Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
20 JANUARI 2014. - Wet houdende hervorming van de bevoegdheid, de procedureregeling en de organisatie van de Raad van State (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 03-02-2014 en tekstbijwerking tot 21-05-2014)
Titre
20 JANVIER 2014. - Loi portant réforme de la compétence, de la procédure et de l'organisation du Conseil d'Etat(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 03-02-2014 et mise à jour au 21-05-2014)
Informations sur le document
Numac: 2014000082
Datum: 2014-01-20
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2014000082
Date: 2014-01-20
Moniteur: Voir
Tekst (44)
Texte (44)
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition introductive
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 77 de la Constitution.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973
CHAPITRE 2. - Modifications des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973
Art. 2. In artikel 14, § 1, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, vervangen bij de wet van 15 mei 2007 en gewijzigd bij de wet van 21 februari 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden "De afdeling doet uitspraak" vervangen door de woorden "Indien het geschil niet door de wet aan een ander rechtscollege wordt toegekend, doet de afdeling uitspraak";
  2° in het eerste lid, 2°, worden de woorden "van de Hoge Raad voor de Justitie, met betrekking tot overheidsopdrachten en leden van hun personeel" vervangen door de woorden "van de Hoge Raad voor de Justitie, met betrekking tot overheidsopdrachten en leden van hun personeel, evenals de aanwerving, de aanwijzing, de benoeming in een openbaar ambt of de maatregelen die een tuchtkarakter vertonen";
  3° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, luidende :
  "De in het eerste lid bedoelde onregelmatigheden geven slechts aanleiding tot een nietigverklaring als ze, in dit geval, een invloed konden uitoefenen op de draagwijdte van de genomen beslissing, de betrokkenen een waarborg hebben ontnomen of als gevolg hebben de bevoegdheid van de steller van de handeling te beïnvloeden.";
  4° in het tweede lid dat het derde lid wordt, worden de woorden "de in 2° bedoelde akten" vervangen door de woorden "de in het eerste lid, 2°, bedoelde akten".
Art. 2. A l'article 14, § 1er, des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, remplacé par la loi du 15 mai 2007 et modifié par la loi du 21 février 2010, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 1er, les mots "La section statue" sont remplacés par les mots "Si le contentieux n'est pas attribué par la loi à une autre juridiction, la section statue";
  2° dans l'alinéa 1er, 2°, les mots "du Conseil supérieur de la Justice relatifs aux marchés publics et aux membres de leur personnel" sont remplacés par les mots "du Conseil supérieur de la Justice, relatifs aux marchés publics, aux membres de leur personnel, ainsi qu'au recrutement, à la désignation, à la nomination dans une fonction publique ou aux mesures ayant un caractère disciplinaire";
  3° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 1er et 2 :
  "Les irrégularités visées à l'alinéa 1er ne donnent lieu à une annulation que si elles ont été susceptibles d'exercer, en l'espèce, une influence sur le sens de la décision prise, ont privé les intéressés d'une garantie ou ont pour effet d'affecter la compétence de l'auteur de l'acte.";
  4° dans l'alinéa 2, qui devient l'alinéa 3, les mots "aux actes et règlements visés au 2° " sont remplacés par les mots "aux actes et règlements visés à l'alinéa 1er, 2° ".
Art. 3. Artikel 14ter van dezelfde wetten, ingevoegd bij de wet van 4 augustus 1996, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 14ter. Op verzoek van een verwerende of tussenkomende partij, en als de afdeling bestuursrechtspraak het nodig oordeelt, wijst ze die gevolgen van de vernietigde individuele akten of, bij wege van algemene beschikking, die gevolgen van de vernietigde reglementen aan, die als definitief moeten worden beschouwd of voorlopig gehandhaafd worden voor de termijn die ze vaststelt.
  De in het eerste lid bedoelde maatregel kan enkel worden bevolen om uitzonderlijke redenen die een aantasting van het legaliteitsbeginsel rechtvaardigen, bij een met bijzondere redenen omklede beslissing en na een tegensprekelijk debat. Deze beslissing kan rekening houden met de belangen van derden.".
Art. 3. L'article 14ter des mêmes lois, inséré par la loi du 4 août 1996, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 14ter. A la demande d'une partie adverse ou intervenante, et si la section du contentieux administratif l'estime nécessaire, elle indique ceux des effets des actes individuels annulés ou, par voie de disposition générale, ceux des effets des règlements annulés, qui doivent être considérés comme définitifs ou maintenus provisoirement pour le délai qu'elle détermine.
  La mesure visée à l'alinéa 1er ne peut être ordonnée que pour des raisons exceptionnelles justifiant de porter atteinte au principe de la légalité, par une décision spécialement motivée sur ce point et après un débat contradictoire. Cette décision peut tenir compte des intérêts des tiers.".
Art. 4. In artikel 15 van dezelfde wetten wordt het woord "nietigverklaring" vervangen door het woord "cassatie".
Art. 4. Dans l'article 15 des mêmes lois, les mots "d'annulation" sont remplacés par les mots "de cassation".
Art. 5. In artikel 16 van dezelfde wetten, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 15 september 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het enige lid, dat het eerste lid wordt, wordt aangevuld met een 8°, luidende :
  "8° elk ander beroep in volle rechtsmacht toegewezen aan de Raad van State.";
  2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "Het arrest van de afdeling bestuursrechtspraak kan de beslissing genomen door de overheid of het administratief rechtscollege hervormen. In dat geval treedt het arrest in de plaats van die beslissing.".
Art. 5. A l'article 16 des mêmes lois, modifié en dernier lieu par la loi du 15 septembre 2006, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'alinéa unique, qui devient l'alinéa 1er, est complété par un 8°, rédigé comme suit :
  "8° sur tout autre recours de pleine juridiction attribué au Conseil d'Etat.";
  2° l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  "L'arrêt de la section du contentieux administratif peut réformer la décision prise par l'autorité ou la juridiction administrative. Dans ce cas, l'arrêt se substitue à cette décision.".
Art. 6. Artikel 17 van dezelfde wetten, vervangen bij de wet van 19 juli 1996 en gewijzigd bij de wetten van 4 augustus 1996 en 15 september 2006, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 17. § 1. De afdeling bestuursrechtspraak is als enige bevoegd om, de partijen gehoord of behoorlijk opgeroepen, bij arrest de schorsing te bevelen van de tenuitvoerlegging van een akte of een reglement, vatbaar voor nietigverklaring krachtens artikel 14, §§ 1 en 3, en om alle maatregelen te bevelen die nodig zijn om de belangen veilig te stellen van de partijen of de personen die een belang hebben bij de beslechting van de zaak.
  Deze schorsing of deze voorlopige maatregelen kunnen op elk moment worden bevolen :
  1° indien de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring;
  2° en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.
  In afwijking van het eerste en tweede lid, kunnen de schorsing of de voorlopige maatregelen niet worden gevorderd na de neerlegging van het verslag bedoeld in artikel 24. In dat geval mag evenwel elke partij die hierbij enig belang heeft aan de voorzitter van de kamer waar het verzoek aanhangig werd gemaakt een met redenen omkleed verzoek richten om met spoed een terechtzitting te bepalen. De vordering tot schorsing of tot voorlopige maatregelen, ingediend tussen de neerlegging van het verslag en de kennisgeving ervan, wordt gelijkgesteld met het met redenen omkleed verzoek. De voorzitter spreekt zich over dit verzoek bij beschikking uit. Indien de spoedeisendheid gerechtvaardigd lijkt, stelt hij de zaak vast op korte termijn en ten laatste binnen de twee maanden na de ontvangst van het verzoek, en kan hij de termijnen voor de neerlegging van de laatste memories aanpassen.
  § 2. Het verzoekschrift tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen bevat een uiteenzetting van de feiten die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen.
  Op verzoek van de verwerende of de tussenkomende partij houdt de afdeling bestuursrechtspraak rekening met de vermoedelijke gevolgen van de schorsing van de tenuitvoerlegging of van de voorlopige maatregelen voor alle belangen die kunnen worden geschonden, alsook met het openbaar belang, en kan ze besluiten de schorsing of voorlopige maatregelen niet te bevelen indien de nadelige gevolgen ervan op een kennelijk onevenredige wijze zwaarder wegen dan de voordelen.
  Wanneer de afdeling bestuursrechtspraak een vordering tot schorsing of voorlopige maatregelen verwerpt wegens het gebrek aan spoedeisendheid, kan een nieuwe vordering slechts worden ingediend indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen. De afdeling bestuursrechtspraak kan bovendien een termijn bepalen waarin geen enkele nieuwe vordering tot schorsing of voorlopige maatregelen kan worden ingediend indien het enige nieuw ingeroepen element bestaat uit het verloop van de tijd.
  § 3. Tegen de arresten inzake een vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen kan geen verzet noch derdenverzet worden aangetekend, noch zijn ze vatbaar voor herziening.
  De arresten waarbij de schorsing of voorlopige maatregelen zijn bevolen, kunnen worden ingetrokken of gewijzigd op verzoek van de partijen.
  § 4. In geval van een uiterst dringende noodzakelijkheid die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de vordering tot schorsing of voorlopige maatregelen bedoeld in paragraaf 1, kunnen de schorsing of voorlopige maatregelen worden bevolen, zelfs voordat een beroep tot nietigverklaring werd ingediend, volgens een procedure die afwijkt van die welke geldt voor de schorsing en de voorlopige maatregelen als bedoeld in paragraaf 1.
  In voorkomend geval kunnen deze schorsing of voorlopige maatregelen zelfs worden bevolen zonder dat alle partijen zijn opgeroepen. In dat laatste geval worden in het arrest dat de voorlopige schorsing of de voorlopige maatregelen beveelt, de partijen opgeroepen om op korte termijn te verschijnen voor de kamer, die uitspraak doet over de bevestiging van de schorsing of de voorlopige maatregelen.
  De schorsing en de voorlopige maatregelen die zijn bevolen vóór het indienen van het verzoekschrift tot nietigverklaring van de akte of het reglement worden onmiddellijk opgeheven als blijkt dat binnen de in de procedureregeling vastgestelde termijn geen verzoekschrift tot nietigverklaring werd ingediend waarin middelen worden aangevoerd die ze gerechtvaardigd hadden.
  § 5. De voorzitter van de kamer of de staatsraad die hij aanwijst, doet binnen vijfenveertig dagen uitspraak over de vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen. Indien de schorsing of voorlopige maatregelen werden bevolen, wordt binnen zes maanden na de uitspraak van het arrest uitspraak gedaan over het verzoekschrift tot nietigverklaring.
  § 6. De afdeling bestuursrechtspraak kan volgens een door de Koning bepaalde versnelde procedure de akte of het reglement vernietigen indien de verwerende partij of degene die een belang heeft bij de beslechting van de zaak geen vordering tot voortzetting van de procedure heeft ingediend binnen dertig dagen te rekenen van de kennisgeving van het arrest waarbij de schorsing of de voorlopige maatregelen worden bevolen of de voorlopige schorsing of de voorlopige maatregelen worden bevestigd.
  § 7. Ten aanzien van de verzoekende partij geldt een vermoeden van afstand van geding indien de verzoekende partij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement of de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen afgewezen is, geen verzoek tot voortzetting van de procedure indient binnen een termijn van dertig dagen te rekenen van de kennisgeving van het arrest.
  § 8. Het arrest dat de schorsing, de voorlopige schorsing van de tenuitvoerlegging van een akte of een reglement of voorlopige maatregelen beveelt, kan op vordering van de verzoekende partij een dwangsom opleggen aan de betrokken overheid. In dat geval is artikel 36, §§ 2 tot 5, van toepassing.
  § 9. Ingeval de schorsing van de tenuitvoerlegging of voorlopige maatregelen worden bevolen wegens machtsafwending, wordt de zaak verwezen naar de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak.
  Indien de algemene vergadering de akte of het reglement waartegen het beroep is gericht niet vernietigt, houden de schorsing of de voorlopige maatregelen onmiddellijk op gevolg te hebben. In dit geval wordt de zaak voor de behandeling van eventuele andere middelen verwezen naar de kamer waarbij ze oorspronkelijk is ingeleid.
  § 10. Indien de kamer bevoegd om uitspraak te doen over de grond van de zaak de akte of het reglement waartegen het beroep gericht is niet vernietigt, heft ze de bevolen schorsing alsook de voorlopige maatregelen op.".
Art. 6. L'article 17 des mêmes lois, remplacé par la loi du 19 juillet 1991 et modifié par les lois du 4 août 1996 et du 15 septembre 2006, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 17. § 1er. La section du contentieux administratif est seule compétente pour ordonner par arrêt, les parties entendues ou dûment appelées, la suspension de l'exécution d'un acte ou d'un règlement susceptible d'être annulé en vertu de l'article 14, §§ 1er et 3, et pour ordonner toutes les mesures nécessaires afin de sauvegarder les intérêts des parties ou des personnes qui ont intérêt à la solution de l'affaire.
  Cette suspension ou ces mesures provisoires peuvent être ordonnées à tout moment :
  1° s'il existe une urgence incompatible avec le traitement de l'affaire en annulation;
  2° et si au moins un moyen sérieux susceptible prima facie de justifier l'annulation de l'acte ou du règlement est invoqué.
  Par dérogation aux alinéas 1er et 2, la suspension ou les mesures provisoires ne peuvent être demandées après le dépôt du rapport visé à l'article 24. Toutefois, toute partie qui y a un intérêt peut dans ce cas adresser au président de la chambre saisie de la requête, une demande motivée en vue d'obtenir la fixation de l'affaire en urgence. La demande de suspension ou de mesures provisoires introduite entre le dépôt du rapport et sa notification est assimilée à la demande motivée. Le président se prononce par ordonnance sur cette demande. Si l'urgence paraît justifiée, il fixe l'affaire à brève échéance et au plus tard dans les deux mois de la réception de la demande, et peut aménager les délais pour le dépôt des derniers mémoires.
  § 2. La requête en suspension ou en mesures provisoires contient un exposé des faits qui, selon son auteur, justifient l'urgence invoquée à l'appui de cette requête.
  A la demande de la partie adverse ou de la partie intervenante, la section du contentieux administratif tient compte des conséquences probables de la suspension de l'exécution ou des mesures provisoires pour tous les intérêts susceptibles d'être lésés, en ce compris l'intérêt public, et peut décider de ne pas accéder à la demande de suspension ou de mesures provisoires lorsque ses conséquences négatives pourraient l'emporter de manière manifestement disproportionnée sur ses avantages.
  Si la section du contentieux administratif rejette une demande de suspension ou de mesures provisoires en raison du défaut d'urgence, une nouvelle demande ne peut être introduite que si elle s'appuie sur des nouveaux éléments justifiant l'urgence de cette demande. La section du contentieux administratif peut, en outre, fixer un délai au cours duquel aucune nouvelle demande de suspension ou de mesures provisoires ne peut être introduite si le seul élément nouveau invoqué consiste en l'écoulement du temps.
  § 3. Les arrêts portant sur une demande de suspension ou de mesures provisoires ne sont susceptibles ni d'opposition ni de tierce opposition et ne sont pas davantage susceptibles de révision.
  Les arrêts par lesquels la suspension ou des mesures provisoires ont été ordonnées sont susceptibles d'être rapportés ou modifiés à la demande des parties.
  § 4. Dans les cas d'extrême urgence incompatibles avec le délai de traitement de la demande de suspension ou de mesures provisoires visées au paragraphe 1er, la suspension ou des mesures provisoires peuvent être ordonnées, même avant l'introduction d'un recours en annulation, selon une procédure qui déroge à celle qui s'applique pour la suspension et les mesures provisoires visées au paragraphe 1er.
  Le cas échéant, cette suspension ou ces mesures provisoires peuvent même être ordonnées sans que toutes les parties aient été convoquées. Dans ce cas, l'arrêt qui ordonne la suspension provisoire ou les mesures provisoires convoque les parties à bref délai devant la chambre qui statue sur la confirmation de la suspension ou des mesures provisoires.
  La suspension et les mesures provisoires qui ont été ordonnées avant l'introduction de la requête en annulation de l'acte ou du règlement seront immédiatement levées s'il apparaît qu'aucune requête en annulation invoquant des moyens qui les avaient justifiées n'a été introduite dans le délai prévu par le règlement de procédure.
  § 5. Le président de la chambre ou le conseiller d'Etat qu'il désigne statue dans les quarante-cinq jours sur la demande de suspension ou de mesures provisoires. Si la suspension ou des mesures provisoires ont été ordonnées, il est statué sur la requête en annulation dans les six mois du prononcé de l'arrêt.
  § 6. La section du contentieux administratif peut, suivant une procédure accélérée déterminée par le Roi, annuler l'acte ou le règlement si, dans les trente jours à compter de la notification de l'arrêt qui ordonne la suspension ou des mesures provisoires ou confirme la suspension provisoire ou les mesures provisoires, la partie adverse ou celui qui a intérêt à la solution de l'affaire n'a pas introduit une demande de poursuite de la procédure.
  § 7. Il existe dans le chef de la partie requérante une présomption de désistement d'instance lorsque, la demande de suspension d'un acte ou d'un règlement ou la demande de mesures provisoires ayant été rejetée, la partie requérante n'introduit aucune demande de poursuite de la procédure dans un délai de trente jours à compter de la notification de l'arrêt.
  § 8. L'arrêt qui ordonne la suspension, la suspension provisoire de l'exécution d'un acte ou d'un règlement ou des mesures provisoires peut, à la demande de la partie requérante, imposer une astreinte à l'autorité concernée. Dans ce cas, l'article 36, §§ 2 à 5, est d'application.
  § 9. Au cas où la suspension de l'exécution ou des mesures provisoires sont ordonnées pour détournement de pouvoir, l'affaire est renvoyée à l'assemblée générale de la section du contentieux administratif.
  Si l'assemblée générale n'annule pas l'acte ou le règlement attaqué, la suspension ou les mesures provisoires cessent immédiatement leurs effets. Dans ce cas, l'affaire est renvoyée pour examen d'autres moyens éventuels, à la chambre qui en était initialement saisie.
  § 10. Si la chambre compétente pour statuer au fond n'annule pas l'acte ou le règlement qui fait l'objet du recours, elle lève la suspension ordonnée ainsi que les mesures provisoires.".
Art. 7. In artikel 19 van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wetten van 6 mei 1982, 24 maart 1994, 25 mei 1999, 17 februari 2005 en 15 september 2006 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid wordt het cijfer "6° " vervangen door het cijfer "8° ";
  2° in het tweede lid worden de woorden "nadat de betrokkene in kennis werd gesteld van de akte of van de beslissing met individuele strekking" vervangen door de woorden "nadat aan de betrokkene de akte of de beslissing met individuele strekking ter kennis werd gebracht";
  3° tussen het tweede en het derde lid wordt een lid ingevoegd, luidende :
  "Wanneer een klacht wordt ingediend tegen een akte of een reglement die vatbaar is voor beroep in de zin van artikel 14, § 1, bij een persoon die door een wet, een decreet of een ordonnantie bekleed is met de functie van ombudsman, binnen één van de verjaringstermijnen bedoeld in het tweede lid, wordt deze termijn voor de indiener van deze klacht opgeschort. Het resterende deel van die termijn vangt aan hetzij op het moment dat de klager in kennis wordt gesteld van de beslissing om zijn klacht niet te behandelen of te verwerpen, hetzij bij het verstrijken van een termijn van vier maanden die begint te lopen vanaf de indiening van de klacht, als de beslissing niet eerder tussenkomt. In dit laatste geval rechtvaardigt de klager dit door een attest van de betrokken ombudsman.";
  4° in het vierde lid, dat het vijfde lid wordt, worden de woorden "derde lid" vervangen door de woorden "vierde lid";
  5° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "Behoudens bewijs van het tegendeel, wordt de advocaat verondersteld gemandateerd te zijn door de handelingsbekwame persoon die hij beweert te vertegenwoordigen.".
Art. 7. A l'article 19 des mêmes lois, modifié par les lois du 6 mai 1982, du 24 mars 1994, du 25 mai 1999, du 17 février 2005 et du 15 septembre 2006, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa premier, le chiffre "6° " est remplacé par le chiffre "8° ";
  2° dans l'alinéa 2, les mots "a pris connaissance de l'acte ou de la décision de portée individuelle" sont remplacés par les mots "s'est vu notifier l'acte ou la décision à portée individuelle";
  3° un alinéa rédigé comme suit, est inséré entre l'alinéa 2 et l'alinéa 3 :
  "Lorsqu'une réclamation est introduite contre un acte ou un règlement susceptible de recours au sens de l'article 14, § 1er, auprès d'un personne investie de la fonction de médiateur par une loi, un décret ou une ordonnance, dans l'un des délais de prescription visés à l'alinéa 2, ce délai est suspendu pour l'auteur de cette réclamation. La partie non écoulée de ce délai prend cours soit au moment où le réclamant est informé de la décision de ne pas traiter ou de rejeter sa réclamation, soit à l'expiration d'un délai de quatre mois qui prend cours à compter de l'introduction de la réclamation, si la décision n'est pas intervenue plus tôt. Dans ce dernier cas, le réclamant le justifie par une attestation du médiateur concerné.";
  4° dans l'alinéa 4, qui devient l'alinéa 5, les mots "alinéa 3" sont remplacés par les mots "alinéa 4";
  5° l'article est complété par un alinéa, rédigé comme suit :
  "Sauf preuve contraire, l'avocat est présumé avoir été mandaté par la personne capable qu'il prétend représenter.".
Art. 8. Artikel 21 van dezelfde wetten, vervangen bij de wet van 17 oktober 1990 en gewijzigd bij de wetten van 25 mei 1999 en 15 september 2006, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 21. De termijnen waarbinnen de partijen hun memories, hun administratief dossier of de door de afdeling bestuursrechtspraak gevraagde stukken of inlichtingen moeten toesturen, worden bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  Wanneer de verzoekende partij de termijnen voor het toesturen van de memorie van wederantwoord of van de toelichtende memorie niet eerbiedigt, doet de afdeling, nadat de partijen die daarom verzocht hebben, gehoord zijn, zonder verwijl uitspraak, waarbij het ontbreken van het vereiste belang wordt vastgesteld.
  Wanneer de verwerende partij het administratief dossier niet binnen de vastgestelde termijn toestuurt, worden de door de verzoekende partij aangehaalde feiten als bewezen geacht, tenzij deze feiten kennelijk onjuist zijn.
  Wanneer het administratief dossier niet in het bezit is van de verwerende partij, deelt zij dit onverwijld mede aan de kamer waarbij het beroep aanhangig is.
  De kamer kan, ambtshalve of op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat of op verzoek van een partij, de neerlegging van het administratief dossier bevelen onder verbeurte van een dwangsom overeenkomstig artikel 36.
  De memories ingediend door de verwerende partij worden ambtshalve uit de debatten geweerd wanneer zij niet werden ingediend binnen de termijnen bepaald overeenkomstig het eerste lid.
  Ten aanzien van de verzoekende partij geldt een vermoeden van afstand van geding wanneer zij geen verzoek tot voortzetting van de procedure indient, binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het verslag van de auditeur of van de mededeling dat toepassing werd gemaakt van artikel 30, § 1, derde lid, en waarin de verwerping of onontvankelijkheid van het beroep wordt voorgesteld.".
Art. 8. L'article 21 des mêmes lois, remplacé par la loi du 17 octobre 1990 et modifié par les lois du 25 mai 1999 et du 15 septembre 2006, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 21. Les délais dans lesquels les parties doivent transmettre leurs mémoires, leur dossier administratif ou les documents ou renseignements demandés par la section du contentieux administratif sont fixés par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres.
  Lorsque la partie requérante ne respecte pas les délais prévus pour l'envoi du mémoire en réplique ou du mémoire ampliatif, la section statue sans délai, les parties entendues à leur demande, en constatant l'absence de l'intérêt requis.
  Lorsque la partie adverse ne transmet pas le dossier administratif dans le délai fixé, les faits cités par la partie requérante sont réputés prouvés, à moins que ces faits soient manifestement inexacts.
  Lorsque le dossier administratif n'est pas en possession de la partie adverse, elle en avise sans délai la chambre saisie du recours.
  D'office ou à la demande du membre de l'auditorat désigné ou à la demande d'une partie, la chambre peut ordonner le dépôt du dossier administratif moyennant une astreinte conformément à l'article 36.
  Les mémoires introduits par la partie adverse sont écartés d'office des débats lorsqu'ils ne sont pas introduits dans les délais fixés conformément à l'alinéa 1er.
  Il existe dans le chef de la partie requérante, une présomption de désistement d'instance lorsqu'elle n'introduit aucune demande de poursuite de la procédure dans un délai de trente jours à compter de la notification du rapport de l'auditeur ou lors de la communication selon laquelle l'article 30, § 1er, alinéa 3, est appliqué et dans laquelle est proposé le rejet ou la déclaration d'irrecevabilité du recours.".
Art. 9. Artikel 21bis van dezelfde wetten, ingevoegd bij de wet van 17 oktober 1990, vervangen bij de wet van 25 mei 1999 en gewijzigd bij de wet van 15 september 2006, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 21bis. Degenen die belang hebben bij de oplossing van de zaak, kunnen erin tussenkomen. De kamer kan ambtshalve of op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat of van een partij, degenen van wie de aanwezigheid vereist is voor de zaak, oproepen als tussenkomende partij.
  De tussenkomende partij kan ter ondersteuning van het verzoek geen andere middelen aanvoeren dan die welke in het inleidende verzoekschrift zijn uiteengezet.".
Art. 9. L'article 21bis des mêmes lois, inséré par la loi du 17 octobre 1990, remplacé par la loi du 25 mai 1999 et modifié par la loi du 15 septembre 2006, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 21bis. Ceux qui ont intérêt à la solution de l'affaire peuvent y intervenir. La chambre peut, d'office ou à la demande du membre de l'auditorat désigné ou d'une partie, appeler en intervention ceux dont la présence est nécessaire à la cause.
  L'intervenant à l'appui de la requête ne peut soulever d'autres moyens que ceux qui ont été formulés dans la requête introductive d'instance.".
Art. 10. In artikel 30 van dezelfde wetten, vervangen bij de wet van 17 oktober 1990 en gewijzigd bij de wetten van 4 augustus 1996, 18 april 2000, 2 augustus 2002, 17 februari 2005 en 15 september 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "artikelen 11, 12, 13, 14, 16, 17, 18 en 36" vervangen door de woorden "artikelen 11, 12, 13, 14, 14ter, 16, 17, 30/1, 36 en 38";
  2° paragraaf 1, tweede lid, wordt vervangen als volgt :
  "Het koninklijk besluit bedoeld in het eerste lid bepaalt onder meer de verjaringstermijnen voor de indiening van de aanvragen en beroepen bedoeld in de artikelen 11 en 14, waarbij deze termijnen ten minste zestig dagen moeten bedragen; het bepaalt de voorwaarden voor de uitoefening van de tussenkomsten, verzetten en derden-verzetten, alsook van de beroepen tot herziening; het bepaalt een bedrag boven hetwelk er geen enkele dwangsom kan worden verbeurd; het bepaalt de toewijzing van de middelen die toegekend worden aan het begrotingsfonds bedoeld in artikel 36, § 5; het bepaalt het tarief van de kosten, uitgaven en rechten, waarbij deze rechten een bedrag van 225 euro niet mogen overschrijden; het voorziet in het verlenen van het voordeel van de juridische tweedelijnsbijstand aan de onvermogenden; het bepaalt de nadere regels om de kosten, uitgaven en rechten te voldoen; het bepaalt de gevallen waarin de partijen of hun advocaten gezamenlijk kunnen besluiten dat de zaak niet in openbare terechtzitting moet worden behandeld.";
  3° in paragraaf 1 wordt, tussen het tweede en derde lid, een lid ingevoegd, luidende :
  "Het koninklijk besluit bedoeld in het eerste lid bepaalt de specifieke regels van de onderzoeksprocedure van een verzoek tot nietigverklaring nadat de schorsing werd bevolen en de gevallen waarin, nadat over de vordering tot schorsing bij arrest uitspraak werd gedaan, het aangewezen lid van het auditoraat geen nieuw verslag moet opstellen, alsook de nadere regels ter zake.";
  4° paragraaf 2, eerste lid, wordt aangevuld met de volgende zin :
  "Deze bijzondere procedure kan worden ingesteld indien de auditeur dit in zijn verslag voorstelt of indien één der partijen hierom verzoekt, ten laatste tijdens de terechtzitting, na kennisneming van het verslag neergelegd door de auditeur tijdens zijn onderzoek van de vordering tot schorsing.";
  5° paragraaf 2 wordt aangevuld met een lid luidende :
  "De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere procedureregels die toelaten de nietigverklaring van een akte of van een reglement te vermijden door de toepassing van de bestuurlijke lus bedoeld in artikel 38, wanneer de spoedeisendheid die ingeroepen wordt ter ondersteuning van de vordering tot schorsing wordt vastgesteld en de auditeur alle middelen heeft onderzocht. De bestuurlijke lus kan slechts worden toegepast indien de verwerende partij dit voorafgaandelijk heeft aanvaard.";
  6° in paragraaf 3, worden de woorden "van artikel 17, § 4" vervangen door de woorden "van paragraaf 1, derde lid";
  7° paragraaf 5, eerste tot derde lid en vijfde lid, evenals de paragrafen 6 tot 9 worden opgeheven.
Art. 10. A l'article 30 des mêmes lois, remplacé par la loi du 17 octobre 1990 et modifié par les lois des 4 août 1996, 18 avril 2000, 2 août 2002, 17 février 2005 et 15 septembre 2006, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots "articles 11, 12, 13, 14, 16, 17, 18 et 36" sont remplacés par les mots "articles 11, 12, 13, 14, 14ter, 16, 17, 30/1, 36 et 38";
  2° le paragraphe 1er, alinéa 2, est remplacé par ce qui suit :
  "L'arrêté royal visé à l'alinéa premier détermine notamment les délais de prescription pour l'introduction des demandes et recours prévus aux articles 11 et 14, ces délais devant être de soixante jours au moins; il fixe les conditions d'exercice des interventions, oppositions et tierces oppositions, ainsi que des recours en révision; il fixe un montant au-delà duquel aucune astreinte n'est encourue; il fixe l'affectation des moyens attribués au fonds budgétaire visé à l'article 36, § 5; il fixe les tarifs des frais, dépens et droits, ces droits ne pouvant pas dépasser un montant de 225 euros; il prévoit l'octroi aux indigents du bénéfice de l'aide juridique de deuxième ligne; il fixe les modalités pour acquitter les frais, dépens et droits; il détermine les cas dans lesquels les parties ou leurs avocats peuvent décider conjointement que la cause ne doit pas être traitée en séance publique.";
  3° dans le paragraphe 1er, un alinéa rédigé comme suit, est inséré entre l'alinéa 2 et l'alinéa 3 :
  "L'arrêté royal visé à l'alinéa premier détermine les modalités spécifiques de la procédure d'examen d'une requête en annulation après que la suspension a été ordonnée et les cas où, après qu'il a été statué par arrêt sur la demande de suspension, le membre de l'auditorat désigné ne doit pas établir de nouveau rapport, ainsi que les règles qui doivent être suivies à cet égard.";
  4° le paragraphe 2, alinéa 1er, est complété par la phrase suivante :
  "Cette procédure particulière peut être mise en oeuvre si l'auditeur le propose dans son rapport ou si l'une des parties le demande, au plus tard à l'audience, sur le vu du rapport déposé par l'auditeur lors de son examen de la demande de suspension.";
  5° le paragraphe 2 est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  "Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les règles particulières de procédure permettant d'éviter l'annulation d'un acte ou d'un règlement par l'application de la boucle administrative visée à l'article 38, lorsque l'urgence invoquée à l'appui de la demande de suspension est établie et que l'auditeur a examiné tous les moyens. La boucle administrative ne peut être appliquée que si la partie adverse a préalablement accepté son application.";
  6° dans le paragraphe 3, les mots "de l'article 17, § 4" sont remplacés par les mots "du paragraphe 1er, alinéa 3";
  7° le paragraphe 5, alinéas 1er à 3 et 5, ainsi que les paragraphes 6 à 9 sont abrogés.
Art. 11. In dezelfde wetten wordt een artikel 30/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 30/1. § 1. De afdeling bestuursrechtspraak kan een rechtsplegingsvergoeding toekennen, die een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en honoraria van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.
  Na het advies ingewonnen te hebben van de Orde van Vlaamse Balies en van de "Ordre des barreaux francophones et germanophone" bepaalt de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de basisbedragen en de minimale en maximale bedragen van de rechtsplegingsvergoeding, afhankelijk van onder meer de aard van de zaak en het belang van het geschil.
  § 2. De afdeling bestuursrechtspraak kan, bij met bijzondere redenen omklede beslissing, de vergoeding verlagen of verhogen, zonder echter de door de Koning voorziene maximale en minimale bedragen te overschrijden. In haar beoordeling houdt ze rekening met :
  1° de financiële draagkracht van de in het ongelijk gestelde partij, om het bedrag van de vergoeding te verlagen;
  2° de complexiteit van de zaak;
  3° de kennelijk onredelijke aard van de situatie.
  Indien de in het ongelijk gestelde partij juridische tweedelijnsbijstand geniet, wordt de rechtsplegingsvergoeding vastgelegd op het door de Koning bepaalde minimale bedrag, behalve in geval van een kennelijk onredelijke situatie. Wat dit betreft, omkleedt de afdeling bestuursrechtspraak haar beslissing tot vermindering of verhoging met bijzondere redenen.
  Wanneer meer partijen de rechtsplegingsvergoeding ten laste van een of meer in het ongelijk gestelde partijen genieten, is het bedrag ervan maximaal het dubbel van de maximale rechtsplegingsvergoeding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen, aanspraak kan maken. Ze wordt door de afdeling bestuursrechtspraak tussen de partijen verdeeld.
  Geen partij kan boven het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding worden aangesproken tot betaling van een vergoeding voor de tussenkomst van de advocaat van een andere partij. De tussenkomende partijen kunnen niet worden gehouden tot de betaling van deze rechtsplegingsvergoeding of ervan genieten.".
Art. 11. Dans les mêmes lois, il est inséré un article 30/1 rédigé comme suit :
  "Art. 30/1. § 1er. La section du contentieux administratif peut accorder une indemnité de procédure qui est une intervention forfaitaire dans les frais et honoraires d'avocat de la partie ayant obtenu gain de cause.
  Après avoir pris l'avis de l'Ordre des barreaux francophones et germanophone et de "l'Orde van Vlaamse Balies", le Roi établit par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les montants de base, minima et maxima de l'indemnité de procédure, en fonction notamment de la nature de l'affaire et de l'importance du litige.
  § 2. La section du contentieux administratif peut, par décision spécialement motivée, soit réduire l'indemnité soit l'augmenter, sans pour autant dépasser les montants maxima et minima prévus par le Roi. Dans son appréciation, elle tient compte :
  1° de la capacité financière de la partie succombante, pour diminuer le montant de l'indemnité;
  2° de la complexité de l'affaire;
  3° du caractère manifestement déraisonnable de la situation.
  Si la partie succombante bénéficie de l'aide juridique de deuxième ligne, l'indemnité de procédure est fixée au montant minimum établi par le Roi, sauf en cas de situation manifestement déraisonnable. Sur ce point, la section du contentieux administratif motive spécialement sa décision de diminution ou d'augmentation.
  Lorsque plusieurs parties bénéficient de l'indemnité de procédure à charge d'une ou de plusieurs parties succombantes, son montant est au maximum le double de l'indemnité de procédure maximale à laquelle peut prétendre le bénéficiaire qui est fondé à réclamer l'indemnité la plus élevée. Elle est répartie entre les parties par la section du contentieux administratif.
  Aucune partie ne peut être tenue au paiement d'une indemnité pour l'intervention de l'avocat d'une autre partie au-delà du montant de l'indemnité de procédure. Les parties intervenantes ne peuvent être tenues au paiement ou bénéficier de cette indemnité.".
Art. 12. Hoofdstuk III van titel V van dezelfde gecoördineerde wetten, met als opschrift "Dwangsom", hersteld bij de wet van 17 oktober 1990 en dat artikel 36 bevat, dat zelf gewijzigd werd bij de wet van 20 juli 1991, wordt vervangen door een nieuw hoofdstuk III, dat de artikelen 35/1 en 36 bevat, luidende :
  "Hoofdstuk III : Uitvoering van de arresten en dwangsom
  Art. 35/1. Op verzoek van één der partijen, ten laatste in de laatste memorie, verduidelijkt de afdeling bestuursrechtspraak in de motieven van haar arrest houdende nietigverklaring, de maatregelen die moeten worden genomen om de onwettigheid die heeft geleid tot deze nietigverklaring te verhelpen.
  Art. 36. § 1. Wanneer het arrest inhoudt dat de betrokken overheid een nieuwe beslissing neemt, kan de afdeling bestuursrechtspraak, waarbij een vordering in die zin is ingesteld, in dat arrest bevelen dat die beslissing binnen een bepaalde termijn moet worden genomen. Zij kan dit bevelen bij een later arrest, op voorwaarde dat de partij op wier verzoek de nietigverklaring werd uitgesproken, voorafgaandelijk en via een aangetekende brief, de overheid in gebreke heeft gesteld een nieuwe beslissing te nemen en er ten minste drie maanden zijn verstreken sinds de kennisgeving van het arrest houdende de nietigverklaring.
  Wanneer de nieuw te nemen beslissing het gevolg is van een gebonden bevoegdheid van de verwerende partij, treedt het arrest in de plaats van die beslissing.
  Wanneer haar arrest inhoudt dat de betrokken overheid zich onthoudt van het nemen van een beslissing, kan de afdeling bestuursrechtspraak, waarbij een vordering in die zin is ingesteld, een dergelijke onthoudingsverplichting bevelen.
  § 2. Indien de betrokken verwerende partij de verplichting opgelegd uit hoofde van paragraaf 1 niet nakomt, kan de partij op wier verzoek de nietigverklaring werd uitgesproken de afdeling bestuursrechtspraak vragen om een dwangsom op te leggen aan deze overheid of deze het bevel te geven, op verbeurte van een dwangsom, de beslissing in te trekken die zij heeft genomen met schending van de uit het arrest houdende nietigverklaring volgende onthoudingsverplichting.
  De afdeling bestuursrechtspraak kan de dwangsom vaststellen ofwel voor een globaal bedrag ofwel op een bedrag per tijdseenheid of per overtreding.
  § 3. De kamer die de dwangsom heeft uitgesproken kan, op verzoek van de veroordeelde overheid, de dwangsom opheffen, de looptijd ervan opschorten gedurende een door haar vast te stellen termijn of de dwangsom verminderen in geval van blijvende, tijdelijke of gedeeltelijke onmogelijkheid voor die overheid om aan de hoofdveroordeling te voldoen. Voor zover de dwangsom opgelegd is voordat er sprake was van deze onmogelijkheid, kan de kamer de dwangsom niet opheffen, noch verminderen.
  De partij op wier verzoek reeds een dwangsom werd opgelegd, kan vragen om een bijkomende dwangsom op te leggen of om de opgelegde dwangsom te verhogen wanneer de verwerende partij aanhoudend in gebreke blijft uitvoering te geven aan het arrest houdende nietigverklaring.
  § 4. De bepalingen van het vijfde deel van het Gerechtelijk Wetboek die op het beslag en de tenuitvoerlegging betrekking hebben, zijn eveneens van toepassing op de tenuitvoerlegging van het arrest waarbij een dwangsom is opgelegd.
  § 5. De in paragraaf 2 bedoelde dwangsom wordt ten uitvoer gelegd op vraag van de partij ten verzoeke waarvan die werd opgelegd en met tussenkomst van de minister van Binnenlandse Zaken. Zij wordt voor de helft toegewezen aan een begrotingsfonds in de zin van de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen. Dat fonds wordt "Fonds voor het beheer van de dwangsommen" genoemd. De andere helft wordt aan de partij ten verzoeke waarvan de dwangsom werd opgelegd, gestort.
  De aan dit fonds toegekende middelen worden gebruikt voor de modernisering van de organisatie van de bestuurlijke rechtspraak.".
Art. 12. Le chapitre III du titre V des mêmes lois coordonnées, intitulé "De l'astreinte", rétabli par la loi du 17 octobre 1990 et comprenant l'article 36, lui-même modifié par la loi du 20 juillet 1991, est remplacé par un nouveau chapitre III, comprenant les articles 35/1 et 36, rédigé comme suit :
  "Chapitre III : De l'exécution des arrêts et de l'astreinte
  Art. 35/1. A la demande d'une des parties au plus tard dans le dernier mémoire, la section du contentieux administratif précise, dans les motifs de son arrêt d'annulation, les mesures à prendre pour remédier à l'illégalité ayant conduit à cette annulation.
  Art. 36. § 1er. Lorsque l'arrêt implique que l'autorité concernée prenne une nouvelle décision, la section du contentieux administratif, saisie d'une demande en ce sens, peut ordonner par cet arrêt que cette décision intervienne dans un délai déterminé. Elle peut l'ordonner par un arrêt ultérieur, pour autant que la partie à la requête de laquelle l'annulation a été prononcée ait, au préalable et par une lettre recommandée, mis l'autorité en demeure de prendre une nouvelle décision et qu'au moins trois mois se soient écoulés depuis la notification de l'arrêt en annulation.
  Lorsque la nouvelle décision à prendre résulte d'une compétence liée de la partie adverse, l'arrêt se substitue à celle-ci.
  Lorsque son arrêt implique que l'autorité concernée s'abstienne de prendre une décision, la section du contentieux administratif, saisie d'une demande en ce sens, peut lui ordonner une telle obligation d'abstention.
  § 2. Si la partie adverse concernée ne remplit pas l'obligation imposée en vertu du paragraphe 1er, la partie à la requête de laquelle l'annulation a été prononcée peut demander à la section du contentieux administratif d'imposer une astreinte à cette autorité ou de lui ordonner, sous peine d'une astreinte, de retirer la décision qu'elle aurait prise en violation de l'obligation d'abstention découlant de l'arrêt d'annulation.
  La section du contentieux administratif peut fixer l'astreinte soit à un montant global soit à un montant par unité de temps ou par infraction.
  § 3. La chambre qui a prononcé l'astreinte, peut, à la requête de l'autorité condamnée, annuler l'astreinte, en suspendre l'échéance pendant un délai à fixer par elle ou diminuer l'astreinte en cas d'impossibilité permanente ou temporaire ou partielle pour l'autorité condamnée de satisfaire à la condamnation principale. Pour autant que l'astreinte soit encourue avant cette impossibilité la chambre ne peut ni l'annuler ni la diminuer.
  La partie à la requête de laquelle une astreinte a déjà été imposée peut demander d'imposer une astreinte supplémentaire ou d'augmenter l'astreinte imposée au cas où la partie adverse reste de manière persistante en défaut d'exécuter l'arrêt d'annulation.
  § 4. Les dispositions de la cinquième partie du Code judiciaire qui ont trait à la saisie et à l'exécution, sont également applicables à l'exécution de l'arrêt imposant une astreinte.
  § 5. L'astreinte visée au paragraphe 2 est exécutée à la demande de la partie à la requête de laquelle elle a été imposée et à l'intervention du ministre de l'Intérieur. Elle est affectée pour moitié à un fonds budgétaire au sens de la loi organique du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires. Ce fonds est dénommé "Fonds de gestion des astreintes". L'autre moitié est versée à la partie à la requête de laquelle l'astreinte a été imposée.
  Les moyens attribués à ce fonds sont utilisés pour la modernisation de l'organisation de la jurisprudence administrative.".
Art. 13. In titel V van dezelfde wetten wordt, na artikel 37, een hoofdstuk V ingevoegd met als opschrift "Hoofdstuk V. De bestuurlijke lus" dat het artikel 38 bevat dat als volgt wordt hersteld :
  "Art. 38. § 1. In geval van een beroep tot nietigverklaring bedoeld in artikel 14, § 1, kan de afdeling bestuursrechtspraak de verwerende partij bij tussenarrest opdragen om een gebrek in de bestreden akte of het bestreden reglement te herstellen of te laten herstellen.
  Het gebruik van deze bestuurlijke lus is alleen mogelijk nadat de partijen de mogelijkheid hebben gehad hun opmerkingen te doen kennen over het gebruik ervan.
  Het tussenarrest bepaalt de wijze waarop en de termijn waarbinnen het herstel moet plaatsvinden. Deze termijn kan worden verlengd op verzoek van de verwerende partij. Wanneer het herstel bestaat uit het nemen van een nieuwe akte, of een nieuw reglement wordt het voorwerp van het beroep uitgebreid tot deze akte of dit reglement.
  Het herstel kan alleen de gebreken betreffen die in het tussenarrest werden aangeduid. Het herstel van deze gebreken mag geen weerslag hebben op de inhoud van de akte of het reglement.
  § 2. De bestuurlijke lus kan niet worden toegepast wanneer :
  1° het gebrek niet herstelbaar is binnen een termijn van drie maanden, behalve als er wordt aangetoond dat dit binnen een redelijke termijn kan geschieden;
  2° de eigen beslissingsbevoegdheid van de verwerende partij niet volstaat om het gebrek te herstellen;
  3° de verwerende partij de toepassing van de procedure uitdrukkelijk weigert;
  4° het herstel van het gebrek niet kan leiden tot de definitieve beslechting van het hangende geding.
  § 3. Indien de toepassing van de bestuurlijke lus pas wordt voorgesteld in het tussenarrest beschikken de partijen over een termijn van vijftien dagen te rekenen van de kennisgeving van dit arrest om hun standpunt omtrent de toepassing van de bestuurlijke lus mee te delen.
  Daarna spreekt de afdeling bestuursrechtspraak zich uit over de toepassing van de bestuurlijke lus, overeenkomstig paragraaf 1.
  § 4. Zodra de verwerende partij uitvoering heeft gegeven aan het in paragraaf 1 bedoelde tussenarrest, geeft zij daarvan onverwijld schriftelijk kennis aan de Raad van State, alsook van de wijze waarop het gebrek is hersteld. Indien de Raad van State binnen vijftien dagen na het verstrijken van de bij tussenarrest vastgestelde hersteltermijn geen kennisgeving heeft ontvangen, wordt de bestreden akte of het bestreden reglement nietig verklaard.
  De andere partijen kunnen, binnen een termijn van vijftien dagen vanaf het ogenblik waarop de afdeling bestuursrechtspraak hen in kennis stelt van de manier waarop het gebrek werd hersteld, hun opmerkingen daaromtrent doen gelden.
  Indien de afdeling bestuursrechtspraak vaststelt dat het gebrek niet volledig is hersteld of dat het herstel aangetast is door nieuwe gebreken, wordt de herstelde akte of het herstelde reglement of, in voorkomend geval de nieuwe akte of het nieuwe reglement nietig verklaard.
  Indien het gebrek volledig is hersteld, gelden de gevolgen van de bestuurlijke lus met terugwerkende kracht en wordt het beroep verworpen."
Art. 13. Dans le titre V des mêmes lois, il est inséré, après l'article 37, un chapitre V intitulé "Chapitre V. De la boucle administrative" comprenant l'article 38, rétabli dans la rédaction suivante :
  "Art. 38. § 1er. En cas de recours en annulation visé à l'article 14, § 1er, la section du contentieux administratif peut charger la partie adverse, par voie d'arrêt interlocutoire, de corriger ou de faire corriger un vice dans l'acte ou le règlement attaqué.
  Le recours à cette boucle administrative est subordonné à la faculté, offerte aux parties, de faire valoir leurs observations sur son utilisation.
  L'arrêt interlocutoire fixe les modalités de la correction ainsi que le délai dans lequel elle doit intervenir. Ce délai peut être prolongé à la demande de la partie adverse. Si la correction requiert un nouvel acte ou un nouveau règlement, l'objet du recours est étendu à cet acte ou ce règlement.
  La correction ne peut porter que sur les vices relevés dans l'arrêt interlocutoire. La correction de ces vices ne peut avoir une incidence sur le contenu de l'acte ou du règlement.
  § 2. La boucle administrative ne peut être appliquée lorsque :
  1° le vice n'est pas susceptible d'être corrigé dans un délai de trois mois, sauf à démontrer qu'il peut l'être dans un délai raisonnable;
  2° le pouvoir de décision propre de la partie adverse n'est pas suffisant pour corriger le vice;
  3° la partie adverse refuse expressément l'application de la procédure;
  4° la correction du vice ne peut mettre définitivement fin à la procédure en cours.
  § 3. Lorsque l'application de la boucle administrative n'est proposée que dans l'arrêt interlocutoire, les parties disposent d'un délai de quinze jours à partir de la notification de cet arrêt pour communiquer leur point de vue sur l'application de celle-ci.
  La section du contentieux administratif statue ensuite sur l'application de la boucle administrative, conformément au paragraphe 1er.
  § 4. Dès que la partie adverse a exécuté l'arrêt interlocutoire visé au paragraphe 1er, elle en informe immédiatement le Conseil d'Etat par écrit et précise la manière dont le vice a été corrigé. Si le Conseil d'Etat n'a pas reçu de notification dans les quinze jours suivant l'expiration du délai de réparation fixé par voie d'arrêt interlocutoire, l'acte ou le règlement attaqué est annulé.
  Les autres parties peuvent, dans un délai de quinze jours à compter du moment où la section du contentieux administratif leur notifie la manière dont le vice a été corrigé, faire valoir leurs observations sur ce point.
  Si la section du contentieux administratif constate que le vice n'a pas été complètement corrigé ou que la correction est entachée de nouveaux vices, l'acte ou le règlement corrigé, ou, le cas échéant, le nouvel acte ou le nouveau règlement, est annulé.
  Si le vice a été complètement corrigé, la boucle administrative opère avec effets rétroactifs et le recours est rejeté."
(NOTA : bij arrest n° 103/2015 van 16-07-2015 (B.St 01-09-2015, p. 55706),heeft het Grondwettelijk Hof dit artikel vernietigd)/ital}
(NOTE : par son arrêt n° 103/2015 du 16-07-2015 (M.B. 01-09-2015, p. 55685), la Cour constitutionnelle a annulé cet article)
Art. 14. In artikel 70, § 2, van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wetten van 24 maart 1994, 6 mei 1997, 8 september 1997, 15 september 2006 en 21 februari 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid, 1°, worden de woorden "het vergelijkend examen van referendaris bij het Hof van Cassatie," ingevoegd tussen de woorden "het vergelijkend examen van referendaris bij het Grondwettelijk Hof," en de woorden "het vergelijkend examen van adjunct-auditeur bij het Rekenhof";
  2° in het eerste lid, 2°, worden de woorden "met minstens rang 15" vervangen door de woorden "met minstens klasse A4";
  3° het eerste lid wordt aangevuld met een 6°, luidende :
  "6° gedurende minstens twintig jaar als voornaamste beroepsactiviteit het beroep van advocaat uitgeoefend hebben of gedurende minstens twintig jaar een functie hebben uitgeoefend waarvan de uitoefening een goede kennis van het recht vereist, waaronder minstens vijftien jaar als advocaat. De eis van relevante beroepservaring als bedoeld in het eerste lid is voldaan door naleving van deze voorwaarde.";
  4° het tweede lid wordt opgeheven;
  5° in het derde lid worden de woorden "van elke taalrol" ingevoegd tussen de woorden "De staatsraden" en de woorden "worden, voor ten minste de helft van hun aantal,".
Art. 14. A l'article 70, § 2, des mêmes lois, modifié par les lois du 24 mars 1994, du 6 mai 1997, du 8 septembre 1997, du 15 septembre 2006 et du 21 février 2010, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 1er, 1°, les mots "le concours de référendaire à la Cour de Cassation," sont insérés entre les mots "le concours de référendaire à la Cour constitutionnelle," et les mots "le concours d'auditeur adjoint à la Cour des Comptes";
  2° dans l'alinéa 1er, 2°, les mots "du rang 15 au moins" sont remplacés par les mots "classe A4 au moins";
  3° l'alinéa 1er est complété par le 6° rédigé comme suit :
  "6° avoir pendant vingt ans au moins exercé la profession d'avocat à titre d'activité professionnelle principale ou avoir exercé pendant vingt ans au moins une fonction dont l'exercice nécessite une bonne connaissance du droit, dont quinze ans au moins en qualité d'avocat. L'exigence d'une expérience professionnelle utile visée à l'alinéa 1er est remplie par le respect de la présente condition.";
  4° l'alinéa 2 est abrogé;
  5° dans alinéa 3, les mots "de chaque rôle linguistique" sont insérés entre les mots "Les conseillers d'Etat" et les mots "sont, pour la moitié au moins de leur nombre,".
Art. 15. In artikel 72, § 1, van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wetten van 17 oktober 1990, 25 mei 1999 en 15 september 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid wordt vervangen als volgt :
  "De griffiers worden door de Koning benoemd uit een lijst die hun plaats vermeldt in de rangschikking voor een vergelijkend examen waarvan de algemene vergadering van de Raad van State de voorwaarden bepaalt. De jury belast met het onderzoek van de kandidaten bestaat uit twee leden van de Raad van State, een lid van het auditoraat en de hoofdgriffier of de door hem aangewezen persoon alsmede een buiten de instelling staande persoon. De leden van de Raad van State en de buiten de instelling staande persoon worden aangewezen door de algemene vergadering van de Raad van State. Het lid van het auditoraat wordt aangewezen door de auditeur-generaal of de adjunct-auditeur-generaal, naargelang de taalrol van de kandidaat. De uitslag van het vergelijkend examen blijft drie jaar geldig.";
  2° in het tweede lid, 2°, worden de woorden "2+" vervangen door de woorden "B of 2+".
Art. 15. A l'article 72, § 1er, des mêmes lois, modifié par les lois du 17 octobre 1990, du 25 mai 1999 et du 15 septembre 2006, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  "Les greffiers sont nommés par le Roi sur une liste indiquant l'ordre de leur classement à un concours dont l'assemblée générale du Conseil d'Etat détermine les conditions. Le jury chargé d'examiner les candidats comprend deux membres du Conseil d'Etat, un membre de l'auditorat, le greffier en chef ou la personne qu'il désigne, ainsi qu'une personne étrangère à l'institution. Les membres du Conseil d'Etat et la personne étrangère à l'institution sont désignés par l'assemblée générale du Conseil d'Etat. Le membre de l'auditorat est désigné par l'auditeur général ou l'auditeur général adjoint, selon le rôle linguistique du candidat. La durée de validité du concours est de trois ans.";
  2° dans l'alinéa 2, 2°, , les mots "2+" sont remplacés par les mots "B ou 2+".
Art. 16. In artikel 73, § 3, van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wet van 31 december 1983, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden ", twee auditeurs" ingevoegd tussen de woorden "Een lid van de Raad van State" en de woorden "en een lid van de griffie";
  2° het tweede lid wordt opgeheven.
Art. 16. A l'article 73, § 3, des mêmes lois, modifié par la loi du 31 décembre 1983, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 1er, les mots ", deux auditeurs" sont insérés entre les mots "au moins un membre du Conseil d'Etat" et les mots "et un membre du greffe";
  2° l'alinéa 2 est abrogé.
Art. 17. In artikel 74/2, § 5, eerste lid, 2°, f), van dezelfde wetten, ingevoegd bij de wet van 15 september 2006 en gewijzigd bij de wet van 21 februari 2010, wordt het cijfer "1" vervangen door de woorden "A of 1".
Art. 17. Dans l'article 74/2, § 5, alinéa 1er, 2°, f), des mêmes lois, inséré par la loi du 15 septembre 2006 et modifié par la loi du 21 février 2010, le chiffre "1" est remplacé par les mots "A ou 1".
Art. 18. In artikel 74/3 van dezelfde wetten, ingevoegd bij de wet van 15 september 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden "voor de functies van eerste voorzitter en voorzitter" ingevoegd na het woord "kandidaten";
  2° in paragraaf 2 wordt, tussen het tweede en het derde lid, een lid ingevoegd, luidende :
  "De korpsvergadering van het auditoraat hoort de kandidaten voor de functies van auditeur-generaal en adjunct-auditeur-generaal ambtshalve. Voor de toepassing van dit artikel, is de korpsvergadering samengesteld uit het geheel der leden van het auditoraat, met uitzondering van de adjunct-auditeurs. De eerste voorzitter en de voorzitter van de Raad van State nemen eraan deel met raadgevende stem.";
  3° in paragraaf 2, derde lid, dat het vierde lid wordt, worden de woorden "de algemene vergadering van de Raad van State doet", vervangen door de woorden "De algemene vergadering van de Raad van State of de korpsvergadering van het auditoraat, doet, elk voor wat haar betreft,";
  4° in paragraaf 2, vierde lid, dat het vijfde lid wordt, worden de woorden "of de korpsvergadering van het auditoraat" telkens ingevoegd in de eerste en derde zin, na de woorden "Raad van State";
  5° in paragraaf 2, vijfde lid, dat het zesde lid wordt, worden de woorden "de Raad van State" vervangen door de woorden "de algemene vergadering van de Raad van State of de korpsvergadering van het auditoraat";
  6° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden "van de Raad van State of de korpsvergadering van het auditoraat" ingevoegd na de woorden "algemene vergadering";
  7° in paragraaf 3, tweede lid, worden de woorden "of de korpsvergadering van het auditoraat" ingevoegd na de woorden "Raad van State";
  8° in paragraaf 3 wordt het derde lid opgeheven.
Art. 18. A l'article 74/3 des mêmes lois, inséré par la loi du 15 septembre 2006, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 2, alinéa 2, est complété par les mots "aux fonctions de premier président et de président";
  2° dans le paragraphe 2 un alinéa rédigé comme suit, est inséré entre l'alinéa 2 et l'alinéa 3 :
  "L'assemblée de corps de l'auditorat entend d'office les candidats aux fonctions d'auditeur général et d'auditeur général adjoint. Pour l'application de cet article, l'assemblée de corps est composée de l'ensemble des membres de l'auditorat, à l'exception des auditeurs adjoints. Le premier président et le président du Conseil d'Etat y assistent avec voix consultative.";
  3° dans le paragraphe 2, alinéa 3, qui devient l'alinéa 4, les mots "L'assemblée générale du Conseil d'Etat procède," sont remplacés par les mots "L'assemblée générale du Conseil d'Etat ou l'assemblée de corps de l'auditorat procède, chacune pour ce qui la concerne,";
  4° dans le paragraphe 2, alinéa 4, qui devient l'alinéa 5, les mots "ou l'assemblée de corps de l'auditorat" sont insérés chaque fois, dans les première et troisième phrases, après les mots "Conseil d'Etat";
  5° dans le paragraphe 2, alinéa 5, qui devient l'alinéa 6, les mots "le Conseil d'Etat" sont remplacés par les mots "l'assemblée générale du Conseil d'Etat ou l'assemblée de corps de l'auditorat";
  6° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots "du Conseil d'Etat ou l'assemblée de corps de l'auditorat" sont insérés après les mots "assemblée générale";
  7° dans le paragraphe 3, alinéa 2, les mots "ou l'assemblée de corps de l'auditorat" sont insérés après les mots "Conseil d'Etat";
  8° dans le paragraphe 3, l'alinéa 3 est abrogé.
Art. 19. In artikel 74/4, § 2, van dezelfde wetten, ingevoegd bij de wet van 15 september 2006, wordt het eerste lid vervangen als volgt :
  "De aanwijzingen in de adjunct-mandaten gebeuren voor een termijn van drie jaar die van rechtswege wordt verlengd behalve in geval van een evaluatie onvoldoende. Na negen jaar ambtsvervulling worden de betrokken mandaathouders van rechtswege vast aangewezen in dat mandaat behalve in geval van een evaluatie onvoldoende.".
Art. 19. Dans l'article 74/4, § 2, des mêmes lois, inséré par la loi du 15 septembre 2006, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  "Les désignations aux mandats adjoints sont valables pour une période de trois ans, renouvelées de plein droit sauf en cas d'évaluation insuffisante. Après neuf ans d'exercice de la fonction, les titulaires de mandat concernés sont, sauf en cas d'évaluation insuffisante, désignés de plein droit à titre définitif dans ce mandat.".
Art. 20. Artikel 74/7 van dezelfde wetten, ingevoegd bij de wet van 15 september 2006, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 74/7. § 1. Met uitzondering van de korpsoversten zijn de leden van de Raad, van het auditoraat, van het coördinatiebureau, de hoofdgriffier en de griffiers onderworpen aan een periodieke evaluatie die om de drie jaar plaatsvindt.
  Deze evaluatie wordt opgemaakt in de loop van de laatste vier maanden van de evaluatieperiode.
  Deze evaluatie is gebaseerd op criteria met betrekking tot de persoonlijkheid en de organisatorische en professionele vaardigheden van de ambtsdrager, met inbegrip van de kwaliteit van de geleverde diensten en het op peil houden van de kennis inzake de behandelde materies, zonder afbreuk te doen aan zijn onafhankelijkheid of onpartijdigheid.
  De Koning bepaalt, na advies van het college van de korpschefs gegeven na alle houders van een adjunct-mandaat te hebben gehoord, de evaluatiecriteria, waarbij rekening wordt gehouden met de specificiteit van functies en mandaten, en bepaalt hoe deze bepalingen dienen te worden toegepast.
  § 2. Tijdens de evaluatieperiode vinden minstens eenmaal per jaar functioneringsgesprekken plaats. Deze gesprekken geven aanleiding tot het formuleren van conclusies vervat in een bondig verslag.
  De functioneringsgesprekken vinden plaats tussen de betrokkene en de kamervoorzitter indien het een lid van zijn kamer betreft, of het afdelingshoofd indien het een lid van zijn afdeling betreft. Indien het een griffier betreft, vindt het functioneringsgesprek plaats tussen de betrokkene en de hoofdgriffier.
  Indien het functioneringsgesprek een kamervoorzitter betreft, wordt het gehouden tussen de betrokkene en de eerste voorzitter of de voorzitter die de betrokken kamer onder zijn verantwoordelijkheid heeft. Indien deze niet tot dezelfde taalrol behoort als de betrokken kamervoorzitter en niet wettelijk tweetalig is, wordt hij bijgestaan door een tweetalige kamervoorzitter van de taalrol van de betrokkene. Indien het een eerste auditeur-afdelingshoofd betreft, wordt het functioneringsgesprek gehouden tussen de betrokkene en de auditeur-generaal of de adjunct-auditeur-generaal. Indien het een eerste referendaris-afdelingshoofd of de hoofdgriffier betreft, wordt het gehouden tussen de betrokkene en de eerste voorzitter. Indien deze niet tot dezelfde taalrol behoort als de eerste referendaris-afdelingshoofd of de hoofdgriffier en niet wettelijk tweetalig is, dan wordt het functioneringsgesprek gehouden tussen de betrokkene en de voorzitter.
  § 3. Elke ambtsdrager, met uitzondering van de korpsoversten, maakt op het einde van de evaluatieperiode een activiteitenverslag op dat hij aan zijn evaluator bezorgt. Daarin geeft hij aan welke werkzaamheden hij gedurende de evaluatieperiode heeft gepresteerd voor de Raad van State en op welke wijze hij rekening gehouden heeft met de besluiten die tijdens de functioneringsgesprekken werden geformuleerd.
  De evaluatie steunt op het activiteitenverslag en de gespreksverslagen.
  § 4. De evaluatoren zijn dezelfde als die in de aanwezigheid van wie de functioneringsgesprekken plaatsvinden.
  De evaluatie leidt tot de vermelding, "goed", "te ontwikkelen" of "onvoldoende". De vermelding "onvoldoende" kan enkel worden toegekend wegens kennelijk ondermaats functioneren.
  § 5. De evaluator stelt een ontwerp van evaluatie op dat reeds een voorstel voor een vermelding "te ontwikkelen" of "onvoldoende" kan bevatten.
  Het ontwerp wordt minstens tien dagen voor het evaluatiegesprek tegen gedagtekende ontvangstmelding ter kennis gebracht van de geëvalueerde. Op basis van dit gesprek stelt de evaluator een definitieve evaluatie op, behalve indien hij van mening is dat de geëvalueerde de vermelding "te ontwikkelen" of "onvoldoende" verdient. In dat geval is de evaluatie slechts voorlopig.
  In geval van voorlopige evaluatie bezorgt de eerste voorzitter of de auditeur-generaal naargelang het een lid van de Raad, van het coördinatiebureau of van de griffie betreft enerzijds, of van het auditoraat anderzijds, aan de betrokkene een kopie van de voorlopige evaluatie, tegen gedagtekend ontvangstbewijs of per aangetekende brief met ontvangstbewijs.
  De betrokkene kan, op straffe van verval, binnen een termijn van tien dagen te rekenen van de kennisgeving van de voorlopige evaluatie, zijn schriftelijke opmerkingen bij gedagtekend ontvangstbewijs of bij aangetekende brief met ontvangstbewijs bezorgen aan respectievelijk de eerste voorzitter of de auditeur-generaal, die het origineel bij het evaluatiedossier voegt en er een afschrift van bezorgt aan de evaluator. Deze evaluator stelt binnen dertig dagen na ontvangst van het afschrift van deze opmerkingen een definitieve schriftelijke evaluatie op waarin hij deze opmerkingen beantwoordt. Binnen tien dagen na de ontvangst van de definitieve evaluatie zendt de korpschef een afschrift ervan bij gedagtekend ontvangstbewijs of bij aangetekende brief met ontvangstbewijs aan de betrokkene.
  § 6. De betrokkene die een vermelding "onvoldoende" heeft gekregen en die toepassing heeft gemaakt van paragraaf 5, vierde lid, kan, op straffe van verval, binnen een termijn van tien dagen te rekenen vanaf de kennisgeving van de definitieve evaluatie, beroep tegen de definitieve evaluatie instellen bij :
  1° een beoordelingscommissie bestaande uit de eerste voorzitter of de voorzitter, naargelang het geval, en twee kamervoorzitters van dezelfde taalrol als de betrokkene die in eerste aanleg geen evaluatie hebben uitgebracht, indien het gaat om leden van de Raad, het coördinatiebureau of de griffie;
  2° een beoordelingscommissie bestaande uit de auditeur-generaal of de adjunct-auditeur-generaal, naargelang het geval, en twee eerste-auditeurs-afdelingshoofden van dezelfde taalrol als de betrokkene die in eerste aanleg geen evaluatie hebben uitgebracht, indien het gaat om leden van het auditoraat;
  3° een beoordelingscommissie bestaande uit de eerste voorzitter of de voorzitter die niet is opgetreden bij de evaluatie en uit twee kamervoorzitters die behoren tot dezelfde taalrol als de betrokkene indien deze een kamervoorzitter is of een eerste referendaris-afdelingshoofd;
  4° een beoordelingscommissie bestaande uit de eerste voorzitter of de voorzitter die niet is opgetreden bij de evaluatie en uit twee tweetalige kamervoorzitters die behoren tot een verschillende taalrol, indien de betrokkene de hoofdgriffier is;
  5° een beoordelingscommissie bestaande uit de auditeur-generaal of de adjunct-auditeur-generaal die niet is opgetreden bij de evaluatie en uit twee andere eerste auditeurs-afdelings-hoofden die behoren tot dezelfde taalrol als de betrokkene, indien deze een eerste auditeur-afdelingshoofd is.
  Het beroep wordt tegen gedagtekend ontvangstbewijs of bij aangetekende brief met ontvangstbewijs ingediend bij de eerste voorzitter of, wat de leden van het auditoraat betreft, bij de auditeur-generaal. Een tijdig ingesteld beroep schorst de uitvoering van de definitieve evaluatie.
  De in het eerste lid bedoelde beoordelingscommissie hoort de betrokkene indien hij daarom in zijn beroepsschrift heeft verzocht. Zij beschikt over een termijn van zestig dagen vanaf de ontvangst van het beroepsschrift, door respectievelijk de eerste voorzitter of de auditeur-generaal om een met redenen omklede eindbeslissing over de evaluatie te nemen.
  § 7. Indien een kamervoorzitter, een eerste auditeur-afdelingshoofd, een eerste referendaris-afdelingshoofd of de hoofdgriffier een vermelding "onvoldoende" ontvangt voor één van de eerste drie periodieke evaluaties, neemt hij bij het verstrijken van zijn mandaat het ambt weer op waarin hij het laatst is benoemd, in voorkomend geval in overtal. In het tegenovergestelde geval wordt zijn mandaat vernieuwd. De eerste voorzitter of, voor een eerste auditeur-afdelingshoofd, de auditeur-generaal bezorgt aan de minister van Binnenlandse Zaken een attest waarin de vernieuwing van het mandaat wordt vastgesteld. Voor de houders van een mandaat die definitief zijn benoemd is het tweede lid van toepassing.
  Indien een ander lid van de Raad, het auditoraat, het coördinatiebureau of de griffie naar aanleiding van de periodieke evaluatie de vermelding "onvoldoende" krijgt, leidt dit met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de kennisgeving van deze definitieve evaluatie gedurende zes maanden tot de inhouding van de laatste driejaarlijkse verhoging bedoeld in artikel 3, § 1, van de wet van 5 april 1955 inzake de wedden van de ambtsdragers bij de Raad van State en de magistraten en de leden van de griffie van de Raad voor vreemdelingenbetwistingen.
  In geval van een vermelding "onvoldoende" wordt de betrokkene opnieuw geëvalueerd na verloop van een termijn van zes maanden. Indien dit opnieuw leidt tot een vermelding "onvoldoende", is het tweede lid van toepassing gedurende een nieuwe periode van zes maanden.
  § 8. De evaluatiedossiers berusten bij de eerste voorzitter, wat de leden van de Raad, van het coördinatiebureau en van de griffie betreft, en bij de auditeur-generaal wat de leden van het auditoraat betreft. De evaluaties zijn vertrouwelijk en kunnen te allen tijde door de betrokkenen ingekeken worden. Ze worden gedurende ten minste tien jaar bewaard.
  Bij elke benoeming, bij elke voordracht of hernieuwing van een mandaat wordt het evaluatiedossier van de laatste zes jaar van de betrokkene gevoegd ter attentie van de benoemende overheid."
Art. 20. L'article 74/7 des mêmes lois, inséré par la loi du 15 septembre 2006, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 74/7. § 1er. A l'exception des chefs de corps, les membres du Conseil, de l'auditorat et du bureau de coordination, le greffier en chef et les greffiers sont soumis à une évaluation périodique qui a lieu tous les trois ans.
  Cette évaluation est effectuée au cours des quatre derniers mois de la période d'évaluation.
  Cette évaluation se base sur des critères portant sur la personnalité et les capacités organisationnelles et professionnelles du titulaire de fonction, en ce compris la qualité des prestations fournies et le maintien à niveau des connaissances dans les matières traitées, ce sans porter atteinte à son indépendance ni à son impartialité.
  Le Roi détermine, après l'avis du collège des chefs de corps rendu après audition de l'ensemble des titulaires d'un mandat adjoint, les critères d'évaluation, compte tenu de la spécificité des fonctions et mandats, et définit les modalités d'application de ces dispositions.
  § 2. Pendant la période d'évaluation, des entretiens de fonctionnement ont lieu au moins une fois tous les ans. Ces entretiens donnent lieu à la formulation de conclusions, dans un bref rapport.
  Les entretiens de fonctionnement ont lieu entre l'intéressé et le président de chambre, s'il s'agit d'un membre de sa chambre, ou le chef de section, s'il s'agit d'un membre de sa section. S'il s'agit d'un greffier, l'entretien de fonctionnement a lieu a lieu entre l'intéressé et le greffier en chef.
  Si l'entretien de fonctionnement concerne un président de chambre, il a lieu entre l'intéressé et le premier président ou le président, qui est responsable de la chambre concernée. Si celui-ci n'appartient pas au même rôle linguistique que le président de chambre concerné et s'il n'est pas légalement bilingue, il est assisté par un président de chambre bilingue du rôle linguistique de l'intéressé. S'il concerne un premier auditeur chef de section, l'entretien de fonctionnement a lieu entre l'intéressé et l'auditeur général ou l'auditeur général adjoint. S'il concerne un premier référendaire chef de section ou le greffier en chef, il a lieu entre l'intéressé et le premier président. Si celui-ci n'appartient pas au même rôle linguistique que le premier référendaire chef de section concerné ou que le greffier en chef et s'il n'est pas légalement bilingue, l'entretien de fonctionnement a lieu entre l'intéressé et le président.
  § 3. Au terme de la période d'évaluation, tout titulaire de fonction, à l'exception des chefs de corps, rédige un rapport d'activité qu'il transmet à son évaluateur. Il y indique les activités qu'il a exercées pour le Conseil d'Etat pendant la période d'évaluation et la manière dont il a tenu compte des conclusions formulées lors des entretiens de fonctionnement.
  L'évaluation est basée sur le rapport d'activité et les rapports d'entretiens.
  § 4. Les évaluateurs sont les mêmes que ceux en présence de qui ont lieu les entretiens de fonctionnement.
  L'évaluation donne lieu à la mention "bien", "à développer" ou "insuffisant". La mention "insuffisant" peut uniquement être attribuée en cas de fonctionnement manifestement insuffisant.
  § 5. L'évaluateur rédige un projet d'évaluation qui peut déjà comporter une proposition de mention "à développer" ou "insuffisant".
  Dix jours au moins avant l'entretien d'évaluation, le projet est notifié à l'évalué contre accusé de réception daté. Sur la base de cet entretien, l'évaluateur rédige une évaluation définitive, sauf s'il estime que l'évalué mérite la mention "à développer" ou "insuffisant". Dans ce cas, l'évaluation n'est que provisoire.
  En cas d'évaluation provisoire, le premier président ou l'auditeur général, selon qu'il s'agit d'un membre du Conseil, du bureau de coordination ou du greffe, d'une part, ou de l'auditorat, d'autre part, envoie une copie de l'évaluation provisoire à l'intéressé contre accusé de réception daté ou par lettre recommandée avec accusé de réception.
  L'intéressé peut, sous peine de déchéance, dans un délai de dix jours à compter de la notification de l'évaluation provisoire, adresser ses remarques écrites, contre accusé de réception daté ou par lettre recommandée avec accusé de réception, respectivement au premier président ou à l'auditeur général, lequel joint l'original au dossier d'évaluation et en transmet une copie à l'évaluateur. Dans les trente jours de la réception de la copie de ces observations, celui-ci réalise une évaluation écrite et définitive dans laquelle il répond à ces observations. Dans les dix jours de la réception de l'évaluation définitive, le chef de corps en transmet une copie à l'intéressé contre accusé de réception daté ou par lettre recommandée avec accusé de réception.
  § 6. L'intéressé qui a obtenu une mention "insuffisant" et qui a fait application du paragraphe 5, alinéa 4, peut introduire un recours contre l'évaluation définitive dans un délai de dix jours à compter de la notification de l'évaluation définitive, sous peine de déchéance, auprès :
  1° d'une commission d'évaluation composée du premier président ou du président selon le cas et de deux présidents de chambre du même rôle linguistique que l'intéressé qui, en première instance, n'ont pas procédé à l'évaluation, s'il s'agit de membres du Conseil, du bureau de coordination ou du greffe;
  2° d'une commission d'évaluation composée de l'auditeur général ou de l'auditeur général adjoint selon le cas et de deux premiers auditeurs chefs de section du même rôle linguistique que l'intéressé qui, en première instance, n'ont pas procédé à l'évaluation, s'il s'agit de membres de l'auditorat;
  3° d'une commission d'évaluation composée du premier président ou du président qui n'est pas intervenu lors de l'évaluation et de deux présidents de chambre appartenant au même rôle linguistique que l'intéressé si celui-ci est un président de chambre ou un premier référendaire chef de section;
  4° d'une commission d'évaluation composée du premier président ou du président qui n'est pas intervenu lors de l'évaluation et de deux présidents de chambre bilingues appartenant à un rôle linguistique différent si l'intéressé est le greffier en chef;
  5° d'une commission d'évaluation composée de l'auditeur général ou de l'auditeur général adjoint qui n'est pas intervenu lors de l'évaluation et de deux autres premiers auditeurs chefs de section appartenant au même rôle linguistique que l'intéressé si celui-ci est un premier auditeur chef de section.
  Le recours est introduit auprès du premier président contre accusé de réception daté ou par lettre recommandée contre accusé de réception ou, en ce qui concerne les membres de l'auditorat, auprès de l'auditeur général. Un recours introduit en temps utile suspend l'exécution de l'évaluation définitive.
  La commission d'évaluation visée à l'alinéa premier entend l'intéressé, si ce dernier en a formulé la demande dans son recours. Elle dispose d'un délai de soixante jours à partir de la réception du recours respectivement par le premier président ou l'auditeur général pour prendre une décision finale motivée sur l'évaluation.
  § 7. Si un président de chambre, un premier auditeur chef de section, un premier référendaire chef de section ou le greffier en chef obtient une mention "insuffisant" pour l'une des trois premières évaluations périodiques, il reprend, à l'expiration de son mandat, l'exercice de la fonction dans laquelle il a été nommé en dernier lieu, le cas échéant en surnombre. Dans le cas contraire, son mandat est renouvelé. Le premier président ou, pour un premier auditeur chef de section, l'auditeur général transmet au ministre de l'Intérieur une attestation par laquelle le renouvellement du mandat est établi. Les titulaires d'un mandat qui sont nommés à titre définitif sont soumis à l'application de l'alinéa 2.
  Si un autre membre du Conseil, de l'auditorat, du bureau de coordination ou du greffe obtient, lors de l'évaluation périodique, la mention "insuffisant", celle-ci entraîne, à compter du premier jour du mois suivant la notification de cette évaluation définitive, la perte durant six mois de la dernière majoration triennale visée à l'article 3, § 1er, de la loi du 5 avril 1955 relative aux traitements des titulaires d'une fonction au Conseil d'Etat, des magistrats et des membres du greffe du Conseil du contentieux des étrangers.
  En cas de mention "insuffisant", l'intéressé fait l'objet d'une nouvelle évaluation après un délai de six mois. S'il obtient une nouvelle mention "insuffisant", l'alinéa 2 est d'application pendant une nouvelle période de six mois.
  § 8. Les dossiers d'évaluation sont conservés par le premier président en ce qui concerne les membres du Conseil, du bureau de coordination et du greffe, et par l'auditeur général en ce qui concerne les membres de l'auditorat. Les évaluations sont confidentielles et peuvent être consultées à tout moment par les intéressés. Elles sont conservées pendant au moins dix ans.
  Lors de chaque nomination, présentation ou renouvellement de mandat, le dossier d'évaluation des six dernières années de l'intéressé est joint à l'attention de l'autorité investie du pouvoir de nomination."
Art. 21. In artikel 76 van dezelfde wetten, vervangen bij de wet van 4 augustus 1996 en gewijzigd bij de wetten van 25 mei 1999, 2 april 2003 en 15 september 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1 wordt het vierde lid opgeheven;
  2° in paragraaf 1, zesde lid, worden de woorden "die meer dan één jaar dienst tellen," opgeheven;
  3° in paragraaf 1, zevende lid, wordt de derde zin, die aanvangt met de woorden "Zij hebben eveneens" en eindigt met de woorden "de wetgevingstechniek.", opgeheven;
  4° paragraaf 3 wordt opgeheven.
Art. 21. A l'article 76 des mêmes lois, remplacé par la loi du 4 août 1996 et modifié par les lois du 25 mai 1999, du 2 avril 2003 et du 15 septembre 2006, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 4 est abrogé;
  2° dans le paragraphe 1er, alinéa 6, les mots "et pourvu qu'ils comptent plus d'un an de service" sont abrogés;
  3° dans le paragraphe 1er, alinéa 7, la troisième phrase commençant par les mots "Ils ont également" et finissant par les mots "de la technique législative." est abrogée;
  4° le paragraphe 3 est abrogé.
Art. 22. In artikel 77, eerste lid, van dezelfde wetten wordt de bepaling onder 5°, opgeheven bij de wet van 2 april 2003, hersteld als volgt :
  "5° te zorgen voor het uitwerken en de verspreiding van de beginselen van de wetgevingstechniek."
Art. 22. Dans l'article 77, alinéa 1er, des mêmes lois, le 5°, abrogé par la loi du 2 avril 2003, est rétabli dans la rédaction suivante :
  "5° d'assurer l'élaboration et la diffusion des principes de la technique législative."
Art. 23. In artikel 84 van dezelfde wetten, vervangen bij de wet van 2 april 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt vóór het 1°, dat 2° wordt, een 1° ingevoegd dat luidt als volgt :
  "1° wanneer de overheid die de afdeling wetgeving adieert, vraagt dat het advies wordt medegedeeld binnen een termijn van zestig dagen, verlengd tot vijfenzeventig dagen in het geval waarin het advies gegeven wordt door de algemene vergadering met toepassing van artikel 85 of door de verenigde kamers met toepassing van artikel 85bis;";
  2° paragraaf 1, eerste lid, 1°, dat 2° wordt, wordt aangevuld als volgt :
  "Deze termijn wordt van rechtswege verlengd met vijftien dagen wanneer hij begint te lopen tussen 15 juli en 31 juli of wanneer hij verstrijkt tussen 15 juli en 15 augustus.";
  3° in paragraaf 1, eerste lid, wordt "2° " vernummerd tot "3° ";
  4° in paragraaf 1, tweede lid, wordt "2° " vervangen door "3° ";
  5° in paragraaf 3, eerste lid, wordt "1° " vervangen door "1° en 2° " en wordt "2° " vervangen door "3° ";
  6° in paragraaf 3, tweede lid worden de woorden "1° of 2° " opgeheven;
  7° in paragraaf 4, eerste lid, worden de woorden "1° en 2° " opgeheven;
  8° in paragraaf 4, tweede lid, worden de woorden "1° en 2° " opgeheven.
Art. 23. A l'article 84 des mêmes lois, remplacé par la loi du 2 avril 2003, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, avant le 1°, qui devient le 2°, il est inséré un 1°, rédigé comme suit :
  "1° lorsque l'autorité qui saisit la section de législation réclame la communication de l'avis dans un délai de soixante jours, prorogé à septante-cinq jours dans le cas où l'avis est donné par l'assemblée générale en application de l'article 85 ou par les chambres réunies en application de l'article 85bis;";
  2° le paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, qui devient le 2°, est complété comme suit :
  "Ce délai est prolongé de plein droit de quinze jours lorsqu'il prend cours du 15 juillet au 31 juillet ou lorsqu'il expire entre le 15 juillet et le 15 août.";
  3° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, le "2° " est renuméroté en "3° ";
  4° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, le "2° " est remplacé par le "3° ";
  5° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, le "1° " est remplacée par "1° et 2° " et le "2° " est remplacé par le "3° ";
  6° dans le paragraphe 3, alinéa 2, les mots "1° ou 2° " sont abrogés;
  7° dans le paragraphe 4, alinéa 1er, les mots "1° et 2° " sont abrogés;
  8° dans le paragraphe 4, alinéa 2, les mots "1° et 2° " sont abrogés.
Art. 24. In artikel 84bis, eerste lid, van dezelfde wetten, ingevoegd bij de wet van 25 mei 1999, worden de woorden "1° en 2° " opgeheven.
Art. 24. Dans l'article 84bis, alinéa 1er, des mêmes lois, inséré par la loi du 25 mai 1999, les mots "1° et 2° " sont abrogés.
Art. 25. In artikel 84ter van dezelfde wetten, ingevoegd bij de wet van 2 april 2003, wordt "1° " vervangen door "1° en 2° ".
Art. 25. Dans l'article 84ter des mêmes lois, inséré par la loi du 2 avril 2003, le "1° " est remplacé par "1° et 2° ".
Art. 26. In artikel 90, § 1, tweede lid, 2°, van dezelfde wetten, vervangen bij de wet van 15 september 2006, worden de woorden " §§ 4bis en 4ter" vervangen door de woorden " §§ 6 en 7".
Art. 26. Dans l'article 90, § 1er, alinéa 2, 2°, des mêmes lois, remplacé par la loi du 15 septembre 2006, les mots " §§ 4bis et 4ter" sont remplacés par les mots " §§ 6 et 7".
Art. 27. In artikel 93, § 1, eerste lid, hersteld bij de wet van 19 juli 2012, wordt "6° " vervangen door "8° ".
Art. 27. Dans l'article 93, § 1er, alinéa 1er, rétabli par la loi du 19 juillet 2012, le "6° " est remplacé par "8° ".
Art. 28. Het opschrift van hoofdstuk V van titel VII van dezelfde wetten wordt vervangen als volgt :
  "Hoofdstuk V. De algemene vergadering van de Raad van State en het college van korpschefs".
Art. 28. L'intitulé du chapitre V du titre VII des mêmes lois est remplacé par ce qui suit :
  "Chapitre V. De l'assemblée générale du Conseil d'Etat et du collège des chefs de corps".
Art. 29. In dezelfde wetten wordt een artikel 101/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 101/1. Het college van korpschefs bestaat uit de eerste voorzitter, de auditeur-generaal, de voorzitter en de adjunct-auditeur-generaal. De hoofdgriffier en de beheerder wonen de vergaderingen van het college bij met raadgevende stem wanneer het gaat om hun bevoegdheden.".
Art. 29. Dans les mêmes lois, il est inséré un article 101/1 rédigé comme suit :
  "Art. 101/1. Le collège des chefs de corps se compose du premier président, de l'auditeur général, du président et de l'auditeur général adjoint. Le greffier en chef et l'administrateur assistent aux réunions du collège avec voix consultative lorsqu'il est question de leurs attributions.".
Art. 30. In artikel 102bis van dezelfde wetten, ingevoegd bij de wet van 4 augustus 1996 en gewijzigd bij de wet van 15 september 2006, worden het vijfde en het zesde lid opgeheven.
Art. 30. Dans l'article 102bis des mêmes lois, inséré par la loi du 4 août 1996 et modifié par la loi du 15 septembre 2006, les alinéas 5 et 6 sont abrogés.
Art. 31. Artikel 104/2 van dezelfde wetten, ingevoegd bij de wet van 15 september 2006, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 104/2. Indien het lid van de Raad van State, het auditoraat, het coördinatiebureau of de griffie binnen een maand na de waarschuwing niet om zijn inruststelling verzocht, is artikel 117 van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel van toepassing.
  De algemene vergadering van de Raad van State doet uitspraak over het gevolg dat wordt gegeven aan de geneeskundige beslissing tot definitieve ongeschiktheid die in laatste aanleg werd genomen, na advies van de auditeur-generaal of van de adjunct-auditeur-generaal.
  Ten minste vijftien dagen voor de datum waarop de algemene vergadering is vastgesteld, wordt aan de betrokkene kennis gegeven van de dag en het uur van de zitting waarop hij op eigen verzoek kan worden gehoord, en wordt hij verzocht zijn opmerkingen schriftelijk naar voren te brengen.
  De beslissing van de algemene vergadering wordt binnen vijftien dagen na de uitspraak ter kennis gebracht van de minister van Binnenlandse Zaken.".
Art. 31. L'article 104/2 des mêmes lois, inséré par la loi du 15 septembre 2006, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 104/2. Si, dans le mois de l'avertissement, le membre du Conseil d'Etat, de l'auditorat, du bureau de coordination ou du greffe n'a pas demandé sa mise à la retraite, il est fait application de l'article 117 de la loi du 14 février 1961 d'expansion économique, de progrès social et de redressement financier.
  L'assemblée générale du Conseil d'Etat se prononce sur la suite à donner à la décision médicale d'inaptitude définitive, rendue en dernier ressort, sur avis de l'auditeur général ou de l'auditeur général adjoint.
  Quinze jours au moins avant la date fixée pour l'assemblée générale, l'intéressé est informé du jour et de l'heure de la séance au cours de laquelle il pourra être entendu à sa demande, et est invité à fournir ses observations par écrit.
  La décision de l'assemblée générale est notifiée au ministre de l'Intérieur dans les quinze jours de son prononcé.".
Art. 32. Artikel 119 van dezelfde wetten, ingevoegd bij de wet van 24 maart 1994 en gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 119. Jaarlijks wordt door de Raad van State een activiteitenverslag opgemaakt en bekendgemaakt.
  Dit verslag bevat onder meer :
  1° de statistieken naargelang de aard van de geschillen of de aard van de adviesaanvragen, waaruit het aantal nieuwe zaken in die periode blijkt alsook het aantal bij eindarrest of bij advies afgedane zaken in diezelfde periode. Het verslag geeft tevens het totale werkvolume van de afdelingen aan waarbij de evolutie van die werklast eveneens wordt afgemeten aan het aantal neergelegde verslagen of gegeven adviezen van het auditoraat;
  2° een uiteenzetting over de tenuitvoerlegging van de beleidsplannen van de korpschefs;
  3° een bondig overzicht van de toepassing gedurende het voorbije gerechtelijk jaar van de toelaatbaarheidsprocedure bedoeld in artikel 20;
  4° informatie over het beheer van de Raad van State en van zijn infrastructuur, alsook over de weerslag die de ontwikkeling van de werklast heeft op de middelen die ter beschikking worden gesteld van de Raad van State, en een uiteenzetting van alle maatregelen die een budgettaire weerslag kunnen hebben. Deze informatie wordt voorgesteld onder een gescheiden vorm tussen het beheer van de centrale diensten, de diensten van het auditoraat en van de zetel. De informatie betreffende het beheer van de Raad van State houdt op zijn minst de informatie in betreffende de evolutie van de hangende zaken en van de gerechtelijke achterstand, met inbegrip van de procedure van toelaatbaarheid van de cassatieberoepen en deze betreffende het personeelskader en de bezetting van de effectieven.
  Dit verslag wordt, in voorkomend geval elektronisch, uiterlijk op 31 december meegedeeld aan de minister van Binne nlandse Zaken, aan de voorzitters van de Wetgevende Vergaderingen, aan de algemene vergadering van de Raad van State en aan de leden van het auditoraat.".
Art. 32. L'article 119 des mêmes lois, inséré par la loi du 24 mars 1994 et modifié par la loi du 4 août 1996, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 119. Le Conseil d'Etat établit et publie annuellement un rapport d'activité.
  Ce rapport contient, notamment :
  1° les statistiques en fonction de la nature du contentieux ou de la nature des demandes d'avis, faisant apparaître le nombre d'affaires nouvelles pendant cette période ainsi que le nombre d'affaires réglées par arrêt final ou par avis durant la même période. Le rapport mentionne en outre le volume de travail total des sections, l'évolution de cette réserve de travail étant également mesurée en fonction du nombre de rapports déposés ou d'avis rendus par l'auditorat;
  2° un exposé de la mise en oeuvre des plans de gestion des chefs de corps;
  3° un aperçu succinct de l'application au cours de l'année judiciaire écoulée, de la procédure d'admissibilité visée à l'article 20;
  4° les informations relatives à la gestion du Conseil d'Etat et de son infrastructure ainsi que l'impact de l'évolution de la charge de travail sur les moyens mis à la disposition du Conseil d'Etat et un exposé de toutes les mesures pouvant avoir un impact budgétaire. Ces informations sont présentées selon une division entre la gestion des services centraux, des services de l'auditorat et du siège. Les informations relatives à la gestion du Conseil d'Etat incluent, à tout le moins, celles relatives à l'évolution des affaires pendantes et de l'arriéré judiciaire, y compris la procédure d'admissibilité des recours en cassation, et celles relatives au cadre du personnel et à l'occupation des effectifs.
  Ce rapport est communiqué, le cas échéant par voie électronique, au ministre de l'Intérieur, aux présidents des Assemblées législatives, à l'assemblée générale du Conseil d'Etat et aux membres de l'auditorat au plus tard le 31 décembre.".
Art. 33. In dezelfde wetten wordt het opschrift van titel IX "Maatregelen tot het wegwerken van de gerechtelijke achterstand", ingevoegd bij de wet van 15 september 2006, aangevuld met de woorden "en tot het verwerken van de verhoging van het aantal adviesaanvragen".
Art. 33. Dans les mêmes lois, l'intitulé du titre IX, "Mesures en vue de résorber l'arriéré juridictionnel", inséré par la loi du 15 septembre 2006, est complété par les mots "et de faire face à l'augmentation du nombre de demandes d'avis".
Art. 34. Artikel 122 van dezelfde wetten, ingevoegd bij de wet van 15 september 2006, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 122. § 1. Teneinde de achterstand in de afdeling bestuursrechtspraak weg te werken of te voorkomen, of om het hoofd te kunnen bieden aan de werklast in de afdeling wetgeving, worden de in artikel 69, 1°, bepaalde cijfers respectievelijk van 44 tot 50 en van 28 tot 34 verhoogd, zijnde een verhoging met drie staatsraden per taalrol.
  Deze ambtsdragers worden bij voorrang belast met de medewerking aan de wegwerking of de voorkoming van de achterstand in de afdeling bestuursrechtspraak, of met de ten laste neming van het werk in de afdeling wetgeving, in de rechtsdomeinen waarin deze achterstand, die reeds bestaat of te voorzien valt, evenals de werklast, de grootste zijn. Deze rechtsdomeinen worden door de eerste voorzitter of de voorzitter, naargelang de betrokken afdeling, aangewezen na overleg met de betrokken kamervoorzitters. Onverminderd de mogelijke toepassing van artikel 86, tweede lid, wijst de eerste voorzitter of de voorzitter deze ambtsdragers toe aan één of meer kamers in functie van de noden in deze kamers.
  De in het eerste lid bedoelde tijdelijke verhoging houdt op te bestaan op 31 december 2015. Op met redenen omkleed voorstel van de gezamenlijke korpschefs, indien de nood daartoe bestaat, kan het in artikel 69, 1°, bedoelde aantal staatsraden echter worden verhoogd bij koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad tot een maximum van drie staatsraden per taalrol voor een hernieuwbare periode van maximum twee jaar.
  § 2. De eerste voorzitter of de voorzitter brengen, in het jaarlijks activiteitenverslag, verslag uit over de aanwending van het op grond van dit artikel verhoogde aantal staatsraden en over de verwezenlijkte vooruitgang met het oog op de nagestreefde doelen.
  § 3. Zij aan wie met toepassing van dit artikel een ambt wordt verleend van staatsraad, worden in dit ambt benoemd en bekleden het in overtal. Van rechtswege bekleden zij de in artikel 69, 1°, bedoelde betrekkingen naargelang zij vacant worden en voor zover zij het bewijs leveren van de taalkennis die voor het bekleden van de vrijgekomen plaats vereist is.
  In functie van de noden van de dienst wijst de eerste voorzitter, in overleg met de voorzitter, de in overtal benoemde staatsraden aan voor de duur die hij bepaalt in een kamer in één van beide afdelingen van de Raad van State.".
Art. 34. L'article 122 des mêmes lois, inséré par la loi du 15 septembre 2006, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 122. § 1er. Afin de pouvoir résorber ou prévenir le retard dans la section du contentieux administratif ou faire face à la charge de travail dans la section de législation, le nombre fixé à l'article 69, 1°, est porté respectivement de 44 à 50 et de 28 à 34, soit augmenté de trois conseillers d'Etat par rôle linguistique.
  Ces titulaires de fonction sont prioritairement chargés de contribuer à la résorption ou à la prévention du retard de la section du contentieux administratif, ou à la prise en charge du travail à la section de législation, dans les domaines juridiques où ce retard, existant ou à prévoir, ainsi que la charge de travail sont les plus importants. Ces domaines juridiques sont désignés par le premier président ou le président, selon la section concernée, après concertation avec les présidents des chambres concernées. Sans préjudice de l'application éventuelle de l'article 86, alinéa 2, le premier président ou le président affecte ces titulaires de fonction à une ou plusieurs chambres en fonction des besoins de ces chambres.
  Il est mis fin à l'augmentation temporaire visée à l'alinéa 1er le 31 décembre 2015. Toutefois, sur la proposition motivée de l'ensemble des chefs de corps, le nombre de conseillers d'Etat visés à l'article 69, 1°, peut, si besoin en est, être augmenté par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres au maximum à concurrence de trois conseillers d'Etat par rôle linguistique pour une période renouvelable de deux ans au maximum.
  § 2. Le premier président ou le président font, dans le rapport d'activité annuel, rapport sur la mise en oeuvre du nombre supplémentaire de conseillers visé dans cet article et du progrès accompli en vue des objectifs poursuivis.
  § 3. Ceux à qui une fonction de conseiller d'Etat est conférée par application de cet article, sont nommés dans cette fonction et l'occupent en surnombre. Ils accèdent de plein droit aux emplois visés à l'article 69, 1°, lorsque ceux-ci sont vacants, pour autant qu'ils démontrent la connaissance linguistique requise pour occuper l'emploi devenu vacant.
  En fonction des nécessités du service, le premier président désigne, en concertation avec le président, les conseillers d'Etat en surnombre pour la durée qu'il détermine dans une chambre d'une des deux sections du Conseil d'Etat.".
Art. 35. Artikel 123 van dezelfde wetten, ingevoegd bij de wet van 15 september 2006, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 123. § 1. Teneinde de achterstand in de afdeling bestuursrechtspraak weg te werken of te voorkomen, of om het hoofd te kunnen bieden aan de werklast in de afdeling wetgeving, wordt het in artikel 69, 2°, bepaalde cijfer van 64 tot 76 verhoogd, zijnde een verhoging met zes eerste auditeurs, auditeurs of adjunct-auditeurs per taalrol.
  Deze ambtsdragers worden bij voorrang belast met de medewerking aan de wegwerking of de voorkoming van de achterstand in de afdeling bestuursrechtspraak, of de ten laste neming van het werk in de afdeling wetgeving, in de rechtsdomeinen waarin deze achterstand, die reeds bestaat of te voorzien valt, evenals de werklast, de grootste zijn. Deze rechtsdomeinen worden door de auditeur-generaal of de adjunct-auditeur-generaal, elk wat zijn bevoegdheid betreft, aangewezen na overleg met de betrokken eerste auditeurs-afdelingshoofden.
  De in het eerste lid bedoelde tijdelijke verhoging houdt op te bestaan op 31 december 2015. Op met redenen omkleed voorstel van de gezamenlijke korpschefs, indien de nood daartoe bestaat, kan het in artikel 69, 2°, bedoelde aantal leden van auditoraat, echter worden verhoogd bij koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad tot een maximum van zes eerste auditeurs, auditeurs of adjunct-auditeurs per taalrol voor een hernieuwbare periode van maximum twee jaar.
  § 2. De auditeur-generaal of de adjunct-auditeur-generaal brengen, in het jaarlijks activiteitenverslag, verslag uit over de aanwending van het op grond van dit artikel verhoogde aantal leden van het auditoraat en de verwezenlijkte vooruitgang met het oog op de nagestreefde doelen.
  § 3. Zij aan wie met toepassing van dit artikel een ambt wordt verleend van lid van het auditoraat, worden in dit ambt benoemd en bekleden het in overtal. Van rechtswege bekleden zij de in artikel 69, 2°, bedoelde betrekkingen naargelang deze vrijkomen en voor zover zij het bewijs leveren van de taalkennis die voor het bekleden van de vrijgekomen betrekking vereist is.
  In functie van de noden van de dienst, wijst de auditeur-generaal of adjunct-auditeur-generaal, ieder wat hem betreft, de in overtal benoemde leden van het auditoraat toe aan de afdeling van het auditoraat die hij bepaalt.".
Art. 35. L'article 123 des mêmes lois, inséré par la loi du 15 septembre 2006, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 123. § 1er. Afin de pouvoir résorber ou prévenir le retard dans la section du contentieux administratif ou faire face à la charge de travail dans la section de législation, le nombre fixé à l'article 69, 2°, est porté de 64 à 76, soit augmenté de six premiers auditeurs, auditeurs ou auditeurs adjoints par rôle linguistique.
  Ces titulaires de fonction sont prioritairement chargés de contribuer à la résorption ou à la prévention du retard de la section du contentieux administratif, ou à la prise en charge du travail à la section de législation, dans les domaines juridiques où ce retard, existant ou à prévoir, ainsi que la charge de travail sont les plus importants. Ces domaines juridiques sont désignés par l'auditeur général ou l'auditeur général adjoint, chacun en ce qui concerne ses compétences, après concertation avec les premiers auditeurs-chefs de section concernés.
  Il est mis fin à l'augmentation temporaire visée à l'alinéa 1er le 31 décembre 2015. Toutefois, sur la proposition motivée de l'ensemble des chefs de corps, le nombre de membres de l'auditorat visés à l'article 69, 2°, peut, si besoin en est, être augmenté par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres au maximum à concurrence de six premiers auditeurs, auditeurs ou auditeurs adjoints par rôle linguistique pour une période renouvelable de deux ans au maximum.
  § 2. L'auditeur général ou l'auditeur général adjoint font, dans le rapport d'activité annuel, rapport sur la mise en oeuvre du nombre supplémentaire de membres de l'auditorat sur la base de cet article et du progrès accompli en vue des objectifs poursuivis.
  § 3. Ceux à qui une fonction de membre de l'auditorat est conférée par application de cet article, sont nommés dans cette fonction et l'occupent en surnombre. Ils accèdent de plein droit aux emplois visés à l'article 69, 2°, lorsque ceux-ci sont vacants, pour autant qu'ils apportent la preuve de la connaissance linguistique requise pour occuper l'emploi devenu vacant.
  En fonction des nécessités du service, l'auditeur général ou l'auditeur général adjoint, chacun en ce qui le concerne, affecte les membres de l'auditorat nommés en surnombre dans la section de l'auditorat qu'il détermine.".
Art. 36. Artikel 124 van dezelfde wetten, ingevoegd bij de wet van 15 september 2006, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 124. § 1. Teneinde de achterstand in de afdeling bestuursrechtspraak weg te werken of te voorkomen, of om het hoofd te kunnen bieden aan de werklast in de afdeling wetgeving, wordt het in artikel 69, 4°, bepaalde cijfer van 25 tot 31 verhoogd, zijnde een verhoging met drie griffiers per taalrol.
  De in het eerste lid bedoelde tijdelijke verhoging houdt op te bestaan op 31 december 2015. Op met redenen omkleed voorstel van de gezamenlijke korpschefs, indien de nood daartoe bestaat, kan het in artikel 69, 4°, bedoelde aantal griffiers echter worden verhoogd bij koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad voor maximaal drie griffiers per taalrol voor een hernieuwbare periode van maximum twee jaar.
  § 2. Zij aan wie met toepassing van dit artikel een ambt wordt verleend van griffier, worden in dit ambt benoemd en bekleden het in overtal. Zij krijgen van rechtswege toegang tot de betrekkingen bedoeld in artikel 69, 4°, wanneer deze vacant zijn, in zoverre zij de vereiste taalkennis om de vacant geworden betrekking te bezetten aantonen.
  In functie van de noden van de dienst, wijst de eerste voorzitter in overleg met de voorzitter, de in overtal benoemde griffiers aan voor de duur die hij bepaalt in een kamer in één van beide afdelingen van de Raad van State.".
Art. 36. L'article 124 des mêmes lois, inséré par la loi du 15 septembre 2006, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 124. § 1er. Afin de pouvoir résorber ou prévenir le retard dans la section du contentieux administratif ou faire face à la charge de travail dans la section de législation, le nombre fixé à l'article 69, 4°, est porté de 25 à 31, soit augmenté de trois greffiers par rôle linguistique.
  Il est mis fin à l'augmentation temporaire visée à l'alinéa 1er le 31 décembre 2015. Toutefois, sur la proposition motivée de l'ensemble des chefs de corps, le nombre de greffiers visés à l'article 69, 4°, peut, si besoin en est, être augmenté par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, au maximum à concurrence de trois greffiers par rôle linguistique, pour une période renouvelable de deux ans au maximum.
  § 2. Ceux à qui une fonction de greffier est conférée par application de cet article, sont nommés dans cette fonction et l'occupent en surnombre. Ils accèdent de plein droit aux emplois visés à l'article 69, 4°, lorsque ceux-ci sont vacants, pour autant qu'ils démontrent la connaissance linguistique requise pour occuper l'emploi devenu vacant.
  En fonction des nécessités du service, le premier président désigne en concertation avec le président les greffiers en surnombre pour la durée qu'il détermine dans une chambre d'une des deux sections du Conseil d'Etat.".
HOOFDSTUK 3. - Wijziging van de wet van 22 maart 1995 tot instelling van federale ombudsmannen
CHAPITRE 3. - Modification de loi du 22 mars 1995 instaurant des médiateurs fédéraux
Art. 37. Artikel 13 van de wet van 22 maart 1995 tot instelling van federale ombudsmannen wordt vervangen als volgt :
  "Art. 13. § 1. Het onderzoek van een klacht wordt opgeschort wanneer omtrent de feiten een beroep bij een rechtbank of een georganiseerd administratief beroep wordt ingesteld. De administratieve overheid stelt de ombudsmannen in kennis van het ingestelde beroep.
  In dat geval brengen de ombudsmannen de klager onverwijld op de hoogte van de opschorting van de behandeling van zijn klacht.
  De indiening en het onderzoek van een klacht schorsen noch stuiten de termijnen voor het instellen van beroepen bij de rechtbank of van georganiseerde administratieve beroepen.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1, en onverminderd artikel 19, derde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, kunnen de federale ombudsmannen het onderzoek van een klacht voortzetten wanneer de handeling of de feiten het voorwerp uitmaken van een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State. De overheid waarschuwt de ombudsmannen over het ingediende beroep.".
Art. 37. L'article 13 de la loi du 22 mars 1995 instaurant des médiateurs fédéraux est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 13. § 1er. L'examen d'une réclamation est suspendu lorsque les faits font l'objet d'un recours juridictionnel ou d'un recours administratif organisé. L'autorité administrative avertit les médiateurs du recours introduit.
  Dans ce cas, les médiateurs informent le réclamant sans délai de la suspension de l'examen de sa réclamation.
  L`introduction et l'examen d'une réclamation ne suspendent ni n'interrompent les délais de recours juridictionnels ou de recours administratifs organisés.
  § 2. Par dérogation au paragraphe 1er et sans préjudice de l'article 19, alinéa 3, des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, les médiateurs fédéraux peuvent poursuivre l'examen d'une réclamation lorsque l'acte ou les faits font l'objet d'un recours en annulation au Conseil d'Etat. L'autorité avertit les médiateurs du recours introduit.".
HOOFDSTUK 4. - Opheffingsbepalingen
CHAPITRE 4. - Dispositions abrogatoires
Art. 38. In de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, worden de volgende bepalingen opgeheven :
  1° in titel III, hoofdstuk III, het opschrift "Afdeling 1. De schorsing", ingevoegd bij de wet van 19 juli 1991, en Afdeling 2, ingevoegd bij dezelfde wet, die artikel 18 bevat, hersteld bij de wet van 16 juni 1989 en vervangen bij de wet van 19 juli 1991;
  2° artikel 74/6, ingevoegd bij de wet van 15 september 2006;
  3° de artikelen 74/8 tot 74/12, ingevoegd bij de wet van 15 september 2006;
  4° de artikelen 104/3 tot 104/6, ingevoegd bij de wet van 15 september 2006;
  5° artikel 120, ingevoegd bij de wet van 4 augustus 1996 en gewijzigd bij de wetten van 8 september 1997 en 15 september 2006, en artikel 121, ingevoegd bij de wet van 15 september 2006.
Art. 38. Dans les lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, les dispositions suivantes sont abrogées :
  1° dans le titre III, chapitre III, l'intitulé "Section 1re. De la suspension", inséré par la loi du 19 juillet 1991, et la Section 2, insérée par la même loi, qui comprend l'article 18, rétabli par la loi 16 juin 1989 et remplacé par la loi du 19 juillet 1991;
  2° l'article 74/6, inséré par la loi du 15 septembre 2006;
  3° les articles 74/8 à 74/12, insérés par la loi du 15 septembre 2006;
  4° les articles 104/3 à 104/6, insérés par la loi du 15 septembre 2006;
  5° l'article 120, inséré par la loi du 4 août 1996 et modifié par les lois du 8 septembre 1997 et du 15 septembre 2006, et l'article 121, inséré par la loi du 15 septembre 2006.
HOOFDSTUK 5. - Inwerkingtreding
CHAPITRE 5. - Entrée en vigueur
Art. 39. Deze wet treedt in werking de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, met uitzondering van de artikelen 3, 6, 8, 9, 10, 7°, 11, 12, 13 en 38, 1°, die in werking treden op een datum bepaald door een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en uiterlijk op 1 maart 2014. Die artikelen zullen van toepassing zijn [1 op iedere vordering tot schorsing of tot voorlopige maatregelen ingediend bij uiterst dringende noodzakelijkheid, te rekenen van die datum, en die geen bijkomende vordering vormt bij een vóór die datum ingediend beroep tot nietigverklaring, alsook op elke aanvraag, moeilijkheid en elk beroep bedoeld in de artikelen 11, 12, 13, 14 en 16, 1° tot 8°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, ingediend te rekenen van die datum, en op de gelijktijdig dan wel later ingediende bijkomende vorderingen]1.
  
Art. 39. La présente loi entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge, à l'exception des articles 3, 6, 8, 9, 10, 7°, 11, 12, 13 et 38, 1°, qui entreront en vigueur à une date fixée par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres et au plus tard le 1er mars 2014. Ces articles s'appliqueront [1 à toute demande de suspension ou de mesures provisoires introduite sous le bénéfice de l'extrême urgence, à compter de cette date, et qui n'est pas l'accessoire d'un recours en annulation introduit avant cette date, ainsi qu'à toute demande, difficulté et recours, visé aux articles 11, 12, 13, 14 et 16, 1° à 8°, des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, introduit à compter de cette date, et aux demandes qui lui sont accessoires et concomitantes ou postérieures]1.