanistiques "
Art. 33. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan afdeling 2, toegevoegd bij artikel 32, een onderafdeling 1 toegevoegd, die luidt als volgt :
"Onderafdeling 1. - Raadgeving en aanmaning"
"Onderafdeling 1. - Raadgeving en aanmaning"
Art. 33. Dans le même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, à la section 2, il est ajouté à l'article 32 une sous-section 1e, qui s'énonce comme suit :
" Sous-section 1re. - Conseils et mise en demeure "
" Sous-section 1re. - Conseils et mise en demeure "
Art. 34. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan onderafdeling 1, toegevoegd bij artikel 33, een artikel 6.2.3 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.2.3. § 1. Als [1 verbalisanten ruimtelijke ordening]1 vaststellen dat een stedenbouwkundige inbreuk of een stedenbouwkundig misdrijf dreigt te worden gepleegd, kunnen ze alle raadgevingen geven die ze nuttig achten om dat te voorkomen.
[1 ...]1
§ 2. Als de [1 verbalisanten ruimtelijke ordening]1, bij de uitoefening van hun respectieve opdrachten een stedenbouwkundige inbreuk of een stedenbouwkundig misdrijf vaststellen, kunnen ze de vermoedelijke overtreder en eventuele andere betrokkenen ertoe aanmanen om de nodige maatregelen te nemen om de inbreuk of het misdrijf te beëindigen, de gevolgen ervan geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken of een herhaling ervan te voorkomen.
Als de adressant van de aanmaning, in voorkomend geval na rappel, nalaat om de gevraagde maatregelen te nemen binnen het daarvoor bepaalde tijdsbestek, geldt een aangifteplicht van het misdrijf of de inbreuk bij de gemeentelijke en gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur en bij de burgemeester.
De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen ter uitvoering van deze onderafdeling.".
"Art. 6.2.3. § 1. Als [1 verbalisanten ruimtelijke ordening]1 vaststellen dat een stedenbouwkundige inbreuk of een stedenbouwkundig misdrijf dreigt te worden gepleegd, kunnen ze alle raadgevingen geven die ze nuttig achten om dat te voorkomen.
[1 ...]1
§ 2. Als de [1 verbalisanten ruimtelijke ordening]1, bij de uitoefening van hun respectieve opdrachten een stedenbouwkundige inbreuk of een stedenbouwkundig misdrijf vaststellen, kunnen ze de vermoedelijke overtreder en eventuele andere betrokkenen ertoe aanmanen om de nodige maatregelen te nemen om de inbreuk of het misdrijf te beëindigen, de gevolgen ervan geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken of een herhaling ervan te voorkomen.
Als de adressant van de aanmaning, in voorkomend geval na rappel, nalaat om de gevraagde maatregelen te nemen binnen het daarvoor bepaalde tijdsbestek, geldt een aangifteplicht van het misdrijf of de inbreuk bij de gemeentelijke en gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur en bij de burgemeester.
De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen ter uitvoering van deze onderafdeling.".
Modifications
Art. 34. Dans le même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, à la sous-section 1e, il est ajouté, à l'article 33, un article 6.2.3, qui s'énonce comme suit :
" Art. 6.2.3. § 1er. Si des [1 agents verbalisateurs de l'aménagement du territoire]1 constatent qu'une infraction ou un délit urbanistique risque d'être commis, elles peuvent donner tous les conseils qu'elles estiment utiles pour l'éviter.
[1 ...]1
§ 2. Si, dans l'exercice de leurs tâches respectives, les [1 agents verbalisateurs de l'aménagement du territoire]1 constatent une infraction ou un délit urbanistique, elles peuvent mettre le contrevenant présumé et les autres personnes éventuelles concernées en demeure de prendre les mesures nécessaires pour mettre un terme à l'infraction ou au délit, en annuler partiellement ou entièrement les conséquences ou éviter une récidive.
Si le destinataire de la mise en demeure, le cas échéant après un rappel, néglige de prendre les mesures demandés dans les délais fixés à cet effet, une obligation de déclaration du délit ou de l'infraction auprès de l'inspecteur urbaniste communal ou régional et auprès du bourgmestre s'applique.
Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités d'exécution de la présente sous-section. ".
" Art. 6.2.3. § 1er. Si des [1 agents verbalisateurs de l'aménagement du territoire]1 constatent qu'une infraction ou un délit urbanistique risque d'être commis, elles peuvent donner tous les conseils qu'elles estiment utiles pour l'éviter.
[1 ...]1
§ 2. Si, dans l'exercice de leurs tâches respectives, les [1 agents verbalisateurs de l'aménagement du territoire]1 constatent une infraction ou un délit urbanistique, elles peuvent mettre le contrevenant présumé et les autres personnes éventuelles concernées en demeure de prendre les mesures nécessaires pour mettre un terme à l'infraction ou au délit, en annuler partiellement ou entièrement les conséquences ou éviter une récidive.
Si le destinataire de la mise en demeure, le cas échéant après un rappel, néglige de prendre les mesures demandés dans les délais fixés à cet effet, une obligation de déclaration du délit ou de l'infraction auprès de l'inspecteur urbaniste communal ou régional et auprès du bourgmestre s'applique.
Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités d'exécution de la présente sous-section. ".
Modifications
Art. 35. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan afdeling 2, toegevoegd bij artikel 32, een onderafdeling 2 toegevoegd, die luidt als volgt :
"Onderafdeling 2. - Vaststelling van stedenbouwkundige misdrijven"
"Onderafdeling 2. - Vaststelling van stedenbouwkundige misdrijven"
Art. 35. Dans le même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, à la section 2, il est ajouté à l'article 32 une sous-section 2e, qui s'énonce comme suit :
" Sous-section 2. - Constatation de délits urbanistiques "
" Sous-section 2. - Constatation de délits urbanistiques "
Art. 36. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan onderafdeling 2, toegevoegd bij artikel 35, een artikel 6.2.4 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.2.4. Onverminderd de bevoegdheden van de agenten en de officieren van gerechtelijke politie zijn de [1 verbalisanten ruimtelijke ordening]1 bevoegd om de misdrijven, omschreven in dit hoofdstuk, op te sporen en vast te stellen door een proces-verbaal [1 dat ze onmiddellijk bezorgen aan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waar het misdrijf is gepleegd]1. De processen-verbaal waarin de misdrijven, omschreven in dit hoofdstuk, worden vastgesteld, gelden tot bewijs van het tegendeel. [1 Als de vermoedelijke overtreder bekend is, wordt een kopie van het proces-verbaal met een beveiligde zending betekend aan de vermoedelijke overtreder. Die betekening gebeurt binnen een termijn van veertien dagen na de datum van de afsluiting van het proces-verbaal.]1
[1 ...]1
[1 ...]1
De agenten, officieren van de gerechtelijke politie [1 en de verbalisanten ruimtelijke ordening]1 hebben toegang tot de bouwplaats en de gebouwen om alle nodige opsporingen en vaststellingen te verrichten.
Als deze verrichtingen de kenmerken van een huiszoeking dragen, mogen ze alleen worden uitgevoerd op voorwaarde dat de politierechter daarvoor een machtiging heeft verstrekt.
[1 Een afschrift van een proces-verbaal waarin een misdrijf wordt vastgesteld of van een navolgend proces-verbaal waarin het vrijwillig herstel of de regularisatie wordt vastgesteld, wordt altijd gericht aan de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gewestelijke entiteit en de gemeente van het grondgebied waarop de handelingen hebben plaatsgevonden.]1
[1 ...]1 ".
"Art. 6.2.4. Onverminderd de bevoegdheden van de agenten en de officieren van gerechtelijke politie zijn de [1 verbalisanten ruimtelijke ordening]1 bevoegd om de misdrijven, omschreven in dit hoofdstuk, op te sporen en vast te stellen door een proces-verbaal [1 dat ze onmiddellijk bezorgen aan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waar het misdrijf is gepleegd]1. De processen-verbaal waarin de misdrijven, omschreven in dit hoofdstuk, worden vastgesteld, gelden tot bewijs van het tegendeel. [1 Als de vermoedelijke overtreder bekend is, wordt een kopie van het proces-verbaal met een beveiligde zending betekend aan de vermoedelijke overtreder. Die betekening gebeurt binnen een termijn van veertien dagen na de datum van de afsluiting van het proces-verbaal.]1
[1 ...]1
[1 ...]1
De agenten, officieren van de gerechtelijke politie [1 en de verbalisanten ruimtelijke ordening]1 hebben toegang tot de bouwplaats en de gebouwen om alle nodige opsporingen en vaststellingen te verrichten.
Als deze verrichtingen de kenmerken van een huiszoeking dragen, mogen ze alleen worden uitgevoerd op voorwaarde dat de politierechter daarvoor een machtiging heeft verstrekt.
[1 Een afschrift van een proces-verbaal waarin een misdrijf wordt vastgesteld of van een navolgend proces-verbaal waarin het vrijwillig herstel of de regularisatie wordt vastgesteld, wordt altijd gericht aan de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gewestelijke entiteit en de gemeente van het grondgebied waarop de handelingen hebben plaatsgevonden.]1
[1 ...]1 ".
Modifications
Art. 36. Dans le même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, à la sous-section 2e, il est ajouté, à l'article 35, un article 6.2.4, qui s'énonce comme suit :
" Art. 6.2.4. Sans préjudice des compétences des agents et officiers de police judiciaire, [1 agents verbalisateurs de l'aménagement du territoire]1 sont compétents [1 pour rechercher les délits décrits dans le présent chapitre et constater ceux-ci par un procès-verbal, qu'ils remettront directement au procureur du Roi auprès du tribunal de la juridiction où le délit a été commis]1. Les procès-verbaux dans lesquels les délits décrits dans le présent chapitre sont constatés valent jusqu'à preuve du contraire. [1 Si le contrevenant présumé est connu, une copie du procès-verbal lui est notifiée par envoi sécurisé. Cette notification a lieu dans un délai de 15 jours à compter de la date de clôture du procès-verbal.]1
[1 ...]1
[1 ...]1
Les agents, officiers de police judiciaire [1 et les agents verbalisateurs de l'aménagement du territoire]1 ont accès au chantier et aux bâtiments en vue d'exécuter toutes les recherches et constatations nécessaires.
Si ces opérations portent les caractéristiques d'une perquisition, elles peuvent uniquement être exécutées à condition que le juge de police ait remis un mandat à cette fin.
[1 Une copie d'un procès-verbal constatant un délit ou d'un procès-verbal ultérieur constatant la réparation volontaire ou la régularisation est toujours adressée à l'inspecteur urbaniste régional, à l'entité régionale et à la commune du territoire sur lequel les actes ont eu lieu.]1
[1 ...]1 ".
" Art. 6.2.4. Sans préjudice des compétences des agents et officiers de police judiciaire, [1 agents verbalisateurs de l'aménagement du territoire]1 sont compétents [1 pour rechercher les délits décrits dans le présent chapitre et constater ceux-ci par un procès-verbal, qu'ils remettront directement au procureur du Roi auprès du tribunal de la juridiction où le délit a été commis]1. Les procès-verbaux dans lesquels les délits décrits dans le présent chapitre sont constatés valent jusqu'à preuve du contraire. [1 Si le contrevenant présumé est connu, une copie du procès-verbal lui est notifiée par envoi sécurisé. Cette notification a lieu dans un délai de 15 jours à compter de la date de clôture du procès-verbal.]1
[1 ...]1
[1 ...]1
Les agents, officiers de police judiciaire [1 et les agents verbalisateurs de l'aménagement du territoire]1 ont accès au chantier et aux bâtiments en vue d'exécuter toutes les recherches et constatations nécessaires.
Si ces opérations portent les caractéristiques d'une perquisition, elles peuvent uniquement être exécutées à condition que le juge de police ait remis un mandat à cette fin.
[1 Une copie d'un procès-verbal constatant un délit ou d'un procès-verbal ultérieur constatant la réparation volontaire ou la régularisation est toujours adressée à l'inspecteur urbaniste régional, à l'entité régionale et à la commune du territoire sur lequel les actes ont eu lieu.]1
[1 ...]1 ".
Modifications
Art. 37. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan afdeling 2, toegevoegd bij artikel 32, een onderafdeling 3 toegevoegd, die luidt als volgt :
"Onderafdeling 3. - Vaststelling van stedenbouwkundige inbreuken"
"Onderafdeling 3. - Vaststelling van stedenbouwkundige inbreuken"
Art. 37. Dans le même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, à la section 2, il est ajouté à l'article 32 une sous-section 3, qui s'énonce comme suit :
" Sous-section 3. - Constatation d'infractions urbanistiques "
" Sous-section 3. - Constatation d'infractions urbanistiques "
Art. 38. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan onderafdeling 3, toegevoegd bij artikel 37, een artikel 6.2.5 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.2.5. De verbalisanten [1 ruimtelijke ordening]1 kunnen bij de vaststelling van een stedenbouwkundige inbreuk zonder samenloop met een stedenbouwkundig misdrijf, een verslag van vaststelling opstellen dat ze onmiddellijk bezorgen aan de gewestelijke [1 entiteit]1. Artikel [1 6.2.4, tweede en derde lid]1, zijn van overeenkomstige toepassing. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot de vorm van het verslag van vaststelling.
Een afschrift van het verslag van vaststelling wordt altijd gericht aan de vermoedelijke overtreders, de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur en de gemeente van het grondgebied waarop die handelingen werden uitgevoerd of waar dat gebruik plaatsvond. Als in het verslag van vaststelling feiten worden vastgesteld die milieu-inbreuken uitmaken wegens schending van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en van titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid of de uitvoeringsbesluiten ervan, wordt een afschrift bezorgd aan de gewestelijke overheden, belast met de handhaving van die inbreuken. De Vlaamse Regering kan nader bepalen welke van deze gewestelijke overheden al dan niet een afschrift moeten ontvangen.
Als in samenhang met de stedenbouwkundige inbreuk tegelijkertijd een stedenbouwkundig misdrijf wordt vastgesteld, dan wordt de vaststelling van de stedenbouwkundige inbreuk opgenomen in het proces-verbaal, vermeld in artikel 6.2.4.".
"Art. 6.2.5. De verbalisanten [1 ruimtelijke ordening]1 kunnen bij de vaststelling van een stedenbouwkundige inbreuk zonder samenloop met een stedenbouwkundig misdrijf, een verslag van vaststelling opstellen dat ze onmiddellijk bezorgen aan de gewestelijke [1 entiteit]1. Artikel [1 6.2.4, tweede en derde lid]1, zijn van overeenkomstige toepassing. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot de vorm van het verslag van vaststelling.
Een afschrift van het verslag van vaststelling wordt altijd gericht aan de vermoedelijke overtreders, de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur en de gemeente van het grondgebied waarop die handelingen werden uitgevoerd of waar dat gebruik plaatsvond. Als in het verslag van vaststelling feiten worden vastgesteld die milieu-inbreuken uitmaken wegens schending van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en van titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid of de uitvoeringsbesluiten ervan, wordt een afschrift bezorgd aan de gewestelijke overheden, belast met de handhaving van die inbreuken. De Vlaamse Regering kan nader bepalen welke van deze gewestelijke overheden al dan niet een afschrift moeten ontvangen.
Als in samenhang met de stedenbouwkundige inbreuk tegelijkertijd een stedenbouwkundig misdrijf wordt vastgesteld, dan wordt de vaststelling van de stedenbouwkundige inbreuk opgenomen in het proces-verbaal, vermeld in artikel 6.2.4.".
Modifications
Art. 38. Dans le même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, à la sous-section 3e, il est ajouté, à l'article 37, un article 6.2.5, qui s'énonce comme suit :
" Art. 6.2.5. Les verbalisants [1 de l'aménagement du territoire]1 peuvent, en cas de constatation d'une infraction urbanistique sans concours d'un délit urbanistique, établir un rapport de constatation, qu'ils transmettent immédiatement [1 à l'entité régionale]1. L'article [1 6.2.4, deuxième et troisième alinéas]1, s'applique en conséquence. Le Gouvernement flamand peut arrêter des règles plus précises à propos de la forme du rapport de constatation.
Une copie du rapport de constatation est toujours adressée aux contrevenants présumés, à l'inspecteur urbaniste régional et à la commune sur le territoire de laquelle ces actes ont été exécutés ou où cette utilisation a eu lieu. Si, dans le rapport de constatation, des faits qui constituent des infractions environnementales en raison d'une violation du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement et du titre V du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique d'environnement ou de ses arrêtés d'exécution sont constatés, une copie est fournie aux autorités régionales chargées de la répression de ces infractions. Le Gouvernement flamand peut déterminer lesquelles de ces autorités régionales doivent ou non recevoir une copie.
Si, en rapport avec l'infraction urbanistique, un délit urbanistique est également constaté, la constatation de l'infraction urbanistique est reprise dans le procès-verbal visé à l'article 6.2.4. ".
" Art. 6.2.5. Les verbalisants [1 de l'aménagement du territoire]1 peuvent, en cas de constatation d'une infraction urbanistique sans concours d'un délit urbanistique, établir un rapport de constatation, qu'ils transmettent immédiatement [1 à l'entité régionale]1. L'article [1 6.2.4, deuxième et troisième alinéas]1, s'applique en conséquence. Le Gouvernement flamand peut arrêter des règles plus précises à propos de la forme du rapport de constatation.
Une copie du rapport de constatation est toujours adressée aux contrevenants présumés, à l'inspecteur urbaniste régional et à la commune sur le territoire de laquelle ces actes ont été exécutés ou où cette utilisation a eu lieu. Si, dans le rapport de constatation, des faits qui constituent des infractions environnementales en raison d'une violation du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement et du titre V du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique d'environnement ou de ses arrêtés d'exécution sont constatés, une copie est fournie aux autorités régionales chargées de la répression de ces infractions. Le Gouvernement flamand peut déterminer lesquelles de ces autorités régionales doivent ou non recevoir une copie.
Si, en rapport avec l'infraction urbanistique, un délit urbanistique est également constaté, la constatation de l'infraction urbanistique est reprise dans le procès-verbal visé à l'article 6.2.4. ".
Modifications
Art. 38/1. [1 In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 18 december 2015 wordt aan afdeling 2, ingevoegd bij artikel 32, een onderafdeling 4 toegevoegd, die luidt als volgt:
"Onderafdeling 4. - Verbalisanten ruimtelijke ordening".]1
"Onderafdeling 4. - Verbalisanten ruimtelijke ordening".]1
Art. 38/1. [1 Dans le même code, modifié en dernier lieu par le décret du 18 décembre 2015, il est ajouté à la section 2, insérée sous l'article 32, une sous-section 4, libellée comme suit :
" Sous-section 4. - Agents verbalisateurs de l'aménagement du territoire".]1
" Sous-section 4. - Agents verbalisateurs de l'aménagement du territoire".]1
Art. 38/2. [1 In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 18 december 2015 wordt aan onderafdeling 4, toegevoegd bij artikel 38/1, een artikel 6.2.5/1 toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 6.2.5/1. § 1. De volgende personen kunnen verbalisant ruimtelijke ordening zijn:
1° de personeelsleden van de entiteit, bevoegd voor de uitvoering van de handhavingstaken met betrekking tot de ruimtelijke ordening, die daarvoor worden aangewezen door de Vlaamse Regering;
2° de personeelsleden van het Vlaamse Gewest van andere entiteiten, die daarvoor worden aangewezen door de Vlaamse Regering;
3° de personeelsleden van de gemeente, die daarvoor worden aangewezen door het college van burgemeester en schepenen;
4° de personeelsleden van een intergemeentelijk samenwerkingsverband, die daarvoor worden aangewezen door de colleges van burgemeester en schepenen.
De Vlaamse Regering kan voorwaarden, die onder meer betrekking kunnen hebben op de scholingsvereisten, bepalen waaraan de verbalisanten ruimtelijke ordening moeten voldoen.
§ 2. De Vlaamse Regering wijst onder de gewestelijke personeelsleden die als verbalisant ruimtelijke ordening zijn aangewezen, degenen aan die de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, verkrijgen om misdrijven als vermeld in dit hoofdstuk, op te sporen en vast te stellen in een proces-verbaal.
§ 3. Contractuele personeelsleden kunnen alleen verbalisant ruimtelijke ordening zijn als ze zijn beëdigd. De Vlaamse Regering kan de voorwaarden van de eedaflegging bepalen.
Een beëdiging op grond van artikel 106 van het Gemeentedecreet geldt tevens als eedaflegging in de zin van het eerste lid.
§ 4. De Vlaamse Regering kan de aanwijzingsbevoegdheid, vermeld in paragraaf 1 en 2, delegeren.".]1
"Art. 6.2.5/1. § 1. De volgende personen kunnen verbalisant ruimtelijke ordening zijn:
1° de personeelsleden van de entiteit, bevoegd voor de uitvoering van de handhavingstaken met betrekking tot de ruimtelijke ordening, die daarvoor worden aangewezen door de Vlaamse Regering;
2° de personeelsleden van het Vlaamse Gewest van andere entiteiten, die daarvoor worden aangewezen door de Vlaamse Regering;
3° de personeelsleden van de gemeente, die daarvoor worden aangewezen door het college van burgemeester en schepenen;
4° de personeelsleden van een intergemeentelijk samenwerkingsverband, die daarvoor worden aangewezen door de colleges van burgemeester en schepenen.
De Vlaamse Regering kan voorwaarden, die onder meer betrekking kunnen hebben op de scholingsvereisten, bepalen waaraan de verbalisanten ruimtelijke ordening moeten voldoen.
§ 2. De Vlaamse Regering wijst onder de gewestelijke personeelsleden die als verbalisant ruimtelijke ordening zijn aangewezen, degenen aan die de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, verkrijgen om misdrijven als vermeld in dit hoofdstuk, op te sporen en vast te stellen in een proces-verbaal.
§ 3. Contractuele personeelsleden kunnen alleen verbalisant ruimtelijke ordening zijn als ze zijn beëdigd. De Vlaamse Regering kan de voorwaarden van de eedaflegging bepalen.
Een beëdiging op grond van artikel 106 van het Gemeentedecreet geldt tevens als eedaflegging in de zin van het eerste lid.
§ 4. De Vlaamse Regering kan de aanwijzingsbevoegdheid, vermeld in paragraaf 1 en 2, delegeren.".]1
Art. 38/2. [1 Dans le même code, modifié en dernier lieu par le décret du 18 décembre 2015, il est ajouté à la section 4, ajoutée par l'article 38/1, un article 6.2.5/1, libellé comme suit :
" Art. 6.2.5/1. § 1er. Les personnes suivantes peuvent être agents verbalisateurs de l'aménagement du territoire :
1° les membres du personnel de l'entité, compétents pour l'exécution des tâches de maintien en matière d'aménagement du territoire, qui sont désignés à cet effet par le Gouvernement flamand ;
2° les membres du personnel de la Région flamande d'autres entités, qui sont désignés à cet effet par le Gouvernement flamand ;
3° les membres du personnel de la commune, qui sont désignés à cet effet par le collège des bourgmestre et échevins ;
4° les membres du personnel d'un partenariat intercommunal, qui sont désignés à cet effet par le collège des bourgmestre et échevins.
Le Gouvernement flamand peut fixer des conditions, pouvant notamment porter sur les exigences en matière de formation, auxquelles les agents verbalisateurs de l'aménagement du territoire doivent satisfaire.
§ 2. Le Gouvernement flamand désigne, parmi les membres du personnel régionaux désignés comme agents verbalisateurs de l'aménagement du territoire, ceux qui acquièrent la qualité d'officier de police judiciaire, auxiliaire du procureur du Roi, pour rechercher les délits visés dans ce chapitre et les constater par procès-verbal.
§ 3. Les membres du personnel contractuels ne peuvent être agents verbalisateurs de l'aménagement du territoire que s'ils sont assermentés. Le Gouvernement flamand peut fixer les conditions de la prestation de serment.
Une assermentation fondée sur l'article 106 du Décret communal vaut aussi prestation de serment au sens du premier alinéa.
§ 4. Le Gouvernement flamand peut déléguer le pouvoir de désignation visé aux paragraphes 1 et 2. ".]1
" Art. 6.2.5/1. § 1er. Les personnes suivantes peuvent être agents verbalisateurs de l'aménagement du territoire :
1° les membres du personnel de l'entité, compétents pour l'exécution des tâches de maintien en matière d'aménagement du territoire, qui sont désignés à cet effet par le Gouvernement flamand ;
2° les membres du personnel de la Région flamande d'autres entités, qui sont désignés à cet effet par le Gouvernement flamand ;
3° les membres du personnel de la commune, qui sont désignés à cet effet par le collège des bourgmestre et échevins ;
4° les membres du personnel d'un partenariat intercommunal, qui sont désignés à cet effet par le collège des bourgmestre et échevins.
Le Gouvernement flamand peut fixer des conditions, pouvant notamment porter sur les exigences en matière de formation, auxquelles les agents verbalisateurs de l'aménagement du territoire doivent satisfaire.
§ 2. Le Gouvernement flamand désigne, parmi les membres du personnel régionaux désignés comme agents verbalisateurs de l'aménagement du territoire, ceux qui acquièrent la qualité d'officier de police judiciaire, auxiliaire du procureur du Roi, pour rechercher les délits visés dans ce chapitre et les constater par procès-verbal.
§ 3. Les membres du personnel contractuels ne peuvent être agents verbalisateurs de l'aménagement du territoire que s'ils sont assermentés. Le Gouvernement flamand peut fixer les conditions de la prestation de serment.
Une assermentation fondée sur l'article 106 du Décret communal vaut aussi prestation de serment au sens du premier alinéa.
§ 4. Le Gouvernement flamand peut déléguer le pouvoir de désignation visé aux paragraphes 1 et 2. ".]1
Art. 39. Aan titel VI, hoofdstuk II, van dezelfde codex wordt een afdeling 3 toegevoegd, die luidt als volgt :
"Afdeling 3. - Het opleggen van een bestuurlijke geldboete"
"Afdeling 3. - Het opleggen van een bestuurlijke geldboete"
Art. 39. Au titre VI, chapitre II du même code, il est ajouté une section 3 qui s'énonce comme suit :
" Section 3. - L'imposition d'une amende administrative. "
" Section 3. - L'imposition d'une amende administrative. "
Art. 40. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan afdeling 3, toegevoegd bij artikel 39, een onderafdeling 1 toegevoegd, die luidt als volgt :
"Onderafdeling 1. - Basisbepalingen"
"Onderafdeling 1. - Basisbepalingen"
Art. 40. Dans le même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, à la section 3, il est ajouté à l'article 39 une sous-section 1e, qui s'énonce comme suit :
" Sous-section 1re. - Dispositions de base "
" Sous-section 1re. - Dispositions de base "
Art. 41. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan onderafdeling 1, toegevoegd bij artikel 40, een artikel 6.2.6 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.2.6. De inbreuken, vermeld in artikel 6.2.2, kunnen worden bestraft met een exclusieve bestuurlijke geldboete. De misdrijven, vermeld in artikel 6.2.1, eerste lid, kunnen worden bestraft door de strafrechter of kunnen worden bestraft met een alternatieve bestuurlijke geldboete.".
"Art. 6.2.6. De inbreuken, vermeld in artikel 6.2.2, kunnen worden bestraft met een exclusieve bestuurlijke geldboete. De misdrijven, vermeld in artikel 6.2.1, eerste lid, kunnen worden bestraft door de strafrechter of kunnen worden bestraft met een alternatieve bestuurlijke geldboete.".
Art. 41. Dans le même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, à la sous-section 1e, il est ajouté, à l'article 40, un article 6.2.6, qui s'énonce comme suit :
" Art. 6.2.6. Les infractions visées à l'article 6.2.2 peuvent être punies d'une amende administrative exclusive. Les délits visés à l'article 6.2.1, premier alinéa, peuvent être punis par la juridiction pénale ou être punis d'une amende administrative alternative. ".
" Art. 6.2.6. Les infractions visées à l'article 6.2.2 peuvent être punies d'une amende administrative exclusive. Les délits visés à l'article 6.2.1, premier alinéa, peuvent être punis par la juridiction pénale ou être punis d'une amende administrative alternative. ".
Art. 42. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan onderafdeling 1, toegevoegd bij artikel 40, een artikel 6.2.7 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.2.7. § 1. De bestuurlijke geldboete is een sanctie waarbij de gewestelijke [1 entiteit]1 een overtreder ertoe verplicht een geldsom te betalen.
De bestuurlijke geldboete wordt vermeerderd met de opdeciemen die van toepassing zijn voor de strafrechtelijke geldboeten. Ze wordt afgestemd op de ernst van het stedenbouwkundige misdrijf of de stedenbouwkundige inbreuk. Er wordt ook rekening gehouden met de frequentie en de omstandigheden waarin de overtreder stedenbouwkundige inbreuken of misdrijven heeft gepleegd of beëindigd.
§ 2. Op vraag van de overtreder, kan de bestuurlijke geldboete worden opgelegd met uitstel van tenuitvoerlegging gedurende een proefperiode die niet minder dan een jaar en niet meer dan drie jaar mag bedragen.
Het uitstel wordt van rechtswege herroepen als gedurende de proeftijd een nieuw stedenbouwkundig misdrijf of een nieuwe stedenbouwkundige inbreuk is gepleegd, met een veroordeling tot een straf of het opleggen van een bestuurlijke geldboete tot gevolg.".
"Art. 6.2.7. § 1. De bestuurlijke geldboete is een sanctie waarbij de gewestelijke [1 entiteit]1 een overtreder ertoe verplicht een geldsom te betalen.
De bestuurlijke geldboete wordt vermeerderd met de opdeciemen die van toepassing zijn voor de strafrechtelijke geldboeten. Ze wordt afgestemd op de ernst van het stedenbouwkundige misdrijf of de stedenbouwkundige inbreuk. Er wordt ook rekening gehouden met de frequentie en de omstandigheden waarin de overtreder stedenbouwkundige inbreuken of misdrijven heeft gepleegd of beëindigd.
§ 2. Op vraag van de overtreder, kan de bestuurlijke geldboete worden opgelegd met uitstel van tenuitvoerlegging gedurende een proefperiode die niet minder dan een jaar en niet meer dan drie jaar mag bedragen.
Het uitstel wordt van rechtswege herroepen als gedurende de proeftijd een nieuw stedenbouwkundig misdrijf of een nieuwe stedenbouwkundige inbreuk is gepleegd, met een veroordeling tot een straf of het opleggen van een bestuurlijke geldboete tot gevolg.".
Modifications
Art. 42. Dans le même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, à la sous-section 1e, il est ajouté, à l'article 40, un article 6.2.7, qui s'énonce comme suit :
" Art. 6.2.7. § 1er. L'amende administrative est une sanction par laquelle [1 l'entité régionale]1 oblige un contrevenant à payer une somme d'argent.
L'amende administrative est majorée des décimes additionnels d'application aux amendes administratives. Le montant de cette amende est adapté à la gravité du délit urbanistique ou de l'infraction urbanistique. Il est également tenu compte de la fréquence et des circonstances dans lesquelles le contrevenant a commis les infractions ou délits ou y a mis fin.
§ 2. Sur demande du contrevenant, l'amende administrative peut être imposée avec report d'exécution durant une période d'essai qui ne peut pas être inférieure à un an et ne peut dépasser trois ans.
Le report sera révoqué de plein droit si, pendant la période d'essai, un nouveau délit ou une nouvelle infraction urbanistique est commis, entraînant la condamnation à une peine ou l'imposition d'une amende administrative. ".
" Art. 6.2.7. § 1er. L'amende administrative est une sanction par laquelle [1 l'entité régionale]1 oblige un contrevenant à payer une somme d'argent.
L'amende administrative est majorée des décimes additionnels d'application aux amendes administratives. Le montant de cette amende est adapté à la gravité du délit urbanistique ou de l'infraction urbanistique. Il est également tenu compte de la fréquence et des circonstances dans lesquelles le contrevenant a commis les infractions ou délits ou y a mis fin.
§ 2. Sur demande du contrevenant, l'amende administrative peut être imposée avec report d'exécution durant une période d'essai qui ne peut pas être inférieure à un an et ne peut dépasser trois ans.
Le report sera révoqué de plein droit si, pendant la période d'essai, un nouveau délit ou une nouvelle infraction urbanistique est commis, entraînant la condamnation à une peine ou l'imposition d'une amende administrative. ".
Modifications
Art. 44. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan onderafdeling 1, toegevoegd bij artikel 40, een artikel 6.2.9 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.2.9. Onverminderd artikel 6.2.13, § 3, derde lid, zijn de regels die van toepassing zijn op het verval van de strafvordering voor stedenbouwkundige misdrijven, van overeenkomstige toepassing op het verval van de mogelijkheid tot het opleggen van een bestuurlijke geldboete.
Met toepassing van het eerste lid verjaart de mogelijkheid tot het opleggen van een bestuurlijke geldboete na verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf de dag waarop het stedenbouwkundig misdrijf is gepleegd, of na verloop van drie jaar, te rekenen vanaf de dag waarop de stedenbouwkundige inbreuk is gepleegd. De verjaring wordt gestuit door daden van onderzoek of van vervolging, verricht binnen die termijn.
Voor de toepassing van dit artikel wordt het opstellen van een verslag van vaststelling of een proces-verbaal door een bevoegde verbalisant steeds beschouwd als een daad van onderzoek. Het betekenen van een voornemen om een bestuurlijke geldboete op te leggen, wordt steeds beschouwd als een daad van vervolging.".
"Art. 6.2.9. Onverminderd artikel 6.2.13, § 3, derde lid, zijn de regels die van toepassing zijn op het verval van de strafvordering voor stedenbouwkundige misdrijven, van overeenkomstige toepassing op het verval van de mogelijkheid tot het opleggen van een bestuurlijke geldboete.
Met toepassing van het eerste lid verjaart de mogelijkheid tot het opleggen van een bestuurlijke geldboete na verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf de dag waarop het stedenbouwkundig misdrijf is gepleegd, of na verloop van drie jaar, te rekenen vanaf de dag waarop de stedenbouwkundige inbreuk is gepleegd. De verjaring wordt gestuit door daden van onderzoek of van vervolging, verricht binnen die termijn.
Voor de toepassing van dit artikel wordt het opstellen van een verslag van vaststelling of een proces-verbaal door een bevoegde verbalisant steeds beschouwd als een daad van onderzoek. Het betekenen van een voornemen om een bestuurlijke geldboete op te leggen, wordt steeds beschouwd als een daad van vervolging.".
Art. 44. Dans le même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, à la sous-section 1e, il est ajouté, à l'article 40, un article 6.2.9, qui s'énonce comme suit :
" Art. 6.2.9. Sans préjudice de l'application de l'article 6.2.13, § 3, troisième alinéa, les règles applicables à la prescription de l'action pénale pour les délits urbanistiques sont d'application conforme à la prescription de la possibilité d'imposition d'une amende administrative.
En application du premier alinéa, la possibilité d'imposition d'une amende administrative s'éteint au bout de cinq ans, à compter du jour où le délit urbanistique a été commis, ou à l'expiration d'un délai de trois ans, à compter du jour où l'infraction urbanistique a été commise. La prescription est interrompue par les actes d'instruction ou de poursuite accomplis endéans ce délai.
Pour l'application de cet article, l'établissement d'un rapport de constatation ou d'un procès-verbal par un verbalisant compétent est toujours considéré comme un acte d'instruction. La signification d'une intention d'imposition d'une amende administrative est toujours considérée comme un acte de poursuite. ".
" Art. 6.2.9. Sans préjudice de l'application de l'article 6.2.13, § 3, troisième alinéa, les règles applicables à la prescription de l'action pénale pour les délits urbanistiques sont d'application conforme à la prescription de la possibilité d'imposition d'une amende administrative.
En application du premier alinéa, la possibilité d'imposition d'une amende administrative s'éteint au bout de cinq ans, à compter du jour où le délit urbanistique a été commis, ou à l'expiration d'un délai de trois ans, à compter du jour où l'infraction urbanistique a été commise. La prescription est interrompue par les actes d'instruction ou de poursuite accomplis endéans ce délai.
Pour l'application de cet article, l'établissement d'un rapport de constatation ou d'un procès-verbal par un verbalisant compétent est toujours considéré comme un acte d'instruction. La signification d'une intention d'imposition d'une amende administrative est toujours considérée comme un acte de poursuite. ".
Art. 45. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan onderafdeling 1, toegevoegd bij artikel 40, een artikel 6.2.10 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.2.10. Voor de toepassing van deze afdeling wordt de betekening met een aangetekende brief geacht te zijn uitgevoerd op de derde werkdag na de afgifte bij de post, behalve in geval van bewijs van het tegendeel.".
"Art. 6.2.10. Voor de toepassing van deze afdeling wordt de betekening met een aangetekende brief geacht te zijn uitgevoerd op de derde werkdag na de afgifte bij de post, behalve in geval van bewijs van het tegendeel.".
Art. 45. Dans le même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, à la sous-section 1e, il est ajouté, à l'article 40, un article 6.2.10, qui s'énonce comme suit :
" Art. 6.2.10. Pour l'application de la présente section, la notification par lettre recommandée est censée avoir été exécutée au troisième jour ouvrable suivant la date de remise à la poste, sauf preuve du contraire. ".
" Art. 6.2.10. Pour l'application de la présente section, la notification par lettre recommandée est censée avoir été exécutée au troisième jour ouvrable suivant la date de remise à la poste, sauf preuve du contraire. ".
Art. 46. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan onderafdeling 1, een artikel 6.2.11 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.2.11. § 1. De opgelegde bestuurlijke geldboeten worden door [2 het departement]2 van de Vlaamse overheid geïnd en ingevorderd ten voordele van het [1 Grondfonds]1. Het voormelde departement is gemachtigd om aan de schuldenaars van opeisbare bestuurlijke geldboetes die bijzondere omstandigheden kunnen bewijzen, uitstel of spreiding van betaling toe te staan.
§ 2. Als de betrokkene in gebreke blijft bij het betalen van de verschuldigde bestuurlijke geldboeten, verhoogd met de invorderingskosten, worden die bedragen bij dwangbevel ingevorderd. Het dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door een ambtenaar die de Vlaamse Regering daarvoor heeft aangewezen.
§ 3. Het dwangbevel wordt aan de schuldenaar bij deurwaardersexploot betekend.
Binnen een termijn van dertig dagen na de ontvangst van het dwangbevel kan de schuldenaar verzet doen door het Vlaamse Gewest te laten dagvaarden.
Het verzet schorst de tenuitvoerlegging. Het Vlaamse Gewest kan de rechter verzoeken om de schorsing van de tenuitvoerlegging op te heffen.
§ 4. Op grond van het uitvoerbaar verklaard dwangbevel en tot zekerheid van de voldoening van de opgelegde bestuurlijke geldboeten [3 ...]3, heeft het Vlaamse Gewest een algemeen voorrecht op alle roerende goederen van de schuldenaar en kan het een wettelijke hypotheek nemen op alle daarvoor vatbare en in het Vlaamse Gewest gelegen of geregistreerde goederen van de schuldenaar.
Het voorrecht, vermeld in paragraaf 1, neemt rang in onmiddellijk na de voorrechten, vermeld in artikel 19 en 20 van de Hypotheekwet van 16 december 1851, en in artikel 23 van boek II van het Wetboek van Koophandel.
De rang van de wettelijke hypotheek wordt bepaald door de dagtekening van de inschrijving die genomen wordt krachtens het uitvoerbaar verklaarde en betekende dwangbevel. De hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van de ambtenaar, vermeld in paragraaf 2. De inschrijving heeft plaats, niettegenstaande verzet, betwisting of beroep, op voorlegging van een afschrift van het dwangbevel dat eensluidend wordt verklaard door die ambtenaar en dat melding maakt van de betekening ervan.
Artikel 17 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 is niet van toepassing op de wettelijke hypotheek inzake de opgelegde bestuurlijke geldboeten en, in voorkomend geval, de bijbehorende expertisekosten en de opgelegde voordeelontnemingen waarvoor een dwangbevel werd uitgevaardigd en waarvan betekening aan de schuldenaar is gedaan voor het vonnis van faillietverklaring.
§ 5. De vordering tot betaling van de bestuurlijke geldboete verjaart na verloop van driehonderdvijfenzestig dagen. Die termijn gaat in op de dag die volgt op de dag waarop de bestuurlijke geldboete moest worden betaald. De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden, vermeld in artikel 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.
§ 6. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de uitvoering van dit artikel.".
"Art. 6.2.11. § 1. De opgelegde bestuurlijke geldboeten worden door [2 het departement]2 van de Vlaamse overheid geïnd en ingevorderd ten voordele van het [1 Grondfonds]1. Het voormelde departement is gemachtigd om aan de schuldenaars van opeisbare bestuurlijke geldboetes die bijzondere omstandigheden kunnen bewijzen, uitstel of spreiding van betaling toe te staan.
§ 2. Als de betrokkene in gebreke blijft bij het betalen van de verschuldigde bestuurlijke geldboeten, verhoogd met de invorderingskosten, worden die bedragen bij dwangbevel ingevorderd. Het dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door een ambtenaar die de Vlaamse Regering daarvoor heeft aangewezen.
§ 3. Het dwangbevel wordt aan de schuldenaar bij deurwaardersexploot betekend.
Binnen een termijn van dertig dagen na de ontvangst van het dwangbevel kan de schuldenaar verzet doen door het Vlaamse Gewest te laten dagvaarden.
Het verzet schorst de tenuitvoerlegging. Het Vlaamse Gewest kan de rechter verzoeken om de schorsing van de tenuitvoerlegging op te heffen.
§ 4. Op grond van het uitvoerbaar verklaard dwangbevel en tot zekerheid van de voldoening van de opgelegde bestuurlijke geldboeten [3 ...]3, heeft het Vlaamse Gewest een algemeen voorrecht op alle roerende goederen van de schuldenaar en kan het een wettelijke hypotheek nemen op alle daarvoor vatbare en in het Vlaamse Gewest gelegen of geregistreerde goederen van de schuldenaar.
Het voorrecht, vermeld in paragraaf 1, neemt rang in onmiddellijk na de voorrechten, vermeld in artikel 19 en 20 van de Hypotheekwet van 16 december 1851, en in artikel 23 van boek II van het Wetboek van Koophandel.
De rang van de wettelijke hypotheek wordt bepaald door de dagtekening van de inschrijving die genomen wordt krachtens het uitvoerbaar verklaarde en betekende dwangbevel. De hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van de ambtenaar, vermeld in paragraaf 2. De inschrijving heeft plaats, niettegenstaande verzet, betwisting of beroep, op voorlegging van een afschrift van het dwangbevel dat eensluidend wordt verklaard door die ambtenaar en dat melding maakt van de betekening ervan.
Artikel 17 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 is niet van toepassing op de wettelijke hypotheek inzake de opgelegde bestuurlijke geldboeten en, in voorkomend geval, de bijbehorende expertisekosten en de opgelegde voordeelontnemingen waarvoor een dwangbevel werd uitgevaardigd en waarvan betekening aan de schuldenaar is gedaan voor het vonnis van faillietverklaring.
§ 5. De vordering tot betaling van de bestuurlijke geldboete verjaart na verloop van driehonderdvijfenzestig dagen. Die termijn gaat in op de dag die volgt op de dag waarop de bestuurlijke geldboete moest worden betaald. De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden, vermeld in artikel 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.
§ 6. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de uitvoering van dit artikel.".
Art. 46. Dans le même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, à la sous-section 1e, il est ajouté un article 6.2.11, qui s'énonce comme suit :
" Art. 6.2.11. § 1er. Les amendes administratives imposées sont perçues et recouvrées par [2 le département]2 de l'Autorité flamande au profit du [1 Grondfonds]1. Le département précité est autorisé à accorder des sursis ou étalements de payement aux débiteurs d'amendes administratives exigibles qui peuvent établir qu'ils sont confrontés à des circonstances particulières.
§ 2. Si l'intéressé reste en défaut de paiement des amendes administratives dues, majorées des frais de recouvrement, ces montants sont recouvrés par contrainte. La contrainte est visée et rendue exécutoire par le fonctionnaire désigné à cet effet par le Gouvernement flamand.
§ 3. La contrainte est signifiée au débiteur par exploit d'huissier.
Dans un délai de trente jours suivant la réception de la contrainte, le débiteur peut faire opposition en citant la Région flamande.
L'opposition suspend l'exécutoire. La Région flamande peut demander au juge d'abroger la suspension de l'exécutoire.
§ 4. Sur la base de la contrainte déclarée exécutoire et en vue de la certitude de recouvrement des amendes administratives imposées [3 ...]3, la Région flamande bénéficie d'un privilège général sur tous les biens mobiliers du débiteur et peut grever d'une hypothèque légale tous les biens du débiteur pouvant en faire l'objet et situés et enregistrés sur le territoire de la Région.
Le privilège visé au paragraphe 1er prend rang immédiatement après les privilèges visés aux articles 19 et 20 de la loi hypothécaire du 16 décembre 1851 et à l'article 23 du livre II du Code de commerce.
Le rang de l'hypothèque légale est déterminé par la datation de l'inscription qui est prise en vertu de la contrainte rendue exécutoire et signifiée. L'hypothèque est inscrite sur demande du fonctionnaire visé au paragraphe 2. L'inscription a lieu, nonobstant opposition, contestation ou recours, sur présentation d'une copie de la contrainte qui est déclarée conforme par ce fonctionnaire et qui fait mention de sa signification.
L'article 17 de la loi sur les faillites du 8 août 1997 ne s'applique pas à l'hypothèque légale concernant les amendes administratives imposées et, le cas échéant, les frais d'expertise supplémentaires et les dessaisissements d'avantages imposés pour lesquels une contrainte a été prononcée et dont la signification à l'intéressé a eu lieu avant le jugement de déclaration de faillite.
§ 5. L'action en paiement de l'amende administrative se prescrit à l'expiration d'un délai de de trois-cent-soixante-cinq jours. Ce délai prend cours le jour qui suit la date pour laquelle l'amende administrative devait être payée. La prescription est interrompue de la manière et aux conditions visées aux articles 2244 et suivants du Code civil.
§ 6. Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres modalités pour l'exécution de cet article. ".
" Art. 6.2.11. § 1er. Les amendes administratives imposées sont perçues et recouvrées par [2 le département]2 de l'Autorité flamande au profit du [1 Grondfonds]1. Le département précité est autorisé à accorder des sursis ou étalements de payement aux débiteurs d'amendes administratives exigibles qui peuvent établir qu'ils sont confrontés à des circonstances particulières.
§ 2. Si l'intéressé reste en défaut de paiement des amendes administratives dues, majorées des frais de recouvrement, ces montants sont recouvrés par contrainte. La contrainte est visée et rendue exécutoire par le fonctionnaire désigné à cet effet par le Gouvernement flamand.
§ 3. La contrainte est signifiée au débiteur par exploit d'huissier.
Dans un délai de trente jours suivant la réception de la contrainte, le débiteur peut faire opposition en citant la Région flamande.
L'opposition suspend l'exécutoire. La Région flamande peut demander au juge d'abroger la suspension de l'exécutoire.
§ 4. Sur la base de la contrainte déclarée exécutoire et en vue de la certitude de recouvrement des amendes administratives imposées [3 ...]3, la Région flamande bénéficie d'un privilège général sur tous les biens mobiliers du débiteur et peut grever d'une hypothèque légale tous les biens du débiteur pouvant en faire l'objet et situés et enregistrés sur le territoire de la Région.
Le privilège visé au paragraphe 1er prend rang immédiatement après les privilèges visés aux articles 19 et 20 de la loi hypothécaire du 16 décembre 1851 et à l'article 23 du livre II du Code de commerce.
Le rang de l'hypothèque légale est déterminé par la datation de l'inscription qui est prise en vertu de la contrainte rendue exécutoire et signifiée. L'hypothèque est inscrite sur demande du fonctionnaire visé au paragraphe 2. L'inscription a lieu, nonobstant opposition, contestation ou recours, sur présentation d'une copie de la contrainte qui est déclarée conforme par ce fonctionnaire et qui fait mention de sa signification.
L'article 17 de la loi sur les faillites du 8 août 1997 ne s'applique pas à l'hypothèque légale concernant les amendes administratives imposées et, le cas échéant, les frais d'expertise supplémentaires et les dessaisissements d'avantages imposés pour lesquels une contrainte a été prononcée et dont la signification à l'intéressé a eu lieu avant le jugement de déclaration de faillite.
§ 5. L'action en paiement de l'amende administrative se prescrit à l'expiration d'un délai de de trois-cent-soixante-cinq jours. Ce délai prend cours le jour qui suit la date pour laquelle l'amende administrative devait être payée. La prescription est interrompue de la manière et aux conditions visées aux articles 2244 et suivants du Code civil.
§ 6. Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres modalités pour l'exécution de cet article. ".
Art. 47. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan afdeling 3, toegevoegd bij artikel 39, een onderafdeling 2 toegevoegd, die luidt als volgt :
"Onderafdeling 2. - Het opleggen van een exclusieve bestuurlijke geldboete voor inbreuken"
"Onderafdeling 2. - Het opleggen van een exclusieve bestuurlijke geldboete voor inbreuken"
Art. 47. Dans le même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, à la section 3, il est ajouté à l'article 39 une sous-section 2e, qui s'énonce comme suit :
" Sous-section 2. - L'imposition d'une amende administrative exclusive pour infractions. "
" Sous-section 2. - L'imposition d'une amende administrative exclusive pour infractions. "
Art. 48. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan onderafdeling 2, toegevoegd bij artikel 47, een artikel 6.2.12 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.2.12. § 1. Na de ontvangst van een verslag van vaststelling als vermeld in artikel 6.2.5, eerste lid, waaruit het bestaan van een inbreuk blijkt, kan de gewestelijke [1 entiteit]1 binnen een termijn van zestig dagen zijn voornemen om een bestuurlijke geldboete op te leggen [1 ...]1 met een beveiligde zending betekenen aan de vermoedelijke overtreder of overtreders. Hetzelfde geldt na ontvangst van een proces-verbaal als vermeld in artikel 6.2.5, derde lid, met dien verstande dat de termijn van zestig dagen pas aanvangt na ontvangst van de beslissing van de procureur des Konings, vermeld in artikel 6.2.13, § 3, eerste lid, of, bij gebreke daaraan, na het verstrijken van de termijnen, vermeld in artikel 6.2.13, § 2.
De vermoedelijke overtreder wordt uitgenodigd om binnen een termijn van dertig dagen die volgt op de betekening, zijn verweer schriftelijk mee te delen. Hij wordt erop gewezen dat hij :
1° zijn schriftelijk verweer mondeling kan toelichten. De vermoedelijke overtreder richt daarvoor aan de gewestelijke [1 entiteit]1 een aanvraag binnen dertig dagen na de betekening;
2° op verzoek de documenten waarop het voornemen tot het opleggen van een exclusieve bestuurlijke geldboete berust, kan inzien en er kopieën van kan krijgen.
[1 De gewestelijk entiteit kan een verbalisant ruimtelijke ordening verzoeken om aanvullende inlichtingen te verstrekken.]1
§ 2. Binnen een termijn van negentig dagen na de betekening van het bericht, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, beslist de gewestelijke [1 entiteit]1 over het opleggen van een bestuurlijke geldboete. Die beslissing wordt met een beveiligde zending aan de vermoedelijke overtreder betekend binnen een termijn van tien dagen na de dag waarop ze werd genomen.
§ 3. Met inachtneming van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen vermeldt de beslissing minstens het eventueel opgelegde bedrag, de beroepsmogelijkheden en de voorwaarden van het beroep, alsook de termijn waarbinnen en de manier waarop de exclusieve bestuurlijke geldboete moet worden betaald.
§ 4. [1 Binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf de datum waarop de vermoedelijke overtreder op de hoogte wordt gebracht van de beslissing van de gewestelijke entiteit tot het opleggen van een exclusieve bestuurlijke geldboete, kan degene aan wie de boete is opgelegd, beroep indienen bij het Handhavingscollege, vermeld in artikel 16.4.19 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, volgens de procedure, vermeld in hoofdstuk 3, afdelingen 1 en 2, en hoofdstuk 4, afdelingen 1, 2 en 4, van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges. Het beroep schorst de bestreden beslissing.]1 ".
"Art. 6.2.12. § 1. Na de ontvangst van een verslag van vaststelling als vermeld in artikel 6.2.5, eerste lid, waaruit het bestaan van een inbreuk blijkt, kan de gewestelijke [1 entiteit]1 binnen een termijn van zestig dagen zijn voornemen om een bestuurlijke geldboete op te leggen [1 ...]1 met een beveiligde zending betekenen aan de vermoedelijke overtreder of overtreders. Hetzelfde geldt na ontvangst van een proces-verbaal als vermeld in artikel 6.2.5, derde lid, met dien verstande dat de termijn van zestig dagen pas aanvangt na ontvangst van de beslissing van de procureur des Konings, vermeld in artikel 6.2.13, § 3, eerste lid, of, bij gebreke daaraan, na het verstrijken van de termijnen, vermeld in artikel 6.2.13, § 2.
De vermoedelijke overtreder wordt uitgenodigd om binnen een termijn van dertig dagen die volgt op de betekening, zijn verweer schriftelijk mee te delen. Hij wordt erop gewezen dat hij :
1° zijn schriftelijk verweer mondeling kan toelichten. De vermoedelijke overtreder richt daarvoor aan de gewestelijke [1 entiteit]1 een aanvraag binnen dertig dagen na de betekening;
2° op verzoek de documenten waarop het voornemen tot het opleggen van een exclusieve bestuurlijke geldboete berust, kan inzien en er kopieën van kan krijgen.
[1 De gewestelijk entiteit kan een verbalisant ruimtelijke ordening verzoeken om aanvullende inlichtingen te verstrekken.]1
§ 2. Binnen een termijn van negentig dagen na de betekening van het bericht, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, beslist de gewestelijke [1 entiteit]1 over het opleggen van een bestuurlijke geldboete. Die beslissing wordt met een beveiligde zending aan de vermoedelijke overtreder betekend binnen een termijn van tien dagen na de dag waarop ze werd genomen.
§ 3. Met inachtneming van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen vermeldt de beslissing minstens het eventueel opgelegde bedrag, de beroepsmogelijkheden en de voorwaarden van het beroep, alsook de termijn waarbinnen en de manier waarop de exclusieve bestuurlijke geldboete moet worden betaald.
§ 4. [1 Binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf de datum waarop de vermoedelijke overtreder op de hoogte wordt gebracht van de beslissing van de gewestelijke entiteit tot het opleggen van een exclusieve bestuurlijke geldboete, kan degene aan wie de boete is opgelegd, beroep indienen bij het Handhavingscollege, vermeld in artikel 16.4.19 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, volgens de procedure, vermeld in hoofdstuk 3, afdelingen 1 en 2, en hoofdstuk 4, afdelingen 1, 2 en 4, van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges. Het beroep schorst de bestreden beslissing.]1 ".
Modifications
Art. 48. Dans le même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, à la sous-section 2e, il est ajouté, à l'article 47, un article 6.2.12, qui s'énonce comme suit :
" Art. 6.2.12. § 1er. Après la réception d'un rapport de constatation tel que visé à l'article 6.2.5, premier alinéa, de nature à établir une infraction, [1 l'entité régionale]1 peut, dans un délai de soixante jours, signifier au contrevenant ou aux contrevenants présumés son intention d'imposer une amende administrative par envoi sécurisé [1 ...]1. Il en va de même après la réception d'un procès-verbal tel que visé à l'article 6.2.5, troisième alinéa, étant entendu que le délai de soixante jours ne prend cours qu'après la réception de la décision du procureur du Roi, visée à l'article 6.2.13, § 3, premier alinéa, ou, à défaut, après l'expiration des délais visés à l'article 6.2.13, § 2.
Le contrevenant présumé est invité à communiquer sa défense par écrit dans un délai de trente jours suivant la notification de cet avis. Son attention est également attirée sur le fait :
1° qu'il peut commenter oralement sa défense écrite. Le contrevenant présumé introduit une demande à cet effet auprès [1 de l'entité régionale]1 dans les trente jours suivant la notification ;
2° qu'il peut consulter les documents qui sont à la base de l'intention d'imposer une amende administrative exclusive sur demande et qu'il peut en obtenir des copies.
[1 L'entité régionale peut demander à un agent verbalisateur de l'aménagement du territoire de fournir des renseignements complémentaires.]1
§ 2. Dans un délai de nonante jours suivant la signification de l'avis, visé au paragraphe 1er, premier alinéa, [1 l'entité régionale]1 prend une décision concernant l'imposition d'une amende administrative. Cette décision est communiquée par envoi sécurisé au contrevenant présumé dans un délai de dix jours à compter du jour où elle a été prise.
§ 3. Compte tenu de la loi du 29 juillet 1991 concernant la motivation expresse des actes administratifs, la décision mentionne au moins le montant éventuellement imposé, les possibilités de recours et les conditions du recours, de même que les délais durant lesquels l'amende administrative exclusive doit être payée et le mode de paiement.
§ 4. [1 Dans un délai de trente jours à compter de la date à laquelle le contrevenant présumé est informé de la décision de l'entité régionale d'imposer une amende administrative exclusive, le justiciable de l'amende peut introduire un recours auprès du Collège de maintien environnemental visé à l'article 16.4.19 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, conformément à la procédure visée au chapitre 3, sections 1 et 2 et au chapitre 4, sections 1, 2 et 4 du décret du 4 avril 2014 modifiant divers décrets relatifs à l'aménagement du territoire et à la politique foncière et immobilière. Le recours suspend la décision contestée.]1 ".
" Art. 6.2.12. § 1er. Après la réception d'un rapport de constatation tel que visé à l'article 6.2.5, premier alinéa, de nature à établir une infraction, [1 l'entité régionale]1 peut, dans un délai de soixante jours, signifier au contrevenant ou aux contrevenants présumés son intention d'imposer une amende administrative par envoi sécurisé [1 ...]1. Il en va de même après la réception d'un procès-verbal tel que visé à l'article 6.2.5, troisième alinéa, étant entendu que le délai de soixante jours ne prend cours qu'après la réception de la décision du procureur du Roi, visée à l'article 6.2.13, § 3, premier alinéa, ou, à défaut, après l'expiration des délais visés à l'article 6.2.13, § 2.
Le contrevenant présumé est invité à communiquer sa défense par écrit dans un délai de trente jours suivant la notification de cet avis. Son attention est également attirée sur le fait :
1° qu'il peut commenter oralement sa défense écrite. Le contrevenant présumé introduit une demande à cet effet auprès [1 de l'entité régionale]1 dans les trente jours suivant la notification ;
2° qu'il peut consulter les documents qui sont à la base de l'intention d'imposer une amende administrative exclusive sur demande et qu'il peut en obtenir des copies.
[1 L'entité régionale peut demander à un agent verbalisateur de l'aménagement du territoire de fournir des renseignements complémentaires.]1
§ 2. Dans un délai de nonante jours suivant la signification de l'avis, visé au paragraphe 1er, premier alinéa, [1 l'entité régionale]1 prend une décision concernant l'imposition d'une amende administrative. Cette décision est communiquée par envoi sécurisé au contrevenant présumé dans un délai de dix jours à compter du jour où elle a été prise.
§ 3. Compte tenu de la loi du 29 juillet 1991 concernant la motivation expresse des actes administratifs, la décision mentionne au moins le montant éventuellement imposé, les possibilités de recours et les conditions du recours, de même que les délais durant lesquels l'amende administrative exclusive doit être payée et le mode de paiement.
§ 4. [1 Dans un délai de trente jours à compter de la date à laquelle le contrevenant présumé est informé de la décision de l'entité régionale d'imposer une amende administrative exclusive, le justiciable de l'amende peut introduire un recours auprès du Collège de maintien environnemental visé à l'article 16.4.19 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, conformément à la procédure visée au chapitre 3, sections 1 et 2 et au chapitre 4, sections 1, 2 et 4 du décret du 4 avril 2014 modifiant divers décrets relatifs à l'aménagement du territoire et à la politique foncière et immobilière. Le recours suspend la décision contestée.]1 ".
Modifications
Art. 49. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan afdeling 3, toegevoegd bij artikel 39, een onderafdeling 3 toegevoegd, die luidt als volgt :
"Onderafdeling 3. - Het opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldboete voor misdrijven"
"Onderafdeling 3. - Het opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldboete voor misdrijven"
Art. 49. Dans le même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, à la section 3, il est ajouté à l'article 39 une sous-section 3e, qui s'énonce comme suit :
" Sous-section 3. - L'imposition d'une amende administrative exclusive pour délits "
" Sous-section 3. - L'imposition d'une amende administrative exclusive pour délits "
Art. 50. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan onderafdeling 3, toegevoegd bij artikel 49, een artikel 6.2.13 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.2.13. § 1. Bij de vaststelling van een misdrijf als vermeld in artikel 6.2.1, eerste lid, bezorgt de verbalisant samen met het proces-verbaal een schriftelijk verzoek aan de procureur des Konings, waarin de procureur des Konings gevraagd wordt zich uit te spreken over de al dan niet strafrechtelijke behandeling van het misdrijf.
§ 2. De procureur des Konings beschikt over een periode van honderdtachtig dagen, te rekenen vanaf de dag waarop hij het proces-verbaal heeft ontvangen, om een beslissing over het verzoek te nemen. Voor die periode verstreken is, kan ze gemotiveerd eenmalig verlengd worden met een aanvullende periode van maximaal honderdtachtig dagen. De procureur des Konings brengt de gewestelijke [1 entiteit]1 onmiddellijk op de hoogte van die verlenging. Tijdens die periode van honderdtachtig dagen, eventueel verlengd met een aanvullende periode van maximaal honderdtachtig dagen, kan er geen bestuurlijke geldboete worden opgelegd.
§ 3. De procureur des Konings deelt zijn beslissing mee aan de gewestelijke [1 entiteit]1, de stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester.
Een beslissing houdende strafrechtelijke behandeling sluit het opleggen van een bestuurlijke geldboete uit. De oplegging van een bestuurlijke geldboete is ook uitgesloten als de procureur des Konings nalaat om tijdig zijn beslissing mee te delen aan de gewestelijke beboetingsambtenaar.
Een beslissing houdende geen strafrechtelijke behandeling van het stedenbouwkundige misdrijf houdt het verval van de strafvordering met betrekking tot dit misdrijf in, maar laat de strafvordering met betrekking tot andere feiten onverminderd bestaan, zelfs in geval van eenheid van opzet.
§ 4. Een alternatieve bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd aan alle overtreders. Ze bedraagt maximaal 250.000 euro.
De bestuurlijke geldboete wordt opgelegd en ingevorderd conform artikel 6.2.11 en 6.2.12 met dien verstande dat de termijn waarbinnen de vermoedelijke overtreder op de hoogte moet worden gebracht van het voornemen om een bestuurlijke geldboete op te leggen, dertig dagen bedraagt en pas aanvangt na ontvangst van de beslissing, vermeld in paragraaf 3. De termijn waarbinnen moet worden beslist over het opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldboete, bedraagt honderdtachtig dagen.
[2 Binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf de datum waarop de vermoedelijke overtreder op de hoogte wordt gebracht van de beslissing van de gewestelijke entiteit tot het opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldboete, kan degene aan wie de boete is opgelegd, beroep indienen bij het Handhavingscollege, vermeld in artikel 16.4.19 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, volgens de procedure, vermeld in hoofdstuk 3, afdelingen 1 en 2, en hoofdstuk 4, afdelingen 1, 2 4, van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges. Het beroep schorst de bestreden beslissing.]2
§ 5. Wanneer een alternatieve bestuurlijke geldboete wordt opgelegd, wordt de opsteller van het proces-verbaal dat daartoe geleid heeft, daarvan in kennis gesteld.".
"Art. 6.2.13. § 1. Bij de vaststelling van een misdrijf als vermeld in artikel 6.2.1, eerste lid, bezorgt de verbalisant samen met het proces-verbaal een schriftelijk verzoek aan de procureur des Konings, waarin de procureur des Konings gevraagd wordt zich uit te spreken over de al dan niet strafrechtelijke behandeling van het misdrijf.
§ 2. De procureur des Konings beschikt over een periode van honderdtachtig dagen, te rekenen vanaf de dag waarop hij het proces-verbaal heeft ontvangen, om een beslissing over het verzoek te nemen. Voor die periode verstreken is, kan ze gemotiveerd eenmalig verlengd worden met een aanvullende periode van maximaal honderdtachtig dagen. De procureur des Konings brengt de gewestelijke [1 entiteit]1 onmiddellijk op de hoogte van die verlenging. Tijdens die periode van honderdtachtig dagen, eventueel verlengd met een aanvullende periode van maximaal honderdtachtig dagen, kan er geen bestuurlijke geldboete worden opgelegd.
§ 3. De procureur des Konings deelt zijn beslissing mee aan de gewestelijke [1 entiteit]1, de stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester.
Een beslissing houdende strafrechtelijke behandeling sluit het opleggen van een bestuurlijke geldboete uit. De oplegging van een bestuurlijke geldboete is ook uitgesloten als de procureur des Konings nalaat om tijdig zijn beslissing mee te delen aan de gewestelijke beboetingsambtenaar.
Een beslissing houdende geen strafrechtelijke behandeling van het stedenbouwkundige misdrijf houdt het verval van de strafvordering met betrekking tot dit misdrijf in, maar laat de strafvordering met betrekking tot andere feiten onverminderd bestaan, zelfs in geval van eenheid van opzet.
§ 4. Een alternatieve bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd aan alle overtreders. Ze bedraagt maximaal 250.000 euro.
De bestuurlijke geldboete wordt opgelegd en ingevorderd conform artikel 6.2.11 en 6.2.12 met dien verstande dat de termijn waarbinnen de vermoedelijke overtreder op de hoogte moet worden gebracht van het voornemen om een bestuurlijke geldboete op te leggen, dertig dagen bedraagt en pas aanvangt na ontvangst van de beslissing, vermeld in paragraaf 3. De termijn waarbinnen moet worden beslist over het opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldboete, bedraagt honderdtachtig dagen.
[2 Binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf de datum waarop de vermoedelijke overtreder op de hoogte wordt gebracht van de beslissing van de gewestelijke entiteit tot het opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldboete, kan degene aan wie de boete is opgelegd, beroep indienen bij het Handhavingscollege, vermeld in artikel 16.4.19 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, volgens de procedure, vermeld in hoofdstuk 3, afdelingen 1 en 2, en hoofdstuk 4, afdelingen 1, 2 4, van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges. Het beroep schorst de bestreden beslissing.]2
§ 5. Wanneer een alternatieve bestuurlijke geldboete wordt opgelegd, wordt de opsteller van het proces-verbaal dat daartoe geleid heeft, daarvan in kennis gesteld.".
Art. 50. Dans le même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, à la sous-section 3e, il est ajouté, à l'article 49, un article 6.2.13, qui s'énonce comme suit :
" Art. 6.2.13. § 1er. Lors de la constatation d'un délit tel que visé à l'article 6.2.1, alinéa premier, le verbalisant remet, conjointement avec le procès-verbal, une requête écrite au procureur du Roi le priant de se prononcer concernant le traitement pénal ou non du délit.
§ 2. Le procureur du Roi dispose d'une période de cent quatre-vingt jours, à compter du jour au cours duquel il a reçu le procès-verbal, pour prendre une décision concernant la demande. Avant expiration de cette période, elle peut être prolongée une fois de manière motivée d'une période complémentaire de maximum cent quatre-vingts jours. Le procureur du Roi informe immédiatement [1 l'entité régionale]1 de cette prolongation. Durant cette période de centre quatre-vingts jours, éventuellement prolongée d'une période complémentaire de maximum cent quatre-vingts jours, aucune amende administrative ne peut être imposée.
§ 3. Le procureur du Roi communique sa décision [1 à l'entité régionale]1, à l'inspecteur urbaniste et au bourgmestre.
Une décision portant traitement pénal exclut l'imposition d'une amende administrative. L'imposition d'une amende administrative est également exclue lorsque le procureur du Roi néglige de communiquer sa décision en temps voulu au fonctionnaire de verbalisation régional.
Une décision ne portant aucun traitement pénal du délit urbanistique entraîne la déchéance de l'action pénale relative à ce délit, mais l'action pénale relative à d'autres faits subsiste intégralement, même en cas d'unité d'intention.
§ 4. Une amende administrative alternative peut être imposée à tous les contrevenants. Elle s'élève à maximum 250.000 euros.
L'amende administrative est imposée et perçue conformément aux articles 6.2.11 et 6.2.12, étant entendu que le délai dans lequel le contrevenant présumé doit être informé de l'intention d'imposer une amende administrative s'élève à trente jours et ne prend cours qu'après la réception de la décision visée au paragraphe 3. Le délai dans lequel une décision doit être prise quant à l'imposition d'une amende administrative compte cent quatre-vingt jours.
[2 Dans un délai de trente jours à compter de la date à laquelle le contrevenant présumé est informé de la décision de l'entité régionale d'imposer une amende administrative alternative, le justiciable de l'amende peut introduire un recours auprès du Collège de maintien environnemental visé à l'article 16.4.19 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, conformément à la procédure visée au chapitre 3, sections 1 et 2 et au chapitre 4, sections 1, 2 et 4 du décret du 4 avril 2014 modifiant divers décrets relatifs à l'aménagement du territoire et à la politique foncière et immobilière. Le recours suspend la décision contestée.]2
§ 5. Lorsqu'une amende administrative alternative est imposée, le rédacteur du procès-verbal qui y a donné lieu en est informé. ".
" Art. 6.2.13. § 1er. Lors de la constatation d'un délit tel que visé à l'article 6.2.1, alinéa premier, le verbalisant remet, conjointement avec le procès-verbal, une requête écrite au procureur du Roi le priant de se prononcer concernant le traitement pénal ou non du délit.
§ 2. Le procureur du Roi dispose d'une période de cent quatre-vingt jours, à compter du jour au cours duquel il a reçu le procès-verbal, pour prendre une décision concernant la demande. Avant expiration de cette période, elle peut être prolongée une fois de manière motivée d'une période complémentaire de maximum cent quatre-vingts jours. Le procureur du Roi informe immédiatement [1 l'entité régionale]1 de cette prolongation. Durant cette période de centre quatre-vingts jours, éventuellement prolongée d'une période complémentaire de maximum cent quatre-vingts jours, aucune amende administrative ne peut être imposée.
§ 3. Le procureur du Roi communique sa décision [1 à l'entité régionale]1, à l'inspecteur urbaniste et au bourgmestre.
Une décision portant traitement pénal exclut l'imposition d'une amende administrative. L'imposition d'une amende administrative est également exclue lorsque le procureur du Roi néglige de communiquer sa décision en temps voulu au fonctionnaire de verbalisation régional.
Une décision ne portant aucun traitement pénal du délit urbanistique entraîne la déchéance de l'action pénale relative à ce délit, mais l'action pénale relative à d'autres faits subsiste intégralement, même en cas d'unité d'intention.
§ 4. Une amende administrative alternative peut être imposée à tous les contrevenants. Elle s'élève à maximum 250.000 euros.
L'amende administrative est imposée et perçue conformément aux articles 6.2.11 et 6.2.12, étant entendu que le délai dans lequel le contrevenant présumé doit être informé de l'intention d'imposer une amende administrative s'élève à trente jours et ne prend cours qu'après la réception de la décision visée au paragraphe 3. Le délai dans lequel une décision doit être prise quant à l'imposition d'une amende administrative compte cent quatre-vingt jours.
[2 Dans un délai de trente jours à compter de la date à laquelle le contrevenant présumé est informé de la décision de l'entité régionale d'imposer une amende administrative alternative, le justiciable de l'amende peut introduire un recours auprès du Collège de maintien environnemental visé à l'article 16.4.19 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, conformément à la procédure visée au chapitre 3, sections 1 et 2 et au chapitre 4, sections 1, 2 et 4 du décret du 4 avril 2014 modifiant divers décrets relatifs à l'aménagement du territoire et à la politique foncière et immobilière. Le recours suspend la décision contestée.]2
§ 5. Lorsqu'une amende administrative alternative est imposée, le rédacteur du procès-verbal qui y a donné lieu en est informé. ".
Art. 51. Aan titel VI, hoofdstuk II, van dezelfde codex wordt een afdeling 4 toegevoegd, die luidt als volgt :
"Afdeling 4. - Voorstel tot betaling van een geldsom"
"Afdeling 4. - Voorstel tot betaling van een geldsom"
Art. 51. Au titre VI, chapitre II du même code, il est ajouté une section 4 qui s'énonce comme suit :
" Section 4. - Proposition de paiement d'une somme d'argent "
" Section 4. - Proposition de paiement d'une somme d'argent "
Art. 52. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan afdeling 4, toegevoegd bij artikel 51, een artikel 6.2.14 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.2.14. De gewestelijke [1 entiteit]1 kan een voorstel tot betaling van een geldsom doen als hij van mening is dat volgens de vaststellingen in het verslag van vaststelling of het proces-verbaal onmiskenbaar vaststaat dat de overtreder de stedenbouwkundige inbreuk of het stedenbouwkundig misdrijf heeft gepleegd. Het voorstel kan, voor wat stedenbouwkundige misdrijven betreft, eerst worden gedaan na kennisname van een tijdige beslissing in de zin van artikel 6.2.13, § 3, derde lid.
De termijn waarin de geldsom betaald moet worden, bedraagt drie maanden. Het voorstel schorst de termijnen, vermeld in artikel 6.2.12, § 1, en artikel 6.2.13, § 4, tweede lid, tot het einde van de betalingstermijn. Na de betaling van de voorgestelde geldsom is het opleggen van een bestuurlijke geldboete niet langer mogelijk.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de uitvoering van dit artikel.".
"Art. 6.2.14. De gewestelijke [1 entiteit]1 kan een voorstel tot betaling van een geldsom doen als hij van mening is dat volgens de vaststellingen in het verslag van vaststelling of het proces-verbaal onmiskenbaar vaststaat dat de overtreder de stedenbouwkundige inbreuk of het stedenbouwkundig misdrijf heeft gepleegd. Het voorstel kan, voor wat stedenbouwkundige misdrijven betreft, eerst worden gedaan na kennisname van een tijdige beslissing in de zin van artikel 6.2.13, § 3, derde lid.
De termijn waarin de geldsom betaald moet worden, bedraagt drie maanden. Het voorstel schorst de termijnen, vermeld in artikel 6.2.12, § 1, en artikel 6.2.13, § 4, tweede lid, tot het einde van de betalingstermijn. Na de betaling van de voorgestelde geldsom is het opleggen van een bestuurlijke geldboete niet langer mogelijk.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de uitvoering van dit artikel.".
Modifications
Art. 52. Dans le même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, à la sous-section 4e, il est ajouté, à l'article 51, un article 6.2.14, qui s'énonce comme suit :
" Art. 6.2.14. [1 L'entité régionale]1 peut formuler une proposition de payer une somme d'argent s'il estime que les constatations du rapport de constatation ou du procès-verbal démontrent incontestablement que le contrevenant a commis l'infraction urbanistique ou le délit urbanistique. En ce qui concerne les délits urbanistiques, la proposition peut d'abord être formulée après la prise de connaissance d'une décision temporaire au sens de l'article 6.2.13, § 3, troisième alinéa.
Le délai dans lequel la somme d'argent doit être payée s'élève à trois mois. La proposition suspend les délais visés à l'article 6.2.12, § 1er, et à l'article 6.2.13, § 4, deuxième alinéa, jusqu'à la fin du délai de paiement. Après le paiement de la somme d'argent proposée, l'imposition d'une amende administrative n'est plus possible.
Le Gouvernement flamand fixe les modalités d'exécution du présent article. ".
" Art. 6.2.14. [1 L'entité régionale]1 peut formuler une proposition de payer une somme d'argent s'il estime que les constatations du rapport de constatation ou du procès-verbal démontrent incontestablement que le contrevenant a commis l'infraction urbanistique ou le délit urbanistique. En ce qui concerne les délits urbanistiques, la proposition peut d'abord être formulée après la prise de connaissance d'une décision temporaire au sens de l'article 6.2.13, § 3, troisième alinéa.
Le délai dans lequel la somme d'argent doit être payée s'élève à trois mois. La proposition suspend les délais visés à l'article 6.2.12, § 1er, et à l'article 6.2.13, § 4, deuxième alinéa, jusqu'à la fin du délai de paiement. Après le paiement de la somme d'argent proposée, l'imposition d'une amende administrative n'est plus possible.
Le Gouvernement flamand fixe les modalités d'exécution du présent article. ".
Modifications
Art. 53. In titel VI van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010 en 11 mei 2012, wordt het opschrift van hoofdstuk III vervangen door wat volgt :
"Hoofdstuk III. - Rechterlijke maatregelen"
"Hoofdstuk III. - Rechterlijke maatregelen"
Art. 53. Au titre VI du même code, modifié par les décrets des 16 juillet 2010 et 11 mai 2012, l'intitulé du chapitre III est remplacé par ce qui suit :
" CHAPITRE III. - Mesures judiciaires "
" CHAPITRE III. - Mesures judiciaires "
Art. 54. In titel VI, hoofdstuk III, van dezelfde codex wordt een afdeling 1 ingevoegd, die luidt als volgt :
"Afdeling 1. - Rechterlijke herstelmaatregelen"
"Afdeling 1. - Rechterlijke herstelmaatregelen"
Art. 54. Au titre VI, chapitre III du même code, il est inséré une section 1re qui s'énonce comme suit :
" Section 1re. - Mesures judiciaires de réparation "
" Section 1re. - Mesures judiciaires de réparation "
Art. 55. Artikel 6.3.1 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 6.3.1. § 1. Naast de straf beveelt de rechtbank, ambtshalve of op vordering van een bevoegde overheid, een meerwaarde te betalen en/of bouw- of aanpassingswerken uit te voeren en/of de plaats in de oorspronkelijke toestand te herstellen of het strijdige gebruik te staken. Dat gebeurt, met inachtneming van de volgende rangorde :
1° als het gevolg van het misdrijf kennelijk verenigbaar is met een goede ruimtelijke ordening, het betalen van een meerwaarde;
2° als dit kennelijk volstaat om de plaatselijke ordening te herstellen, de uitvoering van bouw- of aanpassingswerken;
3° in de andere gevallen, de uitvoering van het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand of de staking van het strijdige gebruik.
Voor de diverse onderdelen van eenzelfde misdrijf kunnen verschillende herstelmaatregelen gecombineerd worden, bevolen volgens de rangorde, vermeld in het eerste lid. Het bevolen herstel dekt steeds de volledige illegaliteit ter plaatse, ook al werd die mee veroorzaakt door stedenbouwkundige misdrijven of inbreuken die niet bij de rechter aanhangig zijn.
§ 2. [1 Onder bevoegde overheid als vermeld in deze afdeling, wordt verstaan: het Openbaar Ministerie, de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur in naam van het Vlaamse Gewest, alsook de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester in naam van de gemeente.]1
§ 3. De herstelvordering van de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester wordt, met naleving van artikel 6.3.10 en respectievelijk in naam van het Vlaamse Gewest of van de gemeente, met een gewone brief ingeleid bij het openbaar ministerie.
De Vlaamse Regering kan nadere formele voorwaarden vastleggen waaraan de herstelvordering op straffe van onontvankelijkheid moet voldoen.
§ 4. De rechtbank bepaalt een termijn voor de uitvoering van de herstelmaatregelen en kan, op vordering van de bevoegde overheid, ook een dwangsom bepalen.
§ 5. De meerwaarde is een vergoeding voor het behoud van een ruimtelijke situatie die volgens de actuele regelgeving, stedenbouwkundige voorschriften of verkavelingsvoorschriften, niet legaliseerbaar is. Zolang sprake is van een illegale ruimtelijke situatie, geldt voor de toepassing van dit artikel een onweerlegbaar vermoeden van niet-legaliseerbaarheid.
[1 De rechtbank bepaalt het bedrag van de meerwaarde. De rechtbank hanteert daarvoor de forfaitaire bedragen, bepaald door de Vlaamse Regering, maar kan het aldus bekomen bedrag ambtshalve of op verzoek verminderen als dat bedrag kennelijk de vergoeding te boven gaat om de schade aan de goede ruimtelijke ordening te herstellen.]1
Bij een veroordeling tot de betaling van een meerwaarde kan de veroordeelde zich op een geldige wijze kwijten door binnen de termijn, vermeld paragraaf 4, de legaliteit te herstellen door het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand, het staken van het strijdige gebruik of het verkrijgen van een regularisatievergunning en uitvoering van de daarin begrepen voorwaarden.
De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de betaling van de meerwaarde.
§ 6. De dagvaarding is maar ontvankelijk na overschrijving van de gedinginleidende akte in het hypotheekkantoor van het gebied waar de goederen liggen. Elke eindbeslissing die in de zaak gewezen is, wordt op de kant van de overgeschreven gedinginleidende akte ingeschreven op de wijze, vermeld in artikel 84 van de Hypotheekwet van 16 december 1851. Bij gebrek aan een overschrijving wordt de eindbeslissing ingeschreven op de kant van de overschrijving van de titel van verkrijging.".
"Art. 6.3.1. § 1. Naast de straf beveelt de rechtbank, ambtshalve of op vordering van een bevoegde overheid, een meerwaarde te betalen en/of bouw- of aanpassingswerken uit te voeren en/of de plaats in de oorspronkelijke toestand te herstellen of het strijdige gebruik te staken. Dat gebeurt, met inachtneming van de volgende rangorde :
1° als het gevolg van het misdrijf kennelijk verenigbaar is met een goede ruimtelijke ordening, het betalen van een meerwaarde;
2° als dit kennelijk volstaat om de plaatselijke ordening te herstellen, de uitvoering van bouw- of aanpassingswerken;
3° in de andere gevallen, de uitvoering van het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand of de staking van het strijdige gebruik.
Voor de diverse onderdelen van eenzelfde misdrijf kunnen verschillende herstelmaatregelen gecombineerd worden, bevolen volgens de rangorde, vermeld in het eerste lid. Het bevolen herstel dekt steeds de volledige illegaliteit ter plaatse, ook al werd die mee veroorzaakt door stedenbouwkundige misdrijven of inbreuken die niet bij de rechter aanhangig zijn.
§ 2. [1 Onder bevoegde overheid als vermeld in deze afdeling, wordt verstaan: het Openbaar Ministerie, de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur in naam van het Vlaamse Gewest, alsook de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester in naam van de gemeente.]1
§ 3. De herstelvordering van de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester wordt, met naleving van artikel 6.3.10 en respectievelijk in naam van het Vlaamse Gewest of van de gemeente, met een gewone brief ingeleid bij het openbaar ministerie.
De Vlaamse Regering kan nadere formele voorwaarden vastleggen waaraan de herstelvordering op straffe van onontvankelijkheid moet voldoen.
§ 4. De rechtbank bepaalt een termijn voor de uitvoering van de herstelmaatregelen en kan, op vordering van de bevoegde overheid, ook een dwangsom bepalen.
§ 5. De meerwaarde is een vergoeding voor het behoud van een ruimtelijke situatie die volgens de actuele regelgeving, stedenbouwkundige voorschriften of verkavelingsvoorschriften, niet legaliseerbaar is. Zolang sprake is van een illegale ruimtelijke situatie, geldt voor de toepassing van dit artikel een onweerlegbaar vermoeden van niet-legaliseerbaarheid.
[1 De rechtbank bepaalt het bedrag van de meerwaarde. De rechtbank hanteert daarvoor de forfaitaire bedragen, bepaald door de Vlaamse Regering, maar kan het aldus bekomen bedrag ambtshalve of op verzoek verminderen als dat bedrag kennelijk de vergoeding te boven gaat om de schade aan de goede ruimtelijke ordening te herstellen.]1
Bij een veroordeling tot de betaling van een meerwaarde kan de veroordeelde zich op een geldige wijze kwijten door binnen de termijn, vermeld paragraaf 4, de legaliteit te herstellen door het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand, het staken van het strijdige gebruik of het verkrijgen van een regularisatievergunning en uitvoering van de daarin begrepen voorwaarden.
De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de betaling van de meerwaarde.
§ 6. De dagvaarding is maar ontvankelijk na overschrijving van de gedinginleidende akte in het hypotheekkantoor van het gebied waar de goederen liggen. Elke eindbeslissing die in de zaak gewezen is, wordt op de kant van de overgeschreven gedinginleidende akte ingeschreven op de wijze, vermeld in artikel 84 van de Hypotheekwet van 16 december 1851. Bij gebrek aan een overschrijving wordt de eindbeslissing ingeschreven op de kant van de overschrijving van de titel van verkrijging.".
Modifications
Art. 55. L'article 6.3.1 du même code est remplacé par ce qui suit :
" Art. 6.3.1. § 1er. Outre la peine, le tribunal ordonne, d'office ou sur requête d'une autorité compétente, de payer une plus-value, d'exécuter des travaux de construction ou d'adaptation et/ou de remettre le lieu en son état initial ou de cesser l'utilisation contraire. Ceci se fait en respectant l'ordre suivant :
1° si la conséquence de l'infraction est manifestement compatible avec un bon aménagement du territoire, le paiement d'une plus-value ;
2° s'il a clairement été établi que cela suffit pour rétablir l'aménagement local, l'exécution de travaux de construction ou d'adaptation ;
3° dans les autres cas, la restauration de l'endroit dans son état initial ou la cessation de l'utilisation contraire.
Par rapport aux diverses parties d'un même délit, différentes mesures de réparation peuvent être combinées et ordonnées conformément à l'ordre établi au premier alinéa. La restauration ordonnée couvre toujours l'ensemble de l'illégalité sur place, même si celle-ci résulte partiellement de délits ou infractions urbanistiques dont le juge n'a pas été saisi.
§ 2. [1 Par autorité compétente, comme visé dans cette section, il convient d'entendre : le Ministère public, l'inspecteur urbaniste régional au nom de la Région flamande, ainsi que l'inspecteur urbaniste communal et le bourgmestre au nom de la commune.]1
§ 3. La requête en réparation de l'inspecteur urbaniste régional, de l'inspecteur urbaniste communal ou du bourgmestre est introduite par lettre ordinaire au ministère public, dans le respect de l'article 6.3.10 et au nom de la Région flamande ou de la commune.
Le Gouvernement flamand peut fixer les conditions formelles auxquelles la requête en réparation doit satisfaire sous peine d'irrecevabilité.
§ 4. Le tribunal établit un délai pour l'exécution des mesures de réparation et peut également, sur requête de l'autorité compétente, fixer une astreinte.
§ 5. La plus-value est une indemnité pour le maintien d'une situation spatiale qui, compte tenu des réglementation, prescriptions urbanistiques ou prescriptions en matière de lotissement actuelles, n'est pas légalisable. Tant qu'il est question d'une situation spatiale illégale, l'application de cet article est subordonnée à une présomption irréfragable d'impossibilité de légalisation.
[1 Le tribunal détermine le montant de la plus-value. Le tribunal applique à cet effet les montants forfaitaires fixés par le Gouvernement flamand, mais il peut réduire le montant ainsi obtenu d'office ou sur demande si ce montant est manifestement supérieur à l'indemnisation requise pour réparer les dommages causés au bon aménagement du territoire.]1
En cas de condamnation à payer une plus-value, le condamné peut se libérer valablement en rétablissant, dans le délai visé au paragraphe 4, la légalité en restaurant le lieu dans son état initial, en cessant l'utilisation contraire ou en obtenant un permis de régularisation et en se conformant aux conditions dont il est assorti.
Le Gouvernement flamand fixe les règles relatives au paiement de la plus-value.
§ 6. La citation ne sera recevable qu'après transcription de l'acte introductif d'instance au bureau des hypothèques de la région où les biens se situent. Toute décision finale rendue dans l'affaire est inscrite en marge de l'acte introductif d'instance transcrit de la façon mentionnée à l'article 84 de la Loi sur les Hypothèques du 16 décembre 1851. A défaut de transcription, la décision finale est inscrite en marge de la transcription du titre d'obtention. ".
" Art. 6.3.1. § 1er. Outre la peine, le tribunal ordonne, d'office ou sur requête d'une autorité compétente, de payer une plus-value, d'exécuter des travaux de construction ou d'adaptation et/ou de remettre le lieu en son état initial ou de cesser l'utilisation contraire. Ceci se fait en respectant l'ordre suivant :
1° si la conséquence de l'infraction est manifestement compatible avec un bon aménagement du territoire, le paiement d'une plus-value ;
2° s'il a clairement été établi que cela suffit pour rétablir l'aménagement local, l'exécution de travaux de construction ou d'adaptation ;
3° dans les autres cas, la restauration de l'endroit dans son état initial ou la cessation de l'utilisation contraire.
Par rapport aux diverses parties d'un même délit, différentes mesures de réparation peuvent être combinées et ordonnées conformément à l'ordre établi au premier alinéa. La restauration ordonnée couvre toujours l'ensemble de l'illégalité sur place, même si celle-ci résulte partiellement de délits ou infractions urbanistiques dont le juge n'a pas été saisi.
§ 2. [1 Par autorité compétente, comme visé dans cette section, il convient d'entendre : le Ministère public, l'inspecteur urbaniste régional au nom de la Région flamande, ainsi que l'inspecteur urbaniste communal et le bourgmestre au nom de la commune.]1
§ 3. La requête en réparation de l'inspecteur urbaniste régional, de l'inspecteur urbaniste communal ou du bourgmestre est introduite par lettre ordinaire au ministère public, dans le respect de l'article 6.3.10 et au nom de la Région flamande ou de la commune.
Le Gouvernement flamand peut fixer les conditions formelles auxquelles la requête en réparation doit satisfaire sous peine d'irrecevabilité.
§ 4. Le tribunal établit un délai pour l'exécution des mesures de réparation et peut également, sur requête de l'autorité compétente, fixer une astreinte.
§ 5. La plus-value est une indemnité pour le maintien d'une situation spatiale qui, compte tenu des réglementation, prescriptions urbanistiques ou prescriptions en matière de lotissement actuelles, n'est pas légalisable. Tant qu'il est question d'une situation spatiale illégale, l'application de cet article est subordonnée à une présomption irréfragable d'impossibilité de légalisation.
[1 Le tribunal détermine le montant de la plus-value. Le tribunal applique à cet effet les montants forfaitaires fixés par le Gouvernement flamand, mais il peut réduire le montant ainsi obtenu d'office ou sur demande si ce montant est manifestement supérieur à l'indemnisation requise pour réparer les dommages causés au bon aménagement du territoire.]1
En cas de condamnation à payer une plus-value, le condamné peut se libérer valablement en rétablissant, dans le délai visé au paragraphe 4, la légalité en restaurant le lieu dans son état initial, en cessant l'utilisation contraire ou en obtenant un permis de régularisation et en se conformant aux conditions dont il est assorti.
Le Gouvernement flamand fixe les règles relatives au paiement de la plus-value.
§ 6. La citation ne sera recevable qu'après transcription de l'acte introductif d'instance au bureau des hypothèques de la région où les biens se situent. Toute décision finale rendue dans l'affaire est inscrite en marge de l'acte introductif d'instance transcrit de la façon mentionnée à l'article 84 de la Loi sur les Hypothèques du 16 décembre 1851. A défaut de transcription, la décision finale est inscrite en marge de la transcription du titre d'obtention. ".
Modifications
Art. 56. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan afdeling 1, ingevoegd bij artikel 54, een artikel 6.3.2 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.3.2. Als de herstelvordering van de burgerlijke partij niet overeenstemt met de herstelmaatregelen, voorgeschreven met toepassing van artikel 6.3.1, bepaalt de rechtbank de herstelmaatregelen die ze passend acht.".
"Art. 6.3.2. Als de herstelvordering van de burgerlijke partij niet overeenstemt met de herstelmaatregelen, voorgeschreven met toepassing van artikel 6.3.1, bepaalt de rechtbank de herstelmaatregelen die ze passend acht.".
Art. 56. Dans le même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, à la section 1re, il est ajouté, à l'article 54, un article 6.3.2, qui s'énonce comme suit :
" Art. 6.3.2. Si la requête en réparation de la partie civile ne correspond pas aux mesures de réparation prescrites en applications de l'article 6.3.1, le tribunal définit les mesures de réparation qu'il juge appropriées. ".
" Art. 6.3.2. Si la requête en réparation de la partie civile ne correspond pas aux mesures de réparation prescrites en applications de l'article 6.3.1, le tribunal définit les mesures de réparation qu'il juge appropriées. ".
Art. 57. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan afdeling 1, ingevoegd bij artikel 54, een artikel 6.3.3 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.3.3. § 1. De bevoegde overheid kan ook voor de burgerlijke rechtbank de herstelmaatregelen en dwangsom, vermeld in artikel 6.3.1, vorderen, ongeacht of de te herstellen schade veroorzaakt is door stedenbouwkundige misdrijven of inbreuken.
De herstelvordering wordt met naleving van artikel 6.3.10 bij de burgerlijke rechtbank ingeleid door de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester, respectievelijk in naam van het Vlaamse Gewest of van de gemeente.
[1 De Vlaamse Regering kan nadere formele voorwaarden vastleggen waaraan de herstelvordering op straffe van onontvankelijkheid moet voldoen.]1
§ 2. De dagvaarding is maar ontvankelijk na de overschrijving van de gedinginleidende akte in het hypotheekkantoor van het gebied waar de goederen liggen. Elke eindbeslissing die in de zaak gewezen is, wordt op de kant van de overgeschreven gedinginleidende akte ingeschreven op de wijze, vermeld in artikel 84 van de Hypotheekwet van 16 december 1851. Bij gebrek aan een overschrijving wordt de eindbeslissing ingeschreven op de kant van de overschrijving van de titel van verkrijging.
§ 3. [1 Het vorderingsrecht van de stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester verjaart als volgt:
1° in ruimtelijk kwetsbaar gebied: na verloop van tien jaar;
2° in open ruimtegebied: na verloop van tien jaar;
3° in de andere gebieden: na verloop van vijf jaar.
Bij herstelvorderingen voor stedenbouwkundige misdrijven nemen de termijnen, vermeld in het eerste lid, een aanvang de dag waarop het misdrijf is voltooid. In afwijking van het eerste lid kunnen herstelvorderingen voor de burgerlijke rechtbank, gebaseerd op stedenbouwkundige misdrijven, nooit verjaren voor het verval van de mogelijkheid tot het opleggen van een bestuurlijke geldboete. Artikel 26 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering en de gemeenrechtelijke schorsings- en stuitingsgronden betreffende burgerlijke rechtsvorderingen die volgen uit een misdrijf, blijven van toepassing.
Bij herstelvorderingen voor stedenbouwkundige inbreuken voor de burgerlijke rechtbank neemt de verjaringstermijn een aanvang de dag die volgt op de dag waarop de eerste strafbare handeling of omissie, al dan niet deel uitmakend van feiten die door eenheid van opzet zijn verbonden, is gesteld. De gemeenrechtelijke schorsings- en stuitingsgronden, vermeld in de artikelen 2242 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, blijven van toepassing.]1 ".
"Art. 6.3.3. § 1. De bevoegde overheid kan ook voor de burgerlijke rechtbank de herstelmaatregelen en dwangsom, vermeld in artikel 6.3.1, vorderen, ongeacht of de te herstellen schade veroorzaakt is door stedenbouwkundige misdrijven of inbreuken.
De herstelvordering wordt met naleving van artikel 6.3.10 bij de burgerlijke rechtbank ingeleid door de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester, respectievelijk in naam van het Vlaamse Gewest of van de gemeente.
[1 De Vlaamse Regering kan nadere formele voorwaarden vastleggen waaraan de herstelvordering op straffe van onontvankelijkheid moet voldoen.]1
§ 2. De dagvaarding is maar ontvankelijk na de overschrijving van de gedinginleidende akte in het hypotheekkantoor van het gebied waar de goederen liggen. Elke eindbeslissing die in de zaak gewezen is, wordt op de kant van de overgeschreven gedinginleidende akte ingeschreven op de wijze, vermeld in artikel 84 van de Hypotheekwet van 16 december 1851. Bij gebrek aan een overschrijving wordt de eindbeslissing ingeschreven op de kant van de overschrijving van de titel van verkrijging.
§ 3. [1 Het vorderingsrecht van de stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester verjaart als volgt:
1° in ruimtelijk kwetsbaar gebied: na verloop van tien jaar;
2° in open ruimtegebied: na verloop van tien jaar;
3° in de andere gebieden: na verloop van vijf jaar.
Bij herstelvorderingen voor stedenbouwkundige misdrijven nemen de termijnen, vermeld in het eerste lid, een aanvang de dag waarop het misdrijf is voltooid. In afwijking van het eerste lid kunnen herstelvorderingen voor de burgerlijke rechtbank, gebaseerd op stedenbouwkundige misdrijven, nooit verjaren voor het verval van de mogelijkheid tot het opleggen van een bestuurlijke geldboete. Artikel 26 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering en de gemeenrechtelijke schorsings- en stuitingsgronden betreffende burgerlijke rechtsvorderingen die volgen uit een misdrijf, blijven van toepassing.
Bij herstelvorderingen voor stedenbouwkundige inbreuken voor de burgerlijke rechtbank neemt de verjaringstermijn een aanvang de dag die volgt op de dag waarop de eerste strafbare handeling of omissie, al dan niet deel uitmakend van feiten die door eenheid van opzet zijn verbonden, is gesteld. De gemeenrechtelijke schorsings- en stuitingsgronden, vermeld in de artikelen 2242 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, blijven van toepassing.]1 ".
Modifications
Art. 57. Dans le même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, à la section 1re, il est ajouté, à l'article 54, un article 6.3.3, qui s'énonce comme suit :
" Art. 6.3.3. § 1er. L'autorité compétente peut également requérir, par-devant le tribunal civil, les mesures de réparation et l'astreinte visées à l'article 6.3.1, et ce que les dommages à réparer aient été provoqués par des délits urbanistiques ou des infractions urbanistiques.
La requête en réparation est introduite auprès du tribunal civil, dans le respect de l'article 6.3.10, par l'inspecteur urbaniste régional, l'inspecteur urbaniste communal ou le bourgmestre, respectivement au nom de la Région flamande ou de la commune.
[1 Le Gouvernement flamand peut fixer les conditions formelles auxquelles la requête en réparation doit satisfaire sous peine d'irrecevabilité.]1
§ 2. La citation ne sera recevable qu'après la transcription de l'acte introductif d'instance au bureau des hypothèques de la région où les biens se situent. Toute décision finale rendue dans l'affaire est inscrite en marge de l'acte introductif d'instance transcrit de la façon mentionnée à l'article 84 de la Loi sur les Hypothèques du 16 décembre 1851. A défaut de transcription, la décision finale est inscrite en marge de la transcription du titre d'obtention.
§ 3. [1 Le droit de réquisition de l'inspecteur urbaniste et du bourgmestre se prescrit comme suit :
1° dans une zone vulnérable d'un point de vue spatial : au bout de dix années ;
2° dans une zone d'espace ouvert : au bout de dix années ;
3° dans les autres zones : au bout de cinq années ;
Dans le cas de requêtes en réparation pour des délits urbanistiques, les délais visés au premier alinéa prennent cours le jour où le délit a été commis. Par dérogation au premier alinéa, les requêtes en réparation basées sur des délits urbanistiques ne peuvent jamais se prescrire avant la déchéance de la possibilité d'imposition d'une amende administrative. L'article 26 du titre préliminaire du Code pénal ainsi que les motifs de suspension et d'opposition de droit commun concernant les actions civiles engagées à la suite d'un délit restent d'application.
Dans le cas de requêtes en réparation pour des infractions urbanistiques par-devant le tribunal civil, le délai de prescription prend cours le jour qui suit celui où le premier acte ou la première omission délictueux, faisant ou non partie de faits liés par unité d'intention, a été commis. Les motifs de suspension et d'opposition de droit commun, visés aux articles 2242 et suivants du Code civil, restent d'application.]1 ".
" Art. 6.3.3. § 1er. L'autorité compétente peut également requérir, par-devant le tribunal civil, les mesures de réparation et l'astreinte visées à l'article 6.3.1, et ce que les dommages à réparer aient été provoqués par des délits urbanistiques ou des infractions urbanistiques.
La requête en réparation est introduite auprès du tribunal civil, dans le respect de l'article 6.3.10, par l'inspecteur urbaniste régional, l'inspecteur urbaniste communal ou le bourgmestre, respectivement au nom de la Région flamande ou de la commune.
[1 Le Gouvernement flamand peut fixer les conditions formelles auxquelles la requête en réparation doit satisfaire sous peine d'irrecevabilité.]1
§ 2. La citation ne sera recevable qu'après la transcription de l'acte introductif d'instance au bureau des hypothèques de la région où les biens se situent. Toute décision finale rendue dans l'affaire est inscrite en marge de l'acte introductif d'instance transcrit de la façon mentionnée à l'article 84 de la Loi sur les Hypothèques du 16 décembre 1851. A défaut de transcription, la décision finale est inscrite en marge de la transcription du titre d'obtention.
§ 3. [1 Le droit de réquisition de l'inspecteur urbaniste et du bourgmestre se prescrit comme suit :
1° dans une zone vulnérable d'un point de vue spatial : au bout de dix années ;
2° dans une zone d'espace ouvert : au bout de dix années ;
3° dans les autres zones : au bout de cinq années ;
Dans le cas de requêtes en réparation pour des délits urbanistiques, les délais visés au premier alinéa prennent cours le jour où le délit a été commis. Par dérogation au premier alinéa, les requêtes en réparation basées sur des délits urbanistiques ne peuvent jamais se prescrire avant la déchéance de la possibilité d'imposition d'une amende administrative. L'article 26 du titre préliminaire du Code pénal ainsi que les motifs de suspension et d'opposition de droit commun concernant les actions civiles engagées à la suite d'un délit restent d'application.
Dans le cas de requêtes en réparation pour des infractions urbanistiques par-devant le tribunal civil, le délai de prescription prend cours le jour qui suit celui où le premier acte ou la première omission délictueux, faisant ou non partie de faits liés par unité d'intention, a été commis. Les motifs de suspension et d'opposition de droit commun, visés aux articles 2242 et suivants du Code civil, restent d'application.]1 ".
Modifications
Art. 58. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan afdeling 1, ingevoegd bij artikel 54, een artikel 6.3.4 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.3.4. § 1. Als de plaats niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn in de vorige staat wordt hersteld, als het strijdige gebruik niet binnen die termijn wordt gestaakt of als de bouw- of aanpassingswerken niet binnen die termijn worden uitgevoerd, beveelt het vonnis of arrest altijd dat de stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester ambtshalve in de uitvoering ervan kunnen voorzien in de plaats en op kosten van de veroordeelde.
Het opstarten van een ambtshalve uitvoering geschiedt met naleving van artikel 6.3.10, § 1. Er wordt onder verstaan :
1° hetzij het aanvatten van een gunningsprocedure tot aanwijzing van een particulier die het vonnis of het arrest zal uitvoeren;
2° hetzij het schriftelijk of mondeling belasten van een particulier, binnen een raamovereenkomst, tot uitvoering van het vonnis of arrest;
3° hetzij het geven van de nodige instructies aan een ambtenaar of een dienst voor de uitvoering van het vonnis of arrest.
De overheid of de particulier die het vonnis of het arrest uitvoert, is gerechtigd om de materialen en voorwerpen, afkomstig van de herstelling van de plaats of van de staking van het strijdig gebruik te verkopen, te vervoeren en te verwijderen.
De overtreder die in gebreke blijft, is verplicht alle uitvoeringskosten, verminderd met de opbrengst van de verkoop van materialen en voorwerpen, te vergoeden op vertoon van een staat die de overheid, vermeld in het eerste lid, heeft opgesteld of die de beslagrechter in de burgerlijke rechtbank begroot en uitvoerbaar verklaard heeft.
De verjaring van het recht op het uitvoeren van de herstelmaatregel neemt een aanvang vanaf het verstrijken van de termijn die de rechtbank heeft bepaald voor de tenuitvoerlegging ervan.
§ 2. De meerwaarde en de kosten die verbonden zijn aan de ambtshalve uitvoering, vermeld in paragraaf 1, kunnen ook worden verhaald op de titularis van een zakelijk recht, verkregen onder bezwarende titel en middels een authentieke akte, verleden na de inwerkingtreding van dit lid, op het goed dat het voorwerp uitmaakte van het vonnis of arrest.
Op voorwaarde dat de titel al was overgeschreven vóór de gedinginleidende akte, vermeld in artikel 6.3.1, § 6, en 6.3.3, § 2, blijft het verhaal van de kosten die verbonden zijn aan de ambtshalve uitvoering, vermeld in paragraaf 1, evenwel beperkt tot de verrijking die de titularis van het zakelijk recht ingevolge de uitvoering van de opgelegde herstelmaatregel heeft verkregen.
§ 3. De meerwaarde en de kosten die verbonden zijn aan de ambtshalve uitvoering, vermeld in paragraaf 1, worden, samen met de invorderingskosten, gewaarborgd door een wettelijke hypotheek, die zich uitstrekt tot alle zakelijke rechten die toebehoren aan de veroordeelde, vermeld in paragraaf 1, en die ingeschreven, vernieuwd, verminderd of geheel of gedeeltelijk wordt doorgehaald conform hoofdstuk IV en V van de Hypotheekwet van 16 december 1851. De hypotheek wordt ingeschreven op voorlegging van een afschrift van de rechterlijke beslissing waarin de herstelmaatregelen worden opgelegd, niettegenstaande beroep of verzet.
Daarnaast kan een wettelijke hypotheek ingeschreven worden op alle zakelijke rechten van de titularis van een zakelijk recht op het goed dat het voorwerp uitmaakt van de opgelegde herstelmaatregel, vermeld in artikel 6.3.1, § 1, of artikel 6.3.3, § 1, voor zover dit recht verkregen werd onder bezwarende titel en middels een authentieke akte, verleden na de inwerkingtreding van dit lid. Als diens titel echter al overgeschreven was vóór de overschrijving van de gedinginleidende akte, blijft de wettelijke hypotheek, voor de kosten die verbonden zijn aan de ambtshalve uitvoering, vermeld in paragraaf 1, beperkt tot het onroerend goed waarop de maatregel betrekking heeft, en dit ten belope van de verrijking die de titularis ingevolge de uitvoering van die maatregel zal verkrijgen of al verkregen heeft.
Het bestuur dat belast is met de inschrijving van de wettelijke hypotheek, kan op voorstel van de veroordeelde of de titularis van het zakelijk recht, vermeld in paragraaf 2, een alternatieve zekerheid aanvaarden of het onderpand van de hypotheek inperken, als daarvoor ernstige redenen bestaan en de alternatieve of ingeperkte zekerheid voldoende zijn voor de waarborging van de bedragen, vermeld in het eerste lid.
§ 4. Het bestuur dat belast is met de invordering van de dwangsom, is ertoe gemachtigd aan de schuldenaars die bijzondere omstandigheden kunnen bewijzen, uitstel of spreiding van betaling toe te staan.
[1 De gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester, vermeld in de betekening van de dwangsomtitel, kan, respectievelijk in naam van het Vlaamse Gewest of de gemeente, ambtshalve of op eenvoudig verzoek beslissen dat een opeisbare dwangsomschuld niet of maar gedeeltelijk wordt ingevorderd, zonder dat die beslissing betrekking kan hebben op de gerechts- en uitvoeringskosten die zijn gemaakt. Er wordt in de beslissing rekening gehouden met de gestelde handelingen en genomen engagementen met het oog op een correcte uitvoering van de hoofdveroordeling, alsook met de gehele of gedeeltelijke realisatie van het herstel.]1
De Vlaamse Regering kan nadere voorwaarden vastleggen en procedurele regelen bepalen voor de toepassing van het tweede lid.
[1 § 5. Onverminderd paragraaf 4 kan het Vlaamse Gewest of de gemeente, respectievelijk vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering of het college van burgemeester en schepenen, op gemotiveerd verzoek tijdelijk of definitief afzien van verdere inning van een opeisbaar geworden dwangsomschuld. Dat kan voor het geheel of voor een gedeelte van de opeisbare schuldvordering zonder dat het betrekking kan hebben op de gerechts- en uitvoeringskosten die zijn gemaakt. De Vlaamse Regering respectievelijk het college van burgemeester en schepenen kunnen hun beslissingsbevoegdheid delegeren.
Het gemotiveerde verzoek, met inbegrip van eventuele bijlagen, wordt ingediend met een beveiligde zending respectievelijk bij de Vlaamse Regering of haar gemachtigde of bij het college van burgemeester en schepenen of zijn gemachtigde. De verzoeker bezorgt een afschrift van het verzoek aan de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester, vermeld in de betekening van de dwangsomtitel.
Binnen een ordetermijn van negentig dagen vanaf de dag na de ontvangst van de beveiligde zending wordt er uitspraak gedaan, in voorkomend geval, na het schriftelijke advies, vermeld in artikel 6.3.12, van de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering. De termijn van negentig dagen is geschorst vanaf de adviesaanvraag tot de dag dat het advies wordt verleend of tot de termijn voor het verlenen van advies is verstreken. Het advies is niet bindend.
De verzoeker wordt met een beveiligde zending op de hoogte gebracht van de beslissing. De beslissing wordt ook bezorgd aan de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester, vermeld in de betekening van de dwangsomtitel.
De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de uitvoering van deze paragraaf.]1 ".
"Art. 6.3.4. § 1. Als de plaats niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn in de vorige staat wordt hersteld, als het strijdige gebruik niet binnen die termijn wordt gestaakt of als de bouw- of aanpassingswerken niet binnen die termijn worden uitgevoerd, beveelt het vonnis of arrest altijd dat de stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester ambtshalve in de uitvoering ervan kunnen voorzien in de plaats en op kosten van de veroordeelde.
Het opstarten van een ambtshalve uitvoering geschiedt met naleving van artikel 6.3.10, § 1. Er wordt onder verstaan :
1° hetzij het aanvatten van een gunningsprocedure tot aanwijzing van een particulier die het vonnis of het arrest zal uitvoeren;
2° hetzij het schriftelijk of mondeling belasten van een particulier, binnen een raamovereenkomst, tot uitvoering van het vonnis of arrest;
3° hetzij het geven van de nodige instructies aan een ambtenaar of een dienst voor de uitvoering van het vonnis of arrest.
De overheid of de particulier die het vonnis of het arrest uitvoert, is gerechtigd om de materialen en voorwerpen, afkomstig van de herstelling van de plaats of van de staking van het strijdig gebruik te verkopen, te vervoeren en te verwijderen.
De overtreder die in gebreke blijft, is verplicht alle uitvoeringskosten, verminderd met de opbrengst van de verkoop van materialen en voorwerpen, te vergoeden op vertoon van een staat die de overheid, vermeld in het eerste lid, heeft opgesteld of die de beslagrechter in de burgerlijke rechtbank begroot en uitvoerbaar verklaard heeft.
De verjaring van het recht op het uitvoeren van de herstelmaatregel neemt een aanvang vanaf het verstrijken van de termijn die de rechtbank heeft bepaald voor de tenuitvoerlegging ervan.
§ 2. De meerwaarde en de kosten die verbonden zijn aan de ambtshalve uitvoering, vermeld in paragraaf 1, kunnen ook worden verhaald op de titularis van een zakelijk recht, verkregen onder bezwarende titel en middels een authentieke akte, verleden na de inwerkingtreding van dit lid, op het goed dat het voorwerp uitmaakte van het vonnis of arrest.
Op voorwaarde dat de titel al was overgeschreven vóór de gedinginleidende akte, vermeld in artikel 6.3.1, § 6, en 6.3.3, § 2, blijft het verhaal van de kosten die verbonden zijn aan de ambtshalve uitvoering, vermeld in paragraaf 1, evenwel beperkt tot de verrijking die de titularis van het zakelijk recht ingevolge de uitvoering van de opgelegde herstelmaatregel heeft verkregen.
§ 3. De meerwaarde en de kosten die verbonden zijn aan de ambtshalve uitvoering, vermeld in paragraaf 1, worden, samen met de invorderingskosten, gewaarborgd door een wettelijke hypotheek, die zich uitstrekt tot alle zakelijke rechten die toebehoren aan de veroordeelde, vermeld in paragraaf 1, en die ingeschreven, vernieuwd, verminderd of geheel of gedeeltelijk wordt doorgehaald conform hoofdstuk IV en V van de Hypotheekwet van 16 december 1851. De hypotheek wordt ingeschreven op voorlegging van een afschrift van de rechterlijke beslissing waarin de herstelmaatregelen worden opgelegd, niettegenstaande beroep of verzet.
Daarnaast kan een wettelijke hypotheek ingeschreven worden op alle zakelijke rechten van de titularis van een zakelijk recht op het goed dat het voorwerp uitmaakt van de opgelegde herstelmaatregel, vermeld in artikel 6.3.1, § 1, of artikel 6.3.3, § 1, voor zover dit recht verkregen werd onder bezwarende titel en middels een authentieke akte, verleden na de inwerkingtreding van dit lid. Als diens titel echter al overgeschreven was vóór de overschrijving van de gedinginleidende akte, blijft de wettelijke hypotheek, voor de kosten die verbonden zijn aan de ambtshalve uitvoering, vermeld in paragraaf 1, beperkt tot het onroerend goed waarop de maatregel betrekking heeft, en dit ten belope van de verrijking die de titularis ingevolge de uitvoering van die maatregel zal verkrijgen of al verkregen heeft.
Het bestuur dat belast is met de inschrijving van de wettelijke hypotheek, kan op voorstel van de veroordeelde of de titularis van het zakelijk recht, vermeld in paragraaf 2, een alternatieve zekerheid aanvaarden of het onderpand van de hypotheek inperken, als daarvoor ernstige redenen bestaan en de alternatieve of ingeperkte zekerheid voldoende zijn voor de waarborging van de bedragen, vermeld in het eerste lid.
§ 4. Het bestuur dat belast is met de invordering van de dwangsom, is ertoe gemachtigd aan de schuldenaars die bijzondere omstandigheden kunnen bewijzen, uitstel of spreiding van betaling toe te staan.
[1 De gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester, vermeld in de betekening van de dwangsomtitel, kan, respectievelijk in naam van het Vlaamse Gewest of de gemeente, ambtshalve of op eenvoudig verzoek beslissen dat een opeisbare dwangsomschuld niet of maar gedeeltelijk wordt ingevorderd, zonder dat die beslissing betrekking kan hebben op de gerechts- en uitvoeringskosten die zijn gemaakt. Er wordt in de beslissing rekening gehouden met de gestelde handelingen en genomen engagementen met het oog op een correcte uitvoering van de hoofdveroordeling, alsook met de gehele of gedeeltelijke realisatie van het herstel.]1
De Vlaamse Regering kan nadere voorwaarden vastleggen en procedurele regelen bepalen voor de toepassing van het tweede lid.
[1 § 5. Onverminderd paragraaf 4 kan het Vlaamse Gewest of de gemeente, respectievelijk vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering of het college van burgemeester en schepenen, op gemotiveerd verzoek tijdelijk of definitief afzien van verdere inning van een opeisbaar geworden dwangsomschuld. Dat kan voor het geheel of voor een gedeelte van de opeisbare schuldvordering zonder dat het betrekking kan hebben op de gerechts- en uitvoeringskosten die zijn gemaakt. De Vlaamse Regering respectievelijk het college van burgemeester en schepenen kunnen hun beslissingsbevoegdheid delegeren.
Het gemotiveerde verzoek, met inbegrip van eventuele bijlagen, wordt ingediend met een beveiligde zending respectievelijk bij de Vlaamse Regering of haar gemachtigde of bij het college van burgemeester en schepenen of zijn gemachtigde. De verzoeker bezorgt een afschrift van het verzoek aan de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester, vermeld in de betekening van de dwangsomtitel.
Binnen een ordetermijn van negentig dagen vanaf de dag na de ontvangst van de beveiligde zending wordt er uitspraak gedaan, in voorkomend geval, na het schriftelijke advies, vermeld in artikel 6.3.12, van de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering. De termijn van negentig dagen is geschorst vanaf de adviesaanvraag tot de dag dat het advies wordt verleend of tot de termijn voor het verlenen van advies is verstreken. Het advies is niet bindend.
De verzoeker wordt met een beveiligde zending op de hoogte gebracht van de beslissing. De beslissing wordt ook bezorgd aan de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester, vermeld in de betekening van de dwangsomtitel.
De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de uitvoering van deze paragraaf.]1 ".
Modifications
Art. 58. Dans le même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, à la section 1re, il est ajouté, à l'article 54, un article 6.3.4, qui s'énonce comme suit :
" Art. 6.3.4. § 1er. Si le lieu n'est pas restauré dans son état précédent dans le délai fixé par le tribunal, si l'utilisation contraire ne cesse pas dans ce délai ou si les travaux de construction ou d'adaptation ne sont pas exécutés dans ce délai, le jugement ou l'arrêté ordonne toujours que l'inspecteur urbaniste et le bourgmestre puissent d'office pourvoir à leur exécution en lieu et place et aux frais du condamné.
Le démarrage d'une exécution d'office se fait dans le respect de l'article 6.3.10, § 1er. On entend par " démarrage d'une exécution d'office " :
1° soit le démarrage d'une procédure d'attribution visant la désignation d'un particulier qui exécutera le jugement ou l'arrêt ;
2° soit le fait de charger, dans le cadre d'un accord-cadre, par voie orale ou écrite, un particulier de l'exécution du jugement ou de l'arrêt ;
3° soit le fait de donner les instructions requises à un fonctionnaire ou à un service lui permettant de procéder à l'exécution du jugement ou de l'arrêt.
L'autorité ou le particulier qui exécute le jugement ou l'arrêt a le droit de vendre, de transporter et d'évacuer les matériaux et objets provenant de la réparation des lieux ou de la cessation de l'utilisation contraire.
Le contrevenant restant en défaut est obligé d'indemniser tous les frais d'exécution, diminués du bénéfice de la vente des matériaux et objets, sur la présentation d'un état, établi par l'autorité visée au premier alinéa ou porté en budget et déclaré exécutoire par le juge ayant décidé de la saisie au tribunal civil.
La prescription du droit d'exécution de la mesure réparatrice prend cours à partir de l'écoulement du délai que le tribunal a fixé pour son exécution.
§ 2. La plus-value et les coûts qui sont liés à l'exécution d'office, visée au paragraphe 1er, peuvent également être réclamés au titulaire d'un droit matériel, acquis à titre onéreux et moyennant un acte authentique, passé après l'entrée en vigueur de cet alinéa et portant sur le bien ayant fait l'objet du jugement ou de l'arrêté.
A condition que le titre ait été transcrit avant l'acte introductif d'instance visé aux articles 6.3.1, § 6, et 6.3.3, § 2, la réclamation des coûts liés à l'exécution d'office visés au paragraphe 1er se limite toutefois à l'enrichissement réalisé par le titulaire de ce droit matériel à la suite de l'exécution de la mesure de réparation imposée.
§ 3. La plus-value et les coûts qui sont liés à l'exécution d'office, visés au paragraphe 1er, sont, ainsi que les frais de recouvrement, garantis par une hypothèque légale qui s'étend à tous les droits matériels qui appartiennent au condamné, visé au paragraphe 1er, et qui sont inscrits, renouvelés, réduits ou rayés en tout ou en partie conformément aux chapitres IV et V de la Loi sur les Hypothèques du 16 décembre 1851. L'hypothèque est inscrite sur présentation d'une copie de la décision judiciaire imposant les mesures de réparation ou de maintien, nonobstant un recours ou une opposition.
En outre, une hypothèque légale peut être inscrite sur tous les droits matériels du titulaire d'un droit matériel sur le bien qui fait l'objet de la mesure de réparation imposée, mentionné à l'article 6.3.1, § 1er, ou à l'article 6.3.3, § 1er, pour autant que ce droit ait été acquis à titre onéreux et moyennant un acte authentique, passé après l'entrée en vigueur du présent alinéa. Si, toutefois, son titre était déjà inscrit avant la transcription de l'acte introductif d'instance, l'hypothèque légale se limite, en ce qui concerne les coûts liés à l'exécution d'office visée au paragraphe 1er, au bien immobilier sur lequel porte la mesure, et ce à concurrence de l'enrichissement que le titulaire réalisera ou a réalisé à la suite de l'exécution de cette mesure.
L'administration chargée de l'inscription de l'hypothèque légale peut, sur proposition du condamné ou du titulaire du droit matériel visé au paragraphe 2, accepter une garantie alternative ou restreindre le nantissement de l'hypothèque, s'il existe des raisons sérieuses à cet effet et si la garantie alternative ou restreinte est suffisante pour le cautionnement des montants visés au premier alinéa.
§ 4. L'administration qui est chargée du recouvrement de l'astreinte est autorisée à accorder des sursis ou étalements de payement aux débiteurs qui peuvent établir qu'ils sont confrontés à des circonstances particulières.
[1 L'inspecteur urbaniste régional, l'inspecteur urbaniste communal ou le bourgmestre, visé dans l'avis d'astreinte, peut, au nom de la Région flamande ou de la commune, d'office ou sur simple demande, décider qu'une astreinte exigible ne soit pas recouvrée ou ne le soit que partiellement, sans que cela ne puisse porter sur les frais de justice et d'exécution encourus. La décision tient compte des actions et engagements pris en vue d'une exécution correcte de la condamnation principale, ainsi que de la réalisation totale ou partielle de la réparation.]1
Le Gouvernement flamand peut fixer des conditions plus précises et définir des règles de procédure pour l'application du deuxième alinéa.
[1 § 5. Sans préjudice du paragraphe 4, la Région flamande ou la commune, représentée respectivement par le Gouvernement flamand ou le collège des bourgmestre et échevins, peut, sur demande motivée, renoncer temporairement ou définitivement à la perception d'une astreinte devenue exigible. Ladite renonciation est possible pour tout ou partie de la créance exigible sans que cela ne puisse porter sur les frais de justice et d'exécution encourus. Le Gouvernement flamand ou le collège des bourgmestre et échevins peuvent déléguer leur pouvoir de décision.
La demande motivée, y compris ses annexes éventuelles, est introduite soit auprès du Gouvernement flamand ou de son représentant autorisé, soit auprès du collège des bourgmestre et échevins. Le demandeur fait parvenir une copie de la demande à l'inspecteur urbaniste régional, à l'inspecteur urbaniste communal ou au bourgmestre, visé dans l'avis d'astreinte.
Dans un délai de nonante jours à compter du lendemain du jour suivant la réception de l'envoi sécurisé, une décision est rendue, le cas échéant, après l'avis écrit, visé à l'article 6.3.12, du Conseil supérieur d'exécution du maintien. Le délai de nonante jours est suspendu à compter de la demande d'avis jusqu'à la date à laquelle l'avis est rendu ou jusqu'à l'expiration du délai de remise de l'avis. L'avis n'est pas contraignant.
Le demandeur est informé de la décision par envoi sécurisé. La décision est également transmise à l'inspecteur urbaniste régional, à l'inspecteur urbaniste communal ou au bourgmestre, visé dans l'avis d'astreinte.
Le Gouvernement flamand peut fixer des conditions plus précises pour l'application de ce paragraphe.]1".
" Art. 6.3.4. § 1er. Si le lieu n'est pas restauré dans son état précédent dans le délai fixé par le tribunal, si l'utilisation contraire ne cesse pas dans ce délai ou si les travaux de construction ou d'adaptation ne sont pas exécutés dans ce délai, le jugement ou l'arrêté ordonne toujours que l'inspecteur urbaniste et le bourgmestre puissent d'office pourvoir à leur exécution en lieu et place et aux frais du condamné.
Le démarrage d'une exécution d'office se fait dans le respect de l'article 6.3.10, § 1er. On entend par " démarrage d'une exécution d'office " :
1° soit le démarrage d'une procédure d'attribution visant la désignation d'un particulier qui exécutera le jugement ou l'arrêt ;
2° soit le fait de charger, dans le cadre d'un accord-cadre, par voie orale ou écrite, un particulier de l'exécution du jugement ou de l'arrêt ;
3° soit le fait de donner les instructions requises à un fonctionnaire ou à un service lui permettant de procéder à l'exécution du jugement ou de l'arrêt.
L'autorité ou le particulier qui exécute le jugement ou l'arrêt a le droit de vendre, de transporter et d'évacuer les matériaux et objets provenant de la réparation des lieux ou de la cessation de l'utilisation contraire.
Le contrevenant restant en défaut est obligé d'indemniser tous les frais d'exécution, diminués du bénéfice de la vente des matériaux et objets, sur la présentation d'un état, établi par l'autorité visée au premier alinéa ou porté en budget et déclaré exécutoire par le juge ayant décidé de la saisie au tribunal civil.
La prescription du droit d'exécution de la mesure réparatrice prend cours à partir de l'écoulement du délai que le tribunal a fixé pour son exécution.
§ 2. La plus-value et les coûts qui sont liés à l'exécution d'office, visée au paragraphe 1er, peuvent également être réclamés au titulaire d'un droit matériel, acquis à titre onéreux et moyennant un acte authentique, passé après l'entrée en vigueur de cet alinéa et portant sur le bien ayant fait l'objet du jugement ou de l'arrêté.
A condition que le titre ait été transcrit avant l'acte introductif d'instance visé aux articles 6.3.1, § 6, et 6.3.3, § 2, la réclamation des coûts liés à l'exécution d'office visés au paragraphe 1er se limite toutefois à l'enrichissement réalisé par le titulaire de ce droit matériel à la suite de l'exécution de la mesure de réparation imposée.
§ 3. La plus-value et les coûts qui sont liés à l'exécution d'office, visés au paragraphe 1er, sont, ainsi que les frais de recouvrement, garantis par une hypothèque légale qui s'étend à tous les droits matériels qui appartiennent au condamné, visé au paragraphe 1er, et qui sont inscrits, renouvelés, réduits ou rayés en tout ou en partie conformément aux chapitres IV et V de la Loi sur les Hypothèques du 16 décembre 1851. L'hypothèque est inscrite sur présentation d'une copie de la décision judiciaire imposant les mesures de réparation ou de maintien, nonobstant un recours ou une opposition.
En outre, une hypothèque légale peut être inscrite sur tous les droits matériels du titulaire d'un droit matériel sur le bien qui fait l'objet de la mesure de réparation imposée, mentionné à l'article 6.3.1, § 1er, ou à l'article 6.3.3, § 1er, pour autant que ce droit ait été acquis à titre onéreux et moyennant un acte authentique, passé après l'entrée en vigueur du présent alinéa. Si, toutefois, son titre était déjà inscrit avant la transcription de l'acte introductif d'instance, l'hypothèque légale se limite, en ce qui concerne les coûts liés à l'exécution d'office visée au paragraphe 1er, au bien immobilier sur lequel porte la mesure, et ce à concurrence de l'enrichissement que le titulaire réalisera ou a réalisé à la suite de l'exécution de cette mesure.
L'administration chargée de l'inscription de l'hypothèque légale peut, sur proposition du condamné ou du titulaire du droit matériel visé au paragraphe 2, accepter une garantie alternative ou restreindre le nantissement de l'hypothèque, s'il existe des raisons sérieuses à cet effet et si la garantie alternative ou restreinte est suffisante pour le cautionnement des montants visés au premier alinéa.
§ 4. L'administration qui est chargée du recouvrement de l'astreinte est autorisée à accorder des sursis ou étalements de payement aux débiteurs qui peuvent établir qu'ils sont confrontés à des circonstances particulières.
[1 L'inspecteur urbaniste régional, l'inspecteur urbaniste communal ou le bourgmestre, visé dans l'avis d'astreinte, peut, au nom de la Région flamande ou de la commune, d'office ou sur simple demande, décider qu'une astreinte exigible ne soit pas recouvrée ou ne le soit que partiellement, sans que cela ne puisse porter sur les frais de justice et d'exécution encourus. La décision tient compte des actions et engagements pris en vue d'une exécution correcte de la condamnation principale, ainsi que de la réalisation totale ou partielle de la réparation.]1
Le Gouvernement flamand peut fixer des conditions plus précises et définir des règles de procédure pour l'application du deuxième alinéa.
[1 § 5. Sans préjudice du paragraphe 4, la Région flamande ou la commune, représentée respectivement par le Gouvernement flamand ou le collège des bourgmestre et échevins, peut, sur demande motivée, renoncer temporairement ou définitivement à la perception d'une astreinte devenue exigible. Ladite renonciation est possible pour tout ou partie de la créance exigible sans que cela ne puisse porter sur les frais de justice et d'exécution encourus. Le Gouvernement flamand ou le collège des bourgmestre et échevins peuvent déléguer leur pouvoir de décision.
La demande motivée, y compris ses annexes éventuelles, est introduite soit auprès du Gouvernement flamand ou de son représentant autorisé, soit auprès du collège des bourgmestre et échevins. Le demandeur fait parvenir une copie de la demande à l'inspecteur urbaniste régional, à l'inspecteur urbaniste communal ou au bourgmestre, visé dans l'avis d'astreinte.
Dans un délai de nonante jours à compter du lendemain du jour suivant la réception de l'envoi sécurisé, une décision est rendue, le cas échéant, après l'avis écrit, visé à l'article 6.3.12, du Conseil supérieur d'exécution du maintien. Le délai de nonante jours est suspendu à compter de la demande d'avis jusqu'à la date à laquelle l'avis est rendu ou jusqu'à l'expiration du délai de remise de l'avis. L'avis n'est pas contraignant.
Le demandeur est informé de la décision par envoi sécurisé. La décision est également transmise à l'inspecteur urbaniste régional, à l'inspecteur urbaniste communal ou au bourgmestre, visé dans l'avis d'astreinte.
Le Gouvernement flamand peut fixer des conditions plus précises pour l'application de ce paragraphe.]1".
Modifications
Art. 59. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan afdeling 1, ingevoegd bij artikel 54, een artikel 6.3.5 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.3.5. § 1. Met betrekking tot definitieve rechterlijke herstelmaatregelen waarvan de uitvoeringstermijn al meer dan vijf jaar overschreden is, kan de bevoegde overheid die de titel heeft doen betekenen met bevel tot uitvoeren, een nieuwe uitvoeringstermijn als vermeld in artikel 6.3.1, § 4, verlenen in de vorm van een dading met de veroordeelden, hun rechtsopvolgers en de rechthebbenden van het onroerend goed waarop de herstelmaatregel rust.
Een nieuwe uitvoeringstermijn impliceert nooit het recht om te handelen in strijd met de bepalingen van dit decreet. Gedurende de nieuwe uitvoeringstermijn blijft de verjaring van het recht op uitvoeren van de definitieve rechterlijke herstelmaatregel geschorst.
§ 2. Die dading is maar mogelijk onder de volgende voorwaarden :
1° de vaststelling van een nieuwe uitvoeringstermijn staat de tenuitvoerlegging van de herstelmaatregel niet definitief in de weg;
2° alle personen met een zakelijk recht op het onroerend goed verbinden zich door de dading;
3° de nieuwe uitvoeringstermijn is niet langer dan vijftien jaar, en verstrijkt van rechtswege zodra het gebruik van het onroerend goed in kwestie wordt stopgezet door alle in de dading geïdentificeerde actuele gebruikers;
4° de dading bevat een betalingsplan voor de opeisbare dwangsomschuld, onverminderd de toepassing van de bevoegdheid, vermeld in artikel 6.3.4, § 4 [1 en § 5]1;
5° het bestuur die de vordering heeft gedaan waarop de rechterlijke herstelmaatregel werd bevolen, gaat akkoord met het sluiten van de dading.
§ 3. De dading wordt binnen een termijn van twee maanden gekantmeld op de overschrijving van de dagvaarding, vermeld in artikel 6.3.1, § 6, of artikel 6.3.3, § 2.
§ 4. De vaststelling bij proces-verbaal dat het in de dading begrepen afbetalingsplan voor opeisbare dwangsomschuld niet werd nageleefd, heeft van rechtswege de ontbinding van de dading tot gevolg.
§ 5. Alle belanghebbenden kunnen verzet aantekenen tegen het verlenen van een nieuwe uitvoeringstermijn bij de rechter die de herstelmaatregel heeft opgelegd. Dat gebeurt door dagvaarding van de overheid die de dading heeft afgesloten.
De rechter kan de uitvoeringstermijn opheffen of verminderen als dat nodig blijkt voor de vrijwaring van de belangen van de partij die verzet aantekent.".
"Art. 6.3.5. § 1. Met betrekking tot definitieve rechterlijke herstelmaatregelen waarvan de uitvoeringstermijn al meer dan vijf jaar overschreden is, kan de bevoegde overheid die de titel heeft doen betekenen met bevel tot uitvoeren, een nieuwe uitvoeringstermijn als vermeld in artikel 6.3.1, § 4, verlenen in de vorm van een dading met de veroordeelden, hun rechtsopvolgers en de rechthebbenden van het onroerend goed waarop de herstelmaatregel rust.
Een nieuwe uitvoeringstermijn impliceert nooit het recht om te handelen in strijd met de bepalingen van dit decreet. Gedurende de nieuwe uitvoeringstermijn blijft de verjaring van het recht op uitvoeren van de definitieve rechterlijke herstelmaatregel geschorst.
§ 2. Die dading is maar mogelijk onder de volgende voorwaarden :
1° de vaststelling van een nieuwe uitvoeringstermijn staat de tenuitvoerlegging van de herstelmaatregel niet definitief in de weg;
2° alle personen met een zakelijk recht op het onroerend goed verbinden zich door de dading;
3° de nieuwe uitvoeringstermijn is niet langer dan vijftien jaar, en verstrijkt van rechtswege zodra het gebruik van het onroerend goed in kwestie wordt stopgezet door alle in de dading geïdentificeerde actuele gebruikers;
4° de dading bevat een betalingsplan voor de opeisbare dwangsomschuld, onverminderd de toepassing van de bevoegdheid, vermeld in artikel 6.3.4, § 4 [1 en § 5]1;
5° het bestuur die de vordering heeft gedaan waarop de rechterlijke herstelmaatregel werd bevolen, gaat akkoord met het sluiten van de dading.
§ 3. De dading wordt binnen een termijn van twee maanden gekantmeld op de overschrijving van de dagvaarding, vermeld in artikel 6.3.1, § 6, of artikel 6.3.3, § 2.
§ 4. De vaststelling bij proces-verbaal dat het in de dading begrepen afbetalingsplan voor opeisbare dwangsomschuld niet werd nageleefd, heeft van rechtswege de ontbinding van de dading tot gevolg.
§ 5. Alle belanghebbenden kunnen verzet aantekenen tegen het verlenen van een nieuwe uitvoeringstermijn bij de rechter die de herstelmaatregel heeft opgelegd. Dat gebeurt door dagvaarding van de overheid die de dading heeft afgesloten.
De rechter kan de uitvoeringstermijn opheffen of verminderen als dat nodig blijkt voor de vrijwaring van de belangen van de partij die verzet aantekent.".
Modifications
Art. 59. Dans le même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, à la section 1re, il est ajouté, à l'article 54, un article 6.3.5, qui s'énonce comme suit :
" Art. 6.3.5. § 1er. En ce qui concerne les mesures de réparations judiciaires définitives dont le délai est dépassé depuis plus de cinq ans, l'autorité compétente qui a fait signifier le titre par un ordre d'exécution peut accorder un nouveau délai d'exécution tel que visé à l'article 6.3.1, § 4, sous la forme d'une transaction avec les condamnés, ses ayants-droit et les ayants-droit du bien immobilier sur lequel repose la mesure de réparation.
Un nouveau délai d'exécution n'implique en aucun cas le droit d'agir en contradiction avec les dispositions du présent décret. Durant le nouveau délai d'exécution, la prescription du droit d'exécution de la mesure de réparation judiciaire définitive reste suspendue.
§ 2. Cette transaction n'est possible qu'aux conditions suivantes :
1° la fixation d'un nouveau délai d'exécution n'empêche pas définitivement la mise à exécution de la mesure de réparation ;
2° toutes les personnes disposant d'un droit matériel sur le bien immobilier s'engagent à respecter la transaction ;
3° le nouveau délai d'exécution n'excède pas quinze années et expire de plein droit dès que l'utilisation du bien immobilier en question par tous les utilisateurs avérés identifiés dans la transaction cesse ;
4° la transaction comporte un plan de paiement de la dette d'astreinte exigible, sans préjudice de l'application de la compétence visée à l'article 6.3.4, § 4 [1 et § 5]1;
5° l'administration qui a intenté l'action dans le cadre de laquelle la mesure de réparation judiciaire a été ordonnée est d'accord avec la conclusion de la transaction.
§ 3. La transaction est, dans un délai de deux mois, mentionnée en marge de la transcription de la citation visée à l'article 6.3.1, § 6 ou 6.3.3, § 2.
§ 4. La constatation par procès-verbal du non-respect du plan de paiement compris dans la transaction pour la dette d'astreinte exigible entraîne de plein droit la dissolution de la transaction.
§ 5. Tous les ayants droit peuvent faire opposition à l'octroi d'un nouveau délai d'exécution auprès du juge qui a imposé cette mesure de réparation. Ceci se fait par citation de l'autorité qui a conclu la transaction.
Le juge peut lever ou raccourcir le délai d'exécution si cela s'avère nécessaire pour la sauvegarde des intérêts de la partie qui fait opposition. ".
" Art. 6.3.5. § 1er. En ce qui concerne les mesures de réparations judiciaires définitives dont le délai est dépassé depuis plus de cinq ans, l'autorité compétente qui a fait signifier le titre par un ordre d'exécution peut accorder un nouveau délai d'exécution tel que visé à l'article 6.3.1, § 4, sous la forme d'une transaction avec les condamnés, ses ayants-droit et les ayants-droit du bien immobilier sur lequel repose la mesure de réparation.
Un nouveau délai d'exécution n'implique en aucun cas le droit d'agir en contradiction avec les dispositions du présent décret. Durant le nouveau délai d'exécution, la prescription du droit d'exécution de la mesure de réparation judiciaire définitive reste suspendue.
§ 2. Cette transaction n'est possible qu'aux conditions suivantes :
1° la fixation d'un nouveau délai d'exécution n'empêche pas définitivement la mise à exécution de la mesure de réparation ;
2° toutes les personnes disposant d'un droit matériel sur le bien immobilier s'engagent à respecter la transaction ;
3° le nouveau délai d'exécution n'excède pas quinze années et expire de plein droit dès que l'utilisation du bien immobilier en question par tous les utilisateurs avérés identifiés dans la transaction cesse ;
4° la transaction comporte un plan de paiement de la dette d'astreinte exigible, sans préjudice de l'application de la compétence visée à l'article 6.3.4, § 4 [1 et § 5]1;
5° l'administration qui a intenté l'action dans le cadre de laquelle la mesure de réparation judiciaire a été ordonnée est d'accord avec la conclusion de la transaction.
§ 3. La transaction est, dans un délai de deux mois, mentionnée en marge de la transcription de la citation visée à l'article 6.3.1, § 6 ou 6.3.3, § 2.
§ 4. La constatation par procès-verbal du non-respect du plan de paiement compris dans la transaction pour la dette d'astreinte exigible entraîne de plein droit la dissolution de la transaction.
§ 5. Tous les ayants droit peuvent faire opposition à l'octroi d'un nouveau délai d'exécution auprès du juge qui a imposé cette mesure de réparation. Ceci se fait par citation de l'autorité qui a conclu la transaction.
Le juge peut lever ou raccourcir le délai d'exécution si cela s'avère nécessaire pour la sauvegarde des intérêts de la partie qui fait opposition. ".
Modifications
Art. 60. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan afdeling 1, ingevoegd bij artikel 54, een artikel 6.3.6 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.3.6. § 1. De veroordeelde brengt de [1 stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester die de titel heeft laten betekenen met bevel tot uitvoeren,]1 onmiddellijk met een beveiligde zending ervan op de hoogte als hij de opgelegde herstelmaatregel vrijwillig heeft uitgevoerd.
Na de kennisgeving, vermeld in het eerste lid, maakt de [1 stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester die de titel heeft laten betekenen met bevel tot uitvoeren,]1 een proces-verbaal van vaststelling op.
[1 Bij gebrek aan een betekening met bevel tot uitvoeren is alleen de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur bevoegd om een proces-verbaal van vaststelling op te stellen.]1
De [1 stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester die de titel heeft laten betekenen met bevel tot uitvoeren,]1 zendt een afschrift van het proces-verbaal van vaststelling aan de andere [1 stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester, die niet in de akte van betekening vermeld zijn als opdrachtgever]1 de veroordeelde, diens rechtsopvolgers en de personen die zakelijke rechten hebben op het onroerend goed dat het voorwerp uitmaakt van de opgelegde maatregelen.
Behalve in geval van bewijs van het tegendeel, geldt alleen het proces-verbaal van vaststelling als bewijs van het herstel en van de datum van het herstel.
§ 2. Het proces-verbaal van vaststelling, vermeld in paragraaf 1, wordt conform artikel 84 van de Hypotheekwet van 16 december 1851 ingeschreven op de kant van de overschrijving, vermeld in artikel 6.3.1, § 6, en artikel 6.3.3, § 2.
Zolang de inschrijving, vermeld in het eerste lid, niet is gedaan, moet de instrumenterende ambtenaar naar aanleiding van een authentieke akte die strekt tot de overdracht van een zakelijk recht, in een afzonderlijke akte er melding van maken dat voor het onroerend goed bij uitvoerbaar rechterlijk bevel, een verplichting werd uitgesproken om een herstelmaatregel uit te voeren. In die akte wordt bepaald dat de nieuwe titularis, voor zover de tenuitvoerlegging van de door de rechter bevolen herstelmaatregel niet verjaard is, de verbintenis aangaat om de opgelegde herstelmaatregel uit te voeren, onverminderd de verplichting van de veroordeelde.
De kosten verbonden aan de afzonderlijke akte, vermeld in het vorige lid, vallen steeds ten laste van de overdrager van het zakelijk recht.
De instrumenterende ambtenaar stuurt een afschrift van die akte naar de stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester, en is ertoe gehouden de grosse op hun verzoek af te leveren.".
"Art. 6.3.6. § 1. De veroordeelde brengt de [1 stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester die de titel heeft laten betekenen met bevel tot uitvoeren,]1 onmiddellijk met een beveiligde zending ervan op de hoogte als hij de opgelegde herstelmaatregel vrijwillig heeft uitgevoerd.
Na de kennisgeving, vermeld in het eerste lid, maakt de [1 stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester die de titel heeft laten betekenen met bevel tot uitvoeren,]1 een proces-verbaal van vaststelling op.
[1 Bij gebrek aan een betekening met bevel tot uitvoeren is alleen de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur bevoegd om een proces-verbaal van vaststelling op te stellen.]1
De [1 stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester die de titel heeft laten betekenen met bevel tot uitvoeren,]1 zendt een afschrift van het proces-verbaal van vaststelling aan de andere [1 stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester, die niet in de akte van betekening vermeld zijn als opdrachtgever]1 de veroordeelde, diens rechtsopvolgers en de personen die zakelijke rechten hebben op het onroerend goed dat het voorwerp uitmaakt van de opgelegde maatregelen.
Behalve in geval van bewijs van het tegendeel, geldt alleen het proces-verbaal van vaststelling als bewijs van het herstel en van de datum van het herstel.
§ 2. Het proces-verbaal van vaststelling, vermeld in paragraaf 1, wordt conform artikel 84 van de Hypotheekwet van 16 december 1851 ingeschreven op de kant van de overschrijving, vermeld in artikel 6.3.1, § 6, en artikel 6.3.3, § 2.
Zolang de inschrijving, vermeld in het eerste lid, niet is gedaan, moet de instrumenterende ambtenaar naar aanleiding van een authentieke akte die strekt tot de overdracht van een zakelijk recht, in een afzonderlijke akte er melding van maken dat voor het onroerend goed bij uitvoerbaar rechterlijk bevel, een verplichting werd uitgesproken om een herstelmaatregel uit te voeren. In die akte wordt bepaald dat de nieuwe titularis, voor zover de tenuitvoerlegging van de door de rechter bevolen herstelmaatregel niet verjaard is, de verbintenis aangaat om de opgelegde herstelmaatregel uit te voeren, onverminderd de verplichting van de veroordeelde.
De kosten verbonden aan de afzonderlijke akte, vermeld in het vorige lid, vallen steeds ten laste van de overdrager van het zakelijk recht.
De instrumenterende ambtenaar stuurt een afschrift van die akte naar de stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester, en is ertoe gehouden de grosse op hun verzoek af te leveren.".
Modifications
Art. 60. Dans le même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, à la section 1re, il est ajouté, à l'article 54, un article 6.3.6, qui s'énonce comme suit :
" Art. 6.3.6. § 1er. Le condamné informe immédiatement [1 l'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre qui a fait signifier le titre avec ordre d'exécution,]1 par envoi sécurisé s'il a exécuté volontairement la mesure de réparation imposée.
Après la notification visée au premier alinéa, [1 l'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre qui a fait signifier le titre avec ordre d'exécution,]1 dresse un procès-verbal de constatation.
[1 A défaut d'une signification avec ordre d'exécution, seul l'inspecteur urbaniste régional est compétent pour dresser un procès-verbal de constatation.]1
[1 L'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre qui a fait signifier le titre avec ordre d'exécution,]1 envoie une copie du procès-verbal de constatation [1 à l'inspecteur urbaniste ou au bourgmestre, qui n'ont pas été mentionnés comme donneurs d'ordre dans l'acte de signification]1 au condamné, à ses ayants droit et aux personnes qui disposent d'un droit matériel sur le bien immobilier qui fait l'objet des mesures imposées.
Sauf preuve du contraire, seul le procès-verbal de constatation sert de preuve de la réparation et de la date de la réparation.
§ 2. Le procès-verbal de constatation, visé au paragraphe 1er, est, conformément à l'article 84 de la Loi sur les Hypothèques du 16 décembre 1851, inscrit en marge de la transcription visée aux articles 6.3.1, § 6, et 6.3.3, § 3.
Tant que l'inscription, visée à l'alinéa premier, n'a pas été effectuée, le fonctionnaire instrumentant doit, suite à un acte authentique portant sur le transfert d'un droit matériel, mentionner, dans un acte distinct, qu'une obligation a été prononcée par ordre judiciaire exécutable pour le bien immobilier en vue de l'exécution d'une mesure de réparation. Cet acte détermine que le nouveau titulaire s'engage, pour autant que la mise à exécution de la mesure de réparation imposée par le juge ne soit pas prescrite, à exécuter la mesure de réparation imposée, et ce sans préjudice de l'obligation du condamné.
Les frais liés à l'acte distinct visé à l'alinéa précédent sont toujours à la charge du cédant du droit matériel.
Le fonctionnaire instrumentant envoie une copie de cet acte à l'inspecteur urbaniste et au bourgmestre, et est tenu de fournir la grosse à leur demande. ".
" Art. 6.3.6. § 1er. Le condamné informe immédiatement [1 l'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre qui a fait signifier le titre avec ordre d'exécution,]1 par envoi sécurisé s'il a exécuté volontairement la mesure de réparation imposée.
Après la notification visée au premier alinéa, [1 l'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre qui a fait signifier le titre avec ordre d'exécution,]1 dresse un procès-verbal de constatation.
[1 A défaut d'une signification avec ordre d'exécution, seul l'inspecteur urbaniste régional est compétent pour dresser un procès-verbal de constatation.]1
[1 L'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre qui a fait signifier le titre avec ordre d'exécution,]1 envoie une copie du procès-verbal de constatation [1 à l'inspecteur urbaniste ou au bourgmestre, qui n'ont pas été mentionnés comme donneurs d'ordre dans l'acte de signification]1 au condamné, à ses ayants droit et aux personnes qui disposent d'un droit matériel sur le bien immobilier qui fait l'objet des mesures imposées.
Sauf preuve du contraire, seul le procès-verbal de constatation sert de preuve de la réparation et de la date de la réparation.
§ 2. Le procès-verbal de constatation, visé au paragraphe 1er, est, conformément à l'article 84 de la Loi sur les Hypothèques du 16 décembre 1851, inscrit en marge de la transcription visée aux articles 6.3.1, § 6, et 6.3.3, § 3.
Tant que l'inscription, visée à l'alinéa premier, n'a pas été effectuée, le fonctionnaire instrumentant doit, suite à un acte authentique portant sur le transfert d'un droit matériel, mentionner, dans un acte distinct, qu'une obligation a été prononcée par ordre judiciaire exécutable pour le bien immobilier en vue de l'exécution d'une mesure de réparation. Cet acte détermine que le nouveau titulaire s'engage, pour autant que la mise à exécution de la mesure de réparation imposée par le juge ne soit pas prescrite, à exécuter la mesure de réparation imposée, et ce sans préjudice de l'obligation du condamné.
Les frais liés à l'acte distinct visé à l'alinéa précédent sont toujours à la charge du cédant du droit matériel.
Le fonctionnaire instrumentant envoie une copie de cet acte à l'inspecteur urbaniste et au bourgmestre, et est tenu de fournir la grosse à leur demande. ".
Modifications
Art. 61. Aan titel VI, hoofdstuk III, van dezelfde codex wordt een afdeling 2 toegevoegd, die luidt als volgt :
"Afdeling 2. - De Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering"
"Afdeling 2. - De Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering"
Art. 61. Au titre VI, chapitre III du même code, il est ajouté une section 2 qui s'énonce comme suit :
" Section 2. - Le Conseil supérieur pour l'exécution du maintien "
" Section 2. - Le Conseil supérieur pour l'exécution du maintien "
Art. 62. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan afdeling 2, ingevoegd bij artikel 61, een onderafdeling 1 toegevoegd, die luidt als volgt :
"Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen"
"Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen"
Art. 62. Dans le même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, à la section 2, il est ajouté à l'article 61 une sous-section 1re, qui s'énonce comme suit :
" Sous-section 1re. - Dispositions générales "
" Sous-section 1re. - Dispositions générales "
Art. 63. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan onderafdeling 1, ingevoegd bij artikel 62, een artikel 6.3.7 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.3.7. § 1. Bij [1 het Vlaams Ministerie van Omgeving]1 wordt een Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering opgericht, hierna hoge raad te noemen.
§ 2. De Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering is een orgaan van actief bestuur.
De adviezen en beslissingen van de hoge raad zijn te allen tijde gesteund op motieven die ontleend worden aan :
1° het recht, met inbegrip van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zoals die specifiek binnen de ruimtelijke ordening gelden;
2° de weerslag van inbreuken op de rechten van derden en op de plaatselijke ordening, meer bepaald het niveau van de goede ruimtelijke ordening van naburige percelen dat zou worden behaald als zich geen schade ten gevolge van een stedenbouwkundig misdrijf of een stedenbouwkundige inbreuk zou hebben voorgedaan.
§ 3. De Vlaamse Regering geeft nooit instructies over de behandeling van concrete dossiers die aan de beoordeling van de hoge raad zijn voorgelegd.".
"Art. 6.3.7. § 1. Bij [1 het Vlaams Ministerie van Omgeving]1 wordt een Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering opgericht, hierna hoge raad te noemen.
§ 2. De Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering is een orgaan van actief bestuur.
De adviezen en beslissingen van de hoge raad zijn te allen tijde gesteund op motieven die ontleend worden aan :
1° het recht, met inbegrip van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zoals die specifiek binnen de ruimtelijke ordening gelden;
2° de weerslag van inbreuken op de rechten van derden en op de plaatselijke ordening, meer bepaald het niveau van de goede ruimtelijke ordening van naburige percelen dat zou worden behaald als zich geen schade ten gevolge van een stedenbouwkundig misdrijf of een stedenbouwkundige inbreuk zou hebben voorgedaan.
§ 3. De Vlaamse Regering geeft nooit instructies over de behandeling van concrete dossiers die aan de beoordeling van de hoge raad zijn voorgelegd.".
Modifications
Art. 63. Dans le même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, à la sous-section 1re, il est inséré, à l'article 62, un article 6.3.7, qui s'énonce comme suit :
" Art. 6.3.7. § 1er. Un " Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering " (Conseil supérieur pour l'exécution du maintien) est créé au sein du [1 Ministère flamand de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire]1, appelé ci-après " Conseil supérieur ".
§ 2. Le " Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering " est un organisme d'administration active.
Ses avis et décisions sont de tout temps fondés sur des motifs tirés :
1° du droit, y compris des principes généraux de bonne administration, comme ceux qui s'appliquent spécifiquement dans le secteur de l'aménagement du territoire ;
2° de la répercussion des infractions sur les droits de tiers et sur l'aménagement local, c'est-à-dire le niveau de bon aménagement du territoire des parcelles avoisinantes qui aurait été réalisé s'il n'y avait pas eu de préjudice en conséquence d'un délit urbanistique ou d'une infraction urbanistique.
§ 3. Le Gouvernement flamand ne donne jamais d'instructions sur le traitement de dossiers concrets qui sont soumis à l'appréciation du Conseil supérieur. ".
" Art. 6.3.7. § 1er. Un " Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering " (Conseil supérieur pour l'exécution du maintien) est créé au sein du [1 Ministère flamand de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire]1, appelé ci-après " Conseil supérieur ".
§ 2. Le " Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering " est un organisme d'administration active.
Ses avis et décisions sont de tout temps fondés sur des motifs tirés :
1° du droit, y compris des principes généraux de bonne administration, comme ceux qui s'appliquent spécifiquement dans le secteur de l'aménagement du territoire ;
2° de la répercussion des infractions sur les droits de tiers et sur l'aménagement local, c'est-à-dire le niveau de bon aménagement du territoire des parcelles avoisinantes qui aurait été réalisé s'il n'y avait pas eu de préjudice en conséquence d'un délit urbanistique ou d'une infraction urbanistique.
§ 3. Le Gouvernement flamand ne donne jamais d'instructions sur le traitement de dossiers concrets qui sont soumis à l'appréciation du Conseil supérieur. ".
Modifications
Art. 64. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan onderafdeling 1, ingevoegd bij artikel 62, een artikel 6.3.8 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.3.8. § 1. De hoge raad wordt samengesteld uit een voorzitter, drie leden-juristen en drie leden-deskundigen.
De voorzitter en de leden-juristen bezitten de graad van master in de Rechten en bezitten ten minste tien jaar nuttige ervaring op het vlak van zowel het Vlaamse ruimtelijkeordeningsrecht als de rechtsbescherming tegen bestuurlijk optreden.
De leden-deskundigen bezitten ten minste tien jaar nuttige ervaring op het vlak van de Vlaamse ruimtelijke ordening.
§ 2. De Vlaamse Regering kan de selectiecriteria, vermeld in paragraaf 1, tweede en derde lid, verfijnen.".
"Art. 6.3.8. § 1. De hoge raad wordt samengesteld uit een voorzitter, drie leden-juristen en drie leden-deskundigen.
De voorzitter en de leden-juristen bezitten de graad van master in de Rechten en bezitten ten minste tien jaar nuttige ervaring op het vlak van zowel het Vlaamse ruimtelijkeordeningsrecht als de rechtsbescherming tegen bestuurlijk optreden.
De leden-deskundigen bezitten ten minste tien jaar nuttige ervaring op het vlak van de Vlaamse ruimtelijke ordening.
§ 2. De Vlaamse Regering kan de selectiecriteria, vermeld in paragraaf 1, tweede en derde lid, verfijnen.".
Art. 64. Dans le même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, à la sous-section 1re, il est inséré, à l'article 62, un article 6.3.8, qui s'énonce comme suit :
" Art. 6.3.8. § 1er. Le Conseil supérieur est composé d'un président, de trois membres juristes et de trois membres experts.
Le président et les membres juristes sont titulaires d'un grade de master en droit et disposent d'au moins dix ans d'expérience utile, tant dans le domaine du droit flamand de l'aménagement du territoire que dans celui de la protection juridique contre les actes administratifs.
Les membres experts disposent d'au moins dix ans d'expérience utile dans le domaine de l'aménagement du territoire flamand.
§ 2. Le Gouvernement flamand peut affiner les critères de sélection visés au paragraphe 1er, deuxième et troisième alinéas. ".
" Art. 6.3.8. § 1er. Le Conseil supérieur est composé d'un président, de trois membres juristes et de trois membres experts.
Le président et les membres juristes sont titulaires d'un grade de master en droit et disposent d'au moins dix ans d'expérience utile, tant dans le domaine du droit flamand de l'aménagement du territoire que dans celui de la protection juridique contre les actes administratifs.
Les membres experts disposent d'au moins dix ans d'expérience utile dans le domaine de l'aménagement du territoire flamand.
§ 2. Le Gouvernement flamand peut affiner les critères de sélection visés au paragraphe 1er, deuxième et troisième alinéas. ".
Art. 65. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan onderafdeling 1, ingevoegd bij artikel 62, een artikel 6.3.9 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.3.9. § 1. De voorzitter en de overige leden worden door de Vlaamse Regering aangewezen voor een hernieuwbare termijn van vijf jaar. Ze blijven in functie tot in hun vervanging is voorzien.
§ 2. Het mandaat van lid van de hoge raad is onverenigbaar met het lidmaatschap van een wetgevende vergadering, een provincieraad, een gemeenteraad, een districtsraad of een raad van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
§ 3. Als een mandaat in de hoge raad om welke reden ook vacant verklaard wordt, wordt overgegaan tot de vervanging van het lid voor de verdere duur van het mandaat.
§ 4. De Vlaamse Regering kan aan de hoge raad tijdelijke leden toevoegen om aan uitzonderlijke omstandigheden het hoofd te bieden. De tijdelijke leden voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6.3.8, § 1, tweede of derde lid, in voorkomend geval verfijnd door de Vlaamse Regering met toepassing van artikel 6.3.8, § 2.
Behalve in geval van verlenging eindigt de opdracht van de tijdelijke leden als de termijn waarvoor ze zijn aangewezen, verstreken is. Voor zaken waarover de debatten aan de gang zijn of die in beraad zijn, blijft de opdracht evenwel geldig tot aan de beslissing van de hoge raad.
§ 5. De leden van de hoge raad ontvangen ten laste van het Vlaamse Gewest een vergoeding, presentiegelden en reis- en verblijfskosten, waarvan het bedrag of de berekeningswijze wordt vastgelegd door de Vlaamse Regering.".
"Art. 6.3.9. § 1. De voorzitter en de overige leden worden door de Vlaamse Regering aangewezen voor een hernieuwbare termijn van vijf jaar. Ze blijven in functie tot in hun vervanging is voorzien.
§ 2. Het mandaat van lid van de hoge raad is onverenigbaar met het lidmaatschap van een wetgevende vergadering, een provincieraad, een gemeenteraad, een districtsraad of een raad van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
§ 3. Als een mandaat in de hoge raad om welke reden ook vacant verklaard wordt, wordt overgegaan tot de vervanging van het lid voor de verdere duur van het mandaat.
§ 4. De Vlaamse Regering kan aan de hoge raad tijdelijke leden toevoegen om aan uitzonderlijke omstandigheden het hoofd te bieden. De tijdelijke leden voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6.3.8, § 1, tweede of derde lid, in voorkomend geval verfijnd door de Vlaamse Regering met toepassing van artikel 6.3.8, § 2.
Behalve in geval van verlenging eindigt de opdracht van de tijdelijke leden als de termijn waarvoor ze zijn aangewezen, verstreken is. Voor zaken waarover de debatten aan de gang zijn of die in beraad zijn, blijft de opdracht evenwel geldig tot aan de beslissing van de hoge raad.
§ 5. De leden van de hoge raad ontvangen ten laste van het Vlaamse Gewest een vergoeding, presentiegelden en reis- en verblijfskosten, waarvan het bedrag of de berekeningswijze wordt vastgelegd door de Vlaamse Regering.".
Art. 65. Dans le même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, à la sous-section 1re, il est inséré, à l'article 62, un article 6.3.9, qui s'énonce comme suit :
" Art. 6.3.9. § 1er. Le président et les autres membres sont désignés par le Gouvernement flamand pour un délai renouvelable de cinq ans. Ils restent en fonction jusqu'à ce qu'il soit pourvu à leur remplacement.
§ 2. Le mandat de membre du Conseil supérieur est incompatible avec la qualité de membre d'une assemblée législative, un conseil provincial, un conseil communal, un conseil de district ou un conseil de centre public d'action sociale.
§ 3. Lorsque, pour quelque motif que ce soit, un mandat au sein du Conseil supérieur est déclaré vacant, il est procédé au remplacement du membre pour la durée restante du mandat.
§ 4. Le Gouvernement flamand peut ajouter des membres temporaires au Conseil supérieur en vue de faire face à des circonstances exceptionnelles. Les membres temporaires répondent aux conditions visées à l'article 6.3.8, § 1er, deuxième ou troisième alinéa, le cas échéant affinées par le Gouvernement flamand en application de l'article 6.3.8, § 2.
Sauf en cas de prolongation, la mission des membres temporaires s'achève lorsque le délai pour lequel ils ont été désignés arrive à expiration. Toutefois, pour les questions au sujet desquelles un débat est en cours ou qui sont en cours de délibération, la mission se prolonge jusqu'à la décision du Conseil supérieur.
§ 5. Les membres du Conseil supérieur se voient attribuer, à charge de la Région flamande, des indemnités, jetons de présence et frais de voyage et de séjour, dont le Gouvernement flamand détermine le montant ou la méthode de calcul. ".
" Art. 6.3.9. § 1er. Le président et les autres membres sont désignés par le Gouvernement flamand pour un délai renouvelable de cinq ans. Ils restent en fonction jusqu'à ce qu'il soit pourvu à leur remplacement.
§ 2. Le mandat de membre du Conseil supérieur est incompatible avec la qualité de membre d'une assemblée législative, un conseil provincial, un conseil communal, un conseil de district ou un conseil de centre public d'action sociale.
§ 3. Lorsque, pour quelque motif que ce soit, un mandat au sein du Conseil supérieur est déclaré vacant, il est procédé au remplacement du membre pour la durée restante du mandat.
§ 4. Le Gouvernement flamand peut ajouter des membres temporaires au Conseil supérieur en vue de faire face à des circonstances exceptionnelles. Les membres temporaires répondent aux conditions visées à l'article 6.3.8, § 1er, deuxième ou troisième alinéa, le cas échéant affinées par le Gouvernement flamand en application de l'article 6.3.8, § 2.
Sauf en cas de prolongation, la mission des membres temporaires s'achève lorsque le délai pour lequel ils ont été désignés arrive à expiration. Toutefois, pour les questions au sujet desquelles un débat est en cours ou qui sont en cours de délibération, la mission se prolonge jusqu'à la décision du Conseil supérieur.
§ 5. Les membres du Conseil supérieur se voient attribuer, à charge de la Région flamande, des indemnités, jetons de présence et frais de voyage et de séjour, dont le Gouvernement flamand détermine le montant ou la méthode de calcul. ".
Art. 66. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan afdeling 2, ingevoegd bij artikel 61, een onderafdeling 2 toegevoegd, die luidt als volgt :
"Onderafdeling 2. - Adviesplichten"
"Onderafdeling 2. - Adviesplichten"
Art. 66. Dans le même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, à la section 2, il est ajouté à l'article 61 une sous-section 2re, qui s'énonce comme suit :
" Sous-section 2. - Obligations de conseil "
" Sous-section 2. - Obligations de conseil "
Art. 67. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan onderafdeling 2, ingevoegd bij artikel 66, een artikel 6.3.10 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.3.10. § 1. De stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester kunnen pas overgaan tot het inleiden van een herstelvordering bij het openbaar ministerie, tot het vorderen van herstel voor de burgerlijke rechter of tot het opstarten van de ambtshalve uitvoering van een gerechtelijke herstelmaatregel, als de hoge raad daarvoor vooraf een positief advies heeft verleend.
De adviesplicht met betrekking tot de herstelvordering geldt op straffe van onontvankelijkheid.
§ 2. Het inleiden van een herstelvordering bij het openbaar ministerie kan pas worden gevolgd door het vorderen van een herstelvordering voor de burgerlijke rechter of omgekeerd, als daarvoor een nieuw positief advies van de hoge raad werd verkregen.
§ 3. De stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester kunnen pas overgaan tot het betekenen van een vonnis of arrest waarvan de termijn voor de uitvoering van de herstelmaatregelen op de betekeningsdatum al tien jaar of meer is verstreken, als de hoge raad daartoe voorafgaandelijk een positief advies heeft verleend.
Het advies, vermeld in het eerste lid, is niet vereist als voldaan is aan een van de volgende omstandigheden :
1° voorwerp van het misdrijf in kwestie ligt in een ruimtelijk kwetsbaar gebied;
2° het misdrijf dat aanleiding heeft gegeven tot het vonnis of arrest, heeft betrekking op het verrichten van handelingen die in strijd zijn met een stakingsbevel of met de stedenbouwkundige voorschriften aangaande de bestemmingen die voor het gebied toegestaan zijn;
3° aan de overtreder werden na het vonnis of arrest nieuwe strafrechtelijke of bestuurlijke sancties of verplichtingen tot schadevergoeding opgelegd uit hoofde van een stedenbouwkundige inbreuk of een stedenbouwkundig misdrijf.".
"Art. 6.3.10. § 1. De stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester kunnen pas overgaan tot het inleiden van een herstelvordering bij het openbaar ministerie, tot het vorderen van herstel voor de burgerlijke rechter of tot het opstarten van de ambtshalve uitvoering van een gerechtelijke herstelmaatregel, als de hoge raad daarvoor vooraf een positief advies heeft verleend.
De adviesplicht met betrekking tot de herstelvordering geldt op straffe van onontvankelijkheid.
§ 2. Het inleiden van een herstelvordering bij het openbaar ministerie kan pas worden gevolgd door het vorderen van een herstelvordering voor de burgerlijke rechter of omgekeerd, als daarvoor een nieuw positief advies van de hoge raad werd verkregen.
§ 3. De stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester kunnen pas overgaan tot het betekenen van een vonnis of arrest waarvan de termijn voor de uitvoering van de herstelmaatregelen op de betekeningsdatum al tien jaar of meer is verstreken, als de hoge raad daartoe voorafgaandelijk een positief advies heeft verleend.
Het advies, vermeld in het eerste lid, is niet vereist als voldaan is aan een van de volgende omstandigheden :
1° voorwerp van het misdrijf in kwestie ligt in een ruimtelijk kwetsbaar gebied;
2° het misdrijf dat aanleiding heeft gegeven tot het vonnis of arrest, heeft betrekking op het verrichten van handelingen die in strijd zijn met een stakingsbevel of met de stedenbouwkundige voorschriften aangaande de bestemmingen die voor het gebied toegestaan zijn;
3° aan de overtreder werden na het vonnis of arrest nieuwe strafrechtelijke of bestuurlijke sancties of verplichtingen tot schadevergoeding opgelegd uit hoofde van een stedenbouwkundige inbreuk of een stedenbouwkundig misdrijf.".
Art. 67. Dans le même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, à la sous-section 2, il est ajouté, à l'article 66, un article 6.3.10, qui s'énonce comme suit :
" Art. 6.3.10. § 1er. L'inspecteur urbaniste et le bourgmestre ne peuvent procéder à l'introduction d'une requête en réparation auprès du ministère public, à une action en réparation par-devant le juge civil ou au démarrage de l'exécution d'office d'une mesure de réparation judiciaire qu'après que le Conseil supérieur a rendu un avis positif préalable à cet effet.
L'obligation de conseil relative à la requête en réparation s'applique à peine d'irrecevabilité.
§ 2. L'introduction d'une requête en réparation auprès du ministère public ne peut être suivie d'une action de requête en réparation devant le juge civil, ou inversement, qu'après qu'un nouvel avis positif a été rendu à cet effet par le Conseil supérieur.
§ 3. L'inspecteur urbaniste et le bourgmestre ne peuvent procéder à la signification d'un jugement ou arrêt dont le délai d'exécution des mesures de réparations est, à la date de signification, expiré depuis dix ans ou plus qu'après que le Conseil supérieur a rendu un avis positif préalable à cet effet.
L'avis visé au premier alinéa n'est pas exigé dans l'une des circonstances suivantes :
1° l'objet du délit en question est situé en zone vulnérable du point de vue spatial ;
2° le délit qui a donné lieu au jugement ou à l'arrêt porte sur l'exécution d'actions contraires à un ordre de cessation ou aux prescriptions urbanistiques concernant les destinations autorisées pour la zone ;
3° de nouvelles sanctions pénales ou administratives ou obligations d'indemnisation ont, après le jugement ou l'arrêt, été imposées au contrevenant pour cause d'infraction urbanistique ou de délit urbanistique. "
" Art. 6.3.10. § 1er. L'inspecteur urbaniste et le bourgmestre ne peuvent procéder à l'introduction d'une requête en réparation auprès du ministère public, à une action en réparation par-devant le juge civil ou au démarrage de l'exécution d'office d'une mesure de réparation judiciaire qu'après que le Conseil supérieur a rendu un avis positif préalable à cet effet.
L'obligation de conseil relative à la requête en réparation s'applique à peine d'irrecevabilité.
§ 2. L'introduction d'une requête en réparation auprès du ministère public ne peut être suivie d'une action de requête en réparation devant le juge civil, ou inversement, qu'après qu'un nouvel avis positif a été rendu à cet effet par le Conseil supérieur.
§ 3. L'inspecteur urbaniste et le bourgmestre ne peuvent procéder à la signification d'un jugement ou arrêt dont le délai d'exécution des mesures de réparations est, à la date de signification, expiré depuis dix ans ou plus qu'après que le Conseil supérieur a rendu un avis positif préalable à cet effet.
L'avis visé au premier alinéa n'est pas exigé dans l'une des circonstances suivantes :
1° l'objet du délit en question est situé en zone vulnérable du point de vue spatial ;
2° le délit qui a donné lieu au jugement ou à l'arrêt porte sur l'exécution d'actions contraires à un ordre de cessation ou aux prescriptions urbanistiques concernant les destinations autorisées pour la zone ;
3° de nouvelles sanctions pénales ou administratives ou obligations d'indemnisation ont, après le jugement ou l'arrêt, été imposées au contrevenant pour cause d'infraction urbanistique ou de délit urbanistique. "
Art. 68. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan onderafdeling 2, ingevoegd bij artikel 66, een artikel 6.3.11 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.3.11. § 1. Het advies wordt gevraagd met een beveiligde zending.
Het procedurereglement, vermeld in artikel 6.3.15, bepaalt de vorm en inhoud van de aanvraag nader en vermeldt welke stukken bij de aanvraag gevoegd moeten worden.
§ 2. De plenaire vergadering van de hoge raad brengt een advies uit binnen een vervaltermijn van zestig dagen, die ingaat de dag na de dag van de betekening van de adviesaanvraag.
Bij het overschrijden van de termijn, vermeld in het eerste lid, mag aan de adviesvereiste voorbij worden gegaan.
§ 3. Een advies wordt met een beveiligde zending betekend aan het betrokken bestuur. De hoge raad bezorgt een afschrift van het advies aan de belanghebbenden die in de zaak zijn gehoord of aan de personen die bij de hoge raad op grond van het dossier bekend zijn.
Een positief advies geldt voor een periode van twee jaar, te rekenen vanaf de datum waarop over het advies wordt beslist.
Het betrokken bestuur of een derde-belanghebbende kan bij de hoge raad een gemotiveerd verzoek tot heroverweging instellen tegen de afgifte van een negatief advies.".
"Art. 6.3.11. § 1. Het advies wordt gevraagd met een beveiligde zending.
Het procedurereglement, vermeld in artikel 6.3.15, bepaalt de vorm en inhoud van de aanvraag nader en vermeldt welke stukken bij de aanvraag gevoegd moeten worden.
§ 2. De plenaire vergadering van de hoge raad brengt een advies uit binnen een vervaltermijn van zestig dagen, die ingaat de dag na de dag van de betekening van de adviesaanvraag.
Bij het overschrijden van de termijn, vermeld in het eerste lid, mag aan de adviesvereiste voorbij worden gegaan.
§ 3. Een advies wordt met een beveiligde zending betekend aan het betrokken bestuur. De hoge raad bezorgt een afschrift van het advies aan de belanghebbenden die in de zaak zijn gehoord of aan de personen die bij de hoge raad op grond van het dossier bekend zijn.
Een positief advies geldt voor een periode van twee jaar, te rekenen vanaf de datum waarop over het advies wordt beslist.
Het betrokken bestuur of een derde-belanghebbende kan bij de hoge raad een gemotiveerd verzoek tot heroverweging instellen tegen de afgifte van een negatief advies.".
Art. 68. A la sous-section 2, insérée sous l'article 66 du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, il est ajouté un article 6.3.11, rédigé comme suit :
" Art. 6.3.11. § 1er. L'avis est demandé par envoi sécurisé.
Le règlement de procédure mentionné à l'article 6.3.15 précise la forme et le contenu de la demande et mentionne les pièces à joindre à la demande.
§ 2. La séance plénière du Conseil supérieur rendra un avis dans un délai de déchéance de soixante jours, à compter du jour suivant la date de la signification de la demande d'avis.
En cas de dépassement du délai mentionné à l'alinéa premier, l'exigence d'avis peut être ignorée.
§ 3. Un avis est signifié à l'administration concernée par envoi sécurisé. Le Conseil supérieur transmet une copie de l'avis aux parties intéressées qui ont été entendues dans le cadre de l'affaire ou dont le Conseil supérieur a connaissance en vertu du dossier.
Un avis positif a une validité de deux ans, à compter de la date à laquelle une décision est prise concernant l'avis.
L'administration concernée ou une tierce partie intéressée peut introduire auprès du Conseil supérieur une requête motivée de réévaluation de l'avis négatif rendu. ".
" Art. 6.3.11. § 1er. L'avis est demandé par envoi sécurisé.
Le règlement de procédure mentionné à l'article 6.3.15 précise la forme et le contenu de la demande et mentionne les pièces à joindre à la demande.
§ 2. La séance plénière du Conseil supérieur rendra un avis dans un délai de déchéance de soixante jours, à compter du jour suivant la date de la signification de la demande d'avis.
En cas de dépassement du délai mentionné à l'alinéa premier, l'exigence d'avis peut être ignorée.
§ 3. Un avis est signifié à l'administration concernée par envoi sécurisé. Le Conseil supérieur transmet une copie de l'avis aux parties intéressées qui ont été entendues dans le cadre de l'affaire ou dont le Conseil supérieur a connaissance en vertu du dossier.
Un avis positif a une validité de deux ans, à compter de la date à laquelle une décision est prise concernant l'avis.
L'administration concernée ou une tierce partie intéressée peut introduire auprès du Conseil supérieur une requête motivée de réévaluation de l'avis négatif rendu. ".
Art. 69. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan afdeling 2, ingevoegd bij artikel 61, een onderafdeling 3 toegevoegd, die luidt als volgt :
"[1 Onderafdeling 3. - Bevoegdheid inzake advisering bij opeisbare dwangsomschulden en bij beroepen tegen bestuurlijke besluiten]1 "
"[1 Onderafdeling 3. - Bevoegdheid inzake advisering bij opeisbare dwangsomschulden en bij beroepen tegen bestuurlijke besluiten]1 "
Modifications
Art. 69. A la section 2, insérée sous l'article 61 du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, il est ajouté une sous-section 3, rédigée comme suit :
" [1 Sous-section 3. - Compétence en matière de consultation en cas d'astreintes exigibles et en cas de recours contre des décisions administratives]1 "
" [1 Sous-section 3. - Compétence en matière de consultation en cas d'astreintes exigibles et en cas de recours contre des décisions administratives]1 "
Modifications
Art. 70. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan onderafdeling 3, ingevoegd bij artikel 69, een artikel 6.3.12 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.3.12. [2 § 1. In de procedure, vermeld in artikel 6.3.4, § 5, wint respectievelijk de Vlaamse Regering of het college van burgemeester en schepenen een schriftelijk advies in bij de hoge raad over het verzoek om tijdelijk of definitief af te zien van verdere inning van een opeisbaar geworden dwangsomschuld. De hoge raad behandelt die adviesaanvragen bij voorrang.
In zijn advies houdt de hoge raad in het bijzonder rekening met de gestelde handelingen en de genomen engagementen met het oog op een correcte uitvoering van de hoofdveroordeling, alsook met de gehele of gedeeltelijke realisatie van het herstel. De hoge raad toetst zijn advies aan de beleidslijnen die in voorkomend geval opgenomen zijn in het handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening, vermeld in artikel 6.1.3, § 1, vierde lid, 6°.
§ 2. Het advies wordt uitgebracht binnen een vervaltermijn van vijfenveertig dagen vanaf de dag na de ontvangst van de adviesaanvraag door de hoge raad. Als die termijn wordt overschreden, kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
§ 3. De werkingsregels, vermeld in artikel 6.3.13, § 1, en artikel 6.3.14 tot en met 6.3.17, zijn van overeenkomstige toepassing. Het procedure- en werkingsreglement, vermeld in artikel 6.3.14, regelt de nadere procedurele regels.]2.
"Art. 6.3.12. [2 § 1. In de procedure, vermeld in artikel 6.3.4, § 5, wint respectievelijk de Vlaamse Regering of het college van burgemeester en schepenen een schriftelijk advies in bij de hoge raad over het verzoek om tijdelijk of definitief af te zien van verdere inning van een opeisbaar geworden dwangsomschuld. De hoge raad behandelt die adviesaanvragen bij voorrang.
In zijn advies houdt de hoge raad in het bijzonder rekening met de gestelde handelingen en de genomen engagementen met het oog op een correcte uitvoering van de hoofdveroordeling, alsook met de gehele of gedeeltelijke realisatie van het herstel. De hoge raad toetst zijn advies aan de beleidslijnen die in voorkomend geval opgenomen zijn in het handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening, vermeld in artikel 6.1.3, § 1, vierde lid, 6°.
§ 2. Het advies wordt uitgebracht binnen een vervaltermijn van vijfenveertig dagen vanaf de dag na de ontvangst van de adviesaanvraag door de hoge raad. Als die termijn wordt overschreden, kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
§ 3. De werkingsregels, vermeld in artikel 6.3.13, § 1, en artikel 6.3.14 tot en met 6.3.17, zijn van overeenkomstige toepassing. Het procedure- en werkingsreglement, vermeld in artikel 6.3.14, regelt de nadere procedurele regels.]2.
Art. 70. A la sous-section 3, insérée sous l'article 69 du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, il est ajouté un article 6.3.12, rédigé comme suit :
" Art. 6.3.12. [2 § 1er. Dans le cadre de la procédure visée à l'article 6.3.4, § 5, le Gouvernement flamand ou le collège des bourgmestre et échevins, respectivement, recueille un avis écrit du Conseil Supérieur sur la demande de renonciation temporaire ou définitive à poursuivre la perception d'une astreinte devenue exigible. Le Conseil supérieur traite ces demandes d'avis en priorité.
Dans son avis, il tient compte, en particulier, des actions et engagements pris en vue d'une exécution correcte de la condamnation principale, ainsi que de la réalisation totale ou partielle de la réparation. Le Conseil supérieur évalue son avis à la lumière des directives qui, le cas échéant, sont reprises dans le programme de maintien de l'aménagement du territoire, visé à l'article 6.1.3, § 1, quatrième alinéa, 6°.
§ 2. L'avis est rendu dans un délai de quarante-cinq jours à compter du jour suivant la réception de la demande d'avis par le Conseil supérieur. Si ce délai est dépassé, l'exigence en matière d'avis peut être ignorée.
§ 3. Les règles de fonctionnement, visées à l'article 6.3.13, § 1, et aux articles 6.3.14 à 6.3.17 inclus, s'appliquent par analogie. Le règlement de procédure et de fonctionnement, visé à l'article 6.3.14, régit les modalités de la procédure.]2
" Art. 6.3.12. [2 § 1er. Dans le cadre de la procédure visée à l'article 6.3.4, § 5, le Gouvernement flamand ou le collège des bourgmestre et échevins, respectivement, recueille un avis écrit du Conseil Supérieur sur la demande de renonciation temporaire ou définitive à poursuivre la perception d'une astreinte devenue exigible. Le Conseil supérieur traite ces demandes d'avis en priorité.
Dans son avis, il tient compte, en particulier, des actions et engagements pris en vue d'une exécution correcte de la condamnation principale, ainsi que de la réalisation totale ou partielle de la réparation. Le Conseil supérieur évalue son avis à la lumière des directives qui, le cas échéant, sont reprises dans le programme de maintien de l'aménagement du territoire, visé à l'article 6.1.3, § 1, quatrième alinéa, 6°.
§ 2. L'avis est rendu dans un délai de quarante-cinq jours à compter du jour suivant la réception de la demande d'avis par le Conseil supérieur. Si ce délai est dépassé, l'exigence en matière d'avis peut être ignorée.
§ 3. Les règles de fonctionnement, visées à l'article 6.3.13, § 1, et aux articles 6.3.14 à 6.3.17 inclus, s'appliquent par analogie. Le règlement de procédure et de fonctionnement, visé à l'article 6.3.14, régit les modalités de la procédure.]2
Art. 70/1. [1 In dezelfde codex wordt aan onderafdeling 3, ingevoegd bij artikel 69, een artikel 6.3.12/1 toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 6.3.12/1. § 1. In de beroepsprocedure, vermeld in artikel 6.4.8 en 6.4.15, wint de Vlaamse Regering schriftelijk advies in bij de hoge raad over de herstelmaatregelen als het dossier ontvankelijk wordt bevonden. De hoge raad behandelt die adviesaanvragen bij voorrang.
§ 2. Het advies wordt uitgebracht binnen een vervaltermijn van vijfenveertig dagen vanaf de dag na de ontvangst van de adviesaanvraag door de hoge raad. Als die termijn wordt overschreden, kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
§ 3. De werkingsregels, vermeld in artikel 6.3.13, § 1, en artikel 6.3.14 tot en met 6.3.17, zijn van overeenkomstige toepassing. Het procedure- en werkingsreglement, vermeld in artikel 6.3.14, regelt de nadere procedurele regels.".]1
"Art. 6.3.12/1. § 1. In de beroepsprocedure, vermeld in artikel 6.4.8 en 6.4.15, wint de Vlaamse Regering schriftelijk advies in bij de hoge raad over de herstelmaatregelen als het dossier ontvankelijk wordt bevonden. De hoge raad behandelt die adviesaanvragen bij voorrang.
§ 2. Het advies wordt uitgebracht binnen een vervaltermijn van vijfenveertig dagen vanaf de dag na de ontvangst van de adviesaanvraag door de hoge raad. Als die termijn wordt overschreden, kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
§ 3. De werkingsregels, vermeld in artikel 6.3.13, § 1, en artikel 6.3.14 tot en met 6.3.17, zijn van overeenkomstige toepassing. Het procedure- en werkingsreglement, vermeld in artikel 6.3.14, regelt de nadere procedurele regels.".]1
Art. 70/1. [1 Dans le même code, il est ajouté à la sous-section 3, insérée sous l'article 69, un article 6.3.12/1, libellé comme suit :
" Art. 6.3.12/1. § 1er. Dans le cadre de la procédure de recours visée aux articles 6.4.8 et 6.4.15, le Gouvernement flamand recueille l'avis écrit du Conseil supérieur sur les mesures de réparation si le dossier est jugé recevable. Le Conseil supérieur traite ces demandes d'avis en priorité.
§ 2. L'avis est rendu dans un délai de quarante-cinq jours à compter du jour suivant la réception de la demande d'avis par le Conseil supérieur. Si ce délai est dépassé, l'exigence en matière d'avis peut être ignorée.
§ 3. Les règles de fonctionnement, visées à l'article 6.3.13, § 1, et aux articles 6.3.14 à 6.3.17 inclus, s'appliquent par analogie. Le règlement de procédure et de fonctionnement, visé à l'article 6.3.14, régit les modalités de la procédure. ".]1
" Art. 6.3.12/1. § 1er. Dans le cadre de la procédure de recours visée aux articles 6.4.8 et 6.4.15, le Gouvernement flamand recueille l'avis écrit du Conseil supérieur sur les mesures de réparation si le dossier est jugé recevable. Le Conseil supérieur traite ces demandes d'avis en priorité.
§ 2. L'avis est rendu dans un délai de quarante-cinq jours à compter du jour suivant la réception de la demande d'avis par le Conseil supérieur. Si ce délai est dépassé, l'exigence en matière d'avis peut être ignorée.
§ 3. Les règles de fonctionnement, visées à l'article 6.3.13, § 1, et aux articles 6.3.14 à 6.3.17 inclus, s'appliquent par analogie. Le règlement de procédure et de fonctionnement, visé à l'article 6.3.14, régit les modalités de la procédure. ".]1
Art. 70/2. [1 In titel VI, hoofdstuk III, van dezelfde codex, wordt in afdeling 2, ingevoegd bij artikel 61, een onderafdeling 3/1 ingevoegd, die luidt als volgt:
"Onderafdeling 3/1. - Bemiddeling".]1
"Onderafdeling 3/1. - Bemiddeling".]1
Art. 70/2. [1 Au titre VI, chapitre III, du même code, dans la section 2, insérée sous l'article 61, il est inséré une sous-section 3/1, libellée comme suit :
" Sous-section 3/1. - Médiation ".]1
" Sous-section 3/1. - Médiation ".]1
Art. 70/3. [1 In titel VI, hoofdstuk III, afdeling 2, van dezelfde codex, wordt in onderafdeling 3/1, ingevoegd bij artikel 70/2, een artikel 6.3.12/2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 6.3.12/2. De hoge raad is belast met vrijwillige en gerechtelijke bemiddeling zoals vermeld in artikel 6.3.12/3 en 6.3.12/4.
De hoge raad kan een bemiddelaar aanwijzen onder zijn leden of onder de leden van het permanent secretariaat.
Het procedure- en werkingsreglement, vermeld in artikel 6.3.14, regelt de nadere procedurele regels.".]1
"Art. 6.3.12/2. De hoge raad is belast met vrijwillige en gerechtelijke bemiddeling zoals vermeld in artikel 6.3.12/3 en 6.3.12/4.
De hoge raad kan een bemiddelaar aanwijzen onder zijn leden of onder de leden van het permanent secretariaat.
Het procedure- en werkingsreglement, vermeld in artikel 6.3.14, regelt de nadere procedurele regels.".]1
Art. 70/3. [1 Au titre VI, chapitre III, section 2, du même code, il est inséré dans la sous-section 3/1, insérée sous l'article 70/2, un article 6.3.12/2, libellé comme suit :
" Art. 6.3.12/2. Le Conseil supérieur est chargé d'une médiation volontaire et judiciaire, comme mentionné aux articles 6.3.12/3 et 6.3.12/4.
Le Conseil supérieur peut désigner un médiateur parmi ses membres ou parmi les membres du secrétariat permanent.
Le règlement de procédure et de fonctionnement, visé à l'article 6.3.14, régit les modalités de la procédure. ".]1
" Art. 6.3.12/2. Le Conseil supérieur est chargé d'une médiation volontaire et judiciaire, comme mentionné aux articles 6.3.12/3 et 6.3.12/4.
Le Conseil supérieur peut désigner un médiateur parmi ses membres ou parmi les membres du secrétariat permanent.
Le règlement de procédure et de fonctionnement, visé à l'article 6.3.14, régit les modalités de la procédure. ".]1
Art. 70/4. [1 In titel VI, hoofdstuk III, afdeling 2, van dezelfde codex, wordt in onderafdeling 3/1, ingevoegd bij artikel 70/2, een artikel 6.3.12/3 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 6.3.12/3. § 1. Van bij de aanvang van een bestuurlijke procedure tot minnelijke schikking zoals vermeld in artikel 6.4.19 of een procedure tot het sluiten van een dading zoals vermeld in artikel 6.3.5, kan elke belanghebbende vragen aan de hoge raad om een vrijwillige bemiddeling op te starten.
Dit geldt ook in geval van weigering van een minnelijke schikking of een dading door de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester.
§ 2. De aanvraag om een vrijwillige bemiddeling op te starten wordt op straffe van onontvankelijkheid per beveiligde zending betekend aan de hoge raad.
De aanvrager doet in de bemiddelingsaanvraag een opgave van de personen aan wie de zakelijke rechten op het onroerend goed waarop de minnelijke schikking of de dading betrekking heeft, toebehoren.
In geval van niet-inaanmerkingneming van de bemiddelingsaanvraag stelt de hoge raad de aanvrager, de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester van de bevoegde gemeente hiervan per beveiligde zending in kennis.
In geval van inaanmerkingneming van de bemiddelingsaanvraag stelt de hoge raad de personen, vermeld in het tweede en derde lid, hiervan per beveiligde zending in kennis.
De personen, vermeld in het tweede en derde lid, worden voor de toepassing van dit artikel samen aangeduid als de betrokken partijen.
De door de hoge raad aangewezen bemiddelaar kan ook derden bij de bemiddeling betrekken.
§ 3. Een bemiddeling eindigt wanneer de betrokken partijen een bemiddelingsakkoord bereiken.
Onverminderd het eerste lid kan de hoge raad een bemiddeling te allen tijde beëindigen eens hij vaststelt dat de randvoorwaarden voor een geslaagde bemiddeling niet of niet langer zijn vervuld. Dit kan onder meer wanneer de betrokken partijen de raad in kennis stellen van hun wil om een einde te maken aan de bemiddeling. De hoge raad stelt de betrokken partijen en desgevallend de betrokken derden bedoeld in paragraaf 2, daarvan per beveiligde zending in kennis.
§ 4. Vanaf de betekening van de bemiddelingsaanvraag in de procedure tot minnelijke schikking bedoeld in artikel 6.4.19, is de verjaring van de herstelvordering zoals bedoeld in artikel 6.3.3, § 3, en van het recht een bestuurlijke maatregel op te leggen zoals bedoeld in artikel 6.4.3, § 2, geschorst voor de betrokken partijen en desgevallend de betrokken derden bedoeld in paragraaf 2.
Vanaf de verzending van de bemiddelingsaanvraag in de procedure tot dading bedoeld in artikel 6.3.5, is de verjaring van het recht op uitvoeren van de definitieve rechterlijke herstelmaatregel geschorst voor de betrokken partijen en desgevallend de betrokken derden bedoeld in paragraaf 2.
De schorsing bedoeld in het eerste en tweede lid, neemt een einde vanaf de datum waarop:
1° de hoge raad de beslissing tot niet-inaanmerkingneming van de bemiddelingsaanvraag aan de aanvrager betekent;
2° een bemiddelingsakkoord bereikt wordt;
3° de hoge raad de beëindiging van de bemiddeling omwille van de vaststelling dat de randvoorwaarden voor een geslaagde bemiddeling niet of niet langer zijn vervuld, betekent aan de betrokken partijen en desgevallend de betrokken derden bedoeld in paragraaf 2.".]1
"Art. 6.3.12/3. § 1. Van bij de aanvang van een bestuurlijke procedure tot minnelijke schikking zoals vermeld in artikel 6.4.19 of een procedure tot het sluiten van een dading zoals vermeld in artikel 6.3.5, kan elke belanghebbende vragen aan de hoge raad om een vrijwillige bemiddeling op te starten.
Dit geldt ook in geval van weigering van een minnelijke schikking of een dading door de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester.
§ 2. De aanvraag om een vrijwillige bemiddeling op te starten wordt op straffe van onontvankelijkheid per beveiligde zending betekend aan de hoge raad.
De aanvrager doet in de bemiddelingsaanvraag een opgave van de personen aan wie de zakelijke rechten op het onroerend goed waarop de minnelijke schikking of de dading betrekking heeft, toebehoren.
In geval van niet-inaanmerkingneming van de bemiddelingsaanvraag stelt de hoge raad de aanvrager, de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester van de bevoegde gemeente hiervan per beveiligde zending in kennis.
In geval van inaanmerkingneming van de bemiddelingsaanvraag stelt de hoge raad de personen, vermeld in het tweede en derde lid, hiervan per beveiligde zending in kennis.
De personen, vermeld in het tweede en derde lid, worden voor de toepassing van dit artikel samen aangeduid als de betrokken partijen.
De door de hoge raad aangewezen bemiddelaar kan ook derden bij de bemiddeling betrekken.
§ 3. Een bemiddeling eindigt wanneer de betrokken partijen een bemiddelingsakkoord bereiken.
Onverminderd het eerste lid kan de hoge raad een bemiddeling te allen tijde beëindigen eens hij vaststelt dat de randvoorwaarden voor een geslaagde bemiddeling niet of niet langer zijn vervuld. Dit kan onder meer wanneer de betrokken partijen de raad in kennis stellen van hun wil om een einde te maken aan de bemiddeling. De hoge raad stelt de betrokken partijen en desgevallend de betrokken derden bedoeld in paragraaf 2, daarvan per beveiligde zending in kennis.
§ 4. Vanaf de betekening van de bemiddelingsaanvraag in de procedure tot minnelijke schikking bedoeld in artikel 6.4.19, is de verjaring van de herstelvordering zoals bedoeld in artikel 6.3.3, § 3, en van het recht een bestuurlijke maatregel op te leggen zoals bedoeld in artikel 6.4.3, § 2, geschorst voor de betrokken partijen en desgevallend de betrokken derden bedoeld in paragraaf 2.
Vanaf de verzending van de bemiddelingsaanvraag in de procedure tot dading bedoeld in artikel 6.3.5, is de verjaring van het recht op uitvoeren van de definitieve rechterlijke herstelmaatregel geschorst voor de betrokken partijen en desgevallend de betrokken derden bedoeld in paragraaf 2.
De schorsing bedoeld in het eerste en tweede lid, neemt een einde vanaf de datum waarop:
1° de hoge raad de beslissing tot niet-inaanmerkingneming van de bemiddelingsaanvraag aan de aanvrager betekent;
2° een bemiddelingsakkoord bereikt wordt;
3° de hoge raad de beëindiging van de bemiddeling omwille van de vaststelling dat de randvoorwaarden voor een geslaagde bemiddeling niet of niet langer zijn vervuld, betekent aan de betrokken partijen en desgevallend de betrokken derden bedoeld in paragraaf 2.".]1
Art. 70/4. [1 Au titre VI, chapitre III, section 2, du même code, il est inséré dans la sous-section 3/1, insérée sous l'article 70/2, un article 6.3.12/3, libellé comme suit :
" Art. 6.3.12/3. § 1er. Depuis le début d'une procédure administrative jusqu' à un arrangement à l'amiable au sens de l'article 6.4.19 ou une procédure de transaction au sens de l'article 6.3.5, chaque partie intéressée peut demander au Conseil supérieur d'engager une médiation volontaire.
Cela s'applique aussi en cas de refus d'un règlement à l'amiable ou d'une transaction par l'inspecteur urbaniste régional, l'inspecteur urbaniste communal ou le bourgmestre.
§ 2. La demande d'ouverture d'une médiation volontaire est signifiée par envoi sécurisé au Conseil supérieur sous peine d'irrecevabilité.
Dans la demande de médiation, le demandeur indique les personnes auxquelles appartiennent les droits réels sur le bien immobilier auquel se rapporte l'arrangement à l'amiable ou la transaction.
Dans le cas où la demande de médiation n'est pas prise en compte, le Conseil Supérieur en avise par envoi sécurisé le demandeur, l'inspecteur urbaniste régional, l'inspecteur urbaniste communal ou le bourgmestre de la commune compétente.
Dans le cas où la demande de médiation est prise en compte, le Conseil supérieur en avise par envoi sécurisé les personnes visées aux deuxième et troisième alinéas.
Les personnes visées aux deuxième et troisième alinéas sont désignées conjointement comme les parties concernées pour l'application de cet article.
Le médiateur désigné par le Conseil supérieur peut également faire intervenir des tiers dans la médiation.
§ 3. Une médiation prend fin lorsque les parties concernées parviennent à un accord de conciliation.
Sans préjudice du paragraphe 1er, le Conseil supérieur peut mettre fin à une médiation à tout moment dès qu'il constate que les conditions essentielles pour une médiation réussie ne sont pas ou plus remplies. C'est notamment possible si les parties concernées informent le Conseil supérieur de leur intention de mettre fin à la médiation. Le Conseil supérieur en informe par envoi sécurisé les parties concernées et, le cas échéant, les tiers concernés visés au paragraphe 2.
§ 4. A compter de la signification de la demande de médiation dans le cadre de la procédure d'arrangement à l'amiable visée à l'article 6.4.19, la prescription de la requête en réparation visée à l'article 6.3.3, § 3, et du droit d'imposer une mesure administrative visé à l'article 6.4.3, § 2, est suspendue pour les parties concernées et, le cas échéant, pour les tiers concernés visés au paragraphe 2.
Dès l'envoi de la demande de médiation dans le cadre de la procédure de transaction visée à l'article 6.3.5, la prescription du droit d'exécution de la mesure de réparation judiciaire définitive est suspendue pour les parties concernées et, le cas échéant, pour les tiers concernés visés au paragraphe 2.
La suspension visée aux premier et deuxièmes alinéas prend fin à partir de la date à laquelle :
1° le Conseil supérieur signifie au demandeur la décision de non-prise en compte de la demande de médiation ;
2° un accord de conciliation est atteint ;
3° le Conseil supérieur, du fait qu'il est constaté que les conditions essentielles pour une médiation réussie ne sont pas ou plus remplies, signifie la clôture de la médiation aux parties concernées et, le cas échéant, aux tiers concernés visés au paragraphe 2. ".]1
" Art. 6.3.12/3. § 1er. Depuis le début d'une procédure administrative jusqu' à un arrangement à l'amiable au sens de l'article 6.4.19 ou une procédure de transaction au sens de l'article 6.3.5, chaque partie intéressée peut demander au Conseil supérieur d'engager une médiation volontaire.
Cela s'applique aussi en cas de refus d'un règlement à l'amiable ou d'une transaction par l'inspecteur urbaniste régional, l'inspecteur urbaniste communal ou le bourgmestre.
§ 2. La demande d'ouverture d'une médiation volontaire est signifiée par envoi sécurisé au Conseil supérieur sous peine d'irrecevabilité.
Dans la demande de médiation, le demandeur indique les personnes auxquelles appartiennent les droits réels sur le bien immobilier auquel se rapporte l'arrangement à l'amiable ou la transaction.
Dans le cas où la demande de médiation n'est pas prise en compte, le Conseil Supérieur en avise par envoi sécurisé le demandeur, l'inspecteur urbaniste régional, l'inspecteur urbaniste communal ou le bourgmestre de la commune compétente.
Dans le cas où la demande de médiation est prise en compte, le Conseil supérieur en avise par envoi sécurisé les personnes visées aux deuxième et troisième alinéas.
Les personnes visées aux deuxième et troisième alinéas sont désignées conjointement comme les parties concernées pour l'application de cet article.
Le médiateur désigné par le Conseil supérieur peut également faire intervenir des tiers dans la médiation.
§ 3. Une médiation prend fin lorsque les parties concernées parviennent à un accord de conciliation.
Sans préjudice du paragraphe 1er, le Conseil supérieur peut mettre fin à une médiation à tout moment dès qu'il constate que les conditions essentielles pour une médiation réussie ne sont pas ou plus remplies. C'est notamment possible si les parties concernées informent le Conseil supérieur de leur intention de mettre fin à la médiation. Le Conseil supérieur en informe par envoi sécurisé les parties concernées et, le cas échéant, les tiers concernés visés au paragraphe 2.
§ 4. A compter de la signification de la demande de médiation dans le cadre de la procédure d'arrangement à l'amiable visée à l'article 6.4.19, la prescription de la requête en réparation visée à l'article 6.3.3, § 3, et du droit d'imposer une mesure administrative visé à l'article 6.4.3, § 2, est suspendue pour les parties concernées et, le cas échéant, pour les tiers concernés visés au paragraphe 2.
Dès l'envoi de la demande de médiation dans le cadre de la procédure de transaction visée à l'article 6.3.5, la prescription du droit d'exécution de la mesure de réparation judiciaire définitive est suspendue pour les parties concernées et, le cas échéant, pour les tiers concernés visés au paragraphe 2.
La suspension visée aux premier et deuxièmes alinéas prend fin à partir de la date à laquelle :
1° le Conseil supérieur signifie au demandeur la décision de non-prise en compte de la demande de médiation ;
2° un accord de conciliation est atteint ;
3° le Conseil supérieur, du fait qu'il est constaté que les conditions essentielles pour une médiation réussie ne sont pas ou plus remplies, signifie la clôture de la médiation aux parties concernées et, le cas échéant, aux tiers concernés visés au paragraphe 2. ".]1
Art. 70/5. [1 In titel VI, hoofdstuk III, afdeling 2, van dezelfde codex, wordt in onderafdeling 3/1, ingevoegd bij artikel 70/2, een artikel 6.3.12/4 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 6.3.12/4. § 1. Zolang de zaak niet in beraad is genomen, kan de reeds geadieerde rechter in elke stand van de procedure zoals bedoeld in artikel 6.3.1 en 6.3.3, op verzoek van een van de partijen in het geding, op verzoek van de overheid die de herstelmaatregel vordert of op eigen initiatief een gerechtelijke bemiddeling bij de hoge raad bevelen.
De rechterlijke beslissing die een bemiddeling beveelt, legt de duur van de opdracht van de hoge raad vast, zonder dat deze drie maanden kan overschrijden. Zij vermeldt tevens de datum waarop de zaak is verdaagd.
§ 2. De griffier zendt onmiddellijk een afschrift van de rechterlijke beslissing aan de partijen in het geding, de overheid die de herstelmaatregel vordert en de hoge raad.
De door de hoge raad aangewezen bemiddelaar kan derden bij de bemiddeling betrekken. Dit geldt ook ten opzichte van de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester indien geen van hen een rechterlijke herstelmaatregel heeft gevorderd.
§ 3. Als een bemiddelingsakkoord is bereikt, maakt de hoge raad dit over aan de rechtbank.
Minstens meldt de hoge raad bij afloop van de bemiddelingsopdracht schriftelijk aan de rechter of er al dan niet een bemiddelingsakkoord is bekomen.
De rechter behoudt niettemin de mogelijkheid om, zo hij dat opportuun acht en zowel de overheid die de herstelmaatregel vordert als de partijen in het geding ermee instemmen, de bemiddelingsopdracht van de hoge raad voor een door hem bepaalde termijn te verlengen.
§ 4. Gedurende de bemiddeling blijft de rechter geadieerd en kan hij op elk ogenblik de noodzakelijk geachte maatregel treffen. Op verzoek van de hoge raad kan hij ook vóór het verstrijken van de vastgestelde termijn een einde maken aan de bemiddeling.
§ 5. Er is geen rechtsmiddel mogelijk tegen de beslissing waarbij de bemiddeling wordt bevolen, verlengd of beëindigd.".]1
"Art. 6.3.12/4. § 1. Zolang de zaak niet in beraad is genomen, kan de reeds geadieerde rechter in elke stand van de procedure zoals bedoeld in artikel 6.3.1 en 6.3.3, op verzoek van een van de partijen in het geding, op verzoek van de overheid die de herstelmaatregel vordert of op eigen initiatief een gerechtelijke bemiddeling bij de hoge raad bevelen.
De rechterlijke beslissing die een bemiddeling beveelt, legt de duur van de opdracht van de hoge raad vast, zonder dat deze drie maanden kan overschrijden. Zij vermeldt tevens de datum waarop de zaak is verdaagd.
§ 2. De griffier zendt onmiddellijk een afschrift van de rechterlijke beslissing aan de partijen in het geding, de overheid die de herstelmaatregel vordert en de hoge raad.
De door de hoge raad aangewezen bemiddelaar kan derden bij de bemiddeling betrekken. Dit geldt ook ten opzichte van de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester indien geen van hen een rechterlijke herstelmaatregel heeft gevorderd.
§ 3. Als een bemiddelingsakkoord is bereikt, maakt de hoge raad dit over aan de rechtbank.
Minstens meldt de hoge raad bij afloop van de bemiddelingsopdracht schriftelijk aan de rechter of er al dan niet een bemiddelingsakkoord is bekomen.
De rechter behoudt niettemin de mogelijkheid om, zo hij dat opportuun acht en zowel de overheid die de herstelmaatregel vordert als de partijen in het geding ermee instemmen, de bemiddelingsopdracht van de hoge raad voor een door hem bepaalde termijn te verlengen.
§ 4. Gedurende de bemiddeling blijft de rechter geadieerd en kan hij op elk ogenblik de noodzakelijk geachte maatregel treffen. Op verzoek van de hoge raad kan hij ook vóór het verstrijken van de vastgestelde termijn een einde maken aan de bemiddeling.
§ 5. Er is geen rechtsmiddel mogelijk tegen de beslissing waarbij de bemiddeling wordt bevolen, verlengd of beëindigd.".]1
Art. 70/5. [1 Au titre VI, chapitre III, section 2, du même code, il est inséré dans la sous-section 3/1, insérée sous l'article 70/2, un article 6.3.12/4, libellé comme suit :
" Art. 6.3.12/4. § 1er. Tant que l'affaire n'a pas été mise en délibéré, le juge déjà saisi peut, à toute étape de la procédure visée aux articles 6.3.1 et 6.3.3, à la demande d'une des parties au procès, à la demande de l'autorité requérant la mesure de réparation ou de sa propre initiative, ordonner une médiation judiciaire devant le Conseil supérieur.
La décision judiciaire ordonnant une médiation fixe la durée du mandat du Conseil supérieur, qui ne peut excéder trois mois. Elle mentionne également la date à laquelle l'affaire a été ajournée.
§ 2. Le Greffier adresse immédiatement une copie de la décision judiciaire aux parties au procès, à l'autorité requérant la mesure de réparation et au Conseil supérieur.
Le médiateur désigné par le Conseil supérieur peut également faire intervenir des tiers dans la médiation. Cela vaut également pour l'inspecteur urbaniste régional, l'inspecteur urbaniste communal ou le bourgmestre, si aucun d'entre eux n'a requis une mesure de réparation judiciaire.
§ 3. Si un accord de conciliation est conclu, le Conseil supérieur transmet celui-ci au tribunal.
A tout le moins, à l'issue du mandat de médiation, le Conseil supérieur communiquera au juge par écrit si un accord de conciliation a été conclu ou non.
Néanmoins, le juge conserve le droit, s'il l'estime approprié et que tant l'autorité requérant la mesure de réparation que les parties au procès y consentent, de proroger le mandat de médiation du Conseil supérieur d'une période fixée par lui.
§ 4. Durant la médiation, le juge reste saisi et peut à tout moment prendre la mesure jugée nécessaire. A la demande du Conseil supérieur, il peut aussi mettre fin à la médiation avant l'expiration du délai fixé.
§ 5. Il n'y a pas de recours possible contre la décision ordonnant, prorogeant ou terminant la médiation. ".]1
" Art. 6.3.12/4. § 1er. Tant que l'affaire n'a pas été mise en délibéré, le juge déjà saisi peut, à toute étape de la procédure visée aux articles 6.3.1 et 6.3.3, à la demande d'une des parties au procès, à la demande de l'autorité requérant la mesure de réparation ou de sa propre initiative, ordonner une médiation judiciaire devant le Conseil supérieur.
La décision judiciaire ordonnant une médiation fixe la durée du mandat du Conseil supérieur, qui ne peut excéder trois mois. Elle mentionne également la date à laquelle l'affaire a été ajournée.
§ 2. Le Greffier adresse immédiatement une copie de la décision judiciaire aux parties au procès, à l'autorité requérant la mesure de réparation et au Conseil supérieur.
Le médiateur désigné par le Conseil supérieur peut également faire intervenir des tiers dans la médiation. Cela vaut également pour l'inspecteur urbaniste régional, l'inspecteur urbaniste communal ou le bourgmestre, si aucun d'entre eux n'a requis une mesure de réparation judiciaire.
§ 3. Si un accord de conciliation est conclu, le Conseil supérieur transmet celui-ci au tribunal.
A tout le moins, à l'issue du mandat de médiation, le Conseil supérieur communiquera au juge par écrit si un accord de conciliation a été conclu ou non.
Néanmoins, le juge conserve le droit, s'il l'estime approprié et que tant l'autorité requérant la mesure de réparation que les parties au procès y consentent, de proroger le mandat de médiation du Conseil supérieur d'une période fixée par lui.
§ 4. Durant la médiation, le juge reste saisi et peut à tout moment prendre la mesure jugée nécessaire. A la demande du Conseil supérieur, il peut aussi mettre fin à la médiation avant l'expiration du délai fixé.
§ 5. Il n'y a pas de recours possible contre la décision ordonnant, prorogeant ou terminant la médiation. ".]1
Art. 71. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan afdeling 2, ingevoegd bij artikel 61, een onderafdeling 4 toegevoegd, die luidt als volgt :
"Onderafdeling 4. - Werking"
"Onderafdeling 4. - Werking"
Art. 71. A la section 2, insérée sous l'article 61 du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, il est ajouté une sous-section 4, rédigée comme suit :
" Sous-section 4. - Fonctionnement "
" Sous-section 4. - Fonctionnement "
Art. 72. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan onderafdeling 4, ingevoegd bij artikel 71, een artikel 6.3.13 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.3.13. § 1. De hoge raad vergadert geldig als de meerderheid van de leden aanwezig is. Hij spreekt zich uit bij gewone meerderheid van stemmen. De adviezen en beslissingen vermelden steeds de namen van de leden die aanwezig zijn op de vergadering.
Bij staking van stemmen wordt een nieuwe stemming gehouden. Als er bij die tweede stemming opnieuw staking van stemmen is, beslist de voorzitter.
§ 2. De vergaderingen van de hoge raad kunnen worden bijgewoond door :
1° de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur;
2° de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester, voor wat betreft die agendapunten die een vordering of een maatregel van de betrokken gemeente betreffen.
De personen, vermeld in het eerste lid, kunnen voorafgaand aan de sluiting van de besprekingen hun standpunt weergeven en een stemadvies geven.
§ 3. De hoge raad kan belanghebbenden schriftelijk horen telkens als hij dat nodig acht voor een zorgvuldige feitenvinding of voor de eerbiediging van het verdedigingsbeginsel. De hoge raad kan deze beoordelingsbevoegdheid inzake de organisatie van het schriftelijk horen delegeren aan een of meer van zijn leden.
In het eerste lid wordt verstaan onder belanghebbenden :
1° personen die getroffen worden of kunnen worden door de maatregel waarover de hoge raad is geadieerd;
2° de rechtspersonen die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2 van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu, voor zover de gediende collectieve belangen bedreigd of geschaad worden door de misdrijven of inbreuken, vermeld in artikel 6.2.1 of 6.2.2 van deze codex, die aanleiding geven tot de maatregel waarover de hoge raad is geadieerd;
3° derden die in hun rechten worden geraakt door de misdrijven of de inbreuken, vermeld in artikel 6.2.1 of 6.2.2 van deze codex, die aanleiding geven tot de maatregel waarover de hoge raad is geadieerd.".
"Art. 6.3.13. § 1. De hoge raad vergadert geldig als de meerderheid van de leden aanwezig is. Hij spreekt zich uit bij gewone meerderheid van stemmen. De adviezen en beslissingen vermelden steeds de namen van de leden die aanwezig zijn op de vergadering.
Bij staking van stemmen wordt een nieuwe stemming gehouden. Als er bij die tweede stemming opnieuw staking van stemmen is, beslist de voorzitter.
§ 2. De vergaderingen van de hoge raad kunnen worden bijgewoond door :
1° de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur;
2° de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester, voor wat betreft die agendapunten die een vordering of een maatregel van de betrokken gemeente betreffen.
De personen, vermeld in het eerste lid, kunnen voorafgaand aan de sluiting van de besprekingen hun standpunt weergeven en een stemadvies geven.
§ 3. De hoge raad kan belanghebbenden schriftelijk horen telkens als hij dat nodig acht voor een zorgvuldige feitenvinding of voor de eerbiediging van het verdedigingsbeginsel. De hoge raad kan deze beoordelingsbevoegdheid inzake de organisatie van het schriftelijk horen delegeren aan een of meer van zijn leden.
In het eerste lid wordt verstaan onder belanghebbenden :
1° personen die getroffen worden of kunnen worden door de maatregel waarover de hoge raad is geadieerd;
2° de rechtspersonen die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2 van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu, voor zover de gediende collectieve belangen bedreigd of geschaad worden door de misdrijven of inbreuken, vermeld in artikel 6.2.1 of 6.2.2 van deze codex, die aanleiding geven tot de maatregel waarover de hoge raad is geadieerd;
3° derden die in hun rechten worden geraakt door de misdrijven of de inbreuken, vermeld in artikel 6.2.1 of 6.2.2 van deze codex, die aanleiding geven tot de maatregel waarover de hoge raad is geadieerd.".
Art. 72. A la sous-section 4, insérée sous l'article 71 du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, il est ajouté un article 6.3.13, rédigé comme suit :
" Art. 6.3.13. § 1er. Le Conseil supérieur se réunit valablement en présence de la majorité de ses membres. Il se prononce à la majorité simple des voix. Les avis et décisions mentionnent systématiquement les noms des membres présents à la réunion.
En cas de partage égal des voix, un nouveau vote est organisé. S'il y a à nouveau partage égal des voix lors de ce second vote, la voix du président est prépondérante.
§ 2. Assistent aux réunions du Conseil supérieur :
1° l'inspecteur urbaniste compétent pour la Région flamande ;
2° l'inspecteur urbaniste compétent pour la commune et le bourgmestre, pour ce qui est des points à l'ordre du jour concernant une demande ou une mesure de la commune en question.
Les personnes visées à l'alinéa premier peuvent exprimer leurs points de vue et donner un avis de voix avant la clôture des discussions.
§ 3. Le Conseil supérieur peut auditionner les parties intéressées par écrit chaque fois qu'il le juge nécessaire pour une découverte exacte des faits ou pour garantir le respect du principe de défense. Le Conseil supérieur peut déléguer cette compétence d'évaluation en matière d'organisation des auditions écrites à un ou plusieurs de ses membres.
Pour l'application de l'alinéa premier, on entend par " parties intéressées " :
1° les personnes touchées ou pouvant être touchées par la mesure pour laquelle le Conseil supérieur a été saisi ;
2° les personnes morales qui satisfont aux conditions mentionnées dans l'article 2 de la loi du 12 janvier 1993 concernant un droit d'action en matière de protection de l'environnement, pour autant que les intérêts collectifs servis soient menacés ou lésés par les délits ou infractions visés à l'article 6.2.1 ou 6.2.2 de ce code et donnant lieu à la mesure pour laquelle le Conseil supérieur a été saisi ;
3° les tiers qui sont touchés dans leurs droits par les délits ou infractions visés à l'article 6.2.1 ou 6.2.2 de ce code et donnant lieu à la mesure pour laquelle le Conseil supérieur a été saisi. ".
" Art. 6.3.13. § 1er. Le Conseil supérieur se réunit valablement en présence de la majorité de ses membres. Il se prononce à la majorité simple des voix. Les avis et décisions mentionnent systématiquement les noms des membres présents à la réunion.
En cas de partage égal des voix, un nouveau vote est organisé. S'il y a à nouveau partage égal des voix lors de ce second vote, la voix du président est prépondérante.
§ 2. Assistent aux réunions du Conseil supérieur :
1° l'inspecteur urbaniste compétent pour la Région flamande ;
2° l'inspecteur urbaniste compétent pour la commune et le bourgmestre, pour ce qui est des points à l'ordre du jour concernant une demande ou une mesure de la commune en question.
Les personnes visées à l'alinéa premier peuvent exprimer leurs points de vue et donner un avis de voix avant la clôture des discussions.
§ 3. Le Conseil supérieur peut auditionner les parties intéressées par écrit chaque fois qu'il le juge nécessaire pour une découverte exacte des faits ou pour garantir le respect du principe de défense. Le Conseil supérieur peut déléguer cette compétence d'évaluation en matière d'organisation des auditions écrites à un ou plusieurs de ses membres.
Pour l'application de l'alinéa premier, on entend par " parties intéressées " :
1° les personnes touchées ou pouvant être touchées par la mesure pour laquelle le Conseil supérieur a été saisi ;
2° les personnes morales qui satisfont aux conditions mentionnées dans l'article 2 de la loi du 12 janvier 1993 concernant un droit d'action en matière de protection de l'environnement, pour autant que les intérêts collectifs servis soient menacés ou lésés par les délits ou infractions visés à l'article 6.2.1 ou 6.2.2 de ce code et donnant lieu à la mesure pour laquelle le Conseil supérieur a été saisi ;
3° les tiers qui sont touchés dans leurs droits par les délits ou infractions visés à l'article 6.2.1 ou 6.2.2 de ce code et donnant lieu à la mesure pour laquelle le Conseil supérieur a été saisi. ".
Art. 73. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan onderafdeling 4, ingevoegd bij artikel 71, een artikel 6.3.14 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.3.14. De Vlaamse Regering stelt een procedure- en werkingsreglement vast op voorstel van de hoge raad.
Het reglement, vermeld in het eerste lid, kan, al dan niet op straffe van nietigheid of onontvankelijkheid voorgeschreven, vorm- en termijnvoorwaarden opleggen, in het bijzonder voor de aanhangigmaking van zaken, het overmaken van overtuigingsstukken, het inzagerecht van belanghebbenden en het horen van belanghebbenden.
Het reglement, vermeld in het eerste lid, regelt voorts ten minste :
1° de werkverdeling;
2° de wijze waarop het horen georganiseerd wordt.
Het reglement, vermeld in het eerste lid, treedt in werking op de dag van bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.".
"Art. 6.3.14. De Vlaamse Regering stelt een procedure- en werkingsreglement vast op voorstel van de hoge raad.
Het reglement, vermeld in het eerste lid, kan, al dan niet op straffe van nietigheid of onontvankelijkheid voorgeschreven, vorm- en termijnvoorwaarden opleggen, in het bijzonder voor de aanhangigmaking van zaken, het overmaken van overtuigingsstukken, het inzagerecht van belanghebbenden en het horen van belanghebbenden.
Het reglement, vermeld in het eerste lid, regelt voorts ten minste :
1° de werkverdeling;
2° de wijze waarop het horen georganiseerd wordt.
Het reglement, vermeld in het eerste lid, treedt in werking op de dag van bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.".
Art. 73. A la sous-section 4, insérée sous l'article 71 du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, il est ajouté un article 6.3.14, rédigé comme suit :
" Art. 6.3.14. A la demande du Conseil supérieur, le Gouvernement flamand établit un règlement de procédure et de fonctionnement.
Le règlement visé à l'alinéa premier peut, sous peine de nullité ou d'irrecevabilité, imposer des conditions de forme et de délai, surtout en ce qui concerne la saisine de la juridiction, la transmission des pièces de convictions, le droit de regard des parties intéressées et l'audition des parties intéressées.
Le règlement visé à l'alinéa premier règle également au moins :
1° la répartition du travail ;
2° la manière dont l'audition est organisée.
Le règlement visé à l'alinéa premier entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge. ".
" Art. 6.3.14. A la demande du Conseil supérieur, le Gouvernement flamand établit un règlement de procédure et de fonctionnement.
Le règlement visé à l'alinéa premier peut, sous peine de nullité ou d'irrecevabilité, imposer des conditions de forme et de délai, surtout en ce qui concerne la saisine de la juridiction, la transmission des pièces de convictions, le droit de regard des parties intéressées et l'audition des parties intéressées.
Le règlement visé à l'alinéa premier règle également au moins :
1° la répartition du travail ;
2° la manière dont l'audition est organisée.
Le règlement visé à l'alinéa premier entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge. ".
Art. 74. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan onderafdeling 4, ingevoegd bij artikel 71, een artikel 6.3.15 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.3.15. De hoge raad neemt een huishoudelijk reglement aan.
Het huishoudelijk reglement bevat ten minste de deontologische beginselen, gedragsregels en richtlijnen die de leden van de hoge raad tot leidraad dienen bij de uitoefening van hun mandaat.".
"Art. 6.3.15. De hoge raad neemt een huishoudelijk reglement aan.
Het huishoudelijk reglement bevat ten minste de deontologische beginselen, gedragsregels en richtlijnen die de leden van de hoge raad tot leidraad dienen bij de uitoefening van hun mandaat.".
Art. 74. A la sous-section 4, insérée sous l'article 71 du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, il est ajouté un article 6.3.15, rédigé comme suit :
" Art. 6.3.15. Le Conseil supérieur adopte un règlement d'ordre intérieur.
Le règlement d'ordre intérieur inclut au minimum les principes déontologiques, les règles de conduite et les directives servant de base aux membres du Conseil supérieur lors de l'exercice de leur mandat. ".
" Art. 6.3.15. Le Conseil supérieur adopte un règlement d'ordre intérieur.
Le règlement d'ordre intérieur inclut au minimum les principes déontologiques, les règles de conduite et les directives servant de base aux membres du Conseil supérieur lors de l'exercice de leur mandat. ".
Art. 75. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan onderafdeling 4, ingevoegd bij artikel 71, een artikel 6.3.16 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.3.16. § 1. De Vlaamse Regering stelt de hoge raad binnen de beschikbare begrotingskredieten de nodige werkingsmiddelen ter beschikking.
§ 2. De hoge raad stelt op grond van de werkingsmiddelen een permanent secretariaat samen.
Het permanent secretariaat wordt geleid door een vaste secretaris en staat onder het gezag van de voorzitter in voor de algemene administratieve ondersteuning van de hoge raad. De vaste secretaris en de overige leden van het permanent secretariaat beschikken niet over enig stemrecht in de hoge raad.
§ 3. De vaste secretaris en de overige leden van het permanent secretariaat worden aangesteld op grond van een detacherings- of arbeidsovereenkomst.".
"Art. 6.3.16. § 1. De Vlaamse Regering stelt de hoge raad binnen de beschikbare begrotingskredieten de nodige werkingsmiddelen ter beschikking.
§ 2. De hoge raad stelt op grond van de werkingsmiddelen een permanent secretariaat samen.
Het permanent secretariaat wordt geleid door een vaste secretaris en staat onder het gezag van de voorzitter in voor de algemene administratieve ondersteuning van de hoge raad. De vaste secretaris en de overige leden van het permanent secretariaat beschikken niet over enig stemrecht in de hoge raad.
§ 3. De vaste secretaris en de overige leden van het permanent secretariaat worden aangesteld op grond van een detacherings- of arbeidsovereenkomst.".
Art. 75. A la sous-section 4, insérée sous l'article 71 du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, il est ajouté un article 6.3.16, rédigé comme suit :
" Art. 6.3.16. § 1er. Dans les limites des crédits budgétaires disponibles, le Gouvernement flamand met à la disposition du Conseil supérieur les moyens de fonctionnement requis.
§ 2. Le Conseil supérieur constitue, en tenant compte des moyens de fonctionnement disponibles, un secrétariat permanent.
Le secrétariat permanent est dirigé par un secrétaire effectif et il est responsable, sous l'autorité du président, du soutien administratif général du Conseil supérieur. Le secrétaire effectif et les autres membres du secrétariat permanent n'ont aucun droit de vote au sein du Conseil supérieur.
§ 3. La nomination du secrétaire effectif et des autres membres du secrétariat permanent a lieu sur la base d'une convention de détachement ou d'une convention de travail. ".
" Art. 6.3.16. § 1er. Dans les limites des crédits budgétaires disponibles, le Gouvernement flamand met à la disposition du Conseil supérieur les moyens de fonctionnement requis.
§ 2. Le Conseil supérieur constitue, en tenant compte des moyens de fonctionnement disponibles, un secrétariat permanent.
Le secrétariat permanent est dirigé par un secrétaire effectif et il est responsable, sous l'autorité du président, du soutien administratif général du Conseil supérieur. Le secrétaire effectif et les autres membres du secrétariat permanent n'ont aucun droit de vote au sein du Conseil supérieur.
§ 3. La nomination du secrétaire effectif et des autres membres du secrétariat permanent a lieu sur la base d'une convention de détachement ou d'une convention de travail. ".
Art. 76. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan onderafdeling 4, ingevoegd bij artikel 71, een artikel 6.3.17 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.3.17. De hoge raad brengt jaarlijks een verslagboek uit, waarin een synthese is opgenomen van de overwegingen die tot de advies- en beslissingspraktijk van de hoge raad hebben geleid.".
"Art. 6.3.17. De hoge raad brengt jaarlijks een verslagboek uit, waarin een synthese is opgenomen van de overwegingen die tot de advies- en beslissingspraktijk van de hoge raad hebben geleid.".
Art. 76. A la sous-section 4, insérée sous l'article 71 du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, il est ajouté un article 6.3.17, rédigé comme suit :
" Art. 6.3.17. Le Conseil supérieur publie chaque année un annuaire des rapports incluant une synthèse des considérations qui ont conduit à la pratique consultative et décisionnelle du Conseil supérieur. ".
" Art. 6.3.17. Le Conseil supérieur publie chaque année un annuaire des rapports incluant une synthèse des considérations qui ont conduit à la pratique consultative et décisionnelle du Conseil supérieur. ".
Art. 77. Aan titel VI van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010 en 11 mei 2012, wordt een hoofdstuk IV toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Hoofdstuk IV. - Bestuurlijke maatregelen"
"Hoofdstuk IV. - Bestuurlijke maatregelen"
Art. 77. Au titre VI du même code, modifié par les décrets du 16 juillet 2010 et du 11 mai 2012, il est ajouté un chapitre IV, rédigé comme suit :
" Chapitre IV. - Mesures administratives "
" Chapitre IV. - Mesures administratives "
Art. 78. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan hoofdstuk IV, ingevoegd bij artikel 77, een afdeling 1 toegevoegd, die luidt als volgt :
"Afdeling 1. - Basisbepalingen"
"Afdeling 1. - Basisbepalingen"
Art. 78. Au chapitre IV, inséré sous l'article 77 du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, il est ajouté une section 1re, rédigée comme suit :
" Section 1re. - Dispositions de base "
" Section 1re. - Dispositions de base "
Art. 79. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan afdeling 1, ingevoegd bij artikel 78, een artikel 6.4.1 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.4.1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt de betekening met een aangetekende brief geacht te zijn geschied op de derde werkdag na de afgifte ter post, behalve in geval van bewijs van het tegendeel.".
"Art. 6.4.1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt de betekening met een aangetekende brief geacht te zijn geschied op de derde werkdag na de afgifte ter post, behalve in geval van bewijs van het tegendeel.".
Art. 79. A la section 1re, insérée sous l'article 78 du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, il est ajouté un article 6.4.1, rédigé comme suit :
" Art. 6.4.1. Pour l'application du présent chapitre, la signification par envoi recommandé est réputée avoir eu lieu le troisième jour ouvrable suivant la remise à la poste, sauf preuve du contraire. ".
" Art. 6.4.1. Pour l'application du présent chapitre, la signification par envoi recommandé est réputée avoir eu lieu le troisième jour ouvrable suivant la remise à la poste, sauf preuve du contraire. ".
Art. 80. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan afdeling 1, ingevoegd bij artikel 78, een artikel 6.4.2 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.4.2. § 1. De Vlaamse Regering kan bepaalde stedenbouwkundige misdrijven of inbreuken uitsluiten als grondslag voor de toepassing van bestuursdwang of last onder dwangsom, of de toepassing van bestuursdwang of last onder dwangsom afhankelijk maken van bijkomende voorwaarden.
§ 2. Wie besluit tot toepassing van bestuursdwang of last onder dwangsom, is ook bevoegd die beslissing te wijzigen of in te trekken, zowel ambtshalve als op verzoek van belanghebbenden. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen tot uitvoering van dit lid.
Buiten de beroepsmogelijkheden, vermeld in deze afdeling, is de intrekking of wijziging alleen mogelijk als het doel van de bestuurlijke maatregel werd bereikt, in geval van gewijzigde omstandigheden die een bijsturing van de opgelegde maatregelen noodzaken of in de gevallen, vermeld in artikel 1133 van het Gerechtelijk Wetboek.
Bestuursdwang en last onder dwangsom kunnen niet gelijktijdig worden toegepast ten aanzien van dezelfde persoon. In afwijking van het tweede lid kan een besluit tot toepassing van bestuursdwang te allen tijde worden vervangen door een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom of omgekeerd.".
"Art. 6.4.2. § 1. De Vlaamse Regering kan bepaalde stedenbouwkundige misdrijven of inbreuken uitsluiten als grondslag voor de toepassing van bestuursdwang of last onder dwangsom, of de toepassing van bestuursdwang of last onder dwangsom afhankelijk maken van bijkomende voorwaarden.
§ 2. Wie besluit tot toepassing van bestuursdwang of last onder dwangsom, is ook bevoegd die beslissing te wijzigen of in te trekken, zowel ambtshalve als op verzoek van belanghebbenden. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen tot uitvoering van dit lid.
Buiten de beroepsmogelijkheden, vermeld in deze afdeling, is de intrekking of wijziging alleen mogelijk als het doel van de bestuurlijke maatregel werd bereikt, in geval van gewijzigde omstandigheden die een bijsturing van de opgelegde maatregelen noodzaken of in de gevallen, vermeld in artikel 1133 van het Gerechtelijk Wetboek.
Bestuursdwang en last onder dwangsom kunnen niet gelijktijdig worden toegepast ten aanzien van dezelfde persoon. In afwijking van het tweede lid kan een besluit tot toepassing van bestuursdwang te allen tijde worden vervangen door een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom of omgekeerd.".
Art. 80. A la section 1re, insérée sous l'article 78 du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, il est ajouté un article 6.4.2, rédigé comme suit :
" Art. 6.4.2. § 1er. Le Gouvernement flamand peut exclure certains délits ou infractions urbanistiques comme base de l'application d'une contrainte administrative ou d'une charge sous astreinte, ou soumettre l'application d'une contrainte administrative ou d'une charge sous astreinte à d'autres conditions complémentaires.
§ 2. Celui qui décide de l'application d'une contrainte administrative ou d'une charge sous astreinte est également habilité à modifier ou à retirer cette décision, tant d'office que sur demande des parties prenantes. Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités d'exécution du présent alinéa.
En dehors des possibilités de recours, visées dans la présente section, le retrait ou la modification n'est possible que si le but de la mesure administrative a été atteint, en cas de circonstances modifiées qui nécessitent une rectification des mesures imposées ou dans les cas visés à l'article 1133 du Code judiciaire.
Une contrainte administrative et une charge sous astreinte ne peuvent pas être appliquées simultanément vis-à-vis de la même personne. Par dérogation au deuxième alinéa, une décision d'application d'une contrainte administrative peut être remplacée à tout moment par une décision d'imposer une charge sous astreinte et inversement. ".
" Art. 6.4.2. § 1er. Le Gouvernement flamand peut exclure certains délits ou infractions urbanistiques comme base de l'application d'une contrainte administrative ou d'une charge sous astreinte, ou soumettre l'application d'une contrainte administrative ou d'une charge sous astreinte à d'autres conditions complémentaires.
§ 2. Celui qui décide de l'application d'une contrainte administrative ou d'une charge sous astreinte est également habilité à modifier ou à retirer cette décision, tant d'office que sur demande des parties prenantes. Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités d'exécution du présent alinéa.
En dehors des possibilités de recours, visées dans la présente section, le retrait ou la modification n'est possible que si le but de la mesure administrative a été atteint, en cas de circonstances modifiées qui nécessitent une rectification des mesures imposées ou dans les cas visés à l'article 1133 du Code judiciaire.
Une contrainte administrative et une charge sous astreinte ne peuvent pas être appliquées simultanément vis-à-vis de la même personne. Par dérogation au deuxième alinéa, une décision d'application d'une contrainte administrative peut être remplacée à tout moment par une décision d'imposer une charge sous astreinte et inversement. ".
Art. 81. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan afdeling 1, ingevoegd bij artikel 78, een artikel 6.4.3 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.4.3. § 1. Een bestuurlijke maatregel mag geen afbreuk doen aan het gezag van gewijsde van een eerder tussengekomen rechterlijke beslissing die overeenkomstig deze titel werd genomen.
Een bestuurlijke maatregel kan niet worden opgelegd aan de overtreder die voor dezelfde feiten werd gedagvaard voor de strafrechter of naar deze rechter werd verwezen. Hetzelfde geldt voor de overtreder die met toepassing van artikel 6.3.3 voor dezelfde feiten werd gedagvaard voor de burgerlijke rechter.
§ 2. [1 Het recht om een bestuurlijke maatregel op te leggen verjaart als volgt:
1° in ruimtelijk kwetsbaar gebied: na verloop van tien jaar;
2° in open ruimtegebied: na verloop van tien jaar;
3° in de andere gebieden: na verloop van vijf jaar.
Bij bestuurlijke maatregelen voor stedenbouwkundige misdrijven neemt de termijn een aanvang hetzij de dag die volgt op de dag dat de procureur des Konings zijn beslissing, vermeld in artikel 6.2.13, § 3, houdende geen strafrechtelijke behandeling heeft meegedeeld, hetzij, bij gebrek aan een tijdige beslissing van de procureur des Konings, vanaf de dag nadat de termijn, vermeld in artikel 6.2.13, § 2, waarover de procureur des Konings beschikt, is verlopen.
Bij bestuurlijke maatregelen voor stedenbouwkundige inbreuken neemt de verjaringstermijn een aanvang de dag die volgt op de dag dat de eerste strafbare handeling of omissie, al dan niet deel uitmakend van feiten die door eenheid van opzet zijn verbonden, is gesteld.]1".
"Art. 6.4.3. § 1. Een bestuurlijke maatregel mag geen afbreuk doen aan het gezag van gewijsde van een eerder tussengekomen rechterlijke beslissing die overeenkomstig deze titel werd genomen.
Een bestuurlijke maatregel kan niet worden opgelegd aan de overtreder die voor dezelfde feiten werd gedagvaard voor de strafrechter of naar deze rechter werd verwezen. Hetzelfde geldt voor de overtreder die met toepassing van artikel 6.3.3 voor dezelfde feiten werd gedagvaard voor de burgerlijke rechter.
§ 2. [1 Het recht om een bestuurlijke maatregel op te leggen verjaart als volgt:
1° in ruimtelijk kwetsbaar gebied: na verloop van tien jaar;
2° in open ruimtegebied: na verloop van tien jaar;
3° in de andere gebieden: na verloop van vijf jaar.
Bij bestuurlijke maatregelen voor stedenbouwkundige misdrijven neemt de termijn een aanvang hetzij de dag die volgt op de dag dat de procureur des Konings zijn beslissing, vermeld in artikel 6.2.13, § 3, houdende geen strafrechtelijke behandeling heeft meegedeeld, hetzij, bij gebrek aan een tijdige beslissing van de procureur des Konings, vanaf de dag nadat de termijn, vermeld in artikel 6.2.13, § 2, waarover de procureur des Konings beschikt, is verlopen.
Bij bestuurlijke maatregelen voor stedenbouwkundige inbreuken neemt de verjaringstermijn een aanvang de dag die volgt op de dag dat de eerste strafbare handeling of omissie, al dan niet deel uitmakend van feiten die door eenheid van opzet zijn verbonden, is gesteld.]1".
Modifications
Art. 81. A la section 1re, insérée sous l'article 78 du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, il est ajouté un article 6.4.3, rédigé comme suit :
" Art. 6.4.3. § 1er. Une mesure administrative ne peut pas porter atteinte à l'autorité de chose jugée d'une décision judiciaire qui est intervenue précédemment conformément au présent titre.
Une mesure administrative ne peut être infligée au contrevenant pour des faits qui ont déjà été cités ou renvoyés devant le juge pénal. Il en va de même pour le contrevenant qui a été cité devant le juge civil pour les mêmes faits en application de l'article 6.3.3.
§ 2. [1 Le droit d'imposer une mesure administrative se prescrit comme suit :
1° dans une zone vulnérable d'un point de vue spatial : au bout de dix années ;
2° dans une zone d'espace ouvert : au bout de 10 années ;
3° dans les autres zones : au bout de cinq années.
Dans le cas de mesures administratives pour des délits urbanistiques, le délai prend cours soit le lendemain du jour où le procureur du Roi a notifié sa décision, visée à l'article 6.2.13, § 3, ne portant aucun traitement pénal, soit, en l'absence de décision du procureur du Roi en temps voulu, le jour de l'expiration du délai, visé à l'article 6.2.13, § 2, dont dispose le procureur du Roi.
Dans le cas de mesures administratives pour des infractions urbanistiques, le délai de prescription prend cours le lendemain du jour où le premier acte ou la première omission délictueux, faisant ou non partie de faits liés par unité d'intention, a été commis.]1 ".
" Art. 6.4.3. § 1er. Une mesure administrative ne peut pas porter atteinte à l'autorité de chose jugée d'une décision judiciaire qui est intervenue précédemment conformément au présent titre.
Une mesure administrative ne peut être infligée au contrevenant pour des faits qui ont déjà été cités ou renvoyés devant le juge pénal. Il en va de même pour le contrevenant qui a été cité devant le juge civil pour les mêmes faits en application de l'article 6.3.3.
§ 2. [1 Le droit d'imposer une mesure administrative se prescrit comme suit :
1° dans une zone vulnérable d'un point de vue spatial : au bout de dix années ;
2° dans une zone d'espace ouvert : au bout de 10 années ;
3° dans les autres zones : au bout de cinq années.
Dans le cas de mesures administratives pour des délits urbanistiques, le délai prend cours soit le lendemain du jour où le procureur du Roi a notifié sa décision, visée à l'article 6.2.13, § 3, ne portant aucun traitement pénal, soit, en l'absence de décision du procureur du Roi en temps voulu, le jour de l'expiration du délai, visé à l'article 6.2.13, § 2, dont dispose le procureur du Roi.
Dans le cas de mesures administratives pour des infractions urbanistiques, le délai de prescription prend cours le lendemain du jour où le premier acte ou la première omission délictueux, faisant ou non partie de faits liés par unité d'intention, a été commis.]1 ".
Modifications
Art. 82. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan hoofdstuk IV, ingevoegd bij artikel 77, een afdeling 2 toegevoegd, die luidt als volgt :
"Afdeling 2. - Stakingsbevel"
"Afdeling 2. - Stakingsbevel"
Art. 82. Au chapitre IV, inséré sous l'article 77 du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, il est ajouté une section 2, rédigée comme suit :
" Section 2. - Ordre de cessation "
" Section 2. - Ordre de cessation "
Art. 83. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan afdeling 2, ingevoegd bij artikel 82, een artikel 6.4.4 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.4.4. § 1. [2 De verbalisanten ruimtelijke ordening en de agenten of officieren van de gerechtelijke politie kunnen mondeling ter plaatse de onmiddellijke staking van handelingen bevelen als ze vaststellen dat de handeling voldoet aan de materiële omschrijving van een misdrijf of inbreuk als vermeld in artikel 6.2.1 of 6.2.2. Het stakingsbevel is een preventieve en voorlopige maatregel en is gericht op het voorkomen van schendingen die betrekking hebben op het uitvoeren of voortzetten van de handelingen, vermeld in artikel 4.2.1 of 4.2.15, hetzij zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning, hetzij zonder omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen of omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden, en die wat het gebruik en de instandhouding betreft bijkomend:
a) hetzij een verzwaring van de schade aan de goede ruimtelijke ordening toebrengen;
b) hetzij door hun impact de ruimtelijke bestemming van het gebied in het gedrang brengen.]2
[2 Bij schendingen inzake gebruik en instandhouding in ruimtelijk kwetsbare gebieden die onder het eerste lid vallen, kan uiterlijk tot twee jaar vanaf de eerste strafbare handeling of omissie, al dan niet deel uitmakend van feiten die door eenheid van opzet zijn verbonden, een bevel tot staking worden gegeven. Buiten ruimtelijk kwetsbare gebieden is dat beperkt tot uiterlijk een jaar vanaf de eerste strafbare handeling of omissie, al dan niet deel uitmakend van feiten die door eenheid van opzet zijn verbonden.]2
Als de [2 verbalisanten ruimtelijke ordening en de]2 agenten of officieren van gerechtelijke politie, vermeld in het eerste lid, ter plaatse niemand aantreffen, wordt ter plaatse een schriftelijk bevel tot onmiddellijke staking op een zichtbare plaats aangebracht, of wordt het stakingsbevel alsnog mondeling gegeven tijdens een verhoor van de overtreder.
§ 2. Het proces-verbaal van de vaststelling wordt binnen acht dagen met een beveiligde zending betekend aan de initiatiefnemer, de architect, de persoon of aannemer die de handelingen uitvoert, en de gebruiker van het goed.
Tegelijkertijd wordt per beveiligde zending een afschrift van het proces-verbaal verzonden naar de gemeente waar de handelingen hebben plaatsgevonden en naar de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur.
§ 3. Het stakingsbevel moet op straffe van verval binnen acht dagen na de betekening van het proces-verbaal door de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur worden bekrachtigd. Die bekrachtiging wordt binnen twee werkdagen met een beveiligde zending verzonden naar de personen, vermeld in paragraaf 2.
§ 4. Elke belanghebbende kan in kort geding de opheffing van de maatregel vorderen tegen de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, die optreedt namens het Vlaamse Gewest. De vordering wordt gebracht voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg in het ambtsgebied waarin de handelingen zijn uitgevoerd of het gebruik heeft plaatsgevonden. Deel IV, boek II, titel VI, van het Gerechtelijk Wetboek is van toepassing op de inleiding en de behandeling van de vordering.".
"Art. 6.4.4. § 1. [2 De verbalisanten ruimtelijke ordening en de agenten of officieren van de gerechtelijke politie kunnen mondeling ter plaatse de onmiddellijke staking van handelingen bevelen als ze vaststellen dat de handeling voldoet aan de materiële omschrijving van een misdrijf of inbreuk als vermeld in artikel 6.2.1 of 6.2.2. Het stakingsbevel is een preventieve en voorlopige maatregel en is gericht op het voorkomen van schendingen die betrekking hebben op het uitvoeren of voortzetten van de handelingen, vermeld in artikel 4.2.1 of 4.2.15, hetzij zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning, hetzij zonder omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen of omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden, en die wat het gebruik en de instandhouding betreft bijkomend:
a) hetzij een verzwaring van de schade aan de goede ruimtelijke ordening toebrengen;
b) hetzij door hun impact de ruimtelijke bestemming van het gebied in het gedrang brengen.]2
[2 Bij schendingen inzake gebruik en instandhouding in ruimtelijk kwetsbare gebieden die onder het eerste lid vallen, kan uiterlijk tot twee jaar vanaf de eerste strafbare handeling of omissie, al dan niet deel uitmakend van feiten die door eenheid van opzet zijn verbonden, een bevel tot staking worden gegeven. Buiten ruimtelijk kwetsbare gebieden is dat beperkt tot uiterlijk een jaar vanaf de eerste strafbare handeling of omissie, al dan niet deel uitmakend van feiten die door eenheid van opzet zijn verbonden.]2
Als de [2 verbalisanten ruimtelijke ordening en de]2 agenten of officieren van gerechtelijke politie, vermeld in het eerste lid, ter plaatse niemand aantreffen, wordt ter plaatse een schriftelijk bevel tot onmiddellijke staking op een zichtbare plaats aangebracht, of wordt het stakingsbevel alsnog mondeling gegeven tijdens een verhoor van de overtreder.
§ 2. Het proces-verbaal van de vaststelling wordt binnen acht dagen met een beveiligde zending betekend aan de initiatiefnemer, de architect, de persoon of aannemer die de handelingen uitvoert, en de gebruiker van het goed.
Tegelijkertijd wordt per beveiligde zending een afschrift van het proces-verbaal verzonden naar de gemeente waar de handelingen hebben plaatsgevonden en naar de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur.
§ 3. Het stakingsbevel moet op straffe van verval binnen acht dagen na de betekening van het proces-verbaal door de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur worden bekrachtigd. Die bekrachtiging wordt binnen twee werkdagen met een beveiligde zending verzonden naar de personen, vermeld in paragraaf 2.
§ 4. Elke belanghebbende kan in kort geding de opheffing van de maatregel vorderen tegen de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, die optreedt namens het Vlaamse Gewest. De vordering wordt gebracht voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg in het ambtsgebied waarin de handelingen zijn uitgevoerd of het gebruik heeft plaatsgevonden. Deel IV, boek II, titel VI, van het Gerechtelijk Wetboek is van toepassing op de inleiding en de behandeling van de vordering.".
Art. 83. A la section 2, insérée sous l'article 82 du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, il est ajouté un article 6.4.4, rédigé comme suit :
" Art. 6.4.4. § 1er. [2 Les agents verbalisateurs de l'aménagement du territoire et les agents ou officiers de la police judiciaire peuvent ordonner verbalement sur place la cessation immédiate d'actes, s'ils constatent que ceux-ci répondent à la définition matérielle d'un délit ou d'une infraction, visée aux articles 6.2.1 ou 6.2.2. L'ordre de cessation est une mesure préventive et provisoire visant à prévenir les violations relatives à l'exécution ou à la poursuite des actes visés à l'article 4.2.1 ou 4.2.15, soit sans permis d'environnement pour des actes urbanistiques, soit sans permis d'environnement pour le lotissement de terrains, et qui, par ailleurs, en ce qui concerne l'utilisation et le maintien :
a) soit aggravent les dommages causés au bon aménagement du territoire ;
b) soit compromettent par leur impact la destination spatiale de la zone.]2
[2 Dans le cas de violations portant sur l'utilisation et le maintien dans des zones vulnérables du point de vue spatial qui relèvent du premier alinéa, un ordre de cessation peut être émis jusqu'à deux ans après le premier acte ou la première mission délictueux, qu'ils fassent ou non partie de faits liés par unité d'intention. En dehors des zones vulnérables du point de vue spatial, ce délai est limité à un an au plus à compter du premier acte ou de la première omission délictueux, qu'ils fassent ou non partie de faits liés par unité d'intention.]2
Si les [2 agents verbalisateurs de l'aménagement du territoire et les]2 agents ou officiers de police judiciaire, visés à l'alinéa premier, ne rencontrent personne sur place, un ordre écrit de cessation immédiate est affiché sur place, à un endroit visible, ou l'ordre de cessation est encore donné verbalement durant une audition du contrevenant.
§ 2. Le procès-verbal de constatation est signifié dans les huit jours, par envoi sécurisé, à l'initiateur, à l'architecte et à la personne ou à l'entrepreneur qui exécute les actes, ainsi qu'à l'utilisateur du bien.
Dans un même temps, une copie du procès-verbal est envoyée par envoi sécurisé à la commune sur le territoire de laquelle les actes ont été exécutés et à l'inspecteur urbaniste compétent pour la Région flamande.
§ 3. L'ordre de cessation doit, sous peine de déchéance, être ratifié dans les huit jours suivant la signification du procès-verbal par l'inspecteur urbaniste compétent pour la Région flamande. Cette ratification est envoyée dans les deux jours ouvrables, par envoi sécurisé, aux personnes visées au paragraphe 2.
§ 4. Toute partie prenante peut, en référé, requérir la levée de la mesure contre l'inspecteur urbaniste compétent pour la Région flamande, qui agit au nom de la Région flamande. La requête est introduite par-devant le président du tribunal de première instance dans la circonscription où les actes ont été exécutés ou où l'utilisation a eu lieu. La partie IV, livre II, titre VI du Code judiciaire s'applique à l'introduction et au traitement de la requête. ".
" Art. 6.4.4. § 1er. [2 Les agents verbalisateurs de l'aménagement du territoire et les agents ou officiers de la police judiciaire peuvent ordonner verbalement sur place la cessation immédiate d'actes, s'ils constatent que ceux-ci répondent à la définition matérielle d'un délit ou d'une infraction, visée aux articles 6.2.1 ou 6.2.2. L'ordre de cessation est une mesure préventive et provisoire visant à prévenir les violations relatives à l'exécution ou à la poursuite des actes visés à l'article 4.2.1 ou 4.2.15, soit sans permis d'environnement pour des actes urbanistiques, soit sans permis d'environnement pour le lotissement de terrains, et qui, par ailleurs, en ce qui concerne l'utilisation et le maintien :
a) soit aggravent les dommages causés au bon aménagement du territoire ;
b) soit compromettent par leur impact la destination spatiale de la zone.]2
[2 Dans le cas de violations portant sur l'utilisation et le maintien dans des zones vulnérables du point de vue spatial qui relèvent du premier alinéa, un ordre de cessation peut être émis jusqu'à deux ans après le premier acte ou la première mission délictueux, qu'ils fassent ou non partie de faits liés par unité d'intention. En dehors des zones vulnérables du point de vue spatial, ce délai est limité à un an au plus à compter du premier acte ou de la première omission délictueux, qu'ils fassent ou non partie de faits liés par unité d'intention.]2
Si les [2 agents verbalisateurs de l'aménagement du territoire et les]2 agents ou officiers de police judiciaire, visés à l'alinéa premier, ne rencontrent personne sur place, un ordre écrit de cessation immédiate est affiché sur place, à un endroit visible, ou l'ordre de cessation est encore donné verbalement durant une audition du contrevenant.
§ 2. Le procès-verbal de constatation est signifié dans les huit jours, par envoi sécurisé, à l'initiateur, à l'architecte et à la personne ou à l'entrepreneur qui exécute les actes, ainsi qu'à l'utilisateur du bien.
Dans un même temps, une copie du procès-verbal est envoyée par envoi sécurisé à la commune sur le territoire de laquelle les actes ont été exécutés et à l'inspecteur urbaniste compétent pour la Région flamande.
§ 3. L'ordre de cessation doit, sous peine de déchéance, être ratifié dans les huit jours suivant la signification du procès-verbal par l'inspecteur urbaniste compétent pour la Région flamande. Cette ratification est envoyée dans les deux jours ouvrables, par envoi sécurisé, aux personnes visées au paragraphe 2.
§ 4. Toute partie prenante peut, en référé, requérir la levée de la mesure contre l'inspecteur urbaniste compétent pour la Région flamande, qui agit au nom de la Région flamande. La requête est introduite par-devant le président du tribunal de première instance dans la circonscription où les actes ont été exécutés ou où l'utilisation a eu lieu. La partie IV, livre II, titre VI du Code judiciaire s'applique à l'introduction et au traitement de la requête. ".
Art. 84. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan afdeling 2, ingevoegd bij artikel 82, een artikel 6.4.5 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.4.5. De [1 verbalisanten ruimtelijke ordening en de]1 agenten of officieren van gerechtelijke politie, vermeld in artikel 6.2.4, zijn gerechtigd tot het nemen van alle maatregelen, met inbegrip van verzegeling, inbeslagname van materiaal en materieel, om het bevel tot staking, de bekrachtigingsbeslissing of, in voorkomend geval, de beschikking in kort geding onmiddellijk te kunnen toepassen.".
"Art. 6.4.5. De [1 verbalisanten ruimtelijke ordening en de]1 agenten of officieren van gerechtelijke politie, vermeld in artikel 6.2.4, zijn gerechtigd tot het nemen van alle maatregelen, met inbegrip van verzegeling, inbeslagname van materiaal en materieel, om het bevel tot staking, de bekrachtigingsbeslissing of, in voorkomend geval, de beschikking in kort geding onmiddellijk te kunnen toepassen.".
Modifications
Art. 84. A la section 2, insérée sous l'article 82 du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, il est ajouté un article 6.4.5, rédigé comme suit :
" Art. 6.4.5. Les [1 agents verbalisateurs de l'aménagement du territoire et les]1 agents ou officiers de police judiciaire, visés à l'article 6.2.4, sont habilités à prendre toutes les mesures, y compris l'apposition de scellés, la saisie de matériaux et de matériels, afin de pouvoir appliquer immédiatement l'ordre de cessation, la décision de ratification ou, le cas échéant, la décision en référé. ".
" Art. 6.4.5. Les [1 agents verbalisateurs de l'aménagement du territoire et les]1 agents ou officiers de police judiciaire, visés à l'article 6.2.4, sont habilités à prendre toutes les mesures, y compris l'apposition de scellés, la saisie de matériaux et de matériels, afin de pouvoir appliquer immédiatement l'ordre de cessation, la décision de ratification ou, le cas échéant, la décision en référé. ".
Modifications
Art. 85. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan afdeling 2, ingevoegd bij artikel 82, een artikel 6.4.6 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.4.6. Onverminderd artikel 6.4.4, § 4, kan een stakingsbevel uitsluitend door de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur worden ingetrokken of in omvang worden beperkt, zowel ambtshalve als op verzoek van belanghebbenden. De gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur kan daarnaast de toestemming of het bevel geven tot het uitvoeren van beveiligingsmaatregelen. Het bevel neemt de vorm aan van een besluit als vermeld in afdeling 3 of 4.".
"Art. 6.4.6. Onverminderd artikel 6.4.4, § 4, kan een stakingsbevel uitsluitend door de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur worden ingetrokken of in omvang worden beperkt, zowel ambtshalve als op verzoek van belanghebbenden. De gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur kan daarnaast de toestemming of het bevel geven tot het uitvoeren van beveiligingsmaatregelen. Het bevel neemt de vorm aan van een besluit als vermeld in afdeling 3 of 4.".
Art. 85. A la section 2, insérée sous l'article 82 du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, il est ajouté un article 6.4.6, rédigé comme suit :
" Art. 6.4.6. Sans préjudice de l'article 6.4.4, § 4, un ordre de cessation peut exclusivement être retiré par l'inspecteur urbaniste compétent pour la Région flamande ou être limité en ampleur, tant d'office que sur demande des parties prenantes. En outre, l'inspecteur urbaniste compétent pour la Région flamande peut accorder l'autorisation ou donner l'ordre d'exécuter des mesures de protection. L'ordre prend la forme d'une décision telle que visée à la section 3 ou 4. ".
" Art. 6.4.6. Sans préjudice de l'article 6.4.4, § 4, un ordre de cessation peut exclusivement être retiré par l'inspecteur urbaniste compétent pour la Région flamande ou être limité en ampleur, tant d'office que sur demande des parties prenantes. En outre, l'inspecteur urbaniste compétent pour la Région flamande peut accorder l'autorisation ou donner l'ordre d'exécuter des mesures de protection. L'ordre prend la forme d'une décision telle que visée à la section 3 ou 4. ".
Art. 86. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan hoofdstuk IV, ingevoegd bij artikel 77, een afdeling 3 toegevoegd, die luidt als volgt :
"Afdeling 3. - Bestuursdwang"
"Afdeling 3. - Bestuursdwang"
Art. 86. Au chapitre IV, inséré sous l'article 77 du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, il est ajouté une section 3, rédigée comme suit :
" Section 3. - Contrainte administrative "
" Section 3. - Contrainte administrative "
Art. 87. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan afdeling 3, ingevoegd bij artikel 86, een artikel 6.4.7 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.4.7. § 1. De stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester kan beslissen om bestuursdwang toe te passen. Bestuursdwang houdt in dat bestuurlijke maatregelen aan overtreders worden opgelegd door middel van een bestuurlijke beslissing die onmiddellijk uitvoerbaar is en steeds het recht op ambtshalve uitvoering insluit.
De beslissing, vermeld in het eerste lid, wordt op schrift gesteld. De schriftelijke beslissing wordt een besluit genoemd.
§ 2. De bestuurlijke maatregelen, genomen in het kader van bestuursdwang, hebben dezelfde inhoud als de herstelmaatregelen, vermeld in artikel 6.3.1, § 1, en respecteren de rangorde, vermeld in het voormelde artikel.
Het bedrag van de meerwaarde wordt door de stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester vastgesteld conform artikel 6.3.1, § 5, tweede lid.
§ 3. Het besluit bevat minstens :
1° de kadastrale omschrijving van het onroerend goed dat het voorwerp is van de inbreuk of het misdrijf en de identificatie van de personen die zakelijke rechten hebben op het goed en de overtreders aan wie het besluit zal worden betekend;
2° een vermelding van de voorschriften die worden of werden geschonden;
3° een overzicht van de vaststellingen van de inbreuk of het misdrijf;
4° een omschrijving van de opgelegde bestuurlijke maatregelen;
5° de vermelding dat tegen het besluit houdende de bestuurlijke maatregelen in beroep kan worden gegaan, alsook een omschrijving van de procedure om in beroep te gaan.
Het besluit wordt bij gerechtsdeurwaardersexploot of met een beveiligde zending betekend aan de overtreders en aan de rechthebbenden op de zaak ten aanzien van wie de bestuursdwang zal worden toegepast.
Een afschrift van het besluit wordt aan de gemeente en de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur gezonden.
§ 4. In het besluit wordt een termijn bepaald waarbinnen de overtreder en de belanghebbenden de tenuitvoerlegging kunnen voorkomen door zelf de bevolen maatregelen uit te voeren. De uitvoeringstermijn kan zo nodig worden gefaseerd of gedifferentieerd per maatregel.
Voor wat de betaling van de meerwaarde betreft, kan de overtreder zich ook op een geldige wijze kwijten door binnen de uitvoeringstermijn de legaliteit te herstellen door het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand, het staken van het strijdige gebruik of het verkrijgen van een regularisatievergunning en de uitvoering van de daarin begrepen voorwaarden.
De uitvoeringstermijn neemt een aanvang de dag na de betekening.
§ 5. Het besluit wordt binnen een termijn van twee maanden overgeschreven in het hypotheekkantoor van het gebied waar het onroerend goed ligt. De beslissing, vermeld in artikel 6.4.8, § 2, tweede lid, wordt binnen een termijn van twee maanden nadat ze is gewezen, ingeschreven op de kant van die overschrijving, op de wijze, vermeld in artikel 84 van de Hypotheekwet van 16 december 1851. Hetzelfde geldt voor elke rechterlijke beslissing over de schorsing of vernietiging van het besluit of de beslissing, vermeld in artikel 6.4.8, § 2, tweede lid.
§ 6. De beslissing tot toepassing van bestuursdwang en elke volgende beslissing die in de zaak gewezen is, zijn tegenwerpelijk aan alle belanghebbenden, die de gevolgen ervan moeten dragen.".
"Art. 6.4.7. § 1. De stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester kan beslissen om bestuursdwang toe te passen. Bestuursdwang houdt in dat bestuurlijke maatregelen aan overtreders worden opgelegd door middel van een bestuurlijke beslissing die onmiddellijk uitvoerbaar is en steeds het recht op ambtshalve uitvoering insluit.
De beslissing, vermeld in het eerste lid, wordt op schrift gesteld. De schriftelijke beslissing wordt een besluit genoemd.
§ 2. De bestuurlijke maatregelen, genomen in het kader van bestuursdwang, hebben dezelfde inhoud als de herstelmaatregelen, vermeld in artikel 6.3.1, § 1, en respecteren de rangorde, vermeld in het voormelde artikel.
Het bedrag van de meerwaarde wordt door de stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester vastgesteld conform artikel 6.3.1, § 5, tweede lid.
§ 3. Het besluit bevat minstens :
1° de kadastrale omschrijving van het onroerend goed dat het voorwerp is van de inbreuk of het misdrijf en de identificatie van de personen die zakelijke rechten hebben op het goed en de overtreders aan wie het besluit zal worden betekend;
2° een vermelding van de voorschriften die worden of werden geschonden;
3° een overzicht van de vaststellingen van de inbreuk of het misdrijf;
4° een omschrijving van de opgelegde bestuurlijke maatregelen;
5° de vermelding dat tegen het besluit houdende de bestuurlijke maatregelen in beroep kan worden gegaan, alsook een omschrijving van de procedure om in beroep te gaan.
Het besluit wordt bij gerechtsdeurwaardersexploot of met een beveiligde zending betekend aan de overtreders en aan de rechthebbenden op de zaak ten aanzien van wie de bestuursdwang zal worden toegepast.
Een afschrift van het besluit wordt aan de gemeente en de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur gezonden.
§ 4. In het besluit wordt een termijn bepaald waarbinnen de overtreder en de belanghebbenden de tenuitvoerlegging kunnen voorkomen door zelf de bevolen maatregelen uit te voeren. De uitvoeringstermijn kan zo nodig worden gefaseerd of gedifferentieerd per maatregel.
Voor wat de betaling van de meerwaarde betreft, kan de overtreder zich ook op een geldige wijze kwijten door binnen de uitvoeringstermijn de legaliteit te herstellen door het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand, het staken van het strijdige gebruik of het verkrijgen van een regularisatievergunning en de uitvoering van de daarin begrepen voorwaarden.
De uitvoeringstermijn neemt een aanvang de dag na de betekening.
§ 5. Het besluit wordt binnen een termijn van twee maanden overgeschreven in het hypotheekkantoor van het gebied waar het onroerend goed ligt. De beslissing, vermeld in artikel 6.4.8, § 2, tweede lid, wordt binnen een termijn van twee maanden nadat ze is gewezen, ingeschreven op de kant van die overschrijving, op de wijze, vermeld in artikel 84 van de Hypotheekwet van 16 december 1851. Hetzelfde geldt voor elke rechterlijke beslissing over de schorsing of vernietiging van het besluit of de beslissing, vermeld in artikel 6.4.8, § 2, tweede lid.
§ 6. De beslissing tot toepassing van bestuursdwang en elke volgende beslissing die in de zaak gewezen is, zijn tegenwerpelijk aan alle belanghebbenden, die de gevolgen ervan moeten dragen.".
Art. 87. A la section 3, insérée sous l'article 86 du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, il est ajouté un article 6.4.7, rédigé comme suit :
" Art. 6.4.7. § 1er. L'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre peut décider d'appliquer une contrainte administrative. La contrainte administrative implique l'imposition de mesures administratives aux contrevenants au moyen d'une décision administrative qui est immédiatement exécutoire et qui inclut systématiquement le droit de procéder à l'exécution d'office.
La décision visée au premier alinéa est consignée par écrit. La décision écrite est dénommée " arrêté ".
§ 2. Les mesures administratives prises dans le cadre d'une contrainte administrative ont le même contenu que les mesures de remise en état visées à l'article 6.3.1, § 1er, et respectent l'ordre visé à l'article précité.
Le montant de la plus-value est fixé par l'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre conformément à l'article 6.3.1, § 5, deuxième alinéa.
§ 3. La décision comprend au moins :
1° la description cadastrale du bien immobilier faisant l'objet de l'infraction ou du délit et l'identification des personnes titulaires de droits réels sur le bien et des contrevenants auxquels la décision sera signifiée ;
2° une mention des prescriptions qui sont ou ont été violées ;
3° un relevé des constatations de l'infraction ou du délit ;
4° une description des mesures administratives imposées ;
5° la mention qu'un recours peut être introduit à l'encontre de l'arrêté portant les mesures administratives, de même qu'une description de la procédure pour interjeter appel.
La décision est signifiée par exploit d'huissier de justice ou par envoi sécurisé aux contrevenants et aux ayants droit concernant l'affaire vis-à-vis de laquelle une contrainte administrative sera appliquée.
Une copie de la décision est envoyée à la commune et à l'inspecteur urbaniste compétent pour la Région flamande.
§ 4. La décision mentionne un délai durant lequel le contrevenant et les parties prenantes peuvent éviter l'exécution en exécutant eux-mêmes les mesures ordonnées. Au besoin, le délai d'exécution peut stipuler différentes phases ou être différencié par mesure.
Pour ce qui concerne le paiement de la plus-value, le contrevenant peut également s'en acquitter valablement en restaurant la légalité dans le délai d'exécution imparti, moyennant la remise des lieux dans leur état initial, la cessation de l'utilisation infractionnelle ou l'obtention d'une autorisation de régularisation et l'exécution des conditions incluses dans cette dernière.
Le délai d'exécution prend cours le jour suivant la signification.
§ 5. L'arrêté est transcrit dans un délai de deux mois au bureau des hypothèques de la région où se situe le bien immobilier. La décision visée à l'article 6.4.8, § 2, deuxième alinéa, est inscrite, dans un délai de deux mois après qu'elle a été rendue, en marge de cette inscription, de la manière visée à l'article 84 de la Loi sur les hypothèques du 16 décembre 1851. Il en va de même pour toute décision judiciaire rendue sur la suspension ou l'invalidation de l'arrêté ou de la décision visée à l'article 6.4.8, § 2, deuxième alinéa.
§ 6. La décision d'application d'une contrainte administrative et toute décision ultérieure rendue dans l'affaire sont opposables à toutes les parties prenantes qui doivent en supporter les conséquences. ".
" Art. 6.4.7. § 1er. L'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre peut décider d'appliquer une contrainte administrative. La contrainte administrative implique l'imposition de mesures administratives aux contrevenants au moyen d'une décision administrative qui est immédiatement exécutoire et qui inclut systématiquement le droit de procéder à l'exécution d'office.
La décision visée au premier alinéa est consignée par écrit. La décision écrite est dénommée " arrêté ".
§ 2. Les mesures administratives prises dans le cadre d'une contrainte administrative ont le même contenu que les mesures de remise en état visées à l'article 6.3.1, § 1er, et respectent l'ordre visé à l'article précité.
Le montant de la plus-value est fixé par l'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre conformément à l'article 6.3.1, § 5, deuxième alinéa.
§ 3. La décision comprend au moins :
1° la description cadastrale du bien immobilier faisant l'objet de l'infraction ou du délit et l'identification des personnes titulaires de droits réels sur le bien et des contrevenants auxquels la décision sera signifiée ;
2° une mention des prescriptions qui sont ou ont été violées ;
3° un relevé des constatations de l'infraction ou du délit ;
4° une description des mesures administratives imposées ;
5° la mention qu'un recours peut être introduit à l'encontre de l'arrêté portant les mesures administratives, de même qu'une description de la procédure pour interjeter appel.
La décision est signifiée par exploit d'huissier de justice ou par envoi sécurisé aux contrevenants et aux ayants droit concernant l'affaire vis-à-vis de laquelle une contrainte administrative sera appliquée.
Une copie de la décision est envoyée à la commune et à l'inspecteur urbaniste compétent pour la Région flamande.
§ 4. La décision mentionne un délai durant lequel le contrevenant et les parties prenantes peuvent éviter l'exécution en exécutant eux-mêmes les mesures ordonnées. Au besoin, le délai d'exécution peut stipuler différentes phases ou être différencié par mesure.
Pour ce qui concerne le paiement de la plus-value, le contrevenant peut également s'en acquitter valablement en restaurant la légalité dans le délai d'exécution imparti, moyennant la remise des lieux dans leur état initial, la cessation de l'utilisation infractionnelle ou l'obtention d'une autorisation de régularisation et l'exécution des conditions incluses dans cette dernière.
Le délai d'exécution prend cours le jour suivant la signification.
§ 5. L'arrêté est transcrit dans un délai de deux mois au bureau des hypothèques de la région où se situe le bien immobilier. La décision visée à l'article 6.4.8, § 2, deuxième alinéa, est inscrite, dans un délai de deux mois après qu'elle a été rendue, en marge de cette inscription, de la manière visée à l'article 84 de la Loi sur les hypothèques du 16 décembre 1851. Il en va de même pour toute décision judiciaire rendue sur la suspension ou l'invalidation de l'arrêté ou de la décision visée à l'article 6.4.8, § 2, deuxième alinéa.
§ 6. La décision d'application d'une contrainte administrative et toute décision ultérieure rendue dans l'affaire sont opposables à toutes les parties prenantes qui doivent en supporter les conséquences. ".
Art. 88. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan afdeling 3, ingevoegd bij artikel 86, een artikel 6.4.8 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.4.8. § 1. [1 Tegen de beslissing tot toepassing van bestuursdwang kan de vermoedelijke overtreder beroep instellen bij de Vlaamse Regering of haar gemachtigde. Bij de beoordeling van de herstelmaatregelen is artikel 6.4.7, § 2, van overeenkomstige toepassing, met inbegrip van de mogelijkheid tot vermindering van de meerwaarde, op verzoek en ambtshalve. Het beroep heeft schorsende werking.]1
Het beroep is alleen ontvankelijk als het wordt ingesteld bij een met redenen omklede brief binnen een termijn van dertig dagen, die de dag na de betekening van het besluit aanvangt. Als de verzoeker gehoord wil worden, maakt hij daarvan melding in zijn beroepschrift. Het beroepschrift wordt met een beveiligde zending betekend.
§ 2. [1 Binnen een termijn van negentig dagen na de betekening van het beroepschrift wordt er over het beroep uitspraak gedaan, in voorkomend geval, na schriftelijk advies over de herstelmaatregel van de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering als vermeld in artikel 6.3.12/1. De termijn van negentig dagen is geschorst vanaf de adviesaanvraag tot de dag dat het advies wordt verleend of tot de termijn voor het verlenen van advies is verstreken.
De termijn van negentig dagen kan op voorwaarde van kennisgeving binnen die termijn aan de vermoedelijke overtreder en de stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester die de beslissing heeft genomen, eenmalig worden verlengd met negentig dagen. Bij gebrek aan een tijdige beslissing over het beroep vervalt de bestuurlijke maatregel. De vermoedelijke overtreder en de stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester die de beslissing heeft genomen, wordt van het verval schriftelijk op de hoogte gebracht. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de kennisgeving van de beslissing over het beroep en de uitvoering van dit artikel.]1
§ 3. De dag na de betekening van de beslissing tot verwerping van het beroep begint de door de stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester bepaalde termijn opnieuw te lopen, verminderd met het aantal dagen die al verstreken waren op het ogenblik van het instellen van het beroep.".
"Art. 6.4.8. § 1. [1 Tegen de beslissing tot toepassing van bestuursdwang kan de vermoedelijke overtreder beroep instellen bij de Vlaamse Regering of haar gemachtigde. Bij de beoordeling van de herstelmaatregelen is artikel 6.4.7, § 2, van overeenkomstige toepassing, met inbegrip van de mogelijkheid tot vermindering van de meerwaarde, op verzoek en ambtshalve. Het beroep heeft schorsende werking.]1
Het beroep is alleen ontvankelijk als het wordt ingesteld bij een met redenen omklede brief binnen een termijn van dertig dagen, die de dag na de betekening van het besluit aanvangt. Als de verzoeker gehoord wil worden, maakt hij daarvan melding in zijn beroepschrift. Het beroepschrift wordt met een beveiligde zending betekend.
§ 2. [1 Binnen een termijn van negentig dagen na de betekening van het beroepschrift wordt er over het beroep uitspraak gedaan, in voorkomend geval, na schriftelijk advies over de herstelmaatregel van de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering als vermeld in artikel 6.3.12/1. De termijn van negentig dagen is geschorst vanaf de adviesaanvraag tot de dag dat het advies wordt verleend of tot de termijn voor het verlenen van advies is verstreken.
De termijn van negentig dagen kan op voorwaarde van kennisgeving binnen die termijn aan de vermoedelijke overtreder en de stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester die de beslissing heeft genomen, eenmalig worden verlengd met negentig dagen. Bij gebrek aan een tijdige beslissing over het beroep vervalt de bestuurlijke maatregel. De vermoedelijke overtreder en de stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester die de beslissing heeft genomen, wordt van het verval schriftelijk op de hoogte gebracht. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de kennisgeving van de beslissing over het beroep en de uitvoering van dit artikel.]1
§ 3. De dag na de betekening van de beslissing tot verwerping van het beroep begint de door de stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester bepaalde termijn opnieuw te lopen, verminderd met het aantal dagen die al verstreken waren op het ogenblik van het instellen van het beroep.".
Modifications
Art. 88. A la section 3, insérée sous l'article 86 du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, il est ajouté un article 6.4.8, rédigé comme suit :
" Art. 6.4.8. § 1er. [1 Le contrevenant présumé peut introduire un recours contre la décision d'appliquer la contrainte administrative auprès du Gouvernement flamand ou de son représentant autorisé. Lors de l'évaluation des mesures de réparation, l'article 6.4.7, § 2, s'applique par analogie, en ce compris la possibilité de réduction de la plus-value sur demande et d'office. Le recours a un effet suspensif.]1
Le recours est uniquement recevable s'il est introduit par le biais d'une lettre motivée, dans un délai de trente jours qui prend cours le jour suivant la notification de l'arrêté. Si le requérant souhaite être entendu, il doit en faire mention dans sa requête. La requête est signifiée par envoi sécurisé.
§ 2. [1 Dans un délai de nonante jours à compter de la signification de la requête, une décision est rendue sur celle-ci, le cas échéant, après avis écrit sur la mesure de réparation du Conseil supérieur d'exécution du maintien, comme visé à l'article 6.3.12/1. Le délai de nonante jours est suspendu à compter de la demande d'avis jusqu'à la date à laquelle l'avis est rendu ou jusqu'à l'expiration du délai de remise de l'avis.
Le délai de 90 jours peut être prolongé une seule fois de nonante jours supplémentaires sous réserve de notification dans ce délai au contrevenant présumé et à l'inspecteur urbaniste ou au bourgmestre qui a pris la décision. En l'absence d'une décision en temps voulu sur le recours, la mesure administrative échoit. Le contrevenant présumé et l'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre qui a pris la décision sont informés par écrit de la déchéance. Le Gouvernement flamand fixe les modalités de la communication de la décision sur le recours et l'exécution de cet article.]1
§ 3. Le délai fixé par l'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre commence à nouveau à courir le jour suivant la signification de la décision de rejet du recours, moyennant déduction des jours qui s'étaient déjà écoulés au moment de l'introduction du recours. ".
" Art. 6.4.8. § 1er. [1 Le contrevenant présumé peut introduire un recours contre la décision d'appliquer la contrainte administrative auprès du Gouvernement flamand ou de son représentant autorisé. Lors de l'évaluation des mesures de réparation, l'article 6.4.7, § 2, s'applique par analogie, en ce compris la possibilité de réduction de la plus-value sur demande et d'office. Le recours a un effet suspensif.]1
Le recours est uniquement recevable s'il est introduit par le biais d'une lettre motivée, dans un délai de trente jours qui prend cours le jour suivant la notification de l'arrêté. Si le requérant souhaite être entendu, il doit en faire mention dans sa requête. La requête est signifiée par envoi sécurisé.
§ 2. [1 Dans un délai de nonante jours à compter de la signification de la requête, une décision est rendue sur celle-ci, le cas échéant, après avis écrit sur la mesure de réparation du Conseil supérieur d'exécution du maintien, comme visé à l'article 6.3.12/1. Le délai de nonante jours est suspendu à compter de la demande d'avis jusqu'à la date à laquelle l'avis est rendu ou jusqu'à l'expiration du délai de remise de l'avis.
Le délai de 90 jours peut être prolongé une seule fois de nonante jours supplémentaires sous réserve de notification dans ce délai au contrevenant présumé et à l'inspecteur urbaniste ou au bourgmestre qui a pris la décision. En l'absence d'une décision en temps voulu sur le recours, la mesure administrative échoit. Le contrevenant présumé et l'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre qui a pris la décision sont informés par écrit de la déchéance. Le Gouvernement flamand fixe les modalités de la communication de la décision sur le recours et l'exécution de cet article.]1
§ 3. Le délai fixé par l'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre commence à nouveau à courir le jour suivant la signification de la décision de rejet du recours, moyennant déduction des jours qui s'étaient déjà écoulés au moment de l'introduction du recours. ".
Modifications
Art. 89. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan afdeling 3, ingevoegd bij artikel 86, een artikel 6.4.9 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.4.9. § 1. De overtreder brengt de [1 stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester die de titel heeft laten betekenen met bevel tot uitvoeren,]1 onmiddellijk met een beveiligde zending op de hoogte van de vrijwillige uitvoering van de opgelegde maatregelen.
Daarop maakt de [1 stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester die de titel heeft laten betekenen met bevel tot uitvoeren,]1 een proces-verbaal van vaststelling op.
[1 Bij gebrek aan een betekening met bevel tot uitvoeren is alleen de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur bevoegd om een proces-verbaal van vaststelling op te stellen.]1
De [1 stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester die de titel heeft laten betekenen met bevel tot uitvoeren,]1 bezorgt met een beveiligde zending een afschrift van het proces-verbaal van vaststelling aan de [1 stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester, die niet in de akte van betekening vermeld zijn als opdrachtgever]1 de overtreder, diens rechtsopvolgers en de personen die zakelijke rechten hebben op het onroerend goed dat het voorwerp uitmaakte van de opgelegde maatregelen.
Behalve in geval van bewijs van het tegendeel geldt alleen het proces-verbaal van vaststelling als bewijs van uitvoering van de maatregelen en van de datum van uitvoering.
§ 2. Het proces-verbaal van vaststelling, vermeld in paragraaf 1, wordt conform artikel 84 van de Hypotheekwet van 16 december 1851 ingeschreven op de kant van de overschrijving, vermeld in artikel 6.4.7, § 5.
Zolang de inschrijving, vermeld in het eerste lid, niet is gebeurd, moet de instrumenterende ambtenaar naar aanleiding van een akte die strekt tot de overdracht van een zakelijk recht, er in een afzonderlijke akte melding van maken dat op het onroerend goed ten gevolge van een uitvoerbare beslissing als vermeld in artikel 6.4.7 of 6.4.8, een verplichting rust om maatregelen als vermeld in artikel 6.4.7, § 2, uit te voeren. In die akte wordt ook bepaald dat de nieuwe titularis, voor zover de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke herstelmaatregel niet verjaard is, de verbintenis aangaat om de opgelegde maatregelen uit te voeren, onverminderd de verplichting van de overtreder.
De kosten verbonden aan de afzonderlijke akte, vermeld in het vorige lid, vallen steeds ten laste van de overdrager van het zakelijk recht.
De instrumenterende ambtenaar stuurt een afschrift van die akte naar de stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester, en is ertoe gehouden de grosse af te leveren op hun verzoek.".
"Art. 6.4.9. § 1. De overtreder brengt de [1 stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester die de titel heeft laten betekenen met bevel tot uitvoeren,]1 onmiddellijk met een beveiligde zending op de hoogte van de vrijwillige uitvoering van de opgelegde maatregelen.
Daarop maakt de [1 stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester die de titel heeft laten betekenen met bevel tot uitvoeren,]1 een proces-verbaal van vaststelling op.
[1 Bij gebrek aan een betekening met bevel tot uitvoeren is alleen de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur bevoegd om een proces-verbaal van vaststelling op te stellen.]1
De [1 stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester die de titel heeft laten betekenen met bevel tot uitvoeren,]1 bezorgt met een beveiligde zending een afschrift van het proces-verbaal van vaststelling aan de [1 stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester, die niet in de akte van betekening vermeld zijn als opdrachtgever]1 de overtreder, diens rechtsopvolgers en de personen die zakelijke rechten hebben op het onroerend goed dat het voorwerp uitmaakte van de opgelegde maatregelen.
Behalve in geval van bewijs van het tegendeel geldt alleen het proces-verbaal van vaststelling als bewijs van uitvoering van de maatregelen en van de datum van uitvoering.
§ 2. Het proces-verbaal van vaststelling, vermeld in paragraaf 1, wordt conform artikel 84 van de Hypotheekwet van 16 december 1851 ingeschreven op de kant van de overschrijving, vermeld in artikel 6.4.7, § 5.
Zolang de inschrijving, vermeld in het eerste lid, niet is gebeurd, moet de instrumenterende ambtenaar naar aanleiding van een akte die strekt tot de overdracht van een zakelijk recht, er in een afzonderlijke akte melding van maken dat op het onroerend goed ten gevolge van een uitvoerbare beslissing als vermeld in artikel 6.4.7 of 6.4.8, een verplichting rust om maatregelen als vermeld in artikel 6.4.7, § 2, uit te voeren. In die akte wordt ook bepaald dat de nieuwe titularis, voor zover de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke herstelmaatregel niet verjaard is, de verbintenis aangaat om de opgelegde maatregelen uit te voeren, onverminderd de verplichting van de overtreder.
De kosten verbonden aan de afzonderlijke akte, vermeld in het vorige lid, vallen steeds ten laste van de overdrager van het zakelijk recht.
De instrumenterende ambtenaar stuurt een afschrift van die akte naar de stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester, en is ertoe gehouden de grosse af te leveren op hun verzoek.".
Modifications
Art. 89. A la section 3, insérée sous l'article 86 du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, il est ajouté un article 6.4.9, rédigé comme suit :
" Art. 6.4.9. § 1er. Le contrevenant informe [1 l'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre qui a fait signifier le titre avec ordre d'exécution]1, immédiatement et par envoi sécurisé, de l'exécution volontaire des mesures imposées.
Ensuite, [1 l'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre qui a fait signifier le titre avec ordre d'exécution,]1 dresse un procès-verbal de constatation.
[1 A défaut d'une signification avec ordre d'exécution, seul l'inspecteur urbaniste régional est compétent pour dresser un procès-verbal de constatation.]1
[1 L'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre qui a fait signifier le titre avec ordre d'exécution,]1 transmet, par envoi sécurisé, une copie du procès-verbal de constatation [1 à l'inspecteur urbaniste ou au bourgmestre, qui n'ont pas été mentionnés comme donneurs d'ordre dans l'acte de signification]1 au contrevenant, à ses ayants droit et aux personnes titulaires de droits réels sur le bien immobilier ayant fait l'objet des mesures infligées.
Sauf preuve du contraire, seul le procès-verbal de constatation sert de preuve de l'exécution des mesures et de la date d'exécution.
§ 2. Conformément à l'article 84 de la Loi sur les hypothèques du 16 décembre 1851, le procès-verbal de constatation, visé au paragraphe 1er, est inscrit en marge de la transcription visée à l'article 6.4.7, § 5.
Tant que l'inscription, visée à l'alinéa premier, n'a pas eu lieu, le fonctionnaire instrumentant doit, des suites d'un acte portant le transfert d'un droit réel, mentionner, dans un acte distinct, qu'une obligation repose sur le bien immobilier, suite à une décision exécutoire, visée à l'article 6.4.7 ou 6.4.8, en vue de l'exécution de mesures visées à l'article 6.4.7, § 2. Cet acte stipule également que le nouveau titulaire s'engage, pour autant que l'exécution de la mesure administrative de réparation ne soit pas prescrite, à exécuter les mesures imposées, sans préjudice de l'obligation du contrevenant.
Les frais liés à l'acte distinct, visé à l'alinéa précédent, sont toujours à charge du cédant du droit réel.
Le fonctionnaire instrumentant envoie une copie de cet acte à l'inspecteur urbaniste et au bourgmestre, et il est tenu de fournir la grosse à leur demande. ".
" Art. 6.4.9. § 1er. Le contrevenant informe [1 l'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre qui a fait signifier le titre avec ordre d'exécution]1, immédiatement et par envoi sécurisé, de l'exécution volontaire des mesures imposées.
Ensuite, [1 l'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre qui a fait signifier le titre avec ordre d'exécution,]1 dresse un procès-verbal de constatation.
[1 A défaut d'une signification avec ordre d'exécution, seul l'inspecteur urbaniste régional est compétent pour dresser un procès-verbal de constatation.]1
[1 L'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre qui a fait signifier le titre avec ordre d'exécution,]1 transmet, par envoi sécurisé, une copie du procès-verbal de constatation [1 à l'inspecteur urbaniste ou au bourgmestre, qui n'ont pas été mentionnés comme donneurs d'ordre dans l'acte de signification]1 au contrevenant, à ses ayants droit et aux personnes titulaires de droits réels sur le bien immobilier ayant fait l'objet des mesures infligées.
Sauf preuve du contraire, seul le procès-verbal de constatation sert de preuve de l'exécution des mesures et de la date d'exécution.
§ 2. Conformément à l'article 84 de la Loi sur les hypothèques du 16 décembre 1851, le procès-verbal de constatation, visé au paragraphe 1er, est inscrit en marge de la transcription visée à l'article 6.4.7, § 5.
Tant que l'inscription, visée à l'alinéa premier, n'a pas eu lieu, le fonctionnaire instrumentant doit, des suites d'un acte portant le transfert d'un droit réel, mentionner, dans un acte distinct, qu'une obligation repose sur le bien immobilier, suite à une décision exécutoire, visée à l'article 6.4.7 ou 6.4.8, en vue de l'exécution de mesures visées à l'article 6.4.7, § 2. Cet acte stipule également que le nouveau titulaire s'engage, pour autant que l'exécution de la mesure administrative de réparation ne soit pas prescrite, à exécuter les mesures imposées, sans préjudice de l'obligation du contrevenant.
Les frais liés à l'acte distinct, visé à l'alinéa précédent, sont toujours à charge du cédant du droit réel.
Le fonctionnaire instrumentant envoie une copie de cet acte à l'inspecteur urbaniste et au bourgmestre, et il est tenu de fournir la grosse à leur demande. ".
Modifications
Art. 90. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan afdeling 3, ingevoegd bij artikel 86, een artikel 6.4.10 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.4.10. § 1. Elke overtreder aan wie het besluit, vermeld in artikel 6.4.7, en in voorkomend geval de beslissing, vermeld in artikel 6.4.8, werd betekend, is hoofdelijk gehouden tot het betalen van de meerwaarde en de kosten die verbonden zijn aan de toepassing van bestuursdwang, met inbegrip van de kosten voor de voorbereiding ervan.
Het besluit en de beslissing, vermeld in het eerste lid, maken daarvan melding.
§ 2. De meerwaarde en de kosten, vermeld in paragraaf 1, kunnen ook worden verhaald op de persoon die een zakelijk recht heeft op het goed dat het voorwerp van de bestuursdwang uitmaakte.
Op voorwaarde dat de titel van de houder van het zakelijk recht al was overgeschreven vóór de overschrijving van het besluit, vermeld in artikel 6.4.7, § 5, blijft het verhaal van de kosten evenwel beperkt tot de verrijking die de titularis van het zakelijk recht ten gevolge van de uitvoering van de opgelegde herstelmaatregel heeft verkregen.
§ 3. De meerwaarde en de kosten, vermeld in paragraaf 1 en 2, worden gewaarborgd door een wettelijke hypotheek, met overeenkomstige toepassing van artikel 6.3.4, § 3. De hypotheek wordt ingeschreven op voorlegging van een afschrift van het besluit of de beslissing over beroep.".
"Art. 6.4.10. § 1. Elke overtreder aan wie het besluit, vermeld in artikel 6.4.7, en in voorkomend geval de beslissing, vermeld in artikel 6.4.8, werd betekend, is hoofdelijk gehouden tot het betalen van de meerwaarde en de kosten die verbonden zijn aan de toepassing van bestuursdwang, met inbegrip van de kosten voor de voorbereiding ervan.
Het besluit en de beslissing, vermeld in het eerste lid, maken daarvan melding.
§ 2. De meerwaarde en de kosten, vermeld in paragraaf 1, kunnen ook worden verhaald op de persoon die een zakelijk recht heeft op het goed dat het voorwerp van de bestuursdwang uitmaakte.
Op voorwaarde dat de titel van de houder van het zakelijk recht al was overgeschreven vóór de overschrijving van het besluit, vermeld in artikel 6.4.7, § 5, blijft het verhaal van de kosten evenwel beperkt tot de verrijking die de titularis van het zakelijk recht ten gevolge van de uitvoering van de opgelegde herstelmaatregel heeft verkregen.
§ 3. De meerwaarde en de kosten, vermeld in paragraaf 1 en 2, worden gewaarborgd door een wettelijke hypotheek, met overeenkomstige toepassing van artikel 6.3.4, § 3. De hypotheek wordt ingeschreven op voorlegging van een afschrift van het besluit of de beslissing over beroep.".
Art. 90. A la section 3, insérée sous l'article 86 du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, il est ajouté un article 6.4.10, rédigé comme suit :
" Art. 6.4.10. § 1er. Tout contrevenant à qui l'arrêté, visé à l'article 6.4.7, et, le cas échéant, la décision, visée à l'article 6.4.8, ont été signifiés est tenu solidairement au paiement de la plus-value et des coûts liés à l'application de la contrainte administrative, y compris les coûts pour sa préparation.
L'arrêté et la décision visés à l'alinéa premier doivent en faire mention.
§ 2. La plus-value et les coûts, visés au paragraphe 1er, peuvent également être réclamés à la personne titulaire d'un droit réel sur le bien ayant fait l'objet de la contrainte administrative.
A condition que le titre du titulaire du droit réel ait déjà été transcrit avant la transcription de l'arrêté, visé à l'article 6.4.7, § 5, la réclamation des coûts reste néanmoins limitée à l'enrichissement que le titulaire du droit réel a obtenu des suites de l'application de la mesure de réparation imposée.
§ 3. La plus-value et les coûts, visés aux paragraphes 1er et 2, sont garantis par une hypothèque légale, moyennant application correspondante de l'article 6.3.4, § 3. L'hypothèque est inscrite sur présentation d'une copie de l'arrêté ou de la décision concernant le recours. ".
" Art. 6.4.10. § 1er. Tout contrevenant à qui l'arrêté, visé à l'article 6.4.7, et, le cas échéant, la décision, visée à l'article 6.4.8, ont été signifiés est tenu solidairement au paiement de la plus-value et des coûts liés à l'application de la contrainte administrative, y compris les coûts pour sa préparation.
L'arrêté et la décision visés à l'alinéa premier doivent en faire mention.
§ 2. La plus-value et les coûts, visés au paragraphe 1er, peuvent également être réclamés à la personne titulaire d'un droit réel sur le bien ayant fait l'objet de la contrainte administrative.
A condition que le titre du titulaire du droit réel ait déjà été transcrit avant la transcription de l'arrêté, visé à l'article 6.4.7, § 5, la réclamation des coûts reste néanmoins limitée à l'enrichissement que le titulaire du droit réel a obtenu des suites de l'application de la mesure de réparation imposée.
§ 3. La plus-value et les coûts, visés aux paragraphes 1er et 2, sont garantis par une hypothèque légale, moyennant application correspondante de l'article 6.3.4, § 3. L'hypothèque est inscrite sur présentation d'une copie de l'arrêté ou de la décision concernant le recours. ".
Art. 91. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan afdeling 3, ingevoegd bij artikel 86, een artikel 6.4.11 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.4.11. De stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester die bestuursdwang heeft toegepast, kan van de overtreder bij dwangbevel de verschuldigde kosten, verhoogd met de invorderingskosten, invorderen. Hetzelfde geldt voor de meerwaarde die na het einde van de uitvoeringstermijn nog verschuldigd is. Het dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de ambtenaar die de Vlaamse Regering of het college van burgemeester en schepenen daarvoor heeft aangewezen. Het dwangbevel wordt betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot of met een beveiligde zending.
Op het dwangbevel, vermeld in het eerste lid, zijn de bepalingen van deel V van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing.".
"Art. 6.4.11. De stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester die bestuursdwang heeft toegepast, kan van de overtreder bij dwangbevel de verschuldigde kosten, verhoogd met de invorderingskosten, invorderen. Hetzelfde geldt voor de meerwaarde die na het einde van de uitvoeringstermijn nog verschuldigd is. Het dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de ambtenaar die de Vlaamse Regering of het college van burgemeester en schepenen daarvoor heeft aangewezen. Het dwangbevel wordt betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot of met een beveiligde zending.
Op het dwangbevel, vermeld in het eerste lid, zijn de bepalingen van deel V van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing.".
Art. 91. A la section 3, insérée sous l'article 86 du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, il est ajouté un article 6.4.11, rédigé comme suit :
" Art. 6.4.11. L'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre qui a appliqué cette contrainte administrative peut réclamer au contrevenant les frais dus, moyennant mandat, majorés des frais de recouvrement. Il en va de même pour la plus-value qui reste due après la fin du délai d'exécution. Le mandat est visé et déclaré exécutoire par le fonctionnaire désigné à cet effet par le Gouvernement flamand ou le collège des bourgmestre et échevins. Le mandat est signifié par exploit d'huissier de justice ou par envoi sécurisé.
Les dispositions de la partie V du Code judiciaire s'appliquent au mandat visé à l'alinéa 1er. ".
" Art. 6.4.11. L'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre qui a appliqué cette contrainte administrative peut réclamer au contrevenant les frais dus, moyennant mandat, majorés des frais de recouvrement. Il en va de même pour la plus-value qui reste due après la fin du délai d'exécution. Le mandat est visé et déclaré exécutoire par le fonctionnaire désigné à cet effet par le Gouvernement flamand ou le collège des bourgmestre et échevins. Le mandat est signifié par exploit d'huissier de justice ou par envoi sécurisé.
Les dispositions de la partie V du Code judiciaire s'appliquent au mandat visé à l'alinéa 1er. ".
Art. 92. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan afdeling 3, ingevoegd bij artikel 86, een artikel 6.4.12 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.4.12. Tenzij de tenuitvoerlegging gebeurt met expliciete of impliciete instemming van de gebruiker en de personen die zakelijke rechten hebben op het onroerend goed dat het voorwerp uitmaakt van de beslissing tot toepassing van bestuursdwang, is de uitvoering van handelingen in de plaats en op kosten van de overtreder alleen mogelijk door een gerechtsdeurwaarder na voorafgaande betekening van het uitvoerbare besluit, vermeld in artikel 6.4.7, of, als beroep werd ingesteld tegen het besluit, na voorafgaande betekening van het besluit en de beslissing, vermeld in artikel 6.4.8.
Om aan een beslissing tot toepassing van bestuursdwang uitvoering te geven, hebben personen die daartoe zijn aangewezen door, naar gelang van het geval, de gerechtsdeurwaarder, de stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester, toegang tot elke plaats als dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.".
"Art. 6.4.12. Tenzij de tenuitvoerlegging gebeurt met expliciete of impliciete instemming van de gebruiker en de personen die zakelijke rechten hebben op het onroerend goed dat het voorwerp uitmaakt van de beslissing tot toepassing van bestuursdwang, is de uitvoering van handelingen in de plaats en op kosten van de overtreder alleen mogelijk door een gerechtsdeurwaarder na voorafgaande betekening van het uitvoerbare besluit, vermeld in artikel 6.4.7, of, als beroep werd ingesteld tegen het besluit, na voorafgaande betekening van het besluit en de beslissing, vermeld in artikel 6.4.8.
Om aan een beslissing tot toepassing van bestuursdwang uitvoering te geven, hebben personen die daartoe zijn aangewezen door, naar gelang van het geval, de gerechtsdeurwaarder, de stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester, toegang tot elke plaats als dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.".
Art. 92. A la section 3, insérée sous l'article 86 du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, il est ajouté un article 6.4.12, rédigé comme suit :
" Art. 6.4.12. Hormis si l'exécution a lieu moyennant le consentement explicite ou implicite de l'utilisateur et des personnes titulaires de droits réels sur le bien immobilier faisant l'objet de la décision d'application de la contrainte administrative, l'exécution d'actes en lieu et place et aux frais du contrevenant est uniquement possible par un huissier de justice, après signification préalable de l'arrêté exécutoire, visé à l'article 6.4.7 ou, si un recours a été introduit contre l'arrêté, après signification préalable de l'arrêté et de la décision, visés à l'article 6.4.8.
Pour donner exécution à une décision d'application d'une contrainte administrative, les personnes désignées à cet effet par, selon le cas, l'huissier de justice, l'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre, ont accès à tout endroit qui est raisonnablement nécessaire pour remplir leur tâche. ".
" Art. 6.4.12. Hormis si l'exécution a lieu moyennant le consentement explicite ou implicite de l'utilisateur et des personnes titulaires de droits réels sur le bien immobilier faisant l'objet de la décision d'application de la contrainte administrative, l'exécution d'actes en lieu et place et aux frais du contrevenant est uniquement possible par un huissier de justice, après signification préalable de l'arrêté exécutoire, visé à l'article 6.4.7 ou, si un recours a été introduit contre l'arrêté, après signification préalable de l'arrêté et de la décision, visés à l'article 6.4.8.
Pour donner exécution à une décision d'application d'une contrainte administrative, les personnes désignées à cet effet par, selon le cas, l'huissier de justice, l'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre, ont accès à tout endroit qui est raisonnablement nécessaire pour remplir leur tâche. ".
Art. 93. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan afdeling 3, ingevoegd bij artikel 86, een artikel 6.4.13 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.4.13. Tot de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang behoort het verzegelen van gebouwen en terreinen, en wat zich daarin of daarop bevindt, alsook het meevoeren en opslaan van voor bestuursdwang vatbare zaken, als de toepassing van bestuursdwang dat vereist.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de bewaring en de teruggave aan de rechthebbenden van de meegevoerde zaken.".
"Art. 6.4.13. Tot de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang behoort het verzegelen van gebouwen en terreinen, en wat zich daarin of daarop bevindt, alsook het meevoeren en opslaan van voor bestuursdwang vatbare zaken, als de toepassing van bestuursdwang dat vereist.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de bewaring en de teruggave aan de rechthebbenden van de meegevoerde zaken.".
Art. 93. A la section 3, insérée sous l'article 86 du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, il est ajouté un article 6.4.13, rédigé comme suit :
" Art. 6.4.13. L'apposition de scellés sur des bâtiments et terrains, et sur ce qui s'y trouve, de même que l'enlèvement et le stockage de choses susceptibles de faire l'objet d'une contrainte administrative, dans la mesure où l'application d'une contrainte administrative le requiert, font partie de la compétence d'application d'une contrainte administrative.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités d'application à la conservation et à la restitution aux ayants droit des choses emportées. ".
" Art. 6.4.13. L'apposition de scellés sur des bâtiments et terrains, et sur ce qui s'y trouve, de même que l'enlèvement et le stockage de choses susceptibles de faire l'objet d'une contrainte administrative, dans la mesure où l'application d'une contrainte administrative le requiert, font partie de la compétence d'application d'une contrainte administrative.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités d'application à la conservation et à la restitution aux ayants droit des choses emportées. ".
Art. 94. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan hoofdstuk IV, ingevoegd bij artikel 77, een afdeling 4 toegevoegd, die luidt als volgt :
"Afdeling 4. - Last onder dwangsom"
"Afdeling 4. - Last onder dwangsom"
Art. 94. Au chapitre IV, inséré sous l'article 77 du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, il est ajouté une section 4, rédigée comme suit :
" Section 4. - Charge sous astreinte "
" Section 4. - Charge sous astreinte "
Art. 95. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan afdeling 4, ingevoegd bij artikel 94, een artikel 6.4.14 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.4.14. De stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester is bevoegd om aan de overtreder een last onder dwangsom op te leggen. Last onder dwangsom houdt in dat bestuurlijke maatregelen aan overtreders worden opgelegd door middel van een bestuurlijke beslissing, die onmiddellijk uitvoerbaar is en steeds de verbeurte van een dwangsom als sanctie bij negatie insluit.
De beslissing, vermeld in het eerste lid, wordt op schrift gesteld. De schriftelijke beslissing wordt een besluit genoemd.
Artikel 6.4.7, § 2 tot en met § 6, is ook van toepassing op het besluit, vermeld in het eerste lid, met het voorbehoud dat een last onder dwangsom nooit de betaling van een meerwaarde als enig voorwerp kan hebben.
De stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester stelt de dwangsom in het besluit vast op een bedrag ineens, op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd of per overtreding van de last, zonder dat die dwangsom betrekking kan hebben op de betaling van de meerwaarde als onderdeel van deze last. De stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester kan een bedrag vaststellen waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd.
Een dwangsom wordt pas verbeurd verklaard na de betekening van het uitvoerbare besluit, vermeld in het eerste lid, in voorkomend geval samen met de beslissing over het beroep.".
"Art. 6.4.14. De stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester is bevoegd om aan de overtreder een last onder dwangsom op te leggen. Last onder dwangsom houdt in dat bestuurlijke maatregelen aan overtreders worden opgelegd door middel van een bestuurlijke beslissing, die onmiddellijk uitvoerbaar is en steeds de verbeurte van een dwangsom als sanctie bij negatie insluit.
De beslissing, vermeld in het eerste lid, wordt op schrift gesteld. De schriftelijke beslissing wordt een besluit genoemd.
Artikel 6.4.7, § 2 tot en met § 6, is ook van toepassing op het besluit, vermeld in het eerste lid, met het voorbehoud dat een last onder dwangsom nooit de betaling van een meerwaarde als enig voorwerp kan hebben.
De stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester stelt de dwangsom in het besluit vast op een bedrag ineens, op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd of per overtreding van de last, zonder dat die dwangsom betrekking kan hebben op de betaling van de meerwaarde als onderdeel van deze last. De stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester kan een bedrag vaststellen waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd.
Een dwangsom wordt pas verbeurd verklaard na de betekening van het uitvoerbare besluit, vermeld in het eerste lid, in voorkomend geval samen met de beslissing over het beroep.".
Art. 95. A la section 4, insérée sous l'article 94 du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, il est ajouté un article 6.4.14, rédigé comme suit :
" Art. 6.4.14. L'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre est habilité à imposer une charge sous astreinte au contrevenant. La charge sous astreinte implique l'imposition de mesures administratives aux contrevenants au moyen d'une décision administrative qui est immédiatement exécutoire et qui inclut systématiquement l'imposition d'une astreinte en guise de sanction d'une négation.
La décision visée à l'alinéa premier est consignée par écrit. La décision écrite est dénommée " arrêté ".
L'article 6.4.7, § 2 à § 6 inclus, s'applique également à l'arrêté visé à l'alinéa 1er, sous réserve qu'une charge sous astreinte ne peut jamais avoir pour seul objet le paiement d'une plus-value.
L'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre fixe l'astreinte dans l'arrêté à un montant unique, à un montant par unité de temps durant laquelle la charge n'a pas été exécutée ou par infraction de la charge, sans que cette astreinte puisse avoir trait au paiement de la plus-value dans le cadre de cette charge. L'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre peut fixer un montant au-delà duquel plus aucune astreinte n'est due.
Une astreinte n'est déclarée due qu'après signification de l'arrêté exécutoire, visé à l'alinéa premier, le cas échéant conjointement avec la décision relative au recours. ".
" Art. 6.4.14. L'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre est habilité à imposer une charge sous astreinte au contrevenant. La charge sous astreinte implique l'imposition de mesures administratives aux contrevenants au moyen d'une décision administrative qui est immédiatement exécutoire et qui inclut systématiquement l'imposition d'une astreinte en guise de sanction d'une négation.
La décision visée à l'alinéa premier est consignée par écrit. La décision écrite est dénommée " arrêté ".
L'article 6.4.7, § 2 à § 6 inclus, s'applique également à l'arrêté visé à l'alinéa 1er, sous réserve qu'une charge sous astreinte ne peut jamais avoir pour seul objet le paiement d'une plus-value.
L'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre fixe l'astreinte dans l'arrêté à un montant unique, à un montant par unité de temps durant laquelle la charge n'a pas été exécutée ou par infraction de la charge, sans que cette astreinte puisse avoir trait au paiement de la plus-value dans le cadre de cette charge. L'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre peut fixer un montant au-delà duquel plus aucune astreinte n'est due.
Une astreinte n'est déclarée due qu'après signification de l'arrêté exécutoire, visé à l'alinéa premier, le cas échéant conjointement avec la décision relative au recours. ".
Art. 96. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan afdeling 4, ingevoegd bij artikel 94, een artikel 6.4.15 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.4.15. § 1. [1 Tegen de beslissing tot het opleggen van een last onder dwangsom kan de vermoedelijke overtreder beroep instellen bij de Vlaamse Regering of haar gemachtigde. Bij de beoordeling van de herstelmaatregelen is artikel 6.4.7, § 2, van overeenkomstige toepassing, met inbegrip van de mogelijkheid tot vermindering van de meerwaarde, op verzoek en ambtshalve. Het beroep heeft schorsende werking.]1
Het beroep is alleen ontvankelijk als het wordt ingesteld bij een met redenen omklede brief binnen een termijn van dertig dagen, die de dag na de betekening van het besluit aanvangt. Als de verzoeker gehoord wil worden, maakt hij daarvan melding in zijn beroepschrift.
§ 2. Artikel 6.4.8, § 2 en § 3, en artikel 6.4.9 zijn van toepassing op deze onderafdeling.
Artikel 6.4.10 is van toepassing op de meerwaarde die in de last onder dwangsom is begrepen.".
"Art. 6.4.15. § 1. [1 Tegen de beslissing tot het opleggen van een last onder dwangsom kan de vermoedelijke overtreder beroep instellen bij de Vlaamse Regering of haar gemachtigde. Bij de beoordeling van de herstelmaatregelen is artikel 6.4.7, § 2, van overeenkomstige toepassing, met inbegrip van de mogelijkheid tot vermindering van de meerwaarde, op verzoek en ambtshalve. Het beroep heeft schorsende werking.]1
Het beroep is alleen ontvankelijk als het wordt ingesteld bij een met redenen omklede brief binnen een termijn van dertig dagen, die de dag na de betekening van het besluit aanvangt. Als de verzoeker gehoord wil worden, maakt hij daarvan melding in zijn beroepschrift.
§ 2. Artikel 6.4.8, § 2 en § 3, en artikel 6.4.9 zijn van toepassing op deze onderafdeling.
Artikel 6.4.10 is van toepassing op de meerwaarde die in de last onder dwangsom is begrepen.".
Modifications
Art. 96. A la section 4, insérée sous l'article 94 du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, il est ajouté un article 6.4.15, rédigé comme suit :
" Art. 6.4.15. § 1er. [1 Le contrevenant présumé peut introduire un recours contre la décision d'imposer une charge sous astreinte auprès du Gouvernement flamand ou de son représentant autorisé. Lors de l'évaluation des mesures de réparation, l'article 6.4.7, § 2, s'applique par analogie, en ce compris la possibilité de réduction de la plus-value sur demande et d'office. Le recours a un effet suspensif.]1
Le recours est uniquement recevable s'il est introduit par le biais d'une lettre motivée, dans un délai de trente jours qui prend cours le jour suivant la notification de l'arrêté. Si le requérant souhaite être entendu, il doit en faire mention dans sa requête.
§ 2. L'article 6.4.8, § 2 et § 3, et l'article 6.4.9 s'appliquent à la présente sous-section.
L'article 6.4.10 s'applique à la plus-value incluse dans la charge sous astreinte. ".
" Art. 6.4.15. § 1er. [1 Le contrevenant présumé peut introduire un recours contre la décision d'imposer une charge sous astreinte auprès du Gouvernement flamand ou de son représentant autorisé. Lors de l'évaluation des mesures de réparation, l'article 6.4.7, § 2, s'applique par analogie, en ce compris la possibilité de réduction de la plus-value sur demande et d'office. Le recours a un effet suspensif.]1
Le recours est uniquement recevable s'il est introduit par le biais d'une lettre motivée, dans un délai de trente jours qui prend cours le jour suivant la notification de l'arrêté. Si le requérant souhaite être entendu, il doit en faire mention dans sa requête.
§ 2. L'article 6.4.8, § 2 et § 3, et l'article 6.4.9 s'appliquent à la présente sous-section.
L'article 6.4.10 s'applique à la plus-value incluse dans la charge sous astreinte. ".
Modifications
Art. 97. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan afdeling 4, ingevoegd bij artikel 94, een artikel 6.4.16 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.4.16. De stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester kan de verbeurde dwangsommen en de meerwaarde, verhoogd met de invorderingskosten, invorderen bij dwangbevel. Artikel 6.4.11 is van toepassing op dat dwangbevel.
De stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester die belast is met de invordering van de dwangsom, is ertoe gemachtigd aan de schuldenaars die bijzondere omstandigheden kunnen bewijzen, uitstel of spreiding van betaling toe te staan.
[1 De gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester, vermeld in de betekening van de dwangsomtitel, kan, respectievelijk in naam van het Vlaamse Gewest of de gemeente, ambtshalve of op eenvoudig verzoek beslissen dat een opeisbare dwangsomschuld niet of maar gedeeltelijk wordt ingevorderd, zonder dat die beslissing betrekking kan hebben op de gerechts- en uitvoeringskosten die zijn gemaakt. Er wordt in de beslissing rekening gehouden met de gestelde handelingen en de genomen engagementen met het oog op een correcte uitvoering van de hoofdveroordeling, alsook met de gehele of gedeeltelijke realisatie van het herstel. De Vlaamse Regering kan nadere voorwaarden vastleggen en procedurele regelen bepalen voor de toepassing van dit lid.]1
[1 Met behoud van de toepassing van het derde lid kan het Vlaamse Gewest of de gemeente, respectievelijk vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering of het college van burgemeester en schepenen, op gemotiveerd verzoek tijdelijk of definitief afzien van verdere inning van een opeisbaar geworden dwangsomschuld. Dat kan voor het geheel of voor een gedeelte van de opeisbare schuldvordering zonder dat het betrekking kan hebben op de gerechts- en uitvoeringskosten die zijn gemaakt. De Vlaamse Regering respectievelijk het college van burgemeester en schepenen kunnen hun beslissingsbevoegdheid delegeren.
Het tweede tot en met het vijfde lid van artikel 6.3.4, § 5, zijn van overeenkomstige toepassing.]1 ".
"Art. 6.4.16. De stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester kan de verbeurde dwangsommen en de meerwaarde, verhoogd met de invorderingskosten, invorderen bij dwangbevel. Artikel 6.4.11 is van toepassing op dat dwangbevel.
De stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester die belast is met de invordering van de dwangsom, is ertoe gemachtigd aan de schuldenaars die bijzondere omstandigheden kunnen bewijzen, uitstel of spreiding van betaling toe te staan.
[1 De gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester, vermeld in de betekening van de dwangsomtitel, kan, respectievelijk in naam van het Vlaamse Gewest of de gemeente, ambtshalve of op eenvoudig verzoek beslissen dat een opeisbare dwangsomschuld niet of maar gedeeltelijk wordt ingevorderd, zonder dat die beslissing betrekking kan hebben op de gerechts- en uitvoeringskosten die zijn gemaakt. Er wordt in de beslissing rekening gehouden met de gestelde handelingen en de genomen engagementen met het oog op een correcte uitvoering van de hoofdveroordeling, alsook met de gehele of gedeeltelijke realisatie van het herstel. De Vlaamse Regering kan nadere voorwaarden vastleggen en procedurele regelen bepalen voor de toepassing van dit lid.]1
[1 Met behoud van de toepassing van het derde lid kan het Vlaamse Gewest of de gemeente, respectievelijk vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering of het college van burgemeester en schepenen, op gemotiveerd verzoek tijdelijk of definitief afzien van verdere inning van een opeisbaar geworden dwangsomschuld. Dat kan voor het geheel of voor een gedeelte van de opeisbare schuldvordering zonder dat het betrekking kan hebben op de gerechts- en uitvoeringskosten die zijn gemaakt. De Vlaamse Regering respectievelijk het college van burgemeester en schepenen kunnen hun beslissingsbevoegdheid delegeren.
Het tweede tot en met het vijfde lid van artikel 6.3.4, § 5, zijn van overeenkomstige toepassing.]1 ".
Modifications
Art. 97. A la section 4, insérée sous l'article 94 du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, il est ajouté un article 6.4.16, rédigé comme suit :
" Art. 6.4.16. L'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre peut réclamer, moyennant mandat, les astreintes encourues et la plus-value, majorées des frais de recouvrement. L'article 6.4.11 s'applique à ce mandat.
L'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre chargé du recouvrement de l'astreinte est habilité à accorder un report ou un échelonnement de paiement aux débiteurs qui peuvent établir qu'ils sont confrontés à des circonstances particulières.
[1 L'inspecteur urbaniste régional, l'inspecteur urbaniste communal ou le bourgmestre, visé dans l'avis d'astreinte, peut, au nom de la Région flamande ou de la commune, d'office ou sur simple demande, décider qu'une astreinte exigible ne sera pas recouvrée ou ne le sera que partiellement, sans que cette décision puisse porter sur les frais de justice et d'exécution encourus. La décision tient compte des actions et engagements pris en vue d'une exécution correcte de la condamnation principale, ainsi que de la réalisation totale ou partielle de la réparation. Le Gouvernement flamand peut fixer des conditions plus spécifiques et des modalités de procédure pour l'application de cet article.]1
[1 Sans préjudice de l'application du troisième alinéa, la Région flamande ou la commune, représentée respectivement par le Gouvernement flamand ou le collège des bourgmestre et échevins, peut, sur demande motivée, renoncer temporairement ou définitivement à la perception ultérieure d'une astreinte devenue exigible. Ladite renonciation est possible pour tout ou partie de la créance exigible, sans que cela puisse porter sur les frais de justice et d'exécution encourus. Le Gouvernement flamand ou le collège des bourgmestre et échevins peuvent déléguer leur pouvoir de décision.
Les alinéas 2 à 5 de l'article 6.3.4, § 5, s'appliquent par analogie.]1 ".
" Art. 6.4.16. L'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre peut réclamer, moyennant mandat, les astreintes encourues et la plus-value, majorées des frais de recouvrement. L'article 6.4.11 s'applique à ce mandat.
L'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre chargé du recouvrement de l'astreinte est habilité à accorder un report ou un échelonnement de paiement aux débiteurs qui peuvent établir qu'ils sont confrontés à des circonstances particulières.
[1 L'inspecteur urbaniste régional, l'inspecteur urbaniste communal ou le bourgmestre, visé dans l'avis d'astreinte, peut, au nom de la Région flamande ou de la commune, d'office ou sur simple demande, décider qu'une astreinte exigible ne sera pas recouvrée ou ne le sera que partiellement, sans que cette décision puisse porter sur les frais de justice et d'exécution encourus. La décision tient compte des actions et engagements pris en vue d'une exécution correcte de la condamnation principale, ainsi que de la réalisation totale ou partielle de la réparation. Le Gouvernement flamand peut fixer des conditions plus spécifiques et des modalités de procédure pour l'application de cet article.]1
[1 Sans préjudice de l'application du troisième alinéa, la Région flamande ou la commune, représentée respectivement par le Gouvernement flamand ou le collège des bourgmestre et échevins, peut, sur demande motivée, renoncer temporairement ou définitivement à la perception ultérieure d'une astreinte devenue exigible. Ladite renonciation est possible pour tout ou partie de la créance exigible, sans que cela puisse porter sur les frais de justice et d'exécution encourus. Le Gouvernement flamand ou le collège des bourgmestre et échevins peuvent déléguer leur pouvoir de décision.
Les alinéas 2 à 5 de l'article 6.3.4, § 5, s'appliquent par analogie.]1 ".
Modifications
Art. 98. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan afdeling 4, ingevoegd bij artikel 94, een artikel 6.4.17 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.4.17. De rechtbank van eerste aanleg kan op verzoek van de overtreder de dwangsom opheffen, de looptijd ervan voor een bepaalde termijn opschorten of de dwangsom verminderen in geval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de overtreder om aan zijn verplichtingen te voldoen. De overtreder dagvaardt daarvoor de [1 gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester, vermeld in de betekening van het uitvoerbare besluit, die respectievelijk optreedt namens het Vlaamse Gewest of de gemeente]1.".
"Art. 6.4.17. De rechtbank van eerste aanleg kan op verzoek van de overtreder de dwangsom opheffen, de looptijd ervan voor een bepaalde termijn opschorten of de dwangsom verminderen in geval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de overtreder om aan zijn verplichtingen te voldoen. De overtreder dagvaardt daarvoor de [1 gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester, vermeld in de betekening van het uitvoerbare besluit, die respectievelijk optreedt namens het Vlaamse Gewest of de gemeente]1.".
Modifications
Art. 98. A la section 4, insérée sous l'article 94 du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, il est ajouté un article 6.4.17, rédigé comme suit :
" Art. 6.4.17. Le tribunal de première instance peut, sur demande du contrevenant, lever l'astreinte, en suspendre la durée pour un délai déterminé ou réduire l'astreinte en cas d'impossibilité, durable ou temporaire, intégrale ou partielle, pour le contrevenant de satisfaire à ses obligations. A cet effet, le contrevenant assigne [1 l'inspecteur urbaniste régional, l'inspecteur urbaniste communal ou le bourgmestre, mentionné dans la signification de l'acte exécutoire, agissant respectivement au nom de la Région flamande ou de la commune]1. ".
" Art. 6.4.17. Le tribunal de première instance peut, sur demande du contrevenant, lever l'astreinte, en suspendre la durée pour un délai déterminé ou réduire l'astreinte en cas d'impossibilité, durable ou temporaire, intégrale ou partielle, pour le contrevenant de satisfaire à ses obligations. A cet effet, le contrevenant assigne [1 l'inspecteur urbaniste régional, l'inspecteur urbaniste communal ou le bourgmestre, mentionné dans la signification de l'acte exécutoire, agissant respectivement au nom de la Région flamande ou de la commune]1. ".
Modifications
Art. 99. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan afdeling 4, ingevoegd bij artikel 94, een artikel 6.4.18 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.4.18. De vordering tot betaling van verbeurde bedragen verjaart na verloop van zes maanden na de dag waarop de bedragen verbeurd zijn. De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden, vermeld in artikel 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.
De verjaring wordt geschorst door faillissement en ieder ander wettelijk beletsel voor invordering van de dwangsom.".
"Art. 6.4.18. De vordering tot betaling van verbeurde bedragen verjaart na verloop van zes maanden na de dag waarop de bedragen verbeurd zijn. De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden, vermeld in artikel 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.
De verjaring wordt geschorst door faillissement en ieder ander wettelijk beletsel voor invordering van de dwangsom.".
Art. 99. A la section 4, insérée sous l'article 94 du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, il est ajouté un article 6.4.18, rédigé comme suit :
" Art. 6.4.18. La requête en paiement des montants dus se prescrit six mois après le jour où les montants sont dus. La prescription est interrompue de la manière et aux conditions visées aux articles 2244 et suivants du Code civil.
La prescription est suspendue des suites d'une faillite ou de tout autre empêchement légal de recouvrir l'astreinte. ".
" Art. 6.4.18. La requête en paiement des montants dus se prescrit six mois après le jour où les montants sont dus. La prescription est interrompue de la manière et aux conditions visées aux articles 2244 et suivants du Code civil.
La prescription est suspendue des suites d'une faillite ou de tout autre empêchement légal de recouvrir l'astreinte. ".
Art. 100. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan hoofdstuk IV, ingevoegd bij artikel 77, een afdeling 5 toegevoegd, die luidt als volgt :
"Afdeling 5. - Minnelijke schikking"
"Afdeling 5. - Minnelijke schikking"
Art. 100. Au chapitre IV, inséré sous l'article 77 du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, il est ajouté une section 5, rédigée comme suit :
" Section 5. - Arrangement à l'amiable "
" Section 5. - Arrangement à l'amiable "
Art. 101. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan afdeling 5, ingevoegd bij artikel 100, een artikel 6.4.19 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.4.19. § 1. De [1 gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur]1 of de burgemeester kan, respectievelijk in naam van het Vlaamse Gewest of de gemeente, met de overtreder, overtreders of andere belanghebbenden een minnelijke schikking aangaan onder de volgende voorwaarden :
1° het voorwerp van de minnelijke schikking is in overeenstemming met artikel 6.3.1;
2° de minnelijke schikking doet geen afbreuk aan het gezag van gewijsde van een overeenkomstig hoofdstuk III tussengekomen rechterlijke beslissing noch aan een beslissing tot toepassing van bestuursdwang of last onder dwangsom;
3° de zakelijke rechten op het onroerend goed waarop de minnelijke schikking betrekking heeft, behoren toe aan een of meer personen die zich door de minnelijke schikking verbinden;
4° de termijn voor de uitvoering van de herstelmaatregelen bedraagt niet meer dan vijf jaar.
De miskenning van een van de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, heeft van rechtswege de nietigheid van de minnelijke schikking tot gevolg.
§ 2. De minnelijke schikking wordt aangevraagd door de personen die zich door de minnelijke schikking wensen te verbinden, volgens de regels, bepaald door de Vlaamse Regering.
§ 3. Een aanvraag tot minnelijke schikking schorst de verjaring van de herstelvordering. De schorsing vangt aan vanaf de datum van betekening van de aanvraag aan de bevoegde overheid. De schorsing neemt een einde vanaf :
1° de datum waarop de minnelijke schikking tot stand komt conform artikel 6.4.20;
2° de datum waarop de minnelijke schikking wordt geweigerd.".
"Art. 6.4.19. § 1. De [1 gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur]1 of de burgemeester kan, respectievelijk in naam van het Vlaamse Gewest of de gemeente, met de overtreder, overtreders of andere belanghebbenden een minnelijke schikking aangaan onder de volgende voorwaarden :
1° het voorwerp van de minnelijke schikking is in overeenstemming met artikel 6.3.1;
2° de minnelijke schikking doet geen afbreuk aan het gezag van gewijsde van een overeenkomstig hoofdstuk III tussengekomen rechterlijke beslissing noch aan een beslissing tot toepassing van bestuursdwang of last onder dwangsom;
3° de zakelijke rechten op het onroerend goed waarop de minnelijke schikking betrekking heeft, behoren toe aan een of meer personen die zich door de minnelijke schikking verbinden;
4° de termijn voor de uitvoering van de herstelmaatregelen bedraagt niet meer dan vijf jaar.
De miskenning van een van de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, heeft van rechtswege de nietigheid van de minnelijke schikking tot gevolg.
§ 2. De minnelijke schikking wordt aangevraagd door de personen die zich door de minnelijke schikking wensen te verbinden, volgens de regels, bepaald door de Vlaamse Regering.
§ 3. Een aanvraag tot minnelijke schikking schorst de verjaring van de herstelvordering. De schorsing vangt aan vanaf de datum van betekening van de aanvraag aan de bevoegde overheid. De schorsing neemt een einde vanaf :
1° de datum waarop de minnelijke schikking tot stand komt conform artikel 6.4.20;
2° de datum waarop de minnelijke schikking wordt geweigerd.".
Modifications
Art. 101. A la section 5, insérée sous l'article 100 du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, il est ajouté un article 6.4.19, rédigé comme suit :
" Art. 6.4.19. § 1er. [1 L'inspecteur urbaniste régional, l'inspecteur urbaniste communal]1 ou le bourgmestre peut, respectivement au nom du Gouvernement flamand ou de la commune, prendre un arrangement à l'amiable avec le contrevenant, les contrevenants ou d'autres parties prenantes, aux conditions suivantes :
1° l'objet de l'arrangement à l'amiable est en conformité avec l'article 6.3.1 ;
2° l'arrangement à l'amiable ne porte aucunement atteinte à l'autorité de la chose jugée d'une décision judiciaire intervenue conformément au chapitre III, ni à une décision d'application d'une contrainte administrative ou d'une charge sous astreinte ;
3° les droits matériels sur le bien immobilier auquel l'arrangement à l'amiable a trait appartiennent à une ou à plusieurs personnes qui s'engagent par le biais de l'arrangement à l'amiable ;
4° le délai fixé pour l'exécution des mesures de réparation ne dépasse pas cinq ans.
Le non-respect de l'une des conditions visées à l'alinéa premier entraîne de plein droit la nullité de l'arrangement à l'amiable.
§ 2. L'arrangement à l'amiable est demandé par les personnes qui souhaitent s'engager par le biais de l'arrangement à l'amiable, conformément aux règles établies par le Gouvernement flamand.
§ 3. Une demande d'arrangement à l'amiable suspend la prescription de l'action en réparation. La suspension débute le jour de la signification de la demande à l'autorité compétente. La suspension prend fin :
1° le jour où l'arrangement à l'amiable intervient, conformément à l'article 6.4.20 ;
2° le jour où l'arrangement à l'amiable est refusé. ".
" Art. 6.4.19. § 1er. [1 L'inspecteur urbaniste régional, l'inspecteur urbaniste communal]1 ou le bourgmestre peut, respectivement au nom du Gouvernement flamand ou de la commune, prendre un arrangement à l'amiable avec le contrevenant, les contrevenants ou d'autres parties prenantes, aux conditions suivantes :
1° l'objet de l'arrangement à l'amiable est en conformité avec l'article 6.3.1 ;
2° l'arrangement à l'amiable ne porte aucunement atteinte à l'autorité de la chose jugée d'une décision judiciaire intervenue conformément au chapitre III, ni à une décision d'application d'une contrainte administrative ou d'une charge sous astreinte ;
3° les droits matériels sur le bien immobilier auquel l'arrangement à l'amiable a trait appartiennent à une ou à plusieurs personnes qui s'engagent par le biais de l'arrangement à l'amiable ;
4° le délai fixé pour l'exécution des mesures de réparation ne dépasse pas cinq ans.
Le non-respect de l'une des conditions visées à l'alinéa premier entraîne de plein droit la nullité de l'arrangement à l'amiable.
§ 2. L'arrangement à l'amiable est demandé par les personnes qui souhaitent s'engager par le biais de l'arrangement à l'amiable, conformément aux règles établies par le Gouvernement flamand.
§ 3. Une demande d'arrangement à l'amiable suspend la prescription de l'action en réparation. La suspension débute le jour de la signification de la demande à l'autorité compétente. La suspension prend fin :
1° le jour où l'arrangement à l'amiable intervient, conformément à l'article 6.4.20 ;
2° le jour où l'arrangement à l'amiable est refusé. ".
Modifications
Art. 102. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan afdeling 5, ingevoegd bij artikel 100, een artikel 6.4.20 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.4.20. De minnelijke schikking wordt op schrift gesteld. De minnelijke schikking wordt ondertekend door de stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester, en door de overtreder of overtreders of andere belanghebbenden met wie de minnelijke schikking wordt aangegaan. De minnelijke schikking wordt binnen een termijn van twee maanden overgeschreven in het hypotheekkantoor van het gebied waarin het onroerend goed gelegen is. Een afschrift van de minnelijke schikking wordt verzonden aan de bevoegde overheden, bedoeld in artikel 6.3.1, § 2.".
"Art. 6.4.20. De minnelijke schikking wordt op schrift gesteld. De minnelijke schikking wordt ondertekend door de stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester, en door de overtreder of overtreders of andere belanghebbenden met wie de minnelijke schikking wordt aangegaan. De minnelijke schikking wordt binnen een termijn van twee maanden overgeschreven in het hypotheekkantoor van het gebied waarin het onroerend goed gelegen is. Een afschrift van de minnelijke schikking wordt verzonden aan de bevoegde overheden, bedoeld in artikel 6.3.1, § 2.".
Art. 102. A la section 5, insérée sous l'article 100 du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, il est ajouté un article 6.4.20, rédigé comme suit :
" Art. 6.4.20. L'arrangement à l'amiable est consigné par écrit. L'arrangement à l'amiable est signé par l'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre, et par le contrevenant ou les contrevenants ou d'autres parties prenantes avec lesquels l'arrangement à l'amiable est conclu. L'arrangement à l'amiable est transcrit dans un délai de deux mois au bureau des hypothèques de la région où se situe le bien immobilier. Une copie de l'arrangement à l'amiable est envoyée aux autorités compétentes visées à l'article 6.3.1, § 2. ".
" Art. 6.4.20. L'arrangement à l'amiable est consigné par écrit. L'arrangement à l'amiable est signé par l'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre, et par le contrevenant ou les contrevenants ou d'autres parties prenantes avec lesquels l'arrangement à l'amiable est conclu. L'arrangement à l'amiable est transcrit dans un délai de deux mois au bureau des hypothèques de la région où se situe le bien immobilier. Une copie de l'arrangement à l'amiable est envoyée aux autorités compétentes visées à l'article 6.3.1, § 2. ".
Art. 103. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan afdeling 5, ingevoegd bij artikel 102, een artikel 6.4.21 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.4.21. Artikel 6.4.9 is van toepassing op deze afdeling, met dien verstande dat het proces-verbaal van vaststelling wordt overgeschreven op de kant van de overschrijving, vermeld in artikel 6.4.20.
De uitvoering van de minnelijke schikking, bevestigd in het proces-verbaal van vaststelling, dooft elk verder recht op herstel of vergoeding van schade, geleden door het algemeen belang naar aanleiding van de inbreuken of misdrijven die omschreven zijn in de akte, vermeld in artikel 6.4.20.".
"Art. 6.4.21. Artikel 6.4.9 is van toepassing op deze afdeling, met dien verstande dat het proces-verbaal van vaststelling wordt overgeschreven op de kant van de overschrijving, vermeld in artikel 6.4.20.
De uitvoering van de minnelijke schikking, bevestigd in het proces-verbaal van vaststelling, dooft elk verder recht op herstel of vergoeding van schade, geleden door het algemeen belang naar aanleiding van de inbreuken of misdrijven die omschreven zijn in de akte, vermeld in artikel 6.4.20.".
Art. 103. A la section 5, insérée sous l'article 102 du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, il est ajouté un article 6.4.21, rédigé comme suit :
" Art. 6.4.21. L'article 6.4.9 s'applique à la présente section, étant entendu que le procès-verbal de constatation est transcrit en marge de la transcription, visée à l'article 6.4.20.
L'exécution de l'arrangement à l'amiable, confirmé dans le procès-verbal de constatation, éteint tout autre droit à une réparation ou à une indemnisation du dommage subi par l'intérêt général des suites des infractions ou délits, décrits dans l'acte, visé à l'article 6.4.20. ".
" Art. 6.4.21. L'article 6.4.9 s'applique à la présente section, étant entendu que le procès-verbal de constatation est transcrit en marge de la transcription, visée à l'article 6.4.20.
L'exécution de l'arrangement à l'amiable, confirmé dans le procès-verbal de constatation, éteint tout autre droit à une réparation ou à une indemnisation du dommage subi par l'intérêt général des suites des infractions ou délits, décrits dans l'acte, visé à l'article 6.4.20. ".
Art. 104. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan afdeling 5, ingevoegd bij artikel 100, een artikel 6.4.22 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.4.22. De miskenning van de verplichtingen die in de minnelijke schikking zijn opgenomen, vormt ten aanzien van de overtreders of andere belanghebbenden die de minnelijke schikking hebben ondertekend, een grondslag voor de toepassing van bestuursdwang of last onder dwangsom.".
"Art. 6.4.22. De miskenning van de verplichtingen die in de minnelijke schikking zijn opgenomen, vormt ten aanzien van de overtreders of andere belanghebbenden die de minnelijke schikking hebben ondertekend, een grondslag voor de toepassing van bestuursdwang of last onder dwangsom.".
Art. 104. A la section 5, insérée sous l'article 100 du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, il est ajouté un article 6.4.22, rédigé comme suit :
" Art. 6.4.22. Le non-respect des obligations reprises dans l'arrangement à l'amiable sert de base à l'application d'une contrainte administrative ou d'une charge sous astreinte dans le chef des contrevenants ou d'autres parties prenantes ayant conclu l'arrangement à l'amiable. ".
" Art. 6.4.22. Le non-respect des obligations reprises dans l'arrangement à l'amiable sert de base à l'application d'une contrainte administrative ou d'une charge sous astreinte dans le chef des contrevenants ou d'autres parties prenantes ayant conclu l'arrangement à l'amiable. ".
Art. 105. Aan titel VI van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010 en 11 mei 2012, wordt een hoofdstuk V toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Hoofdstuk V. - Inkomsten uit handhaving"
"Hoofdstuk V. - Inkomsten uit handhaving"
Art. 105. Sous le titre VI du même code, modifié par les décrets du 16 juillet 2010 et du 11 mai 2012, il est inséré un chapitre V, rédigé comme suit :
" Chapitre V. - Revenus générés par le maintien "
" Chapitre V. - Revenus générés par le maintien "
Art. 106. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan hoofdstuk V, ingevoegd bij artikel 105, een artikel 6.5.1 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.5.1. [1 De ontvangsten die voortvloeien uit de toepassing van titel VI worden toegewezen aan de DAB Grondfonds, vermeld in artikel 5.6.3.
De in het eerste lid vermelde ontvangsten mogen enkel worden aangewend voor het verrichten van uitgaven die voortvloeien uit de toepassing van titel VI.]1
"Art. 6.5.1. [1 De ontvangsten die voortvloeien uit de toepassing van titel VI worden toegewezen aan de DAB Grondfonds, vermeld in artikel 5.6.3.
De in het eerste lid vermelde ontvangsten mogen enkel worden aangewend voor het verrichten van uitgaven die voortvloeien uit de toepassing van titel VI.]1
Modifications
Art. 106. Au chapitre V, inséré sous l'article 105 du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, il est ajouté un article 6.5.1, rédigé comme suit :
" Art. 6.5.1. [1 Les recettes découlant de l'application du titre VI sont attribuées au SGS " Grondfonds ", visé à l'article 5.6.3.
Les recettes visées à l'alinéa premier ne peuvent être affectées qu'aux dépenses découlant de l'application du titre VI.]1
" Art. 6.5.1. [1 Les recettes découlant de l'application du titre VI sont attribuées au SGS " Grondfonds ", visé à l'article 5.6.3.
Les recettes visées à l'alinéa premier ne peuvent être affectées qu'aux dépenses découlant de l'application du titre VI.]1
Modifications
Art. 107. Aan titel VI van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010 en 11 mei 2012, wordt een hoofdstuk VI toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Hoofdstuk VI. - Diverse bepalingen"
"Hoofdstuk VI. - Diverse bepalingen"
Art. 107. Sous le titre VI du même code, modifié par les décrets du 16 juillet 2010 et du 11 mai 2012, il est inséré un chapitre VI, rédigé comme suit :
" Chapitre VI. - Dispositions diverses "
" Chapitre VI. - Dispositions diverses "
Art. 108. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan hoofdstuk VI, ingevoegd bij artikel 107, een artikel 6.6.1 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.6.1. § 1. De uitvoering van de maatregelen die krachtens deze titel begrepen zijn in een uitvoerbare rechterlijke of bestuurlijke beslissing, of minnelijke schikking, is nimmer vergunnings- of meldingsplichtig op grond van dit decreet.
§ 2. Vanaf de datum van afgifte van het proces-verbaal van vaststelling van uitvoering, vermeld in artikel 6.3.6, 6.4.9, 6.4.15, § 2, en artikel 6.4.21, kunnen ten aanzien van het voorwerp van de uitgevoerde herstelmaatregelen, stabiliteitswerken als vermeld in artikel 4.1.1, 11°, worden vergund.
§ 3. Vanaf de datum, vermeld in paragraaf 2, kan met betrekking tot het voorwerp van de uitgevoerde herstelmaatregelen, een herstelattest worden verleend. Dat attest bevestigt dat het voorwerp van de uitgevoerde herstelmaatregelen in de door het herstelattest gedocumenteerde staat behouden kan blijven.
Het herstelattest, vermeld in het eerste lid, wordt aangevraagd volgens regels die de Vlaamse Regering bepaalt, en wordt afgegeven door het college van burgemeester en schepenen.".
"Art. 6.6.1. § 1. De uitvoering van de maatregelen die krachtens deze titel begrepen zijn in een uitvoerbare rechterlijke of bestuurlijke beslissing, of minnelijke schikking, is nimmer vergunnings- of meldingsplichtig op grond van dit decreet.
§ 2. Vanaf de datum van afgifte van het proces-verbaal van vaststelling van uitvoering, vermeld in artikel 6.3.6, 6.4.9, 6.4.15, § 2, en artikel 6.4.21, kunnen ten aanzien van het voorwerp van de uitgevoerde herstelmaatregelen, stabiliteitswerken als vermeld in artikel 4.1.1, 11°, worden vergund.
§ 3. Vanaf de datum, vermeld in paragraaf 2, kan met betrekking tot het voorwerp van de uitgevoerde herstelmaatregelen, een herstelattest worden verleend. Dat attest bevestigt dat het voorwerp van de uitgevoerde herstelmaatregelen in de door het herstelattest gedocumenteerde staat behouden kan blijven.
Het herstelattest, vermeld in het eerste lid, wordt aangevraagd volgens regels die de Vlaamse Regering bepaalt, en wordt afgegeven door het college van burgemeester en schepenen.".
Art. 108. Au chapitre VI, inséré sous l'article 107 du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, il est ajouté un article 6.6.1, rédigé comme suit :
" Art. 6.6.1. § 1er. L'exécution des mesures comprises en vertu de ce titre dans une décision judiciaire ou administrative exécutoire ou dans un arrangement à l'amiable n'est jamais soumise à l'obligation de permis ou de déclaration sur la base du présent décret.
§ 2. A compter de la date de délivrance du procès-verbal de constatation d'exécution, visé à l'article 6.3.6, 6.4.9, 6.4.15, § 2, et à l'article 6.4.21, les travaux de stabilisation visés à l'article 4.1.1, 11°, peuvent être autorisés pour l'objet des mesures de réparation exécutées.
§ 3. A partir de la date visée au paragraphe 2, une attestation de réparation peut être octroyée pour l'objet des mesures de réparation exécutées. Cette attestation confirme que l'objet des mesures de réparation exécutées peut être maintenu dans l'état documenté dans l'attestation de réparation.
L'attestation de réparation, visée à l'alinéa premier, est demandée conformément aux règles établies par le Gouvernement flamand, et délivrée par le collège des bourgmestre et échevins. ".
" Art. 6.6.1. § 1er. L'exécution des mesures comprises en vertu de ce titre dans une décision judiciaire ou administrative exécutoire ou dans un arrangement à l'amiable n'est jamais soumise à l'obligation de permis ou de déclaration sur la base du présent décret.
§ 2. A compter de la date de délivrance du procès-verbal de constatation d'exécution, visé à l'article 6.3.6, 6.4.9, 6.4.15, § 2, et à l'article 6.4.21, les travaux de stabilisation visés à l'article 4.1.1, 11°, peuvent être autorisés pour l'objet des mesures de réparation exécutées.
§ 3. A partir de la date visée au paragraphe 2, une attestation de réparation peut être octroyée pour l'objet des mesures de réparation exécutées. Cette attestation confirme que l'objet des mesures de réparation exécutées peut être maintenu dans l'état documenté dans l'attestation de réparation.
L'attestation de réparation, visée à l'alinéa premier, est demandée conformément aux règles établies par le Gouvernement flamand, et délivrée par le collège des bourgmestre et échevins. ".
Art. 109. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan hoofdstuk VI, toegevoegd bij artikel 107, een artikel 6.6.2 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.6.2. De rechtbank kan de titel van eigendomsverkrijging of van huur vernietigen op vordering van de kopers of de huurders van een goed dat het voorwerp uitmaakt of kan uitmaken van gerechtelijke of bestuurlijke herstelmaatregelen, onverminderd het recht van de kopers of huurders om schadevergoeding te eisen.
De vordering tot vernietiging kan niet meer worden ingeroepen als de inbreuk op de informatieplicht met betrekking tot de publiciteit en de onderhandse overeenkomst is rechtgezet bij de authentieke akteverlening en de informatiegerechtigde in deze akte verzaakt aan de vordering tot nietigverklaring op basis van een inbreuk op de informatieplicht.".
"Art. 6.6.2. De rechtbank kan de titel van eigendomsverkrijging of van huur vernietigen op vordering van de kopers of de huurders van een goed dat het voorwerp uitmaakt of kan uitmaken van gerechtelijke of bestuurlijke herstelmaatregelen, onverminderd het recht van de kopers of huurders om schadevergoeding te eisen.
De vordering tot vernietiging kan niet meer worden ingeroepen als de inbreuk op de informatieplicht met betrekking tot de publiciteit en de onderhandse overeenkomst is rechtgezet bij de authentieke akteverlening en de informatiegerechtigde in deze akte verzaakt aan de vordering tot nietigverklaring op basis van een inbreuk op de informatieplicht.".
Art. 109. Au chapitre VI, inséré sous l'article 107 du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, il est ajouté un article 6.6.2, rédigé comme suit :
" Art. 6.6.2. Le tribunal peut annuler le titre d'obtention de propriété ou de location à la requête des vendeurs ou des locataires d'un bien faisant ou pouvant faire l'objet de mesures judiciaires ou administratives de réparation, sans préjudice du droit des vendeurs ou des locataires à réclamer l'indemnisation des dommages.
L'action d'annulation ne peut plus être invoquée lorsque l'infraction à l'obligation d'information ayant trait à la publicité et au marché de gré à gré est rectifiée lors de l'attribution de l'acte authentique et lorsque l'ayant droit d'information dans le cadre de cet acte renonce à l'action d'annulation sur la base d'une infraction à l'obligation d'information. ".
" Art. 6.6.2. Le tribunal peut annuler le titre d'obtention de propriété ou de location à la requête des vendeurs ou des locataires d'un bien faisant ou pouvant faire l'objet de mesures judiciaires ou administratives de réparation, sans préjudice du droit des vendeurs ou des locataires à réclamer l'indemnisation des dommages.
L'action d'annulation ne peut plus être invoquée lorsque l'infraction à l'obligation d'information ayant trait à la publicité et au marché de gré à gré est rectifiée lors de l'attribution de l'acte authentique et lorsque l'ayant droit d'information dans le cadre de cet acte renonce à l'action d'annulation sur la base d'une infraction à l'obligation d'information. ".
Art. 110. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt aan hoofdstuk VI, toegevoegd bij artikel 107, een artikel 6.6.3 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 6.6.3. De dagvaarding voor de correctionele rechtbank of het exploot tot inleiding van het geding, vermeld in artikel 6.3.1 en 6.3.3, wordt in het vergunningenregister van de gemeente waar het onroerend goed gelegen is, ingeschreven op verzoek van de deurwaarder die het exploot heeft opgemaakt.".
"Art. 6.6.3. De dagvaarding voor de correctionele rechtbank of het exploot tot inleiding van het geding, vermeld in artikel 6.3.1 en 6.3.3, wordt in het vergunningenregister van de gemeente waar het onroerend goed gelegen is, ingeschreven op verzoek van de deurwaarder die het exploot heeft opgemaakt.".
Art. 110. Au chapitre VI, inséré sous l'article 107 du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, il est ajouté un article 6.6.3, rédigé comme suit :
" Art. 6.6.3. La citation devant le Tribunal correctionnel ou l'exploit d'introduction de la cause, visé(e) aux articles 6.3.1 et 6.3.3, est inscrit(e) au registre des permis de la commune sur le territoire de laquelle est situé le bien immobilier, à la demande de l'huissier de justice qui a dressé exploit. ".
" Art. 6.6.3. La citation devant le Tribunal correctionnel ou l'exploit d'introduction de la cause, visé(e) aux articles 6.3.1 et 6.3.3, est inscrit(e) au registre des permis de la commune sur le territoire de laquelle est situé le bien immobilier, à la demande de l'huissier de justice qui a dressé exploit. ".
Art. 111. Artikel 7.7.1 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 7.7.1. De strafrechter kan de herstelvordering die regelmatig bij hem aanhangig is gemaakt en die gegrond is op instandhouding, nog steeds inwilligen als de beklaagde hieraan schuldig wordt bevonden en deze instandhouding op het ogenblik van de uitspraak een stedenbouwkundige inbreuk uitmaakt als vermeld in artikel 6.2.2, 1°.
Hetzelfde geldt voor de herstelvordering die gegrond is op het toestaan of aanvaarden door de eigenaar van feiten van instandhouding als vermeld in het eerste lid.
Een herstelvordering die door de stedenbouwkundige inspecteur is ingesteld op grond van instandhouding van handelingen kan vanaf 1 september 2009 niet langer worden ingewilligd als die instandhouding op het ogenblik van de uitspraak geen stedenbouwkundig misdrijf of stedenbouwkundige inbreuk meer uitmaakt.".
"Art. 7.7.1. De strafrechter kan de herstelvordering die regelmatig bij hem aanhangig is gemaakt en die gegrond is op instandhouding, nog steeds inwilligen als de beklaagde hieraan schuldig wordt bevonden en deze instandhouding op het ogenblik van de uitspraak een stedenbouwkundige inbreuk uitmaakt als vermeld in artikel 6.2.2, 1°.
Hetzelfde geldt voor de herstelvordering die gegrond is op het toestaan of aanvaarden door de eigenaar van feiten van instandhouding als vermeld in het eerste lid.
Een herstelvordering die door de stedenbouwkundige inspecteur is ingesteld op grond van instandhouding van handelingen kan vanaf 1 september 2009 niet langer worden ingewilligd als die instandhouding op het ogenblik van de uitspraak geen stedenbouwkundig misdrijf of stedenbouwkundige inbreuk meer uitmaakt.".
Art. 111. L'article 7.7.1 du même code est remplacé par ce qui suit :
" Art. 7.7.1. Le juge pénal peut toujours accepter l'action en réparation dont il a été saisi régulièrement et qui est fondée sur le maintien, si l'accusé en est reconnu coupable et que ce maintien constitue une infraction urbanistique, telle que visée à l'article 6.2.2, 1°, au moment du prononcé.
Il en va de même pour l'action en réparation fondée sur l'autorisation ou l'acceptation par le propriétaire de faits de maintien, tels que visés à l'alinéa premier.
Depuis le 1er septembre 2009, une action en réparation introduite par l'inspecteur urbaniste sur la base du maintien d'actes ne peut plus être autorisée si ce maintien ne constitue pas ou plus, au moment du prononcé, une infraction urbanistique. ".
" Art. 7.7.1. Le juge pénal peut toujours accepter l'action en réparation dont il a été saisi régulièrement et qui est fondée sur le maintien, si l'accusé en est reconnu coupable et que ce maintien constitue une infraction urbanistique, telle que visée à l'article 6.2.2, 1°, au moment du prononcé.
Il en va de même pour l'action en réparation fondée sur l'autorisation ou l'acceptation par le propriétaire de faits de maintien, tels que visés à l'alinéa premier.
Depuis le 1er septembre 2009, une action en réparation introduite par l'inspecteur urbaniste sur la base du maintien d'actes ne peut plus être autorisée si ce maintien ne constitue pas ou plus, au moment du prononcé, une infraction urbanistique. ".
Art. 112. Artikel 7.7.2 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 7.7.2. Als het recht van de stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester om een herstelvordering in te stellen ontstaan is vóór 1 september 2009, beginnen de termijnen [1 voor herstelvorderingen bij stedenbouwkundige misdrijven]1 , vermeld in artikel 6.3.3, § 3, pas te lopen vanaf die datum. De totale duur van de verjaringstermijn mag evenwel niet meer bedragen dan de termijnen, vermeld in artikel 2262bis, § 1, tweede en derde lid, van het Burgerlijk Wetboek.
Het eerste lid verhindert de toepassing van artikel 26 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering niet.
Als de herstelvordering bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing verjaard is verklaard voor de datum van 1 september 2009, vermeld in het eerste lid, kan de inwerkingtreding van het decreet van 27 maart 2009 tot aanpassing en aanvulling van het ruimtelijke plannings-, vergunningen- en handhavingsbeleid niet tot gevolg hebben dat een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen.
[1 Als het recht om een herstelvordering in te stellen is ontstaan vóór de inwerkingtreding van artikel 31 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning en op die datum niet of verjaard is of verjaard verklaard is bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing, beginnen de verjaringstermijnen voor herstelvorderingen bij stedenbouwkundige inbreuken, vermeld in artikel 6.3.3, § 3, te lopen vanaf de inwerkingtreding van artikel 31 van het voormelde decreet, ongeacht wanneer de eerste strafbare handeling of omissie, al dan niet deel uitmakend van feiten die door eenheid van opzet zijn verbonden, is gesteld. De totale duur van de verjaringstermijn mag evenwel niet meer bedragen dan tien jaar in ruimtelijk kwetsbaar gebied en open ruimtegebied en vijf jaar in alle andere gebieden als het tot inbreuk verworden misdrijf is beëindigd vóór de inwerkingtreding van dat artikel 31.]1 ".
"Art. 7.7.2. Als het recht van de stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester om een herstelvordering in te stellen ontstaan is vóór 1 september 2009, beginnen de termijnen [1 voor herstelvorderingen bij stedenbouwkundige misdrijven]1 , vermeld in artikel 6.3.3, § 3, pas te lopen vanaf die datum. De totale duur van de verjaringstermijn mag evenwel niet meer bedragen dan de termijnen, vermeld in artikel 2262bis, § 1, tweede en derde lid, van het Burgerlijk Wetboek.
Het eerste lid verhindert de toepassing van artikel 26 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering niet.
Als de herstelvordering bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing verjaard is verklaard voor de datum van 1 september 2009, vermeld in het eerste lid, kan de inwerkingtreding van het decreet van 27 maart 2009 tot aanpassing en aanvulling van het ruimtelijke plannings-, vergunningen- en handhavingsbeleid niet tot gevolg hebben dat een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen.
[1 Als het recht om een herstelvordering in te stellen is ontstaan vóór de inwerkingtreding van artikel 31 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning en op die datum niet of verjaard is of verjaard verklaard is bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing, beginnen de verjaringstermijnen voor herstelvorderingen bij stedenbouwkundige inbreuken, vermeld in artikel 6.3.3, § 3, te lopen vanaf de inwerkingtreding van artikel 31 van het voormelde decreet, ongeacht wanneer de eerste strafbare handeling of omissie, al dan niet deel uitmakend van feiten die door eenheid van opzet zijn verbonden, is gesteld. De totale duur van de verjaringstermijn mag evenwel niet meer bedragen dan tien jaar in ruimtelijk kwetsbaar gebied en open ruimtegebied en vijf jaar in alle andere gebieden als het tot inbreuk verworden misdrijf is beëindigd vóór de inwerkingtreding van dat artikel 31.]1 ".
Modifications
Art. 112. L'article 7.7.2 du même code est remplacé par ce qui suit :
" Art. 7.7.2. Si le droit de l'inspecteur urbaniste ou du bourgmestre d'introduire une action en réparation a été acquis avant le 1er septembre 2009, les délais [1 pour les requêtes en réparation en cas de délits urbanistiques, ]1 visés à l'article 6.3.3, § 3 ne commencent à courir qu'à partir de cette date. La durée totale du délai de prescription ne peut toutefois pas excéder les délais visés à l'article 2262bis, § 1er, deuxième et troisième alinéas, du Code civil.
L'alinéa premier n'empêche nullement l'application de l'article 26 du titre précédent du Code de procédure pénale.
Si l'action en réparation est déclarée prescrite par une décision passée en force de chose jugée avant la date du 1er septembre 2009, visée à l'alinéa premier, l'entrée en vigueur du décret du 27 mars 2009 adaptant et complétant la politique d'aménagement du territoire ne peut entraîner le début d'un nouveau délai de prescription.
[1 Si le droit d'introduire une requête en réparation a été acquis avant l'entrée en vigueur de l'article 31 du décret du 25 avril 2014 relatif au maintien du permis d'environnement, et n'est pas prescrit ou n'a pas été déclaré prescrit par une décision passée en force de chose jugée à cette date, les délais de prescription des requêtes en réparation pour les infractions urbanistiques, visés à l'article 6.3.3, § 3, commencent à courir à compter de l'entrée en vigueur de l'article 31 du décret précité, quel que soit le moment où le premier acte ou la première omission délictueux, faisant ou non partie de faits liés par intention unique, a été commis. Toutefois, la durée totale du délai de prescription ne doit pas dépasser dix années dans une zone vulnérable sur le plan spatial et dans une zone d'espace ouvert et cinq ans dans toutes les autres zones, si le délit devenu infraction a pris fin avant l'entrée en vigueur de cet article 31]1 ".
" Art. 7.7.2. Si le droit de l'inspecteur urbaniste ou du bourgmestre d'introduire une action en réparation a été acquis avant le 1er septembre 2009, les délais [1 pour les requêtes en réparation en cas de délits urbanistiques, ]1 visés à l'article 6.3.3, § 3 ne commencent à courir qu'à partir de cette date. La durée totale du délai de prescription ne peut toutefois pas excéder les délais visés à l'article 2262bis, § 1er, deuxième et troisième alinéas, du Code civil.
L'alinéa premier n'empêche nullement l'application de l'article 26 du titre précédent du Code de procédure pénale.
Si l'action en réparation est déclarée prescrite par une décision passée en force de chose jugée avant la date du 1er septembre 2009, visée à l'alinéa premier, l'entrée en vigueur du décret du 27 mars 2009 adaptant et complétant la politique d'aménagement du territoire ne peut entraîner le début d'un nouveau délai de prescription.
[1 Si le droit d'introduire une requête en réparation a été acquis avant l'entrée en vigueur de l'article 31 du décret du 25 avril 2014 relatif au maintien du permis d'environnement, et n'est pas prescrit ou n'a pas été déclaré prescrit par une décision passée en force de chose jugée à cette date, les délais de prescription des requêtes en réparation pour les infractions urbanistiques, visés à l'article 6.3.3, § 3, commencent à courir à compter de l'entrée en vigueur de l'article 31 du décret précité, quel que soit le moment où le premier acte ou la première omission délictueux, faisant ou non partie de faits liés par intention unique, a été commis. Toutefois, la durée totale du délai de prescription ne doit pas dépasser dix années dans une zone vulnérable sur le plan spatial et dans une zone d'espace ouvert et cinq ans dans toutes les autres zones, si le délit devenu infraction a pris fin avant l'entrée en vigueur de cet article 31]1 ".
Modifications
Art. 113. Artikel 7.7.3 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 7.7.3. Het Handhavingsplan Ruimtelijke Ordening 2010, vastgesteld door de Vlaamse Regering op 16 juli 2010, blijft van kracht zolang het niet werd vervangen door een Gewestelijk Handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening als vermeld in artikel 6.1.3.".
"Art. 7.7.3. Het Handhavingsplan Ruimtelijke Ordening 2010, vastgesteld door de Vlaamse Regering op 16 juli 2010, blijft van kracht zolang het niet werd vervangen door een Gewestelijk Handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening als vermeld in artikel 6.1.3.".
Art. 113. L'article 7.7.3 du même code est remplacé par ce qui suit :
" Art. 7.7.3. Le Plan de maintien en matière d'aménagement du territoire de 2010, défini par le Gouvernement flamand le 16 juillet 2010, reste en vigueur tant qu'il n'est pas remplacé par un Plan de maintien régional en matière d'aménagement du territoire, tel que visé à l'article 6.1.3. ".
" Art. 7.7.3. Le Plan de maintien en matière d'aménagement du territoire de 2010, défini par le Gouvernement flamand le 16 juillet 2010, reste en vigueur tant qu'il n'est pas remplacé par un Plan de maintien régional en matière d'aménagement du territoire, tel que visé à l'article 6.1.3. ".
Art. 114. Artikel 7.7.4 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 7.7.4. Artikel 6.6.1, § 3, is niet van toepassing op processen-verbaal van vaststelling van uitvoering als de uitgevoerde herstelmaatregelen zijn opgelegd voor de inwerkingtreding van artikel [1 55]1 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning.".
"Art. 7.7.4. Artikel 6.6.1, § 3, is niet van toepassing op processen-verbaal van vaststelling van uitvoering als de uitgevoerde herstelmaatregelen zijn opgelegd voor de inwerkingtreding van artikel [1 55]1 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning.".
Modifications
Art. 114. L'article 7.7.4 du même code est remplacé par ce qui suit :
" Art. 7.7.4. L'article 6.6.1, § 3, ne s'applique pas aux procès-verbaux de constatation d'exécution si les mesures de réparation exécutées ont été imposées avant l'entrée en vigueur de l'article [1 55]1 du décret du 25 avril 2014 relatif au maintien du permis d'environnement. ".
" Art. 7.7.4. L'article 6.6.1, § 3, ne s'applique pas aux procès-verbaux de constatation d'exécution si les mesures de réparation exécutées ont été imposées avant l'entrée en vigueur de l'article [1 55]1 du décret du 25 avril 2014 relatif au maintien du permis d'environnement. ".
Modifications
Art. 115. Aan titel VII, hoofdstuk VII, van dezelfde codex wordt een artikel 7.7.5 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 7.7.5. Vanaf de inwerkingtreding van titel VI, hoofdstuk III, afdeling 1, zoals gewijzigd bij artikelen 55 tot en met 61 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning nemen de burgemeester en de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur de taken en bevoegdheden over die voor de inwerkingtreding door het college van burgemeester en schepenen werden waargenomen in het kader van titel VI van deze codex, en zetten ze de herstelvorderingen voort die door het college van burgemeester en schepenen werden ingeleid bij het openbaar ministerie of voor de burgerlijke rechter.".
"Art. 7.7.5. Vanaf de inwerkingtreding van titel VI, hoofdstuk III, afdeling 1, zoals gewijzigd bij artikelen 55 tot en met 61 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning nemen de burgemeester en de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur de taken en bevoegdheden over die voor de inwerkingtreding door het college van burgemeester en schepenen werden waargenomen in het kader van titel VI van deze codex, en zetten ze de herstelvorderingen voort die door het college van burgemeester en schepenen werden ingeleid bij het openbaar ministerie of voor de burgerlijke rechter.".
Art. 115. Au titre VII, chapitre VII du même code, il est ajouté un article 7.7.5, rédigé comme suit :
" Art. 7.7.5. A compter de l'entrée en vigueur du titre VI, chapitre III, section 1re, tel que modifié par les articles 55 à 61 inclus du décret du 25 avril 2014 relatif au maintien du permis d'environnement, le bourgmestre et l'inspecteur urbaniste communal reprennent les tâches et compétences qui, avant cette entrée en vigueur, étaient assurées par le collège des bourgmestre et échevins dans le cadre du titre VI du présent code, et poursuivent les actions en réparation introduites par le collège des bourgmestre et échevins auprès du ministère public ou par-devant le juge civil. ".
" Art. 7.7.5. A compter de l'entrée en vigueur du titre VI, chapitre III, section 1re, tel que modifié par les articles 55 à 61 inclus du décret du 25 avril 2014 relatif au maintien du permis d'environnement, le bourgmestre et l'inspecteur urbaniste communal reprennent les tâches et compétences qui, avant cette entrée en vigueur, étaient assurées par le collège des bourgmestre et échevins dans le cadre du titre VI du présent code, et poursuivent les actions en réparation introduites par le collège des bourgmestre et échevins auprès du ministère public ou par-devant le juge civil. ".
Art. 116. Aan titel VII, hoofdstuk VII, van dezelfde codex wordt een artikel 7.7.6 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 7.7.6. [1 In afwijking van artikel 6.2.6 wordt de voorzetting van handelingen, werken of wijzigingen die voor de inwerkingtreding van artikel 41 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning zijn vastgesteld, en die in strijd zijn met een stakingsbevel, bestraft conform de bepalingen van artikel 6.1.49 en 6.1.50, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van artikel 41 van het voormelde decreet. Titel VI, hoofdstuk I, afdeling 7, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van artikel 41 van het voormelde decreet, blijft onverkort van toepassing op die feiten en op de administratieve geldboete die erop gegrond zijn of worden.
Als de voortzetting van de handelingen, werken of wijzigingen in strijd met een bevel tot staking, de bekrachtigingsbeslissing of, in voorkomend geval, de beschikking in kort geding is uitgevoerd voor de inwerkingtreding van artikel 41 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning en wordt vastgesteld na de inwerkingtreding van artikel 41 van het voormelde decreet, wordt er een geldboete opgelegd conform de procedure van onderafdeling 3 van titel VI, hoofdstuk II, afdeling 3, met dien verstande dat de administratieve geldboete niet meer kan bedragen dan bepaald in artikel 6.1.49, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van artikel 41 van het voormelde decreet.]1 ".
"Art. 7.7.6. [1 In afwijking van artikel 6.2.6 wordt de voorzetting van handelingen, werken of wijzigingen die voor de inwerkingtreding van artikel 41 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning zijn vastgesteld, en die in strijd zijn met een stakingsbevel, bestraft conform de bepalingen van artikel 6.1.49 en 6.1.50, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van artikel 41 van het voormelde decreet. Titel VI, hoofdstuk I, afdeling 7, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van artikel 41 van het voormelde decreet, blijft onverkort van toepassing op die feiten en op de administratieve geldboete die erop gegrond zijn of worden.
Als de voortzetting van de handelingen, werken of wijzigingen in strijd met een bevel tot staking, de bekrachtigingsbeslissing of, in voorkomend geval, de beschikking in kort geding is uitgevoerd voor de inwerkingtreding van artikel 41 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning en wordt vastgesteld na de inwerkingtreding van artikel 41 van het voormelde decreet, wordt er een geldboete opgelegd conform de procedure van onderafdeling 3 van titel VI, hoofdstuk II, afdeling 3, met dien verstande dat de administratieve geldboete niet meer kan bedragen dan bepaald in artikel 6.1.49, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van artikel 41 van het voormelde decreet.]1 ".
Modifications
Art. 116. Au titre VII, chapitre VII du même code, il est ajouté un article 7.7.6, rédigé comme suit :
" Art. 7.7.6. [1 Par dérogation à l'article 6.2.6, la poursuite des actes, travaux ou modifications qui ont été adoptés avant l'entrée en vigueur de l'article 41 du décret du 25 avril 2014 concernant le maintien du permis d'environnement, et qui sont contraires à un ordre de cessation, est sanctionnée conformément aux dispositions des articles 6.1.49 et 6.1.50, telles qu'elles étaient en vigueur avant l'entrée en vigueur de l'article 41 dudit décret. Le titre VI, chapitre I, section 7, tel qu'il était en vigueur avant l'entrée en vigueur de l'article 41 du décret précité. Le titre VI, chapitre I, section 7, tel qu'il était en vigueur avant l'entrée en vigueur de l'article 41 du décret précité, reste applicable sans restrictions à ces faits et à l'amende administrative qui en a découlé ou en découle.
Si la poursuite des actes, travaux ou modifications a été effectuée en violation d'un ordre de cessation, de la décision de ratification ou, le cas échéant, la décision en référé, avant l'entrée en vigueur de l'article 41 du décret du 25 avril 2014 relatif au maintien du permis d'environnement, et est constatée après l'entrée en vigueur de l'article 41 de ce décret, une amende est infligée conformément à la procédure prévue à la sous-section 3 du titre VI, chapitre II, section 3, étant entendu que l'amende administrative ne peut pas être supérieure à ce qui a été fixé à l'article 6.1.49, tel qu'il était en vigueur avant l'entrée en vigueur de l'article 41 du décret précité.]1 ".
" Art. 7.7.6. [1 Par dérogation à l'article 6.2.6, la poursuite des actes, travaux ou modifications qui ont été adoptés avant l'entrée en vigueur de l'article 41 du décret du 25 avril 2014 concernant le maintien du permis d'environnement, et qui sont contraires à un ordre de cessation, est sanctionnée conformément aux dispositions des articles 6.1.49 et 6.1.50, telles qu'elles étaient en vigueur avant l'entrée en vigueur de l'article 41 dudit décret. Le titre VI, chapitre I, section 7, tel qu'il était en vigueur avant l'entrée en vigueur de l'article 41 du décret précité. Le titre VI, chapitre I, section 7, tel qu'il était en vigueur avant l'entrée en vigueur de l'article 41 du décret précité, reste applicable sans restrictions à ces faits et à l'amende administrative qui en a découlé ou en découle.
Si la poursuite des actes, travaux ou modifications a été effectuée en violation d'un ordre de cessation, de la décision de ratification ou, le cas échéant, la décision en référé, avant l'entrée en vigueur de l'article 41 du décret du 25 avril 2014 relatif au maintien du permis d'environnement, et est constatée après l'entrée en vigueur de l'article 41 de ce décret, une amende est infligée conformément à la procédure prévue à la sous-section 3 du titre VI, chapitre II, section 3, étant entendu que l'amende administrative ne peut pas être supérieure à ce qui a été fixé à l'article 6.1.49, tel qu'il était en vigueur avant l'entrée en vigueur de l'article 41 du décret précité.]1 ".
Modifications
Hoofdstuk 3. - Wijzigingen van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
Chapitre 3. - Modifications du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement
Art. 117. In titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 1 maart 2013, worden de woorden "Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving" telkens vervangen door de woorden "Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu".
Art. 117. Sous le titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, inséré par le décret du 21 décembre 2007 et modifié en dernier lieu par le décret du 1er mars 2013, les mots " Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving " (Conseil supérieur flamand du Maintien environnemental) sont systématiquement remplacé par " Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu " (Conseil supérieur flamand pour le maintien du territoire et de l'environnement).
Art. 118. Aan artikel 16.1.1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007, en gewijzigd bij de decreten van 12 december 2008, 30 april 2009, 8 mei 2009, 23 december 2010, 23 december 2011 en 8 februari 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° aan het eerste lid wordt een punt 19° ter toegevoegd, dat luidt als volgt :
"19° ter : het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning voor zover het projecten betreft bedoeld in artikel 5, 1°, c, en 2°, b.";
2° er wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Hoofdstuk II en hoofdstuk IV, afdeling III en V, van deze titel zijn van toepassing op titel VI van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009.".
1° aan het eerste lid wordt een punt 19° ter toegevoegd, dat luidt als volgt :
"19° ter : het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning voor zover het projecten betreft bedoeld in artikel 5, 1°, c, en 2°, b.";
2° er wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Hoofdstuk II en hoofdstuk IV, afdeling III en V, van deze titel zijn van toepassing op titel VI van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009.".
Art. 118. A l'article 16.1.1 du même décret, inséré par le décret du 21 décembre 2007 et modifié par les décrets du 12 décembre 2008, 30 avril 2009, 8 mai 2009, 23 décembre 2010, 23 décembre 2011 et 8 février 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa premier, il est ajouté un point 19° ter, rédigé comme suit :
" 19° ter : le décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement pour autant qu'il concerne les projets visés à l'article 5, 1°, c, et 2°, b. " ;
2° il est ajouté un troisième alinéa, rédigé comme suit :
" Le chapitre II et le chapitre IV, sections III et V, du présent titre s'appliquent au titre VI du Code flamand de l'aménagement du territoire du 15 mai 2009. ".
1° à l'alinéa premier, il est ajouté un point 19° ter, rédigé comme suit :
" 19° ter : le décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement pour autant qu'il concerne les projets visés à l'article 5, 1°, c, et 2°, b. " ;
2° il est ajouté un troisième alinéa, rédigé comme suit :
" Le chapitre II et le chapitre IV, sections III et V, du présent titre s'appliquent au titre VI du Code flamand de l'aménagement du territoire du 15 mai 2009. ".
Art. 119. Artikel 16.2.1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007, wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 16.2.1. De Vlaamse Regering is belast met de coördinatie en de inhoudelijke invulling van het handhavingsbeleid inzake milieu en ruimtelijke ordening.".
"Art. 16.2.1. De Vlaamse Regering is belast met de coördinatie en de inhoudelijke invulling van het handhavingsbeleid inzake milieu en ruimtelijke ordening.".
Art. 119. L'article 16.2.1 du même décret, inséré par le décret du 21 décembre 2007, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 16.2.1. Le Gouvernement flamand est chargé de la coordination et de la concrétisation de la politique de maintien en matière d'environnement et d'aménagement du territoire. ".
" Art. 16.2.1. Le Gouvernement flamand est chargé de la coordination et de la concrétisation de la politique de maintien en matière d'environnement et d'aménagement du territoire. ".
Art. 120. Artikel 16.2.2 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007, wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 16.2.2. Ter ondersteuning van het Vlaams Parlement en de Vlaamse Regering wordt een gewestelijke raad voor de handhaving van de milieuwetgeving en de handhaving van de bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening opgericht, hierna de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu te noemen.".
"Art. 16.2.2. Ter ondersteuning van het Vlaams Parlement en de Vlaamse Regering wordt een gewestelijke raad voor de handhaving van de milieuwetgeving en de handhaving van de bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening opgericht, hierna de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu te noemen.".
Art. 120. L'article 16.2.2 du même décret, inséré par le décret du 21 décembre 2007, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 16.2.2. En soutien du Parlement flamand et du Gouvernement flamand, il est créé un conseil régional pour le maintien de la législation environnementale et le maintien des dispositions du Code flamand de l'aménagement du territoire, ci-après dénommé " Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu " (Conseil supérieur flamand pour le maintien du territoire et de l'environnement). ".
" Art. 16.2.2. En soutien du Parlement flamand et du Gouvernement flamand, il est créé un conseil régional pour le maintien de la législation environnementale et le maintien des dispositions du Code flamand de l'aménagement du territoire, ci-après dénommé " Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu " (Conseil supérieur flamand pour le maintien du territoire et de l'environnement). ".
Art. 121. Artikel 16.2.3 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007, wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 16.2.3. Met het oog op een doelmatige handhaving van de milieuwetgeving en de bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 pleegt de Vlaamse Regering, daarin bijgestaan door de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu, systematisch overleg met de daarvoor bevoegde overheden.
De op basis van dat overleg gemaakte afspraken worden in protocollen vastgelegd.
De Vlaamse Regering bepaalt de manier waarop de protocollen worden vastgelegd.".
"Art. 16.2.3. Met het oog op een doelmatige handhaving van de milieuwetgeving en de bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 pleegt de Vlaamse Regering, daarin bijgestaan door de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu, systematisch overleg met de daarvoor bevoegde overheden.
De op basis van dat overleg gemaakte afspraken worden in protocollen vastgelegd.
De Vlaamse Regering bepaalt de manier waarop de protocollen worden vastgelegd.".
Art. 121. L'article 16.2.3 du même décret, inséré par le décret du 21 décembre 2007, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 16.2.3. En vue d'un maintien efficace de la législation environnementale et des dispositions du Code flamand de l'aménagement du territoire du 15 mai 2009, le Gouvernement flamand se concerte systématiquement avec les autorités compétentes, assisté en cela par le " Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu " (Conseil supérieur flamand pour le maintien du territoire et de l'environnement).
Les accords pris sur la base de cette concertation sont bétonnés dans des protocoles.
Le Gouvernement flamand détermine la manière dont les protocoles sont établis. ".
" Art. 16.2.3. En vue d'un maintien efficace de la législation environnementale et des dispositions du Code flamand de l'aménagement du territoire du 15 mai 2009, le Gouvernement flamand se concerte systématiquement avec les autorités compétentes, assisté en cela par le " Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu " (Conseil supérieur flamand pour le maintien du territoire et de l'environnement).
Les accords pris sur la base de cette concertation sont bétonnés dans des protocoles.
Le Gouvernement flamand détermine la manière dont les protocoles sont établis. ".
Art. 122. Artikel 16.2.5 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007, wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 16.2.5. Jaarlijks stelt de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu een handhavingsrapport op. Alle overheden die deel uitmaken van het Vlaamse Gewest en die belast zijn met de handhaving van het milieurecht stellen, hetzij op eenvoudige vraag van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu, hetzij uit eigen beweging, alle informatie waarover ze beschikken en die van nut kan zijn voor de opstelling van het handhavingsrapport, ter beschikking van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu.
De Vlaamse Regering zal de overheden die belast zijn met de handhaving van het milieurecht en waarvoor het Vlaamse Gewest niet bevoegd is, uitnodigen om de informatie waarover ze beschikken en die ook van nut kan zijn voor de opstelling van het handhavingsrapport, vrijwillig ter beschikking te stellen van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu.
Het handhavingsrapport omvat minstens de volgende onderdelen :
1° een algemene evaluatie van het in het afgelopen kalenderjaar gevoerde gewestelijke handhavingsbeleid;
2° een specifieke evaluatie van de inzet van de afzonderlijke handhavingsinstrumenten;
3° een overzicht van de gevallen waarin, binnen de gestelde termijn, geen uitspraak werd gedaan over de beroepen tegen besluiten houdende bestuurlijke maatregelen;
4° een evaluatie van de beslissingspraktijk van de parketten inzake het al dan niet strafrechtelijk behandelen van een vastgesteld misdrijf inzake milieu;
5° een overzicht en vergelijking van het door de gemeenten en provincies gevoerde handhavingsbeleid inzake milieu;
6° een inventaris van de inzichten die tijdens de handhaving werden opgedaan en die kunnen worden aangewend voor de verbetering van de milieuregelgeving, beleidsvisies en beleidsuitvoering;
7° aanbevelingen voor de verdere ontwikkeling van het handhavingsbeleid inzake milieu.
Het handhavingsrapport van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu kan naast de rapportering over de milieuhandhaving ook rapportering over de handhaving van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bevatten. Alle overheden die deel uitmaken van het Vlaamse Gewest en die belast zijn met de handhaving van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, stellen daarvoor, hetzij op eenvoudige vraag van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu, hetzij uit eigen beweging, alle informatie waarover ze beschikken en die van nut kan zijn voor de opstelling van het handhavingsrapport, ter beschikking van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu. De rapportering over de handhaving van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening omvat minstens de onderdelen opgesomd in het vorige lid.
De Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu deelt het handhavingsrapport mee aan de Vlaamse Regering. Die bezorgt het handhavingsrapport aan het Vlaams Parlement, de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen, de Strategische Adviesraad Ruimtelijke Ordening - Onroerend Erfgoed, de provincies en de gemeenten.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de inhoud, de opstelling en de verspreiding van het handhavingsrapport.".
"Art. 16.2.5. Jaarlijks stelt de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu een handhavingsrapport op. Alle overheden die deel uitmaken van het Vlaamse Gewest en die belast zijn met de handhaving van het milieurecht stellen, hetzij op eenvoudige vraag van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu, hetzij uit eigen beweging, alle informatie waarover ze beschikken en die van nut kan zijn voor de opstelling van het handhavingsrapport, ter beschikking van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu.
De Vlaamse Regering zal de overheden die belast zijn met de handhaving van het milieurecht en waarvoor het Vlaamse Gewest niet bevoegd is, uitnodigen om de informatie waarover ze beschikken en die ook van nut kan zijn voor de opstelling van het handhavingsrapport, vrijwillig ter beschikking te stellen van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu.
Het handhavingsrapport omvat minstens de volgende onderdelen :
1° een algemene evaluatie van het in het afgelopen kalenderjaar gevoerde gewestelijke handhavingsbeleid;
2° een specifieke evaluatie van de inzet van de afzonderlijke handhavingsinstrumenten;
3° een overzicht van de gevallen waarin, binnen de gestelde termijn, geen uitspraak werd gedaan over de beroepen tegen besluiten houdende bestuurlijke maatregelen;
4° een evaluatie van de beslissingspraktijk van de parketten inzake het al dan niet strafrechtelijk behandelen van een vastgesteld misdrijf inzake milieu;
5° een overzicht en vergelijking van het door de gemeenten en provincies gevoerde handhavingsbeleid inzake milieu;
6° een inventaris van de inzichten die tijdens de handhaving werden opgedaan en die kunnen worden aangewend voor de verbetering van de milieuregelgeving, beleidsvisies en beleidsuitvoering;
7° aanbevelingen voor de verdere ontwikkeling van het handhavingsbeleid inzake milieu.
Het handhavingsrapport van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu kan naast de rapportering over de milieuhandhaving ook rapportering over de handhaving van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bevatten. Alle overheden die deel uitmaken van het Vlaamse Gewest en die belast zijn met de handhaving van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, stellen daarvoor, hetzij op eenvoudige vraag van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu, hetzij uit eigen beweging, alle informatie waarover ze beschikken en die van nut kan zijn voor de opstelling van het handhavingsrapport, ter beschikking van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu. De rapportering over de handhaving van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening omvat minstens de onderdelen opgesomd in het vorige lid.
De Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu deelt het handhavingsrapport mee aan de Vlaamse Regering. Die bezorgt het handhavingsrapport aan het Vlaams Parlement, de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen, de Strategische Adviesraad Ruimtelijke Ordening - Onroerend Erfgoed, de provincies en de gemeenten.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de inhoud, de opstelling en de verspreiding van het handhavingsrapport.".
Art. 122. L'article 16.2.5 du même décret, inséré par le décret du 21 décembre 2007, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 16.2.5. Chaque année, le " Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu " (Conseil supérieur flamand pour le maintien du territoire et de l'environnement) rédige un rapport de maintien. Toutes les autorités qui font partie de la Région flamande et qui sont chargées du maintien du droit de l'environnement mettent à la disposition du " Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu ", soit sur simple demande du " Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu ", soit de leur propre initiative, toutes les informations dont elles disposent et qui peuvent être utiles à la rédaction du rapport de maintien.
Le Gouvernement flamand invitera les autorités chargées du maintien du droit de l'environnement qui ne sont pas du ressort de la Région flamande à mettre volontairement à la disposition du " Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu " les informations dont elles disposent et qui peuvent également être utiles à la rédaction du rapport de maintien.
Le rapport de maintien contient au moins les éléments suivants :
1° une évaluation générale de la politique régionale de maintien menée au cours de l'année civile écoulée ;
2° une évaluation spécifique de l'apport des différents instruments de maintien ;
3° un relevé des cas où, dans les délais fixés, aucun jugement n'a été rendu concernant les recours à l'encontre de décisions portant des mesures administratives ;
4° une évaluation de la pratique de décision des parquets concernant le traitement pénal ou non d'un délit constaté en matière d'environnement ;
5° un aperçu et une comparaison de la politique de maintien menée par les communes et les provinces en matière d'environnement ;
6° un inventaire des connaissances acquises durant le maintien et qui pourront être utilisées en vue de l'amélioration de la réglementation, des visions politiques et de l'exécution de la politique en matière d'environnement ;
7° des recommandations en vue du développement détaillé de la politique de maintien en matière d'environnement.
Le rapport de maintien du " Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu " peut contenir, en plus du rapport sur le maintien de l'environnement, un rapport sur le maintien du Code flamand de l'aménagement du territoire. A cet effet, toutes les autorités qui font partie de la Région flamande et qui sont chargées du maintien du Code flamand de l'aménagement du territoire du 15 mai 2009 mettent à la disposition du " Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu ", soit sur simple demande du " Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu ", soit de leur propre initiative, toutes les informations dont elles disposent et qui peuvent être utiles à la rédaction du rapport de maintien. Le rapport relatif au maintien du Code flamand de l'aménagement du territoire contient au moins les éléments énumérés à l'alinéa précédent.
Le " Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu " communique le rapport de maintien au Gouvernement flamand, qui transmet le rapport de maintien au Parlement flamand, au " Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen " (Conseil socio-économique flamand), au " Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen " (Conseil flamand de l'environnement et de la nature), au " Strategische Adviesraad Ruimtelijke Ordening - Onroerend Erfgoed " (Conseil d'avis stratégique de l'aménagement du territoire - Patrimoine immobilier), aux provinces et aux communes.
Le Gouvernement flamand peut arrêter d'autres modalités concernant le contenu, la rédaction et la diffusion du rapport de maintien. ".
" Art. 16.2.5. Chaque année, le " Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu " (Conseil supérieur flamand pour le maintien du territoire et de l'environnement) rédige un rapport de maintien. Toutes les autorités qui font partie de la Région flamande et qui sont chargées du maintien du droit de l'environnement mettent à la disposition du " Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu ", soit sur simple demande du " Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu ", soit de leur propre initiative, toutes les informations dont elles disposent et qui peuvent être utiles à la rédaction du rapport de maintien.
Le Gouvernement flamand invitera les autorités chargées du maintien du droit de l'environnement qui ne sont pas du ressort de la Région flamande à mettre volontairement à la disposition du " Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu " les informations dont elles disposent et qui peuvent également être utiles à la rédaction du rapport de maintien.
Le rapport de maintien contient au moins les éléments suivants :
1° une évaluation générale de la politique régionale de maintien menée au cours de l'année civile écoulée ;
2° une évaluation spécifique de l'apport des différents instruments de maintien ;
3° un relevé des cas où, dans les délais fixés, aucun jugement n'a été rendu concernant les recours à l'encontre de décisions portant des mesures administratives ;
4° une évaluation de la pratique de décision des parquets concernant le traitement pénal ou non d'un délit constaté en matière d'environnement ;
5° un aperçu et une comparaison de la politique de maintien menée par les communes et les provinces en matière d'environnement ;
6° un inventaire des connaissances acquises durant le maintien et qui pourront être utilisées en vue de l'amélioration de la réglementation, des visions politiques et de l'exécution de la politique en matière d'environnement ;
7° des recommandations en vue du développement détaillé de la politique de maintien en matière d'environnement.
Le rapport de maintien du " Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu " peut contenir, en plus du rapport sur le maintien de l'environnement, un rapport sur le maintien du Code flamand de l'aménagement du territoire. A cet effet, toutes les autorités qui font partie de la Région flamande et qui sont chargées du maintien du Code flamand de l'aménagement du territoire du 15 mai 2009 mettent à la disposition du " Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu ", soit sur simple demande du " Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu ", soit de leur propre initiative, toutes les informations dont elles disposent et qui peuvent être utiles à la rédaction du rapport de maintien. Le rapport relatif au maintien du Code flamand de l'aménagement du territoire contient au moins les éléments énumérés à l'alinéa précédent.
Le " Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu " communique le rapport de maintien au Gouvernement flamand, qui transmet le rapport de maintien au Parlement flamand, au " Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen " (Conseil socio-économique flamand), au " Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen " (Conseil flamand de l'environnement et de la nature), au " Strategische Adviesraad Ruimtelijke Ordening - Onroerend Erfgoed " (Conseil d'avis stratégique de l'aménagement du territoire - Patrimoine immobilier), aux provinces et aux communes.
Le Gouvernement flamand peut arrêter d'autres modalités concernant le contenu, la rédaction et la diffusion du rapport de maintien. ".
Art. 123. Artikel 16.2.6 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007, wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 16.2.6. De Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu stelt de krachtlijnen en de prioriteiten van het beleid inzake de handhaving van de milieuwetgeving voor. Hij doet dat op eigen initiatief of op verzoek van het Vlaams Parlement of de Vlaamse Regering.
De Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu kan op eigen initiatief of op verzoek van het Vlaams Parlement of de Vlaamse Regering voorstellen en adviezen formuleren in het kader van het handhavingsbeleid Ruimtelijke Ordening en ten aanzien van het gewestelijk handhavingsprogramma ruimtelijke ordening zoals bedoeld in artikel 6.1.3, § 1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.".
"Art. 16.2.6. De Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu stelt de krachtlijnen en de prioriteiten van het beleid inzake de handhaving van de milieuwetgeving voor. Hij doet dat op eigen initiatief of op verzoek van het Vlaams Parlement of de Vlaamse Regering.
De Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu kan op eigen initiatief of op verzoek van het Vlaams Parlement of de Vlaamse Regering voorstellen en adviezen formuleren in het kader van het handhavingsbeleid Ruimtelijke Ordening en ten aanzien van het gewestelijk handhavingsprogramma ruimtelijke ordening zoals bedoeld in artikel 6.1.3, § 1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.".
Art. 123. L'article 16.2.6 du même décret, inséré par le décret du 21 décembre 2007, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 16.2.6. Le Conseil supérieur flamand pour le maintien du territoire et de l'environnement propose les lignes directrices et les priorités de la politique en matière de maintien de la législation environnementale. Il le fait de sa propre initiative ou à la demande du Parlement flamand ou du Gouvernement flamand.
Le Conseil supérieur flamand pour le maintien du territoire et de l'environnement peut, de sa propre initiative ou à la demande du Parlement flamand ou du Gouvernement flamand, formuler des propositions et avis dans le cadre de la politique de maintien en matière d'aménagement du territoire et au regard du plan de maintien régional en matière d'aménagement du territoire, tel que visé à l'article 6.1.3, § 1er, du Code flamand de l'aménagement du territoire. ".
" Art. 16.2.6. Le Conseil supérieur flamand pour le maintien du territoire et de l'environnement propose les lignes directrices et les priorités de la politique en matière de maintien de la législation environnementale. Il le fait de sa propre initiative ou à la demande du Parlement flamand ou du Gouvernement flamand.
Le Conseil supérieur flamand pour le maintien du territoire et de l'environnement peut, de sa propre initiative ou à la demande du Parlement flamand ou du Gouvernement flamand, formuler des propositions et avis dans le cadre de la politique de maintien en matière d'aménagement du territoire et au regard du plan de maintien régional en matière d'aménagement du territoire, tel que visé à l'article 6.1.3, § 1er, du Code flamand de l'aménagement du territoire. ".
Art. 124. Artikel 16.2.7 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007, wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 16.2.7. § 1. De Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu telt dertien leden, alsook een vaste secretaris. De Vlaamse Regering benoemt de leden na voordracht, en de voorzitter, de ondervoorzitter en de vaste secretaris onder de personen die deskundig zijn op het vlak van de handhaving van het milieurecht of op het vlak van de handhaving van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009.
§ 2. De Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu wordt als volgt samengesteld :
1° een voorzitter;
2° een ondervoorzitter, deskundig op het vlak van de handhaving van de milieuwetgeving;
3° een ondervoorzitter, deskundig op het vlak van de handhaving van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
4° zes leden op voordracht van de beleidsraad van het beleidsdomein Leefmilieu, Natuur en Energie;
5° twee leden op voordracht van de beleidsraad van het beleidsdomein Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed;
6° een lid op voordracht van de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen;
7° een lid op voordracht van de Strategische Adviesraad Ruimtelijke Ordening - Onroerend Erfgoed;
8° een lid op voordracht van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen;
9° een lid op voordracht van de Vereniging van de Vlaamse Provincies;
10° een lid op voordracht van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten.
Voor de leden, vermeld in het eerste lid, 4° tot en met 10°, wordt telkens een plaatsvervanger aangewezen.
De leden, vermeld in 4° tot en met 10°, worden voorgedragen op een dubbeltal dat in een evenwichtige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen voorziet.
Een lid mag geen verkozen politiek mandaat uitoefenen.
De samenstelling, vermeld in het eerste lid, kan verder worden uitgebreid met :
1° een vertegenwoordiger, aangewezen op voordracht van het college van procureurs-generaal, ter vertegenwoordiging van de parketten-generaal bij de hoven van beroep;
2° een vertegenwoordiger, aangewezen op voordracht van het college van procureurs-generaal, ter vertegenwoordiging van de parketten bij de rechtbanken van eerste aanleg;
3° een vertegenwoordiger, aangewezen op voordracht van de bevoegde minister van Binnenlandse Zaken, ter vertegenwoordiging van de federale politie;
4° een vertegenwoordiger, aangewezen op voordracht van de bevoegde minister van Binnenlandse Zaken, ter vertegenwoordiging van de lokale politie.
Voor de leden, vermeld in het vijfde lid, wordt ook telkens een plaatsvervanger aangewezen.
Het niet aanwijzen van de vertegenwoordigers, vermeld in het vijfde lid, heeft geen gevolgen, noch voor de werking van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu, noch voor de geldigheid van de handelingen die de raad stelt.
§ 3. De leden van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu worden benoemd voor vijf jaar. Hun benoeming is hernieuwbaar. Een lid van wie het mandaat vacant verklaard wordt, wordt binnen drie maanden vervangen.".
"Art. 16.2.7. § 1. De Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu telt dertien leden, alsook een vaste secretaris. De Vlaamse Regering benoemt de leden na voordracht, en de voorzitter, de ondervoorzitter en de vaste secretaris onder de personen die deskundig zijn op het vlak van de handhaving van het milieurecht of op het vlak van de handhaving van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009.
§ 2. De Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu wordt als volgt samengesteld :
1° een voorzitter;
2° een ondervoorzitter, deskundig op het vlak van de handhaving van de milieuwetgeving;
3° een ondervoorzitter, deskundig op het vlak van de handhaving van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
4° zes leden op voordracht van de beleidsraad van het beleidsdomein Leefmilieu, Natuur en Energie;
5° twee leden op voordracht van de beleidsraad van het beleidsdomein Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed;
6° een lid op voordracht van de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen;
7° een lid op voordracht van de Strategische Adviesraad Ruimtelijke Ordening - Onroerend Erfgoed;
8° een lid op voordracht van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen;
9° een lid op voordracht van de Vereniging van de Vlaamse Provincies;
10° een lid op voordracht van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten.
Voor de leden, vermeld in het eerste lid, 4° tot en met 10°, wordt telkens een plaatsvervanger aangewezen.
De leden, vermeld in 4° tot en met 10°, worden voorgedragen op een dubbeltal dat in een evenwichtige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen voorziet.
Een lid mag geen verkozen politiek mandaat uitoefenen.
De samenstelling, vermeld in het eerste lid, kan verder worden uitgebreid met :
1° een vertegenwoordiger, aangewezen op voordracht van het college van procureurs-generaal, ter vertegenwoordiging van de parketten-generaal bij de hoven van beroep;
2° een vertegenwoordiger, aangewezen op voordracht van het college van procureurs-generaal, ter vertegenwoordiging van de parketten bij de rechtbanken van eerste aanleg;
3° een vertegenwoordiger, aangewezen op voordracht van de bevoegde minister van Binnenlandse Zaken, ter vertegenwoordiging van de federale politie;
4° een vertegenwoordiger, aangewezen op voordracht van de bevoegde minister van Binnenlandse Zaken, ter vertegenwoordiging van de lokale politie.
Voor de leden, vermeld in het vijfde lid, wordt ook telkens een plaatsvervanger aangewezen.
Het niet aanwijzen van de vertegenwoordigers, vermeld in het vijfde lid, heeft geen gevolgen, noch voor de werking van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu, noch voor de geldigheid van de handelingen die de raad stelt.
§ 3. De leden van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu worden benoemd voor vijf jaar. Hun benoeming is hernieuwbaar. Een lid van wie het mandaat vacant verklaard wordt, wordt binnen drie maanden vervangen.".
Art. 124. L'article 16.2.7 du même décret, inséré par le décret du 21 décembre 2007, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 16.2.7. § 1er. Le " Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu " compte treize membres, ainsi qu'un secrétaire permanent. Le Gouvernement flamand nomme les membres sur proposition, et le président, le vice-président et le secrétaire permanent parmi les personnes expertes en matière de maintien du droit environnemental ou en matière de maintien du Code flamand de l'aménagement du territoire du 15 mai 2009.
§ 2. Le " Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu " est composé comme suit :
1° un président ;
2° un vice-président, expert en matière de maintien de la législation environnementale ;
3° un vice-président, expert en matière de maintien du Code flamand de l'aménagement du territoire ;
4° six membres sur proposition du conseil politique du domaine politique de l'Environnement, de la Nature et de l'Energie ;
5° deux membres sur proposition du conseil politique du domaine politique de l'Aménagement du territoire, de la Politique du logement et du Patrimoine immobilier ;
6° un membre sur proposition du " Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen " ;
7° un membre sur proposition du " Strategische Adviesraad Ruimtelijke Ordening - Onroerend Erfgoed " ;
8° un membre sur proposition du " Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen " ;
9° un membre sur proposition de la " Vereniging van de Vlaamse Provincies " (Association des Provinces flamandes) ;
10° un membre sur proposition de la " Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten " (Association des Villes et Communes flamandes).
Un suppléant est chaque fois désigné pour les membres visés aux points 4° à 10° inclus de l'alinéa premier.
Les membres, visés aux points 4° à 10° inclus, sont proposés sur une liste double prévoyant une représentation équilibrée d'hommes et de femmes.
Un membre ne peut pas exercer un mandat politique élu.
La composition, visée à l'alinéa premier, peut ultérieurement être élargie par :
1° un représentant désigné sur proposition du collège des procureurs généraux, en représentation des parquets généraux auprès des cours d'appel ;
2° un représentant désigné sur proposition du collège des procureurs généraux, en représentation des parquets généraux auprès des tribunaux de première instance ;
3° un représentant désigné sur proposition du ministre de l'Intérieur compétent, en représentation de la police fédérale ;
4° un représentant désigné sur proposition du ministre de l'Intérieur compétent, en représentation de la police locale.
Un suppléant est chaque fois désigné pour les membres visés au cinquième alinéa.
La non-désignation des représentants visés au cinquième alinéa n'a pas de conséquences, ni pour le fonctionnement du Conseil supérieur flamand pour le maintien du territoire et de l'environnement, ni pour la validité de ses actes.
§ 3. Les membres du Conseil supérieur flamand pour le maintien du territoire et de l'environnement sont nommés pour cinq ans. Leur nomination est renouvelable. Un membre dont le mandat devient vacant est remplacé dans les trois mois. ".
" Art. 16.2.7. § 1er. Le " Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu " compte treize membres, ainsi qu'un secrétaire permanent. Le Gouvernement flamand nomme les membres sur proposition, et le président, le vice-président et le secrétaire permanent parmi les personnes expertes en matière de maintien du droit environnemental ou en matière de maintien du Code flamand de l'aménagement du territoire du 15 mai 2009.
§ 2. Le " Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu " est composé comme suit :
1° un président ;
2° un vice-président, expert en matière de maintien de la législation environnementale ;
3° un vice-président, expert en matière de maintien du Code flamand de l'aménagement du territoire ;
4° six membres sur proposition du conseil politique du domaine politique de l'Environnement, de la Nature et de l'Energie ;
5° deux membres sur proposition du conseil politique du domaine politique de l'Aménagement du territoire, de la Politique du logement et du Patrimoine immobilier ;
6° un membre sur proposition du " Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen " ;
7° un membre sur proposition du " Strategische Adviesraad Ruimtelijke Ordening - Onroerend Erfgoed " ;
8° un membre sur proposition du " Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen " ;
9° un membre sur proposition de la " Vereniging van de Vlaamse Provincies " (Association des Provinces flamandes) ;
10° un membre sur proposition de la " Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten " (Association des Villes et Communes flamandes).
Un suppléant est chaque fois désigné pour les membres visés aux points 4° à 10° inclus de l'alinéa premier.
Les membres, visés aux points 4° à 10° inclus, sont proposés sur une liste double prévoyant une représentation équilibrée d'hommes et de femmes.
Un membre ne peut pas exercer un mandat politique élu.
La composition, visée à l'alinéa premier, peut ultérieurement être élargie par :
1° un représentant désigné sur proposition du collège des procureurs généraux, en représentation des parquets généraux auprès des cours d'appel ;
2° un représentant désigné sur proposition du collège des procureurs généraux, en représentation des parquets généraux auprès des tribunaux de première instance ;
3° un représentant désigné sur proposition du ministre de l'Intérieur compétent, en représentation de la police fédérale ;
4° un représentant désigné sur proposition du ministre de l'Intérieur compétent, en représentation de la police locale.
Un suppléant est chaque fois désigné pour les membres visés au cinquième alinéa.
La non-désignation des représentants visés au cinquième alinéa n'a pas de conséquences, ni pour le fonctionnement du Conseil supérieur flamand pour le maintien du territoire et de l'environnement, ni pour la validité de ses actes.
§ 3. Les membres du Conseil supérieur flamand pour le maintien du territoire et de l'environnement sont nommés pour cinq ans. Leur nomination est renouvelable. Un membre dont le mandat devient vacant est remplacé dans les trois mois. ".
Art. 125. Artikel 16.2.9 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007, wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 16.2.9. De Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu stelt zijn huishoudelijk reglement op, dat minstens het volgende regelt :
1° de bevoegdheden van de voorzitter en de ondervoorzitters;
2° de wijze van bijeenroeping en beraadslaging;
3° de frequentie van de vergaderingen;
4° de voorwaarden waaronder de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu een beroep kan doen op externe deskundigen of op permanente of tijdelijke werkgroepen.
Het huishoudelijk reglement en de wijzigingen ervan worden ter goedkeuring voorgelegd aan de Vlaamse Regering.".
"Art. 16.2.9. De Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu stelt zijn huishoudelijk reglement op, dat minstens het volgende regelt :
1° de bevoegdheden van de voorzitter en de ondervoorzitters;
2° de wijze van bijeenroeping en beraadslaging;
3° de frequentie van de vergaderingen;
4° de voorwaarden waaronder de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu een beroep kan doen op externe deskundigen of op permanente of tijdelijke werkgroepen.
Het huishoudelijk reglement en de wijzigingen ervan worden ter goedkeuring voorgelegd aan de Vlaamse Regering.".
Art. 125. L'article 16.2.9 du même décret, inséré par le décret du 21 décembre 2007, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 16.2.9. Le " Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu " établit son règlement d'ordre intérieur, réglant au moins les matières suivantes :
1° les compétences du président et des vice-présidents ;
2° le mode de convocation et de délibération ;
3° la fréquence des réunions ;
4° les conditions auxquelles le " Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu " peut faire appel à des experts externes ou à des groupes de travail permanents ou temporaires.
Le règlement d'ordre intérieur et ses modifications sont présentés au Gouvernement flamand pour approbation. ".
" Art. 16.2.9. Le " Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu " établit son règlement d'ordre intérieur, réglant au moins les matières suivantes :
1° les compétences du président et des vice-présidents ;
2° le mode de convocation et de délibération ;
3° la fréquence des réunions ;
4° les conditions auxquelles le " Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu " peut faire appel à des experts externes ou à des groupes de travail permanents ou temporaires.
Le règlement d'ordre intérieur et ses modifications sont présentés au Gouvernement flamand pour approbation. ".
Art. 127. In artikel 16.3.23 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007, wordt het tweede lid vervangen door wat volgt :
"De Vlaamse Regering kan de vorm van het verslag van vaststelling bepalen, alsook welke andere overheden geïnformeerd kunnen worden over de vastgestelde milieu-inbreuken, vermeld in het eerste lid, en de wijze waarop dat moet gebeuren.".
"De Vlaamse Regering kan de vorm van het verslag van vaststelling bepalen, alsook welke andere overheden geïnformeerd kunnen worden over de vastgestelde milieu-inbreuken, vermeld in het eerste lid, en de wijze waarop dat moet gebeuren.".
Art. 127. Dans l'article 16.3.23 du même décret, inséré par le décret du 21 décembre 2007, le deuxième alinéa est remplacé par ce qui suit :
" Le Gouvernement flamand peut arrêter la forme du rapport de constatation, ainsi que les autres autorités pouvant être informées au sujet des infractions environnementales constatées, visées à l'alinéa premier, et les modalités de cette information. ".
" Le Gouvernement flamand peut arrêter la forme du rapport de constatation, ainsi que les autres autorités pouvant être informées au sujet des infractions environnementales constatées, visées à l'alinéa premier, et les modalités de cette information. ".
Art. 128. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 1 maart 2013, wordt een artikel 16.3.23bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 16.3.23bis. De door het college van burgemeester en schepenen aangewezen [1 personeelsleden, vermeld in artikel 6.2.5/1, § 1, eerste lid, 3° en 4°]1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, die bevoegd zijn om misdrijven als vermeld in titel VI van de voormelde codex op te sporen en vast te stellen in een proces-verbaal, kunnen milieu-inbreuken die een schending uitmaken van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en van titel V van dit decreet vaststellen in een verslag van vaststelling.
Een afschrift van het verslag van vaststelling wordt bezorgd aan de gewestelijke overheden, belast met de handhaving van de inbreuken. De Vlaamse Regering kan nader bepalen welke van deze gewestelijke overheden een afschrift ontvangt.".
"Art. 16.3.23bis. De door het college van burgemeester en schepenen aangewezen [1 personeelsleden, vermeld in artikel 6.2.5/1, § 1, eerste lid, 3° en 4°]1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, die bevoegd zijn om misdrijven als vermeld in titel VI van de voormelde codex op te sporen en vast te stellen in een proces-verbaal, kunnen milieu-inbreuken die een schending uitmaken van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en van titel V van dit decreet vaststellen in een verslag van vaststelling.
Een afschrift van het verslag van vaststelling wordt bezorgd aan de gewestelijke overheden, belast met de handhaving van de inbreuken. De Vlaamse Regering kan nader bepalen welke van deze gewestelijke overheden een afschrift ontvangt.".
Modifications
Art. 128. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 1er mars 2013, il est inséré un article 16.3.23bis, rédigé comme suit :
" Art. 16.3.23bis. [1 Les membres du personnel désignés par le collège des bourgmestre et échevins, visés à l'article 6.2.5/1, § 1, alinéa premier, 3° et 4°]1 du Code flamand de l'aménagement du territoire du 15 mai 2009, qui sont compétents pour rechercher et constater dans un procès-verbal les infractions visées au titre VI du code précité, peuvent constater dans un rapport de constatation les infractions environnementales qui constituent une violation du décret du 25 avril 2014 relatif au maintien du permis d'environnement et du titre V de ce décret.
Une copie du rapport de constatation est transmise aux autorités régionales chargées du maintien des infractions. Le Gouvernement flamand peut préciser les autorités régionales qui en recevront une copie. ".
" Art. 16.3.23bis. [1 Les membres du personnel désignés par le collège des bourgmestre et échevins, visés à l'article 6.2.5/1, § 1, alinéa premier, 3° et 4°]1 du Code flamand de l'aménagement du territoire du 15 mai 2009, qui sont compétents pour rechercher et constater dans un procès-verbal les infractions visées au titre VI du code précité, peuvent constater dans un rapport de constatation les infractions environnementales qui constituent une violation du décret du 25 avril 2014 relatif au maintien du permis d'environnement et du titre V de ce décret.
Une copie du rapport de constatation est transmise aux autorités régionales chargées du maintien des infractions. Le Gouvernement flamand peut préciser les autorités régionales qui en recevront une copie. ".
Modifications
Art. 129. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 1 maart 2013, wordt een artikel 16.3.24bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 16.3.24bis. De door het college van burgemeester en schepenen aangewezen [1 personeelsleden, vermeld in artikel 6.2.5/1, § 1, eerste lid, 3° en 4°]1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, die bevoegd zijn om misdrijven als vermeld in titel VI van de voormelde codex op te sporen en vast te stellen in een proces-verbaal, kunnen ook milieumisdrijven die een schending uitmaken van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en van titel V van dit decreet vaststellen in een proces-verbaal.
Een afschrift van het proces-verbaal wordt bezorgd aan de gewestelijke overheden, belast met de handhaving van de misdrijven. De Vlaamse Regering kan nader bepalen welke van deze gewestelijke overheden een afschrift ontvangt.".
"Art. 16.3.24bis. De door het college van burgemeester en schepenen aangewezen [1 personeelsleden, vermeld in artikel 6.2.5/1, § 1, eerste lid, 3° en 4°]1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, die bevoegd zijn om misdrijven als vermeld in titel VI van de voormelde codex op te sporen en vast te stellen in een proces-verbaal, kunnen ook milieumisdrijven die een schending uitmaken van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en van titel V van dit decreet vaststellen in een proces-verbaal.
Een afschrift van het proces-verbaal wordt bezorgd aan de gewestelijke overheden, belast met de handhaving van de misdrijven. De Vlaamse Regering kan nader bepalen welke van deze gewestelijke overheden een afschrift ontvangt.".
Modifications
Art. 129. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 1er mars 2013, il est inséré un article 16.3.24bis, rédigé comme suit :
" Art. 16.3.24bis. [1 Les membres du personnel désignés par le collège des bourgmestre et échevins, visés à l'article 6.2.5/1, § 1, alinéa premier, 3° et 4°]1 du Code flamand de l'aménagement du territoire du 15 mai 2009, qui sont compétents pour rechercher et constater dans un procès-verbal les infractions visées au titre VI du code précité, peuvent aussi constater dans un rapport de constatation les délits environnementaux qui constituent une violation du décret du 25 avril 2014 relatif au maintien du permis d'environnement et du titre V de ce décret.
Une copie du procès-verbal est transmise aux autorités régionales chargées du maintien des délits. Le Gouvernement flamand peut préciser les autorités régionales qui en recevront une copie. ".
" Art. 16.3.24bis. [1 Les membres du personnel désignés par le collège des bourgmestre et échevins, visés à l'article 6.2.5/1, § 1, alinéa premier, 3° et 4°]1 du Code flamand de l'aménagement du territoire du 15 mai 2009, qui sont compétents pour rechercher et constater dans un procès-verbal les infractions visées au titre VI du code précité, peuvent aussi constater dans un rapport de constatation les délits environnementaux qui constituent une violation du décret du 25 avril 2014 relatif au maintien du permis d'environnement et du titre V de ce décret.
Une copie du procès-verbal est transmise aux autorités régionales chargées du maintien des délits. Le Gouvernement flamand peut préciser les autorités régionales qui en recevront une copie. ".
Modifications
Art. 130. Aan artikel 16.3.25 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007, wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
"De vaststelling van milieumisdrijven door de [1 personeelsleden]1, vermeld in artikel 16.3.24bis, geldt niet tot bewijs van het tegendeel.".
"De vaststelling van milieumisdrijven door de [1 personeelsleden]1, vermeld in artikel 16.3.24bis, geldt niet tot bewijs van het tegendeel.".
Modifications
Art. 130. A l'article 16.3.25 du même décret, inséré par le décret du 21 décembre 2007, il est ajouté un troisième alinéa, rédigé comme suit :
" La constatation de délits environnementaux par les [1 membres du personnel]1, visés à l'article 16.3.24bis, n'est pas valable jusqu'à preuve du contraire. ".
" La constatation de délits environnementaux par les [1 membres du personnel]1, visés à l'article 16.3.24bis, n'est pas valable jusqu'à preuve du contraire. ".
Modifications
Art. 131. In titel XVI, hoofdstuk IV, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007, wordt het opschrift van afdeling III vervangen door wat volgt :
"Afdeling III. - Het handhavingscollege"
"Afdeling III. - Het handhavingscollege"
Art. 131. Au titre XVI, chapitre IV du même décret, inséré par le décret du 21 décembre 2007, l'intitulé de la section III est remplacé par ce qui suit :
" Section III. - Le collège de maintien "
" Section III. - Le collège de maintien "
Art. 133. In artikel 16.4.23 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007, wordt het woord "Milieuhandhavingscollege" vervangen door het woord "handhavingscollege".
Art. 133. Dans l'article 16.4.23 du même décret, inséré par le décret du 21 décembre 2007, le terme " Collège du Maintien environnemental " est remplacé par le terme " collège de maintien ".
Art. 134. In artikel [1 16.4.39 en 16.4.44]1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007 en vervangen bij het decreet van 23 december 2010, wordt het woord "Milieuhandhavingscollege" telkens vervangen door het woord "handhavingscollege".
Modifications
Art. 134. Dans les articles [1 16.4.39 et 16.4.44]1 du même décret, insérés par le décret du 21 décembre 2007 et remplacés par le décret du 23 décembre 2010, le terme " Collège du Maintien environnemental " est systématiquement remplacé par le terme " collège de maintien ".
Modifications
Art. 136. [1 Artikel 16.4.28 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007 en gewijzigd bij de decreten van 20 april 2012 en 25 april 2014, wordt opgeheven.]1
Modifications
Art. 136. [1 L'article16.4.28 du même décret, inséré par le décret du 21 décembre 2007 et modifié par les décrets des 20 avril 2012 et 25 avril 2014, est abrogé.]1
Modifications
Art. 138. In artikel 16.5.1, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007 en vervangen bij het decreet van 23 december 2010, wordt tussen de woorden "bestuurlijke geldboeten" en de zinsnede "en, in voorkomend geval" de zinsnede ", vermeld in [1 artikel 44 van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges]1, en titel XVI, hoofdstuk IV, afdeling IV" ingevoegd.
Modifications
Art. 138. Dans l'article 16.5.1, § 1er, alinéa premier, du même décret, inséré par le décret du 21 décembre 2007 et remplacé par le décret du 23 décembre 2010, entre les mots " amendes administratives imposées " et la locution " et, le cas échéant ", il est inséré la mention suivante : " visées [1 à l'article 44 du décret du 4 avril 2014 relatif à l'organisation et à la procédure de certaines juridictions administratives flamandes.]1, et au titre XVI, chapitre IV, section IV ".
Modifications
Art. 139. In artikel 16.6.1, § 2, 3°, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 23 december 2010, wordt het woord "Milieuhandhavingscollege" vervangen door het woord "handhavingscollege".
Art. 139. Dans l'article 16.6.1, § 2, 3°, du même décret, inséré par le décret du 23 décembre 2010, le terme " Collège du Maintien environnemental " est remplacé par le terme " collège de maintien ".
Art. 140. In artikel 16.6.2, § 2, tweede lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007, worden de woorden "45,5 euro" vervangen door de woorden "58 euro".
Art. 140. Dans l'article 16.6.2, § 2, deuxième alinéa, du même décret, inséré par le décret du 21 décembre 2007, les mots " 45,5 euros " sont remplacés par les mots " 58 euros ".
Art. 141. In artikel 16.6.3, § 2, tweede lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007, worden de woorden "45,5 euro" vervangen door de woorden "58 euro".
Art. 141. Dans l'article 16.6.3, § 2, deuxième alinéa, du même décret, inséré par le décret du 21 décembre 2007, les mots " 45,5 euros " sont remplacés par les mots " 58 euros ".
Art. 142. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 1 maart 2013, wordt het opschrift van bijlage V vervangen door wat volgt :
"Bijlage V. - Salarisschaal van de bestuursrechters van het handhavingscollege"
"Bijlage V. - Salarisschaal van de bestuursrechters van het handhavingscollege"
Art. 142. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 1er mars 2013, l'intitulé de l'annexe V est remplacée par ce qui suit :
" Annexe V. - Echelle de traitement des juges administratifs du collège de maintien "
" Annexe V. - Echelle de traitement des juges administratifs du collège de maintien "
Hoofdstuk 4. - Wijzigingen van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtcolleges
Chapitre 4. - Modifications du décret du 4 avril 2014 relatif à l'organisation et à la jurisprudence de certains collèges de droit administratif de Flandre
Art. 143. In het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtcolleges wordt het woord "Milieuhandhavingscollege" telkens vervangen door het woord "handhavingscollege".
Art. 143. Dans le décret du 4 avril 2014 relatif à l'organisation et à la jurisprudence de certains collèges de droit administratif de Flandre, le terme " Collège du Maintien environnemental " est systématiquement remplacé par le terme " collège de maintien ".
Hoofdstuk 5. - Uitvoering en inwerkingtreding
Chapitre 5. - Exécution et entrée en vigueur
Art. 144. De besluiten die de Vlaamse Regering vóór de datum van inwerkingtreding van dit decreet heeft vastgesteld ter uitvoering van titel VI van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, blijven geldig tot ze worden opgeheven.
Art. 144. Les arrêtés que le Gouvernement flamand a pris avant la date d'entrée en vigueur du présent décret en exécution du titre VI du Code flamand de l'aménagement du territoire restent d'application jusqu'à leur abrogation.
Art. 145. [1 Dit decreet treedt in werking op een door de Vlaamse Regering vast te stellen datum. Deze datum valt minstens een jaar na de datum van goedkeuring van het besluit van de Vlaamse Regering waarmee de datum van inwerkingtreding van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning wordt vastgelegd.]1
In afwijking van het eerste lid treden artikel 17, 18, 19, 113 [1 , 117]1 en 119 tot en met 125 in werking op de tiende dag na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
De Vlaamse Regering bezorgt binnen drie jaar na de datum van inwerkingtreding, bedoeld in het eerste lid, aan het Vlaams Parlement een verslag over de wijze waarop het is toegepast en doet eventueel de nodige voorstellen tot aanpassing van het decreet.
In afwijking van het eerste lid treden artikel 17, 18, 19, 113 [1 , 117]1 en 119 tot en met 125 in werking op de tiende dag na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
De Vlaamse Regering bezorgt binnen drie jaar na de datum van inwerkingtreding, bedoeld in het eerste lid, aan het Vlaams Parlement een verslag over de wijze waarop het is toegepast en doet eventueel de nodige voorstellen tot aanpassing van het decreet.
Art. 145. [1 Le présent décret entre en vigueur à une date à fixer par le Gouvernement flamand. Cette date se situe au moins un an après la date d'approbation de l'arrêté du Gouvernement flamand par lequel la date d'entrée en vigueur du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement est arrêtée.]1
En dérogation à l'alinéa premier, les articles 17, 18, 19, 113 [1 , 117]1 et 119 à 125 inclus entrent en vigueur le dixième jour après la publication au Moniteur belge.
Dans les trois ans qui suivent la date d'entrée en vigueur, visée à l'alinéa premier, le Gouvernement flamand transmet au Parlement flamand un rapport sur la manière dont il a été appliqué et formule éventuellement les propositions nécessaires en vue de l'adaptation du décret.
En dérogation à l'alinéa premier, les articles 17, 18, 19, 113 [1 , 117]1 et 119 à 125 inclus entrent en vigueur le dixième jour après la publication au Moniteur belge.
Dans les trois ans qui suivent la date d'entrée en vigueur, visée à l'alinéa premier, le Gouvernement flamand transmet au Parlement flamand un rapport sur la manière dont il a été appliqué et formule éventuellement les propositions nécessaires en vue de l'adaptation du décret.
(NOTE : Entrée en vigueur prévue à l'alinéa 1, fixée au 01-03-2018 par AGF 2018-02-09/12, art. 51)