Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
11 JULI 2013. - Besluit van de Waalse Regering betreffende een pesticidengebruik dat verenigbaar is met de duurzame ontwikkeling en tot wijziging van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt en het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 5 oktober 1987 betreffende het opmaken van een verslag over de toestand van het Waalse leefmilieu(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 05-09-2013 en tekstbijwerking tot 25-11-2022)
Titre
11 JUILLET 2013. - Arrêté du Gouvernement wallon relatif à une application des pesticides compatible avec le développement durable et modifiant le Livre II du Code de l'Environnement, contenant le Code de l'Eau et l'arrêté de l'Exécutif régional wallon du 5 novembre 1987 relatif à l'établissement d'un rapport sur l'état de l'environnement wallon(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 05-09-2013 et mise à jour au 25-11-2022)
Informations sur le document
Numac: 2013204850
Datum: 2013-07-11
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2013204850
Date: 2013-07-11
Moniteur: Voir
Tekst (54)
Texte (54)
HOOFDSTUK I. - Algemeen
CHAPITRE Ier. - Généralités
Artikel 1. Bij dit besluit wordt Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden gedeeltelijk omgezet.
Article 1er. Le présent arrêté transpose partiellement la Directive 2009/128/CE du Parlement européen et du Conseil du 21 octobre 2009 instaurant un cadre d'action communautaire pour parvenir à une utilisation des pesticides compatible avec le développement durable.
Art. 2. Voor de toepassing van dit besluit, wordt verstaan onder :
  1° "pesticiden" : de pesticiden zoals bedoeld bij het decreet van 10 juli 2013 tot vaststelling van een kader ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden en tot wijziging van Boek I van het Milieuwetboek, Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen en het decreet van 12 juli 2001 betreffende de beroepsopleiding in de landbouw;
  2° "herbiciden" : de stoffen en preparaten die bestemd zijn om ongewenste planten te vernietigen, bepaalde delen van planten te vernietigen of om ongewenste groei van planten te voorkomen;
  3° "openbare ruimten" : de terreinen die al dan niet tot het openbaar domein behoren waarvan een overheid eigenaar, vruchtgebruiker, pachter, opstalhouder of huurder is en die voor openbaar nut worden gebruikt. Deze bepaling geldt niet voor boomkwekerijen, goederen onder bosregeling en tuinbouwinstallaties die uitsluitend voor openbare diensten zijn bestemd, de instellingen gelegen in het openbaar domein en die productie, onderzoek en onderwijs in land- en tuinbouw tot doel hebben, net als de plaatsen en gebouwen opgesomd in deel I en deel II van bijlage 2 alsook de goederen bedoeld bij deel III van bijlage 2;
  4° "beheerder van openbare ruimten" : elke publiekrechtelijke persoon belast met het onderhoud en de bescherming van planten die zich in de openbare ruimten bevinden of elke natuurlijke of rechtspersoon die dergelijke diensten uitvoert voor rekening van een publiekrechtelijke persoon;
  5° "apparatuur voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen" : elk apparaat dat specifiek is bestemd voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, inclusief hulpstukken die essentieel zijn voor de doeltreffende werking daarvan, zoals spuitdoppen, manometers, filters, zeven en toebehoren voor het schoonmaken van tanks;
  6° "geïntegreerde gewasbescherming" : de geïntegreerde gewasbescherming, zoals bedoeld bij het decreet van 10 juli 2013 tot vaststelling van een kader ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden en tot wijziging van Boek I van het Milieuwetboek, Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen en het decreet van 12 juli 2001 betreffende de beroepsopleiding in de landbouw;
  7° "bufferzone" : een zone met passende afmetingen waarin de opslag en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen verboden is, behalve in geval van beperkte en lokale behandeling met een sproeislang of een rugsproeier [1 , door injectie, bevochtiging of borstelen]1 op de volgende soorten : Carduus crispus, Cirsium lanceolatum, Cirsium arvense, Rumex crispus, Rumex obtusifolius en de invaderende exotische soorten bedoeld bij [1 de Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten of bij het decreet van 2 mei 2019 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten en de uitvoeringsbesluiten ervan]1;
  8° "onverbouwbare terreinen met bedekking" : oppervlakken bedekt met tegels, beton, gestabiliseerd zand, dolomiet, grind of ballast, zoals onder meer trottoirs, pleinen, bermen, spoorwegen en wegen;
  9° "mulle terreinen die permanent onverbouwd blijven" : mulle oppervlakken die niet voor de landbouw bestemd zijn en die niet ingezaaid of beplant worden op korte termijn, dit is gedurende een periode van 6 tot 12 maanden;
  10° "oppervlaktewater" : oppervlaktewater zoals bedoeld in artikel D.2, 34°, van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt;
  11° "grondwater" : grondwater zoals bedoeld in artikel D.2, 38°, van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt.
  
Art. 2. Pour l'application du présent arrêté, il faut entendre par :
  1° " pesticides " : les pesticides tels que définis par le décret du 10 juillet 2010 instaurant un cadre pour parvenir à une utilisation des pesticides compatibles avec le développement durable et modifiant le Livre Ier du Code de l'Environnement, le Livre II du Code de l'Environnement, contenant le Code de l'Eau, la loi du 28 décembre 1967 relative aux cours d'eau non navigables et le décret du 12 juillet 2001 relatif à la formation professionnelle en agriculture;
  2° " herbicides " : les substances et préparations destinées à détruire les plantes indésirables, à détruire certaines parties des plantes ou à prévenir une croissance indésirable de végétaux;
  3° " espaces publics " : les terrains faisant ou non partie du domaine public ou attenant à un bâtiment utilisé à une fin d'utilité publique, dont une autorité publique est propriétaire, usufruitière, emphytéote, superficiaire ou locataire et utilisés à une fin d'utilité publique. Sont exclus de cette définition les pépinières, les biens soumis au régime forestier et les installations de production horticole qui sont exclusivement réservées aux services publics, les institutions situées dans le domaine public dont le but est la production, la recherche et l'enseignement agricole et horticole, les lieux énumérés dans les parties Ire et II de l'annexe 2 ainsi que les biens visés par la partie III de l'annexe 2;
  4° " gestionnaire d'espaces publics " : toute personne de droit public chargée de l'entretien et de la protection des végétaux se trouvant dans les espaces publics ou toute personne physique ou morale effectuant ce type de services pour le compte d'une personne de droit public;
  5° " matériel d'application des produits phytopharmaceutiques " : tout équipement destiné spécifiquement à l'application de produits phytopharmaceutiques, y compris les accessoires qui sont essentiels au fonctionnement efficace de cet équipement, tels que des buses, manomètres, filtres, tamis et dispositifs de nettoyage des cuves;
  6° " lutte intégrée contre les ennemis des végétaux " : la lutte intégrée contre les ennemis des végétaux telle que définie par le décret du 10 juillet 2013 instaurant un cadre pour parvenir à une utilisation des pesticides compatible avec le développement durable et modifiant le Livre Ier du Code de l'Environnement, le Livre II du Code de l'Environnement, contenant le Code de l'Eau, la loi du 28 décembre 1967 relative aux cours d'eau non navigables et le décret du 12 juillet 2001 relatif à la formation professionnelle en agriculture;
  7° " zone tampon " : une zone de taille appropriée sur laquelle le stockage et l'épandage de produits phytopharmaceutiques est interdit sauf traitement limité et localisé par pulvérisateur à lance ou à dos [1 , par injection, humectation ou badigeonnage]1 contre les Carduus crispus, Cirsium lanceolatum, Cirsium arvense, les Rumex crispus, Rumex obtusifolius et les espèces exotiques envahissantes visées par [1 le règlement (UE) n° 1143/2014 du Parlement européen et du Conseil du 22 octobre 2014 relatif à la prévention et à la gestion de l'introduction et de la propagation des espèces exotiques envahissantes ou par le décret du 2 mai 2019 relatif à la prévention et à la gestion de l'introduction et de la propagation des espèces exotiques envahissantes et ses arrêtés d'exécution]1;
  8° " terrains revêtus non cultivables " : les surfaces pavées, bétonnées, stabilisées, couvertes de dolomies, graviers ou de ballast, telles que notamment les trottoirs, cours, accotements, voies de chemin de fer et voiries;
  9° " terrains meubles non cultivés en permanence " : les surfaces meubles qui ne sont pas destinées à l'agriculture ou à être semées ou plantées à court terme c'est-à-dire durant une période de 6 à 12 mois;
  10° " eaux de surface " : les eaux de surfaces telles que définies à l'article D.2, 34°, du Livre II du Code de l'Environnement, contenant le Code de l'Eau;
  11° " eaux souterraines " : les eaux souterraines telles que définies à l'article D.2, 38°, du Livre II du Code de l'Environnement, contenant le Code de l'Eau.
  
HOOFDSTUK II. - Pesticidenbeheer dat verenigbaar is met de duurzame ontwikkeling
CHAPITRE II. - Gestion des pesticides compatible avec le développement durable
Onderafdeling 1. - Pesticidengebruik in openbare ruimten
Section 1re. - Application des pesticides dans les espaces publics
Art. 3. § 1. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in openbare ruimten is toegelaten tot 31 mei 2019, mits naleving van de volgende voorwaarden :
  1° de naleving van de artikelen 6 en 7 van dit besluit;
  2° de opmaking en de uitvoering op 1 juni 2019 van een plan in verband met de vermindering van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in openbare ruimten met als gevolg de naleving van de voorschriften van artikel 3 van het decreet van 10 juli 2013 tot vaststelling van een kader ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden en tot wijziging van Boek I van het Milieuwetboek, Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen en het decreet van 12 juli 2001 betreffende de beroepsopleiding in de landbouw; de minimale inhoud en de uitvoeringsmodaliteiten van dit plan worden door de Minister die voor het waterbeleid bevoegd is, bepaald;
  3° de naleving van het beginsel van geïntegreerde gewasbescherming;
  4° het gebruik van pesticiden blijft beperkt tot de volgende gebruiken :
  a) herbiciden :
  i) het onderhoud van onverbouwbare terreinen met bedekking die niet verbonden zijn met een regenwaterverzamelleiding en niet grenzen aan een oppervlaktewater;
  ii) de ruimten die op minder dan één meter van een gebruikte spoorweg liggen die niet verbonden zijn met een regenwaterverzamelleiding en niet grenzen aan oppervlaktewater;
  iii) de lanen van kerkhoven die niet verbonden zijn met een regenwaterverzamelleiding en niet grenzen aan een oppervlaktewater;
  b) andere gewasbeschermingsmiddelen :
  i) de bescherming en het onderhoud, d.m.v. plaatselijke behandeling, van eenjarige of doorlevende niet-houtige sierplanten;
  ii) de bescherming en het onderhoud, d.m.v. plaatselijke behandeling, van houtige sierplanten;
  iii) het onderhoud van onverbouwbare terreinen met bedekking die niet verbonden zijn met een regenwaterverzamelleiding en niet grenzen aan een oppervlaktewater;
  iv) het onderhoud van sportterreinen;
  5° het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen die niet ingedeeld zijn bij de classificaties "giftig of zeer giftig (symbool T of T+)", "corrosief (symbool C)" en/of "schadelijk, irriterend en/of sensibiliserend (symbool X)" zoals gedefinieerd in het koninklijk besluit van 24 mei 1982 houdende reglementering van het in de handel brengen van stoffen die gevaarlijk kunnen zijn voor de mens of voor zijn leefmilieu en het koninklijk besluit van 11 januari 1993 tot regeling van de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke mengsels met het oog op het op de markt brengen of het gebruik ervan of geen pictogram(men) SGH05 tot en met SGH08 dragen zoals opgelegd door de Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van verordening (EG) nr. 1907/2006.
  Zijn er evenwel geen andere efficiënte producten op de markt dan deze bedoeld in lid 1, dan mogen de herbiciden gebruikt voor het onderhoud van sportterreinen, de insecticiden gebruikt overeenkomstig punt 4°, b), i) en ii), van deze paragraaf voor de bescherming van sierplanten toch tot de classificatie "schadelijk of irriterend (symbool X)" behoren zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 24 mei 1982 houdende reglementering van het in de handel brengen van stoffen die gevaarlijk kunnen zijn voor de mens of voor zijn leefmilieu en het koninklijk besluit van 11 januari 1993 tot regeling van de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke mengsels met het oog op het op de markt brengen of het gebruik ervan of een of meer pictogrammen SGH05 of SG07 dragen zoals opgelegd in Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van verordening (EG) nr. 1907/2006;
  6° de verpakking of het etiket van de gebruikte gewasbeschermingsmiddelen bevat geen :
  a) verwijzing naar één van de waarschuwingszinnen bedoeld in bijlage 1;
  b) verwijzing naar één van de waarschuwingszinnen bedoeld in bijlage 1, deel B, geen vermelding "Niet gebruiken in de omgeving van watervlakken en waterlopen" noch het symbool N (of SGH09) "gevaarlijk voor het leefmilieu", tenzij het product :
  i) een insecticide is dat overeenkomstig punt 4°, b), i) en ii), van deze paragraaf wordt gebruikt;
  ii) een herbicide is dat overeenkomstig punt 4°, a), i) van deze paragraaf wordt gebruikt;
  7° de aanstelling door de beheerder van openbare ruimten van ten minste één natuurlijke persoon verantwoordelijk voor de aankopen, het beheer van het lokaal van gewasbeschermingsmiddelen, van het strooimateriaal, alsook voor de ontwikkeling van alternatieven voor gewasbeschermingsmiddelen die minstens beschikt over een fytolicentie type P2 (professioneel gebruik) overeenkomstig het koninklijk besluit van 19 maart 2013 ter verwezenlijking van een gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en toevoegingsstoffen dat verenigbaar is met de duurzame ontwikkeling.
  § 2. Sommige gewasbeschermingsmiddelen mogen gebruikt worden omwille van de volksgezondheid, de hygiëne of de openbare veiligheid, het natuurbehoud of de bescherming van het plantaardige erfgoed met naleving van de beginselen van geïntegreerde gewasbescherming, in laatste instantie, voor de beperkte en lokale behandeling met een sproeislang of een rugsproeier [1 , door injectie, bevochtiging of borstelen]1 op de volgende soorten :
  1° Carduus crispus, Cirsium palustre, Cirsium lanceolatum, Cirsium arvense, Rumex crispus en Rumex obtusifolius;
  2° invaderende exotische soorten bedoeld in [1 de Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten of bij het decreet van 2 mei 2019 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten en de uitvoeringsbesluiten ervan]1.
  De gebruikte gewasbeschermingsmiddelen mogen geen symbool T of C dragen zoals gedefinieerd in het koninklijk besluit van 24 mei 1982 houdende reglementering van het in de handel brengen van stoffen die gevaarlijk kunnen zijn voor de mens of voor zijn leefmilieu en het koninklijk besluit van 11 januari 1993 tot regeling van de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke mengsels met het oog op het op de markt brengen of het gebruik ervan of geen pictogram(men) SGH05, SGH06 of SGH08 dragen zoals opgelegd door de Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006.
  § 3. De beheerder van de openbare ruimten vergewist zich ervan dat de persoon die de gewasbeschermingsmiddelen in de openbare ruimten toepast :
  1° minstens over een fytolicentie type P1 (Professioneel gebruik) beschikt overeenkomstig het koninklijk besluit van 19 maart 2013 ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en toevoegingsstoffen;
  2° maatregelen treft om te vermijden dat schade wordt toegebracht aan het leefmilieu;
  3° geschikt materiaal gebruikt dat verwaaiing beperkt, dat goed afgesteld is en in goede staat is;
  4° zich richt naar de aanbevelingen vermeld op het etiket en de verpakking van de gebruikte producten;
  5° de in artikel 9 bepaalde bufferzones respecteert.
  
Art. 3. § 1er. L'application de produits phytopharmaceutiques dans les espaces publics est autorisée, jusqu'au 31 mai 2019, moyennant le respect des conditions suivantes :
  1° le respect des articles 6 et 7 du présent arrêté;
  2° l'élaboration et la mise en oeuvre d'un plan relatif à la réduction de l'application des produits phytopharmaceutiques dans les espaces publics aboutissant au respect du prescrit de l'article 3 du décret du 10 juillet 2013 instaurant un cadre pour parvenir à une utilisation des pesticides compatibles avec le développement durable et modifiant le Livre Ier du Code de l'Environnement, le Livre II du Code de l'Environnement, contenant le Code de l'Eau, la loi du 28 décembre 1967 relative aux cours d'eau non navigables et le décret du 12 juillet 2001 relatif à la formation professionnelle en agriculture en date du 1er juin 2019 dont le contenu minimal et les modalités de mise en oeuvre sont définis par le Ministre ayant l'Eau dans ses attributions;
  3° le respect du principe de lutte intégrée contre les ennemis des végétaux;
  4° la limitation de l'application aux utilisations suivantes :
  a) pour les herbicides :
  i) l'entretien des terrains revêtus non cultivables non reliés à un réseau de collecte des eaux pluviales et ne bordant pas des eaux de surface;
  ii) les espaces situés à moins d'un mètre d'une voie de chemin de fer non reliés à un réseau de collecte des eaux pluviales et ne bordant pas des eaux de surface;
  iii) les allées de cimetières non reliés à un réseau de collecte des eaux pluviales et ne bordant pas des eaux de surface;
  b) pour les autres produits phytopharmaceutiques :
  i) la protection et l'entretien, par traitement localisé, des plantes ornementales annuelles ou vivaces non ligneuses;
  ii) la protection et l'entretien, par traitement localisé, des plantes ornementales ligneuses;
  iii) l'entretien des terrains revêtus non cultivables non reliés à un réseau de collecte des eaux pluviales et ne bordant pas des eaux de surface;
  iv) l'entretien des terrains de sport;
  5° l'application de produits phytopharmaceutiques ne relevant pas des classifications " Toxique ou très toxiques (symbole T ou T+) ", " corrosif (symbole C) ", et/ou " nocif, irritant et/ou sensibilisant (symbole X) " telles que définies par l'arrêté royal du 24 mai 1982 règlementant la mise sur le marché des substances pouvant être considérées comme dangereuses pour l'homme ou son environnement et l'arrêté royal du 11 janvier 1993 règlementant la classification, l'emballage et l'étiquetage des mélanges dangereux en vue de leur mise sur le marché ou de leur emploi, ou portant pas un ou plusieurs pictogramme(s) SGH05 à SGH08 tel(s) qu'imposé(s) par le Règlement (CE) n° 1272/2008 du Parlement européen et du Conseil du 16 décembre 2008 relatif à la classification, à l'étiquetage et à l'emballage des substances et des mélanges, modifiant et abrogeant les Directives 67/548/CEE et 1999/45/CE et modifiant le règlement (CE) n° 1907/2006.
  Toutefois, en l'absence sur le marché de produits d'efficacité satisfaisante autres que ceux visés à l'alinéa 1er, les herbicides utilisés pour l'entretien des terrains de sport, les insecticides utilisés conformément au point 4°, b), i) et ii), du présent paragraphe pour la protection des plantes ornementales peuvent relever de la classification " nocif ou irritant (symbole X) " telles que définies par l'arrêté royal du 24 mai 1982 réglementant la mise sur le marché des substances pouvant être considérées comme dangereuses pour l'homme ou son environnement et l'arrêté royal du 11 janvier 1993 réglementant la classification, l'emballage et l'étiquetage des mélanges dangereux en vue de leur mise sur le marché ou de leur emploi, ou porter un ou plusieurs pictogramme(s) SGH05 ou SG07 tel(s) qu'imposé(s) par le Règlement (CE) n° 1272/2008 du Parlement européen et du Conseil du 16 décembre 2008 relatif à la classification, à l'étiquetage et à l'emballage des substances et des mélanges, modifiant et abrogeant les Directives 67/548/CEE et 1999/45/CE et modifiant le Règlement (CE) n° 1907/2006;
  6° l'emballage ou l'étiquette des produits phytopharmaceutiques appliqués ne comporte pas :
  a) une référence à l'une des phrases de risque visées à l'annexe 1re;
  b) une référence à l'une des phrases de risque visées à l'annexe 1re, partie B, la mention " Ne pas utiliser aux abords des plans d'eau et cours d'eau " ou le symbole N (ou SGH09) " dangereux pour l'environnement ", sauf si le produit est :
  i) un insecticide utilisé, conformément au point 4°, b), i) et ii) du présent paragraphe;
  ii) un herbicide utilisé, conformément au point 4°, a), i) du présent paragraphe;
  7° la désignation par le gestionnaire d'espaces publics d'au minimum une personne physique responsable des achats, de la gestion du local de produits phytosanitaires, du matériel d'épandage, ainsi que du développement des alternatives aux produits phytopharmaceutiques disposant au minimum d'une phytolicence de type P2 (usage professionnel) conformément à l'arrêté royal du 19 mars 2013 pour parvenir à une utilisation des produits phytopharmaceutiques et adjuvants compatible avec le développement durable.
  § 2. Certains produits phytopharmaceutiques peuvent être appliqués pour des raisons de santé publique, d'hygiène, de sécurité des personnes, de conservation de la nature ou de conservation du patrimoine végétal dans le respect du principe de lutte intégrée contre les ennemis des végétaux, en dernier recours, pour le traitement limité et localisé par pulvérisateur à lance ou à dos [1 , par injection, humectation ou badigeonnage]1 sur les espèces suivantes :
  1° Carduus crispus, Cirsium lanceolatum, Cirsium arvense, Rumex crispus et Rumex obtusifolius;
  2° espèces exotiques envahissantes visées par [1 le règlement (UE) n° 1143/2014 du Parlement européen et du Conseil du 22 octobre 2014 relatif à la prévention et à la gestion de l'introduction et de la propagation des espèces exotiques envahissantes ou par le décret du 2 mai 2019 relatif à la prévention et à la gestion de l'introduction et de la propagation des espèces exotiques envahissantes et ses arrêtés d'exécution]1.
  Les produits phytopharmaceutiques utilisés ne peuvent pas porter les symboles T, C tels que visés par l'arrêté royal du 24 mai 1982 règlementant la mise sur le marché des substances pouvant être considérées comme dangereuses pour l'homme ou son environnement et l'arrêté royal du 11 janvier 1993 règlementant la classification, l'emballage et l'étiquetage des mélanges dangereux en vue de leur mise sur le marché ou de leur emploi ou un ou plusieurs pictogramme(s) SGH05, SGH06 ou SGH08 tels qu'imposés par le Règlement (CE) n° 1272/2008 du Parlement européen et du Conseil du 16 décembre 2008 relatif à la classification, à l'étiquetage et à l'emballage des substances et des mélanges, modifiant et abrogeant les Directives 67/548/CEE et 1999/45/CE et modifiant le Règlement (CE) n° 1907/2006.
  § 3. Le gestionnaire des espaces publics s'assure que, la personne appliquant les produits phytopharmaceutiques dans les espaces publics :
  1° possède au minimum une phytolicence de type P1 (Assistant usage professionnel) conformément à l'arrêté royal du 19 mars 2013 pour parvenir à une utilisation des produits phytopharmaceutiques et adjuvants compatible avec le développement durable;
  2° prenne des mesures pour éviter de porter préjudice à l'environnement;
  3° utilise un matériel d'application adéquat limitant la dérive, bien réglé et en bon état;
  4° se conforme aux recommandations figurant sur l'étiquette et l'emballage des produits utilisés;
  5° respecte les zones tampons prévues à l'article 9.
  
Afdeling 2. [1 Toepassing van de pesticiden in en nabij de door het publiek of kwetsbare groepen bezochte ruimten]1
Section 2. [1 - Application des pesticides dans et à proximité des lieux fréquentés par le public ou des groupes vulnérables]1
Art. 4. § 1. [1 Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is verboden :
   1° op de plaatsen vermeld in deel I van bijlage 2;
   2° tijdens de bezoekuren van de plaatsen bedoeld in 1°, op minder dan vijftig meter van de perceelgrens van deze plaatsen.]1

  Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is verboden op de plaatsen vermeld in deel II van bijlage 2 bij dit besluit en op minder dan 10 meter van deze plaatsen zonder dat dit verbod van toepassing is over de perceelgrens heen.
  Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is verboden op minder dan 50 meter van onthaal- of verblijfsgebouwen van kwetsbare groepen gelegen in de inrichtingen vermeld in deel III van bijlage 2 zonder dat dit verbod van toepassing is over de perceelgrens heen.
  § 2. De persoon die gewasbeschermingsmiddelen gebruikt, treft de geschikte maatregelen opdat die gewasbeschermingsmiddelen niet kunnen verwaaien en de plaatsen bedoeld in de delen I en II van bijlage 2 bij dit besluit en de onthaal- of verblijfsgebouwen van kwetsbare groepen gelegen binnen de inrichtingen bedoeld in deel III van bijlage 2 bij dit besluit bereiken.
  
Art. 4. § 1er. [1 L'application des produits phytopharmaceutiques est interdite :
   1° dans les lieux mentionnés dans la partie I de l'annexe 2;
   2° pendant les heures de fréquentation des lieux visés au 1°, à moins de cinquante mètres de la limite foncière de ces lieux.]1

  L'application des produits phytopharmaceutiques est interdite dans les lieux mentionnés dans la partie II de l'annexe 2 du présent arrêté et à moins de 10 mètres de ces lieux sans que cette interdiction s'applique au-delà de la limite foncière.
  L'application des produits phytopharmaceutiques est interdite à moins de 50 mètres des bâtiments d'accueil ou d'hébergement des groupes vulnérables situés au sein des établissements mentionnés dans la partie III de l'annexe 2 sans que cette interdiction s'applique au-delà de la limite foncière de ces derniers.
  § 2. Des mesures appropriées sont prises par la personne appliquant des produits phytopharmaceutiques afin que ceux-ci ne puissent dériver et atteindre les lieux visés dans les parties Ire et II de l'annexe 2 du présent arrêté ainsi que les bâtiments d'accueil ou d'hébergement des groupes vulnérables situés au sein des établissements mentionnés dans la partie III de l'annexe 2 du présent arrêté.
  
Art. 5. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is verboden in de gedeelten van de parken, tuinen, groengebieden en sport- en recreatieterreinen waartoe het publiek toegang heeft en die geen openbare ruimten zijn.
Art. 5. L'application des produits phytopharmaceutiques est interdite dans les parties des parcs, des jardins, des espaces verts et des terrains de sport et de loisirs auxquelles ont accès le public et ne constituant pas des espaces publics.
Art. 6. De toegang tot het gedeelte van de door het publiek bezochte plaatsen, dat het voorwerp uitmaakt van een behandeling door een gewasbeschermingsmiddel is verboden voor andere personen dan deze belast met de toepassing van de producten, en dat voor de duur van de behandeling tot het verstrijken van de heropeningstermijn zoals, desgevallend, gedefinieerd in de erkenningsakte van het product overeenkomstig het koninklijk besluit van 28 februari 1994 betreffende het bewaren, het op de markt brengen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik.
Art. 6. L'accès à la partie des lieux fréquentés par le public faisant l'objet d'un traitement par un produit phytopharmaceutique est interdit aux personnes autres que celles chargées de l'application des produits, pendant la durée du traitement et jusqu'à l'expiration, le cas échéant, du délai de réentrée tel qu'il est défini dans l'acte d'agréation du produit conformément à l'arrêté royal du 28 février 1994 relatif à la conservation, à la mise sur le marché et à l'utilisation des pesticides à usage agricole.
Art. 7. Voorafgaand aan de behandeling met gewasbeschermingsmiddelen, worden de te behandelen gebieden gelegen in de parken, tuinen, groengebieden en sport- en recreatieterreinen die voor het publiek toegankelijk zijn, afgeschermd met een afbakening en wordt er door middel van aanplakking aan het publiek aangekondigd dat de toegang tot deze gebieden verboden is.
  Die informatieve aanplakking wordt ten minste vierentwintig uur vóór het gebruik van het product opgehangen bij de ingang van de plaatsen waar de te behandelen gebieden gelegen zijn of in de nabijheid van deze gebieden.
  Deze aankondiging vermeldt de datum van de behandeling, het gebruikte product en de geplande duur van het toegangsverbod voor het publiek.
  De aankondiging en afbakening van de behandelde gebieden blijven aanwezig tot de termijn van het toegangsverbod voor het publiek verstreken is.
Art. 7. Préalablement aux opérations d'application des produits phytopharmaceutiques, les zones à traiter situées dans les parcs, les jardins, les espaces verts et les terrains de sport et de loisirs ouverts au public sont délimitées par un balisage et font l'objet d'un affichage signalant au public l'interdiction d'accès à ces zones.
  L'affichage informatif est mis en place au moins vingt-quatre heures avant l'application du produit, à l'entrée des lieux où se situent les zones à traiter ou à proximité de ces zones.
  L'affichage mentionne la date du traitement, le produit utilisé et la durée prévue d'éviction du public.
  L'affichage et le balisage des zones traitées restent en place jusqu'à l'expiration du délai d'éviction du public.
Art. 8. In afwijking van de artikelen 4 en 5 kunnen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt worden in de gevallen bedoeld in het koninklijk besluit van 19 november 1987 betreffende de bestrijding van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen.
Art. 8. Par dérogation aux articles 4 et 5, des produits phytopharmaceutiques peuvent être appliqués dans les cas prévus par l'arrêté royal du 19 novembre 1987 relatif à la lutte contre les organismes nuisibles aux végétaux et aux produits végétaux.
Afdeling 3. [1 - Bufferzones, gebruikmateriaal en voorwaarden]1
Section 3. [1 - Zones tampon, matériel et conditions d'application]1
Art. 9. § 1. Buiten de gewassen- en weidengebieden wordt een bufferzone nageleefd :
  1° langs oppervlaktewater over een minimale breedte van zes meter vanaf de top van de oever die niet lager mag zijn dan de hoogte gedefinieerd in de erkenningsakte van elk pesticide krachtens het koninklijk besluit van 28 februari 1994 betreffende het bewaren, het op de markt brengen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik;
  2° langs onverbouwbare terreinen met een bedekking die met een regenwaterverzamelleiding zijn verbonden, en dat over een breedte van één meter;
  3° stroomopwaarts van mulle terreinen die permanent onverbouwd blijven en waarnaar het water afvloeit vanwege een hellingshoek van meer dan of gelijk aan 10 % en die grenzen aan oppervlaktewater of een onverbouwbaar terrein met een bedekking die met een regenwaterverzamelleiding is verbonden, over een breedte van één meter vanaf de breuklijn van de helling.
  § 2. Buiten de gewassen- en weidengebieden wordt een bufferzone nageleefd :
  1° langs oppervlaktewater over een minimale breedte gelijk aan die bepaald in artikel R.202, 1°, van Boek II van het Milieuwetboek dat het Waterwetboek inhoudt, die niet lager mag zijn dan de hoogte gedefinieerd in de erkenningsakte van elk pesticide krachtens het koninklijk besluit van 28 februari 1994 betreffende het bewaren, het op de markt brengen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik;
  2° langs onverbouwbare terreinen met een bedekking die met een regenwaterverzamelleiding zijn verbonden, en dat over een breedte van één meter;
  3° stroomopwaarts van mulle terreinen die permanent onverbouwd blijven en waarnaar het water afvloeit vanwege een hellingshoek van meer dan of gelijk aan 10 % en die grenzen aan oppervlaktewater of een onverbouwbaar terrein met een bedekking die met een regenwaterverzamelleiding is verbonden, over een breedte van één meter.
  § 3. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is verboden langs onverbouwbare terreinen met een bedekking die met een regenwaterverzamelleiding of rechtstreeks met het oppervlaktewater zijn verbonden.
  § 4. [1 Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen kan pas beginnen als de windsnelheid kleiner is dan of gelijk is aan 20 km/u, hetzij 5,56 m/s Tijdens het gebruik, worden de gepaste middelen ingezet om de verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen buiten het perceel of het behandelde gebied te voorkomen.]1
  [2 § 5. De persoon die gewasbeschermingsmiddelen gebruikt, hanteert een geschikt materiaal dat verwaaiing met minstens vijftig percent beperkt, dat goed afgesteld is en in goede staat is.
   De Minister van Leefmilieu kan de lijst opmaken van het materiaal dat verwaaiing met minstens vijftig percent beperkt.]2

  [3 § 6. De maatregelen betreffende het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen vervat in dit besluit kunnen worden aangevuld met andere maatregelen vervat in een "charte régionale de bonnes pratiques d'utilisation de produits phytopharmaceutiques" (gewestelijk handvest van goede praktijken voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen), gevalideerd door de Minister van Leefmilieu en waarop elke professionele gebruiker vrij is om op in te tekenen.]3
  
Art. 9. § 1er. En dehors des zones de cultures et de prairies, une zone tampon est respectée :
  1° le long des eaux de surface sur une largeur minimale de six mètres à partir de la crête de berge ne pouvant être inférieure à celle définie dans l'acte d'agréation de chaque pesticide en vertu de l'arrêté royal du 28 février 1994 relatif à la conservation, à la mise sur le marché et à l'utilisation des pesticides à usage agricole;
  2° le long des terrains revêtus non cultivables reliés à un réseau de collecte des eaux pluviales, sur une largeur d'un mètre;
  3° en amont des terrains meubles non cultivés en permanence sujets au ruissellement en raison d'une pente supérieure ou égale à 10 % et qui sont contigus à une eau de surface ou à un terrain revêtu non cultivable relié à un réseau de collecte des eaux pluviales, sur une largeur d'un mètre à partir de la rupture de pente.
  § 2. En zone de cultures et/ou de prairies, une zone tampon est respectée :
  1° le long des eaux de surface sur une largeur minimale égale à celle définie à l'article R.202, 1°du Livre II du Code de l'Environnement, contenant le Code de l'Eau ne pouvant être inférieure à celle définie dans l'acte d'agréation de chaque pesticide en vertu de l'arrêté royal du 28 février 1994 relatif à la mise sur le marché, la conservation et l'utilisation des pesticides à usage agricole;
  2° le long des terrains revêtus non cultivables reliés à un réseau de collecte des eaux pluviales sur une largeur d'un mètre;
  3° en amont des terrains meubles non cultivés en permanence sujets au ruissellement en raison d'une pente supérieure ou égale à 10 % et qui sont contigus à une eau de surface ou à un terrain revêtu non cultivable relié à un réseau de collecte des eaux pluviales, sur une largeur d'un mètre.
  § 3. L'application de produits phytopharmaceutiques est interdite sur les terrains revêtus non cultivables reliés à un réseau de collecte des eaux pluviales ou directement aux eaux de surface.
  § 4. [1 L'application de produits phytopharmaceutiques peut débuter uniquement si le vent a une vitesse inférieure ou égale à 20 km/h, soit 5,56 m/s. Durant l'application, des moyens appropriés sont mis en oeuvre pour éviter l'entraînement des produits phytopharmaceutiques hors de la parcelle ou de la zone traitée.]1
  [2 § 5. La personne appliquant les produits phytopharmaceutiques utilise un matériel d'application adéquat bien réglé et en bon état, qui limite la dérive de cinquante pour cent au minimum.
   Le Ministre de l'Environnement peut dresser la liste du matériel qui limite la dérive de cinquante pour cent au minimum.]2

  [3 § 6. Les mesures relatives à l'application de produits phytopharmaceutiques contenues dans le présent arrêté peuvent être complétées par d'autres mesures contenues dans une " charte régionale de bonnes pratiques d'utilisation de produits phytopharmaceutiques ", validée par le Ministre de l'Environnement et à laquelle chaque utilisateur professionnel est libre de souscrire.]3
  
Afdeling 4. [1 - Hantering van gewasbeschermingsmiddelen voor professioneel gebruik]1
Section 4. [1 - Manipulation de produits phytopharmaceutiques à usage professionnel]1
Onderafdeling 1. - Toepassingsgebied en begripsomschrijving
Sous-section 1re. - Champ d'application et définitions
Art. 10. Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder :
  1° werkzame stof : stof of micro-organisme, met inbegrip van een virus of fungus met een algemene of specifieke werking op of tegen schadelijke organismen;
  2° tank : eelement van het gebruiksmateriaal voor de gewasbeschermingsmiddelen en van hun toevoegingstoffen bestemd om de fytofarmaceutische pap of de te verstuiven vloeistof met uitzondering van de rugsproeiers;
  3° fytofarmaceutische pap : gebruiksklare vloeistof bestemd voor de fytofarmaceutische behandeling, waarin het(de) te gebruiken product(en) verspreid of opgelost wordt(en);
  4° tankbodem : de fytofarmaceutische pap die na gebruik in het verstuivingsapparaat blijft en die niet de residuele tankbodem is;
  5° residuele tankbodem : het residuele volume fytofarmaceutische pap dat na gebruik en het afzetten van de verstuiver in het verstuivingsapparaat blijft en dat om technische redenen gebonden aan de conceptie van het verstuivingsapparaat niet verstuifbaar is met inbegrip van de dode volumes die in het verstuivingscircuit blijven;
  6° fytofarmaceutische effluenten : tankbodems, residuele tankbodems, onbruikbare pappen van gewasbeschermingsmiddelen alsmede het water verontreinigd door de gewasbeschermingsmiddelen met name, het reinigingswater van het verstuivingsapparaat, of het nu om de binnen- of buitenspoeling gaat;
  7° beroepsgebruik van gewasbeschermingsmiddelen : gebruik van gewasbeschermingsmiddelen die voor een beroepsgebruik zowel in de landbouw- en tuinsector als in andere sectoren specifiek erkend worden;
  8° professionele gebruiker : persoon die, in de landbouwsector of in een andere sector, pesticiden gebruikt in het kader van zijn beroepsactiviteiten;;
  9° toevoegingsstof : een toevoegingsstof in de zin van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad;
  [1 10° waterdichte ruimte: een ruimte die met een waterdicht alsook mechanisch en chemisch bestendig materiaal overdekt is om insijpeling in de grond van fytofarmaceutische producten en hun toevoegingsstoffen te voorkomen;
   11° gedelegeerd adviesorgaan: de vzw "PROTECT'eau";
   12° externe dienstverlener : een operator buiten het bedrijf die het op het bedrijf opgeslagen effluent behandelt met behulp van een mobiel behandelingssysteem;
   13° bodem bedekt met een grasachtige vegetatie: een vlak oppervlak dat bedekt is met permanente grasachtige vegetatie, duidelijk geïdentificeerd en bestemd voor de hantering van fytofarmaceutische producten. Het mag in geen geval een weiland zijn dat door dieren wordt gebruikt;
   14° biologisch substraat : een mengsel van verschillende materialen, met inbegrip van organische materialen zoals stro of compost, waarvan de samenstelling en textuur de ontwikkeling van biomassa mogelijk maken die de residuen van bestrijdingsmiddelen afbreekt en tegelijkertijd de vorming van preferentiële kanalen voorkomt;
   15° behandelingssysteem: elk fysisch, chemisch of biologisch procédé voor de behandeling van fytofarmaceutische effluenten, met uitzondering van systemen die gebaseerd zijn op het verdunningsprincipe.]1

  
Art. 10. Pour l'application de la présente section, on entend par :
  1° substance active : une substance ou un micro-organisme, y compris un virus ou un champignon, exerçant une action générale ou spécifique sur ou contre les organismes nuisibles;
  2° cuve : élément du matériel d'application des produits phytopharmaceutiques et de leurs adjuvants destiné à contenir la bouillie phytopharmaceutique ou le liquide à pulvériser, à l'exception des pulvérisateurs à dos;
  3° bouillie phytopharmaceutique : liquide prêt à l'emploi destiné au traitement phytopharmaceutique dans lequel sont dispersés ou dissous le ou les produits à appliquer;
  4° fond de cuve : la bouillie phytopharmaceutique restant dans l'appareil de pulvérisation après application et ne constituant pas le fond de cuve résiduel;
  5° fond de cuve résiduel : le volume résiduel de bouillie phytopharmaceutique restant dans l'appareil de pulvérisation après application et désamorçage du pulvérisateur et qui, pour des raisons techniques liées à la conception de l'appareil de pulvérisation, n'est pas pulvérisable en ce compris les volumes morts restant dans le circuit de pulvérisation;
  6° effluents phytopharmaceutiques : les fonds de cuve, les fonds de cuve résiduels, les bouillies de produits phytopharmaceutiques inutilisables ainsi que les eaux polluées par les produits phytopharmaceutiques notamment les eaux de nettoyage du matériel de pulvérisation, qu'il s'agisse du rinçage intérieur ou extérieur;
  7° usage professionnel de produits phytopharmaceutiques : l'emploi de produits phytopharmaceutiques spécifiquement agréés pour une utilisation professionnelle, tant dans les secteurs agricole et horticole que dans d'autres secteurs;
  8° utilisateur professionnel : toute personne appliquant des produits phytopharmaceutiques au cours de son activité professionnelle tant dans le secteur agricole que dans d'autres secteurs;
  9° adjuvant : un adjuvant au sens du Règlement 1107/2009 du Parlement européen et du Conseil du 21 octobre 2009 concernant la mise sur le marché des produits phytopharmaceutiques et abrogeant les Directives 79/117/CEE et 91/414/CEE du Conseil;
  [1 10° aire étanche : une aire recouverte d'un matériau étanche et résistant mécaniquement et chimiquement en vue d'empêcher toute infiltration dans le sol des produits phytopharmaceutiques et de leurs adjuvants;
   11° organisme de conseil délégué : l'asbl PROTECT'eau;
   12° prestataire externe : un opérateur extérieur à l'exploitation qui procède au traitement des effluents stockés sur celle-ci au moyen d'un système de traitement mobile;
   13° sol recouvert d'une végétation herbacée : une surface plane recouverte de végétation herbacée permanente, clairement identifiée et dédiée aux opérations de manipulation des produits phytopharmaceutiques. Il ne peut s'agir en aucun cas d'une zone de pâturage occupée par des animaux;
   14° substrat biologique : un mélange de différentes matières dont des matières organiques telles que de la paille ou du compost et dont la composition et la texture permettent le développement de la biomasse qui va dégrader les résidus de pesticides tout en évitant la formation de chenaux préférentiels;
   15° système de traitement : tout procédé physique, chimique ou biologique destiné à traiter les effluents phytopharmaceutiques à l'exclusion des systèmes basés sur le principe de dilution.]1

  
Art. 11. Deze afdeling regelt niet eigenlijk het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen maar wel de hanteringsverrichtingen van gewasbeschermingsmiddelen voor beroepsgebruik en hun toevoegingsstoffen, namelijk de verrichtingen die voor en na het gebruik ervan door een gebruiksmateriaal met een capaciteit van meer dan twintig liter plaatsvinden.
Art. 11. La présente section ne régit pas l'application de produits phytopharmaceutiques proprement dite mais les opérations de manipulation de produits phytopharmaceutiques à usage professionnel et de leurs adjuvants à savoir les opérations antérieures et postérieures à l'application de ceux-ci par du matériel d'application d'une capacité de plus de vingt litres.
Onderafdeling 2. - Plaatsen waarin de hanteringsverrichtingen worden uitgevoerd
Sous-section 2. - Lieux de réalisation des opérations de manipulation
Art. 12. § 1. [1 De hanteringsverrichtingen van fytofarmaceutische producten voor beroepsgebruik en hun toevoegingsstoffen vinden plaats in een akker of op een bodem bedekt met een grasachtige vegetatie of een waterdichte oppervlakte.
   Het door fytofarmaceutische producten verontreinigde water geloosd op de waterdichte oppervlakte wordt gedraineerd naar een behandelingssysteem. Het kan ook worden opgeslagen voor verdere behandeling door een externe dienstverlener of in afwachting van het ophalen door een ophaler die is erkend krachtens het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen.
   Dankzij de verzamelleiding voor water afkomstig van die oppervlakte kan het water verontreinigd door fytofarmaceutische producten afgezonderd worden van het regenwater
   De lengte en breedte van de waterdichte oppervlakte of de oppervlakte bestaande uit een bodem bedekt met een grasachtige vegetatie moet ten minste gelijk zijn aan de lengte en breedte van het verstuivingsmateriaal, met de oprijplaten opgevouwen, verhoogd met drie meter om de professionele gebruiker in staat te stellen zich gemakkelijk over het verstuivingsmateriaal te bewegen.]1

  § 2. Het water verontreinigd door gewasbeschermingsmiddelen mag geen oppervlakte- of grondwater, geen waterwinvoorziening, geen piëzometer, of geen ingangspunt van een openbare riolering bereiken.
  [1 § 2/1. Wanneer de fytofarmaceutische effluenten vóór de behandeling worden opgeslagen, wordt deze opslag uitgevoerd in een bufferopslagtank waarvan de kenmerken, met uitzondering van de capaciteit, identiek zijn aan de voorwaarden met betrekking tot de retentievoorziening zoals bepaald in artikel 5 van het besluit van de Waalse Regering van 13 juni 2013 tot bepaling van de integrale voorwaarden voor de opslag van gewasbeschermingsmiddelen voor beroepsgebruik
   De capaciteit ervan is voldoende om de fytofarmaceutische effluenten vóór de behandeling op te slaan en overloop te voorkomen.
   Indien de bufferopslagtank is begraven, zijn de kenmerken ervan identiek aan die welke in het eerste lid zijn omschreven, onverminderd de specifieke verplichtingen met betrekking tot de voorkomingsgebieden inzake waterwinning en opgenomen in de artikelen R.166 en R.167 van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt.
   De in lid 2 bedoelde capaciteit wordt berekend op basis van het totale volume van de in een jaar geproduceerde fytofarmaceutische effluenten en de verwerkingscapaciteit van het gebruikte behandelingssysteem of de frequentie waarmee de gebruiker een beroep doet op een externe dienstverlener of een erkende ophaler als bedoeld in lid 1.]1

  § 3. De professionele gebruiker houdt de documenten die van de waterdichtheid van het gebruikte materieaal bewijzen [1 een het bewijs van de afmetingen van de bufferopslag]1, ter beschikking van de personeelsleden bedoeld in artikel D.140 van Boek I.
  [1 § 4. De voorwaarden voor het aanleggen van de waterdichte oppervlakte of de oppervlakte bestaande uit een bodem bedekt met een grasachtige vegetatie worden vastgesteld overeenkomstig de afstanden die zijn bepaald in artikel 4 het besluit van 13 juni 2013 tot bepaling van de integrale voorwaarden voor de opslag van gewasbeschermingsmiddelen voor beroepsgebruik
   § 5. Bij het vullen, spoelen of in- en uitwendige reiniging van het verstuivingsmateriaal in het veld wordt aan de volgende voorwaarden voldaan:
   1° voor het vullen van de tank is een functioneel anti-terugkeersysteem geïnstalleerd op de tank zelf of losgekoppeld van de sproeier;
   2° voor het spoelen en reinigen van de binnenkant van de tank en het sproeicircuit is een tank met spoelwater aan boord of aan te sluiten op de sproeiapparatuur uitgerust met een minimumvolume dat gelijk is aan:
   a) tien procent van het nominale volume, indien de tank is uitgerust met een interne sproeikop;
   b) twintig procent van het nominale volume van de tank, indien er geen interne sproeikop is;
   3° voor de externe reiniging: een spoelwatertank aan boord of aan te sluiten op het verstuivingsmateriaal, dat ook kan worden gebruikt voor het spoelen of inwendig reinigen van de tank en het sproeicircuit, alsmede een lans of pistool met een slang die lang genoeg is om rond het verstuivingsmateriaal te kunnen werken en die is aangesloten op een pomp.]1

  
Art. 12. § 1er. [1 Les opérations de manipulation de produits phytopharmaceutiques à usage professionnel et de leurs adjuvants ont lieu au champ ou sur un sol recouvert d'une végétation herbacée ou sur une aire étanche.
   Les eaux polluées par des produits phytopharmaceutiques déversées sur l'aire étanche sont drainées vers un système de traitement. Elles peuvent également être stockées soit en vue de leur traitement ultérieur par un prestataire externe, soit dans l'attente de leur enlèvement par un collecteur agréé en vertu du décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets.
   Le réseau de collecte des eaux issues de cette aire permet d'isoler les eaux polluées par les produits phytopharmaceutiques des eaux pluviales.
   La longueur et la largeur de l'aire étanche ou de l'aire constituée d'un sol recouvert de végétation herbacée sont au moins égales à la longueur et à la largeur du matériel de pulvérisation, rampes repliées, augmentées de trois mètres pour permettre à l'utilisateur professionnel de circuler facilement autour du matériel de pulvérisation.]1

  § 2. Les eaux polluées par les produits phytopharmaceutiques ne peuvent atteindre une eau de surface ou souterraine, un ouvrage de prise d'eau, un piézomètre ou un point d'entrée d'égout public.
  [1 § 2/1. Lorsque des effluents phytopharmaceutiques sont stockés avant traitement, ce stockage est effectué dans un réservoir de stockage tampon dont les caractéristiques, à l'exception de la capacité, sont identiques aux conditions relatives au dispositif de rétention fixées à l'article 5 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 13 juin 2013 déterminant les conditions intégrales relatives aux dépôts de produits phytopharmaceutiques à usage professionnel.
   Sa capacité est suffisante pour permettre le stockage des effluents phytopharmaceutiques avant traitement et éviter tout débordement.
   Si le réservoir de stockage tampon est enterré, ses caractéristiques sont identiques à celles définies à l'alinéa premier sans préjudice des obligations spécifiques liées aux zones de prévention de captage et reprises aux articles R.166 et R.167 du Livre II du Code de l'Environnement constituant le Code de l'Eau.
   La capacité visée à l'alinéa 2 est calculée sur base du volume total d'effluents phytopharmaceutiques produits sur une année et de la capacité de traitement du système de traitement utilisé ou de la fréquence à laquelle l'utilisateur fait appel à un prestataire externe ou à un collecteur agréé visés au paragraphe 1er.]1

  § 3. L'utilisateur professionnel garde à la disposition des agents visés à l'article D.140 du Livre Ier du Code de l'Environnement les documents attestant de l'étanchéité du matériau utilisé [1 et la preuve du dimensionnement du stockage tampon]1.
  [1 § 4. Les conditions d'implantation de l'aire étanche ou de l'aire constituée d'un sol recouvert d'une végétation herbacée sont fixées conformément aux distances prévues à l'article 4 de l'arrêté du 13 juin 2013 déterminant les conditions intégrales relatives aux dépôts de produits phytopharmaceutiques à usage professionnel.
   § 5. Lorsque le remplissage, le rinçage ou le nettoyage interne et externe du matériel de pulvérisation est réalisé au champ les conditions suivantes sont respectées :
   1° pour le remplissage de la cuve, un système anti-retour fonctionnel est soit installé sur la cuve elle-même, soit dissocié du pulvérisateur;
   2° pour le rinçage et le nettoyage de l'intérieur de la cuve et du circuit de pulvérisation, une cuve d'eau de rinçage, embarquée sur ou connectable, au matériel de pulvérisation est équipée dont le volume est au minimum égal soit :
   a) à dix pour cent du volume nominal, si la cuve est équipée d'une buse de rinçage interne;
   b) à vingt pour cent du volume nominal de la cuve, à défaut de buse de rinçage interne;
   3° pour le nettoyage externe, une cuve d'eau de rinçage embarquée ou connectable au matériel de pulvérisation, pouvant également servir au rinçage ou nettoyage interne de la cuve et du circuit de pulvérisation, ainsi qu'une lance ou un pistolet assorti d'un tuyau d'une longueur suffisante pour permettre de travailler autour du matériel de pulvérisation, raccordés à une pompe sont équipés.]1

  
Art. 12/1. [1 De waterdichte oppervlakte mag worden gebruikt voor andere doeleinden dan het hanteren van fytofarmaceutische producten en het reinigen van materiaal dat voor de toepassing van fytofarmaceutische producten wordt gebruikt, op voorwaarde dat de verschillende soorten water of verontreinigende stoffen die op deze oppervlakte worden geloosd, niet worden gemengd met de fytofarmaceutische effluenten en worden beheerd in overeenstemming met de geldende wetgeving.
   Deze oppervlakte kan niet tegelijkertijd voor meerdere doeleinden worden gebruikt.]1

  
Art. 12/1. [1 L'aire étanche peut être utilisée à d'autres fins que la réalisation des opérations de manipulation des produits phytopharmaceutiques et le nettoyage du matériel utilisé pour l'application des produits phytopharmaceutiques, pour autant que les différents types d'eaux ou de polluants déversés sur cette aire ne soient pas mélangés aux effluents phytopharmaceutiques et soient gérés en respectant la législation en vigueur.
   Cette aire ne peut être utilisée simultanément pour plusieurs usages.]1

  
Onderafdeling 3. - Verdunning en mengsel van gewasbeschermingsmiddelen
Sous-section 3. - Dilution et mélange des produits phytopharmaceutiques
Art. 13. Wanneer gewasbeschermingsmiddelen voor beroepsgebruik voor hun toepassing met water gemengd moeten worden en in een kuip verdund moeten worden, treft de professionele gebruiker alle nodige maatregelen om :
  1° de terugkeer van het vulwater van de tank naar het waterdistributienet of elke andere watervoorzieningsbron te voorkomen;
  2° elke overloop van die kuip te voorkomen.
Art. 13. Lorsque des produits phytopharmaceutiques à usage professionnel doivent être mélangés à de l'eau et dilués dans une cuve avant leur application, l'utilisateur professionnel prend toutes les mesures nécessaires en vue :
  1° d'empêcher le retour de l'eau de remplissage de la citerne vers le réseau de distribution d'eau ou de toute autre source d'approvisionnement en eau;
  2° d'éviter tout débordement de cette cuve.
Art. 13/1. [1 De in artikel 12, § 1, tweede en derde lid, bedoelde uitrustingen zijn niet verplicht wanneer de waterdichte oppervlakte alleen wordt gebruikt voor het vullen van de tank die bestemd is voor het mengen van fytofarmaceutische producten voor beroepsgebruik met water voordat deze worden toegepast, indien ze het volgende bevat:
   1° hetzij een systeem waarmee het vullen automatisch kan worden gestopt, zoals een Volumeteller met automatische stop of een elektronische meter die op de watertoevoer is aangesloten
   2° hetzij een intermediaire helderwatertank met een volume dat maximaal gelijk is aan het volume van de sproeier;
   3° hetzij een systeem dat het mogelijk maakt de aandacht van de bediener tijdens het vullen vast te houden, zoals een fluitjesalarmsysteem of een "no stress"-systeem dat voortdurend door de bediener in zijn positie moet worden gehouden om het vullen mogelijk te maken.]1

  
Art. 13/1. [1 Les équipements prévus aux alinéas 2 et 3 de l'article 12, § 1er, ne sont pas obligatoires lorsque l'aire étanche est utilisée uniquement pour remplir la cuve destinée à mélanger les produits phytopharmaceutiques à usage professionnel à de l'eau avant leur application, si celle-ci comprend :
   1° soit, un système permettant l'arrêt automatique du remplissage tel qu'un volucompteur à arrêt automatique ou une jauge électronique reliée à l'arrivée d'eau;
   2° soit, une citerne intermédiaire d'eau claire d'un volume au maximum équivalent au volume du pulvérisateur;
   3° soit, un système permettant de retenir l'attention de l'opérateur lors du remplissage tel que notamment un système d'alarme de type sifflet ou un système " no stress " devant être maintenu constamment dans sa position par l'opérateur pour permettre le remplissage.]1

  
Art. 14. Het is verboden het water rechtstreeks in [1 ...]1 elk oppervlakte- of grondwater te winnen om de kuip te vullen of om het mengsel of de verdunning van gewasbeschermingsmiddelen uit te voeren.
  
Art. 14. Il est interdit de prélever directement de l'eau [1 ...]1 dans toute eau de surface ou souterraine, pour effectuer le remplissage de la cuve et le mélange ou la dilution de produits phytopharmaceutiques.
  
Onderafdeling 4. - Beheer van de fytofarmaceutische effluenten
Sous-section 4. - Gestion des effluents phytopharmaceutiques
Art.14/1. [1 § 1. Professionele gebruikers van fytofarmaceutische producten geven jaarlijks aan hoe zij hun fytofarmaceutische effluenten beheren, hetzij via het modelformulier bedoeld in bijlage 3, hetzij via de verzamelaanvraag in de zin van artikel D.22. van het Waalse landbouwwetboek.
   Het formulier wordt per gewone post of per e-mail naar het op het formulier vermelde adres gestuurd.
   Indien de professionele gebruiker een behandelingssysteem gebruikt, zorgt hij ervoor dat het voldoende gedimensioneerd is overeenkomstig de specificaties van het systeem. De elementen die de dimensionering mogelijk maakten, worden ter beschikking gehouden van de personeelsleden bedoeld in artikel D.140 van Boek I van het Milieuwetboek. Dit kan een verslag zijn van een technisch bezoek dat op verzoek van de gebruiker door de gedelegeerde adviesinstelling is uitgevoerd.
   § 2. Professionele gebruikers houden een register bij van de wijze waarop zij hun fytofarmaceutische effluenten beheren. Dit register bevat ten minste de volgende informatie:
   1° de aard van de uitgevoerde verrichtingen, met inbegrip van jaarlijks onderhoud, substraatvernieuwing, reparatie, bufferopslag, behandeling of verwijdering van de effluenten;
   2° de datum van de verrichting;
   3° indien van toepassing, de hoeveelheid opgeslagen, behandeld of verwijderd effluent en de in het effluent aanwezige fytofarmaceutische producten;
   4° de operatoridentificatie;
   5° de behandelingsmethode.]1

  
Art. 14/1. [1 § 1er. Les utilisateurs professionnels de produits phytopharmaceutiques déclarent annuellement la façon dont ils gèrent leurs effluents phytopharmaceutiques soit via le modèle de formulaire visé en annexe 3 soit via la demande unique au sens de l'article D.22. du Code wallon de l'Agriculture.
   Le formulaire est envoyé à l'Administration par courrier simple ou par courriel à l'adresse reprise sur le formulaire.
   Si l'utilisateur professionnel a recours à un système de traitement, il s'assure que celui-ci est dimensionné de manière adéquate selon les spécifications du système. Les éléments qui ont permis le dimensionnement sont gardés à disposition des agents visés à l'article D.140 du Livre Ier du Code de l'Environnement. Il peut s'agir d'un compte-rendu de visite technique réalisée par l'organisme de conseil délégué à la demande de l'utilisateur.
   § 2. Les utilisateurs professionnels consignent dans un registre la façon dont ils gèrent leurs effluents phytopharmaceutiques. Ce registre reprend au moins les informations suivantes :
   1° le type d'opération réalisée y compris maintenance annuelle, renouvellement du substrat, réparation, stockage tampon, traitement ou enlèvement d'effluents;
   2° la date de l'opération;
   3° le cas échéant, la quantité d'effluents stockée, traitée ou enlevée ainsi que les produits phytopharmaceutiques présents dans l'effluent;
   4° l'identification de l'opérateur;
   5° la méthode de traitement.]1

  
Art. 15. De verpakkingen van de gewasbeschermingsmiddelen die van hun producten geledigd worden, worden drie keer met helder water gespoeld. De uit de spoeling voortvloeiende vloeistof wordt in de kuip gestort en gebruikt om de fytofarmaceutische pap voor te bereiden.
  [1 In voorkomend geval kan de in lid 1 bedoelde handeling worden uitgevoerd met behulp van een spoelingssyteem van de kannen, dat op de verplaatsbare tank geplaatst wordt of erop aansluitbaar is.]1
  
Art. 15. Les emballages des produits phytopharmaceutiques vidés de leurs produits sont rincés trois fois avec de l'eau claire. Le liquide résultant du rinçage est versé dans la cuve et utilisé pour réaliser la bouillie phytopharmaceutique.
  [1 Le cas échéant, l'opération visée à l'alinéa 1er peut être réalisée à l'aide d'un système de rinçage des bidons, embarqué sur ou connectable à la cuve.]1
  
Art. 16. § 1. Na gebruik van de fytofarmaceutische pap wordt het gebruik van de tankbodems toegelaten indien de volgende cumulatieve voorwaarden worden vervuld :
  1° de concentratie actieve stof(fen) van de oorspronkelijke tankbodem wordt minstens door 100 gedeeld;
  2° elke verdunning van de tankbodem die overeenkomstig de voorschriften van de artikelen 12 tot 14 verricht wordt, wordt gevolgd met een gebruik ervan op het perceel of het gebied dat juist behandeld is tot het afzetten van de verstuiver.
  Onder de verantwoordelijkheid van de professionele gebruiker wordt het hergebruik van de tankbodem [1 of resterende tankbodem]1 voortvloeiend uit een eerste gebruik van product toegelaten voor het gebruik van andere producten volgens de voorschriften vermeld op het etiket van het product van de vorige behandeling.
  § 2. De residuele tankbodem die na het afzetten blijft en waarvan de concentratie actieve stof(fen) overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 12 en 14 minstens door 100 is gedeeld, wordt onmiddellijk toegepast op een bodem bedekt met een grasachtige vegetatie of behandeld door [1 een systeem]1 voor de behandeling van fytofarmaceutische effluenten [1 of opgeslagen met het oog op verdere behandeling door een externe dienstverlener of in afwachting van een verwijdering door een ophaler die is erkend krachtens het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen]1.
  
Art. 16. § 1er. Après application de la bouillie phytopharmaceutique, l'application des fonds de cuve est autorisée moyennant le respect des conditions cumulatives suivantes :
  1° la concentration en substance(s) active(s) du fond de cuve initial est divisée au moins par 100;
  2° chaque opération de dilution du fond de cuve réalisée conformément au prescrit des articles 12 à 14 est suivie d'une application de celui-ci sur la parcelle ou la zone venant d'être traitée jusqu'au désamorçage du pulvérisateur.
  Sous la responsabilité de l'utilisateur professionnel, la réutilisation du fond de cuve [1 ou fond de cuve résiduel]1 résultant d'une première application de produit est autorisée pour l'application d'autres produits selon les prescriptions reprises sur l'étiquette du produit du traitement précédent.
  § 2. Le fond de cuve résiduel, restant après désamorçage et dont la concentration en substance(s) active(s) a été divisée au moins par 100 conformément au prescrit des articles 12 et 14, est appliqué sur le champ, sur un sol recouvert d'une végétation herbacée ou traité par [1 un système]1 de traitement des effluents phytopharmaceutiques [1 ou, stockés en vue d'un traitement ultérieur par un prestataire externe ou dans l'attente d'un enlèvement par un collecteur agréé en vertu du décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets]1.
  
Art. 17. De niet-bruikbare pappen, niet-verdunde tankbodems of residuele tankbodems worden opgehaald en opgeslagen in een vat met een volume minstens gelijk aan het volume van de kuip en zonder overlooppijp of gehandhaafd in de kuip van de verstuiver met het oog op de verwijdering ervan door een erkende ophaler [1 of met het oog op verdere behandeling door een externe dienstverlener of door een behandelingssysteem dat is aangepast aan onverdunde effluenten, onverminderd de toepassing van de afvalstoffenwetgeving]1.
  [1 Op voorwaarde dat zij hun volledige doeltreffendheid behouden, kan de ongebruikte totale herbicidenpap voor verder gebruik als gelokaliseerde behandeling met een sproeislang of een rugsproeier of door boomstronken in te spuiten of te borstelen worden behouden Ze worden beschouwd als kant-en-klare fytofarmaceutische producten en worden opgeslagen in de opslagruimte van de producten met een adequate identificatie.
   Als de hoeveelheid ongebruikte pap zodanig is dat opslag in de opslagruimte niet mogelijk is, wordt deze in de sproeitank bewaard die op de vulruimte geparkeerd blijft.]1

  
Art. 17. Les bouillies inutilisables, fonds de cuve ou fonds de cuves résiduels non dilués sont collectés et stockés, dans un contenant d'un volume au moins égal au volume de la cuve et sans trop-plein ou maintenus dans la cuve du pulvérisateur en vue de leur élimination par un collecteur agréé [1 ou en vue d'un traitement ultérieur par un prestataire externe ou par un système de traitement adapté aux effluents non dilués sans préjudice de l'application de la législation relative aux déchets]1.
  [1 Pour autant qu'elles conservent toute leur efficacité, les bouillies d'herbicide total non utilisées peuvent être conservées pour une utilisation ultérieure en traitement localisé avec un pulvérisateur à lance ou à dos ou par injection ou badigeonnage de souches. Elles sont considérées comme des produits phytopharmaceutiques prêts à l'emploi et sont conservées dans le local de stockage des produits avec une identification adéquate.
   Si le volume de la bouillie non utilisée est tel qu'un stockage dans le local de stockage est impossible, celui-ci est maintenu dans la cuve du pulvérisateur qui reste stationné sur l'aire de remplissage.]1

  
Art. 17/1. [1 § 1. Restwater afkomstig van behandelingssystemen wordt niet geloosd in rioleringen of in oppervlakte- of grondwater.
   Restwater wordt ofwel op het veld of op een bodem bedekt met een grasachtige vegetatie toegepast of hergebruikt voor de bereiding van een latere totale herbicidenbehandeling onder de verantwoordelijkheid van de gebruiker.
   In geval van opslag van restwater vóór toepassing wordt de opslag uitgevoerd:
   1° hetzij, in de bufferopslagtank voor dierlijke mest overeenkomstig de geldende wetgeving voor de opslag van dierlijke mest, met name het programma voor het duurzaam beheer van stikstof in de landbouw;
   2° hetzij, in een bufferopslagtank waarvan de kenmerken, met uitzondering van de capaciteit, identiek zijn aan de voorwaarden met betrekking tot de retentievoorziening zoals bepaald in artikel 5 van het besluit van de Waalse Regering van 13 juni 2013 tot bepaling van de integrale voorwaarden voor de opslag van gewasbeschermingsmiddelen voor beroepsgebruik.
   § 2. De substraten van een verwerkingssysteem dat werkt met een biologisch substraat worden gemengd met vaste dierlijke mest, zoals mest en groenafval of stadscompost. Het biologische substraat dat het systeem voedt wordt regelmatig vernieuwd volgens de specificaties van de fabrikant of adviseur
   De substraten worden met deze organische grondverbeteringsmiddelen verspreid met een maximum van één kubieke meter per hectare gewas of grasland in overeenstemming met de geldende wetgeving voor de verspreiding van organische grondverbeteringsmiddelen, met name het programma voor het duurzame beheer van stikstof in de landbouw
   Wanneer verzadigde substraten vóór de verspreiding met de bovengenoemde organische grondverbeteringsmiddelen worden opgeslagen, moet de opslag voldoen aan de geldende wetgeving inzake de opslag van deze organische grondverbeteringsmiddelen, met name het programma voor het duurzaam beheer van stikstof in de landbouw.
   § 3. Afval van een behandelingssysteem, met name filterhouders zoals actieve kool, membranen en filters, of vloeibare of vaste concentraten van fysische scheidingsprocessen, moet worden verwijderd in volgens de toepasselijke wetgeving inzake gevaarlijke afvalstoffen.]1

  
Art. 17/1. [1 § 1er. Les eaux résiduelles produites par les systèmes de traitement ne sont pas rejetées dans les égouts ni dans les eaux de surface ou souterraines.
   Les eaux résiduelles sont appliquées soit au champ soit sur un sol recouvert d'une végétation herbacée ou réutilisées pour la préparation d'un traitement herbicide total ultérieur sous la responsabilité de l'utilisateur.
   En cas de stockage des eaux résiduelles avant application, le stockage est effectué :
   1° soit, dans le réservoir de stockage tampon destiné aux effluents d'élevage en respectant la législation en vigueur en matière de stockage d'effluents d'élevage, notamment le programme de gestion durable de l'azote en agriculture;
   2° soit, dans un réservoir de stockage tampon dont les caractéristiques, à l'exception de la capacité, sont identiques aux conditions relatives au dispositif de rétention fixées à l'article 5 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 13 juin 2013 déterminant les conditions intégrales relatives aux dépôts de produits phytopharmaceutiques à usage professionnel.
   § 2. Les substrats d'un système de traitement fonctionnant au moyen d'un substrat biologique sont éliminés en mélange avec des effluents d'élevage solides tels que les fumiers et des composts de déchets verts ou composts urbains. Le substrat biologique alimentant le système est renouvelé régulièrement selon les prescriptions prévues par le constructeur ou le conseiller.
   Les substrats sont épandus avec ces amendements organiques à raison d'un mètre cube maximum par hectare de culture ou de prairie en respectant la législation en vigueur en matière d'épandage d'amendements organiques, notamment le programme de gestion durable de l'azote en agriculture.
   Lorsque les substrats saturés sont stockés avant leur épandage avec les amendements organiques susmentionnés, le stockage respecte la législation en vigueur en matière de stockage de ces amendements organiques, notamment le programme de gestion durable de l'azote en agriculture.
   § 3. Les déchets issus d'un système de traitement, en particulier s'il s'agit de supports filtrants, tels que les charbons actifs, de membranes et de filtres, ou de concentrés liquides ou solides issus des procédés de séparation physique, sont éliminés selon la législation relative aux déchets dangereux en vigueur.]1

  
Art. 18. De reinigingsverrichtingen van het gebruikte materiaal voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen worden overeenkomstig artikel 12 uitgevoerd.
  [1 De voorwaarden voor de vestiging van de installaties voor de opslag van fytofarmaceutische effluenten voor de behandeling of voor de vestiging van opslagfaciliteiten voor afval- of restwater van de behandeling en voor de vestiging van behandelingssystemen zelf, worden vastgesteld overeenkomstig de afstanden die zijn bepaald in artikel 4 van het besluit van 13 juni 2013 tot bepaling van de integrale voorwaarden voor de opslag van gewasbeschermingsmiddelen voor beroepsgebruik.]1
  
Art. 18. Les opérations de nettoyage du matériel utilisé pour l'application de produits phytopharmaceutiques ont lieu, conformément à l'article 12.
  [1 Les conditions d'implantation des installations de stockage d'effluents phytopharmaceutiques avant traitement ou d'implantation de stockage de déchets ou d'eaux résiduelles issus du traitement ainsi que d'implantation des systèmes de traitement proprement dits sont fixées conformément aux distances précisées à l'article 4 de l'arrêté du 13 juin 2013 déterminant les conditions intégrales relatives aux dépôts de produits phytopharmaceutiques à usage professionnel.]1
  
Onderafdeling 5. - Controle, ongevallen- en brandpreventie
Sous-section 5. - Contrôle, prévention des accidents et incendies
Art. 19. De professionele gebruiker bezit de documenten die nodig zijn voor de identificatie van de aard en de risico's van de gewasbeschermingsmiddelen die hij hanteert, met name de fiches met de veiligheidsgegevens.
  De professionele gebruiker houdt die documenten ter beschikking van de personeelsleden bedoeld in artikel D.140 van Boek I van het Milieuwetboek.
Art. 19. L'utilisateur professionnel détient les documents nécessaires à l'identification de la nature et des risques des produits phytopharmaceutiques qu'il manipule, en particulier les fiches de données de sécurité.
  L'utilisateur professionnel garde ces documents à la disposition des agents visés à l'article D.140 du Livre Ier du Code de l'Environnement.
Art. 20. De professionele gebruiker informeert zijn aangestelden en alle personen die het gebruiksmateriaal voor gewasbeschermingsmiddelen voor beroepsgebruik over de uitbatingsinstructies zoals ze vermeld zijn, gebruiken.
  Elke lozing van gewasbeschermingsmiddelen in een oppervlakte- of grondwater wordt medegedeeld aan een personeelslid bedoeld in artikel R.87 van Boek I van het Milieuwetboek.
  Elke lozing van gewasbeschermingsmiddelen in de openbare rioleringen wordt medegedeeld aan een personeelslid bedoeld in artikel R.87 van Boek I van het Milieuwetboek en aan de erkende zuiveringsinstelling.
Art. 20. L'utilisateur professionnel informe ses préposés et toutes personnes utilisant le matériel d'application de produits phytopharmaceutiques à usage professionnel des consignes d'exploitation telles qu'elles sont mentionnées.
  Tout déversement de produits phytopharmaceutiques en eau de surface ou souterraine est signalé à un agent visé à l'article R.87 du Livre Ier du Code de l'Environnement.
  Tout déversement de produits phytopharmaceutiques aboutissant dans les égouts publics est signalé à un agent visé à l'article R.87 du Livre Ier du Code de l'Environnement et à l'organisme d'épuration agréé.
Hoofdstuk III. - Wijzigingen van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt
CHAPITRE III. - Modifications du Livre II du Code de l'Environnement, contenant le Code de l'Eau
Art. 21. In artikel R.43ter-5, § 2, van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, worden de woorden "bijlage XIV, deel IV.B." vervangen door de woorden "bijlage XIV, deel B II".
Art. 21. A l'article R.43ter-5, § 2 du Livre II du Code de l'Environnement, contenant le Code de l'Eau, les mots " l'annexe XIV, partie IV. B " sont remplacés par les mots " l'annexe XIV, partie B II ".
Art. 22. In deel II, titel VII, hoofdstuk II, afdeling 3 van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, wordt een hoofdstuk R.142bis ingevoegd, luidend als volgt :
  "Art. R.142bis. Wanneer uit de uitgevoerde analyses blijkt dat de concentratie pesticiden een risico voor het niet-bereiken van de goede chemische staat van één of meer oppervlaktewaterlichamen inhoudt, kan de Minister na onderzoekscontrole maatregelen treffen om het gebruik van die pesticiden te beperken of te verbieden in het(de) gebied(en) dat(die) bijdraagt(bijdragen) tot die verontreiniging om de in artikel D.22, § 1, 1°, bedoelde doelstellingen te bereiken.
Art. 22. Dans la partie II, Titre VII, Chapitre II, section 3 du Livre II du Code de l'Environnement, contenant le Code de l'Eau, il est inséré un article R.142bis rédigé comme suit :
  " Art. R.142bis. Lorsqu'il ressort des analyses effectuées que la concentration des pesticides implique un risque de non atteinte du bon état chimique d'une ou de plusieurs masses d'eau de surface, le Ministre peut prendre, après contrôle d'enquête, des mesures en vue de restreindre ou d'interdire l'application de ces pesticides dans la ou les zone(s) contribuant à cette pollution afin d'atteindre les objectifs définis à l'article D.22, § 1er, 1°.° ".
Art. 23. In artikel R.153 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° punt 1° wordt opgeheven;
  2° punt 3° wordt vervangen als volgt :
  " 3° pesticide :
  a) een gewasbeschermingsmiddel als omschreven in Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad;
  b) een biocide als omschreven in het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden;".
Art. 23. Dans l'article R.153 du même Code, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le 1° est abrogé;
  2° le 3° est remplacé par ce qui suit :
  " 3° pesticide :
  a) un produit phytopharmaceutique au sens du Règlement (CE) n° 1107/2009 du Parlement européen et du Conseil du 21 octobre 2009 concernant la mise sur le marché des produits phytopharmaceutiques et abrogeant les Directives 79/117/CEE et 91/414/CEE du Conseil;
  b) un produit biocide au sens de l'arrêté royal du 22 mai 2003 concernant la mise sur le marché et l'utilisation des produits biocides; ".
Art. 24. Artikel R. 165, § 2, 2°, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
  "2° als de Minister vaststelt dat de concentratie actieve stoffen van de pesticiden en de concentratie relevante metabolieten en afbraak- en reactieproducten in het ontvangend water verhoogt en jaarlijks gemiddeld hoger is dan :
  - 30 % van de kwaliteitsnormen van het grondwater bedoeld in artikel R. 43-ter, 1°, voor wat betreft de waarde bepaald bij individuele stof of,
  - 30 % van de kwaliteitsnormen van het grondwater bedoeld in artikel R. 43-ter, 1°, voor wat betreft de waarde bepaald voor het totaal van de stoffen,
  kan hij na onderzoekscontrole de gepaste aansporende maatregelen treffen die tot de wijziging van bepaalde landbouw-, huishoudelijke en andere praktijken moeten leiden om het lozen van pesticiden in de grondwateren te beperken tot de gehalten opnieuw onder de 30 % van de kwaliteitsnormen van de grondwateren bedoeld in artikel R. 43ter-3, 1° zijn gedaald en gedurende minstens vijf jaar op dat niveau blijven.
  Bij gebrek aan bijzondere precisering zijn de maatregelen bedoeld in het eerste lid van toepassing binnen een termijn van één jaar na de kennisgeving van de beslissing van de Minister.
  Als de Minister vaststelt dat de concentratie actieve stoffen van de pesticiden en de concentratie relevante metabolieten en afbraak- en reactieproducten in het ontvangend water jaarlijks gemiddeld hoger is dan :
  - 75 % van de kwaliteitsnormen van het grondwater bedoeld in artikel R. 43-ter, 1°, voor wat betreft de waarde bepaald bij individuele stof of,
  - 75 % van de kwaliteitsnormen van het grondwater bedoeld in artikel R.43ter-3, 1°, m.b.t. de waarde die voor het geheel van de stoffen is vastgesteld, neemt hij na onderzoekscontrole versterkte maatregelen en zelfs het verbod van het gebruik van de betrokken pesticiden om het lozen van pesticiden te beperken in de grondwateren tot de gehalten opnieuw onder de 75 % van de kwaliteitsnormen van het grondwater bedoeld in artikel R.43ter-3, 1°, zijn gedaald en gedurende minstens vijf jaar op dat niveau blijven.
  Bij gebrek aan bijzondere precisering zijn de maatregelen bedoeld in het derde lid van toepassing binnen een termijn van één jaar na de kennisgeving van de beslissing van de Minister;".
Art. 24. L'article R. 165, § 2, 2°, du même Code est remplacé par ce qui suit :
  " 2° si le Ministre constate que la concentration en substances actives des pesticides, ainsi qu'en leurs métabolites, produits de dégradation et de réaction pertinents, augmente et excède, en moyenne annuelle, dans les eaux réceptrices :
  - 30 % des normes de qualité des eaux souterraines visées à l'article R.43ter-3, 1°, pour ce qui concerne la valeur fixée par substance individuelle, ou
  - 30 % des normes de qualité des eaux souterraines visées à l'article R.43ter-3, 1°, pour ce qui concerne la valeur fixée pour le total des substances,
  il peut, après contrôle d'enquête, prendre des mesures incitatives adéquates visant à modifier certaines pratiques agricoles, domestiques et autres afin de limiter l'introduction de pesticides dans les eaux souterraines jusqu'à ce que les teneurs soient redescendues sous les 30 % des normes de qualité des eaux souterraines visées à l'article R.43ter-3, 1°, et soient maintenues à ce niveau depuis cinq ans au moins.
  A défaut de précision particulière, les mesures prévues à l'alinéa 1er s'appliquent dans un délai d'un an suivant la notification de la décision du Ministre.
  Si le Ministre constate que la concentration en substances actives des pesticides, ainsi qu'en leurs métabolites, produits de dégradation et de réaction pertinents, excède, en moyenne annuelle, dans les eaux réceptrices :
  - 75 % des normes de qualité des eaux souterraines visées à l'article R.43ter-3, 1°, pour ce qui concerne la valeur fixée par substance individuelle, ou
  - 75 % des normes de qualité des eaux souterraines visées à l'article R.43ter-3, 1°, pour ce qui concerne la valeur fixée pour le total des substances, il prend, après contrôle d'enquête, des mesures renforcées, allant jusqu'à l'interdiction d'application des produits pesticides concernés afin d'empêcher l'introduction de pesticides dans les eaux souterraines jusqu'à ce que les teneurs soient redescendues sous les 75 % des normes de qualité des eaux souterraines visées à l'article R.43ter-3, 1°, et soient maintenues à ce niveau depuis cinq ans au moins.
  A défaut de précision particulière, les mesures prévues à l'alinéa 3 s'appliquent dans un délai d'un an suivant la notification de la décision du Ministre; ".
Art. 25. In artikel R.166, § 1, van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in 2° worden de woorden "en pesticiden" opgeheven;
  2° er wordt een punt 2°bis ingevoegd, luidend als volgt :
  "2°bis de opslag van pesticiden behalve de bestaande bovengrondse opslag wanneer de opgeslagen hoeveelheid pesticiden kleiner is dan 2 ton en als de uitbatingsvoorwaarden bepaald overeenkomstig het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning worden nageleefd.";
  3° in 9° worden de woorden "en pesticiden" opgeheven.
Art. 25. A l'article R.166, § 1er , du même Code, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le 2°, les mots " et les pesticides " sont abrogés;
  2° dans le 2°bis est inséré, qui est rédigé comme suit :
  " 2°bis les stockages des pesticides sauf les stockages aériens existants lorsque la quantité de pesticides stockée est inférieure à 2 tonnes et que les conditions d'exploiter définies conformément au décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement sont respectées. ";
  3° dans le 9°, les mots " et les pesticides " sont abrogés.
Art. 26. In Deel II, Titel VII, hoofdstuk III, afdeling 4 van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel R.187bis-3 ingevoegd luidend als volgt :
  "Art. R. 187bis-3. Wanneer uit de uitgevoerde analyses blijkt dat de concentratie pesticiden een risico voor het niet-bereiken van de goede chemische staat van één of meer oppervlaktewaterlichamen inhoudt, kan de Minister na onderzoekscontrole maatregelen treffen om het gebruik van die pesticiden te beperken of te verbieden in het(de) gebied(en) dat(die) bijdraagt(bijdragen) tot die verontreiniging om de in artikel D.22, § 1, 1° bedoelde doelstellingen te bereiken.
Art. 26. Dans la partie II, Titre VII, Chapitre III, section 4 du même Code, il est inséré un article R.187bis-3 rédigé comme suit :
  " Art. R.187bis-3. Lorsqu'il ressort des analyses effectuées que la concentration des pesticides implique un risque de non atteinte du bon état chimique d'une ou de plusieurs masse(s) d'eau de souterraine, le Ministre peut prendre, après contrôle d'enquête, des mesures en vue de restreindre ou d'interdire l'application de ces pesticides dans la ou les zone(s) contribuant à cette pollution afin d'atteindre les objectifs définis à l'article D.22, § 1er, 1°.° ".
Art. 27. In bijlage XIV van het regelgevend gedeelte van hetzelfde Wetboek wordt nota 1 van tabel van deel A, I, 1 vervangen als volgt :
  "(1). - Er wordt verstaan onder "pesticiden" :
  a) een gewasbeschermingsmiddel als omschreven in Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad;
  b) een biocide als omschreven in het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden.".
Art. 27. Dans l'annexe XIV de la partie réglementaire du même Code, la note 1 du tableau de la partie A, I, 1 est remplacée par ce qui suit :
  " (1) On entend par "pesticides" :
  a) un produit phytopharmaceutique au sens du Règlement (CE) n° 1107/2009 du Parlement européen et du Conseil du 21 octobre 2009 concernant la mise sur le marché des produits phytopharmaceutiques et abrogeant les Directives 79/117/CEE et 91/414/CEE du Conseil;
  b) un produit biocide au sens de l'arrêté royal du 22 mai 2003 concernant la mise sur le marché et l'utilisation des produits biocides. ".
Hoofdstuk IV. - Wijziging van het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 5 november 1987 betreffende het opmaken van een verslag over de Toestand van het Waalse Leefmilieu
CHAPITRE IV. - Modification de l'arrêté de l'Exécutif régional wallon du 5 novembre 1987 relatif à l'établissement d'un rapport sur l'état de l'environnement wallon
Art. 28. In het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 5 november 1987 betreffende het opmaken van een verslag over de Toestand van het Waalse Leefmilieu wordt een hoofdstuk IV, dat artikel 6 inhoudt, ingevoegd, luidend als volgt :
  "Hoofdstuk IV. - Voor bepaalde aspecten van de toestand van het leefmilieu bijzondere bepalingen
  Art. 6. Het verslag houdt de indicatoren in die het meest geschikt zijn om enerzijds de doeltreffenheid van de uitgevoerde maatregelen en acties om de risico's en effecten gebonden aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de menselijke gezondheid en het milieu te verminderen en anderzijds de uitvoering van de doelstellingen te evalueren die als doel hebben de risico's en de effecten van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op het leefmilieu te verminderen en de ontwikkeling en invoering van geïntegreerde plaagbestrijding en alternatieve benaderingswijzen of technieken aan te moedigen om de afhankelijkheid van het gebruik van pesticiden te beperken.".
Art. 28. Dans l'arrêté de l'Exécutif régional wallon du 5 novembre 1987 relatif à l'établissement d'un rapport sur l'état de l'environnement wallon, il est inséré un Chapitre IV, comportant l'article 6, rédigé comme suit :
  " CHAPITRE IV. - Dispositions particulières à certains aspects de l'état de l'environnement
  Art. 6. Le rapport contient les indicateurs les plus appropriés pour évaluer d'une part, l'efficacité des mesures et des actions mises en oeuvre pour réduire les risques et les effets liés à l'application des produits phytopharmaceutiques sur la santé humaine et l'environnement et d'autre part, la réalisation des objectifs qui sont de réduire les risques et les effets de l'application de produits phytopharmaceutiques sur l'environnement et d'encourager le développement et l'introduction de la lutte intégrée contre les ennemis des végétaux et de méthodes ou techniques de substitution en vue de réduire la dépendance à l'égard de l'application de produits phytopharmaceutiques. ".
HOOFDSTUK V. - Diverse, overgangs- en slotbepalingen
CHAPITRE V. - Dispositions diverses, finales et transitoires
Art. 29. Uiterlijk op 30 juni 2013 brengt de Minister van Landbouw bij de Commissie verslag uit over de uitvoering van maatregelen ter bevordering van de bestrijding met lage pesticideninzet, en met name over de vraag of de noodzakelijke voorwaarden voor het in praktijk brengen van geïntegreerde gewasbescherming zijn vervuld.
  In de zin van dit lid wijst de geïntegreerde gewasbescherming de zorgvuldige afweging aan van alle beschikbare gewasbeschermingsmethoden, gevolgd door de integratie van passende maatregelen die de ontwikkeling van populaties van schadelijke organismen tegengaan, het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en andere vormen van interventie tot economisch en ecologisch verantwoorde niveaus beperkt houden en het risico voor de gezondheid van de mens en voor het milieu tot een minimum beperken; bij de geïntegreerde gewasbescherming ligt de nadruk op de groei van gezonde gewassen, waarbij de landbouwecosystemen zo weinig mogelijk worden verstoord en natuurlijke plaagbestrijding wordt aangemoedigd.
Art. 29. Au plus tard le 30 juin 2013, le Ministre qui a l'Agriculture dans ses attributions fait rapport à la Commission sur la mise en oeuvre des mesures de promotion de la lutte contre les ennemis des cultures à faible apport en pesticides et, en particulier, sur la mise en place des conditions nécessaires à la mise en oeuvre de la lutte intégrée contre les ennemis des cultures.
  Au sens de l'alinéa précédent, la lutte intégrée contre les ennemis des cultures désigne la prise en considération attentive de toutes les méthodes de protection des plantes disponibles et, par conséquent, l'intégration des mesures appropriées qui découragent le développement des populations d'organismes nuisibles et maintiennent le recours aux produits phytopharmaceutiques et à d'autres types d'interventions à des niveaux justifiés des points de vue économique et environnemental, et réduisent ou limitent au maximum les risques pour la santé humaine et l'environnement; la lutte intégrée contre les ennemis des cultures privilégie la croissance de cultures saines en veillant à perturber le moins possible les agro-écosystèmes et encourage les mécanismes naturels de lutte contre les ennemis des cultures.
Art. 30. Dit besluit treedt in werking de tiende dag na bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad behalve voor :
  1° artikel 9 van dit besluit dat op 1 september 2014 in werking treedt;
  2° de artikelen 12, § 1 en § 3, 13, 14, 16, § 2, 17 en 18 van dit besluit die op 1 juni 2015 in werking treden;
  3° de artikelen 4 en 5 van dit besluit die op 1 juni 2018 in werking treden.
  [1 De artikelen 4 en 5 zijn niet van toepassing op de vóór 1 juni 2018 ingezaaide teelt. Ze zijn in dat geval van toepassing op de volgende inzaai]1
  
Art. 30. Le présent arrêté entre en vigueur le dixième jour qui suit celui de sa publication au Moniteur belge sauf pour :
  1° l'article 9 du présent arrêté qui entre en vigueur le 1er septembre 2014;
  2° les articles 12, § 1er et § 3, 13, 14, 16, § 2, 17 et 18 du présent arrêté qui entrent en vigueur le 1er juin 2015;
  3° les articles 4 et 5 du présent arrêté qui entrent en vigueur le 1er juin 2018.
  [1 Les articles 4 et 5 ne s'appliquent pas à la culture annuelle emblavée avant le 1er juin 2018. Ils s'appliquent dans ce cas au prochain emblavement.]1
  
Art. 31. Het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 27 januari 1984 houdende verbod op het gebruik van onkruidverdelgingsmiddelen op bepaalde openbare goederen wordt op 31 mei 2014 opgeheven.
Art. 31. L'arrêté de l'Exécutif régional wallon du 27 janvier 1984 portant interdiction de l'emploi d'herbicides sur certains biens publics est abrogé au 31 mai 2014.
Art. 32. De Minister van Leefmilieu, Ruimtelijke Ordening en Mobilteit en de Minister van Openbare Werken, Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Natuur, Bossen en Erfgoed en de Minister van Gezondheid, Sociale Actie en Gelijke Kansen, zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 32. Le Ministre de l'Environnement, de l'Aménagement du Territoire et de la Mobilité, le Ministre des Travaux publics, de l'Agriculture, de la Ruralité, de la Nature, de la Forêt et du Patrimoine et la Ministre de la Santé, de l'Action sociale et de l'Egalité des Chances, et sont chargés de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage 1. - Waarschuwingszinnen
  DEEL A.
   - R1/EUH001 In droge toestand ontplofbaar
  R2 Ontploffingsgevaar door schok, wrijving, vuur of andere ontstekingsoorzaken
  R3 Groot ontploffingsgevaar door schok, wrijving, vuur of andere ontstekingsoorzaken
  R4 Vormt met metalen zeer gemakkelijk ontplofbare verbindingen
  R5/H240 Ontploffingsgevaar bij verwarming
  R6/EUH006 Ontplofbaar met en zonder lucht
  H200 Instabiele ontplofbare stof
  H201 Ontplofbare stof gevaar voor massa-explosie
  H202 Ontplofbaar : ernstig gevaar voor scherfwerking
  H203 Ontplofbaar : gevaar voor brand, luchtdrukwerking of scherfwerking
  H204 Gevaar voor brand of scherfwerking
  H205 Gevaar voor massa-explosie bij brand
  R7/H242 Kan brand veroorzaken
  R8/H270 Bevordert de ontbranding van brandbare stoffen
  R12/H221, H224, H242 Zeer licht ontvlambaar
  R14/EUH014 Reageert heftig met water
  R15/H260 Vormt zeer licht ontvlambaar gas in contact met water
  R16 Ontploffingsgevaar bij menging met oxiderende stoffen
  R17/H250 Spontaan ontvlambaar in lucht
  R18/EUH018 Kan bij gebruik een ontvlambaar/ontplofbaar damp-luchtmengsel vormen
  R19/EUH019 Kan ontplofbare peroxiden vormen
  R29/EUH029 Vormt giftig gas in contact met water
  R30 Kan bij gebruik licht ontvlambaar worden
  R31/EUH031 Vormt giftig gas in contact met water
  R32/EUH032 Vormt zeer giftige gassen in contact met zuren
  R39/H370, EUH070 Gevaar voor ernstige onherstelbare effecten
  R40/EUH070 Carcinogene effecten zijn niet uitgesloten - onvoldoende bewijzen
  R45/H350 Kan kanker veroorzaken
  R46/H340 Kan erfelijke genetische schade veroorzaken
  R48/H372, H373 Gevaar voor ernstige schade aan de gezondheid bij langdurige blootstelling
  R48/21 - H373 Schadelijk : gevaar voor ernstige schade aan de gezondheid bij langdurige blootstelling bij aanraking met de huid
  R48/20/21 - H373 Schadelijk : gevaar voor ernstige schade aan de gezondheid bij langdurige blootstelling bij inademing en aanraking met de huid
  R48/21/22 - H373 Schadelijk : gevaar voor ernstige schade aan de gezondheid bij langdurige blootstelling bij aanraking met de huid en opname door de mond
  R48/20/21/22 - H373 Schadelijk : gevaar voor ernstige schade aan de gezondheid bij langdurige blootstelling bij inademing, aanraking met de huid en opname door de mond
  R49/H350i Kan kanker veroorzaken bij inademing
  R60/H360F Kan de vruchtbaarheid schaden
  R61/H360D Kan het ongeboren kind schaden
  R62/H361f Mogelijk gevaar voor verminderde vruchtbaarheid
  R63/H361d Mogelijk gevaar voor beschadiging van het ongeboren kind
  R60/61 - H360FD Kan de vruchtbaarheid schaden - kan de foetus schaden
  R60/63 - H360Fd Kan de vruchtbaarheid schaden - De foetus zou kunnen schaden
  R61/62 - H360Df Kan de foetus schaden - De vruchtbaarheid zou kunnen schaden
  R62/63 - H361fd De vruchtbaarheid zou kunnen schaden - De foetus zou kunnen schaden
  R64/H362 Kan schadelijk zijn (voor baby's) via de borstvoeding
  R68/H371 Onherstelbare effecten zijn niet uitgesloten
  Deel B.
  R50/H400 Zeer giftig voor in het water levende organismen
  R51/H411 Zeer giftig voor in het water levende organismen
  R53/H413 Kan in het aquatisch milieu op lange termijn schadelijke effecten veroorzaken
Art. N1. Annexe 1. - Phrases de risque
  Partie A.
  R1/EUH001 Explosif à l'état sec
  R2 Risque d'explosion par le choc, la friction, le feu ou d'autres sources d'ignition
  R3 Grand risque d'explosion par le choc, la friction, le feu ou d'autres sources d'ignition
  R4 Forme des composés métalliques explosifs très sensibles
  R5/H240 Danger d'explosion sous l'action de la chaleur
  R6/EUH006 Danger d'explosion en contact ou sans contact avec l'air
  H200 Explosif instable
  H201 Explosif : danger d'explosion en masse
  H202 Explosif : danger sérieux de projection
  H203 Explosif : danger d'incendie, d'effet de souffle ou de projection
  H204 Danger d'incendie ou de projection
  H205 Danger d'explosion en masse en cas d'incendie
  R7/H242 Peut provoquer un incendie
  R8/H270 Favorise l'inflammation des matières combustibles
  R12/H221, H224, H242 Extrêmement inflammable
  R14/EUH014 Réagit violemment au contact de l'eau
  R15/H260 Au contact de l'eau, dégage des gaz extrêmement inflammables
  R16 Peut exploser en mélange avec des substances comburantes
  R17/H250 Spontanément inflammable à l'air
  R18/EUH018 Lors de l'utilisation, formation possible de mélange vapeur-air inflammable/explosif
  R19/EUH019 Peut former des peroxydes explosifs
  R29/EUH029 Au contact d'un acide, dégage un gaz toxique
  R30 Peut devenir très inflammable pendant l'utilisation
  R31/EUH031 Au contact d'un acide, dégage un gaz toxique
  R32/EUH032 Au contact d'un acide, dégage un gaz très toxique
  R39/H370, EUH070 Danger d'effets irréversibles très graves
  R40/EUH070 Effet cancérogène suspecté - preuves insuffisantes
  R45/H350 Peut provoquer le cancer
  R46/H340 Peut provoquer des altérations héréditaires
  R48/H372, H373 Risque d'effets graves pour la santé en cas d'exposition prolongée
  R48/21 - H373 Nocif : risques d'effets graves pour la santé en cas d'exposition prolongée par contact avec la peau
  R48/20/21 - H373 Nocif : risques d'effets graves pour la santé en cas d'exposition prolongée par inhalation et par contact avec la peau
  R48/21/22 - H373 Nocif : risques d'effets graves pour la santé en cas d'exposition prolongée par contact avec la peau et par ingestion
  R48/20/21/22 - H373 Nocif : risques d'effets graves pour la santé en cas d'exposition prolongée par inhalation, contact avec la peau et ingestion
  R49/H350i Peut provoquer le cancer par inhalation
  R60/H360F Peut altérer la fertilité
  R61/H360D Risque pendant la grossesse d'effets néfastes pour l'enfant
  R62/H361f Risque possible d'altération de la fertilité
  R63/H361d Risque possible pendant la grossesse d'effets néfastes pour l'enfant
  R60/61 - H360FD Peut nuire à la fertilité - Peut nuire au foetus
  R60/63 - H360Fd Peut nuire à la fertilité - Susceptible de nuire au foetus
  R61/62 - H360Df Peut nuire au foetus - Susceptible de nuire à la fertilité
  R62/63 - H361fd Susceptible de nuire à la fertilité - Susceptible de nuire au foetus
  R64/H362 Risque possible pour les bébés nourris au lait maternel
  R68/H371 Possibilité d'effets irréversibles
  Partie B.
  R50/H400 Très toxique pour les organismes aquatiques
  R51/H411 Toxique pour les organismes aquatiques
  R53/H413 Peut entraîner des effets néfastes à long terme pour l'environnement aquatique ".
Art. N2.   Deel I.
  - speelplaatsen en ruimten waar leerlingen gewoonlijk samenkomen binnen scholen of internaten;
  - ruimten waar kinderen gewoonlijk samenkomen binnen kinderdagverblijven of kinderopvangstructuren.
  Deel II.
  - voor het publiek toegankelijke speelterreinen voor kinderen;
  - terreinen ingericht voor de consumptie van drank en voedsel, met inbegrip van de voor het publiek toegankelijke infrastructuren op deze terreinen
  Deel III.
  - ziekenhuiscentra en ziekenhuizen;
  - Privézorginstellingen;
  - gezondheidscentra;
  - revalidatiecentra;
  - instellingen voor de opvang of huisvesting van bejaarden;
  - instellingen voor de opvang van volwassenen met een handicap of een ernstige ziekte.
Art. N2.   Partie I.
  - cours de récréation et espaces habituellement fréquentés par les élèves dans l'enceinte des établissements scolaires et des internats;
  - espaces habituellement fréquentés par les enfants dans l'enceinte des crèches, des infrastructures d'accueil de l'enfance.
  Partie II.
  - aires de jeux destinées aux enfants ouvertes au public;
  - aires aménagées pour la consommation de boissons et de nourriture, y compris leurs infrastructures, ouvertes au public.
  Partie III.
  - centres hospitaliers et hôpitaux;
  - établissements de santé privés;
  - maisons de santé;
  - maisons de réadaptation fonctionnelle;
  - établissements qui accueillent ou hébergent des personnes âgées;
  - établissements qui accueillent des personnes adultes handicapées ou des personnes atteintes de pathologie grave.
Art. N3. (NOTA : Bijlagen niet vertaald, zie Franse versie)
Art. N3. [1 Annexe III - Modèle de formulaire de déclaration des utilisateurs professionnels en ce qui concerne le traitement des effluents phytopharmaceutiques
-
A renvoyer à :
   SPW-DGARNE-DEE Cellule Intégration Agriculture & Environnement Avenue Prince de Liège, 15 5100 JAMBES (Namur)
(ou par courriel à l'adresse : STEPHY.dgarne@spw.wallonie.be)
   Je soussigné,......., déclare, pour l'année........ : - effectuer le remplissage de mon matériel de pulvérisation (*) :
. soit au champ; . soit sur un sol recouvert de végétation herbacée; . soit sur une aire recouverte d'un matériau étanche résistant mécaniquement et chimiquement et reliée à un système de traitement des effluents phytopharmaceutiques, en abrégé STEPHY, ou à une unité de stockage; . sans objet (je n'ai pas de matériel de pulvérisation). (*) : Biffer la mention inutile - effectuer les opérations de rinçage et de nettoyage (interne et externe de mon matériel de pulvérisation) : . soit au champ; . soit sur un sol recouvert de végétation herbacée; . soit sur une aire recouverte d'un matériau étanche résistant mécaniquement et chimiquement et reliée à un STEPHY ou à une unité de stockage; . sans objet (je n'ai pas d'effluents phytopharmaceutiques). (*) : Biffer la mention inutile
   Date
   Signature
  
A renvoyer à :
   SPW-DGARNE-DEE Cellule Intégration Agriculture & Environnement Avenue Prince de Liège, 15 5100 JAMBES (Namur)(ou par courriel à l'adresse : STEPHY.dgarne@spw.wallonie.be)
   Je soussigné,......., déclare, pour l'année........ : - effectuer le remplissage de mon matériel de pulvérisation (*) :. soit au champ; . soit sur un sol recouvert de végétation herbacée; . soit sur une aire recouverte d'un matériau étanche résistant mécaniquement et chimiquement et reliée à un système de traitement des effluents phytopharmaceutiques, en abrégé STEPHY, ou à une unité de stockage; . sans objet (je n'ai pas de matériel de pulvérisation). (*) : Biffer la mention inutile - effectuer les opérations de rinçage et de nettoyage (interne et externe de mon matériel de pulvérisation) : . soit au champ; . soit sur un sol recouvert de végétation herbacée; . soit sur une aire recouverte d'un matériau étanche résistant mécaniquement et chimiquement et reliée à un STEPHY ou à une unité de stockage; . sans objet (je n'ai pas d'effluents phytopharmaceutiques). (*) : Biffer la mention inutile
   Date
   Signature