Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1° "de FOD" : de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking;
2° "een post" : een ambassade, een permanente vertegenwoordiging, een consulaat-generaal, een consulaat, een vice-consulaat of een consulair agentschap;
3° "het statuut van het Rijkspersoneel" : het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel;
4° "de minister" : de Minister van Buitenlandse Zaken;
5° "de afgevaardigd bestuurder" : de Afgevaardigd Bestuurder van het Selectiebureau van de Federale Overheid;
6° "de voorzitter" : de Voorzitter van het Directiecomité van de FOD;
7° "de stafdirecteur" : de Stafdirecteur van de Stafdirectie Personeel en Organisatie van de FOD;
8° "het verlofbesluit" : het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de Rijksbesturen;
9° "de bezoldigingsregeling" : het koninklijk besluit van 25 oktober 2013 betreffende de geldelijke loopbaan van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt;
10° "de klasse" : een groepering van functies van vergelijkbare complexiteit, technische expertise en verantwoordelijkheden;
11° "de functie" : het geheel van taken en verantwoordelijkheden die de ambtenaar op zich dient te nemen;
12° "werkdagen" : alle dagen met uitzondering van de zaterdagen, zondagen en feestdagen.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
4 JULI 2014. - Koninklijk besluit tot vaststelling van het statuut van de ambtenaren van de buitenlandse carrière en de consulaire carrière (NOTA : vernietigd bij arrest van de Raad van State nr. 234747 van 17-05-2016 (nog niet gepubliceerd in B.S.)(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 22-07-2014 en tekstbijwerking tot 14-10-2015)
Titre
4 JUILLET 2014. - Arrêté royal fixant le statut des agents de la carrière extérieure et de la carrière consulaire (NOTE : annulé par l'arrêt du Conseil d'Etat n° 234747 du 17-05-2016 (pas encore publié au M.B.)(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 22-07-2014 et mise à jour au 14-10-2015)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
TITEL 1. - Definities en algemene bepalingen
HOOFDSTUK 1. - Definities
HOOFDSTUK 2. - Algemene bepalingen
TITEL 2. - Buitenlandse carrière
HOOFDSTUK 1. - De werving
Afdeling 1. - Benoemingsvoorwaarden
Afdeling 2. - De toelaatbaarheidsvereisten
Afdeling 3. - De selectie
Onderafdeling 1. - De vergelijkende selectie vo...
Onderafdeling 2. - Examen voor de toelating tot...
HOOFDSTUK 2. - De stage
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Afdeling 2. - Organisatie van de stage
Afdeling 3. - Het eerste deel van de stage
Afdeling 4. - Het tweede deel van de stage
HOOFDSTUK 3. - De benoeming en de indiensttredi...
Afdeling 1. - De benoeming als ambtenaar van de...
Afdeling 2. - De indiensttreding
HOOFDSTUK 4. - Hiërarchie, evaluatie en bevorde...
Afdeling 1. - Hiërarchie
Afdeling 2. - Evaluatie
Afdeling 3. - Bevorderingen
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen
Onderafdeling 2. - Voorwaarden voor bevordering...
Onderafdeling 3. - Bevorderingsprocedure tot de...
Onderafdeling 4. - Mededeling van de beslissing...
Onderafdeling 5. - Voorwaarden voor bevordering...
HOOFDSTUK 5. - Verlofregeling
Afdeling 1. - Verlofregeling op post
Afdeling 2. - Verlofregeling op het hoofdbestuur
Afdeling 3. - Gemeenschappelijke bepalingen
HOOFDSTUK 6. - Dienstactiviteit en pensioen
HOOFDSTUK 7. - Ordemaatregelen
Afdeling 1. - Preventieve schorsing
Afdeling 2. - Terugroeping naar het hoofdbestuur
HOOFDSTUK 8. - Tuchtregeling
Afdeling 1. - Tuchtfeiten
Afdeling 2. - Tuchtstraffen
Afdeling 3. - Tuchtoverheid
Afdeling 4. - Tuchtprocedure en beroep
Onderafdeling 1. - Het formuleren van het voorl...
Onderafdeling 2. - Het formuleren van het defin...
Onderafdeling 3. - Beslissing van de bevoegde o...
Onderafdeling 4. - Samenloop van tuchtfeiten
Afdeling 5. - Verjaring van de tuchtvordering
Afdeling 6. - Uitwissing van de tuchtstraf
TITEL 3. - Consulaire carrière
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
HOOFDSTUK 2. - Hiërarchie, evaluatie en bevorde...
Afdeling 1. - Hiërarchie
Afdeling 2. - Evaluatie
Afdeling 3. - Bevorderingen
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen
Onderafdeling 2. - Mededeling van de beslissing...
Onderafdeling 3. - Voorwaarden voor de bevorder...
Onderafdeling 4. - Bevordering door overgang na...
TITEL 4. - Integratiebepalingen, overgangs-, op...
HOOFDSTUK 1. - Integratie in de buitenlandse ca...
HOOFDSTUK 2. - Integratie in de consulaire carr...
HOOFDSTUK 3. - Opheffingsbepalingen
HOOFDSTUK 4. - Overgangsbepalingen
HOOFDSTUK 5. - Slotbepalingen
BIJLAGEN.
Table des matières
TITRE 1er. - Définitions et dispositions générales
CHAPITRE 1er. - Définitions
CHAPITRE 2. - Dispositions générales
TITRE 2. - Carrière extérieure
CHAPITRE 1er. - Le recrutement
Section 1re. - Conditions de nomination
Section 2. - Les conditions d'admissibilité
Section 3. - La sélection
Sous-section 1re. - La sélection comparative po...
Sous-section 2. - Examen d'admission à la secon...
CHAPITRE 2. - Le stage
Section 1re. - Dispositions générales
Section 2. - Organisation du stage
Section 3. - La première partie du stage
Section 4. - La seconde partie du stage
CHAPITRE 3. - La nomination et l'entrée en fonc...
Section 1re. - La nomination en tant qu'agent d...
Section 2. - L'entrée en fonction
CHAPITRE 4. - Hiérarchie, évaluation et promotions
Section 1re. - Hiérarchie
Section 2. - Evaluation
Section 3. - Promotions
Sous-section 1re. - Dispositions générales
Sous-section 2. - Conditions de promotion à la ...
Sous-section 3. - Procédure de promotion à la c...
Sous-section 4. - Communication des décisions d...
Sous-section 5. - Conditions de promotion barém...
CHAPITRE 5. - Régime de congé
Section 1re. - Régime de congé en poste
Section 2. - Régime de congé à l'administration...
Section 3. - Dispositions communes
CHAPITRE 6. - Activité de service et pension
CHAPITRE 7. - Mesures d'ordre
Section 1re. - Suspension préventive
Section 2. - Rappel à l'administration centrale
CHAPITRE 8. - Régime disciplinaire
Section 1re. - Faits disciplinaires
Section 2. - Peines disciplinaires
Section 3. - Autorité disciplinaire
Section 4. - Procédure disciplinaire et appel
Sous-section 1re. - La formulation de la propos...
Sous-section 2. - La formulation de la proposit...
Sous-section 3. - Décision de l'autorité compét...
Sous-section 4. - Jonction de faits disciplinaires
Section 5. - Prescription de l'action disciplin...
Section 6. - Effacement de la peine disciplinaire
TITRE 3. - Carrière consulaire
CHAPITRE 1re. - Dispositions générales
CHAPITRE 2. - Hiérarchie, évaluation et promotions
Section 1re. - Hiérarchie
Section 2. - Evaluation
Section 3. - Promotions
Sous-section 1re. - Dispositions générales
Sous-section 2. - Communication des décisions d...
Sous-section 3. - Conditions de promotion barém...
Sous-section 4. - Promotion par accession au ni...
TITRE 4. - Dispositions d'intégration, disposit...
CHAPITRE 1er. - Intégration dans la carrière ex...
CHAPITRE 2. - Intégration dans la carrière cons...
CHAPITRE 3. - Dispositions abrogatoires
CHAPITRE 4. - Dispositions transitoires
CHAPITRE 5. - Dispositions finales
ANNEXES.
Tekst (204)
Texte (204)
TITEL 1. - Definities en algemene bepalingen
TITRE 1er. - Définitions et dispositions générales
HOOFDSTUK 1. - Definities
CHAPITRE 1er. - Définitions
Article 1er. Pour l'application du présent arrêté, on entend par :
1° "le SPF" : le Service public fédéral Affaires étrangères, Commerce extérieur et Coopération au Développement;
2° "un poste" : une ambassade, une représentation permanente, un consulat général, un consulat, un vice-consulat ou une agence consulaire;
3° "le statut des agents de l'Etat" : l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat;
4° "le ministre" : le Ministre des Affaires étrangères;
5° "l'administrateur délégué" : l'Administrateur délégué du Bureau de sélection de l'Administration fédérale;
6° "le président" : le Président du Comité de direction du SPF;
7° "le directeur d'encadrement" : le Directeur d'encadrement de la Direction d'encadrement Personnel et Organisation du SPF;
8° "l'arrêté congé" : l'arrêté royal du 19 novembre 1998 relatif aux congés et aux absences accordés aux membres du personnel des administrations de l'Etat;
9° "le statut pécuniaire" : l'arrêté royal du 25 octobre 2013 relatif à la carrière pécuniaire des membres du personnel de la fonction publique fédérale;
10° "la classe" : un regroupement des fonctions ayant un niveau comparable de complexité, d'expertise technique et de responsabilité;
11° "la fonction" : l'ensemble des tâches et des responsabilités que l'agent doit assumer;
12° "jours ouvrables" : tous les jours à l'exception des samedis, des dimanches et des jours fériés.
1° "le SPF" : le Service public fédéral Affaires étrangères, Commerce extérieur et Coopération au Développement;
2° "un poste" : une ambassade, une représentation permanente, un consulat général, un consulat, un vice-consulat ou une agence consulaire;
3° "le statut des agents de l'Etat" : l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat;
4° "le ministre" : le Ministre des Affaires étrangères;
5° "l'administrateur délégué" : l'Administrateur délégué du Bureau de sélection de l'Administration fédérale;
6° "le président" : le Président du Comité de direction du SPF;
7° "le directeur d'encadrement" : le Directeur d'encadrement de la Direction d'encadrement Personnel et Organisation du SPF;
8° "l'arrêté congé" : l'arrêté royal du 19 novembre 1998 relatif aux congés et aux absences accordés aux membres du personnel des administrations de l'Etat;
9° "le statut pécuniaire" : l'arrêté royal du 25 octobre 2013 relatif à la carrière pécuniaire des membres du personnel de la fonction publique fédérale;
10° "la classe" : un regroupement des fonctions ayant un niveau comparable de complexité, d'expertise technique et de responsabilité;
11° "la fonction" : l'ensemble des tâches et des responsabilités que l'agent doit assumer;
12° "jours ouvrables" : tous les jours à l'exception des samedis, des dimanches et des jours fériés.
HOOFDSTUK 2. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 2. - Dispositions générales
Art. 2. § 1. Dit besluit is van toepassing op de ambtenaren van :
1° de buitenlandse carrière;
2° de consulaire carrière.
§ 2. Het gebruik van de mannelijke vorm in dit besluit is gemeenslachtig.
1° de buitenlandse carrière;
2° de consulaire carrière.
§ 2. Het gebruik van de mannelijke vorm in dit besluit is gemeenslachtig.
Art. 2. § 1er. Le présent arrêté est applicable aux agents de :
1° la carrière extérieure;
2° la carrière consulaire.
§ 2. L'usage du masculin dans le présent arrêté est épicène.
1° la carrière extérieure;
2° la carrière consulaire.
§ 2. L'usage du masculin dans le présent arrêté est épicène.
Art. 3. De ambtenaren van de buitenlandse carrière en de consulaire carrière zijn onderworpen :
1° aan de bepalingen van het statuut van het Rijkspersoneel, met uitzondering van de artikelen 3 tot en met 6 bis, 14, 14bis, 15 tot en met 19, 20 tot en met 26, 27 tot en met 39, 45 tot en met 48, 49 tot en met 52, 56 tot en met 62, 70 tot en met 76, 77 tot en met 81 bis, 94, 103, 107, 116 en 117;
2° aan de bezoldigingsregeling, met uitzondering van de artikelen 5 tot en met 7, 8, lid 1, 13, § 3, 20 tot en met 28, 30 tot en met 62;
3° aan de uitvoeringsbesluiten van het statuut van het Rijkspersoneel, opgesomd in bijlage 1;
4° aan de besluiten opgesomd in bijlage 2.
De bepalingen van de artikelen 8, 9, 10 en 13 van het statuut van het Rijkspersoneel en van het artikel 74 zijn van toepassing zelfs wanneer de ambtenaar van de buitenlandse carrière en de consulaire carrière voltijds met verlof, in disponibiliteit of in non-activiteit is.
1° aan de bepalingen van het statuut van het Rijkspersoneel, met uitzondering van de artikelen 3 tot en met 6 bis, 14, 14bis, 15 tot en met 19, 20 tot en met 26, 27 tot en met 39, 45 tot en met 48, 49 tot en met 52, 56 tot en met 62, 70 tot en met 76, 77 tot en met 81 bis, 94, 103, 107, 116 en 117;
2° aan de bezoldigingsregeling, met uitzondering van de artikelen 5 tot en met 7, 8, lid 1, 13, § 3, 20 tot en met 28, 30 tot en met 62;
3° aan de uitvoeringsbesluiten van het statuut van het Rijkspersoneel, opgesomd in bijlage 1;
4° aan de besluiten opgesomd in bijlage 2.
De bepalingen van de artikelen 8, 9, 10 en 13 van het statuut van het Rijkspersoneel en van het artikel 74 zijn van toepassing zelfs wanneer de ambtenaar van de buitenlandse carrière en de consulaire carrière voltijds met verlof, in disponibiliteit of in non-activiteit is.
Art. 3. Les agents de la carrière extérieure et de la carrière consulaire sont soumis :
1° aux dispositions du statut des agents de l'Etat, à l'exception des articles 3 à 6 bis, 14, 14bis, 15 à 19, 20 à 26, 27 à 39, 45 à 48, 49 à 52, 56 à 62, 70 à 76, 77 à 81 bis, 94, 103, 107, 116 et 117;
2° au statut pécuniaire, à l'exception des articles 5 à 7, 8, alinéa 1er, 13, § 3, 20 à 28, 30 à 62;
3° aux arrêtés d'exécution du statut des agents de l'Etat, énumérés en annexe 1;
4° aux arrêtés énumérés en annexe 2.
Les dispositions des articles 8, 9, 10 et 13 du statut des agents de l'Etat et de l'article 74 sont applicables même lorsque l'agent de la carrière extérieure et de la carrière consulaire est à temps plein en congé, en disponibilité ou en non-activité.
1° aux dispositions du statut des agents de l'Etat, à l'exception des articles 3 à 6 bis, 14, 14bis, 15 à 19, 20 à 26, 27 à 39, 45 à 48, 49 à 52, 56 à 62, 70 à 76, 77 à 81 bis, 94, 103, 107, 116 et 117;
2° au statut pécuniaire, à l'exception des articles 5 à 7, 8, alinéa 1er, 13, § 3, 20 à 28, 30 à 62;
3° aux arrêtés d'exécution du statut des agents de l'Etat, énumérés en annexe 1;
4° aux arrêtés énumérés en annexe 2.
Les dispositions des articles 8, 9, 10 et 13 du statut des agents de l'Etat et de l'article 74 sont applicables même lorsque l'agent de la carrière extérieure et de la carrière consulaire est à temps plein en congé, en disponibilité ou en non-activité.
Art. 4. De ambtenaren van de buitenlandse carrière en de consulaire carrière zijn er toe gehouden de functies uit te oefenen die hen bij het hoofdbestuur of bij een post worden toevertrouwd.
Art. 4. Les agents de la carrière extérieure et de la carrière consulaire sont tenus de remplir les fonctions qui leur sont confiées à l'administration centrale ou dans un poste.
Art. 5. De vrijheid van meningsuiting die erkend wordt in artikel 10 van het statuut van het Rijkspersoneel mag de internationale betrekkingen van België niet in het gedrang brengen.
Art. 5. La liberté d'expression qui est reconnue à l'article 10 du statut des agents de l'Etat ne peut pas porter atteinte aux relations internationales de la Belgique.
TITEL 2. - Buitenlandse carrière
TITRE 2. - Carrière extérieure
HOOFDSTUK 1. - De werving
CHAPITRE 1er. - Le recrutement
Afdeling 1. - Benoemingsvoorwaarden
Section 1re. - Conditions de nomination
Art. 6. Niemand kan tot ambtenaar van de buitenlandse carrière worden benoemd indien hij niet aan de volgende voorwaarden voldoet :
1° de in artikel 7 gestelde toelaatbaarheidsvereisten vervullen;
2° slagen voor de selectie, voorzien in de artikelen 8 tot en met 13;
3° met goed gevolg de stage, voorzien in de artikelen 14 tot en met 27, volbrengen;
4° slagen voor het taalexamen bedoeld in artikel 47, § 5 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.
Aan de voorwaarde bedoeld in het eerste lid, 4° moet voldaan zijn uiterlijk voor de aanvang van het tweede deel van de stage.
De stagiair die voor de aanvang van het tweede deel van de stage niet voldoet aan de voorwaarde bedoeld in het eerste lid, 4°, wordt ontslagen met naleving van een opzegtermijn van drie maanden, die ingaat op de eerste dag volgend op de laatste dag van het eerste deel van de stage.
1° de in artikel 7 gestelde toelaatbaarheidsvereisten vervullen;
2° slagen voor de selectie, voorzien in de artikelen 8 tot en met 13;
3° met goed gevolg de stage, voorzien in de artikelen 14 tot en met 27, volbrengen;
4° slagen voor het taalexamen bedoeld in artikel 47, § 5 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.
Aan de voorwaarde bedoeld in het eerste lid, 4° moet voldaan zijn uiterlijk voor de aanvang van het tweede deel van de stage.
De stagiair die voor de aanvang van het tweede deel van de stage niet voldoet aan de voorwaarde bedoeld in het eerste lid, 4°, wordt ontslagen met naleving van een opzegtermijn van drie maanden, die ingaat op de eerste dag volgend op de laatste dag van het eerste deel van de stage.
Art. 6. Nul ne peut être nommé agent de la carrière extérieure s'il ne satisfait pas aux conditions suivantes :
1° remplir les conditions d'admissibilité fixées par l'article 7;
2° réussir la sélection prévue aux articles 8 à 13;
3° accomplir avec succès le stage prévu aux articles 14 à 27;
4° réussir l'examen linguistique visé à l'article 47, § 5, des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966.
Il doit être satisfait à la condition visée à l'alinéa 1er, 4° au plus tard avant le début de la seconde partie du stage.
Le stagiaire qui, au plus tard avant le début de la seconde partie du stage, ne satisfait pas à la condition visée à l'alinéa 1er, 4°, est licencié moyennant le respect d'un délai de préavis de trois mois qui prend cours le premier jour suivant le dernier jour de la première partie du stage.
1° remplir les conditions d'admissibilité fixées par l'article 7;
2° réussir la sélection prévue aux articles 8 à 13;
3° accomplir avec succès le stage prévu aux articles 14 à 27;
4° réussir l'examen linguistique visé à l'article 47, § 5, des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966.
Il doit être satisfait à la condition visée à l'alinéa 1er, 4° au plus tard avant le début de la seconde partie du stage.
Le stagiaire qui, au plus tard avant le début de la seconde partie du stage, ne satisfait pas à la condition visée à l'alinéa 1er, 4°, est licencié moyennant le respect d'un délai de préavis de trois mois qui prend cours le premier jour suivant le dernier jour de la première partie du stage.
Afdeling 2. - De toelaatbaarheidsvereisten
Section 2. - Les conditions d'admissibilité
Art. 7. § 1. De toelaatbaarheidsvereisten zijn de volgende :
1° Belg zijn;
2° een gedrag hebben dat overeenstemt met de eisen van de functie;
3° de burgerlijke en politieke rechten genieten;
4° voldaan hebben aan de dienstplichtwetten;
5° zich persoonlijk niet bevinden in een toestand van belangenconflict;
6° houder zijn van één der diploma's of studiegetuigschriften die toegang geven tot het niveau A van de Rijksbesturen;
7° geslaagd zijn voor het taalexamen bedoeld in het artikel 14, tweede lid van het koninklijk besluit van 8 maart 2001 tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken gecoördineerd op 18 juli 1966.
§ 2. Een afwijking van de in de paragraaf 1, 6°, bedoelde diplomavoorwaarde kan door de minister bevoegd voor Ambtenarenzaken worden toegestaan :
1° hetzij voor de kandidaten die houder zijn van een diploma of studiegetuigschrift van een lager niveau, in geval van schaarste op de arbeidsmarkt, na advies van de afgevaardigd bestuurder;
2° hetzij, op voorstel van de minister, voor de kandidaten die houder zijn van een attest dat getuigt van generieke competenties die buiten diploma zijn verworven en toegang geeft tot het niveau A. Dit getuigschrift wordt uitgereikt door het Selectiebureau van de Federale Overheid en zijn geldigheidsduur wordt bepaald op vijf jaar vanaf de datum van zijn aflevering.
§ 3. Wanneer die voorwaarde gewettigd is wegens de behoeften van de dienst, kan de minister, na advies van de afgevaardigd bestuurder, het bezit voorschrijven van bijzondere diploma's of studiegetuigschriften, die krachtens de reglementering in aanmerking komen voor de betrekkingen van niveau A in de Rijksbesturen.
§ 4. Bij het organiseren van een vergelijkende selectie stelt de afgevaardigd bestuurder de datum vast waarop de kandidaat moet voldoen aan de voorwaarden inzake diploma's of studiegetuigschriften.
De afgevaardigd bestuurder gaat de voorwaarden inzake diploma's of studiegetuigschriften na.
Zodra de afgevaardigd bestuurder, in de loop van een vergelijkende selectie, vaststelt dat een kandidaat niet voldoet of niet zal kunnen voldoen aan de voorwaarden inzake diploma's of studiegetuigschriften, sluit hij deze van de vergelijkende selectie uit en geeft hij hem kennis van zijn beslissing.
1° Belg zijn;
2° een gedrag hebben dat overeenstemt met de eisen van de functie;
3° de burgerlijke en politieke rechten genieten;
4° voldaan hebben aan de dienstplichtwetten;
5° zich persoonlijk niet bevinden in een toestand van belangenconflict;
6° houder zijn van één der diploma's of studiegetuigschriften die toegang geven tot het niveau A van de Rijksbesturen;
7° geslaagd zijn voor het taalexamen bedoeld in het artikel 14, tweede lid van het koninklijk besluit van 8 maart 2001 tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken gecoördineerd op 18 juli 1966.
§ 2. Een afwijking van de in de paragraaf 1, 6°, bedoelde diplomavoorwaarde kan door de minister bevoegd voor Ambtenarenzaken worden toegestaan :
1° hetzij voor de kandidaten die houder zijn van een diploma of studiegetuigschrift van een lager niveau, in geval van schaarste op de arbeidsmarkt, na advies van de afgevaardigd bestuurder;
2° hetzij, op voorstel van de minister, voor de kandidaten die houder zijn van een attest dat getuigt van generieke competenties die buiten diploma zijn verworven en toegang geeft tot het niveau A. Dit getuigschrift wordt uitgereikt door het Selectiebureau van de Federale Overheid en zijn geldigheidsduur wordt bepaald op vijf jaar vanaf de datum van zijn aflevering.
§ 3. Wanneer die voorwaarde gewettigd is wegens de behoeften van de dienst, kan de minister, na advies van de afgevaardigd bestuurder, het bezit voorschrijven van bijzondere diploma's of studiegetuigschriften, die krachtens de reglementering in aanmerking komen voor de betrekkingen van niveau A in de Rijksbesturen.
§ 4. Bij het organiseren van een vergelijkende selectie stelt de afgevaardigd bestuurder de datum vast waarop de kandidaat moet voldoen aan de voorwaarden inzake diploma's of studiegetuigschriften.
De afgevaardigd bestuurder gaat de voorwaarden inzake diploma's of studiegetuigschriften na.
Zodra de afgevaardigd bestuurder, in de loop van een vergelijkende selectie, vaststelt dat een kandidaat niet voldoet of niet zal kunnen voldoen aan de voorwaarden inzake diploma's of studiegetuigschriften, sluit hij deze van de vergelijkende selectie uit en geeft hij hem kennis van zijn beslissing.
Art. 7. § 1er. Les conditions d'admissibilité sont les suivantes :
1° être belge;
2° être d'une conduite répondant aux exigences de la fonction;
3° jouir des droits civils et politiques;
4° avoir satisfait aux lois sur la milice;
5° ne pas être personnellement dans une situation de conflit d'intérêts;
6° être porteur d'un des diplômes ou certificats d'études qui permettent l'accès au niveau A dans les administrations de l'Etat;
7° avoir réussi l'examen linguistique visé à l'article 14, alinéa 2 de l'arrêté royal du 8 mars 2001 fixant les conditions de délivrance des certificats de connaissances linguistiques prévus à l'article 53 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966.
§ 2. Une dérogation de la condition de diplôme visée au paragraphe 1er, 6°, peut être accordée par le ministre qui a la Fonction publique dans ses attributions :
1° soit aux candidats qui sont porteurs d'un diplôme ou certificat d'études d'un niveau inférieur dans le cas d'une pénurie sur le marché du travail, après avis de l'administrateur délégué;
2° soit, sur proposition du ministre, aux candidats qui sont porteurs d'un certificat qui atteste de compétences génériques acquises hors diplôme et qui donne accès au niveau A. Ce certificat est délivré par le Bureau de sélection de l'Administration fédérale et sa durée de validité est déterminée à cinq ans à partir de la date de sa délivrance.
§ 3. Lorsque cette condition est justifiée par les besoins du service, le ministre peut, après avis de l'administrateur délégué, imposer la possession de diplômes ou certificats d'études particuliers qui, en vertu de la règlementation, sont pris en considération pour les emplois de niveau A dans les administrations de l'Etat.
§ 4. Lors de l'organisation d'une sélection comparative, l'administrateur délégué fixe la date à laquelle le candidat doit satisfaire aux conditions relatives aux diplômes ou certificats d'études.
L'administrateur délégué vérifie les conditions relatives aux diplômes ou certificats d'études.
Dès que l'administrateur délégué constate, pendant d'une sélection comparative, qu'un candidat ne remplit pas, ou ne pourra pas remplir, les conditions relatives aux diplômes ou certificats d'études, il exclut celui-ci de la sélection comparative et lui notifie sa décision.
1° être belge;
2° être d'une conduite répondant aux exigences de la fonction;
3° jouir des droits civils et politiques;
4° avoir satisfait aux lois sur la milice;
5° ne pas être personnellement dans une situation de conflit d'intérêts;
6° être porteur d'un des diplômes ou certificats d'études qui permettent l'accès au niveau A dans les administrations de l'Etat;
7° avoir réussi l'examen linguistique visé à l'article 14, alinéa 2 de l'arrêté royal du 8 mars 2001 fixant les conditions de délivrance des certificats de connaissances linguistiques prévus à l'article 53 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966.
§ 2. Une dérogation de la condition de diplôme visée au paragraphe 1er, 6°, peut être accordée par le ministre qui a la Fonction publique dans ses attributions :
1° soit aux candidats qui sont porteurs d'un diplôme ou certificat d'études d'un niveau inférieur dans le cas d'une pénurie sur le marché du travail, après avis de l'administrateur délégué;
2° soit, sur proposition du ministre, aux candidats qui sont porteurs d'un certificat qui atteste de compétences génériques acquises hors diplôme et qui donne accès au niveau A. Ce certificat est délivré par le Bureau de sélection de l'Administration fédérale et sa durée de validité est déterminée à cinq ans à partir de la date de sa délivrance.
§ 3. Lorsque cette condition est justifiée par les besoins du service, le ministre peut, après avis de l'administrateur délégué, imposer la possession de diplômes ou certificats d'études particuliers qui, en vertu de la règlementation, sont pris en considération pour les emplois de niveau A dans les administrations de l'Etat.
§ 4. Lors de l'organisation d'une sélection comparative, l'administrateur délégué fixe la date à laquelle le candidat doit satisfaire aux conditions relatives aux diplômes ou certificats d'études.
L'administrateur délégué vérifie les conditions relatives aux diplômes ou certificats d'études.
Dès que l'administrateur délégué constate, pendant d'une sélection comparative, qu'un candidat ne remplit pas, ou ne pourra pas remplir, les conditions relatives aux diplômes ou certificats d'études, il exclut celui-ci de la sélection comparative et lui notifie sa décision.
Afdeling 3. - De selectie
Section 3. - La sélection
Onderafdeling 1. - De vergelijkende selectie voor de toelating tot het eerste deel van de stage
Sous-section 1re. - La sélection comparative pour l'admission à la première partie du stage
Art. 8. § 1. Voor de werving in de buitenlandse carrière organiseert de afgevaardigd bestuurder, op verzoek van de minister, een vergelijkende selectie die leidt tot een rangschikking van de geslaagden.
§ 2. De afgevaardigd bestuurder kondigt de organisatie van een vergelijkende selectie aan door ten minste een bericht in het Belgisch Staatsblad.
Het bericht vermeldt :
1° de uiterste datum voor kandidatuurstelling;
2° de samenstelling van een reserve van geslaagden, de duur en de omvang ervan;
3° de toelaatbaarheidsvereisten;
4° het volledige programma van de vergelijkende selectie;
5° de benoemingsvoorwaarden.
De minister of zijn afgevaardigde bepaalt de omvang van de reserve van geslaagden.
De kandidaat beschikt over ten minste eenentwintig dagen, vanaf de datum van bekendmaking van het bericht in het Belgisch Staatsblad, om zich kandidaat te stellen.
§ 3. Na het afsluiten van de inschrijvingen, kan de minister, op voorstel van de afgevaardigd bestuurder, wanneer deze oordeelt dat het aantal ingeschreven kandidaten het rechtvaardigt, aan het programma van de vergelijkende selectie een voorexamen toevoegen.
Het bericht in het Belgisch Staatsblad bedoeld in paragraaf 2 vermeldt de mogelijke organisatie van het voorexamen.
Het programma van de vergelijkende selectie vermeldt de aard van het voorexamen en, in voorkomend geval, de materie waarop het betrekking zal hebben.
Tot de vergelijkende selectie wordt enkel de kandidaat toegelaten die bij het voorexamen vijftig procent van de punten heeft behaald.
Voor de rangschikking van de geslaagden bij de vergelijkende selectie wordt geen rekening gehouden met de behaalde resultaten op het voorexamen.
§ 2. De afgevaardigd bestuurder kondigt de organisatie van een vergelijkende selectie aan door ten minste een bericht in het Belgisch Staatsblad.
Het bericht vermeldt :
1° de uiterste datum voor kandidatuurstelling;
2° de samenstelling van een reserve van geslaagden, de duur en de omvang ervan;
3° de toelaatbaarheidsvereisten;
4° het volledige programma van de vergelijkende selectie;
5° de benoemingsvoorwaarden.
De minister of zijn afgevaardigde bepaalt de omvang van de reserve van geslaagden.
De kandidaat beschikt over ten minste eenentwintig dagen, vanaf de datum van bekendmaking van het bericht in het Belgisch Staatsblad, om zich kandidaat te stellen.
§ 3. Na het afsluiten van de inschrijvingen, kan de minister, op voorstel van de afgevaardigd bestuurder, wanneer deze oordeelt dat het aantal ingeschreven kandidaten het rechtvaardigt, aan het programma van de vergelijkende selectie een voorexamen toevoegen.
Het bericht in het Belgisch Staatsblad bedoeld in paragraaf 2 vermeldt de mogelijke organisatie van het voorexamen.
Het programma van de vergelijkende selectie vermeldt de aard van het voorexamen en, in voorkomend geval, de materie waarop het betrekking zal hebben.
Tot de vergelijkende selectie wordt enkel de kandidaat toegelaten die bij het voorexamen vijftig procent van de punten heeft behaald.
Voor de rangschikking van de geslaagden bij de vergelijkende selectie wordt geen rekening gehouden met de behaalde resultaten op het voorexamen.
Art. 8. § 1er. Pour le recrutement dans la carrière extérieure, l'administrateur délégué organise, à la demande du ministre, une sélection comparative qui conduit à un classement des lauréats.
§ 2. L'administrateur délégué annonce l'organisation d'une sélection comparative au moins par un avis au Moniteur belge.
L'avis mentionne :
1° la date limite d'introduction des candidatures;
2° la constitution d'une réserve de lauréats, la durée et l'importance de celle-ci;
3° les conditions d'admissibilité;
4° le programme complet de la sélection comparative;
5° les conditions de nomination.
Le ministre ou son délégué détermine l'importance de la réserve de lauréats.
Le candidat dispose d'au moins vingt et un jours, à compter de la date de publication de l'avis au Moniteur belge, pour se porter candidat.
§ 3. Après clôture des inscriptions, le ministre peut, sur proposition de l'administrateur délégué, lorsque celui-ci estime que le nombre de candidats inscrits le justifie, ajouter au programme de la sélection comparative une épreuve préalable.
L'avis au Moniteur belge visé au paragraphe 2 mentionne l'organisation possible de l'épreuve préalable.
Le programme de la sélection comparative mentionne la nature de l'épreuve préalable et, le cas échéant, la matière sur laquelle elle portera.
N'est admis à la sélection comparative que le candidat qui a obtenu cinquante pour cent des points à l'épreuve préalable.
Pour le classement des lauréats de la sélection comparative, il n'est pas tenu compte des résultats obtenus à l'épreuve préalable.
§ 2. L'administrateur délégué annonce l'organisation d'une sélection comparative au moins par un avis au Moniteur belge.
L'avis mentionne :
1° la date limite d'introduction des candidatures;
2° la constitution d'une réserve de lauréats, la durée et l'importance de celle-ci;
3° les conditions d'admissibilité;
4° le programme complet de la sélection comparative;
5° les conditions de nomination.
Le ministre ou son délégué détermine l'importance de la réserve de lauréats.
Le candidat dispose d'au moins vingt et un jours, à compter de la date de publication de l'avis au Moniteur belge, pour se porter candidat.
§ 3. Après clôture des inscriptions, le ministre peut, sur proposition de l'administrateur délégué, lorsque celui-ci estime que le nombre de candidats inscrits le justifie, ajouter au programme de la sélection comparative une épreuve préalable.
L'avis au Moniteur belge visé au paragraphe 2 mentionne l'organisation possible de l'épreuve préalable.
Le programme de la sélection comparative mentionne la nature de l'épreuve préalable et, le cas échéant, la matière sur laquelle elle portera.
N'est admis à la sélection comparative que le candidat qui a obtenu cinquante pour cent des points à l'épreuve préalable.
Pour le classement des lauréats de la sélection comparative, il n'est pas tenu compte des résultats obtenus à l'épreuve préalable.
Art. 9. § 1. Het programma van de vergelijkende selectie omvat :
1° een proef met betrekking tot de generieke bekwaamheden die vereist zijn voor het uitoefenen van de functie en die ten minste een schriftelijke proef omvat bestaande uit de samenvatting van en de kritische commentaar op een voordracht;
2° een mondelinge proef die moet toelaten de belangstelling te beoordelen die de kandidaat heeft voor de verdediging van de Belgische belangen in het buitenland en de opdrachten van de FOD;
3° een taalexamen met betrekking tot de kennis van de Engelse taal, waarvan het niveau overeenstemt met het niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen, zoals opgesteld door de Raad van Europa, voor de spreekvaardigheid en de schrijfvaardigheid.
De generieke bekwaamheden bedoeld in het eerste lid, 1° zijn de volgende :
1° het beheren van informatie;
2° het beheren van taken;
3° het leidinggeven;
4° de interpersoonlijke relaties.
§ 2. Het programma van de vergelijkende selectie wordt vastgesteld door de afgevaardigd bestuurder, na overleg met de minister of zijn afgevaardigde.
1° een proef met betrekking tot de generieke bekwaamheden die vereist zijn voor het uitoefenen van de functie en die ten minste een schriftelijke proef omvat bestaande uit de samenvatting van en de kritische commentaar op een voordracht;
2° een mondelinge proef die moet toelaten de belangstelling te beoordelen die de kandidaat heeft voor de verdediging van de Belgische belangen in het buitenland en de opdrachten van de FOD;
3° een taalexamen met betrekking tot de kennis van de Engelse taal, waarvan het niveau overeenstemt met het niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen, zoals opgesteld door de Raad van Europa, voor de spreekvaardigheid en de schrijfvaardigheid.
De generieke bekwaamheden bedoeld in het eerste lid, 1° zijn de volgende :
1° het beheren van informatie;
2° het beheren van taken;
3° het leidinggeven;
4° de interpersoonlijke relaties.
§ 2. Het programma van de vergelijkende selectie wordt vastgesteld door de afgevaardigd bestuurder, na overleg met de minister of zijn afgevaardigde.
Art. 9. § 1er. Le programme de la sélection comparative comprend :
1° une épreuve portant sur les compétences génériques requises pour l'exercice de la fonction et qui comprend au moins une épreuve écrite consistant en la synthèse et le commentaire critique d'une conférence;
2° une épreuve orale qui doit permettre d'apprécier l'intérêt que porte le candidat à la défense des intérêts belges à l'étranger et aux missions du SPF;
3° un examen linguistique portant sur la connaissance de la langue anglaise, dont le niveau correspond au niveau C1 du Cadre européen commun de référence pour les langues, comme institué par le Conseil de l'Europe, pour l'expression orale et l'expression écrite.
Les compétences génériques visées à l'alinéa 1er, 1° sont les suivantes :
1° la gestion de l'information;
2° la gestion des tâches;
3° la direction;
4° les relations interpersonnelles.
§ 2. Le programme de la sélection comparative est établi par l'administrateur délégué, après concertation avec le ministre ou son délégué.
1° une épreuve portant sur les compétences génériques requises pour l'exercice de la fonction et qui comprend au moins une épreuve écrite consistant en la synthèse et le commentaire critique d'une conférence;
2° une épreuve orale qui doit permettre d'apprécier l'intérêt que porte le candidat à la défense des intérêts belges à l'étranger et aux missions du SPF;
3° un examen linguistique portant sur la connaissance de la langue anglaise, dont le niveau correspond au niveau C1 du Cadre européen commun de référence pour les langues, comme institué par le Conseil de l'Europe, pour l'expression orale et l'expression écrite.
Les compétences génériques visées à l'alinéa 1er, 1° sont les suivantes :
1° la gestion de l'information;
2° la gestion des tâches;
3° la direction;
4° les relations interpersonnelles.
§ 2. Le programme de la sélection comparative est établi par l'administrateur délégué, après concertation avec le ministre ou son délégué.
Art. 10. § 1. De afgevaardigd bestuurder bepaalt de volgorde van de proeven.
De afgevaardigd bestuurder bepaalt het aantal punten dat aan de vergelijkende selectie in zijn geheel en aan elk van de proeven wordt toegekend.
Tot de volgende proef wordt enkel de kandidaat toegelaten die bij de vorige proef minimum vijftig procent van de punten behaalde.
Om voor de vergelijkende selectie te slagen, moet de kandidaat in totaal zestig procent van de punten halen voor het geheel van de proeven.
§ 2. Na het afsluiten van het proces-verbaal van de vergelijkende selectie ontvangt iedere kandidaat bericht van zijn resultaat.
§ 3. De geslaagde voor een vergelijkende selectie zoals voorzien in artikel 8, behoudt het voordeel van zijn slagen gedurende een jaar vanaf de datum van het afsluiten van het proces-verbaal van de vergelijkende selectie.
De afgevaardigd bestuurder kan de geldigheid van de wervingsreserves, op degelijk gemotiveerd verzoek van de minister of zijn afgevaardigde, één keer verlengen met een periode van maximaal een jaar.
Indien het gedurende deze periode nodig is aan te werven, dan worden de geslaagden die aan de gestelde voorwaarden voldoen, in de volgorde van hun rangschikking tot de stage toegelaten.
De rangschikking wordt bepaald op basis van de punten die behaald werden bij de proeven, bedoeld in artikel 9, § 1, eerste lid, 1° en 2°.
Onder de geslaagden van twee of meer vergelijkende selecties, wordt voorrang verleend aan de geslaagde van de vergelijkende selectie waarvan het proces-verbaal op de verst afgelegen datum is afgesloten.
§ 4. De leden van de jury worden door de afgevaardigd bestuurder of zijn afgevaardigde aangeduid, in overleg met de minister of zijn afgevaardigde.
De afgevaardigd bestuurder bepaalt het aantal punten dat aan de vergelijkende selectie in zijn geheel en aan elk van de proeven wordt toegekend.
Tot de volgende proef wordt enkel de kandidaat toegelaten die bij de vorige proef minimum vijftig procent van de punten behaalde.
Om voor de vergelijkende selectie te slagen, moet de kandidaat in totaal zestig procent van de punten halen voor het geheel van de proeven.
§ 2. Na het afsluiten van het proces-verbaal van de vergelijkende selectie ontvangt iedere kandidaat bericht van zijn resultaat.
§ 3. De geslaagde voor een vergelijkende selectie zoals voorzien in artikel 8, behoudt het voordeel van zijn slagen gedurende een jaar vanaf de datum van het afsluiten van het proces-verbaal van de vergelijkende selectie.
De afgevaardigd bestuurder kan de geldigheid van de wervingsreserves, op degelijk gemotiveerd verzoek van de minister of zijn afgevaardigde, één keer verlengen met een periode van maximaal een jaar.
Indien het gedurende deze periode nodig is aan te werven, dan worden de geslaagden die aan de gestelde voorwaarden voldoen, in de volgorde van hun rangschikking tot de stage toegelaten.
De rangschikking wordt bepaald op basis van de punten die behaald werden bij de proeven, bedoeld in artikel 9, § 1, eerste lid, 1° en 2°.
Onder de geslaagden van twee of meer vergelijkende selecties, wordt voorrang verleend aan de geslaagde van de vergelijkende selectie waarvan het proces-verbaal op de verst afgelegen datum is afgesloten.
§ 4. De leden van de jury worden door de afgevaardigd bestuurder of zijn afgevaardigde aangeduid, in overleg met de minister of zijn afgevaardigde.
Art. 10. § 1er. L'administrateur délégué détermine l'ordre des épreuves.
L'administrateur délégué détermine le nombre de points qui sont attribués à la sélection comparative dans son ensemble et à chacune des épreuves.
N'est admis à l'épreuve suivante que le candidat qui a obtenu au minimum cinquante pour cent des points à l'épreuve précédente.
Pour réussir la sélection comparative, le candidat doit obtenir soixante pour cent des points au total pour l'ensemble des épreuves.
§ 2. Après la clôture du procès-verbal de la sélection comparative, chaque candidat reçoit communication de son résultat.
§ 3. Le lauréat d'une sélection comparative prévue à l'article 8 conserve le bénéfice de sa réussite durant un an à partir de la date de clôture du procès-verbal de la sélection comparative.
L'administrateur délégué peut prolonger la validité des réserves de recrutement, à la demande dûment motivée du ministre ou de son délégué, à concurrence d'une seule période d'un an maximum.
Si, durant cette période, il est nécessaire de recruter, les lauréats qui remplissent les conditions fixées sont admis au stage dans l'ordre de leur classement.
Le classement est déterminé sur base des points obtenus aux épreuves visées à l'article 9, § 1er, alinéa 1er, 1° et 2°.
Entre les lauréats de deux ou plusieurs sélections comparatives, il est donné priorité au lauréat de la sélection comparative dont le procès-verbal a été clos à la date la plus ancienne.
§ 4. Les membres du jury sont désignés par l'administrateur délégué ou son délégué, en concertation avec le ministre ou son délégué.
L'administrateur délégué détermine le nombre de points qui sont attribués à la sélection comparative dans son ensemble et à chacune des épreuves.
N'est admis à l'épreuve suivante que le candidat qui a obtenu au minimum cinquante pour cent des points à l'épreuve précédente.
Pour réussir la sélection comparative, le candidat doit obtenir soixante pour cent des points au total pour l'ensemble des épreuves.
§ 2. Après la clôture du procès-verbal de la sélection comparative, chaque candidat reçoit communication de son résultat.
§ 3. Le lauréat d'une sélection comparative prévue à l'article 8 conserve le bénéfice de sa réussite durant un an à partir de la date de clôture du procès-verbal de la sélection comparative.
L'administrateur délégué peut prolonger la validité des réserves de recrutement, à la demande dûment motivée du ministre ou de son délégué, à concurrence d'une seule période d'un an maximum.
Si, durant cette période, il est nécessaire de recruter, les lauréats qui remplissent les conditions fixées sont admis au stage dans l'ordre de leur classement.
Le classement est déterminé sur base des points obtenus aux épreuves visées à l'article 9, § 1er, alinéa 1er, 1° et 2°.
Entre les lauréats de deux ou plusieurs sélections comparatives, il est donné priorité au lauréat de la sélection comparative dont le procès-verbal a été clos à la date la plus ancienne.
§ 4. Les membres du jury sont désignés par l'administrateur délégué ou son délégué, en concertation avec le ministre ou son délégué.
Onderafdeling 2. - Examen voor de toelating tot het tweede deel van de stage
Sous-section 2. - Examen d'admission à la seconde partie du stage
Art. 11. Het examen voor de toelating tot het tweede deel van de stage omvat een proef waarvan de inhoud door de minister of zijn afgevaardigde wordt bepaald.
Deze proef handelt over de tijdens de stage verworven kennis inzake de materies die vastgelegd worden in het stageplan.
Deze proef handelt over de tijdens de stage verworven kennis inzake de materies die vastgelegd worden in het stageplan.
Art. 11. L'examen d'admission à la seconde partie du stage comporte une épreuve dont le contenu est déterminé par le ministre ou son délégué.
Cette épreuve porte sur les connaissances acquises pendant le stage dans les matières qui sont déterminées dans le plan de stage.
Cette épreuve porte sur les connaissances acquises pendant le stage dans les matières qui sont déterminées dans le plan de stage.
Art. 12. § 1. Om voor het examen voor de toelating tot het tweede deel van de stage te slagen, moet de stagiair zestig procent van de punten behalen.
§ 2. De leden van de jury worden door de minister of zijn afgevaardigde aangeduid.
§ 2. De leden van de jury worden door de minister of zijn afgevaardigde aangeduid.
Art. 12. § 1er. Pour réussir l'examen d'admission à la seconde partie du stage, le stagiaire doit obtenir soixante pour cent des points.
§ 2. Les membres du jury sont désignés par le ministre ou son délégué.
§ 2. Les membres du jury sont désignés par le ministre ou son délégué.
Art. 13. De stagiair die niet geslaagd is voor het examen voor de toelating tot het tweede deel van de stage, kan een tweede maal deelnemen aan dit examen.
Een nieuw examen voor de toelating tot het tweede deel van de stage wordt georganiseerd in de loop van de derde maand die volgt op het einde van het eerste deel van de stage.
De stagiair blijft aangesteld bij het hoofdbestuur tot het slagen voor dit examen.
De stagiair, die definitief niet geslaagd is voor het examen voor de toelating tot het tweede deel van de stage, wordt ontslagen met naleving van een opzegtermijn van drie maanden, die ingaat op de dag van de betekening van de beslissing.
Een nieuw examen voor de toelating tot het tweede deel van de stage wordt georganiseerd in de loop van de derde maand die volgt op het einde van het eerste deel van de stage.
De stagiair blijft aangesteld bij het hoofdbestuur tot het slagen voor dit examen.
De stagiair, die definitief niet geslaagd is voor het examen voor de toelating tot het tweede deel van de stage, wordt ontslagen met naleving van een opzegtermijn van drie maanden, die ingaat op de dag van de betekening van de beslissing.
Art. 13. Le stagiaire qui n'a pas réussi l'examen d'admission à la seconde partie du stage peut participer une seconde fois à cet examen.
Un nouvel examen d'admission à la seconde partie du stage est organisé dans le courant du troisième mois qui suit la fin de la première partie du stage.
Le stagiaire reste affecté à l'administration centrale jusqu'à la réussite de cet examen.
Le stagiaire qui échoue définitivement à l'examen d'admission à la seconde partie du stage est licencié moyennant le respect d'un délai de préavis de trois mois qui prend cours le jour de la notification de la décision.
Un nouvel examen d'admission à la seconde partie du stage est organisé dans le courant du troisième mois qui suit la fin de la première partie du stage.
Le stagiaire reste affecté à l'administration centrale jusqu'à la réussite de cet examen.
Le stagiaire qui échoue définitivement à l'examen d'admission à la seconde partie du stage est licencié moyennant le respect d'un délai de préavis de trois mois qui prend cours le jour de la notification de la décision.
HOOFDSTUK 2. - De stage
CHAPITRE 2. - Le stage
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1re. - Dispositions générales
Art. 14. § 1. De minister laat de geslaagden toe tot het eerste deel van de stage in de volgorde van rangschikking van de vergelijkende selectie en benoemt hen in de hoedanigheid van stagiair. Zij worden in die hoedanigheid in dienst geroepen met het genot van al hun administratieve en geldelijke rechten, uiterlijk de eerste dag van de derde maand volgend op die van de toelaatbaarheidsverklaring.
Wanneer een geslaagde een opzegperiode moet volbrengen in toepassing van de toepasselijke bepalingen in een Staat die deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte of in de Zwitserse Bondsstaat of bij een instelling van de Europese Gemeenschappen of een instelling die opgericht werd door of krachtens een van de verdragen welke ze regelen, wordt de in het eerste lid vastgestelde termijn verlengd tot de eerste dag van de maand die volgt op de datum waarop de opzegtermijn verstrijkt.
Het eerste lid doet geen afbreuk aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 1 juni 1964 tot vaststelling van de administratieve toestand van sommige ambtenaren van de rijksbesturen, die in vredestijd militaire prestaties verrichten of diensten volbrengen ter uitvoering van de wet van 3 juni 1964 houdende het statuut van de gewetensbezwaarden.
§ 2. De geslaagde die niet tot de stage wordt opgeroepen, wordt in de reserve gehouden in zijn oorspronkelijke rangschikking.
De geslaagde die een betrekking aanvaardt, is gehouden deze op te nemen.
Diegene die, na aanvaarding, weigert om de stage aan te vangen, wordt definitief geschrapt van de reserve van geslaagden.
De geslaagde, die voorlopig geen gevolg wenst te geven aan een verzoek tot het aanvatten van de stage, krijgt uitstel. Tijdens dit uitstel, waarvan de duur de geldigheidsdatum van de reserve niet mag overschrijden, verliest hij het voordeel van zijn plaats in de rangschikking. Met zijn kandidatuur wordt geen rekening meer gehouden tenzij op zijn verzoek.
Wanneer een geslaagde een opzegperiode moet volbrengen in toepassing van de toepasselijke bepalingen in een Staat die deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte of in de Zwitserse Bondsstaat of bij een instelling van de Europese Gemeenschappen of een instelling die opgericht werd door of krachtens een van de verdragen welke ze regelen, wordt de in het eerste lid vastgestelde termijn verlengd tot de eerste dag van de maand die volgt op de datum waarop de opzegtermijn verstrijkt.
Het eerste lid doet geen afbreuk aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 1 juni 1964 tot vaststelling van de administratieve toestand van sommige ambtenaren van de rijksbesturen, die in vredestijd militaire prestaties verrichten of diensten volbrengen ter uitvoering van de wet van 3 juni 1964 houdende het statuut van de gewetensbezwaarden.
§ 2. De geslaagde die niet tot de stage wordt opgeroepen, wordt in de reserve gehouden in zijn oorspronkelijke rangschikking.
De geslaagde die een betrekking aanvaardt, is gehouden deze op te nemen.
Diegene die, na aanvaarding, weigert om de stage aan te vangen, wordt definitief geschrapt van de reserve van geslaagden.
De geslaagde, die voorlopig geen gevolg wenst te geven aan een verzoek tot het aanvatten van de stage, krijgt uitstel. Tijdens dit uitstel, waarvan de duur de geldigheidsdatum van de reserve niet mag overschrijden, verliest hij het voordeel van zijn plaats in de rangschikking. Met zijn kandidatuur wordt geen rekening meer gehouden tenzij op zijn verzoek.
Art. 14. § 1er. Le ministre admet les lauréats à la première partie du stage dans l'ordre du classement résultant de la sélection comparative et les nomme en qualité de stagiaire. Ils sont appelés en service en cette qualité, avec la jouissance de tous leurs droits administratifs et pécuniaires, au plus tard le premier jour du troisième mois suivant celui de la déclaration d'admissibilité.
Lorsqu'un lauréat doit accomplir une période de préavis en application des dispositions applicables dans un Etat qui fait partie de l'Espace économique européen ou dans la Confédération suisse ou auprès d'une institution des Communautés européennes ou d'un organisme créé par ou en vertu d'un des traités qui régissent celles-ci, le délai fixé à l'alinéa 1er est prolongé jusqu'au premier jour du mois qui suit la date à laquelle le délai de préavis expire.
L'alinéa 1er ne porte pas préjudice aux dispositions de l'arrêté royal du 1er juin 1964 fixant la position administrative de certains agents des administrations de l'Etat qui accomplissent, en temps de paix, des prestations militaires ou des services en exécution de la loi du 3 juin 1964 portant sur le statut des objecteurs de conscience.
§ 2. Le lauréat qui n'est pas appelé en stage est maintenu dans la réserve dans son classement initial.
Le lauréat qui accepte un emploi est tenu de l'occuper.
Celui qui, après acceptation, refuse d'entrer en stage est définitivement rayé de la réserve des lauréats.
Le lauréat qui provisoirement ne désire pas donner suite à une demande d'entrée en stage est ajourné. Pendant cet ajournement dont la durée ne peut dépasser la date de la validité de la réserve, il perd le bénéfice de son rang de classement. Sa candidature n'est à nouveau prise en considération qu'à sa demande.
Lorsqu'un lauréat doit accomplir une période de préavis en application des dispositions applicables dans un Etat qui fait partie de l'Espace économique européen ou dans la Confédération suisse ou auprès d'une institution des Communautés européennes ou d'un organisme créé par ou en vertu d'un des traités qui régissent celles-ci, le délai fixé à l'alinéa 1er est prolongé jusqu'au premier jour du mois qui suit la date à laquelle le délai de préavis expire.
L'alinéa 1er ne porte pas préjudice aux dispositions de l'arrêté royal du 1er juin 1964 fixant la position administrative de certains agents des administrations de l'Etat qui accomplissent, en temps de paix, des prestations militaires ou des services en exécution de la loi du 3 juin 1964 portant sur le statut des objecteurs de conscience.
§ 2. Le lauréat qui n'est pas appelé en stage est maintenu dans la réserve dans son classement initial.
Le lauréat qui accepte un emploi est tenu de l'occuper.
Celui qui, après acceptation, refuse d'entrer en stage est définitivement rayé de la réserve des lauréats.
Le lauréat qui provisoirement ne désire pas donner suite à une demande d'entrée en stage est ajourné. Pendant cet ajournement dont la durée ne peut dépasser la date de la validité de la réserve, il perd le bénéfice de son rang de classement. Sa candidature n'est à nouveau prise en considération qu'à sa demande.
Art. 15. De stagiair heeft niet de hoedanigheid van ambtenaar van de buitenlandse carrière in de zin van dit besluit.
De bepalingen van dit besluit en van de besluiten die het wijzigen of aanvullen, gelden voor hem slechts in zoverre zij uitdrukkelijk op hem toepasselijk zijn verklaard.
De bepalingen van dit besluit en van de besluiten die het wijzigen of aanvullen, gelden voor hem slechts in zoverre zij uitdrukkelijk op hem toepasselijk zijn verklaard.
Art. 15. Le stagiaire n'a pas la qualité d'agent de la carrière extérieure au sens du présent arrêté.
Il n'est soumis aux dispositions du présent arrêté et des arrêtés qui le modifient ou le complètent que dans la mesure où elles lui sont rendues expressément applicables.
Il n'est soumis aux dispositions du présent arrêté et des arrêtés qui le modifient ou le complètent que dans la mesure où elles lui sont rendues expressément applicables.
Art. 16. Gedurende de stageperiode verkrijgt de stagiair de weddeschaal NA11.
Art. 16. Pendant la période du stage, le stagiaire obtient l'échelle de traitement NA11.
Art. 17. Zijn van toepassing op de stagiair :
1° de bepalingen van de artikelen 7 tot en met 13, 14ter, 33bis, 99, 100, tweede lid, 101, eerste lid, 112, 113, eerste lid, 1° en 2° van het statuut van het Rijkspersoneel;
2° de bepalingen van de artikelen 4 tot en met 5, 49 tot en met 55, § 1, 56 en 61 tot en met 100.
1° de bepalingen van de artikelen 7 tot en met 13, 14ter, 33bis, 99, 100, tweede lid, 101, eerste lid, 112, 113, eerste lid, 1° en 2° van het statuut van het Rijkspersoneel;
2° de bepalingen van de artikelen 4 tot en met 5, 49 tot en met 55, § 1, 56 en 61 tot en met 100.
Art. 17. Sont applicables au stagiaire :
1° les dispositions des articles 7 à 13, 14ter, 33bis, 99, 100, alinéa 2, 101, alinéa 1er, 112, 113, alinéa 1er, 1° et 2°, du statut des agents de l'Etat;
2° les dispositions des articles 4 à 5, 49 à 55, § 1er, 56 et 61 à 100.
1° les dispositions des articles 7 à 13, 14ter, 33bis, 99, 100, alinéa 2, 101, alinéa 1er, 112, 113, alinéa 1er, 1° et 2°, du statut des agents de l'Etat;
2° les dispositions des articles 4 à 5, 49 à 55, § 1er, 56 et 61 à 100.
Art. 18. § 1. Voor de berekening van de duur van de stage worden alle perioden waarin de stagiair in dienstactiviteit is, in aanmerking genomen.
Zelfs als de stagiair in dienstactiviteit is, hebben perioden van afwezigheid gedurende de stage een schorsing van die laatste tot gevolg, van zodra ze, in één of verschillende malen, dertig werkdagen overschrijden.
Komen voor de berekening van deze afwezigheidsdagen niet in aanmerking :
1° het jaarlijks vakantieverlof;
2° de verloven toegestaan met toepassing van de artikelen 81, § 1 en § 2 en 82 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel;
3° de verloven bedoeld in de artikelen 14, 15 en 20 van het verlofbesluit.
§ 2. In geval van schorsing van de stage behoudt de betrokkene zijn hoedanigheid van stagiair en zijn administratieve stand wordt vastgesteld overeenkomstig de reglementaire bepalingen die op hem van toepassing zijn.
§ 3. Na afloop van een afwezigheid die een schorsing van de stage tot gevolg heeft gehad tijdens het eerste deel van deze stage, beslist de voorzitter of zijn afgevaardigde, na overleg met de stafdirecteur, of het noodzakelijk is dat de stagiair tijdens de voor de stage vastgestelde periode zijn opleiding voltooit of om deze vorming te verdagen naar de volgende stageperiode.
In dit geval behoudt de stagiair, in de tussentijd, de hoedanigheid van stagiair.
§ 4. De stagiair die verwezen wordt naar de volgende stageperiode omwille van een onderbreking van zijn opleiding wegens ziekte of gebrekkigheid, wordt, van zodra zijn afwezigheid een einde neemt, in dienstactiviteit gehouden.
Zelfs als de stagiair in dienstactiviteit is, hebben perioden van afwezigheid gedurende de stage een schorsing van die laatste tot gevolg, van zodra ze, in één of verschillende malen, dertig werkdagen overschrijden.
Komen voor de berekening van deze afwezigheidsdagen niet in aanmerking :
1° het jaarlijks vakantieverlof;
2° de verloven toegestaan met toepassing van de artikelen 81, § 1 en § 2 en 82 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel;
3° de verloven bedoeld in de artikelen 14, 15 en 20 van het verlofbesluit.
§ 2. In geval van schorsing van de stage behoudt de betrokkene zijn hoedanigheid van stagiair en zijn administratieve stand wordt vastgesteld overeenkomstig de reglementaire bepalingen die op hem van toepassing zijn.
§ 3. Na afloop van een afwezigheid die een schorsing van de stage tot gevolg heeft gehad tijdens het eerste deel van deze stage, beslist de voorzitter of zijn afgevaardigde, na overleg met de stafdirecteur, of het noodzakelijk is dat de stagiair tijdens de voor de stage vastgestelde periode zijn opleiding voltooit of om deze vorming te verdagen naar de volgende stageperiode.
In dit geval behoudt de stagiair, in de tussentijd, de hoedanigheid van stagiair.
§ 4. De stagiair die verwezen wordt naar de volgende stageperiode omwille van een onderbreking van zijn opleiding wegens ziekte of gebrekkigheid, wordt, van zodra zijn afwezigheid een einde neemt, in dienstactiviteit gehouden.
Art. 18. § 1er. Pour le calcul de la durée du stage, toutes les périodes pendant lesquelles le stagiaire est en activité de service sont prises en considération.
Même si le stagiaire est en activité de service, les périodes d'absence en cours de stage entraînent une suspension de celui-ci, dès lors qu'elles dépassent en une ou plusieurs fois trente jours ouvrables.
N'interviennent pas dans le calcul de ces jours d'absence :
1° les congés annuels de vacances;
2° les congés accordés en application des articles 81, § 1er et § 2 et 82 de l'arrêté royal du 28 septembre 1984 portant exécution de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités;
3° les congés visés aux articles 14, 15 et 20 de l'arrêté congé.
§ 2. En cas de suspension du stage, l'intéressé conserve sa qualité de stagiaire et sa position administrative est fixée conformément aux dispositions réglementaires qui lui sont applicables.
§ 3. A l'issue d'une absence qui a entraîné une suspension du stage pendant la première partie de ce stage, le président ou son délégué décide, après concertation avec le directeur d'encadrement, s'il y a lieu que le stagiaire complète sa formation dans la période prévue pour le stage, ou de reporter cette formation à la session de stage suivante.
Dans ce cas, le stagiaire conserve dans l'intervalle la qualité de stagiaire.
§ 4. Est maintenu en activité de service, dès que prend fin son absence, le stagiaire qui est reporté à la session de stage suivante en raison de l'interruption de sa formation pour cause de maladie ou d'infirmité.
Même si le stagiaire est en activité de service, les périodes d'absence en cours de stage entraînent une suspension de celui-ci, dès lors qu'elles dépassent en une ou plusieurs fois trente jours ouvrables.
N'interviennent pas dans le calcul de ces jours d'absence :
1° les congés annuels de vacances;
2° les congés accordés en application des articles 81, § 1er et § 2 et 82 de l'arrêté royal du 28 septembre 1984 portant exécution de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités;
3° les congés visés aux articles 14, 15 et 20 de l'arrêté congé.
§ 2. En cas de suspension du stage, l'intéressé conserve sa qualité de stagiaire et sa position administrative est fixée conformément aux dispositions réglementaires qui lui sont applicables.
§ 3. A l'issue d'une absence qui a entraîné une suspension du stage pendant la première partie de ce stage, le président ou son délégué décide, après concertation avec le directeur d'encadrement, s'il y a lieu que le stagiaire complète sa formation dans la période prévue pour le stage, ou de reporter cette formation à la session de stage suivante.
Dans ce cas, le stagiaire conserve dans l'intervalle la qualité de stagiaire.
§ 4. Est maintenu en activité de service, dès que prend fin son absence, le stagiaire qui est reporté à la session de stage suivante en raison de l'interruption de sa formation pour cause de maladie ou d'infirmité.
Art. 19. § 1. De stagiair kan gedurende de stage ontslagen worden wegens beroepsongeschiktheid met naleving van een opzegtermijn van drie maanden.
§ 2. Elke zware fout begaan tijdens de stage kan aanleiding geven tot een ontslag zonder opzegtermijn voor de stagiair.
De betrokkene moet voorafgaand gehoord of ondervraagd worden door de voorzitter of zijn afgevaardigde.
§ 3. Het ontslag, bedoeld in paragrafen 1 en 2, wordt uitgesproken door de minister of zijn afgevaardigde op gemotiveerd voorstel van de interdepartementale beroepscommissie inzake evaluatie.
§ 2. Elke zware fout begaan tijdens de stage kan aanleiding geven tot een ontslag zonder opzegtermijn voor de stagiair.
De betrokkene moet voorafgaand gehoord of ondervraagd worden door de voorzitter of zijn afgevaardigde.
§ 3. Het ontslag, bedoeld in paragrafen 1 en 2, wordt uitgesproken door de minister of zijn afgevaardigde op gemotiveerd voorstel van de interdepartementale beroepscommissie inzake evaluatie.
Art. 19. § 1er. Le stagiaire peut être licencié pour cause d'inaptitude professionnelle durant le stage moyennant le respect d'un délai de préavis de trois mois.
§ 2. Toute faute grave commise pendant le stage peut donner lieu au licenciement sans préavis du stagiaire.
L'intéressé doit, au préalable, être entendu ou interpellé par le président ou son délégué.
§ 3. Le licenciement prévu aux paragraphes 1er et 2 est prononcé par le ministre ou son délégué sur proposition motivée de la commission interdépartementale des recours en matière d'évaluation.
§ 2. Toute faute grave commise pendant le stage peut donner lieu au licenciement sans préavis du stagiaire.
L'intéressé doit, au préalable, être entendu ou interpellé par le président ou son délégué.
§ 3. Le licenciement prévu aux paragraphes 1er et 2 est prononcé par le ministre ou son délégué sur proposition motivée de la commission interdépartementale des recours en matière d'évaluation.
Art. 20. Gedurende de stage kan de stagiair geen verlof wegens opdracht krijgen overeenkomstig de artikelen 95 tot en met 112 van het verlofbesluit.
Art. 20. Pendant le stage, le stagiaire ne peut pas obtenir le congé pour mission prévu aux articles 95 à 112 de l'arrêté congé.
Afdeling 2. - Organisatie van de stage
Section 2. - Organisation du stage
Art. 21. § 1. De minister neemt de nodige schikkingen voor :
1° de organisatie van de stage;
2° het opstellen van het stageplan;
3° het vaststellen van de evaluatiecriteria voor de beoordeling tijdens de stage;
4° het vaststellen van de evaluatiecriteria voor de vergelijkende selectie zoals voorzien in artikel 8 en het examen zoals voorzien in artikel 11.
§ 2. De stage wordt geplaatst onder de verantwoordelijkheid van de stafdirecteur of zijn afgevaardigde.
1° de organisatie van de stage;
2° het opstellen van het stageplan;
3° het vaststellen van de evaluatiecriteria voor de beoordeling tijdens de stage;
4° het vaststellen van de evaluatiecriteria voor de vergelijkende selectie zoals voorzien in artikel 8 en het examen zoals voorzien in artikel 11.
§ 2. De stage wordt geplaatst onder de verantwoordelijkheid van de stafdirecteur of zijn afgevaardigde.
Art. 21. § 1er. Le ministre prend les dispositions requises pour :
1° l'organisation du stage;
2° la rédaction du plan de stage;
3° la détermination des critères d'évaluation pour l'évaluation durant le stage;
4° la détermination des critères d'évaluation pour la sélection comparative prévue à l'article 8 et l'examen prévu à l'article 11.
§ 2. Le stage est placé sous la responsabilité du directeur d'encadrement ou de son délégué.
1° l'organisation du stage;
2° la rédaction du plan de stage;
3° la détermination des critères d'évaluation pour l'évaluation durant le stage;
4° la détermination des critères d'évaluation pour la sélection comparative prévue à l'article 8 et l'examen prévu à l'article 11.
§ 2. Le stage est placé sous la responsabilité du directeur d'encadrement ou de son délégué.
Art. 22. De stage duurt vierentwintig maanden.
In de gevallen voorzien in artikel 18 doch met uitzondering van de verwijzing naar de volgende stageperiode voorzien in paragraaf 3 van dat artikel, kan de stage verlengd worden.
In de gevallen voorzien in artikel 18 doch met uitzondering van de verwijzing naar de volgende stageperiode voorzien in paragraaf 3 van dat artikel, kan de stage verlengd worden.
Art. 22. Le stage dure vingt-quatre mois.
Dans les cas prévus à l'article 18, à l'exception cependant du report à la session de stage suivante prévue au paragraphe 3 de cet article, le stage peut être prolongé.
Dans les cas prévus à l'article 18, à l'exception cependant du report à la session de stage suivante prévue au paragraphe 3 de cet article, le stage peut être prolongé.
Afdeling 3. - Het eerste deel van de stage
Section 3. - La première partie du stage
Art. 23. In de periode voorafgaand aan het examen voorzien in artikel 11, verricht de stagiair zijn stage op het hoofdbestuur.
De directe hiërarchische meerdere stelt op regelmatige tijdstippen die worden vastgelegd door de minister in functie van de duur van deze periode, een beoordelingsverslag op over de professionele bekwaamheden van de stagiair.
Elk verslag wordt naar de stafdirecteur of zijn afgevaardigde gestuurd en medegedeeld aan de stagiair.
De stagiair kan hierop zijn opmerkingen maken.
De verslagen en de eventuele opmerkingen worden in zijn persoonlijk dossier opgenomen.
De directe hiërarchische meerdere stelt op regelmatige tijdstippen die worden vastgelegd door de minister in functie van de duur van deze periode, een beoordelingsverslag op over de professionele bekwaamheden van de stagiair.
Elk verslag wordt naar de stafdirecteur of zijn afgevaardigde gestuurd en medegedeeld aan de stagiair.
De stagiair kan hierop zijn opmerkingen maken.
De verslagen en de eventuele opmerkingen worden in zijn persoonlijk dossier opgenomen.
Art. 23. Pendant la période précédant l'examen prévu à l'article 11, le stagiaire effectue son stage à l'administration centrale.
Le supérieur hiérarchique immédiat établit, à intervalles réguliers fixés par le ministre en fonction de la durée de cette période, un rapport d'évaluation des capacités professionnelles du stagiaire.
Chaque rapport est envoyé au directeur d'encadrement ou à son délégué et communiqué au stagiaire.
Le stagiaire peut faire valoir ses observations.
Les rapports et les observations éventuelles sont versés à son dossier personnel.
Le supérieur hiérarchique immédiat établit, à intervalles réguliers fixés par le ministre en fonction de la durée de cette période, un rapport d'évaluation des capacités professionnelles du stagiaire.
Chaque rapport est envoyé au directeur d'encadrement ou à son délégué et communiqué au stagiaire.
Le stagiaire peut faire valoir ses observations.
Les rapports et les observations éventuelles sont versés à son dossier personnel.
Art. 24. Wanneer de verslagen vermeld in artikel 23 in het geheel gunstig zijn voor de stagiair, geeft de voorzitter of zijn afgevaardigde de stagiair de toelating om zich aan te bieden voor het examen voor de toelating tot het tweede deel van de stage.
Art. 24. Si les rapports mentionnés à l'article 23 sont, dans l'ensemble, favorables au stagiaire, le président ou son délégué autorise le stagiaire à se présenter à l'examen d'admission à la seconde partie du stage.
Art. 25. § 1. Wanneer de verslagen vermeld in artikel 23 niet in het geheel gunstig zijn voor de stagiair, dan vat de stafdirecteur of zijn afgevaardigde de interdepartementale beroepscommissie inzake evaluatie. Te dien einde maakt hij een verslag op.
Dit verslag wordt aan de stagiair meegedeeld en deze kan hierop zijn opmerkingen maken.
Het verslag en de eventuele opmerkingen worden in zijn persoonlijk dossier opgenomen.
§ 2. Nadat de interdepartementale beroepscommissie inzake evaluatie alle nuttige informatie heeft ingewonnen, in het bijzonder bij de betrokken directe hiërarchische meerderen, nodigt zij de stagiair uit om te worden gehoord alvorens een beslissing te nemen.
De stagiair verschijnt in persoon; hij kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze. Deze persoon mag geen deel uitmaken van de interdepartementale beroepscommissie inzake evaluatie.
Wanneer de stagiair, hoewel regelmatig opgeroepen, zonder geldig excuus niet verschijnt, neemt de interdepartementale beroepscommissie inzake evaluatie een beslissing.
De interdepartementale beroepscommissie inzake evaluatie spreekt zich uit op grond van het in paragraaf 1 bedoelde verslag van de stafdirecteur of zijn afgevaardigde, zelfs indien de stagiair een geldig excuus kan inroepen, zodra de zaak het voorwerp van een tweede zitting uitmaakt.
§ 3. De interdepartementale beroepscommissie inzake evaluatie beslist om de stagiair toelating te geven om zich aan te bieden bij het examen voor de toelating tot het tweede deel van de stage of legt aan de minister of zijn afgevaardigde een gemotiveerd voorstel tot ontslag voor.
Dit verslag wordt aan de stagiair meegedeeld en deze kan hierop zijn opmerkingen maken.
Het verslag en de eventuele opmerkingen worden in zijn persoonlijk dossier opgenomen.
§ 2. Nadat de interdepartementale beroepscommissie inzake evaluatie alle nuttige informatie heeft ingewonnen, in het bijzonder bij de betrokken directe hiërarchische meerderen, nodigt zij de stagiair uit om te worden gehoord alvorens een beslissing te nemen.
De stagiair verschijnt in persoon; hij kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze. Deze persoon mag geen deel uitmaken van de interdepartementale beroepscommissie inzake evaluatie.
Wanneer de stagiair, hoewel regelmatig opgeroepen, zonder geldig excuus niet verschijnt, neemt de interdepartementale beroepscommissie inzake evaluatie een beslissing.
De interdepartementale beroepscommissie inzake evaluatie spreekt zich uit op grond van het in paragraaf 1 bedoelde verslag van de stafdirecteur of zijn afgevaardigde, zelfs indien de stagiair een geldig excuus kan inroepen, zodra de zaak het voorwerp van een tweede zitting uitmaakt.
§ 3. De interdepartementale beroepscommissie inzake evaluatie beslist om de stagiair toelating te geven om zich aan te bieden bij het examen voor de toelating tot het tweede deel van de stage of legt aan de minister of zijn afgevaardigde een gemotiveerd voorstel tot ontslag voor.
Art. 25. § 1er. Si les rapports mentionnés à l'article 23 ne sont pas, dans l'ensemble, favorables au stagiaire, le directeur d'encadrement ou son délégué saisit la commission interdépartementale des recours en matière d'évaluation. Il établit à cet effet un rapport.
Ce rapport est communiqué au stagiaire et celui-ci peut faire valoir ses observations.
Le rapport et les observations éventuelles sont versés à son dossier personnel.
§ 2. Après que la commission interdépartementale des recours en matière d'évaluation a recueilli toutes les informations utiles, notamment auprès des supérieurs hiérarchiques immédiats intéressés, elle invite le stagiaire à être entendu avant de prendre une décision.
Le stagiaire comparaît en personne; il peut se faire assister par la personne de son choix. Cette personne ne peut faire partie de la commission interdépartementale des recours en matière d'évaluation.
Si, bien que régulièrement convoqué, le stagiaire ne comparaît pas sans excuse valable, la commission interdépartementale des recours en matière d'évaluation prend une décision.
La commission interdépartementale des recours en matière d'évaluation se prononce sur base du rapport du directeur d'encadrement ou de son délégué visé au paragraphe 1er, même si le stagiaire peut se prévaloir d'une excuse valable, dès que l'affaire fait l'objet de la deuxième audience.
§ 3. La commission interdépartementale des recours en matière d'évaluation décide d'autoriser le stagiaire à se présenter à l'examen d'admission à la seconde partie du stage ou soumet au ministre ou son délégué une proposition motivée de licenciement.
Ce rapport est communiqué au stagiaire et celui-ci peut faire valoir ses observations.
Le rapport et les observations éventuelles sont versés à son dossier personnel.
§ 2. Après que la commission interdépartementale des recours en matière d'évaluation a recueilli toutes les informations utiles, notamment auprès des supérieurs hiérarchiques immédiats intéressés, elle invite le stagiaire à être entendu avant de prendre une décision.
Le stagiaire comparaît en personne; il peut se faire assister par la personne de son choix. Cette personne ne peut faire partie de la commission interdépartementale des recours en matière d'évaluation.
Si, bien que régulièrement convoqué, le stagiaire ne comparaît pas sans excuse valable, la commission interdépartementale des recours en matière d'évaluation prend une décision.
La commission interdépartementale des recours en matière d'évaluation se prononce sur base du rapport du directeur d'encadrement ou de son délégué visé au paragraphe 1er, même si le stagiaire peut se prévaloir d'une excuse valable, dès que l'affaire fait l'objet de la deuxième audience.
§ 3. La commission interdépartementale des recours en matière d'évaluation décide d'autoriser le stagiaire à se présenter à l'examen d'admission à la seconde partie du stage ou soumet au ministre ou son délégué une proposition motivée de licenciement.
Afdeling 4. - Het tweede deel van de stage
Section 4. - La seconde partie du stage
Art. 26. Na geslaagd te zijn voor het examen, voorzien in artikel 11, wordt de stagiair voor maximum twaalf maanden op post gestuurd om zich vertrouwd te maken met de verschillende onderwerpen die deel uitmaken van het stageprogramma en het functioneren op een post.
Art. 26. Après avoir réussi l'examen prévu à l'article 11, le stagiaire est envoyé pour maximum douze mois en poste, pour se familiariser avec les différentes matières faisant partie du programme de stage et le fonctionnement dans un poste.
Art. 27. § 1. Gedurende deze periode stelt het posthoofd op regelmatige tijdstippen die worden vastgelegd door de minister in functie van de duur van deze periode, een beoordelingsverslag over de professionele bekwaamheden van de stagiair op.
Elk verslag wordt naar de stafdirecteur of zijn afgevaardigde gestuurd en medegedeeld aan de stagiair.
De stagiair mag hierop zijn opmerkingen maken.
De verslagen en de eventuele opmerkingen worden in zijn persoonlijk dossier opgenomen.
§ 2. Ten laatste vijfenveertig dagen voor het einde van de stage, laat het posthoofd een eindverslag toekomen aan de stafdirecteur of zijn afgevaardigde, dat hij eveneens aan de stagiair meedeelt.
De stagiair kan hierop zijn opmerkingen maken binnen een termijn van vijftien dagen vanaf de dag van het ontvangen van het eindverslag.
Het verslag en de eventuele opmerkingen worden in zijn persoonlijk dossier opgenomen.
§ 3. In de loop van de laatste stagemaand vat de stafdirecteur of zijn afgevaardigde de voorzitter of zijn afgevaardigde met het eindverslag.
Wanneer dit eindverslag in het geheel gunstig is voor de stagiair, stelt de minister of zijn afgevaardigde de stagiair voor voor benoeming.
Wanneer dit eindverslag niet in het geheel gunstig is voor de stagiair, dan vat de voorzitter of zijn afgevaardigde de interdepartementale beroepscommissie inzake evaluatie.
§ 4. Nadat de interdepartementale beroepscommissie inzake evaluatie alle nuttige informatie heeft ingewonnen, nodigt zij de stagiair uit om te worden gehoord alvorens een beslissing te nemen.
De stagiair verschijnt in eigen persoon; hij kan zich laten bijstaan door de persoon van zijn keuze. Deze persoon mag geen deel uitmaken van de interdepartementale beroepscommissie inzake evaluatie.
Indien, alhoewel regelmatig opgeroepen, de stagiair zonder geldig excuus niet verschijnt, neemt de interdepartementale beroepscommissie inzake evaluatie een beslissing.
De interdepartementale beroepscommissie inzake evaluatie spreekt zich uit op grond van het eindverslag, zelfs indien de stagiair een geldig excuus kan inroepen, zodra de zaak het voorwerp van een tweede zitting uitmaakt.
§ 5. De interdepartementale beroepscommissie inzake evaluatie beslist ofwel dat de stagiair geschikt is voor benoeming ofwel legt zij aan de minister of zijn afgevaardigde een gemotiveerd voorstel van ontslag voor.
Elk verslag wordt naar de stafdirecteur of zijn afgevaardigde gestuurd en medegedeeld aan de stagiair.
De stagiair mag hierop zijn opmerkingen maken.
De verslagen en de eventuele opmerkingen worden in zijn persoonlijk dossier opgenomen.
§ 2. Ten laatste vijfenveertig dagen voor het einde van de stage, laat het posthoofd een eindverslag toekomen aan de stafdirecteur of zijn afgevaardigde, dat hij eveneens aan de stagiair meedeelt.
De stagiair kan hierop zijn opmerkingen maken binnen een termijn van vijftien dagen vanaf de dag van het ontvangen van het eindverslag.
Het verslag en de eventuele opmerkingen worden in zijn persoonlijk dossier opgenomen.
§ 3. In de loop van de laatste stagemaand vat de stafdirecteur of zijn afgevaardigde de voorzitter of zijn afgevaardigde met het eindverslag.
Wanneer dit eindverslag in het geheel gunstig is voor de stagiair, stelt de minister of zijn afgevaardigde de stagiair voor voor benoeming.
Wanneer dit eindverslag niet in het geheel gunstig is voor de stagiair, dan vat de voorzitter of zijn afgevaardigde de interdepartementale beroepscommissie inzake evaluatie.
§ 4. Nadat de interdepartementale beroepscommissie inzake evaluatie alle nuttige informatie heeft ingewonnen, nodigt zij de stagiair uit om te worden gehoord alvorens een beslissing te nemen.
De stagiair verschijnt in eigen persoon; hij kan zich laten bijstaan door de persoon van zijn keuze. Deze persoon mag geen deel uitmaken van de interdepartementale beroepscommissie inzake evaluatie.
Indien, alhoewel regelmatig opgeroepen, de stagiair zonder geldig excuus niet verschijnt, neemt de interdepartementale beroepscommissie inzake evaluatie een beslissing.
De interdepartementale beroepscommissie inzake evaluatie spreekt zich uit op grond van het eindverslag, zelfs indien de stagiair een geldig excuus kan inroepen, zodra de zaak het voorwerp van een tweede zitting uitmaakt.
§ 5. De interdepartementale beroepscommissie inzake evaluatie beslist ofwel dat de stagiair geschikt is voor benoeming ofwel legt zij aan de minister of zijn afgevaardigde een gemotiveerd voorstel van ontslag voor.
Art. 27. § 1er. Pendant cette période, le chef de poste établit, à intervalles réguliers fixés par le ministre en fonction de la durée de cette période, un rapport d'évaluation des capacités professionnelles du stagiaire.
Chaque rapport est envoyé au directeur d'encadrement ou à son délégué et communiqué au stagiaire.
Le stagiaire peut faire valoir ses observations.
Les rapports et les observations éventuelles sont versés à son dossier personnel.
§ 2. Au plus tard quarante-cinq jours avant la fin du stage, le chef de poste fait parvenir au directeur d'encadrement ou à son délégué un rapport final qu'il communique également au stagiaire.
Le stagiaire peut faire valoir ses observations dans un délai de quinze jours à dater de la réception du rapport final.
Le rapport et les observations éventuelles sont versés à son dossier personnel.
§ 3. Dans le courant du dernier mois du stage, le directeur d'encadrement ou son délégué saisit le président ou son délégué du rapport final.
Si ce rapport final est, dans l'ensemble, favorable au stagiaire, le ministre ou son délégué propose le stagiaire à la nomination.
Si ce rapport final n'est pas, dans l'ensemble, favorable au stagiaire, le président ou son délégué saisit la commission interdépartementale des recours en matière d'évaluation.
§ 4. Après que la commission interdépartementale des recours en matière d'évaluation a recueilli toutes les informations utiles, elle invite le stagiaire à être entendu avant de prendre une décision.
Le stagiaire comparaît en personne; il peut se faire assister par la personne de son choix. Cette personne ne peut faire partie de la commission interdépartementale des recours en matière d'évaluation.
Si, bien que régulièrement convoqué, le stagiaire ne comparaît pas sans excuse valable, la commission interdépartementale des recours en matière d'évaluation prend une décision.
La commission interdépartementale des recours en matière d'évaluation se prononce sur base du rapport final, même si le stagiaire peut se prévaloir d'une excuse valable, dès que l'affaire fait l'objet d'une deuxième audience.
§ 5. La commission interdépartementale des recours en matière d'évaluation soit décide que le stagiaire est apte à la nomination, soit soumet au ministre ou à son délégué une proposition motivée de licenciement.
Chaque rapport est envoyé au directeur d'encadrement ou à son délégué et communiqué au stagiaire.
Le stagiaire peut faire valoir ses observations.
Les rapports et les observations éventuelles sont versés à son dossier personnel.
§ 2. Au plus tard quarante-cinq jours avant la fin du stage, le chef de poste fait parvenir au directeur d'encadrement ou à son délégué un rapport final qu'il communique également au stagiaire.
Le stagiaire peut faire valoir ses observations dans un délai de quinze jours à dater de la réception du rapport final.
Le rapport et les observations éventuelles sont versés à son dossier personnel.
§ 3. Dans le courant du dernier mois du stage, le directeur d'encadrement ou son délégué saisit le président ou son délégué du rapport final.
Si ce rapport final est, dans l'ensemble, favorable au stagiaire, le ministre ou son délégué propose le stagiaire à la nomination.
Si ce rapport final n'est pas, dans l'ensemble, favorable au stagiaire, le président ou son délégué saisit la commission interdépartementale des recours en matière d'évaluation.
§ 4. Après que la commission interdépartementale des recours en matière d'évaluation a recueilli toutes les informations utiles, elle invite le stagiaire à être entendu avant de prendre une décision.
Le stagiaire comparaît en personne; il peut se faire assister par la personne de son choix. Cette personne ne peut faire partie de la commission interdépartementale des recours en matière d'évaluation.
Si, bien que régulièrement convoqué, le stagiaire ne comparaît pas sans excuse valable, la commission interdépartementale des recours en matière d'évaluation prend une décision.
La commission interdépartementale des recours en matière d'évaluation se prononce sur base du rapport final, même si le stagiaire peut se prévaloir d'une excuse valable, dès que l'affaire fait l'objet d'une deuxième audience.
§ 5. La commission interdépartementale des recours en matière d'évaluation soit décide que le stagiaire est apte à la nomination, soit soumet au ministre ou à son délégué une proposition motivée de licenciement.
HOOFDSTUK 3. - De benoeming en de indiensttreding als ambtenaar van de buitenlandse carrière
CHAPITRE 3. - La nomination et l'entrée en fonction en tant qu'agent de la carrière extérieure
Afdeling 1. - De benoeming als ambtenaar van de buitenlandse carrière
Section 1re. - La nomination en tant qu'agent de la carrière extérieure
Art. 28. § 1. De stagiair die aan de benoemingsvoorwaarden opgesomd in artikel 6 voldoet, wordt door Ons, op voorstel van de minister, benoemd als ambtenaar van de buitenlandse carrière in de klasse A2.
De stagiair die op het einde van zijn stage niet voldoet aan de benoemingsvoorwaarden voorzien in artikel 6, verliest ambtshalve en zonder vooropzeg zijn hoedanigheid van stagiair.
Op het ogenblik van hun benoeming worden de stagiairs alfabetisch gerangschikt.
§ 2. Voor de berekening van de geldelijke anciënniteit en voor zijn rangschikking neemt de stagiair zijn rang in op de datum waarop hij zijn stage heeft aangevat.
De stagiair die op het einde van zijn stage niet voldoet aan de benoemingsvoorwaarden voorzien in artikel 6, verliest ambtshalve en zonder vooropzeg zijn hoedanigheid van stagiair.
Op het ogenblik van hun benoeming worden de stagiairs alfabetisch gerangschikt.
§ 2. Voor de berekening van de geldelijke anciënniteit en voor zijn rangschikking neemt de stagiair zijn rang in op de datum waarop hij zijn stage heeft aangevat.
Art. 28. § 1er. Le stagiaire, qui remplit les conditions de nomination énumérées à l'article 6, est nommé par Nous sur proposition du ministre, en tant qu'agent de la carrière extérieure dans la classe A2.
Le stagiaire qui, à l'issue de son stage, ne satisfait pas aux conditions de nomination prévues à l'article 6, perd d'office et sans préavis sa qualité de stagiaire.
Lors de leur nomination, les stagiaires sont classés par ordre alphabétique.
§ 2. Pour le calcul de son ancienneté dans son échelle de traitement et pour son classement, le stagiaire prend rang à la date à laquelle il est entré en stage.
Le stagiaire qui, à l'issue de son stage, ne satisfait pas aux conditions de nomination prévues à l'article 6, perd d'office et sans préavis sa qualité de stagiaire.
Lors de leur nomination, les stagiaires sont classés par ordre alphabétique.
§ 2. Pour le calcul de son ancienneté dans son échelle de traitement et pour son classement, le stagiaire prend rang à la date à laquelle il est entré en stage.
Afdeling 2. - De indiensttreding
Section 2. - L'entrée en fonction
Art. 29. De stagiair legt de eed af bij zijn benoeming als ambtenaar van de buitenlandse carrière.
Hij wordt geacht in dienst te treden in die hoedanigheid vanaf het moment van zijn eedaflegging.
Indien hij weigert de eed af te leggen, wordt zijn benoeming als onbestaande beschouwd.
Hij wordt geacht in dienst te treden in die hoedanigheid vanaf het moment van zijn eedaflegging.
Indien hij weigert de eed af te leggen, wordt zijn benoeming als onbestaande beschouwd.
Art. 29. Le stagiaire prête serment lors de sa nomination en qualité d'agent de la carrière extérieure.
Il est censé entrer en fonction en cette qualité dès le moment de sa prestation de serment.
S'il refuse de prêter serment, sa nomination est censée ne pas avoir lieu.
Il est censé entrer en fonction en cette qualité dès le moment de sa prestation de serment.
S'il refuse de prêter serment, sa nomination est censée ne pas avoir lieu.
Art. 30. De eed wordt afgelegd in de handen van de minister of van zijn afgevaardigde.
Art. 30. Le serment est prêté entre les mains du ministre ou de son délégué.
HOOFDSTUK 4. - Hiërarchie, evaluatie en bevorderingen
CHAPITRE 4. - Hiérarchie, évaluation et promotions
Afdeling 1. - Hiërarchie
Section 1re. - Hiérarchie
Art. 31. § 1. De buitenlandse carrière maakt deel uit van het niveau A van het Rijkspersoneel, zoals bepaald in artikel 3 van het statuut van het Rijkspersoneel.
§ 2. De buitenlandse carrière bevat vier klassen, genummerd van A2 tot A5 die de hoogste is.
De ambtenaar treedt in dienst in de klasse A2 en wordt bekleed met de weddeschaal NA21.
§ 3. De ambtenaar benoemd in de klasse A2 en bekleed met de weddeschaal NA21 of NA22, draagt de titel van Ambassadesecretaris.
De ambtenaar benoemd in de klasse A2 en bekleed met de weddeschaal NA23, NA24 of NA25, draagt de titel van Eerste Ambassadesecretaris.
De ambtenaar benoemd in de klasse A3 en bekleed met de weddeschaal NA31 of NA32, draagt de titel van Ambassaderaad.
De ambtenaar benoemd in de klasse A3 en bekleed met de weddeschaal NA33, NA34 of NA35, draagt de titel van Eerste Ambassaderaad.
De ambtenaar benoemd in de klasse A4 draagt de titel van Gevolmachtigd Minister.
De ambtenaar benoemd in de klasse A5 draagt de titel van Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur.
§ 4. De weddeschalen zijn diegene die vastgesteld zijn in artikel 8, tweede tot en met vijfde lid van de bezoldigingsregeling en in bijlage I van de bezoldigingsregeling.
§ 5. De functies uitgeoefend door de ambtenaren van de buitenlandse carrière worden geclassificeerd door de minister met toepassing van de volgende criteria :
1° de complexiteit van de taken die uit de functie voortvloeien;
2° de weerslag van de functie op de internationale relaties van België;
3° het niveau van representatie die uit de functie voortvloeit;
4° het belang van de budgettaire middelen van de Belgische Staat die in het kader van de functie geëngageerd of beheerd worden, in het bijzonder op het gebied van ontwikkelingssamenwerking;
5° het aantal en het niveau van de personeelsleden waarvan de ambtenaar van de buitenlandse carrière het beheer verzekert.
§ 2. De buitenlandse carrière bevat vier klassen, genummerd van A2 tot A5 die de hoogste is.
De ambtenaar treedt in dienst in de klasse A2 en wordt bekleed met de weddeschaal NA21.
§ 3. De ambtenaar benoemd in de klasse A2 en bekleed met de weddeschaal NA21 of NA22, draagt de titel van Ambassadesecretaris.
De ambtenaar benoemd in de klasse A2 en bekleed met de weddeschaal NA23, NA24 of NA25, draagt de titel van Eerste Ambassadesecretaris.
De ambtenaar benoemd in de klasse A3 en bekleed met de weddeschaal NA31 of NA32, draagt de titel van Ambassaderaad.
De ambtenaar benoemd in de klasse A3 en bekleed met de weddeschaal NA33, NA34 of NA35, draagt de titel van Eerste Ambassaderaad.
De ambtenaar benoemd in de klasse A4 draagt de titel van Gevolmachtigd Minister.
De ambtenaar benoemd in de klasse A5 draagt de titel van Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur.
§ 4. De weddeschalen zijn diegene die vastgesteld zijn in artikel 8, tweede tot en met vijfde lid van de bezoldigingsregeling en in bijlage I van de bezoldigingsregeling.
§ 5. De functies uitgeoefend door de ambtenaren van de buitenlandse carrière worden geclassificeerd door de minister met toepassing van de volgende criteria :
1° de complexiteit van de taken die uit de functie voortvloeien;
2° de weerslag van de functie op de internationale relaties van België;
3° het niveau van representatie die uit de functie voortvloeit;
4° het belang van de budgettaire middelen van de Belgische Staat die in het kader van de functie geëngageerd of beheerd worden, in het bijzonder op het gebied van ontwikkelingssamenwerking;
5° het aantal en het niveau van de personeelsleden waarvan de ambtenaar van de buitenlandse carrière het beheer verzekert.
Art. 31. § 1er. La carrière extérieure se situe au niveau A des agents de l'Etat, tel que déterminé à l'article 3 du statut des agents de l'Etat.
§ 2. La carrière extérieure comprend quatre classes numérotées de A2 à A5 qui est la plus élevée.
L'agent entre en service dans la classe A2 et est revêtu de l'échelle de traitement NA21.
§ 3. L'agent nommé dans la classe A2 et revêtu de l'échelle de traitement NA21 ou NA22, porte le titre de Secrétaire d'Ambassade.
L'agent nommé dans la classe A2 et revêtu de l'échelle de traitement NA23, NA24 ou NA25, porte le titre de Premier Secrétaire d'Ambassade.
L'agent nommé dans la classe A3 et revêtu de l'échelle de traitement NA31 ou NA32, porte le titre de Conseiller d'Ambassade.
L'agent nommé dans la classe A3 et revêtu de l'échelle de traitement NA33, NA34 ou NA35, porte le titre de Premier Conseiller d'Ambassade.
L'agent nommé dans la classe A4 porte le titre de Ministre plénipotentiaire.
L'agent nommé dans la classe A5 porte le titre d'Ambassadeur extraordinaire et plénipotentiaire.
§ 4. Les échelles de traitement sont celles fixées par l'article 8, alinéas 2 à 5 du statut pécuniaire et par l'annexe I du statut pécuniaire.
§ 5. Les fonctions exercées par les agents de la carrière extérieure sont classées par le ministre en application des critères suivants :
1° la complexité des tâches qui relèvent de la fonction;
2° l'impact de la fonction sur les relations internationales de la Belgique;
3° le niveau de représentation qui relève de la fonction;
4° l'importance des moyens budgétaires de l'Etat belge qui sont engagés ou gérés dans le cadre de la fonction, particulièrement en ce qui concerne le domaine de la coopération au développement;
5° le nombre et le niveau des membres du personnel dont l'agent de la carrière extérieure assure la gestion.
§ 2. La carrière extérieure comprend quatre classes numérotées de A2 à A5 qui est la plus élevée.
L'agent entre en service dans la classe A2 et est revêtu de l'échelle de traitement NA21.
§ 3. L'agent nommé dans la classe A2 et revêtu de l'échelle de traitement NA21 ou NA22, porte le titre de Secrétaire d'Ambassade.
L'agent nommé dans la classe A2 et revêtu de l'échelle de traitement NA23, NA24 ou NA25, porte le titre de Premier Secrétaire d'Ambassade.
L'agent nommé dans la classe A3 et revêtu de l'échelle de traitement NA31 ou NA32, porte le titre de Conseiller d'Ambassade.
L'agent nommé dans la classe A3 et revêtu de l'échelle de traitement NA33, NA34 ou NA35, porte le titre de Premier Conseiller d'Ambassade.
L'agent nommé dans la classe A4 porte le titre de Ministre plénipotentiaire.
L'agent nommé dans la classe A5 porte le titre d'Ambassadeur extraordinaire et plénipotentiaire.
§ 4. Les échelles de traitement sont celles fixées par l'article 8, alinéas 2 à 5 du statut pécuniaire et par l'annexe I du statut pécuniaire.
§ 5. Les fonctions exercées par les agents de la carrière extérieure sont classées par le ministre en application des critères suivants :
1° la complexité des tâches qui relèvent de la fonction;
2° l'impact de la fonction sur les relations internationales de la Belgique;
3° le niveau de représentation qui relève de la fonction;
4° l'importance des moyens budgétaires de l'Etat belge qui sont engagés ou gérés dans le cadre de la fonction, particulièrement en ce qui concerne le domaine de la coopération au développement;
5° le nombre et le niveau des membres du personnel dont l'agent de la carrière extérieure assure la gestion.
Afdeling 2. - Evaluatie
Section 2. - Evaluation
Art. 32. Voor de toepassing van artikel 5, tweede lid, 3°, van het koninklijk besluit van 24 september 2013 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt is de aanstelling op post of op het hoofdbestuur een verandering van functie.
Art. 32. Pour l'application de l'article 5, alinéa 2, 3°, de l'arrêté royal du 24 septembre 2013 relatif à l'évaluation dans la fonction publique fédérale, l'affectation en poste ou à l'administration centrale est un changement de fonction.
Art. 33. Voor de ambtenaren van de buitenlandse carrière die hoofd van een post zijn, vinden de volgende gesprekken plaats door middel van een schriftelijk overleg :
1° het functiegesprek;
2° het planningsgesprek;
3° in voorkomend geval, het functioneringsgesprek;
4° het evaluatiegesprek.
1° het functiegesprek;
2° het planningsgesprek;
3° in voorkomend geval, het functioneringsgesprek;
4° het evaluatiegesprek.
Art. 33. Pour les agents de la carrière extérieure qui sont chef d'un poste, les entretiens suivants ont lieu au moyen d'une concertation écrite :
1° l'entretien de fonction;
2° l'entretien de planification;
3° le cas échéant, l'entretien de fonctionnement;
4° l'entretien d'évaluation.
1° l'entretien de fonction;
2° l'entretien de planification;
3° le cas échéant, l'entretien de fonctionnement;
4° l'entretien d'évaluation.
Afdeling 3. - Bevorderingen
Section 3. - Promotions
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen
Sous-section 1re. - Dispositions générales
Art. 34. Er zijn twee soorten bevorderingen :
1° wat de administratieve loopbaan betreft, is de bevordering de benoeming van de ambtenaar tot de hogere klasse;
2° wat de geldelijke loopbaan betreft, is de bevordering de toekenning aan de ambtenaar in zijn klasse van de weddeschaal hoger dan die welke hij genoot; ze wordt "bevordering in weddeschaal" genoemd.
1° wat de administratieve loopbaan betreft, is de bevordering de benoeming van de ambtenaar tot de hogere klasse;
2° wat de geldelijke loopbaan betreft, is de bevordering de toekenning aan de ambtenaar in zijn klasse van de weddeschaal hoger dan die welke hij genoot; ze wordt "bevordering in weddeschaal" genoemd.
Art. 34. Il y a deux types de promotion :
1° pour ce qui concerne la carrière administrative, la promotion est la nomination de l'agent à la classe supérieure;
2° pour ce qui concerne la carrière pécuniaire, la promotion est l'attribution à l'agent, dans sa classe, de l'échelle de traitement supérieure à celle dont il bénéficiait; elle est dénommée " promotion barémique ".
1° pour ce qui concerne la carrière administrative, la promotion est la nomination de l'agent à la classe supérieure;
2° pour ce qui concerne la carrière pécuniaire, la promotion est l'attribution à l'agent, dans sa classe, de l'échelle de traitement supérieure à celle dont il bénéficiait; elle est dénommée " promotion barémique ".
Art. 35. De bevordering tot de hogere klasse is afhankelijk van de vacature van een betrekking en wordt verleend na met redenen omkleed advies van het Directiecomité.
De bevordering tot de hogere klasse wordt door Ons verleend.
De bevordering in weddeschaal wordt door de minister of zijn afgevaardigde verleend.
De bevordering tot de hogere klasse wordt door Ons verleend.
De bevordering in weddeschaal wordt door de minister of zijn afgevaardigde verleend.
Art. 35. La promotion à la classe supérieure est subordonnée à la vacance d'un emploi et est attribuée après avis motivé du Comité de direction.
La promotion à la classe supérieure est attribuée par Nous.
La promotion barémique est attribuée par le ministre ou son délégué.
La promotion à la classe supérieure est attribuée par Nous.
La promotion barémique est attribuée par le ministre ou son délégué.
Art. 36. Om een bevordering of een bevordering in weddeschaal te bekomen, moet de ambtenaar zich bevinden in een administratieve stand waarin hij zijn aanspraken op bevordering kan doen gelden.
Bovendien mag hij geen vermelding "onvoldoende" hebben gekregen op het einde van zijn evaluatie.
Bovendien mag hij geen vermelding "onvoldoende" hebben gekregen op het einde van zijn evaluatie.
Art. 36. Pour obtenir une promotion ou une promotion barémique, l'agent doit être dans une position administrative où il peut faire valoir ses titres à la promotion.
En outre, il ne peut avoir obtenu la mention " insuffisant " au terme de son évaluation.
En outre, il ne peut avoir obtenu la mention " insuffisant " au terme de son évaluation.
Onderafdeling 2. - Voorwaarden voor bevordering tot de hogere klasse
Sous-section 2. - Conditions de promotion à la classe supérieure
Art. 37. Kan worden bevorderd tot de klasse A3, de ambtenaar van de klasse A2 :
1° die een klasse-anciënniteit van vier jaar heeft;
2° die slaagt in een taalexamen met betrekking tot de kennis van een andere taal dan de Engelse, Franse of Nederlandse taal waarvan het niveau overeenstemt met het niveau B1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen, zoals opgesteld door de Raad van Europa, voor de spreekvaardigheid en de schrijfvaardigheid.
De minister of zijn afgevaardigde stelt de lijst van andere talen bedoeld in lid 1, 2° vast.
1° die een klasse-anciënniteit van vier jaar heeft;
2° die slaagt in een taalexamen met betrekking tot de kennis van een andere taal dan de Engelse, Franse of Nederlandse taal waarvan het niveau overeenstemt met het niveau B1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen, zoals opgesteld door de Raad van Europa, voor de spreekvaardigheid en de schrijfvaardigheid.
De minister of zijn afgevaardigde stelt de lijst van andere talen bedoeld in lid 1, 2° vast.
Art. 37. Peut être promu à la classe A3, l'agent de la classe A2 :
1° qui compte une ancienneté de classe de quatre ans;
2° qui réussit un examen linguistique portant sur la connaissance d'une autre langue que la langue anglaise, française ou néerlandaise, dont le niveau correspond au niveau B1 du Cadre européen commun de référence pour les langues, comme institué par le Conseil de l'Europe, pour l'expression orale et l'expression écrite.
Le ministre ou son délégué fixe la liste des autres langues visées à l'alinéa 1er, 2°.
1° qui compte une ancienneté de classe de quatre ans;
2° qui réussit un examen linguistique portant sur la connaissance d'une autre langue que la langue anglaise, française ou néerlandaise, dont le niveau correspond au niveau B1 du Cadre européen commun de référence pour les langues, comme institué par le Conseil de l'Europe, pour l'expression orale et l'expression écrite.
Le ministre ou son délégué fixe la liste des autres langues visées à l'alinéa 1er, 2°.
Art. 38. Kan worden bevorderd tot de klasse A4, de ambtenaar van de klasse A3 die een klasse-anciënniteit van vijf jaar heeft.
Art. 38. Peut être promu à la classe A4, l'agent de la classe A3 qui compte une ancienneté de classe de cinq ans.
Art. 39. Kan worden bevorderd tot de klasse A5, de ambtenaar van de klasse A4 die een klasse-anciënniteit van vijf jaar heeft.
Art. 39. Peut être promu à la classe A5, l'agent de la classe A4 qui compte une ancienneté de classe de cinq ans.
Art. 40. De bevordering heeft plaats in de eerste weddeschaal van de hogere klasse.
In afwijking van het eerste lid krijgt de ambtenaar die bevorderd is naar de hogere weddeschaal en bezoldigd is in de weddeschaal bedoeld in de eerste kolom van onderstaande tabel de weddeschaal van zijn klasse vermeld in de tweede kolom :
In afwijking van het eerste lid krijgt de ambtenaar die bevorderd is naar de hogere weddeschaal en bezoldigd is in de weddeschaal bedoeld in de eerste kolom van onderstaande tabel de weddeschaal van zijn klasse vermeld in de tweede kolom :
Art. 40. La promotion a lieu dans la première échelle de traitement de la classe supérieure.
Par dérogation à l'alinéa 1er, l'agent qui est promu à la classe supérieure et est rémunéré dans l'échelle de traitement visée dans la première colonne du tableau ci-dessous, obtient l'échelle de traitement de sa classe mentionnée dans la deuxième colonne :
Par dérogation à l'alinéa 1er, l'agent qui est promu à la classe supérieure et est rémunéré dans l'échelle de traitement visée dans la première colonne du tableau ci-dessous, obtient l'échelle de traitement de sa classe mentionnée dans la deuxième colonne :
| Kolom 1 | Kolom 2 |
| NA23 | NA32 |
| NA24 | NA33 |
| NA25 | NA34 |
| NA34 | NA42 |
| NA35 | NA43 |
| NA43 | NA52 |
| NA44 | NA53 |
| Colonne 1 | Colonne 2 |
| NA23 | NA32 |
| NA24 | NA33 |
| NA25 | NA34 |
| NA34 | NA42 |
| NA35 | NA43 |
| NA43 | NA52 |
| NA44 | NA53 |
Onderafdeling 3. - Bevorderingsprocedure tot de hogere klasse
Sous-section 3. - Procédure de promotion à la classe supérieure
Art. 41. § 1. De vacature van een door bevordering tot de hogere klasse te begeven betrekking wordt ter kennis gebracht van de bevorderbare ambtenaren door middel van een bekendmaking van vacante betrekking.
De bekendmaking van vacante betrekking bevat de elementen betreffende de vacante functies toegankelijk voor de ambtenaren van de bedoelde klasse om de kandidaten toe te laten te solliciteren met kennis van zaken.
De bekendmaking van vacante betrekking wordt gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.
De ambtenaren, worden, ten informatieve titel, op de hoogte gebracht van deze publicatie per mail of, bij gebreke hiervan, per brief.
§ 2. Er wordt alleen rekening gehouden met de titels en verdiensten van de ambtenaren die hun kandidatuur, vergezeld van een motivering, hebben ingediend per aangetekend schrijven, via een gelijkgestelde elektronische procedure of via de diplomatieke tas voor de ambtenaren op post, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont, binnen een termijn van twintig werkdagen die ingaat op de eerste werkdag volgend op de dag van de publicatie in het Belgisch Staatsblad.
Wanneer de eerste of de laatste dag van de termijn een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, wordt de termijn verlengd tot de volgende werkdag.
Het is de ambtenaar toegelaten bij voorbaat naar elke betrekking te dingen die tijdens zijn afwezigheid vacant zou worden verklaard. De geldigheid van een dergelijke sollicitatie is beperkt tot twee maanden.
De bekendmaking van vacante betrekking bevat de elementen betreffende de vacante functies toegankelijk voor de ambtenaren van de bedoelde klasse om de kandidaten toe te laten te solliciteren met kennis van zaken.
De bekendmaking van vacante betrekking wordt gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.
De ambtenaren, worden, ten informatieve titel, op de hoogte gebracht van deze publicatie per mail of, bij gebreke hiervan, per brief.
§ 2. Er wordt alleen rekening gehouden met de titels en verdiensten van de ambtenaren die hun kandidatuur, vergezeld van een motivering, hebben ingediend per aangetekend schrijven, via een gelijkgestelde elektronische procedure of via de diplomatieke tas voor de ambtenaren op post, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont, binnen een termijn van twintig werkdagen die ingaat op de eerste werkdag volgend op de dag van de publicatie in het Belgisch Staatsblad.
Wanneer de eerste of de laatste dag van de termijn een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, wordt de termijn verlengd tot de volgende werkdag.
Het is de ambtenaar toegelaten bij voorbaat naar elke betrekking te dingen die tijdens zijn afwezigheid vacant zou worden verklaard. De geldigheid van een dergelijke sollicitatie is beperkt tot twee maanden.
Art. 41. § 1er. La vacance d'un emploi à conférer par promotion à la classe supérieure est portée à la connaissance des agents susceptibles d'être promus au moyen d'un avis de vacance d'emploi.
L'avis de vacance d'emploi contient les éléments relatifs aux fonctions vacantes accessibles aux agents de la classe considérée afin de permettre aux candidats de postuler en toute connaissance de cause.
L'avis de vacance d'emploi est publié au Moniteur belge.
Les agents sont avertis, à titre informatif, de cette publication par courriel ou, à défaut, par lettre.
§ 2. Sont seuls pris en considération, les titres et mérites des agents qui ont présenté leur candidature accompagnée d'une motivation par lettre recommandée, par une procédure électronique équivalente ou par la valise diplomatique pour les agents en poste, le bordereau d'inscription établissant la date d'envoi, dans un délai de vingt jours ouvrables qui commence à courir le premier jour ouvrable suivant le jour de la publication au Moniteur belge.
Lorsque le premier ou le dernier jour du délai est un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, le délai est prolongé jusqu'au prochain jour ouvrable.
L'agent est autorisé à poser sa candidature à l'avance pour tout emploi qui serait déclaré vacant pendant son absence. La validité d'une telle candidature est limitée à deux mois.
L'avis de vacance d'emploi contient les éléments relatifs aux fonctions vacantes accessibles aux agents de la classe considérée afin de permettre aux candidats de postuler en toute connaissance de cause.
L'avis de vacance d'emploi est publié au Moniteur belge.
Les agents sont avertis, à titre informatif, de cette publication par courriel ou, à défaut, par lettre.
§ 2. Sont seuls pris en considération, les titres et mérites des agents qui ont présenté leur candidature accompagnée d'une motivation par lettre recommandée, par une procédure électronique équivalente ou par la valise diplomatique pour les agents en poste, le bordereau d'inscription établissant la date d'envoi, dans un délai de vingt jours ouvrables qui commence à courir le premier jour ouvrable suivant le jour de la publication au Moniteur belge.
Lorsque le premier ou le dernier jour du délai est un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, le délai est prolongé jusqu'au prochain jour ouvrable.
L'agent est autorisé à poser sa candidature à l'avance pour tout emploi qui serait déclaré vacant pendant son absence. La validité d'une telle candidature est limitée à deux mois.
Art. 42. Het Directiecomité doet een voorlopig voorstel van rangschikking gebaseerd op de titels en verdiensten van de ambtenaren en hun geschiktheid om de vacante betrekking waar te nemen.
Art. 42. Le Comité de direction établit une proposition provisoire de classement basée sur les titres et mérites des agents et sur leur aptitude à remplir l'emploi vacant.
Art. 43. § 1. Het voorlopig voorstel van rangschikking dat is opgemaakt voor elke vacante betrekking wordt schriftelijk ter kennis gebracht van alle kandidaten die hun kandidatuur geldig hebben ingediend.
Deze betekening bevat ten minste de volgende gegevens :
1° de rangschikking van de kandidaten;
2° het meedelen aan de ambtenaar die zich benadeeld zou achten van de mogelijkheid om binnen twintig dagen na de kennisgeving een bezwaarschrift in te dienen bij de voorzitter en om te verzoeken eventueel door het Directiecomité gehoord te worden;
3° het gedeelte van de notulen van de zitting van het Directiecomité betreffende het voorstel van rangschikking.
Deze betekening gebeurt met naleving van het vertrouwelijk karakter van de feiten die op andere ambtenaren betrekking zouden hebben.
§ 2. Er wordt alleen rekening gehouden met de bezwaarschriften die de ambtenaren hebben ingediend per aangetekend schrijven, via een gelijkgestelde elektronische procedure of via de diplomatieke tas voor de ambtenaren op post, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont.
Indien de ambtenaar vraagt gehoord te worden, verschijnt hij in persoon, zonder financiële last voor de FOD. Hij mag zich niet laten bijstaan.
Indien de ambtenaar, hoewel regelmatig opgeroepen, zonder geldig excuus, niet verschijnt, wordt de procedure van zijn kant als afgesloten beschouwd.
Het Directiecomité spreekt zich uit, op grond van het schriftelijk bezwaarschrift, zelfs indien de ambtenaar een geldig excuus kan inroepen, zodra het bezwaarschrift het voorwerp van een tweede zitting uitmaakt.
§ 3. Indien, ingevolge het onderzoek van het bezwaarschrift, het Directiecomité de oorspronkelijke rangschikking niet verandert, wordt deze beslissing enkel aan de kandidaat die het bezwaarschrift heeft ingediend, ter kennis gebracht.
Indien het Directiecomité daarentegen een nieuwe rangschikking opmaakt, wordt deze, volgens de in paragraaf 1 bedoelde procedure, aan alle kandidaten die geldig hun kandidatuur hebben ingediend, ter kennis gebracht.
Indien een ambtenaar zich benadeeld acht, kan hij een bezwaarschrift indienen volgens de in paragraaf 2 bedoelde procedure. De ambtenaar die werd gehoord overeenkomstig paragraaf 2, mag niet vragen opnieuw gehoord te worden.
Ten gevolge van een nieuwe beraadslaging brengt het Directiecomité de definitieve rangschikking ter kennis van alle kandidaten die hun kandidatuur geldig ingediend hebben en bezorgt die aan de minister.
§ 4. Indien de minister niet kan instemmen met het definitieve voorstel van het Directiecomité en indien hij een andere kandidaat voordraagt, moet zijn voorstel met bijzondere redenen omkleed zijn.
Deze betekening bevat ten minste de volgende gegevens :
1° de rangschikking van de kandidaten;
2° het meedelen aan de ambtenaar die zich benadeeld zou achten van de mogelijkheid om binnen twintig dagen na de kennisgeving een bezwaarschrift in te dienen bij de voorzitter en om te verzoeken eventueel door het Directiecomité gehoord te worden;
3° het gedeelte van de notulen van de zitting van het Directiecomité betreffende het voorstel van rangschikking.
Deze betekening gebeurt met naleving van het vertrouwelijk karakter van de feiten die op andere ambtenaren betrekking zouden hebben.
§ 2. Er wordt alleen rekening gehouden met de bezwaarschriften die de ambtenaren hebben ingediend per aangetekend schrijven, via een gelijkgestelde elektronische procedure of via de diplomatieke tas voor de ambtenaren op post, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont.
Indien de ambtenaar vraagt gehoord te worden, verschijnt hij in persoon, zonder financiële last voor de FOD. Hij mag zich niet laten bijstaan.
Indien de ambtenaar, hoewel regelmatig opgeroepen, zonder geldig excuus, niet verschijnt, wordt de procedure van zijn kant als afgesloten beschouwd.
Het Directiecomité spreekt zich uit, op grond van het schriftelijk bezwaarschrift, zelfs indien de ambtenaar een geldig excuus kan inroepen, zodra het bezwaarschrift het voorwerp van een tweede zitting uitmaakt.
§ 3. Indien, ingevolge het onderzoek van het bezwaarschrift, het Directiecomité de oorspronkelijke rangschikking niet verandert, wordt deze beslissing enkel aan de kandidaat die het bezwaarschrift heeft ingediend, ter kennis gebracht.
Indien het Directiecomité daarentegen een nieuwe rangschikking opmaakt, wordt deze, volgens de in paragraaf 1 bedoelde procedure, aan alle kandidaten die geldig hun kandidatuur hebben ingediend, ter kennis gebracht.
Indien een ambtenaar zich benadeeld acht, kan hij een bezwaarschrift indienen volgens de in paragraaf 2 bedoelde procedure. De ambtenaar die werd gehoord overeenkomstig paragraaf 2, mag niet vragen opnieuw gehoord te worden.
Ten gevolge van een nieuwe beraadslaging brengt het Directiecomité de definitieve rangschikking ter kennis van alle kandidaten die hun kandidatuur geldig ingediend hebben en bezorgt die aan de minister.
§ 4. Indien de minister niet kan instemmen met het definitieve voorstel van het Directiecomité en indien hij een andere kandidaat voordraagt, moet zijn voorstel met bijzondere redenen omkleed zijn.
Art. 43. § 1er. La proposition provisoire de classement établie pour chaque emploi vacant est notifiée par écrit à tous les candidats qui ont valablement introduit leur candidature.
Cette notification comporte au moins les éléments suivants :
1° le classement des candidats;
2° la mention pour l'agent qui s'estimerait lésé de la possibilité d'introduire dans les vingt jours de la notification une réclamation auprès du président, et de demander éventuellement à être entendu par le Comité de direction;
3° la partie du procès-verbal de la séance du Comité de direction relative à la proposition de classement.
Cette notification se fait dans le respect du caractère confidentiel des faits qui concerneraient d'autres agents.
§ 2. Il est seulement tenu compte des réclamations que les agents ont introduites par lettre recommandée, par une procédure électronique équivalente ou par valise diplomatique pour les agents en poste, le bordereau d'inscription établissant la date d'envoi.
Si l'agent demande à être entendu, il comparaît en personne, sans aucune charge financière pour le SPF. Il ne peut se faire assister.
Si, bien que régulièrement convoqué, l'agent ne comparaît pas, sans excuse valable, la procédure est dans son chef considérée comme close.
Le Comité de direction se prononce sur base de la réclamation écrite, même si l'agent peut se prévaloir d'une excuse valable, dès que la réclamation fait l'objet d'une deuxième audience.
§ 3. Si, à la suite de l'examen de la réclamation, le Comité de direction ne modifie pas le classement initial, cette décision est notifiée au seul candidat qui a introduit la réclamation.
Si, par contre, le Comité de direction établit un nouveau classement, celui-ci est notifié, selon la procédure visée au paragraphe 1er, à tous les candidats qui ont valablement introduit leur candidature.
Si un agent s'estime lésé, il peut introduire une réclamation selon la procédure visée au paragraphe 2. L'agent qui a été entendu conformément au paragraphe 2, ne peut pas demander à être de nouveau entendu.
A l'issue d'une nouvelle délibération, le Comité de direction notifie le classement définitif à tous les candidats qui ont valablement introduit leur candidature et le transmet au ministre.
§ 4. Si le ministre ne peut se rallier à la proposition définitive du Comité de direction et s'il présente un autre candidat, sa proposition doit être spécialement motivée.
Cette notification comporte au moins les éléments suivants :
1° le classement des candidats;
2° la mention pour l'agent qui s'estimerait lésé de la possibilité d'introduire dans les vingt jours de la notification une réclamation auprès du président, et de demander éventuellement à être entendu par le Comité de direction;
3° la partie du procès-verbal de la séance du Comité de direction relative à la proposition de classement.
Cette notification se fait dans le respect du caractère confidentiel des faits qui concerneraient d'autres agents.
§ 2. Il est seulement tenu compte des réclamations que les agents ont introduites par lettre recommandée, par une procédure électronique équivalente ou par valise diplomatique pour les agents en poste, le bordereau d'inscription établissant la date d'envoi.
Si l'agent demande à être entendu, il comparaît en personne, sans aucune charge financière pour le SPF. Il ne peut se faire assister.
Si, bien que régulièrement convoqué, l'agent ne comparaît pas, sans excuse valable, la procédure est dans son chef considérée comme close.
Le Comité de direction se prononce sur base de la réclamation écrite, même si l'agent peut se prévaloir d'une excuse valable, dès que la réclamation fait l'objet d'une deuxième audience.
§ 3. Si, à la suite de l'examen de la réclamation, le Comité de direction ne modifie pas le classement initial, cette décision est notifiée au seul candidat qui a introduit la réclamation.
Si, par contre, le Comité de direction établit un nouveau classement, celui-ci est notifié, selon la procédure visée au paragraphe 1er, à tous les candidats qui ont valablement introduit leur candidature.
Si un agent s'estime lésé, il peut introduire une réclamation selon la procédure visée au paragraphe 2. L'agent qui a été entendu conformément au paragraphe 2, ne peut pas demander à être de nouveau entendu.
A l'issue d'une nouvelle délibération, le Comité de direction notifie le classement définitif à tous les candidats qui ont valablement introduit leur candidature et le transmet au ministre.
§ 4. Si le ministre ne peut se rallier à la proposition définitive du Comité de direction et s'il présente un autre candidat, sa proposition doit être spécialement motivée.
Onderafdeling 4. - Mededeling van de beslissingen tot bevordering
Sous-section 4. - Communication des décisions de promotion
Art. 44. De beslissingen tot bevordering worden meegedeeld door de Stafdirectie Personeel en Organisatie van de FOD aan alle ambtenaren die zich kandidaat gesteld hebben overeenkomstig artikel 41, § 2, eerste lid.
Art. 44. Les décisions de promotion sont communiquées par la Direction d'encadrement Personnel et Organisation du SPF à tous les agents qui se sont portés candidats conformément à l'article 41, § 2, alinéa 1er.
Onderafdeling 5. - Voorwaarden voor bevordering in weddeschaal
Sous-section 5. - Conditions de promotion barémique
Art. 45. De ambtenaar wordt van de eerste naar de tweede weddeschaal van zijn klasse bevorderd op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin hij de twee volgende voorwaarden vervult :
1° ten minste drie jaar schaalanciënniteit tellen;
2° drie keer in zijn weddeschaal de vermelding "uitzonderlijk" of de vermelding "voldoet aan de verwachtingen" hebben gekregen.
1° ten minste drie jaar schaalanciënniteit tellen;
2° drie keer in zijn weddeschaal de vermelding "uitzonderlijk" of de vermelding "voldoet aan de verwachtingen" hebben gekregen.
Art. 45. L'agent est promu de la première à la deuxième échelle de traitement de sa classe le 1er jour du mois qui suit celui où il remplit les deux conditions suivantes :
1° compter au moins trois ans d'ancienneté d'échelle;
2° avoir obtenu, dans son échelle de traitement, trois fois, l'une des mentions suivantes : " exceptionnel " ou " répond aux attentes ".
1° compter au moins trois ans d'ancienneté d'échelle;
2° avoir obtenu, dans son échelle de traitement, trois fois, l'une des mentions suivantes : " exceptionnel " ou " répond aux attentes ".
Art. 46. In afwijking van artikel 45 wordt de ambtenaar van de eerste naar de tweede weddeschaal van zijn klasse bevorderd op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin hij de drie volgende voorwaarden vervult :
1° ten minste twee jaar schaalanciënniteit tellen;
2° twee keer in zijn weddeschaal de vermelding "uitzonderlijk" hebben gekregen;
3° de vermelding "te verbeteren" noch de vermelding "onvoldoende" in zijn weddeschaal hebben gekregen.
1° ten minste twee jaar schaalanciënniteit tellen;
2° twee keer in zijn weddeschaal de vermelding "uitzonderlijk" hebben gekregen;
3° de vermelding "te verbeteren" noch de vermelding "onvoldoende" in zijn weddeschaal hebben gekregen.
Art. 46. Par dérogation à l'article 45, l'agent est promu de la première à la deuxième échelle de traitement de sa classe le premier jour du mois qui suit celui où il remplit les trois conditions suivantes :
1° compter au moins deux ans d'ancienneté d'échelle;
2° avoir obtenu, dans son échelle de traitement, deux fois, la mention " exceptionnel ";
3° n'avoir pas obtenu, dans son échelle de traitement, la mention " à améliorer " ni la mention " insuffisant ".
1° compter au moins deux ans d'ancienneté d'échelle;
2° avoir obtenu, dans son échelle de traitement, deux fois, la mention " exceptionnel ";
3° n'avoir pas obtenu, dans son échelle de traitement, la mention " à améliorer " ni la mention " insuffisant ".
Art. 47. De ambtenaar wordt bevorderd naar de hogere weddeschaal die niet de tweede weddeschaal van zijn klasse is op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin hij de twee volgende voorwaarden vervult :
1° ten minste vijf jaar schaalanciënniteit tellen;
2° vijf keer in zijn weddeschaal een van de volgende vermeldingen "uitzonderlijk" of "voldoet aan de verwachtingen" hebben gekregen.
1° ten minste vijf jaar schaalanciënniteit tellen;
2° vijf keer in zijn weddeschaal een van de volgende vermeldingen "uitzonderlijk" of "voldoet aan de verwachtingen" hebben gekregen.
Art. 47. L'agent est promu à l'échelle de traitement supérieure qui n'est pas la deuxième échelle de traitement de sa classe le 1er jour du mois qui suit celui où il remplit les deux conditions suivantes :
1° compter au moins cinq ans d'ancienneté d'échelle;
2° avoir obtenu, dans son échelle de traitement, cinq fois, l'une des mentions suivantes : " exceptionnel " ou " répond aux attentes ".
1° compter au moins cinq ans d'ancienneté d'échelle;
2° avoir obtenu, dans son échelle de traitement, cinq fois, l'une des mentions suivantes : " exceptionnel " ou " répond aux attentes ".
Art. 48. In afwijking van artikel 47 wordt de ambtenaar bevorderd naar de hogere weddeschaal die niet de tweede weddeschaal van zijn klasse is op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin hij de drie volgende voorwaarden vervult :
1° ten minste vier jaar schaalanciënniteit tellen;
2° vier keer in zijn weddeschaal de vermelding "uitzonderlijk" hebben gekregen;
3° de vermelding "te verbeteren" noch de vermelding "onvoldoende" in zijn weddeschaal hebben gekregen.
1° ten minste vier jaar schaalanciënniteit tellen;
2° vier keer in zijn weddeschaal de vermelding "uitzonderlijk" hebben gekregen;
3° de vermelding "te verbeteren" noch de vermelding "onvoldoende" in zijn weddeschaal hebben gekregen.
Art. 48. Par dérogation à l'article 47, l'agent est promu à l'échelle de traitement supérieure qui n'est pas la deuxième échelle de traitement de sa classe le premier jour du mois qui suit celui où il remplit les trois conditions suivantes :
1° compter au moins quatre ans d'ancienneté d'échelle;
2° avoir obtenu, dans son échelle de traitement, quatre fois, la mention " exceptionnel ";
3° n'avoir pas obtenu, dans son échelle de traitement, la mention " à améliorer " ni la mention " insuffisant ".
1° compter au moins quatre ans d'ancienneté d'échelle;
2° avoir obtenu, dans son échelle de traitement, quatre fois, la mention " exceptionnel ";
3° n'avoir pas obtenu, dans son échelle de traitement, la mention " à améliorer " ni la mention " insuffisant ".
HOOFDSTUK 5. - Verlofregeling
CHAPITRE 5. - Régime de congé
Afdeling 1. - Verlofregeling op post
Section 1re. - Régime de congé en poste
Art. 49. De ambtenaar mag zijn jurisdictie niet verlaten zonder toestemming.
Art. 49. L'agent ne peut quitter sa juridiction sans autorisation.
Art. 50. Het jaarlijks vakantieverlof wordt met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld. Het wordt genomen naar keuze van de ambtenaar met inachtneming van de behoeften van de dienst.
Indien het verlof gesplitst wordt en indien de ambtenaar dit vraagt, omvat het een doorlopende periode van ten minste twee weken.
Het jaarlijks vakantieverlof kan tot 31 december van het jaar daarop worden overgedragen, volgens de door de voorzitter bepaalde voorwaarden.
Indien het verlof gesplitst wordt en indien de ambtenaar dit vraagt, omvat het een doorlopende periode van ten minste twee weken.
Het jaarlijks vakantieverlof kan tot 31 december van het jaar daarop worden overgedragen, volgens de door de voorzitter bepaalde voorwaarden.
Art. 50. Le congé annuel de vacances est assimilé à une période d'activité de service. Il est pris au choix de l'agent dans le respect toutefois des nécessités du service.
Si le congé est fractionné et si l'agent le demande, ce congé comporte une période continue d'au moins deux semaines.
Le congé annuel de vacances peut être reporté au maximum jusqu'au 31 décembre de l'année suivante, selon les modalités fixées par le président.
Si le congé est fractionné et si l'agent le demande, ce congé comporte une période continue d'au moins deux semaines.
Le congé annuel de vacances peut être reporté au maximum jusqu'au 31 décembre de l'année suivante, selon les modalités fixées par le président.
Art. 51. § 1. Elke periode van dienstactiviteit geeft recht op jaarlijks vakantieverlof.
Het jaarlijks vakantieverlof wordt ook in evenredige mate verminderd wanneer de ambtenaar in de loop van het jaar in dienst treedt, zijn ambt definitief neerlegt of tijdens het jaar de afwezigheden heeft verkregen waarbij de ambtenaar in de administratieve stand disponibiliteit is geplaatst.
Indien het aldus berekende aantal vakantiedagen geen geheel getal vormt, wordt het afgerond naar de onmiddellijke hogere eenheid.
§ 2. Indien de ambtenaar door de behoeften van de dienst zijn volledig jaarlijks vakantieverlof of een deel ervan niet heeft kunnen nemen vooraleer hij zijn ambt definitief neerlegt, dan heeft hij recht op een compensatietoelage waarvan het bedrag gelijk is aan de laatste activiteitswedde van de ambtenaar die overeenstemt met het aantal niet genomen verlofdagen.
Indien de ambtenaar zonder vooropzeg de hoedanigheid van ambtenaar verliest en hij door zijn vertrek met onmiddellijke ingang zijn volledig jaarlijks vakantieverlof of een deel ervan niet heeft kunnen nemen, dan heeft hij eveneens recht op een compensatietoelage waarvan het bedrag gelijk is aan de laatste activiteitswedde van de ambtenaar die overeenstemt met het aantal niet genomen verlofdagen.
Voor de toepassing van deze paragraaf is de wedde die in aanmerking dient te worden genomen deze die verschuldigd is voor volledige prestaties, in voorkomend geval aangevuld met de weddensupplementen die voor de berekening van het rustpensioen in aanmerking worden genomen.
§ 3. Het jaarlijks vakantieverlof wordt opgeschort zodra de ambtenaar een verlof wegens ziekte bekomt of in disponibiliteit wegens ziekte wordt geplaatst.
Het jaarlijks vakantieverlof wordt ook in evenredige mate verminderd wanneer de ambtenaar in de loop van het jaar in dienst treedt, zijn ambt definitief neerlegt of tijdens het jaar de afwezigheden heeft verkregen waarbij de ambtenaar in de administratieve stand disponibiliteit is geplaatst.
Indien het aldus berekende aantal vakantiedagen geen geheel getal vormt, wordt het afgerond naar de onmiddellijke hogere eenheid.
§ 2. Indien de ambtenaar door de behoeften van de dienst zijn volledig jaarlijks vakantieverlof of een deel ervan niet heeft kunnen nemen vooraleer hij zijn ambt definitief neerlegt, dan heeft hij recht op een compensatietoelage waarvan het bedrag gelijk is aan de laatste activiteitswedde van de ambtenaar die overeenstemt met het aantal niet genomen verlofdagen.
Indien de ambtenaar zonder vooropzeg de hoedanigheid van ambtenaar verliest en hij door zijn vertrek met onmiddellijke ingang zijn volledig jaarlijks vakantieverlof of een deel ervan niet heeft kunnen nemen, dan heeft hij eveneens recht op een compensatietoelage waarvan het bedrag gelijk is aan de laatste activiteitswedde van de ambtenaar die overeenstemt met het aantal niet genomen verlofdagen.
Voor de toepassing van deze paragraaf is de wedde die in aanmerking dient te worden genomen deze die verschuldigd is voor volledige prestaties, in voorkomend geval aangevuld met de weddensupplementen die voor de berekening van het rustpensioen in aanmerking worden genomen.
§ 3. Het jaarlijks vakantieverlof wordt opgeschort zodra de ambtenaar een verlof wegens ziekte bekomt of in disponibiliteit wegens ziekte wordt geplaatst.
Art. 51. § 1er. Toute période d'activité de service donne droit au congé annuel de vacances.
Le congé annuel de vacances est réduit à due concurrence, lorsque l'agent entre en service dans le courant de l'année, démissionne de ses fonctions ou a obtenu au cours de l'année les absences pendant lesquelles l'agent est placé dans la position administrative de disponibilité.
Si le nombre de jours de congé ainsi calculé ne forme pas un nombre entier, il est arrondi à l'unité immédiatement supérieure.
§ 2. Si par suite des nécessités du service, l'agent n'a pu prendre tout ou partie de son congé annuel de vacances avant la cessation définitive de ses fonctions, il bénéficie d'une allocation compensatoire dont le montant est égal au dernier traitement d'activité de l'agent afférent aux jours de congé non pris.
Si l'agent perd sans préavis la qualité d'agent et si suite à ce départ avec effet immédiat, il n'a pu prendre tout ou partie de son congé annuel de vacances, il a alors également droit à une allocation compensatoire dont le montant est égal au dernier traitement d'activité de l'agent afférent aux jours de congé non pris.
Pour l'application du présent paragraphe, le traitement à prendre en considération est celui qui est dû pour des prestations complètes, en ce compris, le cas échéant, les suppléments de traitement qui sont pris en considération pour le calcul de la pension de retraite.
§ 3. Le congé annuel de vacances est suspendu dès que l'agent obtient un congé de maladie ou est placé en disponibilité pour maladie.
Le congé annuel de vacances est réduit à due concurrence, lorsque l'agent entre en service dans le courant de l'année, démissionne de ses fonctions ou a obtenu au cours de l'année les absences pendant lesquelles l'agent est placé dans la position administrative de disponibilité.
Si le nombre de jours de congé ainsi calculé ne forme pas un nombre entier, il est arrondi à l'unité immédiatement supérieure.
§ 2. Si par suite des nécessités du service, l'agent n'a pu prendre tout ou partie de son congé annuel de vacances avant la cessation définitive de ses fonctions, il bénéficie d'une allocation compensatoire dont le montant est égal au dernier traitement d'activité de l'agent afférent aux jours de congé non pris.
Si l'agent perd sans préavis la qualité d'agent et si suite à ce départ avec effet immédiat, il n'a pu prendre tout ou partie de son congé annuel de vacances, il a alors également droit à une allocation compensatoire dont le montant est égal au dernier traitement d'activité de l'agent afférent aux jours de congé non pris.
Pour l'application du présent paragraphe, le traitement à prendre en considération est celui qui est dû pour des prestations complètes, en ce compris, le cas échéant, les suppléments de traitement qui sont pris en considération pour le calcul de la pension de retraite.
§ 3. Le congé annuel de vacances est suspendu dès que l'agent obtient un congé de maladie ou est placé en disponibilité pour maladie.
Art. 52. § 1. De jaarlijkse verlofregeling op post wordt bepaald door de rang van hardship die aan elke post wordt toegekend. De rang van hardship drukt de moeilijkheidsgraad uit van het leven op een post.
§ 2. De rang van hardship van de posten wordt jaarlijks bepaald door het Directiecomité van de FOD, tenzij uitzonderlijke omstandigheden zouden vereisen dat de rang van hardship wordt herzien voor de jaarlijkse vervaldatum.
§ 3. Elke post wordt gerangschikt volgens een schaal van 1 tot 7, in opklimmende volgorde van hardship, op basis van een vergelijkende analyse van de volgende criteria : de klimaatomstandigheden, het sociale isolement, de veiligheid, de sanitaire toestand en de leefmilieusituatie voor zover deze nadelige gevolgen kan hebben voor de gezondheid, de toegankelijkheid, de kwaliteit van de gezondheidszorgen en de kwaliteit van materiële voorzieningen zoals huisvesting en de aanvoer van primaire consumptiegoederen.
§ 2. De rang van hardship van de posten wordt jaarlijks bepaald door het Directiecomité van de FOD, tenzij uitzonderlijke omstandigheden zouden vereisen dat de rang van hardship wordt herzien voor de jaarlijkse vervaldatum.
§ 3. Elke post wordt gerangschikt volgens een schaal van 1 tot 7, in opklimmende volgorde van hardship, op basis van een vergelijkende analyse van de volgende criteria : de klimaatomstandigheden, het sociale isolement, de veiligheid, de sanitaire toestand en de leefmilieusituatie voor zover deze nadelige gevolgen kan hebben voor de gezondheid, de toegankelijkheid, de kwaliteit van de gezondheidszorgen en de kwaliteit van materiële voorzieningen zoals huisvesting en de aanvoer van primaire consumptiegoederen.
Art. 52. § 1er. Le régime de congé annuel en poste est déterminé par le rang de pénibilité attribué à chaque poste. Le rang de pénibilité exprime le degré de difficulté de la vie dans un poste.
§ 2. Le rang de pénibilité des postes est fixé annuellement par le Comité de direction du SPF, à moins que des circonstances exceptionnelles ne nécessitent que le rang de pénibilité soit revu avant l'échéance annuelle.
§ 3. Chaque poste est classé sur une échelle de 1 à 7, par ordre croissant de pénibilité, sur la base d'une analyse comparative des critères suivants : les conditions climatiques, l'isolement social, la sécurité, la situation sanitaire et la situation environnementale pour autant que celle-ci ait des effets néfastes sur la santé, l'accessibilité, la qualité des soins médicaux et la qualité des équipements matériels, tels le logement, et l'approvisionnement en biens de première nécessité.
§ 2. Le rang de pénibilité des postes est fixé annuellement par le Comité de direction du SPF, à moins que des circonstances exceptionnelles ne nécessitent que le rang de pénibilité soit revu avant l'échéance annuelle.
§ 3. Chaque poste est classé sur une échelle de 1 à 7, par ordre croissant de pénibilité, sur la base d'une analyse comparative des critères suivants : les conditions climatiques, l'isolement social, la sécurité, la situation sanitaire et la situation environnementale pour autant que celle-ci ait des effets néfastes sur la santé, l'accessibilité, la qualité des soins médicaux et la qualité des équipements matériels, tels le logement, et l'approvisionnement en biens de première nécessité.
Art. 53. Overeenkomstig de rangschikking opgenomen in artikel 52, heeft de ambtenaar recht op de volgende jaarlijkse verlofregeling :
1° eenendertig werkdagen verlof voor de posten gerangschikt in de rangen van hardship 1 en 2;
2° achtendertig werkdagen verlof voor de posten gerangschikt in de rangen van hardship 3 en 4;
3° vijfenveertig werkdagen verlof voor de posten gerangschikt in de rangen hardship 5, 6 en 7.
Het jaarlijks vakantieverlof op post kan tot 31 december van het jaar daarop worden overgedragen, volgens de door de voorzitter bepaalde voorwaarden.
1° eenendertig werkdagen verlof voor de posten gerangschikt in de rangen van hardship 1 en 2;
2° achtendertig werkdagen verlof voor de posten gerangschikt in de rangen van hardship 3 en 4;
3° vijfenveertig werkdagen verlof voor de posten gerangschikt in de rangen hardship 5, 6 en 7.
Het jaarlijks vakantieverlof op post kan tot 31 december van het jaar daarop worden overgedragen, volgens de door de voorzitter bepaalde voorwaarden.
Art. 53. Conformément au classement repris à l'article 52, l'agent a droit au régime de congé annuel suivant :
1° trente-et-un jours ouvrables de congé pour les postes classés aux rangs de pénibilité 1 et 2;
2° trente-huit jours ouvrables de congé pour les postes classés aux rangs de pénibilité 3 et 4;
3° quarante-cinq jours ouvrables de congé pour les postes classés aux rangs de pénibilité 5, 6 et 7.
Le congé annuel en poste peut être reporté au maximum jusqu'au 31 décembre de l'année suivante, selon les modalités fixées par le président.
1° trente-et-un jours ouvrables de congé pour les postes classés aux rangs de pénibilité 1 et 2;
2° trente-huit jours ouvrables de congé pour les postes classés aux rangs de pénibilité 3 et 4;
3° quarante-cinq jours ouvrables de congé pour les postes classés aux rangs de pénibilité 5, 6 et 7.
Le congé annuel en poste peut être reporté au maximum jusqu'au 31 décembre de l'année suivante, selon les modalités fixées par le président.
Art. 54. De ambtenaar op post geniet de verloven bedoeld in de artikelen 11 tot en met 12, § 1, eerste lid, tweede lid, 6° en derde lid, §§ 2 en 3, 15, 20, 24 tot en met 34, 36 tot en met 42, 44 tot en met 48quater, 55 tot en met 60 van het verlofbesluit.
Art. 54. L'agent en poste bénéficie des congés visés aux articles 11 à 12, § 1er, alinéa 1er, alinéa 2, 6° et alinéa 3, §§ 2 et 3, 15, 20, 24 à 34, 36 à 42, 44 à 48quater, 55 à 60, de l'arrêté congé.
Afdeling 2. - Verlofregeling op het hoofdbestuur
Section 2. - Régime de congé à l'administration centrale
Art. 55. § 1. De ambtenaar die bij het hoofdbestuur in dienst is, geniet, wat het verlof betreft, dezelfde regeling als die van toepassing op de rijksambtenaren.
§ 2. De vrijstelling voor het vervullen van een opdracht van algemeen belang, voorzien in artikel 100 van het verlofbesluit, kan maximaal één maal worden hernieuwd.
§ 2. De vrijstelling voor het vervullen van een opdracht van algemeen belang, voorzien in artikel 100 van het verlofbesluit, kan maximaal één maal worden hernieuwd.
Art. 55. § 1er. L'agent en service à l'administration centrale bénéficie, en ce qui concerne le congé, du même régime que celui applicable aux agents de l'Etat.
§ 2. La dispense pour exécuter une mission d'intérêt général, prévue à l'article 100 de l'arrêté congé, ne peut être renouvelée qu'une fois.
§ 2. La dispense pour exécuter une mission d'intérêt général, prévue à l'article 100 de l'arrêté congé, ne peut être renouvelée qu'une fois.
Afdeling 3. - Gemeenschappelijke bepalingen
Section 3. - Dispositions communes
Art. 56. Het jaarlijks vakantieverlof, op post of bij het hoofdbestuur, wordt in evenredige mate verminderd wanneer de ambtenaar aangesteld wordt op post of opnieuw aangesteld wordt op het hoofdbestuur in de loop van het jaar.
Art. 56. Le congé annuel de vacances, en poste ou à l'administration centrale, est réduit à due concurrence lorsque l'agent est affecté en poste ou réaffecté à l'administration centrale dans le courant de l'année.
HOOFDSTUK 6. - Dienstactiviteit en pensioen
CHAPITRE 6. - Activité de service et pension
Art. 57. De ambtenaar is in dienstactiviteit :
1° wanneer hij een functie bij een post of op het hoofdbestuur uitoefent of wanneer de minister hem met een opdracht belast heeft;
2° wanneer hij ter beschikking van de minister of het regeringslid bevoegd voor Buitenlandse Handel of Ontwikkelingssamenwerking wordt gesteld.
1° wanneer hij een functie bij een post of op het hoofdbestuur uitoefent of wanneer de minister hem met een opdracht belast heeft;
2° wanneer hij ter beschikking van de minister of het regeringslid bevoegd voor Buitenlandse Handel of Ontwikkelingssamenwerking wordt gesteld.
Art. 57. L'agent est en activité de service :
1° lorsqu'il exerce une fonction dans un poste ou à l'administration centrale, ou lorsqu'il est chargé d'une mission par le ministre;
2° lorsqu'il est mis à la disposition du ministre ou du membre du gouvernement qui a le Commerce extérieur ou la Coopération au Développement dans ses attributions.
1° lorsqu'il exerce une fonction dans un poste ou à l'administration centrale, ou lorsqu'il est chargé d'une mission par le ministre;
2° lorsqu'il est mis à la disposition du ministre ou du membre du gouvernement qui a le Commerce extérieur ou la Coopération au Développement dans ses attributions.
Art. 58. De ambtenaar die in dienstactiviteit is bij een post, voert de titel van de functies die hij uitoefent.
Art. 58. L'agent qui est en activité de service dans un poste porte le titre des fonctions qu'il exerce.
Art. 59. De ambtenaar wordt op een leeftijd van volle 65 jaar ambtshalve op rust gesteld.
Het in activiteit blijven boven de leeftijd van 65 jaar kan door de minister worden toegelaten op aanvraag van de ambtenaar en na een met redenen omkleed advies van het Directiecomité.
De periode van in activiteit blijven wordt bepaald voor een maximumduur van één jaar. Deze kan worden hernieuwd.
Het in activiteit blijven boven de leeftijd van 65 jaar kan door de minister worden toegelaten op aanvraag van de ambtenaar en na een met redenen omkleed advies van het Directiecomité.
De periode van in activiteit blijven wordt bepaald voor een maximumduur van één jaar. Deze kan worden hernieuwd.
Art. 59. L'agent est mis d'office à la pension à l'âge de 65 ans révolus.
Le maintien en activité au-delà de l'âge de 65 ans peut être autorisé par le ministre à la demande de l'agent et après avis motivé du Comité de direction.
La période du maintien en activité est fixée pour une durée maximale d'un an. Celle-ci peut être renouvellée.
Le maintien en activité au-delà de l'âge de 65 ans peut être autorisé par le ministre à la demande de l'agent et après avis motivé du Comité de direction.
La période du maintien en activité est fixée pour une durée maximale d'un an. Celle-ci peut être renouvellée.
Art. 60. De ambtenaar die minstens vijftien jaar dienstactiviteit telt, kan door het besluit waarbij hij uit zijn functies wordt ontslagen, gemachtigd worden, naar zijn keuze, de eretitel te voeren van de laatste functie die hij heeft uitgeoefend, hetzij in het buitenland, hetzij op het hoofdbestuur.
Deze machtiging kan bij koninklijk besluit ingetrokken worden, op het met redenen omkleed voorstel van de minister.
Deze machtiging kan bij koninklijk besluit ingetrokken worden, op het met redenen omkleed voorstel van de minister.
Art. 60. L'agent qui compte au moins quinze ans d'activité de service peut être autorisé, par l'arrêté qui lui accorde la démission de ses fonctions, à conserver, à son choix, le titre honorifique de la dernière fonction qu'il a exercée, soit à l'étranger, soit à l'administration centrale.
Cette autorisation peut être retirée par arrêté royal, sur proposition motivée du ministre.
Cette autorisation peut être retirée par arrêté royal, sur proposition motivée du ministre.
HOOFDSTUK 7. - Ordemaatregelen
CHAPITRE 7. - Mesures d'ordre
Afdeling 1. - Preventieve schorsing
Section 1re. - Suspension préventive
Art. 61. § 1. Als het belang van de dienst het vereist, kan de ambtenaar bij het hoofdbestuur of op post preventief worden geschorst bij wijze van ordemaatregel.
§ 2. Deze preventieve schorsing kan voor de ambtenaren op post worden gevolgd door een terugroeping naar het hoofdbestuur.
§ 2. Deze preventieve schorsing kan voor de ambtenaren op post worden gevolgd door een terugroeping naar het hoofdbestuur.
Art. 61. § 1er. Lorsque l'intérêt du service le requiert, l'agent à l'administration centrale ou en poste peut être suspendu préventivement à titre de mesure d'ordre.
§ 2. Cette suspension préventive peut être suivie, pour les agents en poste, d'un rappel à l'administration centrale.
§ 2. Cette suspension préventive peut être suivie, pour les agents en poste, d'un rappel à l'administration centrale.
Art. 62. De preventieve schorsing wordt, op gemotiveerd voorstel van de voorzitter of zijn afgevaardigde, opgelegd door de overheid die de ambtenaar heeft aangesteld bij een post of bij het hoofdbestuur.
Art. 62. La suspension préventive est prononcée, sur proposition motivée du président ou son délégué, par l'autorité qui a affecté l'agent à un poste ou à l'administration centrale.
Art. 63. De overheid bevoegd voor het uitspreken van de preventieve schorsing kan de wedde verminderen en kan aan de ambtenaar het recht ontzeggen aanspraak te maken op bevordering en bevordering in weddeschaal in de volgende gevallen :
1° wanneer de ambtenaar het voorwerp is van een strafrechtelijke procedure;
2° wanneer de ambtenaar het voorwerp is van een tuchtprocedure.
De inhouding van wedde kan niet meer bedragen dan één vijfde van het verschuldigde nettoloon.
1° wanneer de ambtenaar het voorwerp is van een strafrechtelijke procedure;
2° wanneer de ambtenaar het voorwerp is van een tuchtprocedure.
De inhouding van wedde kan niet meer bedragen dan één vijfde van het verschuldigde nettoloon.
Art. 63. L'autorité compétente pour la prononciation de la suspension préventive peut diminuer le traitement et peut refuser à l'agent le droit de faire valoir ses titres à la promotion et à la promotion barémique, dans les cas suivants :
1° lorsque l'agent fait l'objet d'une procédure pénale;
2° lorsque l'agent fait l'objet d'une procédure disciplinaire.
La retenue de traitement ne peut être supérieure à un cinquième de la rémunération nette due.
1° lorsque l'agent fait l'objet d'une procédure pénale;
2° lorsque l'agent fait l'objet d'une procédure disciplinaire.
La retenue de traitement ne peut être supérieure à un cinquième de la rémunération nette due.
Art. 64. § 1. De preventieve schorsing kan pas worden voorgesteld nadat de ambtenaar de mogelijkheid heeft gekregen om door de voorzitter of zijn afgevaardigde te worden gehoord in zijn middelen van verdediging over de hem ten laste gelegde feiten.
§ 2. In geval van hoogdringendheid kan de voorzitter de ambtenaar onmiddellijk preventief schorsen vooraleer de ambtenaar te horen.
De kennisgeving van de preventieve schorsing bevat ook de oproep voor het verhoor, waarvan de inhoud overeenstemt met het artikel 65.
§ 2. In geval van hoogdringendheid kan de voorzitter de ambtenaar onmiddellijk preventief schorsen vooraleer de ambtenaar te horen.
De kennisgeving van de preventieve schorsing bevat ook de oproep voor het verhoor, waarvan de inhoud overeenstemt met het artikel 65.
Art. 64. § 1er. La suspension préventive ne peut être proposée qu'après que l'agent aie eu la possibilité d'être entendu par le président ou son délégué dans ses moyens de défense sur les faits qui lui sont reprochés.
§ 2. En cas d'urgence, le président peut immédiatement suspendre préventivement l'agent avant de l'entendre.
La notification de la suspension préventive comporte la convocation à l'audition, dont le contenu est conforme à l'article 65.
§ 2. En cas d'urgence, le président peut immédiatement suspendre préventivement l'agent avant de l'entendre.
La notification de la suspension préventive comporte la convocation à l'audition, dont le contenu est conforme à l'article 65.
Art. 65. De ambtenaar wordt opgeroepen voor het verhoor per aangetekende brief, via een gelijkgestelde elektronische procedure, door overhandiging tegen ontvangstbewijs van de oproepingsbrief of via de diplomatieke tas voor de ambtenaren op post, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont, binnen een termijn van minimum vijftien dagen na het ontvangen van de oproepingsbrief.
De oproep vermeldt :
1° de ten laste gelegde feiten;
2° het voornemen om aan de bevoegde overheid voor te stellen een preventieve schorsing uit te spreken;
3° plaats, dag en uur van het verhoor;
4° het recht op bijstand door een raadsman naar keuze;
5° het recht om een schriftelijk verweer in te dienen tot op de dag voor het verhoor;
6° het recht om tot uiterlijk drie dagen voor het verhoor de stukken te deponeren die hij wenst toe te voegen aan het dossier.
Het dossier dat alle stukken bevat die betrekking hebben op de feiten die de mogelijke preventieve schorsing verantwoorden, wordt als bijlage gevoegd bij deze oproep.
De oproep vermeldt :
1° de ten laste gelegde feiten;
2° het voornemen om aan de bevoegde overheid voor te stellen een preventieve schorsing uit te spreken;
3° plaats, dag en uur van het verhoor;
4° het recht op bijstand door een raadsman naar keuze;
5° het recht om een schriftelijk verweer in te dienen tot op de dag voor het verhoor;
6° het recht om tot uiterlijk drie dagen voor het verhoor de stukken te deponeren die hij wenst toe te voegen aan het dossier.
Het dossier dat alle stukken bevat die betrekking hebben op de feiten die de mogelijke preventieve schorsing verantwoorden, wordt als bijlage gevoegd bij deze oproep.
Art. 65. L'agent est convoqué pour l'audition par lettre recommandée, par une procédure électronique équivalente, par remise contre récépissé de la lettre de convocation ou par la valise diplomatique pour les agents en poste, le bordereau d'inscription établissant la date d'envoi, dans un délai minimum de quinze jours à dater de la réception de la lettre de convocation.
La convocation mentionne :
1° les faits reprochés;
2° l'intention de proposer à l'autorité compétente de prononcer une suspension préventive;
3° le lieu, jour et heure de l'audition;
4° le droit à l'assistance par un conseil de son choix;
5° le droit de déposer un mémoire écrit jusqu'au jour qui précède l'audition;
6° le droit de déposer, au plus tard trois jours avant l'audition, les pièces qu'il souhaite joindre au dossier.
Le dossier qui contient toutes les pièces relatives aux faits qui justifient la possible suspension préventive, est joint en annexe de cette convocation.
La convocation mentionne :
1° les faits reprochés;
2° l'intention de proposer à l'autorité compétente de prononcer une suspension préventive;
3° le lieu, jour et heure de l'audition;
4° le droit à l'assistance par un conseil de son choix;
5° le droit de déposer un mémoire écrit jusqu'au jour qui précède l'audition;
6° le droit de déposer, au plus tard trois jours avant l'audition, les pièces qu'il souhaite joindre au dossier.
Le dossier qui contient toutes les pièces relatives aux faits qui justifient la possible suspension préventive, est joint en annexe de cette convocation.
Art. 66. De ambtenaar verschijnt persoonlijk. Hij mag worden bijgestaan door een raadsman naar zijn keuze.
Indien, alhoewel regelmatig opgeroepen, de ambtenaar, zonder geldig excuus, niet persoonlijk verschijnt, doet de voorzitter of zijn afgevaardigde uitspraak op grond van de stukken van het dossier, waaronder het eventueel ingediende schriftelijk verweer.
Hetzelfde geldt zodra de zaak voor de tweede maal ter zitting komt, zelfs indien de ambtenaar een geldige reden kan aanvoeren om niet in persoon te verschijnen.
Indien, alhoewel regelmatig opgeroepen, de ambtenaar, zonder geldig excuus, niet persoonlijk verschijnt, doet de voorzitter of zijn afgevaardigde uitspraak op grond van de stukken van het dossier, waaronder het eventueel ingediende schriftelijk verweer.
Hetzelfde geldt zodra de zaak voor de tweede maal ter zitting komt, zelfs indien de ambtenaar een geldige reden kan aanvoeren om niet in persoon te verschijnen.
Art. 66. L'agent comparaît en personne. Il peut se faire assister par le conseil de son choix.
Si l'agent, bien que régulièrement convoqué, sans excuse valable ne comparaît en personne, le président ou son délégué se prononce sur base des pièces du dossier, dont l'éventuel mémoire écrit déposé.
Il en va de même dès que l'affaire fait l'objet de la deuxième audience, même si l'agent peut se prévaloir d'une excuse valable pour ne pas comparaître en personne.
Si l'agent, bien que régulièrement convoqué, sans excuse valable ne comparaît en personne, le président ou son délégué se prononce sur base des pièces du dossier, dont l'éventuel mémoire écrit déposé.
Il en va de même dès que l'affaire fait l'objet de la deuxième audience, même si l'agent peut se prévaloir d'une excuse valable pour ne pas comparaître en personne.
Art. 67. Binnen de zeven dagen na het verhoor worden de notulen opgemaakt.
Een afschrift van die notulen wordt onverwijld aan de ambtenaar overhandigd per aangetekende brief, via een gelijkgestelde elektronische procedure, via overhandiging tegen ontvangstbewijs of via de diplomatieke tas voor de ambtenaren op post, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont.
De ambtenaar wordt uitgenodigd om, binnen een termijn van vijftien dagen na het ontvangen van de notulen, zijn opmerkingen kenbaar te maken.
Het niet meedelen van de opmerkingen binnen deze termijn impliceert de aanvaarding van de notulen van het verhoor.
Een afschrift van die notulen wordt onverwijld aan de ambtenaar overhandigd per aangetekende brief, via een gelijkgestelde elektronische procedure, via overhandiging tegen ontvangstbewijs of via de diplomatieke tas voor de ambtenaren op post, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont.
De ambtenaar wordt uitgenodigd om, binnen een termijn van vijftien dagen na het ontvangen van de notulen, zijn opmerkingen kenbaar te maken.
Het niet meedelen van de opmerkingen binnen deze termijn impliceert de aanvaarding van de notulen van het verhoor.
Art. 67. Dans les sept jours de l'audition, il est dressé un procès-verbal.
Une copie de ce procès-verbal est immédiatement remise à l'agent par lettre recommandée, par une procédure électronique équivalente, par remise contre récépissé ou par la valise diplomatique pour les agents en poste, le bordereau d'inscription établissant la date d'envoi.
L'agent est invité à faire part de ses observations dans un délai de quinze jours de la réception du procès-verbal.
La non-communication des observations dans ce délai implique l'acceptation du procès-verbal de l'audition.
Une copie de ce procès-verbal est immédiatement remise à l'agent par lettre recommandée, par une procédure électronique équivalente, par remise contre récépissé ou par la valise diplomatique pour les agents en poste, le bordereau d'inscription établissant la date d'envoi.
L'agent est invité à faire part de ses observations dans un délai de quinze jours de la réception du procès-verbal.
La non-communication des observations dans ce délai implique l'acceptation du procès-verbal de l'audition.
Art. 68. § 1. Binnen een termijn van ten hoogste zes weken vanaf de oproep voor het verhoor, beslist de bevoegde overheid over de preventieve schorsing en de modaliteiten ervan.
§ 2. De beslissing tot preventieve schorsing wordt ter kennis gebracht van de ambtenaar per aangetekende brief, via een gelijkgestelde elektronische procedure, via overhandiging tegen ontvangstbewijs of via de diplomatieke tas voor de ambtenaren op post, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont.
§ 2. De beslissing tot preventieve schorsing wordt ter kennis gebracht van de ambtenaar per aangetekende brief, via een gelijkgestelde elektronische procedure, via overhandiging tegen ontvangstbewijs of via de diplomatieke tas voor de ambtenaren op post, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont.
Art. 68. § 1er. Dans un délai de six semaines au plus à partir de convocation à l'audition, l'autorité compétente statue sur la suspension préventive et sur ses modalités.
§ 2. La décision de suspension préventive est notifiée à l'agent par lettre recommandée, par une procédure électronique équivalente, par remise contre récépissé ou par la valise diplomatique pour les agents en poste, le bordereau d'inscription établissant la date d'envoi.
§ 2. La décision de suspension préventive est notifiée à l'agent par lettre recommandée, par une procédure électronique équivalente, par remise contre récépissé ou par la valise diplomatique pour les agents en poste, le bordereau d'inscription établissant la date d'envoi.
Art. 69. De preventieve schorsing gaat in op de dag van de kennisgeving.
Art. 69. La suspension préventive court à partir du jour de la notification.
Art. 70. Binnen een termijn van tien dagen vanaf de dag na de kennisgeving kan de ambtenaar een beroep instellen tegen de preventieve schorsing bij de bevoegde raad van beroep overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 82 en volgende van het statuut van het Rijkspersoneel.
Is het advies van de raad van beroep ongunstig voor de ambtenaar, dan blijft de preventieve schorsing gehandhaafd. Is het advies van de raad van beroep gunstig, dan beslist de bevoegde overheid definitief.
Is het advies van de raad van beroep ongunstig voor de ambtenaar, dan blijft de preventieve schorsing gehandhaafd. Is het advies van de raad van beroep gunstig, dan beslist de bevoegde overheid definitief.
Art. 70. Dans un délai de dix jours à partir du jour qui suit la notification, l'agent peut introduire un recours contre la suspension préventive devant la chambre de recours compétente conformément aux dispositions des articles 82 et suivants du statut des agents de l'Etat.
Si l'avis de la chambre de recours est défavorable à l'agent, la suspension préventive est maintenue. Si l'avis de la chambre de recours est favorable, l'autorité compétente statue alors définitivement.
Si l'avis de la chambre de recours est défavorable à l'agent, la suspension préventive est maintenue. Si l'avis de la chambre de recours est favorable, l'autorité compétente statue alors définitivement.
Art. 71. Behoudens strafrechtelijk onderzoek of strafrechtelijke vervolging mag de preventieve schorsing ten hoogste zes maanden bedragen.
Bij strafrechtelijk onderzoek en/of strafrechtelijke vervolging mag de schorsing in het belang van de dienst maximum gelden voor de duur van het onderzoek en/of de vervolging.
Indien de overheid in kennis wordt gesteld van de in kracht van gewijsde gegane strafrechtelijke uitspraak, de minnelijke schikking of de seponering, beslist zij om de preventieve schorsing of te heffen of te behouden voor de duur van de tuchtprocedure.
Bij strafrechtelijk onderzoek en/of strafrechtelijke vervolging mag de schorsing in het belang van de dienst maximum gelden voor de duur van het onderzoek en/of de vervolging.
Indien de overheid in kennis wordt gesteld van de in kracht van gewijsde gegane strafrechtelijke uitspraak, de minnelijke schikking of de seponering, beslist zij om de preventieve schorsing of te heffen of te behouden voor de duur van de tuchtprocedure.
Art. 71. Sous réserve d'enquête pénale ou de poursuite pénale, la suspension préventive peut durer six mois au plus.
En cas d'enquête pénale et/ou de poursuite pénale, la suspension dans l'intérêt du service peut s'appliquer au maximum pendant la durée de l'enquête et/ou de la poursuite.
Si l'autorité est informée de la décision pénale coulée en force de chose jugée, de l'accord à l'amiable ou du classement sans suite, elle statue sur la levée de la suspension préventive ou sur le maintien de celle-ci pendant la durée de la procédure disciplinaire.
En cas d'enquête pénale et/ou de poursuite pénale, la suspension dans l'intérêt du service peut s'appliquer au maximum pendant la durée de l'enquête et/ou de la poursuite.
Si l'autorité est informée de la décision pénale coulée en force de chose jugée, de l'accord à l'amiable ou du classement sans suite, elle statue sur la levée de la suspension préventive ou sur le maintien de celle-ci pendant la durée de la procédure disciplinaire.
Art. 72. Als de tuchtoverheid, in aansluiting op een preventieve schorsing met inhouding van wedde, geen tuchtstraf oplegt of een andere tuchtstraf oplegt dan de inhouding van wedde, de schorsing, het ambtshalve ontslag of de afzetting, wordt de preventieve schorsing ingetrokken en wordt de ingehouden wedde uitbetaald.
Als de tuchtoverheid, in aansluiting op een preventieve schorsing met inhouding van wedde, de tuchtstraf inhouding van salaris, schorsing, ontslag van ambtswege of afzetting oplegt, heeft de tuchtstraf uitwerking met ingang van de dag waarop de preventieve schorsing is ingegaan. In dit geval wordt het bedrag van de tijdens de preventieve schorsing ingehouden wedde, in mindering gebracht van het bedrag van het weddenverlies verbonden aan de tuchtstraf.
Indien het bedrag van de ingehouden wedde groter is dan het bedrag van het weddenverlies verbonden aan de tuchtstraf, betaalt de overheid het verschil uit.
Als de tuchtoverheid, in aansluiting op een preventieve schorsing met inhouding van wedde, de tuchtstraf inhouding van salaris, schorsing, ontslag van ambtswege of afzetting oplegt, heeft de tuchtstraf uitwerking met ingang van de dag waarop de preventieve schorsing is ingegaan. In dit geval wordt het bedrag van de tijdens de preventieve schorsing ingehouden wedde, in mindering gebracht van het bedrag van het weddenverlies verbonden aan de tuchtstraf.
Indien het bedrag van de ingehouden wedde groter is dan het bedrag van het weddenverlies verbonden aan de tuchtstraf, betaalt de overheid het verschil uit.
Art. 72. Si l'autorité disciplinaire, à la suite d'une suspension préventive avec retenue de traitement, n'inflige aucune peine disciplinaire ou une peine disciplinaire autre que la retenue de traitement, la suspension, la démission d'office ou la révocation, la suspension préventive est rapportée et le traitement retenu est versé.
Si l'autorité disciplinaire, à la suite d'une suspension préventive avec retenue de traitement, inflige la peine de la retenue de traitement, de la suspension, de la démission d'office ou de la révocation, la peine disciplinaire produit ses effets au jour de l'entrée en vigueur de la suspension préventive. Dans ce cas, le montant du traitement retenu pendant la suspension préventive est déduit du montant de la perte de traitement liée à la peine disciplinaire.
Si le montant du traitement retenu est plus important que le montant de la perte de traitement liée à la peine disciplinaire, l'autorité verse la différence.
Si l'autorité disciplinaire, à la suite d'une suspension préventive avec retenue de traitement, inflige la peine de la retenue de traitement, de la suspension, de la démission d'office ou de la révocation, la peine disciplinaire produit ses effets au jour de l'entrée en vigueur de la suspension préventive. Dans ce cas, le montant du traitement retenu pendant la suspension préventive est déduit du montant de la perte de traitement liée à la peine disciplinaire.
Si le montant du traitement retenu est plus important que le montant de la perte de traitement liée à la peine disciplinaire, l'autorité verse la différence.
Afdeling 2. - Terugroeping naar het hoofdbestuur
Section 2. - Rappel à l'administration centrale
Art. 73. Wanneer het belang van de dienst het vereist, kan de ambtenaar op post bij wijze van ordemaatregel naar het hoofdbestuur worden teruggeroepen.
Deze terugroeping naar het hoofdbestuur kan worden gevolgd door een preventieve schorsing.
De bevoegde overheden, de procedure en de modaliteiten voor de terugroeping naar het hoofdbestuur zijn dezelfde als voor de preventieve schorsing.
Deze terugroeping naar het hoofdbestuur kan worden gevolgd door een preventieve schorsing.
De bevoegde overheden, de procedure en de modaliteiten voor de terugroeping naar het hoofdbestuur zijn dezelfde als voor de preventieve schorsing.
Art. 73. Lorsque l'intérêt du service l'exige, l'agent en poste peut être rappelé à l'administration centrale à titre de mesure d'ordre.
Ce rappel à l'administration centrale peut être suivi d'une suspension préventive.
Les autorités compétentes, la procédure et les modalités pour le rappel à l'administration centrale sont les mêmes que pour la suspension préventive.
Ce rappel à l'administration centrale peut être suivi d'une suspension préventive.
Les autorités compétentes, la procédure et les modalités pour le rappel à l'administration centrale sont les mêmes que pour la suspension préventive.
HOOFDSTUK 8. - Tuchtregeling
CHAPITRE 8. - Régime disciplinaire
Afdeling 1. - Tuchtfeiten
Section 1re. - Faits disciplinaires
Art. 74. Elke handeling of gedraging die een tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaakt en in het bijzonder aan één van de plichten bedoeld in de artikelen 7, 8, 9, § 1, 10 en 12 van het statuut van het Rijkspersoneel of die de waardigheid van het ambt in het gedrang brengt, is een tuchtfeit en kan aanleiding geven tot één van de tuchtstraffen vermeld in artikel 75, onverminderd de toepassing van de strafwetten.
Art. 74. Tout action ou comportement qui constitue un manquement aux obligations professionnelles, et notamment à l'un des devoirs visés aux articles 7, 8, 9, § 1er, 10 et 12 du statut des agents de l'Etat, ou qui est de nature à porter atteinte à la dignité de la fonction, est un fait disciplinaire et est passible de l'une des peines disciplinaires visées à l'article 75, sans préjudice de l'application des lois pénales.
Afdeling 2. - Tuchtstraffen
Section 2. - Peines disciplinaires
Art. 75. Uitsluitend de volgende tuchtstraffen kunnen worden uitgesproken :
1° de terechtwijzing;
2° de blaam;
3° de inhouding van wedde;
4° de verplaatsing bij tuchtmaatregel;
5° de tuchtschorsing;
6° de lagere inschaling;
7° de terugzetting in klasse;
8° het ontslag van ambtswege;
9° de afzetting.
1° de terechtwijzing;
2° de blaam;
3° de inhouding van wedde;
4° de verplaatsing bij tuchtmaatregel;
5° de tuchtschorsing;
6° de lagere inschaling;
7° de terugzetting in klasse;
8° het ontslag van ambtswege;
9° de afzetting.
Art. 75. Seules les peines disciplinaires suivantes peuvent être prononcées :
1° le rappel à l'ordre;
2° le blâme;
3° la retenue de traitement;
4° le déplacement disciplinaire;
5° la suspension disciplinaire;
6° la régression barémique;
7° la rétrogradation;
8° la démission d'office;
9° la révocation.
1° le rappel à l'ordre;
2° le blâme;
3° la retenue de traitement;
4° le déplacement disciplinaire;
5° la suspension disciplinaire;
6° la régression barémique;
7° la rétrogradation;
8° la démission d'office;
9° la révocation.
Art. 76. De inhouding van wedde mag een periode van één maand niet overschrijden.
De inhouding van wedde mag niet hoger liggen dan één vijfde van het verschuldigde nettoloon.
De inhouding van wedde mag niet hoger liggen dan één vijfde van het verschuldigde nettoloon.
Art. 76. La retenue de traitement ne peut dépasser une période d'un mois.
La retenue de traitement ne peut être supérieure à un cinquième de la rémunération nette due.
La retenue de traitement ne peut être supérieure à un cinquième de la rémunération nette due.
Art. 77. De bij tuchtmaatregel verplaatste ambtenaar kan op zijn aanvraag geen nieuwe aanwijzing noch een overplaatsing bekomen gedurende de termijn die voor de uitwissing van zijn tuchtstraf is bepaald.
Art. 77. L'agent déplacé par mesure disciplinaire ne peut obtenir à sa demande ni une nouvelle affectation, ni un transfert, pendant le délai qui est fixé pour l'effacement de sa peine disciplinaire.
Art. 78. De tuchtschorsing wordt uitgesproken voor een periode van ten minste één maand en ten hoogste drie maanden.
De tuchtschorsing plaatst de ambtenaar ambtshalve in de administratieve stand non-activiteit.
Gedurende de periodes van de tuchtschorsing kan de ambtenaar zijn aanspraken op bevordering en op bevordering in zijn weddeschaal niet doen gelden.
Gedurende de periodes van de tuchtschorsing kan er hem geen hogere inhouding van wedde worden opgelegd dan één vijfde van het verschuldigde nettoloon.
De tuchtschorsing plaatst de ambtenaar ambtshalve in de administratieve stand non-activiteit.
Gedurende de periodes van de tuchtschorsing kan de ambtenaar zijn aanspraken op bevordering en op bevordering in zijn weddeschaal niet doen gelden.
Gedurende de periodes van de tuchtschorsing kan er hem geen hogere inhouding van wedde worden opgelegd dan één vijfde van het verschuldigde nettoloon.
Art. 78. La suspension disciplinaire est prononcée pour une période d'un mois au moins et de trois mois au plus.
La suspension disciplinaire place de plein droit l'agent dans la position administrative de non-activité.
Durant les périodes de suspension disciplinaire, l'agent ne peut faire valoir ses titres à la promotion ou à l'avancement dans son échelle de traitement.
Durant les périodes de suspension disciplinaire, il ne peut subir une retenue de traitement supérieure à un cinquième de la rémunération nette due.
La suspension disciplinaire place de plein droit l'agent dans la position administrative de non-activité.
Durant les périodes de suspension disciplinaire, l'agent ne peut faire valoir ses titres à la promotion ou à l'avancement dans son échelle de traitement.
Durant les périodes de suspension disciplinaire, il ne peut subir une retenue de traitement supérieure à un cinquième de la rémunération nette due.
Art. 79. De lagere inschaling wordt opgelegd door de toekenning van een lagere weddeschaal in dezelfde klasse.
Art. 79. La régression barémique est infligée par l'attribution d'une échelle de traitement inférieure dans la même classe.
Art. 80. De terugzetting in klasse wordt opgelegd door de toekenning van een lagere klasse.
De ambtenaar neemt in de nieuwe klasse rang in op de datum waarop deze toekenning uitwerking heeft.
De ambtenaar neemt in de nieuwe klasse rang in op de datum waarop deze toekenning uitwerking heeft.
Art. 80. La rétrogradation est infligée par l'attribution d'une classe inférieure.
L'agent prend rang dans la nouvelle classe à la date à laquelle cette attribution produit ses effets.
L'agent prend rang dans la nouvelle classe à la date à laquelle cette attribution produit ses effets.
Afdeling 3. - Tuchtoverheid
Section 3. - Autorité disciplinaire
Art. 81. De tuchtstraf wordt uitgesproken door de minister, met uitzondering van de terugzetting in klasse, het ontslag van ambtswege en de afzetting die door Ons worden opgelegd.
Art. 81. La peine disciplinaire est prononcée par le ministre, à l'exception de la rétrogradation, de la démission d'office et de la révocation qui sont infligées par Nous.
Art. 82. De tuchtstraf wordt uitgesproken na een voorlopig voorstel van de bevoegde hiërarchische meerdere.
De minister wijst de bevoegde hiërarchische meerdere aan.
De minister wijst de bevoegde hiërarchische meerdere aan.
Art. 82. La peine disciplinaire est prononcée sur une proposition provisoire du supérieur hiérarchique compétent.
Le ministre désigne le supérieur hiérarchique compétent.
Le ministre désigne le supérieur hiérarchique compétent.
Afdeling 4. - Tuchtprocedure en beroep
Section 4. - Procédure disciplinaire et appel
Onderafdeling 1. - Het formuleren van het voorlopig strafvoorstel
Sous-section 1re. - La formulation de la proposition provisoire de peine
Art. 83. De hiërarchische meerdere voert het tuchtonderzoek.
Als het tuchtonderzoek is afgerond, stelt de hiërarchische meerdere een tuchtverslag op dat de ten laste gelegde feiten vermeldt.
Hij stelt een tuchtdossier samen dat alle stukken bevat die betrekking hebben op de ten laste gelegde feiten.
Als het tuchtonderzoek is afgerond, stelt de hiërarchische meerdere een tuchtverslag op dat de ten laste gelegde feiten vermeldt.
Hij stelt een tuchtdossier samen dat alle stukken bevat die betrekking hebben op de ten laste gelegde feiten.
Art. 83. Le supérieur hiérarchique mène l'enquête disciplinaire.
Lorsque l'enquête disciplinaire est terminée, le supérieur hiérarchique rédige un rapport disciplinaire qui mentionne les faits reprochés.
Il constitue un dossier disciplinaire qui contient toutes les pièces relatives aux faits reprochés.
Lorsque l'enquête disciplinaire est terminée, le supérieur hiérarchique rédige un rapport disciplinaire qui mentionne les faits reprochés.
Il constitue un dossier disciplinaire qui contient toutes les pièces relatives aux faits reprochés.
Art. 84. Een voorlopig voorstel van tuchtstraf kan pas worden geformuleerd nadat de ambtenaar de mogelijkheid heeft gekregen om door de hiërarchische meerdere te worden gehoord in zijn middelen van verdediging tegen de feiten die hem ten laste worden gelegd.
De ambtenaar mag zich te allen tijde laten bijstaan door een raadsman van zijn keuze.
De ambtenaar mag zich te allen tijde laten bijstaan door een raadsman van zijn keuze.
Art. 84. Une proposition provisoire de peine disciplinaire ne peut être formulée qu'après que l'agent ait eu la possibilité d'être entendu par le supérieur hiérarchique dans ses moyens de défense sur les faits qui lui sont reprochés.
L'agent peut à tout moment se faire assister par un conseil de son choix.
L'agent peut à tout moment se faire assister par un conseil de son choix.
Art. 85. § 1. Vóór het verhoor wordt de ambtenaar op de hoogte gebracht van het tuchtverslag en wordt hem en desgevallend zijn raadsman een kopie van het tuchtdossier bezorgd.
§ 2. De hiërarchische meerdere kan ambtshalve of op verzoek van de ambtenaar getuigen horen. In dat geval heeft het verhoor van de getuigen plaats in aanwezigheid van de betrokkene en desgevallend van zijn raadsman.
§ 3. De verhoren, alsook de zittingen waarop de getuigen worden gehoord zijn niet openbaar, tenzij de betrokken ambtenaar er zelf om verzoekt. De opgeroepen getuige kan zich ertegen verzetten dat hij in het openbaar wordt gehoord.
§ 2. De hiërarchische meerdere kan ambtshalve of op verzoek van de ambtenaar getuigen horen. In dat geval heeft het verhoor van de getuigen plaats in aanwezigheid van de betrokkene en desgevallend van zijn raadsman.
§ 3. De verhoren, alsook de zittingen waarop de getuigen worden gehoord zijn niet openbaar, tenzij de betrokken ambtenaar er zelf om verzoekt. De opgeroepen getuige kan zich ertegen verzetten dat hij in het openbaar wordt gehoord.
Art. 85. § 1er. Préalablement à l'audition, l'agent est informé du rapport disciplinaire et une copie du dossier disciplinaire lui est transmise et, le cas échéant, à son conseil.
§ 2. Le supérieur hiérarchique peut, d'office ou à la demande de l'agent, entendre des témoins. Dans ce cas, l'audition des témoins a lieu en présence de l'intéressé et, le cas échéant, de son conseil.
§ 3. Les auditions ainsi que les séances au cours desquelles les témoins sont entendus ne sont pas publiques, sauf si l'agent concerné en fait la demande. Le témoin convoqué peut s'opposer à ce qu'il soit entendu publiquement.
§ 2. Le supérieur hiérarchique peut, d'office ou à la demande de l'agent, entendre des témoins. Dans ce cas, l'audition des témoins a lieu en présence de l'intéressé et, le cas échéant, de son conseil.
§ 3. Les auditions ainsi que les séances au cours desquelles les témoins sont entendus ne sont pas publiques, sauf si l'agent concerné en fait la demande. Le témoin convoqué peut s'opposer à ce qu'il soit entendu publiquement.
Art. 86. § 1. De hiërarchische meerdere roept de ambtenaar ten minste eenentwintig dagen voor het verhoor op om door hem te worden gehoord per aangetekende brief, via een gelijkgestelde elektronische procedure, via overhandiging tegen ontvangstbewijs of via de diplomatieke tas voor de ambtenaren op post, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont.
De oproep vermeldt :
1° de ten laste gelegde feiten;
2° het feit dat een tuchtstraf wordt overwogen;
3° plaats, dag en uur van het verhoor;
4° het recht op bijstand door een raadsman van zijn keuze;
5° het recht van de ambtenaar om de openbaarheid van het verhoor te vragen;
6° het recht om het horen van getuigen te vragen;
7° het recht om een schriftelijk verweer in te dienen tot op de dag voor het verhoor.
Het tuchtverslag en het tuchtdossier worden als bijlage gevoegd bij de oproepingsbrief.
§ 2. Aan de ambtenaar wordt gemeld dat indien er getuigen moeten worden gehoord, deze tien dagen voor het verhoor moeten worden meegedeeld aan de hiërarchische meerdere, met het oog op de oproep.
Tevens wordt gemeld dat in dat geval moet worden aangeduid welke getuigen moeten worden gehoord en waarover zij dienen te getuigen.
Bovendien wordt aan de ambtenaar ook gemeld dat hij verzocht wordt binnen dezelfde termijn van tien dagen voor het verhoor bij de hiërarchische meerdere de stukken te deponeren die hij wenst toe te voegen aan het dossier.
Indien de hiërarchische meerdere getuigen oproept, worden de namen en het onderwerp van de getuigenissen in de oproepingsbrief aan de ambtenaar meegedeeld.
§ 3. Op gemotiveerde vraag van de ambtenaar kan uitstel van het verhoor worden verleend.
Het organiseren van een uitgesteld verhoor of van een verhoor in voortzetting is, behalve de melding aan de ambtenaar, niet onderworpen aan de vormvereisten van de eerste oproep.
De oproep vermeldt :
1° de ten laste gelegde feiten;
2° het feit dat een tuchtstraf wordt overwogen;
3° plaats, dag en uur van het verhoor;
4° het recht op bijstand door een raadsman van zijn keuze;
5° het recht van de ambtenaar om de openbaarheid van het verhoor te vragen;
6° het recht om het horen van getuigen te vragen;
7° het recht om een schriftelijk verweer in te dienen tot op de dag voor het verhoor.
Het tuchtverslag en het tuchtdossier worden als bijlage gevoegd bij de oproepingsbrief.
§ 2. Aan de ambtenaar wordt gemeld dat indien er getuigen moeten worden gehoord, deze tien dagen voor het verhoor moeten worden meegedeeld aan de hiërarchische meerdere, met het oog op de oproep.
Tevens wordt gemeld dat in dat geval moet worden aangeduid welke getuigen moeten worden gehoord en waarover zij dienen te getuigen.
Bovendien wordt aan de ambtenaar ook gemeld dat hij verzocht wordt binnen dezelfde termijn van tien dagen voor het verhoor bij de hiërarchische meerdere de stukken te deponeren die hij wenst toe te voegen aan het dossier.
Indien de hiërarchische meerdere getuigen oproept, worden de namen en het onderwerp van de getuigenissen in de oproepingsbrief aan de ambtenaar meegedeeld.
§ 3. Op gemotiveerde vraag van de ambtenaar kan uitstel van het verhoor worden verleend.
Het organiseren van een uitgesteld verhoor of van een verhoor in voortzetting is, behalve de melding aan de ambtenaar, niet onderworpen aan de vormvereisten van de eerste oproep.
Art. 86. § 1er. Le supérieur hiérarchique convoque l'agent pour être entendu par lui par lettre recommandée, par une procédure électronique équivalente, par remise contre récépissé ou par la valise diplomatique pour les agents en poste, le bordereau d'inscription établissant la date d'envoi au moins vingt et un jours avant l'audition.
La convocation mentionne :
1° les faits reprochés;
2° le fait qu'une peine disciplinaire est envisagée;
3° le lieu, jour et heure de l'audition;
4° le droit à l'assistance par un conseil de son choix;
5° le droit de l'agent de demander la publicité de l'audition;
6° le droit de demander l'audition de témoins;
7° le droit de déposer un mémoire écrit jusqu'au jour avant l'audition.
Le rapport disciplinaire et le dossier disciplinaire sont joints à la lettre de convocation.
§ 2. L'agent est informé du fait que si des témoins doivent être entendus, ceux-ci sont annoncés au supérieur hiérarchique dix jours avant l'audition, en vue de la convocation.
Il est aussi mentionné que dans ce cas, il doit être indiqué quels témoins doivent être entendus et ce sur quoi ils doivent témoigner.
L'agent est également informé qu'il est invité dans le même délai de dix jours avant l'audition à déposer auprès du supérieur hiérarchique les pièces qu'il souhaite joindre au dossier.
Si le supérieur hiérarchique convoque des témoins, les noms et l'objet des témoignages sont communiqués à l'agent dans la lettre de convocation.
§ 3. Sur demande motivée de l'agent, un report de l'audition peut être accordé.
L'organisation d'une audition reportée ou d'une audition en continuation n'est pas, sauf communication à l'agent, soumise aux exigences de forme de la première convocation.
La convocation mentionne :
1° les faits reprochés;
2° le fait qu'une peine disciplinaire est envisagée;
3° le lieu, jour et heure de l'audition;
4° le droit à l'assistance par un conseil de son choix;
5° le droit de l'agent de demander la publicité de l'audition;
6° le droit de demander l'audition de témoins;
7° le droit de déposer un mémoire écrit jusqu'au jour avant l'audition.
Le rapport disciplinaire et le dossier disciplinaire sont joints à la lettre de convocation.
§ 2. L'agent est informé du fait que si des témoins doivent être entendus, ceux-ci sont annoncés au supérieur hiérarchique dix jours avant l'audition, en vue de la convocation.
Il est aussi mentionné que dans ce cas, il doit être indiqué quels témoins doivent être entendus et ce sur quoi ils doivent témoigner.
L'agent est également informé qu'il est invité dans le même délai de dix jours avant l'audition à déposer auprès du supérieur hiérarchique les pièces qu'il souhaite joindre au dossier.
Si le supérieur hiérarchique convoque des témoins, les noms et l'objet des témoignages sont communiqués à l'agent dans la lettre de convocation.
§ 3. Sur demande motivée de l'agent, un report de l'audition peut être accordé.
L'organisation d'une audition reportée ou d'une audition en continuation n'est pas, sauf communication à l'agent, soumise aux exigences de forme de la première convocation.
Art. 87. § 1. Binnen de tien dagen na het verhoor worden hiervan de notulen opgemaakt.
De hiërarchische meerdere kan zich bij het verhoor laten bijstaan door een secretaris door hem aangeduid.
Een afschrift van die notulen wordt onverwijld aan de ambtenaar overhandigd per aangetekende brief, via een gelijkgestelde elektronische procedure, via overhandiging tegen ontvangstbewijs of via de diplomatieke tas voor de ambtenaren op post, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont.
De ambtenaar wordt uitgenodigd om, binnen een termijn van twintig dagen na het verhoor, zijn opmerkingen kenbaar te maken.
Het niet meedelen van opmerkingen binnen deze termijn impliceert de aanvaarding van de notulen van het verhoor.
§ 2. Binnen de tien dagen na het verhoor van de getuige worden de notulen van dit verhoor opgemaakt.
Een afschrift van die notulen wordt onverwijld aan de getuige overhandigd per aangetekende brief, via een gelijkgestelde elektronische procedure, via overhandiging tegen ontvangstbewijs of via de diplomatieke tas indien het om een ambtenaar op post gaat, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont.
De getuige wordt uitgenodigd om, binnen een termijn van twintig dagen na het verhoor, zijn opmerkingen kenbaar te maken.
Het niet meedelen van opmerkingen binnen deze termijn impliceert de aanvaarding van de notulen van het verhoor.
De hiërarchische meerdere kan zich bij het verhoor laten bijstaan door een secretaris door hem aangeduid.
Een afschrift van die notulen wordt onverwijld aan de ambtenaar overhandigd per aangetekende brief, via een gelijkgestelde elektronische procedure, via overhandiging tegen ontvangstbewijs of via de diplomatieke tas voor de ambtenaren op post, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont.
De ambtenaar wordt uitgenodigd om, binnen een termijn van twintig dagen na het verhoor, zijn opmerkingen kenbaar te maken.
Het niet meedelen van opmerkingen binnen deze termijn impliceert de aanvaarding van de notulen van het verhoor.
§ 2. Binnen de tien dagen na het verhoor van de getuige worden de notulen van dit verhoor opgemaakt.
Een afschrift van die notulen wordt onverwijld aan de getuige overhandigd per aangetekende brief, via een gelijkgestelde elektronische procedure, via overhandiging tegen ontvangstbewijs of via de diplomatieke tas indien het om een ambtenaar op post gaat, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont.
De getuige wordt uitgenodigd om, binnen een termijn van twintig dagen na het verhoor, zijn opmerkingen kenbaar te maken.
Het niet meedelen van opmerkingen binnen deze termijn impliceert de aanvaarding van de notulen van het verhoor.
Art. 87. § 1er. Dans les dix jours de l'audition, il en est dressé un procès-verbal.
Le supérieur hiérarchique peut se faire assister lors de l'audition par un secrétaire qu'il désigne.
Une copie de ce procès-verbal est immédiatement remise à l'agent par lettre recommandée, par une procédure électronique équivalente, par remise contre récépissé ou par la valise diplomatique pour les agents en poste, le bordereau d'inscription établissant la date d'envoi.
L'agent est invité à faire part de ses observations dans un délai de vingt jours après l'audition.
La non-communication des observations dans ce délai implique l'acceptation du procès-verbal de l'audition.
§ 2. Dans les dix jours de l'audition du témoin, il est dressé un procès-verbal de cette audition.
Une copie de ce procès-verbal est immédiatement remise au témoin par lettre recommandée, par une procédure électronique équivalente, par remise contre récépissé ou par la valise diplomatique s'il s'agit d'un agent en poste, le bordereau d'inscription établissant la date d'envoi.
Le témoin est invité à faire part de ses observations dans un délai de vingt jours après l'audition.
La non-communication des observations dans ce délai implique l'acceptation du procès-verbal de l'audition.
Le supérieur hiérarchique peut se faire assister lors de l'audition par un secrétaire qu'il désigne.
Une copie de ce procès-verbal est immédiatement remise à l'agent par lettre recommandée, par une procédure électronique équivalente, par remise contre récépissé ou par la valise diplomatique pour les agents en poste, le bordereau d'inscription établissant la date d'envoi.
L'agent est invité à faire part de ses observations dans un délai de vingt jours après l'audition.
La non-communication des observations dans ce délai implique l'acceptation du procès-verbal de l'audition.
§ 2. Dans les dix jours de l'audition du témoin, il est dressé un procès-verbal de cette audition.
Une copie de ce procès-verbal est immédiatement remise au témoin par lettre recommandée, par une procédure électronique équivalente, par remise contre récépissé ou par la valise diplomatique s'il s'agit d'un agent en poste, le bordereau d'inscription établissant la date d'envoi.
Le témoin est invité à faire part de ses observations dans un délai de vingt jours après l'audition.
La non-communication des observations dans ce délai implique l'acceptation du procès-verbal de l'audition.
Art. 88. Binnen vijftien dagen na het verstrijken van de termijn voor het meedelen van de opmerkingen op de notulen van het verhoor formuleert de hiërarchische meerdere een gemotiveerd voorlopig voorstel van tuchtstraf en brengt hij dit voorlopig voorstel ter kennis van het Directiecomité en van de ambtenaar per aangetekende brief, via een gelijkgestelde elektronische procedure, via overhandiging tegen ontvangstbewijs of via de diplomatieke tas voor de ambtenaren op post, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont.
De kennisgeving van het dossier geldt als aanhangigmaking bij het Directiecomité.
De kennisgeving van het dossier geldt als aanhangigmaking bij het Directiecomité.
Art. 88. Dans les quinze jours de l'expiration du délai pour la communication des observations sur le procès-verbal d'audition, le supérieur hiérarchique formule une proposition provisoire motivée de peine disciplinaire et communique cette proposition provisoire au Comité de direction et à l'agent par lettre recommandée, par une procédure électronique équivalente, par remise contre récépissé ou par la valise diplomatique pour les agents en poste, le bordereau d'inscription établissant la date d'envoi.
La communication du dossier vaut saisine du Comité de direction.
La communication du dossier vaut saisine du Comité de direction.
Onderafdeling 2. - Het formuleren van het definitief strafvoorstel
Sous-section 2. - La formulation de la proposition définitive de peine
Art. 89. Een definitief voorstel van tuchtstraf kan niet worden geformuleerd dan nadat de ambtenaar de mogelijkheid heeft gekregen om door het Directiecomité te worden gehoord over zijn middelen van verdediging tegen de feiten die hem ten laste worden gelegd.
De ambtenaar mag zich te allen tijde laten bijstaan door een raadsman van zijn keuze.
De ambtenaar mag zich te allen tijde laten bijstaan door een raadsman van zijn keuze.
Art. 89. Une proposition définitive de peine disciplinaire ne peut être formulée qu'après que l'agent a eu la possibilité d'être entendu par le Comité de direction dans ses moyens de défense sur les faits qui lui sont reprochés.
L'agent peut à tout moment se faire assister par un conseil de son choix.
L'agent peut à tout moment se faire assister par un conseil de son choix.
Art. 90. § 1. Het Directiecomité roept de ambtenaar ten minste eenentwintig dagen voor het verhoor op om door hem te worden gehoord per aangetekende brief, via een gelijkgestelde elektronische procedure, via overhandiging tegen ontvangstbewijs of via de diplomatieke tas voor de ambtenaren op post, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont.
De oproep vermeldt :
1° de ten laste gelegde feiten;
2° de door de hiërarchische meerdere voorlopig voorgestelde tuchtstraf;
3° plaats, dag en uur van het verhoor;
4° het recht op bijstand door een raadsman van zijn keuze;
5° het recht van de ambtenaar om de openbaarheid van het verhoor te vragen;
6° het recht om het horen van getuigen te vragen;
7° het recht om een schriftelijk verweer in te dienen tot op de dag voor het verhoor.
§ 2. Aan de ambtenaar wordt gemeld dat indien er getuigen moeten worden gehoord, deze tien dagen voor het verhoor moeten worden meegedeeld aan het Directiecomité, met het oog op de oproep.
Tevens wordt gemeld dat in dat geval moet worden aangeduid welke getuigen moeten worden gehoord en waarover zij dienen te getuigen.
Bovendien wordt aan de ambtenaar ook gemeld dat hij verzocht wordt binnen dezelfde termijn van tien dagen voor het verhoor bij het Directiecomité de stukken neer te leggen die hij wenst toe te voegen aan het dossier.
Indien het Directiecomité getuigen oproept, worden de namen en het onderwerp van de getuigenissen aan de ambtenaar meegedeeld in de oproepingsbrief.
§ 3. Op gemotiveerde vraag van de ambtenaar kan uitstel van het verhoor verleend worden.
Het organiseren van een uitgesteld verhoor of van een verhoor in voortzetting is, behalve de melding aan de ambtenaar, niet onderworpen aan de vormvereisten van de eerste oproep.
De oproep vermeldt :
1° de ten laste gelegde feiten;
2° de door de hiërarchische meerdere voorlopig voorgestelde tuchtstraf;
3° plaats, dag en uur van het verhoor;
4° het recht op bijstand door een raadsman van zijn keuze;
5° het recht van de ambtenaar om de openbaarheid van het verhoor te vragen;
6° het recht om het horen van getuigen te vragen;
7° het recht om een schriftelijk verweer in te dienen tot op de dag voor het verhoor.
§ 2. Aan de ambtenaar wordt gemeld dat indien er getuigen moeten worden gehoord, deze tien dagen voor het verhoor moeten worden meegedeeld aan het Directiecomité, met het oog op de oproep.
Tevens wordt gemeld dat in dat geval moet worden aangeduid welke getuigen moeten worden gehoord en waarover zij dienen te getuigen.
Bovendien wordt aan de ambtenaar ook gemeld dat hij verzocht wordt binnen dezelfde termijn van tien dagen voor het verhoor bij het Directiecomité de stukken neer te leggen die hij wenst toe te voegen aan het dossier.
Indien het Directiecomité getuigen oproept, worden de namen en het onderwerp van de getuigenissen aan de ambtenaar meegedeeld in de oproepingsbrief.
§ 3. Op gemotiveerde vraag van de ambtenaar kan uitstel van het verhoor verleend worden.
Het organiseren van een uitgesteld verhoor of van een verhoor in voortzetting is, behalve de melding aan de ambtenaar, niet onderworpen aan de vormvereisten van de eerste oproep.
Art. 90. § 1er. Le Comité de direction convoque l'agent pour être entendu par lui par lettre recommandée, par une procédure électronique équivalente, par remise contre récépissé ou par la valise diplomatique pour les agents en poste, le bordereau d'inscription établissant la date d'envoi au moins vingt et un jours avant l'audition.
La convocation mentionne :
1° les faits reprochés;
2° la peine disciplinaire provisoire proposée par le supérieur hiérarchique;
3° le lieu, jour et heure de l'audition;
4° le droit à l'assistance par un conseil de son choix;
5° le droit de l'agent de demander la publicité de l'audition;
6° le droit de demander l'audition de témoins;
7° le droit de déposer un mémoire écrit jusqu'au jour qui précède l'audition.
§ 2. L'agent est informé de ce que si des témoins doivent être entendus, ceux-ci sont annoncés au Comité de direction dix jours avant l'audition, en vue de la convocation.
Il est aussi mentionné que dans ce cas, il doit être indiqué quels témoins doivent être entendus et ce sur quoi ils doivent témoigner.
L'agent est également informé qu'il est invité dans le même délai de dix jours avant l'audition à déposer auprès du Comité de direction les pièces qu'il souhaite joindre au dossier.
Si le Comité de direction convoque des témoins, les noms et l'objet des témoignages sont communiqués à l'agent dans la lettre de convocation.
§ 3. Sur demande motivée de l'agent, un report d'audition peut être accordé.
L'organisation d'une audition reportée ou d'une audition en continuation n'est pas, sauf communication à l'agent, soumise aux exigences de forme de la première convocation.
La convocation mentionne :
1° les faits reprochés;
2° la peine disciplinaire provisoire proposée par le supérieur hiérarchique;
3° le lieu, jour et heure de l'audition;
4° le droit à l'assistance par un conseil de son choix;
5° le droit de l'agent de demander la publicité de l'audition;
6° le droit de demander l'audition de témoins;
7° le droit de déposer un mémoire écrit jusqu'au jour qui précède l'audition.
§ 2. L'agent est informé de ce que si des témoins doivent être entendus, ceux-ci sont annoncés au Comité de direction dix jours avant l'audition, en vue de la convocation.
Il est aussi mentionné que dans ce cas, il doit être indiqué quels témoins doivent être entendus et ce sur quoi ils doivent témoigner.
L'agent est également informé qu'il est invité dans le même délai de dix jours avant l'audition à déposer auprès du Comité de direction les pièces qu'il souhaite joindre au dossier.
Si le Comité de direction convoque des témoins, les noms et l'objet des témoignages sont communiqués à l'agent dans la lettre de convocation.
§ 3. Sur demande motivée de l'agent, un report d'audition peut être accordé.
L'organisation d'une audition reportée ou d'une audition en continuation n'est pas, sauf communication à l'agent, soumise aux exigences de forme de la première convocation.
Art. 91. § 1. Het Directiecomité kan ambtshalve of op verzoek van de ambtenaar getuigen horen. In dat geval heeft het verhoor van de getuigen plaats in aanwezigheid van de betrokkene en desgevallend van zijn raadsman.
§ 2. De verhoren, alsook de zittingen waarop de getuigen worden gehoord, zijn niet openbaar, tenzij de betrokken ambtenaar er zelf om verzoekt.
De opgeroepen getuige kan zich ertegen verzetten dat hij in het openbaar wordt gehoord.
§ 2. De verhoren, alsook de zittingen waarop de getuigen worden gehoord, zijn niet openbaar, tenzij de betrokken ambtenaar er zelf om verzoekt.
De opgeroepen getuige kan zich ertegen verzetten dat hij in het openbaar wordt gehoord.
Art. 91. § 1er. Le Comité de direction peut, d'office ou à la demande de l'agent, entendre des témoins. Dans ce cas, l'audition des témoins a lieu en présence de l'intéressé et, le cas échéant, de son conseil.
§ 2. Les auditions ainsi que les séances au cours desquelles les témoins sont entendus ne sont pas publiques, sauf si l'agent concerné en fait la demande.
Le témoin convoqué peut s'opposer à ce qu'il soit entendu publiquement.
§ 2. Les auditions ainsi que les séances au cours desquelles les témoins sont entendus ne sont pas publiques, sauf si l'agent concerné en fait la demande.
Le témoin convoqué peut s'opposer à ce qu'il soit entendu publiquement.
Art. 92. § 1. Binnen de tien dagen na het verhoor worden hiervan de notulen opgemaakt.
De ambtenaar wordt uitgenodigd om, binnen een termijn van twintig dagen na het verhoor, zijn opmerkingen kenbaar te maken.
Een afschrift van die notulen wordt onverwijld aan de ambtenaar overhandigd per aangetekende brief, via een gelijkgestelde elektronische procedure, via overhandiging tegen ontvangstbewijs of via de diplomatieke tas voor de ambtenaren op post, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont.
Het niet meedelen van opmerkingen binnen deze termijn impliceert de aanvaarding van de notulen van het verhoor.
§ 2. Binnen de tien dagen na het verhoor van de getuige worden de notulen van dit verhoor opgemaakt.
Een afschrift van die notulen wordt onverwijld aan de getuige overhandigd per aangetekende brief, via een gelijkgestelde elektronische procedure, via overhandiging tegen ontvangstbewijs of via de diplomatieke tas indien het om een ambtenaar op post gaat, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont.
De getuige wordt uitgenodigd om, binnen een termijn van twintig dagen na het verhoor, zijn opmerkingen kenbaar te maken.
Het niet meedelen van opmerkingen binnen deze termijn impliceert de aanvaarding van de notulen van het verhoor.
De ambtenaar wordt uitgenodigd om, binnen een termijn van twintig dagen na het verhoor, zijn opmerkingen kenbaar te maken.
Een afschrift van die notulen wordt onverwijld aan de ambtenaar overhandigd per aangetekende brief, via een gelijkgestelde elektronische procedure, via overhandiging tegen ontvangstbewijs of via de diplomatieke tas voor de ambtenaren op post, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont.
Het niet meedelen van opmerkingen binnen deze termijn impliceert de aanvaarding van de notulen van het verhoor.
§ 2. Binnen de tien dagen na het verhoor van de getuige worden de notulen van dit verhoor opgemaakt.
Een afschrift van die notulen wordt onverwijld aan de getuige overhandigd per aangetekende brief, via een gelijkgestelde elektronische procedure, via overhandiging tegen ontvangstbewijs of via de diplomatieke tas indien het om een ambtenaar op post gaat, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont.
De getuige wordt uitgenodigd om, binnen een termijn van twintig dagen na het verhoor, zijn opmerkingen kenbaar te maken.
Het niet meedelen van opmerkingen binnen deze termijn impliceert de aanvaarding van de notulen van het verhoor.
Art. 92. § 1er. Dans les dix jours de l'audition, il en est dressé un procès-verbal.
L'agent est invité à faire part de ses observations dans un délai de vingt jours après l'audition.
Une copie de ce procès-verbal est immédiatement remise à l'agent par lettre recommandée, par une procédure électronique équivalente, par remise contre récépissé ou par la valise diplomatique pour les agents en poste, le bordereau d'inscription établissant la date d'envoi.
La non-communication des observations dans ce délai implique l'acceptation du procès-verbal de l'audition.
§ 2. Dans les dix jours de l'audition du témoin, il est dressé un procès-verbal de cette audition.
Une copie de ce procès-verbal est immédiatement remise au témoin par lettre recommandée, par une procédure électronique équivalente, par remise contre récépissé ou par la valise diplomatique s'il s'agit d'un agent en poste, le bordereau d'inscription établissant la date d'envoi.
Le témoin est invité à faire part de ses observations dans un délai de vingt jours après l'audition.
La non-communication des observations dans ce délai implique l'acceptation du procès-verbal de l'audition.
L'agent est invité à faire part de ses observations dans un délai de vingt jours après l'audition.
Une copie de ce procès-verbal est immédiatement remise à l'agent par lettre recommandée, par une procédure électronique équivalente, par remise contre récépissé ou par la valise diplomatique pour les agents en poste, le bordereau d'inscription établissant la date d'envoi.
La non-communication des observations dans ce délai implique l'acceptation du procès-verbal de l'audition.
§ 2. Dans les dix jours de l'audition du témoin, il est dressé un procès-verbal de cette audition.
Une copie de ce procès-verbal est immédiatement remise au témoin par lettre recommandée, par une procédure électronique équivalente, par remise contre récépissé ou par la valise diplomatique s'il s'agit d'un agent en poste, le bordereau d'inscription établissant la date d'envoi.
Le témoin est invité à faire part de ses observations dans un délai de vingt jours après l'audition.
La non-communication des observations dans ce délai implique l'acceptation du procès-verbal de l'audition.
Art. 93. Indien, alhoewel regelmatig opgeroepen, de ambtenaar, zonder geldig excuus, niet persoonlijk verschijnt, spreekt het Directiecomité zich uit op grond van de stukken van het dossier, waaronder het eventueel ingediende schriftelijk verweer.
Hetzelfde geldt zodra de zaak het voorwerp van een tweede zitting uitmaakt, zelfs indien de ambtenaar een geldige reden kan aanvoeren om niet in persoon te verschijnen.
Hetzelfde geldt zodra de zaak het voorwerp van een tweede zitting uitmaakt, zelfs indien de ambtenaar een geldige reden kan aanvoeren om niet in persoon te verschijnen.
Art. 93. Si, bien que régulièrement convoqué, l'agent, sans excuse valable, ne comparaît en personne, le Comité de direction se prononce sur base des pièces du dossier, dont l'éventuel mémoire écrit déposé.
Cela vaut également dès que l'affaire fait l'objet d'une deuxième audience, même si l'agent peut se prévaloir d'une excuse valable pour ne pas comparaître en personne.
Cela vaut également dès que l'affaire fait l'objet d'une deuxième audience, même si l'agent peut se prévaloir d'une excuse valable pour ne pas comparaître en personne.
Art. 94. Kan geen zitting hebben noch deelnemen aan de beraadslaging van het Directiecomité, de ambtenaar tegen wie de tuchtvordering is ingezet of elke ambtenaar die heeft deelgenomen aan het instellen van de tuchtvordering of die in welke hoedanigheid ook aan de tuchtprocedure heeft deelgenomen.
Art. 94. Ne peut ni siéger ni participer à la délibération du Comité de direction, l'agent contre qui est engagée l'action disciplinaire ou tout agent qui a participé à l'engagement de l'action disciplinaire ou qui a pris part, à quelque titre que ce soit, à la procédure disciplinaire.
Art. 95. § 1. Binnen een termijn van één maand vanaf de kennisgeving van het voorlopig voorstel van tuchtstraf, formuleert het Directiecomité een definitief voorstel van tuchtstraf.
Deze termijn van één maand kan op gemotiveerde wijze verlengd worden.
De leden van het Directiecomité die niet permanent aanwezig waren tijdens het geheel van de verhoren, mogen niet deelnemen aan de beraadslagingen en aan de stemming over het definitief voorstel van tuchtstraf.
§ 2. Het definitief voorstel van tuchtstraf wordt ter kennis gebracht van de ambtenaar per aangetekende brief, via een gelijkgestelde elektronische procedure, via overhandiging tegen ontvangstbewijs of via de diplomatieke tas voor de ambtenaren op post, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont.
§ 3. Binnen twintig dagen vanaf de dag na de kennisgeving van het definitieve voorstel van tuchtstraf, kan de ambtenaar tegen dit voorstel een beroep indienen bij de bevoegde raad van beroep conform de artikelen 82 en volgende van het statuut van het Rijkspersoneel.
Deze termijn van één maand kan op gemotiveerde wijze verlengd worden.
De leden van het Directiecomité die niet permanent aanwezig waren tijdens het geheel van de verhoren, mogen niet deelnemen aan de beraadslagingen en aan de stemming over het definitief voorstel van tuchtstraf.
§ 2. Het definitief voorstel van tuchtstraf wordt ter kennis gebracht van de ambtenaar per aangetekende brief, via een gelijkgestelde elektronische procedure, via overhandiging tegen ontvangstbewijs of via de diplomatieke tas voor de ambtenaren op post, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont.
§ 3. Binnen twintig dagen vanaf de dag na de kennisgeving van het definitieve voorstel van tuchtstraf, kan de ambtenaar tegen dit voorstel een beroep indienen bij de bevoegde raad van beroep conform de artikelen 82 en volgende van het statuut van het Rijkspersoneel.
Art. 95. § 1er. Dans un délai d'un mois à partir de la notification de la proposition provisoire de peine disciplinaire, le Comité de direction formule une proposition définitive de peine disciplinaire.
Ce délai d'un mois peut être prolongé de manière motivée.
Les membres du Comité de direction qui n'étaient pas présents de manière permanente pendant l'ensemble des auditions ne peuvent participer aux délibérations et au vote sur la proposition définitive de peine disciplinaire.
§ 2. La proposition définitive de peine disciplinaire est notifiée à l'agent par lettre recommandée, par une procédure électronique équivalente, par remise contre récépissé ou par la valise diplomatique pour les agents en poste, le bordereau d'inscription établissant la date d'envoi.
§ 3. Dans les vingt jours à partir du jour qui suit la notification de la proposition définitive de peine disciplinaire, l'agent peut introduire un recours contre cette proposition devant la chambre de recours compétente conformément aux articles 82 et suivants du statut des agents de l'Etat.
Ce délai d'un mois peut être prolongé de manière motivée.
Les membres du Comité de direction qui n'étaient pas présents de manière permanente pendant l'ensemble des auditions ne peuvent participer aux délibérations et au vote sur la proposition définitive de peine disciplinaire.
§ 2. La proposition définitive de peine disciplinaire est notifiée à l'agent par lettre recommandée, par une procédure électronique équivalente, par remise contre récépissé ou par la valise diplomatique pour les agents en poste, le bordereau d'inscription établissant la date d'envoi.
§ 3. Dans les vingt jours à partir du jour qui suit la notification de la proposition définitive de peine disciplinaire, l'agent peut introduire un recours contre cette proposition devant la chambre de recours compétente conformément aux articles 82 et suivants du statut des agents de l'Etat.
Onderafdeling 3. - Beslissing van de bevoegde overheid
Sous-section 3. - Décision de l'autorité compétente
Art. 96. De bevoegde overheid kan geen zwaardere tuchtstraf uitspreken dan die welke definitief is voorgesteld.
Ze kan slechts de feiten in aanmerking nemen die de tuchtprocedure gerechtvaardigd hebben.
Een tuchtstraf kan geen uitwerking hebben voor een periode die de uitspraak voorafgaat, met uitzondering van het bepaalde in artikel 72.
Ze kan slechts de feiten in aanmerking nemen die de tuchtprocedure gerechtvaardigd hebben.
Een tuchtstraf kan geen uitwerking hebben voor een periode die de uitspraak voorafgaat, met uitzondering van het bepaalde in artikel 72.
Art. 96. L'autorité compétente ne peut prononcer de peine disciplinaire plus sévère que celle proposée définitivement.
Elle ne peut prendre en considération que les faits qui ont justifié la procédure disciplinaire.
Une peine disciplinaire ne peut avoir d'effet pour une période qui précède la décision, à l'exception de ce qui est prévu à l'article 72.
Elle ne peut prendre en considération que les faits qui ont justifié la procédure disciplinaire.
Une peine disciplinaire ne peut avoir d'effet pour une période qui précède la décision, à l'exception de ce qui est prévu à l'article 72.
Art. 97. De bevoegde overheid beslist binnen de vijftien dagen, te rekenen vanaf de betekening van het advies van de raad van beroep. Zij deelt zonder verwijl de beslissing mee aan de ambtenaar en de raad van beroep per aangetekende brief, via een gelijkgestelde elektronische procedure, via overhandiging tegen ontvangstbewijs of via de diplomatieke tas voor de ambtenaren op post, waarbij het inschrijvingsborderel de verzenddatum aantoont.
Als de bevoegde overheid afwijkt van het advies van de raad van beroep, kan zij geen andere feiten ter sprake brengen dan die welke het advies van de raad van beroep gemotiveerd hebben.
Als de bevoegde overheid afwijkt van het advies van de raad van beroep, kan zij geen andere feiten ter sprake brengen dan die welke het advies van de raad van beroep gemotiveerd hebben.
Art. 97. L'autorité compétente décide dans les quinze jours à partir de la notification de l'avis de la chambre de recours. Elle communique sans délai la décision à l'agent et à la chambre de recours par lettre recommandée, par une procédure électronique équivalente, par remise contre récépissé ou par la valise diplomatique pour les agents en poste, le bordereau d'inscription établissant la date d'envoi.
Si l''autorité compétente déroge à l'avis de la chambre de recours, elle ne peut évoquer d'autres faits que ceux ayant motivé l'avis de la chambre de recours.
Si l''autorité compétente déroge à l'avis de la chambre de recours, elle ne peut évoquer d'autres faits que ceux ayant motivé l'avis de la chambre de recours.
Onderafdeling 4. - Samenloop van tuchtfeiten
Sous-section 4. - Jonction de faits disciplinaires
Art. 98. Wanneer meer dan één feit ten laste van de ambtenaar wordt gelegd, kan dit niettemin slechts aanleiding geven tot één tuchtprocedure en tot de uitspraak van één tuchtstraf.
Wanneer de ambtenaar in de loop van de tuchtprocedure een nieuw feit ten laste wordt gelegd, kan een nieuwe procedure worden begonnen zonder dat de lopende procedure noodzakelijkerwijs wordt onderbroken.
Wanneer de ambtenaar in de loop van de tuchtprocedure een nieuw feit ten laste wordt gelegd, kan een nieuwe procedure worden begonnen zonder dat de lopende procedure noodzakelijkerwijs wordt onderbroken.
Art. 98. Lorsque plus d'un fait est reproché à l'agent, il ne peut néanmoins donner lieu qu'à une seule procédure disciplinaire et qu'au prononcé d'une seule peine disciplinaire.
Lorsqu'un nouveau fait est reproché à l'agent au cours de la procédure disciplinaire, une nouvelle procédure peut être entamée sans que la procédure en cours ne soit nécessairement interrompue.
Lorsqu'un nouveau fait est reproché à l'agent au cours de la procédure disciplinaire, une nouvelle procédure peut être entamée sans que la procédure en cours ne soit nécessairement interrompue.
Afdeling 5. - Verjaring van de tuchtvordering
Section 5. - Prescription de l'action disciplinaire
Art. 99. § 1. De tuchtoverheid kan geen tuchtrechtelijke vervolging meer instellen na verloop van een termijn van zes maanden na de vaststelling of de kennisname door de tuchtoverheid van de daarvoor in aanmerking komende feiten.
De tuchtvervolging wordt geacht te zijn ingesteld van zodra de ambtenaar opgeroepen is om te worden gehoord door de hiërarchische meerdere.
§ 2. Als in verband met dezelfde feiten een strafvordering werd ingesteld, wordt de termijn van paragraaf 1 gestuit tot op de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan op de hoogte wordt gebracht dat er een beslissing werd uitgesproken die in kracht van gewijsde is gegaan en die de strafvordering beëindigt.
§ 3. Het strafrechtelijk onderzoek doet geen afbreuk aan de mogelijkheid van de tuchtoverheid om een tuchtstraf uit te spreken.
Indien de betrokken ambtenaar van mening is dat de tuchtstraf die hem opgelegd wordt onverenigbaar is met een latere in kracht van gewijsde getreden strafrechtelijke uitspraak, dan kan hij binnen de zestig dagen na de kennisgeving van de strafrechtelijke uitspraak bij de tuchtoverheid een verzoek tot intrekking van de opgelegde tuchtsanctie indienen.
De tuchtvervolging wordt geacht te zijn ingesteld van zodra de ambtenaar opgeroepen is om te worden gehoord door de hiërarchische meerdere.
§ 2. Als in verband met dezelfde feiten een strafvordering werd ingesteld, wordt de termijn van paragraaf 1 gestuit tot op de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan op de hoogte wordt gebracht dat er een beslissing werd uitgesproken die in kracht van gewijsde is gegaan en die de strafvordering beëindigt.
§ 3. Het strafrechtelijk onderzoek doet geen afbreuk aan de mogelijkheid van de tuchtoverheid om een tuchtstraf uit te spreken.
Indien de betrokken ambtenaar van mening is dat de tuchtstraf die hem opgelegd wordt onverenigbaar is met een latere in kracht van gewijsde getreden strafrechtelijke uitspraak, dan kan hij binnen de zestig dagen na de kennisgeving van de strafrechtelijke uitspraak bij de tuchtoverheid een verzoek tot intrekking van de opgelegde tuchtsanctie indienen.
Art. 99. § 1er. L'autorité disciplinaire ne peut plus intenter de poursuite disciplinaire après l'expiration d'un délai de six mois après la constatation ou la prise de connaissance par l'autorité disciplinaire des faits entrant en ligne de compte.
La poursuite disciplinaire est censée être engagée dès que l'agent est convoqué pour être entendu par le supérieur hiérarchique.
§ 2. Si une action pénale a été engagée au sujet des mêmes faits, le délai du paragraphe 1er est interrompu jusqu'au jour où l'autorité disciplinaire est mise au courant par l'autorité judiciaire qu'une décision a été prononcée qui est passée en force de chose jugée et qui met fin à l'action pénale.
§ 3. L'enquête pénale ne porte pas atteinte à la possibilité pour l'autorité disciplinaire de prononcer une peine disciplinaire.
Si l'agent concerné estime que la peine disciplinaire qui lui est infligée est incompatible avec un prononcé pénal ultérieurement passé en force de chose jugée, il peut alors, dans les soixante jours après la notification du prononcé pénal, introduire auprès de l'autorité disciplinaire une requête en retrait de la peine disciplinaire infligée.
La poursuite disciplinaire est censée être engagée dès que l'agent est convoqué pour être entendu par le supérieur hiérarchique.
§ 2. Si une action pénale a été engagée au sujet des mêmes faits, le délai du paragraphe 1er est interrompu jusqu'au jour où l'autorité disciplinaire est mise au courant par l'autorité judiciaire qu'une décision a été prononcée qui est passée en force de chose jugée et qui met fin à l'action pénale.
§ 3. L'enquête pénale ne porte pas atteinte à la possibilité pour l'autorité disciplinaire de prononcer une peine disciplinaire.
Si l'agent concerné estime que la peine disciplinaire qui lui est infligée est incompatible avec un prononcé pénal ultérieurement passé en force de chose jugée, il peut alors, dans les soixante jours après la notification du prononcé pénal, introduire auprès de l'autorité disciplinaire une requête en retrait de la peine disciplinaire infligée.
Afdeling 6. - Uitwissing van de tuchtstraf
Section 6. - Effacement de la peine disciplinaire
Art. 100. § 1. Elke tuchtstraf, behalve de afzetting en het ontslag van ambtswege, wordt ambtshalve uitgewist in het persoonlijk dossier van de ambtenaar na verloop van een termijn van :
1° zes maanden voor de terechtwijzing;
2° negen maanden voor de blaam;
3° één jaar voor de inhouding van wedde;
4° achttien maanden voor de verplaatsing bij tuchtmaatregel;
5° twee jaar voor de tuchtschorsing;
6° drie jaar voor de lagere inschaling en de terugzetting in graad.
De termijn loopt vanaf de datum waarop de straf is uitgesproken.
§ 2. De uitwissing heeft enkel uitwerking voor de toekomst. De uitwissing heeft als gevolg dat met de uitgewiste tuchtstraf geen rekening meer kan worden gehouden bij de evaluatie en bij de beoordeling van de aanspraken op bevordering van de ambtenaar.
Met uitgewiste tuchtstraffen kan wel rekening worden gehouden bij het bepalen van de strafmaat indien nieuwe tuchtfeiten worden gepleegd.
1° zes maanden voor de terechtwijzing;
2° negen maanden voor de blaam;
3° één jaar voor de inhouding van wedde;
4° achttien maanden voor de verplaatsing bij tuchtmaatregel;
5° twee jaar voor de tuchtschorsing;
6° drie jaar voor de lagere inschaling en de terugzetting in graad.
De termijn loopt vanaf de datum waarop de straf is uitgesproken.
§ 2. De uitwissing heeft enkel uitwerking voor de toekomst. De uitwissing heeft als gevolg dat met de uitgewiste tuchtstraf geen rekening meer kan worden gehouden bij de evaluatie en bij de beoordeling van de aanspraken op bevordering van de ambtenaar.
Met uitgewiste tuchtstraffen kan wel rekening worden gehouden bij het bepalen van de strafmaat indien nieuwe tuchtfeiten worden gepleegd.
Art. 100. § 1er. Toute peine disciplinaire, à l'exception de la révocation et de la démission d'office, est effacée d'office du dossier personnel de l'agent après écoulement d'un délai de :
1° six mois pour le rappel à l'ordre;
2° neuf mois pour le blâme;
3° un an pour la retenue de traitement;
4° dix-huit mois pour le déplacement disciplinaire;
5° deux ans pour la suspension disciplinaire;
6° trois ans pour la régression barémique et la rétrogradation.
Le délai prend cours à la date à laquelle la peine est prononcée.
§ 2. L'effacement ne produit d'effet que pour l'avenir. L'effacement a pour effet que la peine disciplinaire effacée ne peut plus être prise en compte pour l'évaluation et l'appréciation des prétentions à la promotion de l'agent.
Il peut être tenu compte de la peine disciplinaire effacée dans la détermination du degré de la peine si de nouveaux faits sont commis.
1° six mois pour le rappel à l'ordre;
2° neuf mois pour le blâme;
3° un an pour la retenue de traitement;
4° dix-huit mois pour le déplacement disciplinaire;
5° deux ans pour la suspension disciplinaire;
6° trois ans pour la régression barémique et la rétrogradation.
Le délai prend cours à la date à laquelle la peine est prononcée.
§ 2. L'effacement ne produit d'effet que pour l'avenir. L'effacement a pour effet que la peine disciplinaire effacée ne peut plus être prise en compte pour l'évaluation et l'appréciation des prétentions à la promotion de l'agent.
Il peut être tenu compte de la peine disciplinaire effacée dans la détermination du degré de la peine si de nouveaux faits sont commis.
TITEL 3. - Consulaire carrière
TITRE 3. - Carrière consulaire
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1re. - Dispositions générales
Art. 101. Er wordt geen enkele selectie voor de toegang tot de consulaire carrière georganiseerd.
Art. 101. Aucune sélection n'est organisée pour l'accès à la carrière consulaire.
Art. 102. De artikelen 49 tot en met 100 zijn van toepassing op de ambtenaren van de consulaire carrière.
Art. 102. Les articles 49 à 100 sont applicables aux agents de la carrière consulaire.
HOOFDSTUK 2. - Hiërarchie, evaluatie en bevorderingen
CHAPITRE 2. - Hiérarchie, évaluation et promotions
Afdeling 1. - Hiërarchie
Section 1re. - Hiérarchie
Art. 103. § 1. De ambtenaar treedt in dienst in de graad van administratief assistent en wordt bekleed met de weddeschaal C1.
§ 2. De ambtenaar bekleed met de weddeschaal C1 of C2 draagt de titel van Administratief Assistent Consulaire Zaken.
De ambtenaar bekleed met de weddeschaal C3, C4 of C5 draagt de titel van Administratief Hoofd Consulaire Zaken.
§ 3. De weddeschalen zijn diegenen die vastgesteld zijn in artikel 6, eerste lid van de bezoldigingsregeling en in bijlage I van de bezoldigingsregeling.
§ 2. De ambtenaar bekleed met de weddeschaal C1 of C2 draagt de titel van Administratief Assistent Consulaire Zaken.
De ambtenaar bekleed met de weddeschaal C3, C4 of C5 draagt de titel van Administratief Hoofd Consulaire Zaken.
§ 3. De weddeschalen zijn diegenen die vastgesteld zijn in artikel 6, eerste lid van de bezoldigingsregeling en in bijlage I van de bezoldigingsregeling.
Art. 103. § 1er. L'agent entre en service dans le grade d'assistant administratif et est revêtu de l'échelle de traitement C1.
§ 2. L'agent revêtu de l'échelle de traitement C1 ou C2, est revêtu du titre d'Assistant administratif Affaires consulaires.
L'agent de la carrière consulaire revêtu de l'échelle de traitement C3, C4 ou C5 est revêtu du titre de Chef administratif Affaires consulaires.
§ 3. Les échelles de traitement sont celles fixées par l'article 6, alinéa premier du statut pécuniaire et par l'annexe I du statut pécuniaire.
§ 2. L'agent revêtu de l'échelle de traitement C1 ou C2, est revêtu du titre d'Assistant administratif Affaires consulaires.
L'agent de la carrière consulaire revêtu de l'échelle de traitement C3, C4 ou C5 est revêtu du titre de Chef administratif Affaires consulaires.
§ 3. Les échelles de traitement sont celles fixées par l'article 6, alinéa premier du statut pécuniaire et par l'annexe I du statut pécuniaire.
Afdeling 2. - Evaluatie
Section 2. - Evaluation
Art. 104. Voor de toepassing van artikel 5, tweede lid, 3°, van het koninklijk besluit van 24 september 2013 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt is de aanstelling op post of op het hoofdbestuur een verandering van functie.
Art. 104. Pour l'application de l'article 5, alinéa 2, 3°, de l'arrêté royal du 24 septembre 2013 relatif à l'évaluation dans la fonction publique fédérale, l'affectation en poste ou à l'administration centrale est un changement de fonction.
Afdeling 3. - Bevorderingen
Section 3. - Promotions
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen
Sous-section 1re. - Dispositions générales
Art. 105. § 1. Er zijn twee soorten bevorderingen :
1° wat de administratieve carrière betreft, is de bevordering de benoeming van de ambtenaar in het niveau A van de buitenlandse carrière;
2° wat de geldelijke loopbaan betreft, is de bevordering de toekenning aan de ambtenaar van de weddeschaal hoger dan die welke hij genoot; ze wordt "bevordering in weddeschaal" genoemd.
§ 2. De bevordering door overgang naar het niveau A van de buitenlandse carrière wordt toegekend na het slagen voor de proeven bedoeld in artikel 111, § 2.
1° wat de administratieve carrière betreft, is de bevordering de benoeming van de ambtenaar in het niveau A van de buitenlandse carrière;
2° wat de geldelijke loopbaan betreft, is de bevordering de toekenning aan de ambtenaar van de weddeschaal hoger dan die welke hij genoot; ze wordt "bevordering in weddeschaal" genoemd.
§ 2. De bevordering door overgang naar het niveau A van de buitenlandse carrière wordt toegekend na het slagen voor de proeven bedoeld in artikel 111, § 2.
Art. 105. § 1er. Il y a deux types de promotions :
1° en ce qui concerne la carrière administrative, la promotion est la nomination de l'agent au niveau A de la carrière extérieure;
2° en ce qui concerne la carrière pécuniaire, la promotion est l'attribution à l'agent de l'échelle de traitement supérieure à celle dont il bénéficiait; elle est dénommée " promotion barémique ".
§ 2. La promotion par accession au niveau A de la carrière extérieure est attribuée après réussite des épreuves visées à l'article 111, § 2.
1° en ce qui concerne la carrière administrative, la promotion est la nomination de l'agent au niveau A de la carrière extérieure;
2° en ce qui concerne la carrière pécuniaire, la promotion est l'attribution à l'agent de l'échelle de traitement supérieure à celle dont il bénéficiait; elle est dénommée " promotion barémique ".
§ 2. La promotion par accession au niveau A de la carrière extérieure est attribuée après réussite des épreuves visées à l'article 111, § 2.
Art. 106. De bevordering door overgang naar het niveau A van de buitenlandse carrière wordt door Ons toegekend.
De bevordering in weddeschaal wordt toegekend door de minister of door de voorzitter of zijn afgevaardigde.
De bevordering in weddeschaal wordt toegekend door de minister of door de voorzitter of zijn afgevaardigde.
Art. 106. La promotion par accession au niveau A de la carrière extérieure est attribuée par Nous.
La promotion barémique est accordée par le ministre ou par le président ou son délégué.
La promotion barémique est accordée par le ministre ou par le président ou son délégué.
Art. 107. Om een bevordering of een bevordering in weddeschaal te bekomen, moet de ambtenaar zich in een administratieve stand bevinden waarin hij zijn aanspraken op bevordering kan doen gelden.
Bovendien mag hij geen vermelding "onvoldoende" hebben gekregen op het einde van zijn laatste evaluatie.
Bovendien mag hij geen vermelding "onvoldoende" hebben gekregen op het einde van zijn laatste evaluatie.
Art. 107. Pour obtenir une promotion ou une promotion barémique, l'agent doit être dans une position administrative où il peut faire valoir ses prétentions à la promotion.
En outre, il ne peut avoir obtenu la mention " insuffisant " au terme de sa dernière évaluation.
En outre, il ne peut avoir obtenu la mention " insuffisant " au terme de sa dernière évaluation.
Onderafdeling 2. - Mededeling van de beslissingen tot bevordering
Sous-section 2. - Communication des décisions de promotion
Art. 108. De beslissingen tot bevordering worden meegedeeld door de Stafdirectie Personeel en Organisatie van de FOD aan alle ambtenaren die aan de vereiste voorwaarden voldeden.
Art. 108. Les décisions de promotion sont communiquées par la Direction d'encadrement Personnel et Organisation du SPF à tous les agents qui réunissaient les conditions requises.
Onderafdeling 3. - Voorwaarden voor de bevordering in weddeschaal
Sous-section 3. - Conditions de promotion barémique
Art. 109. De ambtenaar wordt van de eerste naar de tweede weddeschaal van zijn graad bevorderd op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin hij de twee volgende voorwaarden vervult :
1° ten minste drie jaar schaalanciënniteit tellen;
2° drie keer in zijn weddeschaal de vermelding "uitzonderlijk" of de vermelding "voldoet aan de verwachtingen" hebben gekregen.
In afwijking van het eerste lid wordt de ambtenaar van de eerste naar de tweede weddeschaal van zijn graad bevorderd op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin hij de drie volgende voorwaarden vervult :
1° ten minste twee jaar schaalanciënniteit tellen;
2° twee keer in zijn weddeschaal de vermelding "uitzonderlijk" hebben gekregen;
3° de vermelding "te verbeteren" noch de vermelding "onvoldoende" in zijn weddeschaal hebben gekregen.
De ambtenaar wordt bevorderd naar de hogere weddeschaal die niet de tweede weddeschaal van zijn graad is op de eerste dag van de maand die volgt op die waarin hij de twee volgende voorwaarden vervult :
1° ten minste zes jaar schaalanciënniteit tellen;
2° zes keer in zijn weddeschaal een van de volgende vermeldingen hebben gekregen : "uitzonderlijk" of "voldoet aan de verwachtingen".
In afwijking van het derde lid wordt de ambtenaar bevorderd naar de hogere weddeschaal die niet de tweede weddeschaal van zijn graad is op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin hij de drie volgende voorwaarden vervult :
1° ten minste vier jaar schaalanciënniteit tellen;
2° vier keer in zijn weddeschaal de vermelding "uitzonderlijk" hebben gekregen;
3° de vermelding " te verbeteren noch de vermelding "onvoldoende" in zijn weddeschaal hebben gekregen.
1° ten minste drie jaar schaalanciënniteit tellen;
2° drie keer in zijn weddeschaal de vermelding "uitzonderlijk" of de vermelding "voldoet aan de verwachtingen" hebben gekregen.
In afwijking van het eerste lid wordt de ambtenaar van de eerste naar de tweede weddeschaal van zijn graad bevorderd op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin hij de drie volgende voorwaarden vervult :
1° ten minste twee jaar schaalanciënniteit tellen;
2° twee keer in zijn weddeschaal de vermelding "uitzonderlijk" hebben gekregen;
3° de vermelding "te verbeteren" noch de vermelding "onvoldoende" in zijn weddeschaal hebben gekregen.
De ambtenaar wordt bevorderd naar de hogere weddeschaal die niet de tweede weddeschaal van zijn graad is op de eerste dag van de maand die volgt op die waarin hij de twee volgende voorwaarden vervult :
1° ten minste zes jaar schaalanciënniteit tellen;
2° zes keer in zijn weddeschaal een van de volgende vermeldingen hebben gekregen : "uitzonderlijk" of "voldoet aan de verwachtingen".
In afwijking van het derde lid wordt de ambtenaar bevorderd naar de hogere weddeschaal die niet de tweede weddeschaal van zijn graad is op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin hij de drie volgende voorwaarden vervult :
1° ten minste vier jaar schaalanciënniteit tellen;
2° vier keer in zijn weddeschaal de vermelding "uitzonderlijk" hebben gekregen;
3° de vermelding " te verbeteren noch de vermelding "onvoldoende" in zijn weddeschaal hebben gekregen.
Art. 109. L'agent est promu de la première à la deuxième échelle de traitement de son grade le 1er jour du mois qui suit celui où il remplit les deux conditions suivantes :
1° compter au moins trois ans d'ancienneté d'échelle;
2° avoir obtenu, dans son échelle de traitement, trois fois, l'une des mentions suivantes : " exceptionnel " ou " répond aux attentes ".
Par dérogation à l'alinéa 1er, l'agent est promu de la première à la deuxième échelle de traitement de son grade le premier jour du mois qui suit celui où il remplit les trois conditions suivantes :
1° compter au moins deux ans d'ancienneté d'échelle;
2° avoir obtenu, dans son échelle de traitement, deux fois, la mention " exceptionnel ";
3° n'avoir pas obtenu, dans son échelle de traitement, la mention " à améliorer " ni la mention " insuffisant ".
L'agent est promu à l'échelle de traitement supérieure qui n'est pas la deuxième échelle de traitement de son grade le 1er jour du mois qui suit celui où il remplit les deux conditions suivantes :
1° compter au moins six ans d'ancienneté d'échelle;
2° avoir obtenu, dans son échelle de traitement, six fois, l'une des mentions suivantes : " exceptionnel " ou " répond aux attentes ".
Par dérogation à l'alinéa 3, l'agent est promu à l'échelle de traitement supérieure qui n'est pas la deuxième échelle de traitement de son grade le premier jour du mois qui suit celui où il remplit les trois conditions suivantes :
1° compter au moins quatre ans d'ancienneté d'échelle;
2° avoir obtenu, dans son échelle de traitement, quatre fois, la mention " exceptionnel ";
3° n'avoir pas obtenu, dans son échelle de traitement, la mention " à améliorer " ni la mention " insuffisant ".
1° compter au moins trois ans d'ancienneté d'échelle;
2° avoir obtenu, dans son échelle de traitement, trois fois, l'une des mentions suivantes : " exceptionnel " ou " répond aux attentes ".
Par dérogation à l'alinéa 1er, l'agent est promu de la première à la deuxième échelle de traitement de son grade le premier jour du mois qui suit celui où il remplit les trois conditions suivantes :
1° compter au moins deux ans d'ancienneté d'échelle;
2° avoir obtenu, dans son échelle de traitement, deux fois, la mention " exceptionnel ";
3° n'avoir pas obtenu, dans son échelle de traitement, la mention " à améliorer " ni la mention " insuffisant ".
L'agent est promu à l'échelle de traitement supérieure qui n'est pas la deuxième échelle de traitement de son grade le 1er jour du mois qui suit celui où il remplit les deux conditions suivantes :
1° compter au moins six ans d'ancienneté d'échelle;
2° avoir obtenu, dans son échelle de traitement, six fois, l'une des mentions suivantes : " exceptionnel " ou " répond aux attentes ".
Par dérogation à l'alinéa 3, l'agent est promu à l'échelle de traitement supérieure qui n'est pas la deuxième échelle de traitement de son grade le premier jour du mois qui suit celui où il remplit les trois conditions suivantes :
1° compter au moins quatre ans d'ancienneté d'échelle;
2° avoir obtenu, dans son échelle de traitement, quatre fois, la mention " exceptionnel ";
3° n'avoir pas obtenu, dans son échelle de traitement, la mention " à améliorer " ni la mention " insuffisant ".
Onderafdeling 4. - Bevordering door overgang naar het niveau A van de buitenlandse carrière
Sous-section 4. - Promotion par accession au niveau A de la carrière extérieure
Art. 110. De ambtenaar van de consulaire carrière kan bevorderd worden naar het niveau A van de buitenlandse carrière.
De overgang vindt plaats in de klasse A2.
De overgang vindt plaats in de eerste weddeschaal van de klasse A2.
De overgang vindt plaats in de klasse A2.
De overgang vindt plaats in de eerste weddeschaal van de klasse A2.
Art. 110. L'agent de la carrière consulaire peut être promu dans le niveau A de la carrière extérieure.
L'accession se fait dans la classe A2.
L'accession se fait dans la première échelle de traitement de la classe A2.
L'accession se fait dans la classe A2.
L'accession se fait dans la première échelle de traitement de la classe A2.
Art. 111. § 1. Om aan de proeven voor de overgang naar de klasse A2 van de buitenlandse carrière deel te nemen, moet de ambtenaar van de consulaire carrière aan de volgende voorwaarden voldoen :
1° zich in een administratieve stand bevinden waarin hij zijn aanspraken op bevordering kan laten gelden;
2° bij zijn laatste evaluatie de vermelding "uitzonderlijk" of "voldoet aan de verwachtingen" hebben gekregen en behouden;
3° geslaagd zijn voor het taalexamen bedoeld in het artikel 14, tweede lid van het koninklijk besluit van 8 maart 2001 tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.
§ 2. De proeven voor de overgang naar de klasse A2 van de buitenlandse carrière zijn in vier reeksen ingedeeld.
§ 3. De eerste reeks wordt georganiseerd door de afgevaardigd bestuurder.
De proeven van die reeks beogen een evaluatie van het vermogen van de ambtenaar om in het niveau A te functioneren.
Ze worden afgesloten met een attest van slagen of een verslag van het niet-slagen. Het attest van slagen is onbeperkt in de tijd geldig.
De afgevaardigd bestuurder kan een vrijstelling toekennen voor proeven waarvoor men reeds geslaagd is.
De ambtenaar die niet geslaagd is voor een proef wordt gedurende een periode van zes maanden, te rekenen vanaf de datum van het afleggen van deze proef, uitgesloten van de mogelijkheid van het opnieuw afleggen ervan.
§ 4. De tweede reeks omvat vier proeven die een evaluatie van de verwerving van kennis beogen.
Elk van de vier proeven bestaat in het volgen van en het slagen voor cursussen van minstens vier ECTS-studiepunten van een masterprogramma van een universiteit of een hogeschool van de Europese Economische Ruimte.
De tweede reeks proeven is alleen toegankelijk voor de geslaagden van de eerste reeks proeven.
De vier proeven worden gekozen in de vakken vastgesteld door de minister.
De FOD kan ook zelf de in het vierde lid bedoelde proeven organiseren, mits gunstig advies van twee hoogleraren, één van elke taalrol, gespecialiseerd in het vakgebied van die proeven. Het advies zal gunstig zijn indien en alleen indien de proeven tot het niveau van een master behoren en indien elke proef met minstens vier ECTS studiepunten overeenkomt.
De kandidaten die houder zijn van een master of van een ander diploma dat toegang verleent tot het niveau A, die is uitgereikt door een universiteit of een hogeschool van de Europese Economische Ruimte worden beschouwd als geslaagden van de proeven van deze reeks.
Voor elke proef van deze reeks is het slagen onbeperkt in de tijd geldig.
De proeven van de tweede reeks worden ambtshalve beschouwd als proeven die voldoen aan de voorwaarden vastgesteld door de artikelen 69 en 70 van het verlofbesluit.
De inschrijvingskosten voor de proeven van de tweede reeks worden ten laste genomen door de FOD.
§ 5. De derde reeks bestaat uit het opmaken van een schriftelijk verslag over een casus en een mondelinge proef over een aangelegenheid die verband houdt met een functie van de buitenlandse carrière.
Ze wordt georganiseerd door de FOD, na overleg met de afgevaardigd bestuurder.
Ze is alleen toegankelijk voor de geslaagden van de eerste en de tweede reeks proeven.
Geslaagd zijn alleen de kandidaten die ten minste 12 van de 20 punten hebben behaald voor beide proeven van de derde reeks.
§ 6. De vierde reeks bestaat uit een taalexamen met betrekking tot de kennis van de Engelse taal, waarvan het niveau overeenstemt met het niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen, zoals opgesteld door de Raad van Europa, voor de spreekvaardigheid en de schrijfvaardigheid.
§ 7. De FOD draagt eveneens de verplaatsingskosten van de ambtenaar op post in het buitenland voor drie verplaatsingen.
1° zich in een administratieve stand bevinden waarin hij zijn aanspraken op bevordering kan laten gelden;
2° bij zijn laatste evaluatie de vermelding "uitzonderlijk" of "voldoet aan de verwachtingen" hebben gekregen en behouden;
3° geslaagd zijn voor het taalexamen bedoeld in het artikel 14, tweede lid van het koninklijk besluit van 8 maart 2001 tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.
§ 2. De proeven voor de overgang naar de klasse A2 van de buitenlandse carrière zijn in vier reeksen ingedeeld.
§ 3. De eerste reeks wordt georganiseerd door de afgevaardigd bestuurder.
De proeven van die reeks beogen een evaluatie van het vermogen van de ambtenaar om in het niveau A te functioneren.
Ze worden afgesloten met een attest van slagen of een verslag van het niet-slagen. Het attest van slagen is onbeperkt in de tijd geldig.
De afgevaardigd bestuurder kan een vrijstelling toekennen voor proeven waarvoor men reeds geslaagd is.
De ambtenaar die niet geslaagd is voor een proef wordt gedurende een periode van zes maanden, te rekenen vanaf de datum van het afleggen van deze proef, uitgesloten van de mogelijkheid van het opnieuw afleggen ervan.
§ 4. De tweede reeks omvat vier proeven die een evaluatie van de verwerving van kennis beogen.
Elk van de vier proeven bestaat in het volgen van en het slagen voor cursussen van minstens vier ECTS-studiepunten van een masterprogramma van een universiteit of een hogeschool van de Europese Economische Ruimte.
De tweede reeks proeven is alleen toegankelijk voor de geslaagden van de eerste reeks proeven.
De vier proeven worden gekozen in de vakken vastgesteld door de minister.
De FOD kan ook zelf de in het vierde lid bedoelde proeven organiseren, mits gunstig advies van twee hoogleraren, één van elke taalrol, gespecialiseerd in het vakgebied van die proeven. Het advies zal gunstig zijn indien en alleen indien de proeven tot het niveau van een master behoren en indien elke proef met minstens vier ECTS studiepunten overeenkomt.
De kandidaten die houder zijn van een master of van een ander diploma dat toegang verleent tot het niveau A, die is uitgereikt door een universiteit of een hogeschool van de Europese Economische Ruimte worden beschouwd als geslaagden van de proeven van deze reeks.
Voor elke proef van deze reeks is het slagen onbeperkt in de tijd geldig.
De proeven van de tweede reeks worden ambtshalve beschouwd als proeven die voldoen aan de voorwaarden vastgesteld door de artikelen 69 en 70 van het verlofbesluit.
De inschrijvingskosten voor de proeven van de tweede reeks worden ten laste genomen door de FOD.
§ 5. De derde reeks bestaat uit het opmaken van een schriftelijk verslag over een casus en een mondelinge proef over een aangelegenheid die verband houdt met een functie van de buitenlandse carrière.
Ze wordt georganiseerd door de FOD, na overleg met de afgevaardigd bestuurder.
Ze is alleen toegankelijk voor de geslaagden van de eerste en de tweede reeks proeven.
Geslaagd zijn alleen de kandidaten die ten minste 12 van de 20 punten hebben behaald voor beide proeven van de derde reeks.
§ 6. De vierde reeks bestaat uit een taalexamen met betrekking tot de kennis van de Engelse taal, waarvan het niveau overeenstemt met het niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen, zoals opgesteld door de Raad van Europa, voor de spreekvaardigheid en de schrijfvaardigheid.
§ 7. De FOD draagt eveneens de verplaatsingskosten van de ambtenaar op post in het buitenland voor drie verplaatsingen.
Art. 111. § 1er. Pour participer aux épreuves d'accession à la classe A2 de la carrière extérieure, l'agent de la carrière consulaire doit satisfaire aux conditions suivantes :
1° se trouver dans une position administrative où il peut faire valoir ses titres à la promotion;
2° avoir obtenu et conserver la mention " exceptionnel " ou " répond aux attentes " à sa dernière évaluation;
3° avoir réussi l'examen linguistique visé à l'article 14, alinéa 2 de l'arrêté royal du 8 mars 2001 fixant les conditions de délivrance des certificats de connaissances linguistiques prévus à l'article 53 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative coordonnées le 18 juillet 1966.
§ 2. Les épreuves d'accession à la classe A2 de la carrière extérieure se répartissent en quatre séries.
§ 3. La première série est organisée par l'administrateur délégué.
Les épreuves de cette série visent à évaluer la capacité de l'agent à fonctionner au niveau A.
Elles se concluent par une attestation de réussite ou un constat d'échec. L'attestation de réussite est valable sans limitation de temps.
L'administrateur délégué peut accorder dispense d'épreuves déjà réussies.
L'agent qui n'a pas réussi une épreuve est exclu pendant une durée de six mois à dater du jour de la présentation de cette épreuve de la possibilité de la présenter à nouveau.
§ 4. La deuxième série comprend quatre épreuves qui visent à évaluer l'acquisition de connaissances.
Chacune des quatre épreuves consiste en le suivi et la réussite des cours d'au moins quatre crédits ECTS figurant au programme des masters d'une université ou d'une haute école de l'Espace économique européen.
La deuxième série d'épreuves n'est accessible qu'aux lauréats de la première série d'épreuves.
Les quatre épreuves sont choisies dans les matières déterminées par le ministre.
Le SPF peut également organiser lui-même les épreuves visées à l'alinéa 4 moyennant avis favorable de deux professeurs d'université, un de chaque rôle linguistique, spécialisés dans la matière de ces épreuves. L'avis sera favorable si et seulement si les épreuves sont du niveau d'un master et si chaque épreuve correspond au moins à quatre crédits ECTS.
Les candidats titulaires d'un master ou d'un diplôme qui donne accès au niveau A, délivré par une université ou une haute école de l'Espace économique européen, sont considérés comme lauréats des épreuves de cette série.
Pour chaque épreuve de cette série, la réussite est valable sans limitation de temps.
Les épreuves de la deuxième série sont d'office considérées comme des épreuves qui répondent aux conditions fixées par les articles 69 et 70 de l'arrêté congé.
Les frais d'inscription aux épreuves de la deuxième série sont pris en charge par le SPF.
§ 5. La troisième série consiste en la rédaction d'un rapport écrit sur un cas et en une épreuve orale sur un sujet qui est en relation avec une fonction de la carrière extérieure.
Elle est organisée par le SPF, après concertation avec l'administrateur délégué.
Elle n'est accessible qu'aux lauréats de la première et de la deuxième série d'épreuves.
Seuls les candidats qui ont obtenu au moins 12 des 20 points pour chacune des deux épreuves de la troisième série réussissent.
§ 6. La quatrième série consiste en un examen linguistique portant sur la connaissance de la langue anglaise, dont le niveau correspond au niveau C1 du Cadre européen commun de référence pour les langues, comme institué par le Conseil de l'Europe, pour l'expression orale et l'expression écrite.
§ 7. Le SPF supporte également les frais de déplacement de l'agent en poste à l'étranger à concurrence de trois déplacements.
1° se trouver dans une position administrative où il peut faire valoir ses titres à la promotion;
2° avoir obtenu et conserver la mention " exceptionnel " ou " répond aux attentes " à sa dernière évaluation;
3° avoir réussi l'examen linguistique visé à l'article 14, alinéa 2 de l'arrêté royal du 8 mars 2001 fixant les conditions de délivrance des certificats de connaissances linguistiques prévus à l'article 53 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative coordonnées le 18 juillet 1966.
§ 2. Les épreuves d'accession à la classe A2 de la carrière extérieure se répartissent en quatre séries.
§ 3. La première série est organisée par l'administrateur délégué.
Les épreuves de cette série visent à évaluer la capacité de l'agent à fonctionner au niveau A.
Elles se concluent par une attestation de réussite ou un constat d'échec. L'attestation de réussite est valable sans limitation de temps.
L'administrateur délégué peut accorder dispense d'épreuves déjà réussies.
L'agent qui n'a pas réussi une épreuve est exclu pendant une durée de six mois à dater du jour de la présentation de cette épreuve de la possibilité de la présenter à nouveau.
§ 4. La deuxième série comprend quatre épreuves qui visent à évaluer l'acquisition de connaissances.
Chacune des quatre épreuves consiste en le suivi et la réussite des cours d'au moins quatre crédits ECTS figurant au programme des masters d'une université ou d'une haute école de l'Espace économique européen.
La deuxième série d'épreuves n'est accessible qu'aux lauréats de la première série d'épreuves.
Les quatre épreuves sont choisies dans les matières déterminées par le ministre.
Le SPF peut également organiser lui-même les épreuves visées à l'alinéa 4 moyennant avis favorable de deux professeurs d'université, un de chaque rôle linguistique, spécialisés dans la matière de ces épreuves. L'avis sera favorable si et seulement si les épreuves sont du niveau d'un master et si chaque épreuve correspond au moins à quatre crédits ECTS.
Les candidats titulaires d'un master ou d'un diplôme qui donne accès au niveau A, délivré par une université ou une haute école de l'Espace économique européen, sont considérés comme lauréats des épreuves de cette série.
Pour chaque épreuve de cette série, la réussite est valable sans limitation de temps.
Les épreuves de la deuxième série sont d'office considérées comme des épreuves qui répondent aux conditions fixées par les articles 69 et 70 de l'arrêté congé.
Les frais d'inscription aux épreuves de la deuxième série sont pris en charge par le SPF.
§ 5. La troisième série consiste en la rédaction d'un rapport écrit sur un cas et en une épreuve orale sur un sujet qui est en relation avec une fonction de la carrière extérieure.
Elle est organisée par le SPF, après concertation avec l'administrateur délégué.
Elle n'est accessible qu'aux lauréats de la première et de la deuxième série d'épreuves.
Seuls les candidats qui ont obtenu au moins 12 des 20 points pour chacune des deux épreuves de la troisième série réussissent.
§ 6. La quatrième série consiste en un examen linguistique portant sur la connaissance de la langue anglaise, dont le niveau correspond au niveau C1 du Cadre européen commun de référence pour les langues, comme institué par le Conseil de l'Europe, pour l'expression orale et l'expression écrite.
§ 7. Le SPF supporte également les frais de déplacement de l'agent en poste à l'étranger à concurrence de trois déplacements.
TITEL 4. - Integratiebepalingen, overgangs-, opheffings- en slotbepalingen
TITRE 4. - Dispositions d'intégration, dispositions transitoires, abrogatoires et finales
HOOFDSTUK 1. - Integratie in de buitenlandse carrière
CHAPITRE 1er. - Intégration dans la carrière extérieure
Art. 112. § 1. Behoren tot de buitenlandse carrière :
1° de ambtenaren van de carrière buitenlandse dienst die, met toepassing van het koninklijk besluit van 25 april 1956 tot vaststelling van het statuut der personeelsleden van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel, uiterlijk op het moment van de inwerkingtreding van dit besluit definitief benoemd werden;
2° de ambtenaren van de kanselarijcarrière die, met toepassing van het koninklijk besluit van 25 april 1956 tot vaststelling van het statuut der personeelsleden van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel, uiterlijk op het moment van de inwerkingtreding van dit besluit :
a) definitief benoemd werden;
b) behoren tot de eerste of de tweede klasse van de kanselarijcarrière;
3° de ambtenaren van de carrière van de attachés voor internationale samenwerking die, met toepassing van het koninklijk besluit van 25 april 1956 tot vaststelling van het statuut der personeelsleden van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel, uiterlijk op het moment van de inwerkingtreding van dit besluit definitief benoemd werden.
§ 2. De ambtenaar vermeld in paragraaf 1, wordt ambtshalve benoemd in de klasse van de buitenlandse carrière die hierna in kolom 1 is opgenomen, en die overeenstemt met de administratieve klasse waartoe hij behoorde overeenkomstig het koninklijk besluit van 25 april 1956 tot vaststelling van het statuut der personeelsleden van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel, opgenomen in kolom 2.
1° de ambtenaren van de carrière buitenlandse dienst die, met toepassing van het koninklijk besluit van 25 april 1956 tot vaststelling van het statuut der personeelsleden van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel, uiterlijk op het moment van de inwerkingtreding van dit besluit definitief benoemd werden;
2° de ambtenaren van de kanselarijcarrière die, met toepassing van het koninklijk besluit van 25 april 1956 tot vaststelling van het statuut der personeelsleden van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel, uiterlijk op het moment van de inwerkingtreding van dit besluit :
a) definitief benoemd werden;
b) behoren tot de eerste of de tweede klasse van de kanselarijcarrière;
3° de ambtenaren van de carrière van de attachés voor internationale samenwerking die, met toepassing van het koninklijk besluit van 25 april 1956 tot vaststelling van het statuut der personeelsleden van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel, uiterlijk op het moment van de inwerkingtreding van dit besluit definitief benoemd werden.
§ 2. De ambtenaar vermeld in paragraaf 1, wordt ambtshalve benoemd in de klasse van de buitenlandse carrière die hierna in kolom 1 is opgenomen, en die overeenstemt met de administratieve klasse waartoe hij behoorde overeenkomstig het koninklijk besluit van 25 april 1956 tot vaststelling van het statuut der personeelsleden van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel, opgenomen in kolom 2.
Art. 112. § 1er. Appartiennent à la carrière extérieure :
1° les agents de la carrière du service extérieur qui étaient nommés, en application de l'arrêté royal du 25 avril 1956 fixant le statut des agents du Ministère des Affaires étrangères et du Commerce extérieur, à titre définitif au plus tard au moment de l'entrée en vigueur du présent arrêté;
2° les agents de la carrière de la chancellerie qui, en application de l'arrêté royal du 25 avril 1956 fixant le statut des agents du Ministère des Affaires étrangères et du Commerce extérieur, au plus tard au moment de l'entrée en vigueur du présent arrêté :
a) étaient nommés à titre définitif;
b) appartiennent à la première ou à la deuxième classe de la carrière de la chancellerie;
3° les agents de la carrière des attachés de la coopération internationale qui étaient nommés, en application de l'arrêté royal du 25 avril 1956 fixant le statut des agents du Ministère des Affaires étrangères et du Commerce extérieur, à titre définitif au plus tard au moment de l'entrée en vigueur du présent arrêté.
§ 2. L'agent mentionné au paragraphe 1er est nommé d'office dans la classe de la carrière extérieure qui est reprise ci-après dans la colonne 1 et qui correspond à la classe administrative à laquelle il appartenait conformément à l'arrêté royal du 25 avril 1956 fixant le statut des agents du Ministère des Affaires étrangères et du Commerce extérieur, reprise dans la colonne 2.
1° les agents de la carrière du service extérieur qui étaient nommés, en application de l'arrêté royal du 25 avril 1956 fixant le statut des agents du Ministère des Affaires étrangères et du Commerce extérieur, à titre définitif au plus tard au moment de l'entrée en vigueur du présent arrêté;
2° les agents de la carrière de la chancellerie qui, en application de l'arrêté royal du 25 avril 1956 fixant le statut des agents du Ministère des Affaires étrangères et du Commerce extérieur, au plus tard au moment de l'entrée en vigueur du présent arrêté :
a) étaient nommés à titre définitif;
b) appartiennent à la première ou à la deuxième classe de la carrière de la chancellerie;
3° les agents de la carrière des attachés de la coopération internationale qui étaient nommés, en application de l'arrêté royal du 25 avril 1956 fixant le statut des agents du Ministère des Affaires étrangères et du Commerce extérieur, à titre définitif au plus tard au moment de l'entrée en vigueur du présent arrêté.
§ 2. L'agent mentionné au paragraphe 1er est nommé d'office dans la classe de la carrière extérieure qui est reprise ci-après dans la colonne 1 et qui correspond à la classe administrative à laquelle il appartenait conformément à l'arrêté royal du 25 avril 1956 fixant le statut des agents du Ministère des Affaires étrangères et du Commerce extérieur, reprise dans la colonne 2.
| 1 | 2 |
| Klasse van de buitenlandse carrière | Administratieve klasse van de carrière buitenlandse dienst, van de kanselarijcarrière en van de carrière van de attachés voor internationale samenwerking |
| A5 | De eerste klasse van de carrière buitenlandse dienst |
| A4 | De tweede klasse van de carrière buitenlandse dienst De eerste klasse van de carrière van de attachés voor internationale samenwerking |
| A3 | De derde klasse van de carrière buitenlandse dienst De eerste klasse van de kanselarijcarrière De tweede klasse van de carrière van de attachés voor internationale samenwerking |
| A2 | De vierde klasse van de carrière buitenlandse dienst De tweede klasse van de kanselarijcarrière De derde klasse van de carrière van de attachés voor internationale samenwerking |
De eerste klasse van de carrière van de attachés voor internationale samenwerkingA3De derde klasse van de carrière buitenlandse dienst
De eerste klasse van de kanselarijcarrière
De tweede klasse van de carrière van de attachés voor internationale samenwerkingA2De vierde klasse van de carrière buitenlandse dienst
De tweede klasse van de kanselarijcarrière
De derde klasse van de carrière van de attachés voor internationale samenwerking
| 1 | 2 |
| Classe de la carrière extérieure | Classe administrative de la carrière du service extérieur, de la carrière de chancellerie et de la carrière des attachés de la coopération internationale |
| A5 | La première classe de la carrière du service extérieur |
| A4 | La deuxième classe de la carrière du service extérieur La première classe de la carrière des attachés de la coopération internationale |
| A3 | La troisième classe de la carrière du service extérieur La première classe de la carrière de chancellerie La deuxième classe de la carrière des attachés de la coopération internationale |
| A2 | La quatrième classe de la carrière du service extérieur La deuxième classe de la carrière de chancellerie La troisième classe de la carrière des attachés de la coopération internationale |
La première classe de la carrière des attachés de la coopération internationaleA3La troisième classe de la carrière du service extérieur
La première classe de la carrière de chancellerie
La deuxième classe de la carrière des attachés de la coopération internationaleA2La quatrième classe de la carrière du service extérieur
La deuxième classe de la carrière de chancellerie
La troisième classe de la carrière des attachés de la coopération internationale
Art. 113. De anciënniteit verkregen in de carrière buitenlandse dienst, de kanselarijcarrière zoals vermeld in artikel 112, § 1, 2° en de carrière van de attachés voor internationale samenwerking, wordt geacht verworven te zijn in de buitenlandse carrière.
Art. 113. L'ancienneté acquise dans la carrière du service extérieur, la carrière de chancellerie comme mentionnée à l'article 112, § 1, 2° et la carrière des attachés de la coopération internationale est censée être acquise dans la carrière extérieure.
Art. 114. § 1. Vanaf 1 juni 2002 en tot de inwerkingtreding van dit besluit, verkrijgen de ambtenaren bezoldigd in de oude specifieke weddeschaal bepaald in de linkerkolom hieronder de weddeschaal van de rechterkolom hieronder, indien deze voordeliger is :
Art. 114. § 1er. A partir du 1er juin 2002 et jusqu'à l'entrée en vigueur du présent arrêté, les agents rémunérés dans l'ancienne échelle de traitement spécifique définie à la colonne de gauche ci-dessous obtiennent l'échelle de traitement de la colonne de droite ci-dessous, si celle-ci est plus favorable :
| 20A | CA1 |
| 20B | CA1 |
| 20E | CA2 |
| 22A | CA3 |
Vanaf 1 december 2004 en tot de inwerkingtreding van dit besluit, verkrijgen de ambtenaren bezoldigd in de oude specifieke weddeschaal bepaald in de linkerkolom hieronder de weddeschaal van de rechterkolom hieronder, indien deze voordeliger is :
| 20A | CA1 |
| 20B | CA1 |
| 20E | CA2 |
| 22A | CA3 |
A partir du 1er décembre 2004 et jusqu'à l'entrée en vigueur du présent arrêté, les agents rémunérés dans l'ancienne échelle de traitement spécifique définie à la colonne de gauche ci-dessous obtiennent l'échelle de traitement de la colonne de droite ci-dessous, si celle-ci est plus favorable :
| 10A | A11 |
| 10B | A12 |
| 10C | A21 |
| 13A | A31 |
| 13B | A32 |
| 15A | A42 |
§ 2. De stagiair van de carrière buitenlandse dienst of de carrière van de attachés voor internationale samenwerking die de oude weddeschaal 10A bepaald in bijlage III van de bezoldigingsregeling werd verleend, verkrijgt de oude weddeschaal A11 bepaald in bijlage II van de bezoldigingsregeling.
In afwijking van artikel 31, § 2, lid 2, bekomt de stagiair vermeld in lid 1 bij zijn benoeming de oude weddeschaal A12 bepaald in bijlage II van de bezoldigingsregeling indien deze voordeliger is en voordeliger blijft.
| 10A | A11 |
| 10B | A12 |
| 10C | A21 |
| 13A | A31 |
| 13B | A32 |
| 15A | A42 |
§ 2. Le stagiaire de la carrière du service extérieur ou de la carrière des attachés de la coopération internationale qui était revêtu de l'ancienne échelle de traitement specifique 10A définie à l'annexe III du statut pécuniaire obtient l'ancienne échelle de traitement A11 définie à l'annexe II du statut pécuniaire.
Par dérogation à l'article 31, § 2, alinéa 2, le stagiaire mentionné à alinéa 1er obtient à sa nomination l'ancienne échelle de traitement A12 définie à l'annexe II du statut pécuniaire si celle-ci est plus favorable et reste plus favorable.
Art. 115. § 1. De ambtenaar vermeld in artikel 112, § 1 die bij de inwerkingtreding van dit besluit bezoldigd werd in de oude specifieke weddeschaal 10A bepaald in bijlage III van de bezodigingsregeling, krijgt het voordeel van de oude weddeschaal A11 bepaald in bijlage II van de bezodigingsregeling.
§ 2. De ambtenaar vermeld in artikel 112, § 1 die bij de inwerkingtreding van dit besluit in de oude specifieke weddeschaal 10B bezoldigd werd, wordt ingeschaald in de weddeschaal NA21 bepaald in bijlage I van de bezoldigingsregeling.
Hij verkrijgt het voordeel van de oude weddeschaal A12 bepaald in bijlage II van de bezoldigingsregeling indien deze voordeliger is.
§ 3. De ambtenaar vermeld in artikel 112, § 1 die bij de inwerkingtreding van dit besluit in de oude specifieke weddeschaal 10C bezoldigd werd, wordt ingeschaald in de weddeschaal NA23 bepaald in bijlage I van de bezoldigingsregeling.
Hij verkrijgt het voordeel van de gunstigste van de volgende weddeschalen indien zij voordeliger zijn dan de weddeschaal NA23 :
1° de oude weddeschaal A21 zoals bepaald in bijlage II van de bezoldigingsregeling;
2° de oude specifieke weddeschaal 10C zoals bepaald in bijlage III van de bezoldigingsregeling.
§ 4. De ambtenaar vermeld in artikel 112, § 1 die bij de inwerkingtreding van dit besluit in de oude specifieke weddeschaal 13A bezoldigd werd, wordt ingeschaald in de weddeschaal NA32 bepaald in bijlage I van de bezoldigingsregeling.
Hij verkrijgt het voordeel van de oude weddeschaal A31 bepaald in bijlage II van de bezoldigingsregeling indien deze voordeliger is.
In afwijking van de artikelen 47 en 48 wordt de ambtenaar bevorderd naar de weddeschaal NA33 bepaald in bijlage I van de bezoldigingsregeling volgens de bepalingen van de artikelen 45 en 46.
§ 5. De ambtenaar vermeld in artikel 112, § 1 die bij de inwerkingtreding van dit besluit in de oude specifieke weddeschaal 13B bezoldigd werd, wordt ingeschaald in de weddeschaal NA34 bepaald in bijlage I van de bezoldigingsregeling.
Hij verkrijgt het voordeel van de gunstigste van de volgende weddeschalen indien zij voordeliger zijn dan de weddeschaal NA34 :
1° de oude weddeschaal A32 bepaald in bijlage II van de bezoldigingsregeling;
2° de oude specifieke weddeschaal 13B zoals bepaald in bijlage III van de bezoldigingsregeling.
In afwijking van de artikelen 47 en 48 wordt de ambtenaar bevorderd naar de weddeschaal NA35 bepaald in bijlage I van de bezoldigingsregeling volgens de bepalingen van de artikelen 45 en 46.
§ 6. De ambtenaar vermeld in artikel 112, § 1 die bij de inwerkingtreding van dit besluit in de oude specifieke weddeschaal 15A bezoldigd werd, wordt ingeschaald in de weddeschaal NA43 bepaald in bijlage I van de bezoldigingsregeling.
Hij verkrijgt het voordeel van de oude weddeschaal A42 zoals bepaald in bijlage II van de bezoldigingsregeling indien deze voordeliger is.
In afwijking van de artikelen 47 en 48 wordt de ambtenaar bevorderd naar de weddeschaal NA44 bepaald in bijlage I van de bezoldigingsregeling volgens de bepalingen van de artikelen 45 en 46.
§ 7. De ambtenaar vermeld in artikel 112, § 1 die bij de inwerkingtreding van dit besluit in de oude specifieke weddeschaal 16A bezoldigd werd, wordt ingeschaald in de weddeschaal NA53 bepaald in bijlage I van de bezoldigingsregeling.
In afwijking van de artikelen 47 en 48 wordt de ambtenaar bevorderd naar de weddeschaal NA54 bepaald in bijlage I van de bezoldigingsregeling volgens de bepalingen van de artikelen 45 en 46.
§ 8. De ambtenaar vermeld in artikel 112, § 1 die de geschrapte functie van Secretaris-generaal heeft uitgeoefend en die werd behouden in de oude specifieke weddeschaal 17A bij toepassing van artikel 17, tweede lid van het koninklijk besluit van 4 februari 1999 tot vaststelling van de specifieke graden van de carrière van de buitenlandse dienst en de kanselarijcarrière van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, behoudt het voordeel van de oude specifieke weddeschaal 17A bepaald in bijlage III van de bezoldigingsregeling.
§ 2. De ambtenaar vermeld in artikel 112, § 1 die bij de inwerkingtreding van dit besluit in de oude specifieke weddeschaal 10B bezoldigd werd, wordt ingeschaald in de weddeschaal NA21 bepaald in bijlage I van de bezoldigingsregeling.
Hij verkrijgt het voordeel van de oude weddeschaal A12 bepaald in bijlage II van de bezoldigingsregeling indien deze voordeliger is.
§ 3. De ambtenaar vermeld in artikel 112, § 1 die bij de inwerkingtreding van dit besluit in de oude specifieke weddeschaal 10C bezoldigd werd, wordt ingeschaald in de weddeschaal NA23 bepaald in bijlage I van de bezoldigingsregeling.
Hij verkrijgt het voordeel van de gunstigste van de volgende weddeschalen indien zij voordeliger zijn dan de weddeschaal NA23 :
1° de oude weddeschaal A21 zoals bepaald in bijlage II van de bezoldigingsregeling;
2° de oude specifieke weddeschaal 10C zoals bepaald in bijlage III van de bezoldigingsregeling.
§ 4. De ambtenaar vermeld in artikel 112, § 1 die bij de inwerkingtreding van dit besluit in de oude specifieke weddeschaal 13A bezoldigd werd, wordt ingeschaald in de weddeschaal NA32 bepaald in bijlage I van de bezoldigingsregeling.
Hij verkrijgt het voordeel van de oude weddeschaal A31 bepaald in bijlage II van de bezoldigingsregeling indien deze voordeliger is.
In afwijking van de artikelen 47 en 48 wordt de ambtenaar bevorderd naar de weddeschaal NA33 bepaald in bijlage I van de bezoldigingsregeling volgens de bepalingen van de artikelen 45 en 46.
§ 5. De ambtenaar vermeld in artikel 112, § 1 die bij de inwerkingtreding van dit besluit in de oude specifieke weddeschaal 13B bezoldigd werd, wordt ingeschaald in de weddeschaal NA34 bepaald in bijlage I van de bezoldigingsregeling.
Hij verkrijgt het voordeel van de gunstigste van de volgende weddeschalen indien zij voordeliger zijn dan de weddeschaal NA34 :
1° de oude weddeschaal A32 bepaald in bijlage II van de bezoldigingsregeling;
2° de oude specifieke weddeschaal 13B zoals bepaald in bijlage III van de bezoldigingsregeling.
In afwijking van de artikelen 47 en 48 wordt de ambtenaar bevorderd naar de weddeschaal NA35 bepaald in bijlage I van de bezoldigingsregeling volgens de bepalingen van de artikelen 45 en 46.
§ 6. De ambtenaar vermeld in artikel 112, § 1 die bij de inwerkingtreding van dit besluit in de oude specifieke weddeschaal 15A bezoldigd werd, wordt ingeschaald in de weddeschaal NA43 bepaald in bijlage I van de bezoldigingsregeling.
Hij verkrijgt het voordeel van de oude weddeschaal A42 zoals bepaald in bijlage II van de bezoldigingsregeling indien deze voordeliger is.
In afwijking van de artikelen 47 en 48 wordt de ambtenaar bevorderd naar de weddeschaal NA44 bepaald in bijlage I van de bezoldigingsregeling volgens de bepalingen van de artikelen 45 en 46.
§ 7. De ambtenaar vermeld in artikel 112, § 1 die bij de inwerkingtreding van dit besluit in de oude specifieke weddeschaal 16A bezoldigd werd, wordt ingeschaald in de weddeschaal NA53 bepaald in bijlage I van de bezoldigingsregeling.
In afwijking van de artikelen 47 en 48 wordt de ambtenaar bevorderd naar de weddeschaal NA54 bepaald in bijlage I van de bezoldigingsregeling volgens de bepalingen van de artikelen 45 en 46.
§ 8. De ambtenaar vermeld in artikel 112, § 1 die de geschrapte functie van Secretaris-generaal heeft uitgeoefend en die werd behouden in de oude specifieke weddeschaal 17A bij toepassing van artikel 17, tweede lid van het koninklijk besluit van 4 februari 1999 tot vaststelling van de specifieke graden van de carrière van de buitenlandse dienst en de kanselarijcarrière van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, behoudt het voordeel van de oude specifieke weddeschaal 17A bepaald in bijlage III van de bezoldigingsregeling.
Art. 115. § 1er. L'agent mentionné à l'article 112, § 1er qui lors de l'entrée en vigueur du présent arrêté, était rémunéré dans l'ancienne échelle de traitement spécifique 10 A définie à l'annexe III du statut pécuniaire, obtient le bénéfice de l'ancienne échelle de traitement A11 définie à l'annexe II du statut pécuniaire.
§ 2. L'agent mentionné à l'article 112, § 1er qui lors de l'entrée en vigueur du présent arrêté, était rémunéré dans l'ancienne échelle de traitement spécifique 10B, est intégré dans l'échelle de traitement NA21 définie à l'annexe I du statut pécuniaire.
Il obtient le bénéfice de l'ancienne échelle de traitement A12 définie à l'annexe II du statut pécuniaire si celle-ci est plus favorable.
§ 3. L'agent mentionné à l'article 112, § 1er qui, lors de l'entrée en vigueur du présent arrêté, était rémunéré dans l'ancienne échelle de traitement spécifique 10C, est intégré dans l'échelle de traitement NA23 définie à l'annexe I du statut pécuniaire.
Il obtient le bénéfice de la plus favorable des échelles de traitement suivantes si celles-ci sont plus favorables que l'echelle de traitement NA23 :
1° l'ancienne échelle de traitement A21, telle que définie à l'annexe II du statut pécuniaire;
2° l'ancienne échelle de traitement spécifique 10C, telle que définie dans l'annexe III du statut pécuniaire.
§ 4. L'agent mentionné à l'article 112, § 1er qui, lors de l'entrée en vigueur du présent arrêté, était rémunéré dans l'ancienne échelle de traitement spécifique 13A, est intégré dans l'échelle de traitement NA32 définie à l'annexe I du statut pécuniaire.
Il obtient le bénéfice de l'ancienne échelle de traitement A31 définie à l'annexe II du statut pécuniaire si celle-ci est plus favorable.
Par dérogation aux articles 47 et 48, l'agent est promu à l'échelle de traitement NA33 définie à l'annexe I du statut pécuniaire, selon les dispositions des articles 45 et 46.
§ 5. L'agent mentionné à l'article 112, § 1er qui, lors de l'entrée en vigueur du présent arrêté, était rémunéré dans l'ancienne échelle de traitement spécifique 13B, est intégré dans l'échelle de traitement NA34 définie à l'annexe I du statut pécuniaire.
Il obtient le bénéfice de la plus favorable des échelles de traitement suivantes si celles-ci sont plus favorables que l'echelle de traitement NA34 :
1° l'ancienne échelle de traitement A32, définie à l'annexe II du statut pécuniaire;
2° l'ancienne échelle de traitement spécifique 13B, telle que définie dans l'annexe III du statut pécuniaire.
Par dérogation aux articles 47 et 48, l'agent est promu à l'échelle de traitement NA35 définie à l'annexe I du statut pécuniaire, selon les dispositions des articles 45 et 46.
§ 6. L'agent mentionné à l'article 112, § 1er qui, lors de l'entrée en vigueur du présent arrêté, était rémunéré dans l'ancienne échelle de traitement spécifique 15A, est intégré dans l'échelle de traitement NA43 définie à l'annexe I du statut pécuniaire.
Il obtient le bénéfice de l'ancienne échelle de traitement A42, telle que définie à l'annexe II du statut pécuniaire si celle-ci est plus favorable.
Par dérogation aux articles 47 et 48, l'agent est promu à l'échelle de traitement NA44 définie à l'annexe I du statut pécuniaire, selon les dispositions des articles 45 et 46.
§ 7. L'agent mentionné à l'article 112, § 1er qui, lors de l'entrée en vigueur du présent arrêté, était rémunéré dans l'ancienne échelle de traitement spécifique 16A, est intégré dans l'échelle de traitement NA53 définie à l'annexe I du statut pécuniaire.
Par dérogation aux articles 47 et 48, l'agent est promu à l'échelle de traitement NA54 définie à l'annexe I du statut pécuniaire, selon les dispositions des articles 45 et 46.
§ 8. L'agent mentionné à l'article 112, § 1er qui a exercé la fonction supprimée de Secrétaire général et qui a été maintenu dans l'ancienne échelle de traitement spécifique 17A en application de l'article 17, alinéa 2 de l'arrêté royal du 4 février 1999 fixant les échelles des grades particuliers de la carrière du service extérieur et de la carrière de chancellerie du Ministère des Affaires étrangères, du Commerce extérieur et de la Coopération internationale conserve le bénéfice de l'ancienne échelle de traitement spécifique 17A définie dans l'annexe III du statut pécuniaire.
§ 2. L'agent mentionné à l'article 112, § 1er qui lors de l'entrée en vigueur du présent arrêté, était rémunéré dans l'ancienne échelle de traitement spécifique 10B, est intégré dans l'échelle de traitement NA21 définie à l'annexe I du statut pécuniaire.
Il obtient le bénéfice de l'ancienne échelle de traitement A12 définie à l'annexe II du statut pécuniaire si celle-ci est plus favorable.
§ 3. L'agent mentionné à l'article 112, § 1er qui, lors de l'entrée en vigueur du présent arrêté, était rémunéré dans l'ancienne échelle de traitement spécifique 10C, est intégré dans l'échelle de traitement NA23 définie à l'annexe I du statut pécuniaire.
Il obtient le bénéfice de la plus favorable des échelles de traitement suivantes si celles-ci sont plus favorables que l'echelle de traitement NA23 :
1° l'ancienne échelle de traitement A21, telle que définie à l'annexe II du statut pécuniaire;
2° l'ancienne échelle de traitement spécifique 10C, telle que définie dans l'annexe III du statut pécuniaire.
§ 4. L'agent mentionné à l'article 112, § 1er qui, lors de l'entrée en vigueur du présent arrêté, était rémunéré dans l'ancienne échelle de traitement spécifique 13A, est intégré dans l'échelle de traitement NA32 définie à l'annexe I du statut pécuniaire.
Il obtient le bénéfice de l'ancienne échelle de traitement A31 définie à l'annexe II du statut pécuniaire si celle-ci est plus favorable.
Par dérogation aux articles 47 et 48, l'agent est promu à l'échelle de traitement NA33 définie à l'annexe I du statut pécuniaire, selon les dispositions des articles 45 et 46.
§ 5. L'agent mentionné à l'article 112, § 1er qui, lors de l'entrée en vigueur du présent arrêté, était rémunéré dans l'ancienne échelle de traitement spécifique 13B, est intégré dans l'échelle de traitement NA34 définie à l'annexe I du statut pécuniaire.
Il obtient le bénéfice de la plus favorable des échelles de traitement suivantes si celles-ci sont plus favorables que l'echelle de traitement NA34 :
1° l'ancienne échelle de traitement A32, définie à l'annexe II du statut pécuniaire;
2° l'ancienne échelle de traitement spécifique 13B, telle que définie dans l'annexe III du statut pécuniaire.
Par dérogation aux articles 47 et 48, l'agent est promu à l'échelle de traitement NA35 définie à l'annexe I du statut pécuniaire, selon les dispositions des articles 45 et 46.
§ 6. L'agent mentionné à l'article 112, § 1er qui, lors de l'entrée en vigueur du présent arrêté, était rémunéré dans l'ancienne échelle de traitement spécifique 15A, est intégré dans l'échelle de traitement NA43 définie à l'annexe I du statut pécuniaire.
Il obtient le bénéfice de l'ancienne échelle de traitement A42, telle que définie à l'annexe II du statut pécuniaire si celle-ci est plus favorable.
Par dérogation aux articles 47 et 48, l'agent est promu à l'échelle de traitement NA44 définie à l'annexe I du statut pécuniaire, selon les dispositions des articles 45 et 46.
§ 7. L'agent mentionné à l'article 112, § 1er qui, lors de l'entrée en vigueur du présent arrêté, était rémunéré dans l'ancienne échelle de traitement spécifique 16A, est intégré dans l'échelle de traitement NA53 définie à l'annexe I du statut pécuniaire.
Par dérogation aux articles 47 et 48, l'agent est promu à l'échelle de traitement NA54 définie à l'annexe I du statut pécuniaire, selon les dispositions des articles 45 et 46.
§ 8. L'agent mentionné à l'article 112, § 1er qui a exercé la fonction supprimée de Secrétaire général et qui a été maintenu dans l'ancienne échelle de traitement spécifique 17A en application de l'article 17, alinéa 2 de l'arrêté royal du 4 février 1999 fixant les échelles des grades particuliers de la carrière du service extérieur et de la carrière de chancellerie du Ministère des Affaires étrangères, du Commerce extérieur et de la Coopération internationale conserve le bénéfice de l'ancienne échelle de traitement spécifique 17A définie dans l'annexe III du statut pécuniaire.
HOOFDSTUK 2. - Integratie in de consulaire carrière
CHAPITRE 2. - Intégration dans la carrière consulaire
Art. 116. De ambtenaren van de kanselarijcarrière die, met toepassing van het koninklijk besluit van 25 april 1956 tot vaststelling van het statuut der personeelsleden van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel, uiterlijk op het moment van de inwerkingtreding van dit besluit definitief benoemd werden en behoren tot de derde of de vierde klasse van de kanselarijcarrière, behoren tot de consulaire carrière.
Art. 116. Les agents de la carrière de chancellerie qui étaient nommés, en application de l'arrêté royal du 25 avril 1956 fixant le statut des agents du Ministère des Affaires étrangères et du Commerce extérieur, à titre définitif au plus tard au moment de l'entrée en vigueur du présent arrêté et qui appartiennent à la troisième ou quatrième classe de la carrière de chancellerie, appartiennent à la carrière consulaire.
Art. 117. De anciënniteit verkregen in de derde of de vierde klasse van de kanselarijcarrière, wordt geacht te zijn verkregen in de consulaire carrière.
Art. 117. L'ancienneté acquise dans la troisième ou quatrième classe de la carrière de chancellerie est censée être acquise dans la carrière consulaire.
Art. 118. De stagiair van de kanselarijcarrière die de oude specifieke weddeschaal 20A werd verleend, wordt ingeschaald in de weddeschaal C1 bepaald in bijlage I van de bezoldigingsregeling.
Hij verkrijgt het voordeel van de oude weddeschaal CA1 bepaald in bijlage II van de bezoldigingsregeling indien deze voordeliger is.
Hij verkrijgt het voordeel van de oude weddeschaal CA1 bepaald in bijlage II van de bezoldigingsregeling indien deze voordeliger is.
Art. 118. Le stagiaire de la carrière de chancellerie qui était rémunéré dans l'ancienne échelle de traitement spécifique 20A, est intégré dans l'échelle de traitement C1 définie à l'annexe I du statut pécuniaire.
Il obtient le bénéfice de l'ancienne échelle de traitement CA1 définie dans l'annexe II du statut pécuniaire si celle-ci est plus favorable.
Il obtient le bénéfice de l'ancienne échelle de traitement CA1 définie dans l'annexe II du statut pécuniaire si celle-ci est plus favorable.
Art. 119. § 1. De ambtenaar vermeld in artikel 116 die bij de inwerkingtreding van dit besluit in de oude specifieke weddeschaal 20A of 20B bezoldigd werd, wordt ingeschaald in de weddeschaal C1 bepaald in bijlage I van de bezoldigingsregeling.
Hij verkrijgt het voordeel van de oude weddeschaal CA1 bepaald in bijlage II van de bezoldigingsregeling indien deze voordeliger is.
§ 2. De ambtenaar vermeld in artikel 116 die bij de inwerkingtreding van dit besluit in de oude specifieke weddeschaal 20E bezoldigd werd, wordt ingeschaald in de weddeschaal C3 bepaald in bijlage I van de bezoldigingsregeling.
Hij verkrijgt het voordeel van de oude weddeschaal CA2 zoals bepaald in bijlage II van de bezoldigingsregeling indien deze voordeliger is.
§ 3. De ambtenaar vermeld in artikel 116 die bij de inwerkingtreding van dit besluit in de oude specifieke weddeschaal 22A bezoldigd werd, wordt ingeschaald in de weddeschaal C4 bepaald in bijlage I van de bezoldigingsregeling.
Hij verkrijgt het voordeel van de oude weddeschaal CA3 bepaald in bijlage II van de bezoldigingsregeling indien deze voordeliger is.
§ 4. De ambtenaar vermeld in artikel 116 die bij de inwerkingtreding van dit besluit in de oude specifieke weddeschaal 22B bezoldigd werd, wordt ingeschaald in de weddeschaal C5 bepaald in bijlage I van de bezoldigingsregeling.
Hij behoudt het voordeel van deze oude specifieke weddeschaal 22B bepaald in bijlage II van de bezoldigingsregeling indien deze voordeliger is.
Hij verkrijgt het voordeel van de oude weddeschaal CA1 bepaald in bijlage II van de bezoldigingsregeling indien deze voordeliger is.
§ 2. De ambtenaar vermeld in artikel 116 die bij de inwerkingtreding van dit besluit in de oude specifieke weddeschaal 20E bezoldigd werd, wordt ingeschaald in de weddeschaal C3 bepaald in bijlage I van de bezoldigingsregeling.
Hij verkrijgt het voordeel van de oude weddeschaal CA2 zoals bepaald in bijlage II van de bezoldigingsregeling indien deze voordeliger is.
§ 3. De ambtenaar vermeld in artikel 116 die bij de inwerkingtreding van dit besluit in de oude specifieke weddeschaal 22A bezoldigd werd, wordt ingeschaald in de weddeschaal C4 bepaald in bijlage I van de bezoldigingsregeling.
Hij verkrijgt het voordeel van de oude weddeschaal CA3 bepaald in bijlage II van de bezoldigingsregeling indien deze voordeliger is.
§ 4. De ambtenaar vermeld in artikel 116 die bij de inwerkingtreding van dit besluit in de oude specifieke weddeschaal 22B bezoldigd werd, wordt ingeschaald in de weddeschaal C5 bepaald in bijlage I van de bezoldigingsregeling.
Hij behoudt het voordeel van deze oude specifieke weddeschaal 22B bepaald in bijlage II van de bezoldigingsregeling indien deze voordeliger is.
Art. 119. § 1er. L'agent mentionné à l'article 116 qui, lors de l'entrée en vigueur du présent arrêté, était rémunéré dans l'ancienne échelle de traitement spécifique 20A ou 20B, est intégré dans l'échelle de traitement C1 définie à l'annexe I du statut pécuniaire.
Il obtient le bénéfice de l'ancienne échelle de traitement CA1 définie à l'annexe II du statut pécuniaire si celle-ci est plus favorable.
§ 2. L'agent mentionné à l'article 116 qui, lors de l'entrée en vigueur du présent arrêté, était rémunéré dans l'ancienne échelle de traitement spécifique 20E, est intégré dans l'échelle de traitement C3 définie à l'annexe I du statut pécuniaire.
Il obtient le bénéfice de l'ancienne échelle de traitement CA2, telle que définie à l'annexe II du statut pécuniaire si celle-ci est plus favorable.
§ 3. L'agent mentionné à l'article 116 qui, lors de l'entrée en vigueur du présent arrêté, était rémunéré dans l'ancienne échelle de traitement spécifique 22A, est intégré dans l'échelle de traitement C4 définie à l'annexe I du statut pécuniaire.
Il obtient le bénéfice de l'ancienne échelle de traitement CA3 définie à l'annexe II du statut pécuniaire si celle-ci est plus favorable.
§ 4. L'agent mentionné à l'article 116 qui, lors de l'entrée en vigueur du présent arrêté, était rémunéré dans l'ancienne échelle de traitement spécifique 22B, est intégré dans l'échelle de traitement C5 définie à l'annexe I du statut pécuniaire.
Il conserve le bénéfice de cette ancienne échelle de traitement spécifique 22B définie à l'annexe II du statut pécuniaire si celle-ci est plus favorable.
Il obtient le bénéfice de l'ancienne échelle de traitement CA1 définie à l'annexe II du statut pécuniaire si celle-ci est plus favorable.
§ 2. L'agent mentionné à l'article 116 qui, lors de l'entrée en vigueur du présent arrêté, était rémunéré dans l'ancienne échelle de traitement spécifique 20E, est intégré dans l'échelle de traitement C3 définie à l'annexe I du statut pécuniaire.
Il obtient le bénéfice de l'ancienne échelle de traitement CA2, telle que définie à l'annexe II du statut pécuniaire si celle-ci est plus favorable.
§ 3. L'agent mentionné à l'article 116 qui, lors de l'entrée en vigueur du présent arrêté, était rémunéré dans l'ancienne échelle de traitement spécifique 22A, est intégré dans l'échelle de traitement C4 définie à l'annexe I du statut pécuniaire.
Il obtient le bénéfice de l'ancienne échelle de traitement CA3 définie à l'annexe II du statut pécuniaire si celle-ci est plus favorable.
§ 4. L'agent mentionné à l'article 116 qui, lors de l'entrée en vigueur du présent arrêté, était rémunéré dans l'ancienne échelle de traitement spécifique 22B, est intégré dans l'échelle de traitement C5 définie à l'annexe I du statut pécuniaire.
Il conserve le bénéfice de cette ancienne échelle de traitement spécifique 22B définie à l'annexe II du statut pécuniaire si celle-ci est plus favorable.
HOOFDSTUK 3. - Opheffingsbepalingen
CHAPITRE 3. - Dispositions abrogatoires
Art. 120. De artikelen 1 tot en met 65 van het koninklijk besluit van 15 juli 1920 betreffende de inrichting van het Diplomatiek korps, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 23 juni 1972, worden opgeheven.
Art. 120. Les articles 1er à 65 de l'arrêté royal du 15 juillet 1920 concernant l'organisation du Corps diplomatique, tels que modifiés par l'arrêté royal du 23 juin 1972, sont abrogés.
Art. 121. De artikelen 1 tot en met 85 van het koninklijk besluit van 15 juli 1920 houdende nieuwe inrichting van het consulair korps, zoals gewijzigd door de koninklijke besluiten van 30 januari 1921, 29 december 1926 en 23 juni 1972, worden opgeheven.
Art. 121. Les articles 1er à 85 de l'arrêté royal du 15 juillet 1920 portant réorganisation du corps consulaire, tels que modifiés par les arrêtés royaux des 30 janvier 1921, 29 décembre 1926 et 23 juin 1972, sont abrogés.
Art. 122. De artikelen 1 tot en met 12, 20 tot en met 23, eerste lid, 24 tot en met 28 en 32 van het koninklijk besluit van 16 augustus 1923 betreffende de inrichting van het korps der kanseliers, de dragomannen en tolken, zoals gewijzigd door de koninklijke besluiten van 29 december 1926, 15 juni 1937 en 23 juni 1972, worden opgeheven.
Art. 122. Les articles 1er à 12, 20 à 23, alinéa 1er, 24 à 28 et 32 de l'arrêté royal du 16 août 1923 portant règlement organique du corps des agents de chancellerie, des drogmans et des interprètes, tels que modifiés par les arrêtés royaux des 29 décembre 1926, 15 juin 1937 et 23 juin 1972, sont abrogés.
Art. 123. Het koninklijk besluit van 25 april 1956 tot vaststelling van het statuut der personeelsleden van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel, zoals gewijzigd door de koninklijke besluiten van 13 juni 1959, 24 maart 1961, 8 januari 1964, 11 oktober 1965, 23 juni 1972, 13 april 1973, 11 januari 1975, 23 september 1975, 31 december 1975, 4 december 1979, 18 februari 1980, 12 juli 1982, 28 juni 1983, 18 februari 1986, 12 december 1986, 10 juni 1987, 14 september 1987, 24 april 1991, 9 september 1992, 8 januari 1993, 16 juli 1993, 19 juli 1993, 19 oktober 1993, 2 juni 1994, 16 juni 1994, 28 oktober 1994, 10 november 1996, 13 april 1997, 11 juni 1997, 4 februari 1999, 9 juni 1999 wordt opgeheven.
Art. 123. L'arrêté royal du 25 avril 1956 fixant le statut des agents du Ministère des Affaires étrangères et du Commerce extérieur, tel que modifié par les arrêtés royaux des 13 juin 1959, 24 mars 1961, 8 janvier 1964, 11 octobre 1965, 23 juin 1972, 13 avril 1973, 11 janvier 1975, 23 septembre 1975, 31 décembre 1975, 4 décembre 1979, 18 février 1980, 12 juillet 1982, 28 juin 1983, 18 février 1986, 12 décembre 1986, 10 juin 1987, 14 septembre 1987, 24 avril 1991, 9 septembre 1992, 8 janvier 1993, 16 juillet 1993, 19 juillet 1993, 19 octobre 1993, 2 juin 1994, 16 juin 1994, 28 octobre 1994, 10 novembre 1996, 13 avril 1997, 11 juin 1997, 4 février 1999, 9 juin 1999, est abrogé.
Art. 124. Het koninklijk besluit van 4 februari 1999 tot vaststelling van de specifieke graden van de carrière van de Buitenlandse Dienst en de kanselarijcarrière van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, zoals gewijzigd door de koninklijke besluiten van 8 april 2003 en 11 juli 2003 wordt opgeheven.
Art. 124. L'arrêté royal du 4 février 1999 fixant les échelles des grades particuliers de la carrière du Service extérieur et de la carrière de chancellerie du Ministère des Affaires étrangères, du Commerce extérieur et de la Coopération au Développement, tel que modifié par les arrêtés royaux des 8 avril 2003 et 11 juillet 2003, est abrogé.
Art. 125. Het koninklijk besluit van 4 augustus 1999 tot vaststelling van de schalen verbonden aan de bijzondere graden van de carrière van de attachés voor internationale samenwerking van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Internationale Samenwerking wordt opgeheven.
Art. 125. L'arrêté royal du 4 août 1999 fixant les échelles des grades particuliers de la carrière des attachés de la coopération internationale du Ministère des Affaires étrangères, du Commerce extérieur et de la Coopération internationale est abrogé.
HOOFDSTUK 4. - Overgangsbepalingen
CHAPITRE 4. - Dispositions transitoires
Art. 126. § 1. De stages en de beroepen inzake stages die lopend zijn op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit besluit worden verdergezet op grond van de bepalingen die voor die datum van toepassing waren.
§ 2. De stagiair van de carrière buitenlandse dienst of van de carrière van de attachés voor internationale samenwerking wordt ambtshalve benoemd in de buitenlandse carrière overeenkomstig de artikelen 29 en volgende.
§ 3. De stagiair van de kanselarijcarrière wordt ambtshalve benoemd in de consulaire carrière overeenkomstig artikel 116.
§ 2. De stagiair van de carrière buitenlandse dienst of van de carrière van de attachés voor internationale samenwerking wordt ambtshalve benoemd in de buitenlandse carrière overeenkomstig de artikelen 29 en volgende.
§ 3. De stagiair van de kanselarijcarrière wordt ambtshalve benoemd in de consulaire carrière overeenkomstig artikel 116.
Art. 126. § 1er. Les stages et les recours concernant les stages en cours à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté se poursuivent sur base des dispositions en vigueur avant cette date.
§ 2. Le stagiaire de la carrière du service extérieur ou de la carrière des attachés de la coopération internationale est nommé d'office dans la carrière extérieure, conformément aux articles 29 et suivants.
§ 3. Le stagiaire de la carrière de chancellerie est nommé d'office dans la carrière consulaire, conformément à l'article 116.
§ 2. Le stagiaire de la carrière du service extérieur ou de la carrière des attachés de la coopération internationale est nommé d'office dans la carrière extérieure, conformément aux articles 29 et suivants.
§ 3. Le stagiaire de la carrière de chancellerie est nommé d'office dans la carrière consulaire, conformément à l'article 116.
Art. 127. De bij de inwerkingtreding van dit besluit georganiseerde of lopende vergelijkende selecties worden voortgezet op grond van de bepalingen die voor die datum van toepassing waren.
Art. 127. Les sélections comparatives organisées ou en cours d'organisation à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté se poursuivent sur base des dispositions en vigueur avant cette date.
Art.127/1. [1 Voor de eerste vergelijkende selectie voor de toelating tot het eerste deel van de stage na de inwerkingtreding van dit besluit, stelt de afgevaardigd bestuurder de datum vast waarop de kandidaat moet voldoen aan de toelaatbaarheidsvereiste bepaald in artikel 7, § 1, 7°.
De afgevaardigd bestuurder gaat na of de kandidaat aan de toelaatbaarheidsvereiste vermeld in het eerste lid voldoet.
Zodra de afgevaardigd bestuurder, in de loop van de eerste vergelijkende selectie bedoeld in eerste lid, vaststelt dat een kandidaat niet voldoet of niet zal kunnen voldoen aan de toelaatbaarheidsvereiste vermeld in het eerste lid, sluit hij deze van de vergelijkende selectie uit en geeft hij hem kennis van zijn beslissing.]1
De afgevaardigd bestuurder gaat na of de kandidaat aan de toelaatbaarheidsvereiste vermeld in het eerste lid voldoet.
Zodra de afgevaardigd bestuurder, in de loop van de eerste vergelijkende selectie bedoeld in eerste lid, vaststelt dat een kandidaat niet voldoet of niet zal kunnen voldoen aan de toelaatbaarheidsvereiste vermeld in het eerste lid, sluit hij deze van de vergelijkende selectie uit en geeft hij hem kennis van zijn beslissing.]1
Art.127/1. [1 Pour la première sélection comparative pour l'admission à la première partie du stage après l'entrée en vigueur du présent arrêté, l'administrateur délégué fixe la date à laquelle le candidat doit satisfaire à la condition d'admissibilité visée à l'article 7, § 1er, 7°.
L'administrateur délégué vérifie si le candidat satisfait à la condition d'admissibilité mentionnée à l'alinéa 1er.
Dès que l'administrateur délégué constate, pendant la première sélection comparative visée à l'alinéa 1er, qu'un candidat ne satisfait pas, ou ne pourra pas satisfaire à la condition d'admissibilité mentionnée à l'alinéa 1er, il exclut celui-ci de la sélection comparative et lui notifie sa décision.]1
L'administrateur délégué vérifie si le candidat satisfait à la condition d'admissibilité mentionnée à l'alinéa 1er.
Dès que l'administrateur délégué constate, pendant la première sélection comparative visée à l'alinéa 1er, qu'un candidat ne satisfait pas, ou ne pourra pas satisfaire à la condition d'admissibilité mentionnée à l'alinéa 1er, il exclut celui-ci de la sélection comparative et lui notifie sa décision.]1
Modifications
Art. 128. De reserves samengesteld op grond van afgesloten of lopende selecties op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit besluit blijven geldig tot de vervaldatum. Zij kunnen niet meer worden verlengd.
De stage die volgt uit een selectie vermeld in lid 1, wordt uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 14 en volgende. De stagiair wordt ambtshalve benoemd in de buitenlandse carrière overeenkomstig de artikelen 28 en volgende.
De stage die volgt uit een selectie vermeld in lid 1, wordt uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 14 en volgende. De stagiair wordt ambtshalve benoemd in de buitenlandse carrière overeenkomstig de artikelen 28 en volgende.
Art. 128. Les réserves constituées sur base des sélections comparatives qui ont été clôturées avant ou étaient en cours à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté, restent valables jusqu'à expiration du terme fixé pour leur validité. Elles ne peuvent plus être prolongées.
Le stage qui résulte d'une sélection mentionnée à l'alinéa 1er, est effectué conformément aux dispositions des articles 14 et suivants. Le stagiaire est nommé d'office dans la carrière extérieure conformément aux articles 28 et suivants.
Le stage qui résulte d'une sélection mentionnée à l'alinéa 1er, est effectué conformément aux dispositions des articles 14 et suivants. Le stagiaire est nommé d'office dans la carrière extérieure conformément aux articles 28 et suivants.
Art. 129. De ambtenaar van de kanselarijcarrière die houder is van één of meerdere brevetten bedoeld in artikel 49, § 1bis, eerste lid van het koninklijk besluit van 25 april 1956 tot vaststelling van het statuut der personeelsleden van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel, moet voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 111, § 1 om te kunnen deelnemen aan de proeven bedoeld in artikel 111, §§ 4 tot en met 6.
De ambtenaar van de kanselarijcarrière die houder is van één of meerdere brevetten bedoeld in artikel 49, § 1bis, eerste lid van het koninklijk besluit van 25 april 1956 tot vaststelling van het statuut der personeelsleden van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel, is vrijgesteld van de eerste reeks proeven bedoeld in artikel 111, § 3.
De ambtenaar van de kanselarijcarrière die houder is van één of meerdere brevetten bedoeld in artikel 49, § 1bis, eerste lid van het koninklijk besluit van 25 april 1956 tot vaststelling van het statuut der personeelsleden van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel, behoudt het voordeel van het (de) behaalde brevet(ten).
De ambtenaar van de kanselarijcarrière die houder is van één of meerdere brevetten bedoeld in artikel 49, § 1bis, eerste lid van het koninklijk besluit van 25 april 1956 tot vaststelling van het statuut der personeelsleden van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel, is vrijgesteld van de eerste reeks proeven bedoeld in artikel 111, § 3.
De ambtenaar van de kanselarijcarrière die houder is van één of meerdere brevetten bedoeld in artikel 49, § 1bis, eerste lid van het koninklijk besluit van 25 april 1956 tot vaststelling van het statuut der personeelsleden van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel, behoudt het voordeel van het (de) behaalde brevet(ten).
Art. 129. L'agent de la carrière de chancellerie porteur d'un ou de plusieurs brevets visés à l'article 49, § 1erbis, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 25 avril 1956 fixant le statut des agents du Ministère des Affaires étrangères et du Commerce extérieur, doit satisfaire aux conditions visées à l'article 111, § 1er pour pouvoir participer aux épreuves visées à l'article 111, §§ 4 à 6.
L'agent de la carrière de chancellerie porteur d'un ou de plusieurs brevets visés à l'article 49, § 1erbis, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 25 avril 1956 fixant le statut des agents du Ministère des Affaires étrangères et du Commerce extérieur, est dispensé de la première série d'épreuves visée à l'article 111, § 3.
L'agent de la carrière de chancellerie porteur d'un ou de plusieurs brevets visés à l'article 49, § 1erbis, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 25 avril 1956 fixant le statut des agents du Ministère des Affaires étrangères et du Commerce extérieur, conserve le bénéfice de l'obtention du ou des brevets.
L'agent de la carrière de chancellerie porteur d'un ou de plusieurs brevets visés à l'article 49, § 1erbis, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 25 avril 1956 fixant le statut des agents du Ministère des Affaires étrangères et du Commerce extérieur, est dispensé de la première série d'épreuves visée à l'article 111, § 3.
L'agent de la carrière de chancellerie porteur d'un ou de plusieurs brevets visés à l'article 49, § 1erbis, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 25 avril 1956 fixant le statut des agents du Ministère des Affaires étrangères et du Commerce extérieur, conserve le bénéfice de l'obtention du ou des brevets.
Art. 130. Gedurende het eerste jaar na de inwerkingtreding van dit besluit kan worden bevorderd tot de klasse A3, de ambtenaar van de klasse A2 van de carrière Buitenlandse Dienst, de Kanselarijcarrière en de carrière van de Attachés voor Internationale Samenwerking die een klasse-anciënniteit van 9 jaar heeft.
Art. 130. Durant la première année après l'entrée en vigueur du présent arrêté, peut être promu à la classe A3, l'agent de la classe A2 de la carrière du Service extérieur, de la carrière de Chancellerie et de la carrière des Attachés de la Coopération internationale qui compte une ancienneté de classe de 9 ans.
Art. 131. Gedurende het tweede jaar na de inwerkingtreding van dit besluit kan worden bevorderd tot de klasse A3, de ambtenaar van de klasse A2 van de carrière Buitenlandse Dienst, de Kanselarijcarrière en de carrière van de Attachés voor Internationale Samenwerking die een klasse-anciënniteit van 8 jaar heeft.
Art. 131. Durant la deuxième année après l'entrée en vigueur du présent arrêté, peut être promu à la classe A3, l'agent de la classe A2 de la carrière du Service extérieur, de la carrière de Chancellerie et de la carrière des Attachés de la Coopération internationale qui compte une ancienneté de classe de 8 ans.
Art. 132. Gedurende het derde jaar na de inwerkingtreding van dit besluit kan worden bevorderd tot de klasse A3, de ambtenaar van de klasse A2 van de carrière Buitenlandse Dienst, de Kanselarijcarrière en de carrière van de Attachés voor Internationale Samenwerking die een klasse-anciënniteit van 7 jaar heeft.
Art. 132. Durant la troisième année après l'entrée en vigueur du présent arrêté, peut être promu à la classe A3, l'agent de la classe A2 de la carrière du Service extérieur, de la carrière de Chancellerie et de la carrière des Attachés de la Coopération internationale qui compte une ancienneté de classe de 7 ans.
Art. 133. Gedurende het vierde jaar na de inwerkingtreding van dit besluit kan worden bevorderd tot de klasse A3, de ambtenaar van de klasse A2 van de carrière Buitenlandse Dienst, de Kanselarijcarrière en de carrière van de Attachés voor Internationale Samenwerking die een klasse-anciënniteit van 6 jaar heeft.
Art. 133. Durant la quatrième année après l'entrée en vigueur du présent arrêté, peut être promu à la classe A3, l'agent de la classe A2 de la carrière du Service extérieur, de la carrière de Chancellerie et de la carrière des Attachés de la Coopération internationale qui compte une ancienneté de classe de 6 ans.
Art. 134. Gedurende het vijfde jaar na de inwerkingtreding van dit besluit kan worden bevorderd tot de klasse A3, de ambtenaar van de klasse A2 van de carrière Buitenlandse Dienst, de Kanselarijcarrière en de carrière van de Attachés voor Internationale Samenwerking die een klasse-anciënniteit van 5 jaar heeft.
Art. 134. Durant la cinquième année après l'entrée en vigueur du présent arrêté, peut être promu à la classe A3, l'agent de la classe A2 de la carrière du Service extérieur, de la carrière de Chancellerie et de la carrière des Attachés de la Coopération internationale qui compte une ancienneté de classe de 5 ans.
Art. 135. De procedures inzake bevorderingen, tucht- en ordemaatregelen die lopend zijn op het ogenblik van de inwerkintreding van dit besluit, worden beheerst door de bepalingen zoals die van kracht waren vóór deze datum.
Art. 135. Les procédures en matière de promotion, mesures disciplinaires et mesures d'ordre en cours à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté restent régies par les dispositions en vigueur avant cette date.
Art. 136. De lopende procedures inzake pensionering op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit besluit worden voortgezet op basis van de bepalingen van voornoemd besluit.
Art. 136. Les procédures de mise à la retraite en cours à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté sont poursuivies sur la base des dispositions dudit arrêté.
HOOFDSTUK 5. - Slotbepalingen
CHAPITRE 5. - Dispositions finales
Art. 137. Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de maandvolgend op die van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, met uitzondering van het artikel 37 dat in werking treedt op 1 januari 2020.
Art. 137. Le présent arrêté entre en vigueur le premier jour du mois qui suit celui de sa publication au Moniteur belge, à l'exception de l'article 37 qui entre en vigueur le 1er janvier 2020.
Art. 138. De minister bevoegd voor Buitenlandse Zaken en de minister bevoegd voor Ontwikkelingssamenwerking zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 138. Le ministre qui a les Affaires étrangères dans ses attributions et le ministre qui a la Coopération au Développement dans ses attributions sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage 1. De op de ambtenaren van de buitenlandse carrière en de consulaire carrière van toepassing zijnde uitvoeringsbesluiten van het statuut van het Rijkspersoneel.
1. Koninklijk besluit van 12 mei 1927 betreffende de ouderdom van de oppensioenstelling van de ambtenaren, de beambten en het dienstpersoneel van den staat.
2. Koninklijk besluit van 1 juni 1964 tot vaststelling van de administratieve toestand van sommige ambtenaren van de rijksbesturen, die in vredestijd militaire prestaties verrichten of diensten volbrengen ter uitvoering van de wet van 3 juni 1964 houdende het statuut van de gewetensbezwaarden.
3. Koninklijk besluit van 2 april 1975 betreffende het verlof dat aan sommige personeelsleden in overheidsdienst wordt verleend voor het verrichten van bepaalde prestaties ten behoeve van in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de Gemeenschappen of de Gewesten erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen.
1. Koninklijk besluit van 12 mei 1927 betreffende de ouderdom van de oppensioenstelling van de ambtenaren, de beambten en het dienstpersoneel van den staat.
2. Koninklijk besluit van 1 juni 1964 tot vaststelling van de administratieve toestand van sommige ambtenaren van de rijksbesturen, die in vredestijd militaire prestaties verrichten of diensten volbrengen ter uitvoering van de wet van 3 juni 1964 houdende het statuut van de gewetensbezwaarden.
3. Koninklijk besluit van 2 april 1975 betreffende het verlof dat aan sommige personeelsleden in overheidsdienst wordt verleend voor het verrichten van bepaalde prestaties ten behoeve van in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de Gemeenschappen of de Gewesten erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen.
Art. N1. Annexe 1re. Les arrêtés d'exécution du statut des agents de l'Etat applicables aux agents de la carrière extérieure et de la carrière consulaire
1. Arrêté royal du 12 mai 1927 relatif à l'âge de la mise à la retraite des fonctionnaires, employés et gens de service des administrations de l'Etat.
2. Arrêté royal du 1er juin 1964 fixant la position administrative de certains agents des administrations de l'Etat qui accomplissent, en temps de paix, des prestations militaires ou des services en exécution de la loi du 3 juin 1964 portant le statut des objecteurs de conscience.
3. Arrêté royal du 2 avril 1975 relatif au congé accordé à certains membres du personnel des services publics pour accomplir certaines prestations au bénéfice des groupes politiques reconnus des assemblées législatives nationales, communautaires ou régionales ou au bénéfice des présidents de ces groupes
1. Arrêté royal du 12 mai 1927 relatif à l'âge de la mise à la retraite des fonctionnaires, employés et gens de service des administrations de l'Etat.
2. Arrêté royal du 1er juin 1964 fixant la position administrative de certains agents des administrations de l'Etat qui accomplissent, en temps de paix, des prestations militaires ou des services en exécution de la loi du 3 juin 1964 portant le statut des objecteurs de conscience.
3. Arrêté royal du 2 avril 1975 relatif au congé accordé à certains membres du personnel des services publics pour accomplir certaines prestations au bénéfice des groupes politiques reconnus des assemblées législatives nationales, communautaires ou régionales ou au bénéfice des présidents de ces groupes
Art. N2. Bijlage 2. Andere besluiten
1. Koninklijk besluit van 11 oktober 1991 tot vaststelling van de nadere regelen voor de uitoefening van het recht op een verlof om dwingende reden.
2. Koninklijk besluit van 10 juli 2002 tot toekenning van een Copernicuspremie aan sommige personeelsleden van de rijksbesturen.
3. Koninklijk besluit van 15 januari 2007 betreffende de mobiliteit van de statutaire ambtenaren in het federaal administratief openbaar ambt.
4. Koninklijk besluit van 28 november 2008 tot vervanging, voor het personeel van sommige overheidsdiensten, van het koninklijk besluit van 23 oktober 1979 houdende toekenning van een eindejaarstoelage aan sommige titularissen van een ten laste van de Schatkist bezoldigd ambt.
5. Koninklijk besluit van 24 september 2013 betreffende de evaluatie in de federale overheidsdiensten.
1. Koninklijk besluit van 11 oktober 1991 tot vaststelling van de nadere regelen voor de uitoefening van het recht op een verlof om dwingende reden.
2. Koninklijk besluit van 10 juli 2002 tot toekenning van een Copernicuspremie aan sommige personeelsleden van de rijksbesturen.
3. Koninklijk besluit van 15 januari 2007 betreffende de mobiliteit van de statutaire ambtenaren in het federaal administratief openbaar ambt.
4. Koninklijk besluit van 28 november 2008 tot vervanging, voor het personeel van sommige overheidsdiensten, van het koninklijk besluit van 23 oktober 1979 houdende toekenning van een eindejaarstoelage aan sommige titularissen van een ten laste van de Schatkist bezoldigd ambt.
5. Koninklijk besluit van 24 september 2013 betreffende de evaluatie in de federale overheidsdiensten.
Art. N2. Annexe 2. Autres arrêtés
1. Arrêté royal du 11 octobre 1991 déterminant les modalités de l'exercice du droit à un congé pour raisons impérieuses.
2. Arrêté royal du 10 juillet 2002 accordant une prime Copernic à certains agents des administrations de l'Etat.
3. Arrêté royal du 15 janvier 2007 relatif à la mobilité des agents statutaires dans la fonction publique administrative fédérale.
4. Arrêté royal du 28 novembre 2008 remplaçant, pour le personnel de certains services publics, l'arrêté royal du 23 octobre 1979 accordant une allocation de fin d'année à certains titulaires d'une fonction rémunérée à charge du Trésor public.
5. Arrêté royal du 24 septembre 2013 relatif à l'évaluation dans les services publics fédéraux.
1. Arrêté royal du 11 octobre 1991 déterminant les modalités de l'exercice du droit à un congé pour raisons impérieuses.
2. Arrêté royal du 10 juillet 2002 accordant une prime Copernic à certains agents des administrations de l'Etat.
3. Arrêté royal du 15 janvier 2007 relatif à la mobilité des agents statutaires dans la fonction publique administrative fédérale.
4. Arrêté royal du 28 novembre 2008 remplaçant, pour le personnel de certains services publics, l'arrêté royal du 23 octobre 1979 accordant une allocation de fin d'année à certains titulaires d'une fonction rémunérée à charge du Trésor public.
5. Arrêté royal du 24 septembre 2013 relatif à l'évaluation dans les services publics fédéraux.