Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
20 SEPTEMBER 2012. - Besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap tot instelling van een mandatenregeling voor de ambtenaren-generaal van de Diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap en de instellingen van openbaar nut die onder het Comité van Sector XVII ressorteren (NOTA : de lezing van art. 2; 5; 14-21; 21bis; 22; 23; 24; 25; 32; 33; 34; 35; 36; 38; 40; 41; 42; 43; 44; 55ter is gewijzigd door BFG2018-06-05/05, art 3 tot 26 , wat betreft WBE (Wallonie-Bruxelles Enseignement), Inwerkingtreding : 13-10-2019) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 14-02-2013 en tekstbijwerking tot 02-05-2023)
Titre
20 SEPTEMBRE 2012. - Arrêté du Gouvernement de la Communauté française instaurant un régime de mandats pour les fonctionnaires généraux des services du Gouvernement de la Communauté française et des organismes d'intérêt public qui relèvent du Comité de secteur XVII (NOTE : Pour leur application à WBE (Wallonie Bruxelles Enseignement), les articles 2; 5; 14-21; 21bis; 22; 23; 24; 25; 32; 33; 34; 35; 36; 38; 40; 41; 42; 43; 44; 55ter sont modifiés par ACF2019-06-05/05, art. 3 à 26, En vigueur : 13-10-2019) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 14-02-2013 et mise à jour au 02-05-2023)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
HOOFDSTUK I. - Mandatenregeling
Afdeling 1. - Toepassingsgebied en algemene bep...
Afdeling 2. - Voorwaarden voor de toegang
Afdeling 3. - Getuigschrift van overheidsmanage...
Afdeling 4. - Samenstelling van een kandidatenpool
Afdeling 5. - Vacantverklaringen en opdrachtenb...
Afdeling 6. - Aanstelling
Afdeling 7. [1 - Bestuursovereenkomst en doelst...
Afdeling 8. - Duur van het mandaat
Afdeling 9. - Administratieve en geldelijke toe...
Afdeling 10. - Evaluatie
HOOFDSTUK II. - Wijzigingsbepalingen
HOOFDSTUK III. - Opheffingsbepalingen
HOOFDSTUK IV. - Overgangs- en slotbepalingen
Table des matières
CHAPITRE 1er. - Du régime des mandats
Section 1re. - Champ d'application et dispositi...
Section 2. - Des conditions d'accès
Section 3. - Certificat de management public
Section 4. - Constitution d'un pool de candidats
Section 5. - Déclarations de vacance et lettres...
Section 6. - Désignation
Section 7. [1 - Contrat d'administration et con...
Section 8. - Durée du mandat
Section 9. - Situation administrative et pécuni...
Section 10. - Evaluation
CHAPITRE 2. - Dispositions modificatives
CHAPITRE 3. - Dispositions abrogatoires
CHAPITRE 4. - Dispositions transitoires et finales
Tekst (76)
Texte (76)
HOOFDSTUK I. - Mandatenregeling
CHAPITRE 1er. - Du régime des mandats
Afdeling 1. - Toepassingsgebied en algemene bepalingen
Section 1re. - Champ d'application et dispositions générales
Artikel 1. Dit besluit is van toepassing op de Diensten van de Franse Gemeenschap.
Article 1er. Le présent arrêté est d'application dans les Services de la Communauté française.
Art. 2. Voor de toepassing van dit besluit, dient te worden verstaan onder :
1° Diensten van de Franse Gemeenschap : de Diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap en de instellingen van openbaar nut die onder het Comité van Sector XVII ressorteren;
2° leidend ambtenaar : de commissaris-generaal, voor het " Entreprise publique des Technologies nouvelles de l'Information et de la Communication de la Communauté française ", de leidend ambtenaar van het " Institut de formation en cours de carrière ", alsook de administrateur-generaal voor de " Office de la Naissance et de l'Enfance ";
3° hiërarchische meerdere : voor de secretaris-generaal van het Ministerie van de Franse Gemeenschap, de Regering; [1 voor de hoge ambtenaar van ETNIC, de minister belast met de administratieve informatica in zijn of haar bevoegdheden]1; voor de leidend ambtenaar van het " Institut de la Formation en cours de carrière ", de voorzitter van de raad van bestuur; en voor de leidend ambtenaar van het " Entreprise publique des Technologies nouvelles de l'Information et de la Communication de la Communauté française ", de voorzitter van de raad van bestuur.
1° Diensten van de Franse Gemeenschap : de Diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap en de instellingen van openbaar nut die onder het Comité van Sector XVII ressorteren;
2° leidend ambtenaar : de commissaris-generaal, voor het " Entreprise publique des Technologies nouvelles de l'Information et de la Communication de la Communauté française ", de leidend ambtenaar van het " Institut de formation en cours de carrière ", alsook de administrateur-generaal voor de " Office de la Naissance et de l'Enfance ";
3° hiërarchische meerdere : voor de secretaris-generaal van het Ministerie van de Franse Gemeenschap, de Regering; [1 voor de hoge ambtenaar van ETNIC, de minister belast met de administratieve informatica in zijn of haar bevoegdheden]1; voor de leidend ambtenaar van het " Institut de la Formation en cours de carrière ", de voorzitter van de raad van bestuur; en voor de leidend ambtenaar van het " Entreprise publique des Technologies nouvelles de l'Information et de la Communication de la Communauté française ", de voorzitter van de raad van bestuur.
Modifications
Art. 2. Pour l'application du présent arrêté, il faut entendre par :
1° services de la Communauté française : les Services du Gouvernement de la Communauté française et les organismes d'intérêt public relevant du Comité de Secteur XVII;
2° fonctionnaire dirigeant : l'Administrateur général pour l'Entreprise publique des Technologies nouvelles de l'Information et de la Communication de la Communauté française, le fonctionnaire dirigeant de l'Institut de formation en cours de carrière ainsi que l'Administrateur général pour l'Office de la Naissance et de l'Enfance;
3° supérieur hiérarchique : pour le Secrétaire général du Ministère de la Communauté française, le Gouvernement; [1 pour le fonctionnaire dirigeant de l'Entreprise publique des Technologies Numériques de l'Information et de la Communication de la Communauté française, le Ministre ayant l'informatique administrative dans ses attributions]1; pour le fonctionnaire dirigeant de l'Institut de la Formation en cours de carrière, le Président du Conseil d'administration, et pour le fonctionnaire dirigeant de l'Entreprise publique des Technologies nouvelles de l'Information et de la Communication de la Communauté française, le Président du Conseil d'administration.
1° services de la Communauté française : les Services du Gouvernement de la Communauté française et les organismes d'intérêt public relevant du Comité de Secteur XVII;
2° fonctionnaire dirigeant : l'Administrateur général pour l'Entreprise publique des Technologies nouvelles de l'Information et de la Communication de la Communauté française, le fonctionnaire dirigeant de l'Institut de formation en cours de carrière ainsi que l'Administrateur général pour l'Office de la Naissance et de l'Enfance;
3° supérieur hiérarchique : pour le Secrétaire général du Ministère de la Communauté française, le Gouvernement; [1 pour le fonctionnaire dirigeant de l'Entreprise publique des Technologies Numériques de l'Information et de la Communication de la Communauté française, le Ministre ayant l'informatique administrative dans ses attributions]1; pour le fonctionnaire dirigeant de l'Institut de la Formation en cours de carrière, le Président du Conseil d'administration, et pour le fonctionnaire dirigeant de l'Entreprise publique des Technologies nouvelles de l'Information et de la Communication de la Communauté française, le Président du Conseil d'administration.
Modifications
Art. 3. De betrekkingen van de rangen 15, 16, 16+ en 17 worden bij mandaat toegekend, overeenkomstig de bepalingen van dit besluit.
Onder de betrekkingen van rang 15 die bestaan binnen de Diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap, worden enkel de betrekkingen van rang 15 bedoeld in artikel 8, § 3 van het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 22 juli 1996 houdende het statuut van de ambtenaren van de Diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap bij mandaat toegekend.
Onder de betrekkingen van rang 15 die bestaan binnen de Diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap, worden enkel de betrekkingen van rang 15 bedoeld in artikel 8, § 3 van het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 22 juli 1996 houdende het statuut van de ambtenaren van de Diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap bij mandaat toegekend.
Art. 3. Sont attribués par mandat conformément aux dispositions du présent arrêté, les emplois de rangs 15, 16, 16+ et 17.
Parmi les emplois de rang 15 existant au sein des Services du Gouvernement de la Communauté française, seuls les emplois de rang 15 visés à l'article 8, § 3, de l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 22 juillet 1996 portant statut des Services du Gouvernement de la Communauté française sont attribués par mandat.
Parmi les emplois de rang 15 existant au sein des Services du Gouvernement de la Communauté française, seuls les emplois de rang 15 visés à l'article 8, § 3, de l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 22 juillet 1996 portant statut des Services du Gouvernement de la Communauté française sont attribués par mandat.
Art. 4. Het gebruik van de mannelijke namen voor de verschillende titels en ambten is gemeenslachtig met het oog op een betere leesbaarheid van de tekst, niettegenstaande de bepalingen van het decreet van 21 juni 1993 betreffende de vervrouwelijking van de namen van beroep, ambt, graad of titel.
Art. 4. L'emploi des noms masculins pour les différents titres et fonctions est épicène en vue d'assurer la lisibilité du texte nonobstant les dispositions du décret du 21 juin 1993 relatif à la féminisation des noms de métier, fonction, grade ou titre.
Afdeling 2. - Voorwaarden voor de toegang
Section 2. - Des conditions d'accès
Art. 5. De kandidaat voor een mandaat moet, uiterlijk op het einde van de termijn bepaald voor de indiening van de kandidaturen, lid zijn van de in artikel 14 bedoelde kandidatenpool.
Art. 5. Le candidat à un mandat doit, au plus tard à l'échéance du délai prévu pour le dépôt des candidatures, être membre du pool de candidats visé à l'article 14.
Art. 6. Niemand kan voor een mandaat worden voorgedragen als hij niet aan de volgende voorwaarden voldoet :
1° een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van het ambt;
2° de burgerlijke en politieke rechten genieten;
3° geen niet doorgehaalde definitieve tuchtsanctie ondergaan;
4° aan de dienstplichtwetten voldoen;
5° het bewijs leveren van de medische geschiktheid die vereist is voor het uit te oefenen ambt;
6° geen politiek mandaat uitoefenen dat, voor een ambtenaar, een politiek verlof van ambtswege van meer dan vier dagen per maand met zich mede brengt;
7° geen van de volgende politieke mandaten uitoefenen : schepen, burgemeester, of voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn;
8° geen dienstvrijstellingen of facultatieve politieke verloven genieten, die met het politiek verlof van ambtswege gecumuleerd, ertoe zouden leiden dat een totaal van vier werkdagen afwezigheid per maand zou worden overschreden.
1° een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van het ambt;
2° de burgerlijke en politieke rechten genieten;
3° geen niet doorgehaalde definitieve tuchtsanctie ondergaan;
4° aan de dienstplichtwetten voldoen;
5° het bewijs leveren van de medische geschiktheid die vereist is voor het uit te oefenen ambt;
6° geen politiek mandaat uitoefenen dat, voor een ambtenaar, een politiek verlof van ambtswege van meer dan vier dagen per maand met zich mede brengt;
7° geen van de volgende politieke mandaten uitoefenen : schepen, burgemeester, of voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn;
8° geen dienstvrijstellingen of facultatieve politieke verloven genieten, die met het politiek verlof van ambtswege gecumuleerd, ertoe zouden leiden dat een totaal van vier werkdagen afwezigheid per maand zou worden overschreden.
Art. 6. Nul ne peut être désigné pour un mandat s'il ne répond pas aux conditions suivantes :
1° être d'une conduite répondant aux exigences de la fonction;
2° jouir des droits civils et politiques;
3° ne pas être sous le coup d'une sanction disciplinaire définitive non radiée;
4° satisfaire aux lois sur la milice;
5° justifier de la possession de l'aptitude médicale exigée pour la fonction à exercer;
6° ne pas être titulaire d'un mandat politique qui pour un agent entraîne un congé politique d'office de plus de quatre jours par mois;
7° ne pas être titulaire d'un des mandats politiques suivants : échevin, bourgmestre, ou président du conseil de l'action sociale;
8° ne pas bénéficier de dispenses de service ou des congés politiques facultatifs qui conduiraient, en les cumulant avec le congé politique d'office, à dépasser un total de quatre jours ouvrables d'absence par mois.
1° être d'une conduite répondant aux exigences de la fonction;
2° jouir des droits civils et politiques;
3° ne pas être sous le coup d'une sanction disciplinaire définitive non radiée;
4° satisfaire aux lois sur la milice;
5° justifier de la possession de l'aptitude médicale exigée pour la fonction à exercer;
6° ne pas être titulaire d'un mandat politique qui pour un agent entraîne un congé politique d'office de plus de quatre jours par mois;
7° ne pas être titulaire d'un des mandats politiques suivants : échevin, bourgmestre, ou président du conseil de l'action sociale;
8° ne pas bénéficier de dispenses de service ou des congés politiques facultatifs qui conduiraient, en les cumulant avec le congé politique d'office, à dépasser un total de quatre jours ouvrables d'absence par mois.
Afdeling 3. - Getuigschrift van overheidsmanagement
Section 3. - Certificat de management public
Art. 7. § 1. Het getuigschrift van overheidsmanagement dat wordt uitgereikt nadat de kandidaat geslaagd is voor het examen georganiseerd op het einde van de opleiding bedoeld bij het op 10 november 2011 gesloten samenwerkingsakkoord tussen de Franse Gemeenschap en het Waalse Gewest tot oprichting van een " Ecole d'Administration publique " (School voor overheidsbestuur) die gemeenschappelijk is voor de Franse Gemeenschap en het Waalse Gewest.
§ 2. De opleiding bestaat uit [2 ...]2 interuniversitair getuigschrift overheidsmanagement bedoeld in artikel 6, § 1, 6° van het decreet van de Franse Gemeenschap van 31 maart 2004 betreffende de organisatie van het hoger onderwijs ter bevordering van de integratie in de Europese ruimte van het hoger onderwijs en betreffende de herfinanciering van de universiteiten, hierna " het interuniversitair getuigschrift " genoemd. Het interuniversitair getuigschrift wordt door de universiteiten van de Franse Gemeenschap toegekend.
Het getuigschrift van overheidsmanagement wordt met cyclussen georganiseerd. Een cyclus duidt het geheel aan, bestaande uit :
- het vergelijkende examen voor de toegang tot de in artikel 10, § 2 bedoelde opleiding;
- de cursussen, gevallenstudies, praktische oefeningen, seminaries [2 ...]2 en examens die leiden tot het uitreiken van het interuniversitair getuigschrift;
- [2 het examen bedoeld in artikel 13, § 3]2.
§ 3. Op de voordracht van de school voor overheidsbestuur, die in overleg met de universiteiten handelt, stelt de Regering het programma van het interuniversitair getuigschrift vast, dat noodzakelijk is voor het behalen van het getuigschrift van overheidsmanagement. Dat programma omvat de doelstellingen van de cursussen en het profiel van de leerkrachten die ermee zullen worden belast.
§ 4. Het programma van het interuniversitair getuigschrift is multidisciplinair en van hoog niveau. Het heeft als doel de bekwaamheid op het gebied van het overheidsmanagement te ontwikkelen en de kandidaten de competenties bij te brengen die vereist zijn voor de uitoefening van een mandaat. Behalve sommige theoretische delen wordt het vooral gericht op een praktische opleiding die steunt op een interactieve pedagogie tot bevordering van de persoonlijke deelneming van de aanwezige personen. Het omvat gevallenstudies en analysen van dossiers in verband met de administratieve realiteit. Het theoretische en praktische leerproces legt de nadruk op de concrete problemen betreffende het beheer van de overheidsdiensten en op de oplossingen die eraan kunnen worden gebracht.
[2 ...]2
[2 ...]2
§ 5. [2 Het aantal lesuren voor het behalen van het interuniversitair getuigschrift bedraagt ten minste 170 uur. De universiteiten bepalen gezamenlijk het aantal studiepunten ECTS van het interuniversitair getuigschrift.]2
§ 2. De opleiding bestaat uit [2 ...]2 interuniversitair getuigschrift overheidsmanagement bedoeld in artikel 6, § 1, 6° van het decreet van de Franse Gemeenschap van 31 maart 2004 betreffende de organisatie van het hoger onderwijs ter bevordering van de integratie in de Europese ruimte van het hoger onderwijs en betreffende de herfinanciering van de universiteiten, hierna " het interuniversitair getuigschrift " genoemd. Het interuniversitair getuigschrift wordt door de universiteiten van de Franse Gemeenschap toegekend.
Het getuigschrift van overheidsmanagement wordt met cyclussen georganiseerd. Een cyclus duidt het geheel aan, bestaande uit :
- het vergelijkende examen voor de toegang tot de in artikel 10, § 2 bedoelde opleiding;
- de cursussen, gevallenstudies, praktische oefeningen, seminaries [2 ...]2 en examens die leiden tot het uitreiken van het interuniversitair getuigschrift;
- [2 het examen bedoeld in artikel 13, § 3]2.
§ 3. Op de voordracht van de school voor overheidsbestuur, die in overleg met de universiteiten handelt, stelt de Regering het programma van het interuniversitair getuigschrift vast, dat noodzakelijk is voor het behalen van het getuigschrift van overheidsmanagement. Dat programma omvat de doelstellingen van de cursussen en het profiel van de leerkrachten die ermee zullen worden belast.
§ 4. Het programma van het interuniversitair getuigschrift is multidisciplinair en van hoog niveau. Het heeft als doel de bekwaamheid op het gebied van het overheidsmanagement te ontwikkelen en de kandidaten de competenties bij te brengen die vereist zijn voor de uitoefening van een mandaat. Behalve sommige theoretische delen wordt het vooral gericht op een praktische opleiding die steunt op een interactieve pedagogie tot bevordering van de persoonlijke deelneming van de aanwezige personen. Het omvat gevallenstudies en analysen van dossiers in verband met de administratieve realiteit. Het theoretische en praktische leerproces legt de nadruk op de concrete problemen betreffende het beheer van de overheidsdiensten en op de oplossingen die eraan kunnen worden gebracht.
[2 ...]2
[2 ...]2
§ 5. [2 Het aantal lesuren voor het behalen van het interuniversitair getuigschrift bedraagt ten minste 170 uur. De universiteiten bepalen gezamenlijk het aantal studiepunten ECTS van het interuniversitair getuigschrift.]2
Art. 7. § 1er. Le Certificat de management public est délivré après la réussite de l'examen organisé à l'issue de la formation prévue par l'accord de coopération entre la Communauté française et la Région wallonne créant une Ecole d'Administration publique commune à la Communauté française et à la Région wallonne, conclu le 10 novembre 2011.
§ 2. La formation consiste en [2 ...]2 un Certificat interuniversitaire en management public visé à l'article 6, § 1er, 6°, du décret de la Communauté française du 31 mars 2004 définissant l'enseignement supérieur, favorisant son intégration à l'espace européen de l'enseignement supérieur et refinançant les universités, ci-après dénommé : " le Certificat interuniversitaire ". Le Certificat interuniversitaire est conféré par les universités de la Communauté française.
Le Certificat de management public est organisé par cycles. Un cycle désigne l'ensemble constitué par :
- le concours d'accès à la formation visé à l'article 10, § 2;
- les cours, études de cas, travaux pratiques, séminaires [2 ...]2 et examens qui mènent à la délivrance du Certificat interuniversitaire;
- [2 l'examen visé à l'article 13, § 3]2.
§ 3. Sur proposition de l'Ecole d'Administration publique agissant en concertation avec les universités, le Gouvernement fixe le programme du Certificat interuniversitaire nécessaire à l'obtention du Certificat de management public. Ce programme comprend les objectifs des cours et le profil des enseignants qui en seront chargés.
§ 4. Le programme du Certificat interuniversitaire est pluridisciplinaire et de haut niveau. Il vise à développer les aptitudes en management public et à doter les candidats des compétences requises pour l'exercice d'un mandat. Sous réserve de certains apports théoriques, il est axé essentiellement sur une formation pratique qui s'appuie sur une pédagogie interactive favorisant l'implication personnelle des participants. Il comprend des études de cas et des analyses de dossiers fondés sur la réalité administrative. Les enseignements, théoriques et pratiques, insistent sur les problèmes concrets rencontrés dans la gestion des services publics et sur les solutions susceptibles d'y être apportées.
[2 ...]2
[2 ...]2
§ 5. [2 Le volume horaire du certificat interuniversitaire est de cent septante heures au moins. Les universités fixent de commun accord le nombre de crédits ECTS du certificat interuniversitaire.]2
§ 2. La formation consiste en [2 ...]2 un Certificat interuniversitaire en management public visé à l'article 6, § 1er, 6°, du décret de la Communauté française du 31 mars 2004 définissant l'enseignement supérieur, favorisant son intégration à l'espace européen de l'enseignement supérieur et refinançant les universités, ci-après dénommé : " le Certificat interuniversitaire ". Le Certificat interuniversitaire est conféré par les universités de la Communauté française.
Le Certificat de management public est organisé par cycles. Un cycle désigne l'ensemble constitué par :
- le concours d'accès à la formation visé à l'article 10, § 2;
- les cours, études de cas, travaux pratiques, séminaires [2 ...]2 et examens qui mènent à la délivrance du Certificat interuniversitaire;
- [2 l'examen visé à l'article 13, § 3]2.
§ 3. Sur proposition de l'Ecole d'Administration publique agissant en concertation avec les universités, le Gouvernement fixe le programme du Certificat interuniversitaire nécessaire à l'obtention du Certificat de management public. Ce programme comprend les objectifs des cours et le profil des enseignants qui en seront chargés.
§ 4. Le programme du Certificat interuniversitaire est pluridisciplinaire et de haut niveau. Il vise à développer les aptitudes en management public et à doter les candidats des compétences requises pour l'exercice d'un mandat. Sous réserve de certains apports théoriques, il est axé essentiellement sur une formation pratique qui s'appuie sur une pédagogie interactive favorisant l'implication personnelle des participants. Il comprend des études de cas et des analyses de dossiers fondés sur la réalité administrative. Les enseignements, théoriques et pratiques, insistent sur les problèmes concrets rencontrés dans la gestion des services publics et sur les solutions susceptibles d'y être apportées.
[2 ...]2
[2 ...]2
§ 5. [2 Le volume horaire du certificat interuniversitaire est de cent septante heures au moins. Les universités fixent de commun accord le nombre de crédits ECTS du certificat interuniversitaire.]2
Art. 8. [1 Niemand kan tot de cyclus voor het behalen van het getuigschrift management overheidsbesturen worden toegelaten als hij, op het einde van de termijn voor de indiening van de kandidaturen niet voldoet aan de volgende voorwaarden :
1° houder zijn van een diploma dat toegang verleent tot niveau 1 of niveau A, of geslaagd zijn voor een vergelijkend examen voor overgang naar niveau 1 of naar niveau A of een ermee gelijkgesteld niveau of houder zijn van een getuigschrift van verworven competenties buiten elk diploma dat toegang verleent tot niveau 1 of tot niveau A, waarbij dat getuigschrift wordt uitgereikt of erkend door de school voor overheidsbestuur of door een ander orgaan dat wordt bepaald door het besluit van de Waalse Regering van 18 december 2003 houdende de Waalse Ambtenarencode of door het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 22 juli 1996 houdende het statuut van de ambtenaren van de Diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap;
2° het bewijs kunnen leveren van een beroepservaring van ten minste 5 jaar in teamleiding.]1
1° houder zijn van een diploma dat toegang verleent tot niveau 1 of niveau A, of geslaagd zijn voor een vergelijkend examen voor overgang naar niveau 1 of naar niveau A of een ermee gelijkgesteld niveau of houder zijn van een getuigschrift van verworven competenties buiten elk diploma dat toegang verleent tot niveau 1 of tot niveau A, waarbij dat getuigschrift wordt uitgereikt of erkend door de school voor overheidsbestuur of door een ander orgaan dat wordt bepaald door het besluit van de Waalse Regering van 18 december 2003 houdende de Waalse Ambtenarencode of door het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 22 juli 1996 houdende het statuut van de ambtenaren van de Diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap;
2° het bewijs kunnen leveren van een beroepservaring van ten minste 5 jaar in teamleiding.]1
Modifications
Art. 8. [1 Nul ne peut accéder au cycle en vue de l'obtention du certificat de management public s'il ne répond pas, à l'échéance du délai pour le dépôt des candidatures, aux conditions cumulatives suivantes :
1° être titulaire d'un diplôme donnant accès au niveau 1 ou au niveau A, ou être lauréat d'un concours d'accession au niveau 1 ou au niveau A ou à un niveau équivalent ou être porteur d'un certificat de compétences acquises hors diplôme donnant accès au niveau 1 ou au niveau A, ce certificat étant délivré ou reconnu par l'école d'administration publique ou par un autre organe désigné par l'arrêté du Gouvernement wallon du 18 décembre 2003 portant le Code de la Fonction publique wallonne ou par l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 22 juillet 1996 portant statut des agents des services du Gouvernement de la Communauté française;
2° pouvoir se prévaloir d'une expérience professionnelle d'au moins cinq ans de gestion d'équipe.]1
1° être titulaire d'un diplôme donnant accès au niveau 1 ou au niveau A, ou être lauréat d'un concours d'accession au niveau 1 ou au niveau A ou à un niveau équivalent ou être porteur d'un certificat de compétences acquises hors diplôme donnant accès au niveau 1 ou au niveau A, ce certificat étant délivré ou reconnu par l'école d'administration publique ou par un autre organe désigné par l'arrêté du Gouvernement wallon du 18 décembre 2003 portant le Code de la Fonction publique wallonne ou par l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 22 juillet 1996 portant statut des agents des services du Gouvernement de la Communauté française;
2° pouvoir se prévaloir d'une expérience professionnelle d'au moins cinq ans de gestion d'équipe.]1
Modifications
Art. 9. [1 § 1. Elke cyclus moet worden aangekondigd door een bericht dat door de school voor overheidsbestuur wordt opgesteld en dat door Selor, ten minste in het Belgisch Staatsblad, in twee Franstalige Belgische dagbladen en op de website van Selor, wordt bekendgemaakt.
§ 2. Die aankondiging omvat ten minste de volgende gegevens :
1° de voorwaarden voor de toegang alsook het maximumaantal deelnemers aan de proef bedoeld in artikel 10, § 2, achtste lid en aan de opleiding die tot de uitreiking van het interuniversitair getuigschrift leidt;
2° de verwijzing naar de pagina van de website van SELOR waar de kandidaten zich kunnen inschrijven voor het vergelijkend examen voor toegang tot de opleiding;
3° de identiteit van de diensten of de personen die de kandidaten elke nuttige informatie over de opleiding kunnen verstrekken;
4° de inlichtingen of documenten die in de akte voor de kandidaatstelling moeten voorkomen;
5° de termijn en de nadere regels voor de indiening van de kandidaturen.
§ 3. De termijn voor de indiening van de kandidaturen wordt door Selor vastgesteld, waarbij hij niet korter dan 20 dagen en niet langer dan twee maanden kan zijn. Hij begint te lopen op de dag volgend op de dag van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van de aankondiging bedoeld in § 2. Als die termijn niet in acht wordt genomen, is de kandidaatstelling niet ontvankelijk.
De termijn bedoeld in het eerste lid wordt tussen 15 juli en 15 augustus opgeschort.
§ 4. De kandidaturen worden langs elektronische weg aan SELOR gericht.
§ 5. SELOR controleert de ontvankelijkheid van de kandidaturen.]1
§ 2. Die aankondiging omvat ten minste de volgende gegevens :
1° de voorwaarden voor de toegang alsook het maximumaantal deelnemers aan de proef bedoeld in artikel 10, § 2, achtste lid en aan de opleiding die tot de uitreiking van het interuniversitair getuigschrift leidt;
2° de verwijzing naar de pagina van de website van SELOR waar de kandidaten zich kunnen inschrijven voor het vergelijkend examen voor toegang tot de opleiding;
3° de identiteit van de diensten of de personen die de kandidaten elke nuttige informatie over de opleiding kunnen verstrekken;
4° de inlichtingen of documenten die in de akte voor de kandidaatstelling moeten voorkomen;
5° de termijn en de nadere regels voor de indiening van de kandidaturen.
§ 3. De termijn voor de indiening van de kandidaturen wordt door Selor vastgesteld, waarbij hij niet korter dan 20 dagen en niet langer dan twee maanden kan zijn. Hij begint te lopen op de dag volgend op de dag van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van de aankondiging bedoeld in § 2. Als die termijn niet in acht wordt genomen, is de kandidaatstelling niet ontvankelijk.
De termijn bedoeld in het eerste lid wordt tussen 15 juli en 15 augustus opgeschort.
§ 4. De kandidaturen worden langs elektronische weg aan SELOR gericht.
§ 5. SELOR controleert de ontvankelijkheid van de kandidaturen.]1
Modifications
Art. 9. [1 § 1er. Chaque cycle fait l'objet d'une annonce rédigée par l'Ecole d'administration publique et publiée par le SELOR, au moins au Moniteur belge, dans deux titres de presse quotidienne belge édités en langue française et sur le site internet du SELOR.
§ 2. Cette annonce comprend au moins les éléments suivants :
1° les conditions d'accès ainsi que le nombre maximum de participants à l'épreuve visée à l'article 10, § 2, alinéa 8, et à la formation conduisant à la délivrance du Certificat interuniversitaire;
2° la référence de la page du site internet du SELOR via laquelle les candidats peuvent s'inscrire au concours d'accès à la formation;
3° l'identité des services ou des personnes qui peuvent fournir, aux candidats, toute information utile sur la formation;
4° les informations ou documents qui doivent figurer dans l'acte de candidature;
5° le délai et les modalités de dépôt des candidatures.
§ 3. Le délai de dépôt des candidatures est fixé par le SELOR sans qu'il puisse être inférieur à vingt jours ni excéder deux mois. Il commence à courir le lendemain du jour de la publication au Moniteur belge de l'annonce visée au paragraphe 2. A défaut de respecter ce délai, la candidature est irrecevable.
Le délai visé à l'alinéa 1er est suspendu entre le 15 juillet et le 15 août.
§ 4. Les candidatures sont adressées par voie électronique au SELOR.
§ 5. Le SELOR vérifie la recevabilité des candidatures.]1
§ 2. Cette annonce comprend au moins les éléments suivants :
1° les conditions d'accès ainsi que le nombre maximum de participants à l'épreuve visée à l'article 10, § 2, alinéa 8, et à la formation conduisant à la délivrance du Certificat interuniversitaire;
2° la référence de la page du site internet du SELOR via laquelle les candidats peuvent s'inscrire au concours d'accès à la formation;
3° l'identité des services ou des personnes qui peuvent fournir, aux candidats, toute information utile sur la formation;
4° les informations ou documents qui doivent figurer dans l'acte de candidature;
5° le délai et les modalités de dépôt des candidatures.
§ 3. Le délai de dépôt des candidatures est fixé par le SELOR sans qu'il puisse être inférieur à vingt jours ni excéder deux mois. Il commence à courir le lendemain du jour de la publication au Moniteur belge de l'annonce visée au paragraphe 2. A défaut de respecter ce délai, la candidature est irrecevable.
Le délai visé à l'alinéa 1er est suspendu entre le 15 juillet et le 15 août.
§ 4. Les candidatures sont adressées par voie électronique au SELOR.
§ 5. Le SELOR vérifie la recevabilité des candidatures.]1
Modifications
Art. 10. [1 § 1. Het interuniversitair getuigschrift, waarvan het uitreiken van het getuigschrift management overheidsbesturen afhangt, is toegankelijk voor een beperkt aantal deelnemers. Voor elke cyclus wordt dit aantal voorafgaandelijk door de Regeringen vastgesteld, na advies van de School voor overheidsbestuur uitgebracht binnen dertig dagen na de aanvraag; wordt dat advies niet binnen die termijn uitgebracht, dan wordt het als gunstig geacht.
§ 2. SELOR nodigt de kandidaten uit van wie de kandidatuur ontvankelijk werd geacht voor het vergelijkend examen voor toegang tot de opleiding.
Het vergelijkend examen wordt door SELOR georganiseerd en bestaat uit twee proeven.
De eerste proef heeft betrekking op de kennis van de kandidaat, inzonderheid zijn kennis van de overheidsinstellingen.
De inhoud van de eerste proef wordt bepaald door SELOR. SELOR roept opleiders van de door de School voor overheidsbestuur aangewezen universiteiten op om de testvragen op te stellen en het vereiste kennisniveau te bepalen.
SELOR bezorgt de kandidaten een lijst van de onderwerpen waarop de eerste proef zal betrekking hebben, evenals een niet-uitputtende lijst van referentiewerken ten minste dertig dagen vóór de geplande datum voor de organisatie van de eerste proef.
De geslaagde kandidaten worden door SELOR in een nuttige volgorde gerangschikt.
De regering bepaalt het aantal personen die geslaagd zijn voor de eerste proef en die voor een tweede proef worden uitgenodigd. Als twee of meer kandidaten gelijk gerangschikt zijn voor de rang die overeenkomt met dit aantal, worden ze allemaal toegelaten om deel te nemen aan de tweede proef.
De tweede proef bestaat uit een generieke test om de managementvaardigheden van de kandidaten te beoordelen.
SELOR ontwikkelt en organiseert de proef. De proef moet het mogelijk maken om de minimale managementvaardigheden te identificeren die van toepassing zijn binnen de openbare instellingen van de deelnemers. Het kan niet bestaan uit een situationele beoordelingstest of een STAR-interview.
De geslaagde kandidaten van de tweede proef worden door SELOR in nuttige volgorde gerangschikt.
Onder "geslaagde kandidaat" wordt verstaan de kandidaat die voldaan heeft aan de minimumvereisten bepaald door SELOR om te slagen voor de proeven beschreven in dit artikel.
§ 3. Alleen de geslaagde kandidaten gerangschikt in een nuttige volgorde met betrekking tot het aantal deelnemers dat door de regeringen op advies van de school is vastgesteld, worden toegelaten om deel te nemen aan het interuniversitair getuigschrift. Als twee of meer kandidaten gelijk gerangschikt zij voor de rang die overeenkomt met dit aantal, worden ze allemaal toegelaten om deel te nemen aan het interuniversitair getuigschrift.
SELOR bekrachtigt de resultaten van het vergelijkend examen.
§ 4. De opleiding die leidt tot de uitreiking van het interuniversitair getuigschrift kan slechts één keer per cyclus gevolgd worden door de geslaagde kandidaten van de generieke beoordelingstest van de managementvaardigheden.
In afwijking van het eerste lid kan de regering, op basis van naar behoren gemotiveerde dwingende redenen, de kandidaat die de opleiding niet volgt, die ervan afziet of die er niet in slaagt, machtigen om het voordeel van het slagen voor de generieke beoordelingstest managementvaardigheden te behouden.
De kandidaat die in aanmerking komt voor de afwijking bedoeld in het tweede lid volgt de eerstvolgende georganiseerde opleidingscyclus. Elke kandidaat kan slechts één afwijking genieten. De integratie van een kandidaat die een afwijking geniet in een opleidingscyclus heeft geen gevolg op het aantal deelnemers dat door de regering is vastgesteld in overeenstemming met paragraaf 3.]1
§ 2. SELOR nodigt de kandidaten uit van wie de kandidatuur ontvankelijk werd geacht voor het vergelijkend examen voor toegang tot de opleiding.
Het vergelijkend examen wordt door SELOR georganiseerd en bestaat uit twee proeven.
De eerste proef heeft betrekking op de kennis van de kandidaat, inzonderheid zijn kennis van de overheidsinstellingen.
De inhoud van de eerste proef wordt bepaald door SELOR. SELOR roept opleiders van de door de School voor overheidsbestuur aangewezen universiteiten op om de testvragen op te stellen en het vereiste kennisniveau te bepalen.
SELOR bezorgt de kandidaten een lijst van de onderwerpen waarop de eerste proef zal betrekking hebben, evenals een niet-uitputtende lijst van referentiewerken ten minste dertig dagen vóór de geplande datum voor de organisatie van de eerste proef.
De geslaagde kandidaten worden door SELOR in een nuttige volgorde gerangschikt.
De regering bepaalt het aantal personen die geslaagd zijn voor de eerste proef en die voor een tweede proef worden uitgenodigd. Als twee of meer kandidaten gelijk gerangschikt zijn voor de rang die overeenkomt met dit aantal, worden ze allemaal toegelaten om deel te nemen aan de tweede proef.
De tweede proef bestaat uit een generieke test om de managementvaardigheden van de kandidaten te beoordelen.
SELOR ontwikkelt en organiseert de proef. De proef moet het mogelijk maken om de minimale managementvaardigheden te identificeren die van toepassing zijn binnen de openbare instellingen van de deelnemers. Het kan niet bestaan uit een situationele beoordelingstest of een STAR-interview.
De geslaagde kandidaten van de tweede proef worden door SELOR in nuttige volgorde gerangschikt.
Onder "geslaagde kandidaat" wordt verstaan de kandidaat die voldaan heeft aan de minimumvereisten bepaald door SELOR om te slagen voor de proeven beschreven in dit artikel.
§ 3. Alleen de geslaagde kandidaten gerangschikt in een nuttige volgorde met betrekking tot het aantal deelnemers dat door de regeringen op advies van de school is vastgesteld, worden toegelaten om deel te nemen aan het interuniversitair getuigschrift. Als twee of meer kandidaten gelijk gerangschikt zij voor de rang die overeenkomt met dit aantal, worden ze allemaal toegelaten om deel te nemen aan het interuniversitair getuigschrift.
SELOR bekrachtigt de resultaten van het vergelijkend examen.
§ 4. De opleiding die leidt tot de uitreiking van het interuniversitair getuigschrift kan slechts één keer per cyclus gevolgd worden door de geslaagde kandidaten van de generieke beoordelingstest van de managementvaardigheden.
In afwijking van het eerste lid kan de regering, op basis van naar behoren gemotiveerde dwingende redenen, de kandidaat die de opleiding niet volgt, die ervan afziet of die er niet in slaagt, machtigen om het voordeel van het slagen voor de generieke beoordelingstest managementvaardigheden te behouden.
De kandidaat die in aanmerking komt voor de afwijking bedoeld in het tweede lid volgt de eerstvolgende georganiseerde opleidingscyclus. Elke kandidaat kan slechts één afwijking genieten. De integratie van een kandidaat die een afwijking geniet in een opleidingscyclus heeft geen gevolg op het aantal deelnemers dat door de regering is vastgesteld in overeenstemming met paragraaf 3.]1
Modifications
Art. 10. [1 § 1er. En tant qu'il conditionne la délivrance du certificat en management public, le certificat interuniversitaire est accessible à un nombre limité de participants. Pour chaque cycle, ce nombre est fixé préalablement par les Gouvernements, après avis de l'Ecole d'administration publique remis dans les trente jours de la demande, faute de quoi l'avis est réputé favorable.
§ 2. Le SELOR convoque les candidats dont la candidature a été jugée recevable au concours d'accès à la formation.
Le concours est organisé par le SELOR et se compose de deux épreuves.
La première épreuve porte sur les connaissances du candidat, notamment sa connaissance des institutions publiques.
Le contenu de la première épreuve est fixé par le SELOR. Le SELOR fait appel aux formateurs des universités désignées par l'Ecole d'administration publique pour la rédaction des questions de l'épreuve et la détermination du niveau de connaissance requis.
Le SELOR transmet aux candidats une liste des matières sur lesquelles portera la première épreuve ainsi qu'une liste non exhaustive d'ouvrages de référence au moins trente jours avant la date prévue pour l'organisation de la première épreuve.
Les lauréats sont classés en ordre utile par le SELOR.
Le Gouvernement détermine le nombre de personnes ayant réussi la première épreuve qui sont invitées à passer une seconde épreuve. Si deux ou plusieurs candidats sont classés ex aequo au rang correspondant à ce nombre, ils sont tous admis à participer à la seconde épreuve
La seconde épreuve consiste en un test générique d'évaluation des compétences managériales des candidats.
Le SELOR élabore et organise l'épreuve. L'épreuve doit permettre d'identifier les capacités minimums en management applicables au sein des organismes publics des participants. Elle ne peut pas consister en un test de jugement situationnel ni en un entretien STAR.
Les lauréats de la seconde épreuve sont classés en ordre utile par le SELOR.
Par " lauréat ", on entend le candidat qui a satisfait aux exigences minimales définies par le SELOR pour réussir les épreuves décrites au présent article
§ 3. Seuls sont admis à participer au certificat interuniversitaire les lauréats classés en ordre utile au regard du nombre de participants fixé par les Gouvernements sur avis de l'Ecole. Si deux ou plusieurs candidats sont classés ex aequo au rang correspondant à ce nombre, ils sont tous admis à participer au certificat interuniversitaire.
Le SELOR valide les résultats du concours.
§ 4. La formation conduisant à la délivrance du certificat interuniversitaire peut uniquement être suivie une seule fois par cycle par les lauréats du test générique d'évaluation des compétences managériales.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le Gouvernement peut, sur base de motifs impérieux dument motivés, autoriser le candidat qui ne suit pas la formation, qui l'abandonne ou qui y échoue à conserver le bénéfice de la réussite du test générique d'évaluation des compétences managériales.
Le candidat qui bénéficie de la dérogation visée à l'alinéa 2 suit le premier prochain cycle de formation organisé. Chaque candidat peut uniquement bénéficier d'une seule dérogation. L'intégration d'un candidat bénéficiant d'une dérogation au sein d'un cycle de formation n'a pas d'effet sur le nombre de participants fixés par le Gouvernement conformément au paragraphe 3.]1
§ 2. Le SELOR convoque les candidats dont la candidature a été jugée recevable au concours d'accès à la formation.
Le concours est organisé par le SELOR et se compose de deux épreuves.
La première épreuve porte sur les connaissances du candidat, notamment sa connaissance des institutions publiques.
Le contenu de la première épreuve est fixé par le SELOR. Le SELOR fait appel aux formateurs des universités désignées par l'Ecole d'administration publique pour la rédaction des questions de l'épreuve et la détermination du niveau de connaissance requis.
Le SELOR transmet aux candidats une liste des matières sur lesquelles portera la première épreuve ainsi qu'une liste non exhaustive d'ouvrages de référence au moins trente jours avant la date prévue pour l'organisation de la première épreuve.
Les lauréats sont classés en ordre utile par le SELOR.
Le Gouvernement détermine le nombre de personnes ayant réussi la première épreuve qui sont invitées à passer une seconde épreuve. Si deux ou plusieurs candidats sont classés ex aequo au rang correspondant à ce nombre, ils sont tous admis à participer à la seconde épreuve
La seconde épreuve consiste en un test générique d'évaluation des compétences managériales des candidats.
Le SELOR élabore et organise l'épreuve. L'épreuve doit permettre d'identifier les capacités minimums en management applicables au sein des organismes publics des participants. Elle ne peut pas consister en un test de jugement situationnel ni en un entretien STAR.
Les lauréats de la seconde épreuve sont classés en ordre utile par le SELOR.
Par " lauréat ", on entend le candidat qui a satisfait aux exigences minimales définies par le SELOR pour réussir les épreuves décrites au présent article
§ 3. Seuls sont admis à participer au certificat interuniversitaire les lauréats classés en ordre utile au regard du nombre de participants fixé par les Gouvernements sur avis de l'Ecole. Si deux ou plusieurs candidats sont classés ex aequo au rang correspondant à ce nombre, ils sont tous admis à participer au certificat interuniversitaire.
Le SELOR valide les résultats du concours.
§ 4. La formation conduisant à la délivrance du certificat interuniversitaire peut uniquement être suivie une seule fois par cycle par les lauréats du test générique d'évaluation des compétences managériales.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le Gouvernement peut, sur base de motifs impérieux dument motivés, autoriser le candidat qui ne suit pas la formation, qui l'abandonne ou qui y échoue à conserver le bénéfice de la réussite du test générique d'évaluation des compétences managériales.
Le candidat qui bénéficie de la dérogation visée à l'alinéa 2 suit le premier prochain cycle de formation organisé. Chaque candidat peut uniquement bénéficier d'une seule dérogation. L'intégration d'un candidat bénéficiant d'une dérogation au sein d'un cycle de formation n'a pas d'effet sur le nombre de participants fixés par le Gouvernement conformément au paragraphe 3.]1
Modifications
Art.10/1. [1 De kandidaten die toegelaten zijn om deel te nemen aan het interuniversitair getuigschrift betalen een inschrijvingsgeld waarvan het bedrag gelijk is aan het bedrag van het inschrijvingsgeld voor een universitair studiejaar bepaald in overeenstemming met artikel 39, § 2, eerste lid, van de wet van 27 juli 1971 op de financiering en de controle van de universitaire instellingen.]1
Art.10/1. [1 Les candidats admis à participer au certificat interuniversitaire s'acquittent d'un minerval dont le montant équivaut au montant du droit d'inscription à une année d'études universitaire fixé conformément à l'article 39, § 2, alinéa 1er, de la loi du 27 juillet 1971 sur le financement et le contrôle des institutions universitaires.]1
Modifications
Art. 11. Iedere kandidaat die wordt toegelaten tot deelnemen aan het interuniversitair getuigschrift kan de examencommissie die met dat getuigschrift belast wordt een vrijstelling aanvragen voor één of meer cursussen, en de evaluaties die met die cursussen overeenstemmen, ook als die evaluaties worden georganiseerd in de vorm van proeven die betrekking hebben op verschillende cursussen of aangelegenheden. Geen vrijstelling kan worden verleend voor de gevallenstudies [2 ...]2.
Van een cursus kan worden vrijgesteld, de kandidaat die het bewijs levert dat hij met vrucht een cursus of een gelijkwaardige vorming heeft gevolgd waarvoor hij een vrijstelling aanvraagt.
[1 Onder dezelfde voorwaarden kan een kandidaat een vrijstelling krijgen als hij het bewijs levert van bekwaamheden die duidelijk in verband staan met de betrokken cursus. De examencommissie voor het interuniversitair getuigschrift beslist collegiaal en in laatste aanleg.]1
Van een cursus kan worden vrijgesteld, de kandidaat die het bewijs levert dat hij met vrucht een cursus of een gelijkwaardige vorming heeft gevolgd waarvoor hij een vrijstelling aanvraagt.
[1 Onder dezelfde voorwaarden kan een kandidaat een vrijstelling krijgen als hij het bewijs levert van bekwaamheden die duidelijk in verband staan met de betrokken cursus. De examencommissie voor het interuniversitair getuigschrift beslist collegiaal en in laatste aanleg.]1
Art. 11.. Tout candidat admis à participer au Certificat interuniversitaire peut solliciter auprès du jury de ce certificat une dispense pour un ou plusieurs cours, et les évaluations correspondantes à ces cours, en ce compris si ces évaluations sont organisées sous forme d'épreuve intégrant plusieurs cours ou matières. Aucune dispense ne peut être accordée pour ce qui concerne les études de cas [2 ...]2.
Peut être dispensé d'un cours, le candidat qui fournit la preuve qu'il a suivi avec fruit un cours ou une formation équivalent pour lequel il demande une dispense.
[1 Un candidat peut, dans les mêmes conditions, obtenir une dispense s'il peut se prévaloir de compétences avérées en lien manifeste avec le cours concerné. Le jury du Certificat interuniversitaire statue collégialement et souverainement.]1
Peut être dispensé d'un cours, le candidat qui fournit la preuve qu'il a suivi avec fruit un cours ou une formation équivalent pour lequel il demande une dispense.
[1 Un candidat peut, dans les mêmes conditions, obtenir une dispense s'il peut se prévaloir de compétences avérées en lien manifeste avec le cours concerné. Le jury du Certificat interuniversitaire statue collégialement et souverainement.]1
Art. 12. In met redenen omklede omstandigheden, kunnen de kandidaten door de examencommissie voor het interuniversitair getuigschrift ertoe worden toegelaten dit getuigschrift over hoogstens twee jaar te spreiden.
Art. 12. Dans des circonstances motivées, les candidats peuvent être autorisés par le jury du Certificat interuniversitaire à étaler celui-ci sur maximum deux ans.
Art. 13. [1 § 1. De School voor overheidsbestuur reikt het getuigschrift management overheidsbesturen uit aan alle geslaagde kandidaten van het vergelijkend examen bedoeld in artikel 10, houders van het interuniversitair getuigschrift die ook geslaagd zijn voor het examen georganiseerd aan het einde van elke cyclus.
§ 2. Voor elke cyclus wordt een examencommissie van vijf leden door Selor samengesteld, in overleg met de school. Die examencommissie is samengesteld uit :
1° de Directeur-generaal van de Algemene Directie Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale overheidsdienst Beleid en Ondersteuning of zijn afgevaardigde;
2° twee leden van de academische instantie van de universiteiten die deelnemen aan de overeenkomst over het getuigschrift management overheidsbesturen die beschikken over relevante deskundigheid met betrekking tot de te beoordelen vaardigheden;
3° twee externe deskundigen in management.
Onder "overeenkomst" wordt verstaan het document met de nadere regels voor de samenwerking tussen universiteiten en de school voor het ontwerpen en de uitvoering van opleidingen die leiden tot de uitreiking van het getuigschrift management overheidsbesturen.
§ 3. De geslaagde kandidaten die het getuigschrift management overheidsbesturen hebben behaald, behoren, na het slagen van het examen dat aan het einde van elke cyclus wordt georganiseerd, tot de pool van kandidaten die voor een ambt met mandaat bedoeld in artikel 14 kunnen solliciteren.
Dit examen bestaat in een mondelinge proef die tot doel heeft de vaardigheden te evalueren die vereist zijn voor de uitoefening van een managementambt en die ontwikkeld werden in het kader van het interuniversitair getuigschrift.
De examencommissie beraadslaagt en beslist over het slagen van de kandidaten met een meerderheid van tweederde van de aanwezige leden.
De kandidaten die voor het examen geslaagd zijn, worden niet gerangschikt en krijgen geen vermelding toegekend.
De kandidaten die voor het examen niet geslaagd zijn, kunnen het ten vroegste zes maanden na de datum van het examen opnieuw afleggen en ten laatste bij de eerstvolgende georganiseerde examenperiode.
In afwijking van het vorige lid kan de regering, op basis van naar behoren gemotiveerde dwingende redenen, de kandidaat die, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet voor het examen verschijnt, machtigen het later af te leggen. De kandidaat die voor de afwijking in aanmerking komt, legt het examen af tijdens de eerstvolgende georganiseerde examenperiode. Elke kandidaat kan slechts één vrijstelling genieten.
§ 4. De examencommissie stelt een reglement vast dat de concrete en materiële organisatie van het examen bepaalt.]1
§ 2. Voor elke cyclus wordt een examencommissie van vijf leden door Selor samengesteld, in overleg met de school. Die examencommissie is samengesteld uit :
1° de Directeur-generaal van de Algemene Directie Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale overheidsdienst Beleid en Ondersteuning of zijn afgevaardigde;
2° twee leden van de academische instantie van de universiteiten die deelnemen aan de overeenkomst over het getuigschrift management overheidsbesturen die beschikken over relevante deskundigheid met betrekking tot de te beoordelen vaardigheden;
3° twee externe deskundigen in management.
Onder "overeenkomst" wordt verstaan het document met de nadere regels voor de samenwerking tussen universiteiten en de school voor het ontwerpen en de uitvoering van opleidingen die leiden tot de uitreiking van het getuigschrift management overheidsbesturen.
§ 3. De geslaagde kandidaten die het getuigschrift management overheidsbesturen hebben behaald, behoren, na het slagen van het examen dat aan het einde van elke cyclus wordt georganiseerd, tot de pool van kandidaten die voor een ambt met mandaat bedoeld in artikel 14 kunnen solliciteren.
Dit examen bestaat in een mondelinge proef die tot doel heeft de vaardigheden te evalueren die vereist zijn voor de uitoefening van een managementambt en die ontwikkeld werden in het kader van het interuniversitair getuigschrift.
De examencommissie beraadslaagt en beslist over het slagen van de kandidaten met een meerderheid van tweederde van de aanwezige leden.
De kandidaten die voor het examen geslaagd zijn, worden niet gerangschikt en krijgen geen vermelding toegekend.
De kandidaten die voor het examen niet geslaagd zijn, kunnen het ten vroegste zes maanden na de datum van het examen opnieuw afleggen en ten laatste bij de eerstvolgende georganiseerde examenperiode.
In afwijking van het vorige lid kan de regering, op basis van naar behoren gemotiveerde dwingende redenen, de kandidaat die, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet voor het examen verschijnt, machtigen het later af te leggen. De kandidaat die voor de afwijking in aanmerking komt, legt het examen af tijdens de eerstvolgende georganiseerde examenperiode. Elke kandidaat kan slechts één vrijstelling genieten.
§ 4. De examencommissie stelt een reglement vast dat de concrete en materiële organisatie van het examen bepaalt.]1
Modifications
Art. 13. [1 § 1er. L'Ecole d'administration publique délivre le certificat de management public à tous les lauréats du concours visé à l'article 10, titulaires du certificat interuniversitaire qui ont également réussi l'examen organisé à la fin de chaque cycle.
§ 2. Pour chaque cycle, un jury de cinq membres est composé par le SELOR, en concertation avec l'Ecole. Ce jury comprend :
1° le Directeur général de la Direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui ou son délégué;
2° deux membres issus du corps académique des universités participant à la convention portant sur le certificat en management public qui disposent d'une expertise pertinente au regard des aptitudes à évaluer;
3° deux experts externes en management.
Par " convention " on entend le document qui contient les modalités de collaboration entre les universités et l'Ecole pour la conception et la mise en oeuvre de la formation conduisant à la délivrance du Certificat de management public.
§ 3. Les lauréats ayant obtenu le certificat de management public sont versés, après la réussite de l'examen organisé à la fin de chaque cycle au pool des candidats pouvant postuler une fonction à mandat visé à l'article 14.
Cet examen consiste en une épreuve orale qui a pour but d'évaluer les aptitudes à l'exercice d'une fonction de management qui ont été développées dans le cadre du certificat interuniversitaire.
Le jury délibère sur la réussite des candidats à la majorité des deux tiers des membres présents.
Les candidats ayant réussi l'examen ne font l'objet d'aucun classement et ne se voient attribuer aucune mention.
Les candidats n'ayant pas réussi l'examen peuvent le représenter une seule fois au plus tôt six mois après la date de l'examen et au plus tard lors de la prochaine session organisée.
Par dérogation à l'alinéa précédent, le Gouvernement peut, sur base de motifs impérieux dument motivés, autoriser le candidat qui, bien que régulièrement convoqué, ne se présente pas à l'examen à le représenter ultérieurement. Le candidat qui bénéficie de la dérogation représente l'examen lors de la première prochaine session organisée. Chaque candidat peut uniquement bénéficier d'une seule dérogation.
§ 4. Le jury établit un règlement fixant l'organisation concrète et matérielle de l'examen.]1
§ 2. Pour chaque cycle, un jury de cinq membres est composé par le SELOR, en concertation avec l'Ecole. Ce jury comprend :
1° le Directeur général de la Direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui ou son délégué;
2° deux membres issus du corps académique des universités participant à la convention portant sur le certificat en management public qui disposent d'une expertise pertinente au regard des aptitudes à évaluer;
3° deux experts externes en management.
Par " convention " on entend le document qui contient les modalités de collaboration entre les universités et l'Ecole pour la conception et la mise en oeuvre de la formation conduisant à la délivrance du Certificat de management public.
§ 3. Les lauréats ayant obtenu le certificat de management public sont versés, après la réussite de l'examen organisé à la fin de chaque cycle au pool des candidats pouvant postuler une fonction à mandat visé à l'article 14.
Cet examen consiste en une épreuve orale qui a pour but d'évaluer les aptitudes à l'exercice d'une fonction de management qui ont été développées dans le cadre du certificat interuniversitaire.
Le jury délibère sur la réussite des candidats à la majorité des deux tiers des membres présents.
Les candidats ayant réussi l'examen ne font l'objet d'aucun classement et ne se voient attribuer aucune mention.
Les candidats n'ayant pas réussi l'examen peuvent le représenter une seule fois au plus tôt six mois après la date de l'examen et au plus tard lors de la prochaine session organisée.
Par dérogation à l'alinéa précédent, le Gouvernement peut, sur base de motifs impérieux dument motivés, autoriser le candidat qui, bien que régulièrement convoqué, ne se présente pas à l'examen à le représenter ultérieurement. Le candidat qui bénéficie de la dérogation représente l'examen lors de la première prochaine session organisée. Chaque candidat peut uniquement bénéficier d'une seule dérogation.
§ 4. Le jury établit un règlement fixant l'organisation concrète et matérielle de l'examen.]1
Modifications
Afdeling 4. - Samenstelling van een kandidatenpool
Section 4. - Constitution d'un pool de candidats
Art. 14. Er wordt een pool van kandidaten voor de uitoefening van een mandaat in de zin van dit besluit opgemaakt.
Alleen de leden van die pool kunnen zich kandidaat stellen voor een betrekking die bij mandaat toe te kennen is.
De pool van de kandidaten voor een mandaat is samengesteld uit :
1° de titularissen van het getuigschrift van overheidsmanagement;
2° [1 de mandaathouders die in functie zijn binnen de diensten van de Franse Gemeenschap op de dag van de inwerkingtreding van dit besluit of voor wie de betrekking vacant werd verklaard en de procedure voor de werving op de dag van die inwerkingtreding werd opgestart, en die de vermelding "zeer gunstig" of "gunstig" hebben gekregen bij de evaluatie die met toepassing van artikel 55 van dit besluit werd uitgevoerd;]1
3° [1 leden van de pool van kandidaten voor de uitoefening van een mandaat vastgesteld door artikel 341/8 van het besluit van de Waalse Regering van 18 december 2003 houdende de Waalse Ambtenarencode, gewijzigd bij het besluit van de Waalse Regering van 20 september 2012 tot hervorming van de mandatenregeling voor de ambtenaren-generaal van de diensten van de Regering en van sommige instellingen van openbaar nut die onder het Waalse Gewest ressorteren;]1
4° [1 mandaathouders die in "Wallonie-Bruxelles-International" in functie zijn op de dag van de inwerkingtreding van het besluit van de Waalse Regering en van het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap tot hervorming van de mandatenregeling voor de ambtenaren-generaal van "Wallonie-Bruxelles-International" of voor wie de betrekking vacant werd verklaard en de procedure voor de werving op de dag van die inwerkingtreding werd opgestart, en die de vermelding "zeer gunstig" of "gunstig" hebben gekregen bij de evaluatie uitgevoerd door de Regering die na de installatie van het Parlement werd samengesteld;]1
5° [1 de mandaathouder die in de School voor overheidsbestuur in functie is op de dag van de inwerkingtreding van het besluit van de Waalse Regering van 20 september 2012 tot hervorming van de mandatenregeling voor de ambtenaren-generaal van de diensten van de Regering en van sommige instellingen van openbaar nut die onder het Waalse Gewest ressorteren en die de vermelding "zeer gunstig" of "gunstig" hebben gekregen bij de evaluatie die met toepassing van artikel 10 van hetzelfde besluit werd uitgevoerd;]1
6° [1 de adjunct-administrateur-generaal van Forem die de vermelding "zeer gunstig" of "gunstig" heeft gekregen bij de evaluatie die werd uitgevoerd met toepassing van artikel 10 van het besluit van de Waalse Regering van 20 september 2012 tot hervorming van de mandatenregeling voor de ambtenaren-generaal van de diensten van de Regering en van sommige instellingen van openbaar nut die onder het Waalse Gewest ressorteren;]1
7° [1 de adjunct-administrateur-generaal van "Wallonie-Bruxelles-International" die de vermelding "zeer gunstig" of "gunstig" heeft gekregen bij de evaluatie die met toepassing van het besluit van de Waalse Regering en van het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap tot hervorming van de mandatenregeling voor de ambtenaren-generaal van "Wallonie-Bruxelles-International" werd uitgevoerd door de Regering die na de installatie van het Parlement werd samengesteld;]1
[2 8° de directeur-generaal van het Directoraat-generaal Justitiehuizen, overgedragen van de diensten van de Regering van de Federale Staat naar de diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap in het kader van de uitvoering van de zesde staatshervorming, op voorwaarde dat hij titularis is van een evaluatievermelding die hem toelaat zijn mandaat voort te zetten;
9° de leidende ambtenaren-generaal van de Regionale Directie Zuid van de Justitiehuizen en van het Nationaal Centrum Elektronisch Toezicht van het Directoraat-Generaal Justitiehuizen, overgedragen van de diensten van de Regering van de Federale Staat naar de diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap in het kader van de uitvoering van de zesde staatshervorming, op voorwaarde dat zij, op de datum van hun overdracht, geen titularis zijn van een evaluatievermelding van een lager niveau dan het niveau "gunstig".]2
Er wordt geen rangschikking onder de leden van de pool vastgesteld. Hun lijst wordt alfabetisch opgesteld. Die lijst wordt door de school voor overheidsbestuur gehouden. De leden van de pool moeten haar schriftelijk elke wijziging van hun persoonlijke gegevens meedelen.
Het feit deel uit te maken van de pool geeft geen ander recht dan het recht zich kandidaat te stellen voor een betrekking die bij mandaat toe te kennen is. Dit opent geen recht op een retributie of een bezoldiging.
[3 De houder van het brevet voor overheidsmanagement, bedoeld in artikel 2, 5°, van het besluit van de regering van de Franse Gemeenschap van 25 oktober 2002 tot oprichting van een "Ecole d'Administration publique" (School voor overheidsbestuur - EAP) in de Franse Gemeenschap wordt gelijkgesteld met de houder van het brevet voor overheidsmanagement op voorwaarde dat hij geslaagd is voor het examen bedoeld in artikel 341/7 van deze Code in de versie die van toepassing was vóór de inwerkingtreding van het besluit van de Waalse regering van 20 mei 2021 tot wijziging van diverse bepalingen met betrekking tot het managementbrevet in het kader van het besluit van de Waalse regering van 18 december 2003 houdende de Waalse Ambtenarencode en het besluit van de Waalse regering van 5 december 2008 tot vaststelling van het administratief statuut en het geldelijk statuut van het personeel van "Wallonie-Bruxelles International".]3
Alleen de leden van die pool kunnen zich kandidaat stellen voor een betrekking die bij mandaat toe te kennen is.
De pool van de kandidaten voor een mandaat is samengesteld uit :
1° de titularissen van het getuigschrift van overheidsmanagement;
2° [1 de mandaathouders die in functie zijn binnen de diensten van de Franse Gemeenschap op de dag van de inwerkingtreding van dit besluit of voor wie de betrekking vacant werd verklaard en de procedure voor de werving op de dag van die inwerkingtreding werd opgestart, en die de vermelding "zeer gunstig" of "gunstig" hebben gekregen bij de evaluatie die met toepassing van artikel 55 van dit besluit werd uitgevoerd;]1
3° [1 leden van de pool van kandidaten voor de uitoefening van een mandaat vastgesteld door artikel 341/8 van het besluit van de Waalse Regering van 18 december 2003 houdende de Waalse Ambtenarencode, gewijzigd bij het besluit van de Waalse Regering van 20 september 2012 tot hervorming van de mandatenregeling voor de ambtenaren-generaal van de diensten van de Regering en van sommige instellingen van openbaar nut die onder het Waalse Gewest ressorteren;]1
4° [1 mandaathouders die in "Wallonie-Bruxelles-International" in functie zijn op de dag van de inwerkingtreding van het besluit van de Waalse Regering en van het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap tot hervorming van de mandatenregeling voor de ambtenaren-generaal van "Wallonie-Bruxelles-International" of voor wie de betrekking vacant werd verklaard en de procedure voor de werving op de dag van die inwerkingtreding werd opgestart, en die de vermelding "zeer gunstig" of "gunstig" hebben gekregen bij de evaluatie uitgevoerd door de Regering die na de installatie van het Parlement werd samengesteld;]1
5° [1 de mandaathouder die in de School voor overheidsbestuur in functie is op de dag van de inwerkingtreding van het besluit van de Waalse Regering van 20 september 2012 tot hervorming van de mandatenregeling voor de ambtenaren-generaal van de diensten van de Regering en van sommige instellingen van openbaar nut die onder het Waalse Gewest ressorteren en die de vermelding "zeer gunstig" of "gunstig" hebben gekregen bij de evaluatie die met toepassing van artikel 10 van hetzelfde besluit werd uitgevoerd;]1
6° [1 de adjunct-administrateur-generaal van Forem die de vermelding "zeer gunstig" of "gunstig" heeft gekregen bij de evaluatie die werd uitgevoerd met toepassing van artikel 10 van het besluit van de Waalse Regering van 20 september 2012 tot hervorming van de mandatenregeling voor de ambtenaren-generaal van de diensten van de Regering en van sommige instellingen van openbaar nut die onder het Waalse Gewest ressorteren;]1
7° [1 de adjunct-administrateur-generaal van "Wallonie-Bruxelles-International" die de vermelding "zeer gunstig" of "gunstig" heeft gekregen bij de evaluatie die met toepassing van het besluit van de Waalse Regering en van het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap tot hervorming van de mandatenregeling voor de ambtenaren-generaal van "Wallonie-Bruxelles-International" werd uitgevoerd door de Regering die na de installatie van het Parlement werd samengesteld;]1
[2 8° de directeur-generaal van het Directoraat-generaal Justitiehuizen, overgedragen van de diensten van de Regering van de Federale Staat naar de diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap in het kader van de uitvoering van de zesde staatshervorming, op voorwaarde dat hij titularis is van een evaluatievermelding die hem toelaat zijn mandaat voort te zetten;
9° de leidende ambtenaren-generaal van de Regionale Directie Zuid van de Justitiehuizen en van het Nationaal Centrum Elektronisch Toezicht van het Directoraat-Generaal Justitiehuizen, overgedragen van de diensten van de Regering van de Federale Staat naar de diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap in het kader van de uitvoering van de zesde staatshervorming, op voorwaarde dat zij, op de datum van hun overdracht, geen titularis zijn van een evaluatievermelding van een lager niveau dan het niveau "gunstig".]2
Er wordt geen rangschikking onder de leden van de pool vastgesteld. Hun lijst wordt alfabetisch opgesteld. Die lijst wordt door de school voor overheidsbestuur gehouden. De leden van de pool moeten haar schriftelijk elke wijziging van hun persoonlijke gegevens meedelen.
Het feit deel uit te maken van de pool geeft geen ander recht dan het recht zich kandidaat te stellen voor een betrekking die bij mandaat toe te kennen is. Dit opent geen recht op een retributie of een bezoldiging.
[3 De houder van het brevet voor overheidsmanagement, bedoeld in artikel 2, 5°, van het besluit van de regering van de Franse Gemeenschap van 25 oktober 2002 tot oprichting van een "Ecole d'Administration publique" (School voor overheidsbestuur - EAP) in de Franse Gemeenschap wordt gelijkgesteld met de houder van het brevet voor overheidsmanagement op voorwaarde dat hij geslaagd is voor het examen bedoeld in artikel 341/7 van deze Code in de versie die van toepassing was vóór de inwerkingtreding van het besluit van de Waalse regering van 20 mei 2021 tot wijziging van diverse bepalingen met betrekking tot het managementbrevet in het kader van het besluit van de Waalse regering van 18 december 2003 houdende de Waalse Ambtenarencode en het besluit van de Waalse regering van 5 december 2008 tot vaststelling van het administratief statuut en het geldelijk statuut van het personeel van "Wallonie-Bruxelles International".]3
Art. 14. Il est constitué un pool de candidats à l'exercice d'un mandat au sens du présent arrêté.
Seuls les membres de ce pool peuvent déposer leur candidature à un emploi à pourvoir par mandat.
Le pool des candidats à un mandat est composé :
1° des titulaires du Certificat de management public;
2° [1 des mandataires en fonction au sein des services de la Communauté française le jour de l'entrée en vigueur du présent arrêté ou pour lesquels l'emploi a été déclaré vacant et la procédure de recrutement lancée au jour de cette entrée en vigueur et ayant fait l'objet d'une mention " très favorable " ou " favorable " lors de l'évaluation réalisée en application de l'article 55 du présent arrêté;]1
3° [1 des membres du pool de candidats à l'exercice d'un mandat établi par l'article 341/8 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 18 décembre 2003 portant le Code de la Fonction publique wallonne, modifié par l'arrêté du Gouvernement wallon du 20 septembre 2012 réformant le régime des mandats des fonctionnaires généraux des services du Gouvernement wallon et de certains organismes d'intérêt public qui dépendent de la Région wallonne;]1
4° [1 des mandataires en fonction au sein de Wallonie-Bruxelles International le jour de l'entrée en vigueur de l'arrêté du Gouvernement wallon et de l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française réformant le régime de mandats des fonctionnaires généraux de Wallonie-Bruxelles International ou pour lesquels l'emploi a été déclaré vacant et la procédure de recrutement lancée au jour de cette entrée en vigueur et qui ont reçu une mention " très favorable " ou " favorable " lors de l'évaluation réalisée par le Gouvernement désigné à la suite de l'installation du Parlement;]1
5° [1 du mandataire en fonction au sein de l'Ecole d'Administration publique le jour de l'entrée en vigueur de l'arrêté du Gouvernement wallon du 20 septembre 2012 réformant le régime de mandats des fonctionnaires généraux des services du Gouvernement wallon et de certains organismes d'intérêt public dépendant de la Région wallonne et ayant fait l'objet d'une mention " très favorable " ou " favorable " lors de l'évaluation réalisée en application de l'article 10 du même arrêté;]1
6° [1 de l'Administrateur général adjoint du Forem ayant fait l'objet d'une mention " très favorable " ou " favorable " lors de l'évaluation réalisée en application de l'article 10 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 20 septembre 2012 réformant le régime de mandats des fonctionnaires généraux des services du Gouvernement wallon et de certains organismes d'intérêt public dépendant de la Région wallonne;]1
7° [1 de l'Administrateur général adjoint de Wallonie-Bruxelles International ayant fait l'objet d'une mention " très favorable " ou " favorable " lors de l'évaluation réalisée en application de l'arrêté du Gouvernement wallon et de l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française réformant le régime de mandats des fonctionnaires généraux de Wallonie-Bruxelles International par le Gouvernement désigné à la suite de l'installation du Parlement;]1
[2 8° de la Directrice générale de la Direction générale des Maisons de Justice, transférée des services du Gouvernement de l'Etat fédéral vers les services du Gouvernement de la Communauté française en raison de la mise en oeuvre de la sixième réforme de l'Etat à la condition qu'au moment de son transfert, elle soit titulaire d'une mention d'évaluation lui permettant de poursuivre son mandat;
9° des fonctionnaires généraux dirigeants de la Direction régional sud des Maisons de Justice et du Centre National de Surveillance Electronique de la Direction générale des Maisons de Justice transférés des services du Gouvernement de l'Etat fédéral vers les services du Gouvernement de la Communauté française en raison de la mise en oeuvre de la sixième réforme de l'Etat à la condition qu'au moment de leur transfert, ils ne soient pas titulaires d'une mention d'évaluation d'un niveau inférieur à favorable.]2
Il n'est établi aucun classement parmi les membres du pool. Leur liste est établie par ordre alphabétique. Cette liste est tenue par l'Ecole d'Administration publique. Les membres du pool sont tenus de lui notifier, par écrit, toute modification de leurs coordonnées.
L'appartenance au pool ne confère aucun autre droit que celui de pouvoir déposer sa candidature à un emploi à pourvoir par mandat. Elle ne donne lieu à aucune sorte de rétribution ou de rémunération.
[3 Le titulaire du brevet de management public, visé à l'article 2, 5°, de l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 25 octobre 2002 créant une école d'administration publique en Communauté française est assimilé au titulaire du certificat en management public pour autant qu'il ait réussi l'examen visé à l'article 341/7 du présent Code dans sa version applicable avant l'entrée en vigueur de l'arrêté du Gouvernement wallon du 20 mai 2021 modifiant diverses dispositions relatives au certificat de management public au sein de l'arrêté du Gouvernement wallon du 18 décembre 2003 portant le Code de la Fonction publique wallonne et de l'arrêté du Gouvernement wallon du 5 décembre 2008 fixant le statut administratif et pécuniaire du personnel de Wallonie-Bruxelles International.]3
Seuls les membres de ce pool peuvent déposer leur candidature à un emploi à pourvoir par mandat.
Le pool des candidats à un mandat est composé :
1° des titulaires du Certificat de management public;
2° [1 des mandataires en fonction au sein des services de la Communauté française le jour de l'entrée en vigueur du présent arrêté ou pour lesquels l'emploi a été déclaré vacant et la procédure de recrutement lancée au jour de cette entrée en vigueur et ayant fait l'objet d'une mention " très favorable " ou " favorable " lors de l'évaluation réalisée en application de l'article 55 du présent arrêté;]1
3° [1 des membres du pool de candidats à l'exercice d'un mandat établi par l'article 341/8 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 18 décembre 2003 portant le Code de la Fonction publique wallonne, modifié par l'arrêté du Gouvernement wallon du 20 septembre 2012 réformant le régime des mandats des fonctionnaires généraux des services du Gouvernement wallon et de certains organismes d'intérêt public qui dépendent de la Région wallonne;]1
4° [1 des mandataires en fonction au sein de Wallonie-Bruxelles International le jour de l'entrée en vigueur de l'arrêté du Gouvernement wallon et de l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française réformant le régime de mandats des fonctionnaires généraux de Wallonie-Bruxelles International ou pour lesquels l'emploi a été déclaré vacant et la procédure de recrutement lancée au jour de cette entrée en vigueur et qui ont reçu une mention " très favorable " ou " favorable " lors de l'évaluation réalisée par le Gouvernement désigné à la suite de l'installation du Parlement;]1
5° [1 du mandataire en fonction au sein de l'Ecole d'Administration publique le jour de l'entrée en vigueur de l'arrêté du Gouvernement wallon du 20 septembre 2012 réformant le régime de mandats des fonctionnaires généraux des services du Gouvernement wallon et de certains organismes d'intérêt public dépendant de la Région wallonne et ayant fait l'objet d'une mention " très favorable " ou " favorable " lors de l'évaluation réalisée en application de l'article 10 du même arrêté;]1
6° [1 de l'Administrateur général adjoint du Forem ayant fait l'objet d'une mention " très favorable " ou " favorable " lors de l'évaluation réalisée en application de l'article 10 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 20 septembre 2012 réformant le régime de mandats des fonctionnaires généraux des services du Gouvernement wallon et de certains organismes d'intérêt public dépendant de la Région wallonne;]1
7° [1 de l'Administrateur général adjoint de Wallonie-Bruxelles International ayant fait l'objet d'une mention " très favorable " ou " favorable " lors de l'évaluation réalisée en application de l'arrêté du Gouvernement wallon et de l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française réformant le régime de mandats des fonctionnaires généraux de Wallonie-Bruxelles International par le Gouvernement désigné à la suite de l'installation du Parlement;]1
[2 8° de la Directrice générale de la Direction générale des Maisons de Justice, transférée des services du Gouvernement de l'Etat fédéral vers les services du Gouvernement de la Communauté française en raison de la mise en oeuvre de la sixième réforme de l'Etat à la condition qu'au moment de son transfert, elle soit titulaire d'une mention d'évaluation lui permettant de poursuivre son mandat;
9° des fonctionnaires généraux dirigeants de la Direction régional sud des Maisons de Justice et du Centre National de Surveillance Electronique de la Direction générale des Maisons de Justice transférés des services du Gouvernement de l'Etat fédéral vers les services du Gouvernement de la Communauté française en raison de la mise en oeuvre de la sixième réforme de l'Etat à la condition qu'au moment de leur transfert, ils ne soient pas titulaires d'une mention d'évaluation d'un niveau inférieur à favorable.]2
Il n'est établi aucun classement parmi les membres du pool. Leur liste est établie par ordre alphabétique. Cette liste est tenue par l'Ecole d'Administration publique. Les membres du pool sont tenus de lui notifier, par écrit, toute modification de leurs coordonnées.
L'appartenance au pool ne confère aucun autre droit que celui de pouvoir déposer sa candidature à un emploi à pourvoir par mandat. Elle ne donne lieu à aucune sorte de rétribution ou de rémunération.
[3 Le titulaire du brevet de management public, visé à l'article 2, 5°, de l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 25 octobre 2002 créant une école d'administration publique en Communauté française est assimilé au titulaire du certificat en management public pour autant qu'il ait réussi l'examen visé à l'article 341/7 du présent Code dans sa version applicable avant l'entrée en vigueur de l'arrêté du Gouvernement wallon du 20 mai 2021 modifiant diverses dispositions relatives au certificat de management public au sein de l'arrêté du Gouvernement wallon du 18 décembre 2003 portant le Code de la Fonction publique wallonne et de l'arrêté du Gouvernement wallon du 5 décembre 2008 fixant le statut administratif et pécuniaire du personnel de Wallonie-Bruxelles International.]3
Afdeling 5. - Vacantverklaringen en opdrachtenbladen
Section 5. - Déclarations de vacance et lettres de mission
Art. 15. § 1. De bij mandaat toe te kennen betrekkingen worden door de Regering vacant verklaard uiterlijk 6 weken na de eedaflegging van haar leden die onmiddellijk volgt op de vernieuwing van het Parlement;
§ 2. Voor elke bij mandaat toe te kennen betrekking, stelt de Regering, gelijktijdig met de vacantverklaring ervan, een opdrachtenblad vast.
De ontwerpen van opdrachtenblad worden aan de Regering door het directiecomité of de beheersorganen van de instellingen, elk voor zijn stuk, uiterlijk drie weken na de eedaflegging van de leden van de Regering die onmiddellijk volgt op de vernieuwing van het Parlement, voorgesteld. De Regering keurt de ontwerpen van opdrachtenblad goed. Als geen voorstel binnen die termijn wordt gedaan, stelt de Regering de opdrachtenbladen zelf vast.
§ 3. Het opdrachtenblad houdt de volgende gegevens in :
1° de ambtsomschrijving en het bevoegdheidsprofiel van het toe te kennen ambt;
2° de bepaling van de beheersopdrachten die aan de mandaathouder worden toegewezen;
3° de te bereiken doelstellingen voor het strategische beheer, die inzonderheid bepaald worden op basis van de verklaring betreffende het gemeenschapsbeleid;
4° de toegekende begrotingsmiddelen en menselijke middelen.
§ 2. Voor elke bij mandaat toe te kennen betrekking, stelt de Regering, gelijktijdig met de vacantverklaring ervan, een opdrachtenblad vast.
De ontwerpen van opdrachtenblad worden aan de Regering door het directiecomité of de beheersorganen van de instellingen, elk voor zijn stuk, uiterlijk drie weken na de eedaflegging van de leden van de Regering die onmiddellijk volgt op de vernieuwing van het Parlement, voorgesteld. De Regering keurt de ontwerpen van opdrachtenblad goed. Als geen voorstel binnen die termijn wordt gedaan, stelt de Regering de opdrachtenbladen zelf vast.
§ 3. Het opdrachtenblad houdt de volgende gegevens in :
1° de ambtsomschrijving en het bevoegdheidsprofiel van het toe te kennen ambt;
2° de bepaling van de beheersopdrachten die aan de mandaathouder worden toegewezen;
3° de te bereiken doelstellingen voor het strategische beheer, die inzonderheid bepaald worden op basis van de verklaring betreffende het gemeenschapsbeleid;
4° de toegekende begrotingsmiddelen en menselijke middelen.
Art. 15. § 1er. Les emplois à pourvoir par mandats sont déclarés vacants par le Gouvernement au plus tard 6 semaines après la prestation de serment de ses membres faisant directement suite au renouvellement du Parlement.
§ 2. Pour chaque emploi à pourvoir par mandat, le Gouvernement, en même temps qu'il déclare sa vacance, établit une lettre de mission.
Les projets de lettres de mission sont proposés au Gouvernement par le Comité de direction ou les organes de gestion des organismes, chacun pour ce qui le concerne, au plus tard trois semaines après la prestation de serment des membres du Gouvernement faisant directement suite au renouvellement du Parlement. Le Gouvernement approuve les projets de lettres de mission. A défaut de proposition dans ce délai, le Gouvernement établit lui-même les lettres de mission.
§ 3. La lettre de mission comporte les éléments suivants :
1° la description de fonction et le profil de compétence de la fonction à pourvoir;
2° la définition des missions de gestion qui incombent au mandataire;
3° les objectifs de gestion stratégique à atteindre, définis notamment sur la base de la déclaration de politique communautaire;
4° les moyens budgétaires et les ressources humaines attribués.
§ 2. Pour chaque emploi à pourvoir par mandat, le Gouvernement, en même temps qu'il déclare sa vacance, établit une lettre de mission.
Les projets de lettres de mission sont proposés au Gouvernement par le Comité de direction ou les organes de gestion des organismes, chacun pour ce qui le concerne, au plus tard trois semaines après la prestation de serment des membres du Gouvernement faisant directement suite au renouvellement du Parlement. Le Gouvernement approuve les projets de lettres de mission. A défaut de proposition dans ce délai, le Gouvernement établit lui-même les lettres de mission.
§ 3. La lettre de mission comporte les éléments suivants :
1° la description de fonction et le profil de compétence de la fonction à pourvoir;
2° la définition des missions de gestion qui incombent au mandataire;
3° les objectifs de gestion stratégique à atteindre, définis notamment sur la base de la déclaration de politique communautaire;
4° les moyens budgétaires et les ressources humaines attribués.
Art. 16. Onmiddellijk na de vacantverklaring bedoeld in artikel 15, § 1, doet de Regering een oproep tot kandidaten door middel van een bekendmaking in het Belgisch Staatsblad en op de website van de Regering en door middel van een e-mail gericht aan elk van de leden van de kandidatenpool, op grond van de gegevens die door hen aan de school voor overheidsbestuur worden meegedeeld.
Die oproep tot kandidaten vermeldt voor elke betrokken betrekking :
1° de wijze en de uiterste datum voor de indiening van de kandidaturen;
2° de documenten die de akte voor de kandidaatstelling op straffe van nietigheid moet inhouden;
3° de dienst waarbij het opdrachtenblad kan worden verkregen.
Die oproep tot kandidaten vermeldt voor elke betrokken betrekking :
1° de wijze en de uiterste datum voor de indiening van de kandidaturen;
2° de documenten die de akte voor de kandidaatstelling op straffe van nietigheid moet inhouden;
3° de dienst waarbij het opdrachtenblad kan worden verkregen.
Art. 16. Immédiatement après la déclaration de vacance visée à l'article 15, § 1er, le Gouvernement lance l'appel aux candidatures par la voie d'une publication au Moniteur belge et sur le site internet du Gouvernement et d'un courrier électronique adressé à chacun des membres du pool de candidats, sur la base des données communiquées par ceux-ci à l'Ecole d'Administration publique.
Cet appel aux candidatures indique pour chaque emploi concerné :
1° le mode et la date ultime d'introduction des candidatures;
2° les documents que doit contenir, à peine de nullité, l'acte de candidature;
3° le service auprès duquel la lettre de mission peut être obtenue.
Cet appel aux candidatures indique pour chaque emploi concerné :
1° le mode et la date ultime d'introduction des candidatures;
2° les documents que doit contenir, à peine de nullité, l'acte de candidature;
3° le service auprès duquel la lettre de mission peut être obtenue.
Art. 17. [1 Gedurende een periode van 9 maanden na de eedaflegging van de leden van de Regering die onmiddellijk volgt op de vernieuwing van het Parlement, kan ieder lid van de kandidatenpool zijn kandidatuur voor hoogstens vier betrekkingen indienen die bij mandaat toe te kennen zijn binnen de diensten van de Franse Gemeenschap en voor hoogstens vier betrekkingen die bij mandaat binnen de diensten van de Waalse Regering, de instellingen van openbaar nut die onder het Waalse Gewest ressorteren, binnen "Wallonie-Bruxelles International" of de School voor overheidsbestuur, toe te kennen zijn.]1
De kandidaturen moeten bij de Minister van Ambtenarenzaken uiterlijk één maand na de vacantverklaring van de betrokken betrekkingen worden ingediend.
De kandidaturen moeten bij aangetekend schrijven worden ingediend en omvatten :
1° een curriculum vitae houdende vermelding van de bekwaamheidsbewijzen en verdiensten, opgemaakt op basis van het door de Regering vast te stellen model;
2° een motivatiebrief voor elke betrekking houdende inzonderheid de beschrijving van de strategische visie van de kandidaat en de uiteenzetting van de wijze waarop deze het mandaat wil uitoefenen.
De kandidaat die in zijn huidige betrekking aan een tuchtregeling onderworpen is, voegt bij zijn kandidatuur een attest betreffende de staat van zijn tuchtdossier.
De kandidaturen moeten bij de Minister van Ambtenarenzaken uiterlijk één maand na de vacantverklaring van de betrokken betrekkingen worden ingediend.
De kandidaturen moeten bij aangetekend schrijven worden ingediend en omvatten :
1° een curriculum vitae houdende vermelding van de bekwaamheidsbewijzen en verdiensten, opgemaakt op basis van het door de Regering vast te stellen model;
2° een motivatiebrief voor elke betrekking houdende inzonderheid de beschrijving van de strategische visie van de kandidaat en de uiteenzetting van de wijze waarop deze het mandaat wil uitoefenen.
De kandidaat die in zijn huidige betrekking aan een tuchtregeling onderworpen is, voegt bij zijn kandidatuur een attest betreffende de staat van zijn tuchtdossier.
Modifications
Art. 17. [1 Durant une période de 9 mois après la prestation de serment des membres du Gouvernement faisant directement suite au renouvellement du Parlement, chaque membre du pool des candidats peut déposer sa candidature à maximum quatre emplois à pourvoir par mandat au sein des services de la Communauté française et à maximum quatre emplois à pourvoir par mandat au sein des services du Gouvernement wallon, des organismes d'intérêt public dépendant de la Région wallonne, au sein de Wallonie-Bruxelles International ou de l'Ecole d'Administration publique.]1
Les candidatures doivent être introduites auprès du Ministre de la Fonction publique au plus tard un mois après la déclaration de vacance des emplois concernés.
Les candidatures doivent être introduites par lettre recommandée et comprennent :
1° un curriculum vitae comprenant un exposé des titres et mérites, établi sur la base du modèle défini par le Gouvernement;
2° une lettre de motivation pour chaque emploi postulé contenant, notamment, la description de la vision stratégique du candidat et l'exposé de la manière selon laquelle celui-ci envisage d'exercer le mandat.
Le candidat qui est soumis, dans son emploi actuel, à un régime disciplinaire joint à sa candidature une attestation relative à l'état de son dossier disciplinaire.
Les candidatures doivent être introduites auprès du Ministre de la Fonction publique au plus tard un mois après la déclaration de vacance des emplois concernés.
Les candidatures doivent être introduites par lettre recommandée et comprennent :
1° un curriculum vitae comprenant un exposé des titres et mérites, établi sur la base du modèle défini par le Gouvernement;
2° une lettre de motivation pour chaque emploi postulé contenant, notamment, la description de la vision stratégique du candidat et l'exposé de la manière selon laquelle celui-ci envisage d'exercer le mandat.
Le candidat qui est soumis, dans son emploi actuel, à un régime disciplinaire joint à sa candidature une attestation relative à l'état de son dossier disciplinaire.
Modifications
Afdeling 6. - Aanstelling
Section 6. - Désignation
Art. 18. Voor elke betrekking die bij mandaat toe te kennen is, onderzoekt de Regering de dossiers die door de kandidaten worden ingediend. Ze vergelijkt de kandidaturen, rekening houdend met de bekwaamheidsbewijzen en verdiensten en de inhoud van de motivatiebrief voor iedere kandidaat, op grond van het opdrachtenblad voor elke toe te kennen betrekking.
Uiterlijk drie maanden na de vacantverklaring van de toe te kennen betrekkingen, benoemt de Regering tijdelijk in elke betrekking de kandidaat die volgens haar het meest geschikt is om het ambt met vol vertrouwen uit te oefenen.
[1 Bij ontstentenis van een kandidaat of indien geen enkele kandidaat door de regering geschikt is bevonden om in vol vertrouwen het ambt uit te oefenen, verleent de regering het mandaat overeenkomstig de in artikel 24 vastgestelde voorwaarden.]1
Uiterlijk drie maanden na de vacantverklaring van de toe te kennen betrekkingen, benoemt de Regering tijdelijk in elke betrekking de kandidaat die volgens haar het meest geschikt is om het ambt met vol vertrouwen uit te oefenen.
[1 Bij ontstentenis van een kandidaat of indien geen enkele kandidaat door de regering geschikt is bevonden om in vol vertrouwen het ambt uit te oefenen, verleent de regering het mandaat overeenkomstig de in artikel 24 vastgestelde voorwaarden.]1
Modifications
Art. 18. Pour chaque emploi à pourvoir par mandat, le Gouvernement examine les dossiers déposés par les candidats. Il procède à la comparaison des candidatures, en ayant égard aux titres et mérites et au contenu de la lettre de motivation de chaque candidat, ce au regard de la lettre de mission afférente à l'emploi à pourvoir.
Au plus tard trois mois après la déclaration de vacance des emplois à pourvoir, le Gouvernement nomme dans chaque emploi, à titre temporaire, le candidat qu'il estime le plus apte à exercer la fonction en toute confiance.
[1 En l'absence de candidat ou si aucun candidat n'a été jugé apte à exercer la fonction en toute confiance par le Gouvernement, celui-ci attribue le mandat selon les conditions fixées à l'article 24.]1
Au plus tard trois mois après la déclaration de vacance des emplois à pourvoir, le Gouvernement nomme dans chaque emploi, à titre temporaire, le candidat qu'il estime le plus apte à exercer la fonction en toute confiance.
[1 En l'absence de candidat ou si aucun candidat n'a été jugé apte à exercer la fonction en toute confiance par le Gouvernement, celui-ci attribue le mandat selon les conditions fixées à l'article 24.]1
Modifications
Art. 19. Bij ontslag van de Regering, met toepassing van artikel 71 of van artikel 72 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, kan de nieuwe Regering beslissen de bij mandaat toegekende betrekkingen vacant te verklaren. In die gevallen eindigen de lopende mandaten van rechtswege de dag waarop de nieuwe mandaathouders worden aangesteld.
In de in het eerste lid bedoelde hypothesen worden de bij mandaat toe te kennen betrekkingen door de nieuwe Regering uiterlijk zes maanden na haar eedaflegging vacant verklaard. De kandidaturen moeten uiterlijk één maand na de vacantverklaring van de betrekkingen worden ingediend, en de mandaathouders moeten uiterlijk drie maanden na het verstrijken van de termijn bepaald voor de indiening van de kandidaturen worden aangesteld.
In de in het eerste lid bedoelde hypothesen worden de bij mandaat toe te kennen betrekkingen door de nieuwe Regering uiterlijk zes maanden na haar eedaflegging vacant verklaard. De kandidaturen moeten uiterlijk één maand na de vacantverklaring van de betrekkingen worden ingediend, en de mandaathouders moeten uiterlijk drie maanden na het verstrijken van de termijn bepaald voor de indiening van de kandidaturen worden aangesteld.
Art. 19. En cas de démission du Gouvernement en application de l'article 71 ou de l'article 72 de la loi spéciale de réformes institutionnelles du 8 août 1980, le nouveau Gouvernement peut décider de déclarer vacants les emplois attribués par mandat. Dans ce cas, les mandats en cours prennent fin de plein droit le jour de la désignation des nouveaux mandataires.
Dans les hypothèses visées à l'alinéa 1er, les emplois à pourvoir par mandat sont déclarés vacants par le nouveau Gouvernement au plus tard six semaines après sa prestation de serment. Les candidatures doivent être introduites au plus tard un mois après la déclaration de vacance des emplois, et les mandataires doivent être désignés au plus tard trois mois après l'échéance du délai prévu pour le dépôt des candidatures.
Dans les hypothèses visées à l'alinéa 1er, les emplois à pourvoir par mandat sont déclarés vacants par le nouveau Gouvernement au plus tard six semaines après sa prestation de serment. Les candidatures doivent être introduites au plus tard un mois après la déclaration de vacance des emplois, et les mandataires doivent être désignés au plus tard trois mois après l'échéance du délai prévu pour le dépôt des candidatures.
Afdeling 7. [1 - Bestuursovereenkomst en doelstellingencontract]1
Section 7. [1 - Contrat d'administration et contrat d'objectifs]1
Art. 20. [1 § 1. Er wordt een bestuursovereenkomst voor het Ministerie van de Franse Gemeenschap ingesteld.
De bestuursovereenkomst heeft betrekking op zowel de transversale aspecten als de sectorale aspecten van het beheer van de opdrachten van het Ministerie.
De bestuursovereenkomst heeft een strategische planificatie van 5 jaar.
Ze bevat minstens de volgende elementen :
- de voornaamste opdrachten, de visie en de waarden van het Ministerie van de Franse Gemeenschap;
- de voornaamste opdrachten en de visie van elk algemeen bestuur en van het secretariaat-generaal;
- de transversale en sectorale strategische en operationele doelstellingen;
- de indicatoren waarmee kan worden gemeten of de transversale en sectorale operationele doelstellingen, waarvoor een indicator vereist is, bereikt zijn;
- de human resources, de begrotings- en informaticamiddelen die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de transversale en sectorale strategische en operationele doelstellingen;
- de verdeling van de bevoegdheden in verband met de verwezenlijking van de transversale en sectorale strategische en operationele doelstellingen;
- de nadere regels voor de medewerking tussen de Regering van de Franse Gemeenschap en de diensten van haar administratie.
[2 Projecten die de strategische en operationele doelstellingen uitvoeren, worden opgenomen in een routeplan en goedgekeurd door de functioneel bevoegde minister(s). Dit routeplan wordt door de functioneel bevoegde minister(s) bijgewerkt, in samenwerking met de functionele administratie, telkens wanneer de overeenkomst wordt gewijzigd en na de indiening van het jaarlijkse controleverslag bedoeld in paragraaf 5. De routeplannen worden, na goedkeuring of bijwerking door de functioneel bevoegde minister(s), ter informatie aan de Regering meegedeeld. ]2
Om de strategische en operationele doelstellingen van de bestuursovereenkomst te bepalen, moeten inzonderheid de volgende gegevens in aanmerking worden genomen :
- een analyse van risico's;
- een analyse van de omgeving en de stakeholders;
- het door de Regering bepaalde begrotingskader;
- de beleidsverklaring van de Franse Gemeenschap;
- de opdrachtenbladen van de ondertekenende mandaathouders.
De bestuursovereenkomst eindigt bij de sluiting van een nieuwe bestuursovereenkomst.
§ 2. De overeenkomst wordt gesloten op grond van een ontwerp dat door het Directiecomité van het Ministerie, wordt opgesteld in overleg met het geheel van de andere ambtenaren-generaal.
[2 Het Directiecomité stelt het ontwerp van bestuursovereenkomst op, op basis van de door de Regering vastgestelde methodologie. De Administrateurs-generaal en de Directeurs-generaal die lid zijn van Directiecomité plegen overleg met de functionele Ministers of hun afgevaardigden voor de ontwikkeling van strategische en operationele sectorale doelstellingen met betrekking tot de aangelegenheden waarvoor ze verantwoordelijk zijn. De Secretaris-generaal, de Minister-president, de Minister van Begroting en de Minister van Ambtenarenzaken of hun afgevaardigden zijn bij dit overleg betrokken om de samenhang tussen transversale en sectorale doelstellingen te verzekeren.]2.
Het ontwerp van overeenkomst wordt aan de Regering gericht binnen de 4 maanden volgend op de benoeming van de mandaathouders [2 leden van het Directiecomité van het Ministerie.]2.
De Regering en het Directiecomité onderhandelen over het ontwerp van bestuursovereenkomst.
De overeenkomst wordt gesloten binnen de 4 maanden na de mededeling van het ontwerp aan de Regering.
Als het Directiecomité en de Regering op het einde van de in het eerste lid bedoelde termijn geen akkoord bereiken, keurt de Regering de bestuursovereenkomst definitief goed.
§ 3. Gedurende de geldigheidsduur van de overeenkomst, kan deze worden gewijzigd op verzoek van de Regering of van het Directiecomité. Er moet een termijn van minimaal zes maanden lopen tussen elke wijziging.
De [2 leden van het Directiecomité]2 administrateurs-generaal en directeurs-generaal plegen overleg met de functioneel bevoegde minister(s) of hun afgevaardigden voor het bepalen van de sectorale strategische en operationele doelstellingen betreffende de aangelegenheden waarvoor ze bevoegd zijn. De Secretaris-Generaal, de Minister-President, de Minister van Begroting en de Minister van Ambtenarenzaken, of hun afgevaardigden, nemen aan dat overleg deel om een samenhang tussen de sectorale en transversale doelstellingen te bereiken.
De Regering en het Directiecomité onderhandelen over de wijziging van de bestuursovereenkomst.
Als die er is, wordt de bestuursovereenkomst, in voorkomend geval, aangepast binnen de maand volgend op de ontvangst van de aanvraag.
§ 4. Op aanvraag van de Regering of van het Directiecomité, kan de bestuursovereenkomst worden gewijzigd vóór het einde van de in de vorige paragraaf bedoelde termijn van zes maanden, bij speciaal met redenen omklede dringende noodzakelijkheid of als de urgentie niet voorspelbaar was bij de sluiting of de vorige wijziging van de bestuursovereenkomst.
De Regering en het Directiecomité onderhandelen over de wijziging van de bestuursovereenkomst.
Als die er is, wordt de bestuursovereenkomst, in voorkomend geval, aangepast binnen de maand volgend op de ontvangst van de aanvraag.
§ 5. Elk jaar, na de aanneming van de begroting in het Parlement, deelt het Directiecomité een verslag over het opvolgen van de bestuursovereenkomst aan de Regering mee door toedoen van de Minister van Ambtenarenzaken.
Dat verslag stelt de volgende gegevens voor :
1° de evolutie betreffende het bereiken van de strategische en operationele doelstellingen;
2° de nieuwe risico's die worden ontdekt gedurende de uitvoering van de bestuursovereenkomst;
3° de eventuele voorstellen tot wijziging van de bestuursovereenkomst.
Het verslag toont de overeenstemming aan tussen de bestuursovereenkomst en de voor het jaar aangenomen begroting.
§ 6. Vier maanden vóór het einde van de legislatuur, stelt het Directiecomité van het Ministerie, [2 ...]2, in overleg met het geheel van de andere ambtenaren-generaal, een verslag betreffende de evaluatie van de overeenkomst en de toekomstige doelstellingen op en stuurt het aan de Regering.]1
De bestuursovereenkomst heeft betrekking op zowel de transversale aspecten als de sectorale aspecten van het beheer van de opdrachten van het Ministerie.
De bestuursovereenkomst heeft een strategische planificatie van 5 jaar.
Ze bevat minstens de volgende elementen :
- de voornaamste opdrachten, de visie en de waarden van het Ministerie van de Franse Gemeenschap;
- de voornaamste opdrachten en de visie van elk algemeen bestuur en van het secretariaat-generaal;
- de transversale en sectorale strategische en operationele doelstellingen;
- de indicatoren waarmee kan worden gemeten of de transversale en sectorale operationele doelstellingen, waarvoor een indicator vereist is, bereikt zijn;
- de human resources, de begrotings- en informaticamiddelen die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de transversale en sectorale strategische en operationele doelstellingen;
- de verdeling van de bevoegdheden in verband met de verwezenlijking van de transversale en sectorale strategische en operationele doelstellingen;
- de nadere regels voor de medewerking tussen de Regering van de Franse Gemeenschap en de diensten van haar administratie.
[2 Projecten die de strategische en operationele doelstellingen uitvoeren, worden opgenomen in een routeplan en goedgekeurd door de functioneel bevoegde minister(s). Dit routeplan wordt door de functioneel bevoegde minister(s) bijgewerkt, in samenwerking met de functionele administratie, telkens wanneer de overeenkomst wordt gewijzigd en na de indiening van het jaarlijkse controleverslag bedoeld in paragraaf 5. De routeplannen worden, na goedkeuring of bijwerking door de functioneel bevoegde minister(s), ter informatie aan de Regering meegedeeld. ]2
Om de strategische en operationele doelstellingen van de bestuursovereenkomst te bepalen, moeten inzonderheid de volgende gegevens in aanmerking worden genomen :
- een analyse van risico's;
- een analyse van de omgeving en de stakeholders;
- het door de Regering bepaalde begrotingskader;
- de beleidsverklaring van de Franse Gemeenschap;
- de opdrachtenbladen van de ondertekenende mandaathouders.
De bestuursovereenkomst eindigt bij de sluiting van een nieuwe bestuursovereenkomst.
§ 2. De overeenkomst wordt gesloten op grond van een ontwerp dat door het Directiecomité van het Ministerie, wordt opgesteld in overleg met het geheel van de andere ambtenaren-generaal.
[2 Het Directiecomité stelt het ontwerp van bestuursovereenkomst op, op basis van de door de Regering vastgestelde methodologie. De Administrateurs-generaal en de Directeurs-generaal die lid zijn van Directiecomité plegen overleg met de functionele Ministers of hun afgevaardigden voor de ontwikkeling van strategische en operationele sectorale doelstellingen met betrekking tot de aangelegenheden waarvoor ze verantwoordelijk zijn. De Secretaris-generaal, de Minister-president, de Minister van Begroting en de Minister van Ambtenarenzaken of hun afgevaardigden zijn bij dit overleg betrokken om de samenhang tussen transversale en sectorale doelstellingen te verzekeren.]2.
Het ontwerp van overeenkomst wordt aan de Regering gericht binnen de 4 maanden volgend op de benoeming van de mandaathouders [2 leden van het Directiecomité van het Ministerie.]2.
De Regering en het Directiecomité onderhandelen over het ontwerp van bestuursovereenkomst.
De overeenkomst wordt gesloten binnen de 4 maanden na de mededeling van het ontwerp aan de Regering.
Als het Directiecomité en de Regering op het einde van de in het eerste lid bedoelde termijn geen akkoord bereiken, keurt de Regering de bestuursovereenkomst definitief goed.
§ 3. Gedurende de geldigheidsduur van de overeenkomst, kan deze worden gewijzigd op verzoek van de Regering of van het Directiecomité. Er moet een termijn van minimaal zes maanden lopen tussen elke wijziging.
De [2 leden van het Directiecomité]2 administrateurs-generaal en directeurs-generaal plegen overleg met de functioneel bevoegde minister(s) of hun afgevaardigden voor het bepalen van de sectorale strategische en operationele doelstellingen betreffende de aangelegenheden waarvoor ze bevoegd zijn. De Secretaris-Generaal, de Minister-President, de Minister van Begroting en de Minister van Ambtenarenzaken, of hun afgevaardigden, nemen aan dat overleg deel om een samenhang tussen de sectorale en transversale doelstellingen te bereiken.
De Regering en het Directiecomité onderhandelen over de wijziging van de bestuursovereenkomst.
Als die er is, wordt de bestuursovereenkomst, in voorkomend geval, aangepast binnen de maand volgend op de ontvangst van de aanvraag.
§ 4. Op aanvraag van de Regering of van het Directiecomité, kan de bestuursovereenkomst worden gewijzigd vóór het einde van de in de vorige paragraaf bedoelde termijn van zes maanden, bij speciaal met redenen omklede dringende noodzakelijkheid of als de urgentie niet voorspelbaar was bij de sluiting of de vorige wijziging van de bestuursovereenkomst.
De Regering en het Directiecomité onderhandelen over de wijziging van de bestuursovereenkomst.
Als die er is, wordt de bestuursovereenkomst, in voorkomend geval, aangepast binnen de maand volgend op de ontvangst van de aanvraag.
§ 5. Elk jaar, na de aanneming van de begroting in het Parlement, deelt het Directiecomité een verslag over het opvolgen van de bestuursovereenkomst aan de Regering mee door toedoen van de Minister van Ambtenarenzaken.
Dat verslag stelt de volgende gegevens voor :
1° de evolutie betreffende het bereiken van de strategische en operationele doelstellingen;
2° de nieuwe risico's die worden ontdekt gedurende de uitvoering van de bestuursovereenkomst;
3° de eventuele voorstellen tot wijziging van de bestuursovereenkomst.
Het verslag toont de overeenstemming aan tussen de bestuursovereenkomst en de voor het jaar aangenomen begroting.
§ 6. Vier maanden vóór het einde van de legislatuur, stelt het Directiecomité van het Ministerie, [2 ...]2, in overleg met het geheel van de andere ambtenaren-generaal, een verslag betreffende de evaluatie van de overeenkomst en de toekomstige doelstellingen op en stuurt het aan de Regering.]1
Art. 20. [1 § 1er. Un contrat d'administration est établi pour le Ministère de la Communauté française.
Le contrat d'administration aborde tant les aspects transversaux que les aspects sectoriels de la gestion des missions du Ministère.
Le contrat d'administration inclut une planification stratégique à 5 ans.
Il contient au moins les éléments suivants :
- les principales missions, la vision et les valeurs du Ministère de la Communauté française ;
- les principales missions et la vision de chaque Administration générale et du Secrétariat général;
- les objectifs stratégiques et opérationnels, transversaux et sectoriels ;
- les indicateurs permettant de mesurer l'atteinte des objectifs opérationnels transversaux et sectoriels pour ceux des objectifs pour lesquels un indicateur se justifie;
- les ressources humaines, budgétaires et informatiques nécessaires à la réalisation des objectifs stratégiques et opérationnels, transversaux et sectoriels;
- la répartition des responsabilités liées à la réalisation des objectifs stratégiques et opérationnels transversaux et sectoriels;
- les modalités de collaboration entre le Gouvernement de la Communauté française et les services de son administration.
[2 Les projets mettant en oeuvre les objectifs stratégiques et opérationnels sont repris au sein d'une feuille de route, et sont approuvés par le ou les Ministres fonctionnellement compétents. Cette feuille de route est mise à jour par le ou les Ministres fonctionnellement compétents, en collaboration avec l'administration fonctionnelle, lors de chaque modification du contrat et suite à la remise du rapport de suivi annuel visé au paragraphe 5. Les feuilles de route sont, après approbation ou mise à jour par le ou les Ministres fonctionnellement compétents, communiquées pour information au Gouvernement. ]2
Pour déterminer les objectifs stratégiques et opérationnels du contrat d'administration, il convient notamment de se baser sur les éléments suivants :
- une analyse des risques ;
- une analyse de l'environnement et des parties prenantes ;
- le cadre budgétaire fixé par le Gouvernement ;
- la Déclaration de Politique Communautaire ;
- les lettres de mission des mandataires signataires.
Le contrat d'administration prend fin lors de la conclusion d'un nouveau contrat d'administration.
§ 2. Le contrat est conclu sur base d'un projet établi par le Comité de direction du Ministère,[2 ...]2 en concertation avec l'ensemble des autres fonctionnaires généraux.
[2 Le Comité de direction rédige le projet de contrat d'administration sur base de la méthodologie fixée par le Gouvernement. Les Administrateurs généraux et les Directeurs généraux membres du Comité de direction se concertent avec les Ministres fonctionnels ou leurs délégués pour l'élaboration des objectifs stratégiques et opérationnels sectoriels qui concernent les matières dont ils ont la responsabilité. Le Secrétaire général, le Ministre-Président, le Ministre du Budget et le Ministre de la Fonction publique ou leurs délégués sont associés à ces concertations pour assurer la cohérence entre les objectifs transversaux et sectoriels]2.
Le projet de contrat est adressé au Gouvernement dans les 4 mois de la désignation des mandataires [2 membres du Comité de direction du Ministère]2.
Le Gouvernement et le Comité de direction négocient le projet de contrat d'administration.
Le contrat est conclu dans les 4 mois de l'envoi du projet au Gouvernement.
En cas de désaccord entre le Comité de direction et le Gouvernement à l'expiration du délai visé à l'alinéa précédent, le Gouvernement adopte définitivement le contrat d'administration.
§ 3. Pendant sa durée, le contrat peut être modifié, sur demande du Gouvernement ou du Comité de direction. Un délai minimum de six mois doit s'écouler entre chaque modification.
Les Administrateurs généraux et les Directeurs-généraux [2 membres du Comité de direction]2 se concertent avec les Ministres fonctionnel(s) ou leurs délégués pour l'élaboration des objectifs stratégiques et opérationnels sectoriels qui concernent les matières dont ils ont la responsabilité. Le Secrétaire général, le Ministre-Président, le Ministre du Budget et le Ministre de la Fonction publique ou leurs délégués sont associés à ces concertations pour assurer la cohérence entre les objectifs sectoriels et transversaux.
La (ou les) modification(s) du contrat d'administration est (sont) négociée(s) entre le Gouvernement et le Comité de direction.
Dans cette hypothèse, le contrat d'administration est, le cas échéant, adapté dans le mois qui suit la réception de la demande
§ 4. A la demande du Gouvernement ou du Comité de direction, le contrat d'administration peut être modifié avant l'échéance du délai de six mois visé au paragraphe précédent en cas d'urgence, spécialement motivée et dont la survenance n'était pas prévisible lors de la conclusion ou de la précédente modification du contrat d'administration.
La (ou les) modification(s) du contrat d'administration est (sont) négociée(s) entre le Gouvernement et le Comité de direction.
Dans cette hypothèse, le contrat d'administration est, le cas échéant, adapté dans le mois qui suit la réception de la demande
§ 5. Chaque année, après le vote du budget au Parlement, le Comité de direction transmet un rapport de suivi du contrat d'administration au Gouvernement par l'intermédiaire du Ministre de la Fonction publique.
Ce rapport présente :
1° l'évolution de l'atteinte des objectifs stratégiques et opérationnels ;
2° les nouveaux risques identifiés par rapport à la mise en oeuvre du contrat d'administration ;
3° les éventuelles propositions de modification du contrat d'administration.
Le rapport assure la cohérence entre le contenu du contrat d'administration et le budget voté pour l'année.
§ 6. Quatre mois avant la fin de la législature, le Comité de direction du Ministère [2 ...]2t en concertation avec l'ensemble des autres fonctionnaires généraux, établit un rapport d'évaluation du contrat et des enjeux futurs et l'adresse au Gouvernement.]1
Le contrat d'administration aborde tant les aspects transversaux que les aspects sectoriels de la gestion des missions du Ministère.
Le contrat d'administration inclut une planification stratégique à 5 ans.
Il contient au moins les éléments suivants :
- les principales missions, la vision et les valeurs du Ministère de la Communauté française ;
- les principales missions et la vision de chaque Administration générale et du Secrétariat général;
- les objectifs stratégiques et opérationnels, transversaux et sectoriels ;
- les indicateurs permettant de mesurer l'atteinte des objectifs opérationnels transversaux et sectoriels pour ceux des objectifs pour lesquels un indicateur se justifie;
- les ressources humaines, budgétaires et informatiques nécessaires à la réalisation des objectifs stratégiques et opérationnels, transversaux et sectoriels;
- la répartition des responsabilités liées à la réalisation des objectifs stratégiques et opérationnels transversaux et sectoriels;
- les modalités de collaboration entre le Gouvernement de la Communauté française et les services de son administration.
[2 Les projets mettant en oeuvre les objectifs stratégiques et opérationnels sont repris au sein d'une feuille de route, et sont approuvés par le ou les Ministres fonctionnellement compétents. Cette feuille de route est mise à jour par le ou les Ministres fonctionnellement compétents, en collaboration avec l'administration fonctionnelle, lors de chaque modification du contrat et suite à la remise du rapport de suivi annuel visé au paragraphe 5. Les feuilles de route sont, après approbation ou mise à jour par le ou les Ministres fonctionnellement compétents, communiquées pour information au Gouvernement. ]2
Pour déterminer les objectifs stratégiques et opérationnels du contrat d'administration, il convient notamment de se baser sur les éléments suivants :
- une analyse des risques ;
- une analyse de l'environnement et des parties prenantes ;
- le cadre budgétaire fixé par le Gouvernement ;
- la Déclaration de Politique Communautaire ;
- les lettres de mission des mandataires signataires.
Le contrat d'administration prend fin lors de la conclusion d'un nouveau contrat d'administration.
§ 2. Le contrat est conclu sur base d'un projet établi par le Comité de direction du Ministère,[2 ...]2 en concertation avec l'ensemble des autres fonctionnaires généraux.
[2 Le Comité de direction rédige le projet de contrat d'administration sur base de la méthodologie fixée par le Gouvernement. Les Administrateurs généraux et les Directeurs généraux membres du Comité de direction se concertent avec les Ministres fonctionnels ou leurs délégués pour l'élaboration des objectifs stratégiques et opérationnels sectoriels qui concernent les matières dont ils ont la responsabilité. Le Secrétaire général, le Ministre-Président, le Ministre du Budget et le Ministre de la Fonction publique ou leurs délégués sont associés à ces concertations pour assurer la cohérence entre les objectifs transversaux et sectoriels]2.
Le projet de contrat est adressé au Gouvernement dans les 4 mois de la désignation des mandataires [2 membres du Comité de direction du Ministère]2.
Le Gouvernement et le Comité de direction négocient le projet de contrat d'administration.
Le contrat est conclu dans les 4 mois de l'envoi du projet au Gouvernement.
En cas de désaccord entre le Comité de direction et le Gouvernement à l'expiration du délai visé à l'alinéa précédent, le Gouvernement adopte définitivement le contrat d'administration.
§ 3. Pendant sa durée, le contrat peut être modifié, sur demande du Gouvernement ou du Comité de direction. Un délai minimum de six mois doit s'écouler entre chaque modification.
Les Administrateurs généraux et les Directeurs-généraux [2 membres du Comité de direction]2 se concertent avec les Ministres fonctionnel(s) ou leurs délégués pour l'élaboration des objectifs stratégiques et opérationnels sectoriels qui concernent les matières dont ils ont la responsabilité. Le Secrétaire général, le Ministre-Président, le Ministre du Budget et le Ministre de la Fonction publique ou leurs délégués sont associés à ces concertations pour assurer la cohérence entre les objectifs sectoriels et transversaux.
La (ou les) modification(s) du contrat d'administration est (sont) négociée(s) entre le Gouvernement et le Comité de direction.
Dans cette hypothèse, le contrat d'administration est, le cas échéant, adapté dans le mois qui suit la réception de la demande
§ 4. A la demande du Gouvernement ou du Comité de direction, le contrat d'administration peut être modifié avant l'échéance du délai de six mois visé au paragraphe précédent en cas d'urgence, spécialement motivée et dont la survenance n'était pas prévisible lors de la conclusion ou de la précédente modification du contrat d'administration.
La (ou les) modification(s) du contrat d'administration est (sont) négociée(s) entre le Gouvernement et le Comité de direction.
Dans cette hypothèse, le contrat d'administration est, le cas échéant, adapté dans le mois qui suit la réception de la demande
§ 5. Chaque année, après le vote du budget au Parlement, le Comité de direction transmet un rapport de suivi du contrat d'administration au Gouvernement par l'intermédiaire du Ministre de la Fonction publique.
Ce rapport présente :
1° l'évolution de l'atteinte des objectifs stratégiques et opérationnels ;
2° les nouveaux risques identifiés par rapport à la mise en oeuvre du contrat d'administration ;
3° les éventuelles propositions de modification du contrat d'administration.
Le rapport assure la cohérence entre le contenu du contrat d'administration et le budget voté pour l'année.
§ 6. Quatre mois avant la fin de la législature, le Comité de direction du Ministère [2 ...]2t en concertation avec l'ensemble des autres fonctionnaires généraux, établit un rapport d'évaluation du contrat et des enjeux futurs et l'adresse au Gouvernement.]1
Art. 20bis. [1 § 1. Er wordt een beheersovereenkomst opgesteld voor ETNIC.
De beheersovereenkomst, met inbegrip van een strategische planning voor vijf jaar, omvat ten minste de volgende elementen:
1° een omschrijving van de opdrachten;
2° een analyse van de omgeving en de belangrijkste actoren;
3° strategische en operationele doelstellingen;
4°[2 ...]2
5° de toewijzing van budgettaire en logistieke middelen en middelen in verband met informatie- en communicatietechnologieën;
6° personeelsplan en organigram;
7° de werkingsmodaliteiten tussen de overheid en ETNIC;
8° de modaliteiten voor externe communicatie;
[2 Projecten die de strategische en operationele doelstellingen uitvoeren, worden opgenomen in een routeplan en goedgekeurd door de functioneel bevoegde minister. Dit routeplan wordt door de functioneel bevoegde minister bijgewerkt, in samenwerking met het ETNIC, telkens wanneer de overeenkomst wordt gewijzigd en na de indiening van het jaarlijkse controleverslag bedoeld in paragraaf 4. Het routeplan wordt, na goedkeuring of bijwerking door de functioneel bevoegde minister, ter informatie aan de Regering meegedeeld.]2
§ 2. Het ontwerp van beheersovereenkomst wordt opgesteld door het Directiecomité van ETNIC.
Het Directiecomité van ETNIC [2 stelt het ontwerp van bestuursovereenkomst op, op basis van de door de Regering vastgestelde methodologie.]2.
Deze ontwerpbeheersovereenkomst wordt [2 ...]2 na ontvangst ter raadpleging en goedkeuring voorgelegd aan de bevoegde minister.
§ 3. Binnen zes maanden na de benoeming van de mandatarissen stuurt de bevoegde minister het ontwerp van de ontwerpbeheersovereenkomst aan de Regering.
De Regering en het Directiecomité van ETNIC onderhandelen over de ontwerpbeheersovereenkomst.
De overeenkomst wordt gesloten binnen vier maanden na verzending van het ontwerp aan de Regering.
Indien het Directiecomité van ETNIC en de Regering aan het einde van de in het vorige lid bedoelde periode geen overeenstemming bereiken, stelt de Regering de beheersovereenkomst definitief vast.
§ 4. Elk jaar, na goedkeuring van de begroting door het parlement, legt het Directiecomité van ETNIC via de bevoegde minister aan de Regering een follow-upverslag voor over de beheersovereenkomst.
Het in lid 1 bedoeld verslag stelt het volgende voor:
1° [2 ° de evolutie van het behalen van de strategische en operationele doelstellingen ]2;
2° de nieuwe risico's die zijn vastgesteld in verband met de uitvoering van de overeenkomst;
3° voorstellen tot wijziging van de beheersovereenkomst.
Het in de eerste alinea bedoelde verslag zorgt voor de samenhang tussen de inhoud van de beheersovereenkomst en de voor het jaar goedgekeurde begroting.
§ 5. De Regering en het Directiecomité van ETNIC kunnen op verzoek van een van de partijen de beheersovereenkomst wijzigen overeenkomstig de in lid 3 vermelde procedures. In dit geval wordt de periode van vier maanden teruggebracht tot één maand.
Tussen twee wijzigingen liggen minimaal zes maanden.
§ 6. Op aanvraag van de Regering of het Directiecomité van ETNIC kan de beheersovereenkomst vóór het verstrijken van de in lid 5 bedoelde periode van zes maanden worden gewijzigd in specifiek gemotiveerde dringende gevallen die ten tijde van de sluiting of vorige wijziging van de beheersovereenkomst niet te voorzien waren.
Deze wijziging wordt aangebracht overeenkomstig de in lid 3 beschreven procedures. In dit geval wordt de termijn van vier maanden verkort tot 15 dagen.
§ 7. De beheersovereenkomst eindigt met de sluiting van een nieuwe beheersovereenkomst overeenkomstig lid 3.
Uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van de beheersovereenkomst legt de bevoegde minister, op voorstel van het Directiecomité van ETNIC, aan de overheid een evaluatie van de overeenkomst en de uitvoering ervan voor, alsmede aanbevelingen voor de vaststelling van de volgende overeenkomst.]1
De beheersovereenkomst, met inbegrip van een strategische planning voor vijf jaar, omvat ten minste de volgende elementen:
1° een omschrijving van de opdrachten;
2° een analyse van de omgeving en de belangrijkste actoren;
3° strategische en operationele doelstellingen;
4°[2 ...]2
5° de toewijzing van budgettaire en logistieke middelen en middelen in verband met informatie- en communicatietechnologieën;
6° personeelsplan en organigram;
7° de werkingsmodaliteiten tussen de overheid en ETNIC;
8° de modaliteiten voor externe communicatie;
[2 Projecten die de strategische en operationele doelstellingen uitvoeren, worden opgenomen in een routeplan en goedgekeurd door de functioneel bevoegde minister. Dit routeplan wordt door de functioneel bevoegde minister bijgewerkt, in samenwerking met het ETNIC, telkens wanneer de overeenkomst wordt gewijzigd en na de indiening van het jaarlijkse controleverslag bedoeld in paragraaf 4. Het routeplan wordt, na goedkeuring of bijwerking door de functioneel bevoegde minister, ter informatie aan de Regering meegedeeld.]2
§ 2. Het ontwerp van beheersovereenkomst wordt opgesteld door het Directiecomité van ETNIC.
Het Directiecomité van ETNIC [2 stelt het ontwerp van bestuursovereenkomst op, op basis van de door de Regering vastgestelde methodologie.]2.
Deze ontwerpbeheersovereenkomst wordt [2 ...]2 na ontvangst ter raadpleging en goedkeuring voorgelegd aan de bevoegde minister.
§ 3. Binnen zes maanden na de benoeming van de mandatarissen stuurt de bevoegde minister het ontwerp van de ontwerpbeheersovereenkomst aan de Regering.
De Regering en het Directiecomité van ETNIC onderhandelen over de ontwerpbeheersovereenkomst.
De overeenkomst wordt gesloten binnen vier maanden na verzending van het ontwerp aan de Regering.
Indien het Directiecomité van ETNIC en de Regering aan het einde van de in het vorige lid bedoelde periode geen overeenstemming bereiken, stelt de Regering de beheersovereenkomst definitief vast.
§ 4. Elk jaar, na goedkeuring van de begroting door het parlement, legt het Directiecomité van ETNIC via de bevoegde minister aan de Regering een follow-upverslag voor over de beheersovereenkomst.
Het in lid 1 bedoeld verslag stelt het volgende voor:
1° [2 ° de evolutie van het behalen van de strategische en operationele doelstellingen ]2;
2° de nieuwe risico's die zijn vastgesteld in verband met de uitvoering van de overeenkomst;
3° voorstellen tot wijziging van de beheersovereenkomst.
Het in de eerste alinea bedoelde verslag zorgt voor de samenhang tussen de inhoud van de beheersovereenkomst en de voor het jaar goedgekeurde begroting.
§ 5. De Regering en het Directiecomité van ETNIC kunnen op verzoek van een van de partijen de beheersovereenkomst wijzigen overeenkomstig de in lid 3 vermelde procedures. In dit geval wordt de periode van vier maanden teruggebracht tot één maand.
Tussen twee wijzigingen liggen minimaal zes maanden.
§ 6. Op aanvraag van de Regering of het Directiecomité van ETNIC kan de beheersovereenkomst vóór het verstrijken van de in lid 5 bedoelde periode van zes maanden worden gewijzigd in specifiek gemotiveerde dringende gevallen die ten tijde van de sluiting of vorige wijziging van de beheersovereenkomst niet te voorzien waren.
Deze wijziging wordt aangebracht overeenkomstig de in lid 3 beschreven procedures. In dit geval wordt de termijn van vier maanden verkort tot 15 dagen.
§ 7. De beheersovereenkomst eindigt met de sluiting van een nieuwe beheersovereenkomst overeenkomstig lid 3.
Uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van de beheersovereenkomst legt de bevoegde minister, op voorstel van het Directiecomité van ETNIC, aan de overheid een evaluatie van de overeenkomst en de uitvoering ervan voor, alsmede aanbevelingen voor de vaststelling van de volgende overeenkomst.]1
Art. 20bis. [1 § 1er. Un contrat d'administration est établi pour l'ETNIC.
Le contrat d'administration incluant une planification stratégique à cinq ans comprend au minimum :
1° une description des missions ;
2° une analyse de l'environnement et des principaux acteurs ;
3° les objectifs stratégiques et opérationnels ;
4°[2 ...]2
5° l'affectation des moyens budgétaires et des ressources logistiques et liées aux technologies de l'information et de la communication ;
6° le plan de personnel et l'organigramme ;
7° les modalités de fonctionnement entre le Gouvernement et l'ETNIC ;
8° les modalités de communication externe.
[2 Les projets mettant en oeuvre les objectifs stratégiques et opérationnels sont repris au sein d'une feuille de route, approuvée par le Ministre fonctionnellement compétent. Cette feuille de route est mise à jour par le Ministre fonctionnellement compétent, en collaboration avec l'ETNIC, lors de chaque modification du contrat et suite à la remise du rapport de suivi annuel visé au paragraphe 4. La feuille de route est, après approbation ou mise à jour par le Ministre fonctionnellement compétent, communiquée pour information au Gouvernement.]2
§ 2. Le projet de contrat d'administration est établi par le Comité de direction de l'ETNIC.
Le comité de direction de l'ETNIC [2 rédige le projet de contrat d'administration sur base de la méthodologie fixée par le Gouvernement. ]2.
Ce projet de contrat est soumis au Ministre fonctionnellement compétent pour concertation et approbation [2 ...]2.
§ 3. Dans les six mois de la désignation des mandataires, le Ministre fonctionnellement compétent transmet le projet de contrat d'administration au Gouvernement.
Le Gouvernement et le comité de direction de l'ETNIC négocient le projet de contrat d'administration.
Le contrat est conclu dans les quatre mois de l'envoi du projet au Gouvernement.
En cas de désaccord entre le Comité de direction de l'ETNIC et le Gouvernement à l'expiration du délai visé à l'alinéa précédent, le Gouvernement adopte définitivement le contrat d'administration.
§ 4. Chaque année, après le vote du budget par le Parlement, le comité de direction de l'ETNIC transmet un rapport de suivi du contrat d'administration au Gouvernement par l'intermédiaire du Ministre fonctionnellement compétent.
Le rapport visé à l'alinéa 1er, présente :
1° [2 l'évolution de l'atteinte des objectifs stratégiques et opérationnels ]2 ;
2° les nouveaux risques identifiés par rapport à la mise en oeuvre du contrat ;
3° les propositions de modification du contrat d'administration.
Le rapport visé à l'alinéa 1er, assure la cohérence entre le contenu du contrat d'administration et le budget voté pour l'année.
§ 5. Le Gouvernement et le comité de direction de l'ETNIC, à la demande d'une des parties, peuvent modifier le contrat d'administration selon les modalités prévues au paragraphe 3. Dans ce cas, le délai de quatre mois est réduit à un mois.
Un délai minimum de six mois s'écoule entre deux modifications.
§ 6. A la demande du Gouvernement ou du Comité de direction de l'ETNIC, le contrat d'administration peut être modifié avant l'échéance du délai de six mois visé au paragraphe 5 en cas d'urgence, spécialement motivée et dont la survenance n'était pas prévisible lors de la conclusion ou de la précédente modification du contrat d'administration.
Cette modification intervient selon les modalités décrites au paragraphe 3. Dans ce cas, le délais de quatre mois est réduit à 15 jours.
§ 7. Le contrat d'administration prend fin par la conclusion d'un nouveau contrat d'administration conformément au paragraphe 3.
Au plus tard six mois avant l'expiration du contrat d'administration, le Ministre fonctionnellement compétent, sur proposition du comité de direction de l'ETNIC, soumet au Gouvernement l'évaluation du contrat et de sa mise en oeuvre ainsi que des recommandations pour l'établissement du prochain contrat.]1
Le contrat d'administration incluant une planification stratégique à cinq ans comprend au minimum :
1° une description des missions ;
2° une analyse de l'environnement et des principaux acteurs ;
3° les objectifs stratégiques et opérationnels ;
4°[2 ...]2
5° l'affectation des moyens budgétaires et des ressources logistiques et liées aux technologies de l'information et de la communication ;
6° le plan de personnel et l'organigramme ;
7° les modalités de fonctionnement entre le Gouvernement et l'ETNIC ;
8° les modalités de communication externe.
[2 Les projets mettant en oeuvre les objectifs stratégiques et opérationnels sont repris au sein d'une feuille de route, approuvée par le Ministre fonctionnellement compétent. Cette feuille de route est mise à jour par le Ministre fonctionnellement compétent, en collaboration avec l'ETNIC, lors de chaque modification du contrat et suite à la remise du rapport de suivi annuel visé au paragraphe 4. La feuille de route est, après approbation ou mise à jour par le Ministre fonctionnellement compétent, communiquée pour information au Gouvernement.]2
§ 2. Le projet de contrat d'administration est établi par le Comité de direction de l'ETNIC.
Le comité de direction de l'ETNIC [2 rédige le projet de contrat d'administration sur base de la méthodologie fixée par le Gouvernement. ]2.
Ce projet de contrat est soumis au Ministre fonctionnellement compétent pour concertation et approbation [2 ...]2.
§ 3. Dans les six mois de la désignation des mandataires, le Ministre fonctionnellement compétent transmet le projet de contrat d'administration au Gouvernement.
Le Gouvernement et le comité de direction de l'ETNIC négocient le projet de contrat d'administration.
Le contrat est conclu dans les quatre mois de l'envoi du projet au Gouvernement.
En cas de désaccord entre le Comité de direction de l'ETNIC et le Gouvernement à l'expiration du délai visé à l'alinéa précédent, le Gouvernement adopte définitivement le contrat d'administration.
§ 4. Chaque année, après le vote du budget par le Parlement, le comité de direction de l'ETNIC transmet un rapport de suivi du contrat d'administration au Gouvernement par l'intermédiaire du Ministre fonctionnellement compétent.
Le rapport visé à l'alinéa 1er, présente :
1° [2 l'évolution de l'atteinte des objectifs stratégiques et opérationnels ]2 ;
2° les nouveaux risques identifiés par rapport à la mise en oeuvre du contrat ;
3° les propositions de modification du contrat d'administration.
Le rapport visé à l'alinéa 1er, assure la cohérence entre le contenu du contrat d'administration et le budget voté pour l'année.
§ 5. Le Gouvernement et le comité de direction de l'ETNIC, à la demande d'une des parties, peuvent modifier le contrat d'administration selon les modalités prévues au paragraphe 3. Dans ce cas, le délai de quatre mois est réduit à un mois.
Un délai minimum de six mois s'écoule entre deux modifications.
§ 6. A la demande du Gouvernement ou du Comité de direction de l'ETNIC, le contrat d'administration peut être modifié avant l'échéance du délai de six mois visé au paragraphe 5 en cas d'urgence, spécialement motivée et dont la survenance n'était pas prévisible lors de la conclusion ou de la précédente modification du contrat d'administration.
Cette modification intervient selon les modalités décrites au paragraphe 3. Dans ce cas, le délais de quatre mois est réduit à 15 jours.
§ 7. Le contrat d'administration prend fin par la conclusion d'un nouveau contrat d'administration conformément au paragraphe 3.
Au plus tard six mois avant l'expiration du contrat d'administration, le Ministre fonctionnellement compétent, sur proposition du comité de direction de l'ETNIC, soumet au Gouvernement l'évaluation du contrat et de sa mise en oeuvre ainsi que des recommandations pour l'établissement du prochain contrat.]1
Art. 21. [1 § 1. Elke mandaathouder [3 van rang 16 die niet behoort tot het Directiecomité en]3 van rang 15, stelt, binnen de drie maanden na de inwerkingtreding van de bestuursovereenkomst of na zijn benoeming, als die later geschiedt, in overleg met zijn hiërarchische meerdere, een ontwerp van doelstellingencontract op, dat zijn opdrachtenblad en de bestuursovereenkomst voor [3 zijn algemene directie of ]3 zijn algemene dienst uitvoert.
De mandaathouders van rang 15 die binnen de instellingen van openbaar nut van categorie [2 A en van categorie]2 B in de zin van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut worden benoemd, worden vrijgesteld van het opstellen van een doelstellingencontract.
§ 2. Het doelstellingencontract wordt opgesteld op grond van een model dat door de Regering wordt goedgekeurd op voorstel van het Directiecomité. Het doelstellingencontract is een synthesedocument dat op grond van meetbare gegevens wordt opgemaakt.
Het doelstellingencontract wordt door de onmiddellijk hiërarchische meerdere goedgekeurd na overleg binnen het Directiecomité.
Het doelstellingencontract wordt opnieuw onderzocht, en, in voorkomend geval, aangepast binnen de drie maanden na elke wijziging van de bestuursovereenkomst.
Het doelstellingencontract, alsook de wijzigingen die eraan zouden worden aangebracht, worden voor informatie aan de functioneel bevoegde Minister, aan de Minister van Begroting en aan de Minister van Ambtenarenzaken meegedeeld.
Als de onmiddellijk hiërarchische meerdere en de mandaathouder [3 van rang 16 die niet behoort tot het Directiecomité of]3 van rang 15 het niet eens zijn over de inhoud van het doelstellingencontract, keurt(en) de functioneel bevoegde minister(s) het doelstellingencontract definitief goed. Als er geen akkoord bereikt wordt, dan keurt de Regering het doelstellingencontract goed.
Het eindigt gelijktijdig met de bestuursovereenkomst.
§ 3. Elk jaar, na de aanneming van de begroting in het Parlement, deelt de mandaathouder [3 van rang 16 die niet behoort tot het Directiecomité of]3 van rang 15, een verslag over het opvolgen van het doelstellingencontract aan zijn onmiddellijk hiërarchische meerdere mee.
Dat verslag stelt de volgende gegevens voor :
1° de evolutie betreffende het bereiken van de strategische en operationele doelstellingen die in het doelstellingencontract bepaald zijn;
2° de nieuwe risico's die worden ontdekt gedurende de uitvoering van de doelstellingen die in het doelstellingencontract bepaald zijn en, als dit mogelijk is, de potentiële gevolgen van die risico's op de uitvoering van de beheersovereenkomst;
3° de eventuele voorstellen tot wijziging van zijn contract.]1
De mandaathouders van rang 15 die binnen de instellingen van openbaar nut van categorie [2 A en van categorie]2 B in de zin van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut worden benoemd, worden vrijgesteld van het opstellen van een doelstellingencontract.
§ 2. Het doelstellingencontract wordt opgesteld op grond van een model dat door de Regering wordt goedgekeurd op voorstel van het Directiecomité. Het doelstellingencontract is een synthesedocument dat op grond van meetbare gegevens wordt opgemaakt.
Het doelstellingencontract wordt door de onmiddellijk hiërarchische meerdere goedgekeurd na overleg binnen het Directiecomité.
Het doelstellingencontract wordt opnieuw onderzocht, en, in voorkomend geval, aangepast binnen de drie maanden na elke wijziging van de bestuursovereenkomst.
Het doelstellingencontract, alsook de wijzigingen die eraan zouden worden aangebracht, worden voor informatie aan de functioneel bevoegde Minister, aan de Minister van Begroting en aan de Minister van Ambtenarenzaken meegedeeld.
Als de onmiddellijk hiërarchische meerdere en de mandaathouder [3 van rang 16 die niet behoort tot het Directiecomité of]3 van rang 15 het niet eens zijn over de inhoud van het doelstellingencontract, keurt(en) de functioneel bevoegde minister(s) het doelstellingencontract definitief goed. Als er geen akkoord bereikt wordt, dan keurt de Regering het doelstellingencontract goed.
Het eindigt gelijktijdig met de bestuursovereenkomst.
§ 3. Elk jaar, na de aanneming van de begroting in het Parlement, deelt de mandaathouder [3 van rang 16 die niet behoort tot het Directiecomité of]3 van rang 15, een verslag over het opvolgen van het doelstellingencontract aan zijn onmiddellijk hiërarchische meerdere mee.
Dat verslag stelt de volgende gegevens voor :
1° de evolutie betreffende het bereiken van de strategische en operationele doelstellingen die in het doelstellingencontract bepaald zijn;
2° de nieuwe risico's die worden ontdekt gedurende de uitvoering van de doelstellingen die in het doelstellingencontract bepaald zijn en, als dit mogelijk is, de potentiële gevolgen van die risico's op de uitvoering van de beheersovereenkomst;
3° de eventuele voorstellen tot wijziging van zijn contract.]1
Art. 21. [1 § 1er . Chaque mandataire [3 de rang 16 ne faisant pas partie du Comité de direction et ]3 de rang 15 établit dans les trois mois à dater de l'entrée en vigueur du Contrat d'administration ou de sa désignation si elle lui est postérieure, en concertation avec son supérieur hiérarchique, un projet de contrat d'objectifs, qui met en oeuvre sa lettre de mission et le contrat d'administration pour ce qui concerne [3 sa Direction générale ou ]3 son Service général.
Les mandataires de rang 15 désignés au sein des organismes d'intérêt public de la catégorie [2 A et de la catégorie]2 B au sens de la loi du 16 mars 1954 relative au contrôle des certains organismes d'intérêt public sont dispensés de l'établissement d'un contrat d'objectifs.
§ 2. Le contrat d'objectifs est établi sur base d'un modèle adopté par le Gouvernement sur proposition du Comité de direction. Le contrat d'objectifs est un document synthétique établi sur la base d'éléments mesurables.
Le contrat d'objectifs est approuvé par le supérieur hiérarchique direct après concertation au sein du Comité de direction.
Le contrat d'objectifs est réexaminé et, le cas échéant, adapté dans les trois mois de toute modification du contrat d'administration.
Le contrat d'objectifs, ainsi que les modifications qui y seraient apportées, sont communiquées, pour information, au Ministre fonctionnel, au Ministre du Budget et au Ministre de la Fonction publique.
En cas de désaccord entre le supérieur hiérarchique direct et le mandataire [3 de rang 16 ne faisant pas partie du Comité de direction ou]3 de rang 15, sur le contenu du contrat d'objectifs, le ou les ministre(s) fonctionnel(s) adopte(nt) définitivement le contrat d'objectifs. A défaut d'accord, le Gouvernement adopte le contrat d'objectifs.
Il expire à l'échéance du contrat d'administration.
§ 3. Chaque année, après le vote du budget au Parlement, le mandataire [3 de rang 16 ne faisant pas partie du Comité de direction ou ]3 de rang 15 transmet un rapport de suivi du contrat d'objectifs à son supérieur hiérarchique direct.
Ce rapport présente :
1° l'évolution de l'atteinte des objectifs stratégiques et opérationnels repris dans le contrat d'objectifs
2° les nouveaux risques identifiés par rapport à la mise en oeuvre des objectifs compris dans le contrat d'objectifs et, si possible, l'impact potentiel de ces risques sur la mise en oeuvre du contrat d'administration.
3° les éventuelles propositions de modification de son contrat.]1
Les mandataires de rang 15 désignés au sein des organismes d'intérêt public de la catégorie [2 A et de la catégorie]2 B au sens de la loi du 16 mars 1954 relative au contrôle des certains organismes d'intérêt public sont dispensés de l'établissement d'un contrat d'objectifs.
§ 2. Le contrat d'objectifs est établi sur base d'un modèle adopté par le Gouvernement sur proposition du Comité de direction. Le contrat d'objectifs est un document synthétique établi sur la base d'éléments mesurables.
Le contrat d'objectifs est approuvé par le supérieur hiérarchique direct après concertation au sein du Comité de direction.
Le contrat d'objectifs est réexaminé et, le cas échéant, adapté dans les trois mois de toute modification du contrat d'administration.
Le contrat d'objectifs, ainsi que les modifications qui y seraient apportées, sont communiquées, pour information, au Ministre fonctionnel, au Ministre du Budget et au Ministre de la Fonction publique.
En cas de désaccord entre le supérieur hiérarchique direct et le mandataire [3 de rang 16 ne faisant pas partie du Comité de direction ou]3 de rang 15, sur le contenu du contrat d'objectifs, le ou les ministre(s) fonctionnel(s) adopte(nt) définitivement le contrat d'objectifs. A défaut d'accord, le Gouvernement adopte le contrat d'objectifs.
Il expire à l'échéance du contrat d'administration.
§ 3. Chaque année, après le vote du budget au Parlement, le mandataire [3 de rang 16 ne faisant pas partie du Comité de direction ou ]3 de rang 15 transmet un rapport de suivi du contrat d'objectifs à son supérieur hiérarchique direct.
Ce rapport présente :
1° l'évolution de l'atteinte des objectifs stratégiques et opérationnels repris dans le contrat d'objectifs
2° les nouveaux risques identifiés par rapport à la mise en oeuvre des objectifs compris dans le contrat d'objectifs et, si possible, l'impact potentiel de ces risques sur la mise en oeuvre du contrat d'administration.
3° les éventuelles propositions de modification de son contrat.]1
Art. 21bis. [1 § 1. De instellingen van openbaar nut van categorie B in de zin van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, worden vrijgesteld van het opstellen van een bestuursovereenkomst.
§ 2. Binnen de zes maanden volgend op hun benoeming, stellen de mandaathouders van de instellingen van openbaar nut van categorie B een bestuursplan op, dat de activiteiten en projecten beschrijft die de doelstellingen van de beheersovereenkomst concretiseren.
Om de door het plan beschreven activiteiten en projecten te bepalen, moeten inzonderheid de opdrachtenbladen van de mandaathouders van de instelling van openbaar nut worden gebruikt.
Het plan beschrijft de activiteiten en projecten waarvoor elke mandaathouder bevoegd of medebevoegd is, of waartoe hij bijdraagt.
Het plan bevat de indicatoren waarmee kan worden gemeten of de beschreven activiteiten en projecten, waarvoor een indicator vereist is, bereikt zijn.
Het bestuurplan is geldig voor een periode van twee jaar; het wordt eerst door het beheersorgaan en dan door de Regering goedgekeurd.
Op het einde van die periode van twee jaar, wordt een tweede bestuurplan voor het vervolg van het mandaat opgesteld volgens dezelfde nadere regels.
In de loop van zijn geldigheidsperiode kan het bestuursplan worden gewijzigd nadat een aanhangsel bij de beheersovereenkomst van de instelling aangenomen is.
§ 3. Op het einde van elk bestuursplan, deelt het directiecomité of de directieraad van de instelling een verslag aan de Regering mee door toedoen van de Minister van Ambtenarenzaken.
Dat verslag stelt de volgende gegevens voor :
1° de evolutie betreffende het bereiken van de activiteiten en projecten van het bestuursplan;
2° de nieuwe risico's die worden ontdekt gedurende de uitvoering van het bestuursplan;
3° de eventuele voorstellen die in overweging en in aanmerking moeten worden genomen bij het opmaken van het volgende bestuursplan.]1
§ 2. Binnen de zes maanden volgend op hun benoeming, stellen de mandaathouders van de instellingen van openbaar nut van categorie B een bestuursplan op, dat de activiteiten en projecten beschrijft die de doelstellingen van de beheersovereenkomst concretiseren.
Om de door het plan beschreven activiteiten en projecten te bepalen, moeten inzonderheid de opdrachtenbladen van de mandaathouders van de instelling van openbaar nut worden gebruikt.
Het plan beschrijft de activiteiten en projecten waarvoor elke mandaathouder bevoegd of medebevoegd is, of waartoe hij bijdraagt.
Het plan bevat de indicatoren waarmee kan worden gemeten of de beschreven activiteiten en projecten, waarvoor een indicator vereist is, bereikt zijn.
Het bestuurplan is geldig voor een periode van twee jaar; het wordt eerst door het beheersorgaan en dan door de Regering goedgekeurd.
Op het einde van die periode van twee jaar, wordt een tweede bestuurplan voor het vervolg van het mandaat opgesteld volgens dezelfde nadere regels.
In de loop van zijn geldigheidsperiode kan het bestuursplan worden gewijzigd nadat een aanhangsel bij de beheersovereenkomst van de instelling aangenomen is.
§ 3. Op het einde van elk bestuursplan, deelt het directiecomité of de directieraad van de instelling een verslag aan de Regering mee door toedoen van de Minister van Ambtenarenzaken.
Dat verslag stelt de volgende gegevens voor :
1° de evolutie betreffende het bereiken van de activiteiten en projecten van het bestuursplan;
2° de nieuwe risico's die worden ontdekt gedurende de uitvoering van het bestuursplan;
3° de eventuele voorstellen die in overweging en in aanmerking moeten worden genomen bij het opmaken van het volgende bestuursplan.]1
Art. 21bis. [1 § 1er . Les organismes d'intérêt public de la catégorie B au sens de la loi du 16 mars 1954 relative au contrôle des certains organismes d'intérêt public sont dispensés de l'établissement d'un contrat d'administration.
§ 2. Dans les six mois qui suivent leur désignation, les mandataires des organismes d'intérêt public de la catégorie B établissent un plan d'administration, qui décrit les activités et projets concrétisant les objectifs du contrat de gestion.
Pour déterminer les activités et projets décrits par le plan, il convient de se baser notamment sur les lettres de mission des mandataires de l'organisme d'intérêt public.
Le plan définit les activités et projets dont chaque mandataire est responsable, coresponsable ou contributeur.
Le plan contient les indicateurs permettant de mesurer l'atteinte des activités et projets qu'il décrit pour celles de ces activités et ceux de ces projets pour lesquels un indicateur se justifie.
Le plan d'administration est valable pour une durée de deux ans ; il est approuvé par l'organe de gestion puis adopté par le Gouvernement.
A l'échéance de ces deux ans, un second plan d'administration couvrant la suite du mandat est établi selon les mêmes modalités.
Pendant sa durée, le plan d'administration peut être modifié suite à l'adoption d'un avenant au contrat de gestion de l'organisme.
§ 3. A l'issue de chaque plan d'administration, le Comité de direction ou le Conseil de direction, de l'organisme transmet un rapport au Gouvernement par l'intermédiaire du Ministre de la Fonction publique.
Ce rapport présente :
1° l'évolution des activités et projets du plan d'administration;
2° les nouveaux risques identifiés par rapport à la mise en oeuvre du plan d'administration..
3° les éventuelles propositions à prendre en compte lors de l'établissement du prochain plan d'administration.]1
§ 2. Dans les six mois qui suivent leur désignation, les mandataires des organismes d'intérêt public de la catégorie B établissent un plan d'administration, qui décrit les activités et projets concrétisant les objectifs du contrat de gestion.
Pour déterminer les activités et projets décrits par le plan, il convient de se baser notamment sur les lettres de mission des mandataires de l'organisme d'intérêt public.
Le plan définit les activités et projets dont chaque mandataire est responsable, coresponsable ou contributeur.
Le plan contient les indicateurs permettant de mesurer l'atteinte des activités et projets qu'il décrit pour celles de ces activités et ceux de ces projets pour lesquels un indicateur se justifie.
Le plan d'administration est valable pour une durée de deux ans ; il est approuvé par l'organe de gestion puis adopté par le Gouvernement.
A l'échéance de ces deux ans, un second plan d'administration couvrant la suite du mandat est établi selon les mêmes modalités.
Pendant sa durée, le plan d'administration peut être modifié suite à l'adoption d'un avenant au contrat de gestion de l'organisme.
§ 3. A l'issue de chaque plan d'administration, le Comité de direction ou le Conseil de direction, de l'organisme transmet un rapport au Gouvernement par l'intermédiaire du Ministre de la Fonction publique.
Ce rapport présente :
1° l'évolution des activités et projets du plan d'administration;
2° les nouveaux risques identifiés par rapport à la mise en oeuvre du plan d'administration..
3° les éventuelles propositions à prendre en compte lors de l'établissement du prochain plan d'administration.]1
Modifications
Afdeling 8. - Duur van het mandaat
Section 8. - Durée du mandat
Art. 22. De mandaten eindigen op 31 december van het jaar waarin de eedaflegging van de leden van een nieuwe Regering die rechtstreeks volgt op de vernieuwing van het Parlement heeft plaatsgevonden.
De mandaathouder houdt van ambtswege op zijn ambt uit te oefenen op het aldus vastgestelde einde van de termijn. Als geen nieuwe mandaathouder echter op die datum aangesteld is, wordt het lopende mandaat verlengd tot 31 maart van het jaar volgend op het jaar waarin de eedaflegging van de leden van een nieuwe Regering die rechtstreeks volgt op de vernieuwing van het Parlement heeft plaatsgevonden.
Op het einde van die verlenging, als geen nieuwe mandaathouder wordt aangesteld, kan de Regering, bij een met redenen omklede beslissing, het lopende mandaat verlengen met een bijkomende periode die door de Regering vast te stellen is.
De in het eerste lid bepaalde datum van het einde van het mandaat is van toepassing zelfs als het lopende mandaat werd toegekend na 31 december van het jaar waarin de eedaflegging van de leden van de Regering die onmiddellijk volgt op de vernieuwing van het Parlement heeft plaatsgevonden.
Dit artikel is van toepassing onverminderd de wettelijke regels tot vaststelling van de leeftijd waarop de ambtenaren van de diensten van de Franse Gemeenschap, door het gewone feit dat ze die leeftijd hebben bereikt, van ambtswege in ruste worden gesteld.
De mandaathouder houdt van ambtswege op zijn ambt uit te oefenen op het aldus vastgestelde einde van de termijn. Als geen nieuwe mandaathouder echter op die datum aangesteld is, wordt het lopende mandaat verlengd tot 31 maart van het jaar volgend op het jaar waarin de eedaflegging van de leden van een nieuwe Regering die rechtstreeks volgt op de vernieuwing van het Parlement heeft plaatsgevonden.
Op het einde van die verlenging, als geen nieuwe mandaathouder wordt aangesteld, kan de Regering, bij een met redenen omklede beslissing, het lopende mandaat verlengen met een bijkomende periode die door de Regering vast te stellen is.
De in het eerste lid bepaalde datum van het einde van het mandaat is van toepassing zelfs als het lopende mandaat werd toegekend na 31 december van het jaar waarin de eedaflegging van de leden van de Regering die onmiddellijk volgt op de vernieuwing van het Parlement heeft plaatsgevonden.
Dit artikel is van toepassing onverminderd de wettelijke regels tot vaststelling van de leeftijd waarop de ambtenaren van de diensten van de Franse Gemeenschap, door het gewone feit dat ze die leeftijd hebben bereikt, van ambtswege in ruste worden gesteld.
Art. 22. Les mandats viennent à échéance le 31 décembre de l'année au cours de laquelle est intervenue la prestation de serment des membres d'un nouveau Gouvernement faisant directement suite au renouvellement du Parlement.
Le mandataire cesse de plein droit d'exercer ses fonctions à l'échéance ainsi fixée. Toutefois, en l'absence de désignation d'un nouveau mandataire à cette échéance, le mandat en cours est prolongé jusqu'au 31 mars de l'année suivant celle au cours de laquelle est intervenue la prestation de serment des membres d'un nouveau Gouvernement faisant directement suite au renouvellement du Parlement.
Au terme de cette prolongation, en l'absence de désignation d'un nouveau mandataire, le Gouvernement peut, par décision motivée, prolonger le mandat en cours pour une période supplémentaire d'une durée que le Gouvernement détermine.
La date d'échéance du mandat prévue à l'alinéa 1er est d'application même lorsque le mandat en cours a été attribué après le 31 décembre de l'année au cours de laquelle est intervenue la prestation de serment des membres du Gouvernement faisant directement suite au renouvellement du Parlement.
Le présent article s'applique sans préjudice des règles légales fixant l'âge auquel les agents des services de la Communauté française, par le seul fait qu'ils l'ont atteint, sont admis d'office à la retraite.
Le mandataire cesse de plein droit d'exercer ses fonctions à l'échéance ainsi fixée. Toutefois, en l'absence de désignation d'un nouveau mandataire à cette échéance, le mandat en cours est prolongé jusqu'au 31 mars de l'année suivant celle au cours de laquelle est intervenue la prestation de serment des membres d'un nouveau Gouvernement faisant directement suite au renouvellement du Parlement.
Au terme de cette prolongation, en l'absence de désignation d'un nouveau mandataire, le Gouvernement peut, par décision motivée, prolonger le mandat en cours pour une période supplémentaire d'une durée que le Gouvernement détermine.
La date d'échéance du mandat prévue à l'alinéa 1er est d'application même lorsque le mandat en cours a été attribué après le 31 décembre de l'année au cours de laquelle est intervenue la prestation de serment des membres du Gouvernement faisant directement suite au renouvellement du Parlement.
Le présent article s'applique sans préjudice des règles légales fixant l'âge auquel les agents des services de la Communauté française, par le seul fait qu'ils l'ont atteint, sont admis d'office à la retraite.
Art. 23. § 1. Het mandaat eindigt vroegtijdig in de volgende gevallen :
1° vrijwillig ontslag van de mandaathouder;
2° plaatsvinden van een gebeurtenis bedoeld in artikel 23 van het KBAP, die voor een ambtenaar het verlies van zijn hoedanigheid als ambtenaar tot gevolg heeft;
3° niet-naleving door de mandaathouder van de onverenigbaarheidsregeling, zoals bepaald in artikel 26;
4° definitieve tuchtsanctie met ontslag van ambtswege of afzetting als gevolg;
5° schorsing in het belang van de dienst gedurende meer dan zes maanden;
6° een evaluatie " ongunstig " tijdens het mandaat of twee opeenvolgende evaluaties " met voorbehoud " tijdens het mandaat;
7° inrustestelling;
8° politiek verlof van ambtswege van meer dan vier dagen per maand;
9° aanwijzing van de mandaathouder om het ambt van schepen, burgemeester, of voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn uit te oefenen;
10° vrijstelling van dienst of facultatief politiek verlof die, gecumuleerd met het politiek verlof van ambtswege, een totaal van vier werkdagen afwezigheid per maand overschrijden, met toepassing van de regeling inzake het politiek verlof.
Met toepassing van het eerste lid, 3°, indien de Regering van mening is dat een activiteit, bezigheid of gedrag, bedoeld in artikel 26, 2° en 3°, met het mandaat onverenigbaar is, geeft ze de mandaathouder de mogelijkheid om, voordat zijn mandaat wordt beëindigd, binnen een termijn van één maand, die activiteit, die bezigheid of dat gedrag stop te zetten.
De overheid kan overigens het mandaat beëindigen wegens ziekte voor een ononderbroken duur van minstens zes maanden gedurende het lopende mandaat.
Met elke ontslagaanbieding moet een opzegtermijn van zes maanden gepaard gaan, of van een kortere duur die in onderlinge overeenstemming tussen de mandaathouder en de functionele Minister(s) wordt vastgesteld.
§ 2. De aanstelling van een nieuwe mandaathouder geschiedt door de aanstelling van een andere kandidaat die zich kandidaat heeft gesteld ofwel bij de vroegere oproep tot kandidaten, ofwel bij een nieuwe oproep tot kandidaten. In dit laatste geval, stelt de Regering de uiterste datum voor de indiening van de kandidaturen vast.
1° vrijwillig ontslag van de mandaathouder;
2° plaatsvinden van een gebeurtenis bedoeld in artikel 23 van het KBAP, die voor een ambtenaar het verlies van zijn hoedanigheid als ambtenaar tot gevolg heeft;
3° niet-naleving door de mandaathouder van de onverenigbaarheidsregeling, zoals bepaald in artikel 26;
4° definitieve tuchtsanctie met ontslag van ambtswege of afzetting als gevolg;
5° schorsing in het belang van de dienst gedurende meer dan zes maanden;
6° een evaluatie " ongunstig " tijdens het mandaat of twee opeenvolgende evaluaties " met voorbehoud " tijdens het mandaat;
7° inrustestelling;
8° politiek verlof van ambtswege van meer dan vier dagen per maand;
9° aanwijzing van de mandaathouder om het ambt van schepen, burgemeester, of voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn uit te oefenen;
10° vrijstelling van dienst of facultatief politiek verlof die, gecumuleerd met het politiek verlof van ambtswege, een totaal van vier werkdagen afwezigheid per maand overschrijden, met toepassing van de regeling inzake het politiek verlof.
Met toepassing van het eerste lid, 3°, indien de Regering van mening is dat een activiteit, bezigheid of gedrag, bedoeld in artikel 26, 2° en 3°, met het mandaat onverenigbaar is, geeft ze de mandaathouder de mogelijkheid om, voordat zijn mandaat wordt beëindigd, binnen een termijn van één maand, die activiteit, die bezigheid of dat gedrag stop te zetten.
De overheid kan overigens het mandaat beëindigen wegens ziekte voor een ononderbroken duur van minstens zes maanden gedurende het lopende mandaat.
Met elke ontslagaanbieding moet een opzegtermijn van zes maanden gepaard gaan, of van een kortere duur die in onderlinge overeenstemming tussen de mandaathouder en de functionele Minister(s) wordt vastgesteld.
§ 2. De aanstelling van een nieuwe mandaathouder geschiedt door de aanstelling van een andere kandidaat die zich kandidaat heeft gesteld ofwel bij de vroegere oproep tot kandidaten, ofwel bij een nieuwe oproep tot kandidaten. In dit laatste geval, stelt de Regering de uiterste datum voor de indiening van de kandidaturen vast.
Art. 23. § 1er. Le mandat prend fin de façon anticipée dans les cas suivants :
1° la démission volontaire du mandataire;
2° la survenance d'un événement visé à l'article 23 de l'ARPG qui entraîne pour un agent la perte de sa qualité d'agent;
3° le non-respect, par le mandataire, du régime d'incompatibilité tel qu'organisé à l'article 26;
4° une sanction disciplinaire définitive de démission d'office ou de révocation;
5° une suspension dans l'intérêt du service de plus de six mois;
6° l'évaluation défavorable en cours de mandat ou deux évaluations réservées successives en cours de mandat;
7° la mise à la retraite;
8° le bénéfice d'un congé politique d'office de plus de quatre jours par mois;
9° la désignation du mandataire pour exercer des fonctions d'échevin, de bourgmestre, ou de président du conseil de l'action sociale;
10° le bénéfice de dispenses de service ou de congés politiques facultatifs qui conduisent en les cumulant avec le congé politique d'office à dépasser un total de quatre jours ouvrables d'absence par mois, en application de la réglementation relative au congé politique.
En application de l'alinéa 1er, 3°, si le Gouvernement estime qu'une activité, occupation ou comportement, visé à l'article 26, 2° et 3°, est incompatible avec le mandat, il donne la possibilité au mandataire, avant de mettre fin à son mandat, de cesser, dans un délai d'un mois, ladite activité, ladite occupation ou ledit comportement.
Par ailleurs, l'autorité peut mettre fin au mandat pour cause de maladie d'une durée ininterrompue d'au moins six mois pendant le mandat en cours.
Toute offre de démission doit être assortie d'un préavis de six mois, sauf durée plus courte arrêtée de commun accord entre le mandataire et le(s) Ministre(s) fonctionnel(s).
§ 2. La désignation d'un nouveau mandataire se fait par la désignation d'un autre candidat ayant posé sa candidature soit lors du précédent appel à candidatures, soit à la suite d'un nouvel appel à candidatures. Dans ce dernier cas, le Gouvernement fixe la date ultime d'introduction des candidatures.
1° la démission volontaire du mandataire;
2° la survenance d'un événement visé à l'article 23 de l'ARPG qui entraîne pour un agent la perte de sa qualité d'agent;
3° le non-respect, par le mandataire, du régime d'incompatibilité tel qu'organisé à l'article 26;
4° une sanction disciplinaire définitive de démission d'office ou de révocation;
5° une suspension dans l'intérêt du service de plus de six mois;
6° l'évaluation défavorable en cours de mandat ou deux évaluations réservées successives en cours de mandat;
7° la mise à la retraite;
8° le bénéfice d'un congé politique d'office de plus de quatre jours par mois;
9° la désignation du mandataire pour exercer des fonctions d'échevin, de bourgmestre, ou de président du conseil de l'action sociale;
10° le bénéfice de dispenses de service ou de congés politiques facultatifs qui conduisent en les cumulant avec le congé politique d'office à dépasser un total de quatre jours ouvrables d'absence par mois, en application de la réglementation relative au congé politique.
En application de l'alinéa 1er, 3°, si le Gouvernement estime qu'une activité, occupation ou comportement, visé à l'article 26, 2° et 3°, est incompatible avec le mandat, il donne la possibilité au mandataire, avant de mettre fin à son mandat, de cesser, dans un délai d'un mois, ladite activité, ladite occupation ou ledit comportement.
Par ailleurs, l'autorité peut mettre fin au mandat pour cause de maladie d'une durée ininterrompue d'au moins six mois pendant le mandat en cours.
Toute offre de démission doit être assortie d'un préavis de six mois, sauf durée plus courte arrêtée de commun accord entre le mandataire et le(s) Ministre(s) fonctionnel(s).
§ 2. La désignation d'un nouveau mandataire se fait par la désignation d'un autre candidat ayant posé sa candidature soit lors du précédent appel à candidatures, soit à la suite d'un nouvel appel à candidatures. Dans ce dernier cas, le Gouvernement fixe la date ultime d'introduction des candidatures.
Art. 24. [1 § 1. De regering kan elke ambtenaar die zijn ambt uitoefent binnen de instelling, bij de diensten van de regering van de Franse Gemeenschap, het `Office de la Naissance et de l'Enfance', het `Institut de Formation en cours de carrière', het `Entreprise publique des Technologies Numériques de l'Information et de la Communication de la Communauté française' aanstellen om hogere ambten uit te oefenen voor een periode van twaalf maanden, die kan worden hernieuwd, in de volgende gevallen :
1° afwezigheid van een kandidaat of van een geschikte kandidaat in de zin van artikel 18, derde lid;
2° afwezigheid van de mandaathouder gedurende meer dan twee maanden;
3° de voorzienbare afwezigheid van de mandaathouder gedurende een periode van ten minste twee maanden;
4° beëindiging van het mandaat, in afwachting van de benoeming van een nieuwe mandaathouder.
Voor de toepassing van de stelsels bedoeld in paragraaf 1, 2°, 3° en 4°, geeft de regering voorrang aan de ambtenaren die lid zijn van de pool bedoeld in artikel 14.
Bij ontstentenis van de kandidaat bedoeld in het eerste lid of indien geen enkele kandidaat door de regering geschikt wordt geacht om de hogere ambten in vol vertrouwen uit te oefenen, kan deze laatste elk lid van het contractueel personeel aanwijzen dat zijn ambten uitoefent binnen de instelling, in de diensten van de regering van de Franse Gemeenschap, het "Office de la Naissance et de l'Enfance", het "Institut de Formation en cours de carrière", het `Entreprise publique des Technologies Numériques de l'Information et de la Communication de la Communauté française'.
Iedere ambtenaar of contractueel personeelslid dat/die wordt aangesteld om de hogere ambten uit te oefenen, moet beschikken over een beroepservaring van vijf jaar op niveau 1 of een gelijkwaardig niveau, waarvan twee jaar beroepservaring in teammanagement.
§ 2 Ingeval een mandaathouder wordt aangewezen om hogere ambten uit te oefenen, wordt het mandaat geschorst voor de duur van de hogere ambten.
De mandaathouder die wordt aangewezen om hogere ambten uit te oefenen, behoudt ten minste zijn bezoldiging als mandaathouder in de zin van de artikelen 30 en 31.]1
1° afwezigheid van een kandidaat of van een geschikte kandidaat in de zin van artikel 18, derde lid;
2° afwezigheid van de mandaathouder gedurende meer dan twee maanden;
3° de voorzienbare afwezigheid van de mandaathouder gedurende een periode van ten minste twee maanden;
4° beëindiging van het mandaat, in afwachting van de benoeming van een nieuwe mandaathouder.
Voor de toepassing van de stelsels bedoeld in paragraaf 1, 2°, 3° en 4°, geeft de regering voorrang aan de ambtenaren die lid zijn van de pool bedoeld in artikel 14.
Bij ontstentenis van de kandidaat bedoeld in het eerste lid of indien geen enkele kandidaat door de regering geschikt wordt geacht om de hogere ambten in vol vertrouwen uit te oefenen, kan deze laatste elk lid van het contractueel personeel aanwijzen dat zijn ambten uitoefent binnen de instelling, in de diensten van de regering van de Franse Gemeenschap, het "Office de la Naissance et de l'Enfance", het "Institut de Formation en cours de carrière", het `Entreprise publique des Technologies Numériques de l'Information et de la Communication de la Communauté française'.
Iedere ambtenaar of contractueel personeelslid dat/die wordt aangesteld om de hogere ambten uit te oefenen, moet beschikken over een beroepservaring van vijf jaar op niveau 1 of een gelijkwaardig niveau, waarvan twee jaar beroepservaring in teammanagement.
§ 2 Ingeval een mandaathouder wordt aangewezen om hogere ambten uit te oefenen, wordt het mandaat geschorst voor de duur van de hogere ambten.
De mandaathouder die wordt aangewezen om hogere ambten uit te oefenen, behoudt ten minste zijn bezoldiging als mandaathouder in de zin van de artikelen 30 en 31.]1
Modifications
Art. 24. [1 § 1er. Le Gouvernement peut désigner tout agent exerçant ses fonctions au sein de l'organisme, dans les services du Gouvernement de la Communauté française, de l'Office de la Naissance et de l'Enfance, de l'Institut de Formation en cours de carrière, de l'Entreprise publique des Technologies Numériques de l'Information et de la Communication de la Communauté française pour exercer les fonctions supérieures pour une période de douze mois, éventuellement renouvelable, dans les cas suivants :
1° absence de candidat ou de candidat apte au sens de l'article 18, alinéa 3;
2° absence du mandataire depuis plus de deux mois;
3° absence prévisible du mandataire pour une durée d'au moins deux mois;
4° fin du mandat, dans l'attente de la désignation d'un nouveau mandataire.
Pour l'application des mécanismes visés à l'alinéa 1er, 2°, 3° et 4°, le Gouvernement fait prioritairement appel aux agents membres du pool visé à l'article 14.
En l'absence de candidat visé l'alinéa 1er, ou si aucun candidat n'a été jugé apte à exercer les fonctions supérieures en toute confiance par le Gouvernement, celui-ci peut désigner tout membre du personnel contractuel exerçant ses fonctions au sein de l'organisme, dans les services du Gouvernement de la Communauté française, de l'Office de la Naissance et de l'Enfance, de l'Institut de Formation en cours de carrière, de l'Entreprise publique des Technologies Numériques de l'Information et de la Communication de la Communauté française.
Tout agent ou membre du personnel contractuel désigné pour exercer les fonctions supérieures doit justifier de cinq ans d'expérience professionnelle dans le niveau 1 ou dans un niveau équivalent dont une expérience professionnelle de deux ans en gestion d'équipe.
§ 2. En cas de désignation d'un mandataire pour exercer des fonctions supérieures le mandat est suspendu pour toute la durée des fonctions supérieures.
Le mandataire désigné pour exercer des fonctions supérieures conserve au moins sa rémunération de mandataire au sens des articles 30 et 31.]1
1° absence de candidat ou de candidat apte au sens de l'article 18, alinéa 3;
2° absence du mandataire depuis plus de deux mois;
3° absence prévisible du mandataire pour une durée d'au moins deux mois;
4° fin du mandat, dans l'attente de la désignation d'un nouveau mandataire.
Pour l'application des mécanismes visés à l'alinéa 1er, 2°, 3° et 4°, le Gouvernement fait prioritairement appel aux agents membres du pool visé à l'article 14.
En l'absence de candidat visé l'alinéa 1er, ou si aucun candidat n'a été jugé apte à exercer les fonctions supérieures en toute confiance par le Gouvernement, celui-ci peut désigner tout membre du personnel contractuel exerçant ses fonctions au sein de l'organisme, dans les services du Gouvernement de la Communauté française, de l'Office de la Naissance et de l'Enfance, de l'Institut de Formation en cours de carrière, de l'Entreprise publique des Technologies Numériques de l'Information et de la Communication de la Communauté française.
Tout agent ou membre du personnel contractuel désigné pour exercer les fonctions supérieures doit justifier de cinq ans d'expérience professionnelle dans le niveau 1 ou dans un niveau équivalent dont une expérience professionnelle de deux ans en gestion d'équipe.
§ 2. En cas de désignation d'un mandataire pour exercer des fonctions supérieures le mandat est suspendu pour toute la durée des fonctions supérieures.
Le mandataire désigné pour exercer des fonctions supérieures conserve au moins sa rémunération de mandataire au sens des articles 30 et 31.]1
Modifications
Afdeling 9. - Administratieve en geldelijke toestand
Section 9. - Situation administrative et pécuniaire
Art. 25. § 1. Het mandaat wordt in het kader van een tijdelijk statutair verband uitgeoefend. Het geeft geen recht op een benoeming in vast verband in het ambt dat het toekent.
De mandaathouder oefent zijn mandaat voltijds uit.
§ 2. De bepalingen die het administratief statuut en het geldelijk statuut van de ambtenaren van de diensten van de Regering uitmaken, zijn toepasselijk op de mandaathouder in de mate waarin dit besluit niet van die bepalingen afwijkt.
De mandaathouder oefent zijn mandaat voltijds uit.
§ 2. De bepalingen die het administratief statuut en het geldelijk statuut van de ambtenaren van de diensten van de Regering uitmaken, zijn toepasselijk op de mandaathouder in de mate waarin dit besluit niet van die bepalingen afwijkt.
Art. 25. § 1. Le mandat s'exerce dans le cadre d'une relation statutaire temporaire. Il ne donne aucun droit à une nomination définitive à la fonction qu'il confère.
Le mandataire exerce son mandat à temps plein.
§ 2. Les dispositions formant le statut administratif et pécuniaire des agents des Services du Gouvernement de la Communauté française sont applicables au mandataire dans la mesure où le présent arrêté ne déroge pas à ces dispositions.
Le mandataire exerce son mandat à temps plein.
§ 2. Les dispositions formant le statut administratif et pécuniaire des agents des Services du Gouvernement de la Communauté française sont applicables au mandataire dans la mesure où le présent arrêté ne déroge pas à ces dispositions.
Art. 26. Gedurende zijn mandaat kan de mandaathouder :
1° geen ambt uitoefenen dat hem verhindert zijn mandaat voltijds uit te oefenen;
2° geen activiteit of bezigheid uitoefenen of hebben uitgeoefend die de vervulling van de plichten van het ambt in het gedrang zou brengen of die zou ingaan tegen de waardigheid van het ambt;
3° geen activiteit, bezigheid of gedrag hebben die/die het vertrouwen van de publieke opinie in zijn dienst zou kunnen schokken of zijn plicht tot neutraliteit in gevaar zou kunnen brengen;
4° geen verlof genieten voor onderbreking van de beroepsloopbaan, met uitzondering van het ouderschapsverlof, van de onderbreking van de loopbaan om palliatieve verzorging en van het verlof om het verlenen van bijstand aan of verzorging van een gezinslid of een familielid tot de tweede graad, dat lijdt aan een ernstige ziekte;
5° geen verlof genieten om een ambt uit te oefenen in het kabinet, het secretariaat, de cel algemene beleidscoördinatie en de cel algemeen beleid van een lid van de Federale Regering, in het kabinet van de voorzitter of een lid van de Regering van een Gemeenschap, een Gewest, het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie of van het College van de Franse Gemeenschapscommissie;
6° geen toelating krijgen om zijn ambt met verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden uit te oefenen;
7° geen verlof wegens persoonlijke aangelegenheden genieten;
8° geen verlof genieten om een activiteit bij een erkende politieke groep uit te oefenen;
9° geen ander verlof wegens opdracht genieten dan het verlof dat hem wordt toegekend om een mandaat in de zin van dit besluit uit te oefenen;
10° geen vervroegde halftijdse inrustestelling genieten;
11° geen verlof genieten om een stage te verrichten;
12° de vrijwillige vierdaagse week niet genieten;
13° geen verlof genieten om ter beschikking van de Koning of de Prinsen en Prinsessen van België te worden gesteld.
[1 Met betrekking tot 4° kan de mandaathouder ouderschapsverlof, loopbaanonderbreking voor palliatieve zorg en verlof voor bijstand of verlenen van zorg aan een gezinslid of familielid tot de tweede graad die aan een ernstige ziekte lijdt, verkrijgen volgens de nadere regels bepaald door het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 15 september 2006 betreffende het verlof wegens loopbaanonderbreking in de Diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap, van de Hoge Raad voor de Audiovisuele Sector van de Franse Gemeenschap en van de Instellingen van openbaar nut die onder het Comité van sector XVII ressorteren.]1
1° geen ambt uitoefenen dat hem verhindert zijn mandaat voltijds uit te oefenen;
2° geen activiteit of bezigheid uitoefenen of hebben uitgeoefend die de vervulling van de plichten van het ambt in het gedrang zou brengen of die zou ingaan tegen de waardigheid van het ambt;
3° geen activiteit, bezigheid of gedrag hebben die/die het vertrouwen van de publieke opinie in zijn dienst zou kunnen schokken of zijn plicht tot neutraliteit in gevaar zou kunnen brengen;
4° geen verlof genieten voor onderbreking van de beroepsloopbaan, met uitzondering van het ouderschapsverlof, van de onderbreking van de loopbaan om palliatieve verzorging en van het verlof om het verlenen van bijstand aan of verzorging van een gezinslid of een familielid tot de tweede graad, dat lijdt aan een ernstige ziekte;
5° geen verlof genieten om een ambt uit te oefenen in het kabinet, het secretariaat, de cel algemene beleidscoördinatie en de cel algemeen beleid van een lid van de Federale Regering, in het kabinet van de voorzitter of een lid van de Regering van een Gemeenschap, een Gewest, het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie of van het College van de Franse Gemeenschapscommissie;
6° geen toelating krijgen om zijn ambt met verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden uit te oefenen;
7° geen verlof wegens persoonlijke aangelegenheden genieten;
8° geen verlof genieten om een activiteit bij een erkende politieke groep uit te oefenen;
9° geen ander verlof wegens opdracht genieten dan het verlof dat hem wordt toegekend om een mandaat in de zin van dit besluit uit te oefenen;
10° geen vervroegde halftijdse inrustestelling genieten;
11° geen verlof genieten om een stage te verrichten;
12° de vrijwillige vierdaagse week niet genieten;
13° geen verlof genieten om ter beschikking van de Koning of de Prinsen en Prinsessen van België te worden gesteld.
[1 Met betrekking tot 4° kan de mandaathouder ouderschapsverlof, loopbaanonderbreking voor palliatieve zorg en verlof voor bijstand of verlenen van zorg aan een gezinslid of familielid tot de tweede graad die aan een ernstige ziekte lijdt, verkrijgen volgens de nadere regels bepaald door het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 15 september 2006 betreffende het verlof wegens loopbaanonderbreking in de Diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap, van de Hoge Raad voor de Audiovisuele Sector van de Franse Gemeenschap en van de Instellingen van openbaar nut die onder het Comité van sector XVII ressorteren.]1
Modifications
Art. 26. Pendant la durée du mandat, le mandataire ne peut :
1° exercer toute fonction qui l'empêche d'exercer son mandat à temps plein;
2° exercer ou avoir toute activité ou occupation qui serait de nature à nuire à l'accomplissement des devoirs de la fonction ou contraire à la dignité de celle-ci;
3° avoir toute activité, occupation ou comportement qui pourrait ébranler la confiance du public dans son service ou mettre en cause son devoir de neutralité;
4° obtenir un congé pour interruption de la carrière professionnelle à l'exception du congé parental, de l'interruption de carrière pour soins palliatifs et du congé pour assistance ou octroi de soins à un membre du ménage ou de la famille jusqu'au deuxième degré qui souffre d'une maladie grave;
5° obtenir un congé pour exercer une fonction dans le cabinet, le secrétariat, la cellule de coordination générale de la politique et la cellule de politique générale d'un membre du Gouvernement fédéral, dans le cabinet du président ou d'un membre du Gouvernement d'une communauté ou d'une région, du Collège réuni de la Commission communautaire commune ou du Collège de la Commission communautaire française;
6° obtenir l'autorisation d'exercer ses fonctions par prestations réduites pour convenance personnelle;
7° obtenir un congé pour raisons personnelles;
8° bénéficier d'un congé pour exercer une activité auprès d'un groupe politique reconnu;
9° bénéficier d'un congé pour mission autre que celui qui lui est accordé pour exercer un mandat au sens du présent arrêté;
10° obtenir un départ anticipé à mi-temps;
11° obtenir un congé pour accomplir un stage;
12° bénéficier de la semaine volontaire des quatre jours;
13° obtenir un congé pour être mis à disposition du Roi ou des Princes et Princesses de Belgique.
[1 Pour ce qui concerne le 4°, le mandataire peut obtenir un congé parental, une interruption de carrière pour soins palliatifs et un congé pour assistance ou octroi de soins à un membre du ménage ou de la famille jusqu'au deuxième degré qui souffre d'une maladie grave selon les modalités fixées par l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 15 septembre 2006 relatif au congé pour interruption de carrière dans les Services du Gouvernement de la Communauté française, du Conseil supérieur de l'audiovisuel, de Wallonie Bruxelles Enseignement et des organismes d'intérêt public qui relèvent du Comité de Secteur XVII.]1
1° exercer toute fonction qui l'empêche d'exercer son mandat à temps plein;
2° exercer ou avoir toute activité ou occupation qui serait de nature à nuire à l'accomplissement des devoirs de la fonction ou contraire à la dignité de celle-ci;
3° avoir toute activité, occupation ou comportement qui pourrait ébranler la confiance du public dans son service ou mettre en cause son devoir de neutralité;
4° obtenir un congé pour interruption de la carrière professionnelle à l'exception du congé parental, de l'interruption de carrière pour soins palliatifs et du congé pour assistance ou octroi de soins à un membre du ménage ou de la famille jusqu'au deuxième degré qui souffre d'une maladie grave;
5° obtenir un congé pour exercer une fonction dans le cabinet, le secrétariat, la cellule de coordination générale de la politique et la cellule de politique générale d'un membre du Gouvernement fédéral, dans le cabinet du président ou d'un membre du Gouvernement d'une communauté ou d'une région, du Collège réuni de la Commission communautaire commune ou du Collège de la Commission communautaire française;
6° obtenir l'autorisation d'exercer ses fonctions par prestations réduites pour convenance personnelle;
7° obtenir un congé pour raisons personnelles;
8° bénéficier d'un congé pour exercer une activité auprès d'un groupe politique reconnu;
9° bénéficier d'un congé pour mission autre que celui qui lui est accordé pour exercer un mandat au sens du présent arrêté;
10° obtenir un départ anticipé à mi-temps;
11° obtenir un congé pour accomplir un stage;
12° bénéficier de la semaine volontaire des quatre jours;
13° obtenir un congé pour être mis à disposition du Roi ou des Princes et Princesses de Belgique.
[1 Pour ce qui concerne le 4°, le mandataire peut obtenir un congé parental, une interruption de carrière pour soins palliatifs et un congé pour assistance ou octroi de soins à un membre du ménage ou de la famille jusqu'au deuxième degré qui souffre d'une maladie grave selon les modalités fixées par l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 15 septembre 2006 relatif au congé pour interruption de carrière dans les Services du Gouvernement de la Communauté française, du Conseil supérieur de l'audiovisuel, de Wallonie Bruxelles Enseignement et des organismes d'intérêt public qui relèvent du Comité de Secteur XVII.]1
Modifications
Art. 27. De ambtenaar die, op de datum van zijn aanstelling tot een mandaat in het Waalse Gewest of in de Franse Gemeenschap, in vast verband benoemd is binnen de diensten van de Franse Gemeenschap, wordt van ambtswege, voor de duur van het mandaat, met verlof gesteld wegens opdracht van algemeen belang in zijn oorspronkelijke betrekking.
De arbeidsovereenkomst van het personeelslid van de diensten van de Franse Gemeenschap dat in tijdelijk verband als mandaathouder in het Waalse Gewest of in de Franse Gemeenschap benoemd is, wordt, met de instemming van dat personeelslid, geschorst.
De arbeidsovereenkomst van het personeelslid van de diensten van de Franse Gemeenschap dat in tijdelijk verband als mandaathouder in het Waalse Gewest of in de Franse Gemeenschap benoemd is, wordt, met de instemming van dat personeelslid, geschorst.
Art. 27. L'agent qui, au moment de sa désignation à un mandat à la Région wallonne ou à la Communauté française, est nommé à titre définitif au sein des services de la Communauté française, est mis d'office, pour la durée du mandat, en congé pour mission d'intérêt général dans son emploi initial.
Le contrat de travail du membre du personnel des Services de la Communauté française qui est nommé à titre temporaire en tant que mandataire à la Région wallonne ou à la Communauté française est, avec l'accord de ce membre de personnel, suspendu.
Le contrat de travail du membre du personnel des Services de la Communauté française qui est nommé à titre temporaire en tant que mandataire à la Région wallonne ou à la Communauté française est, avec l'accord de ce membre de personnel, suspendu.
Art. 28. Iedere mandaathouder moet ten minste twintig uur opleiding per burgerlijk jaar volgen, te kiezen uit het aanbod dat door de school voor overheidsbestuur wordt voorgesteld of bekrachtigd.
Bij niet naleving van de in het eerste lid bepaalde verplichting, wordt de betaling van het in artikel 31 bedoelde bedrag geschorst. Die schorsing wordt toegepast zolang de mandaathouder die verplichting niet nakomt.
Bij niet naleving van de in het eerste lid bepaalde verplichting, wordt de betaling van het in artikel 31 bedoelde bedrag geschorst. Die schorsing wordt toegepast zolang de mandaathouder die verplichting niet nakomt.
Art. 28. Tout mandataire doit suivre au moins vingt heures de formation par année civile, à choisir parmi l'offre proposée ou validée par l'Ecole d'Administration publique.
En cas de non-respect de l'obligation établie par l'alinéa 1er, le paiement du montant visé à l'article 31 est suspendu. Cette suspension est appliquée tant que la situation du mandataire au regard de cette obligation n'est pas régularisée.
En cas de non-respect de l'obligation établie par l'alinéa 1er, le paiement du montant visé à l'article 31 est suspendu. Cette suspension est appliquée tant que la situation du mandataire au regard de cette obligation n'est pas régularisée.
Art. 29. Onverminderd artikel 70 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, kunnen de mandaathouders die een betrekking van de rangen 17, 16 + en 16 bekleden voor het Parlement, naast de Minister en met de toestemming van deze, worden gehoord over de vraagstukken waarvoor de administratie over een delegatie beschikt of die onder de strikte interne organisatie van de diensten ressorteren.
Art. 29. Sans préjudice de l'article 70 de la loi spéciale de réformes institutionnelles du 8 août 1980, les mandataires titulaires d'un emploi de rangs 17, 16+ et 16 peuvent être auditionnés devant le Parlement, aux côtés du Ministre et moyennant l'accord de ce dernier, sur les questions pour lesquelles l'administration dispose d'une délégation ou qui relèvent de la stricte organisation interne des services.
Art. 30. De mandaathouder krijgt de schaal toegekend van de rang die overeenstemt met de betrekking die hij bekleedt.
Art. 30. Le mandataire se voit attribuer l'échelle du rang correspondant à l'emploi qu'il occupe.
Art. 31. Er wordt een jaarlijkse premie maandelijks toegekend aan de mandaathouders. Die bedraagt :
- 8.600,00 euro voor de mandaathouders van rang 17;
- 8.400,00 euro voor de mandaathouders van de rangen 16+ en 16;
- 6.500,00 euro voor de mandaathouders van rang 15.
Die bedragen worden gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01.
- 8.600,00 euro voor de mandaathouders van rang 17;
- 8.400,00 euro voor de mandaathouders van de rangen 16+ en 16;
- 6.500,00 euro voor de mandaathouders van rang 15.
Die bedragen worden gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01.
Art. 31. Une prime annuelle payée mensuellement est octroyée aux mandataires. Celle-ci est de :
- 8.600,00 euros pour les mandataires de rang 17;
- 8.400,00 euros pour les mandataires de rangs 16+ et 16;
- 6.500,00 euros pour les mandataires de rang 15.
Ces montants sont rattachés à l'indice pivot 138,01.
- 8.600,00 euros pour les mandataires de rang 17;
- 8.400,00 euros pour les mandataires de rangs 16+ et 16;
- 6.500,00 euros pour les mandataires de rang 15.
Ces montants sont rattachés à l'indice pivot 138,01.
Afdeling 10. - Evaluatie
Section 10. - Evaluation
Art. 32. [1 De mandaathouders worden geëvalueerd twee jaar na hun aanstelling en in de loop van het laatste jaar van de zittingstijd.
Deze evaluaties hebben betrekking op de uitvoering en het niveau van uitvoering van de beheersopdrachten en de strategische en operationele doelstellingen waarvoor de mandaathouder verantwoordelijk is op grond van zijn opdrachtenblad, de bestuursovereenkomst en, voor de mandaathouders van rang 16 die geen deel uitmaken van het Directiecomité en van rang 15, van de doelstellingenovereenkomst.
Voor de instellingen van openbaar nut van categorie A en categorie B in de zin van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut hebben de evaluaties betrekking op de uitvoering en het niveau van uitvoering van beheersopdrachten en strategische en operationele doelstellingen waarvoor de mandaathouder verantwoordelijk is op grond van zijn opdrachtenblad, het beheersplan en de beheers- of bestuursovereenkomst ]1.
Deze evaluaties hebben betrekking op de uitvoering en het niveau van uitvoering van de beheersopdrachten en de strategische en operationele doelstellingen waarvoor de mandaathouder verantwoordelijk is op grond van zijn opdrachtenblad, de bestuursovereenkomst en, voor de mandaathouders van rang 16 die geen deel uitmaken van het Directiecomité en van rang 15, van de doelstellingenovereenkomst.
Voor de instellingen van openbaar nut van categorie A en categorie B in de zin van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut hebben de evaluaties betrekking op de uitvoering en het niveau van uitvoering van beheersopdrachten en strategische en operationele doelstellingen waarvoor de mandaathouder verantwoordelijk is op grond van zijn opdrachtenblad, het beheersplan en de beheers- of bestuursovereenkomst ]1.
Modifications
Art. 32. [1 Les mandataires sont évalués deux ans après leur désignation et dans le courant de la dernière année de la législature.
Ces évaluations portent sur la façon de réaliser et sur le niveau de réalisation des missions de gestion et des objectifs stratégiques et opérationnels dont le mandataire est responsable en vertu de sa lettre de mission, du contrat d'administration et, pour les mandataires de rang 16 ne faisant pas partie du Comité de direction et de rang 15, du contrat d'objectifs.
Pour les organismes d'intérêt public de la catégorie A et de la catégorie catégorie B au sens de la loi du 16 mars 1954 relative au contrôle des certains organismes d'intérêt public, les évaluations portent sur la façon de réaliser et sur le niveau de réalisation des missions de gestion et des objectifs stratégiques et opérationnels dont le mandataire est responsable en vertu de sa lettre de mission, du plan d'administration et du contrat de gestion ou d'administration ]1.
Ces évaluations portent sur la façon de réaliser et sur le niveau de réalisation des missions de gestion et des objectifs stratégiques et opérationnels dont le mandataire est responsable en vertu de sa lettre de mission, du contrat d'administration et, pour les mandataires de rang 16 ne faisant pas partie du Comité de direction et de rang 15, du contrat d'objectifs.
Pour les organismes d'intérêt public de la catégorie A et de la catégorie catégorie B au sens de la loi du 16 mars 1954 relative au contrôle des certains organismes d'intérêt public, les évaluations portent sur la façon de réaliser et sur le niveau de réalisation des missions de gestion et des objectifs stratégiques et opérationnels dont le mandataire est responsable en vertu de sa lettre de mission, du plan d'administration et du contrat de gestion ou d'administration ]1.
Modifications
Art. 33. [1 § 1. De mandaathouders van rang 17 en de leidende ambtenaren van de instellingen van openbaar nut worden door de Regering geëvalueerd.
De mandaathouders van 16+ en 16 die deel uitmaken van het Directiecomité van het ministerie van de Franse Gemeenschap worden door een Commissie geëvalueerd die samengesteld is als volgt :
1° de Minister van Ambtenarenzaken die de Commissie voorzit ;
2° de Minister-President ;
3° de functioneel bevoegde minister(s) ;
4° de Secretaris-generaal voor de mandaathouders van het ministerie van de Franse Gemeenschap of de leidend ambtenaar van de instelling voor de mandaathouders van de instellingen van openbaar nut.
De mandaathouders van rang 16 die geen deel uitmaken van het Directiecomité en de mandaathouders van rang 15 van het ministerie van de Franse Gemeenschap, worden geëvalueerd door een Commissie die samengesteld is als volgt :
1° de rechtstreekse hiërarchische meerdere van de geëvalueerde mandaathouder ;
2° de hiërarchische meerdere N+2 van de geëvalueerde mandaathouder.
De mandaathouders van 16 of 15 van de instellingen van openbaar nut worden geëvalueerd door een Commissie die samengesteld is als volgt :
1° de leidend ambtenaar van de instelling die de Commissie voorzit ;
2° de hiërarchische meerdere(n) van de mandaathouder.
De mandaathouders van rang 16 en 15 van de instellingen van openbaar nut met één enkele hiërarchische meerdere binnen de instelling worden door een Commissie geëvalueerd die samengesteld is als volgt :
1° de functioneel bevoegde minister(s) die voorzit ;
2° de leidend ambtenaar van de instelling.
Voor de toepassing van het vijfde lid, wanneer verschillende ministers bevoegd zijn voor de sector van activiteit van een mandaathouder, voorzit de minister bevoegd voor het grootste gedeelte van deze sector van activiteit de Commissie.
In afwijking van het vijfde lid worden de mandaathouders van rang 15 van de instellingen van openbaar nut van type B met één enkele hiërarchische meerdere binnen de instelling, door een Commissie geëvalueerd die samengesteld is als volgt :
1° de voorzitter van de Raad van bestuur die voorzit ;
2° de leidend ambtenaar van de instelling.
§ 2. De Regering en de Evaluatiecommissies bedoeld in paragraaf 1 stellen hun huishoudelijk reglement op. Dit laatste zal a minima een voorbereidende vergadering voorzien voor de hoorzitting van de mandaathouders, alsook een debriefing na de evaluatie ]1.
De mandaathouders van 16+ en 16 die deel uitmaken van het Directiecomité van het ministerie van de Franse Gemeenschap worden door een Commissie geëvalueerd die samengesteld is als volgt :
1° de Minister van Ambtenarenzaken die de Commissie voorzit ;
2° de Minister-President ;
3° de functioneel bevoegde minister(s) ;
4° de Secretaris-generaal voor de mandaathouders van het ministerie van de Franse Gemeenschap of de leidend ambtenaar van de instelling voor de mandaathouders van de instellingen van openbaar nut.
De mandaathouders van rang 16 die geen deel uitmaken van het Directiecomité en de mandaathouders van rang 15 van het ministerie van de Franse Gemeenschap, worden geëvalueerd door een Commissie die samengesteld is als volgt :
1° de rechtstreekse hiërarchische meerdere van de geëvalueerde mandaathouder ;
2° de hiërarchische meerdere N+2 van de geëvalueerde mandaathouder.
De mandaathouders van 16 of 15 van de instellingen van openbaar nut worden geëvalueerd door een Commissie die samengesteld is als volgt :
1° de leidend ambtenaar van de instelling die de Commissie voorzit ;
2° de hiërarchische meerdere(n) van de mandaathouder.
De mandaathouders van rang 16 en 15 van de instellingen van openbaar nut met één enkele hiërarchische meerdere binnen de instelling worden door een Commissie geëvalueerd die samengesteld is als volgt :
1° de functioneel bevoegde minister(s) die voorzit ;
2° de leidend ambtenaar van de instelling.
Voor de toepassing van het vijfde lid, wanneer verschillende ministers bevoegd zijn voor de sector van activiteit van een mandaathouder, voorzit de minister bevoegd voor het grootste gedeelte van deze sector van activiteit de Commissie.
In afwijking van het vijfde lid worden de mandaathouders van rang 15 van de instellingen van openbaar nut van type B met één enkele hiërarchische meerdere binnen de instelling, door een Commissie geëvalueerd die samengesteld is als volgt :
1° de voorzitter van de Raad van bestuur die voorzit ;
2° de leidend ambtenaar van de instelling.
§ 2. De Regering en de Evaluatiecommissies bedoeld in paragraaf 1 stellen hun huishoudelijk reglement op. Dit laatste zal a minima een voorbereidende vergadering voorzien voor de hoorzitting van de mandaathouders, alsook een debriefing na de evaluatie ]1.
Modifications
Art. 33. [1 § 1er. Les mandataires de rang 17 et les Fonctionnaires dirigeants des organismes d'intérêt public sont évalués par le Gouvernement.
Les mandataires de rang 16+ et 16 faisant partie du Comité de direction du Ministère de la Communauté française sont évalués par une Commission composée comme suit :
1° le Ministre ayant la Fonction publique dans ses attributions, qui préside la Commission ;
2° le Ministre-Président ;
3° le ou les Ministre(s) fonctionnellement compétent(s) ;
4° du Secrétaire général pour les mandataires du Ministère de la Communauté française ou du Fonctionnaire dirigeant de l'organisme pour les mandataires des organismes d'intérêt public
Les mandataires de rang 16 ne faisant pas partie du Comité de direction et les mandataires de rang 15 du Ministère de la Communauté française sont évalués par une Commission composée comme suit :
1° le supérieur hiérarchique immédiat du mandataire évalué ;
2° le supérieur hiérarchique N+2 du mandataire évalué.
Les mandataires de rang 16 ou 15 des organismes d'intérêt public sont évalués par une Commission composée comme suit :
1° le Fonctionnaire dirigeant de l'organisme, qui préside la Commission ;
2° le (ou les) supérieur(s) hiérarchique(s) du mandataire.
Les mandataires de rang 16 et 15 des organismes d'intérêt public ayant un seul supérieur hiérarchique au sein de l'organisme sont évalués par une Commission composée comme suit :
1° le (les) Ministre(s) fonctionnellement compétent, qui préside ;
2° le Fonctionnaire dirigeant de l'organisme.
Pour l'application de l'alinéa 5, lorsque plusieurs ministres sont compétents pour le secteur d'activité d'un mandataire, le ministre compétent pour la plus grande partie de ce secteur d'activité préside la Commission.
Par dérogation à l'alinéa 5, les mandataires de rang 15 des organismes d'intérêt public de type B ayant un seul supérieur hiérarchique au sein de l'organisme sont évalués par une Commission composée comme suit :
1° le Président du Conseil d'administration, qui préside ;
2° le Fonctionnaire dirigeant de l'organisme.
§ 2. Le Gouvernement et les Commissions d'évaluation visées au paragraphe 1er établissent leur règlement d'ordre intérieur. Ce dernier devra, a minima, prévoir une réunion préparatoire à l'audition des mandataires, ainsi qu'un débriefing post évaluation ]1.
Les mandataires de rang 16+ et 16 faisant partie du Comité de direction du Ministère de la Communauté française sont évalués par une Commission composée comme suit :
1° le Ministre ayant la Fonction publique dans ses attributions, qui préside la Commission ;
2° le Ministre-Président ;
3° le ou les Ministre(s) fonctionnellement compétent(s) ;
4° du Secrétaire général pour les mandataires du Ministère de la Communauté française ou du Fonctionnaire dirigeant de l'organisme pour les mandataires des organismes d'intérêt public
Les mandataires de rang 16 ne faisant pas partie du Comité de direction et les mandataires de rang 15 du Ministère de la Communauté française sont évalués par une Commission composée comme suit :
1° le supérieur hiérarchique immédiat du mandataire évalué ;
2° le supérieur hiérarchique N+2 du mandataire évalué.
Les mandataires de rang 16 ou 15 des organismes d'intérêt public sont évalués par une Commission composée comme suit :
1° le Fonctionnaire dirigeant de l'organisme, qui préside la Commission ;
2° le (ou les) supérieur(s) hiérarchique(s) du mandataire.
Les mandataires de rang 16 et 15 des organismes d'intérêt public ayant un seul supérieur hiérarchique au sein de l'organisme sont évalués par une Commission composée comme suit :
1° le (les) Ministre(s) fonctionnellement compétent, qui préside ;
2° le Fonctionnaire dirigeant de l'organisme.
Pour l'application de l'alinéa 5, lorsque plusieurs ministres sont compétents pour le secteur d'activité d'un mandataire, le ministre compétent pour la plus grande partie de ce secteur d'activité préside la Commission.
Par dérogation à l'alinéa 5, les mandataires de rang 15 des organismes d'intérêt public de type B ayant un seul supérieur hiérarchique au sein de l'organisme sont évalués par une Commission composée comme suit :
1° le Président du Conseil d'administration, qui préside ;
2° le Fonctionnaire dirigeant de l'organisme.
§ 2. Le Gouvernement et les Commissions d'évaluation visées au paragraphe 1er établissent leur règlement d'ordre intérieur. Ce dernier devra, a minima, prévoir une réunion préparatoire à l'audition des mandataires, ainsi qu'un débriefing post évaluation ]1.
Modifications
Art. 34. De voorzitter van de evaluatiecommissie roept de evaluatiecommissie bijeen.
[1 De commissie is geldig samengesteld wanneer elk lid bedoeld in artikel 33 aanwezig is]1.
Zo niet, dan roept de voorzitter van de evaluatiecommissie die evaluatiecommissie een tweede keer bijeen binnen de 10 daaropvolgende werkdagen. [1 ...]1
[1 De commissie is geldig samengesteld wanneer elk lid bedoeld in artikel 33 aanwezig is]1.
Zo niet, dan roept de voorzitter van de evaluatiecommissie die evaluatiecommissie een tweede keer bijeen binnen de 10 daaropvolgende werkdagen. [1 ...]1
Modifications
Art. 34. Le Président de la Commission d'évaluation convoque la Commission d'évaluation.
[1 La Commission est valablement composée lorsque chaque membre visé à l'article 33 est présent]1.
A défaut, le Président de la Commission d'évaluation convoque une seconde fois ladite Commission d'évaluation dans les 10 jours ouvrables qui suivent.[1 ...]1
[1 La Commission est valablement composée lorsque chaque membre visé à l'article 33 est présent]1.
A défaut, le Président de la Commission d'évaluation convoque une seconde fois ladite Commission d'évaluation dans les 10 jours ouvrables qui suivent.[1 ...]1
Modifications
Art. 35. [1 § 1. De mandaathouder wordt geëvalueerd op basis van :
1° het (de) jaarlijkse opvolgingsverslag(en) van de bestuursovereenkomst, de doelstellingenovereenkomst of het verslag van het bestuursplan bedoeld in artikel 21bis, § 3. Op aanvraag van de functionele minister(s) kan de minister van Ambtenarenzaken een aanvullend verslag aan de mandaathouder vragen ;
2° het evaluatieverslag van de mandaathouder ;
3° de hoorzitting van de mandaathouder ;
4° het met redenen omklede verslag van de rechtstreekse hiërarchische meerdere van de mandaathouder ;
5° het met redenen omklede verslag van de functionele minister(s) van de mandaathouder ;
6° in voorkomend geval het verslag of de hoorzitting van elke persoon van wie de Regering of de Evaluatiecommissie het als nuttig acht de mening te kennen ;
7° in voorkomend geval een aanvullend verslag opgesteld op initiatief van de Regering ;
8° in voorkomend geval, voor wat betreft de ambtenaren-generaal van het Overheidsbedrijf voor Nieuwe Informatie- en Communicatietechnologieën van de Franse Gemeenschap, het advies bedoeld in artikel 6, § 3, 7°, van het decreet van 25 oktober 2018 betreffende het beheerskader van het digitale en informaticabeleid in de Franse Gemeenschap.
De Regering stelt de modellen van verslagen bedoeld in het eerste lid, 1°, 2°, 3°, 4° en 5°, op.
§ 2. Bij de eerste evaluatie van de mandaathouder worden de verbeteringsdoelstellingen van de beheerscompetenties bepaald op basis van een overzicht van competenties uitgevoerd door een externe dienstverlener.
Het overzicht van de competenties heeft tot doel een evaluatie van de beheerscompetenties van de mandaathouder uit te voeren en zorgt voor een mening onder gelijken en medewerkers van de geëvalueerde mandaathouder. De personen die in het kader van het overzicht van de competenties worden ondervraagd, worden gekozen in onderling overleg door de mandaathouder en zijn hiërarchische meerdere.
Voor de mandaathouders die deel uitmaken van het Directiecomité van het ministerie van de Franse Gemeenschap of van een instelling van openbaar nut integreert het overzicht van de competenties ook de beoordeling van de rol van de mandaathouder als lid van het Directiecomité.
Voor de Secretaris-generaal van het ministerie van de Franse Gemeenschap of de leidend ambtenaar van een instelling van openbaar nut wordt het overzicht van de competenties uitgevoerd door de leden van het Directiecomité te ondervragen, in het bijzonder over de specifieke competenties van de Secretaris-generaal of van de leidend ambtenaar als voorzitter van het Directiecomité.
Voor de leidende ambtenaren van een instelling voor openbaar nut met een raad van bestuur wordt het overzicht van de competenties uitgevoerd door ook de leden van de raad van bestuur te ondervragen.
Het overzicht van de competenties wordt voorafgaand aan de tussentijdse evaluatie besproken met de hiërarchische meerdere van de mandaathouder.
Bij de tweede evaluatie van de mandaathouder beoordeelt de overheid bevoegd voor de evaluatie in hoeverre de mandaathouder de voor hen gestelde verbeteringsdoelstellingen heeft bereikt ]1.
1° het (de) jaarlijkse opvolgingsverslag(en) van de bestuursovereenkomst, de doelstellingenovereenkomst of het verslag van het bestuursplan bedoeld in artikel 21bis, § 3. Op aanvraag van de functionele minister(s) kan de minister van Ambtenarenzaken een aanvullend verslag aan de mandaathouder vragen ;
2° het evaluatieverslag van de mandaathouder ;
3° de hoorzitting van de mandaathouder ;
4° het met redenen omklede verslag van de rechtstreekse hiërarchische meerdere van de mandaathouder ;
5° het met redenen omklede verslag van de functionele minister(s) van de mandaathouder ;
6° in voorkomend geval het verslag of de hoorzitting van elke persoon van wie de Regering of de Evaluatiecommissie het als nuttig acht de mening te kennen ;
7° in voorkomend geval een aanvullend verslag opgesteld op initiatief van de Regering ;
8° in voorkomend geval, voor wat betreft de ambtenaren-generaal van het Overheidsbedrijf voor Nieuwe Informatie- en Communicatietechnologieën van de Franse Gemeenschap, het advies bedoeld in artikel 6, § 3, 7°, van het decreet van 25 oktober 2018 betreffende het beheerskader van het digitale en informaticabeleid in de Franse Gemeenschap.
De Regering stelt de modellen van verslagen bedoeld in het eerste lid, 1°, 2°, 3°, 4° en 5°, op.
§ 2. Bij de eerste evaluatie van de mandaathouder worden de verbeteringsdoelstellingen van de beheerscompetenties bepaald op basis van een overzicht van competenties uitgevoerd door een externe dienstverlener.
Het overzicht van de competenties heeft tot doel een evaluatie van de beheerscompetenties van de mandaathouder uit te voeren en zorgt voor een mening onder gelijken en medewerkers van de geëvalueerde mandaathouder. De personen die in het kader van het overzicht van de competenties worden ondervraagd, worden gekozen in onderling overleg door de mandaathouder en zijn hiërarchische meerdere.
Voor de mandaathouders die deel uitmaken van het Directiecomité van het ministerie van de Franse Gemeenschap of van een instelling van openbaar nut integreert het overzicht van de competenties ook de beoordeling van de rol van de mandaathouder als lid van het Directiecomité.
Voor de Secretaris-generaal van het ministerie van de Franse Gemeenschap of de leidend ambtenaar van een instelling van openbaar nut wordt het overzicht van de competenties uitgevoerd door de leden van het Directiecomité te ondervragen, in het bijzonder over de specifieke competenties van de Secretaris-generaal of van de leidend ambtenaar als voorzitter van het Directiecomité.
Voor de leidende ambtenaren van een instelling voor openbaar nut met een raad van bestuur wordt het overzicht van de competenties uitgevoerd door ook de leden van de raad van bestuur te ondervragen.
Het overzicht van de competenties wordt voorafgaand aan de tussentijdse evaluatie besproken met de hiërarchische meerdere van de mandaathouder.
Bij de tweede evaluatie van de mandaathouder beoordeelt de overheid bevoegd voor de evaluatie in hoeverre de mandaathouder de voor hen gestelde verbeteringsdoelstellingen heeft bereikt ]1.
Modifications
Art. 35. [1 Le mandataire est évalué en se basant sur :
1° le (ou les) rapport(s) de suivi annuel du contrat d'administration, du contrat d'objectifs ou le rapport du plan d'administration visé à l'article 21bis, § 3. A la demande du (ou des) Ministre(s) fonctionnel(s), le Ministre ayant la Fonction publique dans ses attributions peut demander un rapport complémentaire au mandataire ;
2° le rapport d'évaluation du mandataire ;
3° l'audition du mandataire ;
4° le rapport motivé du supérieur hiérarchique immédiat du mandataire ;
5° le rapport motivé du (ou des) Ministre(s) fonctionnel(s) du mandataire ;
6° le cas échéant, le rapport ou l'audition de toute personne dont le Gouvernement ou la Commission d'évaluation juge nécessaire de recueillir les déclarations ;
7° le cas échéant, un rapport complémentaire émis à l'initiative du Gouvernement ;
8° le cas échéant, pour ce qui concerne les fonctionnaires généraux de l'Entreprise publique des Technologies Numériques de l'Information et de la Communication de la Communauté française, l'avis visé à l'article 6, § 3, 7°, du décret du 25 octobre 2018 relatif au cadre de gouvernance de la politique du numérique et de l'informatique en Communauté française.
Le Gouvernement établit les modèles de canevas des rapports visés l'alinéa 1er, 1°, 2°, 3°, 4° et 5°.
§ 2. Lors de la première évaluation du mandataire, des objectifs d'amélioration des compétences de gestion sont fixés sur base d'un bilan de compétence réalisé par un prestataire externe.
Le bilan de compétences vise à établir une évaluation des compétences de gestion du mandataire et prévoit une prise d'avis auprès des pairs et collaborateurs du mandataire évalué. Les personnes interrogées dans le cadre de la réalisation du bilan de compétences sont choisies de commun accord par le mandataire et son supérieur hiérarchique.
Pour les mandataires faisant partie du Comité de direction du Ministère de la Communauté française ou d'un organisme d'intérêt public, le bilan de compétences intègre également l'appréciation du rôle du mandataire en tant que membre du Comité de direction.
Pour le Secrétaire général du Ministère de la Communauté française ou le Fonctionnaire dirigeant d'un organisme d'intérêt public, le bilan de compétences est réalisé en interrogeant les membres du Comité de direction, notamment sur les compétences spécifiques du Secrétaire général ou du Fonctionnaire dirigeant en tant que président du Comité de direction.
Pour les Fonctionnaires dirigeants d'un organisme d'intérêt public doté d'un Conseil d'administration, le bilan de compétences est réalisé en interrogeant également les membres du Conseil d'administration.
Le bilan de compétences est discuté préalablement à l'évaluation intermédiaire avec le supérieur hiérarchique du mandataire.
Lors de la seconde évaluation du mandataire, l'autorité compétente pour l'évaluation apprécie dans quelle mesure le mandataire a atteint les objectifs d'amélioration qui lui ont été fixés ]1.
1° le (ou les) rapport(s) de suivi annuel du contrat d'administration, du contrat d'objectifs ou le rapport du plan d'administration visé à l'article 21bis, § 3. A la demande du (ou des) Ministre(s) fonctionnel(s), le Ministre ayant la Fonction publique dans ses attributions peut demander un rapport complémentaire au mandataire ;
2° le rapport d'évaluation du mandataire ;
3° l'audition du mandataire ;
4° le rapport motivé du supérieur hiérarchique immédiat du mandataire ;
5° le rapport motivé du (ou des) Ministre(s) fonctionnel(s) du mandataire ;
6° le cas échéant, le rapport ou l'audition de toute personne dont le Gouvernement ou la Commission d'évaluation juge nécessaire de recueillir les déclarations ;
7° le cas échéant, un rapport complémentaire émis à l'initiative du Gouvernement ;
8° le cas échéant, pour ce qui concerne les fonctionnaires généraux de l'Entreprise publique des Technologies Numériques de l'Information et de la Communication de la Communauté française, l'avis visé à l'article 6, § 3, 7°, du décret du 25 octobre 2018 relatif au cadre de gouvernance de la politique du numérique et de l'informatique en Communauté française.
Le Gouvernement établit les modèles de canevas des rapports visés l'alinéa 1er, 1°, 2°, 3°, 4° et 5°.
§ 2. Lors de la première évaluation du mandataire, des objectifs d'amélioration des compétences de gestion sont fixés sur base d'un bilan de compétence réalisé par un prestataire externe.
Le bilan de compétences vise à établir une évaluation des compétences de gestion du mandataire et prévoit une prise d'avis auprès des pairs et collaborateurs du mandataire évalué. Les personnes interrogées dans le cadre de la réalisation du bilan de compétences sont choisies de commun accord par le mandataire et son supérieur hiérarchique.
Pour les mandataires faisant partie du Comité de direction du Ministère de la Communauté française ou d'un organisme d'intérêt public, le bilan de compétences intègre également l'appréciation du rôle du mandataire en tant que membre du Comité de direction.
Pour le Secrétaire général du Ministère de la Communauté française ou le Fonctionnaire dirigeant d'un organisme d'intérêt public, le bilan de compétences est réalisé en interrogeant les membres du Comité de direction, notamment sur les compétences spécifiques du Secrétaire général ou du Fonctionnaire dirigeant en tant que président du Comité de direction.
Pour les Fonctionnaires dirigeants d'un organisme d'intérêt public doté d'un Conseil d'administration, le bilan de compétences est réalisé en interrogeant également les membres du Conseil d'administration.
Le bilan de compétences est discuté préalablement à l'évaluation intermédiaire avec le supérieur hiérarchique du mandataire.
Lors de la seconde évaluation du mandataire, l'autorité compétente pour l'évaluation apprécie dans quelle mesure le mandataire a atteint les objectifs d'amélioration qui lui ont été fixés ]1.
Modifications
Art. 36. De voorzitter van de evaluatiecommissie vraagt dat de verslagen bedoeld in artikel 35 hem binnen een termijn van één maand worden overgezonden.
Zodra de voorzitter het verslag/de verslagen bedoeld in [1 [2 artikel 35, 1°, 2°, 4°, 5° en 8° ]2]1 ontvangt, deelt de voorzitter van de evaluatiecommissie dit/die aan de betrokken mandaathouder mee. De mandaathouder kan, in voorkomend geval, zijn opmerkingen schriftelijk binnen de tien dagen na de ontvangst van het verslag erop laten kennen. De voorzitter van de evaluatiecommissie deelt het verslag/de verslagen gelijktijdig aan de andere leden van de evaluatiecommissie mee.
Zodra de voorzitter het verslag/de verslagen bedoeld in [1 [2 artikel 35, 1°, 2°, 4°, 5° en 8° ]2]1 ontvangt, deelt de voorzitter van de evaluatiecommissie dit/die aan de betrokken mandaathouder mee. De mandaathouder kan, in voorkomend geval, zijn opmerkingen schriftelijk binnen de tien dagen na de ontvangst van het verslag erop laten kennen. De voorzitter van de evaluatiecommissie deelt het verslag/de verslagen gelijktijdig aan de andere leden van de evaluatiecommissie mee.
Art. 36. Le Président de la Commission d'évaluation demande que les rapports visés à l'article 35 lui soient transmis, dans un délai d'un mois.
Dès qu'il reçoit le(s) rapport(s) visé(s) à [1 [2 l'article 35, 1°, 2°, 4°, 5° et 8° ]2]1, le Président de la Commission d'évaluation le(s) fait parvenir au mandataire concerné. Le mandataire peut, le cas échéant, y faire ses remarques par écrit dans les dix jours de la réception dudit rapport. Dans le même temps, le Président de la Commission d'évaluation fait parvenir le(s) rapport(s) aux autres membres de la Commission d'évaluation.
Dès qu'il reçoit le(s) rapport(s) visé(s) à [1 [2 l'article 35, 1°, 2°, 4°, 5° et 8° ]2]1, le Président de la Commission d'évaluation le(s) fait parvenir au mandataire concerné. Le mandataire peut, le cas échéant, y faire ses remarques par écrit dans les dix jours de la réception dudit rapport. Dans le même temps, le Président de la Commission d'évaluation fait parvenir le(s) rapport(s) aux autres membres de la Commission d'évaluation.
Art. 37. De evaluatie wordt aan de betrokkene meegedeeld tegen ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekend schrijven.
Art. 37. L'évaluation est notifiée à l'intéressé contre récépissé ou par lettre recommandée à la poste.
Art. 38. § 1. Binnen de tien dagen die volgen op de mededeling van de evaluatie kan de mandaathouder een schriftelijk en met redenen omkleed bezwaar bij een ter post aangetekende brief bij de Raad van beroep bedoeld in § 2 inbrengen en vragen om gehoord te worden.
Als geen bezwaar binnen deze termijn van tien dagen wordt ingebracht, wordt de vermelding van de evaluatie geformuleerd door de evaluatiecommissie op deze datum definitief.
§ 2. De Raad van beroep is samengesteld uit leden aangesteld door de Regering, verdeeld als volgt :
1° een magistraat in ruste of in functie of een hoogleraar in de rechten in ruste of in functie die zijn ambt in het hoger onderwijs van het lange type of in het universitair onderwijs uitoefent of heeft uitgeoefend en die het Voorzitterschap ervan waarneemt;
2° twee ambtenaren die niet tot de Franse Gemeenschap behoren van ten minste rang 16 of van een gelijkwaardige graad.
Voor elk werkend lid stelt de Regering een plaatsvervangend lid aan volgens dezelfde nadere regels als voor het lid dat hem vervangt.
De Regering stelt een secretaris aan onder de leden van de Diensten van de Franse Gemeenschap.
De Raad van Beroep stelt zijn huishoudelijk reglement vast. Dit wordt door de Regering goedgekeurd.
§ 3. Binnen de maand na het inbrengen van het bezwaar brengt de Raad van beroep zijn advies uit aan de Regering na de mandaathouder voorafgaandelijk te hebben gehoord.
Als geen bezwaar binnen deze termijn van tien dagen wordt ingebracht, wordt de vermelding van de evaluatie geformuleerd door de evaluatiecommissie op deze datum definitief.
§ 2. De Raad van beroep is samengesteld uit leden aangesteld door de Regering, verdeeld als volgt :
1° een magistraat in ruste of in functie of een hoogleraar in de rechten in ruste of in functie die zijn ambt in het hoger onderwijs van het lange type of in het universitair onderwijs uitoefent of heeft uitgeoefend en die het Voorzitterschap ervan waarneemt;
2° twee ambtenaren die niet tot de Franse Gemeenschap behoren van ten minste rang 16 of van een gelijkwaardige graad.
Voor elk werkend lid stelt de Regering een plaatsvervangend lid aan volgens dezelfde nadere regels als voor het lid dat hem vervangt.
De Regering stelt een secretaris aan onder de leden van de Diensten van de Franse Gemeenschap.
De Raad van Beroep stelt zijn huishoudelijk reglement vast. Dit wordt door de Regering goedgekeurd.
§ 3. Binnen de maand na het inbrengen van het bezwaar brengt de Raad van beroep zijn advies uit aan de Regering na de mandaathouder voorafgaandelijk te hebben gehoord.
Art. 38. § 1er. Dans les dix jours qui suivent la réception de l'évaluation, le mandataire peut introduire une réclamation écrite et motivée par lettre recommandée à la poste auprès de la Chambre de recours visée au § 2 et demander à être entendu.
A défaut de réclamation dans ce délai de dix jours, la mention d'évaluation formulée par la Commission d'évaluation est, à cette date, définitive.
§ 2. La Chambre de recours est composée de membres désignés par le Gouvernement, répartis comme suit :
1° d'un magistrat à la retraite ou en fonction, ou d'un professeur de droit à la retraite ou en fonction, exerçant ou ayant exercé ses fonctions dans l'enseignement supérieur de type long ou universitaire qui en assure la Présidence;
2° de deux agents externes à la Communauté française, de rang 16 au moins ou équivalent.
Pour chaque membre effectif, le Gouvernement désigne un membre suppléant désigné selon les mêmes modalités que le membre qu'il supplée.
Le Gouvernement désigne un secrétaire parmi les membres des Services de la Communauté française.
La Chambre de recours fixe son règlement d'ordre intérieur. Celui-ci est approuvé par le Gouvernement.
§ 3. Dans le mois de l'introduction de la réclamation, la Chambre de recours donne son avis au Gouvernement, après avoir entendu préalablement le mandataire.
A défaut de réclamation dans ce délai de dix jours, la mention d'évaluation formulée par la Commission d'évaluation est, à cette date, définitive.
§ 2. La Chambre de recours est composée de membres désignés par le Gouvernement, répartis comme suit :
1° d'un magistrat à la retraite ou en fonction, ou d'un professeur de droit à la retraite ou en fonction, exerçant ou ayant exercé ses fonctions dans l'enseignement supérieur de type long ou universitaire qui en assure la Présidence;
2° de deux agents externes à la Communauté française, de rang 16 au moins ou équivalent.
Pour chaque membre effectif, le Gouvernement désigne un membre suppléant désigné selon les mêmes modalités que le membre qu'il supplée.
Le Gouvernement désigne un secrétaire parmi les membres des Services de la Communauté française.
La Chambre de recours fixe son règlement d'ordre intérieur. Celui-ci est approuvé par le Gouvernement.
§ 3. Dans le mois de l'introduction de la réclamation, la Chambre de recours donne son avis au Gouvernement, après avoir entendu préalablement le mandataire.
Art. 39. De leden van de Raad van beroep krijgen een presentiegeld van 125 euro per zitting van de Raad. Dit bedrag wordt geïndexeerd overeenkomstig de regels voorgeschreven bij de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 178 van 30 december 1982. Het wordt gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01.
Art. 39. Les membres de la Chambre de recours bénéficient d'une indemnité de présence de 125 euros par séance de la Chambre. Ce montant est indexé, conformément aux règles prescrites par la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public, modifiée par l'arrêté royal n° 178 du 30 décembre 1982. Il est rattaché à l'indice pivot 138,01.
Art. 40. De Regering neemt binnen de maand volgend op de ontvangst van het advies van de Raad van Beroep haar met redenen omklede beslissing die :
- ofwel overeenstemt met de evaluatie van de Evaluatiecommissie;
- ofwel het advies volgt dat uitgebracht werd door de Raad van Beroep.
- ofwel overeenstemt met de evaluatie van de Evaluatiecommissie;
- ofwel het advies volgt dat uitgebracht werd door de Raad van Beroep.
Art. 40. Le Gouvernement prend, dans le mois qui suit la réception de l'avis de la Chambre de recours, sa décision motivée, laquelle :
- soit est conforme à l'évaluation de la Commission d'évaluation;
- soit suit l'avis émis par la Chambre de recours.
- soit est conforme à l'évaluation de la Commission d'évaluation;
- soit suit l'avis émis par la Chambre de recours.
Art. 41. [1 De met toepassing van artikel 32 uitgevoerde evaluatie geeft aanleiding tot één van de volgende vermeldingen :
1° "gunstig" : wanneer de beheersopdrachten en de strategische en operationele doelstellingen die bepaald zijn in het opdrachtenblad, alsook, naar gelang van het geval, ofwel in de bestuursovereenkomst en, voor de mandaathouders [2 van rang 16 die niet behoren tot het Directiecomité en ]2 van rang 15, in het doelstellingencontract, ofwel in de doelstellingen van het bestuursplan en van de beheersovereenkomst, waarvoor de mandaathouder bevoegd of [3 ...]3 ofwel kwantitatief en kwalitatief op voldoende wijze en binnen de gestelde termijn vervuld zijn, ofwel op niet voldoende wijze of niet binnen de gestelde termijn vervuld zijn, maar, op grond van de door de mandaathouder voorgestelde bewijzen, blijkt dat die toestand gepast wordt verantwoord;
2° "met voorbehoud" : wanneer de beheersopdrachten en de strategische en operationele doelstellingen die bepaald zijn in het opdrachtenblad, alsook, naar gelang van het geval, ofwel in de bestuursovereenkomst en, voor de mandaathouders [2 van rang 16 die niet behoren tot het Directiecomité en ]2 van rang 15, in het doelstellingencontract, ofwel in de doelstellingen van het bestuursplan en van de beheersovereenkomst, waarvoor de mandaathouder bevoegd of [3 ...]3 te gedeeltelijk kwantitatief of kwalitatief, of niet binnen de gestelde termijn, vervuld zijn;
3° "ongunstig" : wanneer de beheersopdrachten en de strategische en operationele doelstellingen die bepaald zijn in het opdrachtenblad, alsook, naar gelang van het geval, ofwel in de bestuursovereenkomst en, voor de mandaathouders [2 van rang 16 die niet behoren tot het Directiecomité en ]2 van rang 15, in het doelstellingencontract, ofwel in de doelstellingen van het bestuursplan en van de beheersovereenkomst, waarvoor de mandaathouder bevoegd of [3 ...]3 onvoldoende kwantitatief of kwalitatief, of niet binnen de gestelde termijn, vervuld zijn.]1
1° "gunstig" : wanneer de beheersopdrachten en de strategische en operationele doelstellingen die bepaald zijn in het opdrachtenblad, alsook, naar gelang van het geval, ofwel in de bestuursovereenkomst en, voor de mandaathouders [2 van rang 16 die niet behoren tot het Directiecomité en ]2 van rang 15, in het doelstellingencontract, ofwel in de doelstellingen van het bestuursplan en van de beheersovereenkomst, waarvoor de mandaathouder bevoegd of [3 ...]3 ofwel kwantitatief en kwalitatief op voldoende wijze en binnen de gestelde termijn vervuld zijn, ofwel op niet voldoende wijze of niet binnen de gestelde termijn vervuld zijn, maar, op grond van de door de mandaathouder voorgestelde bewijzen, blijkt dat die toestand gepast wordt verantwoord;
2° "met voorbehoud" : wanneer de beheersopdrachten en de strategische en operationele doelstellingen die bepaald zijn in het opdrachtenblad, alsook, naar gelang van het geval, ofwel in de bestuursovereenkomst en, voor de mandaathouders [2 van rang 16 die niet behoren tot het Directiecomité en ]2 van rang 15, in het doelstellingencontract, ofwel in de doelstellingen van het bestuursplan en van de beheersovereenkomst, waarvoor de mandaathouder bevoegd of [3 ...]3 te gedeeltelijk kwantitatief of kwalitatief, of niet binnen de gestelde termijn, vervuld zijn;
3° "ongunstig" : wanneer de beheersopdrachten en de strategische en operationele doelstellingen die bepaald zijn in het opdrachtenblad, alsook, naar gelang van het geval, ofwel in de bestuursovereenkomst en, voor de mandaathouders [2 van rang 16 die niet behoren tot het Directiecomité en ]2 van rang 15, in het doelstellingencontract, ofwel in de doelstellingen van het bestuursplan en van de beheersovereenkomst, waarvoor de mandaathouder bevoegd of [3 ...]3 onvoldoende kwantitatief of kwalitatief, of niet binnen de gestelde termijn, vervuld zijn.]1
Art. 41. [1 L'évaluation réalisée en application de l'article 32 fait l'objet des mentions suivantes :
1° " favorable " : lorsque les missions de gestion et les objectifs stratégiques et opérationnels contenus dans la lettre de mission ainsi que, selon le cas, soit dans le contrat d'administration et, pour les mandataires [2 de rang 16 ne faisant pas partie du Comité de direction et]2 de rang 15, le contrat d'objectifs, soit dans les objectifs du plan d'administration et du contrat de gestion, dont le mandataire est responsable,[3 ...]3 ont été suffisamment réalisés quantitativement et qualitativement et dans les délais prévus, soit n'ont pas été réalisés suffisamment ou dans les délais prévus mais qu'il apparaît, sur base des éléments de justification présentés par le mandataire, que cette situation est adéquatement justifiée ;
2° " réservé " : lorsque les missions de gestion et les objectifs stratégiques et opérationnels contenus dans la lettre de mission ainsi que, selon le cas, soit dans le contrat d'administration et, pour les mandataires [2 de rang 16 ne faisant pas partie du Comité de direction et]2 de rang 15, le contrat d'objectifs, soit dans les objectifs du plan d'administration et du contrat de gestion dont le mandataire est responsable, [3 ...]3 n'ont été que trop partiellement réalisés quantitativement ou qualitativement, ou pas dans les délais prévus ;
3° " défavorable " : lorsque les missions de gestion et les objectifs stratégiques et opérationnels contenus dans la lettre de mission, ainsi que, selon le cas, soit dans le contrat d'administration et, pour les mandataires [2 de rang 16 ne faisant pas partie du Comité de direction et]2 de rang 15, le contrat d'objectifs soit dans les objectifs du plan d'administration et du contrat de gestion, dont le mandataire est responsable, coresponsable ou contributeur, mais dans cette dernière hypothèse uni[3 ...]3 n'ont été qu'insuffisamment réalisés quantitativement ou qualitativement, ou pas dans les délais prévus.]1
1° " favorable " : lorsque les missions de gestion et les objectifs stratégiques et opérationnels contenus dans la lettre de mission ainsi que, selon le cas, soit dans le contrat d'administration et, pour les mandataires [2 de rang 16 ne faisant pas partie du Comité de direction et]2 de rang 15, le contrat d'objectifs, soit dans les objectifs du plan d'administration et du contrat de gestion, dont le mandataire est responsable,[3 ...]3 ont été suffisamment réalisés quantitativement et qualitativement et dans les délais prévus, soit n'ont pas été réalisés suffisamment ou dans les délais prévus mais qu'il apparaît, sur base des éléments de justification présentés par le mandataire, que cette situation est adéquatement justifiée ;
2° " réservé " : lorsque les missions de gestion et les objectifs stratégiques et opérationnels contenus dans la lettre de mission ainsi que, selon le cas, soit dans le contrat d'administration et, pour les mandataires [2 de rang 16 ne faisant pas partie du Comité de direction et]2 de rang 15, le contrat d'objectifs, soit dans les objectifs du plan d'administration et du contrat de gestion dont le mandataire est responsable, [3 ...]3 n'ont été que trop partiellement réalisés quantitativement ou qualitativement, ou pas dans les délais prévus ;
3° " défavorable " : lorsque les missions de gestion et les objectifs stratégiques et opérationnels contenus dans la lettre de mission, ainsi que, selon le cas, soit dans le contrat d'administration et, pour les mandataires [2 de rang 16 ne faisant pas partie du Comité de direction et]2 de rang 15, le contrat d'objectifs soit dans les objectifs du plan d'administration et du contrat de gestion, dont le mandataire est responsable, coresponsable ou contributeur, mais dans cette dernière hypothèse uni[3 ...]3 n'ont été qu'insuffisamment réalisés quantitativement ou qualitativement, ou pas dans les délais prévus.]1
Art. 42. [1 § 1. De mandaathouder aan wie een evaluatie "gunstig" wordt toegekend, zet de uitoefening van zijn lopende mandaat voort.
§ 2. Als een evaluatie " met voorbehoud " wordt toegekend, wordt een nieuwe evaluatie na een termijn van zes maanden uitgevoerd.
Als twee opeenvolgende evaluaties " met voorbehoud " of een evaluatie "ongunstig" na een eerste evaluatie "met voorbehoud" toegekend worden, wordt aan het mandaat vroegtijdig een einde gemaakt.
§ 3. Aan de geëvalueerde mandaathouder kan na de eerste evaluatie bedoeld in artikel 32 geen evaluatie " ongunstig " worden toegekend.
Als een evaluatie "ongunstig " na de tweede evaluatie bedoeld in artikel 32 wordt toegekend, wordt aan het mandaat vroegtijdig een einde gemaakt. ".
Het eerste lid is niet van toepassing op de mandaathouders die althans voor de tweede keer achter elkaar hetzelfde mandaat uitoefenen of een mandaat waarvan de bevoegdheden niet wezenlijk verschillen van het vorige ]1.
§ 2. Als een evaluatie " met voorbehoud " wordt toegekend, wordt een nieuwe evaluatie na een termijn van zes maanden uitgevoerd.
Als twee opeenvolgende evaluaties " met voorbehoud " of een evaluatie "ongunstig" na een eerste evaluatie "met voorbehoud" toegekend worden, wordt aan het mandaat vroegtijdig een einde gemaakt.
§ 3. Aan de geëvalueerde mandaathouder kan na de eerste evaluatie bedoeld in artikel 32 geen evaluatie " ongunstig " worden toegekend.
Als een evaluatie "ongunstig " na de tweede evaluatie bedoeld in artikel 32 wordt toegekend, wordt aan het mandaat vroegtijdig een einde gemaakt. ".
Het eerste lid is niet van toepassing op de mandaathouders die althans voor de tweede keer achter elkaar hetzelfde mandaat uitoefenen of een mandaat waarvan de bevoegdheden niet wezenlijk verschillen van het vorige ]1.
Modifications
Art. 42. [1 § 1er. Le mandataire auquel est attribuée une évaluation favorable poursuit l'exercice de son mandat en cours.
§ 2. En cas d'attribution d'une évaluation réservée, une nouvelle évaluation est réalisée au terme d'un délai de six mois.
En cas d'attribution de deux évaluations réservées consécutives, ou d'une mention défavorable en suite d'une première évaluation réservée, il est mis fin au mandat de manière anticipée.
§ 3. Le mandataire évalué ne peut pas se voir attribuer une évaluation défavorable à l'issue de la première évaluation visée à l'article 32.
En cas d'attribution d'une évaluation défavorable, à l'issue de la seconde évaluation visée à l'article 32, il est mis fin au mandat de manière anticipée. ".
L'alinéa 1er ne s'applique pas aux mandataires qui exercent, au moins pour la seconde fois de manière consécutive, un même mandat ou un mandat dont les attributions sont sans différences substantielles avec le précédent ]1.
§ 2. En cas d'attribution d'une évaluation réservée, une nouvelle évaluation est réalisée au terme d'un délai de six mois.
En cas d'attribution de deux évaluations réservées consécutives, ou d'une mention défavorable en suite d'une première évaluation réservée, il est mis fin au mandat de manière anticipée.
§ 3. Le mandataire évalué ne peut pas se voir attribuer une évaluation défavorable à l'issue de la première évaluation visée à l'article 32.
En cas d'attribution d'une évaluation défavorable, à l'issue de la seconde évaluation visée à l'article 32, il est mis fin au mandat de manière anticipée. ".
L'alinéa 1er ne s'applique pas aux mandataires qui exercent, au moins pour la seconde fois de manière consécutive, un même mandat ou un mandat dont les attributions sont sans différences substantielles avec le précédent ]1.
Modifications
Art. 43. De mandaathouder wiens laatste evaluatie de vermelding " met voorbehoud " inhoudt, kan niet ertoe worden toegelaten zich kandidaat te stellen voor hetzelfde mandaat of een mandaat van een hogere rang voor een periode van 5 jaar te rekenen vanaf het einde van zijn mandaat.
De mandaathouder [1 wiens laatste evaluatie de vermelding]1 de vermelding " ongunstig " inhoudt, kan niet ertoe worden toegelaten zich kandidaat te stellen voor een mandaat voor een periode van 5 jaar te rekenen vanaf het einde van zijn mandaat.
De mandaathouder [1 wiens laatste evaluatie de vermelding]1 de vermelding " ongunstig " inhoudt, kan niet ertoe worden toegelaten zich kandidaat te stellen voor een mandaat voor een periode van 5 jaar te rekenen vanaf het einde van zijn mandaat.
Modifications
Art. 43. Le mandataire dont la dernière évaluation a fait l'objet de la mention réservée n'est pas recevable à poser sa candidature au même mandat ou à un mandat d'un rang supérieur pour une durée de 5 ans à compter de la fin de son mandat.
Le mandataire [1 dont la dernière évaluation a fait l'objet de la mention ]1 défavorable n'est pas recevable à poser sa candidature à un mandat pour une durée de 5 ans à compter de la fin de son mandat.
Le mandataire [1 dont la dernière évaluation a fait l'objet de la mention ]1 défavorable n'est pas recevable à poser sa candidature à un mandat pour une durée de 5 ans à compter de la fin de son mandat.
Modifications
Art. 44. § 1. De mandaathouder wiens mandaat niet werd hernieuwd, die ambtenaar van de diensten van de Franse Gemeenschap is en in zijn oorspronkelijke betrekking niet werd vervangen, krijgt deze terug op het einde van zijn mandaat. Als hij werd vervangen, krijgt hij een nieuwe dienstaanwijzing in een betrekking van een gelijkwaardige graad. Hij behoudt de hoedanigheid van lid van de pool van de kandidaten voor de uitoefening van een mandaat.
Indien zijn laatste evaluatie gunstig is, geniet hij een bezoldigd verlof van vijf werkdagen, waarbij de bezoldiging gedurende dat verlof deze is die gedurende de uitoefening van het mandaat werd ontvangen.
§ 2. [1 De vroegere mandaathouder die geen ambtenaar van de diensten van de Franse Gemeenschap is of die geen verlof geniet dat hem toegang tot zijn vroegere betrekking verschaft, die geen evaluatie "ongunstig" of niet twee opeenvolgende evaluaties "met voorbehoud" heeft gekregen en die niet tot een nieuw mandaat wordt aangesteld, ontvangt een vergoeding voor de uittreding uit het ambt die op dezelfde wijze als voor de contractuele personeelsleden wordt berekend. De vergoeding voor de uittreding uit het ambt is minstens gelijk aan de bezoldiging van de mandaathouder voor een periode van 6 maanden als hij één enkel mandaat heeft uitgeoefend, en aan de bezoldiging van de mandaathouder voor een periode van 12 maanden, als hij meer dan één mandaat heeft uitgeoefend. Hij zal ook een outplacement genieten. De bij dit lid bedoelde mandaathouder wiens mandaat niet hernieuwd wordt, behoudt de hoedanigheid van lid van de pool van de kandidaten voor een mandaatambt.]1
Indien zijn laatste evaluatie gunstig is, geniet hij een bezoldigd verlof van vijf werkdagen, waarbij de bezoldiging gedurende dat verlof deze is die gedurende de uitoefening van het mandaat werd ontvangen.
§ 2. [1 De vroegere mandaathouder die geen ambtenaar van de diensten van de Franse Gemeenschap is of die geen verlof geniet dat hem toegang tot zijn vroegere betrekking verschaft, die geen evaluatie "ongunstig" of niet twee opeenvolgende evaluaties "met voorbehoud" heeft gekregen en die niet tot een nieuw mandaat wordt aangesteld, ontvangt een vergoeding voor de uittreding uit het ambt die op dezelfde wijze als voor de contractuele personeelsleden wordt berekend. De vergoeding voor de uittreding uit het ambt is minstens gelijk aan de bezoldiging van de mandaathouder voor een periode van 6 maanden als hij één enkel mandaat heeft uitgeoefend, en aan de bezoldiging van de mandaathouder voor een periode van 12 maanden, als hij meer dan één mandaat heeft uitgeoefend. Hij zal ook een outplacement genieten. De bij dit lid bedoelde mandaathouder wiens mandaat niet hernieuwd wordt, behoudt de hoedanigheid van lid van de pool van de kandidaten voor een mandaatambt.]1
Modifications
Art. 44. § 1. Le mandataire non reconduit qui est agent des services de la Communauté française et qui n'a pas été remplacé dans son emploi initial retrouve celui-ci au terme de son mandat. S'il a été remplacé, il est réaffecté dans un emploi de grade équivalent. Il conserve la qualité de membre du pool des candidats à l'exercice d'un mandat.
Si sa dernière évaluation est favorable, il bénéficie d'un congé rémunéré de quinze jours ouvrables, la rémunération durant ce congé étant celle qui a été perçue pendant l'exercice du mandat.
§ 2. [1 L'ancien mandataire qui n'est ni agent des services de la Communauté française ni bénéficiaire d'un quelconque congé lui permettant de réintégrer son précédent emploi, qui n'a reçu ni une évaluation défavorable, ni deux évaluations réservées consécutives et qui n'est pas désigné pour un nouveau mandat, perçoit une indemnité de sortie de fonction calculée de la même manière que pour les membres du personnel contractuel. L'indemnité de sortie de fonction est égale, au minimum, à la rémunération du mandataire pour une période de 6 mois s'il a effectué un seul mandat, et à la rémunération du mandataire pour une période de 12 mois s'il a effectué plus d'un mandat. Il bénéficiera également d'un outplacement. Le mandataire non reconduit visé par le présent alinéa conserve la qualité de membre du pool des candidats à une fonction de mandat.]1
Si sa dernière évaluation est favorable, il bénéficie d'un congé rémunéré de quinze jours ouvrables, la rémunération durant ce congé étant celle qui a été perçue pendant l'exercice du mandat.
§ 2. [1 L'ancien mandataire qui n'est ni agent des services de la Communauté française ni bénéficiaire d'un quelconque congé lui permettant de réintégrer son précédent emploi, qui n'a reçu ni une évaluation défavorable, ni deux évaluations réservées consécutives et qui n'est pas désigné pour un nouveau mandat, perçoit une indemnité de sortie de fonction calculée de la même manière que pour les membres du personnel contractuel. L'indemnité de sortie de fonction est égale, au minimum, à la rémunération du mandataire pour une période de 6 mois s'il a effectué un seul mandat, et à la rémunération du mandataire pour une période de 12 mois s'il a effectué plus d'un mandat. Il bénéficiera également d'un outplacement. Le mandataire non reconduit visé par le présent alinéa conserve la qualité de membre du pool des candidats à une fonction de mandat.]1
Modifications
HOOFDSTUK II. - Wijzigingsbepalingen
CHAPITRE 2. - Dispositions modificatives
Art. 45. In artikel 3, eerste lid, van het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 22 juli 1996 houdende het statuut van de ambtenaren van de Diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap, vervangen bij het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 1 december 2006, worden de woorden " het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 1 december 2006 tot instelling van een mandatenregeling voor de ambtenaren-generaal van de Diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap, de Hoge Raad voor de Audiovisuele Sector en de instellingen van openbaar nut die onder het Comité van Sector XVII ressorteren ", vervangen door de woorden " het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 20 september 2012 tot instelling van een mandatenregeling voor de ambtenaren-generaal van de Diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap en de instellingen van openbaar nut die onder het Comité van Sector XVII ressorteren ".
Art. 45. Dans l'article 3, alinéa 1er, de l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 22 juillet 1996 portant statut des agents des services du Gouvernement de la Communauté française, remplacé par l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 1er décembre 2006, les mots " l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 1er décembre 2006 instaurant un régime de mandats pour les fonctionnaires généraux des Services du Gouvernement de la Communauté française, du Conseil Supérieur de l'Audiovisuel et des organismes d'intérêt public relevant du Comité de secteur XVII " sont remplacés par les mots " l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 20 septembre 2012 instaurant un régime de mandats pour les fonctionnaires généraux des Services du Gouvernement de la Communauté française et des organismes d'intérêt public qui relèvent du Comité de secteur XVII ".
Art. 46. In artikel 32, eerste lid en tweede lid van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 1 december 2006, worden de woorden " het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 1 december 2006 tot instelling van een mandatenregeling voor de ambtenaren-generaal van de Diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap, de Hoge Raad voor de Audiovisuele Sector en de instellingen van openbaar nut die onder het Comité van Sector XVII ressorteren ", in het eerste lid en in het tweede lid voorkomend, telkens vervangen door de woorden " het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 20 september 2012 tot instelling van een mandatenregeling voor de ambtenaren-generaal van de Diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap en de instellingen van openbaar nut die onder het Comité van Sector XVII ressorteren ".
Art. 46. Dans l'article 32, alinéas 1er et 2, du même arrêté, remplacés par l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 1er décembre 2006, les mots " l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 1er décembre 2006 instaurant un régime de mandats pour les fonctionnaires généraux des Services du Gouvernement de la Communauté française, du Conseil Supérieur de l'Audiovisuel et des organismes d'intérêt public relevant du Comité de secteur XVII ", figurant aux alinéas 1 et 2, sont chaque fois remplacés par les mots " l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 20 septembre 2012 instaurant un régime de mandats pour les fonctionnaires généraux des Services du Gouvernement de la Communauté française et des organismes d'intérêt public qui relèvent du Comité de secteur XVII ".
Art. 47. In artikel 33, §§ 1 en 2, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 1 december 2006, worden de woorden " het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 1 december 2006 tot instelling van een mandatenregeling voor de ambtenaren-generaal van de Diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap, de Hoge Raad voor de Audiovisuele Sector en de instellingen van openbaar nut die onder het Comité van Sector XVII ressorteren ", telkens vervangen door de woorden " het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 20 september 2012 tot instelling van een mandatenregeling voor de ambtenaren-generaal van de Diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap en de instellingen van openbaar nut die onder het Comité van Sector XVII ressorteren ".
Art. 47. Dans l'article 33, §§ 1er et 2, du même arrêté, remplacés par l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 1er décembre 2006, les mots " l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 1er décembre 2006 instaurant un régime de mandats pour les fonctionnaires généraux des Services du Gouvernement de la Communauté française, du Conseil Supérieur de l'Audiovisuel et des organismes d'intérêt public relevant du Comité de secteur XVII " sont chaque fois remplacés par les mots " l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 20 septembre 2012 instaurant un régime de mandats pour les fonctionnaires généraux des Services du Gouvernement de la Communauté française et des organismes d'intérêt public qui relèvent du Comité de secteur XVII ".
Art. 48. In hetzelfde besluit wordt het opschrift van titel X, hoofdstuk III, vervangen door hetgeen volgt : " Evaluatie van de ambtenaren-generaal die geen mandaat uitoefenen met toepassing van het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 20 september 2012 tot instelling van een mandatenregeling voor de ambtenaren-generaal van de Diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap en de instellingen van openbaar nut die onder het Comité van Sector XVII ressorteren ".
Art. 48. Dans le même arrêté, l'intitulé du titre X, chapitre III, est remplacé par ce qui suit : " De l'évaluation des fonctionnaires généraux n'exerçant pas un mandat en application de l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 20 septembre 2012 instaurant un régime de mandats pour les fonctionnaires généraux des Services du Gouvernement de la Communauté française et des organismes d'intérêt public qui relèvent du Comité de secteur XVII ".
Art. 49. In artikel 13 van het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 22 juli 1996 houdende het geldelijk statuut van de ambtenaren van de Diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap, wordt het tweede lid, ingevoegd bij het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 1 december 2006, vervangen door hetgeen volgt :
" Het verloop van de geldelijke loopbaan van de mandaathouder die een evaluatievermelding " ongunstig " heeft gekregen, wordt geregeld door de artikelen 42 en 43 van het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 20 september 2012 tot instelling van een mandatenregeling voor de ambtenaren-generaal van de Diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap en de instellingen van openbaar nut die onder het Comité van Sector XVII ressorteren. ".
" Het verloop van de geldelijke loopbaan van de mandaathouder die een evaluatievermelding " ongunstig " heeft gekregen, wordt geregeld door de artikelen 42 en 43 van het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 20 september 2012 tot instelling van een mandatenregeling voor de ambtenaren-generaal van de Diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap en de instellingen van openbaar nut die onder het Comité van Sector XVII ressorteren. ".
Art. 49. Dans l'article 13 de l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 22 juillet 1996 portant statut pécuniaire des agents des Services du Gouvernement de la Communauté française, l'alinéa 2, inséré par l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 1er décembre 2006, est remplacé par ce qui suit :
" Le déroulement de la carrière pécuniaire du mandataire qui fait l'objet d'une évaluation défavorable est réglé par les articles 42 et 43 de l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 20 septembre 2012 instaurant un régime de mandats pour les fonctionnaires généraux des Services du Gouvernement de la Communauté française et des organismes d'intérêt public qui relèvent du Comité de secteur XVII. ".
" Le déroulement de la carrière pécuniaire du mandataire qui fait l'objet d'une évaluation défavorable est réglé par les articles 42 et 43 de l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 20 septembre 2012 instaurant un régime de mandats pour les fonctionnaires généraux des Services du Gouvernement de la Communauté française et des organismes d'intérêt public qui relèvent du Comité de secteur XVII. ".
Art. 50. In artikel 5 van het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 12 januari 1998 tot vaststelling van het administratief en geldelijk statuut van het personeel van de " Office de la Naissance et de l'Enfance ", vervangen bij het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 1 december 2006, worden de woorden " artikelen 13 en volgende van het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 1 december 2006 tot instelling van een mandatenregeling voor de ambtenaren-generaal van de Diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap, de Hoge Raad voor de Audiovisuele Sector en de instellingen van openbaar nut die onder het Comité van Sector XVII ressorteren ", vervangen door de woorden " artikelen 15 en volgende van het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 20 september 2012 tot instelling van een mandatenregeling voor de ambtenaren-generaal van de Diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap en de instellingen van openbaar nut die onder het Comité van Sector XVII ressorteren ".
Art. 50. Dans l'article 5 de l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 12 janvier 1998 fixant le statut administratif et pécuniaire du personnel de l'Office de la Naissance et de l'Enfance, remplacé par l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 1er décembre 2006, les mots " articles 13 et suivants de l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 1er décembre 2006 instaurant un régime de mandats pour les fonctionnaires généraux des Services du Gouvernement de la Communauté française, du Conseil Supérieur de l'Audiovisuel et des organismes d'intérêt public relevant du Comité de secteur XVII " sont remplacés par les mots " articles 15 et suivants de l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 20 septembre 2012 instaurant un régime de mandats pour les fonctionnaires généraux des Services du Gouvernement de la Communauté française et des organismes d'intérêt public qui relèvent du Comité de secteur XVII. ".
Art. 51. In artikel 5 van het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 3 oktober 2002 tot vaststelling van het administratief en geldelijk statuut van het personeel van het Overheidsbedrijf voor de Nieuwe Informatie- en Communicatietechnologieën van de Franse Gemeenschap (" ETNIC "), vervangen bij het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 1 december 2006, worden de woorden " het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 1 december 2006 tot instelling van een mandatenregeling voor de ambtenaren-generaal van de Diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap, de Hoge Raad voor de Audiovisuele Sector en de instellingen van openbaar nut die onder het Comité van Sector XVII ressorteren ", vervangen door de woorden " het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 20 september 2012 tot instelling van een mandatenregeling voor de ambtenaren-generaal van de Diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap en de instellingen van openbaar nut die onder het Comité van Sector XVII ressorteren. ".
Art. 51. Dans l'article 5 de l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 3 octobre 2002 fixant le statut administratif et pécuniaire du personnel de l'Entreprise publique des Technologies nouvelles de l'Information et de la Communication de la Communauté française, remplacé par l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 1er décembre 2006, les mots " l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 1er décembre 2006 instaurant un régime de mandats pour les fonctionnaires généraux des Services du Gouvernement de la Communauté française, du Conseil Supérieur de l'Audiovisuel et des organismes d'intérêt public relevant du Comité de secteur XVII " sont remplacés par les mots " l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 20 septembre 2012 instaurant un régime de mandats pour les fonctionnaires généraux des Services du Gouvernement de la Communauté française et des organismes d'intérêt public qui relèvent du Comité de secteur XVII. ".
Art. 52. In artikel 21, § 1, van het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 1 december 2006 tot instelling van een mandatenregeling voor de ambtenaren-generaal van de Diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap, de Hoge Raad voor de Audiovisuele Sector en de instellingen van openbaar nut die onder het Comité van Sector XVII ressorteren, wordt paragraaf 1 vervangen door hetgeen volgt :
" § 1. De mandaten eindigen op 31 december van het jaar waarin de eedaflegging van de leden van een nieuwe Regering die op de vernieuwing van het Parlement onmiddellijk volgt, heeft plaatsgevonden.
De mandaathouder houdt van ambtswege op zijn ambt op het aldus vastgestelde einde uit te oefenen.
De datum van het in het eerste lid vastgestelde einde van het mandaat is van toepassing, ook al werd het lopende mandaat toegekend na 31 december van het jaar waarin de eedaflegging van de leden van de nieuwe Regering die op de vernieuwing van het Parlement onmiddellijk volgt, heeft plaatsgevonden. ".
" § 1. De mandaten eindigen op 31 december van het jaar waarin de eedaflegging van de leden van een nieuwe Regering die op de vernieuwing van het Parlement onmiddellijk volgt, heeft plaatsgevonden.
De mandaathouder houdt van ambtswege op zijn ambt op het aldus vastgestelde einde uit te oefenen.
De datum van het in het eerste lid vastgestelde einde van het mandaat is van toepassing, ook al werd het lopende mandaat toegekend na 31 december van het jaar waarin de eedaflegging van de leden van de nieuwe Regering die op de vernieuwing van het Parlement onmiddellijk volgt, heeft plaatsgevonden. ".
Art. 52. Dans l'article 21, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 1er décembre 2006 instaurant un régime de mandats pour les fonctionnaires généraux des services du Gouvernement de la Communauté française, du Conseil supérieur de l'Audiovisuel et des organismes qui relèvent du Comité de secteur XVII, le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Les mandats viennent à échéance le 31 décembre de l'année au cours de laquelle est intervenue la prestation de serment des membres d'un nouveau Gouvernement faisant directement suite au renouvellement du Parlement.
Le mandataire cesse de plein droit d'exercer ses fonctions à l'échéance ainsi fixée.
La date d'échéance du mandat prévue à l'alinéa 1er est d'application même lorsque le mandat en cours a été attribué après le 31 décembre de l'année au cours de laquelle est intervenue la prestation de serment des membres du Gouvernement faisant directement suite au renouvellement du Parlement. "
" § 1er. Les mandats viennent à échéance le 31 décembre de l'année au cours de laquelle est intervenue la prestation de serment des membres d'un nouveau Gouvernement faisant directement suite au renouvellement du Parlement.
Le mandataire cesse de plein droit d'exercer ses fonctions à l'échéance ainsi fixée.
La date d'échéance du mandat prévue à l'alinéa 1er est d'application même lorsque le mandat en cours a été attribué après le 31 décembre de l'année au cours de laquelle est intervenue la prestation de serment des membres du Gouvernement faisant directement suite au renouvellement du Parlement. "
HOOFDSTUK III. - Opheffingsbepalingen
CHAPITRE 3. - Dispositions abrogatoires
Art. 53. Opgeheven worden :
1° het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 3 september 2003 houdende organisatie van de vorming met het oog op het verkrijgen van het brevet voor overheidsmanagement, gewijzigd bij het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 1 december 2006;
2° in het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 1 december 2006 tot instelling van een mandatenregeling voor de ambtenaren-generaal van de Diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap, de Hoge Raad voor de Audiovisuele Sector en de instellingen van openbaar nut die onder het Comité van Sector XVII ressorteren, gewijzigd bij het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 1 juli 2010, hoofdstuk I, dat de artikelen 1 tot 42 bevat.
1° het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 3 september 2003 houdende organisatie van de vorming met het oog op het verkrijgen van het brevet voor overheidsmanagement, gewijzigd bij het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 1 december 2006;
2° in het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 1 december 2006 tot instelling van een mandatenregeling voor de ambtenaren-generaal van de Diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap, de Hoge Raad voor de Audiovisuele Sector en de instellingen van openbaar nut die onder het Comité van Sector XVII ressorteren, gewijzigd bij het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 1 juli 2010, hoofdstuk I, dat de artikelen 1 tot 42 bevat.
Art. 53. Sont abrogés :
1° l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 3 septembre 2003 organisant la formation en vue de l'obtention du brevet de management public, modifié par l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 1er décembre 2006;
2° dans l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 1er décembre 2006 instaurant un régime de mandats pour les fonctionnaires généraux des services du Gouvernement de la Communauté française, du Conseil supérieur de l'audiovisuel et des organismes d'intérêt public qui relèvent du Comité de secteur XVII, modifié par l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 1er juillet 2010, le Chapitre Ier, comportant les articles 1 à 42.
1° l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 3 septembre 2003 organisant la formation en vue de l'obtention du brevet de management public, modifié par l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 1er décembre 2006;
2° dans l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 1er décembre 2006 instaurant un régime de mandats pour les fonctionnaires généraux des services du Gouvernement de la Communauté française, du Conseil supérieur de l'audiovisuel et des organismes d'intérêt public qui relèvent du Comité de secteur XVII, modifié par l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 1er juillet 2010, le Chapitre Ier, comportant les articles 1 à 42.
HOOFDSTUK IV. - Overgangs- en slotbepalingen
CHAPITRE 4. - Dispositions transitoires et finales
Art. 54. Voor de toepassing van dit besluit, wordt de titularis van het brevet voor overheidsmanagement, bedoeld in artikel 2, 5° van het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 25 oktober 2002 tot oprichting van een " Ecole d'Administration publique " (School voor overheidsbestuur) in de Franse Gemeenschap, gelijkgesteld met de titularis van het getuigschrift van overheidsmanagement, mits slagen voor het in artikel 13 bedoelde examen.
Art. 54. B Pour l'application du présent arrêté, le titulaire du brevet de management public, visé à l'article 2, 5°, de l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 25 octobre 2002 créant une Ecole d'Administration publique en Communauté française, est assimilé au titulaire du Certificat en management public, moyennant la réussite de l'examen visé à l'article 13.
Art. 55. [1 § 1. In 2014 worden de mandaathouders van de rangen 17, 16+ en 16 van de Diensten van de Franse Gemeenschap, die in functie zijn op de datum van inwerkingtreding van dit besluit, geëvalueerd door de nieuwe Regering die na de vernieuwing van het Parlement wordt geïnstalleerd.
[2 In 2014, worden de mandaathouders van rang 15 van de Diensten van de Franse Gemeenschap, die in functie zijn op de datum van inwerkingtreding van dit besluit, geëvalueerd door de nieuwe Regering die na de vernieuwing van het Parlement wordt geïnstalleerd.]2
Die evaluatie wordt uitgevoerd volgens de volgende nadere regels. Met redenen omklede evaluatieverslagen moeten worden gericht aan de nieuwe Regering binnen veertien dagen na de aanvraag die door de Minister van Ambtenarenzaken werd gericht. Die verslagen worden, voor elke mandaathouder, respectief door de betrokkene zelf en door de secretaris-generaal of de leidend ambtenaar opgesteld. Voor de secretaris-generaal of de leidend ambtenaar, wordt het tweede evaluatieverslag respectief door de Regering die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit in functie is of door het beheersorgaan van de instelling opgesteld. Dat tweede evaluatieverslag wordt aan de mandaathouder meegedeeld, die over een termijn van acht dagen beschikt om zijn opmerkingen schriftelijk te laten kennen. Het evaluatievoorstel wordt door de nieuwe Regering gedaan en aan de mandaathouder meegedeeld binnen de maand waarin die termijn van acht dagen verstrijkt. Binnen de acht dagen na de kennisgeving van een andere evaluatie dan de evaluatie "zeer gunstig" of "gunstig" door de Minister van Ambtenarenzaken, kan de mandaathouder een beroep indienen bij de raad van beroep bedoeld in artikel 38 en vragen om te worden gehoord. De raad van beroep brengt zijn advies uit en deelt dit mee binnen een termijn van veertien dagen nadat dit advies hem werd aangevraagd. De evaluatie wordt door de nieuwe Regering binnen de maand na de ontvangst van dat advies goedgekeurd.
Het tweede evaluatieverslag omvat de vaststellingen en de beoordeling van de wijze waarop de mandaathouder zijn opdracht heeft vervuld en zijn doelstellingen al dan niet heeft bereikt. Het houdt geen voorstel van evaluatievermelding in.
De nieuwe Regering voert de evaluatie uit door een evaluatievermelding toe te kennen. Daartoe steunt ze op de volgende gegevens :
- het opdrachtenblad van de geëvalueerde mandaathouder;
- het operationeel plan;
- het evaluatieverslag dat door de mandaathouder zelf wordt opgemaakt;
- het evaluatieverslag dat wordt opgemaakt door de uittredende Regering, het beheersorgaan van de instelling, de secretaris-generaal of de leidend ambtenaar;
- de eventuele opmerkingen over dat evaluatieverslag die door de geëvalueerde mandaathouder worden voorgelegd.
In afwijking van het derde lid van deze paragraaf, kan de secretaris-generaal een beroep indienen bij de raad van beroep bedoeld in artikel 38 ook in geval van een gunstige evaluatie, en kan hij vragen om te worden gehoord.
In afwijking van het vierde lid van deze paragraaf, voor de secretaris-generaal, omvat het tweede verslag, opgemaakt door de uittredende Regering, een voorstel van evaluatievermelding.
§ 2. De evaluatie bedoeld in § 1 kan aanleiding geven tot de toekenning van de volgende vermeldingen :
1° "zeer gunstig" : wanneer de strategische en operationele doelstellingen, die in het operationele plan vermeld zijn, op voldoende wijze en binnen de bepaalde termijn, zowel kwantitatief als kwalitatief, werden verwezenlijkt, ofwel niet voldoende of niet binnen de gestelde termijn kwantitatief of kwalitatief werden verwezenlijkt, maar, op grond van de door de mandaathouder voorgestelde verantwoordingsgegevens, blijkt dat die toestand voortvloeit uit onvoorspelbare omstandigheden of omstandigheden die niet aan hem toe te schrijven zijn.
De mandaathouder moet bovendien voldoende hebben bijgedragen tot het opbouwen van een vertrouwensrelatie met de Regering, blijk heeft gegeven van innovatie en initiatief, en voldoende heeft bijgedragen tot de uitstraling van zijn dienst;
2° "gunstig" : wanneer de strategische en operationele doelstellingen die in het operationeel plan vermeld zijn, op voldoende wijze en binnen de bepaalde termijn, zowel kwantitatief als kwalitatief, werden verwezenlijkt, ofwel niet voldoende of niet binnen de gestelde termijn kwantitatief of kwalitatief werden verwezenlijkt, maar, op grond van de door de mandaathouder voorgestelde verantwoordingsgegevens, blijkt dat die toestand voortvloeit uit onvoorspelbare omstandigheden of omstandigheden die niet aan hem toe te schrijven zijn;
3° "met voorbehoud" : wanneer de strategische en operationele doelstellingen die in het operationeel plan te gedeeltelijk kwantitatief of kwalitatief, of niet binnen de gestelde termijn werden verwezenlijkt;
4° "ongunstig" : wanneer de strategische en operationele doelstellingen die in het operationeel plan kwantitatief of kwalitatief op onvoldoende wijze of niet binnen de gestelde termijn werden verwezenlijkt.
§ 3. De mandaathouder aan wie, met toepassing van § 1, een evaluatie "zeer gunstig" wordt toegekend, wordt automatisch opgenomen in de in artikel 14 bedoelde kandidatenpool. Zijn mandaat wordt, op zijn aanvraag, automatisch hernieuwd [3 of, indien het beklede ambt niet meer bestaat, wordt hij voor een mandaat van dezelfde rang aangewezen]3. [4 Voor de uitoefening van dat mandaat van dezelfde rang, geniet hij minstens de bezoldigingsregeling in verband met het voorafgaande mandaat.]4 Op het einde van dat nieuwe mandaat, als hij een beroepservaring van 20 jaar in de privé-sector of in de openbare sector heeft, wordt hij in vast verband benoemd in een graad van de onmiddellijk lagere rang dan die van het ambt dat hij in het kader van dat mandaat uitoefende, voor zover hij geen benoeming in een hogere graad genoot voordat hij tot mandaathouder werd aangesteld. Als de mandaathouder niet de vereiste ervaringsjaren heeft en hij geen ambtenaar van de diensten van de Franse Gemeenschap is of hij geen verlof geniet waarbij hij zijn vroegere betrekking opnieuw kan bekleden, geniet hij de voordelen bepaald in artikel 44, § 2.
§ 4. De mandaathouder aan wie, met toepassing van § 1, een evaluatie "gunstig" wordt toegekend, wordt automatisch opgenomen in de in artikel 14 bedoelde kandidatenpool. Hij kan, bij de eerste toepassing van dit besluit, zich kandidaat stellen voor elke vacant verklaarde betrekking die bij mandaat toe te kennen is. Op het einde van dat nieuwe mandaat, als hij een beroepservaring van 20 jaar in de privé-sector of in de openbare sector heeft, wordt hij in vast verband benoemd in een graad van de onmiddellijk lagere rang dan die van het ambt dat hij in het kader van dat mandaat uitoefende, voor zover hij geen benoeming in een hogere graad genoot voordat hij tot mandaathouder werd benoemd.
Indien hij, nadat hij zijn kandidatuur heeft ingediend, bij de eerste toepassing van dit besluit, niet tot een nieuw mandaat wordt aangesteld, en hij een beroepservaring van 20 jaar in de privé-sector of in de openbare sector heeft, wordt hij in vast verband benoemd in een graad van de onmiddellijk lagere rang dan die van het ambt dat hij in het kader van zijn laatste mandaat uitoefende, voor zover hij geen benoeming in een hogere graad genoot voordat hij tot mandaathouder werd aangesteld. Hem wordt door de Regering een opdracht toegekend in verband met zijn rang.
Als de mandaathouder niet de vereiste ervaringsjaren heeft en hij geen ambtenaar van de diensten van de Franse Gemeenschap is of hij geen verlof geniet waarbij hij zijn vroegere betrekking opnieuw kan bekleden, geniet hij de voordelen bepaald in artikel 44, § 2.
§ 5. De mandaathouder aan wie, met toepassing van § 1, de evaluatie "met voorbehoud" wordt toegekend, kan, bij de eerste toepassing van dit besluit, niet worden aangesteld om de betrekking die hij tot nu toe bekleedde of een betrekking van de hogere rang te bekleden.
Als de mandaathouder geen ambtenaar van de diensten van de Franse Gemeenschap is of hij geen verlof geniet waarbij hij zijn vroegere betrekking opnieuw kan bekleden, geniet hij de voordelen bepaald in artikel 44, § 2.
§ 6. De mandaathouder aan wie, met toepassing van § 1, de evaluatie "ongunstig" wordt toegekend, kan niet worden aangesteld tot een betrekking die bij mandaat toe te kennen is bij de eerste toepassing van dit besluit en kan een dergelijke betrekking niet vóór 31 december 2019 bekleden.
§ 7. Wanneer een mandaathouder, met toepassing van § 3, dezelfde betrekking opnieuw mag bekleden, wordt de vacantverklaring van rechtswege ingetrokken.]1
[2 In 2014, worden de mandaathouders van rang 15 van de Diensten van de Franse Gemeenschap, die in functie zijn op de datum van inwerkingtreding van dit besluit, geëvalueerd door de nieuwe Regering die na de vernieuwing van het Parlement wordt geïnstalleerd.]2
Die evaluatie wordt uitgevoerd volgens de volgende nadere regels. Met redenen omklede evaluatieverslagen moeten worden gericht aan de nieuwe Regering binnen veertien dagen na de aanvraag die door de Minister van Ambtenarenzaken werd gericht. Die verslagen worden, voor elke mandaathouder, respectief door de betrokkene zelf en door de secretaris-generaal of de leidend ambtenaar opgesteld. Voor de secretaris-generaal of de leidend ambtenaar, wordt het tweede evaluatieverslag respectief door de Regering die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit in functie is of door het beheersorgaan van de instelling opgesteld. Dat tweede evaluatieverslag wordt aan de mandaathouder meegedeeld, die over een termijn van acht dagen beschikt om zijn opmerkingen schriftelijk te laten kennen. Het evaluatievoorstel wordt door de nieuwe Regering gedaan en aan de mandaathouder meegedeeld binnen de maand waarin die termijn van acht dagen verstrijkt. Binnen de acht dagen na de kennisgeving van een andere evaluatie dan de evaluatie "zeer gunstig" of "gunstig" door de Minister van Ambtenarenzaken, kan de mandaathouder een beroep indienen bij de raad van beroep bedoeld in artikel 38 en vragen om te worden gehoord. De raad van beroep brengt zijn advies uit en deelt dit mee binnen een termijn van veertien dagen nadat dit advies hem werd aangevraagd. De evaluatie wordt door de nieuwe Regering binnen de maand na de ontvangst van dat advies goedgekeurd.
Het tweede evaluatieverslag omvat de vaststellingen en de beoordeling van de wijze waarop de mandaathouder zijn opdracht heeft vervuld en zijn doelstellingen al dan niet heeft bereikt. Het houdt geen voorstel van evaluatievermelding in.
De nieuwe Regering voert de evaluatie uit door een evaluatievermelding toe te kennen. Daartoe steunt ze op de volgende gegevens :
- het opdrachtenblad van de geëvalueerde mandaathouder;
- het operationeel plan;
- het evaluatieverslag dat door de mandaathouder zelf wordt opgemaakt;
- het evaluatieverslag dat wordt opgemaakt door de uittredende Regering, het beheersorgaan van de instelling, de secretaris-generaal of de leidend ambtenaar;
- de eventuele opmerkingen over dat evaluatieverslag die door de geëvalueerde mandaathouder worden voorgelegd.
In afwijking van het derde lid van deze paragraaf, kan de secretaris-generaal een beroep indienen bij de raad van beroep bedoeld in artikel 38 ook in geval van een gunstige evaluatie, en kan hij vragen om te worden gehoord.
In afwijking van het vierde lid van deze paragraaf, voor de secretaris-generaal, omvat het tweede verslag, opgemaakt door de uittredende Regering, een voorstel van evaluatievermelding.
§ 2. De evaluatie bedoeld in § 1 kan aanleiding geven tot de toekenning van de volgende vermeldingen :
1° "zeer gunstig" : wanneer de strategische en operationele doelstellingen, die in het operationele plan vermeld zijn, op voldoende wijze en binnen de bepaalde termijn, zowel kwantitatief als kwalitatief, werden verwezenlijkt, ofwel niet voldoende of niet binnen de gestelde termijn kwantitatief of kwalitatief werden verwezenlijkt, maar, op grond van de door de mandaathouder voorgestelde verantwoordingsgegevens, blijkt dat die toestand voortvloeit uit onvoorspelbare omstandigheden of omstandigheden die niet aan hem toe te schrijven zijn.
De mandaathouder moet bovendien voldoende hebben bijgedragen tot het opbouwen van een vertrouwensrelatie met de Regering, blijk heeft gegeven van innovatie en initiatief, en voldoende heeft bijgedragen tot de uitstraling van zijn dienst;
2° "gunstig" : wanneer de strategische en operationele doelstellingen die in het operationeel plan vermeld zijn, op voldoende wijze en binnen de bepaalde termijn, zowel kwantitatief als kwalitatief, werden verwezenlijkt, ofwel niet voldoende of niet binnen de gestelde termijn kwantitatief of kwalitatief werden verwezenlijkt, maar, op grond van de door de mandaathouder voorgestelde verantwoordingsgegevens, blijkt dat die toestand voortvloeit uit onvoorspelbare omstandigheden of omstandigheden die niet aan hem toe te schrijven zijn;
3° "met voorbehoud" : wanneer de strategische en operationele doelstellingen die in het operationeel plan te gedeeltelijk kwantitatief of kwalitatief, of niet binnen de gestelde termijn werden verwezenlijkt;
4° "ongunstig" : wanneer de strategische en operationele doelstellingen die in het operationeel plan kwantitatief of kwalitatief op onvoldoende wijze of niet binnen de gestelde termijn werden verwezenlijkt.
§ 3. De mandaathouder aan wie, met toepassing van § 1, een evaluatie "zeer gunstig" wordt toegekend, wordt automatisch opgenomen in de in artikel 14 bedoelde kandidatenpool. Zijn mandaat wordt, op zijn aanvraag, automatisch hernieuwd [3 of, indien het beklede ambt niet meer bestaat, wordt hij voor een mandaat van dezelfde rang aangewezen]3. [4 Voor de uitoefening van dat mandaat van dezelfde rang, geniet hij minstens de bezoldigingsregeling in verband met het voorafgaande mandaat.]4 Op het einde van dat nieuwe mandaat, als hij een beroepservaring van 20 jaar in de privé-sector of in de openbare sector heeft, wordt hij in vast verband benoemd in een graad van de onmiddellijk lagere rang dan die van het ambt dat hij in het kader van dat mandaat uitoefende, voor zover hij geen benoeming in een hogere graad genoot voordat hij tot mandaathouder werd aangesteld. Als de mandaathouder niet de vereiste ervaringsjaren heeft en hij geen ambtenaar van de diensten van de Franse Gemeenschap is of hij geen verlof geniet waarbij hij zijn vroegere betrekking opnieuw kan bekleden, geniet hij de voordelen bepaald in artikel 44, § 2.
§ 4. De mandaathouder aan wie, met toepassing van § 1, een evaluatie "gunstig" wordt toegekend, wordt automatisch opgenomen in de in artikel 14 bedoelde kandidatenpool. Hij kan, bij de eerste toepassing van dit besluit, zich kandidaat stellen voor elke vacant verklaarde betrekking die bij mandaat toe te kennen is. Op het einde van dat nieuwe mandaat, als hij een beroepservaring van 20 jaar in de privé-sector of in de openbare sector heeft, wordt hij in vast verband benoemd in een graad van de onmiddellijk lagere rang dan die van het ambt dat hij in het kader van dat mandaat uitoefende, voor zover hij geen benoeming in een hogere graad genoot voordat hij tot mandaathouder werd benoemd.
Indien hij, nadat hij zijn kandidatuur heeft ingediend, bij de eerste toepassing van dit besluit, niet tot een nieuw mandaat wordt aangesteld, en hij een beroepservaring van 20 jaar in de privé-sector of in de openbare sector heeft, wordt hij in vast verband benoemd in een graad van de onmiddellijk lagere rang dan die van het ambt dat hij in het kader van zijn laatste mandaat uitoefende, voor zover hij geen benoeming in een hogere graad genoot voordat hij tot mandaathouder werd aangesteld. Hem wordt door de Regering een opdracht toegekend in verband met zijn rang.
Als de mandaathouder niet de vereiste ervaringsjaren heeft en hij geen ambtenaar van de diensten van de Franse Gemeenschap is of hij geen verlof geniet waarbij hij zijn vroegere betrekking opnieuw kan bekleden, geniet hij de voordelen bepaald in artikel 44, § 2.
§ 5. De mandaathouder aan wie, met toepassing van § 1, de evaluatie "met voorbehoud" wordt toegekend, kan, bij de eerste toepassing van dit besluit, niet worden aangesteld om de betrekking die hij tot nu toe bekleedde of een betrekking van de hogere rang te bekleden.
Als de mandaathouder geen ambtenaar van de diensten van de Franse Gemeenschap is of hij geen verlof geniet waarbij hij zijn vroegere betrekking opnieuw kan bekleden, geniet hij de voordelen bepaald in artikel 44, § 2.
§ 6. De mandaathouder aan wie, met toepassing van § 1, de evaluatie "ongunstig" wordt toegekend, kan niet worden aangesteld tot een betrekking die bij mandaat toe te kennen is bij de eerste toepassing van dit besluit en kan een dergelijke betrekking niet vóór 31 december 2019 bekleden.
§ 7. Wanneer een mandaathouder, met toepassing van § 3, dezelfde betrekking opnieuw mag bekleden, wordt de vacantverklaring van rechtswege ingetrokken.]1
Art. 55. [1 § 1er. En 2014, les mandataires de rang 17, 16 + et 16 des Services de la Communauté française, en fonction à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté, sont évalués par le nouveau Gouvernement installé à la suite du renouvellement du Parlement.
[2 En 2014, les mandataires de rang 15 des Services de la Communauté française, en fonction à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté, sont évalués par le nouveau Gouvernement installé à la suite du renouvellement du Parlement]2
Cette évaluation est réalisée selon les modalités suivantes. Des rapports d'évaluation motivés doivent être adressés au nouveau Gouvernement dans les quinze jours de la demande adressée par le Ministre de la Fonction publique. Ces rapports sont établis, pour chaque mandataire, respectivement par l'intéressé lui-même et par le Secrétaire général ou le fonctionnaire dirigeant. Pour ce qui concerne le Secrétaire général ou le fonctionnaire dirigeant, le deuxième rapport d'évaluation est établi respectivement par le Gouvernement en fonction lors de l'entrée en vigueur du présent arrêté ou par l'organe de gestion de l'organisme. Ce deuxième rapport d'évaluation est notifié au mandataire, qui dispose d'un délai de huit jours pour faire valoir, par écrit, ses observations. La proposition d'évaluation est faite par le nouveau Gouvernement et est notifiée au mandataire dans le mois de l'échéance de ce délai de huit jours. Dans les huit jours de la notification de l'évaluation autre que très favorable ou favorable par le Ministre de la Fonction publique, le mandataire peut introduire un recours auprès de la chambre de recours visée à l'article 38 et peut demander à être entendu. La chambre de recours rend son avis et le notifie dans les quinze jours de sa saisine. L'évaluation est adoptée par le nouveau Gouvernement dans le mois de la réception de cet avis.
Le deuxième rapport d'évaluation comprend les constats et appréciations sur la façon dont le mandataire a rempli sa mission et atteint ou non ses objectifs. Il ne comprend pas de proposition de mention d'évaluation.
Le nouveau Gouvernement procède à l'évaluation en attribuant une mention d'évaluation. Pour ce faire, il s'appuiera sur les éléments suivants :
- la lettre de mission du mandataire évalué;
- le plan opérationnel;
- le rapport d'évaluation établi par le mandataire lui-même;
- le rapport d'évaluation rédigé par le Gouvernement sortant, par l'organe de gestion de l'organisme, par le Secrétaire général ou par le fonctionnaire dirigeant;
- les éventuelles remarques fournies par le mandataire évalué sur ce rapport d'évaluation.
Par dérogation à l'alinéa 3 du présent paragraphe, le Secrétaire général peut introduire un recours auprès de la chambre de recours visée à l'article 38 également en cas d'évaluation favorable, et peut demander à être entendu.
Par dérogation à l'alinéa 4 du présent paragraphe, pour le Secrétaire général, le deuxième rapport, rédigé par le Gouvernement sortant, comporte une proposition de mention d'évaluation.
§ 2. L'évaluation visée au § 1er peut donner lieu à l'attribution des mentions suivantes :
1° "très favorable" : lorsque les objectifs stratégiques et opérationnels contenus dans le plan opérationnel auront soit été réalisés suffisamment et dans les délais prévus quantitativement et qualitativement, soit n'auront pas été réalisés suffisamment ou dans les délais prévus quantitativement ou qualitativement mais qu'il apparaît, sur la base des éléments de justification présentés par le mandataire, que cette situation est due à des circonstances imprévisibles ou indépendantes de lui-même.
Il faudra en outre que le mandataire ait suffisamment contribué à l'établissement d'une relation de confiance avec le Gouvernement, ait fait preuve d'innovation et d'initiative, et ait suffisamment contribué au rayonnement de son service;
2° "favorable" : lorsque les objectifs stratégiques et opérationnels contenus dans le plan opérationnel auront soit été réalisés suffisamment et dans les délais prévus quantitativement et qualitativement, soit n'auront pas été réalisés suffisamment ou dans les délais prévus quantitativement ou qualitativement, mais qu'il apparaît, sur la base des éléments de justification présentés par le mandataire, que cette situation est due à des circonstances imprévisibles ou indépendantes de lui-même;
3° "réservée" : lorsque les objectifs stratégiques et opérationnels contenus dans le plan opérationnel n'auront été que trop partiellement réalisés quantitativement ou qualitativement, ou n'auront pas été réalisés dans les délais prévus;
4° "défavorable" : lorsque les objectifs stratégiques et opérationnels contenus dans le plan opérationnel n'auront été qu'insuffisamment réalisés quantitativement ou qualitativement, ou n'auront pas été réalisés dans les délais prévus.
§ 3. Le mandataire auquel est attribuée, en application du § 1er, une évaluation très favorable est automatiquement versé dans le pool des candidats visé à l'article 14. Il est, à sa demande, automatiquement reconduit dans son mandat [3 ou, si la fonction qu'il occupait n'existe plus, désigné dans un mandat de même rang]3. [4 Pour l'exercice de ce mandat de même rang, il bénéficie au minimum du régime pécuniaire attaché au mandat qui le précède.]4 Au terme de ce nouveau mandat, s'il dispose d'une expérience professionnelle de 20 ans dans le secteur privé ou public, il est nommé définitivement à un grade de rang immédiatement inférieur à celui de la fonction qu'il exerçait dans le cadre de ce mandat, pour autant qu'il ne bénéficiait pas d'une nomination à un grade de rang supérieur préalablement à sa désignation comme mandataire. S'il ne bénéficie pas des années d'expérience requises et qu'il n'est ni agent des services de la Communauté française ni bénéficiaire d'un quelconque congé lui permettant de réintégrer son précédent emploi, le mandataire bénéficie des avantages prévus à l'article 44, § 2.
§ 4. Le mandataire auquel est attribuée, en application du § 1er, une évaluation favorable est automatiquement versé dans le pool des candidats visé à l'article 14. Il peut, à l'occasion de la première application du présent arrêté, poser sa candidature à tout emploi à pourvoir par mandat déclaré vacant. Au terme de ce nouveau mandat, s'il dispose d'une expérience professionnelle de 20 ans dans le secteur privé ou public, il est nommé définitivement à un grade de rang immédiatement inférieur à celui de la fonction exercée dans le cadre de ce mandat, pour autant qu'il ne bénéficiait pas d'une nomination à un grade de rang supérieur préalablement à sa désignation comme mandataire.
Si après avoir déposé sa candidature, à l'occasion de la première application du présent arrêté, il n'est pas désigné pour un nouveau mandat, et qu'il dispose d'une expérience professionnelle de 20 ans dans le secteur privé ou public, il est nommé définitivement à un grade de rang immédiatement inférieur à celui qu'il occupait lors de son dernier mandat, pour autant qu'il ne bénéficiait pas d'une nomination à un grade de rang supérieur préalablement à sa désignation comme mandataire. Il se voit confier une mission en rapport avec son rang par le Gouvernement.
S'il ne bénéficie pas des années d'expérience requises et qu'il n'est ni agent des services de la Communauté française ni bénéficiaire d'un quelconque congé lui permettant de réintégrer son précédent emploi, le mandataire bénéficie des avantages prévus à l'article 44, § 2.
§ 5. Le mandataire auquel est attribuée, en application du § 1er, une évaluation réservée ne peut, à l'occasion de la première application du présent arrêté, être désigné pour exercer par mandat l'emploi qu'il occupait jusqu'alors, ou un emploi de rang supérieur.
S'il n'est ni agent des services de la Communauté française ni bénéficiaire d'un quelconque congé lui permettant de réintégrer son précédent emploi, le mandataire bénéficie des avantages prévus à l'article 44, § 2.
§ 6. Le mandataire auquel est attribuée, en application du § 1er, une évaluation défavorable ne peut être désigné dans un emploi à pourvoir par mandat à l'occasion de la première application du présent arrêté ni exercer un tel emploi avant le 31 décembre 2019.
§ 7. Lorsqu'en application du § 3, un mandataire est reconduit dans le même emploi, la déclaration de vacance est retirée de plein droit.]1
[2 En 2014, les mandataires de rang 15 des Services de la Communauté française, en fonction à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté, sont évalués par le nouveau Gouvernement installé à la suite du renouvellement du Parlement]2
Cette évaluation est réalisée selon les modalités suivantes. Des rapports d'évaluation motivés doivent être adressés au nouveau Gouvernement dans les quinze jours de la demande adressée par le Ministre de la Fonction publique. Ces rapports sont établis, pour chaque mandataire, respectivement par l'intéressé lui-même et par le Secrétaire général ou le fonctionnaire dirigeant. Pour ce qui concerne le Secrétaire général ou le fonctionnaire dirigeant, le deuxième rapport d'évaluation est établi respectivement par le Gouvernement en fonction lors de l'entrée en vigueur du présent arrêté ou par l'organe de gestion de l'organisme. Ce deuxième rapport d'évaluation est notifié au mandataire, qui dispose d'un délai de huit jours pour faire valoir, par écrit, ses observations. La proposition d'évaluation est faite par le nouveau Gouvernement et est notifiée au mandataire dans le mois de l'échéance de ce délai de huit jours. Dans les huit jours de la notification de l'évaluation autre que très favorable ou favorable par le Ministre de la Fonction publique, le mandataire peut introduire un recours auprès de la chambre de recours visée à l'article 38 et peut demander à être entendu. La chambre de recours rend son avis et le notifie dans les quinze jours de sa saisine. L'évaluation est adoptée par le nouveau Gouvernement dans le mois de la réception de cet avis.
Le deuxième rapport d'évaluation comprend les constats et appréciations sur la façon dont le mandataire a rempli sa mission et atteint ou non ses objectifs. Il ne comprend pas de proposition de mention d'évaluation.
Le nouveau Gouvernement procède à l'évaluation en attribuant une mention d'évaluation. Pour ce faire, il s'appuiera sur les éléments suivants :
- la lettre de mission du mandataire évalué;
- le plan opérationnel;
- le rapport d'évaluation établi par le mandataire lui-même;
- le rapport d'évaluation rédigé par le Gouvernement sortant, par l'organe de gestion de l'organisme, par le Secrétaire général ou par le fonctionnaire dirigeant;
- les éventuelles remarques fournies par le mandataire évalué sur ce rapport d'évaluation.
Par dérogation à l'alinéa 3 du présent paragraphe, le Secrétaire général peut introduire un recours auprès de la chambre de recours visée à l'article 38 également en cas d'évaluation favorable, et peut demander à être entendu.
Par dérogation à l'alinéa 4 du présent paragraphe, pour le Secrétaire général, le deuxième rapport, rédigé par le Gouvernement sortant, comporte une proposition de mention d'évaluation.
§ 2. L'évaluation visée au § 1er peut donner lieu à l'attribution des mentions suivantes :
1° "très favorable" : lorsque les objectifs stratégiques et opérationnels contenus dans le plan opérationnel auront soit été réalisés suffisamment et dans les délais prévus quantitativement et qualitativement, soit n'auront pas été réalisés suffisamment ou dans les délais prévus quantitativement ou qualitativement mais qu'il apparaît, sur la base des éléments de justification présentés par le mandataire, que cette situation est due à des circonstances imprévisibles ou indépendantes de lui-même.
Il faudra en outre que le mandataire ait suffisamment contribué à l'établissement d'une relation de confiance avec le Gouvernement, ait fait preuve d'innovation et d'initiative, et ait suffisamment contribué au rayonnement de son service;
2° "favorable" : lorsque les objectifs stratégiques et opérationnels contenus dans le plan opérationnel auront soit été réalisés suffisamment et dans les délais prévus quantitativement et qualitativement, soit n'auront pas été réalisés suffisamment ou dans les délais prévus quantitativement ou qualitativement, mais qu'il apparaît, sur la base des éléments de justification présentés par le mandataire, que cette situation est due à des circonstances imprévisibles ou indépendantes de lui-même;
3° "réservée" : lorsque les objectifs stratégiques et opérationnels contenus dans le plan opérationnel n'auront été que trop partiellement réalisés quantitativement ou qualitativement, ou n'auront pas été réalisés dans les délais prévus;
4° "défavorable" : lorsque les objectifs stratégiques et opérationnels contenus dans le plan opérationnel n'auront été qu'insuffisamment réalisés quantitativement ou qualitativement, ou n'auront pas été réalisés dans les délais prévus.
§ 3. Le mandataire auquel est attribuée, en application du § 1er, une évaluation très favorable est automatiquement versé dans le pool des candidats visé à l'article 14. Il est, à sa demande, automatiquement reconduit dans son mandat [3 ou, si la fonction qu'il occupait n'existe plus, désigné dans un mandat de même rang]3. [4 Pour l'exercice de ce mandat de même rang, il bénéficie au minimum du régime pécuniaire attaché au mandat qui le précède.]4 Au terme de ce nouveau mandat, s'il dispose d'une expérience professionnelle de 20 ans dans le secteur privé ou public, il est nommé définitivement à un grade de rang immédiatement inférieur à celui de la fonction qu'il exerçait dans le cadre de ce mandat, pour autant qu'il ne bénéficiait pas d'une nomination à un grade de rang supérieur préalablement à sa désignation comme mandataire. S'il ne bénéficie pas des années d'expérience requises et qu'il n'est ni agent des services de la Communauté française ni bénéficiaire d'un quelconque congé lui permettant de réintégrer son précédent emploi, le mandataire bénéficie des avantages prévus à l'article 44, § 2.
§ 4. Le mandataire auquel est attribuée, en application du § 1er, une évaluation favorable est automatiquement versé dans le pool des candidats visé à l'article 14. Il peut, à l'occasion de la première application du présent arrêté, poser sa candidature à tout emploi à pourvoir par mandat déclaré vacant. Au terme de ce nouveau mandat, s'il dispose d'une expérience professionnelle de 20 ans dans le secteur privé ou public, il est nommé définitivement à un grade de rang immédiatement inférieur à celui de la fonction exercée dans le cadre de ce mandat, pour autant qu'il ne bénéficiait pas d'une nomination à un grade de rang supérieur préalablement à sa désignation comme mandataire.
Si après avoir déposé sa candidature, à l'occasion de la première application du présent arrêté, il n'est pas désigné pour un nouveau mandat, et qu'il dispose d'une expérience professionnelle de 20 ans dans le secteur privé ou public, il est nommé définitivement à un grade de rang immédiatement inférieur à celui qu'il occupait lors de son dernier mandat, pour autant qu'il ne bénéficiait pas d'une nomination à un grade de rang supérieur préalablement à sa désignation comme mandataire. Il se voit confier une mission en rapport avec son rang par le Gouvernement.
S'il ne bénéficie pas des années d'expérience requises et qu'il n'est ni agent des services de la Communauté française ni bénéficiaire d'un quelconque congé lui permettant de réintégrer son précédent emploi, le mandataire bénéficie des avantages prévus à l'article 44, § 2.
§ 5. Le mandataire auquel est attribuée, en application du § 1er, une évaluation réservée ne peut, à l'occasion de la première application du présent arrêté, être désigné pour exercer par mandat l'emploi qu'il occupait jusqu'alors, ou un emploi de rang supérieur.
S'il n'est ni agent des services de la Communauté française ni bénéficiaire d'un quelconque congé lui permettant de réintégrer son précédent emploi, le mandataire bénéficie des avantages prévus à l'article 44, § 2.
§ 6. Le mandataire auquel est attribuée, en application du § 1er, une évaluation défavorable ne peut être désigné dans un emploi à pourvoir par mandat à l'occasion de la première application du présent arrêté ni exercer un tel emploi avant le 31 décembre 2019.
§ 7. Lorsqu'en application du § 3, un mandataire est reconduit dans le même emploi, la déclaration de vacance est retirée de plein droit.]1
Art. 55bis. [1 § 1. De directeur-generaal van het Directoraat-generaal Justitiehuizen, overgedragen van de diensten van de Regering van de Federale Staat naar de diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap, zet zijn mandaat voort tot de datum die bij zijn benoemingsbesluit werd vastgesteld.
Bij een met redenen omklede beslissing, kan de Regering de duur van het in het vorige lid bedoelde mandaat verlengen tot de vervaldatum van de mandaten die in artikel 22, eerste lid van dit besluit bepaald wordt. De mandaathouder behoudt, gedurende de periode van die verlenging, zijn wedde alsook elk geldelijk voordeel dat gepaard gaat met zijn oorspronkelijke mandaat.
§ 2. De directeur-generaal van het Directoraat-generaal Justitiehuizen wordt door de Regering van de Franse Gemeenschap uiterlijk op 1 juli 2018 geëvalueerd.
De in het eerste lid bedoelde evaluatie wordt uitgevoerd volgens de door de artikelen 33 en volgende van dit besluit nader te bepalen regels.
De evaluatie heeft betrekking op de wijze waarop de mandaathouder de beheersopdrachten heeft uitgevoerd die worden opgenomen in het managementplan en het operationeel plan, zoals die werden bepaald tussen de mandaathouder en zijn oorspronkelijke dienst.
§ 3. De leidende ambtenaren-generaal van de Regionale Directie Zuid van de Justitehuizen en van het Nationaal Centrum Elektronisch Toezicht worden, met hun toestemming, bij mandaat aangesteld in het ambt dat overeenstemt met het ambt dat ze op de datum van hun overdracht uitoefenden op voorwaarde dat ze in de pool van kandidaten bedoeld in artikel 14, derde lid, 9°, van dit besluit opgenomen zijn.
De in het vorige lid bedoelde mandaathouders worden uiterlijk op 31 juli 2015 aangesteld.]1
Bij een met redenen omklede beslissing, kan de Regering de duur van het in het vorige lid bedoelde mandaat verlengen tot de vervaldatum van de mandaten die in artikel 22, eerste lid van dit besluit bepaald wordt. De mandaathouder behoudt, gedurende de periode van die verlenging, zijn wedde alsook elk geldelijk voordeel dat gepaard gaat met zijn oorspronkelijke mandaat.
§ 2. De directeur-generaal van het Directoraat-generaal Justitiehuizen wordt door de Regering van de Franse Gemeenschap uiterlijk op 1 juli 2018 geëvalueerd.
De in het eerste lid bedoelde evaluatie wordt uitgevoerd volgens de door de artikelen 33 en volgende van dit besluit nader te bepalen regels.
De evaluatie heeft betrekking op de wijze waarop de mandaathouder de beheersopdrachten heeft uitgevoerd die worden opgenomen in het managementplan en het operationeel plan, zoals die werden bepaald tussen de mandaathouder en zijn oorspronkelijke dienst.
§ 3. De leidende ambtenaren-generaal van de Regionale Directie Zuid van de Justitehuizen en van het Nationaal Centrum Elektronisch Toezicht worden, met hun toestemming, bij mandaat aangesteld in het ambt dat overeenstemt met het ambt dat ze op de datum van hun overdracht uitoefenden op voorwaarde dat ze in de pool van kandidaten bedoeld in artikel 14, derde lid, 9°, van dit besluit opgenomen zijn.
De in het vorige lid bedoelde mandaathouders worden uiterlijk op 31 juli 2015 aangesteld.]1
Art. 55bis. [1 § 1er. La Directrice générale de la Direction générale des Maisons de Justice ayant fait l'objet d'un transfert des services du Gouvernement de l'Etat fédéral vers les services du Gouvernement de la Communauté française, poursuit son mandat jusqu'au terme prévu par son arrêté de nomination.
Le Gouvernement peut, par décision motivée, prolonger la durée du mandat visé à l'alinéa précédent jusqu'à la date d'échéance des mandats fixée par l'article 22, alinéa 1er, du présent arrêté. La mandataire conserve, pendant la durée de cette prolongation, son traitement ainsi que tout avantage pécuniaire attaché à son mandat initial.
§ 2. La Directrice générale de la Direction générale des Maisons de Justice sera évaluée par le Gouvernement de la Communauté française au plus tard le 1er juillet 2018.
L'évaluation visée à l'alinéa 1er est effectuée selon les modalités fixées par les articles 33 et suivants du présent arrêté.
L'évaluation porte sur la façon dont la mandataire s'est acquittée des missions de gestions reprises dans le plan de management et le plan opérationnel tels qu'ils ont été définis entre la mandataire et son service d'origine.
§ 3. Les fonctionnaires généraux dirigeants de la Direction régional sud des Maisons de Justice et du Centre National de Surveillance Electronique sont, moyennant leur accord, désignés par mandat dans la fonction correspondante à celle qu'ils exerçaient au moment de leur transfert à la condition qu'ils soient intégrés dans le " pool de candidats " visé à l'article 14, alinéa 3, 9° du présent arrêté.
La désignation des mandataires visés à l'alinéa précédent intervient au plus tard le 31 juillet 2015.]1
Le Gouvernement peut, par décision motivée, prolonger la durée du mandat visé à l'alinéa précédent jusqu'à la date d'échéance des mandats fixée par l'article 22, alinéa 1er, du présent arrêté. La mandataire conserve, pendant la durée de cette prolongation, son traitement ainsi que tout avantage pécuniaire attaché à son mandat initial.
§ 2. La Directrice générale de la Direction générale des Maisons de Justice sera évaluée par le Gouvernement de la Communauté française au plus tard le 1er juillet 2018.
L'évaluation visée à l'alinéa 1er est effectuée selon les modalités fixées par les articles 33 et suivants du présent arrêté.
L'évaluation porte sur la façon dont la mandataire s'est acquittée des missions de gestions reprises dans le plan de management et le plan opérationnel tels qu'ils ont été définis entre la mandataire et son service d'origine.
§ 3. Les fonctionnaires généraux dirigeants de la Direction régional sud des Maisons de Justice et du Centre National de Surveillance Electronique sont, moyennant leur accord, désignés par mandat dans la fonction correspondante à celle qu'ils exerçaient au moment de leur transfert à la condition qu'ils soient intégrés dans le " pool de candidats " visé à l'article 14, alinéa 3, 9° du présent arrêté.
La désignation des mandataires visés à l'alinéa précédent intervient au plus tard le 31 juillet 2015.]1
Modifications
Art. 56. § 1. Bij de eerste toepassing van dit besluit door de nieuwe Regering bedoeld in artikel 55, § 1, worden de mandaathouders uiterlijk op de volgende datums aangesteld :
1° de aanstelling van de mandaathouders van de rangen 17, 16+ en 16 van de diensten van de Franse Gemeenschap zal uiterlijk op 31 december 2014 plaatsvinden;
2° de aanstelling van de mandaathouders van rang 15 van de diensten van de Franse Gemeenschap zal uiterlijk op 31 juli 2015 plaatsvinden.
Naar aanleiding van die eerste aanstelling zullen de kandidaten voor een betrekking die bij mandaat toe te kennen is aan de in artikel 5 bepaalde voorwaarde uiterlijk op de volgende datums moeten voldoen :
1° 1 december 2014, voor de mandaathouders van de rangen 17, 16+ en 16 van de diensten van de Franse Gemeenschap;
2° 1 juli 2015, voor de mandaathouders van rang 15 van de diensten van de Franse Gemeenschap.
§ 2. In afwijking van artikel 15, § 1, bij de eerste toepassing van dit besluit op de mandaathouders van rang 15, worden de betrekkingen uiterlijk op 1 februari 2015 vacant verklaard.
1° de aanstelling van de mandaathouders van de rangen 17, 16+ en 16 van de diensten van de Franse Gemeenschap zal uiterlijk op 31 december 2014 plaatsvinden;
2° de aanstelling van de mandaathouders van rang 15 van de diensten van de Franse Gemeenschap zal uiterlijk op 31 juli 2015 plaatsvinden.
Naar aanleiding van die eerste aanstelling zullen de kandidaten voor een betrekking die bij mandaat toe te kennen is aan de in artikel 5 bepaalde voorwaarde uiterlijk op de volgende datums moeten voldoen :
1° 1 december 2014, voor de mandaathouders van de rangen 17, 16+ en 16 van de diensten van de Franse Gemeenschap;
2° 1 juli 2015, voor de mandaathouders van rang 15 van de diensten van de Franse Gemeenschap.
§ 2. In afwijking van artikel 15, § 1, bij de eerste toepassing van dit besluit op de mandaathouders van rang 15, worden de betrekkingen uiterlijk op 1 februari 2015 vacant verklaard.
Art. 56. § 1er. A l'occasion de la première application du présent arrêté, par le nouveau Gouvernement visé à l'article 55, § 1er, la désignation des mandataires interviendra au plus tard aux dates suivantes :
1° la désignation des mandataires de rang 17, 16 + et 16 des services de la Communauté française interviendra au plus tard le 31 décembre 2014;
2° la désignation des mandataires de rang 15 des services de la Communauté française interviendra au plus tard le 31 juillet 2015.
A cette occasion de cette première désignation, la condition définie à l'article 5 devra être remplie par les candidats à un emploi à pourvoir par mandat au plus tard aux dates suivantes :
1° au plus tard le 1er décembre 2014, pour les mandataires de rang 17, 16 + et 16 des services de la Communauté française;
2° au plus tard le 1er juillet 2015, pour les mandataires de rang 15 des services de la Communauté française.
§ 2. Par dérogation à l'article 15, § 1er, lors de la première application du présent arrêté aux mandataires de rang 15, les emplois sont déclarés vacants au plus tard le 1er février 2015.
1° la désignation des mandataires de rang 17, 16 + et 16 des services de la Communauté française interviendra au plus tard le 31 décembre 2014;
2° la désignation des mandataires de rang 15 des services de la Communauté française interviendra au plus tard le 31 juillet 2015.
A cette occasion de cette première désignation, la condition définie à l'article 5 devra être remplie par les candidats à un emploi à pourvoir par mandat au plus tard aux dates suivantes :
1° au plus tard le 1er décembre 2014, pour les mandataires de rang 17, 16 + et 16 des services de la Communauté française;
2° au plus tard le 1er juillet 2015, pour les mandataires de rang 15 des services de la Communauté française.
§ 2. Par dérogation à l'article 15, § 1er, lors de la première application du présent arrêté aux mandataires de rang 15, les emplois sont déclarés vacants au plus tard le 1er février 2015.
Art. 57. § 1. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het wordt ondertekend. (NOTA : lees dag van publicatie, zie Franse versie)
§ 2. In afwijking van § 1, treden de artikelen 1 tot 6, 14 tot 51, 53, 54 en 56 van dit besluit op 1 juli 2014 in werking.
§ 2. In afwijking van § 1, treden de artikelen 1 tot 6, 14 tot 51, 53, 54 en 56 van dit besluit op 1 juli 2014 in werking.
Art. 57. § 1. Le présent arrêté entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge.
§ 2. Par dérogation au § 1er, les articles 1er à 6, 14 à 51, 53, 54 et 56 du présent arrêté entrent en vigueur le 1er juillet 2014.
§ 2. Par dérogation au § 1er, les articles 1er à 6, 14 à 51, 53, 54 et 56 du présent arrêté entrent en vigueur le 1er juillet 2014.
Art. 58. De Minister van Ambtenarenzaken wordt belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 58. Le Ministre de la Fonction publique est chargé de l'exécution du présent arrêté.