Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
9 JANUARI 2014. - Wet tot wijziging van de wet van 19 maart 2013 betreffende de Belgische Ontwikkelingssamenwerking
Titre
9 JANVIER 2014. - Loi modifiant la loi du 19 mars 2013 relative à la Coopération au Développement
Informations sur le document
Numac: 2014015030
Datum: 2014-01-09
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2014015030
Date: 2014-01-09
Moniteur: Voir
Tekst (24)
Texte (24)
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution.
Art. 2. In de Franse versie van het opschrift van de wet van 19 maart 2013 betreffende de Belgische Ontwikkelingssamenwerking, wordt het woord "belge" ingevoegd tussen de woorden "la Coopération" en de woorden "au Développement".
Art. 2. Dans l'intitulé de la loi du 19 mars 2013 relative à la Coopération au Développement, le mot "belge" est inséré entre les mots "la Coopération" et les mots "au Développement".
Art. 3. Artikel 2, 3°, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  "3° "het ontwikkelingsland" : het land beschouwd als ontwikkelingsland door het Comité voor Ontwikkelingshulp van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling;
  3° /1 "het partnerland" : het ontwikkelingsland dat als partner van de gouvernementele samenwerking wordt erkend;".
Art. 3. L'article 2, 3°, de la même loi est remplacé par ce qui suit :
  "3° "le pays en développement" : le pays considéré comme pays en développement par le Comité d'aide au développement de l'Organisation de Coopération et de Développement économiques;
  3° /1 "le pays partenaire" : le pays en développement reconnu comme partenaire de la coopération gouvernementale;".
Art. 4. In artikel 2, 5°, van dezelfde wet worden de woorden "geregeld door een algemene samenwerkingsovereenkomst" ingevoegd tussen de woorden "samenwerkingsprogramma" en de woorden "tussen beide landen".
Art. 4. Dans l'article 2, 5°, de la même loi, les mots "régi par une convention générale de coopération" sont insérés entre les mots "programme de coopération" et les mots "entre les deux pays".
Art. 5. In artikel 2, 6°, van dezelfde wet worden de woorden ", op basis van een reglementair stelsel van subsidiëring of van een overeenkomst" opgeheven.
Art. 5. Dans l'article 2, 6°, de la même loi, les mots ", sur la base d'un système réglementaire de subvention ou d'une convention" sont abrogés.
Art. 6. In artikel 2 van dezelfde wet worden de 6° /1 tot 6° /9 ingevoegd, luidende :
  "6° /1 "de actor van de niet-gouvernementele samenwerking" (ANGS) :
  - ofwel een niet-gouvernementele organisatie (NGO), zoals gedefinieerd in 4° ;
  - ofwel een representatieve structuur van de NGO's;
  - ofwel een partner van de niet-gouvernementele samenwerking;
  6° /2 "de representatieve structuur van de NGO's" : een federatie of een koepel;
  6° /3 "de federatie" : de organisatie die het geheel of een deel van de NGO's vertegenwoordigt en die als voornaamste functie heeft de schakel te zijn tussen de administratie en de NGO's;
  6° /4 "de koepel" : de NGO die NGO's en andere organisaties van de Belgische Noord-Zuidbeweging vertegenwoordigt en waarvan de voornaamste functie erin bestaat de missies te volbrengen die haar leden haar in termen van pleidooiwerk en coördinatie van hun acties inzake ontwikkelingseducatie en in de ontwikkelingslanden geven;
  6° /5 "de partner van de niet-gouvernementele samenwerking" : de maatschappij, de groepering, de vereniging of de instelling van publiek of privaat recht, andere dan een NGO, die in aanmerking kan komen voor subsidiëring door de Belgische Ontwikkelingssamenwerking voor haar activiteiten op het gebied van de ontwikkelingssamenwerking;
  6° /6 "de ontwikkelingseducatie" : het geheel van de acties die als doel hebben :
  a) het globaal inzicht in de internationale problematiek en de ontwikkelingsproblematiek te bevorderen en de kritische meningsvorming te stimuleren;
  b) een verandering van waarden en gedragingen teweeg te brengen, zowel op individueel als op collectief vlak, ten voordele van een meer rechtvaardige en solidaire wereld;
  c) de actieve uitoefening van rechten en plichten op lokaal en globaal niveau aan te moedigen, ten voordele van een meer rechtvaardige en solidaire wereld.
  Deze acties omvatten het politieke pleidooiwerk en de capaciteitsopbouw van de actoren van internationale solidariteit;
  6° /7 "de gemeenschappelijke contextanalyse" :
  a) voor de ontwikkelingslanden : de contextanalyse gericht op de civiele maatschappij, de gedecentraliseerde besturen en de openbare instellingen en de voorwaarden om hun versterking mogelijk te maken, opgemaakt door meerdere ANGS vertrekkende van hun eigen contextanalyses en gelijkaardige oefeningen uitgevoerd in het land of de regio;
  b) voor ontwikkelingseducatie : de analyse van het landschap van ontwikkelingseducatie, van haar actoren, van de educatieve benaderingen en van de doelgroepen, opgemaakt door meerdere ANGS vertrekkende van hun eigen analyses en gelijkaardige oefeningen die door andere actoren over deze thematiek werden gerealiseerd;
  6° /8 "de wet van 27 juni 1921" : de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen;
  6° /9 "het koninklijk besluit van 19 december 2003" : het koninklijk besluit van 19 december 2003 betreffende de boekhoudkundige verplichtingen en de openbaarmaking van de jaarrekening van bepaalde verenigingen zonder winstoogmerk, internationale verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen;".
Art. 6. Dans l'article 2 de la même loi, sont insérés les 6° /1 à 6° /9 rédigés comme suit :
  "6° /1 "l'acteur de la coopération non gouvernementale" (ACNG) :
  - soit une organisation non gouvernementale (ONG), telle que définie au 4° ;
  - soit une structure représentative des ONG;
  - soit un partenaire de la coopération non gouvernementale;
  6° /2 "la structure représentative des ONG" : une fédération ou une coupole;
  6° /3 "la fédération" : l'organisation qui représente l'ensemble ou une partie des ONG et dont la fonction principale est celle d'interface entre l'administration et les ONG;
  6° /4 "la coupole" : l'ONG qui représente des ONG et d'autres organisations du mouvement Nord-Sud en Belgique et dont la fonction principale est de remplir les missions que ses membres lui donnent en termes de plaidoyer et de coordination de leurs actions d'éducation au développement et dans les pays en développement;
  6° /5 "le partenaire de la coopération non gouvernementale" : la société, le groupement, l'association ou l'institution de droit public ou de droit privé, autre qu'une ONG, qui peut bénéficier de subventions de la Coopération belge au développement pour ses activités en matière de coopération au développement;
  6° /6 "l'éducation au développement" : l'ensemble des actions qui ont pour but de :
  a) favoriser la compréhension globale des enjeux internationaux et du développement et l'acquisition d'un regard critique;
  b) provoquer des changements de valeurs et de comportements sur les plans individuel et collectif en faveur d'un monde plus juste et solidaire;
  c) susciter l'exercice actif de droits et de responsabilités aux niveaux local et global, en faveur d'un monde plus juste et solidaire.
  Ces actions comprennent le plaidoyer politique et le renforcement des capacités des acteurs de solidarité internationale;
  6° /7 "l'analyse contextuelle commune" :
  a) pour les pays en développement : l'analyse de contexte centrée sur la société civile, les autorités décentralisées et les institutions publiques et les conditions pour permettre leur renforcement, réalisée par plusieurs ACNG et basée sur leurs analyses contextuelles propres et les exercices similaires réalisés dans le pays ou la région;
  b) pour l'éducation au développement : l'analyse du paysage de l'éducation au développement, de ses acteurs, des approches éducatives et des publics cibles, réalisée par plusieurs ACNG et basée sur leurs analyses propres et les exercices similaires réalisés par d'autres acteurs sur cette thématique;
  6° /8 "la loi du 27 juin 1921" : la loi du 27 juin 1921 sur les associations sans but lucratif, les associations internationales sans but lucratif et les fondations;
  6° /9 "l'arrêté royal du 19 décembre 2003" : l'arrêté royal du 19 décembre 2003 relatif aux obligations comptables et à la publicité des comptes annuels de certaines associations sans but lucratif, associations internationales sans but lucratif et fondations;".
Art. 7. In artikel 2 van dezelfde wet worden de 9° /1 en 9° /2 ingevoegd, luidende :
  "9° /1 "het synergieproject" : het geheel van activiteiten gevoerd door ten minste drie ANGS gericht op het realiseren van eenzelfde specifieke doelstelling;
  9° /2 "het partnerschapsproject met de gouvernementele samenwerking" : het geheel van activiteiten gericht op het realiseren van een specifieke doelstelling complementair met het samenwerkingsprogramma van de gouvernementele samenwerking of in synergie met dit programma;".
Art. 7. Dans l'article 2 de la même loi, sont insérés les 9° /1 et 9° /2 rédigés comme suit :
  "9° /1 "le projet de synergie" : l'ensemble d'activités menées par au moins trois ACNG en vue de réaliser un même objectif spécifique;
  9° /2 "le projet de partenariat avec la coopération gouvernementale" : l'ensemble d'activités en vue de réaliser un objectif spécifique complémentaire au programme de coopération de la coopération gouvernementale ou en synergie avec ce programme;".
Art. 8. In artikel 2 van dezelfde wet worden de 15° /1 en 15° /2 ingevoegd, luidende :
  "15° /1 "de humanitaire crisis" : het conflict, de geweldsituatie of de ramp in een ontwikkelingsland dat door de mens of door de natuur veroorzaakt is en menselijke slachtoffers heeft gemaakt;
  15° /2 "het internationaal humanitair donorfonds" : het gemeenschappelijk beheerd fonds onder de controle van één of meerdere internationale organisaties en bedoeld om gemeenschappelijke financiering van de humanitaire hulp in bepaalde ontwikkelingslanden of ten voordele van bepaalde thema's mogelijk te maken;".
Art. 8. Dans l'article 2 de la même loi, sont insérés les 15° /1 et 15° /2 rédigés comme suit :
  "15° /1 "la crise humanitaire" : le conflit, la situation de violence ou la catastrophe dans un pays en développement, d'origine humaine ou naturelle et qui a fait des victimes humaines;
  15° /2 "le fonds humanitaire international de donateurs" : le fonds à gestion commune placé sous le contrôle d'une ou de plusieurs organisations internationales et destiné à permettre un financement commun de l'aide humanitaire dans certains pays en développement ou au bénéfice de certaines thématiques;".
Art. 9. Artikel 2 van dezelfde wet wordt aangevuld met de 23° en 24°, luidende :
  "23° "de administratie" : de directie-generaal Ontwikkelingssamenwerking en Humanitaire Hulp van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking;
  24° "de criteria bepaald door het DAC" : de criteria van relevantie, doelmatigheid, doeltreffendheid, impact en duurzaamheid, zoals gedefinieerd door het Comité voor Ontwikkelingshulp van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling."
Art. 9. L'article 2 de la même loi est complété par les 23° et 24° rédigés comme suit :
  "23° "l'administration" : la direction générale de la Coopération au développement et de l'Aide humanitaire du Service Public fédéral Affaires étrangères, Commerce extérieur et Coopération au Développement;
  24° "les critères déterminés par le CAD" : les critères de pertinence, d'efficacité, d'efficience, d'impact et de durabilité tels que définis par le Comité d'aide au développement de l'Organisation de Coopération et de Développement économiques."
Art. 10. § 1. In artikel 11, § 1, van dezelfde wet, in de Franse versie, wordt het woord "thématiques" vervangen door het woord "thèmes".
  § 2. In artikel 11, § 2, eerste lid, van dezelfde wet, worden de woorden "op transversale wijze" vervangen door de woorden "de volgende transversale thema's".
Art. 10. § 1er. Dans l'article 11, § 1er, de la même loi, le mot "thématiques" est remplacé par le mot "thèmes".
  § 2. Dans l'article 11, § 2, alinéa 1er, de la même loi, les mots "de façon transversale" sont remplacés par les mots "les thèmes transversaux suivants".
Art. 11. In artikel 16 van dezelfde wet wordt § 2 vervangen als volgt :
  " § 2. De Koning stelt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, een lijst vast van maximaal vijf regionale partnerorganisaties van de gouvernementele samenwerking, volgens één van de volgende criteria :
  1° minstens één lid van de organisatie is een partnerland en de interventie van de organisatie houdt verband met een prioritair thema of een prioritaire sector in de zin van de artikelen 11 en 19;
  2° de expertise van de organisatie rechtvaardigt haar interventie in het kader van een exitstrategie als bedoeld in artikel 17."
Art. 11. Dans l'article 16 de la même loi, le § 2 est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. Le Roi établit, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, une liste de maximum cinq organisations régionales partenaires de la coopération gouvernementale, selon l'un des critères suivants :
  1° au moins un membre de l'organisation est un pays partenaire et l'intervention de l'organisation est liée à un thème prioritaire ou à un secteur prioritaire au sens des articles 11 et 19;
  2° l'expertise de l'organisation justifie son intervention dans le cadre d'une stratégie de sortie visée à l'article 17."
Art. 12. Artikel 23 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  "Art. 23. Om vrijwillige bijdragen te kunnen ontvangen als partner van de multilaterale samenwerking, voldoet de internationale organisatie aan de volgende criteria :
  1° de algemene doelstellingen van de internationale organisatie zijn coherent met deze van de Belgische Ontwikkelingssamenwerking bedoeld in hoofdstuk 2;
  2° de internationale organisatie heeft een logische, planmatige, resultaatgerichte aanpak, die voortvloeit uit ontwikkelingsprogramma's welke een evaluatie van de aanwending van de bijdragen van de multilaterale samenwerking toelaten;
  3° de bijdragen van de multilaterale samenwerking zijn coherent met de eventuele bijdrage die door andere actoren van de ontwikkelingssamenwerking aan de internationale organisatie wordt gegeven, teneinde het geheel der bijdragen van de ontwikkelingssamenwerking te harmoniseren en het effect ervan te maximaliseren.
  De Koning bepaalt de nadere regels en de procedure voor de selectie van de internationale organisaties waar vrijwillige bijdragen aan worden toegekend.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, een lijst van maximaal twintig internationale organisaties waar vrijwillige bijdragen aan worden toegekend."
Art. 12. L'article 23 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 23. Pour pouvoir bénéficier de contributions volontaires en tant que partenaire de la coopération multilatérale, l'organisation internationale satisfait aux critères suivants :
  1° les objectifs généraux de l'organisation internationale sont cohérents par rapport à ceux de la Coopération belge au développement visés au chapitre 2;
  2° l'organisation internationale a une approche logique, planifiée, orientée vers les résultats, qui ressort de programmes de développement permettant une évaluation de l'utilisation des contributions de la coopération multilatérale;
  3° les contributions de la coopération multilatérale sont cohérentes par rapport à l'éventuelle contribution fournie à l'organisation internationale par d'autres acteurs de la coopération au développement, en vue d'harmoniser l'ensemble des contributions de la coopération au développement et de maximaliser leurs effets.
  Le Roi détermine les modalités et la procédure de sélection des organisations internationales auxquelles des contributions volontaires sont octroyées.
  Le Roi établit, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, une liste de maximum vingt organisations internationales auxquelles des contributions volontaires sont octroyées."
Art. 13. Artikel 26 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  "Art. 26. § 1. Om erkend te worden als NGO, voldoet de organisatie aan de volgende voorwaarden :
  1° opgericht zijn overeenkomstig de wet van 27 juni 1921;
  2° ontwikkelingssamenwerking als voornaamste maatschappelijk doel hebben;
  3° minimum vijf jaar relevante ervaring hebben in één of meerdere domeinen van de ontwikkelingssamenwerking, waarbij het de doelstelling is om bij te dragen tot de versterking van de civiele maatschappij of van de gedecentraliseerde besturen in de ontwikkelingslanden of de toegang tot ontwikkelingseducatie van de burgers in België te verzekeren;
  4° beschikken over een aantoonbaar maatschappelijk draagvlak in België, gebaseerd op indicatoren, overeenkomstig de nadere regels bepaald door de Koning;
  5° autonoom zijn, overeenkomstig de nadere regels bepaald door de Koning;
  6° een jaarlijks omzetcijfer hebben, subsidies van de Belgische Staat ten laste van de begroting van ontwikkelingssamenwerking uitgezonderd, dat ten minste gelijkwaardig is aan het bedrag bepaald door de Koning;
  7° beschikken over voldoende menselijke middelen, volgens de voorwaarden bepaald door de Koning;
  8° beschikken over een dubbele boekhouding, overeenkomstig het koninklijk besluit van 19 december 2003;
  9° beschikken over een performant systeem van organisatiebeheersing, waarvan de kwaliteit periodiek wordt getoetst door de administratie, overeenkomstig de nadere regels bepaald door de Koning.
  De erkenning wordt door de minister verleend voor een termijn van tien jaar.
  De erkenning wordt ingetrokken wanneer :
  1° de organisatie niet langer voldoet aan de in het eerste lid bepaalde voorwaarden;
  2° de organisatie niet voldoet aan alle administratieve en financiële verplichtingen die op haar rusten in het kader van de subsidiëring van haar activiteiten;
  3° er fraude wordt vastgesteld in hoofde van de organisatie;
  4° de organisatie, gedurende vijf opeenvolgende jaren, geen subsidies van de Belgische Staat ten laste van de begroting van ontwikkelingssamenwerking heeft ontvangen.
  De intrekking van de erkenning heeft de onmiddellijke stopzetting van de subsidie-uitkering tot gevolg.
  De Koning bepaalt de nadere regels van de toekennings- en de intrekkingsprocedure van de erkenning.
  § 2. Om te worden erkend als federatie, voldoet de organisatie aan de volgende voorwaarden :
  1° opgericht zijn overeenkomstig de wet van 27 juni 1921;
  2° een meerderheid van de overeenkomstig § 1 erkende NGO's van het taalregime van de federatie als lid hebben;
  3° elke overeenkomstig § 1 erkende NGO die een aanvraag tot lidmaatschap doet als lid aanvaarden;
  4° stemrecht voor de algemene vergadering verlenen aan al haar leden;
  5° beschikken over een performant systeem van organisatiebeheersing, waarvan de kwaliteit periodiek wordt getoetst door de administratie, overeenkomstig de nadere regels bepaald door de Koning.
  Er wordt maximaal één federatie erkend per taalregime.
  De erkenning wordt ingetrokken wanneer :
  1° de organisatie niet langer voldoet aan de in het eerste lid bepaalde voorwaarden;
  2° de organisatie niet voldoet aan alle administratieve en financiële verplichtingen die op haar rusten in het kader van de subsidiëring van haar activiteiten;
  3° er fraude wordt vastgesteld in hoofde van de organisatie.
  De intrekking van de erkenning heeft de onmiddellijke stopzetting van de subsidie-uitkering tot gevolg.
  De Koning bepaalt de nadere regels van de toekennings- en intrekkingsprocedure van de erkenning.
  § 3. Om te worden erkend als koepel, voldoet de organisatie aan de volgende voorwaarden :
  1° opgericht zijn overeenkomstig de wet van 27 juni 1921;
  2° een meerderheid van de overeenkomstig § 1 erkende NGO's van het taalregime van de koepel als lid hebben;
  3° stemrecht voor de algemene vergadering verlenen aan al haar leden;
  4° beschikken over een performant systeem van organisatiebeheersing, waarvan de kwaliteit periodiek wordt getoetst door de administratie, overeenkomstig de nadere regels bepaald door de Koning.
  Er wordt maximaal één koepel erkend per taalregime.
  De erkenning wordt ingetrokken wanneer :
  1° de organisatie niet langer voldoet aan de in het eerste lid bepaalde voorwaarden;
  2° de organisatie niet voldoet aan alle administratieve en financiële verplichtingen die op haar rusten in het kader van de subsidiëring van haar activiteiten;
  3° er fraude wordt vastgesteld in hoofde van de organisatie.
  De intrekking van de erkenning heeft de onmiddellijke stopzetting van de subsidie-uitkering tot gevolg.
  De Koning bepaalt de nadere regels van de toekennings- en intrekkingsprocedure van de erkenning.
  § 4. Om het statuut van partner van de niet-gouvernementele samenwerking te verkrijgen, voldoet de organisatie aan de volgende voorwaarden :
  1° gedurende de laatste zeven jaar, vijf jaar subsidies van de Belgische Staat ten laste van de begroting van ontwikkelingssamenwerking ontvangen hebben;
  2° een jaarlijks omzetcijfer hebben, subsidies van de Belgische Staat ten laste van de begroting van ontwikkelingssamenwerking inbegrepen, dat ten minste gelijkwaardig is aan het bedrag bepaald door de Koning;
  3° beschikken over voldoende menselijke middelen, volgens de voorwaarden bepaald door de Koning;
  4° een commissaris van de rekeningen hebben aangeduid onder de leden van het Instituut van de Bedrijfsrevisoren;
  5° beschikken over een dubbele boekhouding overeenkomstig het koninklijk besluit van 19 december 2003;
  6° een analytische boekhouding voeren;
  7° beschikken over een performant systeem van organisatiebeheersing, waarvan de kwaliteit periodiek wordt getoetst door de administratie, overeenkomstig de nadere regels bepaald door de Koning.
  Een organisatie die erkend is als NGO kan geen statuut verkrijgen van partner van de niet-gouvernementele samenwerking.
  Het statuut wordt door de minister verleend voor een termijn van tien jaar.
  Het statuut wordt ingetrokken wanneer :
  1° de organisatie niet langer voldoet aan de in het eerste lid bepaalde voorwaarden;
  2° de organisatie niet voldoet aan alle administratieve en financiële verplichtingen die op haar rusten in het kader van de subsidiëring van haar activiteiten;
  3° er fraude wordt vastgesteld in hoofde van de organisatie.
  De beslissing om het statuut in te trekken heeft de onmiddellijke stopzetting van de subsidie-uitkering tot gevolg.
  De Koning bepaalt de nadere regels van de toekennings- en intrekkingsprocedure van het statuut.
  § 5. Een organisatie die overeenkomstig § 1 als NGO is erkend kan een bijkomende erkenning vragen om een subsidieaanvraag van een programma te kunnen indienen.
  Om de bijkomende erkenning te verkrijgen, voldoet de organisatie aan de voorwaarden bepaald in § 4, eerste lid.
  De bijkomende erkenning wordt door de minister verleend voor een termijn van tien jaar.
  De bijkomende erkenning wordt ingetrokken wanneer :
  1° de organisatie niet langer voldoet aan de in § 4, eerste lid, bepaalde voorwaarden;
  2° de organisatie niet voldoet aan alle administratieve en financiële verplichtingen die op haar rusten in het kader van de subsidiëring van haar activiteiten;
  3° de erkenning van de organisatie bedoeld in § 1 wordt ingetrokken.
  De intrekking van de erkenning heeft de onmiddellijke stopzetting van de subsidie-uitkering tot gevolg.
  De Koning bepaalt de nadere regels van de toekennings- en intrekkingsprocedure van de bijkomende erkenning."
Art. 13. L'article 26 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 26. § 1er. Pour être agréée comme ONG, l'organisation satisfait aux conditions suivantes :
  1° être constituée conformément à la loi du 27 juin 1921;
  2° avoir comme principal objet social la coopération au développement;
  3° avoir une expérience pertinente d'au moins cinq ans dans un ou plusieurs domaines de la coopération au développement, dont l'objectif consiste à contribuer au renforcement de la société civile ou des gouvernements décentralisés dans les pays en développement ou à garantir l'accès à l'éducation au développement des citoyens en Belgique;
  4° disposer d'une assise sociétale démontrable en Belgique, reposant sur des indicateurs, conformément aux modalités déterminées par le Roi;
  5° être autonome, conformément aux modalités déterminées par le Roi;
  6° avoir un chiffre d'affaires annuel, subventions de l'Etat belge à charge du budget de la coopération au développement non comprises, au moins équivalent au montant déterminé par le Roi;
  7° disposer de ressources humaines suffisantes selon les conditions déterminées par le Roi;
  8° disposer d'une comptabilité en partie double, conformément à l'arrêté royal du 19 décembre 2003;
  9° disposer d'un système performant de maîtrise de l'organisation, dont la qualité est examinée périodiquement par l'administration, conformément aux modalités déterminées par le Roi.
  L'agrément est octroyé par le ministre pour une durée de dix ans.
  L'agrément est retiré lorsque :
  1° l'organisation ne satisfait plus aux conditions prévues à l'alinéa 1er;
  2° l'organisation ne satisfait pas à toutes les obligations administratives et financières qui lui incombent dans le cadre de la subvention de ses activités;
  3° une fraude est constatée dans le chef de l'organisation;
  4° l'organisation, durant cinq années consécutives, n'a pas bénéficié de subventions de l'Etat belge à charge du budget de la coopération au développement.
  Le retrait de l'agrément a pour conséquence l'arrêt immédiat de la liquidation de la subvention.
  Le Roi détermine les modalités de la procédure d'octroi et de retrait de l'agrément.
  § 2. Pour être agréée comme fédération, l'organisation satisfait aux conditions suivantes :
  1° être constituée conformément à la loi du 27 juin 1921;
  2° avoir comme membres une majorité des ONG agréées en vertu du § 1er relevant du régime linguistique de la fédération;
  3° accepter comme membre toute ONG agréée en vertu du § 1er qui introduit une demande d'affiliation;
  4° accorder le droit de vote à l'assemblée générale à tous ses membres;
  5° disposer d'un système performant de maîtrise de l'organisation, dont la qualité est examinée périodiquement par l'administration, conformément aux modalités déterminées par le Roi.
  Il y a au maximum une fédération agréée par régime linguistique.
  L'agrément est retiré lorsque :
  1° l'organisation ne satisfait plus aux conditions prévues à l'alinéa 1er;
  2° l'organisation ne satisfait pas à toutes les obligations administratives et financières qui lui incombent dans le cadre de la subvention de ses activités;
  3° une fraude est constatée dans le chef de l'organisation.
  Le retrait de l'agrément a pour conséquence l'arrêt immédiat de la liquidation de la subvention.
  Le Roi détermine les modalités de la procédure d'octroi et de retrait de l'agrément.
  § 3. Pour être agréée comme coupole, l'organisation satisfait aux conditions suivantes :
  1° être constituée conformément à la loi du 27 juin 1921;
  2° avoir comme membres une majorité des ONG agréées en vertu du § 1er relevant du régime linguistique de la coupole;
  3° accorder le droit de vote à l'assemblée générale à tous ses membres;
  4° disposer d'un système performant de maîtrise de l'organisation, dont la qualité est examinée périodiquement par l'administration, conformément aux modalités déterminées par le Roi.
  Il y a au maximum une coupole agréée par régime linguistique.
  L'agrément est retiré lorsque :
  1° l'organisation ne satisfait plus aux conditions prévues à l'alinéa 1er;
  2° l'organisation ne satisfait pas à toutes les obligations administratives et financières qui lui incombent dans le cadre de la subvention de ses activités;
  3° une fraude est constatée dans le chef de l'organisation.
  Le retrait de l'agrément a pour conséquence l'arrêt immédiat de la liquidation de la subvention.
  Le Roi détermine les modalités de la procédure d'octroi et de retrait de l'agrément.
  § 4. Pour obtenir le statut de partenaire de la coopération non gouvernementale, l'organisation satisfait aux conditions suivantes :
  1° avoir bénéficié, pendant les sept dernières années, de cinq années de subventions de l'Etat belge à charge du budget de la coopération au développement;
  2° avoir un chiffre d'affaires annuel, subventions de l'Etat belge à charge du budget de la coopération au développement comprises, au moins équivalent au montant déterminé par le Roi;
  3° disposer de ressources humaines suffisantes selon les conditions déterminées par le Roi;
  4° avoir désigné un commissaire aux comptes parmi les membres de l'Institut des Réviseurs d'Entreprises;
  5° disposer d'une comptabilité en partie double, conformément à l'arrêté royal du 19 décembre 2003;
  6° tenir une comptabilité analytique;
  7° disposer d'un système performant de maîtrise de l'organisation, dont la qualité est examinée périodiquement par l'administration, conformément aux modalités déterminées par le Roi.
  Une organisation agréée comme ONG ne peut obtenir le statut de partenaire de la coopération non gouvernementale.
  Le statut est octroyé par le ministre pour une durée de dix ans.
  Le statut est retiré lorsque :
  1° l'organisation ne satisfait plus aux conditions prévues à l'alinéa 1er;
  2° l'organisation ne satisfait pas à toutes les obligations administratives et financières qui lui incombent dans le cadre de la subvention de ses activités;
  3° une fraude est constatée dans le chef de l'organisation.
  La décision de retirer le statut a pour conséquence l'arrêt immédiat de la liquidation de la subvention.
  Le Roi détermine les modalités de la procédure d'octroi et de retrait du statut.
  § 5. Une organisation agréée comme ONG conformément au § 1er peut demander un agrément complémentaire afin de pouvoir introduire une demande de subvention d'un programme.
  Pour obtenir l'agrément complémentaire, l'organisation satisfait aux conditions prévues au § 4, alinéa 1er.
  L'agrément complémentaire est octroyé par le ministre pour une durée de dix ans.
  L'agrément complémentaire est retiré lorsque :
  1° l'organisation ne satisfait plus aux conditions prévues au § 4, alinéa 1er;
  2° l'organisation ne satisfait pas à toutes les obligations administratives et financières qui lui incombent dans le cadre de la subvention de ses activités;
  3° l'agrément de l'organisation visé au § 1er est retiré.
  Le retrait de l'agrément a pour conséquence l'arrêt immédiat de la liquidation de la subvention.
  Le Roi détermine les modalités de la procédure d'octroi et de retrait de l'agrément complémentaire."
Art. 14. Artikel 27 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  "Art. 27. § 1. Enkel de organisaties met het statuut van partner van de niet-gouvernementele samenwerking en de NGO's die over de bijkomende erkenning bedoeld in artikel 26, § 5, beschikken, kunnen een subsidieaanvraag voor een programma indienen.
  Om in aanmerking te komen voor subsidiëring, voldoet het programma aan de volgende voorwaarden :
  1° passen binnen het strategisch plan opgemaakt door de ANGS overeenkomstig de nadere regels bepaald door de Koning;
  2° per specifieke doelstelling aanduiden op welke manier het programma rekening houdt met ten minste één gemeenschappelijke contextanalyse;
  3° een logische resultaatgerichte benadering respecteren die de jaarlijkse opvolging van de specifieke doelstellingen per land mogelijk maakt, bewezen overeenkomstig de nadere regels bepaald door de Koning;
  4° aan de door het DAC bepaalde criteria beantwoorden;
  5° een nauwkeurige begroting voorstellen voor de duur van het programma, die het geheel weergeeft van de materiële, financiële en menselijke middelen, nodig om per specifieke doelstelling, de beoogde resultaten te bereiken;
  6° een looptijd van vijf jaar hebben.
  Om in aanmerking te komen voor subsidiëring, voldoet het programma waarvan de activiteiten in ontwikkelingslanden plaatsvinden eveneens aan de volgende voorwaarden :
  1° zijn interventies beperken tot een of meerdere landen opgenomen in de lijst vastgesteld door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad;
  2° zijn middelen in een beperkt aantal landen bundelen, overeenkomstig de nadere regels bepaald door de Koning;
  3° door transparante en evenwichtige partnerschappen bijdragen tot de capaciteitsversterking van de lokale partners.
  Om in aanmerking te komen voor subsidiëring, beschikt het programma waarvan de activiteiten zich beperken tot ontwikkelingseducatie eveneens over een budget dat ten minste gelijkwaardig is aan het bedrag bepaald door de Koning.
  De Koning bepaalt de nadere regels en de procedure voor de subsidiëring van de programma's.
  § 2. Enkel de organisaties erkend als NGO overeenkomstig artikel 26, § 1, die geen gesubsidieerde programma's hebben, kunnen een subsidieaanvraag indienen voor een project.
  Om in aanmerking te komen voor subsidiëring, voldoet het project aan de volgende voorwaarden :
  1° passen binnen het strategisch plan opgemaakt door de NGO overeenkomstig de nadere regels bepaald door de Koning;
  2° aanduiden op welke manier het project rekening houdt met ten minste één gemeenschappelijke contextanalyse;
  3° een logische resultaatgerichte benadering respecteren die de opvolging van de specifieke doelstelling mogelijk maakt, bewezen overeenkomstig de nadere regels bepaald door de Koning;
  4° aan de door het DAC bepaalde criteria beantwoorden;
  5° een nauwkeurige begroting voorstellen voor de duur van het project, die het geheel weergeeft van de materiële, financiële en menselijke middelen, nodig om de beoogde resultaten te bereiken;
  6° in een jaarlijks gemiddeld budget voorzien dat ten minste gelijkwaardig is aan het bedrag bepaald door de Koning;
  7° een looptijd van drie tot vijf jaar hebben.
  Om in aanmerking te komen voor subsidiëring, voldoet het project waarvan de activiteiten in een ontwikkelingsland plaatsvinden eveneens aan de volgende voorwaarden :
  1° zijn interventies beperken tot één land opgenomen in de lijst vastgesteld door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad;
  2° een beschrijving geven van de lokale partner(s) waarmee wordt samengewerkt voor het project, overeenkomstig de nadere regels bepaald door de Koning.
  De in het eerste lid bedoelde organisaties dienen de subsidieaanvragen voor hun projecten in door bemiddeling van een representatieve structuur van de NGO's.
  De Koning bepaalt de nadere regels en de procedure voor de subsidiëring van de projecten, met inbegrip van de taken van de representatieve structuren van de NGO's in het kader van deze procedure.
  De Koning bepaalt eveneens de nadere regels voor de subsidiëring van de representatieve structuren voor de taken die hen in het kader van de subsidiëringsprocedure van de projecten worden toevertrouwd.
  § 3. Wanneer in een gemeenschappelijke contextanalyse ten minste drie ANGS, andere dan federaties, synergiemogelijkheden met elkaar en eventueel met andere organisaties bepalen, kunnen ze samen een subsidieaanvraag voor een synergieproject indienen.
  Om in aanmerking te komen voor subsidiëring, voldoet het synergieproject aan de volgende voorwaarden :
  1° passen binnen de strategische plannen opgemaakt door de aanvragende ANGS overeenkomstig de nadere regels bepaald door de Koning;
  2° aanduiden op welke manier het synergieproject rekening houdt met ten minste één gemeenschappelijke contextanalyse;
  3° een logische resultaatgerichte benadering respecteren die de opvolging van de specifieke doelstelling mogelijk maakt, bewezen overeenkomstig de nadere regels bepaald door de Koning;
  4° aan de door het DAC bepaalde criteria beantwoorden;
  5° een nauwkeurige begroting voorstellen voor de duur van het synergieproject, die het geheel weergeeft van de materiële, financiële en menselijke middelen, nodig om de beoogde resultaten te bereiken;
  6° in een jaarlijks gemiddeld budget voorzien dat ten minste gelijkwaardig is aan het bedrag bepaald door de Koning;
  7° een looptijd van drie tot vijf jaar hebben.
  Om in aanmerking te komen voor subsidiëring, voorziet het synergieproject waarvan de activiteiten in ontwikkelingslanden plaatsvinden eveneens in een synergie met de lokale partners van de ANGS.
  De Koning bepaalt de nadere regels en de procedure voor de subsidiëring van de synergieprojecten.
  § 4. De bevoegde Belgische federale vertegenwoordiging in het partnerland van de gouvernementele samenwerking, kan, op basis van een programma van de gouvernementele samenwerking, een oproep lanceren tot partnerschapsprojecten met de gouvernementele samenwerking in het bedoelde land.
  De oproep vermeldt duidelijk welke complementariteit het programma van de gouvernementele samenwerking nastreeft, zoals de complementariteit inzake :
  1° sectoren;
  2° geografische zone;
  3° doelgroepen.
  Alle ANGS die actief zijn in het betrokken land en die in het kader van deze wet gesubsidieerd worden, kunnen subsidieaanvragen voor partnerschapsprojecten met de gouvernementele samenwerking indienen bij de bevoegde Belgische federale vertegenwoordiging.
  Om in aanmerking te komen voor subsidiëring, voldoet het partnerschapsproject met de gouvernementele samenwerking aan de voorwaarden bepaald in § 2, tweede lid, 1° en 3° tot 7°.
  De Koning bepaalt de nadere regels en de procedure voor de subsidiëring van de partnerschapsprojecten.
  § 5. De organisaties die het statuut van partner van de niet-gouvernementele samenwerking hebben en die behoren tot de academische of wetenschappelijke wereld kunnen subsidieaanvragen indienen met betrekking tot :
  1° opleidingen en beurzen voor onderdanen van ontwikkelingslanden;
  2° activiteiten van wetenschappelijk onderzoek die op vraag van de minister of de administratie worden uitgevoerd en bedoeld zijn om het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid te steunen.
  De Koning bepaalt de nadere regels en de procedure voor de subsidiering van deze activiteiten.
  § 6. De Koning bepaalt de taken van de representatieve structuren van de NGO's inzake :
  1° de versterking van de professionalisering van de NGO's en de verbetering van de kwaliteit van hun interventies;
  2° het in een netwerk plaatsen van de actoren van de ontwikkelingssamenwerking en de bevordering van de complementariteiten en synergieën;
  3° de coördinatie van de houdingen van hun leden tijdens overleg met de overheid.
  De Koning bepaalt de nadere regels en de procedure van de subsidiëring van deze taken.
  § 7. De gemeenschappelijke contextanalyses bedoeld in de §§ 1 tot 3 worden voor een termijn van tien jaar door de administratie goedgekeurd, middels een actualisering in de loop van het vijfde jaar, goedgekeurd door de administratie.
  De periode voor dewelke de gemeenschappelijke contextanalyse wordt goedgekeurd, contextanalyse waarnaar het programma, project of synergieproject refereert, eindigt ten vroegste bij het aflopen van dit programma, project of synergieproject.
  De Koning bepaalt de inhoud van de gemeenschappelijke contextanalyses, hun maximumaantal inzake ontwikkelingseducatie, evenals de goedkeuringsprocedure van deze analyses en van hun actualiseringen.
  De Koning bepaalt eveneens de nadere regels van de subsidiëring van de ANGS voor hun deelname aan het realisatieproces van de gemeenschappelijke contextanalyses."
Art. 14. L'article 27 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 27. § 1er. Seules les organisations ayant le statut de partenaire de la coopération non gouvernementale et les ONG ayant l'agrément complémentaire visé à l'article 26, § 5, peuvent introduire une demande de subvention d'un programme.
  Pour pouvoir être subventionné, le programme satisfait aux conditions suivantes :
  1° s'inscrire dans le plan stratégique établi par l'ACNG conformément aux modalités déterminées par le Roi;
  2° indiquer, par objectif spécifique, de quelle manière le programme prend en compte au moins une analyse contextuelle commune;
  3° respecter une approche logique orientée vers les résultats qui rend possible le suivi annuel des objectifs spécifiques par pays, attestée conformément aux modalités déterminées par le Roi;
  4° répondre aux critères déterminés par le CAD;
  5° présenter un budget précis pour la durée du programme, reprenant l'ensemble des moyens matériels, financiers et humains nécessaires pour atteindre les résultats visés par objectif spécifique;
  6° avoir une durée de cinq ans.
  Pour pouvoir être subventionné, le programme dont les activités se déroulent dans des pays en développement, satisfait également aux conditions suivantes :
  1° limiter ses interventions à un ou plusieurs pays figurant dans la liste établie par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres;
  2° concentrer ses moyens dans un nombre limité de pays, conformément aux modalités déterminées par le Roi;
  3° contribuer, au travers de partenariats transparents et équilibrés, au renforcement des capacités des partenaires locaux.
  Pour pouvoir être subventionné, le programme dont les activités se limitent à l'éducation au développement dispose également d'un budget au moins équivalent au montant déterminé par le Roi.
  Le Roi détermine les modalités et la procédure de subvention des programmes.
  § 2. Seules les organisations agréées comme ONG conformément à l'article 26, § 1er, qui n'ont pas de programmes subventionnés, peuvent introduire une demande de subvention d'un projet.
  Pour pouvoir être subventionné, le projet satisfait aux conditions suivantes :
  1° s'inscrire dans le plan stratégique établi par l'ONG conformément aux modalités déterminées par le Roi;
  2° indiquer de quelle manière le projet prend en compte au moins une analyse contextuelle commune;
  3° respecter une approche logique orientée vers les résultats qui rend possible le suivi de l'objectif spécifique, attestée conformément aux modalités déterminées par le Roi;
  4° répondre aux critères déterminés par le CAD;
  5° présenter un budget précis pour la durée du projet, reprenant l'ensemble des moyens matériels, financiers et humains nécessaires pour atteindre les résultats visés;
  6° prévoir un budget moyen annuel au moins équivalent au montant déterminé par le Roi;
  7° avoir une durée de trois à cinq ans.
  Pour pouvoir être subventionné, le projet dont les activités se déroulent dans un pays en développement, satisfait également aux conditions suivantes :
  1° limiter ses interventions à un pays figurant dans la liste établie par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres;
  2° fournir une description du partenaire local ou des partenaires locaux qui collabore(nt) au projet, conformément aux modalités déterminées par le Roi.
  Les organisations visées à l'alinéa 1er introduisent les demandes de subvention de leurs projets par l'intermédiaire d'une structure représentative des ONG.
  Le Roi détermine les modalités et la procédure de subvention des projets, en ce compris les tssches des structures représentatives des ONG dans le cadre de cette procédure.
  Le Roi détermine également les modalités de subvention des structures représentatives pour les tâches qui leur sont confiées dans le cadre de la procédure de subvention des projets.
  § 3. Lorsque, dans une analyse contextuelle commune, au moins trois ACNG, autres que des fédérations, identifient des possibilités de synergie entre eux et éventuellement avec d'autres organisations, ils peuvent introduire conjointement une demande de subvention d'un projet de synergie.
  Pour pouvoir être subventionné, le projet de synergie satisfait aux conditions suivantes :
  1° s'inscrire dans les plans stratégiques établis par les ACNG requérants, conformément aux modalités déterminées par le Roi;
  2° indiquer de quelle manière le projet de synergie prend en compte au moins une analyse contextuelle commune;
  3° respecter une approche logique orientée vers les résultats qui rend possible le suivi de l'objectif spécifique, attestée conformément aux modalités déterminées par le Roi;
  4° répondre aux critères déterminés par le CAD;
  5° présenter un budget précis pour la durée du projet de synergie, reprenant l'ensemble des moyens matériels, financiers et humains nécessaires pour atteindre les résultats visés;
  6° prévoir un budget moyen annuel au moins équivalent au montant déterminé par le Roi;
  7° avoir une durée de trois à cinq ans.
  Pour pouvoir être subventionné, le projet de synergie, dont les activités se déroulent dans des pays en développement, prévoit également une synergie avec les partenaires locaux des ACNG.
  Le Roi détermine les modalités et la procédure de subvention des projets de synergie.
  § 4. La représentation fédérale belge compétente dans le pays partenaire de la coopération gouvernementale peut, sur la base d'un programme de la coopération gouvernementale, lancer un appel à projets de partenariat avec la coopération gouvernementale dans le pays visé.
  L'appel mentionne clairement quelle complémentarité le programme de coopération gouvernementale vise, telle que la complémentarité relative :
  1° aux secteurs;
  2° à la zone géographique;
  3° aux groupes cibles.
  Tous les ACNG actifs dans le pays concerné et subventionnés dans le cadre de la présente loi peuvent introduire des demandes de subvention de projets de partenariat avec la coopération gouvernementale auprès de la représentation fédérale belge compétente.
  Pour pouvoir être subventionné, le projet de partenariat avec la coopération gouvernementale satisfait aux conditions prévues au § 2, alinéa 2, 1° et 3° à 7°.
  Le Roi détermine les modalités et la procédure de subvention des projets de partenariat.
  § 5. Les organisations ayant le statut de partenaire de la coopération non gouvernementale appartenant au monde académique ou scientifique peuvent introduire des demandes de subvention concernant :
  1° des formations et des bourses destinées à des ressortissants de pays en développement;
  2° des activités de recherche scientifique réalisées à la demande du ministre ou de l'administration et destinées à appuyer la politique de coopération au développement.
  Le Roi détermine les modalités et la procédure de subvention de ces activités.
  § 6. Le Roi détermine les taches des structures représentatives des ONG en matière de :
  1° renforcement de la professionnalisation des ONG et d'amélioration de la qualité de leurs interventions;
  2° mise en réseau d'acteurs de la coopération au développement et de promotion des complémentarités et des synergies;
  3° coordination des positions de leurs membres lors de concertations avec les pouvoirs publics.
  Le Roi détermine les modalités et la procédure de subvention de ces tâches.
  § 7. Les analyses contextuelles communes visées aux §§ 1er à 3 sont approuvées par l'administration pour une durée de dix ans, moyennant une actualisation au cours de la cinquième année, approuvée par l'administration.
  La période pour laquelle est approuvée l'analyse contextuelle commune à laquelle se réfère le programme, projet ou projet de synergie prend fin au plus tôt au terme de ce programme, projet ou projet de synergie.
  Le Roi détermine le contenu des analyses contextuelles communes, leur nombre maximal en matière d'éducation au développement, ainsi que la procédure d'approbation de ces analyses et de leurs actualisations.
  Le Roi détermine également les modalités de subvention des ACNG pour leur participation au processus de réalisation des analyses contextuelles communes."
Art. 15. Artikel 28 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  "Art. 28. § 1. Interventies van organisaties van de lokale civiele maatschappij aanwezig in de partnerlanden die over voldoende beheerscapaciteiten beschikken om hun eigen doelstellingen alleen te behalen, kunnen in aanmerking komen voor subsidiëring, in een beperkt aantal partnerlanden, op voorstel van de bevoegde Belgische federale vertegenwoordiging en in overleg met de Belgische actoren die actief zijn op het terrein.
  § 2. Opdat haar interventie in aanmerking zou kunnen komen voor subsidiëring, voldoet de organisatie van de lokale civiele maatschappij aan de volgende voorwaarden :
  1° opgericht zijn als entiteit zonder winstoogmerk in het land van interventie;
  2° over een relevante ervaring van ten minste drie jaar beschikken, lopende op het moment van de aanvraag, aangetoond door haar activiteitenverslagen evenals door andere donoren of organisaties van de lokale civiele maatschappij die actief zijn in de sector van de interventie;
  3° op organisationele structuren steunen die regelmatig samenkomen en op democratische wijze functioneren;
  4° over voldoende beheerscapaciteit voor de voorziene interventie beschikken;
  5° over een transparante boekhouding beschikken.
  § 3. Om in aanmerking te komen voor subsidiëring, voldoet de interventie aan de volgende voorwaarden :
  1° een nauwkeurige begroting voorstellen voor de duur van de interventie, die het geheel weergeeft van de materiële, financiële en menselijke middelen, nodig om de beoogde resultaten te bereiken;
  2° in een budget voorzien dat ten minste gelijkwaardig is aan het bedrag bepaald door de Koning;
  3° aan de door het DAC bepaalde criteria beantwoorden;
  § 4. De Koning bepaalt de nadere regels en de procedure voor de subsidiëring van deze interventies."
Art. 15. L'article 28 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 28. § 1er. Des interventions des organisations de la société civile locale présentes dans les pays partenaires et disposant de capacités de gestion suffisantes pour atteindre seules leurs propres objectifs peuvent être subventionnées, dans un nombre limité de pays partenaires, sur proposition de la représentation fédérale belge compétente et en concertation avec les acteurs belges actifs sur le terrain.
  § 2. Pour que son intervention puisse être subventionnée, l'organisation de la société civile locale satisfait aux conditions suivantes :
  1° être constituée en entité à but non lucratif dans le pays de l'intervention;
  2° avoir une expérience pertinente d'au moins trois ans, en cours au moment de la demande, attestée par ses rapports d'activités ainsi que par d'autres bailleurs de fonds ou d'autres organisations de la société civile locale, actifs dans le secteur de l'intervention;
  3° reposer sur des structures organisationnelles qui se réunissent régulièrement et qui fonctionnent de façon démocratique;
  4° disposer d'une capacité de gestion suffisante pour l'intervention envisagée;
  5° avoir une comptabilité transparente.
  § 3. Pour pouvoir être subventionnée, l'intervention satisfait aux conditions suivantes :
  1° présenter un budget précis pour la durée de l'intervention, reprenant l'ensemble des moyens matériels, financiers et humains nécessaires pour atteindre les résultats visés;
  2° prévoir un budget au moins équivalent au montant déterminé par le Roi;
  3° répondre aux critères déterminés par le CAD.
  § 4. Le Roi détermine les modalités et la procédure de subvention de ces interventions."
Art. 16. Artikel 29 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  "Art. 29. § 1. Bij het verlenen van humanitaire hulp worden de volgende principes in acht genomen :
  1° de humaniteit : iedere persoon moet onder alle omstandigheden humaan worden behandeld;
  2° de onpartijdigheid : de humanitaire hulp wordt zonder discriminatie en enkel op basis van de behoeften verstrekt;
  3° de neutraliteit : de ondernomen actie mag geen enkele partij bevoordelen;
  4° de onafhankelijkheid : de doelstellingen van de humanitaire hulp zijn autonoom ten overstaan van militaire, politieke, economische, religieuze doelstellingen of van iedere andere niet-humanitaire doelstelling.
  § 2. In het kader van de humanitaire hulp kunnen de volgende activiteiten in aanmerking komen voor financiering :
  1° de ondersteuning van maatregelen die een snel antwoord bevorderen bij het zich voordoen van humanitaire crisissen;
  2° de bescherming en de bijstand aan slachtoffers van humanitaire crisissen door het voorzien in de vitale behoeften en de verbetering van de levensomstandigheden van de getroffen bevolkingsgroepen;
  3° de wederopbouw en de versterking van de instellingen en de rehabilitatie van de infrastructuur;
  4° de overgangsacties die het heropstarten van het sociaaleconomisch weefsel en van de civiele maatschappij mogelijk maken;
  5° de rampenparaatheid;
  6° het realiseren van studies - en evaluaties en de uitvoering van acties die tot doel hebben de humanitaire hulp efficiënter en doeltreffender te maken;
  7° de promotie van het internationaal humanitair recht.
  § 3. Deze activiteiten kunnen worden gefinancierd door de toekenning van :
  1° subsidies aan programma's;
  2° subsidies aan projecten;
  3° bijdragen aan de algemene middelen van internationale humanitaire organisaties;
  4° bijdragen aan internationale humanitaire donorfondsen.
  § 4. Kunnen van deze subsidies en bijdragen genieten de volgende categorieën van organisaties :
  1° de Belgische humanitaire NGO's;
  2° de internationale humanitaire NGO's;
  3° de internationale humanitaire organisaties;
  4° de organisaties die de internationale humanitaire donorfondsen beheren.
  De Koning bepaalt de organisaties die tot deze categorieën behoren en de voorwaarden die door deze organisaties vervuld moeten worden om bovenvermelde aanvragen tot subsidies of bijdragen in te dienen."
Art. 16. L'article 29 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 29. § 1er. L'octroi de l'aide humanitaire obéit aux principes suivants :
  1° l'humanité : toute personne doit être traitée humainement en toute circonstance;
  2° l'impartialité : l'aide humanitaire est accordée sans discrimination et uniquement sur la base des besoins;
  3° la neutralité : l'action entreprise ne peut privilégier quelque partie que ce soit;
  4° l'indépendance : les objectifs de l'aide humanitaire sont autonomes par rapport aux objectifs militaires, politiques, économiques, religieux ou à tout autre objectif non humanitaire.
  § 2. Peuvent être financées, dans le cadre de l'aide humanitaire, les activités suivantes :
  1° le soutien de mesures qui favorisent une réponse rapide en cas de survenance de crises humanitaires;
  2° la protection et l'assistance aux victimes de crises humanitaires par la prise en charge des besoins vitaux et l'amélioration des conditions de vie des populations touchées;
  3° la reconstruction et le renforcement des institutions et la réhabilitation des infrastructures;
  4° les actions de transition qui permettent la relance du tissu socio-économique et de la société civile;
  5° la préparation aux catastrophes;
  6° la réalisation d'études et d'évaluations et la mise en oeuvre d'actions, destinées à rendre l'aide humanitaire plus efficace et efficiente;
  7° la promotion du droit international humanitaire.
  § 3. Ces activités peuvent être financées par l'octroi de :
  1° subventions à des programmes;
  2° subventions à des projets;
  3° contributions aux moyens généraux d'organisations humanitaires internationales;
  4° contributions à des fonds humanitaires internationaux de donateurs.
  § 4. Peuvent bénéficier de ces subventions et contributions les catégories d'organisations suivantes :
  1° les ONG humanitaires belges;
  2° les ONG humanitaires internationales;
  3° les organisations humanitaires internationales;
  4° les organisations qui gèrent les fonds humanitaires internationaux de donateurs.
  Le Roi détermine les organisations qui appartiennent à ces catégories et les conditions à satisfaire par ces organisations pour introduire les demandes de subventions ou de contributions susvisées."
Art. 17. Artikel 30 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  "Art. 30. § 1. Enkel de Belgische humanitaire NGO's en de internationale humanitaire organisaties kunnen een subsidieaanvraag voor een programma indienen.
  Elke organisatie kan slechts de gelijktijdige subsidiëring van één programma verkrijgen.
  Om in aanmerking te komen voor subsidiëring, voldoet het programma aan de volgende voorwaarden :
  1° passen binnen de humanitaire strategie opgemaakt door de organisatie, in termen van geografische of thematische prioriteiten;
  2° een logische resultaatgerichte benadering respecteren die de opvolging van de specifieke doelstellingen mogelijk maakt, bewezen overeenkomstig de nadere regels bepaald door de Koning;
  3° aan de door het DAC bepaalde criteria beantwoorden;
  4° een nauwkeurige begroting voorstellen voor de duur van het programma, waarbij de besteding van het budget in functie van de resultaten wordt weergegeven;
  5° in een totaal budget voorzien dat ten minste gelijkwaardig is aan het bedrag bepaald door de Koning;
  6° een maximale looptijd van vierentwintig maanden hebben, met eventuele verlenging ten belope van maximaal zes maanden.
  § 2. Om in aanmerking te komen voor subsidiering, voldoet het project aan de volgende voorwaarden :
  1° binnen de door de organisatie opgemaakte strategie passen;
  2° een logische resultaatgerichte benadering respecteren die de opvolging van de specifieke doelstelling mogelijk maakt, bewezen overeenkomstig de nadere regels bepaald door de Koning;
  3° aan de door het DAC bepaalde criteria beantwoorden;
  4° een nauwkeurige begroting voor de duur van het project voorleggen, met de aanduiding van de besteding van het budget in functie van de resultaten;
  5° in een totaal budget voorzien dat ten minste gelijkwaardig is aan het bedrag bepaald door de Koning, met uitzondering van de projecten met betrekking tot een activiteit bedoeld in artikel 29, § 2, 6° ;
  6° een maximale looptijd van achttien maanden hebben.
  § 3. Om een bijdrage aan de algemene middelen van een internationale humanitaire organisatie te kunnen toekennen, wordt aan de volgende voorwaarden voldaan :
  1° binnen de door de organisatie opgemaakte humanitaire strategie passen;
  2° een logische resultaatgerichte benadering respecteren;
  3° een maximale looptijd van drie jaar hebben.
  § 4. Om in aanmerking te komen voor toekenning, voldoet de bijdrage aan een internationaal humanitair donorfonds aan de volgende voorwaarden :
  1° in relatie staan tot de financiering die het fonds nodig heeft om de humanitaire noden te lenigen waarop het fonds zich richt;
  2° gebaseerd zijn op een analyse van het beheer van het fonds, zowel wat betreft de toekenning in functie van de noden als de financiële procedures;
  3° een maximale looptijd van twee jaar hebben.
  § 5. De Koning bepaalt de nadere regels en de procedure voor de subsidiëring van de programma's en de projecten alsook de toekenning van bijdragen."
Art. 17. L'article 30 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 30. § 1er. Seules les ONG humanitaires belges et les organisations humanitaires internationales peuvent introduire une demande de subvention d'un programme.
  Chaque organisation ne peut obtenir la subvention que d'un seul programme à la fois.
  Pour pouvoir être subventionné, le programme satisfait aux conditions suivantes :
  1° s'inscrire dans la stratégie humanitaire établie par l'organisation, en termes de priorités géographiques ou thématiques;
  2° respecter une approche logique orientée vers les résultats qui rend possible le suivi des objectifs spécifiques, attestée conformément aux modalités déterminées par le Roi;
  3° répondre aux critères déterminés par le CAD;
  4° présenter un budget précis pour la durée du programme avec indication des affectations budgétaires en fonction des résultats;
  5° prévoir un budget total au moins équivalent au montant déterminé par le Roi;
  6° avoir une durée maximale de vingt-quatre mois, avec une prolongation éventuelle de maximum six mois.
  § 2. Pour pouvoir être subventionné, le projet satisfait aux conditions suivantes :
  1° s'inscrire dans la stratégie humanitaire établie par l'organisation;
  2° respecter une approche logique orientée vers les résultats qui rend possible le suivi de l'objectif spécifique, attestée conformément aux modalités déterminées par le Roi;
  3° répondre aux critères déterminés par le CAD;
  4° présenter un budget précis pour la durée du projet, avec indication des affectations budgétaires en fonction des résultats;
  5° prévoir un budget total au moins équivalent au montant déterminé par le Roi, à l'exception des projets concernant une activité visée à l'article 29, § 2, 6° ;
  6° avoir une durée maximale de dix-huit mois.
  § 3. Pour pouvoir octroyer une contribution aux moyens généraux d'une organisation humanitaire internationale, les conditions suivantes sont satisfaites :
  1° s'inscrire dans la stratégie humanitaire établie par l'organisation;
  2° respecter une approche logique orientée vers les résultats;
  3° avoir une durée maximale de trois ans.
  § 4. Pour pouvoir être octroyée, la contribution à un fonds humanitaire international de donateurs satisfait aux conditions suivantes :
  1° être liée au financement dont le fonds a besoin pour répondre aux besoins humanitaires ciblés par le fonds;
  2° reposer sur une analyse de la gestion du fonds, tant en ce qui concerne l'octroi en fonction des besoins que les procédures financières;
  3° avoir une durée maximale de deux ans.
  § 5. Le Roi détermine les modalités et la procédure pour la subvention des programmes et des projets ainsi que l'octroi des contributions."
Art. 18. In artikel 32 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden "criteria vastgesteld door het DAC van de OESO, te weten de relevantie, de effectiviteit, de efficiëntie, de levensvatbaarheid en de impact, alsook op basis van de duurzaamheid" vervangen door de woorden "criteria bepaald door het DAC";
  2° in het derde lid, in de Franse versie, wordt het woord "évalués" ingevoegd tussen de woorden "ces résultats" en de woorden "lors de la décision".
Art. 18. Dans l'article 32 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 1er, les mots "critères fixés par le CAD de l'OCDE, à savoir la pertinence, l'efficacité, l'efficience, la viabilité et l'impact, ainsi que sur base de la durabilité" sont remplacés par les mots "critères déterminés par le CAD";
  2° dans l'alinéa 3, le mot "évalués" est inséré entre les mots "ces résultats" et les mots "lors de la décision".
Art. 19. In artikel 33 van dezelfde wet, worden de woorden "artikel 2, 5°, 6° en 7°, " vervangen door de woorden "artikel 2, 5° en 6°, ".
Art. 19. Dans l'article 33 de la même loi, les mots "article 2, 5°, 6° et 7°, " sont remplacés par les mots "article 2, 5° et 6°, ".
Art. 20. Artikel 34 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  "Art. 34. De Koning bepaalt de instrumenten die nodig zijn voor de externe evaluatie van alle interventies van de Belgische Ontwikkelingssamenwerking ten aanzien van de in hoofdstuk 2 bedoelde doelstellingen en de in artikel 32 bedoelde criteria."
Art. 20. L'article 34 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 34. Le Roi détermine les instruments nécessaires pour assurer l'évaluation externe de toutes les interventions de la Coopération belge au développement au regard des objectifs visés au chapitre 2 et des critères visés à l'article 32."
Art. 21. In dezelfde wet wordt een artikel 37/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 37/1. § 1. In afwijking van artikel 37, tweede lid, worden opgeheven vanaf 1 januari 2017 :
  1° het koninklijk besluit van 23 december 2002 tot uitvoering van artikel 11 van de wet van 25 mei 1999 betreffende de Belgische internationale samenwerking;
  2° het koninklijk besluit van 14 december 2005 betreffende de erkenning van niet-gouvernementele ontwikkelingsorganisaties;
  3° het koninklijk besluit van 24 september 2006 betreffende de subsidiëring van programma's en projecten voorgelegd door de erkende niet-gouvernementele ontwikkelingsorganisaties;
  4° het koninklijk besluit van 7 februari 2007 voor de erkenning en betoelaging van de federaties van de niet-gouvernementele ontwikkelingsorganisaties;
  5° het ministerieel besluit van 30 mei 2007 houdende uitvoering van het koninklijk besluit van 24 september 2006 betreffende de subsidiëring van programma's en projecten voorgelegd door de erkende niet-gouvernementele ontwikkelingsorganisaties."
Art. 21. Dans la même loi, il est inséré un article 37/1 rédigé comme suit :
  "Art. 37/1. § 1er. Par dérogation à l'article 37, alinéa 2, sont abrogés à partir du 1er janvier 2017 :
  1° l'arrêté royal du 23 décembre 2002 portant exécution de l'article 11 de la loi du 25 mai 1999 relative à la Coopération internationale belge;
  2° l'arrêté royal du 14 décembre 2005 relatif aux agréments d'organisations non gouvernementales de développement;
  3° l'arrêté royal du 24 septembre 2006 relatif à la subvention des programmes et projets présentés par les organisations non gouvernementales de développement agréées;
  4° l'arrêté royal du 7 février 2007 régissant l'agrément et la subvention des fédérations des organisations non gouvernementales de développement;
  5° l'arrêté ministériel du 30 mai 2007 portant exécution de l'arrêté royal du 24 septembre 2006 relatif à la subvention des programmes et projets présentés par les organisations non gouvernementales de développement agréées."
Art. 22. In dezelfde wet wordt een artikel 37/2 ingevoegd, luidende :
  "Art. 37/2. § 1. De organisaties erkend overeenkomstig het voornoemde koninklijk besluit van 14 december 2005 behouden hun erkenning onder de voorwaarden van voornoemd besluit tot 31 december 2016.
  Vanaf 1 januari 2014 kan geen enkele erkenningsaanvraag meer worden ingediend op basis van voornoemd besluit.
  § 2. De organisaties erkend overeenkomstig het voornoemde koninklijk besluit van 7 februari 2007 behouden hun erkenning onder de voorwaarden van voornoemd besluit tot 31 december 2016.
  § 3. De organisaties die het statuut van partner van de indirecte bilaterale samenwerking hebben overeenkomstig het voornoemde koninklijk besluit van 23 december 2002 behouden dit statuut onder de voorwaarden van voornoemd besluit tot 31 december 2016.
  § 4. De organisaties die een erkenning of het statuut willen verkrijgen overeenkomstig artikel 26, dienen uiterlijk op 31 december 2014 een aanvraag bij de minister in.
  § 5. De gesubsidieerde programma's en projecten van de in § 1 bedoelde organisaties, die aanvangen tussen 1 januari 2014 en 31 december 2016, hebben een looptijd respectievelijk van maximum drie jaar en van maximum twee jaar en eindigen uiterlijk op 31 december 2016.
  Ze worden ingediend en uitgevoerd overeenkomstig het voornoemde koninklijk besluit van 24 september 2006 en het voornoemde ministerieel besluit van 30 mei 2007.
  § 6. De gesubsidieerde programma's van de in § 3 bedoelde organisaties, die aanvangen tussen 1 januari 2014 en 31 december 2016, hebben een looptijd van maximum drie jaar en eindigen uiterlijk op 31 december 2016.
  Ze worden ingediend en uitgevoerd overeenkomstig het koninklijk besluit van 23 december 2002 tot uitvoering van artikel 11 van de wet van 25 mei 1999 betreffende de Belgische internationale samenwerking.
  § 7. De organisaties die een aanvraag overeenkomstig artikel 26 indienen, delen uiterlijk op 31 december 2015 aan de administratie de gemeenschappelijke contextanalyses bedoeld in artikel 27, §§ 1 tot 3, mee."
Art. 22. Dans la même loi, il est inséré un article 37/2 rédigé comme suit :
  "Art. 37/2. § 1er. Les organisations agréées conformément à l'arrêté royal du 14 décembre 2005 précité conservent leur agrément aux conditions dudit arrêté jusqu'au 31 décembre 2016.
  Dès le 1er janvier 2014, aucune demande d'agrément ne peut plus être introduite sur la base dudit arrêté.
  § 2. Les organisations agréées conformément à l'arrêté royal du 7 février 2007 précité conservent leur agrément aux conditions dudit arrêté jusqu'au 31 décembre 2016.
  § 3. Les organisations ayant le statut de partenaire de la coopération bilatérale indirecte conformément à l'arrêté royal du 23 décembre 2002 précité conservent ce statut aux conditions dudit arrêté jusqu'au 31 décembre 2016.
  § 4. Les organisations qui souhaitent obtenir un agrément ou le statut conformément à l'article 26 introduisent une demande auprès du ministre au plus tard le 31 décembre 2014.
  § 5. Les programmes et projets subventionnés des organisations visées au § 1er, qui débutent entre le 1er janvier 2014 et le 31 décembre 2016, ont une durée maximale respectivement de trois ans et de deux ans et prennent fin au plus tard le 31 décembre 2016.
  Ils sont introduits et exécutés conformément à l'arrêté royal du 24 septembre 2006 précité et à l'arrêté ministériel du 30 mai 2007 précité.
  § 6. Les programmes subventionnés des organisations visées au § 3, qui débutent entre le 1er janvier 2014 et le 31 décembre 2016, ont une durée maximale de trois ans et prennent fin au plus tard le 31 décembre 2016.
  Ils sont introduits et exécutés conformément à l'arrêté royal du 23 décembre 2002 portant exécution de l'article 11 de la loi du 25 mai 1999 relative à la Coopération internationale belge.
  § 7. Les organisations qui introduisent une demande conformément à l'article 26 communiquent à l'administration les analyses contextuelles communes visées à l'article 27, §§ 1er à 3, au plus tard le 31 décembre 2015."
Art. 23. In dezelfde wet wordt een artikel 37/3 ingevoegd, luidende :
  "Art. 37/3. In het koninklijk besluit van 24 september 2006 betreffende de subsidiëring van programma's en projecten voorgelegd door de erkende niet-gouvernementele ontwikkelingsorganisaties worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in artikel 1, 5°, wordt de zin "Opgemaakt voor een duur van zes jaar, wordt het uitgevoerd hetzij door programma's, hetzij door projecten" vervangen als volgt :
  "Het wordt verwezenlijkt hetzij door programma's, hetzij door projecten;";
  2° in artikel 1, 6°, wordt de zin "Een programma duurt drie jaar;" vervangen als volgt :
  "Een programma duurt maximum drie jaar en eindigt uiterlijk op 31 december 2016;";
  3° in artikel 1, 7°, wordt de zin "Een project duurt maximum twee jaar;" vervangen als volgt :
  "Een project heeft een looptijd van maximum twee jaar en eindigt uiterlijk op 31 december 2016;";
  4° in artikel 9, eerste lid, wordt het 6° vervangen als volgt :
  "6° wat het Zuidluik betreft, uitgevoerd worden in een van de volgende landen : Afghanistan, Benin, Bolivia, Burkina Faso, Burundi, Cambodja, Democratische Republiek Congo, Ecuador, Haïti, Kameroen, Mali, Marokko, Mozambique, Niger, Oeganda, Palestina, Peru, Rwanda, Senegal, Tanzania, Vietnam en Zuid-Afrika.";
  5° in artikel 10, § 1, worden het tweede tot vierde lid opgeheven;
  6° in artikel 16, eerste lid, 4°, eerste gedachtestreepje, worden de woorden "over drie jaar" vervangen door de woorden "tijdens het programma";
  7° artikel 16, eerste lid, wordt aangevuld met het 5°, luidende :
  "5° wat het Zuidluik betreft :
  a) zijn interventies beperken tot :
  a.1) maximum tien landen opgenomen in de volgende lijst :
  Angola, Bangladesh, Benin, Bolivia, Brazilië, Burkina Faso, Burundi, Cambodja, China, Colombia, Cuba, Democratische Republiek Congo, Dominicaanse Republiek, Ecuador, El Salvador, Ethiopië, Filipijnen, Gambia, Guatemala, Guinee, Guinee-Bissau, Haïti, Honduras, India, Indonesië, Ivoorkust, Kameroen, Kenia, Laos, Madagaskar, Mali, Marokko, Mauritanië, Mexico, Mozambique, Namibië, Nepal, Nicaragua, Niger, Oeganda, Palestina, Peru, Rwanda, Senegal, Sri Lanka, Tanzania, Togo, Vietnam, Zimbabwe, Zuid-Afrika;
  a.2) maximum drie regio's die landen bevatten die voorkomen in de lijst opgenomen onder a.1), zonder dat het totale aantal landen en regio's waar interventies worden uitgevoerd meer kan bedragen dan tien, voor zover het programma in de regio een coherente thematische aanpak ontwikkelt die verantwoord wordt door één van de volgende situaties :
  - een in een land aanwezige problematiek heeft belangrijke weerslagen op één of meer buurlanden en noodzaakt een globale aanpak op het niveau van de regio;
  - een gemeenschappelijke problematiek is geïdentificeerd in een homogene regio die doorkruist wordt door één of meerdere internationale grenzen;
  - een gelijkaardige problematiek in verschillende landen van een regio noodzaakt een gezamenlijke aanpak teneinde de doeltreffendheid van de interventie te verhogen;
  b) in een gemiddeld budget per land voorzien van ten minste 500.000 euro voor een programma van drie jaar of 330.000 euro voor een programma van twee jaar, met inbegrip van alle middelen die ter beschikking worden gesteld door de Belgische Staat ten laste van de begroting van ontwikkelingssamenwerking en de eigen middelen van de NGO.".
  8° in artikel 16 wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, luidende :
  "De voorwaarde bepaald in het eerste lid, 5°, b), is niet van toepassing in de volgende gevallen :
  1° de specifieke doelstellingen van het programma worden bereikt zonder de lokale partners op directe en continue manier te financieren;
  2° het programma beoogt één of meerdere thema's bedoeld in artikel 11 te integreren in de activiteiten van de lokale partners;
  3° het programma beoogt uitwisselingen tussen ontwikkelingslanden en geniet van een financiering van ten minste 500.000 euro afkomstig van een internationaal netwerk van NGO's.";
  9° artikel 16 wordt aangevuld met een vierde lid, luidende :
  "De minister bepaalt de nadere regels van de coherente thematische aanpak bedoeld in het eerste lid, 5°, a), a.2), alsook de nadere regels van de uitzonderingen bepaald in het tweede lid.";
  10° in artikel 17, § 1, worden het tweede tot vierde lid opgeheven;
  11° in artikel 20 wordt het eerste lid vervangen als volgt :
  "De subsidie wordt vrijgegeven in semestriële schijven in functie van de goedgekeurde kalender en de effectieve uitbetalingen van het programma, op voorlegging van een schuldvordering voor elke schijf en gestaafd, voor elke schuldvordering behalve de eerste, door een financiële uitgavenstaat.""
Art. 23. Dans la même loi, il est inséré un article 37/3 rédigé comme suit :
  "Art. 37/3. Dans l'arrêté royal du 24 septembre 2006 relatif à la subvention des programmes et projets présentés par les organisations non gouvernementales de développement agréées, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'article 1er, 5°, la phrase "Etabli pour une durée de six ans, il est réalisé soit, par des programmes, soit par des projets" est remplacée par la phrase suivante :
  "Il est réalisé soit par des programmes soit par des projets;";
  2° dans l'article 1er, 6°, la phrase "Un programme a une durée de trois ans;" est remplacée par la phrase suivante :
  "Un programme a une durée maximale de trois ans et prend fin au plus tard le 31 décembre 2016;";
  3° dans l'article 1er, 7°, la phrase "Un projet a une durée maximale de deux ans;" est remplacée la phrase suivante :
  "Un projet a une durée maximale de deux ans et prend fin au plus tard le 31 décembre 2016;";
  4° dans l'article 9, alinéa 1er, le 6° est remplacé par ce qui suit :
  "6° en ce qui concerne le volet Sud, être exécuté dans un des pays suivants : Afghanistan, Afrique du Sud, Bénin, Bolivie, Burkina Faso, Burundi, Cambodge, Cameroun, Equateur, Haïti, Mali, Maroc, Mozambique, Niger, Ouganda, Palestine, Pérou, République démocratique du Congo, Rwanda, Sénégal, Tanzanie et Vietnam.";
  5° dans l'article 10, § 1er, les alinéas 2 à 4 sont abrogés;
  6° dans l'article 16, alinéa 1er, 4°, premier tiret, les mots "au cours des trois ans" sont remplacés par les mots "au cours du programme";
  7° l'article 16, alinéa 1er, est complété par le 5° rédigé comme suit :
  "5° en ce qui concerne le volet Sud :
  a) limiter ses interventions à :
  a.1) maximum dix pays figurant dans la liste suivante :
  Angola, Afrique du Sud, Bangladesh, Bénin, Bolivie, Brésil, Burkina Faso, Burundi, Cambodge, Cameroun, Chine, Colombie, Côte d'Ivoire, Cuba, El Salvador, Equateur, Ethiopie, Gambie, Guatemala, Guinée, Guinée Bissau, Haïti, Honduras, Inde, Indonésie, Kenya, Laos, Madagascar, Mali, Maroc, Mauritanie, Mexique, Mozambique, Namibie, Népal, Nicaragua, Niger, Ouganda, Palestine, Pérou, Philippines, République démocratique du Congo, République dominicaine, Rwanda, Sénégal, Sri Lanka, Tanzanie, Togo, Vietnam, Zimbabwe;
  a.2) maximum trois régions comprenant des pays figurant dans la liste reprise au a.1), sans que le total des pays et des régions où ont lieu les interventions ne dépasse dix, pour autant que le programme développe dans la région une approche thématique cohérente justifiée par l'une des situations suivantes :
  - une problématique présente dans un pays a des répercussions importantes dans un ou plusieurs pays voisins et nécessite une approche globale au niveau de la région;
  - une problématique commune est identifiée dans une région homogène traversée par une ou plusieurs frontières internationales;
  - une problématique similaire dans différents pays d'une région nécessite une approche conjointe afin d'augmenter l'efficacité de l'intervention;
  b) prévoir un budget moyen par pays au moins égal à 500.000 euros pour un programme de trois ans ou à 330.000 euros pour un programme de deux ans, y compris tous les moyens mis à disposition par l'Etat belge à charge du budget de la coopération au développement et les apports propres de l'ONG.";
  8° dans l'article 16, un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 1er et 2 :
  "La condition prévue à l'alinéa 1er, 5°, b), n'est pas applicable dans les cas suivants :
  1° les objectifs spécifiques du programme sont atteints sans financer les partenaires locaux de manière directe et continue;
  2° le programme vise à intégrer un ou plusieurs thèmes visés à l'article 11 dans les activités des partenaires locaux;
  3° le programme vise des échanges entre pays en développement et bénéficie d'un financement d'au moins 500.000 euros de la part d'un réseau international d'ONG.";
  9° l'article 16 est complété par un alinéa 4 rédigé comme suit :
  "Le ministre fixe les modalités de l'approche thématique cohérente visée à l'alinéa 1er, 5°, a), a.2), ainsi que les modalités des exceptions prévues à l'alinéa 2.";
  10° dans l'article 17, § 1er, les alinéas 2 à 4 sont abrogés;
  11° dans l'article 20, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  "Le subside est libéré en tranches semestrielles, en fonction du calendrier approuvé et des décaissements effectifs du programme, sur présentation d'une déclaration de créance pour chaque tranche et appuyée, pour chaque déclaration de créance sauf la première, d'un état financier des dépenses.""
Art. 24. Artikel 38 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  "Art. 38. Deze wet treedt in werking de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, met uitzondering van artikel 26, §§ 1 en 2, § 3, eerste lid, 4°, en §§ 4 en 5, en artikel 27, §§ 1 tot 4, die in werking treden op 1 januari 2017.".
Art. 24. L'article 38 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 38. La présente loi entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge, à l'exception de l'article 26, §§ 1er et 2, § 3, alinéa 1er, 4°, et §§ 4 et 5, et l'article 27, §§ 1er à 4, qui entrent en vigueur le 1er janvier 2017.".
  Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met `s Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
  Gegeven te Brussel, 9 januari 2014.
  FILIP
  Van Koningswege :
  De Minister van Ontwikkelingssamenwerking,
  J.-P. LABILLE
  Met `s Lands zegel gezegeld :
  De Minister van Justitie,
  Mevr. A. TURTELBOOM
  Promulguons la présente loi, ordonnons qu'elle soit revêtue du sceau de l'Etat et publiée par le Moniteur belge.
  Donné à Bruxelles, le 9 janvier 2014.
  PHILIPPE
  Par le Roi :
  Le Ministre de la Coopération au Développement,
  J.-P. LABILLE
  Scellé du sceau de l'Etat :
  La Ministre de la Justice,
  Mme A. TURTELBOOM