Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
21 NOVEMBER 2013. - Decreet tot organisatie van verschillende schoolstelsels ter bevordering van het welzijn van jongeren op school, schoolherinschakeling, preventie van geweld op school en begeleiding van studieoriëntatie (NOTA : artikelen 7-18, 22, 23, 25 en 26 gewijzigd in de toekomst door <DFG2024-05-16/96, art. 53, 013; Inwerkingtreding : 24-08-2026 en 23-08-2027>) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 03-04-2014 en tekstbijwerking tot 24-09-2024)
Titre
21 NOVEMBRE 2013. - Décret organisant divers dispositifs scolaires favorisant le bien-être des jeunes à l'école, l'accrochage scolaire, la prévention de la violence à l'école et l'accompagnement des démarches d'orientation scolaire (NOTE: art. 7-18, 22, 23, 25 et 26 modifiés dans le futur par <DCFR2024-05-16/96, art. 53, 013; En vigueur : 24-08-2026 et 23-08-2027>) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 03-04-2014 et mise à jour au 24-09-2024)
Informations sur le document
Numac: 2014029203
Datum: 2013-11-21
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2014029203
Date: 2013-11-21
Moniteur: Voir
Table des matières
Titel I. - Toepassingsgebied, doel en definities. HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied HOOFDSTUK II. - Doel HOOFDSTUK III. - Definities Titel II. - Stelsels ter bevordering van het we... HOOFDSTUK I. - Rol en onderlinge afstemming van... Afdeling I. - Inrichtingshoofd en onderwijsteam Afdeling II. - Psycho-medisch-sociaal centrum e... Afdeling III. - Schoolbemiddeling Afdeling IV. - Mobiele teams Afdeling V. - Opleiding van leerlingen tot bemi... Afdeling VI. Afdeling VII. - Administratieve cel voor de coö... HOOFDSTUK II. - Schoolherinschakeling Afdeling I. - Preventie van schooluitval Afdeling II. - Intern stelsel voor schoolherins... Afdeling III. - Interne stelsels voor schoolher... Afdeling IV. - Stelsel voor de geslaagde terugk... HOOFDSTUK III. - Begeleiding van studieoriëntatie Titel III. - Wijzigings-, opheffings- en slotbe... HOOFDSTUK I. - Wijzigingsbepalingen Afdeling I. - Wijziging van het decreet van 24 ... Afdeling II. - Wijziging van het decreet van 14... HOOFDSTUK II. - Wijziging van de decreten en be... Onderafdeling I. - Wijziging van het koninklijk... Onderafdeling II. - Wijziging aan het koninklij... Onderafdeling III. - Wijziging van het koninkli... Onderafdeling IV. - Wijziging van het decreet v... Onderafdeling V. - Wijziging van het decreet va... Onderafdeling VI. - Wijziging van het decreet v... Onderafdeling VII. - Wijziging van het decreet ... Onderafdeling VIII. - Wijziging van het decreet... Afdeling I. - Wijziging van andere decreten HOOFDSTUK III. - Opheffings- en slotbepalingen
Table des matières
TITRE Ier. - Champ d'application, objet et défi... CHAPITRE Ier. - Du champ d'application CHAPITRE II. - De l'objet CHAPITRE III. - Des définitions TITRE II. - Des dispositifs favorisant le bien-... CHAPITRE Ier. - Du rôle et de l'articulation de... Section Ire. - Du chef d'établissement et de l'... Section II. - Du centre psycho-médico-social et... Section III. - De la médiation scolaire Section IV. - Des équipes mobiles Section V. - De la formation des élèves à la mé... Section VI. Section VII. - De la Cellule administrative de ... CHAPITRE II. - De l'accrochage scolaire Section Ire. - De la prévention du décrochage s... Section II. - Du dispositif interne d'accrochag... Section III. - Des dispositifs externes d'accro... Section IV. - Du dispositif favorisant le retou... CHAPITRE III. - De l'accompagnement des démarch... TITRE III. - Mesures modificatives, abrogatoire... CHAPITRE Ier. - Mesures modificatives Section Ire. - Des modifications du décret du 2... Section II. - Modification du décret du 14 juil... CHAPITRE II. - Des modifications aux décrets et... Sous-section Ire. - Des modifications à l'arrêt... Sous-section II. - Des modifications à l'arrêté... Sous-section III. - Des modifications à l'arrêt... Sous-section IV. - Des modifications du décret ... Sous-section V. - Des modifications du décret d... Sous-section VI. - Des modifications du décret ... Sous-section VII. - Des modifications du décret... Sous-section VIII. - Des modifications au décre... Section Ire. - Des modifications à d'autres déc... CHAPITRE III. - Mesures abrogatoires et finales
Tekst (125)
Texte (125)
Titel I. - Toepassingsgebied, doel en definities.
TITRE Ier. - Champ d'application, objet et définitions
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied
CHAPITRE Ier. - Du champ d'application
Artikel 1. Het gebruik in dit decreet van de mannelijke namen voor de verschillende titels en ambten is gemeenslachtig met het oog op een betere leesbaarheid van de tekst, niettegenstaande de bepalingen van het decreet van 21 juni 1993 betreffende de vervrouwelijking van de namen van beroep, ambt, graad of titel.
Article 1er. L'emploi dans le présent décret des noms masculins pour les différents titres et fonctions est épicène en vue d'assurer la lisibilité du texte nonobstant les dispositions du décret du 21 juin 1993 relatif à la féminisation des noms de métier.
Art. 2. Tenzij anders wordt bepaald, is dit decreet van toepassing op de door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde inrichtingen voor gewoon en gespecialiseerd basis- en secundair onderwijs, en op de psycho-medisch-sociale centra.
Art. 2. Sauf stipulation contraire, le présent décret s'applique aux établissements d'enseignement fondamental et secondaire, ordinaires et spécialisés, organisés ou subventionnés par la Communauté française, ainsi qu'aux centres-psycho-médico-sociaux.
HOOFDSTUK II. - Doel
CHAPITRE II. - De l'objet
Art. 3. Dit decreet heeft tot doel, binnen de in artikel 2 bedoelde inrichtingen, te zorgen voor de bevordering van :
  1° welzijn van jongeren op school;
  2° schoolherinschakeling, inzonderheid door de preventie van schooluitval, schoolverzuim en uitsluiting;
  3° preventie van geweld op school;
  4° begeleiding van studieoriëntatie.
Art. 3. Le présent décret a pour objet de favoriser, au sein des établissements visés à l'article 2:
  1° le bien-être des jeunes à l'école;
  2° l'accrochage scolaire, notamment par la prévention du décrochage scolaire de l'absentéisme et de l'exclusion;
  3° la prévention de la violence à l'école;
  4° l'accompagnement des démarches d'orientation scolaire.
HOOFDSTUK III. - Definities
CHAPITRE III. - Des définitions
Art. 4. In het kader van dit decreet, wordt verstaan onder :
  1° [6 ...]6
  2° crisistoestand : toestand die een schoolinrichting ondergaat als gevolg van een welbepaald feit;
  3° [6 ...]6
  4° vroegtijdig schoolverlaten : toestand van een leerling die de school verlaat of ophoudt een vorming te volgen en die alleen het niveau van het secundair onderwijs van de eerste cyclus of minder heeft bereikt en geen studies of vorming volgt;
  5° onderwijsteam : het geheel van de personeelsleden die het geheel of een deel van hun ambt in één zelfde inrichting of één zelfde vestiging uitoefenen, met uitsluiting van de leden van het administratief, meesters-, vak- en dienstpersoneel;
  6° [5 algemene raad voor het secundair onderwijs]5 : de [5 algemene raad voor het secundair onderwijs]5, opgericht bij het decreet van 27 oktober 1994 tot regeling van het overleg in het secundair onderwijs;
  7° vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan : elk vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan dat erkend is overeenkomstig artikel 5 bis van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving;
  8° psycho-medisch-sociaal centrum : centrum, zoals bedoeld in titel 1 van het decreet van 14 juli 2006 betreffende de opdrachten, programma's en activiteitenverslag van de psycho-medisch-sociale centra;
  9° Waarnemingscentrum voor Kind, Jeugd en Hulpverlening aan de Jeugd : het orgaan opgericht bij het decreet van 12 mei 2004 houdende de oprichting van het " Observatoire de l'Enfance, de la Jeunesse et de l'Aide à la Jeunesse " (Waarnemingscentrum voor Kind, Jeugd en Hulpverlening aan de Jeugd);
  10° [6 ...]6
  11° sturingscommissie : de commissie opgericht bij het decreet van 27 maart 2002 betreffende de sturing van het onderwijssysteem van de Franse Gemeenschap;
  12° plaatselijke overlegcel : de cel bedoeld in artikel 4, § 3 van het decreet van 21 november 2013 tot organisatie van een gemeenschappelijk beleid inzake leerplichtonderwijs en hulpverlening aan de jeugd ter bevordering van het welzijn van jongeren op school, schoolherinschakeling, preventie van geweld op school en begeleiding van de studieoriëntatie;
  13° facilitatoren : de leden van het team bedoeld in artikel 18 van het decreet van 21 november 2013 tot organisatie van een gemeenschappelijk beleid inzake leerplichtonderwijs en hulpverlening aan de jeugd ter bevordering van het welzijn van jongeren op school, schoolherinschakeling, preventie van geweld op school en begeleiding van de studieoriëntatie;
  14° zone : de overlegzones ingesteld bij artikel 1 van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 15 maart 1993 tot vaststelling van de verplichtingen tot overleg tussen gelijkaardige inrichtingen in het secundair onderwijs met volledig leerplan, bij toepassing van artikel 24 van het decreet van 29 juli 1992 houdende organisatie van het secundair onderwijs met volledig leerplan;
  15° [2 adviseur voor hulpverlening aan de jeugd : de adviseur in de zin van het decreet van 18 januari 2018 houdende het wetboek van preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming;]2
  16° [2 directeur voor jeugdbescherming : de directeur in de zin van het decreet van 18 januari 2018 houdende het wetboek van preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming;]2
  17° decreet "verloven wegens opdracht" : het decreet van 24 juni 1996 houdende regeling van de opdrachten, verloven wegens opdracht en terbeschikkingstelling wegens opdracht in het door de Franse Gemeenschap georganiseerd of gesubsidieerd onderwijs;
  18° takendecreet : het decreet van 24 juli 1997 dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren;
  19° decreet "gedifferentieerde omkadering" : het decreet van 30 april 2009 houdende organisatie van een gedifferentieerde omkadering binnen de schoolinrichtingen van de Franse Gemeenschap om alle leerlingen gelijke kansen op sociale emancipatie te bieden in een kwaliteitsvolle pedagogische omgeving ;
  20° "intersectoraal" decreet Onderwijs - Hulpverlening aan de Jeugd : decreet van 21 november 2013 tot organisatie van een gemeenschappelijk beleid inzake leerplichtonderwijs en hulpverlening aan de jeugd ter bevordering van het welzijn van jongeren op school, schoolherinschakeling, preventie van geweld op school en begeleiding van de studieoriëntatie.
  [3 21° bemiddeling: het vertrouwelijke en gestructureerde proces van vrijwillig overleg tussen partijen in conflict dat plaatsvindt met de hulp van een onafhankelijke, neutrale en onpartijdige derde partij die de communicatie vergemakkelijkt en probeert de partijen zelf tot een oplossing te brengen.]3
  
Art. 4. Dans le cadre du présent décret, on entend par:
  1° [6 ...]6
  2° situation de crise : situation affectant l'établissement scolaire à la suite d'un fait précis;
  3° [6 ...]6
  4° abandon scolaire précoce : situation d'un élève qui quitte l'école ou la formation en n'ayant achevé que l'enseignement secondaire du premier cycle ou moins et ne poursuit ni études, ni formation;
  5° équipe éducative : l'ensemble des membres du personnel exerçant toute ou partie de leur(s) fonction(s) dans un même établissement ou dans une même implantation, à l'exclusion des personnels administratifs, de maîtrise, gens de métier et de service;
  6° [5 Conseil général de l'enseignement secondaire]5 : le [5 Conseil général de l'enseignement secondaire]5 créé par l'article 1er, du décret du 27 octobre 1994 organisant la concertation pour l'enseignement secondaire;
  7° organe de représentation et de coordination : tout organe de représentation et de coordination reconnu conformément à l'article 5bis de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement;
  8° centre psycho-médico-social : centre tel que visé au titre 1er du décret du 14 juillet 2006 relatif aux missions, programmes et rapport d'activités des centres psycho-médico-sociaux;
  9° Observatoire de l'Enfance, de la Jeunesse et de l'Aide à la Jeunesse : l'organe créé par le décret du 12 mai 2004 portant création de l'Observatoire de l'Enfance, de la Jeunesse et de l'Aide à la Jeunesse;
  10° [6 ...]6
  11° Commission de pilotage : la Commission créée par le décret du 27 mars 2002 relatif au pilotage du système éducatif de la Communauté française;
  12° Cellule de concertation locale : la cellule visée à l'article 4, § 3, du décret du 21 novembre 2013 organisant des politiques conjointes de l'Enseignement obligatoire et de l'Aide à la Jeunesse en faveur du bien-être des jeunes à l'école, de l'accrochage scolaire, de la prévention de la violence et de l'accompagnement des démarches d'orientation;
  13° facilitateurs : les membres de l'équipe visée à l'article 18 du décret du 21 novembre 2013 organisant des politiques conjointes de l'Enseignement obligatoire et de l'Aide à la Jeunesse en faveur du bien-être des jeunes à l'école, de l'accrochage scolaire, de la prévention de la violence et de l'accompagnement des démarches d'orientation;
  14° zone : les zones de concertation constituées par l'article 1er de l'arrêté de l'Exécutif de la Communauté française du 15 mars 1993 fixant les obligations de concertation entre établissements de même caractère dans l'enseignement secondaire de plein exercice, en application de l'article 24 du décret du 29 juillet 1992 portant organisation de l'enseignement secondaire de plein exercice;
  15° [2 conseiller de l'aide à la jeunesse : le conseiller au sens du décret du 18 janvier 2018 portant le Code de la prévention, de l'aide à la jeunesse et de la protection de la jeunesse;]2
  16° [2 directeur de la protection de la jeunesse : le directeur au sens du décret du 18 janvier 2018 portant le Code de la prévention, de l'aide à la jeunesse et de la protection de la jeunesse;]2
  17° décret " congés pour mission " : le décret du 24 juin 1996 portant réglementation des missions, des congés pour mission et des mises en disponibilité pour mission spéciale dans l'enseignement organisé ou subventionné par la Communauté française;
  18° décret " Missions " : le décret du 24 juillet 1997 définissant les missions prioritaires de l'enseignement fondamental et de l'enseignement secondaire et organisant les structures propres à les atteindre;
  19° décret " encadrement différencié " : le décret du 30 avril 2009 organisant un encadrement différencié au sein des établissements scolaires de la Communauté française afin d'assurer à chaque élève des chances égales d'émancipation sociale dans un environnement pédagogique de qualité, les établissements en encadrement différencié;
  20° décret " intersectoriel " Enseignement - Aide à la Jeunesse : le décret du 21 novembre 2013 organisant des politiques conjointes de l'Enseignement obligatoire et de l'Aide à la Jeunesse en faveur du bien-être des jeunes à l'école, de l'accrochage scolaire, de la prévention de la violence et de l'accompagnement des démarches d'orientation.
  [3 21° médiation : le processus confidentiel et structuré de concertation volontaire entre parties en conflit qui se déroule avec le concours d'un tiers indépendant, neutre et impartial qui facilite la communication et tente de conduire les parties à élaborer elles-mêmes une solution.]3
  
Titel II. - Stelsels ter bevordering van het welzijn van jongeren op school, schoolherinschakeling, preventie van geweld op school en begeleiding van studieoriëntatie
TITRE II. - Des dispositifs favorisant le bien-être des jeunes à l'école, l'accrochage scolaire, la prévention de la violence à l'école et l'accompagnement des démarches d'orientation scolaire
HOOFDSTUK I. - Rol en onderlinge afstemming van de verschillende schoolactoren
CHAPITRE Ier. - Du rôle et de l'articulation des différents acteurs scolaires
Afdeling I. - Inrichtingshoofd en onderwijsteam
Section Ire. - Du chef d'établissement et de l'équipe éducative
Afdeling II. - Psycho-medisch-sociaal centrum en dienst voor gezondheidspromotie op school
Section II. - Du centre psycho-médico-social et du Service de promotion de la santé à l'école
Afdeling III. - Schoolbemiddeling
Section III. - De la médiation scolaire
Art. 7. § 1. Binnen de algemene directie leerplichtonderwijs wordt een schoolbemiddelingsdienst opgericht, die wordt belast, door bemiddelingsacties als derde, met het voorkomen van geweld, schooluitval en schoolverzuim in de inrichtingen voor secundair onderwijs.
  De bemiddeling heeft tot doel de vertrouwenssfeer te bevorderen, te behouden of te herstellen die moet heersen in de betrekkingen tussen de leerlingen en de leden van het onderwijsteam, tussen de leerlingen en de directie van de inrichting, tussen de leerling en zijn ouders, alsook tussen de leerling, zijn ouders of de persoon die met het ouderlijk gezag bekleed is, als hij minderjarig is, en de schoolinrichting.
  De bemiddelingsdienst is structureel onafhankelijk van de inrichtingshoofden en de PMS-centra.
  § 2. De bemiddelingsdienst treedt op op verzoek van de inrichtende macht, in het gesubsidieerd onderwijs, en op verzoek van de Regering of het inrichtingshoofd, in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, in voorkomend geval met een voorstel gericht aan het inrichtingshoofd of aan de inrichtende macht door de diensten van de Regering, wanneer een probleem dat zich in de inrichting voordoet inzonderheid door ouders of leerlingen aan die wordt voorgelegd.
  Wanneer een bemiddelaar voor een inrichting aangewezen wordt in het kader van een bemiddeling als derde tussen partijen, zoals bepaald in § 1, kan een aanvraag om optreden aan hem rechtstreeks worden gericht, inzonderheid door ouders of leerlingen. Hij zal die behandelen overeenkomstig het medewerkingsprotocol bedoeld in artikel 6, § 3, derde lid, 6°.
  Op aanvraag van de Regering of het inrichtingshoofd, kan de bemiddelingsdienst acties organiseren voor het sensibiliseren tot het conflictenbeheer.
  § 3. In uitzonderlijke omstandigheden, kan de algemene directie leerplichtonderwijs, onder voorbehoud dat ze de voorafgaandelijke toestemming heeft gekregen van het inrichtingshoofd, in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, of van de inrichtende macht, in het gesubsidieerd onderwijs, het opreden van de bemiddelingsdienst in een inrichting voor basisonderwijs aanvragen.
  [2 Uitzonderlijke omstandigheden zijn onder andere klachten bij de Regeringsdiensten die door bemiddeling kunnen worden opgelost.]2
  [1 § 4. [3 In het basisonderwijs, ongeacht uitzonderlijke omstandigheden, en in het secundair onderwijs, kan de hulp van de Schoolbemiddelingsdienst worden aangevraagd in geval van spanningen in het kader van de invoering van redelijke aanpassingen, overeenkomstig artikel 102/2, § 1, van het "opdrachtendecreet".]3
   De schoolbemiddelingsdienst grijpt in, op aanvraag van de inrichtende macht of zijn afgevaardigde, voor het gesubsidieerd onderwijs, of van het inrichtingshoofd, voor het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap, of van de ouders of wettelijke verantwoordelijken van de minderjarige leerling, of van de meerderjarige leerling.]1

  
Art. 7. § 1er. Il est créé, au sein de la Direction générale de l'Enseignement obligatoire, un Service de médiation scolaire chargé de prévenir, par des actions de médiation en position de tiers, la violence, le décrochage et l'absentéisme scolaires dans les établissements d'enseignement secondaire.
  La médiation vise à favoriser, à conserver ou à rétablir le climat de confiance qui doit prévaloir dans les relations entre élève(s) et membre(s) de l'équipe éducative, entre élève(s) et direction de l'établissement, entre l'élève et ses parents, ainsi que entre l'élève, ses parents ou la personne investie de l'autorité parentale, s'il est mineur, et l'établissement scolaire.
  Le Service de médiation est structurellement indépendant des chefs d'établissement et des centres PMS.
  § 2. Le Service de médiation intervient à la demande du pouvoir organisateur dans l'enseignement subventionné et, à la demande du Gouvernement ou du chef d'établissement dans l'enseignement organisé par la Communauté française, le cas échéant sur proposition adressée au chef d'établissement ou au pouvoir organisateur par les services du Gouvernement lorsqu'ils sont saisis, notamment par des parents ou des élèves, d'une difficulté survenue dans l'établissement.
  Lorsqu'un médiateur est affecté à un établissement, dans le cadre d'une action de médiation en position de tiers entre les parties, tel que précisé au § 1er, une demande d'intervention peut lui être adressée directement, notamment par des parents ou des élèves. Il la traitera conformément au protocole de collaboration visé à l'article 6, § 3, alinéa 3, 6°.
  A la demande du Gouvernement ou du chef d'établissement, le Service de médiation peut organiser des actions de sensibilisation à la gestion des conflits.
  § 3. Dans des circonstances exceptionnelles, la Direction générale de l'Enseignement obligatoire peut, sous réserve d'avoir obtenu l'accord préalable du chef d'établissement dans l'enseignement organisé par la Communauté française ou du pouvoir organisateur dans l'enseignement subventionné, solliciter l'intervention du Service de médiation dans un établissement d'enseignement fondamental.
  [2 Par circonstances exceptionnelles, on entend notamment les plaintes adressées aux Services du Gouvernement et qui pourraient faire l'objet d'une résolution alternative par la médiation.]2
  [1 § 4. [3 Dans l'enseignement fondamental, indépendamment de toutes circonstances exceptionnelles, et dans l'enseignement secondaire, le Service de médiation scolaire peut être sollicité en cas de tensions dans le cadre de la mise en place d'aménagements raisonnables, conformément à l'article 102/2, § 1er, du décret " Missions. ".]3
   Le Service de médiation scolaire intervient à la demande du pouvoir organisateur ou de son délégué, pour l'enseignement subventionné, ou du chef d'établissement, pour l'enseignement organisé par la Communauté française, ou des parents ou responsables légaux de l'élève mineur, ou de l'élève majeur.]1

  
Art. 8. § 1. De bemiddelingsdienst bestaat uit bemiddelaars en drie coördinatoren, aangewezen door de Regering en geplaatst onder het hiërarchische gezag van de algemene directie leerplichtonderwijs. De Regering bepaalt het aantal en de nadere regels voor de aanwijzing van de bemiddelaars.
  § 2. De bemiddelaars zijn :
  1° ofwel personeelsleden die een verlof wegens opdracht krijgen, overeenkomstig het decreet van 24 juni 1996 houdende regeling van de opdrachten, verloven wegens opdracht en terbeschikkingstelling wegens opdracht in het door de Franse Gemeenschap georganiseerd of gesubsidieerd onderwijs;
  2° ofwel personeelsleden van de Diensten van de Regering;
  3° ofwel personeelsleden met een arbeidsovereenkomst in het kader van een expertiseopdracht;
  § 3. De Regering wijst de bemiddelaars ofwel voor een geheel van inrichtingen ofwel voor een inrichting aan. De aanwijzing geschiedt op aanvraag van de inrichtende macht van die inrichting(en). Voor de door de Franse Gemeenschap georganiseerde inrichting, wordt de aanvraag door het inrichtingshoofd gericht.
  Wanneer de bemiddelaar voor een inrichting aangewezen wordt, is de duur van zijn mandaat drie jaar; dat mandaat kan na evaluatie worden hernieuwd.
  De coördinatoren delen het inrichtingshoofd de normale dienstregeling van de bemiddelaar(s) die voor zijn inrichting aangewezen is(zijn) mee.
  [1 § 4. De bemiddelaars brengen aan hun Coördinatoren verslag uit over hun acties, teneinde hen in staat te stellen hun in artikel 9, § 3, beschreven opdrachten te vervullen, via de door de Regeringsdiensten ter beschikking gestelde instrumenten.]1
  
Art. 8. § 1er. Le Service de médiation comprend des médiateurs et trois coordonnateurs, tous désignés par le Gouvernement et placés sous l'autorité hiérarchique de la Direction générale de l'Enseignement obligatoire. Le Gouvernement détermine le nombre et les modalités d'affectation des médiateurs.
  § 2. Les médiateurs sont :
  1° soit des membres du personnel mis en congé pour mission, conformément à l'article 6 du décret du 24 juin 1996 portant réglementation des missions, des congés pour mission et des mises en disponibilité pour mission spéciale dans l'enseignement organisé ou subventionné par la Communauté française;
  2° soit des agents des Services du Gouvernement;
  3° soit des agents engagés sous contrat dans le cadre d'une mission d'expertise.
  § 3. Le Gouvernement affecte les médiateurs soit à un ensemble d'établissements soit à un établissement. L'affectation se fait sur demande du pouvoir organisateur de cet (ces) établissement(s). Pour l'établissement organisé par la Communauté française, la demande est faite par le chef d'établissement.
  Lorsque le médiateur est affecté à un établissement, son mandat est de trois ans; ce mandat est renouvelable après évaluation.
  Les coordonnateurs communiquent au chef d'établissement l'horaire normal de travail du ou des médiateurs affecté(s) à son établissement.
  [1 § 4. Les médiateurs rendent compte de leurs actions à leurs Coordonnateurs, afin de leur permettre de rencontrer leurs missions décrites à l'article 9, § 3, via les outils prévus par les Services du Gouvernement.]1
  
Art. 9. § 1. De coördinatoren zijn :
  1° ofwel personeelsleden met verlof wegens opdracht, overeenkomstig artikel 6 van het decreet "verloven wegens opdracht";
  2° ofwel personeelsleden van de Diensten van de Regering;
  3° ofwel personeelsleden met een arbeidsovereenkomst in het kader van een expertiseopdracht.
  § 2. Twee coördinatoren worden belast met de bemiddeling in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest; de derde coördinator wordt belast met de bemiddeling in het Waalse Gewest.
  § 3. De coördinatoren worden inzonderheid ermee belast :
  1° de bemiddelaars te begeleiden;
  2° de hulpmiddelen te beheren en te ontwikkelen die de bemiddelaars bij de uitoefening van hun opdracht kunnen helpen;
  3° het door de bemiddelaars geleverde werk te evalueren op grond van een geheel van indicatoren die door de dienst worden ontworpen en door de Regering vastgesteld op de voordracht van de bemiddelingsraad bedoeld in artikel 12;
  4° de naleving van de dienstregeling en de uitvoering van de taken door elke bemiddelaar te controleren;
  5° aan de evaluatie van de dienst samen met de diensten van de Regering deel te nemen;
  6° een interface te zijn tussen de dienst en de verantwoordelijken van de schoolinrichtingen en de psycho-medisch-sociale centra;
  7° de dienst te vertegenwoordigen;
  8° elk jaar de Regering een verslag mee te delen over de resultaten die worden behaald inzake :
  a) preventie van geweld;
  b) strijd tegen schooluitval en schoolverzuim;
  medewerking met de diensten voor hulpverlening aan de jeugd (SAJ).
Art. 9. § 1er. Les coordonnateurs sont :
  1° soit des membres du personnel mis en congé pour mission, conformément à l'article 6 du décret " congés pour mission ";
  2° soit des agents des Services du Gouvernement;
  3° soit des agents engagés sous contrat dans le cadre d'une mission d'expertise.
  § 2. Deux coordonnateurs ont en charge la médiation dans la Région de Bruxelles-Capitale, le troisième coordonnateur a en charge la médiation en Région wallonne.
  § 3. Les coordonnateurs sont chargés, notamment, de :
  1° assurer l'accompagnement des médiateurs;
  2° gérer et développer les ressources susceptibles d'aider les médiateurs dans leur travail;
  3° évaluer le travail des médiateurs à partir d'un ensemble d'indicateurs mis au point par le service et arrêtés par le Gouvernement sur proposition du Conseil de la médiation visé à l'article 12;
  4° contrôler le respect de l'horaire de travail et l'accomplissement des tâches par chaque médiateur;
  5° participer à l'évaluation du service en lien avec les services du Gouvernement;
  6° assurer l'interface entre le service et les responsables des établissements scolaires et des centres-psycho-médico-sociaux;
  7° représenter le service;
  8° adresser annuellement un rapport au Gouvernement sur les résultats obtenus en matière de :
  a) prévention de la violence;
  b) lutte contre le décrochage scolaire et l'absentéisme;
  c) collaboration avec les services d'Aide à la Jeunesse.
Art. 10. De bemiddelaars en de coördinatoren zijn tot het beroepsgeheim gehouden betreffende hun betrekkingen met de leerlingen, de schoolinrichtingen en de andere optredende personen.
  De bemiddelaar zorgt ervoor het vertrouwen van de leerlingen te behouden. Daartoe is hij niet verplicht het inrichtingshoofd feiten mee te delen waarvan hij acht kennis te hebben genomen in het kader van een geheim toevertrouwd als gevolg van dat vertrouwen. In voorkomend geval gaat hij te rade bij zijn coördinator en volgt hij de richtlijnen die hij van hem krijgt.
  De bemiddelaar zorgt ervoor elke daad, elk woord, elk initiatief die/dat het gezag van het inrichtingshoofd zou kunnen aantasten, te vermijden.
  In de mishandelingsgevallen, interpelleert de bemiddelaar één van de specifieke instanties of diensten bedoeld in artikel 3, § 2 van het decreet van 12 mei 2004 betreffende de hulpverlening aan mishandelde kinderen, en bij voorrang de teams van het psycho-medisch-sociaal centrum en van de dienst voor gezondheidspromotie op school.
Art. 10. Les médiateurs et les coordonnateurs sont soumis au secret professionnel concernant leurs rapports avec les élèves, les établissements scolaires et les autres intervenants.
  Le médiateur veille à conserver la confiance qu'il a pu obtenir des élèves. A cet égard, il n'est pas tenu de révéler au chef d'établissement des faits dont il estime avoir connaissance sous le sceau du secret attaché à cette confiance. Le cas échéant, il prend conseil auprès de son coordonnateur et suit les directives qu'il en reçoit.
  Le médiateur veille à éviter tout acte, tout propos, toute initiative qui pourrait nuire à l'autorité du chef d'établissement.
  Dans les situations de maltraitance, le médiateur interpelle une des instances ou services spécifiques visés à l'article 3, § 2, du décret du 12 mai 2004 relatif à l'aide aux enfants victimes de maltraitance, et prioritairement les équipes du Centre psycho-médico-social et du service de promotion de la santé à l'école (Service PSE).
Art. 11. Wanneer de coördinatoren en bemiddelaars, in het kader van hun opdracht, contacten moeten opnemen met de werknemers van de sector van de permanente opvoeding, de verschillende diensten voor hulpverlening aan de jeugd, onder welke de adviseurs voor hulpverlening aan de jeugd, en met de sociaal optredende personen die door de steden en gemeenten worden aangeworven in het kader van de veiligheidscontracten, de bedrijfscontracten en de acties voor preventie van drugsverslaving, brengen ze het inrichtingshoofd en de leden van het team van het psycho-medisch-sociaal centrum van de inrichting daar op de hoogte van. Die acties worden gevoerd in samenhang met de globale strategieën die tussen de betrokken actoren worden bepaald, in voorkomend geval binnen de plaatselijke overlegcel, en daar waar een bemiddelaar voor een inrichting wordt aangewezen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 6.
Art. 11. Lorsque les coordonnateurs et les médiateurs sont amenés, dans le cadre de leur mission, à prendre des contacts avec les travailleurs du secteur de l'éducation permanente, les différents services d'Aide à la Jeunesse dont les conseillers de l'Aide à la Jeunesse et avec les intervenants sociaux engagés par les villes et communes dans le cadre des contrats de sécurité, des contrats de société et des actions de prévention des toxicomanies, ils en informent le chef d'établissement et les membres de l'équipe du centre psycho-médicosocial attaché à l'établissement. Ces actions sont menées en cohérence avec les stratégies globales définies entre les acteurs concernés, le cas échéant au sein de la Cellule de concertation locale et, là où un médiateur est affecté à un établissement, conformément aux dispositions de l'article 6.
Art. 12. De bemiddelingsdienst geniet de adviezen en voorstellen van de Bemiddelingsraad, die wordt voorgezeten door de directeur-generaal van het bestuur voor het leerplichtonderwijs en samengesteld uit deze, de drie coördinatoren van de schoolbemiddelingsdienst, de coördinator van de mobiele teams bedoeld in artikel 14, § 3, alsook uit vier leden die door de Regering worden aangewezen op de voordracht van de [1 algemene raad voor het secundair onderwijs]1.
  
Art. 12. Le Service de médiation bénéficie des avis et propositions du Conseil de la médiation, présidé par le Directeur général de l'enseignement obligatoire et composé de celui-ci, des trois coordonnateurs du service de médiation scolaire, du coordonnateur des équipes mobiles visé à l'article 14, § 3, ainsi que de quatre membres désignés par le Gouvernement sur proposition du [1 Conseil général de l'enseignement secondaire]1.
  
Art. 13. De Regering kan bijkomende nadere regels vaststellen voor de werking van de bemiddelingsdienst.
Art. 13. Le Gouvernement peut arrêter des modalités complémentaires de fonctionnement du Service de médiation.
Afdeling IV. - Mobiele teams
Section IV. - Des équipes mobiles
Art. 14. § 1. Binnen de algemene directie leerplichtonderwijs wordt een dienst mobiele teams opgericht.
  § 2. Onder mobiel team wordt verstaan, een geheel van personen die gespecialiseerd zijn in het beheer van crisistoestanden die een schoolinrichting treffen ten gevolge van een bijzonder feit en die kunnen optreden in dat soort toestand alsook in het kader van de strijd tegen schooluitval in de zin van artikel 4, 3°, a) in de inrichtingen voor basis- en secundair gewoon en gespecialiseerd onderwijs. Ze moeten bovendien optreden in het kader van de strijd tegen schoolverzuim in de zin van artikel 4, 1° in de inrichtingen voor basisonderwijs.
  § 3. De dienst mobiele teams bestaat uit zesentwintig optredende personen en een coördinator, die alle door de Regering worden aangesteld en die onder het gezag staan van de algemene directie leerplichtonderwijs.
Art. 14. § 1er. Il est créé un Service d'équipes mobiles au sein de la Direction générale de l'Enseignement obligatoire.
  § 2. Par équipe mobile, on entend un ensemble de personnes spécialisées dans la gestion de situations de crise affectant un établissement scolaire suite à un fait particulier et aptes à intervenir dans ce type de situation ainsi que dans le cadre de la lutte contre le décrochage scolaire au sens de l'article 4, 3°, a), dans les établissements d'enseignement fondamental et secondaire, ordinaire et spécialisé. En outre, elles sont amenées à intervenir dans le cadre de la lutte contre l'absentéisme au sens de l'article 4, 1°, dans les établissements d'enseignement fondamental.
  § 3. Le Service d'équipes mobiles comprend vingt-six intervenants et un coordonnateur, tous désignés par le Gouvernement, placés sous l'autorité de la Direction générale de l'Enseignement obligatoire.
Art. 15. De optredende personen van de mobiele teams zijn :
  1° ofwel personeelsleden die met verlof wegens opdracht worden gesteld overeenkomstig artikel 6 van het decreet van 24 juni 1996 houdende regeling van de opdrachten, verloven wegens opdracht en terbeschikkingstelling wegens opdracht in het door de Franse Gemeenschap georganiseerd of gesubsidieerd onderwijs;
  2° ofwel personeelsleden van de Diensten van de Regering;
  3° ofwel personeelsleden die onder arbeidsovereenkomst worden aangeworven in het kader van een expertiseopdracht.
Art. 15. Les intervenants des équipes mobiles sont :
  1° soit des membres du personnel mis en congé pour mission, conformément à l'article 6 du décret du 24 juin 1996 portant réglementation des missions, des congés pour mission et des mises en disponibilité pour mission spéciale dans l'enseignement organisé ou subventionné par la Communauté française;
  2° soit des agents des Services du Gouvernement;
  3° soit des agents engagés sous contrat dans le cadre d'une mission d'expertise.
Art. 16. § 1. De mobiele teams treden op op aanvraag van de inrichtende macht, in het gesubsidieerd onderwijs, en op aanvraag van de Regering of van een inrichtingshoofd, in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs :
  1° in een crisistoestand in de school;
  2° om de dialoog weer op gang te brengen binnen de inrichting die een crisistoestand heeft beleefd;
  3° op vooruitlopende wijze, ingeval het onderwijsteam wenst zich voor te bereiden voor een crisistoestand.
  § 2. In het kader van hun optreden, stellen de mobiele teams hun expertise ter beschikking van het onderwijsteam van de betrokken schoolinrichting, van het psycho-medisch-sociaal centrum verbonden aan de inrichting en de andere betrokken diensten.
  Ze brengen het onderwijsteam en het team van het psycho-medisch-sociaal centrum op de hoogte van hun optreden.
  § 3. Wanneer de algemene directie leerplichtonderwijs op de hoogte is van de schooluitval van een minderjarige bedoeld in artikel 4, 3°, a), kan ze het optreden van de mobiele teams bij die minderjarige en zijn ouders of de persoon die het ouderlijk gezag uitoefent, aanvragen.
Art. 16. § 1er. Les équipes mobiles interviennent à la demande du pouvoir organisateur dans l'enseignement subventionné et, à la demande du Gouvernement ou du chef d'un établissement scolaire dans l'enseignement organisé par la Communauté française :
  1° en cas de situation de crise dans l'école;
  2° afin de permettre la reprise du dialogue au sein de l'établissement qui a connu une situation de crise;
  3° de manière anticipative, au cas où l'équipe éducative souhaite se préparer à réagir en situation de crise.
  § 2. Dans le cadre de leurs interventions, les équipes mobiles mettent leur expertise à la disposition de l'équipe éducative de l'établissement scolaire concerné, du centre psycho-médico-social attaché à l'établissement et des autres services concernés.
  Elles tiennent informées l'équipe éducative et l'équipe du centre psycho-médico-social de l'objet de leurs interventions.
  § 3. Lorsqu'elle a connaissance d'une situation de décrochage scolaire d'un mineur visé à l'article 4, 3°, a), la Direction générale de l'Enseignement obligatoire peut solliciter une intervention des équipes mobiles auprès de ce mineur et ses parents ou la personne investie de l'autorité parentale.
Art. 17. § 1. De in artikel 14, § 3, bedoelde coördinator is :
  1° ofwel een personeelslid dat met verlof wegens opdracht wordt gesteld overeenkomstig artikel 6 van het decreet "verloven wegens opdracht";
  2° ofwel een personeelslid van de Diensten van de Regering;
  3° ofwel een personeelslid dat onder arbeidsovereenkomst wordt aangeworven in het kader van een expertiseopdracht.
  § 2. De coördinator wordt inzonderheid ermee belast :
  1° de hulpmiddelen te beheren en te ontwikkelen die de personeelsleden bij de uitoefening van hun opdracht kunnen helpen;
  2° de behandeling van de aanvragen om optreden, bedoeld in artikel 16, § 1, aan de bevoegde personeelsleden toe te kennen en te zorgen voor het opvolgen ervan;
  3° de optredende personen te begeleiden;
  4° de naleving van de dienstregeling en de uitvoering van de taken door elke optredende persoon te controleren;
  5° het door de optredende personen geleverde werk te evalueren op grond van een geheel van indicatoren die door de dienst worden ontworpen en door de Regering;
  6° aan de evaluatie van de dienst deel te nemen;
  7° een interface te zijn tussen de dienst en de verantwoordelijken van de schoolinrichtingen en de psycho-medisch-sociale centra, en tussen de dienst en de andere diensten van de Regering;
  8° de dienst te vertegenwoordigen;
  9° elk jaar de Regering een verslag mee te delen over de resultaten die worden behaald in het kader van de opdrachten van de mobiele teams bedoeld in artikel 16.
Art. 17. § 1er. Le coordonnateur visé à l'article 14, § 3, est :
  1° soit un membre du personnel mis en congé pour mission, conformément à l'article 6 du décret " congés pour mission ";
  2° soit un agent des Services du Gouvernement;
  3° soit un agent engagé sous contrat dans le cadre d'une mission d'expertise.
  § 2. Le coordonnateur est, notamment, chargé de :
  1° gérer et développer les ressources susceptibles d'aider les agents dans leur travail;
  2° attribuer les demandes d'intervention, visées à l'article 16, § 1er, aux agents compétents et veiller à leur suivi;
  3° assurer l'accompagnement des intervenants;
  4° contrôler le respect de l'horaire de travail et l'accomplissement des tâches par chaque intervenant;
  5° évaluer le travail des intervenants à partir d'un ensemble d'indicateurs mis au point par le service et arrêtés par le Gouvernement;
  6° participer à l'évaluation du service;
  7° assurer l'interface entre le Service et les responsables d'établissement scolaire et de centres psycho-médico-sociaux, ainsi qu'entre le service et les autres services du Gouvernement;
  8° représenter le Service;
  9° adresser annuellement un rapport au Gouvernement sur les résultats obtenus dans le cadre des missions des équipes mobiles visées à l'article 16.
Art. 18. De mobiele teams en de coördinator zijn gehouden tot het beroepsgeheim betreffende hun betrekkingen met de leerlingen, de schoolinrichtingen en de andere optredende personen.
  In de mishandelingsgevallen, interpelleren de mobiele teams één van de specifieke instanties of diensten bedoeld in artikel 3, § 2 van het decreet van 12 mei 2004 betreffende de hulpverlening aan mishandelde kinderen, en bij voorrang de teams van het psycho-medisch-sociaal centrum en van de dienst voor gezondheidspromotie op school.
Art. 18. Les équipes mobiles ainsi que le coordonnateur sont soumis au secret professionnel concernant leurs rapports avec les élèves, les établissements scolaires et les autres intervenants.
  Dans les situations de maltraitance, les équipes mobiles interpellent une des instances ou services spécifiques visés à l'article 3, § 2, du décret du 12 mai 2004 relatif à l'aide aux enfants victimes de maltraitance, et prioritairement les équipes du centre psycho-médico-social et du Service PSE.
Afdeling V. - Opleiding van leerlingen tot bemiddeling of afvaardiging van leerlingen
Section V. - De la formation des élèves à la médiation ou à la délégation d'élève
Afdeling VI.
Section VI.
Afdeling VII. - Administratieve cel voor de coördinatie van acties inzake preventie van geweld op school, schoolverzuim, schooluitval en vroegtijdig schoolverlaten
Section VII. - De la Cellule administrative de coordination des actions de prévention de la violence en milieu scolaire, de l'absentéisme, du décrochage scolaire et de l'abandon scolaire précoce
Art. 22. § 1. Binnen de algemene directie leerplichtonderwijs wordt een administratieve cel voor de coördinatie van acties inzake preventie van geweld op school, schoolverzuim, schooluitval en vroegtijdig schoolverlaten opgericht, samengesteld als volgt :
  1° twee personeelsleden van niveau 1;
  2° een personeelslid van niveau 2+;
  3° een personeelslid van niveau 2.
  § 2. De cel wordt inzonderheid belast met :
  1° het coördineren en administratief opvolgen van de actie van de diensten bedoeld in titel II, hoofdstuk 1, afdelingen 3 tot 6 en in hoofdstuk 2, afdeling 1;
  2° het administratief opvolgen van de actie van de diensten voor schoolherinschakeling;
  3° het coördineren en administratief ondersteunen van de opleiding van de leerlingen tot de bemiddeling of de afvaardiging van leerlingen zoals bedoeld in artikel 19, om de jongeren voor te bereiden tot deelneming aan de preventie van geweld op school.
  [1 § 3. De ambtenaren van deze Cel zijn aan het beroepsgeheim onderworpen.]1
  
Art. 22. § 1er. Il est créé au sein de la Direction générale de l'Enseignement obligatoire une Cellule administrative de coordination des actions de prévention de la violence en milieu scolaire, de l'absentéisme, du décrochage scolaire et de l'abandon scolaire précoce, composée de la manière suivante :
  1° deux agents de niveau 1;
  2° un agent de niveau 2 +;
  3° un agent de niveau 2.
  § 2. La cellule est chargée, notamment, de :
  1° assurer la coordination et le suivi administratifs de l'action des services visés au titre II, chapitre 1er, sections 3 à 6 et au chapitre 2, section 1re;
  2° assurer le suivi administratif de l'action des services d'accrochage scolaire (SAS);
  3° coordonner et soutenir administrativement la formation des élèves à la médiation ou à la délégation d'élève telle que prévue à l'article 19 afin de préparer les jeunes à participer à la prévention de la violence scolaire.
  [1 § 3. Les agents de cette Cellule sont soumis au secret professionnel.]1
  
HOOFDSTUK II. - Schoolherinschakeling
CHAPITRE II. - De l'accrochage scolaire
Afdeling I. - Preventie van schooluitval
Section Ire. - De la prévention du décrochage scolaire
Art. 23. Vanaf de tiende halve dag ongewettigde afwezigheid van een leerling, roept het inrichtingshoofd of zijn afgevaardigde de leerling en zijn ouders, of de persoon die de ouderlijke macht uitoefent, als hij minderjarig is, op, [1 aangetekende zending ]1, volgens door de Regering nader te bepalen regels.
  Het inrichtingshoofd of zijn afgevaardigde verwijst de leerling en zijn ouders of de persoon die de ouderlijke macht uitoefent, als hij minderjarig is, naar de bepalingen inzake schoolverzuim. Het bereidt met hen acties voor tot voorkomen van afwezigheden en verwijst ze naar hun verantwoordelijkheden.
  [2 ...]2
  
Art. 23. Au plus tard à partir du dixième demi-jour d'absence injustifiée d'un élève, le chef d'établissement ou son délégué convoque l'élève et ses parents ou la personne investie de l'autorité parentale, s'il est mineur, par [1 envoi recommandé]1, selon les modalités précises fixées par le Gouvernement.
  Le chef d'établissement ou son délégué rappelle les dispositions relatives aux absences scolaires à l'élève et à ses parents ou à la personne investie de l'autorité parentale s'il est mineur. Il envisage avec eux des actions visant à prévenir les absences et leur rappelle leurs responsabilités.
  [2 ...]2
  
Art. 25. [3 ...]3
  [1 [2 In het secundair onderwijs, zodra een minderjarige leerplichtige leerling 9 halve dagen onverantwoord afwezig is, moet het inrichtingshoofd dit melden aan de Algemene directie voor het leerplichtonderwijs.]2]1
  Elke nieuwe ongewettigde afwezigheid moet maandelijks worden aangegeven volgens dezelfde procedures.
  De afwezigheden worden in aanmerking genomen vanaf de 5de werkdag [4 na de aanvang van het schooljaar]4.
  
Art. 25. [3 ...]3
  [1 [2 Dans l'enseignement secondaire, dès qu'un élève mineur soumis à l'obligation scolaire compte 9 demi-journées d'absence injustifiée, le chef d'établissement est tenu de le signaler à la Direction générale de l'Enseignement obligatoire.]2]1
  Toute nouvelle absence injustifiée est signalée mensuellement selon les mêmes procédures.
  Les absences sont prises en compte à partir du 5ème jour ouvrable [4 suivant la rentrée scolaire]4.
  
Art. 26. [1 Vanaf de tweede graad van het gewoon en gespecialiseerd secundair onderwijs van vorm 4, voldoet de leerling die tijdens eenzelfde schooljaar meer dan 20 halve dagen onverantwoord afwezig was, niet meer aan de verplichting om er werkelijk en regelmatig de cursussen te volgen, zoals bedoeld in artikel 2, 9° en 10°, van het koninklijk besluit van 29 juni 1984 betreffende de organisatie van het secundair onderwijs, en kan dus niet meer in aanmerking komen voor de bekrachtiging van studies op het einde van het schooljaar, behoudens gunstige beslissing van de klassenraad zoals bedoeld in artikel 21bis, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 29 juni 1984 betreffende de organisatie van het secundair onderwijs.
   [2 Een meerderjarige leerling die tijdens hetzelfde schooljaar meer dan 20 halve dagen onverantwoorde afwezigheid telt, kan van de inrichting worden uitgesloten volgens de nadere regels van de artikelen 81, § 2, 82, 83, 89, § 2, 90 en 91 van het "opdrachtendecreet."]2
   Bij de terugkomst van de leerling bepaalt het opvoedingsteam, in overleg met het psycho-medisch-sociaal centrum, collegiaal, de doelstellingen ter bevordering van de schoolherinschakeling van de leerling, in verband met het sturingsplan bedoeld in artikel 67, § 2, van het " Takendecreet ". Deze doelstellingen worden naargelang het geval bepaald en beantwoorden aan de behoefte(n) van de leerling.
   Het document met het geheel van de doelstellingen wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de ouders of de wettelijke verantwoordelijken van de leerling of aan de leerling zelf indien hij meerderjarig is.
   [3 Tussen 15 mei en 31 mei beslist de Klassenraad om de leerling al dan niet toe te laten tot het afleggen van eindejaarexamens, op basis van de naleving van de hem gestelde doelen. De beslissing van de klassenraad moet onmiddellijk schriftelijk worden meegedeeld aan de ouders of wettelijke voogden van de leerling, of aan de leerling zelf indien hij meerderjarig is. De beslissing om de studies van de leerling al dan niet te bekrachtigen, leidt niet tot een oriëntatieattest C, zoals bedoeld in artikel 23, § 2, 3°, van het koninklijk besluit van 29 juni 1984 betreffende de organisatie van het secundair onderwijs.]3
   De doelstellingen die aan de leerling worden toegewezen, maken deel uit van zijn dossier. Bijgevolg, ingeval van een schoolverandering nadat de leerling meer dan 20 halve dagen onverantwoord afwezig is gebleven, stuurt de oorspronkelijke inrichting het document met de lijst van de doelstellingen aan de nieuwe inrichting, die ze in de huidige staat kan behouden of aanpassen, in welk geval dit document opnieuw zal moeten worden goedgekeurd door de ouders of wettelijke verantwoordelijken van de leerling indien hij minderjarig is, of door hemzelf indien hij meerderjarig is.
   De leerling die na 31 mei het aantal van 20 halve dagen onverantwoorde afwezigheid overschrijdt, kan aanspraak maken op de bekrachtiging van studies zonder voorafgaande beslissing van de klassenraad.
   De directeur bezorgt de Regering, voor 30 juni van elk schooljaar, de lijst van de leerlingen die meer dan 20 halve dagen zonder reden afwezig zijn gebleven tijdens dat schooljaar door een onderscheiding te maken tussen :
   1° de leerlingen die in de inrichting niet meer zijn verschenen sinds ze meer 20 halve dagen onverantwoord afwezig waren;
   2° de leerlingen die opnieuw naar de inrichting komen maar waarvan de ouders, de wettelijke verantwoordelijke of zijzelf de doelstellingen niet hebben goedgekeurd die hen werden toegewezen ;
   3° de leerlingen van wie de ouders, de wettelijke verantwoordelijke of zijzelf de toegewezen doelstellingen hebben goedgekeurd en waarvoor de klassenraad van mening was dat ze deze doelstellingen hebben bereikt;
   4° de leerlingen van wie de ouders, de wettelijke verantwoordelijken of zijzelf de vastgestelde doelstellingen hebben goedgekeurd maar waarvoor de klassenraad van mening was dat ze deze doelstellingen niet hebben bereikt en hen bijgevolg niet de toelating heeft gegeven om de eindejaarsexamens af te leggen.]1

  
Art. 26. [1 A partir du deuxième degré de l'enseignement secondaire ordinaire et spécialisé de forme 4, l'élève qui compte, au cours d'une même année scolaire, plus de 20 demi-jours d'absence injustifiée, ne satisfait plus à l'obligation de fréquenter effectivement et assidûment les cours, telle que prévue par l'article 2, 9° et 10°, de l'arrêté royal du 29 juin 1984 relatif à l'organisation de l'enseignement secondaire, et ne peut donc plus prétendre à la sanction des études en fin d'année scolaire, sauf décision favorable du conseil de classe telle que visée à l'article 21bis, § 1er, alinéa 2, de l'arrêté royal du 29 juin 1984 relatif à l'organisation de l'enseignement secondaire.
   [2 L'élève majeur qui compte, au cours d'une même année scolaire, plus de 20 demi-jours d'absence injustifiée peut être exclu de l'établissement selon les modalités fixées aux articles 81, § 2, 82, 83, 89, § 2, 90 et 91 du décret " Missions ".]2
   Dès le retour de l'élève, l'équipe éducative, en concertation avec le centre psycho-médico-social, définit collégialement des objectifs visant à favoriser l'accrochage scolaire de l'élève, en lien avec le plan de pilotage visé à l'article 67, § 2, du décret " Missions ". Ces objectifs sont définis au cas par cas et répondent au(x) besoin(s) de l'élève.
   Le document reprenant l'ensemble des objectifs est soumis, pour approbation, aux parents ou aux responsables légaux de l'élève, ou à l'élève lui-même s'il est majeur.
   [3 Entre le 15 mai et le 31 mai, il revient au Conseil de classe d'autoriser ou non l'élève à présenter les examens de fin d'année, sur la base du respect des objectifs qui lui ont été fixés. La décision du Conseil de classe doit être immédiatement notifiée, par écrit, aux parents ou aux responsables légaux de l'élève, ou à l'élève lui-même s'il est majeur. La décision de ne pas admettre l'élève à la sanction des études ne constitue pas une attestation d'orientation C, telle que définie à l'article 23, § 2, 3°, de l'arrêté royal du 29 juin 1984 relatif à l'organisation de l'enseignement secondaire]3.
   Les objectifs fixés à l'élève font partie de son dossier. Par conséquent, en cas de changement d'établissement après que l'élève ait dépassé les 20 demi-jours d'absence injustifiée, l'établissement d'origine transmet le document reprenant la liste des objectifs au nouvel établissement, qui peut les conserver en l'état ou les adapter, auquel cas ce document devra à nouveau être approuvé par les parents ou responsables légaux de l'élève s'il est mineur, ou par lui-même s'il est majeur.
   L'élève qui dépasse les 20 demi-jours d'absence injustifiée après le 31 mai peut prétendre à la sanction des études, sans décision préalable du conseil de classe.
   Le directeur transmet au Gouvernement, pour le 30 juin de chaque année scolaire, la liste des élèves ayant dépassé les 20 demi-jours d'absence injustifiée au cours de cette année scolaire, en distinguant parmi ceux-ci :
   1° les élèves qui ne se sont plus présentés dans l'établissement depuis qu'ils ont dépassé les 20 demi-jours d'absence injustifiée ;
   2° les élèves qui ont fréquenté à nouveau l'établissement mais dont les parents, responsables légaux ou eux-mêmes n'ont pas approuvé les objectifs qui lui ont été fixés ;
   3° les élèves dont les parents, responsables légaux ou eux-mêmes ont approuvé les objectifs fixés et pour lesquels le conseil de classe a estimé qu'ils ont atteint ces objectifs ;
   4° les élèves dont les parents, responsables légaux ou eux-mêmes ont approuvé les objectifs fixés mais pour lesquels le conseil de classe a estimé qu'ils n'ont pas atteint ces objectifs et ne les a, en conséquence, pas autorisés à présenter les examens de fin d'année.]1

  
Art. 27. Uiterlijk voor 31 augustus van het verlopen schooljaar, deelt de algemene directie leerplichtonderwijs de Regering de opgave, in voorkomend geval voor elke inrichtende macht en elke inrichting, mee, van :
  1° de leerplichtige leerlingen die niet ingeschreven zijn in een door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde inrichting en die niet ertoe worden toegelaten lessen thuis te volgen;
  2° de leerlingen die aan de algemene directie leerplichtonderwijs worden aangegeven krachtens artikel 25, tweede lid;
  3° [1 ...]1
  
Art. 27. Au plus tard le 31 août de l'année scolaire écoulée, la Direction générale de l'Enseignement obligatoire transmet au Gouvernement, le relevé, le cas échéant, par pouvoir organisateur et par établissement :
  1° des élèves soumis à l'obligation scolaire, non inscrits dans un établissement scolaire organisé ou subventionné par la Communauté française et non autorisés à suivre un enseignement à domicile;
  2° des élèves signalés à la Direction générale de l'Enseignement obligatoire en vertu de l'article 25, alinéa 2;
  3° [1 ...]1
  
Afdeling II. - Intern stelsel voor schoolherinschakeling
Section II. - Du dispositif interne d'accrochage scolaire (DIAS)
Art. 28. § 1. In het kader van hun inrichtingsproject bedoeld in artikel 67 van het takendecreet, en, in voorkomend geval, van hun Algemeen Actieproject voor de gedifferentieerde omkadering, kunnen de inrichtingen voor gewoon secundair onderwijs een intern stelsel voor schoolherinschakeling invoeren.
  § 2. Het intern stelsel voor schoolherinschakeling heeft tot doel :
  1° de in artikel 4, 3°, b) bedoelde schooluitval van leerlingen die moeilijkheden met de school hebben, te voorkomen;
  2° de leerlingen die dit genieten, helpen zelfvertrouwen en zelfachting opnieuw te verwerven en zowel een persoonlijk project als een opleidingsproject te ontwikkelen.
  Dit project kadert in een globaal inrichtingsbeleid om een welzijnssfeer in de school te creëeren, dat, in voorkomend geval, binnen de plaatselijke overlegcel wordt bepaald.
  § 3. De opvatting en het beheer van het intern stelsel voor schoolherinschakeling worden toevertrouwd aan een multidisciplinair team, dat kan worden samengesteld uit leerkrachten, leden van het opvoedend hulppersoneel, leden van het team van het psycho-medisch-social centrum. Er kan ook een beroep worden gedaan aan externe partners.
Art. 28. § 1er. Dans le cadre de leur projet d'établissement visé à l'article 67 du décret " Missions " et, le cas échéant, de leur projet général d'action d'encadrement différencié (PGAED), visé à l'article 8 du décret " encadrement différencié ", les établissements d'enseignement secondaire ordinaire peuvent mettre en place un dispositif interne d'accrochage scolaire (DIAS).
  § 2. L'objectif du DIAS est de :
  1° prévenir le décrochage scolaire visé à l'article 4, 3°, b), d'élèves en difficulté avec l'école;
  2° aider les élèves qui en bénéficient à reconstruire la confiance et l'estime de soi et à développer tant un projet personnel qu'un projet de formation.
  Ce dispositif s'inscrit dans le cadre d'une politique globale d'établissement en vue d'instaurer un climat de bien-être dans l'école, laquelle est définie, s'il échet, au sein de la Cellule de concertation locale.
  § 3. La conception et la gestion du DIAS sont confiées à une équipe pluridisciplinaire, qui peut être composée d'enseignants, de membres du personnel auxiliaire d'éducation, de membres de l'équipe du Centre psycho-médico-social. Il peut également faire appel à des partenaires extérieurs.
Art. 29. De klassenraad wijst de leerlingen aan die het intern stelsel voor schoolherinschakeling kunnen genieten.
  Voor de minderjarige leerlingen is de toestemming van de ouders of van de persoon die de ouderlijke macht uitoefent, vereist.
  De leerlingen die het intern stelsel voor schoolherinschakeling genieten, blijven in hun oorspronkelijke klas ingeschreven; hun administratieve toestand is niet gewijzigd.
Art. 29. Le Conseil de classe décide des élèves qui peuvent bénéficier du DIAS.
  Pour les élèves mineurs, l'accord de leurs parents ou de la personne investie de l'autorité parentale est requis.
  Les élèves qui bénéficient du DIAS restent inscrits dans leur classe d'origine; leur situation administrative n'est en rien modifiée.
Art. 30. § 1. Samen met het psycho-medisch-sociaal centrum en met de leden van het team dat met het intern stelsel voor schoolherinschakeling wordt belast, stelt de klassenraad een persoonlijk plan vast voor elk van de leerlingen bedoeld in artikel 29, na overleg met de leerling en zijn ouders of de persoon die de ouderlijke macht uitoefent, als hij minderjarig is.
  § 2. Het persoonlijk plan, dat voor en met de jongere wordt opgemaakt, kan de volgende gegevens inhouden :
  1° lessen gemeenschappelijke vorming;
  2° aanvullende activiteiten;
  3° ateliers voor samenwerking, socialisatie, mededeling of expressie;
  4° tijd en acties voor schooloriëntatie, voor opmaken van een persoonlijk project;
  5° observatie- en initiatiestages;
  6° activiteiten ter bevordering van motivatie, zelfvertrouwen, zelfachting;
  7° taalbadonderwijs in verschillende onderwijsvormen en -richtingen;
  8° verwezenlijking van een project op een bepaald gebied of een interdisciplinair project, een artistiek, technologisch, sport- of ander project;
  9° verwezenlijking door een externe dienst;
  10° sociale, burger- (inter)culturele acties;
  11° voorbereiding tot de voorstelling van een externe examencommissie.
  § 3. De klassenraad wordt belast met het beoordelen, het nader bepalen, of zelfs het wijzigen van het persoonlijk plan.
  § 4. Het persoonlijk plan wordt voor een periode van één mand opgemaakt, met als doel, op het einde van de bepaalde periode, de leerling opnieuw in te schakelen in zijn klas of in een ander schooltraject, met inachtneming van de toelatingsvoorwaarden.
  § 5. Na de beoordeling kan het persoonlijk plan elke maand door de klassenraad worden verlengd. De ouders of de persoon die de ouderlijke macht uitoefent, worden daar op de hoogte van gebracht.
  § 6. De betrokken leerling kan te allen tijde door een dienst voor schoolherinschakeling worden begeleid, met inachtneming van de toelatingsvoorwaarden.
  § 7. Het persoonlijk plan wordt ter beschikking van de inspectiedienst en van de diensten van de Regering gehouden.
  § 8. Iedere leerling die een persoonlijk plan in het kader van een intern stelsel voor schoolherinschakeling volgt, geniet de begeleiding van een refertepersoon.
  § 9. De begeleiding van activiteiten in verband met het persoonlijk plan kan in het kader van zijn ambt worden toegekend aan ieder lid van het bestuurs- en onderwijzend personeel of van het opvoedend hulppersoneel.
Art. 30. § 1er. Avec l'aide du centre psycho-médicosocial et de membres de l'équipe en charge du DIAS, le Conseil de classe construit un plan personnalisé pour chacun des élèves visés à l'article 29, après concertation avec l'élève et avec ses parents ou la personne investie de l'autorité parentale, s'il est mineur.
  § 2. Le plan personnalisé, construit pour et avec le jeune, peut comprendre :
  1° des cours de formation commune;
  2° des activités complémentaires;
  3° des ateliers de coopération, de socialisation, de communication ou d'expression;
  4° des temps et démarches consacrés à l'orientation scolaire, à la construction d'un projet personnel;
  5° des stages d'observation et d'initiation;
  6° des activités visant à faire croître la motivation, la confiance, l'estime de soi;
  7° des stages d'immersion dans diverses formes et filières d'enseignement;
  8° la réalisation d'un projet disciplinaire, interdisciplinaire, artistique, technologique, sportif ou autre;
  9° des moments de prise en charge par un service externe;
  10° des actions sociales, citoyennes, (inter)culturelles;
  11° la préparation à la présentation d'un jury externe.
  § 3. Le Conseil de classe est chargé d'évaluer, de préciser voire d'amender le plan personnalisé.
  § 4. Le plan personnalisé est établi pour une durée d'un mois, avec pour but, au terme de la période déterminée, de réintégrer l'élève, dans sa classe ou dans un autre parcours scolaire, dans le respect des conditions d'admission.
  § 5. Après évaluation, le plan personnalisé peut être reconduit mois par mois, par le Conseil de classe. Les parents ou la personne investie de l'autorité parentale en sont tenus informés.
  § 6. Il reste possible que l'élève concerné soit pris en charge à tout moment par un des services d'accrochage scolaire (SAS), dans le respect des conditions d'admission.
  § 7. Le plan personnalisé est tenu à la disposition du service de l'Inspection et des services du Gouvernement.
  § 8. Chaque élève faisant l'objet d'un plan personnalisé dans le cadre du DIAS bénéficie de l'accompagnement d'une personne de référence.
  § 9. L'encadrement des activités liées au plan personnalisé peut être attribué dans le cadre de sa fonction à tout membre du personnel directeur et enseignant ou du personnel auxiliaire d'éducation.
Afdeling III. - Interne stelsels voor schoolherinschakeling
Section III. - Des dispositifs externes d'accrochage scolaire
Art. 34bis. [1 In het kader van de artikelen 31 tot 33 kan een partnerschapsovereenkomst, waarvan het model door de Regering bepaald wordt, gesloten worden tussen de dienst voor schoolherinschakeling en een instelling die ofwel een publiekrechtelijke rechtspersoon is ofwel een vereniging zonder winstbejag met als hoofdzakelijk rechtsdoel de strijd tegen het afhaken van school en het falen op school, met inbegrip van de voorlopige begeleiding van een afhakende minderjarige.]1
  
Art.34bis. [1 Dans le cadre des articles 31 à 33, une convention de partenariat dont le modèle est déterminé par le Gouvernement peut être conclue entre un service d'accrochage scolaire et un organisme constitué soit en personne morale publique soit en association sans but lucratif ayant pour objet moral principal la lutte contre le décrochage et l'échec scolaires, y compris dans la prise en charge temporaire d'un mineur en décrochage.]1
  
Afdeling IV. - Stelsel voor de geslaagde terugkeer naar school
Section IV. - Du dispositif favorisant le retour réussi à l'école
Art. 37. § 1. Om te zorgen in de best mogelijke omstandigheden voor de inschakeling of de herinschakeling van de leerlingen waarvan de begeleiding door een dienst voor schoolherinschakeling ten einde is gelopen, krijgt de schoolinrichting die het eerst een jongere op het einde van zijn begeleiding ontvangt, voor elke opnieuw ingeschakelde leerling, zes bijkomende lestijden boven het totale aantal lestijden/leraar in het gewoon onderwijs of zes bijkomende lestijden boven het lestijdenpakket in het gespecialiseerd onderwijs, waarbij een totaal van vierentwintig lestijden per inrichting nooit kan worden overschreden.
  Wanneer een leerling werd begeleid door een dienst voor schoolherinschakeling tot [1 laatste dag]1 van een schooljaar en in een schoolinrichting opnieuw wordt ingeschakeld op het begin van het volgende schooljaar, kan de inrichting die hem ontvangt de aanwending van die bijkomende middelen op dat ogenblik vragen.
  Het inrichtingshoofd brengt de algemene directie leerplichtonderwijs op de hoogte van zijn aanvraag om aanwending van die bijkomende middelen.
  Zodra de in het vorige lid bedoelde aanvraag werd overgezonden volgens de door de Regering nader te bepalen regels, kunnen de bijkomende middelen worden aangewend, voor een periode van twee maanden (waarbij de schoolvakantie- en -verlofperioden tussen [1 eerste dag van het schooljaar]1 en [1 laatste dag van het schooljaar]1 niet worden meegerekend), vanaf de elfde schooldag volgend op de inschakeling of herinschakeling van de jongere in de schoolinrichting.
  § 2. Een personeelslid van de schoolinrichting kan worden aangewezen voor de begeleiding van de inschakeling of de herinschakeling van de in paragraaf 1 bedoelde leerlingen.
  De in paragraaf 1 bedoelde bijkomende middelen maken de aanwijzing voor de begeleiding van de leerling(en) mogelijk van :
  1° een lid van het onderwijzend personeel of het opvoedend hulppersoneel dat tijdelijk wordt gedetacheerd van het geheel of een deel van het ambt dat het in de inrichting in vast verband uitoefent, waarbij hijzelf wordt vervangen, in verhouding tot het aantal detacheringsuren, door een tijdelijk aangesteld personeelslid;
  2° een lid van het onderwijzend personeel of het opvoedend hulppersoneel dat tijdelijk wordt aangeworven of aangesteld.
  § 3. Wanneer een schoolinrichting die voor een eerste leerling reeds zes bijkomende lestijden overeenkomstig paragraaf 1 geniet, een tweede leerling ontvangt waarvan de begeleiding door een dienst voor schoolherinschakeling ten einde is gelopen, kan de opdracht van het personeelslid belast met de begeleiding overeenkomstig paragraaf 2 worden uitgebreid.
  Wanneer dat personeelslid tijdelijk werd aangewezen of aangesteld, wordt zijn tijdelijke aanwijzing of aanstelling verlengd, zodat de tweede leerling de begeleiding voor een periode van twee maanden geniet.
  Hetzelfde stelsel wordt toegepast voor elke bijkomende leerling, waarbij de detachering, de aanwijzing of de aanstelling bedoeld in de vorige leden, niet verder kunnen reiken dan [1 laatste dag]1 van het lopende schooljaar.
  
Art. 37. § 1er. Pour assurer l'accompagnement dans les meilleures conditions possibles, de l'intégration ou de la réintégration des élèves dont la prise en charge par un service d'accrochage scolaire a pris fin, l'établissement scolaire qui accueille en premier un jeune à l'issue de sa prise en charge, se voit octroyer, pour chaque élève (ré)intégré, six périodes supplémentaires au nombre total de périodes-professeur dans l'enseignement ordinaire ou six périodes supplémentaires au capital-périodes dans l'enseignement spécialisé, sans jamais dépasser un total de vingt-quatre périodes par établissement.
  Lorsqu'un élève a été pris en charge par un service d'accrochage scolaire jusqu'au [1 dernier jour]1 d'une année scolaire et est réintégré dans un établissement scolaire au début de l'année scolaire suivante, l'établissement qui l'accueille peut demander l'activation de ces moyens complémentaires à ce moment.
  Le chef d'établissement informe la Direction générale de l'Enseignement obligatoire de sa demande d'activation de ces moyens supplémentaires.
  Dès lors que la demande visée à l'alinéa précédent a été transmise selon les modalités fixées par le Gouvernement, les moyens supplémentaires peuvent être utilisés, pour une période de deux mois (compte non tenu des périodes de vacances et congés scolaires entre le [1 premier jour de l'année scolaire]1 et le [1 dernier jour de l'année scolaire]1), dès le onzième jour scolaire qui suit l'intégration ou la réintégration du jeune dans l'établissement scolaire.
  § 2. Un membre du personnel de l'établissement scolaire peut être affecté à l'accompagnement de l'intégration ou de la réintégration des élèves visés au paragraphe 1er.
  Les moyens supplémentaires visés au paragraphe 1er permettent l'affectation à l'accompagnement de l'élève ou des élèves accueilli(s) :
  1° d'un membre du personnel enseignant ou auxiliaire d'éducation détaché à titre temporaire de tout ou partie de la fonction qu'il exerce à titre définitif dans l'établissement, lui-même étant remplacé à concurrence du nombre d'heures de détachement par un membre du personnel engagé à titre temporaire;
  2° d'un membre du personnel enseignant ou auxiliaire d'éducation engagé ou désigné à titre temporaire.
  § 3. Lorsqu'un établissement scolaire, qui bénéficie déjà, pour un premier élève, de six périodes supplémentaires conformément au paragraphe 1er, accueille un second élève dont la prise en charge par un service d'accrochage scolaire a pris fin, le membre du personnel chargé de l'accompagnement conformément au paragraphe 2, peut voir cette charge étendue.
  Lorsque ce membre du personnel a été désigné ou engagé à titre temporaire, sa désignation ou son engagement à titre temporaire, est prolongé(e) de telle sorte que le second élève accueilli bénéficie de l'accompagnement pour une période de deux mois.
  Le même mécanisme est appliqué pour tout élève supplémentaire accueilli, sans toutefois que le détachement, la désignation ou l'engagement visés aux alinéas précédents, puisse dépasser le [1 dernier jour]1 de l'année scolaire en cours.
  
Art. 38. Het lid van het onderwijzend personeel of van het opvoedend hulppersoneel, dat aangewezen wordt voor de begeleiding van de inschakeling of herinschakeling van één of meer leerlingen overeenkomstig artikel 37, kan een leerling binnen de dienst voor schoolherinschakeling begeleiden, wanneer die deze raadpleegt met toepassing van de in artikel 36 bedoelde overeenkomst.
Art. 38. Le membre du personnel enseignant ou du personnel auxiliaire d'éducation, affecté à l'accompagnement de l'intégration ou de la réintégration d'un ou de plusieurs élèves conformément à l'article 37, peut accompagner un élève au sein du service d'accrochage scolaire, lorsque ce dernier le fréquente en application de la convention visée à l'article 36.
Art. 39. Schoolinrichtingen kunnen de bijkomende middelen waarop ze aanspraak kunnen maken krachtens artikel 37 gemeenschappelijk aanwenden en zich bij overeenkomst ertoe verbinden die toe te kennen aan een personeelslid van één van de inrichtingen die partner zijn bij die overeenkomst.
Art. 39. Des établissements scolaires peuvent mettre en commun les moyens supplémentaires promérités en vertu de l'article 37 et s'engager par convention à les attribuer à un membre du personnel de l'un des établissements partenaires de ladite convention.
Art. 40. De facilitatoren bedoeld bij artikel 18 van het "intersectoraal" decreet Onderwijs - Hulpverlening aan de Jeugd van 21 november 2013 verlenen bijstand voor het globaal op elkaar afstemmen van de acties die worden gevoerd in de zone waarvoor ze aangewezen zijn, zowel in de schoolinrichtingen als in de diensten voor schoolherinschakeling, ten aanzien van de leerlingen die worden begeleid door één van de diensten voor schoolherinschakeling, gedurende die begeleiding en na de (her)inschakeling van de leerling in de school.
Art. 40. Les facilitateurs visés par l'article 18 du décret " intersectoriel " Enseignement - Aide à la Jeunesse du 21 novembre 2013 prêtent leur concours à la bonne articulation globale des actions menées dans la zone à laquelle ils ont été affectés, tant dans les établissements scolaires que dans les services d'accrochage scolaire (SAS), à l'égard des élèves pris en charge par un des services d'accrochage scolaire (SAS) au cours de cette prise en charge et après la (ré)intégration de l'élève à l'école.
HOOFDSTUK III. - Begeleiding van studieoriëntatie
CHAPITRE III. - De l'accompagnement des démarches d'orientation scolaire
Art. 41. § 1. Wat de begeleiding van de studieoriëntatie betreft, hebben de ontmoetingen bedoeld in artikel 6, § 3, inzonderheid betrekking op de volgende punten :
  1° de leerling in het leerproces opnemen, als actor van zijn eigen studieoriëntatie en niet als persoon die het proces ondergaat;
  2° de leerling de mogelijkheid bieden om zich bewust te worden van zijn persoonlijke kenmerken en die te ontwikkelen met de gezamenlijke zorg zowel voor de solidaire samenleving als voor de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid en zijn verantwoordelijkheid;
  3° ontdekken en experimenteren bevorderen als voorwaarde voor het ontwikkelen van de capaciteit om studiekeuzen en levenskeuzen te doen die voor de leerlingen zinvol zijn;
  4° de leerlingen ertoe aanzetten het mogelijkheidsveld uit te breiden, hun nieuwsgierigheid en hun wens alternatieven te ontdekken, stimuleren;
  5° de leerlingen begeleiden bij hun vragen in verband met de waarden en het doel met betrekking tot hun keuze;
  6° oriëntatie beschouwen als een doorlopend proces voor steunverlening gedurende hun hele leven, opdat ze hun persoonlijke project, hun school- en beroepsproject in het werk zouden stellen, waarbij een beter inzicht in hun wensen en hun competenties wordt verschaft door hun informatie en raad te geven over de realiteit van het werk, de evolutie van de vakken en beroepen, de tewerkstelling, de economische realiteit, het opleidingsaanbod en de evolutie van de samenleving.
  § 2. De acties en de medewerkingsverbanden hebben tot doel een positieve en globale oriëntatie te ontwikkelen, die rekening houdt met de verscheidenheid en de complexheid, die het mogelijkheidsveld uitbreidt en die zich ontwikkelt gedurende hun hele schooltijd met een focus op de spilmomenten van het studietraject, inzonderheid gericht op de besluitvorming voortvloeiend uit de keuze van een optie, een school of een beroep.
Art. 41. § 1er En ce qui concerne l'accompagnement des démarches d'orientation scolaire, les rencontres prévues à l'article 6, § 3, portent, entre autres, sur la manière :
  1° de placer l'élève au coeur du processus d'apprentissage, comme sujet et non comme objet d'orientation;
  2° de permettre à l'élève de prendre conscience de ses caractéristiques personnelles et de les développer avec le souci conjoint tant du devenir collectif solidaire que de l'épanouissement de sa personnalité et de sa responsabilité;
  3° de favoriser la découverte et l'expérimentation comme condition nécessaire à l'élaboration de la capacité d'opérer des choix scolaires et des choix de vie qui font sens pour les élèves;
  4° d'encourager les élèves à élargir le champ des possibles, d'éveiller leur curiosité et leur envie de découvrir des alternatives;
  5° de les accompagner dans leur(s) questionnement(s) sur les valeurs et les enjeux liés aux choix auxquels ils sont confrontés;
  6° d'envisager l'orientation comme un processus continu d'appui aux personnes tout au long de leur vie pour qu'elles élaborent et mettent en oeuvre leur projet personnel, scolaire et professionnel en clarifiant leurs aspirations et leur compétences par l'information et le conseil sur les réalités du travail, l'évolution des métiers et professions, du marché de l'emploi, des réalités économiques et de l'offre de formation ainsi que des mutations sociétales.
  § 2. Les actions entreprises et les collaborations développées visent à articuler une orientation positive, globale, prenant en compte la diversité et la complexité, ouvrant le champ des possibles et se développant tout au long de la scolarité avec une orientation ciblée, focalisée sur les moments-charnières du parcours scolaire, centrée, notamment, sur la prise de décision liée au choix d'option, d'école, ou de profession.
Titel III. - Wijzigings-, opheffings- en slotbepalingen
TITRE III. - Mesures modificatives, abrogatoires et finales
HOOFDSTUK I. - Wijzigingsbepalingen
CHAPITRE Ier. - Mesures modificatives
Afdeling I. - Wijziging van het decreet van 24 juli 1997 dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren
Section Ire. - Des modifications du décret du 24 juillet 1997 définissant les missions prioritaires de l'enseignement fondamental et de l'enseignement secondaire et organisant les structures propres à les atteindre
Art. 42. In het decreet van 24 juli 1997 dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren, wordt het opschrift van hoofdstuk VIII vervangen als volgt :
  "Toegang tot inrichtingen".
Art. 42. Dans le décret du 24 juillet 1997 définissant les missions prioritaires de l'enseignement fondamental et de l'enseignement secondaire et organisant les structures propres à les atteindre, l'intitulé du chapitre VIII est remplacé par ces mots :
  " De l'accès aux établissements ".
Art. 43. In het takendecreet, wordt artikel 74, opgeheven bij het decreet van 14 november 2002, hersteld als volgt :
  "Art. 74. De personeelsleden, de leerlingen en de leden van de psycho-medisch-sociale centra en van de dienst voor gezondheidspromotie op school die in de inrichting werken, hebben toegang tot de lokalen gedurende en buiten de klasuren, naar gelang van de noodwendigheden van de dienst en de pedagogische activiteiten, volgens de regels die nader worden bepaald door het inrichtingshoofd, in het gemeenschapsonderwijs, en door de inrichtende macht, in het gesubsidieerd onderwijs.
  De ouders en de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen hebben ook toegang tot de inrichting volgens de regels die nader worden bepaald door het inrichtingshoofd, in het gemeenschapsonderwijs, en door de inrichtende macht, in het gesubsidieerd onderwijs.
  Tenzij het inrichtingshoofd, voor het gemeenschapsonderwijs, en de inrichtende macht, voor het gesubsidieerd onderwijs, of hun afgevaardigden, dit toelaat, hebben de ouders geen toegang tot de lokalen waar de lessen worden gegeven en waar de pedagogische activiteiten gedurende de duur ervan plaatsvinden.".
Art. 43. Dans le décret " Missions ", l'article 74, abrogé par le décret du 14 novembre 2002 est rétabli en ces termes :
  " Art. 74. Les membres du personnel, les élèves ainsi que les membres des centres-psycho-médico-sociaux et du Service promotion de la santé à l'école oeuvrant dans l'établissement ont accès aux locaux pendant et hors des heures de classe, en fonction des nécessités du service et des activités pédagogiques, selon les modalités définies par le chef d'établissement dans l'enseignement de la Communauté, par le pouvoir organisateur dans l'enseignement subventionné.
  Les parents et les personnes investies de l'autorité parentale ont également accès à l'établissement selon les modalités définies par le chef d'établissement dans l'enseignement de la Communauté, par le pouvoir organisateur dans l'enseignement subventionné.
  Sauf autorisation expresse du chef d'établissement pour l'enseignement de la Communauté française, du pouvoir organisateur pour l'enseignement subventionné ou de leurs délégués, les parents n'ont pas accès aux locaux où se donnent les cours et les différentes activités pédagogiques pendant la durée de ceux-ci. ".
Art. 44. In het takendecreet, wordt artikel 75, dat bij het decreet van 14 november 2002 werd opgeheven, hersteld als volgt :
  "Art. 75. § 1. Bij de uitoefening van hun ambt hebben ook toegang tot de schoolinrichtingen :
  1° de afgevaardigden van de Regering;
  2° de afgevaardigden van de inrichtende macht, voor het onderwijs die ze organiseert;
  3° de inspecteurs en verificateurs die daartoe door de Franse Gemeenschap behoorlijk worden aangesteld;
  4° de inspecteurs en afgevaardigden van de verschillende diensten van de Staat, belast met de inspecties inzake volksgezondheid en de naleving van de arbeidswetgeving;
  5° de burgemeester en zijn afgevaardigden voor brandpreventie;
  6° de officieren van gerechtelijke politie, de ambtenaren van het openbaar ministerie, de leden van de politiediensten die in het bezit zijn van een bevel tot medebrenging, tot aanhouding of tot huiszoeking of in het geval van heterdaad of misdaad;
  7° het verzorgend en verplegend personeel waarvan het optreden werd gevraagd.
  Buiten dringende gevallen of op heterdaad ontdekte misdrijven of misdaden, meldt de in het eerste lid bedoelde persoon zich eerst bij het inrichtingshoofd of zijn afgevaardigde.
  § 2. In het niet confessioneel onderwijs, hebben de hoofden van de eredienst en hun afgevaardigden van rechtswege toegang tot de lokalen waar de cursus godsdienst wordt verstrekt, gedurende de duur ervan. Ze melden zich eerst bij het inrichtingshoofd of zijn afgevaardigde aan.".
Art. 44. Dans le décret " Missions ", l'article 75, abrogé par le décret du 14 novembre 2002 est rétabli en ces termes :
  " Art. 75. § 1er. Dans l'exercice de leurs fonctions, ont également accès aux établissements scolaires :
  1° les délégués du Gouvernement;
  2° les délégués du pouvoir organisateur pour l'enseignement qu'il organise;
  3° les inspecteurs et vérificateurs dûment désignés à cet effet par la Communauté française;
  4° les inspecteurs et délégués des différents services de l'Etat chargés des inspections en matière de santé publique et de respect de la législation du travail;
  5° le bourgmestre et ses délégués en matière de prévention des incendies;
  6° les officiers de police judiciaire, les officiers du ministère public, les services de police et de gendarmerie dûment munis d'un mandat d'amener, d'un mandat d'arrêt ou d'un mandat de perquisition ou dans les cas de flagrant délit ou crime;
  7° le personnel médical et infirmier dont l'intervention a été demandée.
  Hors le cas d'urgence ou de flagrant délit ou de flagrant crime, toute personne visée à l'alinéa 1er se présente d'abord auprès du chef d'établissement ou de son délégué.
  § 2. Dans l'enseignement de caractère non confessionnel, les chefs de culte et leurs délégués ont accès de droit aux locaux où se donnent les cours de leur religion, pendant la durée de ceux-ci. Ils se présentent d'abord au chef d'établissement ou à son délégué. ".
Art. 45. In het takendecreet, wordt een nieuw artikel 75bis ingevoegd, luidend als volgt :
  "Art. 75bis. § 1. Iedere persoon die niet beantwoordt aan de voorwaarden van de artikelen 74 en 75 moet het inrichtingshoofd of zijn afgevaardigde de toelating aanvragen om de lokalen binnen te treden.
  § 2. Iedere persoon die de lokalen van een schoolinrichting binnentreedt tegen de wil in van het inrichtingshoofd of zijn afgevaardigde, ofwel door personen te bedreigen of geweld tegen die te plegen, ofwel door braak, inklimming of valse sleutels, valt onder de toepassing van artikel 439 van het Strafwetboek.
  § 3. Gedurende de opendeurdagen, verliezen de schoolinrichtingen de bescherming die ze op grond van hun hoedanigheid als woonplaats genieten.".
Art. 45. Dans le décret " Missions ", il est inséré un nouvel article 75bis rédigé comme suit :
  " Art. 75bis. § 1er. Toute personne qui ne se trouve pas dans les conditions des articles 74 et 75 doit solliciter du chef d'établissement ou de son délégué l'autorisation de pénétrer dans les locaux.
  § 2. Toute personne s'introduisant dans les locaux d'un établissement scolaire contre la volonté du chef d'établissement ou de son délégué, soit à l'aide de menaces ou de violences contre les personnes, soit au moyen d'effraction, d'escalade ou de fausses clefs est passible de tomber sous l'application de l'article 439 du Code pénal.
  § 3. Lors des journées portes ouvertes, les établissements scolaires perdent la protection accordée à leur qualité de domicile. ".
Art. 46. In het takendecreet wordt een artikel 79bis ingevoegd, luidend als volgt :
  "Art. 79 bis. § 1. De minderjarigen die illegaal op het grondgebied verblijven, voor zover ze daar samen met hun ouders of de persoon die de ouderlijke macht uitoefent, verblijven, worden in de schoolinrichtingen toegelaten.
  De inrichtingshoofden krijgen ook de inschrijving van niet-begeleide minderjarigen. In dat geval zorgen ze ervoor dat de minderjarige de stappen onderneemt die leiden tot zijn begeleiding door een instelling opdat de ouderlijke macht in zijn voordeel zou worden uitgeoefend.
  § 2. De in paragraaf 1 bedoelde minderjarige leerling wordt in aanmerking genomen voor de berekening van de omkadering, de subsidies of de dotaties binnen de inrichting waarin hij school loopt.
  § 3. Als er twijfel bestaat, beslist de Regering :
  1° of de leerling waarvan de leeftijd niet door de ouders kan worden bewezen al dan niet als een minderjarige kan worden beschouwd;
  2° of de leerling wordt beschouwd als samen verblijvend met zijn ouders of de persoon die de ouderlijke macht uitoefent;
  3° of de leerling als een regelmatige leerling kan worden beschouwd.
  § 4. Wanneer de in paragraaf 1 bedoelde minderjarige leerling die school loopt in een schoolinrichting die de in paragraaf 2 bedoelde bepaling geniet, meerderjarig wordt, wordt hij in aanmerking genomen voor de berekening van de omkadering, de subsidies of de dotaties binnen die inrichting, of, als hij die verlaat, binnen elke andere door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde inrichting voor secundair onderwijs waarin hij ingeschreven is, onder voorbehoud dat hij voldoet aan de voorwaarden om regelmatige leerling te zijn op het ogenblik van de telling.".
Art. 46. Dans le décret " Missions ", il est inséré un article 79bis rédigé comme suit :
  " Art. 79bis. § 1er. Les mineurs séjournant illégalement sur le territoire, pour autant qu'ils y accompagnent leurs parents ou la personne investie de l'autorité parentale, sont admis dans les établissements scolaires.
  Les chefs d'établissement reçoivent aussi l'inscription des mineurs non accompagnés. Dans ce cas, ils veillent à ce que le mineur entreprenne les démarches conduisant à sa prise en charge par une institution de manière à ce que l'autorité parentale soit exercée en sa faveur.
  § 2. L'élève mineur visé au paragraphe 1er est pris en considération pour le calcul de l'encadrement, des subventions ou des dotations au sein de l'établissement dans lequel il est scolarisé.
  § 3. En cas de doute, le Gouvernement décide :
  1° si l'élève dont les parents ne peuvent prouver l'âge est ou non considéré comme mineur;
  2° si l'élève est considéré comme accompagnant ses parents ou la personne investie de l'autorité parentale;
  3° si la fréquentation de l'élève est considérée comme régulière.
  § 4. Lorsqu'il devient majeur, l'élève mineur visé au paragraphe 1er, scolarisé dans un établissement scolaire bénéficiant de la disposition visée au paragraphe 2, est pris en considération pour le calcul de l'encadrement, des subventions ou des dotations au sein de cet établissement, ou s'il le quitte, de tout autre établissement d'enseignement secondaire organisé ou subventionné par la Communauté française où il est inscrit, sous réserve qu'il remplisse les conditions pour être élève régulier au moment du comptage. ".
Art. 47. In het takendecreet, in artikel 81,
  1° wordt paragraaf 1 aangevuld met de woorden "zoals bepaald in paragraaf 1/1";
  2° wordt een paragraaf 1/1 ingevoegd, luidend als volgt :
  " § 1/1. Worden inzonderheid beschouwd als feiten die een aantasting betekenen van de lichamelijke, psychologische, of morele integriteit van een lid van het personeel of van een leerling, of die de goede organisatie of de werking van de inrichting in het gedrang brengen, en die de definitieve uitsluiting kunnen verantwoorden :
  1° elke slag of verwonding die door een leerling opzettelijk wordt toegebracht aan een andere leerling of een personeelslid binnen de inrichting of buiten deze, die een - zelfs in de tijd beperkte - arbeidsongeschiktheid of ongeschiktheid lessen te volgen tot gevolg heeft gehad;
  2° elke slag of verwonding die door een leerling opzettelijk wordt toegebracht aan een afgevaardigde van de inrichtende macht, aan een lid van de diensten inspectie of verificatie, aan een afgevaardigde van de Franse Gemeenschap, binnen of buiten de inrichting, die een - zelfs in de tijd beperkte - arbeidsongeschiktheid tot gevolg heeft gehad;
  3° elke slag of verwonding die door een leerling opzettelijk wordt toegebracht aan een persoon die toegelaten wordt de inrichting binnen te treden, wanneer die binnen de inrichting worden toegebracht, die een - zelfs in de tijd beperkte - arbeidsongeschiktheid tot gevolg heeft gehad;
  4° de invoering of de bezitting door een leerling binnen een schoolinrichting of in de naaste omgeving van die inrichting, van ongeacht welk wapen dat, in ongeacht welke categorie, bedoeld is in artikel 3 van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van den handel in en het dragen van wapenen en op den handel in munitie;
  5° elk gebruik, buiten zijn didactische bestemming, van een instrument dat wordt gebruikt in het kader van sommige cursussen of pedagogische activiteiten, wanneer dat instrument verwondingen kan veroorzaken;
  6° de invoering of de bezitting door een leerling, zonder wettige reden, binnen een schoolinrichting of in de naaste omgeving van die inrichting, van elk instrument, werktuig, snijdend, stekend of kneuzend voorwerp;
  7° de invoering of de bezitting door een leerling binnen een schoolinrichting of in de naaste omgeving van die inrichting, van ontvlambare stoffen, behalve als deze noodzakelijk zijn voor de pedagogische activiteiten en uitsluitend in het kader van deze worden gebruikt;
  8° de invoering of de bezitting door een leerling binnen een schoolinrichting of in de naaste omgeving van die inrichting, van stoffen bedoeld in artikel 1 van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica, in overtreding van de regels die worden vastgesteld voor het gebruik van, de handel in en het opslaan van die stoffen;
  9° het afpersen, door middel van geweld of bedreigingen, van gelden, waarden, voorwerpen, beloften van een andere leerling of een personeelslid binnen of buiten de inrichting;
  10° het opzettelijke en herhaaldelijke uitoefenen op een andere leerling of op een personeelslid van een onverdraaglijke psychologische druk door scheldwoorden, beledigingen, laster of eerroof.
  De Regering stelt de bijzondere nadere regels vast voor de toepassing van het eerste lid, 4°, in de inrichtingen die een optie "wapensector" organiseren.".
Art. 47. Dans le décret " Missions ", à l'article 81,
  1° le paragraphe 1er est complété par les mots " tels qu'énoncés au paragraphe 1er /1 ";
  2° il est inséré un paragraphe 1er/1 rédigé comme suit :
  " § 1er/1. Sont, notamment, considérés comme faits portant atteinte à l'intégrité physique, psychologique ou morale d'un membre du personnel ou d'un élève ou compromettant l'organisation ou la bonne marche d'un établissement scolaire et pouvant justifier l'exclusion définitive :
  1° tout coup et blessure porté sciemment par un élève à un autre élève ou à un membre du personnel, dans l'enceinte de l'établissement ou hors de celle-ci, ayant entraîné une incapacité même limitée dans le temps de travail ou de suivre les cours;
  2° tout coup et blessure porté sciemment par un élève à un délégué du pouvoir organisateur, à un membre des services d'inspection ou de vérification, à un délégué de la Communauté française, dans l'enceinte de l'établissement ou hors de celle-ci, ayant entraîné une incapacité de travail même limitée dans le temps;
  3° tout coup et blessure porté sciemment par un élève à une personne autorisée à pénétrer au sein de l'établissement lorsqu'ils sont portés dans l'enceinte de l'établissement, avant entraîné une incapacité de travail même limitée dans le temps;
  4° l'introduction ou la détention par un élève au sein d'un établissement scolaire ou dans le voisinage immédiat de cet établissement de quelque arme que ce soit visée, sous quelque catégorie que ce soit, à l'article 3 de la loi du 3 janvier 1933 relative à la fabrication, au commerce et au port des armes et au commerce des munitions;
  5° toute manipulation hors de son usage didactique d'un instrument utilisé dans le cadre ce certains cours ou activités pédagogiques lorsque cet instrument peut causer des blessures;
  6° l'introduction ou la détention, sans raison légitime, par un élève au sein d'un établissement scolaire ou dans le voisinage immédiat de cet établissement de tout instrument, outil, objet tranchant, contondant ou blessant;
  7° l'introduction ou la détention par un élève au sein d'un établissement ou dans le voisinage immédiat de cet établissement de substances inflammables sauf dans les cas où celles-ci sont nécessaires aux activités pédagogiques et utilisées exclusivement dans le cadre de celles-ci;
  8° l'introduction ou la détention par un élève au sein d'un établissement ou dans le voisinage immédiat de cet établissement de substances visées à l'article 1er de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, désinfectantes ou antiseptiques, en violation des règles fixées pour l'usage, le commerce et le stockage de ces substances;
  9° le fait d'extorquer, à l'aide de violences ou de menaces, des fonds, valeurs, objets, promesses d'un autre élève ou d'un membre du personnel dans l'enceinte de l'établissement ou hors de celle-ci;
  10° le fait d'exercer sciemment et de manière répétée sur un autre élève ou un membre du personnel une pression psychologique insupportable, par insultes, injures, calomnies ou diffamation.
  Le Gouvernement arrête des modalités particulières pour l'application de l'alinéa 1er, 4°, dans les établissements organisant une option " armurerie ". ".
Art. 48. In het takendecreet wordt in artikel 81 een paragraaf 1/2 ingevoegd, luidend als volgt :
  " § 1/2. Wanneer het bewijs kan worden geleverd dat een persoon die niet behoort tot de inrichting één van de in paragraaf 1/1 bedoelde ernstige feiten heeft gepleegd op aansporing van of met de medeplichtigheid van een leerling van de inrichting, wordt deze beschouwd als iemand die een feit heeft gepleegd dat de lichamelijke, psychologische of morele integriteit van een personeelslid of van een leerling aantast of dat de organisatie of de goede werking van een schoolinrichting in het gedrang brengt, wat de in de artikelen 81 en 89 van het decreet bedoelde definitieve uitsluiting kan rechtvaardigen.
  Het eerste lid is niet van toepassing op een minderjarige leerling, voor een feit dat door zijn ouders of de persoon die de ouderlijke macht uitoefent wordt gepleegd.
Art. 48. Dans le décret " Missions ", il est inséré à l'article 81 un paragraphe 1er /2 rédigé comme suit :
  " § 1er/2. Lorsqu'il peut être apporté la preuve qu'une personne étrangère à l'établissement a commis un des faits graves visés au paragraphe 1er/1, sur l'instigation ou avec la complicité d'un élève de l'établissement, ce dernier est considéré comme ayant commis un fait portant atteinte à l'intégrité physique, psychologique ou morale d'un membre du personnel ou d'un élève ou compromettant l'organisation ou la bonne marche d'un établissement scolaire et pouvant justifier l'exclusion définitive prévue aux articles 81 et 89 du décret.
  L'alinéa 1er n'est pas applicable à l'élève mineur pour un fait commis par ses parents ou la personne investie de l'autorité parentale. ".
Art. 49. In het takendecreet worden de artikelen 84, 85, 92 en 93 opgeheven.
Art. 49. Dans le décret " Missions ", les articles 84, 85, 92 et 93 sont abrogés.
Art. 50. In het takendecreet, in artikel 89,
  1° wordt paragraaf 1 aangevuld met de woorden "zoals bepaald in paragraaf 1/1";
  2° wordt een paragraaf 1/1 ingevoegd, luidend als volgt :
  " § 1/1. Worden inzonderheid beschouwd als feiten die een aantasting betekenen van de lichamelijke, psychologische, of morele integriteit van een lid van het personeel of van een leerling, of die de goede organisatie of de werking van de inrichting in het gedrang brengen en die de definitieve uitsluiting kunnen rechtvaardigen :
  1° elke slag of verwonding die door een leerling opzettelijk wordt toegebracht aan een andere leerling of een personeelslid binnen de inrichting of buiten deze, die een - zelfs in de tijd beperkte - arbeidsongeschiktheid of ongeschiktheid lessen te volgen tot gevolg heeft gehad;
  2° elke slag of verwonding die door een leerling opzettelijk wordt toegebracht aan een afgevaardigde van de inrichtende macht, aan een lid van de diensten inspectie of verificatie, aan een afgevaardigde van de Franse Gemeenschap, binnen of buiten de inrichting, die een - zelfs in de tijd beperkte - arbeidsongeschiktheid tot gevolg heeft gehad;
  3° elke slag of verwonding die door een leerling opzettelijk wordt toegebracht aan een persoon die toegelaten wordt de inrichting binnen te treden, wanneer die binnen de inrichting worden toegebracht, die een - zelfs in de tijd beperkte - arbeidsongeschiktheid tot gevolg heeft gehad;
  4° de invoering of de bezitting door een leerling binnen een schoolinrichting of in de naaste omgeving van die inrichting, van ongeacht welk wapen dat, in ongeacht welke categorie, bedoeld is in artikel 3 van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van den handel in en het dragen van wapenen en op den handel in munitie;
  5° elk gebruik, buiten zijn didactische bestemming, van een instrument dat wordt gebruikt in het kader van sommige cursussen of pedagogische activiteiten, wanneer dat instrument verwondingen kan veroorzaken;
  6° de invoering of de bezitting door een leerling, zonder wettige reden, binnen een schoolinrichting of in de naaste omgeving van die inrichting, van elk instrument, werktuig, snijdend, stekend of kneuzend voorwerp;
  7° de invoering of de bezitting door een leerling binnen een schoolinrichting of in de naaste omgeving van die inrichting, van ontvlambare stoffen, behalve als deze noodzakelijk zijn voor de pedagogische activiteiten en uitsluitend in het kader van deze worden gebruikt;
  8° de invoering of de bezitting door een leerling binnen een schoolinrichting of in de naaste omgeving van die inrichting, van stoffen bedoeld in artikel 1 van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica, in overtreding van de regels die worden vastgesteld voor het gebruik van, de handel in en het opslaan van die stoffen;
  9° het afpersen, door middel van geweld of bedreigingen, van gelden, waarden, voorwerpen, beloften van een andere leerling of een personeelslid binnen of buiten de inrichting;
  10° het opzettelijke en herhaaldelijke uitoefenen op een andere leerling of op een personeelslid van een onverdraaglijke psychologische druk door scheldwoorden, beledigingen, laster of eerroof.
  De Regering stelt de bijzondere nadere regels vast voor de toepassing van het eerste lid, 4°, in de inrichtingen die een optie "wapensector" organiseren.".
Art. 50. Dans le décret " Missions ", à l'article 89,
  1° le paragraphe 1er est complété par les mots " tels qu'énoncés au paragraphe 1er /1 ";
  2° il est inséré un paragraphe 1er/1 rédigé comme suit :
  " § 1er/1. Sont, notamment, considérés comme faits portant atteinte à l'intégrité physique, psychologique ou morale d'un membre du personnel ou d'un élève ou compromettant l'organisation ou la bonne marche d'un établissement scolaire et pouvant justifier l'exclusion définitive :
  1° tout coup et blessure porté sciemment par un élève à un autre élève ou à un membre du personnel, dans l'enceinte de l'établissement ou hors de celle-ci, ayant entraîné une incapacité même limitée dans le temps de travail ou de suivre les cours;
  2° tout coup et blessure porté sciemment par un élève à un délégué du pouvoir organisateur, à un membre des services d'inspection ou de vérification, à un délégué de la Communauté française, dans l'enceinte de l'établissement ou hors de celle-ci, ayant entraîné une incapacité de travail même limitée dans le temps;
  3° tout coup et blessure porté sciemment par un élève à une personne autorisée à pénétrer au sein de l'établissement lorsqu'ils sont portés dans l'enceinte de l'établissement, avant entraîné une incapacité de travail même limitée dans le temps;
  4° l'introduction ou la détention par un élève au sein d'un établissement scolaire ou dans le voisinage immédiat de cet établissement de quelque arme que ce soit visée, sous quelque catégorie que ce soit, à l'article 3 de la loi du 3 janvier 1933 relative à la fabrication, au commerce et au port des armes et au commerce des munitions;
  5° toute manipulation hors de son usage didactique d'un instrument utilisé dans le cadre ce certains cours ou activités pédagogiques lorsque cet instrument peut causer des blessures;
  6° l'introduction ou la détention, sans raison légitime, par un élève au sein d'un établissement scolaire ou dans le voisinage immédiat de cet établissement de tout instrument, outil, objet tranchant, contondant ou blessant;
  7° l'introduction ou la détention par un élève au sein d'un établissement ou dans le voisinage immédiat de cet établissement de substances inflammables sauf dans les cas où celles-ci sont nécessaires aux activités pédagogiques et utilisées exclusivement dans le cadre de celles-ci;
  8° l'introduction ou la détention par un élève au sein d'un établissement ou dans le voisinage immédiat de cet établissement de substances visées à l'article 1er de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, désinfectantes ou antiseptiques, en violation des règles fixées pour l'usage, le commerce et le stockage de ces substances;
  9° le fait d'extorquer, à l'aide de violences ou de menaces, des fonds, valeurs, objets, promesses d'un autre élève ou d'un membre du personnel dans l'enceinte de l'établissement ou hors de celle-ci;
  10° le fait d'exercer sciemment et de manière répétée sur un autre élève ou un membre du personnel une pression psychologique insupportable, par insultes, injures, calomnies ou diffamation.
  Le Gouvernement arrête des modalités particulières pour l'application de l'alinéa 1er, 4°, dans les établissements organisant une option " armurerie ". ".
Art. 51. In het takendecreet, wordt in artikel 89, een paragraaf 1/1 ingevoegd, luidend als volgt :
  " § 1/2. Wanneer het bewijs kan worden geleverd dat een persoon die niet behoort tot de inrichting één van de in paragraaf 1/1 bedoelde ernstige feiten heeft gepleegd op aansporing van of met de medeplichtigheid van een leerling van de inrichting, wordt deze beschouwd als iemand die een feit heeft gepleegd dat de lichamelijke, psychologische of morele integriteit van een personeelslid of van een leerling aantast of dat de organisatie of de goede werking van een schoolinrichting in het gedrang brengt, wat de in de artikelen 81 en 89 van het decreet bedoelde definitieve uitsluiting kan rechtvaardigen.
  Het eerste lid is niet van toepassing op een minderjarige leerling, voor een feit dat door zijn ouders of de persoon die de ouderlijke macht uitoefent, wordt gepleegd.".
Art. 51. Dans le décret " Missions ", il est inséré à l'article 89, un paragraphe 1er/2, rédigé comme suit :
  " § 1er/2. Lorsqu'il peut être apporté la preuve qu'une personne étrangère à l'établissement a commis un des faits graves visés au paragraphe 1er/1 1er, sur l'instigation ou avec la complicité d'un élève de l'établissement, ce dernier est considéré comme ayant commis un fait portant atteinte à l'intégrité physique, psychologique ou morale d'un membre du personnel ou d'un élève ou compromettant l'organisation ou la bonne marche d'un établissement scolaire et pouvant justifier l'exclusion définitive prévue aux articles 81 et 89.
  L'alinéa 1er n'est pas applicable à l'élève mineur pour un fait commis par ses parents ou la personne investie de l'autorité parentale. ".
Afdeling II. - Wijziging van het decreet van 14 juli 2006 betreffende de opdrachten, programma's en activiteitenverslag van de psycho-medisch-sociale centra
Section II. - Modification du décret du 14 juillet 2006 relatif aux missions, programmes et rapport d'activités des Centres psycho-médico-sociaux
Art. 52. In het decreet van 14 juli 2006 betreffende de opdrachten, programma's en activiteitenverslag van de psycho-medisch-sociale centra, wordt een artikel 9/1 ingevoegd, luidend als volgt :
  "Art. 9/1. De psycho-medisch-sociale centra verlenen hun medewerking voor het beleid en de stelsels die worden ingesteld bij het decreet van 21 november 2013 tot organisatie van een gemeenschappelijk beleid inzake leerplichtonderwijs en hulpverlening aan de jeugd ter bevordering van het welzijn van jongeren op school, schoolherinschakeling, preventie van geweld op school en begeleiding van de studieoriëntatie, en bij het decreet van 21 november 2013 tot organisatie van verschillende schoolstelsels ter bevordering van het welzijn van jongeren op school, schoolherinschakeling, preventie van geweld op school en begeleiding van studieoriëntatie.".
Art. 52. Dans le décret du 14 juillet 2006 relatif aux missions, programmes et rapport d'activités des Centres psycho-médico-sociaux, est inséré un article 9/1, rédigé comme suit :
  " Art. 9/1. Les centres psycho-médico-sociaux apportent leur collaboration aux politiques et dispositifs mis en place par le décret du 21 novembre 2013 organisant des politiques conjointes de l'enseignement obligatoire et de l'aide à la jeunesse en faveur du bien-être des jeunes à l'école, de l'accrochage scolaire, de la prévention de la violence et de l'accompagnement des démarches d'orientation et par le décret du 21 novembre 2013 organisant divers dispositifs scolaires favorisant le bien-être des jeunes à l'école, l'accrochage scolaire, la prévention de la violence à l'école et l'accompagnement des démarches d'orientation scolaire. ".
Art. 53. In hetzelfde decreet, in artikel 10,
  1° wordt het enige lid paragraaf 1;
  2° wordt een paragraaf 2 ingevoegd, luidend als volgt :
  " § 2. Het psycho-medisch-sociaal centrum oefent die activiteiten uit in de interface tussen :
  1° de interne hulpmiddelen van de school en deze die in de familiale en persoonlijke omgeving van de leerling kunnen worden aangewend;
  2° de interne hulpmiddelen van de school en de hulpmiddelen van de buitenschoolse wereld die zowel op individueel als op collectief niveau kunnen worden aangewend.".
Art. 53. Dans le même décret, à l'article 10,
  1° l'alinéa unique devient le paragraphe 1er;
  2° il est inséré un paragraphe 2, rédigé comme suit :
  " § 2. Le centre psycho-médico-social exerce ces activités à l'interface :
  1° entre les ressources internes à l'école et celles disponibles dans l'environnement familial et personnel de l'élève;
  2° entre les ressources internes à l'école et les ressources du monde extrascolaire qui peuvent être mobilisées tant au niveau individuel que collectif. ".
Art. 54. In hetzelfde decreet, wordt de titel van afdeling IX van hoofdstuk II "Gezondheidsopvoeding" vervangen door "Opvoeding tot gezondheid en welzijn van jongeren op school en promotie ervan".
Art. 54. Dans le même décret, le titre de la section IX du Chapitre II " L'éducation à la santé " est remplacé par " L'éducation à la santé et au bien-être des jeunes à l'école et leur promotion ".
Art. 55. In hetzelfde decreet wordt artikel 31 vervangen als volgt :
  " § 1. Samen met de directie van de schoolinrichting en met het onderwijsteam, alsook, in voorkomend geval, met de dienst voor gezondheidspromotie op school, stelt het centrum een project en acties voor de promotie van gezondheid en welzijn van jongeren op school in of zorgt het voor de toepassing ervan.
  § 2. De in paragraaf 1 bedoelde projecten en acties hebben tot doel een schoolsfeer te creëren die gunstig is voor het welzijn van leerlingen, de samenleving en de sereniteit die bevorderlij is voor de leerprocessen, inzonderheid door :
  1° leerlingen inlichtingen te verschaffen betreffende hun keuze en hun keuzepotentieel te ontwikkelen;
  2° het collectieve handelingspotentieel te verhogen, opdat de schoolgemeenschap zelf de veranderingen in het werk zou stellen die bevorderlijk zijn voor haar leefomgeving.
  § 3. Voorrang wordt verleend aan de projecten die de nadruk leggen op een globale en duurzame aanpak van gezondheid en welzijn van jongeren, waarbij de lichamelijke, psychologische en sociale aspecten in aanmerking worden genomen.
  § 4. De activiteiten hebben betrekking op zowel individuele begeleiding als op collectieve acties. Ze beogen gelijktijdig het zoeken naar oplossingen voor vastgestelde problemen en preventie.".
Art. 55. Dans le même décret, l'article 31 est remplacé par un texte rédigé comme suit :
  " § 1er Le centre met en place ou assume, en collaboration avec la direction de l'établissement scolaire et avec l'équipe éducative ainsi que, le cas échéant, avec le Service PSE, un projet et des actions visant à promouvoir la santé et le bienêtre des jeunes à l'école.
  § 2 Les projets et actions visées au paragraphe 1er ont pour objectif de développer un climat d'école favorisant le bien-être des élèves, le vivre ensemble et la sérénité propice aux apprentissages, particulièrement en permettant :
  1° d'éclairer le choix et de développer le potentiel de choix des élèves;
  2° d'augmenter le potentiel d'action collective de sorte que la communauté scolaire prenne elle-même en charge les modifications favorables à son milieu de vie.
  § 3 La priorité est donnée aux projets qui privilégient une approche globale et durable de la santé et du bien-être des jeunes, intégrant notamment les dimensions physiques, mentales et sociales.
  § 4 Les activités consistent tant en l'accompagnement individuel qu'en la mise en place d'actions collectives. Elles s'inscrivent tout à la fois dans une perspective de recherche de solution à un problème détecté que dans une visée de prévention. ".
HOOFDSTUK II. - Wijziging van de decreten en besluiten die het statuut van de leden van het onderwijspersoneel vaststellen
CHAPITRE II. - Des modifications aux décrets et arrêtés fixant le statut des membres du personnel de l'enseignement
Onderafdeling I. - Wijziging van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch onderwijs, onderwijs voor sociale promotie en kunstonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen
Sous-section Ire. - Des modifications à l'arrêté royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical des établissements d'enseignement, gardien, primaire, spécialisé, moyen, technique, de promotion sociale et artistique de l'Etat, des internats dépendant de ces établissements et des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements
Art. 56. In het derde lid van artikel 51 bis van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch onderwijs, onderwijs voor sociale promotie en kunstonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen, wordt het woord "octies" vervangen door het woord "quindecies".
Art. 56. A l'alinéa 3 de l'article 51bis de l'arrêté royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical des établissements d'enseignement, gardien, primaire, spécialisé, moyen, technique, de promotion sociale et artistique de l'Etat, des internats dépendant de ces établissements et des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements, le mot " octies " est remplacé par le mot : " quindecies ".
Art. 57. In hetzelfde koninklijk besluit van 22 maart 1969, wordt in hoofdstuk III bis een afdeling 7 ingevoegd, luidend als volgt : "Gerechtelijke bijstand en psychologische bijstand".
Art. 57. Dans le même arrêté royal du 22 mars 1969, il est inséré dans le chapitre IIIbis une section 7 intitulée comme suit : " De l'assistance en justice et de l'assistance psychologique ".
Art. 58. In hetzelfde koninklijk besluit van 22 maart 1969, wordt een afdeling 7 ingevoegd, luidend als volgt :
  "Art. 51nonies. In deze afdeling, wordt onder "slachtoffer" verstaan het "personeelslid dat het slachtoffer is van een gewelddaad", zoals bepaald in artikel 51bis, tweede lid van dit besluit.
  Artikel 51decies. § 1. Het slachtoffer kan de gerechtelijke bijstand bedoeld in § 2 en/of psychologische bijstand bedoeld in § 3 genieten.
  § 2. Gerechtelijke bijstand is de gehele of gedeeltelijke tenlasteneming van de erelonen en kosten van advocaten en rechtspleging.
  § 3. Psychologische bijstand is de tenlasteneming van hoogstens twaalf consultaties bij een psycholoog en/of een psychiater om onmiddellijk hulp te verlenen aan het slachtoffer van een gewelddaad.
  § 4. Het slachtoffer doet een beroep op de bijstandsverlener die het mag kiezen.
  In voorkomend geval, deelt de betrokken dienst bedoeld in artikel 51 terdecies hem, op zijn aanvraag en bij wijze van inlichting, een lijst van de bijstandsverleners op wie in geval van agressie een beroep kan worden gedaan, mee.
  Het slachtoffer deelt die betrokken dienst de naam van de door hem gekozen bijstandsverlener(s) mee die zijn dossier behandelt(en).
  Art. 51undecies. § 1. Behoudens bij behoorlijk bewezen overmacht, dient het slachtoffer de aanvraag om gerechtelijke bijstand, bedoeld in artikel 51decies, § 2, en/of psychologische bijstand, bedoeld in artikel 51decies, § 3, in bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, binnen de maand volgend op het gebeuren van de feiten.
  Wanneer het slachtoffer zijn ambt in het leerplichtonderwijs uitoefent, wordt de aanvraag bedoeld in het eerste lid bij de algemene directie leerplichtonderwijs ingediend. Deze kijkt na of de voorwaarden van deze afdeling vervuld zijn.
  Wanneer het slachtoffer zijn ambt binnen een instelling voor hoger onderwijs buiten de universiteit uitoefent, wordt de in het eerste lid bedoelde aanvraag bij de algemene directie niet verplicht onderwijs ingediend.
  § 2. Binnen dezelfde termijn, zendt het slachtoffer eveneens bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, een afschrift van de aanvraag aan het inrichtingshoofd, voor de inrichtingen, aan de directeur, voor de psycho-medisch-sociale centra.
  § 3. De aanvraag vermeldt, voor zover dit mogelijk is, de oorzaken, de omstandigheden en de waarschijnlijke gevolgen van de gewelddaad.
  § 4. Het hoofd van de inrichting of de directeur van het centrum, naargelang van het geval, waaronder het slachtoffer ressorteert, deelt zijn advies mee aan de algemene directie leerplichtonderwijs of aan de algemene directie niet verplicht onderwijs, binnen de drie werkdagen na de ontvangst van het afschrift van de aanvraag bedoeld in § 1.
  Het deelt het slachtoffer een afschrift van zijn advies mee.
  Art. 51duodecies. § 1. De beslissing tot verlening van bijstand wordt genomen, binnen vijftien werkdagen volgend op de ontvangst van de in artikel 51undecies bedoelde aanvraag, door de algemene directie leerplichtonderwijs of de algemene directie niet-verplicht onderwijs, naar gelang van het geval.
  § 2. Bij weigering, kan het personeelslid of, bij behoorlijk aangetoonde overmacht, kan zijn vertegenwoordiger, via de algemene directie leerplichtonderwijs of via de algemene directie niet verplicht onderwijs, een beroep indienen bij de functionele minister.
  Het beroep wordt bij aangetekend schrijven ingediend binnen vijftien werkdagen volgend op de kennisgeving van de weigering van de bijstandsverlening.
  Art. 51terdecies. Het beheer van gerechtelijke bijstand en psychologische bijstand ressorteert onder de algemene dienst Steun van de algemene directie audit, coördinatie en steun.
  § 2. In deze afdeling, onder betrokken dienst, wordt de in § 1 bedoelde dienst verstaan.
  Art. 51quaterdecies. § 1. De tenlasteneming van de erelonen en de kosten voor advocaten, de rechtspleging en de psychologische en/of psychiatrische raadpleging kan, voor elk schadegeval, niet hoger zijn dan 3.718,40 euro.
  § 2. Bij wijze van uitzonderlijke maatregel, op behoorlijk met redenen omklede aanvraag, kan de tenlasteneming niet hoger zijn dan het in paragraaf 1 vastgestelde maximumbedrag. Het slachtoffer, of, bij behoorlijk aangetoonde overmacht, zijn vertegenwoordiger, dient deze behoorlijk met redenen omklede aanvraag bij de betrokken dienst in.
  § 3. De kosten die geheel of gedeeltelijk worden terugbetaald of ten laste genomen ofwel krachtens een andere wettelijke of verordeningsbepaling, ofwel krachtens een verzekeringsovereenkomst die door het slachtoffer of door elke derde wordt aangegaan, geven geen recht op een tegemoetkoming.
  § 4. Het slachtoffer deelt de betrokken dienst de stukken ter verantwoording van de uitgaven mee. Daartoe worden inzonderheid de dagvaardingen en in het algemeen alle gerechtelijke akten binnen 10 werkdagen na hun uitreiking of betekening meegedeeld.
  § 5. De betrokken dienst beoordeelt de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde kosten- en ereloonstaten. Deze dienst kan zijn tegemoetkoming weigeren of onderbreken, wanneer hij van oordeel is dat :
  1° de stelling van het slachtoffer niet geloofwaardig is;
  2° het transactievoorstel van de derde billijk en serieus is;
  3° een beroep tegen een rechterlijke beslissing niet veel kans op succes maakt.
  De kosten en erelonen waarvoor de betrokken dienst bij toepassing van het vorige lid zijn tegemoetkoming heeft geweigerd of onderbroken, worden overeenkomstig deze titel ten laste genomen, wanneer het slachtoffer gelijk krijgt bij een definitieve beslissing waarvoor geen beroep voor een gewoon of buitengewoon gerecht kan worden aangetekend.
  Tegen de beslissing van de betrokken dienst zijn tegemoetkoming te weigeren of te onderbreken kan beroep worden aangetekend bij de minister bevoegd voor de ambtenarenzaken binnen een termijn van 20 werkdagen, te rekenen vanaf de ontvangst van die beslissing.
  Art. 51quindecies. De kredieten die noodzakelijk zijn voor het dekken van de uitgaven die door de gerechtelijke bijstand en de psychologische bijstand worden voortgebracht, worden opgenomen in de begroting van de Franse Gemeenschap in het kader van de kredieten die aan de betrokken dienst worden toegekend.".
Art. 58. Dans le même arrêté royal du 22 mars 1969, il est inséré une section 7 rédigée comme suit :
  " Art. 51nonies. Dans la présente section, on entend par " victime " le " membre du personnel victime d'un acte de violence " tel que défini à l'article 51bis, alinéa 2 du présent arrêté.
  Art. 51decies. § 1er. La victime peut bénéficier d'une assistance en justice visée au § 2 et/ou de l'assistance psychologique visée au § 3.
  § 2. L'assistance en justice consiste en la prise en charge totale ou partielle des honoraires et des frais d'avocat et de procédure.
  § 3. L'assistance psychologique consiste en la prise en charge de maximum douze séances de consultation auprès d'un psychologue et/ou d'un psychiatre dans le but de fournir une aide immédiate à la victime d'un acte de violence.
  § 4. La victime recourt au prestataire de l'assistance de son choix.
  Le cas échéant, le Service concerné visé à l'article 51terdecies lui communique, à sa demande et à titre indicatif, une liste de prestataires à contacter en cas d'agression.
  La victime communique à ce Service concerné le nom du/des prestataire(s) de son choix qui prend/prennent en charge son dossier.
  Art. 51undecies. § 1er. Sauf cas de force majeure dûment justifiée, la victime introduit la demande d'assistance en justice visée à l'article 51decies, § 2, et/ou psychologique visée à l'article 51decies, § 3, par lettre recommandée avec accusé de réception, dans le mois qui suit la survenance des faits.
  Lorsque la victime exerce ses fonctions dans l'Enseignement obligatoire, la demande visée à l'alinéa 1er est introduite auprès de la Direction générale de l'Enseignement obligatoire. Celle-ci vérifie si les conditions de la présente section sont remplies.
  Lorsque la victime exerce sa fonction au sein d'un établissement d'enseignement supérieur non universitaire, la demande visée à l'alinéa 1er est introduite auprès de la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire.
  § 2. Dans le même délai, la victime envoie également par lettre recommandée avec accusé de réception, copie de la demande au chef d'établissement pour les établissements, au directeur du centre pour les Centres-psycho-médico-sociaux.
  § 3. La demande indique, dans la mesure du possible, les causes, les circonstances et les conséquences probables de l'acte de violence.
  § 4. Le chef d'établissement ou le directeur du centre, selon le cas, dont relève la victime, fait parvenir son avis à la Direction générale de l'Enseignement obligatoire ou à la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire, dans les trois jours ouvrables de la réception de la copie de la demande visée au § 1er.
  Il remet à la victime une copie de son avis.
  Art. 51duodecies. § 1er. La décision d'octroi d'assistance est prise dans les 15 jours ouvrables qui suivent la réception de la demande visée à l'article 51undecies, § 1er, par la Direction générale de l'Enseignement obligatoire ou la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire selon le cas.
  § 2. En cas de refus, le membre du personnel ou, en cas de force majeure dûment justifié, son représentant, peut introduire, via la Direction générale de l'Enseignement obligatoire ou la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire, un recours auprès du Ministre fonctionnel.
  Le recours est introduit par lettre recommandée dans les 15 jours ouvrables qui suivent la notification du refus d'octroi d'assistance.
  Art. 51terdecies. § 1er. La gestion de l'assistance en justice et psychologique relève du Service général d'Appui de la Direction générale de l'Audit, de la Coordination et de l'Appui.
  § 2. Dans la présente section, par Service concerné, il faut entendre le Service visé au § 1er.
  Article 51quaterdecies. § 1er. La prise en charge des honoraires et des frais d'avocat, de procédure et de consultation psychologique et/ou psychiatrique ne peut pas excéder, par sinistre, 3.718,40 euros.
  § 2. A titre exceptionnel, sur demande dûment motivée, la prise en charge peut excéder le seuil prévu au paragraphe 1er. La victime ou, en cas de force majeure dûment justifié, son représentant, introduit cette demande dûment motivée auprès du Service concerné.
  § 3. Les frais remboursés ou pris en charge, totalement ou partiellement, soit en vertu d'une autre disposition légale ou réglementaire, soit en vertu d'un contrat d'assurance souscrit par la victime ou par tout tiers, ne donnent pas lieu à une intervention.
  § 4. La victime communique au Service concerné les pièces justifiant les dépenses. A cet effet, sont communiqués, notamment, les citations, assignations et généralement tous les actes judiciaires dans les 10 jours ouvrables de leur remise ou signification.
  § 5. Le Service concerné apprécie les états de frais et d'honoraires visés aux paragraphes 1er et 2. Ce Service peut refuser ou interrompre son intervention lorsqu'il juge :
  1° que la thèse de la victime n'est pas défendable;
  2° que la proposition transactionnelle faite par le tiers est équitable et sérieuse;
  3° qu'un recours contre une décision judiciaire intervenue ne présente pas de chance sérieuse de succès.
  Toutefois, les frais ou honoraires pour lesquels le Service concerné a refusé ou interrompu son intervention en application de l'alinéa précédent sont pris en charge conformément au présent titre lorsque la victime obtient gain de cause par une décision définitive non susceptible de recours ordinaire ou extraordinaire.
  La décision du Service concerné de refuser ou d'interrompre son intervention est susceptible de recours auprès du Ministre ayant la Fonction publique dans ses attributions dans un délai de 20 jours ouvrables à dater de la réception de ladite décision.
  Art. 51quindecies. Les crédits nécessaires à couvrir les dépenses générées par les assistances en justice et psychologiques sont inscrits au budget de la Communauté française dans le cadre des crédits octroyés au service concerné. ".
Onderafdeling II. - Wijziging aan het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot vaststelling van het statuut van de leermeesters, de leraars en de inspecteurs katholieke, protestantse, Israëlitische, orthodoxe en islamitische godsdienst van de onderwijsinrichtingen van de Franse Gemeenschap,
Sous-section II. - Des modifications à l'arrêté royal du 25 octobre 1971 fixant le statut des maîtres de religion, des professeurs de religion et des inspecteurs de religion des religions catholique, protestante, israélite, orthodoxe et islamique des établissements d'enseignement de la Communauté française
Art. 59. In het derde lid van artikel 37quater van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot vaststelling van het statuut van de leermeesters, de leraars en de inspecteurs katholieke, protestantse, Israëlitische, orthodoxe en islamitische godsdienst van de onderwijsinrichtingen van de Franse Gemeenschap, wordt het cijfer "37decies" vervangen door het woord : "37sedecies".
Art. 59. A l'alinéa 3 de l'article 37quater de l'arrêté royal du 25 octobre 1971 fixant le statut des maîtres de religion, des professeurs de religion et des inspecteurs de religion des religions catholique, protestante, israélite, orthodoxe et islamique des établissements d'enseignement de la Communauté française, le chiffre " 37decies " est remplacé par le mot : " 37sedecies ".
Art. 60. In het koninklijk besluit van 25 oktober 1971, wordt in hoofdstuk VIIIter een afdeling 7 ingevoegd, luidend als volgt : "Gerechtelijke bijstand en psychologische bijstand".
Art. 60. Dans l'arrêté royal du 25 octobre 1971, il est inséré dans le chapitre VIIIter, une section 7 intitulée comme suit : " De l'assistance en justice et de l'assistance psychologique ".
Art. 61. Afdeling 7, bij artikel 60 ingevoegd in hoofdstuk VIIIter van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971, luidt als volgt :
  "Art. 37undecies. In deze afdeling wordt onder "slachtoffer" verstaan, het "personeelslid dat het slachtoffer is van een gewelddaad" zoals bepaald in artikel 37quater, tweede lid.
  Art. 37duodecies. § 1. Het slachtoffer kan de gerechtelijke bijstand bedoeld in § 2 en/of psychologische bijstand bedoeld in § 3 genieten.
  § 2. Gerechtelijke bijstand is de gehele of gedeeltelijke tenlasteneming van de erelonen en kosten van advocaten en rechtspleging.
  § 3. Psychologische bijstand is de tenlasteneming van hoogstens twaalf consultaties bij een psycholoog en/of een psychiater om onmiddellijk hulp te verlenen aan het slachtoffer van een gewelddaad.
  § 4. Het slachtoffer doet een beroep op de bijstandsverlener die het mag kiezen.
  In voorkomend geval, deelt de betrokken dienst bedoeld in artikel 51terdecies hem, op zijn aanvraag en bij wijze van inlichting, een lijst van de bijstandsverleners op wie in geval van agressie een beroep kan worden gedaan, mee.
  Het slachtoffer deelt die betrokken dienst de naam van de door hem gekozen bijstandsverlener(s) mee die zijn dossier behandelt(en).
  Art. 37terdecies. § 1. Behoudens bij behoorlijk bewezen overmacht, dient het slachtoffer de aanvraag om gerechtelijke bijstand, bedoeld in artikel 51decies, § 2, en/of psychologische bijstand, bedoeld in artikel 51decies, § 3, in bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, binnen de maand volgend op het gebeuren van de feiten.
  Wanneer het slachtoffer zijn ambt in het leerplichtonderwijs uitoefent, wordt de aanvraag bedoeld in het eerste lid bij de algemene directie leerplichtonderwijs ingediend. Deze kijkt na of de voorwaarden van deze afdeling vervuld zijn.
  Wanneer het slachtoffer zijn ambt binnen een instelling voor hoger onderwijs buiten de universiteit uitoefent, wordt de in het eerste lid bedoelde aanvraag bij de algemene directie niet verplicht onderwijs ingediend.
  § 2. Binnen dezelfde termijn, zendt het slachtoffer eveneens bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, een afschrift van de aanvraag aan het inrichtingshoofd, voor de inrichtingen, aan de directeur, voor de psycho-medisch-sociale centra.
  § 3. De aanvraag vermeldt, voor zover dit mogelijk is, de oorzaken, de omstandigheden en de waarschijnlijke gevolgen van de gewelddaad.
  § 4. Het hoofd van de inrichting of de directeur van het centrum, naargelang van het geval, waaronder het slachtoffer ressorteert, deelt zijn advies mee aan de algemene directie leerplichtonderwijs of aan de algemene directie niet verplicht onderwijs, binnen de drie werkdagen na de ontvangst van het afschrift van de aanvraag bedoeld in § 1.
  Het deelt het slachtoffer een afschrift van zijn advies mee.
  Art. 37quaterdecies. § 1. De beslissing tot verlening van bijstand wordt genomen, binnen vijftien werkdagen volgend op de ontvangst van de in artikel 51undecies, § 1, bedoelde aanvraag, door de algemene directie leerplichtonderwijs of de algemene directie niet-verplicht onderwijs, naar gelang van het geval.
  § 2. Bij weigering, kan het personeelslid of, bij behoorlijk aangetoonde overmacht, kan zijn vertegenwoordiger, via de algemene directie leerplichtonderwijs of de directie niet verplicht onderwijs, een beroep indienen bij de functionele minister.
  Het beroep wordt bij aangetekend schrijven ingediend binnen vijftien werkdagen volgend op de kennisgeving van de weigering van de bijstandsverlening.
  Art. 37quindecies. § 1. Het beheer van gerechtelijke bijstand en psychologische bijstand ressorteert onder de algemene dienst Steun van de algemene directie audit, coördinatie en steun.
  § 2. In deze afdeling, onder betrokken dienst, wordt de in § 1 bedoelde dienst verstaan.
  Art. 37sedecies. § 1. De tenlasteneming van de erelonen en de kosten voor advocaten, de rechtspleging en de psychologische en/of psychiatrische raadpleging kan, voor elk schadegeval, niet hoger zijn dan 3.718,40 euro.
  § 2. Bij wijze van uitzonderlijke maatregel, op behoorlijk met redenen omklede aanvraag, kan de tenlasteneming niet hoger zijn dan het in paragraaf 1 vastgestelde maximumbedrag. Het slachtoffer, of, bij behoorlijk aangetoonde overmacht, zijn vertegenwoordiger, dient deze behoorlijk met redenen omklede aanvraag bij de betrokken dienst in.
  § 3. De kosten die geheel of gedeeltelijk worden terugbetaald of ten laste genomen ofwel krachtens een andere wettelijke of verordeningsbepaling, ofwel krachtens een verzekeringsovereenkomst die door het slachtoffer of door elke derde wordt aangegaan, geven geen recht op een tegemoetkoming.
  § 4. Het slachtoffer deelt de betrokken dienst de stukken ter verantwoording van de uitgaven mee. Daartoe worden inzonderheid de dagvaardingen en in het algemeen alle gerechtelijke akten binnen 10 werkdagen na hun uitreiking of betekening meegedeeld.
  § 5. De betrokken dienst beoordeelt de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde kosten- en ereloonstaten. Deze dienst kan zijn tegemoetkoming weigeren of onderbreken, wanneer hij van oordeel is dat :
  1° de stelling van het slachtoffer niet geloofwaardig is;
  2° het transactievoorstel van de derde billijk en serieus is;
  3° een beroep tegen een rechterlijke beslissing niet veel kans op succes maakt.
  De kosten en erelonen waarvoor de betrokken dienst bij toepassing van het vorige lid zijn tegemoetkoming heeft geweigerd of onderbroken, worden overeenkomstig deze titel ten laste genomen, wanneer het slachtoffer gelijk krijgt bij een definitieve beslissing waarvoor geen beroep voor een gewoon of buitengewoon gerecht kan worden aangetekend.
  Tegen de beslissing van de betrokken dienst zijn tegemoetkoming te weigeren of te onderbreken kan beroep worden aangetekend bij de minister bevoegd voor de ambtenarenzaken binnen een termijn van 20 werkdagen, te rekenen vanaf de ontvangst van die beslissing.
  Art. 37septiesdecies. De kredieten die noodzakelijk zijn voor het dekken van de uitgaven die door de gerechtelijke bijstand en de psychologische bijstand worden voortgebracht, worden opgenomen in de begroting van de Franse Gemeenschap in het kader van de kredieten die aan de betrokken dienst worden toegekend.".
Art. 61. La section 7, insérée par l'article 60 dans le chapitre VIIIter de l'arrêté royal du 25 octobre 1971, est rédigée comme suit :
  " Art. 37undecies. Dans la présente section, on entend par " victime ", le "membre du personnel victime d'un acte de violence" tel que défini à l'article 37quater, alinéa 2.
  Article 37duodecies. § 1er. La victime peut bénéficier d'une assistance en justice visée au § 2 et/ou de l'assistance psychologique visée au § 3.
  § 2. L'assistance en justice consiste en la prise en charge totale ou partielle des honoraires et des frais d'avocat et de procédure.
  § 3. L'assistance psychologique consiste en la prise en charge de maximum douze séances de consultation auprès d'un psychologue et/ou d'un psychiatre dans le but de fournir une aide immédiate à la victime d'un acte de violence.
  § 4. La victime recourt au prestataire de l'assistance de son choix.
  Le cas échéant, le Service concerné visé à l'article 51terdecies lui communique, à sa demande et à titre indicatif, une liste de prestataires à contacter en cas d'agression.
  La victime communique à ce Service concerné le nom du/des prestataire(s) de son choix qui prend/prennent en charge son dossier.
  Art. 37terdecies. § 1er. Sauf cas de force majeure dûment justifiée, la victime introduit la demande d'assistance en justice visée à l'article 51decies, § 2, et/ou psychologique visée à l'article 51decies, § 3, par lettre recommandée avec accusé de réception, dans le mois qui suit la survenance des faits.
  Lorsque la victime exerce ses fonctions dans l'Enseignement obligatoire, la demande visée à l'alinéa 1er est introduite auprès de la Direction générale de l'Enseignement obligatoire. Celle-ci vérifie si les conditions de la présente section sont remplies.
  Lorsque la victime exerce sa fonction au sein d'un établissement d'enseignement supérieur non universitaire, la demande visée à l'alinéa 1er est introduite auprès de la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire.
  § 2. Dans le même délai, la victime envoie également par lettre recommandée avec accusé de réception, copie de la demande au chef d'établissement pour les établissements, au directeur du centre pour les centres-psycho-médico-sociaux.
  § 3. La demande indique, dans la mesure du possible, les causes, les circonstances et les conséquences probables de l'acte de violence.
  § 4. Le chef d'établissement ou le directeur du centre, selon le cas, dont relève la victime, fait parvenir son avis à la Direction générale de l'Enseignement obligatoire ou à la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire, dans les trois jours ouvrables de la réception de la copie de la demande visée au § 1er.
  Il remet à la victime une copie de son avis.
  Art. 37quaterdecies. § 1er. La décision d'octroi d'assistance est prise dans les 15 jours ouvrables qui suivent la réception de la demande visée à l'article 51undecies, § 1er, par la Direction générale de l'Enseignement obligatoire ou la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire selon le cas.
  § 2. En cas de refus, le membre du personnel ou, en cas de force majeure dûment justifié, son représentant, peut introduire, via la Direction générale de l'Enseignement obligatoire ou la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire, un recours auprès du Ministre fonctionnel.
  Le recours est introduit par lettre recommandée dans les 15 jours ouvrables qui suivent la notification du refus d'octroi d'assistance.
  Art. 37quindecies. § 1er. La gestion de l'assistance en justice et psychologique relève du Service général d'Appui de la Direction générale de l'Audit, de la Coordination et de l'Appui.
  § 2. Dans la présente section, par Service concerné, il faut entendre le Service visé au § 1er.
  Art. 37sedecies. § 1er. La prise en charge des honoraires et des frais d'avocat, de procédure et de consultation psychologique et/ou psychiatrique ne peut pas excéder, par sinistre, 3.718,40 euros.
  § 2. A titre exceptionnel, sur demande dûment motivée, la prise en charge peut excéder le seuil prévu au paragraphe 1er. La victime ou, en cas de force majeure dûment justifié, son représentant, introduit cette demande dûment motivée auprès du Service concerné.
  § 3. Les frais remboursés ou pris en charge, totalement ou partiellement, soit en vertu d'une autre disposition légale ou réglementaire, soit en vertu d'un contrat d'assurance souscrit par la victime ou par tout tiers, ne donnent pas lieu à une intervention.
  § 4. La victime communique au Service concerné les pièces justifiant les dépenses. A cet effet, sont communiqués, notamment, les citations, assignations et généralement tous les actes judiciaires dans les 10 jours ouvrables de leur remise ou signification.
  § 5. Le Service concerné apprécie les états de frais et d'honoraires visés aux paragraphes 1er et 2. Ce Service peut refuser ou interrompre son intervention lorsqu'il juge :
  1° que la thèse de la victime n'est pas défendable;
  2° que la proposition transactionnelle faite par le tiers est équitable et sérieuse;
  3° qu'un recours contre une décision judiciaire intervenue ne présente pas de chance sérieuse de succès.
  Toutefois, les frais ou honoraires pour lesquels le Service concerné a refusé ou interrompu son intervention en application de l'alinéa précédent sont pris en charge conformément au présent titre lorsque la victime obtient gain de cause par une décision définitive non susceptible de recours ordinaire ou extraordinaire.
  La décision du Service concerné de refuser ou d'interrompre son intervention est susceptible de recours auprès du Ministre ayant la Fonction publique dans ses attributions dans un délai de 20 jours ouvrables à dater de la réception de ladite décision.
  Art. 37septiesdecies. Les crédits nécessaires à couvrir les dépenses générées par les assistances en justice et psychologiques sont inscrits au budget de la Communauté française dans le cadre des crédits octroyés au service concerné. "
Onderafdeling III. - Wijziging van het koninklijk besluit van 27 juli 1979 tot vaststelling van het statuut van de leden van het technisch personeel van de psycho-medisch-sociale centra van de Franse Gemeenschap, van gespecialiseerde psycho-medisch-sociale centra van de Franse Gemeenschap, van de vormingscentra van de Franse Gemeenschap en van de inspectiedienst belast met toezicht op de psycho-medisch-sociale centra, de diensten voor studie- en beroepsoriëntering en de gespecialiseerde psycho-medisch-sociale centra
Sous-section III. - Des modifications à l'arrêté royal du 27 juillet 1979 portant le statut du personnel technique des centres psycho-médico-sociaux de la Communauté française, des centres psycho-médico-sociaux spécialisés de la Communauté française, des centres de formation de la Communauté française ainsi que des services d'inspection chargés de la surveillance des centres psycho-médico-sociaux, des offices d'orientation scolaire et professionnelle et des centres psycho-médico-sociaux spécialisés
Art. 62. In het koninklijk besluit van 27 juli 1979 tot vaststelling van het statuut van de leden van het technisch personeel van de psycho-medisch-sociale centra van de Franse Gemeenschap, van gespecialiseerde psycho-medisch-sociale centra van de Franse Gemeenschap, van de vormingscentra van de Franse Gemeenschap en van de inspectiedienst belast met toezicht op de psycho-medisch-sociale centra, de diensten voor studie- en beroepsoriëntering en de gespecialiseerde psycho-medisch-sociale centra, wordt in hoofdstuk II een afdeling 1/1 ingevoegd, luidend als volgt : "Gerechtelijke bijstand en psychologische bijstand".
Art. 62. Dans l'arrêté royal du 27 juillet 1979 portant le statut du personnel technique des Centres psycho-médico-sociaux de la Communauté française, des Centres psycho-médico-sociaux spécialisés de la Communauté française, des Centres de formation de la Communauté française ainsi que des services d'inspection chargés de la surveillance des Centres psycho-médico-sociaux, des offices d'orientation scolaire et professionnelle et des Centres psycho-médico-sociaux spécialisés, il est inséré dans le chapitre II une section 1/1 intitulée comme suit : " De l'assistance en justice et de l'assistance psychologique ".
Art. 63. Afdeling 1/1, bij artikel 62 ingevoegd in hoofdstuk II van hetzelfde koninklijk besluit van 27 juli 1979, luidt als volgt :
  "Art. 2sexies. In deze afdeling wordt onder "gewelddaad" verstaan, elke kwaadwillige lichamelijke en/of psychologische aantasting, elke agressie van raciale, godsdienstige of seksistische aard tegen een personeelslid alsook elke beschadiging van de goederen van dat lid door ofwel een leerling, ofwel door een derde op aansporing van of met de medeplichtigheid van deze, ofwel door een lid van het gezin van de leerling of elke persoon die onder hetzelfde dak woont, in het kader van de dienst van het personeelslid of in rechtstreeks verband met deze, ofwel door elke andere persoon die niet tot de inrichting behoort, voor zover het slachtoffer het bewijs levert dat de gewelddaad in rechtstreeks verband met de dienst staat.
  Onder "slachtoffer" dient te worden verstaan : het bij dit decreet bedoelde personeelslid, dat erkend wordt als slachtoffer van een arbeidsongeval voortvloeiend uit de daad bepaald in het eerste lid door de dienst van de Regering bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding, ten gunste van de personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk.".
  Art. 2septies. § 1. Het slachtoffer kan de gerechtelijke bijstand bedoeld in § 2 en/of psychologische bijstand bedoeld in § 3 genieten.
  § 2. Gerechtelijke bijstand is de gehele of gedeeltelijke tenlasteneming van de erelonen en kosten van advocaten en rechtspleging.
  § 3. Psychologische bijstand is de tenlasteneming van hoogstens twaalf consultaties bij een psycholoog en/of een psychiater om onmiddellijk hulp te verlenen aan het slachtoffer van een gewelddaad.
  § 4. De gerechtelijke bijstand en de psychologische bijstand, zoals bepaald in de paragrafen 2 en 3, worden alleen verleend voor zover het slachtoffer een klacht heeft ingediend bij de gerechtelijke overheid.
  § 5. Het slachtoffer doet een beroep op de bijstandsverlener die het mag kiezen.
  In voorkomend geval, deelt de betrokken dienst bedoeld in artikel 51 terdecies hem, op zijn aanvraag en bij wijze van inlichting, een lijst van de bijstandsverleners op wie in geval van agressie een beroep kan worden gedaan, mee.
  Het slachtoffer deelt die betrokken dienst de naam van de door hem gekozen bijstandsverlener(s) mee die zijn dossier behandelt(en).
  Art. 2octies. § 1. Behoudens bij behoorlijk bewezen overmacht, dient het slachtoffer de aanvraag om gerechtelijke bijstand, bedoeld in artikel 51 decies, § 2, en/of psychologische bijstand, bedoeld in artikel 51 decies, § 3, in bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, binnen de maand volgend op het gebeuren van de feiten.
  Wanneer het slachtoffer zijn ambt in het leerplichtonderwijs uitoefent, wordt de aanvraag bedoeld in het eerste lid bij de algemene directie leerplichtonderwijs ingediend. Deze kijkt na of de voorwaarden van deze afdeling vervuld zijn.
  Wanneer het slachtoffer zijn ambt binnen een instelling voor hoger onderwijs buiten de universiteit uitoefent, wordt de in het eerste lid bedoelde aanvraag bij de algemene directie niet verplicht onderwijs ingediend.
  § 2. Binnen dezelfde termijn, zendt het slachtoffer, eveneens bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, een afschrift van de aanvraag aan het inrichtingshoofd, voor de inrichtingen, aan de directeur, voor de psycho-medisch-sociale centra.
  § 3. De aanvraag vermeldt, voor zover dit mogelijk is, de oorzaken, de omstandigheden en de waarschijnlijke gevolgen van de gewelddaad.
  § 4. Het hoofd van de inrichting of de directeur van het centrum, naargelang van het geval, waaronder het slachtoffer ressorteert, deelt zijn advies mee aan de algemene directie leerplichtonderwijs of aan de algemene directie niet verplicht onderwijs, binnen de drie werkdagen na de ontvangst van het afschrift van de aanvraag bedoeld in § 1.
  Het deelt het slachtoffer een afschrift van zijn advies mee.
  Art. 2nonies. § 1. De beslissing tot verlening van bijstand wordt genomen, binnen vijftien werkdagen volgend op de ontvangst van de in artikel 51 undecies, § 1, bedoelde aanvraag, door de algemene directie leerplichtonderwijs of de algemene directie niet-verplicht onderwijs, naar gelang van het geval.
  § 2. Bij weigering, kan het personeelslid of, bij behoorlijk aangetoonde overmacht, kan zijn vertegenwoordiger, via de algemene directie leerplichtonderwijs of de algemene directie niet verplicht onderwijs, een beroep indienen bij de functionele minister.
  Het beroep wordt bij aangetekend schrijven ingediend binnen vijftien werkdagen volgend op de kennisgeving van de weigering van de bijstandsverlening.
  Art. 2decies. § 1. Het beheer van gerechtelijke bijstand en psychologische bijstand ressorteert onder de algemene dienst Steun van de algemene directie audit, coördinatie en steun.
  § 2. In deze afdeling, onder betrokken dienst, wordt de in § 1 bedoelde dienst verstaan.
  Art. 2undecies. § 1. De tenlasteneming van de erelonen en de kosten voor advocaten, de rechtspleging en de psychologische en/of psychiatrische raadpleging kan, voor elk schadegeval, niet hoger zijn dan 3.718,40 euro.
  § 2. Bij wijze van uitzonderlijke maatregel, op behoorlijk met redenen omklede aanvraag, kan de tenlasteneming niet hoger zijn dan het in paragraaf 1 vastgestelde maximumbedrag. Het slachtoffer, of, bij behoorlijk aangetoonde overmacht, zijn vertegenwoordiger, dient deze behoorlijk met redenen omklede aanvraag bij de betrokken dienst in.
  § 3. De kosten die geheel of gedeeltelijk worden terugbetaald of ten laste genomen ofwel krachtens een andere wettelijke of verordeningsbepaling, ofwel krachtens een verzekeringsovereenkomst die door het slachtoffer of door elke derde wordt aangegaan, geven geen recht op een tegemoetkoming.
  § 4. Het slachtoffer deelt de betrokken dienst de stukken ter verantwoording van de uitgaven mee. Daartoe worden inzonderheid de dagvaardingen en in het algemeen alle gerechtelijke akten binnen 10 werkdagen na hun uitreiking of betekening meegedeeld.
  § 5. De betrokken dienst beoordeelt de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde kosten- en ereloonstaten. Deze dienst kan zijn tegemoetkoming weigeren of onderbreken, wanneer hij van oordeel is dat :
  1° de stelling van het slachtoffer niet geloofwaardig is;
  2° het transactievoorstel van de derde billijk en serieus is;
  3° een beroep tegen een rechterlijke beslissing niet veel kans op succes maakt.
  De kosten en erelonen waarvoor de betrokken dienst bij toepassing van het vorige lid zijn tegemoetkoming heeft geweigerd of onderbroken, worden echter overeenkomstig deze titel ten laste genomen, wanneer het slachtoffer gelijk krijgt bij een definitieve beslissing waarvoor geen beroep voor een gewoon of buitengewoon gerecht kan worden aangetekend.
  Tegen de beslissing van de betrokken dienst zijn tegemoetkoming te weigeren of te onderbreken kan beroep worden aangetekend bij de minister bevoegd voor de ambtenarenzaken binnen een termijn van 20 werkdagen, te rekenen vanaf de ontvangst van die beslissing.
  Art. 2duodecies. De kredieten die noodzakelijk zijn voor het dekken van de uitgaven die door de gerechtelijke bijstand en de psychologische bijstand worden voortgebracht, worden opgenomen in de begroting van de Franse Gemeenschap in het kader van de kredieten die aan de betrokken dienst worden toegekend.".
Art. 63. La section 1/1, insérée par l'article 62 dans le chapitre II du même arrêté royal du 27 juillet 1979, est rédigée comme suit :
  " Art. 2sexies. Dans la présente section, il faut entendre par " acte de violence ", toute atteinte physique et/ou psychologique commise avec une intention malveillante, toute agression à caractère racial, religieux ou sexiste contre un membre du personnel ainsi que toute détérioration aux biens de celui-ci commise soit par un élève, soit par un tiers sur instigation ou avec la complicité de celui-ci, soit par un membre de la famille de l'élève ou toute personne habitant sous le même toit, dans le cadre du service du membre du personnel ou en relation directe avec celui-ci, soit par tout autre personne n'appartenant pas au personnel de l'établissement, pour autant qu'il soit démontré par la victime que l'acte de violence est en relation directe avec le service.
  Il faut entendre par " victime " : le membre du personnel visé par le présent décret qui est reconnu victime d'un accident de travail résultant de l'acte défini à l'alinéa 1er par le service du Gouvernement visé à l'article 6 de l'arrêté royal du 24 janvier 1969 relatif à la réparation, en faveur des membres du personnel du secteur public, des dommages résultant des accidents du travail et des accidents survenus sur le chemin du travail. ".
  Art. 2septies. § 1er. La victime peut bénéficier d'une assistance en justice visée au § 2 et/ou de l'assistance psychologique visée au § 3.
  § 2. L'assistance en justice consiste en la prise en charge totale ou partielle des honoraires et des frais d'avocat et de procédure.
  § 3. L'assistance psychologique consiste en la prise en charge de maximum douze séances de consultation auprès d'un psychologue et/ou d'un psychiatre dans le but de fournir une aide immédiate à la victime d'un acte de violence.
  § 4. L'assistance en justice et l'assistance psychologique telles que définies aux paragraphes 2 et 3 ne sont octroyées que pour autant que la victime ait déposé plainte auprès des autorités judiciaires.
  § 5. La victime recourt au prestataire de l'assistance de son choix.
  Le cas échéant, le Service concerné visé à l'article 51terdecies lui communique, à sa demande et à titre indicatif, une liste de prestataires à contacter en cas d'agression.
  La victime communique à ce Service concerné le nom du/des prestataire(s) de son choix qui prend/prennent en charge son dossier.
  Art. 2octies. § 1er. Sauf cas de force majeure dûment justifiée, la victime introduit la demande d'assistance en justice visée à l'article 51decies, § 2, et/ou psychologique visée à l'article 51decies, § 3, par lettre recommandée avec accusé de réception, dans le mois qui suit la survenance des faits.
  Lorsque la victime exerce ses fonctions dans l'Enseignement obligatoire, la demande visée à l'alinéa 1er est introduite auprès de la Direction générale de l'Enseignement obligatoire. Celle-ci vérifie si les conditions de la présente section sont remplies.
  Lorsque la victime exerce sa fonction au sein d'un établissement d'enseignement supérieur non universitaire, la demande visée à l'alinéa 1er est introduite auprès de la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire.
  § 2. Dans le même délai, la victime envoie également par lettre recommandée avec accusé de réception, copie de la demande au chef d'établissement pour les établissements, au directeur du centre pour les Centres-psycho-médico-sociaux.
  § 3. La demande indique, dans la mesure du possible, les causes, les circonstances et les conséquences probables de l'acte de violence.
  § 4. Le chef d'établissement ou le directeur du centre, selon le cas, dont relève la victime, fait parvenir son avis à la Direction générale de l'Enseignement obligatoire ou à la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire, dans les trois jours ouvrables de la réception de la copie de la demande visée au paragraphe 1er.
  Il remet à la victime une copie de son avis.
  Art. 2nonies. § 1er. La décision d'octroi d'assistance est prise dans les quinze jours ouvrables qui suivent la réception de la demande visée à l'article 51undecies, § 1er, par la Direction générale de l'Enseignement obligatoire ou la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire selon le cas.
  § 2. En cas de refus, le membre du personnel ou, en cas de force majeure dûment justifié, son représentant, peut introduire, via la Direction générale de l'Enseignement obligatoire ou la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire, un recours auprès du Ministre fonctionnel.
  Le recours est introduit par lettre recommandée dans les quinze jours ouvrables qui suivent la notification du refus d'octroi d'assistance.
  Art. 2decies. § 1er. La gestion de l'assistance en justice et psychologique relève du Service général d'Appui de la Direction générale de l'Audit, de la Coordination et de l'Appui.
  § 2. Dans la présente section, par Service concerné, il faut entendre le Service visé au paragraphe 1er.
  Art. 2undecies. § 1er. La prise en charge des honoraires et des frais d'avocat, de procédure et de consultation psychologique et/ou psychiatrique ne peut pas excéder, par sinistre, 3.718,40 euros.
  § 2. A titre exceptionnel, sur demande dûment motivée, la prise en charge peut excéder le seuil prévu au paragraphe 1er. La victime ou, en cas de force majeure dûment justifié, son représentant, introduit cette demande dûment motivée auprès du Service concerné.
  § 3. Les frais remboursés ou pris en charge, totalement ou partiellement, soit en vertu d'une autre disposition légale ou réglementaire, soit en vertu d'un contrat d'assurance souscrit par la victime ou par tout tiers, ne donnent pas lieu à une intervention.
  § 4. La victime communique au Service concerné les pièces justifiant les dépenses. A cet effet, sont communiqués, notamment, les citations, assignations et généralement tous les actes judiciaires dans les dix jours ouvrables de leur remise ou signification.
  § 5. Le Service concerné apprécie les états de frais et d'honoraires visés aux paragraphes 1er et 2. Ce Service peut refuser ou interrompre son intervention lorsqu'il juge :
  1° que la thèse de la victime n'est pas défendable;
  2° que la proposition transactionnelle faite par le tiers est équitable et sérieuse;
  3° qu'un recours contre une décision judiciaire intervenue ne présente pas de chance sérieuse de succès.
  Toutefois, les frais ou honoraires pour lesquels le Service concerné a refusé ou interrompu son intervention en application de l'alinéa précédent sont pris en charge conformément au présent titre lorsque la victime obtient gain de cause par une décision définitive non susceptible de recours ordinaire ou extraordinaire.
  La décision du Service concerné de refuser ou d'interrompre son intervention est susceptible de recours auprès du Ministre ayant la Fonction publique dans ses attributions dans un délai de vingt jours ouvrables à dater de la réception de ladite décision.
  Art. 2duodecies Les crédits nécessaires à couvrir les dépenses générées par les assistances en justice et psychologiques sont inscrits au budget de la Communauté française dans le cadre des crédits octroyés au service concerné. ".
Onderafdeling IV. - Wijziging van het decreet van 1 februari 1993 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs
Sous-section IV. - Des modifications du décret du 1er février 1993 fixant le statut des membres du personnel subsidiés de l'enseignement libre subventionné
Art. 64. In het decreet van 1 februari 1993 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs, wordt een hoofdstuk II/1 ingevoegd, luidend als volgt : "Gerechtelijke bijstand en psychologische bijstand".
Art. 64. Dans le décret du 1er février 1993 fixant le statut des membres du personnel subsidiés de l'enseignement libre subventionné, il est inséré un chapitre II/1 intitulé comme suit : " De l'assistance en justice et de l'assistance psychologique ".
Art. 65. Het nieuwe hoofdstuk II/1, bij artikel 64 ingevoegd in hetzelfde decreet van 1 februari 1993, luidt als volgt :
  "Art. 27ter. In dit decreet wordt onder "slachtoffer" verstaan, het "personeelslid dat het slachtoffer is van een gewelddaad" zoals bepaald in paragraaf 2 van artikel 34 quinquies.
  Art. 27quater. § 1. Het slachtoffer kan de gerechtelijke bijstand bedoeld in § 2 en/of psychologische bijstand bedoeld in § 3 genieten.
  § 2. Gerechtelijke bijstand is de gehele of gedeeltelijke tenlasteneming van de erelonen en kosten van advocaten en rechtspleging.
  § 3. Psychologische bijstand is de tenlasteneming van hoogstens twaalf consultaties bij een psycholoog en/of een psychiater om onmiddellijk hulp te verlenen aan het slachtoffer van een gewelddaad.
  § 4. De gerechtelijke bijstand en de psychologische bijstand, zoals bepaald in de paragrafen 2 en 3, worden alleen verleend voor zover het slachtoffer een klacht heeft ingediend bij de gerechtelijke overheid.
  § 5. Het slachtoffer doet een beroep op de bijstandsverlener die het mag kiezen.
  In voorkomend geval, deelt de betrokken dienst bedoeld in artikel 34 sexies/6 hem, op zijn aanvraag en bij wijze van inlichting, een lijst van de bijstandsverleners op wie in geval van agressie een beroep kan worden gedaan, mee.
  Het slachtoffer deelt die betrokken dienst de naam van de door hem gekozen bijstandsverlener(s) mee die zijn dossier behandelt(en).
  Art. 27quinquies. § 1. Behoudens bij behoorlijk bewezen overmacht, dient het slachtoffer de aanvraag om gerechtelijke bijstand en/of psychologische bijstand, bedoeld in artikel 34 sexies/2, in bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, binnen de maand volgend op het gebeuren van de feiten.
  Wanneer het slachtoffer zijn ambt in het leerplichtonderwijs uitoefent, wordt de aanvraag bedoeld in het eerste lid bij de algemene directie leerplichtonderwijs ingediend. Deze kijkt na of de voorwaarden van deze afdeling vervuld zijn.
  Wanneer het slachtoffer zijn ambt binnen een instelling voor hoger onderwijs buiten de universiteit uitoefent, wordt de in het eerste lid bedoelde aanvraag bij de algemene directie niet verplicht onderwijs ingediend.
  § 2. Binnen dezelfde termijn, zendt het slachtoffer eveneens bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, een afschrift van de aanvraag aan zijn inrichtende macht.
  § 3. De aanvraag vermeldt, voor zover dit mogelijk is, de oorzaken, de omstandigheden en de waarschijnlijke gevolgen van de gewelddaad.
  § 4. De inrichtende macht waaronder het slachtoffer ressorteert, deelt zijn advies mee aan de algemene directie leerplichtonderwijs of aan de algemene directie niet verplicht onderwijs, binnen de drie werkdagen na de ontvangst van het afschrift van de aanvraag bedoeld in § 1.
  Het deelt het slachtoffer een afschrift van zijn advies mee.
  Art. 27sexies. § 1. De beslissing tot verlening van bijstand wordt genomen, binnen vijftien werkdagen volgend op de ontvangst van de in artikel 34 sexies/3, bedoelde aanvraag, door de algemene directie leerplichtonderwijs of de algemene directie niet-verplicht onderwijs, naar gelang van het geval.
  § 2. Bij weigering, kan het personeelslid of, bij behoorlijk aangetoonde overmacht, zijn vertegenwoordiger, via de algemene directie leerplichtonderwijs of de directie niet verplicht onderwijs, een beroep indienen bij de functionele minister.
  Het beroep wordt bij aangetekend schrijven ingediend binnen vijftien werkdagen volgend op de kennisgeving van de weigering van de bijstandsverlening.
  Art. 27septies. § 1. Het beheer van gerechtelijke bijstand en psychologische bijstand ressorteert onder de algemene dienst Steun van de algemene directie audit, coördinatie en steun.
  § 2. In deze afdeling, onder betrokken dienst, wordt de in § 1 bedoelde dienst verstaan.
  Art. 27octies. § 1. De tenlasteneming van de erelonen en de kosten voor advocaten, de rechtspleging en de psychologische en/of psychiatrische raadpleging kan, voor elk schadegeval, niet hoger zijn dan 3.718,40 euro.
  § 2. Bij wijze van uitzonderlijke maatregel, op behoorlijk met redenen omklede aanvraag, kan de tenlasteneming niet hoger zijn dan het in paragraaf 1 vastgestelde maximumbedrag. Het slachtoffer, of, bij behoorlijk aangetoonde overmacht, zijn vertegenwoordiger, dient deze behoorlijk met redenen omklede aanvraag bij de betrokken dienst in.
  § 3. De kosten die geheel of gedeeltelijk worden terugbetaald of ten laste genomen ofwel krachtens een andere wettelijke of verordeningsbepaling, ofwel krachtens een verzekeringsovereenkomst die door het slachtoffer of door elke derde wordt aangegaan, geven geen recht op een tegemoetkoming.
  § 4. Het slachtoffer deelt de betrokken dienst de stukken ter verantwoording van de uitgaven mee. Daartoe worden inzonderheid de dagvaardingen en in het algemeen alle gerechtelijke akten binnen 10 werkdagen na hun uitreiking of betekening meegedeeld.
  § 5. De betrokken dienst beoordeelt de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde kosten- en ereloonstaten. Deze dienst kan zijn tegemoetkoming weigeren of onderbreken, wanneer hij van oordeel is dat :
  1° de stelling van het slachtoffer niet geloofwaardig is;
  2° het transactievoorstel van de derde billijk en serieus is;
  3° een beroep tegen een rechterlijke beslissing niet veel kans op succes maakt.
  De kosten en erelonen waarvoor de betrokken dienst bij toepassing van het vorige lid zijn tegemoetkoming heeft geweigerd of onderbroken, worden echter overeenkomstig deze titel ten laste genomen, wanneer het slachtoffer gelijk krijgt bij een definitieve beslissing waarvoor geen beroep voor een gewoon of buitengewoon gerecht kan worden aangetekend.
  Tegen de beslissing van de betrokken dienst zijn tegemoetkoming te weigeren of te onderbreken kan beroep worden aangetekend bij de minister bevoegd voor de ambtenarenzaken binnen een termijn van 20 werkdagen, te rekenen vanaf de ontvangst van die beslissing.
  Art. 27nonies. De kredieten die noodzakelijk zijn voor het dekken van de uitgaven die door de gerechtelijke bijstand en de psychologische bijstand worden voortgebracht, worden opgenomen in de begroting van de Franse Gemeenschap in het kader van de kredieten die aan de betrokken dienst worden toegekend.".
Art. 65. Le nouveau chapitre II/1, inséré par l'article 64 dans le même décret du 1er février 1993, est rédigé comme suit.
  " Art. 27ter. Dans le présent décret, on entend par " victime ", le " membre du personnel victime d'un acte de violence " tel que défini au paragraphe 2 de l'article 34quinquies.
  Art. 27quater. § 1er. La victime peut bénéficier d'une assistance en justice visée au paragraphe 2 et/ou de l'assistance psychologique visée au paragraphe 3.
  § 2. L'assistance en justice consiste en la prise en charge totale ou partielle des honoraires et des frais d'avocat et de procédure.
  § 3. L'assistance psychologique consiste en la prise en charge de maximum douze séances de consultation auprès d'un psychologue et/ou d'un psychiatre dans le but de fournir une aide immédiate à la victime d'un acte de violence.
  § 4. L'assistance en justice et l'assistance psychologique telles que définies aux paragraphes 1er et 2 ne sont octroyées que pour autant que la victime ait déposé plainte auprès des autorités judiciaires.
  § 5. La victime recourt au prestataire de l'assistance de son choix.
  Le cas échéant, le Service concerné visé à l'article 34sexies/6 lui communique, à sa demande et à titre indicatif, une liste de prestataires à contacter en cas d'agression.
  La victime communique à ce Service concerné le nom du/des prestataire(s) de son choix qui prend/prennent en charge son dossier.
  Art. 27quinquies. § 1er. Sauf cas de force majeure dûment justifiée, la victime introduit la demande d'assistance en justice et/ou psychologique visée à l'article 34sexies/2, par lettre recommandée avec accusé de réception, dans le mois qui suit la survenance des faits.
  Lorsque la victime exerce ses fonctions dans l'Enseignement obligatoire, la demande visée à l'alinéa 1er est introduite auprès de la Direction générale de l'Enseignement obligatoire. Celle-ci vérifie si les conditions de la présente section sont remplies.
  Lorsque la victime exerce sa fonction au sein d'un établissement d'enseignement supérieur non universitaire, la demande visée à l'alinéa 1er est introduite auprès de la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire.
  § 2. Dans le même délai, la victime envoie également par lettre recommandée avec accusé de réception, copie de la demande à son pouvoir organisateur.
  § 3. La demande indique, dans la mesure du possible, les causes, les circonstances et les conséquences probables de l'acte de violence.
  § 4. Le pouvoir organisateur dont relève la victime fait parvenir son avis à la Direction générale de l'Enseignement obligatoire ou à la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire, dans les trois jours ouvrables de la réception de la copie de la demande visée au § 1er.
  Il remet à la victime une copie de son avis.
  Art. 27sexies. § 1er. La décision d'octroi d'assistance est prise dans les 15 jours ouvrables qui suivent la réception de la demande visée à l'article 34sexies/3 par la Direction générale de l'Enseignement obligatoire ou la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire selon le cas.
  § 2. En cas de refus, le membre du personnel ou, en cas de force majeure dûment justifié, son représentant, peut introduire, via la Direction générale de l'Enseignement obligatoire ou la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire, un recours auprès du Ministre fonctionnel.
  Le recours est introduit par lettre recommandée dans les 15 jours ouvrables qui suivent la notification du refus d'octroi d'assistance.
  Art. 27septies. § 1er. La gestion de l'assistance en justice et psychologique relève du Service général d'Appui de la Direction générale de l'Audit, de la Coordination et de l'Appui.
  § 2. Dans le présent décret, par Service concerné, il faut entendre le Service visé au § 1er.
  Art. 27octies. § 1er. La prise en charge des honoraires et des frais d'avocat, de procédure et de consultation psychologique et/ou psychiatrique ne peut pas excéder, par sinistre, 3.718,40 euros.
  § 2. A titre exceptionnel, sur demande dûment motivée, la prise en charge peut excéder le seuil prévu au paragraphe 1er. La victime ou, en cas de force majeure dûment justifié, son représentant, introduit cette demande dûment motivée auprès du Service concerné.
  § 3. Les frais remboursés ou pris en charge, totalement ou partiellement, soit en vertu d'une autre disposition légale ou réglementaire, soit en vertu d'un contrat d'assurance souscrit par la victime ou par tout tiers, ne donnent pas lieu à une intervention.
  § 4. La victime communique au Service concerné les pièces justifiant les dépenses. A cet effet, sont communiqués, notamment, les citations, assignations et généralement tous les actes judiciaires dans les 10 jours ouvrables de leur remise ou signification.
  § 5. Le Service concerné apprécie les états de frais et d'honoraires visés aux paragraphes 1er et 2. Ce Service peut refuser ou interrompre son intervention lorsqu'il juge :
  1° que la thèse de la victime n'est pas défendable;
  2° que la proposition transactionnelle faite par le tiers est équitable et sérieuse;
  3° qu'un recours contre une décision judiciaire intervenue ne présente pas de chance sérieuse de succès.
  Toutefois, les frais ou honoraires pour lesquels le Service concerné a refusé ou interrompu son intervention en application de l'alinéa précédent sont pris en charge conformément au présent titre lorsque la victime obtient gain de cause par une décision définitive non susceptible de recours ordinaire ou extraordinaire.
  La décision du Service concerné de refuser ou d'interrompre son intervention est susceptible de recours auprès du Ministre ayant la Fonction publique dans ses attributions dans un délai de 20 jours ouvrables à dater de la réception de ladite décision.
  Art. 27nonies. Les crédits nécessaires à couvrir les dépenses générées par les assistances en justice et psychologiques sont inscrits au budget de la Communauté française dans le cadre des crédits octroyés au service concerné. ".
Onderafdeling V. - Wijziging van het decreet van 6 juni 1994 tot vaststelling van de rechtspositie van de gesubsidieerde personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs
Sous-section V. - Des modifications du décret du 6 juin 1994 fixant le statut des membres du personnel subsidiés de l'enseignement officiel subventionné
Art. 66. In het decreet van 6 juni 1994 tot vaststelling van de rechtspositie van de gesubsidieerde personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs, wordt in afdeling 5 van hoofdstuk VIII een onderafdeling 5 ingevoegd, luidend als volgt : "Gerechtelijke bijstand en psychologische bijstand".
Art. 66. Dans le décret du 6 juin 1994 fixant le statut des membres du personnel subsidiés de l'enseignement officiel subventionné, il est inséré dans la section 5 du chapitre III, une sous-section 5 intitulée comme suit : " De l'assistance en justice et de l'assistance psychologique ".
Art. 67. De onderafdeling 5, bij artikel 66 ingevoegd in het decreet van 6 juni 1994, luidt als volgt :
  "Art. 36sexies. § 1. In dit decreet wordt onder "slachtoffer" verstaan, het "personeelslid dat het slachtoffer is van een gewelddaad" zoals bepaald in artikel 36 bis, § 1, tweede lid.
  § 2. De gerechtelijke bijstand en de psychologische bijstand worden alleen verleend voor zover het slachtoffer een klacht heeft ingediend bij de gerechtelijke overheid.
  Art. 36septies. § 1. Het slachtoffer kan de gerechtelijke bijstand bedoeld in § 2 en/of psychologische bijstand bedoeld in § 3 genieten.
  § 2. Gerechtelijke bijstand is de gehele of gedeeltelijke tenlasteneming van de erelonen en kosten van advocaten en rechtspleging.
  § 3. Psychologische bijstand is de tenlasteneming van hoogstens twaalf consultaties bij een psycholoog en/of een psychiater om onmiddellijk hulp te verlenen aan het slachtoffer van een gewelddaad.
  § 4. De gerechtelijke bijstand en de psychologische bijstand, zoals bepaald in de paragrafen 1 en 2, worden alleen verleend voor zover het slachtoffer een klacht heeft ingediend bij de gerechtelijke overheid.
  § 5. Het slachtoffer doet een beroep op de bijstandsverlener die het mag kiezen.
  In voorkomend geval, deelt de betrokken dienst bedoeld in artikel 37 nonies hem, op zijn aanvraag en bij wijze van inlichting, een lijst van de bijstandsverleners op wie in geval van agressie een beroep kan worden gedaan, mee.
  Het slachtoffer deelt die betrokken dienst de naam van de door hem gekozen bijstandsverlener(s) mee die zijn dossier behandelt(en).
  Art. 36octies. § 1. Behoudens bij behoorlijk bewezen overmacht, dient het slachtoffer de aanvraag om gerechtelijke bijstand, bedoeld in artikel 37 sexies, § 2, en/of psychologische bijstand, bedoeld in artikel 37 sexies, § 3, in bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, binnen de maand volgend op het gebeuren van de feiten.
  Wanneer het slachtoffer zijn ambt in het leerplichtonderwijs uitoefent, wordt de aanvraag bedoeld in het eerste lid bij de algemene directie leerplichtonderwijs ingediend. Deze kijkt na of de voorwaarden van deze afdeling vervuld zijn.
  Wanneer het slachtoffer zijn ambt binnen een instelling voor hoger onderwijs buiten de universiteit uitoefent, wordt de in het eerste lid bedoelde aanvraag bij de algemene directie niet verplicht onderwijs ingediend.
  § 2. Binnen dezelfde termijn, zendt het slachtoffer eveneens bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, een afschrift van de aanvraag aan zijn inrichtingshoofd.
  § 3. De aanvraag vermeldt, voor zover dit mogelijk is, de oorzaken, de omstandigheden en de waarschijnlijke gevolgen van de gewelddaad.
  § 4. De inrichtende macht waaronder het slachtoffer ressorteert, deelt zijn advies mee aan de algemene directie leerplichtonderwijs of aan de algemene directie niet verplicht onderwijs, binnen de drie werkdagen na de ontvangst van het afschrift van de aanvraag bedoeld in § 1.
  Het deelt het slachtoffer een afschrift van zijn advies mee.
  Art. 36 nonies. § 1. De beslissing tot verlening van bijstand wordt genomen, binnen vijftien werkdagen volgend op de ontvangst van de in artikel 37 septies bedoelde aanvraag, door de algemene directie leerplichtonderwijs of de algemene directie niet-verplicht onderwijs, naar gelang van het geval.
  § 2. Bij weigering, kan het personeelslid of, bij behoorlijk aangetoonde overmacht, zijn vertegenwoordiger, via de algemene directie leerplichtonderwijs of de directie niet verplicht onderwijs, een beroep indienen bij de functionele minister.
  Het beroep wordt bij aangetekend schrijven ingediend binnen vijftien werkdagen volgend op de kennisgeving van de weigering van de bijstandsverlening.
  Art. 36decies. § 1. Het beheer van gerechtelijke bijstand en psychologische bijstand ressorteert onder de algemene dienst Steun van de algemene directie audit, coördinatie en steun.
  § 2. In deze afdeling, onder betrokken dienst, wordt de in § 1 bedoelde dienst verstaan.
  Art. 36undecies. § 1. De tenlasteneming van de erelonen en de kosten voor advocaten, de rechtspleging en de psychologische en/of psychiatrische raadpleging kan, voor elk schadegeval, niet hoger zijn dan 3.718,40 euro.
  § 2. Bij wijze van uitzonderlijke maatregel, op behoorlijk met redenen omklede aanvraag, kan de tenlasteneming niet hoger zijn dan het in paragraaf 1 vastgestelde maximumbedrag. Het slachtoffer, of, bij behoorlijk aangetoonde overmacht, zijn vertegenwoordiger, dient deze behoorlijk met redenen omklede aanvraag bij de betrokken dienst in.
  § 3. De kosten die geheel of gedeeltelijk worden terugbetaald of ten laste genomen ofwel krachtens een andere wettelijke of verordeningsbepaling, ofwel krachtens een verzekeringsovereenkomst die door het slachtoffer of door elke derde wordt aangegaan, geven geen recht op een tegemoetkoming.
  § 4. Het slachtoffer deelt de betrokken dienst de stukken ter verantwoording van de uitgaven mee. Daartoe worden inzonderheid de dagvaardingen en in het algemeen alle gerechtelijke akten binnen 10 werkdagen na hun uitreiking of betekening meegedeeld.
  § 5. De betrokken dienst beoordeelt de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde kosten- en ereloonstaten. Deze dienst kan zijn tegemoetkoming weigeren of onderbreken, wanneer hij van oordeel is dat :
  1° de stelling van het slachtoffer niet geloofwaardig is;
  2° het transactievoorstel van de derde billijk en serieus is;
  3° een beroep tegen een rechterlijke beslissing niet veel kans op succes maakt.
  De kosten en erelonen waarvoor de betrokken dienst bij toepassing van het vorige lid zijn tegemoetkoming heeft geweigerd of onderbroken, worden echter overeenkomstig deze titel ten laste genomen, wanneer het slachtoffer gelijk krijgt bij een definitieve beslissing waarvoor geen beroep voor een gewoon of buitengewoon gerecht kan worden aangetekend.
  Tegen de beslissing van de betrokken dienst zijn tegemoetkoming te weigeren of te onderbreken kan beroep worden aangetekend bij de minister bevoegd voor de ambtenarenzaken binnen een termijn van 20 werkdagen, te rekenen vanaf de ontvangst van die beslissing.
  Art. 36duodecies. De kredieten die noodzakelijk zijn voor het dekken van de uitgaven die door de gerechtelijke bijstand en de psychologische bijstand worden voortgebracht, worden opgenomen in de begroting van de Franse Gemeenschap in het kader van de kredieten die aan de betrokken dienst worden toegekend.".
Art. 67. La sous-section 5, insérée par l'article 66 dans le décret du 6 juin 1994, est rédigée comme suit :
  " Art. 36sexies. § 1er. Dans la présente section, on entend par " victime " le " membre du personnel victime d'un acte de violence " tel que défini à l'article 36bis, § 1er, alinéa 2.
  § 2. L'assistance en justice et l'assistance psychologique ne sont octroyées que pour autant que la victime ait déposé une plainte auprès des autorités judiciaires.
  Art. 36septies. § 1er. La victime peut bénéficier d'une assistance en justice visée au § 2 et/ou de l'assistance psychologique visée au § 3.
  § 2. L'assistance en justice consiste en la prise en charge totale ou partielle des honoraires et des frais d'avocat et de procédure.
  § 3. L'assistance psychologique consiste en la prise en charge de maximum douze séances de consultation auprès d'un psychologue et/ou d'un psychiatre dans le but de fournir une aide immédiate à la victime d'un acte de violence.
  § 4. L'assistance en justice et l'assistance psychologique telles que définies aux paragraphes 1er et 2 ne sont octroyées que pour autant que la victime ait déposé plainte auprès des autorités judiciaires.
  § 5. La victime recourt au prestataire de l'assistance de son choix.
  Le cas échéant, le Service concerné visé à l'article 37nonies lui communique, à sa demande et à titre indicatif, une liste de prestataires à contacter en cas d'agression.
  La victime communique au Service concerné le nom du/des prestataire(s) de son choix qui prend/prennent en charge son dossier.
  Art. 36octies. § 1er. Sauf cas de force majeure dûment justifiée, la victime introduit la demande d'assistance en justice visée à l'article 37sexies, § 2, et/ou psychologique visée à l'article 37sexies, § 3, par lettre recommandée avec accusé de réception, dans le mois qui suit la survenance des faits.
  Lorsque la victime exerce ses fonctions dans l'Enseignement obligatoire, la demande visée à l'alinéa 1er est introduite auprès de la Direction générale de l'Enseignement obligatoire. Celle-ci vérifie si les conditions de la présente section sont remplies.
  Lorsque la victime exerce sa fonction au sein d'un établissement d'enseignement supérieur non universitaire, la demande visée à l'alinéa 1er est introduite auprès de la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire.
  § 2. Dans le même délai, la victime envoie également par lettre recommandée avec accusé de réception, copie de la demande à son pouvoir organisateur.
  § 3. La demande indique, dans la mesure du possible, les causes, les circonstances et les conséquences probables de l'acte de violence.
  § 4. Le pouvoir organisateur dont relève la victime, fait parvenir son avis à la Direction générale de l'Enseignement obligatoire ou à la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire, dans les trois jours ouvrables de la réception de la copie de la demande visée au § 1er.
  Il remet à la victime une copie de son avis.
  Art. 36nonies. § 1er. La décision d'octroi d'assistance est prise dans les 15 jours ouvrables qui suivent la réception de la demande visée à l'article 37septies, par la Direction générale de l'Enseignement obligatoire ou la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire selon le cas.
  § 2. En cas de refus, le membre du personnel ou, en cas de force majeure dûment justifié, son représentant, peut introduire, via la Direction générale de l'Enseignement obligatoire ou la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire, un recours auprès du Ministre fonctionnel.
  Le recours est introduit par lettre recommandée dans les quinze jours ouvrables qui suivent la notification du refus d'octroi d'assistance.
  Art. 36decies. § 1er. La gestion de l'assistance en justice et psychologique relève du Service général d'Appui de la Direction générale de l'Audit, de la Coordination et de l'Appui.
  § 2. Dans la présente section, par Service concerné, il faut entendre le Service visé au paragraphe 1er.
  Art. 36undecies. § 1er. La prise en charge des honoraires et des frais d'avocat, de procédure et de consultation psychologique et/ou psychiatrique ne peut pas excéder, par sinistre, 3.718,40 euros.
  § 2. A titre exceptionnel, sur demande dûment motivée, la prise en charge peut excéder le seuil prévu au paragraphe 1er. La victime ou, en cas de force majeure dûment justifié, son représentant, introduit cette demande dûment motivée auprès du Service concerné.
  § 3. Les frais remboursés ou pris en charge, totalement ou partiellement, soit en vertu d'une autre disposition légale ou réglementaire, soit en vertu d'un contrat d'assurance souscrit par la victime ou par tout tiers, ne donnent pas lieu à une intervention.
  § 4. La victime communique au Service concerné les pièces justifiant les dépenses. A cet effet, sont communiqués, notamment, les citations, assignations et généralement tous les actes judiciaires dans les 10 jours ouvrables de leur remise ou signification.
  § 5. Le Service concerné apprécie les états de frais et d'honoraires visés aux paragraphes 1 et 2. Ce Service peut refuser ou interrompre son intervention lorsqu'il juge :
  1° que la thèse de la victime n'est pas défendable;
  2° que la proposition transactionnelle faite par le tiers est équitable et sérieuse;
  3° qu'un recours contre une décision judiciaire intervenue ne présente pas de chance sérieuse de succès.
  Toutefois, les frais ou honoraires pour lesquels le Service concerné a refusé ou interrompu son intervention en application de l'alinéa précédent sont pris en charge conformément au présent titre lorsque la victime obtient gain de cause par une décision définitive non susceptible de recours ordinaire ou extraordinaire.
  La décision du Service concerné de refuser ou d'interrompre son intervention est susceptible de recours auprès du Ministre ayant la Fonction publique dans ses attributions dans un délai de vingt jours ouvrables à dater de la réception de ladite décision.
  Art. 36duodecies. Les crédits nécessaires à couvrir les dépenses générées par les assistances en justice et psychologiques sont inscrits au budget de la Communauté française dans le cadre des crédits octroyés au service concerné. ".
Onderafdeling VI. - Wijziging van het decreet van 31 januari 2002 tot vaststelling van het statuut van de leden van het gesubsidieerd technisch personeel van de gesubsidieerde officiële psycho-medisch-sociale centra
Sous-section VI. - Des modifications du décret du 31 janvier 2002 fixant le statut des membres du personnel technique subsidié des Centres psycho-médico-sociaux subventionnés officiels
Art. 68. In het decreet 31 januari 2002 tot vaststelling van het statuut van de leden van het gesubsidieerd technisch personeel van de gesubsidieerde officiële psycho-medisch-sociale centra, wordt een hoofdstuk II/1 ingevoegd, luidend als volgt : "Gerechtelijke bijstand en psychologische bijstand".
Art. 68. Dans le décret du 31 janvier 2002 fixant le statut des membres du personnel technique subsidié des centres psycho-médico-sociaux subventionnés officiels, il est inséré un chapitre II/1 intitulé comme suit : " De l'assistance en justice et de l'assistance psychologique ".
Art. 69. Hoofdstuk II/1, bij artikel 68 in hetzelfde decreet van 31 januari 2002 ingevoegd, luidt als volgt :
  "Art. 16/1. In deze afdeling wordt onder "gewelddaad" verstaan, elke kwaadwillige lichamelijke en/of psychologische aantasting, elke agressie van raciale, godsdienstige of seksistische aard tegen een personeelslid alsook elke beschadiging van de goederen van dat lid door ofwel een leerling, ofwel door een derde op aansporing van of met de medeplichtigheid van deze, ofwel door een lid van het gezin van de leerling of elke persoon die onder hetzelfde dak woont, in het kader van de dienst van het personeelslid of in rechtstreeks verband met deze, ofwel door elke andere persoon die niet tot de inrichting behoort, voor zover het slachtoffer het bewijs levert dat de gewelddaad in rechtstreeks verband met de dienst staat.
  Onder "slachtoffer" dient te worden verstaan : het bij dit decreet bedoelde personeelslid, dat erkend wordt als slachtoffer van een arbeidsongeval voortvloeiend uit de daad bepaald in het eerste lid door de dienst van de Regering bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding, ten gunste van de personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk.".
  Art. 16/2. § 1. Het slachtoffer kan de gerechtelijke bijstand bedoeld in § 2 en/of psychologische bijstand bedoeld in § 3 genieten.
  § 2. Gerechtelijke bijstand is de gehele of gedeeltelijke tenlasteneming van de erelonen en kosten van advocaten en rechtspleging.
  § 3. Psychologische bijstand is de tenlasteneming van hoogstens twaalf consultaties bij een psycholoog en/of een psychiater om onmiddellijk hulp te verlenen aan het slachtoffer van een gewelddaad.
  § 4. De gerechtelijke bijstand en de psychologische bijstand, zoals bepaald in de paragrafen 2 en 3, worden alleen verleend voor zover het slachtoffer een klacht heeft ingediend bij de gerechtelijke overheid.
  § 5. Het slachtoffer doet een beroep op de bijstandsverlener die het mag kiezen.
  In voorkomend geval, deelt de betrokken dienst bedoeld in artikel 51 terdecies hem, op zijn aanvraag en bij wijze van inlichting, een lijst van de bijstandsverleners op wie in geval van agressie een beroep kan worden gedaan, mee.
  Het slachtoffer deelt die betrokken dienst de naam van de door hem gekozen bijstandsverlener(s) mee die zijn dossier behandelt(en).
  Art. 16/3. § 1. Behoudens bij behoorlijk bewezen overmacht, dient het slachtoffer de aanvraag om gerechtelijke bijstand, bedoeld in artikel 51 decies, § 2, en/of psychologische bijstand, bedoeld in artikel 51 decies, § 3, in bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, binnen de maand volgend op het gebeuren van de feiten.
  Wanneer het slachtoffer zijn ambt in het leerplichtonderwijs uitoefent, wordt de aanvraag bedoeld in het eerste lid bij de algemene directie leerplichtonderwijs ingediend. Deze kijkt na of de voorwaarden van deze afdeling vervuld zijn.
  Wanneer het slachtoffer zijn ambt binnen een instelling voor hoger onderwijs buiten de universiteit uitoefent, wordt de in het eerste lid bedoelde aanvraag bij de algemene directie niet verplicht onderwijs ingediend.
  § 2. Binnen dezelfde termijn, zendt het slachtoffer eveneens bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, een afschrift van de aanvraag aan het inrichtingshoofd, voor de inrichtingen, aan de directeur, voor de psycho-medisch-sociale centra.
  § 3. De aanvraag vermeldt, voor zover dit mogelijk is, de oorzaken, de omstandigheden en de waarschijnlijke gevolgen van de gewelddaad.
  § 4. Het hoofd van de inrichting of de directeur van het centrum, naargelang van het geval, waaronder het slachtoffer ressorteert, deelt zijn advies mee aan de algemene directie leerplichtonderwijs of aan de algemene directie niet verplicht onderwijs, binnen de drie werkdagen na de ontvangst van het afschrift van de aanvraag bedoeld in § 1.
  Het deelt het slachtoffer een afschrift van zijn advies mee.
  Art. 16/4. § 1. De beslissing tot verlening van bijstand wordt genomen, binnen vijftien werkdagen volgend op de ontvangst van de in artikel 51 undecies, § 1, bedoelde aanvraag, door de algemene directie leerplichtonderwijs of de algemene directie niet-verplicht onderwijs, naar gelang van het geval.
  § 2. Bij weigering, kan het personeelslid of, bij behoorlijk aangetoonde overmacht, zijn vertegenwoordiger, via de algemene directie leerplichtonderwijs of de directie niet verplicht onderwijs, een beroep indienen bij de functionele minister.
  Het beroep wordt bij aangetekend schrijven ingediend binnen vijftien werkdagen volgend op de kennisgeving van de weigering van de bijstandsverlening.
  Art. 16/5. § 1. Het beheer van gerechtelijke bijstand en psychologische bijstand ressorteert onder de algemene dienst Steun van de algemene directie audit, coördinatie en steun.
  § 2. In deze afdeling, onder betrokken dienst, wordt de in § 1 bedoelde dienst verstaan.
  Art. 16/6. § 1. De tenlasteneming van de erelonen en de kosten voor advocaten, de rechtspleging en de psychologische en/of psychiatrische raadpleging kan, voor elk schadegeval, niet hoger zijn dan 3.718,40 euro.
  § 2. Bij wijze van uitzonderlijke maatregel, op behoorlijk met redenen omklede aanvraag, kan de tenlasteneming niet hoger zijn dan het in paragraaf 1 vastgestelde maximumbedrag. Het slachtoffer, of, bij behoorlijk aangetoonde overmacht, zijn vertegenwoordiger, dient deze behoorlijk met redenen omklede aanvraag bij de betrokken dienst in.
  § 3. De kosten die geheel of gedeeltelijk worden terugbetaald of ten laste genomen ofwel krachtens een andere wettelijke of verordeningsbepaling, ofwel krachtens een verzekeringsovereenkomst die door het slachtoffer of door elke derde wordt aangegaan, geven geen recht op een tegemoetkoming.
  § 4. Het slachtoffer deelt de betrokken dienst de stukken ter verantwoording van de uitgaven mee. Daartoe worden inzonderheid de dagvaardingen en in het algemeen alle gerechtelijke akten binnen 10 werkdagen na hun uitreiking of betekening meegedeeld.
  § 5. De betrokken dienst beoordeelt de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde kosten- en ereloonstaten. Deze dienst kan zijn tegemoetkoming weigeren of onderbreken, wanneer hij van oordeel is dat :
  1° de stelling van het slachtoffer niet geloofwaardig is;
  2° het transactievoorstel van de derde billijk en serieus is;
  3° een beroep tegen een rechterlijke beslissing niet veel kans op succes maakt.
  De kosten en erelonen waarvoor de betrokken dienst bij toepassing van het vorige lid zijn tegemoetkoming heeft geweigerd of onderbroken, worden echter overeenkomstig deze titel ten laste genomen, wanneer het slachtoffer gelijk krijgt bij een definitieve beslissing waarvoor geen beroep voor een gewoon of buitengewoon gerecht kan worden aangetekend.
  Tegen de beslissing van de betrokken dienst zijn tegemoetkoming te weigeren of te onderbreken kan beroep worden aangetekend bij de minister bevoegd voor de ambtenarenzaken binnen een termijn van 20 werkdagen, te rekenen vanaf de ontvangst van die beslissing.
  Art. 16/7. De kredieten die noodzakelijk zijn voor het dekken van de uitgaven die door de gerechtelijke bijstand en de psychologische bijstand worden voortgebracht, worden opgenomen in de begroting van de Franse Gemeenschap in het kader van de kredieten die aan de betrokken dienst worden toegekend.".
Art. 69. Le chapitre II/1 inséré par l'article 68 dans le même décret du 31 janvier 2002 est rédigé comme suit :
  " Art. 16/1. Dans la présente section, il faut entendre par " acte de violence ", toute atteinte physique et/ou psychologique commise avec une intention malveillante, toute agression à caractère racial, religieux ou sexiste contre un membre du personnel ainsi que toute détérioration aux biens de celui-ci commise soit par un élève, soit par un tiers sur instigation ou avec la complicité de celui-ci, soit par un membre de la famille de l'élève ou toute personne habitant sous le même toit, dans le cadre du service du membre du personnel ou en relation directe avec celui-ci, soit par tout autre personne n'appartenant pas au personnel de l'établissement, pour autant qu'il soit démontré par la victime que l'acte de violence est en relation directe avec le service.
  Il faut entendre par " victime " : le membre du personnel visé par le présent décret qui est reconnu victime d'un accident de travail résultant de l'acte défini à l'alinéa 1er par le service du Gouvernement visé à l'article 6 de l'arrêté royal du 24 janvier 1969 relatif à la réparation, en faveur des membres du personnel du secteur public, des dommages résultant des accidents du travail et des accidents survenus sur le chemin du travail. ".
  Art. 16/2. § 1er. La victime peut bénéficier d'une assistance en justice visée au paragraphe 2 et/ou de l'assistance psychologique visée au paragraphe 3.
  § 2. L'assistance en justice consiste en la prise en charge totale ou partielle des honoraires et des frais d'avocat et de procédure.
  § 3. L'assistance psychologique consiste en la prise en charge de maximum douze séances de consultation auprès d'un psychologue et/ou d'un psychiatre dans le but de fournir une aide immédiate à la victime d'un acte de violence.
  § 4. L'assistance en justice et l'assistance psychologique telles que définies aux paragraphes 2 et 3 ne sont octroyées que pour autant que la victime ait déposé plainte auprès des autorités judiciaires.
  § 5. La victime recourt au prestataire de l'assistance de son choix.
  Le cas échéant, le Service concerné visé à l'article 51terdecies lui communique, à sa demande et à titre indicatif, une liste de prestataires à contacter en cas d'agression.
  La victime communique à ce Service concerné le nom du/des prestataire(s) de son choix qui prend/prennent en charge son dossier.
  Art. 16/3. § 1er. Sauf cas de force majeure dûment justifiée, la victime introduit la demande d'assistance en justice visée à l'article 51decies, § 2, et/ou psychologique visée à l'article 51decies, § 3, par lettre recommandée avec accusé de réception, dans le mois qui suit la survenance des faits.
  Lorsque la victime exerce ses fonctions dans l'Enseignement obligatoire, la demande visée à l'alinéa 1er est introduite auprès de la Direction générale de l'Enseignement obligatoire. Celle-ci vérifie si les conditions de la présente section sont remplies.
  Lorsque la victime exerce sa fonction au sein d'un établissement d'enseignement supérieur non universitaire, la demande visée à l'alinéa 1er est introduite auprès de la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire.
  § 2. Dans le même délai, la victime envoie également par lettre recommandée avec accusé de réception, copie de la demande au chef d'établissement pour les établissements, au directeur du centre pour les Centres-psycho-médico-sociaux.
  § 3. La demande indique, dans la mesure du possible, les causes, les circonstances et les conséquences probables de l'acte de violence.
  § 4. Le chef d'établissement ou le directeur du centre, selon le cas, dont relève la victime, fait parvenir son avis à la Direction générale de l'Enseignement obligatoire ou à la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire, dans les trois jours ouvrables de la réception de la copie de la demande visée au § 1er.
  Il remet à la victime une copie de son avis.
  Art. 16/4. § 1er. La décision d'octroi d'assistance est prise dans les 15 jours ouvrables qui suivent la réception de la demande visée à l'article 51undecies, § 1er, par la Direction générale de l'Enseignement obligatoire ou la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire selon le cas.
  § 2. En cas de refus, le membre du personnel ou, en cas de force majeure dûment justifié, son représentant, peut introduire, via la Direction générale de l'Enseignement obligatoire ou la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire, un recours auprès du Ministre fonctionnel.
  Le recours est introduit par lettre recommandée dans les 15 jours ouvrables qui suivent la notification du refus d'octroi d'assistance.
  Art. 16/5. § 1er. La gestion de l'assistance en justice et psychologique relève du Service général d'Appui de la Direction générale de l'Audit, de la Coordination et de l'Appui.
  § 2. Dans la présente section, par Service concerné, il faut entendre le Service visé au § 1er.
  Art. 16/6. § 1er. La prise en charge des honoraires et des frais d'avocat, de procédure et de consultation psychologique et/ou psychiatrique ne peut pas excéder, par sinistre, 3.718,40 euros.
  § 2. A titre exceptionnel, sur demande dûment motivée, la prise en charge peut excéder le seuil prévu au paragraphe 1er. La victime ou, en cas de force majeure dûment justifié, son représentant, introduit cette demande dûment motivée auprès du Service concerné.
  § 3. Les frais remboursés ou pris en charge, totalement ou partiellement, soit en vertu d'une autre disposition légale ou réglementaire, soit en vertu d'un contrat d'assurance souscrit par la victime ou par tout tiers, ne donnent pas lieu à une intervention.
  § 4. La victime communique au Service concerné les pièces justifiant les dépenses. A cet effet, sont communiqués, notamment, les citations, assignations et généralement tous les actes judiciaires dans les 10 jours ouvrables de leur remise ou signification.
  § 5. Le Service concerné apprécie les états de frais et d'honoraires visés aux paragraphes 1er et 2. Ce Service peut refuser ou interrompre son intervention lorsqu'il juge :
  1° que la thèse de la victime n'est pas défendable;
  2° que la proposition transactionnelle faite par le tiers est équitable et sérieuse;
  3° qu'un recours contre une décision judiciaire intervenue ne présente pas de chance sérieuse de succès.
  Toutefois, les frais ou honoraires pour lesquels le Service concerné a refusé ou interrompu son intervention en application de l'alinéa précédent sont pris en charge conformément au présent titre lorsque la victime obtient gain de cause par une décision définitive non susceptible de recours ordinaire ou extraordinaire.
  La décision du Service concerné de refuser ou d'interrompre son intervention est susceptible de recours auprès du Ministre ayant la Fonction publique dans ses attributions dans un délai de 20 jours ouvrables à dater de la réception de ladite décision.
  Art. 16/7. Les crédits nécessaires à couvrir les dépenses générées par les assistances en justice et psychologiques sont inscrits au budget de la Communauté française dans le cadre des crédits octroyés au service concerné. ".
Onderafdeling VII. - Wijziging van het decreet van 31 januari 2002 tot vaststelling van het statuut van de leden van het gesubsidieerd technisch personeel van de gesubsidieerde vrije psycho-medisch-sociale centra
Sous-section VII. - Des modifications du décret du 31 janvier 2002 fixant le statut des membres du personnel technique subsidié des Centres psycho-médico-sociaux libres subventionnés
Art. 70. In het decreet van 31 januari 2002 tot vaststelling van het statuut van de leden van het gesubsidieerd technisch personeel van de gesubsidieerde officiële psycho-medisch-sociale centra, wordt een hoofdstuk II/1 ingevoegd, luidend als volgt : "Gerechtelijke bijstand en psychologische bijstand".
Art. 70. Dans le décret du 31 janvier 2002 fixant le statut des membres du personnel technique subsidié des Centres psycho-médico-sociaux libres subventionnés, il est inséré un chapitre II/1 intitulé comme suit : " De l'assistance en justice et de l'assistance psychologique ".
Art. 71. Hoofdstuk II/1, bij artikel 70 in hetzelfde decreet van 31 januari 2002 ingevoegd, luidt als volgt :
  "Art. 24ter. In deze afdeling wordt onder "gewelddaad" verstaan, elke kwaadwillige lichamelijke en/of psychologische aantasting, elke agressie van raciale, godsdienstige of seksistische aard tegen een personeelslid alsook elke beschadiging van de goederen van dat lid door ofwel een leerling, ofwel door een derde op aansporing van of met de medeplichtigheid van deze, ofwel door een lid van het gezin van de leerling of elke persoon die onder hetzelfde dak woont, in het kader van de dienst van het personeelslid of in rechtstreeks verband met deze, ofwel door elke andere persoon die niet tot de inrichting behoort, voor zover het slachtoffer het bewijs levert dat de gewelddaad in rechtstreeks verband met de dienst staat.
  Onder "slachtoffer" dient te worden verstaan : het bij dit decreet bedoelde personeelslid, dat erkend wordt als slachtoffer van een arbeidsongeval voortvloeiend uit de daad bepaald in het eerste lid door de dienst van de Regering bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding, ten gunste van de personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk.".
  Art. 24quater. § 1. Het slachtoffer kan de gerechtelijke bijstand bedoeld in § 2 en/of psychologische bijstand bedoeld in § 3 genieten.
  § 2. Gerechtelijke bijstand is de gehele of gedeeltelijke tenlasteneming van de erelonen en kosten van advocaten en rechtspleging.
  § 3. Psychologische bijstand is de tenlasteneming van hoogstens twaalf consultaties bij een psycholoog en/of een psychiater om onmiddellijk hulp te verlenen aan het slachtoffer van een gewelddaad.
  § 4. De gerechtelijke bijstand en de psychologische bijstand, zoals bepaald in de paragrafen 2 en 3, worden alleen verleend voor zover het slachtoffer een klacht heeft ingediend bij de gerechtelijke overheid.
  § 5. Het slachtoffer doet een beroep op de bijstandsverlener die het mag kiezen.
  In voorkomend geval, deelt de betrokken dienst bedoeld in artikel 51 terdecies hem, op zijn aanvraag en bij wijze van inlichting, een lijst van de bijstandsverleners op wie in geval van agressie een beroep kan worden gedaan, mee.
  Het slachtoffer deelt die betrokken dienst de naam van de door hem gekozen bijstandsverlener(s) mee die zijn dossier behandelt(en).
  Art. 24quinquies. § 1. Behoudens bij behoorlijk bewezen overmacht, dient het slachtoffer de aanvraag om gerechtelijke bijstand, bedoeld in artikel 51 decies, § 2, en/of psychologische bijstand, bedoeld in artikel 51 decies, § 3, in bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, binnen de maand volgend op het gebeuren van de feiten.
  Wanneer het slachtoffer zijn ambt in het leerplichtonderwijs uitoefent, wordt de aanvraag bedoeld in het eerste lid bij de algemene directie leerplichtonderwijs ingediend. Deze kijkt na of de voorwaarden van deze afdeling vervuld zijn.
  Wanneer het slachtoffer zijn ambt binnen een instelling voor hoger onderwijs buiten de universiteit uitoefent, wordt de in het eerste lid bedoelde aanvraag bij de algemene directie niet verplicht onderwijs ingediend.
  § 2. Binnen dezelfde termijn, zendt het slachtoffer eveneens bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, een afschrift van de aanvraag aan het inrichtingshoofd, voor de inrichtingen, aan de directeur, voor de psycho-medisch-sociale centra.
  § 3. De aanvraag vermeldt, voor zover dit mogelijk is, de oorzaken, de omstandigheden en de waarschijnlijke gevolgen van de gewelddaad.
  § 4. Het hoofd van de inrichting of de directeur van het centrum, naargelang van het geval, waaronder het slachtoffer ressorteert, deelt zijn advies mee aan de algemene directie leerplichtonderwijs of aan de algemene directie niet verplicht onderwijs, binnen de drie werkdagen na de ontvangst van het afschrift van de aanvraag bedoeld in § 1.
  Het deelt het slachtoffer een afschrift van zijn advies mee.
  Art. 24sexies. § 1. De beslissing tot verlening van bijstand wordt genomen, binnen vijftien werkdagen volgend op de ontvangst van de in artikel 51 undecies, § 1, bedoelde aanvraag, door de algemene directie leerplichtonderwijs of de algemene directie niet-verplicht onderwijs, naar gelang van het geval.
  § 2. Bij weigering, kan het personeelslid of, bij behoorlijk aangetoonde overmacht, zijn vertegenwoordiger, via de algemene directie leerplichtonderwijs of de directie niet verplicht onderwijs, een beroep indienen bij de functionele minister.
  Het beroep wordt bij aangetekend schrijven ingediend binnen vijftien werkdagen volgend op de kennisgeving van de weigering van de bijstandsverlening.
  Art. 24septies. § 1. Het beheer van gerechtelijke bijstand en psychologische bijstand ressorteert onder de algemene dienst Steun van de algemene directie audit, coördinatie en steun.
  § 2. In deze afdeling, onder betrokken dienst, wordt de in § 1 bedoelde dienst verstaan.
  Art. 24octies. § 1. De tenlasteneming van de erelonen en de kosten voor advocaten, de rechtspleging en de psychologische en/of psychiatrische raadpleging kan, voor elk schadegeval, niet hoger zijn dan 3.718,40 euro.
  § 2. Bij wijze van uitzonderlijke maatregel, op behoorlijk met redenen omklede aanvraag, kan de tenlasteneming niet hoger zijn dan het in paragraaf 1 vastgestelde maximumbedrag. Het slachtoffer, of, bij behoorlijk aangetoonde overmacht, zijn vertegenwoordiger, dient deze behoorlijk met redenen omklede aanvraag bij de betrokken dienst in.
  § 3. De kosten die geheel of gedeeltelijk worden terugbetaald of ten laste genomen ofwel krachtens een andere wettelijke of verordeningsbepaling, ofwel krachtens een verzekeringsovereenkomst die door het slachtoffer of door elke derde wordt aangegaan, geven geen recht op een tegemoetkoming.
  § 4. Het slachtoffer deelt de betrokken dienst de stukken ter verantwoording van de uitgaven mee. Daartoe worden inzonderheid de dagvaardingen en in het algemeen alle gerechtelijke akten binnen 10 werkdagen na hun uitreiking of betekening meegedeeld.
  § 5. De betrokken dienst beoordeelt de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde kosten- en ereloonstaten. Deze dienst kan zijn tegemoetkoming weigeren of onderbreken, wanneer hij van oordeel is dat :
  1° de stelling van het slachtoffer niet geloofwaardig is;
  2° het transactievoorstel van de derde billijk en serieus is;
  3° een beroep tegen een rechterlijke beslissing niet veel kans op succes maakt.
  De kosten en erelonen waarvoor de betrokken dienst bij toepassing van het vorige lid zijn tegemoetkoming heeft geweigerd of onderbroken, worden echter overeenkomstig deze titel ten laste genomen, wanneer het slachtoffer gelijk krijgt bij een definitieve beslissing waarvoor geen beroep voor een gewoon of buitengewoon gerecht kan worden aangetekend.
  Tegen de beslissing van de betrokken dienst zijn tegemoetkoming te weigeren of te onderbreken kan beroep worden aangetekend bij de minister bevoegd voor de ambtenarenzaken binnen een termijn van 20 werkdagen, te rekenen vanaf de ontvangst van die beslissing.
  Art. 24nonies. De kredieten die noodzakelijk zijn voor het dekken van de uitgaven die door de gerechtelijke bijstand en de psychologische bijstand worden voortgebracht, worden opgenomen in de begroting van de Franse Gemeenschap in het kader van de kredieten die aan de betrokken dienst worden toegekend.".
Art. 71. Le chapitre II/1 inséré par l'article 70 dans le même décret du 31 janvier 2002 est rédigé comme suit :
  " Art. 24ter. Dans la présente section, il faut entendre par " acte de violence ", toute atteinte physique et/ou psychologique commise avec une intention malveillante, toute agression à caractère racial, religieux ou sexiste contre un membre du personnel ainsi que toute détérioration aux biens de celui-ci commise soit par un élève, soit par un tiers sur instigation ou avec la complicité de celui-ci, soit par un membre de la famille de l'élève ou toute personne habitant sous le même toit, dans le cadre du service du membre du personnel ou en relation directe avec celui-ci, soit par tout autre personne n'appartenant pas au personnel de l'établissement, pour autant qu'il soit démontré par la victime que l'acte de violence est en relation directe avec le service.
  Il faut entendre par " victime " : le membre du personnel visé par le présent décret qui est reconnu victime d'un accident de travail résultant de l'acte défini à l'alinéa 1er par le service du Gouvernement visé à l'article 6 de l'arrêté royal du 24 janvier 1969 relatif à la réparation, en faveur des membres du personnel du secteur public, des dommages résultant des accidents du travail et des accidents survenus sur le chemin du travail. ".
  Art. 24quater. § 1er. La victime peut bénéficier d'une assistance en justice visée au paragraphe 2 et/ou de l'assistance psychologique visée au paragraphe 3.
  § 2. L'assistance en justice consiste en la prise en charge totale ou partielle des honoraires et des frais d'avocat et de procédure.
  § 3. L'assistance psychologique consiste en la prise en charge de maximum douze séances de consultation auprès d'un psychologue et/ou d'un psychiatre dans le but de fournir une aide immédiate à la victime d'un acte de violence.
  § 4. L'assistance en justice et l'assistance psychologique telles que définies aux paragraphes 2 et 3 ne sont octroyées que pour autant que la victime ait déposé plainte auprès des autorités judiciaires.
  § 5. La victime recourt au prestataire de l'assistance de son choix.
  Le cas échéant, le Service concerné visé à l'article 51terdecies lui communique, à sa demande et à titre indicatif, une liste de prestataires à contacter en cas d'agression.
  La victime communique à ce Service concerné le nom du/des prestataire(s) de son choix qui prend/prennent en charge son dossier.
  Art. 24quinquies. § 1er. Sauf cas de force majeure dûment justifiée, la victime introduit la demande d'assistance en justice visée à l'article 51decies, § 2, et/ou psychologique visée à l'article 51decies, § 3, par lettre recommandée avec accusé de réception, dans le mois qui suit la survenance des faits.
  Lorsque la victime exerce ses fonctions dans l'Enseignement obligatoire, la demande visée à l'alinéa 1er est introduite auprès de la Direction générale de l'Enseignement obligatoire. Celle-ci vérifie si les conditions de la présente section sont remplies.
  Lorsque la victime exerce sa fonction au sein d'un établissement d'enseignement supérieur non universitaire, la demande visée à l'alinéa 1er est introduite auprès de la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire.
  § 2. Dans le même délai, la victime envoie également par lettre recommandée avec accusé de réception, copie de la demande au chef d'établissement pour les établissements, au directeur du centre pour les Centres-psycho-médico-sociaux.
  § 3. La demande indique, dans la mesure du possible, les causes, les circonstances et les conséquences probables de l'acte de violence.
  § 4. Le chef d'établissement ou le directeur du centre, selon le cas, dont relève la victime, fait parvenir son avis à la Direction générale de l'Enseignement obligatoire ou à la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire, dans les trois jours ouvrables de la réception de la copie de la demande visée au § 1er.
  Il remet à la victime une copie de son avis.
  Art. 24sexies. § 1er. La décision d'octroi d'assistance est prise dans les 15 jours ouvrables qui suivent la réception de la demande visée à l'article 51undecies, § 1er, par la Direction générale de l'Enseignement obligatoire ou la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire selon le cas.
  § 2. En cas de refus, le membre du personnel ou, en cas de force majeure dûment justifié, son représentant, peut introduire, via la Direction générale de l'Enseignement obligatoire ou la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire, un recours auprès du Ministre fonctionnel.
  Le recours est introduit par lettre recommandée dans les quinze jours ouvrables qui suivent la notification du refus d'octroi d'assistance.
  Art. 24septies. § 1er. La gestion de l'assistance en justice et psychologique relève du Service général d'Appui de la Direction générale de l'Audit, de la Coordination et de l'Appui.
  § 2. Dans la présente section, par Service concerné, il faut entendre le Service visé au § 1er.
  Article 24octies. § 1er. La prise en charge des honoraires et des frais d'avocat, de procédure et de consultation psychologique et/ou psychiatrique ne peut pas excéder, par sinistre, 3.718,40 euros.
  § 2. A titre exceptionnel, sur demande dûment motivée, la prise en charge peut excéder le seuil prévu au paragraphe 1er. La victime ou, en cas de force majeure dûment justifié, son représentant, introduit cette demande dûment motivée auprès du Service concerné.
  § 3. Les frais remboursés ou pris en charge, totalement ou partiellement, soit en vertu d'une autre disposition légale ou réglementaire, soit en vertu d'un contrat d'assurance souscrit par la victime ou par tout tiers, ne donnent pas lieu à une intervention.
  § 4. La victime communique au Service concerné les pièces justifiant les dépenses. A cet effet, sont communiqués, notamment, les citations, assignations et généralement tous les actes judiciaires dans les dix jours ouvrables de leur remise ou signification.
  § 5. Le Service concerné apprécie les états de frais et d'honoraires visés aux paragraphes 1er et 2. Ce Service peut refuser ou interrompre son intervention lorsqu'il juge :
  1° que la thèse de la victime n'est pas défendable;
  2° que la proposition transactionnelle faite par le tiers est équitable et sérieuse;
  3° qu'un recours contre une décision judiciaire intervenue ne présente pas de chance sérieuse de succès.
  Toutefois, les frais ou honoraires pour lesquels le Service concerné a refusé ou interrompu son intervention en application de l'alinéa précédent sont pris en charge conformément au présent titre lorsque la victime obtient gain de cause par une décision définitive non susceptible de recours ordinaire ou extraordinaire.
  La décision du Service concerné de refuser ou d'interrompre son intervention est susceptible de recours auprès du Ministre ayant la Fonction publique dans ses attributions dans un délai de vingt jours ouvrables à dater de la réception de ladite décision.
  Art. 24nonies. Les crédits nécessaires à couvrir les dépenses générées par les assistances en justice et psychologiques sont inscrits au budget de la Communauté française dans le cadre des crédits octroyés au service concerné. ".
Onderafdeling VIII. - Wijziging van het decreet van 12 mei 2004 tot bepaling van het statuut van de leden van het administratief personeel, het meester-, vak- en dienstpersoneel van de onderwijsinrichtingen ingericht door de Franse Gemeenschap
Sous-section VIII. - Des modifications au décret du 12 mai 2004 fixant le statut des membres du personnel administratif, du personnel de maîtrise, gens de métier et de service des établissements d'enseignement organisé par la Communauté
Art. 72. In het derde lid van artikel 89 van het decreet van 12 mei 2004 tot bepaling van het statuut van de leden van het administratief personeel, het meester-, vak- en dienstpersoneel van de onderwijsinrichtingen ingericht door de Franse Gemeenschap, wordt het woord "95" vervangen door het woord "95 octies".
Art. 72. A l'alinéa 3 de l'article 89 du décret du 12 mai 2004 fixant le statut des membres du personnel administratif, du personnel de maîtrise, gens de métier et de service des établissements d'enseignement organisé par la Communauté, le mot " 95 " est remplacé par le mot : " 95octies ".
Art. 73. In hetzelde decreet van 12 mei 2004, wordt in hoofdstuk VI van titel II een afdeling 7 ingevoegd, luidend als volgt : "Gerechtelijke bijstand en psychologische bijstand".
Art. 73. Dans le même décret du 12 mai 2004, il est inséré dans le chapitre VI du titre II, une section 7 intitulée comme suit : " De l'assistance en justice et de l'assistance psychologique ".
Art. 74. Afdeling 7, bij artikel 73 ingevoegd in hoofdstuk VI van titel II van hetzelfde decreet van 12 mei 2004, luidt als volgt :
  "Art. 95bis. In deze afdeling wordt onder "slachtoffer" verstaan, het "personeelslid dat het slachtoffer is van een gewelddaad" zoals bepaald in artikel 89, tweede lid.
  Art. 95ter. § 1. Het slachtoffer kan de gerechtelijke bijstand bedoeld in § 2 en/of psychologische bijstand bedoeld in § 3 genieten.
  § 2. Gerechtelijke bijstand is de gehele of gedeeltelijke tenlasteneming van de erelonen en kosten van advocaten en rechtspleging.
  § 3. Psychologische bijstand is de tenlasteneming van hoogstens twaalf consultaties bij een psycholoog en/of een psychiater om onmiddellijk hulp te verlenen aan het slachtoffer van een gewelddaad.
  § 4. Het slachtoffer doet een beroep op de bijstandsverlener die het mag kiezen.
  In voorkomend geval, deelt de betrokken dienst bedoeld in artikel 51 terdecies hem, op zijn aanvraag en bij wijze van inlichting, een lijst van de bijstandsverleners op wie in geval van agressie een beroep kan worden gedaan, mee.
  Het slachtoffer deelt die betrokken dienst de naam van de door hem gekozen bijstandsverlener(s) mee die zijn dossier behandelt(en).
  Art. 95quater. § 1. Behoudens bij behoorlijk bewezen overmacht, dient het slachtoffer de aanvraag om gerechtelijke bijstand, bedoeld in artikel 51 decies, § 2, en/of psychologische bijstand, bedoeld in artikel 51 decies, § 3, in bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, binnen de maand volgend op het gebeuren van de feiten.
  Wanneer het slachtoffer zijn ambt in het leerplichtonderwijs uitoefent, wordt de aanvraag bedoeld in het eerste lid bij de algemene directie leerplichtonderwijs ingediend. Deze kijkt na of de voorwaarden van deze afdeling vervuld zijn.
  Wanneer het slachtoffer zijn ambt binnen een instelling voor hoger onderwijs buiten de universiteit uitoefent, wordt de in het eerste lid bedoelde aanvraag bij de algemene directie niet verplicht onderwijs ingediend.
  § 2. Binnen dezelfde termijn, zendt het slachtoffer eveneens bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, een afschrift van de aanvraag aan het inrichtingshoofd, voor de inrichtingen, aan de directeur, voor de psycho-medisch-sociale centra.
  § 3. De aanvraag vermeldt, voor zover dit mogelijk is, de oorzaken, de omstandigheden en de waarschijnlijke gevolgen van de gewelddaad.
  § 4. Het hoofd van de inrichting of de directeur van het centrum, naargelang van het geval, waaronder het slachtoffer ressorteert, deelt zijn advies mee aan de algemene directie leerplichtonderwijs of aan de algemene directie niet verplicht onderwijs, binnen de drie werkdagen na de ontvangst van het afschrift van de aanvraag bedoeld in § 1.
  Het deelt het slachtoffer een afschrift van zijn advies mee.
  Art. 95quinquies. § 1. De beslissing tot verlening van bijstand wordt genomen, binnen vijftien werkdagen volgend op de ontvangst van de in artikel 51 undecies, § 1, bedoelde aanvraag, door de algemene directie leerplichtonderwijs of de algemene directie niet-verplicht onderwijs, naar gelang van het geval.
  § 2. Bij weigering, kan het personeelslid of, bij behoorlijk aangetoonde overmacht, zijn vertegenwoordiger, via de algemene directie leerplichtonderwijs of de directie niet verplicht onderwijs, een beroep indienen bij de functionele minister.
  Het beroep wordt bij aangetekend schrijven ingediend binnen vijftien werkdagen volgend op de kennisgeving van de weigering van de bijstandsverlening.
  Art. 95sexies. § 1. Het beheer van gerechtelijke bijstand en psychologische bijstand ressorteert onder de algemene dienst Steun van de algemene directie audit, coördinatie en steun.
  § 2. In deze afdeling, onder betrokken dienst, wordt de in § 1 bedoelde dienst verstaan.
  Art. 95septies. § 1. De tenlasteneming van de erelonen en de kosten voor advocaten, de rechtspleging en de psychologische en/of psychiatrische raadpleging kan, voor elk schadegeval, niet hoger zijn dan 3.718,40 euro.
  § 2. Bij wijze van uitzonderlijke maatregel, op behoorlijk met redenen omklede aanvraag, kan de tenlasteneming niet hoger zijn dan het in paragraaf 1 vastgestelde maximumbedrag. Het slachtoffer, of, bij behoorlijk aangetoonde overmacht, zijn vertegenwoordiger, dient deze behoorlijk met redenen omklede aanvraag bij de betrokken dienst in.
  § 3. De kosten die geheel of gedeeltelijk worden terugbetaald of ten laste genomen ofwel krachtens een andere wettelijke of verordeningsbepaling, ofwel krachtens een verzekeringsovereenkomst die door het slachtoffer of door elke derde wordt aangegaan, geven geen recht op een tegemoetkoming.
  § 4. Het slachtoffer deelt de betrokken dienst de stukken ter verantwoording van de uitgaven mee. Daartoe worden inzonderheid de dagvaardingen en in het algemeen alle gerechtelijke akten binnen 10 werkdagen na hun uitreiking of betekening meegedeeld.
  § 5. De betrokken dienst beoordeelt de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde kosten- en ereloonstaten. Deze dienst kan zijn tegemoetkoming weigeren of onderbreken, wanneer hij van oordeel is dat :
  1° de stelling van het slachtoffer niet geloofwaardig is;
  2° het transactievoorstel van de derde billijk en serieus is;
  3° een beroep tegen een rechterlijke beslissing niet veel kans op succes maakt.
  De kosten en erelonen waarvoor de betrokken dienst bij toepassing van het vorige lid zijn tegemoetkoming heeft geweigerd of onderbroken, worden echter overeenkomstig deze titel ten laste genomen, wanneer het slachtoffer gelijk krijgt bij een definitieve beslissing waarvoor geen beroep voor een gewoon of buitengewoon gerecht kan worden aangetekend.
  Tegen de beslissing van de betrokken dienst zijn tegemoetkoming te weigeren of te onderbreken kan beroep worden aangetekend bij de minister bevoegd voor de ambtenarenzaken binnen een termijn van 20 werkdagen, te rekenen vanaf de ontvangst van die beslissing.
  Art. 95octies. De kredieten die noodzakelijk zijn voor het dekken van de uitgaven die door de gerechtelijke bijstand en de psychologische bijstand worden voortgebracht, worden opgenomen in de begroting van de Franse Gemeenschap in het kader van de kredieten die aan de betrokken dienst worden toegekend.".
Art. 74. La section 7, insérée par l'article 73 dans le chapitre VI du titre II du même décret du 12 mai 2004, est rédigée comme suit :
  " Art. 95bis. Dans la présente section, on entend par " victime " membre du personnel administratif victime d'un acte de violence tel que défini à l'article 89, alinéa 2.
  Art. 95ter. § 1er. La victime peut bénéficier d'une assistance en justice visée au paragraphe 2 et/ou de l'assistance psychologique visée au paragraphe 3.
  § 2. L'assistance en justice consiste en la prise en charge totale ou partielle des honoraires et des frais d'avocat et de procédure.
  § 3. L'assistance psychologique consiste en la prise en charge de maximum douze séances de consultation auprès d'un psychologue et/ou d'un psychiatre dans le but de fournir une aide immédiate à la victime d'un acte de violence.
  § 4. La victime recourt au prestataire de l'assistance de son choix.
  Le cas échéant, le Service concerné visé à l'article 51terdecies lui communique, à sa demande et à titre indicatif, une liste de prestataires à contacter en cas d'agression.
  La victime communique à ce Service concerné le nom du/des prestataire(s) de son choix qui prend/prennent en charge son dossier.
  Art. 95quater. § 1er. Sauf cas de force majeure dûment justifiée, la victime introduit la demande d'assistance en justice visée à l'article 51decies, § 2, et/ou psychologique visée à l'article 51decies, § 3, par lettre recommandée avec accusé de réception, dans le mois qui suit la survenance des faits.
  Lorsque la victime exerce ses fonctions dans l'Enseignement obligatoire, la demande visée à l'alinéa 1er est introduite auprès de la Direction générale de l'Enseignement obligatoire. Celle-ci vérifie si les conditions de la présente section sont remplies.
  Lorsque la victime exerce sa fonction au sein d'un établissement d'enseignement supérieur non universitaire, la demande visée à l'alinéa 1er est introduite auprès de la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire.
  § 2. Dans le même délai, la victime envoie également par lettre recommandée avec accusé de réception, copie de la demande au chef d'établissement pour les établissements, au directeur du centre pour les Centres-psycho-médico-sociaux.
  § 3. La demande indique, dans la mesure du possible, les causes, les circonstances et les conséquences probables de l'acte de violence.
  § 4. Le chef d'établissement ou le directeur du centre, selon le cas, dont relève la victime, fait parvenir son avis à la Direction générale de l'Enseignement obligatoire ou à la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire, dans les trois jours ouvrables de la réception de la copie de la demande visée au § 1er.
  Il remet à la victime une copie de son avis.
  Art. 95quinquies. § 1er. La décision d'octroi d'assistance est prise dans les 15 jours ouvrables qui suivent la réception de la demande visée à l'article 51undecies, § 1er, par la Direction générale de l'Enseignement obligatoire ou la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire selon le cas.
  § 2. En cas de refus, le membre du personnel ou, en cas de force majeure dûment justifié, son représentant, peut introduire, via la Direction générale de l'Enseignement obligatoire ou la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire, un recours auprès du Ministre fonctionnel.
  Le recours est introduit par lettre recommandée dans les quinze jours ouvrables qui suivent la notification du refus d'octroi d'assistance.
  Art. 95sexies. § 1er. La gestion de l'assistance en justice et psychologique relève du Service général d'Appui de la Direction générale de l'Audit, de la Coordination et de l'Appui.
  § 2. Dans la présente section, par Service concerné, il faut entendre le Service visé au paragraphe 1er.
  Art. 95septies. § 1er. La prise en charge des honoraires et des frais d'avocat, de procédure et de consultation psychologique et/ou psychiatrique ne peut pas excéder, par sinistre, 3.718,40 euros.
  § 2. A titre exceptionnel, sur demande dûment motivée, la prise en charge peut excéder le seuil prévu au paragraphe 1er. La victime ou, en cas de force majeure dûment justifié, son représentant, introduit cette demande dûment motivée auprès du Service concerné.
  § 3. Les frais remboursés ou pris en charge, totalement ou partiellement, soit en vertu d'une autre disposition légale ou réglementaire, soit en vertu d'un contrat d'assurance souscrit par la victime ou par tout tiers, ne donnent pas lieu à une intervention.
  § 4. La victime communique au Service concerné les pièces justifiant les dépenses. A cet effet, sont communiqués, notamment, les citations, assignations et généralement tous les actes judiciaires dans les dix jours ouvrables de leur remise ou signification.
  § 5. Le Service concerné apprécie les états de frais et d'honoraires visés aux paragraphes 1er et 2. Ce Service peut refuser ou interrompre son intervention lorsqu'il juge :
  1° que la thèse de la victime n'est pas défendable;
  2° que la proposition transactionnelle faite par le tiers est équitable et sérieuse;
  3° qu'un recours contre une décision judiciaire intervenue ne présente pas de chance sérieuse de succès.
  Toutefois, les frais ou honoraires pour lesquels le Service concerné a refusé ou interrompu son intervention en application de l'alinéa précédent sont pris en charge conformément au présent titre lorsque la victime obtient gain de cause par une décision définitive non susceptible de recours ordinaire ou extraordinaire.
  La décision du Service concerné de refuser ou d'interrompre son intervention est susceptible de recours auprès du Ministre ayant la Fonction publique dans ses attributions dans un délai de vingt jours ouvrables à dater de la réception de ladite décision.
  Art. 95octies. Les crédits nécessaires à couvrir les dépenses générées par les assistances en justice et psychologiques sont inscrits au budget de la Communauté française dans le cadre des crédits octroyés au service concerné. ".
Art. 75. In het derde lid van artikel 236 van het decreet van 12 mei 2004 tot bepaling van het statuut van de leden van het administratief personeel, het meester-, vak- en dienstpersoneel van de onderwijsinrichtingen ingericht door de Franse Gemeenschap, wordt het woord "239" vervangen door het woord "239octies".
Art. 75. A l'alinéa 3 de l'article 236 du décret du 12 mai 2004 fixant le statut des membres du personnel administratif, du personnel de maîtrise, gens de métier et de service des établissements d'enseignement organisé par la Communauté, le mot " 239 " est remplacé par le mot : " 239octies ".
Art. 76. In hetzelde decreet van 12 mei 2004, wordt in hoofdstuk VI van titel III een afdeling 4 ingevoegd, luidend als volgt : "Gerechtelijke bijstand en psychologische bijstand".
Art. 76. Dans le même décret du 12 mai 2004, il est inséré dans le chapitre VI du titre III, une section 4 intitulée comme suit : " De l'assistance en justice et de l'assistance psychologique ".
Art. 77. Afdeling 4, in hoofdstuk VI van titel III van hetzelfde decreet van 12 mei 2004 ingevoegd, luidt als volgt :
  "Art. 239/1. In deze afdeling wordt onder "slachtoffer" verstaan, het "personeelslid dat het slachtoffer is van een gewelddaad" zoals bepaald in artikel 236, tweede lid.
  Art. 239/2. § 1. Het slachtoffer kan de gerechtelijke bijstand bedoeld in § 2 en/of psychologische bijstand bedoeld in § 3 genieten.
  § 2. Gerechtelijke bijstand is de gehele of gedeeltelijke tenlasteneming van de erelonen en kosten van advocaten en rechtspleging.
  § 3. Psychologische bijstand is de tenlasteneming van hoogstens twaalf consultaties bij een psycholoog en/of een psychiater om onmiddellijk hulp te verlenen aan het slachtoffer van een gewelddaad.
  § 4. Het slachtoffer doet een beroep op de bijstandsverlener die het mag kiezen.
  In voorkomend geval, deelt de betrokken dienst bedoeld in artikel 51 terdecies hem, op zijn aanvraag en bij wijze van inlichting, een lijst van de bijstandsverleners op wie in geval van agressie een beroep kan worden gedaan, mee.
  Het slachtoffer deelt die betrokken dienst de naam van de door hem gekozen bijstandsverlener(s) mee die zijn dossier behandelt(en).
  Art. 239/3. § 1. Behoudens bij behoorlijk bewezen overmacht, dient het slachtoffer de aanvraag om gerechtelijke bijstand, bedoeld in artikel 51 decies, § 2, en/of psychologische bijstand, bedoeld in artikel 51 decies, § 3, in bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, binnen de maand volgend op het gebeuren van de feiten.
  Wanneer het slachtoffer zijn ambt in het leerplichtonderwijs uitoefent, wordt de aanvraag bedoeld in het eerste lid bij de algemene directie leerplichtonderwijs ingediend. Deze kijkt na of de voorwaarden van deze afdeling vervuld zijn.
  Wanneer het slachtoffer zijn ambt binnen een instelling voor hoger onderwijs buiten de universiteit uitoefent, wordt de in het eerste lid bedoelde aanvraag bij de algemene directie niet verplicht onderwijs ingediend.
  § 2. Binnen dezelfde termijn, zendt het slachtoffer eveneens bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, een afschrift van de aanvraag aan het inrichtingshoofd, voor de inrichtingen, aan de directeur, voor de psycho-medisch-sociale centra.
  § 3. De aanvraag vermeldt, voor zover dit mogelijk is, de oorzaken, de omstandigheden en de waarschijnlijke gevolgen van de gewelddaad.
  § 4. Het hoofd van de inrichting of de directeur van het centrum, naargelang van het geval, waaronder het slachtoffer ressorteert, deelt zijn advies mee aan de algemene directie leerplichtonderwijs of aan de algemene directie niet verplicht onderwijs, binnen de drie werkdagen na de ontvangst van het afschrift van de aanvraag bedoeld in § 1.
  Het deelt het slachtoffer een afschrift van zijn advies mee.
  Art. 239/4. § 1. De beslissing tot verlening van bijstand wordt genomen, binnen vijftien werkdagen volgend op de ontvangst van de in artikel 51 undecies, § 1, bedoelde aanvraag, door de algemene directie leerplichtonderwijs of de algemene directie niet-verplicht onderwijs, naar gelang van het geval.
  § 2. Bij weigering, kan het personeelslid of, bij behoorlijk aangetoonde overmacht, zijn vertegenwoordiger, via de algemene directie leerplichtonderwijs of de directie niet verplicht onderwijs, een beroep indienen bij de functionele minister.
  Het beroep wordt bij aangetekend schrijven ingediend binnen vijftien werkdagen volgend op de kennisgeving van de weigering van de bijstandsverlening.
  Art. 239/5. § 1. Het beheer van gerechtelijke bijstand en psychologische bijstand ressorteert onder de algemene dienst Steun van de algemene directie audit, coördinatie en steun.
  § 2. In deze afdeling, onder betrokken dienst, wordt de in § 1 bedoelde dienst verstaan.
  Art. 239/6. § 1. De tenlasteneming van de erelonen en de kosten voor advocaten, de rechtspleging en de psychologische en/of psychiatrische raadpleging kan, voor elk schadegeval, niet hoger zijn dan 3.718,40 euro.
  § 2. Bij wijze van uitzonderlijke maatregel, op behoorlijk met redenen omklede aanvraag, kan de tenlasteneming niet hoger zijn dan het in paragraaf 1 vastgestelde maximumbedrag. Het slachtoffer, of, bij behoorlijk aangetoonde overmacht, zijn vertegenwoordiger, dient deze behoorlijk met redenen omklede aanvraag bij de betrokken dienst in.
  § 3. De kosten die geheel of gedeeltelijk worden terugbetaald of ten laste genomen ofwel krachtens een andere wettelijke of verordeningsbepaling, ofwel krachtens een verzekeringsovereenkomst die door het slachtoffer of door elke derde wordt aangegaan, geven geen recht op een tegemoetkoming.
  § 4. Het slachtoffer deelt de betrokken dienst de stukken ter verantwoording van de uitgaven mee. Daartoe worden inzonderheid de dagvaardingen en in het algemeen alle gerechtelijke akten binnen 10 werkdagen na hun uitreiking of betekening meegedeeld.
  § 5. De betrokken dienst beoordeelt de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde kosten- en ereloonstaten. Deze dienst kan zijn tegemoetkoming weigeren of onderbreken, wanneer hij van oordeel is dat :
  1° de stelling van het slachtoffer niet geloofwaardig is;
  2° het transactievoorstel van de derde billijk en serieus is;
  3° een beroep tegen een rechterlijke beslissing niet veel kans op succes maakt.
  De kosten en erelonen waarvoor de betrokken dienst bij toepassing van het vorige lid zijn tegemoetkoming heeft geweigerd of onderbroken, worden echter overeenkomstig deze titel ten laste genomen, wanneer het slachtoffer gelijk krijgt bij een definitieve beslissing waarvoor geen beroep voor een gewoon of buitengewoon gerecht kan worden aangetekend.
  Tegen de beslissing van de betrokken dienst zijn tegemoetkoming te weigeren of te onderbreken kan beroep worden aangetekend bij de minister bevoegd voor de ambtenarenzaken binnen een termijn van 20 werkdagen, te rekenen vanaf de ontvangst van die beslissing.
  Art. 239/7. De kredieten die noodzakelijk zijn voor het dekken van de uitgaven die door de gerechtelijke bijstand en de psychologische bijstand worden voortgebracht, worden opgenomen in de begroting van de Franse Gemeenschap in het kader van de kredieten die aan de betrokken dienst worden toegekend.".
Art. 77. La section 4 insérée dans le chapitre VI du titre III du même décret du 12 mai 2004, est rédigée comme suit :
  " Art. 239/1. Dans la présente section, on entend par " victime " : le " membre du personnel ouvrier victime d'un acte de violence " tel que défini à l'article 236, alinéa 2.
  Art. 239/2. § 1er. La victime peut bénéficier d'une assistance en justice visée au § 2 et/ou de l'assistance psychologique visée au § 3.
  § 2. L'assistance en justice consiste en la prise en charge totale ou partielle des honoraires et des frais d'avocat et de procédure.
  § 3. L'assistance psychologique consiste en la prise en charge de maximum douze séances de consultation auprès d'un psychologue et/ou d'un psychiatre dans le but de fournir une aide immédiate à la victime d'un acte de violence.
  § 4. La victime recourt au prestataire de l'assistance de son choix.
  Le cas échéant, le Service concerné visé à l'article 51terdecies lui communique, à sa demande et à titre indicatif, une liste de prestataires à contacter en cas d'agression.
  La victime communique à ce Service concerné le nom du/des prestataire(s) de son choix qui prend/prennent en charge son dossier.
  Art. 239/3 § 1er. Sauf cas de force majeure dûment justifiée, la victime introduit la demande d'assistance en justice visée à l'article 51decies, § 2, et/ou psychologique visée à l'article 51decies, § 3, par lettre recommandée avec accusé de réception, dans le mois qui suit la survenance des faits.
  Lorsque la victime exerce ses fonctions dans l'Enseignement obligatoire, la demande visée à l'alinéa 1er est introduite auprès de la Direction générale de l'Enseignement obligatoire. Celle-ci vérifie si les conditions de la présente section sont remplies.
  Lorsque la victime exerce sa fonction au sein d'un établissement d'enseignement supérieur non universitaire, la demande visée à l'alinéa 1er est introduite auprès de la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire.
  § 2. Dans le même délai, la victime envoie également par lettre recommandée avec accusé de réception, copie de la demande au chef d'établissement pour les établissements, au directeur du centre pour les Centres-psycho-médico-sociaux.
  § 3. La demande indique, dans la mesure du possible, les causes, les circonstances et les conséquences probables de l'acte de violence.
  § 4. Le chef d'établissement ou le directeur du centre, selon le cas, dont relève la victime, fait parvenir son avis à la Direction générale de l'Enseignement obligatoire ou à la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire, dans les trois jours ouvrables de la réception de la copie de la demande visée au paragraphe 1er.
  Il remet à la victime une copie de son avis.
  Art. 239/4. § 1er. La décision d'octroi d'assistance est prise dans les 15 jours ouvrables qui suivent la réception de la demande visée à l'article 51undecies, § 1er, par la Direction générale de l'Enseignement obligatoire ou la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire selon le cas.
  § 2. En cas de refus, le membre du personnel ou, en cas de force majeure dûment justifié, son représentant, peut introduire, via la Direction générale de l'Enseignement obligatoire ou la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire, un recours auprès du Ministre fonctionnel.
  Le recours est introduit par lettre recommandée dans les quinze jours ouvrables qui suivent la notification du refus d'octroi d'assistance.
  Art. 239/5. § 1er. La gestion de l'assistance en justice et psychologique relève du Service général d'Appui de la Direction générale de l'Audit, de la Coordination et de l'Appui.
  § 2. Dans la présente section, par Service concerné, il faut entendre le Service visé au paragraphe 1er.
  Art. 239/6. § 1er. La prise en charge des honoraires et des frais d'avocat, de procédure et de consultation psychologique et/ou psychiatrique ne peut pas excéder, par sinistre, 3.718,40 euros.
  § 2. A titre exceptionnel, sur demande dûment motivée, la prise en charge peut excéder le seuil prévu au paragraphe 1er. La victime ou, en cas de force majeure dûment justifié, son représentant, introduit cette demande dûment motivée auprès du Service concerné.
  § 3. Les frais remboursés ou pris en charge, totalement ou partiellement, soit en vertu d'une autre disposition légale ou réglementaire, soit en vertu d'un contrat d'assurance souscrit par la victime ou par tout tiers, ne donnent pas lieu à une intervention.
  § 4. La victime communique au Service concerné les pièces justifiant les dépenses. A cet effet, sont communiqués, notamment, les citations, assignations et généralement tous les actes judiciaires dans les dix jours ouvrables de leur remise ou signification.
  § 5. Le Service concerné apprécie les états de frais et d'honoraires visés aux paragraphes 1er et 2. Ce Service peut refuser ou interrompre son intervention lorsqu'il juge :
  1° que la thèse de la victime n'est pas défendable;
  2° que la proposition transactionnelle faite par le tiers est équitable et sérieuse;
  3° qu'un recours contre une décision judiciaire intervenue ne présente pas de chance sérieuse de succès.
  Toutefois, les frais ou honoraires pour lesquels le Service concerné a refusé ou interrompu son intervention en application de l'alinéa précédent sont pris en charge conformément au présent titre lorsque la victime obtient gain de cause par une décision définitive non susceptible de recours ordinaire ou extraordinaire.
  La décision du Service concerné de refuser ou d'interrompre son intervention est susceptible de recours auprès du Ministre ayant la Fonction publique dans ses attributions dans un délai de vingt jours ouvrables à dater de la réception de ladite décision.
  Art. 239/7. Les crédits nécessaires à couvrir les dépenses générées par les assistances en justice et psychologiques sont inscrits au budget de la Communauté française dans le cadre des crédits octroyés au service concerné. ".
Afdeling I. - Wijziging van andere decreten
Section Ire. - Des modifications à d'autres décrets
Art. 78. Artikel 28 van het decreet van 30 juni 1998 dat erop gericht is alle leerlingen gelijke kansen op sociale emancipatie te geven, inzonderheid door de invoering van maatregelen voor positieve discriminatie, wordt vervangen door en tekst, luidend als volgt :
  "De Regering stelt de nadere regels vast volgens welke iedere persoon die zijn ambt geheel of gedeeltelijk uitoefent of wordt belast met een opdracht in een instelling voor hoger onderwijs buiten de universiteit, een dringende gerechtelijke bijstand kosteloos geniet voor een agressie die hij in het kader van zijn dienst of in rechtstreeks verband met deze dienst heeft geleden.
  De Regering stelt de nadere regels vast volgens welke die personeelsleden een dringende psychologische bijstand kosteloos genieten voor een agressie die zij in het kader van hun dienst of in rechtstreeks verband met deze dienst hebben geleden.
  De bij de vorige leden bedoelde personeelsleden zijn deze die bedoeld zijn bij :
  - het decreet van 24 juli 1997 dat het statuut bepaalt van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de hogescholen ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap;
  - het decreet van 20 december 2001 tot vaststelling van de regels die specifiek zijn voor het hoger kunstonderwijs georganiseerd in de hogere kunstscholen (organisatie, financiering, omkadering, statuut van het personeel, rechten en plichten van studenten);
  - het decreet van 12 mei 2004 tot bepaling van het statuut van de leden van het administratief personeel, het meester-, vak- en dienstpersoneel van de onderwijsinrichtingen ingericht door de Franse Gemeenschap;
  het decreet van 20 juni 2008 betreffende de administratieve personeelsleden van de door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde Hogescholen.".
Art. 78. L'article 28 du décret du 30 juin 1998 visant à assurer à tous les élèves des chances égales d'émancipation sociale, notamment par la mise en oeuvre de discriminations positives est remplacé par un texte rédigé comme suit :
  " Le Gouvernement arrête les modalités selon lesquelles toute personne exerçant sa fonction en tout ou en partie ou chargée d'une mission dans un établissement d'enseignement supérieur non universitaire bénéficie gratuitement d'une assistance en justice pour toute agression subie dans le cadre de son service ou en relation directe avec ce service.
  Le Gouvernement arrête les modalités selon lesquelles ces membres du personnel bénéficient gratuitement d'une assistance psychologique d'urgence pour toute agression subie dans le cadre de son service ou en relation directe avec ce service.
  Les membres du personnel concernés aux alinéas précédents sont ceux que visent :
  o le décret du 24 juillet 1997 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant et du personnel auxiliaire d'éducation des Hautes Ecoles organisées ou subventionnées par la Communauté française;
  o le décret du 20 décembre 2001 fixant les règles spécifiques à l'enseignement supérieur artistique organisé en Ecoles supérieures des Arts (organisation, financement, encadrement, statuts des personnels, droits et devoirs des étudiants);
  o le décret du 12 mai 2004 fixant le statut des membres du personnel administratif, du personnel de maitrise, gens de métier et de service des établissements d'enseignement organisés par la Communauté française;
  o le décret du 20 juin 2008 relatif aux membres du personnel administratif des Hautes Ecoles organisées ou subventionnées par la Communauté française. ".
Art. 79. In artikel 3, punt 4 van het decreet van 27 maart 2002 betreffende de sturing van het onderwijssysteem van de Franse Gemeenschap, zullen de woorden "de administratieve coördinatiecel voor acties inzake preventie van schoolafhaken en van geweld, opgericht door het decreet van 12 mei 2004" vervangen door de woorden "de administratieve cel voor de coördinatie van acties inzake preventie van geweld op school, schoolverzuim, schooluitval en vroegtijdig schoolverlaten, opgericht door artikel 22 van het decreet van 21 november 2013 tot organisatie van verschillende schoolstelsels ter bevordering van het welzijn van jongeren op school, schoolherinschakeling, preventie van geweld op school en begeleiding van studieoriëntatie".
Art. 79. A l'article 3, point 4 du décret du 27 mars 2002 relatif au pilotage du système éducatif de la Communauté française, les termes " la cellule administrative de coordination des actions de prévention du décrochage scolaire et de la violence créée par le décret du 12 mai 2004 " sont remplacés par les termes : " la cellule administrative de coordination des actions de prévention de la violence en milieu scolaire, de l'absentéisme, du décrochage scolaire et de l'abandon scolaire précoce créée par l'article 22 du décret du 21 novembre 2013 organisant divers dispositifs scolaires favorisant le bienêtre des jeunes à l'école, l'accrochage scolaire, la prévention de la violence à l'école et l'accompagnement des démarches d'orientation scolaire ".
Art. 80. In artikel 4, tweede lid, van het decreet "gedifferentieerde omkadering", worden de woorden "Voor de minderjarige leerlingen die onwettelijk op het grondgebied verblijven zoals bedoeld in artikel 40 van het decreet van 30 juni 1998 dat erop gericht is alle leerlingen gelijke kansen op sociale emancipatie te geven, inzonderheid door de invoering van maatregelen voor positieve discriminatie, en voor de leerlingen die als nieuwkomers worden beschouwd krachtens het decreet van 14 juni 2001 betreffende de integratie van nieuwkomers in het onderwijs dat door de Franse Gemeenschap is ingericht of gesubsidieerd" vervangen door de volgende woorden :
  "Voor de minderjarige leerlingen die onwettelijk op het grondgebied verblijven zoals bedoeld in artikel 79 bis van het decreet van 24 juli 1997 dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren, en voor de leerlingen die als nieuwkomers worden beschouwd krachtens artikel 2, § 1, van het decreet van 18 mei 2012 betreffende de organisatie van een stelsel voor het onthaal en de scholarisatie van nieuwkomers in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde onderwijs.
Art. 80. A l'article 4, alinéa 2, du décret du décret " encadrement différencié ", les termes " Pour les élèves mineurs séjournant illégalement sur le territoire tels que visés à l'article 40 du décret du 30 juin 1998 visant à assurer à tous les élèves des chances égales d'émancipation sociale, notamment par la mise en oeuvre de discriminations positives, et pour les élèves considérés comme primo-arrivants en vertu du décret du 14 juin 2001 visant à l'insertion des élèves primo-arrivants dans l'enseignement organisé ou subventionné par la Communauté française " sont remplacés par les termes suivants :
  " Pour les élèves mineurs séjournant illégalement sur le territoire tels que visés à l'article à l'article 79bis du décret " Missions " du 24 juillet 1997 définissant les missions prioritaires de l'enseignement fondamental et de l'enseignement secondaire et organisant les structures propres à les atteindre, et pour les élèves considérés comme primo-arrivants en vertu de l'article 2, § 1er, du décret du 18 mai 2012 visant à la mise en place d'un dispositif d'accueil et de scolarisation des élèves primo-arrivants dans l'enseignement organisé ou subventionné par la Communauté française ".
Art. 81. In hoofdstuk IV van het decreet "gedifferentieerde omkadering", wordt een artikel 16/1 ingevoegd, luidend als volgt :
  "Art. 16/1. De werken die noodzakelijk zijn voor de installatie in de inrichtingen of vestigingen die in aanmerking komen voor een gedifferentieerde omkadering van de klassen 1 tot 3, zoals bedoeld in artikel 4, vijfde lid en zesde lid, van de infrastructuren tot voorkoming van indringing, wanneer deze zo ernstig en zo vaak plaatsvindt dat de werk- en studieomstandigheden daardoor zwaar worden gehinderd, krijgen voorrang bij de bestemming van de gelden bedoeld in de artikelen 5, 7 en 9 van het decreet van 5 februari 1990 betreffende de schoolgebouwen van het niet-universitair onderwijs georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap".
Art. 81. Dans le chapitre IV du décret " encadrement différencié ", il est inséré un article 16/1 rédigé comme suit :
  " Art. 16/1. Les travaux nécessaires à l'installation dans les établissements ou implantations bénéficiaires d'un encadrement différencié de classes 1 à 3, telles que visées à l'article 4, alinéas 5 et 6 des infrastructures propres à prévenir les intrusions, dans les cas où celles-ci revêtent un caractère de gravité ou de répétition tel que les conditions de travail et d'études sont lourdement perturbées, bénéficient de la priorité dans les affectations des fonds visés aux articles 5, 7 et 9 du décret du 5 février 1990 relatif aux bâtiments scolaires de l'enseignement non universitaire organisé ou subventionné par la Communauté française ".
HOOFDSTUK III. - Opheffings- en slotbepalingen
CHAPITRE III. - Mesures abrogatoires et finales
Art. 82. Het decreet van 30 juni 1998 dat erop gericht is alle leerlingen gelijke kansen op sociale emancipatie te geven, inzonderheid door de invoering van maatregelen voor positieve discriminatie, met uitzondering van artikel 28 en van titel II.
Art. 82. Le décret du 30 juin 1998 visant à assurer à tous les élèves des chances égales d'émancipation sociale, notamment par la mise en oeuvre de discriminations positives est abrogé, à l'exception de l'article 28 et du titre II.
Art. 83. Het decreet van 12 mei 2004 betreffende diverse maatregelen inzake de strijd tegen schooluitval, uitsluiting en geweld op school wordt opgeheven.
Art. 83. Le décret du 12 mai 2004 portant diverses mesures de lutte contre le décrochage scolaire, l'exclusion et la violence scolaire est abrogé.
Art. 84. Dit decreet treedt in werking op 1 september 2014.
Art. 84. Le présent décret entre en vigueur le 1er septembre 2014.