Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
26 MAART 2014. - Wet tot wijziging van de wet van 29 maart 2004 betreffende de samenwerking met het Internationaal Strafgerechtshof en de internationale straftribunalen
Titre
26 MARS 2014. - Loi modifiant la loi du 29 mars 2004 concernant la coopération avec la Cour pénale internationale et les tribunaux pénaux internationaux
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
Tekst (58)
Texte (58)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition générale
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 77 de la Constitution.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de wet van 29 maart 2004 betreffende de samenwerking met het Internationaal Strafgerechtshof en de internationale straftribunalen
CHAPITRE 2. - Modifications de la loi du 29 mars 2004 concernant la coopération avec la Cour pénale internationale et les tribunaux pénaux internationaux
Art. 2. In artikel 2 van de wet van 29 maart 2004 betreffende de samenwerking met het Internationaal Strafgerechtshof en de internationale straftribunalen worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het vierde streepje, worden de woorden "de minister van Justitie" vervangen door de woorden ", binnen de Federale Overheidsdienst Justitie, de dienst internationaal humanitair recht, aangewezen bij het koninklijk besluit van 17 september 2005 houdende oprichting van een dienst internationaal humanitair recht";
2° tussen het vijfde en het zesde streepje wordt een streepje ingevoegd, luidende :
"-"het Openbaar ministerie" : de federale procureur;".
1° in het vierde streepje, worden de woorden "de minister van Justitie" vervangen door de woorden ", binnen de Federale Overheidsdienst Justitie, de dienst internationaal humanitair recht, aangewezen bij het koninklijk besluit van 17 september 2005 houdende oprichting van een dienst internationaal humanitair recht";
2° tussen het vijfde en het zesde streepje wordt een streepje ingevoegd, luidende :
"-"het Openbaar ministerie" : de federale procureur;".
Art. 2. A l'article 2 de la loi du 29 mars 2004 concernant la coopération avec la Cour pénale internationale et les tribunaux pénaux internationaux, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le quatrième tiret, les mots "le ministre de la Justice" sont remplacés par les mots "au sein du Service public fédéral Justice, le service de droit international humanitaire, désigné par l'arrêté royal du 17 septembre 2005 relatif à la création d'un service de droit international humanitaire";
2° un tiret rédigé comme suit est inséré entre le cinquième et sixième tiret :
"-"le Ministère public" : le procureur fédéral;".
1° dans le quatrième tiret, les mots "le ministre de la Justice" sont remplacés par les mots "au sein du Service public fédéral Justice, le service de droit international humanitaire, désigné par l'arrêté royal du 17 septembre 2005 relatif à la création d'un service de droit international humanitaire";
2° un tiret rédigé comme suit est inséré entre le cinquième et sixième tiret :
"-"le Ministère public" : le procureur fédéral;".
Art. 3. Artikel 5 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
"Art. 5. De centrale autoriteit is bevoegd om de verzoeken uitgaande van het Hof in ontvangst te nemen, om de verzoeken om samenwerking uitgaande van de bevoegde Belgische autoriteiten over te zenden aan het Hof en om, overeenkomstig artikel 10 van deze wet, elke informatie van gerechtelijke aard die onder de bevoegdheid van het Hof zou kunnen vallen, over te zenden aan het Hof. Zij staat in voor de opvolging ervan.".
"Art. 5. De centrale autoriteit is bevoegd om de verzoeken uitgaande van het Hof in ontvangst te nemen, om de verzoeken om samenwerking uitgaande van de bevoegde Belgische autoriteiten over te zenden aan het Hof en om, overeenkomstig artikel 10 van deze wet, elke informatie van gerechtelijke aard die onder de bevoegdheid van het Hof zou kunnen vallen, over te zenden aan het Hof. Zij staat in voor de opvolging ervan.".
Art. 3. L'article 5 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
"Art. 5. L'autorité centrale est compétente pour recevoir les demandes émanant de la Cour, pour transmettre à la Cour les demandes de coopération provenant des autorités belges compétentes et pour transmettre à la Cour, conformément à l'article 10 de la présente loi, toute information à caractère judiciaire pouvant relever de la compétence de la Cour. Elle en assure le suivi.".
"Art. 5. L'autorité centrale est compétente pour recevoir les demandes émanant de la Cour, pour transmettre à la Cour les demandes de coopération provenant des autorités belges compétentes et pour transmettre à la Cour, conformément à l'article 10 de la présente loi, toute information à caractère judiciaire pouvant relever de la compétence de la Cour. Elle en assure le suivi.".
Art. 4. In artikel 7, eerste zin, van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het woord "gerechtelijke" wordt geschrapt;
2° het woord "bevoegde" wordt ingevoegd tussen het woord "De" en het woord "Belgische".
1° het woord "gerechtelijke" wordt geschrapt;
2° het woord "bevoegde" wordt ingevoegd tussen het woord "De" en het woord "Belgische".
Art. 4. A l'article 7, première phrase, de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
1° le mot "judiciaires" est abrogé;
2° le mot "compétentes" est inséré entre le mot "belges" et le mot "peuvent".
1° le mot "judiciaires" est abrogé;
2° le mot "compétentes" est inséré entre le mot "belges" et le mot "peuvent".
Art. 5. In artikel 13 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 4 wordt het woord "verdachte" telkens vervangen door de woorden "aangehouden persoon";
2° in de Franse tekst van § 4, eerste lid, tweede zin, wordt het woord "Celui-ci" vervangen door het woord "Celle-ci";
3° in § 4, tweede lid, wordt de zin "De kamer van inbeschuldigingstelling hoort het openbaar ministerie, de verdachte en zijn raadsman binnen vier dagen te rekenen van het ingestelde beroep en doet uiterlijk binnen acht dagen uitspraak." vervangen door de zin "De kamer van inbeschuldigingstelling hoort het openbaar ministerie, de aangehouden persoon en zijn raadsman en doet uiterlijk binnen vijftien dagen te rekenen van de instelling van het beroep.";
4° paragraaf 4 wordt aangevuld met twee leden, luidende :
"Tegen de door de kamer van inbeschuldigingstelling genomen beslissing kan geen cassatieberoep worden ingesteld.
De overdracht van de aangehouden persoon kan pas plaatsvinden wanneer de beslissing die het verzoek om aanhouding en overdracht uitvoerbaar verklaart, definitief is geworden.";
5° in § 5 worden de woorden "non bis in idem" vervangen door de woorden "ne bis in idem".
1° in § 4 wordt het woord "verdachte" telkens vervangen door de woorden "aangehouden persoon";
2° in de Franse tekst van § 4, eerste lid, tweede zin, wordt het woord "Celui-ci" vervangen door het woord "Celle-ci";
3° in § 4, tweede lid, wordt de zin "De kamer van inbeschuldigingstelling hoort het openbaar ministerie, de verdachte en zijn raadsman binnen vier dagen te rekenen van het ingestelde beroep en doet uiterlijk binnen acht dagen uitspraak." vervangen door de zin "De kamer van inbeschuldigingstelling hoort het openbaar ministerie, de aangehouden persoon en zijn raadsman en doet uiterlijk binnen vijftien dagen te rekenen van de instelling van het beroep.";
4° paragraaf 4 wordt aangevuld met twee leden, luidende :
"Tegen de door de kamer van inbeschuldigingstelling genomen beslissing kan geen cassatieberoep worden ingesteld.
De overdracht van de aangehouden persoon kan pas plaatsvinden wanneer de beslissing die het verzoek om aanhouding en overdracht uitvoerbaar verklaart, definitief is geworden.";
5° in § 5 worden de woorden "non bis in idem" vervangen door de woorden "ne bis in idem".
Art. 5. A l'article 13 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le § 4, les mots "l'inculpé" sont, chaque fois, remplacés par les mots "la personne arrêtée";
2° dans le § 4, alinéa 1er, deuxième phrase, le mot "Celui-ci" est remplacé par le mot "Celle-ci";
3° dans le § 4, alinéa 2, la phrase "La chambre des mises en accusation entend le ministère public, l'inculpé et son conseil, dans les quatre jours de l'introduction du recours, et statue au plus tard dans les huit jours." est remplacée par la phrase "La chambre des mises en accusation entend le ministère public, la personne arrêtée et son conseil, et statue au plus tard dans les quinze jours de l'introduction du recours.";
4° le § 4 est complété par deux alinéas rédigés comme suit :
"La décision prise par la chambre des mises en accusation n'est pas susceptible de pourvoi en cassation.
La remise de la personne arrêtée ne peut avoir lieu que lorsque la décision rendant exécutoire la demande d'arrestation et de remise est devenue définitive.";
5° dans le § 5, les mots "non bis in idem", sont remplacés par les mots "ne bis in idem".
1° dans le § 4, les mots "l'inculpé" sont, chaque fois, remplacés par les mots "la personne arrêtée";
2° dans le § 4, alinéa 1er, deuxième phrase, le mot "Celui-ci" est remplacé par le mot "Celle-ci";
3° dans le § 4, alinéa 2, la phrase "La chambre des mises en accusation entend le ministère public, l'inculpé et son conseil, dans les quatre jours de l'introduction du recours, et statue au plus tard dans les huit jours." est remplacée par la phrase "La chambre des mises en accusation entend le ministère public, la personne arrêtée et son conseil, et statue au plus tard dans les quinze jours de l'introduction du recours.";
4° le § 4 est complété par deux alinéas rédigés comme suit :
"La décision prise par la chambre des mises en accusation n'est pas susceptible de pourvoi en cassation.
La remise de la personne arrêtée ne peut avoir lieu que lorsque la décision rendant exécutoire la demande d'arrestation et de remise est devenue définitive.";
5° dans le § 5, les mots "non bis in idem", sont remplacés par les mots "ne bis in idem".
Art. 6. In artikel 14 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 2 wordt de volgende zin ingevoegd tussen de eerste en de tweede zin :
"Met inachtneming van artikel 55, § 2, van het Statuut hoort de onderzoeksrechter de betrokkene teneinde na te gaan of er geen dwaling betreffende de persoon bestaat en of de stukken bedoeld in artikel 92, § 2, van het Statuut zijn overgelegd.";
2° in § 2 wordt de derde zin opgeheven;
3° paragraaf 2 wordt aangevuld met een lid, luidende :
"Tegen het bevel tot aanhouding kan geen beroep worden ingesteld.";
4° in § 3, eerste zin, worden de woorden "De centrale autoriteit wordt van de voorlopige aanhouding in kennis gesteld" vervangen door de woorden "Het openbaar ministerie stelt de centrale autoriteit onverwijld in kennis van de voorlopige aanhouding.";
5° in § 3, tweede zin, wordt het woord "Zij" vervangen door de woorden "De centrale autoriteit";
6° de §§ 4 en 5 worden opgeheven.
1° in § 2 wordt de volgende zin ingevoegd tussen de eerste en de tweede zin :
"Met inachtneming van artikel 55, § 2, van het Statuut hoort de onderzoeksrechter de betrokkene teneinde na te gaan of er geen dwaling betreffende de persoon bestaat en of de stukken bedoeld in artikel 92, § 2, van het Statuut zijn overgelegd.";
2° in § 2 wordt de derde zin opgeheven;
3° paragraaf 2 wordt aangevuld met een lid, luidende :
"Tegen het bevel tot aanhouding kan geen beroep worden ingesteld.";
4° in § 3, eerste zin, worden de woorden "De centrale autoriteit wordt van de voorlopige aanhouding in kennis gesteld" vervangen door de woorden "Het openbaar ministerie stelt de centrale autoriteit onverwijld in kennis van de voorlopige aanhouding.";
5° in § 3, tweede zin, wordt het woord "Zij" vervangen door de woorden "De centrale autoriteit";
6° de §§ 4 en 5 worden opgeheven.
Art. 6. A l'article 14 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le § 2 une phrase rédigée comme suit est insérée entre la première et la deuxième phrase :
"Dans le respect de l'article 55, § 2, du Statut, le juge d'instruction entend l'intéressé afin de vérifier qu'il n'y a pas erreur sur la personne et que les pièces visées à l'article 92, § 2, du Statut ont été fournies.";
2° dans le § 2, la troisième phrase est abrogée;
3° le § 2 est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"Le mandat d'arrêt n'est pas susceptible de recours.";
4° dans le § 3, première phrase, les mots "L'autorité centrale est avisée" sont remplacés par les mots "Le ministère public informe sans délai l'autorité centrale";
5° dans le § 3, deuxième phrase, le mot "Elle" est remplacé par les mots "L'autorité centrale";
6° les §§ 4 et 5 sont abrogés.
1° dans le § 2 une phrase rédigée comme suit est insérée entre la première et la deuxième phrase :
"Dans le respect de l'article 55, § 2, du Statut, le juge d'instruction entend l'intéressé afin de vérifier qu'il n'y a pas erreur sur la personne et que les pièces visées à l'article 92, § 2, du Statut ont été fournies.";
2° dans le § 2, la troisième phrase est abrogée;
3° le § 2 est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"Le mandat d'arrêt n'est pas susceptible de recours.";
4° dans le § 3, première phrase, les mots "L'autorité centrale est avisée" sont remplacés par les mots "Le ministère public informe sans délai l'autorité centrale";
5° dans le § 3, deuxième phrase, le mot "Elle" est remplacé par les mots "L'autorité centrale";
6° les §§ 4 et 5 sont abrogés.
Art. 7. In dezelfde wet wordt het opschrift van titel II, hoofdstuk IV, afdeling III vervangen als volgt : "Verzoek tot voorlopige invrijheidstelling.".
Art. 7. Dans la même loi, l'intitulé du titre II, chapitre IV, section III est remplacé par ce qui suit : "Demande de mise en liberté provisoire.".
Art. 8. In artikel 16 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1 worden de woorden "tot invrijheidstelling" opgeheven;
2° in § 2 wordt de volgende zin ingevoegd tussen de eerste en de tweede zin :
"De centrale autoriteit zendt de aanbevelingen van het Hof over aan de kamer van inbeschuldigingstelling door tussenkomst van het openbaar ministerie.";
3° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt :
" § 3. De kamer van inbeschuldigingstelling doet uitspraak binnen vijftien dagen te rekenen vanaf de indiening van het verzoek, na het openbaar ministerie, de aangehouden persoon en zijn raadsman te hebben gehoord. Die termijn wordt echter geschorst tijdens de in § 2 bedoelde raadpleging van de kamer van vooronderzoek van het Hof. De kamer van inbeschuldigingstelling overweegt, gelet op de ernst van de ten laste gelegde misdaden, of een dringende noodzakelijkheid en uitzonderlijke omstandigheden de voorlopige invrijheidstelling verantwoorden. De kamer van inbeschuldigingstelling is niet gemachtigd om te onderzoeken of het Hof het bevel tot aanhouding op geldige wijze heeft uitgevaardigd. Ingeval de betwisting van de voorlopige aanhouding gegrond is op de niet-naleving van het beginsel ne bis in idem wordt de termijn waarbinnen de kamer van inbeschuldigingstelling uitspraak moet doen over dat punt geschorst voor de duur van de in artikel 89, § 2, van het Statuut bedoelde raadplegingen tussen de centrale autoriteit en het Hof.";
4° in § 4 wordt voor het eerste lid een lid ingevoegd, luidende :
"In geval van voorlopige invrijheidstelling stelt de kamer van inbeschuldigingstelling de voorwaarden teneinde te waarborgen dat België zijn verplichting om de persoon aan het Hof over te dragen, kan nakomen. Wanneer de voorwaarden niet worden nageleefd, vaardigt de onderzoeksrechter, op vordering van het openbaar ministerie, een bevel tot aanhouding uit.";
5° het artikel wordt aangevuld met de §§ 5 tot 7, luidende :
" § 5. Tegen de door de kamer van inbeschuldigingstelling genomen beslissing kan cassatieberoep worden ingesteld op de wijze en binnen de termijnen bepaald bij artikel 31 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis.
De aangehouden persoon blijft in hechtenis tot de beslissing over het cassatieberoep, voor zover zij binnen de termijn van vijftien dagen van de verklaring van cassatieberoep geschiedt; de persoon wordt in vrijheid gesteld als de beslissing niet binnen die termijn gewezen is.
§ 6. Wanneer het in § 1 bedoelde verzoekschrift wordt verworpen, kan de aangehouden persoon pas een nieuw verzoek tot invrijheidstelling indienen na het verstrijken van een termijn van een maand te rekenen van het arrest tot verwerping.
§ 7. De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op het bevel tot aanhouding dat wordt bedoeld in § 4, eerste lid, in fine.".
1° in § 1 worden de woorden "tot invrijheidstelling" opgeheven;
2° in § 2 wordt de volgende zin ingevoegd tussen de eerste en de tweede zin :
"De centrale autoriteit zendt de aanbevelingen van het Hof over aan de kamer van inbeschuldigingstelling door tussenkomst van het openbaar ministerie.";
3° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt :
" § 3. De kamer van inbeschuldigingstelling doet uitspraak binnen vijftien dagen te rekenen vanaf de indiening van het verzoek, na het openbaar ministerie, de aangehouden persoon en zijn raadsman te hebben gehoord. Die termijn wordt echter geschorst tijdens de in § 2 bedoelde raadpleging van de kamer van vooronderzoek van het Hof. De kamer van inbeschuldigingstelling overweegt, gelet op de ernst van de ten laste gelegde misdaden, of een dringende noodzakelijkheid en uitzonderlijke omstandigheden de voorlopige invrijheidstelling verantwoorden. De kamer van inbeschuldigingstelling is niet gemachtigd om te onderzoeken of het Hof het bevel tot aanhouding op geldige wijze heeft uitgevaardigd. Ingeval de betwisting van de voorlopige aanhouding gegrond is op de niet-naleving van het beginsel ne bis in idem wordt de termijn waarbinnen de kamer van inbeschuldigingstelling uitspraak moet doen over dat punt geschorst voor de duur van de in artikel 89, § 2, van het Statuut bedoelde raadplegingen tussen de centrale autoriteit en het Hof.";
4° in § 4 wordt voor het eerste lid een lid ingevoegd, luidende :
"In geval van voorlopige invrijheidstelling stelt de kamer van inbeschuldigingstelling de voorwaarden teneinde te waarborgen dat België zijn verplichting om de persoon aan het Hof over te dragen, kan nakomen. Wanneer de voorwaarden niet worden nageleefd, vaardigt de onderzoeksrechter, op vordering van het openbaar ministerie, een bevel tot aanhouding uit.";
5° het artikel wordt aangevuld met de §§ 5 tot 7, luidende :
" § 5. Tegen de door de kamer van inbeschuldigingstelling genomen beslissing kan cassatieberoep worden ingesteld op de wijze en binnen de termijnen bepaald bij artikel 31 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis.
De aangehouden persoon blijft in hechtenis tot de beslissing over het cassatieberoep, voor zover zij binnen de termijn van vijftien dagen van de verklaring van cassatieberoep geschiedt; de persoon wordt in vrijheid gesteld als de beslissing niet binnen die termijn gewezen is.
§ 6. Wanneer het in § 1 bedoelde verzoekschrift wordt verworpen, kan de aangehouden persoon pas een nieuw verzoek tot invrijheidstelling indienen na het verstrijken van een termijn van een maand te rekenen van het arrest tot verwerping.
§ 7. De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op het bevel tot aanhouding dat wordt bedoeld in § 4, eerste lid, in fine.".
Art. 8. A l'article 16 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le § 1er, les mots "de mise en liberté" sont abrogés;
2° dans le § 2, une phrase rédigée comme suit est insérée entre la première et la deuxième phrase :
"L'autorité centrale transmet les recommandations de la Cour à la chambre des mises en accusation par l'intermédiaire du ministère public.";
3° le § 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. La chambre des mises en accusation se prononce dans les quinze jours de l'introduction de la demande, après avoir entendu le ministère public, la personne arrêtée et son conseil. Ce délai est toutefois suspendu pendant la consultation de la chambre préliminaire de la Cour prévue au § 2. Lorsqu'elle se prononce, la chambre des mises en accusation examine si, eu égard à la gravité des crimes allégués, l'urgence et des circonstances exceptionnelles justifient la mise en liberté provisoire. La chambre des mises en accusation n'est pas habilitée à examiner si le mandat d'arrêt a été régulièrement délivré par la Cour. En cas de contestation de l'arrestation provisoire fondée sur le non-respect du principe ne bis in idem, le délai dans lequel la chambre des mises en accusation doit statuer sur ce point est suspendu pendant la durée des consultations visées par l'article 89, § 2, du Statut entre l'autorité centrale et la Cour.";
4° dans le § 4, un alinéa rédigé comme suit est inséré avant l'alinéa 1er :
"En cas de mise en liberté provisoire, la chambre des mises en accusation fixe les conditions qui permettent de s'assurer que la Belgique peut s'acquitter de son obligation de remettre la personne à la Cour. Lorsque les conditions ne sont pas respectées, le juge d'instruction, sur réquisition du ministère public, décerne un mandat d'arrêt.";
5° l'article est complété par les §§ 5 à 7 rédigés comme suit :
" § 5. La décision prise par la chambre des mises en accusation est susceptible de pourvoi en cassation dans les formes et délais prévus à l'article 31 de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive.
La personne arrêtée reste en détention jusqu'à la décision sur le pourvoi en cassation pourvu qu'elle intervienne dans les quinze jours de la déclaration de pourvoi; la personne est mise en liberté si la décision n'est pas rendue dans ce délai.
§ 6. Lorsque la requête prévue au § 1er est rejetée, la personne arrêtée ne peut former une nouvelle demande de mise en liberté qu'à l'expiration d'un délai d'un mois à compter de l'arrêt de rejet.
§ 7. Les dispositions du présent article sont applicables au mandat d'arrêt visé au § 4, alinéa 1er, in fine.".
1° dans le § 1er, les mots "de mise en liberté" sont abrogés;
2° dans le § 2, une phrase rédigée comme suit est insérée entre la première et la deuxième phrase :
"L'autorité centrale transmet les recommandations de la Cour à la chambre des mises en accusation par l'intermédiaire du ministère public.";
3° le § 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. La chambre des mises en accusation se prononce dans les quinze jours de l'introduction de la demande, après avoir entendu le ministère public, la personne arrêtée et son conseil. Ce délai est toutefois suspendu pendant la consultation de la chambre préliminaire de la Cour prévue au § 2. Lorsqu'elle se prononce, la chambre des mises en accusation examine si, eu égard à la gravité des crimes allégués, l'urgence et des circonstances exceptionnelles justifient la mise en liberté provisoire. La chambre des mises en accusation n'est pas habilitée à examiner si le mandat d'arrêt a été régulièrement délivré par la Cour. En cas de contestation de l'arrestation provisoire fondée sur le non-respect du principe ne bis in idem, le délai dans lequel la chambre des mises en accusation doit statuer sur ce point est suspendu pendant la durée des consultations visées par l'article 89, § 2, du Statut entre l'autorité centrale et la Cour.";
4° dans le § 4, un alinéa rédigé comme suit est inséré avant l'alinéa 1er :
"En cas de mise en liberté provisoire, la chambre des mises en accusation fixe les conditions qui permettent de s'assurer que la Belgique peut s'acquitter de son obligation de remettre la personne à la Cour. Lorsque les conditions ne sont pas respectées, le juge d'instruction, sur réquisition du ministère public, décerne un mandat d'arrêt.";
5° l'article est complété par les §§ 5 à 7 rédigés comme suit :
" § 5. La décision prise par la chambre des mises en accusation est susceptible de pourvoi en cassation dans les formes et délais prévus à l'article 31 de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive.
La personne arrêtée reste en détention jusqu'à la décision sur le pourvoi en cassation pourvu qu'elle intervienne dans les quinze jours de la déclaration de pourvoi; la personne est mise en liberté si la décision n'est pas rendue dans ce délai.
§ 6. Lorsque la requête prévue au § 1er est rejetée, la personne arrêtée ne peut former une nouvelle demande de mise en liberté qu'à l'expiration d'un délai d'un mois à compter de l'arrêt de rejet.
§ 7. Les dispositions du présent article sont applicables au mandat d'arrêt visé au § 4, alinéa 1er, in fine.".
Art. 9. In titel II, hoofdstuk IV van dezelfde wet wordt een nieuwe afdeling IV ingevoegd, die bestaat uit de bestaande artikelen 17 en 18, luidende "Overdracht van de aangehouden persoon.".
Art. 9. Dans le titre II, chapitre IV de la même loi, il est inséré une nouvelle section IV comprenant les articles 17 et 18 existants, intitulée "Remise de la personne arrêtée.".
Art. 10. In titel II, hoofdstuk IV van dezelfde wet wordt een afdeling V ingevoegd, die bestaat uit het bestaande artikel 19, luidende "Specialiteitsbeginsel.".
Art. 10. Dans le titre II, chapitre IV de la même loi, il est inséré une section V, comprenant l'article 19 existant, intitulée "Principe de spécialité.".
Art. 11. De huidige afdeling IV van titel II, hoofdstuk IV, van dezelfde wet wordt afdeling VI. Deze afdeling bestaat uit het huidige artikel 20.
Art. 11. L'actuelle section IV du titre II, chapitre IV, de la même loi devient section VI. Elle comprend l'actuel article 20.
Art. 12. In artikel 20 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het huidige artikel 20 wordt het nieuwe artikel 20, § 1;
2° het artikel wordt aangevuld met een § 2, luidende :
" § 2. Op verzoek van het Hof, ingediend overeenkomstig artikel 93, § 7, a), van het Statuut stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere in het buitenland gedetineerde persoon, in het kader van de tenuitvoerlegging van een verzoek tot wederzijdse rechtshulp als bedoeld in voormelde bepaling van het Statuut. Overeenkomstig artikel 93, § 7, b), van het Statuut, heeft het bevel tot aanhouding van de betrokkene uitwerking op het Belgische grondgebied tijdens de tijd die nodig is voor zijn doortocht."
1° het huidige artikel 20 wordt het nieuwe artikel 20, § 1;
2° het artikel wordt aangevuld met een § 2, luidende :
" § 2. Op verzoek van het Hof, ingediend overeenkomstig artikel 93, § 7, a), van het Statuut stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere in het buitenland gedetineerde persoon, in het kader van de tenuitvoerlegging van een verzoek tot wederzijdse rechtshulp als bedoeld in voormelde bepaling van het Statuut. Overeenkomstig artikel 93, § 7, b), van het Statuut, heeft het bevel tot aanhouding van de betrokkene uitwerking op het Belgische grondgebied tijdens de tijd die nodig is voor zijn doortocht."
Art. 12. A l'article 20 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'actuel article 20 devient le nouvel article 20, § 1er;
2° l'article est complété par un § 2 rédigé comme suit :
" § 2. Sur demande de la Cour, effectuée conformément à l'article 93, § 7, a), du Statut, l'autorité centrale autorise le transport à travers le territoire de la Belgique de toute personne détenue à l'étranger, dans le cadre de l'exécution d'une demande d'entraide judiciaire visée à la disposition précitée du Statut. Conformément à l'article 93, § 7, b), du Statut, le titre de détention de l'intéressé produira ses effets sur le territoire belge durant le temps nécessaire à son passage.".
1° l'actuel article 20 devient le nouvel article 20, § 1er;
2° l'article est complété par un § 2 rédigé comme suit :
" § 2. Sur demande de la Cour, effectuée conformément à l'article 93, § 7, a), du Statut, l'autorité centrale autorise le transport à travers le territoire de la Belgique de toute personne détenue à l'étranger, dans le cadre de l'exécution d'une demande d'entraide judiciaire visée à la disposition précitée du Statut. Conformément à l'article 93, § 7, b), du Statut, le titre de détention de l'intéressé produira ses effets sur le territoire belge durant le temps nécessaire à son passage.".
Art. 13. In titel II van dezelfde wet wordt een hoofdstuk IVbis ingevoegd, luidende : "Voorlopige invrijheidstelling en dagvaarding tot verschijning".
Art. 13. Dans le titre II de la même loi, il est inséré un chapitre IVbis intitulé "Libération provisoire et citation à comparaître.".
Art. 14. In hoofdstuk IVbis, ingevoegd bij artikel 13, wordt een artikel 20bis ingevoegd, luidende :
"Art. 20bis. § 1. Met de instemming van de centrale autoriteit en overeenkomstig regel 119 van het Reglement voor de proces- en de bewijsvoering, kan een persoon in België een voorlopige invrijheidstelling die wordt bedoeld in artikel 60 van het Statuut, genieten, in voorkomend geval onder de door het Hof opgelegde voorwaarden.
§ 2. Wanneer de voorwaarden waaraan de voorlopige invrijheidstelling onderworpen is, niet worden nageleefd, kan de onderzoeksrechter op vordering van het openbaar ministerie, ambtshalve of op verzoek van de centrale autoriteit, een bevel tot aanhouding uitvaardigen tegen de voorlopig in vrijheid gestelde persoon. Zijn met redenen omklede beschikking, waartegen geen rechtsmiddel open staat, wordt onmiddellijk meegedeeld aan het openbaar ministerie. Dit laatste stelt onverwijld de centrale autoriteit ervan in kennis, die onmiddellijk het Hof ervan op de hoogte brengt.
§ 3. Het door de onderzoeksrechter uitgevaardigde bevel tot aanhouding is vijftien dagen geldig, te rekenen vanaf de tenuitvoerlegging ervan.
De betrokkene wordt onder dezelfde voorwaarden opnieuw in vrijheid gesteld indien de centrale autoriteit, binnen die termijn, geen verzoek tot voorlopige aanhouding of verzoek tot aanhouding en overdracht heeft ontvangen, die respectievelijk in de artikelen 92 en 91 van het Statuut worden beoogd.".
"Art. 20bis. § 1. Met de instemming van de centrale autoriteit en overeenkomstig regel 119 van het Reglement voor de proces- en de bewijsvoering, kan een persoon in België een voorlopige invrijheidstelling die wordt bedoeld in artikel 60 van het Statuut, genieten, in voorkomend geval onder de door het Hof opgelegde voorwaarden.
§ 2. Wanneer de voorwaarden waaraan de voorlopige invrijheidstelling onderworpen is, niet worden nageleefd, kan de onderzoeksrechter op vordering van het openbaar ministerie, ambtshalve of op verzoek van de centrale autoriteit, een bevel tot aanhouding uitvaardigen tegen de voorlopig in vrijheid gestelde persoon. Zijn met redenen omklede beschikking, waartegen geen rechtsmiddel open staat, wordt onmiddellijk meegedeeld aan het openbaar ministerie. Dit laatste stelt onverwijld de centrale autoriteit ervan in kennis, die onmiddellijk het Hof ervan op de hoogte brengt.
§ 3. Het door de onderzoeksrechter uitgevaardigde bevel tot aanhouding is vijftien dagen geldig, te rekenen vanaf de tenuitvoerlegging ervan.
De betrokkene wordt onder dezelfde voorwaarden opnieuw in vrijheid gesteld indien de centrale autoriteit, binnen die termijn, geen verzoek tot voorlopige aanhouding of verzoek tot aanhouding en overdracht heeft ontvangen, die respectievelijk in de artikelen 92 en 91 van het Statuut worden beoogd.".
Art. 14. Dans le chapitre IVbis, inséré par l'article 13, il est inséré un article 20bis rédigé comme suit :
"Art. 20bis. § 1er. Moyennant l'accord de l'autorité centrale et conformément à la règle 119 du Règlement de procédure et de preuve, une personne peut bénéficier, en Belgique, d'une libération provisoire visée à l'article 60 du Statut, le cas échéant aux conditions édictées par la Cour.
§ 2. Lorsque les conditions auxquelles la libération provisoire est soumise ne sont pas respectées, le juge d'instruction, sur réquisition du ministère public, agissant d'office ou à la demande de l'autorité centrale, peut décerner un mandat d'arrêt à l'encontre de la personne libérée provisoirement. Son ordonnance motivée, qui n'est susceptible d'aucun recours, est communiquée immédiatement au ministère public. Celui-ci en avise sans délai l'autorité centrale, qui en informe immédiatement la Cour.
§ 3. Le mandat d'arrêt délivré par le juge d'instruction est valable pour une durée de quinze jours à compter de son exécution.
L'intéressé est remis en liberté aux mêmes conditions si, dans ce délai, l'autorité centrale n'a pas reçu de demande d'arrestation provisoire ou de demande d'arrestation et de remise, visées respectivement aux articles 92 et 91 du Statut.".
"Art. 20bis. § 1er. Moyennant l'accord de l'autorité centrale et conformément à la règle 119 du Règlement de procédure et de preuve, une personne peut bénéficier, en Belgique, d'une libération provisoire visée à l'article 60 du Statut, le cas échéant aux conditions édictées par la Cour.
§ 2. Lorsque les conditions auxquelles la libération provisoire est soumise ne sont pas respectées, le juge d'instruction, sur réquisition du ministère public, agissant d'office ou à la demande de l'autorité centrale, peut décerner un mandat d'arrêt à l'encontre de la personne libérée provisoirement. Son ordonnance motivée, qui n'est susceptible d'aucun recours, est communiquée immédiatement au ministère public. Celui-ci en avise sans délai l'autorité centrale, qui en informe immédiatement la Cour.
§ 3. Le mandat d'arrêt délivré par le juge d'instruction est valable pour une durée de quinze jours à compter de son exécution.
L'intéressé est remis en liberté aux mêmes conditions si, dans ce délai, l'autorité centrale n'a pas reçu de demande d'arrestation provisoire ou de demande d'arrestation et de remise, visées respectivement aux articles 92 et 91 du Statut.".
Art. 15. In hetzelfde hoofdstuk IVbis, wordt een artikel 20ter ingevoegd, luidende :
"Art. 20ter. Met toepassing van artikel 58, § 7, van het Statuut kan het Hof een dagvaarding tot verschijning uitvaardigen tegen een persoon die zich op het Belgische grondgebied bevindt. De eventuele vrijheidsbeperkende maatregelen die het Hof de betrokkene in dat kader oplegt, worden op het Belgische grondgebied uitgevoerd op grond van een verzoek om wederzijdse rechtshulp van het Hof overeenkomstig hoofdstuk IX van het Statuut. Ingeval de betrokkene die voorwaarden niet naleeft, stelt de - naar behoren ingelichte - centrale autoriteit het Hof daarvan onverwijld in kennis."
"Art. 20ter. Met toepassing van artikel 58, § 7, van het Statuut kan het Hof een dagvaarding tot verschijning uitvaardigen tegen een persoon die zich op het Belgische grondgebied bevindt. De eventuele vrijheidsbeperkende maatregelen die het Hof de betrokkene in dat kader oplegt, worden op het Belgische grondgebied uitgevoerd op grond van een verzoek om wederzijdse rechtshulp van het Hof overeenkomstig hoofdstuk IX van het Statuut. Ingeval de betrokkene die voorwaarden niet naleeft, stelt de - naar behoren ingelichte - centrale autoriteit het Hof daarvan onverwijld in kennis."
Art. 15. Dans le même chapitre IVbis, il est inséré un article 20ter, rédigé comme suit :
"Art. 20ter. En application de l'article 58, § 7, du Statut, la Cour peut délivrer une citation à comparaître à l'encontre d'une personne qui se trouve sur le territoire belge. Les éventuelles conditions restrictives de liberté imposées, dans ce cadre, à l'intéressé par la Cour sont exécutées sur le territoire belge sur la base d'une demande d'entraide judiciaire formulée par la Cour en application du chapitre IX du Statut. En cas de non-respect de ces conditions par l'intéressé, l'autorité centrale, dûment informée, le notifie sans délai à la Cour."
"Art. 20ter. En application de l'article 58, § 7, du Statut, la Cour peut délivrer une citation à comparaître à l'encontre d'une personne qui se trouve sur le territoire belge. Les éventuelles conditions restrictives de liberté imposées, dans ce cadre, à l'intéressé par la Cour sont exécutées sur le territoire belge sur la base d'une demande d'entraide judiciaire formulée par la Cour en application du chapitre IX du Statut. En cas de non-respect de ces conditions par l'intéressé, l'autorité centrale, dûment informée, le notifie sans délai à la Cour."
Art. 16. In artikel 26 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° voor de huidige tekst van het artikel, die § 2 wordt, wordt een § 1 ingevoegd, luidende :
" § 1. Het verzoek om bijstand uitgaande van het Hof dat betrekking heeft op een dwangmaatregel waarvoor enkel een onderzoeksrechter bevoegd is, wordt ten uitvoer gelegd door de onderzoeksrechter van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats is gelegen waar de maatregel moet worden uitgevoerd.
Indien echter verschillende uitvoeringsmaatregelen worden gevraagd, kan het openbaar ministerie een van de territoriaal bevoegde rechters belasten met de uitvoering van al die maatregelen.";
2° de tweede zin van de nieuwe § 2 wordt vervangen als volgt : "Alvorens de stukken aan het Hof over te zenden, doet de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de stukken zijn neergelegd, binnen vijf dagen nadat de zaak bij haar aanhangig is gemaakt, uitspraak over de overzending van de stukken aan het Hof en, in voorkomend geval, over de vordering van derden-bezitters of van derden die beweren recht te hebben op de in beslag genomen zaak, die de griffie van de raadkamer vooraf heeft opgeroepen bij aangetekende zending";
3° het artikel wordt aangevuld met een § 3, luidende :
" § 3. Wanneer de kamer bij wie een zaak aanhangig is gemaakt een beschikking tot bijdrage heeft gewezen, met toepassing van het Reglement voor de proces- en bewijsvoering, en goederen van de beschuldigde zich op het Belgische grondgebied bevinden, wordt op verzoek van het Hof overgegaan tot de inbeslagneming en de overdracht van die goederen aan het Hof, teneinde de terugvordering mogelijk te maken van de kosten voorgeschoten in het kader van de rechtsbijstand.".
1° voor de huidige tekst van het artikel, die § 2 wordt, wordt een § 1 ingevoegd, luidende :
" § 1. Het verzoek om bijstand uitgaande van het Hof dat betrekking heeft op een dwangmaatregel waarvoor enkel een onderzoeksrechter bevoegd is, wordt ten uitvoer gelegd door de onderzoeksrechter van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats is gelegen waar de maatregel moet worden uitgevoerd.
Indien echter verschillende uitvoeringsmaatregelen worden gevraagd, kan het openbaar ministerie een van de territoriaal bevoegde rechters belasten met de uitvoering van al die maatregelen.";
2° de tweede zin van de nieuwe § 2 wordt vervangen als volgt : "Alvorens de stukken aan het Hof over te zenden, doet de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de stukken zijn neergelegd, binnen vijf dagen nadat de zaak bij haar aanhangig is gemaakt, uitspraak over de overzending van de stukken aan het Hof en, in voorkomend geval, over de vordering van derden-bezitters of van derden die beweren recht te hebben op de in beslag genomen zaak, die de griffie van de raadkamer vooraf heeft opgeroepen bij aangetekende zending";
3° het artikel wordt aangevuld met een § 3, luidende :
" § 3. Wanneer de kamer bij wie een zaak aanhangig is gemaakt een beschikking tot bijdrage heeft gewezen, met toepassing van het Reglement voor de proces- en bewijsvoering, en goederen van de beschuldigde zich op het Belgische grondgebied bevinden, wordt op verzoek van het Hof overgegaan tot de inbeslagneming en de overdracht van die goederen aan het Hof, teneinde de terugvordering mogelijk te maken van de kosten voorgeschoten in het kader van de rechtsbijstand.".
Art. 16. A l'article 26 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
1° il est inséré, avant le texte actuel de l'article, qui devient le § 2, un § 1er rédigé comme suit :
" § 1er. La demande d'entraide émanant de la Cour qui porte sur une mesure de contrainte pour laquelle un juge d'instruction est seul compétent est exécutée par le juge d'instruction de l'arrondissement judiciaire où est situé le lieu où la mesure doit être exécutée.
Toutefois, si plusieurs mesures d'exécution sont sollicitées, le ministère public peut charger un des juges territorialement compétents de l'exécution de l'ensemble de ces mesures.";
2° la deuxième phrase du nouveau § 2, est remplacée par ce qui suit : "Avant de transmettre les pièces à la Cour, la chambre du conseil du tribunal de première instance de l'arrondissement où les pièces ont été déposées statue, dans les cinq jours de sa saisine, sur la transmission des pièces à la Cour et se prononce, le cas échéant, sur la réclamation des tiers détenteurs ou des tiers prétendant droit sur la chose saisie, que le greffe de la chambre du conseil aura préalablement convoqués par envoi recommandé.";
3° l'article est complété par un § 3 rédigé comme suit :
" § 3. Lorsqu'une ordonnance de mise à contribution a été rendue par la chambre saisie d'une affaire, en application du Règlement de procédure et de preuve, et que des biens appartenant à l'accusé se trouvent sur le territoire belge, il est procédé, sur demande de la Cour, à la saisie et au transfert de ces avoirs à la Cour, pour permettre le recouvrement des frais avancés dans le cadre de l'aide judiciaire.".
1° il est inséré, avant le texte actuel de l'article, qui devient le § 2, un § 1er rédigé comme suit :
" § 1er. La demande d'entraide émanant de la Cour qui porte sur une mesure de contrainte pour laquelle un juge d'instruction est seul compétent est exécutée par le juge d'instruction de l'arrondissement judiciaire où est situé le lieu où la mesure doit être exécutée.
Toutefois, si plusieurs mesures d'exécution sont sollicitées, le ministère public peut charger un des juges territorialement compétents de l'exécution de l'ensemble de ces mesures.";
2° la deuxième phrase du nouveau § 2, est remplacée par ce qui suit : "Avant de transmettre les pièces à la Cour, la chambre du conseil du tribunal de première instance de l'arrondissement où les pièces ont été déposées statue, dans les cinq jours de sa saisine, sur la transmission des pièces à la Cour et se prononce, le cas échéant, sur la réclamation des tiers détenteurs ou des tiers prétendant droit sur la chose saisie, que le greffe de la chambre du conseil aura préalablement convoqués par envoi recommandé.";
3° l'article est complété par un § 3 rédigé comme suit :
" § 3. Lorsqu'une ordonnance de mise à contribution a été rendue par la chambre saisie d'une affaire, en application du Règlement de procédure et de preuve, et que des biens appartenant à l'accusé se trouvent sur le territoire belge, il est procédé, sur demande de la Cour, à la saisie et au transfert de ces avoirs à la Cour, pour permettre le recouvrement des frais avancés dans le cadre de l'aide judiciaire.".
Art. 17. In artikel 28 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het huidige eerste lid, dat § 1 wordt, wordt aangevuld met de volgende zin :
"Met inachtneming van het beginsel van proportionaliteit kunnen samen of achtereenvolgens gewone en bijzondere beschermingsmaatregelen worden toegekend.";
2° het artikel wordt aangevuld met een § 2, luidende :
" § 2. In afwijking van artikel 106 van het Wetboek van strafvordering kan een identiteitswijziging worden toegekend aan een beschermde getuige en aan zijn verwanten, op beslissing van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie.
De nieuwe identiteit wordt vastgesteld op voorstel van de getuigenbeschermingsdienst, na overleg met de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger en wordt door tussenkomst van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie aan de centrale autoriteit meegedeeld.
De procedure van identiteitswijziging is niet enkel beperkt tot de personen die de Belgische nationaliteit bezitten.
De centrale autoriteit kan elke bevoegde autoriteit verzoeken om te zorgen voor de tenuitvoerlegging van deze beslissing. In dat kader kan de centrale autoriteit bijzondere voorwaarden of aanvullende maatregelen opleggen om de bescherming van de getuigen te kunnen waarborgen.
De verandering van naam, voornamen, geboortedatum en -plaats is vrijgesteld van registratierecht.
In afwijking van artikel 45 van het Burgerlijk Wetboek kan enkel met de uitdrukkelijke toestemming van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie, een uittreksel of afschrift worden afgegeven van een akte van de burgerlijke stand betreffende een persoon van wie de identiteit overeenkomstig deze paragraaf is gewijzigd. Hetzelfde geldt voor elk document of attest dat het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of de Dienst Vreemdelingenzaken moet afgeven, op verzoek van de centrale autoriteit.
Er kan geen misdrijf zijn wanneer strikt noodzakelijke feiten worden gepleegd in het kader van deze paragraaf ter verzekering van de bescherming van de getuige.";
3° in het huidige tweede lid, dat § 3 wordt, worden de woorden "in het vorige lid" vervangen door de woorden "in § 1".
1° het huidige eerste lid, dat § 1 wordt, wordt aangevuld met de volgende zin :
"Met inachtneming van het beginsel van proportionaliteit kunnen samen of achtereenvolgens gewone en bijzondere beschermingsmaatregelen worden toegekend.";
2° het artikel wordt aangevuld met een § 2, luidende :
" § 2. In afwijking van artikel 106 van het Wetboek van strafvordering kan een identiteitswijziging worden toegekend aan een beschermde getuige en aan zijn verwanten, op beslissing van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie.
De nieuwe identiteit wordt vastgesteld op voorstel van de getuigenbeschermingsdienst, na overleg met de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger en wordt door tussenkomst van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie aan de centrale autoriteit meegedeeld.
De procedure van identiteitswijziging is niet enkel beperkt tot de personen die de Belgische nationaliteit bezitten.
De centrale autoriteit kan elke bevoegde autoriteit verzoeken om te zorgen voor de tenuitvoerlegging van deze beslissing. In dat kader kan de centrale autoriteit bijzondere voorwaarden of aanvullende maatregelen opleggen om de bescherming van de getuigen te kunnen waarborgen.
De verandering van naam, voornamen, geboortedatum en -plaats is vrijgesteld van registratierecht.
In afwijking van artikel 45 van het Burgerlijk Wetboek kan enkel met de uitdrukkelijke toestemming van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie, een uittreksel of afschrift worden afgegeven van een akte van de burgerlijke stand betreffende een persoon van wie de identiteit overeenkomstig deze paragraaf is gewijzigd. Hetzelfde geldt voor elk document of attest dat het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of de Dienst Vreemdelingenzaken moet afgeven, op verzoek van de centrale autoriteit.
Er kan geen misdrijf zijn wanneer strikt noodzakelijke feiten worden gepleegd in het kader van deze paragraaf ter verzekering van de bescherming van de getuige.";
3° in het huidige tweede lid, dat § 3 wordt, worden de woorden "in het vorige lid" vervangen door de woorden "in § 1".
Art. 17. A l'article 28 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'actuel alinéa 1er, qui devient le § 1er, est complété par la phrase suivante :
"Compte tenu du principe de proportionnalité, il peut être accordé cumulativement ou successivement des mesures de protection ordinaires et spéciales.";
2° l'article est complété par un § 2 rédigé comme suit :
" § 2. Par dérogation à l'article 106 du Code d'instruction criminelle, un changement d'identité peut être accordé à un témoin protégé et à ses proches, par décision de l'autorité centrale, après avoir consulté le président de la commission de protection des témoins.
La nouvelle identité est déterminée sur proposition du service de protection des témoins, après concertation avec la personne concernée ou son représentant légal, et est communiquée à l'autorité centrale par l'intermédiaire du président de la commission de protection des témoins.
La procédure de changement d'identité n'est pas uniquement limitée aux personnes qui possèdent la nationalité belge.
L'autorité centrale peut requérir toute autorité compétente pour assurer la mise en oeuvre de cette décision. Dans ce cadre, l'autorité centrale peut imposer des conditions particulières ou des mesures complémentaires permettant de garantir la protection des témoins.
Le changement des nom, prénoms, date et lieu de naissance est exempté du droit d'enregistrement.
Par dérogation à l'article 45 du Code civil, il ne peut être délivré un extrait ou une copie d'un acte de l'état civil concernant une personne qui a fait l'objet d'un changement d'identité en application du présent paragraphe qu'avec l'autorisation expresse de l'autorité centrale, après consultation du président de la commission de protection des témoins. Il en va de même pour tout document ou certificat que le Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides ou l'Office des Etrangers serait amené à délivrer à la requête de l'autorité centrale.
Il ne peut y avoir d'infraction quand des faits absolument nécessaires sont commis dans le cadre du présent paragraphe, en vue de garantir la protection du témoin.";
3° dans l'actuel alinéa 2, qui devient le § 3, les mots "à l'alinéa précédent" sont remplacés par les mots "au § 1er".
1° l'actuel alinéa 1er, qui devient le § 1er, est complété par la phrase suivante :
"Compte tenu du principe de proportionnalité, il peut être accordé cumulativement ou successivement des mesures de protection ordinaires et spéciales.";
2° l'article est complété par un § 2 rédigé comme suit :
" § 2. Par dérogation à l'article 106 du Code d'instruction criminelle, un changement d'identité peut être accordé à un témoin protégé et à ses proches, par décision de l'autorité centrale, après avoir consulté le président de la commission de protection des témoins.
La nouvelle identité est déterminée sur proposition du service de protection des témoins, après concertation avec la personne concernée ou son représentant légal, et est communiquée à l'autorité centrale par l'intermédiaire du président de la commission de protection des témoins.
La procédure de changement d'identité n'est pas uniquement limitée aux personnes qui possèdent la nationalité belge.
L'autorité centrale peut requérir toute autorité compétente pour assurer la mise en oeuvre de cette décision. Dans ce cadre, l'autorité centrale peut imposer des conditions particulières ou des mesures complémentaires permettant de garantir la protection des témoins.
Le changement des nom, prénoms, date et lieu de naissance est exempté du droit d'enregistrement.
Par dérogation à l'article 45 du Code civil, il ne peut être délivré un extrait ou une copie d'un acte de l'état civil concernant une personne qui a fait l'objet d'un changement d'identité en application du présent paragraphe qu'avec l'autorisation expresse de l'autorité centrale, après consultation du président de la commission de protection des témoins. Il en va de même pour tout document ou certificat que le Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides ou l'Office des Etrangers serait amené à délivrer à la requête de l'autorité centrale.
Il ne peut y avoir d'infraction quand des faits absolument nécessaires sont commis dans le cadre du présent paragraphe, en vue de garantir la protection du témoin.";
3° dans l'actuel alinéa 2, qui devient le § 3, les mots "à l'alinéa précédent" sont remplacés par les mots "au § 1er".
Art. 18. In artikel 35 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 4 wordt vervangen als volgt :
" § 4. De procedures inzake vervroegde invrijheidstelling worden uitsluitend geregeld door artikel 110 van het Statuut. De door het Hof gewezen beslissingen zijn onmiddellijk uitvoerbaar in België.
In dit kader zijn de bepalingen van de Belgische wetgeving met betrekking tot de strafuitvoeringsmodaliteiten niet van toepassing op de gedetineerde die in België een door het Hof uitgesproken vrijheidsbenemende straf ondergaat.";
2° tussen de §§ 4 en 5 worden de §§ 5 en 6 ingevoegd, luidende :
" § 5. Na raadpleging van de penitentiaire administratie geeft de centrale autoriteit een omstandig advies wanneer het Hof, bij de uitoefening van zijn bevoegdheden op het vlak van vervroegde invrijheidstelling, haar dit vraagt.
§ 6. In geval van medische redenen die een vervroegde invrijheidstelling nodig zouden maken, brengt de centrale autoriteit het Hof, dat als enige bevoegd is om over een dergelijke invrijheidstelling te beslissen, hiervan zo snel mogelijk op de hoogte.";
3° de huidige § 5 wordt § 7.
1° paragraaf 4 wordt vervangen als volgt :
" § 4. De procedures inzake vervroegde invrijheidstelling worden uitsluitend geregeld door artikel 110 van het Statuut. De door het Hof gewezen beslissingen zijn onmiddellijk uitvoerbaar in België.
In dit kader zijn de bepalingen van de Belgische wetgeving met betrekking tot de strafuitvoeringsmodaliteiten niet van toepassing op de gedetineerde die in België een door het Hof uitgesproken vrijheidsbenemende straf ondergaat.";
2° tussen de §§ 4 en 5 worden de §§ 5 en 6 ingevoegd, luidende :
" § 5. Na raadpleging van de penitentiaire administratie geeft de centrale autoriteit een omstandig advies wanneer het Hof, bij de uitoefening van zijn bevoegdheden op het vlak van vervroegde invrijheidstelling, haar dit vraagt.
§ 6. In geval van medische redenen die een vervroegde invrijheidstelling nodig zouden maken, brengt de centrale autoriteit het Hof, dat als enige bevoegd is om over een dergelijke invrijheidstelling te beslissen, hiervan zo snel mogelijk op de hoogte.";
3° de huidige § 5 wordt § 7.
Art. 18. A l'article 35 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
1° le § 4 est remplacé par ce qui suit :
" § 4. Les procédures de libération anticipée sont régies exclusivement par l'article 110 du Statut. Les décisions rendues par la Cour sont exécutoires immédiatement en Belgique.
Dans ce cadre, les dispositions de la législation belge relatives aux modalités d'exécution des peines ne s'appliquent pas au détenu qui exécute, en Belgique, une peine privative de liberté prononcée par la Cour.";
2° les §§ 5 et 6, rédigés comme suit, sont insérés entre les §§ 4 et 5 :
" § 5. L'autorité centrale, après consultation de l'administration pénitentiaire, rend un avis circonstancié lorsque la Cour, dans l'exercice de ses compétences en matière de libération anticipée, le lui demande.
§ 6. En cas de raisons médicales qui nécessiteraient une libération anticipée, l'autorité centrale en avise dès que possible la Cour, seule compétente pour décider d'une telle libération.";
3° l'actuel § 5 devient le § 7.
1° le § 4 est remplacé par ce qui suit :
" § 4. Les procédures de libération anticipée sont régies exclusivement par l'article 110 du Statut. Les décisions rendues par la Cour sont exécutoires immédiatement en Belgique.
Dans ce cadre, les dispositions de la législation belge relatives aux modalités d'exécution des peines ne s'appliquent pas au détenu qui exécute, en Belgique, une peine privative de liberté prononcée par la Cour.";
2° les §§ 5 et 6, rédigés comme suit, sont insérés entre les §§ 4 et 5 :
" § 5. L'autorité centrale, après consultation de l'administration pénitentiaire, rend un avis circonstancié lorsque la Cour, dans l'exercice de ses compétences en matière de libération anticipée, le lui demande.
§ 6. En cas de raisons médicales qui nécessiteraient une libération anticipée, l'autorité centrale en avise dès que possible la Cour, seule compétente pour décider d'une telle libération.";
3° l'actuel § 5 devient le § 7.
Art. 19. In artikel 43 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste streepje worden de woorden "en het Internationaal Tribunaal ingesteld door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties bij zijn resolutie 955 (1994) van 8 november 1994 en belast met de berechting van de personen verdacht aansprakelijk te zijn voor daden van genocide of andere ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht begaan op het grondgebied van Rwanda en van de Rwandese burgers die ervan worden verdacht aansprakelijk te zijn voor zulke daden of schendingen begaan op het grondgebied van de buurstaten tussen 1 januari en 31 december 1994" vervangen door de woorden "het Internationaal Tribunaal ingesteld door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties bij zijn resolutie 955 (1994) van 8 november 1994 en belast met de berechting van de personen verdacht aansprakelijk te zijn voor daden van genocide of andere ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht begaan op het grondgebied van Rwanda en van de Rwandese burgers die ervan worden verdacht aansprakelijk te zijn voor zulke daden of schendingen begaan op het grondgebied van buurstaten tussen 1 januari en 31 december 1994 en het internationaal mechanisme voor de uitoefening van de restbevoegdheden van de straftribunalen ingesteld door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties bij zijn resolutie 1966 (2010) van 22 december 2010;";
2° na het vierde streepje wordt een streepje ingevoegd, luidende :
"- "Resolutie 1966 (2010)" : resolutie 1966 (2010) van 22 december 2010 aangenomen door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties;
3° in het huidige vijfde streepje, dat het zesde streepje wordt, worden de woorden "en het Statuut aangenomen door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties in zijn resolutie 955 (1994)" vervangen door de woorden ", het Statuut aangenomen door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties in zijn resolutie 955(1994) en het Statuut aangenomen door de Veiligheidsraad van de Verenigde naties in zijn resolutie 1966 (2010);";
4° in het huidige zesde streepje, dat het zevende streepje wordt, worden de woorden "en het Reglement inzake procedure en bewijsvoering dat het Internationaal Straftribunaal voor Rwanda op 29 juni 1995 heeft aangenomen" vervangen door de woorden ", het Reglement inzake procedure en bewijsvoering van het Internationaal Straftribunaal voor Rwanda aangenomen op 29 juni 1995 en het Reglement inzake procedure en bewijsvoering van het internationaal mechanisme voor de uitoefening van de restbevoegdheden van de straftribunalen aangenomen op 8 juni 2012;";
5° het artikel wordt aangevuld met twee streepjes, luidende :
"- "Centrale autoriteit" : autoriteit bevoegd inzake samenwerking tussen België en het Tribunaal, te weten, binnen de Federale Overheidsdienst Justitie, de dienst internationaal humanitair recht, aangewezen bij het koninklijk besluit van 17 september 2005 houdende oprichting van een dienst internationaal humanitair recht;
- "Openbaar ministerie" : de federale procureur.".
1° in het eerste streepje worden de woorden "en het Internationaal Tribunaal ingesteld door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties bij zijn resolutie 955 (1994) van 8 november 1994 en belast met de berechting van de personen verdacht aansprakelijk te zijn voor daden van genocide of andere ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht begaan op het grondgebied van Rwanda en van de Rwandese burgers die ervan worden verdacht aansprakelijk te zijn voor zulke daden of schendingen begaan op het grondgebied van de buurstaten tussen 1 januari en 31 december 1994" vervangen door de woorden "het Internationaal Tribunaal ingesteld door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties bij zijn resolutie 955 (1994) van 8 november 1994 en belast met de berechting van de personen verdacht aansprakelijk te zijn voor daden van genocide of andere ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht begaan op het grondgebied van Rwanda en van de Rwandese burgers die ervan worden verdacht aansprakelijk te zijn voor zulke daden of schendingen begaan op het grondgebied van buurstaten tussen 1 januari en 31 december 1994 en het internationaal mechanisme voor de uitoefening van de restbevoegdheden van de straftribunalen ingesteld door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties bij zijn resolutie 1966 (2010) van 22 december 2010;";
2° na het vierde streepje wordt een streepje ingevoegd, luidende :
"- "Resolutie 1966 (2010)" : resolutie 1966 (2010) van 22 december 2010 aangenomen door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties;
3° in het huidige vijfde streepje, dat het zesde streepje wordt, worden de woorden "en het Statuut aangenomen door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties in zijn resolutie 955 (1994)" vervangen door de woorden ", het Statuut aangenomen door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties in zijn resolutie 955(1994) en het Statuut aangenomen door de Veiligheidsraad van de Verenigde naties in zijn resolutie 1966 (2010);";
4° in het huidige zesde streepje, dat het zevende streepje wordt, worden de woorden "en het Reglement inzake procedure en bewijsvoering dat het Internationaal Straftribunaal voor Rwanda op 29 juni 1995 heeft aangenomen" vervangen door de woorden ", het Reglement inzake procedure en bewijsvoering van het Internationaal Straftribunaal voor Rwanda aangenomen op 29 juni 1995 en het Reglement inzake procedure en bewijsvoering van het internationaal mechanisme voor de uitoefening van de restbevoegdheden van de straftribunalen aangenomen op 8 juni 2012;";
5° het artikel wordt aangevuld met twee streepjes, luidende :
"- "Centrale autoriteit" : autoriteit bevoegd inzake samenwerking tussen België en het Tribunaal, te weten, binnen de Federale Overheidsdienst Justitie, de dienst internationaal humanitair recht, aangewezen bij het koninklijk besluit van 17 september 2005 houdende oprichting van een dienst internationaal humanitair recht;
- "Openbaar ministerie" : de federale procureur.".
Art. 19. A l'article 43 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le premier tiret, les mots "et le Tribunal international créé par le Conseil de sécurité des Nations unies par sa résolution 955 (1994) du 8 novembre 1994 et chargé de juger les personnes présumées coupables d'actes de génocide ou d'autres violations graves du droit international humanitaire commis sur le territoire du Rwanda et les citoyens rwandais présumés responsables de tels actes ou violations commis sur le territoire d'Etats voisins entre le 1er janvier et le 31 décembre 1994" sont remplacés par les mots ", le Tribunal international créé par le Conseil de sécurité des Nations unies par sa résolution 955 (1994) du 8 novembre 1994 et chargé de juger les personnes présumées coupables d'actes de génocide ou d'autres violations graves du droit international humanitaire commis sur le territoire du Rwanda et les citoyens rwandais présumés responsables de tels actes ou violations commis sur le territoire d'Etats voisins entre le 1er janvier et le 31 décembre 1994 et le Mécanisme international chargé d'exercer les fonctions résiduelles des Tribunaux pénaux créé par le Conseil de sécurité des Nations unies par sa résolution 1966 (2010) du 22 décembre 2010;";
2° après le quatrième tiret, il est inséré un tiret rédigé comme suit :
"- "Résolution 1966 (2010)" : la résolution 1966 (2010) du 22 décembre 2010 adoptée par le Conseil de sécurité des Nations unies;
3° dans l'actuel cinquième tiret, qui devient le sixième tiret, les mots "et le Statut adopté par le Conseil de sécurité des Nations unies dans sa résolution 955 (1994)" sont remplacés par les mots ", le Statut adopté par le Conseil de sécurité des Nations unies dans sa résolution 955 (1994) et le Statut adopté par le Conseil de sécurité des Nations unies dans sa résolution 1966 (2010);";
4° dans l'actuel sixième tiret, qui devient le septième tiret, les mots "et le Règlement de procédure et de preuve du Tribunal pénal international pour le Rwanda adopté le 29 juin 1995" sont remplacés par les mots ", le Règlement de procédure et de preuve du Tribunal pénal international pour le Rwanda adopté le 29 juin 1995 et le Règlement de procédure et de preuve du Mécanisme international chargé d'exercer les fonctions résiduelles des Tribunaux pénaux adopté le 8 juin 2012;";
5° l'article est complété par deux tirets, rédigés comme suit :
"- "Autorité centrale" : l'autorité compétente en matière de coopération entre la Belgique et le Tribunal soit, au sein du Service public fédéral Justice, le service de droit international humanitaire, désigné par l'arrêté royal du 17 septembre 2005 relatif à la création d'un service de droit international humanitaire;
- "Ministère public" : le procureur fédéral.".
1° dans le premier tiret, les mots "et le Tribunal international créé par le Conseil de sécurité des Nations unies par sa résolution 955 (1994) du 8 novembre 1994 et chargé de juger les personnes présumées coupables d'actes de génocide ou d'autres violations graves du droit international humanitaire commis sur le territoire du Rwanda et les citoyens rwandais présumés responsables de tels actes ou violations commis sur le territoire d'Etats voisins entre le 1er janvier et le 31 décembre 1994" sont remplacés par les mots ", le Tribunal international créé par le Conseil de sécurité des Nations unies par sa résolution 955 (1994) du 8 novembre 1994 et chargé de juger les personnes présumées coupables d'actes de génocide ou d'autres violations graves du droit international humanitaire commis sur le territoire du Rwanda et les citoyens rwandais présumés responsables de tels actes ou violations commis sur le territoire d'Etats voisins entre le 1er janvier et le 31 décembre 1994 et le Mécanisme international chargé d'exercer les fonctions résiduelles des Tribunaux pénaux créé par le Conseil de sécurité des Nations unies par sa résolution 1966 (2010) du 22 décembre 2010;";
2° après le quatrième tiret, il est inséré un tiret rédigé comme suit :
"- "Résolution 1966 (2010)" : la résolution 1966 (2010) du 22 décembre 2010 adoptée par le Conseil de sécurité des Nations unies;
3° dans l'actuel cinquième tiret, qui devient le sixième tiret, les mots "et le Statut adopté par le Conseil de sécurité des Nations unies dans sa résolution 955 (1994)" sont remplacés par les mots ", le Statut adopté par le Conseil de sécurité des Nations unies dans sa résolution 955 (1994) et le Statut adopté par le Conseil de sécurité des Nations unies dans sa résolution 1966 (2010);";
4° dans l'actuel sixième tiret, qui devient le septième tiret, les mots "et le Règlement de procédure et de preuve du Tribunal pénal international pour le Rwanda adopté le 29 juin 1995" sont remplacés par les mots ", le Règlement de procédure et de preuve du Tribunal pénal international pour le Rwanda adopté le 29 juin 1995 et le Règlement de procédure et de preuve du Mécanisme international chargé d'exercer les fonctions résiduelles des Tribunaux pénaux adopté le 8 juin 2012;";
5° l'article est complété par deux tirets, rédigés comme suit :
"- "Autorité centrale" : l'autorité compétente en matière de coopération entre la Belgique et le Tribunal soit, au sein du Service public fédéral Justice, le service de droit international humanitaire, désigné par l'arrêté royal du 17 septembre 2005 relatif à la création d'un service de droit international humanitaire;
- "Ministère public" : le procureur fédéral.".
Art. 20. In artikel 44 van dezelfde wet worden de woorden "en 955 (1994)" vervangen door de woorden ", 955 (1994) en 1966 (2010)".
Art. 20. Dans l'article 44 de la même loi, les mots "et 955 (1994)" sont remplacés par les mots ", 955 (1994) et 1966 (2010)".
Art. 21. Artikel 46 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
"Art. 46. § 1. De centrale autoriteit is bevoegd om de verzoeken uitgaande van het Tribunaal in ontvangst te nemen, om de verzoeken om samenwerking uitgaande van de bevoegde Belgische autoriteiten over te zenden aan het Tribunaal en om elke informatie van gerechtelijke aard die onder de bevoegdheid van het Tribunaal kan vallen, over te zenden aan het Tribunaal. Zij staat in voor de opvolging ervan.
§ 2. De verzoeken van het Tribunaal worden aan de centrale autoriteit gericht door elk communicatiemiddel dat een geschrift nalaat. Zij moeten worden opgesteld in een van de officiële talen van België of, zoniet, vergezeld gaan van een voor eensluidend verklaarde vertaling in een van deze talen.
§ 3. De bevoegde Belgische autoriteiten kunnen om de medewerking van het Tribunaal verzoeken. De verzoeken worden overgezonden door toedoen van de centrale autoriteit. De Belgische autoriteiten moeten de voorwaarden in acht nemen waarvan het Tribunaal de tenuitvoerlegging van het verzoek afhankelijk stelt. Indien de stukken tot staving niet zijn opgesteld in een van de werktalen van het Tribunaal, moeten zij vergezeld gaan van een vertaling in een van deze talen.".
"Art. 46. § 1. De centrale autoriteit is bevoegd om de verzoeken uitgaande van het Tribunaal in ontvangst te nemen, om de verzoeken om samenwerking uitgaande van de bevoegde Belgische autoriteiten over te zenden aan het Tribunaal en om elke informatie van gerechtelijke aard die onder de bevoegdheid van het Tribunaal kan vallen, over te zenden aan het Tribunaal. Zij staat in voor de opvolging ervan.
§ 2. De verzoeken van het Tribunaal worden aan de centrale autoriteit gericht door elk communicatiemiddel dat een geschrift nalaat. Zij moeten worden opgesteld in een van de officiële talen van België of, zoniet, vergezeld gaan van een voor eensluidend verklaarde vertaling in een van deze talen.
§ 3. De bevoegde Belgische autoriteiten kunnen om de medewerking van het Tribunaal verzoeken. De verzoeken worden overgezonden door toedoen van de centrale autoriteit. De Belgische autoriteiten moeten de voorwaarden in acht nemen waarvan het Tribunaal de tenuitvoerlegging van het verzoek afhankelijk stelt. Indien de stukken tot staving niet zijn opgesteld in een van de werktalen van het Tribunaal, moeten zij vergezeld gaan van een vertaling in een van deze talen.".
Art. 21. L'article 46 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
"Art. 46. § 1er. L'autorité centrale est compétente pour recevoir les demandes émanant du Tribunal, pour transmettre au Tribunal les demandes de coopération provenant des autorités belges compétentes et pour transmettre au Tribunal toute information à caractère judiciaire pouvant relever de la compétence du Tribunal. Elle en assure le suivi.
§ 2. Les demandes du Tribunal sont adressées à l'autorité centrale par tout moyen de communication laissant une trace écrite. Elles doivent être rédigées dans une des langues officielles de la Belgique ou, à défaut, être accompagnées d'une traduction certifiée conforme dans l'une de ces langues.
§ 3. Les autorités belges compétentes peuvent solliciter la coopération du Tribunal. Les demandes sont transmises par l'intermédiaire de l'autorité centrale. Les autorités belges sont tenues de respecter les conditions dont le Tribunal assortit l'exécution de la demande. Les pièces justificatives, si elles ne sont pas rédigées dans une des langues de travail du Tribunal, doivent être accompagnées d'une traduction dans l'une de ces langues.".
"Art. 46. § 1er. L'autorité centrale est compétente pour recevoir les demandes émanant du Tribunal, pour transmettre au Tribunal les demandes de coopération provenant des autorités belges compétentes et pour transmettre au Tribunal toute information à caractère judiciaire pouvant relever de la compétence du Tribunal. Elle en assure le suivi.
§ 2. Les demandes du Tribunal sont adressées à l'autorité centrale par tout moyen de communication laissant une trace écrite. Elles doivent être rédigées dans une des langues officielles de la Belgique ou, à défaut, être accompagnées d'une traduction certifiée conforme dans l'une de ces langues.
§ 3. Les autorités belges compétentes peuvent solliciter la coopération du Tribunal. Les demandes sont transmises par l'intermédiaire de l'autorité centrale. Les autorités belges sont tenues de respecter les conditions dont le Tribunal assortit l'exécution de la demande. Les pièces justificatives, si elles ne sont pas rédigées dans une des langues de travail du Tribunal, doivent être accompagnées d'une traduction dans l'une de ces langues.".
Art. 22. In artikel 50 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 1 juli 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt :
" § 2. Het verzoek van de aanklager of de beschikking van het Tribunaal die betrekking heeft op een dwangmaatregel waarvoor enkel een onderzoeksrechter bevoegd is, wordt ten uitvoer gelegd door de onderzoeksrechter van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats is gelegen waar de maatregel moet worden uitgevoerd.
Indien echter verschillende uitvoeringsmaatregelen worden gevraagd, kan het openbaar ministerie een van de territoriaal bevoegde rechters belasten met de uitvoering van al die maatregelen.";
2° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt :
" § 3. Huiszoekingen en inbeslagnemingen waar het Tribunaal om verzoekt, worden ten uitvoer gelegd overeenkomstig de Belgische wetgeving, zonder dat het verzoek uitvoerbaar moet worden verklaard. Alvorens de stukken aan het Tribunaal toe te zenden, doet de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de stukken zijn neergelegd, binnen vijf dagen nadat de zaak bij haar aanhangig is gemaakt, uitspraak over de overzending van de stukken aan het Tribunaal en, in voorkomend geval, over de vordering van derden-bezitters of van derden die beweren recht te hebben op de in beslag genomen zaak, die de griffie van de raadkamer vooraf heeft opgeroepen bij aangetekende zending. Zij doet uitspraak in laatste aanleg, zonder mogelijkheid tot derdenverzet.";
3° paragraaf 4, eerste lid, wordt aangevuld met de volgende zin, luidende :
"Met inachtneming van het beginsel van proportionaliteit kunnen samen of achtereenvolgens gewone en bijzondere beschermingsmaatregelen worden toegekend.";
4° in § 4 worden tussen het eerste en tweede lid zeven leden ingevoegd, luidende :
"In afwijking van artikel 106 van het Wetboek van strafvordering kan een identiteitswijziging worden toegekend aan een beschermde getuige en aan zijn verwanten, op beslissing van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie.
De nieuwe identiteit wordt vastgesteld op voorstel van de getuigenbeschermingsdienst, na overleg met de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger en wordt door tussenkomst van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie aan de centrale autoriteit meegedeeld.
De procedure van identiteitswijziging is niet enkel beperkt tot de personen die de Belgische nationaliteit bezitten.
De centrale autoriteit kan elke bevoegde autoriteit verzoeken om te zorgen voor de tenuitvoerlegging van deze beslissing. In dat kader kan de centrale autoriteit bijzondere voorwaarden of aanvullende maatregelen opleggen om de bescherming van de getuigen te kunnen waarborgen.
De verandering van naam, voornamen, geboortedatum en -plaats is vrijgesteld van registratierecht.
In afwijking van artikel 45 van het Burgerlijk Wetboek kan enkel met de uitdrukkelijke toestemming van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie, een uittreksel of afschrift worden afgegeven van een akte van de burgerlijke stand betreffende een persoon van wie de identiteit overeenkomstig deze paragraaf is gewijzigd. Hetzelfde geldt voor elk document of attest dat het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of de Dienst Vreemdelingenzaken moet afgeven, op verzoek van de centrale autoriteit.
Er kan geen misdrijf zijn wanneer strikt noodzakelijke feiten worden gepleegd in het kader van het tweede tot het zevende lid van deze paragraaf ter verzekering van de bescherming van de getuige.";
5° in § 4 wordt in het huidige tweede lid, dat het negende lid wordt, het woord "vorige" vervangen door het woord "eerste";
6° het artikel wordt aangevuld met de §§ 5 tot 7, luidende :
" § 5. Elke in België gedetineerde persoon kan op verzoek van het Tribunaal tijdelijk naar het Tribunaal worden overgebracht om hem te kunnen identificeren, zijn getuigenis te horen of van hem enige andere vorm van bijstand te verkrijgen.
Deze persoon kan worden overgebracht indien aan de volgende voorwaarden is voldaan :
1° de persoon stemt vrijelijk en met kennis van zaken in met de overbrenging; en
2° de centrale autoriteit stemt in met de overbrenging naar het Tribunaal, onder voorbehoud van de eventueel overeengekomen voorwaarden.
De centrale autoriteit regelt de tijdelijke overbrenging van gedetineerde personen in samenwerking met de griffier en met de autoriteiten van de Gaststaat van het Tribunaal.
De termijnen inzake voorlopige hechtenis worden geschorst zolang de betrokkene zich niet op het grondgebied bevindt.
§ 6. Op verzoek van het Tribunaal stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere persoon die door een andere Staat aan het Tribunaal overgedragen wordt, behalve wanneer de doorvoer de overdracht zou hinderen of vertragen.
Ingeval een onvoorziene landing plaatsvindt op het Belgische grondgebied, kan van het Tribunaal een verzoek tot doorvoer worden geëist. De vervoerde persoon wordt in detentie geplaatst in afwachting van de ontvangst van het verzoek en van de totstandbrenging van de doorvoer. De detentie mag evenwel niet langer duren dan zesennegentig uur te rekenen vanaf de onvoorziene landing, indien het verzoek niet binnen die termijn wordt ontvangen.
§ 7. Op verzoek van het Tribunaal stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere in het buitenland gedetineerde persoon, in het kader van de tenuitvoerlegging van een verzoek om wederzijdse rechtshulp op de zetel van het Tribunaal. Het bevel tot aanhouding van de betrokkene heeft uitwerking op het Belgische grondgebied gedurende de tijd die nodig is voor zijn doortocht.".
1° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt :
" § 2. Het verzoek van de aanklager of de beschikking van het Tribunaal die betrekking heeft op een dwangmaatregel waarvoor enkel een onderzoeksrechter bevoegd is, wordt ten uitvoer gelegd door de onderzoeksrechter van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats is gelegen waar de maatregel moet worden uitgevoerd.
Indien echter verschillende uitvoeringsmaatregelen worden gevraagd, kan het openbaar ministerie een van de territoriaal bevoegde rechters belasten met de uitvoering van al die maatregelen.";
2° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt :
" § 3. Huiszoekingen en inbeslagnemingen waar het Tribunaal om verzoekt, worden ten uitvoer gelegd overeenkomstig de Belgische wetgeving, zonder dat het verzoek uitvoerbaar moet worden verklaard. Alvorens de stukken aan het Tribunaal toe te zenden, doet de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de stukken zijn neergelegd, binnen vijf dagen nadat de zaak bij haar aanhangig is gemaakt, uitspraak over de overzending van de stukken aan het Tribunaal en, in voorkomend geval, over de vordering van derden-bezitters of van derden die beweren recht te hebben op de in beslag genomen zaak, die de griffie van de raadkamer vooraf heeft opgeroepen bij aangetekende zending. Zij doet uitspraak in laatste aanleg, zonder mogelijkheid tot derdenverzet.";
3° paragraaf 4, eerste lid, wordt aangevuld met de volgende zin, luidende :
"Met inachtneming van het beginsel van proportionaliteit kunnen samen of achtereenvolgens gewone en bijzondere beschermingsmaatregelen worden toegekend.";
4° in § 4 worden tussen het eerste en tweede lid zeven leden ingevoegd, luidende :
"In afwijking van artikel 106 van het Wetboek van strafvordering kan een identiteitswijziging worden toegekend aan een beschermde getuige en aan zijn verwanten, op beslissing van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie.
De nieuwe identiteit wordt vastgesteld op voorstel van de getuigenbeschermingsdienst, na overleg met de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger en wordt door tussenkomst van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie aan de centrale autoriteit meegedeeld.
De procedure van identiteitswijziging is niet enkel beperkt tot de personen die de Belgische nationaliteit bezitten.
De centrale autoriteit kan elke bevoegde autoriteit verzoeken om te zorgen voor de tenuitvoerlegging van deze beslissing. In dat kader kan de centrale autoriteit bijzondere voorwaarden of aanvullende maatregelen opleggen om de bescherming van de getuigen te kunnen waarborgen.
De verandering van naam, voornamen, geboortedatum en -plaats is vrijgesteld van registratierecht.
In afwijking van artikel 45 van het Burgerlijk Wetboek kan enkel met de uitdrukkelijke toestemming van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie, een uittreksel of afschrift worden afgegeven van een akte van de burgerlijke stand betreffende een persoon van wie de identiteit overeenkomstig deze paragraaf is gewijzigd. Hetzelfde geldt voor elk document of attest dat het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of de Dienst Vreemdelingenzaken moet afgeven, op verzoek van de centrale autoriteit.
Er kan geen misdrijf zijn wanneer strikt noodzakelijke feiten worden gepleegd in het kader van het tweede tot het zevende lid van deze paragraaf ter verzekering van de bescherming van de getuige.";
5° in § 4 wordt in het huidige tweede lid, dat het negende lid wordt, het woord "vorige" vervangen door het woord "eerste";
6° het artikel wordt aangevuld met de §§ 5 tot 7, luidende :
" § 5. Elke in België gedetineerde persoon kan op verzoek van het Tribunaal tijdelijk naar het Tribunaal worden overgebracht om hem te kunnen identificeren, zijn getuigenis te horen of van hem enige andere vorm van bijstand te verkrijgen.
Deze persoon kan worden overgebracht indien aan de volgende voorwaarden is voldaan :
1° de persoon stemt vrijelijk en met kennis van zaken in met de overbrenging; en
2° de centrale autoriteit stemt in met de overbrenging naar het Tribunaal, onder voorbehoud van de eventueel overeengekomen voorwaarden.
De centrale autoriteit regelt de tijdelijke overbrenging van gedetineerde personen in samenwerking met de griffier en met de autoriteiten van de Gaststaat van het Tribunaal.
De termijnen inzake voorlopige hechtenis worden geschorst zolang de betrokkene zich niet op het grondgebied bevindt.
§ 6. Op verzoek van het Tribunaal stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere persoon die door een andere Staat aan het Tribunaal overgedragen wordt, behalve wanneer de doorvoer de overdracht zou hinderen of vertragen.
Ingeval een onvoorziene landing plaatsvindt op het Belgische grondgebied, kan van het Tribunaal een verzoek tot doorvoer worden geëist. De vervoerde persoon wordt in detentie geplaatst in afwachting van de ontvangst van het verzoek en van de totstandbrenging van de doorvoer. De detentie mag evenwel niet langer duren dan zesennegentig uur te rekenen vanaf de onvoorziene landing, indien het verzoek niet binnen die termijn wordt ontvangen.
§ 7. Op verzoek van het Tribunaal stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere in het buitenland gedetineerde persoon, in het kader van de tenuitvoerlegging van een verzoek om wederzijdse rechtshulp op de zetel van het Tribunaal. Het bevel tot aanhouding van de betrokkene heeft uitwerking op het Belgische grondgebied gedurende de tijd die nodig is voor zijn doortocht.".
Art. 22. A l'article 50 de la même loi, modifié par la loi du 1er juillet 2006, les modifications suivantes sont apportées :
1° le § 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. La demande du procureur ou l'ordonnance du Tribunal qui porte sur une mesure de contrainte pour laquelle un juge d'instruction est seul compétent est exécutée par le juge d'instruction de l'arrondissement judiciaire où est situé le lieu où la mesure doit être exécutée.
Toutefois, si plusieurs mesures d'exécution sont sollicitées, le ministère public peut charger un des juges territorialement compétents de l'exécution de l'ensemble de ces mesures.";
2° le § 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Les perquisitions et saisies demandées par le Tribunal sont exécutées conformément à la loi belge sans qu'il soit requis que la demande soit rendue exécutoire. Avant de transmettre les pièces au Tribunal, la chambre du conseil du tribunal de première instance de l'arrondissement où les pièces ont été déposées statue, dans les cinq jours de sa saisine, sur la transmission des pièces au Tribunal et se prononce, le cas échéant, sur la réclamation des tiers détenteurs ou des tiers prétendant droit sur la chose saisie, que le greffe de la chambre du conseil aura préalablement convoqués par envoi recommandé. Elle statue en dernier ressort et sans possibilité de tierce opposition.";
3° le § 4, alinéa 1er, est complété par la phrase suivante :
"Compte tenu du principe de proportionnalité, il peut être accordé cumulativement ou successivement des mesures de protection ordinaires et spéciales.";
4° dans le § 4, sept alinéas, rédigés comme suit, sont insérés entre l'alinéa 1er et l'alinéa 2 :
"Par dérogation à l'article 106 du Code d'instruction criminelle, un changement d'identité peut être accordé à un témoin protégé et à ses proches, par décision de l'autorité centrale, après avoir consulté le président de la commission de protection des témoins.
La nouvelle identité est déterminée sur proposition du service de protection des témoins, après concertation avec la personne concernée ou son représentant légal, et est communiquée à l'autorité centrale par l'intermédiaire du président de la commission de protection des témoins.
La procédure de changement d'identité n'est pas uniquement limitée aux personnes qui possèdent la nationalité belge.
L'autorité centrale peut requérir toute autorité compétente pour assurer la mise en oeuvre de cette décision. Dans ce cadre, l'autorité centrale peut imposer des conditions particulières ou des mesures complémentaires permettant de garantir la protection des témoins.
Le changement des nom, prénoms, date et lieu de naissance, est exempté du droit d'enregistrement.
Par dérogation à l'article 45 du Code civil, il ne peut être délivré un extrait ou une copie d'un acte de l'état civil concernant une personne qui a fait l'objet d'un changement d'identité en application du présent paragraphe qu'avec l'autorisation expresse de l'autorité centrale, après consultation du président de la commission de protection des témoins. Il en va de même pour tout document ou certificat que le Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides ou l'Office des Etrangers serait amené à délivrer à la requête de l'autorité centrale.
Il ne peut y avoir d'infraction quand des faits absolument nécessaires sont commis dans le cadre des alinéas 2 à 7 du présent paragraphe, en vue de garantir la protection du témoin.";
5° dans le § 4, actuel alinéa 2, qui devient le nouvel alinéa 9, le mot "précédent" est remplacé par le mot "1er";
6° l'article est complété par les §§ 5 à 7 rédigés comme suit :
" § 5. Toute personne qui est détenue en Belgique peut être, à la demande du Tribunal, transférée temporairement à celui-ci afin qu'il puisse l'identifier, entendre son témoignage ou obtenir d'elle un quelque autre concours d'assistance.
Cette personne peut être transférée, si les conditions suivantes sont remplies :
1° la personne donne, librement et en connaissance de cause, son consentement au transfèrement; et
2° l'autorité centrale donne son accord au transfèrement au Tribunal, sous réserve des conditions dont ils peuvent convenir.
Le transfert temporaire de détenus est organisé par l'autorité centrale en liaison avec le greffier et les autorités de l'Etat hôte du Tribunal.
Les délais en matière de détention préventive sont suspendus pendant la durée de l'absence du territoire de la personne concernée.
§ 6. Sur demande du Tribunal, l'autorité centrale autorise le transport à travers le territoire de la Belgique de toute personne transférée au Tribunal par un autre Etat, sauf dans le cas où le transit gênerait ou retarderait la remise.
Si un atterrissage imprévu a lieu sur le territoire belge, une demande de transit peut être exigée du Tribunal. La personne transportée est placée en détention en attendant la demande et l'accomplissement du transit. Toutefois, la détention ne peut se prolonger au-delà de nonante-six heures après l'atterrissage imprévu si la demande n'est pas reçue dans ce délai.
§ 7. Sur demande du Tribunal, l'autorité centrale autorise le transport à travers le territoire de la Belgique de toute personne détenue à l'étranger, dans le cadre de l'exécution d'une demande d'entraide judiciaire au siège du Tribunal. Le titre de détention de l'intéressé produira ses effets sur le territoire belge le temps nécessaire à son passage.".
1° le § 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. La demande du procureur ou l'ordonnance du Tribunal qui porte sur une mesure de contrainte pour laquelle un juge d'instruction est seul compétent est exécutée par le juge d'instruction de l'arrondissement judiciaire où est situé le lieu où la mesure doit être exécutée.
Toutefois, si plusieurs mesures d'exécution sont sollicitées, le ministère public peut charger un des juges territorialement compétents de l'exécution de l'ensemble de ces mesures.";
2° le § 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Les perquisitions et saisies demandées par le Tribunal sont exécutées conformément à la loi belge sans qu'il soit requis que la demande soit rendue exécutoire. Avant de transmettre les pièces au Tribunal, la chambre du conseil du tribunal de première instance de l'arrondissement où les pièces ont été déposées statue, dans les cinq jours de sa saisine, sur la transmission des pièces au Tribunal et se prononce, le cas échéant, sur la réclamation des tiers détenteurs ou des tiers prétendant droit sur la chose saisie, que le greffe de la chambre du conseil aura préalablement convoqués par envoi recommandé. Elle statue en dernier ressort et sans possibilité de tierce opposition.";
3° le § 4, alinéa 1er, est complété par la phrase suivante :
"Compte tenu du principe de proportionnalité, il peut être accordé cumulativement ou successivement des mesures de protection ordinaires et spéciales.";
4° dans le § 4, sept alinéas, rédigés comme suit, sont insérés entre l'alinéa 1er et l'alinéa 2 :
"Par dérogation à l'article 106 du Code d'instruction criminelle, un changement d'identité peut être accordé à un témoin protégé et à ses proches, par décision de l'autorité centrale, après avoir consulté le président de la commission de protection des témoins.
La nouvelle identité est déterminée sur proposition du service de protection des témoins, après concertation avec la personne concernée ou son représentant légal, et est communiquée à l'autorité centrale par l'intermédiaire du président de la commission de protection des témoins.
La procédure de changement d'identité n'est pas uniquement limitée aux personnes qui possèdent la nationalité belge.
L'autorité centrale peut requérir toute autorité compétente pour assurer la mise en oeuvre de cette décision. Dans ce cadre, l'autorité centrale peut imposer des conditions particulières ou des mesures complémentaires permettant de garantir la protection des témoins.
Le changement des nom, prénoms, date et lieu de naissance, est exempté du droit d'enregistrement.
Par dérogation à l'article 45 du Code civil, il ne peut être délivré un extrait ou une copie d'un acte de l'état civil concernant une personne qui a fait l'objet d'un changement d'identité en application du présent paragraphe qu'avec l'autorisation expresse de l'autorité centrale, après consultation du président de la commission de protection des témoins. Il en va de même pour tout document ou certificat que le Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides ou l'Office des Etrangers serait amené à délivrer à la requête de l'autorité centrale.
Il ne peut y avoir d'infraction quand des faits absolument nécessaires sont commis dans le cadre des alinéas 2 à 7 du présent paragraphe, en vue de garantir la protection du témoin.";
5° dans le § 4, actuel alinéa 2, qui devient le nouvel alinéa 9, le mot "précédent" est remplacé par le mot "1er";
6° l'article est complété par les §§ 5 à 7 rédigés comme suit :
" § 5. Toute personne qui est détenue en Belgique peut être, à la demande du Tribunal, transférée temporairement à celui-ci afin qu'il puisse l'identifier, entendre son témoignage ou obtenir d'elle un quelque autre concours d'assistance.
Cette personne peut être transférée, si les conditions suivantes sont remplies :
1° la personne donne, librement et en connaissance de cause, son consentement au transfèrement; et
2° l'autorité centrale donne son accord au transfèrement au Tribunal, sous réserve des conditions dont ils peuvent convenir.
Le transfert temporaire de détenus est organisé par l'autorité centrale en liaison avec le greffier et les autorités de l'Etat hôte du Tribunal.
Les délais en matière de détention préventive sont suspendus pendant la durée de l'absence du territoire de la personne concernée.
§ 6. Sur demande du Tribunal, l'autorité centrale autorise le transport à travers le territoire de la Belgique de toute personne transférée au Tribunal par un autre Etat, sauf dans le cas où le transit gênerait ou retarderait la remise.
Si un atterrissage imprévu a lieu sur le territoire belge, une demande de transit peut être exigée du Tribunal. La personne transportée est placée en détention en attendant la demande et l'accomplissement du transit. Toutefois, la détention ne peut se prolonger au-delà de nonante-six heures après l'atterrissage imprévu si la demande n'est pas reçue dans ce délai.
§ 7. Sur demande du Tribunal, l'autorité centrale autorise le transport à travers le territoire de la Belgique de toute personne détenue à l'étranger, dans le cadre de l'exécution d'une demande d'entraide judiciaire au siège du Tribunal. Le titre de détention de l'intéressé produira ses effets sur le territoire belge le temps nécessaire à son passage.".
Art. 23. In artikel 53 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden "verdachte" en "betrokkene" worden telkens vervangen door de woorden "aangehouden persoon";
2° in de Franse tekst van § 1, vierde lid, tweede zin, wordt het woord "Celui-ci" vervangen door het woord "Celle-ci";
3° in § 1, vijfde lid, wordt de zin "De kamer van inbeschuldigingstelling hoort het openbaar ministerie, de verdachte en zijn raadsman binnen vier dagen te rekenen van diens beroep en doet uiterlijk binnen acht dagen uitspraak." vervangen door de zin "De kamer van inbeschuldigingstelling hoort het openbaar ministerie, de aangehouden persoon en zijn raadsman en doet uitspraak uiterlijk binnen vijftien dagen te rekenen vanaf de indiening van het beroep.";
4° in § 1 worden tussen het vijfde en het zesde lid twee leden ingevoegd, luidende :
"Tegen de door de kamer van inbeschuldigingstelling genomen beslissing kan geen cassatieberoep worden ingesteld.
De overdracht van de aangehouden persoon kan enkel plaatsvinden wanneer de beslissing die het verzoek om aanhouding en overdracht uitvoerbaar verklaart definitief is geworden.";
5° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt :
" § 2. Het in het Reglement bedoeld verzoek tot voorlopige aanhouding, dat in spoedeisende gevallen door de aanklager wordt gedaan, wordt ten uitvoer gelegd op grond van een bevel tot aanhouding afgegeven door de onderzoeksrechter van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats is gelegen waar de persoon op wie het bevel betrekking heeft, zijn verblijfplaats heeft of de plaats waar hij is aangetroffen. De onderzoeksrechter gaat na of de stukken vereist voor de voorlopige aanhouding zijn overgelegd en of er geen dwaling betreffende de persoon bestaat.
Het bevel tot aanhouding moet worden betekend binnen vierentwintig uur te rekenen van de vrijheidsberoving.
Tegen het bevel tot aanhouding kan geen beroep worden ingesteld.";
6° het artikel wordt aangevuld met een § 3, luidende :
" § 3. De aangehouden persoon heeft het recht om de kamer van inbeschuldigingstelling bij verzoekschrift te verzoeken om voorlopige invrijheidstelling in afwachting van zijn overdracht.
De kamer van inbeschuldigingstelling doet uitspraak binnen vijftien dagen te rekenen van de indiening van het verzoek, na het openbaar ministerie, de aangehouden persoon en zijn raadsman te hebben gehoord. De kamer van inbeschuldigingstelling overweegt, gelet op de ernst van de ten laste gelegde misdaden, of een dringende noodzakelijkheid en uitzonderlijke omstandigheden de voorlopige invrijheidstelling verantwoorden.
De kamer van inbeschuldigingstelling is niet gemachtigd om te onderzoeken of het Tribunaal het bevel tot aanhouding op geldige wijze heeft uitgevaardigd.
In geval van voorlopige invrijheidstelling stelt de kamer van inbeschuldigingstelling voorwaarden teneinde te waarborgen dat België zijn verplichting om de persoon aan het Tribunaal over te dragen, kan nakomen. Wanneer de voorwaarden niet in acht worden genomen, vaardigt de onderzoeksrechter, op vordering van het openbaar ministerie, een bevel tot aanhouding uit.
Ingeval met de voorlopige invrijheidstelling wordt ingestemd, kan het Tribunaal de centrale autoriteit verzoeken regelmatig verslag uit te brengen over het regime van de voorlopige invrijheidstelling.
Tegen de door de kamer van inbeschuldigingstelling genomen beslissing kan cassatieberoep worden ingesteld op de wijze en binnen de termijnen bepaald bij artikel 31 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis.
De aangehouden persoon blijft in hechtenis tot de beslissing over het cassatieberoep, voor zover zij binnen de termijn van vijftien dagen van de verklaring van cassatieberoep geschiedt; de persoon wordt in vrijheid gesteld als de beslissing niet binnen die termijn gewezen is.
Wanneer het in het eerste lid bedoelde verzoekschrift wordt verworpen, kan de aangehouden persoon slechts een nieuw verzoek tot invrijheidstelling indienen na het verstrijken van een termijn van een maand te rekenen van het arrest tot verwerping.
De bepalingen van deze paragraaf zijn van toepassing op het bevel tot aanhouding dat wordt bedoeld in het vierde lid in fine.".
1° de woorden "verdachte" en "betrokkene" worden telkens vervangen door de woorden "aangehouden persoon";
2° in de Franse tekst van § 1, vierde lid, tweede zin, wordt het woord "Celui-ci" vervangen door het woord "Celle-ci";
3° in § 1, vijfde lid, wordt de zin "De kamer van inbeschuldigingstelling hoort het openbaar ministerie, de verdachte en zijn raadsman binnen vier dagen te rekenen van diens beroep en doet uiterlijk binnen acht dagen uitspraak." vervangen door de zin "De kamer van inbeschuldigingstelling hoort het openbaar ministerie, de aangehouden persoon en zijn raadsman en doet uitspraak uiterlijk binnen vijftien dagen te rekenen vanaf de indiening van het beroep.";
4° in § 1 worden tussen het vijfde en het zesde lid twee leden ingevoegd, luidende :
"Tegen de door de kamer van inbeschuldigingstelling genomen beslissing kan geen cassatieberoep worden ingesteld.
De overdracht van de aangehouden persoon kan enkel plaatsvinden wanneer de beslissing die het verzoek om aanhouding en overdracht uitvoerbaar verklaart definitief is geworden.";
5° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt :
" § 2. Het in het Reglement bedoeld verzoek tot voorlopige aanhouding, dat in spoedeisende gevallen door de aanklager wordt gedaan, wordt ten uitvoer gelegd op grond van een bevel tot aanhouding afgegeven door de onderzoeksrechter van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats is gelegen waar de persoon op wie het bevel betrekking heeft, zijn verblijfplaats heeft of de plaats waar hij is aangetroffen. De onderzoeksrechter gaat na of de stukken vereist voor de voorlopige aanhouding zijn overgelegd en of er geen dwaling betreffende de persoon bestaat.
Het bevel tot aanhouding moet worden betekend binnen vierentwintig uur te rekenen van de vrijheidsberoving.
Tegen het bevel tot aanhouding kan geen beroep worden ingesteld.";
6° het artikel wordt aangevuld met een § 3, luidende :
" § 3. De aangehouden persoon heeft het recht om de kamer van inbeschuldigingstelling bij verzoekschrift te verzoeken om voorlopige invrijheidstelling in afwachting van zijn overdracht.
De kamer van inbeschuldigingstelling doet uitspraak binnen vijftien dagen te rekenen van de indiening van het verzoek, na het openbaar ministerie, de aangehouden persoon en zijn raadsman te hebben gehoord. De kamer van inbeschuldigingstelling overweegt, gelet op de ernst van de ten laste gelegde misdaden, of een dringende noodzakelijkheid en uitzonderlijke omstandigheden de voorlopige invrijheidstelling verantwoorden.
De kamer van inbeschuldigingstelling is niet gemachtigd om te onderzoeken of het Tribunaal het bevel tot aanhouding op geldige wijze heeft uitgevaardigd.
In geval van voorlopige invrijheidstelling stelt de kamer van inbeschuldigingstelling voorwaarden teneinde te waarborgen dat België zijn verplichting om de persoon aan het Tribunaal over te dragen, kan nakomen. Wanneer de voorwaarden niet in acht worden genomen, vaardigt de onderzoeksrechter, op vordering van het openbaar ministerie, een bevel tot aanhouding uit.
Ingeval met de voorlopige invrijheidstelling wordt ingestemd, kan het Tribunaal de centrale autoriteit verzoeken regelmatig verslag uit te brengen over het regime van de voorlopige invrijheidstelling.
Tegen de door de kamer van inbeschuldigingstelling genomen beslissing kan cassatieberoep worden ingesteld op de wijze en binnen de termijnen bepaald bij artikel 31 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis.
De aangehouden persoon blijft in hechtenis tot de beslissing over het cassatieberoep, voor zover zij binnen de termijn van vijftien dagen van de verklaring van cassatieberoep geschiedt; de persoon wordt in vrijheid gesteld als de beslissing niet binnen die termijn gewezen is.
Wanneer het in het eerste lid bedoelde verzoekschrift wordt verworpen, kan de aangehouden persoon slechts een nieuw verzoek tot invrijheidstelling indienen na het verstrijken van een termijn van een maand te rekenen van het arrest tot verwerping.
De bepalingen van deze paragraaf zijn van toepassing op het bevel tot aanhouding dat wordt bedoeld in het vierde lid in fine.".
Art. 23. A l'article 53 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
1° les mots "l'inculpé" et "l'intéressé" sont, chaque fois, remplacés par les mots "la personne arrêtée";
2° dans le § 1er, alinéa 4, deuxième phrase, le mot "Celui-ci" est remplacé par le mot "Celle-ci";
3° dans le § 1er, alinéa 5, la phrase "La chambre des mises en accusation entend le ministère public, l'inculpé et son conseil dans les quatre jours de son recours et statue au plus tard dans les huit jours." est remplacée par la phrase "La chambre des mises en accusation entend le ministère public, la personne arrêtée et son conseil et statue au plus tard dans les quinze jours de l'introduction du recours.";
4° dans le § 1er, deux alinéas, rédigés comme suit, sont insérés entre les alinéas 5 et 6 :
"La décision prise par la chambre des mises en accusation n'est pas susceptible de pourvoi en cassation.
La remise de la personne arrêtée ne peut avoir lieu que lorsque la décision rendant exécutoire la demande d'arrestation et de remise est devenue définitive.";
5° le § 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. La demande d'arrestation provisoire visée au Règlement, qui est formulée en cas d'urgence par le procureur, est exécutée sur la base d'un mandat d'arrêt délivré par le juge d'instruction de l'arrondissement judiciaire où est situé le lieu où la personne faisant l'objet de ce mandat a sa résidence, ou le lieu où elle a été trouvée. Le juge d'instruction vérifie si les pièces nécessaires à l'arrestation provisoire ont été fournies et s'il n'y a pas erreur sur la personne.
Le mandat d'arrêt doit être signifié dans les vingt-quatre heures à compter de la privation de liberté.
Le mandat d'arrêt n'est pas susceptible de recours.";
6° l'article est complété par un § 3 rédigé comme suit :
" § 3. La personne arrêtée a le droit de demander à la chambre des mises en accusation, par requête, sa mise en liberté provisoire dans l'attente de sa remise.
La chambre des mises en accusation se prononce dans les quinze jours de l'introduction de la demande, après avoir entendu le ministère public, la personne arrêtée et son conseil. Lorsqu'elle se prononce, la chambre des mises en accusation examine si, eu égard à la gravité des crimes allégués, l'urgence et des circonstances exceptionnelles justifient la mise en liberté provisoire.
La chambre des mises en accusation n'est pas habilitée à examiner si le mandat d'arrêt a été régulièrement délivré par le Tribunal.
En cas de mise en liberté provisoire, la chambre des mises en accusation fixe les conditions qui permettent de s'assurer que la Belgique peut s'acquitter de son obligation de remettre la personne au Tribunal. Lorsque les conditions ne sont pas respectées, le juge d'instruction, sur réquisition du ministère public, décerne un mandat d'arrêt.
Si la mise en liberté provisoire est accordée, le Tribunal peut demander à l'autorité centrale des rapports périodiques sur le régime de la libération provisoire.
La décision prise par la chambre des mises en accusation est susceptible de pourvoi en cassation dans les formes et délais prévus à l'article 31 de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive.
La personne arrêtée reste en détention jusqu'à la décision sur le pourvoi en cassation pourvu qu'elle intervienne dans les quinze jours de la déclaration de pourvoi; la personne est mise en liberté si la décision n'est pas rendue dans ce délai.
Lorsque la requête prévue à l'alinéa 1er est rejetée, la personne arrêtée ne peut former une nouvelle demande de mise en liberté qu'à l'expiration d'un délai d'un mois à compter de l'arrêt de rejet.
Les dispositions du présent paragraphe sont applicables au mandat d'arrêt visé à l'alinéa 4 in fine.".
1° les mots "l'inculpé" et "l'intéressé" sont, chaque fois, remplacés par les mots "la personne arrêtée";
2° dans le § 1er, alinéa 4, deuxième phrase, le mot "Celui-ci" est remplacé par le mot "Celle-ci";
3° dans le § 1er, alinéa 5, la phrase "La chambre des mises en accusation entend le ministère public, l'inculpé et son conseil dans les quatre jours de son recours et statue au plus tard dans les huit jours." est remplacée par la phrase "La chambre des mises en accusation entend le ministère public, la personne arrêtée et son conseil et statue au plus tard dans les quinze jours de l'introduction du recours.";
4° dans le § 1er, deux alinéas, rédigés comme suit, sont insérés entre les alinéas 5 et 6 :
"La décision prise par la chambre des mises en accusation n'est pas susceptible de pourvoi en cassation.
La remise de la personne arrêtée ne peut avoir lieu que lorsque la décision rendant exécutoire la demande d'arrestation et de remise est devenue définitive.";
5° le § 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. La demande d'arrestation provisoire visée au Règlement, qui est formulée en cas d'urgence par le procureur, est exécutée sur la base d'un mandat d'arrêt délivré par le juge d'instruction de l'arrondissement judiciaire où est situé le lieu où la personne faisant l'objet de ce mandat a sa résidence, ou le lieu où elle a été trouvée. Le juge d'instruction vérifie si les pièces nécessaires à l'arrestation provisoire ont été fournies et s'il n'y a pas erreur sur la personne.
Le mandat d'arrêt doit être signifié dans les vingt-quatre heures à compter de la privation de liberté.
Le mandat d'arrêt n'est pas susceptible de recours.";
6° l'article est complété par un § 3 rédigé comme suit :
" § 3. La personne arrêtée a le droit de demander à la chambre des mises en accusation, par requête, sa mise en liberté provisoire dans l'attente de sa remise.
La chambre des mises en accusation se prononce dans les quinze jours de l'introduction de la demande, après avoir entendu le ministère public, la personne arrêtée et son conseil. Lorsqu'elle se prononce, la chambre des mises en accusation examine si, eu égard à la gravité des crimes allégués, l'urgence et des circonstances exceptionnelles justifient la mise en liberté provisoire.
La chambre des mises en accusation n'est pas habilitée à examiner si le mandat d'arrêt a été régulièrement délivré par le Tribunal.
En cas de mise en liberté provisoire, la chambre des mises en accusation fixe les conditions qui permettent de s'assurer que la Belgique peut s'acquitter de son obligation de remettre la personne au Tribunal. Lorsque les conditions ne sont pas respectées, le juge d'instruction, sur réquisition du ministère public, décerne un mandat d'arrêt.
Si la mise en liberté provisoire est accordée, le Tribunal peut demander à l'autorité centrale des rapports périodiques sur le régime de la libération provisoire.
La décision prise par la chambre des mises en accusation est susceptible de pourvoi en cassation dans les formes et délais prévus à l'article 31 de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive.
La personne arrêtée reste en détention jusqu'à la décision sur le pourvoi en cassation pourvu qu'elle intervienne dans les quinze jours de la déclaration de pourvoi; la personne est mise en liberté si la décision n'est pas rendue dans ce délai.
Lorsque la requête prévue à l'alinéa 1er est rejetée, la personne arrêtée ne peut former une nouvelle demande de mise en liberté qu'à l'expiration d'un délai d'un mois à compter de l'arrêt de rejet.
Les dispositions du présent paragraphe sont applicables au mandat d'arrêt visé à l'alinéa 4 in fine.".
Art. 24. In artikel 55 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 2, eerste zin, wordt het woord "plaatselijke" vervangen door de woorden "van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats van detentie is gelegen";
2° in § 2 tweede zin, worden de woorden "Deze ondervraagt hem over zijn identiteit" vervangen door de woorden "De procureur des Konings ondervraagt hem over zijn identiteit";
3° tussen §§ 2 en 3 worden de §§ 3 tot 5 ingevoegd, luidende :
" § 3. De procedures inzake vervroegde vrijlating worden uitsluitend geregeld door het Statuut van het Tribunaal. De door het Tribunaal gewezen beslissingen zijn onmiddellijk uitvoerbaar in België.
In dit kader zijn de bepalingen van de Belgische wetgeving met betrekking tot de wijze van strafuitvoering niet van toepassing op de gedetineerde die in België een door het Tribunaal uitgesproken vrijheidsbenemende straf ondergaat.
§ 4. Na raadpleging van de penitentiaire administratie geeft de centrale autoriteit een omstandig advies wanneer het Tribunaal, bij de uitoefening van zijn bevoegdheden op het vlak van vervroegde invrijheidstelling, haar daarom verzoekt.
§ 5. In geval van medische redenen die een vervroegde invrijheidstelling nodig zouden maken, brengt de centrale autoriteit het Tribunaal, dat als enige bevoegd is om over een dergelijke invrijheidstelling te beslissen, hiervan zo snel mogelijk op de hoogte.";
4° de huidige § 3 wordt § 6.
1° in § 2, eerste zin, wordt het woord "plaatselijke" vervangen door de woorden "van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats van detentie is gelegen";
2° in § 2 tweede zin, worden de woorden "Deze ondervraagt hem over zijn identiteit" vervangen door de woorden "De procureur des Konings ondervraagt hem over zijn identiteit";
3° tussen §§ 2 en 3 worden de §§ 3 tot 5 ingevoegd, luidende :
" § 3. De procedures inzake vervroegde vrijlating worden uitsluitend geregeld door het Statuut van het Tribunaal. De door het Tribunaal gewezen beslissingen zijn onmiddellijk uitvoerbaar in België.
In dit kader zijn de bepalingen van de Belgische wetgeving met betrekking tot de wijze van strafuitvoering niet van toepassing op de gedetineerde die in België een door het Tribunaal uitgesproken vrijheidsbenemende straf ondergaat.
§ 4. Na raadpleging van de penitentiaire administratie geeft de centrale autoriteit een omstandig advies wanneer het Tribunaal, bij de uitoefening van zijn bevoegdheden op het vlak van vervroegde invrijheidstelling, haar daarom verzoekt.
§ 5. In geval van medische redenen die een vervroegde invrijheidstelling nodig zouden maken, brengt de centrale autoriteit het Tribunaal, dat als enige bevoegd is om over een dergelijke invrijheidstelling te beslissen, hiervan zo snel mogelijk op de hoogte.";
4° de huidige § 3 wordt § 6.
Art. 24. A l'article 55 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le § 2, première phrase, les mots "du lieu" sont remplacés par les mots "de l'arrondissement judiciaire où est situé le lieu de la détention";
2° dans le § 2, deuxième phrase, les mots "Celui-ci procède à son interrogatoire d'identité" sont remplacés par les mots "Le procureur du Roi procède à l'interrogatoire d'identité";
3° les §§ 3 à 5, rédigés comme suit, sont insérés entre les §§ 2 et 3, :
" § 3. Les procédures de libération anticipée sont régies exclusivement par le Statut du Tribunal. Les décisions rendues par le Tribunal sont exécutoires immédiatement en Belgique.
Dans ce cadre, les dispositions de la législation belge relatives aux modalités d'exécution des peines ne s'appliquent pas au détenu qui exécute, en Belgique, une peine privative de liberté prononcée par le Tribunal.
§ 4. L'autorité centrale, après consultation de l'administration pénitentiaire, rend un avis circonstancié lorsque le Tribunal, dans l'exercice de ses compétences en matière de libération anticipée, le lui demande.
§ 5. En cas de raisons médicales qui nécessiteraient une libération anticipée, l'autorité centrale en avise dès que possible le Tribunal, seul compétent pour décider d'une telle libération.";
4° l'actuel § 3 devient le § 6.
1° dans le § 2, première phrase, les mots "du lieu" sont remplacés par les mots "de l'arrondissement judiciaire où est situé le lieu de la détention";
2° dans le § 2, deuxième phrase, les mots "Celui-ci procède à son interrogatoire d'identité" sont remplacés par les mots "Le procureur du Roi procède à l'interrogatoire d'identité";
3° les §§ 3 à 5, rédigés comme suit, sont insérés entre les §§ 2 et 3, :
" § 3. Les procédures de libération anticipée sont régies exclusivement par le Statut du Tribunal. Les décisions rendues par le Tribunal sont exécutoires immédiatement en Belgique.
Dans ce cadre, les dispositions de la législation belge relatives aux modalités d'exécution des peines ne s'appliquent pas au détenu qui exécute, en Belgique, une peine privative de liberté prononcée par le Tribunal.
§ 4. L'autorité centrale, après consultation de l'administration pénitentiaire, rend un avis circonstancié lorsque le Tribunal, dans l'exercice de ses compétences en matière de libération anticipée, le lui demande.
§ 5. En cas de raisons médicales qui nécessiteraient une libération anticipée, l'autorité centrale en avise dès que possible le Tribunal, seul compétent pour décider d'une telle libération.";
4° l'actuel § 3 devient le § 6.
Art. 25. In hoofdstuk V van titel III van dezelfde wet wordt een artikel 55bis ingevoegd, luidende :
"Art. 55bis. Onverminderd de rechten van derden te goeder trouw legt België de maatregelen houdende verbeurdverklaring ten uitvoer die het Tribunaal heeft bevolen. Wanneer het Tribunaal België verzoekt een beslissing tot verbeurdverklaring ten uitvoer te leggen, verklaart de correctionele rechtbank van het gerechtelijk arrondissement waarin de goederen gelegen zijn waarop de verbeurdverklaring betrekking heeft, die beslissing uitvoerbaar, na het openbaar ministerie en de veroordeelde persoon of zijn raadsman te hebben gehoord. Indien het onmogelijk is gevolg te geven aan het bevel tot verbeurdverklaring, worden gelijkwaardige maatregelen genomen zoals bedoeld in artikel 43bis, tweede lid, van het Strafwetboek, zulks onverminderd de rechten van derden te goeder trouw. De goederen of de opbrengst uit de verkoop van onroerende goederen of, in voorkomend geval, van andere goederen verkregen ingevolge de tenuitvoerlegging van een arrest van het Tribunaal, worden door de centrale autoriteit overgedragen aan het Tribunaal.".
"Art. 55bis. Onverminderd de rechten van derden te goeder trouw legt België de maatregelen houdende verbeurdverklaring ten uitvoer die het Tribunaal heeft bevolen. Wanneer het Tribunaal België verzoekt een beslissing tot verbeurdverklaring ten uitvoer te leggen, verklaart de correctionele rechtbank van het gerechtelijk arrondissement waarin de goederen gelegen zijn waarop de verbeurdverklaring betrekking heeft, die beslissing uitvoerbaar, na het openbaar ministerie en de veroordeelde persoon of zijn raadsman te hebben gehoord. Indien het onmogelijk is gevolg te geven aan het bevel tot verbeurdverklaring, worden gelijkwaardige maatregelen genomen zoals bedoeld in artikel 43bis, tweede lid, van het Strafwetboek, zulks onverminderd de rechten van derden te goeder trouw. De goederen of de opbrengst uit de verkoop van onroerende goederen of, in voorkomend geval, van andere goederen verkregen ingevolge de tenuitvoerlegging van een arrest van het Tribunaal, worden door de centrale autoriteit overgedragen aan het Tribunaal.".
Art. 25. Dans le chapitre V du titre III de la même loi, il est inséré un article 55bis rédigé comme suit :
"Art. 55bis. La Belgique exécute les mesures de confiscation ordonnées par le Tribunal sans préjudice des droits des tiers de bonne foi. Lorsqu'une demande tendant à l'exécution d'une décision de confiscation est adressée par le Tribunal à la Belgique, le tribunal correctionnel de l'arrondissement judiciaire où les biens sur lesquels porte la confiscation sont situés rend cette décision exécutoire, après avoir entendu le ministère public et la personne condamnée ou son conseil. Lorsqu'il est impossible de donner effet à l'ordonnance de confiscation, des mesures de confiscation par équivalent, visées à l'article 43bis, alinéa 2, du Code pénal, sont prises sans préjudice des droits des tiers de bonne foi. Les biens ou le produit de la vente de biens immobiliers ou, le cas échéant, d'autres biens, obtenus en exécution d'un arrêt prononcé par le Tribunal, sont transférés au Tribunal par l'intermédiaire de l'autorité centrale.".
"Art. 55bis. La Belgique exécute les mesures de confiscation ordonnées par le Tribunal sans préjudice des droits des tiers de bonne foi. Lorsqu'une demande tendant à l'exécution d'une décision de confiscation est adressée par le Tribunal à la Belgique, le tribunal correctionnel de l'arrondissement judiciaire où les biens sur lesquels porte la confiscation sont situés rend cette décision exécutoire, après avoir entendu le ministère public et la personne condamnée ou son conseil. Lorsqu'il est impossible de donner effet à l'ordonnance de confiscation, des mesures de confiscation par équivalent, visées à l'article 43bis, alinéa 2, du Code pénal, sont prises sans préjudice des droits des tiers de bonne foi. Les biens ou le produit de la vente de biens immobiliers ou, le cas échéant, d'autres biens, obtenus en exécution d'un arrêt prononcé par le Tribunal, sont transférés au Tribunal par l'intermédiaire de l'autorité centrale.".
Art. 26. In artikel 58 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 1 juli 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het eerste streepje wordt aangevuld met de woorden "en het Residueel Speciaal Tribunaal voor Sierra Leone ingesteld bij de internationale overeenkomst van 29 juli (New York) en 11 augustus 2010 (Freetown) gesloten tussen de Verenigde Naties en de regering van Sierra Leone, en voortvloeiend uit resolutie 1315 (2000) van 14 augustus 2000 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties;";
2° het tweede streepje wordt aangevuld met de woorden "en het Statuut van het Residueel Speciaal Tribunaal voor Sierra Leone gevoegd als bijlage bij de internationale overeenkomst van 29 juli (New York) en 11 augustus 2010 (Freetown) gesloten tussen de Verenigde Naties en de regering van Sierra Leone;";
3° het artikel wordt aangevuld met twee streepjes, luidende :
"- "Centrale autoriteit" : de autoriteit die bevoegd is voor samenwerking tussen België en het Tribunaal, te weten, binnen de Federale Overheidsdienst Justitie, de dienst internationaal humanitair recht, aangewezen bij het koninklijk besluit van 17 september 2005 houdende oprichting van een dienst internationaal humanitair recht;
- "Openbaar ministerie" : de federale procureur.".
1° het eerste streepje wordt aangevuld met de woorden "en het Residueel Speciaal Tribunaal voor Sierra Leone ingesteld bij de internationale overeenkomst van 29 juli (New York) en 11 augustus 2010 (Freetown) gesloten tussen de Verenigde Naties en de regering van Sierra Leone, en voortvloeiend uit resolutie 1315 (2000) van 14 augustus 2000 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties;";
2° het tweede streepje wordt aangevuld met de woorden "en het Statuut van het Residueel Speciaal Tribunaal voor Sierra Leone gevoegd als bijlage bij de internationale overeenkomst van 29 juli (New York) en 11 augustus 2010 (Freetown) gesloten tussen de Verenigde Naties en de regering van Sierra Leone;";
3° het artikel wordt aangevuld met twee streepjes, luidende :
"- "Centrale autoriteit" : de autoriteit die bevoegd is voor samenwerking tussen België en het Tribunaal, te weten, binnen de Federale Overheidsdienst Justitie, de dienst internationaal humanitair recht, aangewezen bij het koninklijk besluit van 17 september 2005 houdende oprichting van een dienst internationaal humanitair recht;
- "Openbaar ministerie" : de federale procureur.".
Art. 26. A l'article 58 de la même loi, inséré par la loi du 1er juillet 2006, les modifications suivantes sont apportées :
1° le premier tiret est complété par les mots "et le Tribunal Spécial Résiduel pour la Sierra Leone créé par l'accord international des 29 juillet (New York) et 11 août 2010 (Freetown) conclu entre les Nations unies et le gouvernement de la Sierra Leone, et découlant de la résolution 1315 (2000) du 14 août 2000 du Conseil de Sécurité des Nations unies;";
2° le deuxième tiret est complété par les mots "et le Statut du Tribunal Spécial Résiduel pour la Sierra Leone, annexé à l'accord international des 29 juillet (New York) et 11 août 2010 (Freetown) conclu entre les Nations unies et le gouvernement de la Sierra Leone;";
3° l'article est complété par deux tirets, rédigés comme suit :
"- "Autorité centrale" : l'autorité compétente en matière de coopération entre la Belgique et le Tribunal, soit, au sein du Service public fédéral Justice, le service de droit international humanitaire, désigné par l'arrêté royal du 17 septembre 2005 relatif à la création d'un service de droit international humanitaire;
- "Ministère public" : le procureur fédéral.".
1° le premier tiret est complété par les mots "et le Tribunal Spécial Résiduel pour la Sierra Leone créé par l'accord international des 29 juillet (New York) et 11 août 2010 (Freetown) conclu entre les Nations unies et le gouvernement de la Sierra Leone, et découlant de la résolution 1315 (2000) du 14 août 2000 du Conseil de Sécurité des Nations unies;";
2° le deuxième tiret est complété par les mots "et le Statut du Tribunal Spécial Résiduel pour la Sierra Leone, annexé à l'accord international des 29 juillet (New York) et 11 août 2010 (Freetown) conclu entre les Nations unies et le gouvernement de la Sierra Leone;";
3° l'article est complété par deux tirets, rédigés comme suit :
"- "Autorité centrale" : l'autorité compétente en matière de coopération entre la Belgique et le Tribunal, soit, au sein du Service public fédéral Justice, le service de droit international humanitaire, désigné par l'arrêté royal du 17 septembre 2005 relatif à la création d'un service de droit international humanitaire;
- "Ministère public" : le procureur fédéral.".
Art. 27. Artikel 60 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 1 juli 2006, wordt vervangen als volgt :
"Art. 60. § 1. De centrale autoriteit is bevoegd om de verzoeken uitgaande van het Tribunaal in ontvangst te nemen, om de verzoeken om samenwerking uitgaande van de bevoegde Belgische autoriteiten over te zenden aan het Tribunaal en om elke informatie van gerechtelijke aard die onder de bevoegdheid van het Tribunaal kan vallen, over te zenden aan het Tribunaal. Zij staat in voor de opvolging ervan.
§ 2. De verzoeken van het Tribunaal worden aan de centrale autoriteit gericht door elk communicatiemiddel dat een geschrift nalaat. Zij moeten worden opgesteld in een van de officiële talen van België of, zoniet, vergezeld gaan van een voor eensluidend verklaarde vertaling in een van deze talen.
§ 3. De bevoegde Belgische autoriteiten kunnen om de medewerking van het Tribunaal verzoeken. De verzoeken worden overgezonden door toedoen van de centrale autoriteit. De Belgische autoriteiten moeten de voorwaarden in acht nemen waarvan het Tribunaal de tenuitvoerlegging van het verzoek afhankelijk stelt. Indien de stukken tot staving niet zijn opgesteld in een van de werktalen van het Tribunaal, moeten zij vergezeld gaan van een vertaling in een van deze talen.".
"Art. 60. § 1. De centrale autoriteit is bevoegd om de verzoeken uitgaande van het Tribunaal in ontvangst te nemen, om de verzoeken om samenwerking uitgaande van de bevoegde Belgische autoriteiten over te zenden aan het Tribunaal en om elke informatie van gerechtelijke aard die onder de bevoegdheid van het Tribunaal kan vallen, over te zenden aan het Tribunaal. Zij staat in voor de opvolging ervan.
§ 2. De verzoeken van het Tribunaal worden aan de centrale autoriteit gericht door elk communicatiemiddel dat een geschrift nalaat. Zij moeten worden opgesteld in een van de officiële talen van België of, zoniet, vergezeld gaan van een voor eensluidend verklaarde vertaling in een van deze talen.
§ 3. De bevoegde Belgische autoriteiten kunnen om de medewerking van het Tribunaal verzoeken. De verzoeken worden overgezonden door toedoen van de centrale autoriteit. De Belgische autoriteiten moeten de voorwaarden in acht nemen waarvan het Tribunaal de tenuitvoerlegging van het verzoek afhankelijk stelt. Indien de stukken tot staving niet zijn opgesteld in een van de werktalen van het Tribunaal, moeten zij vergezeld gaan van een vertaling in een van deze talen.".
Art. 27. L'article 60 de la même loi, inséré par la loi du 1er juillet 2006, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 60. § 1er. L'autorité centrale est compétente pour recevoir les demandes émanant du Tribunal, pour transmettre au Tribunal les demandes de coopération provenant des autorités belges compétentes et pour transmettre au Tribunal toute information à caractère judiciaire pouvant relever de la compétence du Tribunal. Elle en assure le suivi.
§ 2. Les demandes du Tribunal sont adressées à l'autorité centrale par tout moyen de communication laissant une trace écrite. Elles doivent être rédigées dans une des langues officielles de la Belgique ou, à défaut, être accompagnées d'une traduction certifiée conforme dans l'une de ces langues.
§ 3. Les autorités belges compétentes peuvent solliciter la coopération du Tribunal. Les demandes sont transmises par l'intermédiaire de l'autorité centrale. Les autorités belges sont tenues de respecter les conditions dont le Tribunal assortit l'exécution de la demande. Les pièces justificatives, si elles ne sont pas rédigées dans une des langues de travail du Tribunal, doivent être accompagnées d'une traduction dans l'une de ces langues.".
"Art. 60. § 1er. L'autorité centrale est compétente pour recevoir les demandes émanant du Tribunal, pour transmettre au Tribunal les demandes de coopération provenant des autorités belges compétentes et pour transmettre au Tribunal toute information à caractère judiciaire pouvant relever de la compétence du Tribunal. Elle en assure le suivi.
§ 2. Les demandes du Tribunal sont adressées à l'autorité centrale par tout moyen de communication laissant une trace écrite. Elles doivent être rédigées dans une des langues officielles de la Belgique ou, à défaut, être accompagnées d'une traduction certifiée conforme dans l'une de ces langues.
§ 3. Les autorités belges compétentes peuvent solliciter la coopération du Tribunal. Les demandes sont transmises par l'intermédiaire de l'autorité centrale. Les autorités belges sont tenues de respecter les conditions dont le Tribunal assortit l'exécution de la demande. Les pièces justificatives, si elles ne sont pas rédigées dans une des langues de travail du Tribunal, doivent être accompagnées d'une traduction dans l'une de ces langues.".
Art. 28. In artikel 62 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 1 juli 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt :
" § 2. Het verzoek van de aanklager of de beschikking van het Tribunaal die betrekking heeft op een dwangmaatregel waarvoor enkel een onderzoeksrechter bevoegd is, wordt ten uitvoer gelegd door de onderzoeksrechter van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats is gelegen waar de maatregel moet worden uitgevoerd.
Indien echter verschillende uitvoeringsmaatregelen worden gevraagd, kan het openbaar ministerie een van de territoriaal bevoegde rechters belasten met de uitvoering van al die maatregelen.";
2° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt :
" § 3. Huiszoekingen en inbeslagnemingen waar het Tribunaal om verzoekt, worden ten uitvoer gelegd overeenkomstig de Belgische wetgeving, zonder dat het verzoek uitvoerbaar moet worden verklaard. Alvorens de stukken aan het Tribunaal toe te zenden, doet de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de stukken zijn neergelegd, binnen vijf dagen nadat de zaak bij haar aanhangig is gemaakt, uitspraak over de overzending van de stukken aan het Hof en, in voorkomend geval, over de vordering van derden-bezitters of van derden die beweren recht te hebben op de in beslag genomen zaak, die de griffie van de raadkamer vooraf heeft opgeroepen bij aangetekende zending. Zij doet uitspraak in laatste aanleg, zonder mogelijkheid tot derdenverzet.";
3° paragraaf 4, derde lid, wordt aangevuld met de volgende zin, luidende :
"Met inachtneming van het beginsel van proportionaliteit kunnen samen of achtereenvolgens gewone en bijzondere beschermingsmaatregelen worden toegekend.";
4° in § 4 worden tussen het derde en vierde lid zeven leden ingevoegd, luidende :
"In afwijking van artikel 106 van het Wetboek van strafvordering kan een identiteitswijziging worden toegekend aan een beschermde getuige en aan zijn verwanten, op beslissing van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie.
De nieuwe identiteit wordt vastgesteld op voorstel van de getuigenbeschermingsdienst, na overleg met de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger en wordt door tussenkomst van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie aan de centrale autoriteit meegedeeld.
De procedure van identiteitswijziging is niet enkel beperkt tot de personen die de Belgische nationaliteit bezitten.
De centrale autoriteit kan elke bevoegde autoriteit verzoeken om te zorgen voor de tenuitvoerlegging van deze beslissing. In dat kader kan de centrale autoriteit bijzondere voorwaarden of aanvullende maatregelen opleggen om de bescherming van de getuigen te kunnen waarborgen.
De verandering van naam, voornamen, geboortedatum en -plaats is vrijgesteld van registratierecht.
In afwijking van artikel 45 van het Burgerlijk Wetboek kan enkel met de uitdrukkelijke toestemming van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie, een uittreksel of afschrift worden afgegeven van een akte van de burgerlijke stand betreffende een persoon van wie de identiteit overeenkomstig deze paragraaf is gewijzigd. Hetzelfde geldt voor elk document of attest dat het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of de Dienst Vreemdelingenzaken moet afgeven, op verzoek van de centrale autoriteit.
Er kan geen misdrijf zijn wanneer strikt noodzakelijke feiten worden gepleegd in het kader van het vierde tot het negende lid van deze paragraaf ter verzekering van de bescherming van de getuige.";
5° in § 4, vierde lid, dat het elfde lid wordt, wordt het woord "vorige" vervangen door het woord "eerste";
6° het artikel wordt aangevuld met de §§ 5 tot 7, luidende :
" § 5. Elke in België gedetineerde persoon kan op verzoek van het Tribunaal tijdelijk naar het Tribunaal worden overgebracht om hem te kunnen identificeren, zijn getuigenis te horen of van hem enige andere vorm van bijstand te verkrijgen.
Deze persoon kan worden overgebracht indien aan de volgende voorwaarden is voldaan :
1° de persoon stemt vrijelijk en met kennis van zaken in met de overbrenging; en
2° de centrale autoriteit stemt in met de overbrenging naar het Tribunaal, onder voorbehoud van de eventueel overeengekomen voorwaarden.
De centrale autoriteit regelt de tijdelijke overbrenging van gedetineerde personen in samenwerking met de griffier en met de autoriteiten van de Gaststaat van het Tribunaal.
De termijnen inzake voorlopige hechtenis worden geschorst zolang de betrokkene zich niet op het grondgebied bevindt.
§ 6. Op verzoek van het Tribunaal stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere persoon die door een andere Staat aan het Tribunaal overgedragen wordt, behalve wanneer de doorvoer de overdracht zou hinderen of vertragen.
Ingeval een onvoorziene landing plaatsvindt op het Belgische grondgebied, kan van het Tribunaal een verzoek tot doorvoer worden geëist. De vervoerde persoon wordt in detentie geplaatst in afwachting van de ontvangst van het verzoek en van de totstandbrenging van de doorvoer. De detentie mag evenwel niet langer duren dan zesennegentig uur te rekenen vanaf de onvoorziene landing, indien het verzoek niet binnen die termijn wordt ontvangen.
§ 7. Op verzoek van het Tribunaal stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere in het buitenland gedetineerde persoon, in het kader van de tenuitvoerlegging van een verzoek om wederzijdse rechtshulp op de zetel van het Tribunaal. Het bevel tot aanhouding van de betrokkene heeft uitwerking op het Belgische grondgebied gedurende de tijd die nodig is voor zijn doortocht.".
1° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt :
" § 2. Het verzoek van de aanklager of de beschikking van het Tribunaal die betrekking heeft op een dwangmaatregel waarvoor enkel een onderzoeksrechter bevoegd is, wordt ten uitvoer gelegd door de onderzoeksrechter van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats is gelegen waar de maatregel moet worden uitgevoerd.
Indien echter verschillende uitvoeringsmaatregelen worden gevraagd, kan het openbaar ministerie een van de territoriaal bevoegde rechters belasten met de uitvoering van al die maatregelen.";
2° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt :
" § 3. Huiszoekingen en inbeslagnemingen waar het Tribunaal om verzoekt, worden ten uitvoer gelegd overeenkomstig de Belgische wetgeving, zonder dat het verzoek uitvoerbaar moet worden verklaard. Alvorens de stukken aan het Tribunaal toe te zenden, doet de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de stukken zijn neergelegd, binnen vijf dagen nadat de zaak bij haar aanhangig is gemaakt, uitspraak over de overzending van de stukken aan het Hof en, in voorkomend geval, over de vordering van derden-bezitters of van derden die beweren recht te hebben op de in beslag genomen zaak, die de griffie van de raadkamer vooraf heeft opgeroepen bij aangetekende zending. Zij doet uitspraak in laatste aanleg, zonder mogelijkheid tot derdenverzet.";
3° paragraaf 4, derde lid, wordt aangevuld met de volgende zin, luidende :
"Met inachtneming van het beginsel van proportionaliteit kunnen samen of achtereenvolgens gewone en bijzondere beschermingsmaatregelen worden toegekend.";
4° in § 4 worden tussen het derde en vierde lid zeven leden ingevoegd, luidende :
"In afwijking van artikel 106 van het Wetboek van strafvordering kan een identiteitswijziging worden toegekend aan een beschermde getuige en aan zijn verwanten, op beslissing van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie.
De nieuwe identiteit wordt vastgesteld op voorstel van de getuigenbeschermingsdienst, na overleg met de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger en wordt door tussenkomst van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie aan de centrale autoriteit meegedeeld.
De procedure van identiteitswijziging is niet enkel beperkt tot de personen die de Belgische nationaliteit bezitten.
De centrale autoriteit kan elke bevoegde autoriteit verzoeken om te zorgen voor de tenuitvoerlegging van deze beslissing. In dat kader kan de centrale autoriteit bijzondere voorwaarden of aanvullende maatregelen opleggen om de bescherming van de getuigen te kunnen waarborgen.
De verandering van naam, voornamen, geboortedatum en -plaats is vrijgesteld van registratierecht.
In afwijking van artikel 45 van het Burgerlijk Wetboek kan enkel met de uitdrukkelijke toestemming van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie, een uittreksel of afschrift worden afgegeven van een akte van de burgerlijke stand betreffende een persoon van wie de identiteit overeenkomstig deze paragraaf is gewijzigd. Hetzelfde geldt voor elk document of attest dat het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of de Dienst Vreemdelingenzaken moet afgeven, op verzoek van de centrale autoriteit.
Er kan geen misdrijf zijn wanneer strikt noodzakelijke feiten worden gepleegd in het kader van het vierde tot het negende lid van deze paragraaf ter verzekering van de bescherming van de getuige.";
5° in § 4, vierde lid, dat het elfde lid wordt, wordt het woord "vorige" vervangen door het woord "eerste";
6° het artikel wordt aangevuld met de §§ 5 tot 7, luidende :
" § 5. Elke in België gedetineerde persoon kan op verzoek van het Tribunaal tijdelijk naar het Tribunaal worden overgebracht om hem te kunnen identificeren, zijn getuigenis te horen of van hem enige andere vorm van bijstand te verkrijgen.
Deze persoon kan worden overgebracht indien aan de volgende voorwaarden is voldaan :
1° de persoon stemt vrijelijk en met kennis van zaken in met de overbrenging; en
2° de centrale autoriteit stemt in met de overbrenging naar het Tribunaal, onder voorbehoud van de eventueel overeengekomen voorwaarden.
De centrale autoriteit regelt de tijdelijke overbrenging van gedetineerde personen in samenwerking met de griffier en met de autoriteiten van de Gaststaat van het Tribunaal.
De termijnen inzake voorlopige hechtenis worden geschorst zolang de betrokkene zich niet op het grondgebied bevindt.
§ 6. Op verzoek van het Tribunaal stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere persoon die door een andere Staat aan het Tribunaal overgedragen wordt, behalve wanneer de doorvoer de overdracht zou hinderen of vertragen.
Ingeval een onvoorziene landing plaatsvindt op het Belgische grondgebied, kan van het Tribunaal een verzoek tot doorvoer worden geëist. De vervoerde persoon wordt in detentie geplaatst in afwachting van de ontvangst van het verzoek en van de totstandbrenging van de doorvoer. De detentie mag evenwel niet langer duren dan zesennegentig uur te rekenen vanaf de onvoorziene landing, indien het verzoek niet binnen die termijn wordt ontvangen.
§ 7. Op verzoek van het Tribunaal stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere in het buitenland gedetineerde persoon, in het kader van de tenuitvoerlegging van een verzoek om wederzijdse rechtshulp op de zetel van het Tribunaal. Het bevel tot aanhouding van de betrokkene heeft uitwerking op het Belgische grondgebied gedurende de tijd die nodig is voor zijn doortocht.".
Art. 28. A l'article 62 de la même loi, inséré par la loi du 1er juillet 2006, les modifications suivantes sont apportées :
1° le § 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. La demande du procureur ou l'ordonnance du Tribunal qui porte sur une mesure de contrainte pour laquelle un juge d'instruction est seul compétent est exécutée par le juge d'instruction de l'arrondissement judiciaire où est situé le lieu où la mesure doit être exécutée.
Toutefois, si plusieurs mesures d'exécution sont sollicitées, le ministère public peut charger un des juges territorialement compétents de l'exécution de l'ensemble de ces mesures.";
2° le § 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Les perquisitions et saisies demandées par le Tribunal sont exécutées conformément à la loi belge sans qu'il soit requis que la demande soit rendue exécutoire. Avant de transmettre les pièces au Tribunal, la chambre du conseil du tribunal de première instance de l'arrondissement où les pièces ont été déposées statue, dans les cinq jours de sa saisine, sur la transmission des pièces au Tribunal et se prononce, le cas échéant sur la réclamation des tiers détenteurs ou des tiers prétendant droit sur la chose saisie, que le greffe de la chambre du conseil aura préalablement convoqués par envoi recommandé. Elle statue en dernier ressort et sans possibilité de tierce opposition.";
3° le § 4, alinéa 3, est complété par la phrase suivante :
"Compte tenu du principe de proportionnalité, il peut être accordé cumulativement ou successivement des mesures de protection ordinaires et spéciales.";
4° dans le § 4, sept alinéas, rédigés comme suit, sont insérés entre l'alinéa 3 et l'alinéa 4 :
"Par dérogation à l'article 106 du Code d'instruction criminelle, un changement d'identité peut être accordé à un témoin protégé et à ses proches, par décision de l'autorité centrale, après avoir consulté le président de la commission de protection des témoins.
La nouvelle identité est déterminée sur proposition du service de protection des témoins, après concertation avec la personne concernée ou son représentant légal, et est communiquée à l'autorité centrale par l'intermédiaire du président de la commission de protection des témoins.
La procédure de changement d'identité n'est pas uniquement limitée aux personnes qui possèdent la nationalité belge.
L'autorité centrale peut requérir toute autorité compétente pour assurer la mise en oeuvre de cette décision. Dans ce cadre, l'autorité centrale peut imposer des conditions particulières ou des mesures complémentaires permettant de garantir la protection des témoins.
Le changement des nom, prénoms, date et lieu de naissance est exempté du droit d'enregistrement.
Par dérogation à l'article 45 du Code civil, il ne peut être délivré un extrait ou une copie d'un acte de l'état civil concernant une personne qui a fait l'objet d'un changement d'identité en application du présent paragraphe qu'avec l'autorisation expresse de l'autorité centrale, après consultation du président de la commission de protection des témoins. Il en va de même pour tout document ou certificat que le Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides ou l'Office des Etrangers serait amené à délivrer à la requête de l'autorité centrale.
Il ne peut y avoir d'infraction quand des faits absolument nécessaires sont commis dans le cadre des alinéas 4 à 9 du présent paragraphe, en vue de garantir la protection du témoin.";
5° dans le § 4, alinéa 4, qui devient l'alinéa 11, le mot "précédent" est remplacé par le mot "1er";
6° l'article est complété par les §§ 5 à 7, rédigés comme suit :
" § 5. Toute personne qui est détenue en Belgique peut être, à la demande du Tribunal, transférée temporairement à celui-ci afin qu'il puisse l'identifier, entendre son témoignage ou obtenir d'elle un quelque autre concours d'assistance.
Cette personne peut être transférée, si les conditions suivantes sont remplies :
1° la personne donne, librement et en connaissance de cause, son consentement au transfèrement; et
2° l'autorité centrale donne son accord au transfèrement au Tribunal, sous réserve des conditions dont ils peuvent convenir.
Le transfert temporaire de détenus est organisé par l'autorité centrale en liaison avec le greffier et les autorités de l'Etat hôte du Tribunal.
Les délais en matière de détention préventive sont suspendus pendant la durée de l'absence du territoire de la personne concernée.
§ 6. Sur demande du Tribunal, l'autorité centrale autorise le transport à travers le territoire de la Belgique de toute personne transférée au Tribunal par un autre Etat, sauf dans le cas où le transit gênerait ou retarderait la remise.
Si un atterrissage imprévu a lieu sur le territoire belge, une demande de transit peut être exigée du Tribunal. La personne transportée est placée en détention en attendant la demande et l'accomplissement du transit. Toutefois, la détention ne peut se prolonger au-delà de nonante-six heures après l'atterrissage imprévu si la demande n'est pas reçue dans ce délai.
§ 7. Sur demande du Tribunal, l'autorité centrale autorise le transport à travers le territoire de la Belgique de toute personne détenue à l'étranger, dans le cadre de l'exécution d'une demande d'entraide judiciaire au siège du Tribunal. Le titre de détention de l'intéressé produira ses effets sur le territoire belge le temps nécessaire à son passage.".
1° le § 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. La demande du procureur ou l'ordonnance du Tribunal qui porte sur une mesure de contrainte pour laquelle un juge d'instruction est seul compétent est exécutée par le juge d'instruction de l'arrondissement judiciaire où est situé le lieu où la mesure doit être exécutée.
Toutefois, si plusieurs mesures d'exécution sont sollicitées, le ministère public peut charger un des juges territorialement compétents de l'exécution de l'ensemble de ces mesures.";
2° le § 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Les perquisitions et saisies demandées par le Tribunal sont exécutées conformément à la loi belge sans qu'il soit requis que la demande soit rendue exécutoire. Avant de transmettre les pièces au Tribunal, la chambre du conseil du tribunal de première instance de l'arrondissement où les pièces ont été déposées statue, dans les cinq jours de sa saisine, sur la transmission des pièces au Tribunal et se prononce, le cas échéant sur la réclamation des tiers détenteurs ou des tiers prétendant droit sur la chose saisie, que le greffe de la chambre du conseil aura préalablement convoqués par envoi recommandé. Elle statue en dernier ressort et sans possibilité de tierce opposition.";
3° le § 4, alinéa 3, est complété par la phrase suivante :
"Compte tenu du principe de proportionnalité, il peut être accordé cumulativement ou successivement des mesures de protection ordinaires et spéciales.";
4° dans le § 4, sept alinéas, rédigés comme suit, sont insérés entre l'alinéa 3 et l'alinéa 4 :
"Par dérogation à l'article 106 du Code d'instruction criminelle, un changement d'identité peut être accordé à un témoin protégé et à ses proches, par décision de l'autorité centrale, après avoir consulté le président de la commission de protection des témoins.
La nouvelle identité est déterminée sur proposition du service de protection des témoins, après concertation avec la personne concernée ou son représentant légal, et est communiquée à l'autorité centrale par l'intermédiaire du président de la commission de protection des témoins.
La procédure de changement d'identité n'est pas uniquement limitée aux personnes qui possèdent la nationalité belge.
L'autorité centrale peut requérir toute autorité compétente pour assurer la mise en oeuvre de cette décision. Dans ce cadre, l'autorité centrale peut imposer des conditions particulières ou des mesures complémentaires permettant de garantir la protection des témoins.
Le changement des nom, prénoms, date et lieu de naissance est exempté du droit d'enregistrement.
Par dérogation à l'article 45 du Code civil, il ne peut être délivré un extrait ou une copie d'un acte de l'état civil concernant une personne qui a fait l'objet d'un changement d'identité en application du présent paragraphe qu'avec l'autorisation expresse de l'autorité centrale, après consultation du président de la commission de protection des témoins. Il en va de même pour tout document ou certificat que le Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides ou l'Office des Etrangers serait amené à délivrer à la requête de l'autorité centrale.
Il ne peut y avoir d'infraction quand des faits absolument nécessaires sont commis dans le cadre des alinéas 4 à 9 du présent paragraphe, en vue de garantir la protection du témoin.";
5° dans le § 4, alinéa 4, qui devient l'alinéa 11, le mot "précédent" est remplacé par le mot "1er";
6° l'article est complété par les §§ 5 à 7, rédigés comme suit :
" § 5. Toute personne qui est détenue en Belgique peut être, à la demande du Tribunal, transférée temporairement à celui-ci afin qu'il puisse l'identifier, entendre son témoignage ou obtenir d'elle un quelque autre concours d'assistance.
Cette personne peut être transférée, si les conditions suivantes sont remplies :
1° la personne donne, librement et en connaissance de cause, son consentement au transfèrement; et
2° l'autorité centrale donne son accord au transfèrement au Tribunal, sous réserve des conditions dont ils peuvent convenir.
Le transfert temporaire de détenus est organisé par l'autorité centrale en liaison avec le greffier et les autorités de l'Etat hôte du Tribunal.
Les délais en matière de détention préventive sont suspendus pendant la durée de l'absence du territoire de la personne concernée.
§ 6. Sur demande du Tribunal, l'autorité centrale autorise le transport à travers le territoire de la Belgique de toute personne transférée au Tribunal par un autre Etat, sauf dans le cas où le transit gênerait ou retarderait la remise.
Si un atterrissage imprévu a lieu sur le territoire belge, une demande de transit peut être exigée du Tribunal. La personne transportée est placée en détention en attendant la demande et l'accomplissement du transit. Toutefois, la détention ne peut se prolonger au-delà de nonante-six heures après l'atterrissage imprévu si la demande n'est pas reçue dans ce délai.
§ 7. Sur demande du Tribunal, l'autorité centrale autorise le transport à travers le territoire de la Belgique de toute personne détenue à l'étranger, dans le cadre de l'exécution d'une demande d'entraide judiciaire au siège du Tribunal. Le titre de détention de l'intéressé produira ses effets sur le territoire belge le temps nécessaire à son passage.".
Art. 29. In titel V van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 1 juli 2006, wordt een hoofdstuk III ingevoegd, luidende "Strafuitvoering".
Art. 29. Dans le titre V de la même loi, inséré par la loi du 1er juillet 2006, il est inséré un chapitre III intitulé "Exécution des peines".
Art. 30. In hoofdstuk III, ingevoegd bij artikel 29, wordt een artikel 63bis ingevoegd, luidende :
"Art. 63bis. § 1. Voor zover België met het Tribunaal een bilaterale overeenkomst inzake strafuitvoering heeft gesloten, is de gevangenisstraf rechtstreeks en onmiddellijk uitvoerbaar in België.
§ 2. Binnen vierentwintig uur na de aankomst van de overgebrachte persoon in de strafinrichting die hem is aangewezen, verschijnt hij voor de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats van detentie is gelegen. De procureur des Konings ondervraagt hem over zijn identiteit, maakt daarvan proces-verbaal op en gelast op grond van het origineel of van een uitgifte van het vonnis van het Tribunaal de onmiddellijke opsluiting van de veroordeelde.
§ 3. De procedures inzake vervroegde invrijheidstelling worden uitsluitend geregeld in het Statuut van het Tribunaal. De door het Tribunaal gewezen beslissingen zijn onmiddellijk uitvoerbaar in België.
In dit kader zijn de bepalingen van de Belgische wetgeving met betrekking tot de wijze van strafuitvoering niet van toepassing op de gedetineerde die in België een door het Tribunaal uitgesproken vrijheidsbenemende straf ondergaat.
§ 4. Na raadpleging van de penitentiaire administratie geeft de centrale autoriteit een omstandig advies wanneer het Tribunaal, bij de uitoefening van zijn bevoegdheden op het vlak van vervroegde invrijheidstelling, haar daarom verzoekt.
§ 5. In geval van medische redenen die een vervroegde invrijheidstelling nodig zouden maken, brengt de centrale autoriteit het Tribunaal, dat als enige bevoegd is om over een dergelijke invrijheidstelling te beslissen, hiervan zo snel mogelijk op de hoogte.
§ 6. Het verzoek tot herziening van de beslissing van het Tribunaal inzake de schuld of de straf, de beslissing inzake de herziening en de toepassing ervan worden beheerst door het Statuut van voornoemd Tribunaal, alsmede door de bilaterale overeenkomst houdende tenuitvoerlegging van de straffen gesloten tussen België en dat Tribunaal.".
"Art. 63bis. § 1. Voor zover België met het Tribunaal een bilaterale overeenkomst inzake strafuitvoering heeft gesloten, is de gevangenisstraf rechtstreeks en onmiddellijk uitvoerbaar in België.
§ 2. Binnen vierentwintig uur na de aankomst van de overgebrachte persoon in de strafinrichting die hem is aangewezen, verschijnt hij voor de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats van detentie is gelegen. De procureur des Konings ondervraagt hem over zijn identiteit, maakt daarvan proces-verbaal op en gelast op grond van het origineel of van een uitgifte van het vonnis van het Tribunaal de onmiddellijke opsluiting van de veroordeelde.
§ 3. De procedures inzake vervroegde invrijheidstelling worden uitsluitend geregeld in het Statuut van het Tribunaal. De door het Tribunaal gewezen beslissingen zijn onmiddellijk uitvoerbaar in België.
In dit kader zijn de bepalingen van de Belgische wetgeving met betrekking tot de wijze van strafuitvoering niet van toepassing op de gedetineerde die in België een door het Tribunaal uitgesproken vrijheidsbenemende straf ondergaat.
§ 4. Na raadpleging van de penitentiaire administratie geeft de centrale autoriteit een omstandig advies wanneer het Tribunaal, bij de uitoefening van zijn bevoegdheden op het vlak van vervroegde invrijheidstelling, haar daarom verzoekt.
§ 5. In geval van medische redenen die een vervroegde invrijheidstelling nodig zouden maken, brengt de centrale autoriteit het Tribunaal, dat als enige bevoegd is om over een dergelijke invrijheidstelling te beslissen, hiervan zo snel mogelijk op de hoogte.
§ 6. Het verzoek tot herziening van de beslissing van het Tribunaal inzake de schuld of de straf, de beslissing inzake de herziening en de toepassing ervan worden beheerst door het Statuut van voornoemd Tribunaal, alsmede door de bilaterale overeenkomst houdende tenuitvoerlegging van de straffen gesloten tussen België en dat Tribunaal.".
Art. 30. Dans le chapitre III, inséré par l'article 29, il est inséré un article 63bis rédigé comme suit :
"Art. 63bis. § 1er. Dans la mesure où la Belgique a conclu un accord bilatéral d'exécution des peines avec le Tribunal, la peine d'emprisonnement est directement et immédiatement exécutoire en Belgique.
§ 2. Dans les vingt-quatre heures suivant son arrivée dans l'établissement pénitentiaire qui lui a été assigné, la personne transférée comparaît devant le procureur du Roi près le tribunal de première instance de l'arrondissement judiciaire où est situé le lieu de la détention. Le procureur du Roi procède à l'interrogatoire d'identité, en dresse procès-verbal et, au vu de l'original ou d'une expédition du jugement du Tribunal, ordonne l'incarcération immédiate du condamné.
§ 3. Les procédures de libération anticipée sont régies exclusivement par le Statut du Tribunal. Les décisions rendues par le Tribunal sont exécutoires immédiatement en Belgique.
Dans ce cadre, les dispositions de la législation belge relatives aux modalités d'exécution des peines ne s'appliquent pas au détenu qui exécute, en Belgique, une peine privative de liberté prononcée par le Tribunal.
§ 4. L'autorité centrale, après consultation de l'administration pénitentiaire, rend un avis circonstancié lorsque le Tribunal, dans l'exercice de ses compétences en matière de libération anticipée, le lui demande.
§ 5. En cas de raisons médicales qui nécessiteraient une libération anticipée, l'autorité centrale en avise dès que possible le Tribunal, seul compétent pour décider d'une telle libération.
§ 6. La demande de révision de la décision du Tribunal sur la culpabilité ou sur la peine, la décision de révision et son application sont régies par le Statut du Tribunal ainsi que par l'accord bilatéral d'exécution des peines conclu entre la Belgique et le Tribunal.".
"Art. 63bis. § 1er. Dans la mesure où la Belgique a conclu un accord bilatéral d'exécution des peines avec le Tribunal, la peine d'emprisonnement est directement et immédiatement exécutoire en Belgique.
§ 2. Dans les vingt-quatre heures suivant son arrivée dans l'établissement pénitentiaire qui lui a été assigné, la personne transférée comparaît devant le procureur du Roi près le tribunal de première instance de l'arrondissement judiciaire où est situé le lieu de la détention. Le procureur du Roi procède à l'interrogatoire d'identité, en dresse procès-verbal et, au vu de l'original ou d'une expédition du jugement du Tribunal, ordonne l'incarcération immédiate du condamné.
§ 3. Les procédures de libération anticipée sont régies exclusivement par le Statut du Tribunal. Les décisions rendues par le Tribunal sont exécutoires immédiatement en Belgique.
Dans ce cadre, les dispositions de la législation belge relatives aux modalités d'exécution des peines ne s'appliquent pas au détenu qui exécute, en Belgique, une peine privative de liberté prononcée par le Tribunal.
§ 4. L'autorité centrale, après consultation de l'administration pénitentiaire, rend un avis circonstancié lorsque le Tribunal, dans l'exercice de ses compétences en matière de libération anticipée, le lui demande.
§ 5. En cas de raisons médicales qui nécessiteraient une libération anticipée, l'autorité centrale en avise dès que possible le Tribunal, seul compétent pour décider d'une telle libération.
§ 6. La demande de révision de la décision du Tribunal sur la culpabilité ou sur la peine, la décision de révision et son application sont régies par le Statut du Tribunal ainsi que par l'accord bilatéral d'exécution des peines conclu entre la Belgique et le Tribunal.".
Art. 31. In hetzelfde hoofdstuk III, wordt een nieuw artikel 63ter ingevoegd, luidende :
"Art. 63ter. Onverminderd de rechten van derden te goeder trouw legt België de maatregelen houdende verbeurdverklaring ten uitvoer die het Tribunaal heeft bevolen. Wanneer het Tribunaal België verzoekt een beslissing tot verbeurdverklaring ten uitvoer te leggen, verklaart de correctionele rechtbank van het gerechtelijk arrondissement waarin de goederen gelegen zijn waarop de verbeurdverklaring betrekking heeft, die beslissing uitvoerbaar, na het openbaar ministerie en de veroordeelde persoon of zijn raadsman te hebben gehoord. Indien het onmogelijk is gevolg te geven aan het bevel tot verbeurdverklaring, worden gelijkwaardige maatregelen genomen zoals bedoeld in artikel 43bis, tweede lid, van het Strafwetboek, zulks onverminderd de rechten van derden te goeder trouw. De goederen of de opbrengst uit de verkoop van onroerende goederen of, in voorkomend geval, van andere goederen verkregen ingevolge de tenuitvoerlegging van een arrest van het Tribunaal, worden door de centrale autoriteit overgedragen aan het Tribunaal.".
"Art. 63ter. Onverminderd de rechten van derden te goeder trouw legt België de maatregelen houdende verbeurdverklaring ten uitvoer die het Tribunaal heeft bevolen. Wanneer het Tribunaal België verzoekt een beslissing tot verbeurdverklaring ten uitvoer te leggen, verklaart de correctionele rechtbank van het gerechtelijk arrondissement waarin de goederen gelegen zijn waarop de verbeurdverklaring betrekking heeft, die beslissing uitvoerbaar, na het openbaar ministerie en de veroordeelde persoon of zijn raadsman te hebben gehoord. Indien het onmogelijk is gevolg te geven aan het bevel tot verbeurdverklaring, worden gelijkwaardige maatregelen genomen zoals bedoeld in artikel 43bis, tweede lid, van het Strafwetboek, zulks onverminderd de rechten van derden te goeder trouw. De goederen of de opbrengst uit de verkoop van onroerende goederen of, in voorkomend geval, van andere goederen verkregen ingevolge de tenuitvoerlegging van een arrest van het Tribunaal, worden door de centrale autoriteit overgedragen aan het Tribunaal.".
Art. 31. Dans le même chapitre III, il est inséré un article 63ter rédigé comme suit :
"Art. 63ter. La Belgique exécute les mesures de confiscation ordonnées par le Tribunal sans préjudice des droits des tiers de bonne foi. Lorsqu'une demande tendant à l'exécution d'une décision de confiscation est adressée par le Tribunal à la Belgique, le tribunal correctionnel de l'arrondissement judiciaire où les biens sur lesquels porte la confiscation sont situés rend cette décision exécutoire, après avoir entendu le ministère public et la personne condamnée ou son conseil. Lorsqu'il est impossible de donner effet à l'ordonnance de confiscation, des mesures de confiscation par équivalent, visées à l'article 43bis, alinéa 2, du Code pénal, sont prises sans préjudice des droits des tiers de bonne foi. Les biens ou le produit de la vente de biens immobiliers ou, le cas échéant, d'autres biens, obtenus en exécution d'un arrêt prononcé par le Tribunal, sont transférés au Tribunal par l'intermédiaire de l'autorité centrale.".
"Art. 63ter. La Belgique exécute les mesures de confiscation ordonnées par le Tribunal sans préjudice des droits des tiers de bonne foi. Lorsqu'une demande tendant à l'exécution d'une décision de confiscation est adressée par le Tribunal à la Belgique, le tribunal correctionnel de l'arrondissement judiciaire où les biens sur lesquels porte la confiscation sont situés rend cette décision exécutoire, après avoir entendu le ministère public et la personne condamnée ou son conseil. Lorsqu'il est impossible de donner effet à l'ordonnance de confiscation, des mesures de confiscation par équivalent, visées à l'article 43bis, alinéa 2, du Code pénal, sont prises sans préjudice des droits des tiers de bonne foi. Les biens ou le produit de la vente de biens immobiliers ou, le cas échéant, d'autres biens, obtenus en exécution d'un arrêt prononcé par le Tribunal, sont transférés au Tribunal par l'intermédiaire de l'autorité centrale.".
Art. 32. In artikel 64 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 1 juli 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de Franse tekst wordt het woord "Kampouchéa" telkens vervangen door het woord "Kampuchéa";
2° het artikel wordt aangevuld met twee streepjes, luidende :
"- "Centrale autoriteit" : de autoriteit die bevoegd is voor samenwerking tussen België en de bijzondere kamers, te weten, binnen de Federale Overheidsdienst Justitie, de dienst internationaal humanitair recht, aangewezen bij het koninklijk besluit van 17 september 2005 houdende oprichting van een dienst internationaal humanitair recht;
- "Openbaar ministerie" : de federale procureur.".
1° in de Franse tekst wordt het woord "Kampouchéa" telkens vervangen door het woord "Kampuchéa";
2° het artikel wordt aangevuld met twee streepjes, luidende :
"- "Centrale autoriteit" : de autoriteit die bevoegd is voor samenwerking tussen België en de bijzondere kamers, te weten, binnen de Federale Overheidsdienst Justitie, de dienst internationaal humanitair recht, aangewezen bij het koninklijk besluit van 17 september 2005 houdende oprichting van een dienst internationaal humanitair recht;
- "Openbaar ministerie" : de federale procureur.".
Art. 32. A l'article 64 de la même loi, inséré par la loi du 1er juillet 2006, les modifications suivantes sont apportées :
1° le mot "Kampouchéa" est chaque fois remplacé par le mot "Kampuchéa";
2° l'article est complété par deux tirets rédigés comme suit :
"- "Autorité centrale" : l'autorité compétente en matière de coopération entre la Belgique et les Chambres extraordinaires, soit, au sein du Service public fédéral Justice, le service de droit international humanitaire, désigné par l'arrêté royal du 17 septembre 2005 relatif à la création d'un service de droit international humanitaire;
- "Ministère public " : le procureur fédéral.".
1° le mot "Kampouchéa" est chaque fois remplacé par le mot "Kampuchéa";
2° l'article est complété par deux tirets rédigés comme suit :
"- "Autorité centrale" : l'autorité compétente en matière de coopération entre la Belgique et les Chambres extraordinaires, soit, au sein du Service public fédéral Justice, le service de droit international humanitaire, désigné par l'arrêté royal du 17 septembre 2005 relatif à la création d'un service de droit international humanitaire;
- "Ministère public " : le procureur fédéral.".
Art. 33. Artikel 66 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 1 juli 2006, wordt vervangen als volgt :
"Art. 66. § 1. De centrale autoriteit is bevoegd om de verzoeken uitgaande van de bijzondere kamers in ontvangst te nemen, om de verzoeken om samenwerking uitgaande van de bevoegde Belgische autoriteiten over te zenden aan de bijzondere kamers en om elke informatie van gerechtelijke aard die onder de bevoegdheid van de bijzondere kamers kan vallen, over te zenden aan de bijzondere kamers. Zij staat in voor de opvolging ervan.
§ 2. De verzoeken van de bijzondere kamers worden aan de centrale autoriteit gericht door elk communicatiemiddel dat een geschrift nalaat. Zij moeten worden opgesteld in een van de officiële talen van België of, zoniet, vergezeld gaan van een voor eensluidend verklaarde vertaling in een van deze talen.
§ 3. De bevoegde Belgische autoriteiten kunnen om de medewerking van de bijzondere kamers verzoeken. De verzoeken worden overgezonden door toedoen van de centrale autoriteit. De Belgische autoriteiten moeten de voorwaarden in acht nemen waarvan de bijzondere kamers de tenuitvoerlegging van het verzoek afhankelijk stellen. Indien de stukken tot staving niet zijn opgesteld in een van de werktalen van de bijzondere kamers, moeten zij vergezeld gaan van een vertaling in een van deze talen.".
"Art. 66. § 1. De centrale autoriteit is bevoegd om de verzoeken uitgaande van de bijzondere kamers in ontvangst te nemen, om de verzoeken om samenwerking uitgaande van de bevoegde Belgische autoriteiten over te zenden aan de bijzondere kamers en om elke informatie van gerechtelijke aard die onder de bevoegdheid van de bijzondere kamers kan vallen, over te zenden aan de bijzondere kamers. Zij staat in voor de opvolging ervan.
§ 2. De verzoeken van de bijzondere kamers worden aan de centrale autoriteit gericht door elk communicatiemiddel dat een geschrift nalaat. Zij moeten worden opgesteld in een van de officiële talen van België of, zoniet, vergezeld gaan van een voor eensluidend verklaarde vertaling in een van deze talen.
§ 3. De bevoegde Belgische autoriteiten kunnen om de medewerking van de bijzondere kamers verzoeken. De verzoeken worden overgezonden door toedoen van de centrale autoriteit. De Belgische autoriteiten moeten de voorwaarden in acht nemen waarvan de bijzondere kamers de tenuitvoerlegging van het verzoek afhankelijk stellen. Indien de stukken tot staving niet zijn opgesteld in een van de werktalen van de bijzondere kamers, moeten zij vergezeld gaan van een vertaling in een van deze talen.".
Art. 33. L'article 66 de la même loi, inséré par la loi du 1er juillet 2006, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 66. § 1er. L'autorité centrale est compétente pour recevoir les demandes formulées par les Chambres extraordinaires, pour transmettre aux Chambres extraordinaires les demandes de coopération provenant des autorités belges compétentes et pour transmettre aux Chambres extraordinaires toute information à caractère judiciaire pouvant relever de la compétence des Chambres extraordinaires. Elle en assure le suivi.
§ 2. Les demandes des Chambres extraordinaires sont adressées à l'autorité centrale par tout moyen de communication laissant une trace écrite. Elles doivent être rédigées dans une des langues officielles de la Belgique ou, à défaut, être accompagnées d'une traduction certifiée conforme dans l'une de ces langues.
§ 3. Les autorités belges compétentes peuvent solliciter la coopération des Chambres extraordinaires. Les demandes sont transmises par l'intermédiaire de l'autorité centrale. Les autorités belges sont tenues de respecter les conditions dont les Chambres extraordinaires assortissent l'exécution de la demande. Les pièces justificatives, si elles ne sont pas rédigées dans une des langues de travail des Chambres extraordinaires, doivent être accompagnées d'une traduction dans l'une de ces langues.".
"Art. 66. § 1er. L'autorité centrale est compétente pour recevoir les demandes formulées par les Chambres extraordinaires, pour transmettre aux Chambres extraordinaires les demandes de coopération provenant des autorités belges compétentes et pour transmettre aux Chambres extraordinaires toute information à caractère judiciaire pouvant relever de la compétence des Chambres extraordinaires. Elle en assure le suivi.
§ 2. Les demandes des Chambres extraordinaires sont adressées à l'autorité centrale par tout moyen de communication laissant une trace écrite. Elles doivent être rédigées dans une des langues officielles de la Belgique ou, à défaut, être accompagnées d'une traduction certifiée conforme dans l'une de ces langues.
§ 3. Les autorités belges compétentes peuvent solliciter la coopération des Chambres extraordinaires. Les demandes sont transmises par l'intermédiaire de l'autorité centrale. Les autorités belges sont tenues de respecter les conditions dont les Chambres extraordinaires assortissent l'exécution de la demande. Les pièces justificatives, si elles ne sont pas rédigées dans une des langues de travail des Chambres extraordinaires, doivent être accompagnées d'une traduction dans l'une de ces langues.".
Art. 34. In artikel 68 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 1 juli 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt :
" § 2. Het verzoek van de aanklager of de onderzoeksrechter, of de beschikking van de bijzondere kamers die betrekking heeft op een dwangmaatregel waarvoor enkel een onderzoeksrechter bevoegd is, wordt ten uitvoer gelegd door de onderzoeksrechter van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats is gelegen waar de maatregel moet worden uitgevoerd.
Indien echter verschillende uitvoeringsmaatregelen worden gevraagd, kan het openbaar ministerie een van de territoriaal bevoegde rechters belasten met de uitvoering van al die maatregelen.";
2° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt :
" § 3. Huiszoekingen en inbeslagnemingen waar de bijzondere kamers om verzoeken, worden ten uitvoer gelegd overeenkomstig de Belgische wetgeving, zonder dat het verzoek uitvoerbaar moet worden verklaard. Alvorens de stukken aan de bijzondere kamers toe te zenden, doet de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de stukken zijn neergelegd, binnen vijf dagen nadat de zaak bij haar aanhangig is gemaakt, uitspraak over de overzending van de stukken aan de bijzondere kamers en, in voorkomend geval, over de vordering van derden-bezitters of van derden die beweren recht te hebben op de in beslag genomen zaak, die de griffie van de raadkamer vooraf heeft opgeroepen bij aangetekende zending. Zij doet uitspraak in laatste aanleg, zonder mogelijkheid tot derdenverzet.";
3° paragraaf 4, eerste lid, wordt aangevuld met een zin, luidende :
"Met inachtneming van het beginsel van proportionaliteit kunnen samen of achtereenvolgens gewone en bijzondere beschermingsmaatregelen worden toegekend.";
4° in § 4 worden tussen het eerste en tweede lid zeven leden ingevoegd, luidende :
"In afwijking van artikel 106 van het Wetboek van strafvordering kan een identiteitswijziging worden toegekend aan een beschermde getuige en aan zijn verwanten, op beslissing van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie.
De nieuwe identiteit wordt vastgesteld op voorstel van de getuigenbeschermingsdienst, na overleg met de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger en wordt door tussenkomst van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie aan de centrale autoriteit meegedeeld.
De procedure van identiteitswijziging is niet enkel beperkt tot de personen die de Belgische nationaliteit bezitten.
De centrale autoriteit kan elke bevoegde autoriteit verzoeken om te zorgen voor de tenuitvoerlegging van deze beslissing. In dat kader kan de centrale autoriteit bijzondere voorwaarden of aanvullende maatregelen opleggen om de bescherming van de getuigen te kunnen waarborgen.
De verandering van naam, voornamen, geboortedatum en -plaats is vrijgesteld van registratierecht.
In afwijking van artikel 45 van het Burgerlijk Wetboek kan enkel met de uitdrukkelijke toestemming van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie, een uittreksel of afschrift worden afgegeven van een akte van de burgerlijke stand betreffende een persoon van wie de identiteit overeenkomstig deze paragraaf is gewijzigd. Hetzelfde geldt voor elk document of attest dat het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of de Dienst Vreemdelingenzaken moet afgeven, op verzoek van de centrale autoriteit.
Er kan geen misdrijf zijn wanneer strikt noodzakelijke feiten worden gepleegd in het kader van het tweede tot het zevende lid van deze paragraaf ter verzekering van de bescherming van de getuige.";
5° in § 4, tweede lid, dat het negende lid wordt, wordt het woord "vorige" vervangen door het woord "eerste";
6° het artikel wordt aangevuld met de §§ 5 tot 7, luidende :
" § 5. Elke in België gedetineerde persoon kan op verzoek van de bijzondere kamers tijdelijk naar de bijzondere kamers worden overgebracht om hem te kunnen identificeren, zijn getuigenis te horen of van hem enige andere vorm van bijstand te verkrijgen.
Deze persoon kan worden overgebracht indien aan de volgende voorwaarden is voldaan :
1° de persoon stemt vrijelijk en met kennis van zaken in met de overbrenging; en
2° de centrale autoriteit stemt in met de overbrenging naar de bijzondere kamers, onder voorbehoud van de eventueel overeengekomen voorwaarden.
De centrale autoriteit regelt de tijdelijke overbrenging van gedetineerde personen in samenwerking met de griffier en met de autoriteiten van de Gaststaat van de bijzondere kamers.
De termijnen inzake voorlopige hechtenis worden geschorst zolang de betrokkene zich niet op het grondgebied bevindt.
§ 6. Op verzoek van de bijzondere kamers stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere persoon die door een andere Staat aan de bijzondere kamers overgedragen wordt, behalve wanneer de doorvoer de overdracht zou hinderen of vertragen.
Ingeval een onvoorziene landing plaatsvindt op het Belgische grondgebied, kan van de bijzondere kamers een verzoek tot doorvoer worden geëist. De vervoerde persoon wordt in detentie geplaatst in afwachting van de ontvangst van het verzoek en de totstandbrenging van de doorvoer. De detentie mag evenwel niet langer duren dan zesennegentig uur te rekenen vanaf de onvoorziene landing, indien het verzoek niet binnen die termijn wordt ontvangen.
§ 7. Op verzoek van de bijzondere kamers stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere in het Buitenland gedetineerde persoon, in het kader van de tenuitvoerlegging van een verzoek om wederzijdse rechtshulp op de zetel van de bijzondere kamers. Het bevel tot aanhouding van de betrokkene heeft uitwerking op het Belgische grondgebied gedurende de tijd die nodig is voor zijn doortocht.".
1° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt :
" § 2. Het verzoek van de aanklager of de onderzoeksrechter, of de beschikking van de bijzondere kamers die betrekking heeft op een dwangmaatregel waarvoor enkel een onderzoeksrechter bevoegd is, wordt ten uitvoer gelegd door de onderzoeksrechter van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats is gelegen waar de maatregel moet worden uitgevoerd.
Indien echter verschillende uitvoeringsmaatregelen worden gevraagd, kan het openbaar ministerie een van de territoriaal bevoegde rechters belasten met de uitvoering van al die maatregelen.";
2° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt :
" § 3. Huiszoekingen en inbeslagnemingen waar de bijzondere kamers om verzoeken, worden ten uitvoer gelegd overeenkomstig de Belgische wetgeving, zonder dat het verzoek uitvoerbaar moet worden verklaard. Alvorens de stukken aan de bijzondere kamers toe te zenden, doet de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de stukken zijn neergelegd, binnen vijf dagen nadat de zaak bij haar aanhangig is gemaakt, uitspraak over de overzending van de stukken aan de bijzondere kamers en, in voorkomend geval, over de vordering van derden-bezitters of van derden die beweren recht te hebben op de in beslag genomen zaak, die de griffie van de raadkamer vooraf heeft opgeroepen bij aangetekende zending. Zij doet uitspraak in laatste aanleg, zonder mogelijkheid tot derdenverzet.";
3° paragraaf 4, eerste lid, wordt aangevuld met een zin, luidende :
"Met inachtneming van het beginsel van proportionaliteit kunnen samen of achtereenvolgens gewone en bijzondere beschermingsmaatregelen worden toegekend.";
4° in § 4 worden tussen het eerste en tweede lid zeven leden ingevoegd, luidende :
"In afwijking van artikel 106 van het Wetboek van strafvordering kan een identiteitswijziging worden toegekend aan een beschermde getuige en aan zijn verwanten, op beslissing van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie.
De nieuwe identiteit wordt vastgesteld op voorstel van de getuigenbeschermingsdienst, na overleg met de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger en wordt door tussenkomst van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie aan de centrale autoriteit meegedeeld.
De procedure van identiteitswijziging is niet enkel beperkt tot de personen die de Belgische nationaliteit bezitten.
De centrale autoriteit kan elke bevoegde autoriteit verzoeken om te zorgen voor de tenuitvoerlegging van deze beslissing. In dat kader kan de centrale autoriteit bijzondere voorwaarden of aanvullende maatregelen opleggen om de bescherming van de getuigen te kunnen waarborgen.
De verandering van naam, voornamen, geboortedatum en -plaats is vrijgesteld van registratierecht.
In afwijking van artikel 45 van het Burgerlijk Wetboek kan enkel met de uitdrukkelijke toestemming van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie, een uittreksel of afschrift worden afgegeven van een akte van de burgerlijke stand betreffende een persoon van wie de identiteit overeenkomstig deze paragraaf is gewijzigd. Hetzelfde geldt voor elk document of attest dat het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of de Dienst Vreemdelingenzaken moet afgeven, op verzoek van de centrale autoriteit.
Er kan geen misdrijf zijn wanneer strikt noodzakelijke feiten worden gepleegd in het kader van het tweede tot het zevende lid van deze paragraaf ter verzekering van de bescherming van de getuige.";
5° in § 4, tweede lid, dat het negende lid wordt, wordt het woord "vorige" vervangen door het woord "eerste";
6° het artikel wordt aangevuld met de §§ 5 tot 7, luidende :
" § 5. Elke in België gedetineerde persoon kan op verzoek van de bijzondere kamers tijdelijk naar de bijzondere kamers worden overgebracht om hem te kunnen identificeren, zijn getuigenis te horen of van hem enige andere vorm van bijstand te verkrijgen.
Deze persoon kan worden overgebracht indien aan de volgende voorwaarden is voldaan :
1° de persoon stemt vrijelijk en met kennis van zaken in met de overbrenging; en
2° de centrale autoriteit stemt in met de overbrenging naar de bijzondere kamers, onder voorbehoud van de eventueel overeengekomen voorwaarden.
De centrale autoriteit regelt de tijdelijke overbrenging van gedetineerde personen in samenwerking met de griffier en met de autoriteiten van de Gaststaat van de bijzondere kamers.
De termijnen inzake voorlopige hechtenis worden geschorst zolang de betrokkene zich niet op het grondgebied bevindt.
§ 6. Op verzoek van de bijzondere kamers stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere persoon die door een andere Staat aan de bijzondere kamers overgedragen wordt, behalve wanneer de doorvoer de overdracht zou hinderen of vertragen.
Ingeval een onvoorziene landing plaatsvindt op het Belgische grondgebied, kan van de bijzondere kamers een verzoek tot doorvoer worden geëist. De vervoerde persoon wordt in detentie geplaatst in afwachting van de ontvangst van het verzoek en de totstandbrenging van de doorvoer. De detentie mag evenwel niet langer duren dan zesennegentig uur te rekenen vanaf de onvoorziene landing, indien het verzoek niet binnen die termijn wordt ontvangen.
§ 7. Op verzoek van de bijzondere kamers stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere in het Buitenland gedetineerde persoon, in het kader van de tenuitvoerlegging van een verzoek om wederzijdse rechtshulp op de zetel van de bijzondere kamers. Het bevel tot aanhouding van de betrokkene heeft uitwerking op het Belgische grondgebied gedurende de tijd die nodig is voor zijn doortocht.".
Art. 34. A l'article 68 de la même loi, inséré par la loi du 1er juillet 2006, les modifications suivantes sont apportées :
1° le § 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. La demande du procureur ou du juge d'instruction, ou l'ordonnance des Chambres extraordinaires qui porte sur une mesure de contrainte pour laquelle un juge d'instruction est seul compétent est exécutée par le juge d'instruction de l'arrondissement judiciaire où est situé le lieu où la mesure doit être exécutée.
Toutefois, si plusieurs mesures d'exécution sont sollicitées, le ministère public peut charger un des juges territorialement compétents de l'exécution de l'ensemble de ces mesures.";
2° le § 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Les perquisitions et saisies demandées par les Chambres extraordinaires sont exécutées conformément à la loi belge sans qu'il soit requis que la demande soit rendue exécutoire. Avant de transmettre les pièces aux Chambres extraordinaires, la chambre du conseil du tribunal de première instance de l'arrondissement où les pièces ont été déposées statue, dans les cinq jours de sa saisine, sur la transmission des pièces aux Chambres extraordinaires et se prononce, le cas échéant, sur la réclamation des tiers détenteurs ou des tiers prétendant droit sur la chose saisie, que le greffe de la chambre du conseil aura préalablement convoqués par envoi recommandé. Elle statue en dernier ressort et sans possibilité de tierce opposition.";
3° le § 4, alinéa 1er, est complété par la phrase suivante :
"Compte tenu du principe de proportionnalité, il peut être accordé cumulativement ou successivement des mesures de protection ordinaires et spéciales.";
4° dans le § 4, sept alinéas, rédigés comme suit, sont insérés entre l'alinéa 1er et l'alinéa 2 :
"Par dérogation à l'article 106 du Code d'instruction criminelle, un changement d'identité peut être accordé à un témoin protégé et à ses proches, par décision de l'autorité centrale, après avoir consulté le président de la commission de protection des témoins.
La nouvelle identité est déterminée sur proposition du service de protection des témoins, après concertation avec la personne concernée ou son représentant légal, et est communiquée à l'autorité centrale par l'intermédiaire du président de la commission de protection des témoins.
La procédure de changement d'identité n'est pas uniquement limitée aux personnes qui possèdent la nationalité belge.
L'autorité centrale peut requérir toute autorité compétente pour assurer la mise en oeuvre de cette décision. Dans ce cadre, l'autorité centrale peut imposer des conditions particulières ou des mesures complémentaires permettant de garantir la protection des témoins.
Le changement des nom, prénoms, date et lieu de naissance est exempté du droit d'enregistrement.
Par dérogation à l'article 45 du Code civil, il ne peut être délivré un extrait ou une copie d'un acte de l'état civil concernant une personne qui a fait l'objet d'un changement d'identité en application du présent paragraphe qu'avec l'autorisation expresse de l'autorité centrale, après consultation du président de la commission de protection des témoins. Il en va de même pour tout document ou certificat que le Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides ou l'Office des Etrangers serait amené à délivrer à la requête de l'autorité centrale.
Il ne peut y avoir d'infraction quand des faits absolument nécessaires sont commis dans le cadre des alinéas 2 à 7 du présent paragraphe, en vue de garantir la protection du témoin.";
5° dans le § 4, alinéa 2, qui devient l'alinéa 9, le mot "précédent" est remplacé par le mot "1er";
6° l'article est complété par les §§ 5 à 7, rédigés comme suit :
" § 5. Toute personne qui est détenue en Belgique peut être, à la demande des Chambres extraordinaires, transférée temporairement à celles-ci afin qu'elles puissent l'identifier, entendre son témoignage ou obtenir d'elle un quelque autre concours d'assistance.
Cette personne peut être transférée, si les conditions suivantes sont remplies :
1° la personne donne, librement et en connaissance de cause, son consentement au transfèrement; et
2° l'autorité centrale donne son accord au transfèrement aux Chambres extraordinaires, sous réserve des conditions dont elles peuvent convenir.
Le transfert temporaire de détenus est organisé par l'autorité centrale en liaison avec le greffier et les autorités de l'Etat hôte des Chambres extraordinaires.
Les délais en matière de détention préventive sont suspendus pendant la durée de l'absence du territoire de la personne concernée.
§ 6. Sur demande des Chambres extraordinaires, l'autorité centrale autorise le transport à travers le territoire de la Belgique de toute personne transférée aux Chambres extraordinaires par un autre Etat, sauf dans le cas où le transit gênerait ou retarderait la remise.
Si un atterrissage imprévu a lieu sur le territoire belge, une demande de transit peut être exigée des Chambres extraordinaires. La personne transportée est placée en détention en attendant la demande et l'accomplissement du transit. Toutefois, la détention ne peut se prolonger au-delà de nonante-six heures après l'atterrissage imprévu si la demande n'est pas reçue dans ce délai.
§ 7. Sur demande des Chambres extraordinaires, l'autorité centrale autorise le transport à travers le territoire de la Belgique de toute personne détenue à l'étranger, dans le cadre de l'exécution d'une demande d'entraide judiciaire au siège des Chambres extraordinaires. Le titre de détention de l'intéressé produira ses effets sur le territoire belge le temps nécessaire à son passage.".
1° le § 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. La demande du procureur ou du juge d'instruction, ou l'ordonnance des Chambres extraordinaires qui porte sur une mesure de contrainte pour laquelle un juge d'instruction est seul compétent est exécutée par le juge d'instruction de l'arrondissement judiciaire où est situé le lieu où la mesure doit être exécutée.
Toutefois, si plusieurs mesures d'exécution sont sollicitées, le ministère public peut charger un des juges territorialement compétents de l'exécution de l'ensemble de ces mesures.";
2° le § 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Les perquisitions et saisies demandées par les Chambres extraordinaires sont exécutées conformément à la loi belge sans qu'il soit requis que la demande soit rendue exécutoire. Avant de transmettre les pièces aux Chambres extraordinaires, la chambre du conseil du tribunal de première instance de l'arrondissement où les pièces ont été déposées statue, dans les cinq jours de sa saisine, sur la transmission des pièces aux Chambres extraordinaires et se prononce, le cas échéant, sur la réclamation des tiers détenteurs ou des tiers prétendant droit sur la chose saisie, que le greffe de la chambre du conseil aura préalablement convoqués par envoi recommandé. Elle statue en dernier ressort et sans possibilité de tierce opposition.";
3° le § 4, alinéa 1er, est complété par la phrase suivante :
"Compte tenu du principe de proportionnalité, il peut être accordé cumulativement ou successivement des mesures de protection ordinaires et spéciales.";
4° dans le § 4, sept alinéas, rédigés comme suit, sont insérés entre l'alinéa 1er et l'alinéa 2 :
"Par dérogation à l'article 106 du Code d'instruction criminelle, un changement d'identité peut être accordé à un témoin protégé et à ses proches, par décision de l'autorité centrale, après avoir consulté le président de la commission de protection des témoins.
La nouvelle identité est déterminée sur proposition du service de protection des témoins, après concertation avec la personne concernée ou son représentant légal, et est communiquée à l'autorité centrale par l'intermédiaire du président de la commission de protection des témoins.
La procédure de changement d'identité n'est pas uniquement limitée aux personnes qui possèdent la nationalité belge.
L'autorité centrale peut requérir toute autorité compétente pour assurer la mise en oeuvre de cette décision. Dans ce cadre, l'autorité centrale peut imposer des conditions particulières ou des mesures complémentaires permettant de garantir la protection des témoins.
Le changement des nom, prénoms, date et lieu de naissance est exempté du droit d'enregistrement.
Par dérogation à l'article 45 du Code civil, il ne peut être délivré un extrait ou une copie d'un acte de l'état civil concernant une personne qui a fait l'objet d'un changement d'identité en application du présent paragraphe qu'avec l'autorisation expresse de l'autorité centrale, après consultation du président de la commission de protection des témoins. Il en va de même pour tout document ou certificat que le Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides ou l'Office des Etrangers serait amené à délivrer à la requête de l'autorité centrale.
Il ne peut y avoir d'infraction quand des faits absolument nécessaires sont commis dans le cadre des alinéas 2 à 7 du présent paragraphe, en vue de garantir la protection du témoin.";
5° dans le § 4, alinéa 2, qui devient l'alinéa 9, le mot "précédent" est remplacé par le mot "1er";
6° l'article est complété par les §§ 5 à 7, rédigés comme suit :
" § 5. Toute personne qui est détenue en Belgique peut être, à la demande des Chambres extraordinaires, transférée temporairement à celles-ci afin qu'elles puissent l'identifier, entendre son témoignage ou obtenir d'elle un quelque autre concours d'assistance.
Cette personne peut être transférée, si les conditions suivantes sont remplies :
1° la personne donne, librement et en connaissance de cause, son consentement au transfèrement; et
2° l'autorité centrale donne son accord au transfèrement aux Chambres extraordinaires, sous réserve des conditions dont elles peuvent convenir.
Le transfert temporaire de détenus est organisé par l'autorité centrale en liaison avec le greffier et les autorités de l'Etat hôte des Chambres extraordinaires.
Les délais en matière de détention préventive sont suspendus pendant la durée de l'absence du territoire de la personne concernée.
§ 6. Sur demande des Chambres extraordinaires, l'autorité centrale autorise le transport à travers le territoire de la Belgique de toute personne transférée aux Chambres extraordinaires par un autre Etat, sauf dans le cas où le transit gênerait ou retarderait la remise.
Si un atterrissage imprévu a lieu sur le territoire belge, une demande de transit peut être exigée des Chambres extraordinaires. La personne transportée est placée en détention en attendant la demande et l'accomplissement du transit. Toutefois, la détention ne peut se prolonger au-delà de nonante-six heures après l'atterrissage imprévu si la demande n'est pas reçue dans ce délai.
§ 7. Sur demande des Chambres extraordinaires, l'autorité centrale autorise le transport à travers le territoire de la Belgique de toute personne détenue à l'étranger, dans le cadre de l'exécution d'une demande d'entraide judiciaire au siège des Chambres extraordinaires. Le titre de détention de l'intéressé produira ses effets sur le territoire belge le temps nécessaire à son passage.".
Art. 35. In titel VI van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 1 juli 2006, wordt een hoofdstuk III ingevoegd, luidende "Strafuitvoering".
Art. 35. Dans le titre VI de la même loi, inséré par la loi du 1er juillet 2006, il est inséré un chapitre III intitulé "Exécution des peines".
Art. 36. In hoofdstuk III, ingevoegd bij artikel 35, wordt een artikel 69bis ingevoegd, luidende :
"Art. 69bis. Onverminderd de rechten van derden te goeder trouw legt België de maatregelen houdende verbeurdverklaring ten uitvoer die de bijzondere kamers hebben bevolen. Wanneer de bijzondere kamers België verzoeken een beslissing tot verbeurdverklaring ten uitvoer te leggen, verklaart de correctionele rechtbank van het gerechtelijk arrondissement waarin de goederen gelegen zijn waarop de verbeurdverklaring betrekking heeft, die beslissing uitvoerbaar, na het openbaar ministerie en de veroordeelde persoon of zijn raadsman te hebben gehoord. Indien het onmogelijk is gevolg te geven aan het bevel tot verbeurdverklaring, kan de correctionele rechtbank van de plaats waar de goederen gelegen zijn waarop de verbeurdverklaring betrekking heeft gelijkwaardige maatregelen bevelen zoals bedoeld in artikel 43bis, tweede lid, van het Strafwetboek, zulks onverminderd de rechten van derden te goeder trouw. De goederen of de opbrengst uit de verkoop van onroerende goederen of, in voorkomend geval, van andere goederen verkregen ingevolge de tenuitvoerlegging van een arrest de bijzondere kamers, worden door de centrale autoriteit overgedragen aan de bijzondere kamers.".
"Art. 69bis. Onverminderd de rechten van derden te goeder trouw legt België de maatregelen houdende verbeurdverklaring ten uitvoer die de bijzondere kamers hebben bevolen. Wanneer de bijzondere kamers België verzoeken een beslissing tot verbeurdverklaring ten uitvoer te leggen, verklaart de correctionele rechtbank van het gerechtelijk arrondissement waarin de goederen gelegen zijn waarop de verbeurdverklaring betrekking heeft, die beslissing uitvoerbaar, na het openbaar ministerie en de veroordeelde persoon of zijn raadsman te hebben gehoord. Indien het onmogelijk is gevolg te geven aan het bevel tot verbeurdverklaring, kan de correctionele rechtbank van de plaats waar de goederen gelegen zijn waarop de verbeurdverklaring betrekking heeft gelijkwaardige maatregelen bevelen zoals bedoeld in artikel 43bis, tweede lid, van het Strafwetboek, zulks onverminderd de rechten van derden te goeder trouw. De goederen of de opbrengst uit de verkoop van onroerende goederen of, in voorkomend geval, van andere goederen verkregen ingevolge de tenuitvoerlegging van een arrest de bijzondere kamers, worden door de centrale autoriteit overgedragen aan de bijzondere kamers.".
Art. 36. Dans le chapitre III, inséré par l'article 35, il est inséré un article 69bis rédigé comme suit :
"Art. 69bis. La Belgique exécute les mesures de confiscation ordonnées par les Chambres extraordinaires sans préjudice des droits des tiers de bonne foi. Lorsqu'une demande tendant à l'exécution d'une décision de confiscation est adressée par les Chambres extraordinaires à la Belgique, le tribunal correctionnel de l'arrondissement judiciaire où les biens sur lesquels porte la confiscation sont situés rend cette décision exécutoire, après avoir entendu le ministère public et la personne condamnée ou son conseil. Lorsqu'il est impossible de donner effet à l'ordonnance de confiscation, des mesures de confiscation par équivalent, visées à l'article 43bis, alinéa 2, du Code pénal, peuvent être ordonnées par le tribunal correctionnel du lieu où sont situés les biens sur lesquels porte la confiscation, sans préjudice des droits des tiers de bonne foi. Les biens ou le produit de la vente de biens immobiliers ou, le cas échéant, d'autres biens, obtenus en exécution d'un arrêt prononcé par les Chambres extraordinaires, sont transférés aux Chambres extraordinaires par l'intermédiaire de l'autorité centrale.".
"Art. 69bis. La Belgique exécute les mesures de confiscation ordonnées par les Chambres extraordinaires sans préjudice des droits des tiers de bonne foi. Lorsqu'une demande tendant à l'exécution d'une décision de confiscation est adressée par les Chambres extraordinaires à la Belgique, le tribunal correctionnel de l'arrondissement judiciaire où les biens sur lesquels porte la confiscation sont situés rend cette décision exécutoire, après avoir entendu le ministère public et la personne condamnée ou son conseil. Lorsqu'il est impossible de donner effet à l'ordonnance de confiscation, des mesures de confiscation par équivalent, visées à l'article 43bis, alinéa 2, du Code pénal, peuvent être ordonnées par le tribunal correctionnel du lieu où sont situés les biens sur lesquels porte la confiscation, sans préjudice des droits des tiers de bonne foi. Les biens ou le produit de la vente de biens immobiliers ou, le cas échéant, d'autres biens, obtenus en exécution d'un arrêt prononcé par les Chambres extraordinaires, sont transférés aux Chambres extraordinaires par l'intermédiaire de l'autorité centrale.".
Art. 37. In dezelfde wet wordt een titel VIbis ingevoegd, luidende "Samenwerking met het Speciaal Tribunaal voor Libanon".
Art. 37. Dans la même loi, il est inséré un titre VIbis intitulé "Coopération avec le Tribunal Spécial pour le Liban".
Art. 38. In titel VIbis, ingevoegd bij artikel 37, wordt een hoofdstuk I ingevoegd, luidende "Algemeen".
Art. 38. Dans le titre VIbis, inséré par l'article 37, il est inséré un chapitre Ier intitulé "Généralités".
Art. 39. In hoofdstuk I, ingevoegd bij artikel 38, wordt een artikel 70 ingevoegd, luidende :
"Art. 70. Voor de toepassing van titel VIbis van deze wet wordt verstaan onder :
- "Tribunaal" : het Speciaal Tribunaal voor Libanon ingesteld bij de internationale overeenkomst van 6 februari 2007 gesloten tussen de Verenigde Naties en de regering van Libanon, en voortvloeiend uit resolutie 1664 (2006) van 29 maart 2006 aangenomen door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties;
- "Statuut" : het Statuut van het Speciaal Tribunaal voor Libanon gevoegd bij de resolutie 1757 (2007) van 30 mei 2007 aangenomen door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties;
- "Aanklager" : de aanklager van het Tribunaal alsmede eenieder die door hem is gemachtigd of onder zijn gezag werkt in het kader van de functie die hij op grond van het Statuut uitoefent;
- "Centrale autoriteit" : de autoriteit die bevoegd is voor samenwerking tussen België en het Speciaal Tribunaal voor Libanon, te weten, binnen de Federale Overheidsdienst Justitie, de dienst internationaal humanitair recht, aangewezen bij het koninklijk besluit van 17 september 2005 houdende oprichting van een dienst internationaal humanitair recht;
- "Openbaar ministerie" : de federale procureur.".
"Art. 70. Voor de toepassing van titel VIbis van deze wet wordt verstaan onder :
- "Tribunaal" : het Speciaal Tribunaal voor Libanon ingesteld bij de internationale overeenkomst van 6 februari 2007 gesloten tussen de Verenigde Naties en de regering van Libanon, en voortvloeiend uit resolutie 1664 (2006) van 29 maart 2006 aangenomen door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties;
- "Statuut" : het Statuut van het Speciaal Tribunaal voor Libanon gevoegd bij de resolutie 1757 (2007) van 30 mei 2007 aangenomen door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties;
- "Aanklager" : de aanklager van het Tribunaal alsmede eenieder die door hem is gemachtigd of onder zijn gezag werkt in het kader van de functie die hij op grond van het Statuut uitoefent;
- "Centrale autoriteit" : de autoriteit die bevoegd is voor samenwerking tussen België en het Speciaal Tribunaal voor Libanon, te weten, binnen de Federale Overheidsdienst Justitie, de dienst internationaal humanitair recht, aangewezen bij het koninklijk besluit van 17 september 2005 houdende oprichting van een dienst internationaal humanitair recht;
- "Openbaar ministerie" : de federale procureur.".
Art. 39. Dans le chapitre Ier, inséré par l'article 38, il est inséré un article 70 rédigé comme suit :
"Art. 70. Aux fins du titre VIbis de la présente loi, les termes ci-après désignent :
- "Tribunal" : le Tribunal Spécial pour le Liban créé par l'accord international du 6 février 2007 conclu entre les Nations unies et le gouvernement du Liban, découlant de la résolution 1664 (2006) du 29 mars 2006 adoptée par le Conseil de sécurité des Nations unies;
- "Statut" : le Statut du Tribunal Spécial pour le Liban annexé à la résolution 1757 (2007) du 30 mai 2007 adoptée par le Conseil de sécurité des Nations unies;
- "Procureur" : le procureur du Tribunal ainsi que toute personne autorisée par lui ou travaillant sous son autorité dans le cadre des fonctions qui lui incombent en vertu du Statut;
- "Autorité centrale" : l'autorité compétente en matière de coopération entre la Belgique et le Tribunal spécial pour le Liban, soit, au sein du Service public fédéral Justice, le service de droit international humanitaire, désigné par l'arrêté royal du 17 septembre 2005 relatif à la création d'un service de droit international humanitaire;
- "Ministère public" : le procureur fédéral.".
"Art. 70. Aux fins du titre VIbis de la présente loi, les termes ci-après désignent :
- "Tribunal" : le Tribunal Spécial pour le Liban créé par l'accord international du 6 février 2007 conclu entre les Nations unies et le gouvernement du Liban, découlant de la résolution 1664 (2006) du 29 mars 2006 adoptée par le Conseil de sécurité des Nations unies;
- "Statut" : le Statut du Tribunal Spécial pour le Liban annexé à la résolution 1757 (2007) du 30 mai 2007 adoptée par le Conseil de sécurité des Nations unies;
- "Procureur" : le procureur du Tribunal ainsi que toute personne autorisée par lui ou travaillant sous son autorité dans le cadre des fonctions qui lui incombent en vertu du Statut;
- "Autorité centrale" : l'autorité compétente en matière de coopération entre la Belgique et le Tribunal spécial pour le Liban, soit, au sein du Service public fédéral Justice, le service de droit international humanitaire, désigné par l'arrêté royal du 17 septembre 2005 relatif à la création d'un service de droit international humanitaire;
- "Ministère public" : le procureur fédéral.".
Art. 40. In hetzelfde hoofdstuk I wordt een artikel 71 ingevoegd, luidende :
"Art. 71. België kan overeenkomstig de bepalingen van deze wet gevolg geven aan de verzoeken om samenwerking van het Tribunaal.".
"Art. 71. België kan overeenkomstig de bepalingen van deze wet gevolg geven aan de verzoeken om samenwerking van het Tribunaal.".
Art. 40. Dans le même chapitre Ier, il est inséré un article 71 rédigé comme suit :
"Art. 71. Conformément aux dispositions de la présente loi, la Belgique peut donner suite aux demandes de coopération formulées par le Tribunal.".
"Art. 71. Conformément aux dispositions de la présente loi, la Belgique peut donner suite aux demandes de coopération formulées par le Tribunal.".
Art. 41. In hetzelfde hoofdstuk I wordt een artikel 72 ingevoegd, luidende :
"Art. 72. § 1. De centrale autoriteit is bevoegd om de verzoeken uitgaande van het Tribunaal in ontvangst te nemen, om de verzoeken om samenwerking uitgaande van de bevoegde Belgische autoriteiten over te zenden aan het Tribunaal en om elke informatie van gerechtelijke aard die onder de bevoegdheid van het Tribunaal kan vallen, over te zenden aan het Tribunaal. Zij staat in voor de opvolging ervan.
§ 2. De verzoeken van het Tribunaal worden aan de centrale autoriteit gericht door elk communicatiemiddel dat een geschrift nalaat. Zij moeten worden opgesteld in een van de officiële talen van België of, zoniet, vergezeld gaan van een voor eensluidend verklaarde vertaling in een van deze talen.
§ 3. De bevoegde Belgische autoriteiten kunnen om de medewerking van het Tribunaal verzoeken. De verzoeken worden overgezonden door toedoen van de centrale autoriteit. De Belgische autoriteiten moeten de voorwaarden in acht nemen waarvan het Tribunaal de tenuitvoerlegging van het verzoek afhankelijk stelt. Indien de stukken tot staving niet zijn opgesteld in een van de werktalen van het Tribunaal, moeten zij vergezeld gaan van een vertaling in een van deze talen.".
"Art. 72. § 1. De centrale autoriteit is bevoegd om de verzoeken uitgaande van het Tribunaal in ontvangst te nemen, om de verzoeken om samenwerking uitgaande van de bevoegde Belgische autoriteiten over te zenden aan het Tribunaal en om elke informatie van gerechtelijke aard die onder de bevoegdheid van het Tribunaal kan vallen, over te zenden aan het Tribunaal. Zij staat in voor de opvolging ervan.
§ 2. De verzoeken van het Tribunaal worden aan de centrale autoriteit gericht door elk communicatiemiddel dat een geschrift nalaat. Zij moeten worden opgesteld in een van de officiële talen van België of, zoniet, vergezeld gaan van een voor eensluidend verklaarde vertaling in een van deze talen.
§ 3. De bevoegde Belgische autoriteiten kunnen om de medewerking van het Tribunaal verzoeken. De verzoeken worden overgezonden door toedoen van de centrale autoriteit. De Belgische autoriteiten moeten de voorwaarden in acht nemen waarvan het Tribunaal de tenuitvoerlegging van het verzoek afhankelijk stelt. Indien de stukken tot staving niet zijn opgesteld in een van de werktalen van het Tribunaal, moeten zij vergezeld gaan van een vertaling in een van deze talen.".
Art. 41. Dans le même chapitre Ier, il est inséré un article 72 rédigé comme suit :
"Art. 72. § 1er. L'autorité centrale est compétente pour recevoir les demandes émanant du Tribunal, pour transmettre au Tribunal les demandes de coopération provenant des autorités belges compétentes et pour transmettre au Tribunal toute information à caractère judiciaire pouvant relever de la compétence du Tribunal. Elle en assure le suivi.
§ 2. Les demandes du Tribunal sont adressées à l'autorité centrale par tout moyen de communication laissant une trace écrite. Elles doivent être rédigées dans une des langues officielles de la Belgique ou, à défaut, être accompagnées d'une traduction certifiée conforme dans l'une de ces langues.
§ 3. Les autorités belges compétentes peuvent solliciter la coopération du Tribunal. Les demandes sont transmises par l'intermédiaire de l'autorité centrale. Les autorités belges sont tenues de respecter les conditions dont le Tribunal assortit l'exécution de la demande. Les pièces justificatives, si elles ne sont pas rédigées dans une des langues de travail du Tribunal, doivent être accompagnées d'une traduction dans l'une de ces langues.".
"Art. 72. § 1er. L'autorité centrale est compétente pour recevoir les demandes émanant du Tribunal, pour transmettre au Tribunal les demandes de coopération provenant des autorités belges compétentes et pour transmettre au Tribunal toute information à caractère judiciaire pouvant relever de la compétence du Tribunal. Elle en assure le suivi.
§ 2. Les demandes du Tribunal sont adressées à l'autorité centrale par tout moyen de communication laissant une trace écrite. Elles doivent être rédigées dans une des langues officielles de la Belgique ou, à défaut, être accompagnées d'une traduction certifiée conforme dans l'une de ces langues.
§ 3. Les autorités belges compétentes peuvent solliciter la coopération du Tribunal. Les demandes sont transmises par l'intermédiaire de l'autorité centrale. Les autorités belges sont tenues de respecter les conditions dont le Tribunal assortit l'exécution de la demande. Les pièces justificatives, si elles ne sont pas rédigées dans une des langues de travail du Tribunal, doivent être accompagnées d'une traduction dans l'une de ces langues.".
Art. 42. In hetzelfde hoofdstuk I wordt een artikel 73 ingevoegd, luidende :
"Art. 73. De bevoegde autoriteiten verlenen aan het Tribunaal hun volledige gerechtelijke samenwerking in alle procedures die voortvloeien uit een verzoek van het Tribunaal om samenwerking en waaraan de centrale autoriteit heeft beslist gevolg te geven.".
"Art. 73. De bevoegde autoriteiten verlenen aan het Tribunaal hun volledige gerechtelijke samenwerking in alle procedures die voortvloeien uit een verzoek van het Tribunaal om samenwerking en waaraan de centrale autoriteit heeft beslist gevolg te geven.".
Art. 42. Dans le même chapitre Ier, il est inséré un article 73 rédigé comme suit :
"Art. 73. Les autorités compétentes accordent au Tribunal leur pleine et entière coopération judiciaire dans toutes les procédures découlant d'une demande de coopération du Tribunal à laquelle l'autorité centrale a décidé de donner suite.".
"Art. 73. Les autorités compétentes accordent au Tribunal leur pleine et entière coopération judiciaire dans toutes les procédures découlant d'une demande de coopération du Tribunal à laquelle l'autorité centrale a décidé de donner suite.".
Art. 43. In titel VIbis, ingevoegd bij artikel 37, wordt een hoofdstuk II ingevoegd, luidende "Wederzijdse rechtshulp".
Art. 43. Dans le titre VIbis inséré par l'article 37, il est inséré un chapitre II intitulé "Entraide judiciaire".
Art. 44. In hoofdstuk II, ingevoegd bij artikel 43, wordt een artikel 74 ingevoegd, luidende :
"Art. 74. § 1. De verzoeken van de aanklager of de beschikkingen van het Tribunaal die gericht zijn op de uitvoering van maatregelen inzake inzameling en overlegging van gegevens die inzonderheid betrekking hebben op de vaststelling van de identiteit en het opsporen van personen, het verzamelen van getuigenissen, het overleggen van bewijzen en het toezenden van stukken, en die noodzakelijk zijn voor het onderzoek of voor het goede verloop van het proces, worden ten uitvoer gelegd volgens de procedure bepaald in de Belgische wetgeving en op de wijze omschreven in het verzoek, tenzij voornoemde wetgeving zulks verbiedt.
§ 2. Het verzoek van de aanklager of de beschikking van het Tribunaal die betrekking heeft op een dwangmaatregel waarvoor enkel een onderzoeksrechter bevoegd is, wordt ten uitvoer gelegd door de onderzoeksrechter van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats is gelegen waar de maatregel moet worden uitgevoerd.
Indien echter verschillende uitvoeringsmaatregelen worden gevraagd, kan het openbaar ministerie een van de territoriaal bevoegde rechters belasten met de uitvoering van al die maatregelen.
§ 3. Huiszoekingen en inbeslagnemingen waar het Tribunaal om verzoekt, worden ten uitvoer gelegd overeenkomstig de Belgische wetgeving, zonder dat het verzoek uitvoerbaar moet worden verklaard. Alvorens de stukken aan het Tribunaal toe te zenden, doet de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de stukken zijn neergelegd, binnen vijf dagen nadat de zaak bij haar aanhangig is gemaakt, uitspraak over de overzending van de stukken aan het Tribunaal en, in voorkomend geval, over de vordering van derden-bezitters of van derden die beweren recht te hebben op de in beslag genomen zaak, die de griffie van de raadkamer vooraf heeft opgeroepen bij aangetekende zending. Zij doet uitspraak in laatste aanleg, zonder mogelijkheid tot derdenverzet.
§ 4. Wanneer het Tribunaal iemand het statuut van beschermde getuige heeft verleend en België vraagt om de nodige beschermingsmaatregelen te nemen, beslist de centrale autoriteit, na overleg met de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie opgericht bij artikel 103 van het Wetboek van strafvordering, welke maatregelen als bedoeld in artikel 104 van hetzelfde Wetboek ten aanzien van deze persoon moeten worden genomen. Los van de maatregelen die ten aanzien van de beschermde getuige zijn genomen, kan de centrale autoriteit, wanneer zij dat nodig acht, ook beschermingsmaatregelen als bedoeld in artikel 104 nemen ten aanzien van de verwanten van deze persoon. Deze maatregelen worden uitgevoerd op dezelfde manier als de maatregelen die zijn genomen ten aanzien van een bedreigde getuige, een gezinslid of een andere bloedverwant, bedoeld in artikel 102 van hetzelfde Wetboek. Met inachtneming van het beginsel van proportionaliteit kunnen samen of achtereenvolgens gewone en bijzondere beschermingsmaatregelen worden toegekend.
In afwijking van artikel 106 van het Wetboek van strafvordering kan een identiteitswijziging worden toegekend aan een beschermde getuige en aan zijn verwanten, op beslissing van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie.
De nieuwe identiteit wordt vastgesteld op voorstel van de getuigenbeschermingsdienst, na overleg met de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger en wordt door tussenkomst van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie aan de centrale autoriteit meegedeeld.
De procedure van identiteitswijziging is niet enkel beperkt tot de personen die de Belgische nationaliteit bezitten.
De centrale autoriteit kan elke bevoegde autoriteit verzoeken om te zorgen voor de tenuitvoerlegging van deze beslissing. In dat kader kan de centrale autoriteit bijzondere voorwaarden of aanvullende maatregelen opleggen om de bescherming van de getuigen te kunnen waarborgen.
De verandering van naam, voornamen, geboortedatum en -plaats is vrijgesteld van registratierecht.
In afwijking van artikel 45 van het Burgerlijk Wetboek kan enkel met de uitdrukkelijke toestemming van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie, een uittreksel of afschrift worden afgegeven van een akte van de burgerlijke stand betreffende een persoon van wie de identiteit overeenkomstig deze paragraaf is gewijzigd. Hetzelfde geldt voor elk document of attest dat het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of de Dienst Vreemdelingenzaken moet afgeven, op verzoek van de centrale autoriteit.
Er kan geen misdrijf zijn wanneer strikt noodzakelijke feiten worden gepleegd in het kader van het tweede tot het zevende lid van deze paragraaf ter verzekering van de bescherming van de getuige.
Wanneer het Tribunaal de in het eerste lid bedoelde persoon het statuut van beschermde getuige ontneemt, beslist de centrale autoriteit of de maatregelen ten aanzien van die persoon of ten aanzien van andere personen moeten worden behouden.
§ 5. Elke in België gedetineerde persoon kan op verzoek van het Tribunaal tijdelijk naar het Tribunaal worden overgebracht om hem te kunnen identificeren, zijn getuigenis te horen of van hem enige andere vorm van bijstand te verkrijgen.
Deze persoon kan worden overgebracht indien aan de volgende voorwaarden is voldaan :
1° de persoon stemt vrijelijk en met kennis van zaken in met de overbrenging; en
2° de centrale autoriteit stemt in met de overbrenging naar het Tribunaal, onder voorbehoud van de eventueel overeengekomen voorwaarden.
De centrale autoriteit regelt de tijdelijke overbrenging van gedetineerde personen in samenwerking met de griffier en met de autoriteiten van de Gaststaat van het Tribunaal.
De termijnen inzake voorlopige hechtenis worden geschorst zolang de betrokkene zich niet op het grondgebied bevindt.
§ 6. Op verzoek van het Tribunaal stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere persoon die door een andere Staat aan het Tribunaal overgedragen wordt, behalve wanneer de doorvoer de overdracht zou hinderen of vertragen.
Ingeval een onvoorziene landing plaatsvindt op het Belgische grondgebied, kan van het Tribunaal een verzoek tot doorvoer worden geëist. De vervoerde persoon wordt in detentie geplaatst in afwachting van de ontvangst van het verzoek en van de totstandbrenging van de doorvoer. De detentie mag evenwel niet langer duren dan zesennegentig uur te rekenen vanaf de onvoorziene landing, indien het verzoek niet binnen die termijn wordt ontvangen.
§ 7. Op verzoek van het Tribunaal stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere in het buitenland gedetineerde persoon, in het kader van de tenuitvoerlegging van een verzoek om wederzijdse rechtshulp op de zetel van het Tribunaal. Het bevel tot aanhouding van de betrokkene heeft uitwerking op het Belgische grondgebied gedurende de tijd die nodig is voor zijn doortocht.".
"Art. 74. § 1. De verzoeken van de aanklager of de beschikkingen van het Tribunaal die gericht zijn op de uitvoering van maatregelen inzake inzameling en overlegging van gegevens die inzonderheid betrekking hebben op de vaststelling van de identiteit en het opsporen van personen, het verzamelen van getuigenissen, het overleggen van bewijzen en het toezenden van stukken, en die noodzakelijk zijn voor het onderzoek of voor het goede verloop van het proces, worden ten uitvoer gelegd volgens de procedure bepaald in de Belgische wetgeving en op de wijze omschreven in het verzoek, tenzij voornoemde wetgeving zulks verbiedt.
§ 2. Het verzoek van de aanklager of de beschikking van het Tribunaal die betrekking heeft op een dwangmaatregel waarvoor enkel een onderzoeksrechter bevoegd is, wordt ten uitvoer gelegd door de onderzoeksrechter van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats is gelegen waar de maatregel moet worden uitgevoerd.
Indien echter verschillende uitvoeringsmaatregelen worden gevraagd, kan het openbaar ministerie een van de territoriaal bevoegde rechters belasten met de uitvoering van al die maatregelen.
§ 3. Huiszoekingen en inbeslagnemingen waar het Tribunaal om verzoekt, worden ten uitvoer gelegd overeenkomstig de Belgische wetgeving, zonder dat het verzoek uitvoerbaar moet worden verklaard. Alvorens de stukken aan het Tribunaal toe te zenden, doet de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de stukken zijn neergelegd, binnen vijf dagen nadat de zaak bij haar aanhangig is gemaakt, uitspraak over de overzending van de stukken aan het Tribunaal en, in voorkomend geval, over de vordering van derden-bezitters of van derden die beweren recht te hebben op de in beslag genomen zaak, die de griffie van de raadkamer vooraf heeft opgeroepen bij aangetekende zending. Zij doet uitspraak in laatste aanleg, zonder mogelijkheid tot derdenverzet.
§ 4. Wanneer het Tribunaal iemand het statuut van beschermde getuige heeft verleend en België vraagt om de nodige beschermingsmaatregelen te nemen, beslist de centrale autoriteit, na overleg met de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie opgericht bij artikel 103 van het Wetboek van strafvordering, welke maatregelen als bedoeld in artikel 104 van hetzelfde Wetboek ten aanzien van deze persoon moeten worden genomen. Los van de maatregelen die ten aanzien van de beschermde getuige zijn genomen, kan de centrale autoriteit, wanneer zij dat nodig acht, ook beschermingsmaatregelen als bedoeld in artikel 104 nemen ten aanzien van de verwanten van deze persoon. Deze maatregelen worden uitgevoerd op dezelfde manier als de maatregelen die zijn genomen ten aanzien van een bedreigde getuige, een gezinslid of een andere bloedverwant, bedoeld in artikel 102 van hetzelfde Wetboek. Met inachtneming van het beginsel van proportionaliteit kunnen samen of achtereenvolgens gewone en bijzondere beschermingsmaatregelen worden toegekend.
In afwijking van artikel 106 van het Wetboek van strafvordering kan een identiteitswijziging worden toegekend aan een beschermde getuige en aan zijn verwanten, op beslissing van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie.
De nieuwe identiteit wordt vastgesteld op voorstel van de getuigenbeschermingsdienst, na overleg met de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger en wordt door tussenkomst van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie aan de centrale autoriteit meegedeeld.
De procedure van identiteitswijziging is niet enkel beperkt tot de personen die de Belgische nationaliteit bezitten.
De centrale autoriteit kan elke bevoegde autoriteit verzoeken om te zorgen voor de tenuitvoerlegging van deze beslissing. In dat kader kan de centrale autoriteit bijzondere voorwaarden of aanvullende maatregelen opleggen om de bescherming van de getuigen te kunnen waarborgen.
De verandering van naam, voornamen, geboortedatum en -plaats is vrijgesteld van registratierecht.
In afwijking van artikel 45 van het Burgerlijk Wetboek kan enkel met de uitdrukkelijke toestemming van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie, een uittreksel of afschrift worden afgegeven van een akte van de burgerlijke stand betreffende een persoon van wie de identiteit overeenkomstig deze paragraaf is gewijzigd. Hetzelfde geldt voor elk document of attest dat het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of de Dienst Vreemdelingenzaken moet afgeven, op verzoek van de centrale autoriteit.
Er kan geen misdrijf zijn wanneer strikt noodzakelijke feiten worden gepleegd in het kader van het tweede tot het zevende lid van deze paragraaf ter verzekering van de bescherming van de getuige.
Wanneer het Tribunaal de in het eerste lid bedoelde persoon het statuut van beschermde getuige ontneemt, beslist de centrale autoriteit of de maatregelen ten aanzien van die persoon of ten aanzien van andere personen moeten worden behouden.
§ 5. Elke in België gedetineerde persoon kan op verzoek van het Tribunaal tijdelijk naar het Tribunaal worden overgebracht om hem te kunnen identificeren, zijn getuigenis te horen of van hem enige andere vorm van bijstand te verkrijgen.
Deze persoon kan worden overgebracht indien aan de volgende voorwaarden is voldaan :
1° de persoon stemt vrijelijk en met kennis van zaken in met de overbrenging; en
2° de centrale autoriteit stemt in met de overbrenging naar het Tribunaal, onder voorbehoud van de eventueel overeengekomen voorwaarden.
De centrale autoriteit regelt de tijdelijke overbrenging van gedetineerde personen in samenwerking met de griffier en met de autoriteiten van de Gaststaat van het Tribunaal.
De termijnen inzake voorlopige hechtenis worden geschorst zolang de betrokkene zich niet op het grondgebied bevindt.
§ 6. Op verzoek van het Tribunaal stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere persoon die door een andere Staat aan het Tribunaal overgedragen wordt, behalve wanneer de doorvoer de overdracht zou hinderen of vertragen.
Ingeval een onvoorziene landing plaatsvindt op het Belgische grondgebied, kan van het Tribunaal een verzoek tot doorvoer worden geëist. De vervoerde persoon wordt in detentie geplaatst in afwachting van de ontvangst van het verzoek en van de totstandbrenging van de doorvoer. De detentie mag evenwel niet langer duren dan zesennegentig uur te rekenen vanaf de onvoorziene landing, indien het verzoek niet binnen die termijn wordt ontvangen.
§ 7. Op verzoek van het Tribunaal stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere in het buitenland gedetineerde persoon, in het kader van de tenuitvoerlegging van een verzoek om wederzijdse rechtshulp op de zetel van het Tribunaal. Het bevel tot aanhouding van de betrokkene heeft uitwerking op het Belgische grondgebied gedurende de tijd die nodig is voor zijn doortocht.".
Art. 44. Dans le chapitre II, inséré par l'article 43, il est inséré un article 74 rédigé comme suit :
"Art. 74. § 1er. Les demandes du procureur ou les ordonnances du Tribunal visant à l'accomplissement de mesures relatives à la collecte et à la production d'éléments qui concernent notamment l'identification et la recherche des personnes, la réunion de témoignages, la production de preuves et l'expédition de documents, et qui sont nécessaires à l'instruction ou à la bonne conduite du procès, sont exécutées selon la procédure prévue par la législation belge et, à moins que cette législation ne l'interdise, comme il est dit dans la demande.
§ 2. La demande du procureur ou l'ordonnance du Tribunal qui porte sur une mesure de contrainte pour laquelle un juge d'instruction est seul compétent est exécutée par le juge d'instruction de l'arrondissement judiciaire où est situé le lieu où la mesure doit être exécutée.
Toutefois, si plusieurs mesures d'exécution sont sollicitées, le ministère public peut charger un des juges territorialement compétents de l'exécution de l'ensemble de ces mesures.
§ 3. Les perquisitions et saisies demandées par le Tribunal sont exécutées conformément à la loi belge sans qu'il soit requis que la demande soit rendue exécutoire. Avant de transmettre les pièces au Tribunal, la chambre du conseil du tribunal de première instance de l'arrondissement où les pièces ont été déposées statue, dans les cinq jours de sa saisine, sur la transmission des pièces au Tribunal et se prononce, le cas échéant, sur la réclamation des tiers détenteurs ou des tiers prétendant droit sur la chose saisie, que le greffe de la chambre du conseil aura préalablement convoqués par envoi recommandé. Elle statue en dernier ressort et sans possibilité de tierce opposition.
§ 4. Lorsque le Tribunal a octroyé le statut de témoin protégé à une personne et demande à la Belgique de mettre en oeuvre des mesures de protection en sa faveur, l'autorité centrale, après avoir consulté le président de la commission de protection des témoins établie par l'article 103 du Code d'instruction criminelle, décide quelles sont les mesures visées à l'article 104 du même Code dont il convient de faire bénéficier cette personne. Indépendamment des mesures accordées au témoin protégé, et lorsqu'elle le juge nécessaire, l'autorité centrale peut également accorder aux proches de cette personne des mesures de protection visées à l'article 104. Ces mesures sont mises en oeuvre de la même manière que les mesures octroyées au bénéfice d'un témoin menacé, d'un membre de sa famille ou d'un autre parent, visés à l'article 102 du même Code. Compte tenu du principe de proportionnalité, il peut être accordé cumulativement ou successivement des mesures de protection ordinaires et spéciales.
Par dérogation à l'article 106 du Code d'instruction criminelle, un changement d'identité peut être accordé à un témoin protégé et à ses proches, par décision de l'autorité centrale, après avoir consulté le président de la commission de protection des témoins.
La nouvelle identité est déterminée sur proposition du service de protection des témoins, après concertation avec la personne concernée ou son représentant légal, et est communiquée à l'autorité centrale par l'intermédiaire du président de la commission de protection des témoins.
La procédure de changement d'identité n'est pas uniquement limitée aux personnes qui possèdent la nationalité belge.
L'autorité centrale peut requérir toute autorité compétente pour assurer la mise en oeuvre de cette décision. Dans ce cadre, l'autorité centrale peut imposer des conditions particulières ou des mesures complémentaires permettant de garantir la protection des témoins.
Le changement des nom, prénoms, date et lieu de naissance est exempté du droit d'enregistrement.
Par dérogation à l'article 45 du Code civil, il ne peut être délivré un extrait ou une copie d'un acte de l'état civil concernant une personne qui a fait l'objet d'un changement d'identité en application du présent paragraphe qu'avec l'autorisation expresse de l'autorité centrale, après consultation du président de la commission de protection des témoins. Il en va de même pour tout document ou certificat que le Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides ou l'Office des Etrangers serait amené à délivrer à la requête de l'autorité centrale.
Il ne peut y avoir d'infraction quand des faits absolument nécessaires sont commis dans le cadre des alinéas 2 à 7 du présent paragraphe, en vue de garantir la protection du témoin.
Lorsque le Tribunal met fin au statut de témoin protégé en faveur d'une personne visée à l'alinéa 1er, l'autorité centrale détermine s'il convient de maintenir les mesures mises en oeuvre à son égard ou à l'égard des autres personnes.
§ 5. Toute personne qui est détenue en Belgique peut être, à la demande du Tribunal, transférée temporairement à celui-ci afin qu'il puisse l'identifier, entendre son témoignage ou obtenir d'elle un quelque autre concours d'assistance.
Cette personne peut être transférée, si les conditions suivantes sont remplies :
1° la personne donne, librement et en connaissance de cause, son consentement au transfèrement; et
2° l'autorité centrale donne son accord au transfèrement au Tribunal, sous réserve des conditions dont ils peuvent convenir.
Le transfert temporaire de détenus est organisé par l'autorité centrale en liaison avec le greffier et les autorités de l'Etat hôte du Tribunal.
Les délais en matière de détention préventive sont suspendus pendant la durée de l'absence du territoire de la personne concernée.
§ 6. Sur demande du Tribunal, l'autorité centrale autorise le transport à travers le territoire de la Belgique de toute personne transférée au Tribunal par un autre Etat, sauf dans le cas où le transit gênerait ou retarderait la remise.
Si un atterrissage imprévu a lieu sur le territoire belge, une demande de transit peut être exigée du Tribunal. La personne transportée est placée en détention en attendant la demande et l'accomplissement du transit. Toutefois, la détention ne peut se prolonger au-delà de nonante-six heures après l'atterrissage imprévu si la demande n'est pas reçue dans ce délai.
§ 7. Sur demande du Tribunal, l'autorité centrale autorise le transport à travers le territoire de la Belgique de toute personne détenue à l'étranger, dans le cadre de l'exécution d'une demande d'entraide au siège du Tribunal. Le titre de détention de l'intéressé produira ses effets sur le territoire belge le temps nécessaire à son passage.".
"Art. 74. § 1er. Les demandes du procureur ou les ordonnances du Tribunal visant à l'accomplissement de mesures relatives à la collecte et à la production d'éléments qui concernent notamment l'identification et la recherche des personnes, la réunion de témoignages, la production de preuves et l'expédition de documents, et qui sont nécessaires à l'instruction ou à la bonne conduite du procès, sont exécutées selon la procédure prévue par la législation belge et, à moins que cette législation ne l'interdise, comme il est dit dans la demande.
§ 2. La demande du procureur ou l'ordonnance du Tribunal qui porte sur une mesure de contrainte pour laquelle un juge d'instruction est seul compétent est exécutée par le juge d'instruction de l'arrondissement judiciaire où est situé le lieu où la mesure doit être exécutée.
Toutefois, si plusieurs mesures d'exécution sont sollicitées, le ministère public peut charger un des juges territorialement compétents de l'exécution de l'ensemble de ces mesures.
§ 3. Les perquisitions et saisies demandées par le Tribunal sont exécutées conformément à la loi belge sans qu'il soit requis que la demande soit rendue exécutoire. Avant de transmettre les pièces au Tribunal, la chambre du conseil du tribunal de première instance de l'arrondissement où les pièces ont été déposées statue, dans les cinq jours de sa saisine, sur la transmission des pièces au Tribunal et se prononce, le cas échéant, sur la réclamation des tiers détenteurs ou des tiers prétendant droit sur la chose saisie, que le greffe de la chambre du conseil aura préalablement convoqués par envoi recommandé. Elle statue en dernier ressort et sans possibilité de tierce opposition.
§ 4. Lorsque le Tribunal a octroyé le statut de témoin protégé à une personne et demande à la Belgique de mettre en oeuvre des mesures de protection en sa faveur, l'autorité centrale, après avoir consulté le président de la commission de protection des témoins établie par l'article 103 du Code d'instruction criminelle, décide quelles sont les mesures visées à l'article 104 du même Code dont il convient de faire bénéficier cette personne. Indépendamment des mesures accordées au témoin protégé, et lorsqu'elle le juge nécessaire, l'autorité centrale peut également accorder aux proches de cette personne des mesures de protection visées à l'article 104. Ces mesures sont mises en oeuvre de la même manière que les mesures octroyées au bénéfice d'un témoin menacé, d'un membre de sa famille ou d'un autre parent, visés à l'article 102 du même Code. Compte tenu du principe de proportionnalité, il peut être accordé cumulativement ou successivement des mesures de protection ordinaires et spéciales.
Par dérogation à l'article 106 du Code d'instruction criminelle, un changement d'identité peut être accordé à un témoin protégé et à ses proches, par décision de l'autorité centrale, après avoir consulté le président de la commission de protection des témoins.
La nouvelle identité est déterminée sur proposition du service de protection des témoins, après concertation avec la personne concernée ou son représentant légal, et est communiquée à l'autorité centrale par l'intermédiaire du président de la commission de protection des témoins.
La procédure de changement d'identité n'est pas uniquement limitée aux personnes qui possèdent la nationalité belge.
L'autorité centrale peut requérir toute autorité compétente pour assurer la mise en oeuvre de cette décision. Dans ce cadre, l'autorité centrale peut imposer des conditions particulières ou des mesures complémentaires permettant de garantir la protection des témoins.
Le changement des nom, prénoms, date et lieu de naissance est exempté du droit d'enregistrement.
Par dérogation à l'article 45 du Code civil, il ne peut être délivré un extrait ou une copie d'un acte de l'état civil concernant une personne qui a fait l'objet d'un changement d'identité en application du présent paragraphe qu'avec l'autorisation expresse de l'autorité centrale, après consultation du président de la commission de protection des témoins. Il en va de même pour tout document ou certificat que le Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides ou l'Office des Etrangers serait amené à délivrer à la requête de l'autorité centrale.
Il ne peut y avoir d'infraction quand des faits absolument nécessaires sont commis dans le cadre des alinéas 2 à 7 du présent paragraphe, en vue de garantir la protection du témoin.
Lorsque le Tribunal met fin au statut de témoin protégé en faveur d'une personne visée à l'alinéa 1er, l'autorité centrale détermine s'il convient de maintenir les mesures mises en oeuvre à son égard ou à l'égard des autres personnes.
§ 5. Toute personne qui est détenue en Belgique peut être, à la demande du Tribunal, transférée temporairement à celui-ci afin qu'il puisse l'identifier, entendre son témoignage ou obtenir d'elle un quelque autre concours d'assistance.
Cette personne peut être transférée, si les conditions suivantes sont remplies :
1° la personne donne, librement et en connaissance de cause, son consentement au transfèrement; et
2° l'autorité centrale donne son accord au transfèrement au Tribunal, sous réserve des conditions dont ils peuvent convenir.
Le transfert temporaire de détenus est organisé par l'autorité centrale en liaison avec le greffier et les autorités de l'Etat hôte du Tribunal.
Les délais en matière de détention préventive sont suspendus pendant la durée de l'absence du territoire de la personne concernée.
§ 6. Sur demande du Tribunal, l'autorité centrale autorise le transport à travers le territoire de la Belgique de toute personne transférée au Tribunal par un autre Etat, sauf dans le cas où le transit gênerait ou retarderait la remise.
Si un atterrissage imprévu a lieu sur le territoire belge, une demande de transit peut être exigée du Tribunal. La personne transportée est placée en détention en attendant la demande et l'accomplissement du transit. Toutefois, la détention ne peut se prolonger au-delà de nonante-six heures après l'atterrissage imprévu si la demande n'est pas reçue dans ce délai.
§ 7. Sur demande du Tribunal, l'autorité centrale autorise le transport à travers le territoire de la Belgique de toute personne détenue à l'étranger, dans le cadre de l'exécution d'une demande d'entraide au siège du Tribunal. Le titre de détention de l'intéressé produira ses effets sur le territoire belge le temps nécessaire à son passage.".
Art. 45. In hetzelfde hoofdstuk II wordt een artikel 75 ingevoegd, luidende :
"Art. 75. De bevoegde gerechtelijke autoriteit waarbij de zaak aanhangig is, stelt het Tribunaal in kennis van de datum en de plaats van de tenuitvoerlegging van de gevorderde maatregel. De aanklager of de vorderende rechter is gemachtigd de tenuitvoerlegging bij te wonen.".
"Art. 75. De bevoegde gerechtelijke autoriteit waarbij de zaak aanhangig is, stelt het Tribunaal in kennis van de datum en de plaats van de tenuitvoerlegging van de gevorderde maatregel. De aanklager of de vorderende rechter is gemachtigd de tenuitvoerlegging bij te wonen.".
Art. 45. Dans le même chapitre II, il est inséré un article 75 rédigé comme suit :
"Art. 75. L'autorité judiciaire compétente saisie informe le Tribunal de la date et du lieu de l'exécution de la mesure requise. Le procureur ou le juge requérant sont autorisés à assister à cette exécution.".
"Art. 75. L'autorité judiciaire compétente saisie informe le Tribunal de la date et du lieu de l'exécution de la mesure requise. Le procureur ou le juge requérant sont autorisés à assister à cette exécution.".
Art. 46. In titel VIbis, ingevoegd bij artikel 37, wordt een hoofdstuk III ingevoegd, luidende "Aanhouding en overbrenging".
Art. 46. Dans le titre VIbis, inséré par l'article 37, il est inséré un chapitre III intitulé "Arrestation et transfert".
Art. 47. In hoofdstuk III, ingevoegd bij artikel 46, wordt een artikel 76 ingevoegd, luidende :
"Art. 76. § 1. Het bevel tot aanhouding uitgevaardigd door het Tribunaal ten aanzien van een persoon die zich op het Belgische grondgebied bevindt, wordt uitvoerbaar verklaard door de raadkamer van diens verblijfplaats of van de plaats waar hij is aangetroffen.
De raadkamer gaat na of de stukken vereist voor de voorlopige aanhouding zijn overgelegd en of er geen dwaling betreffende de persoon bestaat.
Binnen vierentwintig uur te rekenen van de beschikking van de raadkamer houdende weigering het bevel tot aanhouding van het Tribunaal uitvoerbaar te verklaren, kan het openbaar ministerie tegen deze beslissing hoger beroep instellen bij de kamer van inbeschuldigingstelling. Deze laatste doet uitspraak binnen acht dagen. Het arrest is uitvoerbaar.
Binnen vierentwintig uur na de vrijheidsbeneming wordt de beslissing die het bevel tot aanhouding van het Tribunaal uitvoerbaar verklaart, aan de aangehouden persoon betekend. Deze beschikt over een termijn van vierentwintig uur te rekenen van de betekening om in beroep te gaan bij de kamer van inbeschuldigingstelling. Dat beroep wordt ingesteld door middel van een verklaring neergelegd ter correctionele griffie of door middel van een verklaring van de aangehouden persoon aan de directeur van het huis van arrest of aan zijn afgevaardigde.
De kamer van inbeschuldigingstelling hoort het openbaar ministerie, de aangehouden persoon en zijn raadsman en doet uitspraak uiterlijk binnen vijftien dagen te rekenen van de indiening van het beroep. Het arrest is uitvoerbaar. De aangehouden persoon blijft in hechtenis tot de kamer van inbeschuldigingstelling uitspraak heeft gedaan.
Tegen de door de kamer van inbeschuldigingstelling genomen beslissing kan geen cassatieberoep worden ingesteld.
De overdracht van de aangehouden persoon kan pas plaatsvinden wanneer de beslissing die het verzoek om aanhouding en overdracht uitvoerbaar verklaart definitief is geworden.
Wanneer het bevel tot aanhouding van het Tribunaal definitief uitvoerbaar is verklaard, vindt de overbrenging van de aangehouden persoon plaats binnen drie maanden.
§ 2. De aangehouden persoon heeft het recht om bij de kamer van inbeschuldigingstelling zijn voorlopige invrijheidstelling te verzoeken door middel van een verzoekschrift, zulks in afwachting van zijn overdracht.
De kamer van inbeschuldigingstelling doet uitspraak binnen vijftien dagen te rekenen van de indiening van het verzoek, na het openbaar ministerie, de aangehouden persoon en zijn raadsman te hebben gehoord. De kamer van inbeschuldigingstelling overweegt, gelet op de ernst van de ten laste gelegde misdaden, of een dringende noodzakelijkheid en uitzonderlijke omstandigheden de voorlopige invrijheidstelling verantwoorden.
De kamer van inbeschuldigingstelling is niet gemachtigd om te onderzoeken of het Tribunaal het bevel tot aanhouding op geldige wijze heeft uitgevaardigd.
In geval van voorlopige invrijheidstelling stelt de kamer van inbeschuldigingstelling voorwaarden teneinde te waarborgen dat België zijn verplichting om de persoon aan het Tribunaal over te dragen, kan nakomen. Wanneer de voorwaarden niet in acht worden genomen, vaardigt de onderzoeksrechter, op vordering van het openbaar ministerie, een bevel tot aanhouding uit.
Ingeval met de voorlopige invrijheidstelling wordt ingestemd, kan het Tribunaal de centrale autoriteit verzoeken regelmatig verslag uit te brengen over het regime van de voorlopige invrijheidstelling.
Tegen de door de kamer van inbeschuldigingstelling genomen beslissing kan cassatieberoep worden ingesteld op de wijze en binnen de termijnen bepaald bij artikel 31 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis.
De aangehouden persoon blijft in hechtenis tot de beslissing over het cassatieberoep, voor zover zij binnen de termijn van vijftien dagen van de verklaring van cassatieberoep geschiedt; de persoon wordt in vrijheid gesteld als de beslissing niet binnen die termijn gewezen is.
Wanneer het in het eerste lid bedoelde verzoekschrift wordt verworpen, kan de aangehouden persoon pas een nieuw verzoek tot invrijheidstelling indienen na het verstrijken van een termijn van een maand te rekenen van het arrest tot verwerping.
De bepalingen van deze paragraaf zijn van toepassing op het bevel tot aanhouding dat wordt bedoeld in het vierde lid in fine.".
"Art. 76. § 1. Het bevel tot aanhouding uitgevaardigd door het Tribunaal ten aanzien van een persoon die zich op het Belgische grondgebied bevindt, wordt uitvoerbaar verklaard door de raadkamer van diens verblijfplaats of van de plaats waar hij is aangetroffen.
De raadkamer gaat na of de stukken vereist voor de voorlopige aanhouding zijn overgelegd en of er geen dwaling betreffende de persoon bestaat.
Binnen vierentwintig uur te rekenen van de beschikking van de raadkamer houdende weigering het bevel tot aanhouding van het Tribunaal uitvoerbaar te verklaren, kan het openbaar ministerie tegen deze beslissing hoger beroep instellen bij de kamer van inbeschuldigingstelling. Deze laatste doet uitspraak binnen acht dagen. Het arrest is uitvoerbaar.
Binnen vierentwintig uur na de vrijheidsbeneming wordt de beslissing die het bevel tot aanhouding van het Tribunaal uitvoerbaar verklaart, aan de aangehouden persoon betekend. Deze beschikt over een termijn van vierentwintig uur te rekenen van de betekening om in beroep te gaan bij de kamer van inbeschuldigingstelling. Dat beroep wordt ingesteld door middel van een verklaring neergelegd ter correctionele griffie of door middel van een verklaring van de aangehouden persoon aan de directeur van het huis van arrest of aan zijn afgevaardigde.
De kamer van inbeschuldigingstelling hoort het openbaar ministerie, de aangehouden persoon en zijn raadsman en doet uitspraak uiterlijk binnen vijftien dagen te rekenen van de indiening van het beroep. Het arrest is uitvoerbaar. De aangehouden persoon blijft in hechtenis tot de kamer van inbeschuldigingstelling uitspraak heeft gedaan.
Tegen de door de kamer van inbeschuldigingstelling genomen beslissing kan geen cassatieberoep worden ingesteld.
De overdracht van de aangehouden persoon kan pas plaatsvinden wanneer de beslissing die het verzoek om aanhouding en overdracht uitvoerbaar verklaart definitief is geworden.
Wanneer het bevel tot aanhouding van het Tribunaal definitief uitvoerbaar is verklaard, vindt de overbrenging van de aangehouden persoon plaats binnen drie maanden.
§ 2. De aangehouden persoon heeft het recht om bij de kamer van inbeschuldigingstelling zijn voorlopige invrijheidstelling te verzoeken door middel van een verzoekschrift, zulks in afwachting van zijn overdracht.
De kamer van inbeschuldigingstelling doet uitspraak binnen vijftien dagen te rekenen van de indiening van het verzoek, na het openbaar ministerie, de aangehouden persoon en zijn raadsman te hebben gehoord. De kamer van inbeschuldigingstelling overweegt, gelet op de ernst van de ten laste gelegde misdaden, of een dringende noodzakelijkheid en uitzonderlijke omstandigheden de voorlopige invrijheidstelling verantwoorden.
De kamer van inbeschuldigingstelling is niet gemachtigd om te onderzoeken of het Tribunaal het bevel tot aanhouding op geldige wijze heeft uitgevaardigd.
In geval van voorlopige invrijheidstelling stelt de kamer van inbeschuldigingstelling voorwaarden teneinde te waarborgen dat België zijn verplichting om de persoon aan het Tribunaal over te dragen, kan nakomen. Wanneer de voorwaarden niet in acht worden genomen, vaardigt de onderzoeksrechter, op vordering van het openbaar ministerie, een bevel tot aanhouding uit.
Ingeval met de voorlopige invrijheidstelling wordt ingestemd, kan het Tribunaal de centrale autoriteit verzoeken regelmatig verslag uit te brengen over het regime van de voorlopige invrijheidstelling.
Tegen de door de kamer van inbeschuldigingstelling genomen beslissing kan cassatieberoep worden ingesteld op de wijze en binnen de termijnen bepaald bij artikel 31 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis.
De aangehouden persoon blijft in hechtenis tot de beslissing over het cassatieberoep, voor zover zij binnen de termijn van vijftien dagen van de verklaring van cassatieberoep geschiedt; de persoon wordt in vrijheid gesteld als de beslissing niet binnen die termijn gewezen is.
Wanneer het in het eerste lid bedoelde verzoekschrift wordt verworpen, kan de aangehouden persoon pas een nieuw verzoek tot invrijheidstelling indienen na het verstrijken van een termijn van een maand te rekenen van het arrest tot verwerping.
De bepalingen van deze paragraaf zijn van toepassing op het bevel tot aanhouding dat wordt bedoeld in het vierde lid in fine.".
Art. 47. Dans le chapitre III, inséré par l'article 46, il est inséré un article 76 rédigé comme suit :
"Art. 76. § 1er. Le mandat d'arrêt décerné par le Tribunal à l'égard d'une personne qui se trouve sur le territoire belge est rendu exécutoire par la chambre du conseil du lieu de sa résidence ou du lieu où elle a été trouvée.
La chambre du conseil vérifie si les pièces nécessaires à l'arrestation ont été fournies et s'il n'y a pas erreur sur la personne.
Le ministère public, dans les vingt-quatre heures de l'ordonnance de la chambre du conseil refusant de rendre exécutoire le mandat d'arrêt du Tribunal, peut interjeter appel de cette décision devant la chambre des mises en accusation. Celle-ci statue dans les huit jours. L'arrêt est exécutoire.
Dans les vingt-quatre heures de la privation de liberté, la décision rendant exécutoire le mandat d'arrêt du Tribunal est signifiée à la personne arrêtée. Celle-ci dispose d'un délai de vingt-quatre heures à dater de la signification, pour introduire un recours devant la chambre des mises en accusation. Ce recours est formé par déclaration au greffe correctionnel ou par déclaration de la personne arrêtée au directeur de la maison d'arrêt ou à son délégué.
La chambre des mises en accusation entend le ministère public, la personne arrêtée et son conseil et statue au plus tard dans les quinze jours de l'introduction du recours. L'arrêt est exécutoire. La personne arrêtée restera en détention jusqu'à ce que la chambre des mises en accusation statue.
La décision prise par la chambre des mises en accusation n'est pas susceptible de pourvoi en cassation.
La remise de la personne arrêtée ne peut avoir lieu que lorsque la décision rendant exécutoire la demande d'arrestation et de remise est devenue définitive.
Lorsque le mandat d'arrêt du Tribunal est définitivement rendu exécutoire, le transfert de la personne arrêtée doit intervenir dans les trois mois.
§ 2. La personne arrêtée a le droit de demander à la chambre des mises en accusation, par requête, sa mise en liberté provisoire dans l'attente de sa remise.
La chambre des mises en accusation se prononce dans les quinze jours de l'introduction de la demande, après avoir entendu le ministère public, la personne arrêtée et son conseil. Lorsqu'elle se prononce, la chambre des mises en accusation examine si, eu égard à la gravité des crimes allégués, l'urgence et des circonstances exceptionnelles justifient la mise en liberté provisoire.
La chambre des mises en accusation n'est pas habilitée à examiner si le mandat d'arrêt a été régulièrement délivré par le Tribunal.
En cas de mise en liberté provisoire, la chambre des mises en accusation fixe les conditions qui permettent de s'assurer que la Belgique peut s'acquitter de son obligation de remettre la personne au Tribunal. Lorsque les conditions ne sont pas respectées, le juge d'instruction, sur réquisition du ministère public, décerne un mandat d'arrêt.
Si la mise en liberté provisoire est accordée, le Tribunal peut demander à l'autorité centrale des rapports périodiques sur le régime de la libération provisoire.
La décision prise par la chambre des mises en accusation est susceptible de pourvoi en cassation dans les formes et délais prévus à l'article 31 de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive.
La personne arrêtée reste en détention jusqu'à la décision sur le pourvoi en cassation pourvu qu'elle intervienne dans les quinze jours de la déclaration de pourvoi; la personne est mise en liberté si la décision n'est pas rendue dans ce délai.
Lorsque la requête prévue à l'alinéa 1er est rejetée, la personne arrêtée ne peut former une nouvelle demande de mise en liberté qu'à l'expiration d'un délai d'un mois à compter de l'arrêt de rejet.
Les dispositions du présent paragraphe sont applicables au mandat d'arrêt visé à l'alinéa 4 in fine.".
"Art. 76. § 1er. Le mandat d'arrêt décerné par le Tribunal à l'égard d'une personne qui se trouve sur le territoire belge est rendu exécutoire par la chambre du conseil du lieu de sa résidence ou du lieu où elle a été trouvée.
La chambre du conseil vérifie si les pièces nécessaires à l'arrestation ont été fournies et s'il n'y a pas erreur sur la personne.
Le ministère public, dans les vingt-quatre heures de l'ordonnance de la chambre du conseil refusant de rendre exécutoire le mandat d'arrêt du Tribunal, peut interjeter appel de cette décision devant la chambre des mises en accusation. Celle-ci statue dans les huit jours. L'arrêt est exécutoire.
Dans les vingt-quatre heures de la privation de liberté, la décision rendant exécutoire le mandat d'arrêt du Tribunal est signifiée à la personne arrêtée. Celle-ci dispose d'un délai de vingt-quatre heures à dater de la signification, pour introduire un recours devant la chambre des mises en accusation. Ce recours est formé par déclaration au greffe correctionnel ou par déclaration de la personne arrêtée au directeur de la maison d'arrêt ou à son délégué.
La chambre des mises en accusation entend le ministère public, la personne arrêtée et son conseil et statue au plus tard dans les quinze jours de l'introduction du recours. L'arrêt est exécutoire. La personne arrêtée restera en détention jusqu'à ce que la chambre des mises en accusation statue.
La décision prise par la chambre des mises en accusation n'est pas susceptible de pourvoi en cassation.
La remise de la personne arrêtée ne peut avoir lieu que lorsque la décision rendant exécutoire la demande d'arrestation et de remise est devenue définitive.
Lorsque le mandat d'arrêt du Tribunal est définitivement rendu exécutoire, le transfert de la personne arrêtée doit intervenir dans les trois mois.
§ 2. La personne arrêtée a le droit de demander à la chambre des mises en accusation, par requête, sa mise en liberté provisoire dans l'attente de sa remise.
La chambre des mises en accusation se prononce dans les quinze jours de l'introduction de la demande, après avoir entendu le ministère public, la personne arrêtée et son conseil. Lorsqu'elle se prononce, la chambre des mises en accusation examine si, eu égard à la gravité des crimes allégués, l'urgence et des circonstances exceptionnelles justifient la mise en liberté provisoire.
La chambre des mises en accusation n'est pas habilitée à examiner si le mandat d'arrêt a été régulièrement délivré par le Tribunal.
En cas de mise en liberté provisoire, la chambre des mises en accusation fixe les conditions qui permettent de s'assurer que la Belgique peut s'acquitter de son obligation de remettre la personne au Tribunal. Lorsque les conditions ne sont pas respectées, le juge d'instruction, sur réquisition du ministère public, décerne un mandat d'arrêt.
Si la mise en liberté provisoire est accordée, le Tribunal peut demander à l'autorité centrale des rapports périodiques sur le régime de la libération provisoire.
La décision prise par la chambre des mises en accusation est susceptible de pourvoi en cassation dans les formes et délais prévus à l'article 31 de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive.
La personne arrêtée reste en détention jusqu'à la décision sur le pourvoi en cassation pourvu qu'elle intervienne dans les quinze jours de la déclaration de pourvoi; la personne est mise en liberté si la décision n'est pas rendue dans ce délai.
Lorsque la requête prévue à l'alinéa 1er est rejetée, la personne arrêtée ne peut former une nouvelle demande de mise en liberté qu'à l'expiration d'un délai d'un mois à compter de l'arrêt de rejet.
Les dispositions du présent paragraphe sont applicables au mandat d'arrêt visé à l'alinéa 4 in fine.".
Art. 48. In hetzelfde hoofdstuk III wordt een artikel 77 ingevoegd, luidende :
"Art. 77. Met inachtneming van hetgeen in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is bepaald, brengt de regering de aangehouden persoon over overeenkomstig het Reglement van het Tribunaal.".
"Art. 77. Met inachtneming van hetgeen in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is bepaald, brengt de regering de aangehouden persoon over overeenkomstig het Reglement van het Tribunaal.".
Art. 48. Dans le même chapitre III, il est inséré un article 77 rédigé comme suit :
"Art. 77. Dans le respect de la Convention européenne de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales, le gouvernement transfère la personne arrêtée, conformément au Règlement du Tribunal.".
"Art. 77. Dans le respect de la Convention européenne de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales, le gouvernement transfère la personne arrêtée, conformément au Règlement du Tribunal.".
Art. 49. In titel VIbis, ingevoegd bij artikel 37, wordt een hoofdstuk IV ingevoegd, luidende "Strafuitvoering".
Art. 49. Dans le titre VIbis, inséré par l'article 37, il est inséré un chapitre IV intitulé "Exécution des peines".
Art. 50. In hoofdstuk IV, ingevoegd bij artikel 49, wordt een artikel 78 ingevoegd, luidende :
"Art. 78. § 1. Voor zover België met het Tribunaal een bilaterale overeenkomst inzake strafuitvoering heeft gesloten, is de gevangenisstraf rechtstreeks en onmiddellijk uitvoerbaar in België.
§ 2. Binnen vierentwintig uur na aankomst van de overgebrachte persoon in de strafinrichting die hem is aangewezen, verschijnt hij voor de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats van detentie is gelegen. De procureur des Konings ondervraagt hem over zijn identiteit, maakt daarvan proces-verbaal op en gelast, op grond van het origineel of van een uitgifte van het vonnis van het Tribunaal, de onmiddellijke opsluiting van de veroordeelde.
§ 3. De procedures inzake vervroegde vrijlating worden uitsluitend geregeld door het Statuut van het Tribunaal. De door het Tribunaal gewezen beslissingen zijn onmiddellijk uitvoerbaar in België.
In dit kader zijn de bepalingen van de Belgische wetgeving met betrekking tot de wijze van strafuitvoering niet van toepassing op de gedetineerde die in België een door het Tribunaal uitgesproken vrijheidsbenemende straf ondergaat.
§ 4. Na raadpleging van de penitentiaire administratie geeft de centrale autoriteit een omstandig advies wanneer het Tribunaal, bij de uitoefening van zijn bevoegdheden op het vlak van vervroegde invrijheidstelling, haar daarom verzoekt.
§ 5. In geval van medische redenen die een vervroegde invrijheidstelling nodig zouden maken, brengt de centrale autoriteit het Tribunaal, dat als enige bevoegd is om over een dergelijke invrijheidstelling te beslissen, hiervan zo snel mogelijk op de hoogte.
§ 6. Het verzoek tot herziening van de beslissing van het Tribunaal inzake de schuld of de straf, de beslissing inzake de herziening en de toepassing ervan worden beheerst door het Statuut van voornoemd Tribunaal, alsmede door de bilaterale overeenkomst houdende tenuitvoerlegging van de straffen gesloten tussen België en dat Tribunaal.".
"Art. 78. § 1. Voor zover België met het Tribunaal een bilaterale overeenkomst inzake strafuitvoering heeft gesloten, is de gevangenisstraf rechtstreeks en onmiddellijk uitvoerbaar in België.
§ 2. Binnen vierentwintig uur na aankomst van de overgebrachte persoon in de strafinrichting die hem is aangewezen, verschijnt hij voor de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats van detentie is gelegen. De procureur des Konings ondervraagt hem over zijn identiteit, maakt daarvan proces-verbaal op en gelast, op grond van het origineel of van een uitgifte van het vonnis van het Tribunaal, de onmiddellijke opsluiting van de veroordeelde.
§ 3. De procedures inzake vervroegde vrijlating worden uitsluitend geregeld door het Statuut van het Tribunaal. De door het Tribunaal gewezen beslissingen zijn onmiddellijk uitvoerbaar in België.
In dit kader zijn de bepalingen van de Belgische wetgeving met betrekking tot de wijze van strafuitvoering niet van toepassing op de gedetineerde die in België een door het Tribunaal uitgesproken vrijheidsbenemende straf ondergaat.
§ 4. Na raadpleging van de penitentiaire administratie geeft de centrale autoriteit een omstandig advies wanneer het Tribunaal, bij de uitoefening van zijn bevoegdheden op het vlak van vervroegde invrijheidstelling, haar daarom verzoekt.
§ 5. In geval van medische redenen die een vervroegde invrijheidstelling nodig zouden maken, brengt de centrale autoriteit het Tribunaal, dat als enige bevoegd is om over een dergelijke invrijheidstelling te beslissen, hiervan zo snel mogelijk op de hoogte.
§ 6. Het verzoek tot herziening van de beslissing van het Tribunaal inzake de schuld of de straf, de beslissing inzake de herziening en de toepassing ervan worden beheerst door het Statuut van voornoemd Tribunaal, alsmede door de bilaterale overeenkomst houdende tenuitvoerlegging van de straffen gesloten tussen België en dat Tribunaal.".
Art. 50. Dans le chapitre IV, inséré par l'article 49, il est inséré un article 78 rédigé comme suit :
"Art. 78. § 1er. Dans la mesure où la Belgique a conclu un accord bilatéral d'exécution des peines avec le Tribunal, la peine d'emprisonnement est directement et immédiatement exécutoire en Belgique.
§ 2. Dans les vingt-quatre heures suivant son arrivée dans l'établissement pénitentiaire qui lui a été assigné, la personne transférée comparaît devant le procureur du Roi près le tribunal de première instance de l'arrondissement judiciaire où est situé le lieu de la détention. Le procureur du Roi procède à son interrogatoire d'identité, en dresse procès-verbal et, au vu de l'original ou d'une expédition du jugement du Tribunal, ordonne l'incarcération immédiate du condamné.
§ 3. Les procédures de libération anticipée sont régies exclusivement par le Statut du Tribunal. Les décisions rendues par le Tribunal sont exécutoires immédiatement en Belgique.
Dans ce cadre, les dispositions de la législation belge relatives aux modalités d'exécution des peines ne s'appliquent pas au détenu qui exécute, en Belgique, une peine privative de liberté prononcée par le Tribunal.
§ 4. L'autorité centrale, après consultation de l'administration pénitentiaire, rend un avis circonstancié lorsque le Tribunal, dans l'exercice de ses compétences en matière de libération anticipée, le lui demande.
§ 5. En cas de raisons médicales qui nécessiteraient une libération anticipée, l'autorité centrale en avise dès que possible le Tribunal, seul compétent pour décider d'une telle libération.
§ 6. La demande de révision de la décision du Tribunal sur la culpabilité ou sur la peine, la décision de révision et son application sont régies par le Statut du Tribunal ainsi que par l'accord bilatéral d'exécution des peines conclu entre la Belgique et le Tribunal.".
"Art. 78. § 1er. Dans la mesure où la Belgique a conclu un accord bilatéral d'exécution des peines avec le Tribunal, la peine d'emprisonnement est directement et immédiatement exécutoire en Belgique.
§ 2. Dans les vingt-quatre heures suivant son arrivée dans l'établissement pénitentiaire qui lui a été assigné, la personne transférée comparaît devant le procureur du Roi près le tribunal de première instance de l'arrondissement judiciaire où est situé le lieu de la détention. Le procureur du Roi procède à son interrogatoire d'identité, en dresse procès-verbal et, au vu de l'original ou d'une expédition du jugement du Tribunal, ordonne l'incarcération immédiate du condamné.
§ 3. Les procédures de libération anticipée sont régies exclusivement par le Statut du Tribunal. Les décisions rendues par le Tribunal sont exécutoires immédiatement en Belgique.
Dans ce cadre, les dispositions de la législation belge relatives aux modalités d'exécution des peines ne s'appliquent pas au détenu qui exécute, en Belgique, une peine privative de liberté prononcée par le Tribunal.
§ 4. L'autorité centrale, après consultation de l'administration pénitentiaire, rend un avis circonstancié lorsque le Tribunal, dans l'exercice de ses compétences en matière de libération anticipée, le lui demande.
§ 5. En cas de raisons médicales qui nécessiteraient une libération anticipée, l'autorité centrale en avise dès que possible le Tribunal, seul compétent pour décider d'une telle libération.
§ 6. La demande de révision de la décision du Tribunal sur la culpabilité ou sur la peine, la décision de révision et son application sont régies par le Statut du Tribunal ainsi que par l'accord bilatéral d'exécution des peines conclu entre la Belgique et le Tribunal.".
Art. 51. In hetzelfde hoofdstuk IV wordt een artikel 79 ingevoegd, luidende :
"Art. 79. Onverminderd de rechten van derden te goeder trouw legt België de maatregelen houdende verbeurdverklaring ten uitvoer die het Tribunaal heeft bevolen. Wanneer het Tribunaal België verzoekt een beslissing tot verbeurdverklaring ten uitvoer te leggen, maakt de correctionele rechtbank van het gerechtelijk arrondissement waarin de goederen gelegen zijn waarop de verbeurdverklaring betrekking heeft, die beslissing uitvoerbaar, na het openbaar ministerie en de veroordeelde persoon of zijn raadsman te hebben gehoord. Indien het onmogelijk is gevolg te geven aan het bevel tot verbeurdverklaring, worden gelijkwaardige maatregelen genomen zoals bedoeld in artikel 43bis, tweede lid, van het Strafwetboek, zulks onverminderd de rechten van derden te goeder trouw. De goederen of de opbrengst uit de verkoop van onroerende goederen of, in voorkomend geval, van andere goederen verkregen ingevolge de tenuitvoerlegging van een arrest van het Tribunaal, worden door de centrale autoriteit aan het Tribunaal overgedragen.".
"Art. 79. Onverminderd de rechten van derden te goeder trouw legt België de maatregelen houdende verbeurdverklaring ten uitvoer die het Tribunaal heeft bevolen. Wanneer het Tribunaal België verzoekt een beslissing tot verbeurdverklaring ten uitvoer te leggen, maakt de correctionele rechtbank van het gerechtelijk arrondissement waarin de goederen gelegen zijn waarop de verbeurdverklaring betrekking heeft, die beslissing uitvoerbaar, na het openbaar ministerie en de veroordeelde persoon of zijn raadsman te hebben gehoord. Indien het onmogelijk is gevolg te geven aan het bevel tot verbeurdverklaring, worden gelijkwaardige maatregelen genomen zoals bedoeld in artikel 43bis, tweede lid, van het Strafwetboek, zulks onverminderd de rechten van derden te goeder trouw. De goederen of de opbrengst uit de verkoop van onroerende goederen of, in voorkomend geval, van andere goederen verkregen ingevolge de tenuitvoerlegging van een arrest van het Tribunaal, worden door de centrale autoriteit aan het Tribunaal overgedragen.".
Art. 51. Dans le même chapitre IV, il est inséré un article 79 rédigé comme suit :
"Art. 79. La Belgique exécute les mesures de confiscation ordonnées par le Tribunal sans préjudice des droits des tiers de bonne foi. Lorsqu'une demande tendant à l'exécution d'une décision de confiscation est adressée par le Tribunal à la Belgique, le tribunal correctionnel de l'arrondissement judiciaire où les biens sur lesquels porte la confiscation sont situés rend cette décision exécutoire, après avoir entendu le ministère public et la personne condamnée ou son conseil. Lorsqu'il est impossible de donner effet à l'ordonnance de confiscation, des mesures de confiscation par équivalent, visées à l'article 43bis, alinéa 2, du Code pénal, sont prises sans préjudice des droits des tiers de bonne foi. Les biens ou le produit de la vente de biens immobiliers ou, le cas échéant, d'autres biens, obtenus en exécution d'un arrêt prononcé par le Tribunal, sont transférés au Tribunal par l'intermédiaire de l'autorité centrale.".
"Art. 79. La Belgique exécute les mesures de confiscation ordonnées par le Tribunal sans préjudice des droits des tiers de bonne foi. Lorsqu'une demande tendant à l'exécution d'une décision de confiscation est adressée par le Tribunal à la Belgique, le tribunal correctionnel de l'arrondissement judiciaire où les biens sur lesquels porte la confiscation sont situés rend cette décision exécutoire, après avoir entendu le ministère public et la personne condamnée ou son conseil. Lorsqu'il est impossible de donner effet à l'ordonnance de confiscation, des mesures de confiscation par équivalent, visées à l'article 43bis, alinéa 2, du Code pénal, sont prises sans préjudice des droits des tiers de bonne foi. Les biens ou le produit de la vente de biens immobiliers ou, le cas échéant, d'autres biens, obtenus en exécution d'un arrêt prononcé par le Tribunal, sont transférés au Tribunal par l'intermédiaire de l'autorité centrale.".
Art. 52. Het huidige artikel 70 van dezelfde wet wordt vernummerd tot artikel 80.
Art. 52. L'actuel article 70 de la même loi est renuméroté en article 80.
HOOFDSTUK 3. - Wijziging van het Wetboek van strafvordering
CHAPITRE 3. . - Modification du Code d'instruction criminelle
Art. 53. Artikel 90ter, § 2, 1° bis, van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij de wet van 10 januari 1999 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 5 augustus 2003, wordt aangevuld met de woorden :
"en artikel 41 van de wet van 29 maart 2004 betreffende de samenwerking met het Internationaal Strafgerechtshof en de internationale straftribunalen".
"en artikel 41 van de wet van 29 maart 2004 betreffende de samenwerking met het Internationaal Strafgerechtshof en de internationale straftribunalen".
Art. 53. L'article 90ter, § 2, 1° bis, du Code d'instruction criminelle, inséré par la loi du 10 janvier 1999 et modifié en dernier lieu par la loi du 5 août 2003, est complété par les mots :
"et l'article 41 de la loi du 29 mars 2004 concernant la coopération avec la Cour pénale internationale et les tribunaux pénaux internationaux".
"et l'article 41 de la loi du 29 mars 2004 concernant la coopération avec la Cour pénale internationale et les tribunaux pénaux internationaux".
HOOFDSTUK 4. - Inwerkingtreding
CHAPITRE 4. - Entrée en vigueur
Art. 54. Deze wet treedt in werking de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art. 54. La présente loi entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge.